VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 311

.

RUDOLF STEINER

.

GA 311

.

Die Kunst des Erziehens aus der Erfassung der Menschenwesenheit

De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens

Voordracht 4, Torquay, 15 augustus 1924

Blz. 76

Und aus dieser Menschenkenntnis heraus muß man versuchen, wirklich das einzurichten, was man an das Kind heranzubringen hat.
So kann man auch gewisse Harmonisierungen in den Farben er­reichen. Nehmen wir an, ich mache zunächst mit dem Kinde die Übung, daß ich solch eine Malerei bringe (siehe Zeichnung I). Jetzt bringen wir ihm bei, indern wir sein Gefühl erregen, daß neben die­ser roten Farbfläche (innen) eine grüne Farbfläche sich harmonischgut fühlen läßt. Das muß natürlich mit Farben ausgeführt werden, dann sieht man es besser. Jetzt versucht man dem Kinde klarzu­machen: Ich werde die Sache einmal umdrehen. Schau, ich mache hier (innen) das Grün (Zeichnung II); was wirst du mir da rund­herum machen? Dann wird das Kind rundherum rot malen. Man bekommt dadurch, daß man diese Dinge macht, das Kind dazu, all­mählich die Harmonik der Farben zu empfinden. Das Kind lernt wissen: wenn ich hier in der Mitte eine rote Fläche habe, ringsherum Grün (Zeichnung I), so muß ich, wenn nun das Rot grün wird, das Grüne rot machen. Dieses Sich-Entsprechen von Farbe und Form auf das Kind wirken lassen, das ist von einer ungeheuren Bedeutung ge­rade in diesem Lebensalter gegen das 8. Jahr hin.

En vanuit deze menskunde moet je proberen praktisch te organiseren wat je het kind aan te bieden hebt.
Op die manier kun je ook bepaalde kleurharmonieën bereiken. Laten we aannemen dat ik eerst met het kind zo’n soort schilderoefening doe:

GA 311 blz. 76  1

blz.76 tek.  l

Nu leren we hem, zijn gevoel stimulerend, dat naast dit rode vlak (vanbinnen) een groen vlak harmonisch goed voelt. Dit moet natuurlijk met kleur worden gedaan, dan zie je het beter. Nu probeer ik de kinderen duidelijk te maken: ik zal het eens omkeren. ‘Kijk, ik maak het hier (vanbinnen) groen:

GA 311 blz. 76  2

blz.76 tek. ll

wat zou je daar nu omheen zetten?’ Dan zal het daar rood omheen maken. Daardoor krijg je, wanneer je dit doet, het kind ertoe langzamerhand de harmonie van de kleuren gewaar te worden. Het kind leert: wanneer ik hier in het midden een rood vlak heb en daaromheen groen (tek.l) dan moet ik, wanneer het rood groen wordt, het groene rood maken. Dit tegengesteld bij elkaar passen van kleur en vorm, op het kind laten werken, is van enorme betekenis, juist op de leeftijd tegen het 8e jaar.

GA 311/76
Op deze blog vertaald/76

.

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3343-3145

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (99)

.

In ‘Opspattend grind’ ging het al wel vaker over muziekonderwijs op de basisschool.

In 2014 kon je in de krant een artikel vinden: ‘Zingende kinderen zijn socialer

In 2015 opnieuw een pleidooi omte zingen‘.

In 2016 is de kop van een artikel: ‘Muziekonderwijs verbroedert

Nu is het 2024 en als je dit artikel mag geloven, is er nog niet veel verbeterd:
.

Muziekonderwijs helpt leerling ook bij rekenen en taal

Twee Pabo-muziekdocenten merken op dat de resultaten van leerlingen voor de basisvakken taal en rekenen achteruit hollen. De keuze voor de oplossing is meestal: wekelijks extra uren inzetten voor deze vakken.

Maar volgens de schrijvers levert dat nauwelijks resultaten op, terwijl de oplossing voor het grijpen ligt: investeren in muziekonderwijs.

Zij beroepen zich op wetenschappers die keer op keer het positieve effect van muziekonderwijs op de hersenen aantonen.

Aan het samen musiceren worden nu nog meer kwaliteiten toegeschreven:
cognitieve functies zoals taalverwerving, leesvaardigheid, concentratievermogen, plannen en zelfbeheersing gaan erop vooruit. Kinderen die wekelijks muziekles krijgen, presteren beter op taken die executieve functies* vereisen.


* de denkfuncties die je nodig hebt om succesvol te kunnen functioneren in het dagelijks leven, met alle uitdagingen of veranderingen die dit dagelijks leven met zich mee brengt.

Daarnaast versterkt muziekonderwijs sociale vaardigheden zoals empathie en emotionele intelligentie, wat een positief effect heeft op het individu en de klas.

Dat van de sociale vaardigheden is voor vrijeschoolleerkrachten geen onbekend gegeven, in 1919 zei Steiner al:

Niet vergeten moet worden dat al het plastisch – beeldende werkt aan de individualiteit van de mens, maar al het muzikaal-dichterlijke daarentegen bevordert het sociale leven .
GA 294/46
Vertaald 

Dan trekken de auteurs een interessante conclusie:

In deze tijd, waarin het vaak gaat over burgerschap, kansengelijkheid en diversiteit, zou je daarom verwachten dat muziek een vaste plek in het basisschoolcurriculum heeft.

Maar, zoals uit alle artikeltjes blijkt waarnaar hierboven wordt verwezen: daar waar muziek een belangrijke factor zou moeten zijn: in de opleiding voor leerkracht, de PABO – daar wordt muziek nauwelijks van belang geacht.

Op 1 augustus stond in dagblad Trouw nog dat pabo’s aankomende leerkrachten vrijwel niets leren over muziekonderwijs. De meeste groepsleerkrachten in het basisonderwijs hebben maar een beperkte basis van het vak muziek . Als zij zich niet competent voelen, sneuvelt muziek in die klassen, met alle desastreuze gevolgen van dien.

Maar er is hoop:

Op diverse pabo’s in Nederland wordt de post-hbo-opleiding vakspecialist muziek aangeboden. Hierin worden huidige en toekomstige groepsleerkrachten opgeleid tot kartrekker voor muziek in een basisschoolteam. De vakspecialist muziek is onderdeel van het team en fungeert als bruggenbouwer in de school: geeft muzieklessen, ondersteunt teamleden, legt contacten met culturele instellingen, werkt samen met vakleerkrachten en is zo een echte spin in het web. Groepsleerkracht, vakleerkracht en vakspecialist muziek dragen zo samen zorg voor goed muziekonderwijs op school.

Als we het onderwijs op de basisschool willen versterken en verrijken, dan is die vakspecialist muziek een uitgelezen kans: de groepsleerkracht wordt ondersteund en alle leerlingen krijgen de kans zich cognitief, sociaal en muzikaal beter te ontwikkelen. Basisscholen, grijp die kans.

Belén Kerkhoven en Herman Weelink,
Netwerk Muziekdocenten Pabo

In Trouw, 18-10-2024

.

 Mens en muziek

Blokfluitspelen

Over het aanleren van het notenschrift

Opspattend grindalle artikelen

Vrijeschoolliederen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3342-3144

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (GA 300B) – [1-3]

.

Al in 1908 merkt Steiner iets op over ‘wat er in de scholen aan de muur zou moeten hangen’. Vanuit een bepaalde context wordt ook het waarom duidelijk.

In een vergadering met de leerkrachten op 22 november 1920 is er een aanleiding om erover te spreken.

In deze vergadering kondigt Steiner aan dat hij er nog verder over wil spreken.
Dat gebeurt (pas) op 23 januari 1923.
Wel maakt Steiner nog een korte opmerking op 15 oktober 1922:

Ich würde es gar nicht für schlimm finden, wenn Herr Wolffhügel etwas dafür sorgt, daß unsere Klassen nicht so schmucklos sind, sondern etwas künstlerischen Inhalt hätten. Amusisch wirkt noch unsere Schule.

Ik zou het niet erg vinden als meneer Wolffhügel ervoor zorgt dat onze klassen niet zo kaal zijn, maar van een artistiek gehalte. Onze school ziet er nog gebrekkig uit wat kunstzin betreft.
GA 300B/151
Niet vertaald

Vergadering van 23 januari 1923, ’s middags

Blz. 228

Dr. Steiner: Ich möchte einiges sagen in bezug auf die Dinge, die mir jetzt durch die Seele gezogen sind bei diesem Besuch in der Schule, und zwar mit Bezug auf die Wände. Nicht wahr, jetzt, wo alles in der neuen Umhüllung erscheint, ist es noch auffälliger als früher, daß es bei einer Schule nicht gut angeht, daß da und dort ein verlorenes und nicht gerade ausgezeichnetes Bildchen hängt. Es wäre schon notwendig, daß auch in dieser Beziehung unsere Schule nicht gerade
einen hervorragend unkünstlerischen Eindruck machen würde.
Nun ist es selbstverständlich, daß in diesem Stadium nicht Ideale erfüllt werden können, aber wenigstens scheint es mir gut zu sein, wenn wir Ideale so vor uns haben, daß wir uns in der Richtung nach ihnen bewegen können, wenigstens mit unserem Denken, so daß zuletzt irgend etwas nach dieser Richtung herauskommen könnte.
Ich meine, daß Sie das, was ich sage, nicht wiederum so auffassen sollen, wie manchmal solche Dinge aufgefaßt werden, wenn man zum Beispiel genötigt ist zu sagen: Das und dies ist der Unterschied zwischen Fleisch- und Pflanzennahrung, so ziehen die Leute gleich die Konsequenz des Agitierens.

Ik zou graag iets willen zeggen over de dingen die bij mij gevoelens opriepen tijdens dit schoolbezoek, namelijk wat de muren betreft. Niet waar, juist nu alles in een nieuwe jasje verschijnt, valt het nog meer op dan voorheen dat het op een school niet goed gaat als er hier en daar verloren een niet bepaald prachtige illustratie hangt. Ook op dit vlak zou onze school niets moeten doen om een uiterst onartistieke indruk te maken.
Het spreekt voor zich dat er in dit stadium geen idealen vervuld kunnen worden, maar het lijkt mij in ieder geval goed, wanneer we de idealen zo voor ons hebben, dat we ons in die richting kunnen bewegen, op z’n minst met ons denken, zodat op de duur er iets in deze richting kan ontstaan.
Ik denk dat wat ik zeg ook weer niet zo opvat hoeft te worden, zoals dat soms gebeurt, wanneer je bv. moet zeggen: dit en dat is het verschil tussen dierlijk en plantaardig voedsel, dat de mensen meteen conclusies trekken en beginnen te protesteren.

Nehmen Sie es also als die Hinstellung eines Ideales: Wie eigentlich aus unserer Pädagogik selbst heraus die künstlerische Ausgestaltung der Schulzimmer sein sollte. Es würde sich dann so zu erweitern haben, daß vielleicht auch dasjenige, was wir im Schulzimmer finden, in der Nähe des Schulzimmers auf den Wänden in ähnlicher Art zu finden wäre.
Eine gewisse Ausgestaltung durch Bildwerke ist in den Schulzimmern schon zweifellos notwendig. Nicht weil ich denke, daß wir das morgen einführen sollen, sondern damit wir eine Orientierung haben sollen, wie das im Sinne unserer Pädagogik sich ausnimmt, möchte ich dasjenige, was sich mir ergeben hat, mitteilen.
Wir haben die unteren Klassen; bei denen würde es sich tatsächlich mehr handeln müssen um das Stoffliche desjenigen, was bildhaft den Kindern geboten wird, während man allmählich zum Künstlerischen auf der einen Seite, wie zu den mehr praktischen Angelegenheiten des Lebens übergehen kann. Ich werde nur die Hauptsachen heute nennen, und es kann sich im Laufe der Zeit die Sache wesentlich vertiefen. Es wird sich darum handeln, daß auch da, wo das Stoffliche die Hauptrolle zu spielen hat in bezug auf die künstlerische Ausgestaltung, daß auch da selbstverständlich nicht irgendeine phili-

Beschouw het dus als het aangeven van een ideaal: hoe eigenlijk vanuit onze pedagogie zelf de kunstzinnige vormgeving van het lokaal zou moeten zijn.
Het zou dan zo verder ontwikkeld moeten worden dat wat we in het klaslokaal vinden, vlakbij het klaslokaal, aan de muur op een vergelijkbare manier te vinden is.
Een zekere mate van versiering door middel van afbeeldingen is in de schoollokalen ongetwijfeld noodzakelijk. Niet omdat ik denk dat we dat morgen moeten invoeren, maar opdat we enige oriëntatie hebben hoe dat eruit ziet in de zin van onze pedagogie, zou ik zoals ik erover denk, iets willen meedelen.
We hebben de lagere klassen; daar zou het eigenlijk meer moeten gaan om het thema van wat aan beeldmateriaal aan de kinderen wordt geboden,
terwijl je geleidelijk enerzijds tot het kunstzinnige, anderzijds tot de meer praktische zaken van het leven kan overgaan. Ik zal vandaag alleen de belangrijkste zaken behandelen en in de loop van de tijd kunnen we dat nog aanzienlijk verdiepen. Het zal erom gaan dat zelfs daar waar het thema de hoofdrol moet spelen in relatie tot de artistieke vormgeving, we vanzelfsprekend ook daarbij niet een of andere kleinburgerlijke

ströse Illustration da sein darf, sondern daß die Dinge künstlerisch
gestaltet sein müssen, und zwar nicht einseitig künstlerisch gestaltet,
sondern schon so, daß man nicht irgendwelche künstlerische Spezialmeinungen und Spezialstile zur Durchführung bringt, sondern dasjenige, was mehr allgemein menschlich erscheint.
Wenn wir die 1. Klasse nehmen, so würde es sich darum handeln, daß
wir unsere Wände schmücken mit Märchendarstellungen, welche,
wenn es geht, farbig gehalten sind. Nun muß ich betonen, wenn es
nicht geht, für die ganze Durchführung der Sache Farbiges zu haben, so muß manches dann in farblosen Reproduktionen hängen. Besser ist es, eine Reproduktion zu haben, die gut ist, die in der Technik, in der sie gehalten ist, gut ist, als irgendeine schlechte Kopie von den Dingen, die ich meine. In der 1. Klasse würde es sich um Märchendarstellungen handeln, in der 2. Klasse um Legendendarstellungen.
Das müßte streng eingehalten werden.
Sie können sich denken, daß dadurch in einer bestimmten Weise fortdauernd auf das kindliche Gemüt der richtige Impuls ausgeübt werden kann. Nur dürfen die Dinge nicht der Bildschmuck der Bilderbücher sein, sondern sie müssen künstlerisch durchgeführt werden. Da würde es sich lohnen, sich Aufgaben zu stellen, aber nicht in einer einseitigen Malmanier, sondern so, daß die Dinge allgemein menschlich sind

illustraties mogen hebben, maar dat de dingen kunstzinnig gemaakt zijn, maar ook niet weer niet te eenzijdig kunstzinnig vormgegeven, dat je niet een of ander kunstzinnig specialisme of een speciale stijl door gaat voeren, maar meer iets dat algemeen menselijk is.
Wanneer we de 1e klas nemen, gaat het erom dat we onze muren verfraaien met sprookjesvoorstellingen die, als het gaat, in kleur zijn. Nu moet ik er de nadruk op leggen, dat wanneer het niet lukt om iets met kleur te krijgen, we dan sommige dingen dan maar zonder kleur ophangen. Het is beter een reproductie te hebben die goed is met de techniek die gebruikt is, dan een of andere slechte kopie van de dingen die ik bedoel. In de 1e klas gaat het dus om sprookjesvoorstellingen, in de 2e om legenden.
We moeten ons daar streng aan houden.
U kan wel bedenken dat daardoor op een bepaalde manier steeds op het kinderlijke gevoel de juiste impuls uitgeoefend kan worden.
Nu moeten de dingen niet de prenten zijn uit prentenboeken, maar ze moeten kunstzinnig gemaakt zijn.
Het zou de moeite waard zijn om onszelf taken op te leggen, maar niet op een eenzijdige schildermanier, maar op zo’n manier dat dingen over het algemeen menselijk zijn.

Wenn wir in die 3. Klasse kommen, dann müssen wir dem Seelenzustand dadurch Rechnung tragen, daß man dasjenige an den Wänden hat, was man im philiströsen Leben Stilleben nennt, Pflanzendarstellungen, Blumendarstellungen; natürlich nicht die gewöhnlichen Stilleben, sondern wirklich Darstellungen des Lebendigen, aber noch nicht des Empfindenden. Es ist gut, wenn man das Kind nun so weit bringt, als es eigentlich mit der Seele mit kann, und die Darstellungen des Empfindenden, des Tierischen, die müßte man für die nächste Klasse, die 4. Klasse, aufbewahren, weil da die Seele des Kindes anfängt, nun schon die Darstellung auf das Empfinden zu beziehen. Das Kind hat erst von dieser Zeit an ein Gefühl davon, daß es selbst Empfindung hat, wenn das Gefühl auch noch dumpf ist.
Tierische Darstellungen, die früher auf das Kind in Kinderbüchern wirken, die wirken so, daß das Kind nicht unterscheidet, ob in der bildhaften Darstellung eine wirkliche Kuh wiedergegeben ist oder eine aus Holz gemachte Kuh. Es gibt für das Kind so ungefähr vor dem Lebensalter zwischen neun und zehn Jahren keine Möglichkeit zu unterscheiden, wirklich lebensvoll innerlich zu unterscheiden zwischen der Darstellung einer wirklichen und einer aus Holz

Als we bij de 3e klas komen, moeten we rekening houden met het gevoelsleven, door op de muren te hebben wat in het kleinburgerlijke stillevens genoemd worden, voorstellingen van planten, voorstellingen van bloemen; natuurlijk niet de gebruikelijke stillevens, maar echt voorstellingen van het levende, maar nog niet van het voelende. Het is goed om het kind zover te brengen als het daadwerkelijk met zijn ziel kan gaan en de voorstellingen van het voelende, van het dier, te bewaren voor de volgende klas, de 4e, omdat het kind nu met zijn gevoel de voorstelling in verband begint te brengen met wat het ervaart. Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof. Dierenvoorstellingen die vroeger in kinderboeken een werking hadden op het kind, werken zo dat het kind geen onderscheid maakt of op de prent een voorstelling van een echte koe staat of een van hout. Voor de leeftijd van ongeveer negen tot tien jaar is het voor het kind nog niet mogelijk onderscheid te maken, echt een levendig innerlijk onderscheid, tussen de afbeelding van een echte koe en een koe van hout,

Blz. 230

aber in diesem Lebensalter tritt das Unterscheidungsvermögen ein.
In der 5. Klasse, wo wir die Kinder zwischen zehn und elf Jahren haben, würde es sich darum handeln, Darstellungen zu wählen, die Menschengruppen der verschiedenen Lebensalter darstellen: Reigentänze, Sonstiges, sagen wir eine Straße, wo sich Menschen begegnen, wo man anknüpfend mit den Kindern sprechen kann; Menschengruppierungen, wo man über die Tatsachen, die sich zwischen den Menschen abspielen, mit den Kindern reden kann.
Dann kommen wir in die 6. Klasse; da soll eintreten der einzelne Mensch. Da kann man schon Köpfe, ganze Menschen als auch einzelne Menschen, zum Beispiel den Menschen in der Natur und dergleichen darstellen, wobei einem die Natur zu Hilfe kommen kann, indem man die Kinder schon aufmerksam machen kann darauf, was eine sonnenbeschienene Landschaft und was eine Regenlandschaft ist, aber den Menschen darin, und so, daß es auf den einzelnen Menschen ankommt; ein kleiner See, wo einer rudert zum Beispiel.
Da sind wir an der Grenze angelangt, wo es aufhört, auf das Stoffliche anzukommen, wo bereits begonnen werden soll, mit dem Bildschmuck einzutreten ins Künstlerische. Da soll man beginnen mit dem Allerkünstlerischsten! Natürlich kommt da in Betracht, daß man, wenn man keine guten Kopien haben kann, dann eben Schwarz-Weiß-Darstellungen haben muß.

maar op deze leeftijd ontstaat het vermogen om te onderscheiden.
In de vijfde klas, waar kinderen tussen de tien en elf jaar oud zijn, gaat het erom voorstellingen te kiezen die groepen mensen van verschillende leeftijden afbeelden: Rondedansen, andere dingen, laten we zeggen een straat waar mensen elkaar ontmoeten, waar je met de kinderen over kunt praten; groepen mensen, waar je met de kinderen kunt praten over de dingen die tussen mensen gebeuren .
Dan komen we bij de 6e klas, waar de individuele mens moet gaan komen. Hier kun je al hoofden nemen, hele mensen, ook individuele mensen, bijvoorbeeld mensen in de natuur en dergelijke, waarbij de natuur je te hulp kan schieten door de kinderen te wijzen op wat een zonovergoten landschap is en wat een regenachtig landschap is, maar de mensen erbij, en zodanig dat het op de individuele persoon aankomt; een meertje waar iemand aan het roeien is, bijvoorbeeld.

Hier hebben we de grens bereikt waar het niet meer van het materiaal afhangt, waar we dan moeten beginnen met het decoratieve naar het kunstzinnige te gaan. Daar moet je beginnen met het meest kunstzinnige! Natuurlijk, als je geen goede reproducties kan krijgen, moet je zwart-wit voorstellingen nemen.

Es ist gut, wenn man für dieses Lebensalter in der 7. Klasse Raffael und Leonardo hat, was auch bleiben kann flir die nächste, die 8. Klasse. Das kann man auf die beiden Klassen verteilen. Da soll es darauf ankommen, daß die
Kinder diese Bilder vor sich haben. Man muß bei dieser Ausschmückung nicht glauben, daß es richtig wäre, den Wandschmuck so zu gestalten, daß er parallel gehen würde dem Lehrplan, sondern es ist sogar von großer Bedeutung, daß die Kinder die Bilder früher vor sich haben, als im Kunstunterricht davon gesprochen wird. Vorher sollte gelegentlich einmal über die Bilder gesprochen werden. Im ganzen sollen sich die Augen des Kindes mit dem Künstlerischen
dieser Bilder beschäftigen; das Kind soll zunächst nur einen rein
sensuellen Eindruck empfangen und wissen, daß man diese Bilder für
etwas ganz besonders Schönes hält. Sie sind schon in der richtigen
Weise vorbereitet dadurch, daß man in bezug auf die Ausschmückung zuerst auf das Stoffliche den Hauptwert gelegt hat.
Nun bei den nächstfolgenden Klassen kommt es darauf an, daß man das Künstlerische zusammenbringt in einer taktvollen Weise mit dem Praktischen des Lebens, so daß das Kind die beiden Seiten fortwäh-

Het is goed om voor de leeftijdsgroep in klas 7, Raphael en Leonardo te hebben  die ook kunnen blijven voor het volgende jaar, klas 8. Dit kan verdeeld worden over de twee klassen. Het belangrijkste is dat de kinderen deze afbeeldingen voor zich hebben. Het is niet nodig om te denken dat het goed zou zijn om de muren zo te versieren dat het parallel loopt met het lesprogramma, het is zelfs van groot belang dat de kinderen de afbeeldingen eerder voor zich hebben dan dat er in de kunstlessen over gesproken wordt. De afbeeldingen moeten af en toe van tevoren worden besproken. Over het algemeen moeten de ogen van het kind bezig zijn met het artistieke aspect van deze afbeeldingen; het kind moet in eerste instantie alleen een puur zintuiglijke indruk krijgen en weten dat deze afbeeldingen als iets bijzonder moois worden beschouwd. Ze zijn al op de juiste manier voorbereid doordat de nadruk qua decoratie op het thema is gelegd.
Nu is het belangrijk om in de volgende klassen het artistieke op een tactvolle manier samen te brengen met de praktische kant van het leven, zodat het kind beide kanten voortdurend 

Blz. 231

rend vor sich hat, so daß man in der 9. Klasse auf der einen Seite künstlerische Bilder von Giotto oder Ähnliches hat, aber in derselben Klasse Situationsbilder, ganz technisch, eine Wiese, eine Hutweide, einen Laubwald, einen Nadelwald, aber jetzt nicht künstlerisch, sondern technisch, reine Musterbeispiele, wie man Situationspläne macht; die würden an einer Wand hängen, und die hintere Wand könnte zum Beispiel Giottos haben. Ebensogut könnte in der 9. Klasse eine Himmelskarte sein, wo man die einzelnen Sternbilder zusammenfaßt mit starken Figuren, mit stilisierten Himmelsfiguren, so wie es früher auf Himmelskarten vorhanden war.
In der 10. Klasse, wo man es mit Fünfzehn-bis Sechzehnjährigen zu tun hat, würde es sich darum handeln, nun etwa Holbein und Dürer nach der künstlerischen Seite zu haben, und nach der technischwissenschaftlichen Seite zum Beispiel — es kann auch anderes sein —, sagen wir: das Innere des Meeres, all die Tiere, die im Inneren des Meeres sind, das müßte in entsprechender Weise gemalt erscheinen, zugleich instruktiv in intellektueller Beziehung, und doch müßte es so sein, daß es künstlerisch auf das Kind wirkt. Dann bliebe für die 11. Klasse Holbein und Dürer, weiter vielleicht auch Rembrandt. Das würde für die folgenden Klassen immer sein; man kann aber auch Ältere dazwischen mischen. Da ist das Alter, wo das dem Unterricht parallel gehen kann. Für die 11. und 12. Klasse also Holbein, Rembrandt, Dürer.

voor zich heeft, zodat je in de 9e klas aan de ene kant artistieke afbeeldingen van Giotto of iets dergelijks hebt, maar in dezelfde klas zou je ook situatieschetsen kunnen hebben, heel technisch, van een weiland, een gemeenschappelijke weide om vee te hoeden, een loofbos, een naaldbos, maar nu niet artistiek, maar technisch, pure voorbeelden van hoe je situatieschetsen moet maken; ze zouden aan de ene muur kunnen hangen, en aan de achterwand zou bijvoorbeeld Giotto kunnen hangen. Er zou net zo goed een hemelkaart in de 9e klas kunnen hangen, waar de individuele sterrenbeelden worden samengevat met sterke figuren, met gestileerde hemelfiguren, net zoals ze vroeger op hemelkaarten stonden.
In de 10e klas, waar je te maken hebt met vijftien- tot zestienjarigen, zou het kunnen gaan om  bijvoorbeeld Holbein en Dürer aan de artistieke kant, en aan de technisch-wetenschappelijke kant, bijvoorbeeld – het kan ook iets anders zijn – laten we zeggen: het binnenste van de zee, alle dieren die zich in de zee bevinden, dat zou op een passende manier geschilderd moeten worden, tegelijkertijd intellectueel leerzaam, en toch zou het zo moeten zijn dat het een artistiek effect heeft op het kind.
Dan blijven Holbein en Dürer over voor klas 11, en misschien ook Rembrandt. Dat is voor de volgende klassen steeds zo, maar je kunt er ook oudere kunstenaars tussen mengen. Dat is de leeftijd waarop dit parallel aan de lessen kan lopen. Dus voor klas 11 en 12, Holbein, Rembrandt, Dürer.

In der 11. Klasse da sollte man nach der technischen Seite an die Wand hängen so etwas wie Erddurchschnitte, geologische Durchschnitte und entsprechend künstlerisch ausgeführte Höhenkarten und Ähnliches.
Erst in der 12. Klasse würden an der Wand zu hängen haben Physiologica, Anatomisches neben Holbein, Dürer, Rembrandt.
Das würde dasjenige sein, was eigentlich hineingehört, was eben als das Ideal hineingehört. Jetzt sieht es greulich aus, aber wenn man solch ein Ideal vor sich hat, kann man sich unter Umständen doch, wenn es auch erst nach einem Jahrhundert erfüllbar ist, in der einen oder anderen Weise darnach richten. Es ist besser, ein richtiges Bild im Holzschnitt zu haben, als manches von dem, was jetzt darin hängt. Das sind die Dinge, die ich Ihnen als ein Kapitel der Pädagogik
vorlegen möchte. Es ist schon durchaus notwendig, daß wir unser Augenmerk darauf richten, daß das Künstlerische besonders gutbehandelt wird in unserer Pädagogik, denn es gehört das eigentlich ins Gesamtbild des anthroposophischen Behandelns des Menschheitsfortschrittes hinein.

In de 11e klas, zouden wat de technische kant betreft, er zoiets als aarddoorsneden, geologische doorsneden en navenant artistiek uitgevoerde hoogtekaarten en dergelijke aan de muur moeten hangen.
Pas in de 12e klas zouden fysiologische en anatomische werken aan de muur moeten hangen naast Holbein, Dürer en Rembrandt.

Dit hoort hier eigenlijk thuis, als ideaal.
Het ziet er nu afschuwelijk uit, maar als je zo’n ideaal voor je hebt, zelfs als het pas na een eeuw gerealiseerd kan worden, kun je je er toch op de een of andere manier door laten leiden. Het is beter om een echt beeld in houtsnede te hebben dan sommige dingen die er nu in hangen.
Dit zijn de dingen die ik aan u wil presenteren als een hoofdstuk uit de pedagogie. Het is absoluut noodzakelijk dat wij in onze pedagogie vooral het artistieke aspect goed behandelen, omdat het eigenlijk in het totaalbeeld van de antroposofische behandeling van de menselijke vooruitgang thuishoort.
GA 300B/228-231

Bij het lezen van deze gezichtspunten kunnen er – tenminste, zo vergaat het mij – talloze vragen rijzen: wat bedoelt Steiner precies, hoe maak je concreet wat hij bv. abstract: ‘mensengroepen, individuele koppen, technische schetsen,’ enz. noemt.
Wat is daarvan in de praktijk terecht gekomen?

Er is bij mijn weten ook niet veel over gepubliceerd.
Ik vond nog een artikel in Erziehungskunst en Clausen/Riedel hebben in hun boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’ een heel schema gegeven met mogelijkheden.

In een nog te verschijnen artikel worden die gezichtspunten gebundeld en de gezichtspunten van Steiner hierboven, meegenomen. 

In de vergadering van 31 januari 1923 volgen er nog een paar aanvullingen:

Blz. 240

Dr. Steiner: Ich hätte nur einiges nachzutragen zu dem, was ich neulich gesagt habe. Es handelt sich um die Beantwortung der Frage, wie bei der Bildausschmückung die musikalischen Räume zu behandeln wären. Da handelt es sich darum, daß man jedenfalls einen musikalischen Lehrsaal in keiner Weise ausschmücken kann mit irgendwelchen malerisch-figuralen Motiven. Einen musikalischen Saal könnte man höchstens plastisch ausschmücken durch die Aufstellung von Plastiken, oder aber, wenn man Malerisches anwenden will, so müßte man Farbenharmonien, reine Farbenwirkungen nehmen; Bildwerke, in denen reine Farbenwirkungen etwa in Betracht kommen.
Dann müßte es sich handeln um das bildhafte Ausschmücken der Eurythmiesäle. Das unterscheide ich vom Musikalischen. Es kann vielleicht bei uns kollidieren. Wir könnten unter Umständen im Eurythmiesaale etwas von musikalischem Unterricht haben, dann würde das ein Surrogat sein müssen. Der Eurythmiesaal selbst müßte ausgeschmückt sein mit Motiven, die aus der Dynamik des Menschen entnommen sind, aber aus der seelischen Dynamik; der ausdrucksvolle Mensch, künstlerisch erfaßt.

Ik wil graag een paar dingen toevoegen aan wat ik laatst heb gezegd. Het gaat om het antwoord op de vraag hoe het met de wanddecoratie in de muzieklokalen moet. Het punt is dat een muziekonderwijsruimte op geen enkele manier versierd kan worden met schilderachtig- figuratieve motieven. Een muziekzaal kan hoogstens gedecoreerd worden met het opstellen van beeldhouwwerk, of, als men schilderkunst zou willen gebruiken, met kleurharmonieën, zuivere kleureffecten; schilderkunstige werken waarin zuivere kleureffecten een rol spelen.
Dan gaat het om de decoratie van de euritmiezalen. Ik onderscheid dit van het muzikale. Het kan  bij ons misschien botsen. In de euritmiezaal zou door bepaalde omstandigheden ook muziekles kunnen zijn, maar dan zou  het  surrogaat zijn. De euritmiezaal zelf zou versierd moeten worden met motieven die ontleend zijn aan de dynamiek van de mens, maar dan aan de dynamiek van de ziel, de expressieve mens, artistiek opgevat.

Dann würde es sich beim Turnsaal darum handeln, daß man mit
entsprechender Übertragung achtet auf das mehr sich in die Welt
Hineinstellen. Bei der Eurythmie würde es sich darum handeln, daß
man eine Art findet, künstlerisch auszudrücken die seelische Dynamik; beim Turnen, daß man den Menschen mit Bezug auf seine Gleichgewichts- und Bewegungsverhältnisse in Beziehung zur Welt darstellt, daß man den Menschen zum Beispiel darstellt, sich wacker haltend über einem Abgrund und dergleichen. Das Verhältnis zur Welt, das würde der Bildschmuck sein für das Turnen.
Für die Handarbeitsräume würde man Interieurs brauchen, wo das
Gemütselement berücksichtigt wird.
Jetzt bliebe uns noch der Handfertigkeitssaal, den müßte man möglichst mit künstlerisch aufgefaßten Motiven des praktischen Lebens
und eventuell auch des Kunstgewerbes künstlerisch ausschmücken,
so daß man an den Wänden etwas hat, was wohlgefällig aufnimmt,
was in diesen Räumen getrieben wird.
Ich glaube, daß das Lehrerzimmer so ausgeschmückt werden muß,
wie es dem Geschmack und dem harmonischen Zusammenklange
der Lehrerseelen selbst entspricht, so daß das Lehrerzimmer keine

In de gymnastiekzaal gaat het erom dat je met aandacht op de juiste wijze weet over te brengen de manier waarop we onszelf meer in de wereld plaatsen.
In de euritmie zou het erom moeten gaan een manier te vinden om de dynamiek van de ziel artistiek uit te drukken; in de gymnastiek zou het erom gaan de mens in relatie tot de wereld uit te beelden in termen van zijn evenwicht en beweging, bijvoorbeeld de mens die zich dapper over een afgrond staande houdt en dergelijke. De relatie tot de wereld zou de decoratie voor gymnastiek moeten zijn.
Voor de handenarbeidlokalen zouden we interieurs nodig hebben waarin rekening wordt gehouden met het emotionele element.
Dan blijft het lokaal voor handenarbeid over, dat ingericht zou moeten worden met artistieke motieven uit het praktische leven en mogelijk ook uit de kunstnijverheid, zodat we iets aan de muren hebben dat een aangename afspiegeling is van wat er in deze ruimtes gebeurt.
Ik ben van mening dat de lerarenkamer zo ingericht moet worden dat het overeenkomt met de smaak en het harmonisch samengaan van de lerarenzielen zelf, zodat de lerarenkamer geen 

Blz. 241

Vorschrift haben soll, sondern ganz aus dem Geschmack und Zusammenstimmen der Lehrer selbst hervorgehen soll. Das soll eine Offenbarung sein einer besonders intimen Konferenz, die ins Künstlerische
ausläuft, ohne Expertise.
Für das Spinnen gilt dasselbe wie für das Handwerk.
Beim Musikalischen ist es besser, wenn man den Saal ganz einförmig
ohne Bild läßt, statt daß man irgendwelche Bilder anbringt, die
psychologisch nicht vereinbar sind mit dem, was musikalisch herrschen soll.
Bei den Rahmen ist die Sache diese, daß man den Rahmen nach dem
Bilde machen soll. Nun, die Farbe des Rahmens habe ich gewöhnlich
so angegeben, daß man eine Farbe, die auch auf dem Bilde ist oder
die öfter im Bilde ist, zum Rahmen verwendet. Die plastische Form
muß man nach dem Bilde machen.

voorschriften zal krijgen, maar uit de smaak en de afstemming van de leerkrachten zal moet komen. Het moet een uiting zijn van een bijzonder vertrouwelijke vergadering die uitmondt in iets kunstzinnigs, zonder speciale kennis.
Voor het spinnen geldt hetzelfde als voor de handvaardigheid.
Bij het muzikale is het beter wanneer de zaal hetzelfde blijft, zonder decoratie, in plaats van wat voor voorstellingen dan ook aan te brengen die psychologisch niet te verenigen zijn met wat bij het muzikale moet overheersen.
Wat de lijsten betreft, die zouden zo gemaakt moeten zijn dat ze bij de afbeeldingen passen. Wat de kleur ervan aangaat, heb ik gewoonlijk wel aangegeven dat je een kleur neemt die ook in de afbeelding zit of er meer in voorkomt. De plastische vorm ervan moet je passend bij de voorstelling maken.

Es wird gefragt nach dem Raum für die Sonntagshandlung.

Er wordt gevraagd hoe het voor de ruimte van de zondagshandeling moet zijn.

Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß ich eine weitere Handlung geben werde, und danach wird auch das Bild sich richten.
Auch die Hilfsklasse muß noch bekleidet werden. Das werden wir bei
der nächsten Konferenz besprechen.
Die Eurythmiefiguren müßten in einer Vitrine im Eurythmiesaal
aufgestellt werden.
Auf den Gängen müßte man sehen, daß man links und rechts von der
Tür etwas Ähnliches hat wie das, was man in der Klasse findet, daß
man sich anlehnt an das, was in der Klasse ist.

Het is zo dat ik daarover verder nog wat zeg en daarmee over de decoratie die erbij hoort.
Ook de hulpklassen moeten nog ingericht worden. Dat bespreken we op de volgende conferentie.
De euritmiefiguren zouden in een vitrine in het euritmielokaal moeten komen.
In de gangen zou je moeten zien dat links en rechts van de deur iets is wat je in de klas vindt, dat gebaseerd is op wat er in de klas is.

Es wird gefragt nach dem Physik- und dem Chemiesaal.

Er zijn vragen over de natuurkunde- en scheikundelokalen.

Dr. Steiner: Wir sind in solchen großen Sorgen darin, daß ich heute
dies nicht beantworten kann

We zijn zo bezorgd dat ik daar vandaag geen antwoord op kan geven.
GA 300B/240-241
Niet vertaald

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen
.
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blogAlgemene menskunde: alle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3341-3143

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (GA 300A)- [1-2]

.

Al in 1908 merkt Steiner iets op over ‘wat er in de scholen aan de muur zou moeten hangen’. Vanuit een bepaalde context wordt ook het waarom duidelijk.

In een vergadering met de leerkrachten op 22 november 1920 is er een aanleiding om erover te spreken:

GA 300A

Blz. 244

Dr. Steiner: Nun, nicht wahr, einiges möchte ich so sagen von den Eindrücken, die mir noch in diesen Tagen gekommen sind. Vor allen Dingen würde ich wünschen, daß man hätte so etwas besprechen können — ich fürchte, es wird während der diesmaligen Anwesenheit nicht mehr gehen; es ist früher nicht so arg gewesen, aber jetzt fällt es mir so auf, namentlich in den Klassen, die angebaut worden sind —, daß die Wände irgend etwas von Bildern haben
müßten. Die 4. Klasse ist eine greuliche Klasse in bezug auf die Bildlosigkeit. Und es fiel mir insbesondere so stark auf, ich sagte es Herrn U., als er die Religionsklasse hatte, da geht es stark ab. Man müßte dafür sorgen. Es ist auch die 5., die zu wünschen übrig läßt. Es ist mir aufgefallen, daß es notwendig wird, daß die Wände einem nicht als Wände entgegentreten, daß sie etwas von Bildern haben müßten. Es müßte sehr sorgfältig gemacht werden.

Welnu, ik zou nog een paar dingen willen zeggen over de indrukken die ik de laatste dagen kreeg. Allereerst had ik graag gewild dat we zoiets als dit nog hadden kunnen bespreken – ik ben bang dat dit deze keer nu ik er ben, niet meer zal gaan; voorheen is het niet zo erg geweest, maar nu valt het me zo op dat vooral in de klassen die aangebouwd zijn, de muren iets aan beeldmateriaal zouden moeten hebben. De 4e klas is een verschrikkelijke klas wat betreft het gebrek aan afbeeldingen. En het trof mij vooral zo sterk, dat ik het tegen mijnheer U zei, toen hij godsdienstles had, en het heel erg mis ging. We zouden er zorg aan moeten besteden. Ook de 5e laat te wensen over. Het is me opgevallen dat het noodzakelijk wordt dat de muren niet als muren op iemand afkomen, dat ze iets van afbeeldingen moeten krijgen. Het zou heel zorgvuldig moeten gebeuren.

Es wird ein Mitglied der Anthroposophischen Gesellschaft erwähnt, das für
Bilder sorgen will, Herr G.

Er wordt een lid van de Antroposofische Vereniging genoemd die voor beelden wil zorgen, de heer G.

Dr. Steiner: Davor habe ich eine kleine Angst. Es müßte ganz im
Sinne unserer Pädagogik geschehen. Deshalb kann es sich nicht vollziehen, bevor ich komme.
Wo sind Maler, die etwas machen könnten? Es müßten geradezu die
Anregungen von den betreffenden Klassenlehrern ausgehen. Und
dann müßte die Sache wirklich recht künstlerisch behandelt sein. Gar
nichts Unkünstlerisches darf vorhanden sein. Es müßte wirklich für
diese Schule Besonderes geschaffen werden.

Daar ben ik een beetje bang voor. Het moet helemaal in de zin van onze pedagogie gebeuren. Daarom kan het niet plaatsvinden voordat ik kom.
Waar zijn schilders die iets kunnen doen?  De suggesties zouden echt moeten komen van de betreffende klassenleraren. En dan zou het geheel eigenlijk zeer kunstzinnig moeten worden benaderd. Er mag niets onkunstzinnigs bij zitten. Voor deze school zou echt iets bijzonders gemaakt moeten worden.

Omdat er kennelijk weinig is dat in aanmerking komt, geeft Steiner nog een soort suggestie om tot iets te komen, vanuit de lessen.
Hij heeft bij ‘juffrouw L’ kennelijk gezien hoe zij een gedicht behandelde:

Es würde zum Beispiel von einer großen Bedeutung sein — heute morgen hat Fräulein L. durchgenommen das „Riesenspielzeug”, und nun, nicht wahr, ist von Chamisso das Gedicht so gemeint, daß man, sobald man es den Kindern in dieser Chamisso-Gesinnung vorbringt, leicht etwas ins Rationalistische kommt, und ihm leicht den Duft nehmen kann. Das Gedicht ist so — so hat man das aufzufassen —, daß die Burgriesen die alte Gutsaristokratie sind. Es ist ein
gründlich tief soziales Gedicht. Das Riesenspielzeug ist der Bauer, der von der Gutsaristokratie als Spielzeug benutzt wird. Ich würde heute morgen zurückgeschreckt sein, so etwas anzudeuten. Es wird so etwas leicht rationalistisch. Dagegen dies: da die Kinder es sehr lieb gehabt haben, sollte man versuchen, dies nun ins Malerische zu übersetzen, aber mit diesem Gedanken — wodurch es den Duft nich

Het zou bijvoorbeeld van groot belang zijn -[wat dat precies is, wordt niet gezegd] vanmorgen heeft juffrouw L. het “Reuzenpeelgoed” doorgenomen, en niet waar, het gedicht is door Chamisso zo bedoeld dat zodra je het in deze Chamisso-geest aan de kinderen geeft, er  gemakkelijk wat rationalistisch bijkomt, dat de essentie gemakkelijk verdwijnt.
Het gedicht is zo– zo moet het begrepen worden – dat de kasteelreuzen de oude landgoedaristocratie zijn. Het is een door en door diep sociaal gedicht. Het reuzenpeelgoed is de boer, die door de landgoedaristocratie als speelgoed wordt gebruikt. Ik zou vanochtend geaarzeld hebben om zoiets te zeggen. Het wordt dan makkelijk rationalistisch. Daartegenover: omdat de kinderen het erg leuk vonden, zou je kunnen proberen het te schilderen, maar met deze gedachte, dat de essentie niet verdwijnt.

Blz. 245

verliert —, mit diesem Gedanken des Spielens der untergehenden Gutsaristokratie, daß man das darin hat. Also gewissermaßen nicht
den Kindern das Gedicht in Prosa übersetzen, sondern es ins Bild
übersetzen. Das gibt einen tiefen Eindruck, wenn so etwas gerade da
hängt, was dem Unterricht entnommen ist und was die Kinder
durchgefühlt haben.
Ich habe mit Fräulein Waller am Anfang der Waldorfschule längst
davon gesprochen, daß man etwas schaffen müßte, was den Metamorphosegedanken durch die Reiche des Lebendigen hindurch gibt
in einem wirklichen Kunstwerk. So etwas Ähnliches, was durchgeführt ist in Dornach in den Übergängen von einem Architrav zum anderen. Dadurch würde es dem Lehrer ungemein erleichtert sein, in solchen Dingen etwas, was zum Unterricht gehört, gerade daran zu erklären. — Wenn uns G. etwas liefert, so liefert er Dinge, die ihm gefallen. Das ist etwas, wovon wir nichts haben. Vielleicht denken Sie zunächst über solche Sachen nach. Aber so etwas brauchen wir.

verliest – met dit idee van het spelen met de landgoedaristocratie, die ten onder gaat. Dat moet erin zitten.  Dus zeker niet het gedicht voor de kinderen in proza zetten, maar in beeld. Het laat een diepe indruk na als er iets hangt wat uit de les wordt gehaald en wat de kinderen beleefd hebben.
Ik heb het er met juffrouw Waller bij het begin van de waldorfschool al lang over gehad dat je iets zou moeten scheppen wat de idee van metamorfose door de rijken van het levende zou kunnen weergeven in een echt kunstwerk. Iets soortgelijks wat in Dornach is gedaan bij de overgangen van het ene architraaf naar het anderen. Dit zou het voor de leerkracht een stuk makkelijker maken
dergelijke dingen die deel uitmaken van de les, daarmee uit te leggen. —
Als G. ons iets geeft, komt  hij met dingen ​​die hém bevallen. Daar hebben wij niets aan. Misschien moet u eerst nog over deze dingen nadenken. Maar zoiets hebben we nodig.

X.; Ist es pädagogisch ungünstig, wenn die Kinder selbst etwas machen?

X; Is het onderwijskundig gezien ongunstig als de kinderen zelf iets doen?

Dr. Steiner: Ihre Nichte war bei mir und brachte mir ihre erste Malerei. Sie sagte, das wäre nicht bloß, daß ich es ansehen müßte, sondern das müßte ich mir zuhause an die Wand hängen.
Da kommt es darauf an, wie die Sachen sind. Ich habe nichts dagegen, wenn auch die Sachen von Kindern aufgehängt werden. Bei Bildern ist es furchtbar schwer; eigentlich ist ein gewöhnliches Bild an die Wand zu hängen, ein Ungedanke. Was soll ein Bild an der Wand? Künstlerische Zeiten haben nie so gedacht, Bilder an die Wand zu hängen. Ein Bild muß dem Raum angepaßt sein. Das Abendmahl von Leonardo ist im Speisesaal des Klosters. In Kreisform saßen die Mönche, die vierte Wand wurde gemalt. Er aß mit, Er gehörte dazu. Das ist aus dem Raum und aus den Verhältnissen heraus gedacht. Solche Dinge rechtfertigen die Sachen. Einfach Bilder aufzuhängen, dann wird die Sache um so irriger.

Uw nichtje was bij mij en bracht mij haar eerste schildering. Ze zei dat ik er niet alleen naar moest kijken, ik moest hem thuis aan de muur hangen.
Het hangt ervan af hoe de dingen zijn. Ik heb er niets op tegen als er ook dingen van  kinderen worden opgehangen. Bij schilderijen is het vreselijk moeilijk
; eigenlijk is het ophangen van een gewone afbeelding aan de muur onzin. Wat moet een afbeelding aan de muur? Artistieke tijden hebben er nooit zo over gedacht, om beelden aan de muur te hangen. Een beeld moet aangepast zijn aan de ruimte.
Leonardo’s Laatste Avondmaal vindt plaats in de eetkamer van het klooster. De monniken zaten in een kring en de vierde muur werd geschilderd. Hij at mee, hij
maakte er deel van uit. Dit was vanuit de ruimte en vanuit de omstandigheden
gedacht. Dat soort dingen rechtvaardigen het. Het simpelweg ophangen van afbeeldingen maakt de zaken nog misleidender.

X.: Ich wollte Nachbildungen der Dornacher Glasfenster aufhängen.

X.: Ik wilde replica’s van de glasramen van Dornach ophangen.

Dr. Steiner: Man läßt es eine Zeitlang.

Laat het een tijdje hangen.

X. fragt, ob man Bilder von einem anthroposophischen Maler aufhängen solle.

X. vraagt ​​of er afbeeldingen van een antroposofische schilder moeten worden opgehangen.

Dr. Steiner: Es kommt darauf an, wie es gemacht wird. Es hat schon
eine Bedeutung, wenn die Kinder Bilder haben, die auf sie einen
bleibenden Eindruck machen.

Het hangt ervan af hoe het gedaan wordt. Het is wel van betekenis als de kinderen afbeeldingen hebben die op hen een blijvende indruk maken.
GA 300A/244-245
Er wordt op deze blog aan een vertaling gewerkt.

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen

.
Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3340-3142

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over de kunstzinnige inrichting van een klas [1-1]

.
Opmaat tot een paar artikelen over hoe kunstzinnig wordt de klas ingericht.
Nu eerst met het oog op de schilderijen die aan de muur hangen.
(Niet bedoeld is het werk van de kinderen)

Regelmatig lees ik bij Steiner in zijn voordrachten tekst waarbij ik denk: ‘Hij zei het toen, maar voor welke tijd geldt dit eigenlijk’.
En als je dan denkt: ‘Stel eens dat het op onze tijd nu, slaat, waar in de wereld, op welk gebied herken je dan die inhoud.

In GA 266, in een voordracht van 16 januari 1908, zegt hij o.a.: 

Blz. 299

Schaut Euch die riesenhaften Maschinen an, welche die menschliche Technik heute mit allem Scharfsinn konstruiert! In ihnen schafft sich der Mensch die Dämonen, die in Zukunft gegen ihn wüten werden. Alles, was der Mensch heute an technischen Apparaten und Maschinen sich erbaut, wird in Zukunft Leben gewinnen und sich dem Menschen in furchtbarer Weise feindlich entgegenstellen.

Kijk eens naar die enorme machines die de menselijke techniek met grote scherpzinnigheid construeert. Hiermee schept de mens de demonen die in de toekomst tegen hem tekeer zullen gaan. Alles wat de mens vandaag aan technische apparaten en machines bouwt, zal in de toekomst leven krijgen en op een vreselijke manier zich vijandig tegenover de mens plaatsen.

Lezen we hier iets bv. over de vernietigingswapens waarvan we vandaag de dag de enorme impact kunnen zien?
Is de ‘de machine die ‘leven’ krijgt, de pc van de (nabije) toekomst die met programma’s als AI ons leven drastisch gaat beïnvloeden, zoals er nu al wordt beweerd? 
Is het maken van nepnieuws, het manipuleren van je foto die in een situatie wordt getoond die je in diskrediet brengt, die ‘vreselijke manier van vijandigheid’, of wordt het allemaal nog erger?

Alles, was aus reinem Nützlichkeitsprinzip, aus Einzel- oder Gesamtegoismus heraus geschaffen wird, ist in Zukunft des Menschen Feind. Wir fragen heute viel zu viel nach dem Nutzen dessen, was wir tun. Wenn wir die Entwicklung wirklich fördern wollen, so dürfen wir nicht nach dem Nutzen fragen, sondern vielmehr danach, ob etwas schön und edel ist. Wir sollen nicht nur aus dem Nützlichkeitsprinzip heraus handeln, sondern aus reiner Freude am Schönen. 

Alles wat uit een puur nuttigheidsprincipe of het nu door het egoïsme van een enkeling of door dat van een groep wordt gehanteerd, is in de toekomst de vijand van de mens.
We vragen tegenwoordig veel te veel naar het nut van wat we doen.
Als we de ontwikkeling daadwerkelijk willen bevorderen, mogen we niet naar het nut vragen, maar veel meer naar of iets mooi en edel is. We moeten niet alleen maar handelen vanuit het nuttigheidsprincipe, maar vanuit een pure vreugde voor het mooie.

Ook daar vinden we voorbeelden van in onze tijd. Hoe anders zouden we met de dieren, in zonderheid bv. de koeien, varkens en kippen omgaan, wanneer ze niet alleen maar werden gehouden voor het nut van wat ze opbrengen.
Zien we – door het nuttigheidsdenken, met als gevolg milieuvervuiling en klimaatverandering – de natuur zich nu vijandig tegen ons keren?

Dan volgt er in de voordracht een bepaalde omslag die – verrassend – ook bij het klassenlokaal van de school uitkomt!

Alles, was der Mensch heute schafft, um sein künstlerisches Bedürfnis zu
befriedigen, aus reiner Liebe am Schönen, auch das wird sich in Zukunft beleben, und es wird zur Höherentwicklung des Menschen beitragen.

Alles wat de mens vandaag bewerkstelligt om zijn behoefte aan kunstzinnigheid te bevredigen, uit pure liefde voor de schoonheid, ook dat zal in de toekomst meer leven krijgen en dat zal bijdragen aan een hogere ontwikkeling van de mens.

En dan de overstap naar de school:

Aber furchtbar ist es, heute sehen zu müssen, wie viele Tausende von Menschen schon von der frühesten Kindheit an dazu angehalten werden, keine andere Tätigkeit zu kennen als die um des materiellen Nutzens willen, abgeschnitten zu
sein zeitlebens von allem Schönen und Künstlerischen.
In den ärmsten Volksschulen sollten die herrlichsten Kunstwerke hängen, das würde unendlichen Segen bringen in der menschlichen Entwicklung. Der Mensch baut sich selbst seine Zukunft.

Maar het is toch verschrikkelijk om te moeten zien hoe veel duizenden mensen al vanaf hun prilste kindertijd worden gestimuleerd om geen andere activiteit te ondernemen dan materieel voordeel te behalen, om het hele verdere leven afgesneden te worden van alles wat mooi en kunstzinnig is.
In de allerarmste basisscholen zouden de prachtigste kunstwerken moeten hangen, dat zou oneindig veel zegen brengen in de ontwikkeling van de mens.
De mens werkt zelf aan zijn eigen toekomst.
GA 266/299 
Niet vertaald 

Niet dat er nu nog ‘allerarmste’ scholen zijn. Maar hoe is het met de kunstzinnigheid van de inrichting in de klas gesteld?

Als de vrijeschool in Stuttgart in 1919 haar deuren opent, komen er veel kinderen van de fabrieksmedewerkers. We mogen ervan uitgaan dat in hun milieu ‘kunst’ niet de eerste levensbehoefte was. Nog afgezien van kunst in hun ruimere leefomgeving, zo pas na Wereldoorlog 1.

In mei/juni van dat jaar houdt Steiner drie voordrachten over ‘volkspedagogie’. [GA 192]
Daarin gaat het over kunst en een kunstzinnige omgeving.
Ook dan klinkt het dat het jammer is dat de leerlingen op school niet in lokalen zitten die kunstzinnig gedecoreerd zijn.
E A Karl Stockmeyer verwijst naar die passage in zijnAngaben Rudolf Steiners für den Waldorfschulunterricht (eerder getiteld: Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule) 
De voordracht is op deze blog vertaald. Zie bij <1> en <2>.

Het schoolgebouw is ook niet meteen ‘af’ en in de vergadering met de leerkrachten roert Steiner op 22 november 1920 voor het eerst aan dat de muren (van de bijgebouwen) zo kaal zijn en dat er kunstzinnige beelden moeten komen te hangen.

 

.

De kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen


Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3339-3141

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen – dans

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmenbesteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In het hoofdstukje “In den hemel is enen dans’ – de titel van een nog bestaand liedbesteedt ze aandacht aan het fenomeen ‘dans’.
Nu zijn er talloze studies gewijd aande geschiedenis van de dans‘, maar haar opmerkingen komen ons – wanneer we naar (pedagogische) aanwijzingen van Steiner kijken, wel bekend voor.
Zo zegt ze dat wanneer je naar de hemel kijkt, je in de loop van de sterren ‘een reidans kan ontwaren’, ‘ze trekken lijnen’.
Maar er is meer: de hemel oefent een invloed uit op aarde. Dat is duidelijk aan de invloed van zon en maan.
Steiner beschrijft heel duidelijk vanuit allerlei gezichtshoeken dat alle planeten invloed uitoefenen.
Uyldert noemt het ‘krachtstromen die op aarde doortrillen in de natuur en in de mensenzaken. Een krachtenspel dat invloed heeft op ‘werken, lijden en genieten’.

Dansen zou dus ook zijn: de behoefte ‘de kosmische ritmen die hij voelt, na te bootsen in spel en dans.

Ze verbindt de balspelen aan heilige handelingen bij de oude Grieken (sphaeristeria): ‘het opwerken van gouden ballen zoals ze die aan de hemel zagen op- en ondergaan, zich in kringen en lussen bewegend’.
Zo zouden dus ritmische spelen en dansen zijn ontstaan, ‘een meedansen in die grote dans’.

De grafische voorstellingen van de gang van planeten heeft zeker iets weg van een choreografie:

Epicykel - WikipediaPTOLEMÆUS

Mercurius retrograde 2024 | Retrograde betekenis | Retrograde beweging |  Wat is retrograde | Retrograde planeten | Star Walk
De retrogade van Mercurius 2024

Nieuwe ontdekking steunt theorie over onbekende planeet in zonnestelsel |  wibnet.nl
Niet zo lang geleden ontdekte exoplaneet HD 106906 b 
Bron

Beweging in het spelletje ‘Laat ons nu de kluw opwinden

Bron: Het grote spelenboek, blz. 85

En er zijn meer bewegingen in kringspelen die vergelijkbare bewegingen hebben:

In die bewegingen aan de hemel ziet zij eenmeescheppen, een meeverlossen, een toereiken en loslaten, in kruisende banen, in wijken en naderen, in innige samendans of met uitdagende afstand, inhalend, aanrakend, voorbijstrevend.’

Ze haalt een Mexicaanse uitspraak aan: ‘Dansen is werken’ en verbindt dit aan het feit dat wanneer wij dansen, wij meewerken in het grote kosmische leven, dat we ingeschakeld zijn in de grote rondedans en het alles omvattende ritme.’

Niet alleen in de kinderdansen vinden we dit soort bewegingen, ook nog bij de volwassen folklore- volksdansen.
Maar we kunnen wel constateren dat deze gaandeweg overal verdwijnen of verdwenen zijn als spontane dansen bij bepaalde gelegenheden. 
In het begin van de jaren 1970 zag ik nog dat spontane dansen op straat in o.a. Griekenland, het toenmalige Joegoslavië, in het Baskenland.

Het is interessant oorzaken proberen te vinden waarom dit onder de autochtone bevolking van Nederland vrijwel is verdwenen, terwijl een bepaald soort bewegen onder de jeugd op bepaalde vormen van muziek erg populair is geworden.
Zonder directe oorzaken te kunnen aanwijzen, kan ik wel waarnemen dat de muziek zeer mechanisch is geworden – als je het geluid van verre afstand hoort, weet je niet of het ook een machine kan zijn die aanstaat; de bewegingen doen vaak automatisch-mechanisch aan.

De basisschoolleerlingen van nu zullen ongetwijfeld – het zijn kinderen van deze tijd – in aanraking komen met het muzikale geweld van disco en festival en de vorm van bewegen die weinig meer heeft van waarover het in dit artikel gaat.

Misschien is het goed dat in de jaren waarin het nog kan, onze kinderen bewegen met de kringspelen. Of  in de euritmie waarin ook vele ‘kosmische’ vormen een rol spelen.

Uyldert voegt aan haar inleiding deze kringspellen toe:

De boom die wordt hoe langer hoe dikker

‘k Zou zo graag een ketting breien

Rondinella

De zevensprong

Twee emmertjes water halen

’t Schip gaat zeilen

.

Spel: alle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3338-3140

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – voordracht 2 – alle artikelen

.

opvoedkunst – GA 294

Vertaling 2020

Voordracht 2

[2-1] Blz. 24-27  vert. 34/35
Sympathie en antipathie in het spreken; daarover opmerkingen uit GA 81; het gebeurt in het midden van de mens; spreken en adem; voelen: ritmische afwisseling van sympathie en antipathie: spreken ook; 

[2-2] Blz. 25  vert. 36
Over de vocalen A, E, I , O, U (als oe); aangevuld met opmerkingen uit GA 218; GA 300C; GA 305; GA 306; GA 307; GA 308; GA 309; GA 310;  GA 311>
Wat betekent dit voor de beelden om het schrijven en lezen aan te leren.

[2-3] Blz. 27  vert. 37
Over de medeklinkers; uit GA 81; kern: nabootsing van de buitenwereld; sympathie in de klinker, antipathie in de medeklinker; iets over ‘plastisch’- ‘muzikaal’ in verband hiermee.

.

Schrijven en lezenalle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld1e klas letterbeelden

.

3337-3139

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – Alle artikelen

.

opvoedkunst

De Duitse uitgaven heeft als ondertitel : methodisch-didaktisches
het methodisch-didactische
De vertaling heeft als ondertitel: het hart van de vrijeschool

GA 294      vertaling

Inhoudsopgave uit de vertaling van 2020.
De link gaat naar de inhoudsopgave van de door mij besproken voordrachten. Die inhoudsopgave is uitgebreider.

Deze pagina is voor het grootste deel nog in opbouw.

TWEEDE VOORDRACHT 22 augustus 1919
Het samenspel van sympathie en antipathie in de mens.
Oorsprong van de taal in het gevoelsleven.
Klinkers als uitingen van zielenroerselen.
O, oe, a, e, i; de bijzondere klank a-o-oe.
Medeklinkers als nabootsing van dingen in de buitenwereld.

Voorbeelden van woordvormingen in verschillende talen.
De getalsmatige ordening van aardse en kosmische processen: het getal 25920. Gevoel voor levensgeheimen noodzakelijk voor de leraar.
Opvoeding van het verstand en van de wil.
De rol van sympathie en antipathie in de opvoeding.

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3336-3139

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 26 september 1919

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.

De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Lezen vanuit schrijven   [1]
Morgenspreuk    [2]
Antroposofisch godsdienstonderwijs   [3]
Doelmatigheid bij biologie   [4]
De mens in klas 4 [5]
Het antwoord lijkt specifiek voor deze leerkracht gegeven, de aanwijzingen wijken af van wat Steiner elders heeft aangegeven.
De door Steiner gegeven aardefasen in vergelijking met de gangbare termen; hoe waren de dieren, de mens, fossielen   
[6]
Verwijzing naar een onderwerp in een andere vergadering over plantkunde: stempel, stamper en de bewegingen van zon en maan   [7]
Temperamenten i.v.m. overwicht ene wezensdeel op andere; melancholie   [8]
Ouderavonden    [9]
Ouderspreekuur   [10]
Popularisering geesteswetenschap; welke boeken   [11]
Belangrijkste: contact leerkracht-leerling; de ernst van de pedagogische opdracht in relatie tot de tijd en de geestelijke wereld; verantwoordelijkheid   [12]

 

RUDOLF STEINER
.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart
1919 bis 1924

Erster Band
Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1
Het eerste en tweede schooljaar
.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 96

Konferenz vom Freitag 26. September 1919, 16 Uhr

Vergadering vrijdag 26 september, 16u

Zunächst findet eine Besprechung statt über einzelne Kinder, die Dr. Steiner
sich am Vormittag angesehen hatte.

Eerst is er een gesprek over individuele kinderen die Dr. Steiner ’s ochtends had gezien.

Dr. Steiner: Den E. E. muß man moralisch heben. Er ist ein Bolschewist.

E. E. moet moreel opgevoed worden. Hij is een bolsjewiek.

X., der vertretungsweise die 1. Klasse führte, stellt eine Frage.

X., die de eerste klas vervangt, stelt een vraag.

Dr. Steiner: Man sollte das Lesen sehr stark aus dem malenden
Schreiben herausarbeiten. Die Formen müßte man aus dem Künstlerischen heraus ableiten.

[1] Lezen moet heel sterk worden uitgewerkt vanuit schrijven door tekenen. De vormen moeten worden afgeleid van het artistieke.

X. schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.

X. stelt voor ’s morgens te beginnen met het Onze Vader*.

[2] Het antwoord is hier (vanaf <1> te vinden.
Daar staat de morgenspreuk met vertaling en meer context.

Verder vanaf daar:

Blz.98

Lehrplan für den freien anthroposophischen Religionsunterricht für Kinder.

.

Dr. Steiner: Dieser Unterricht müßte in zwei Stufen erteilt werden.
Wenn Sie überhaupt darauf eingehen wollen, anthroposophischen
Unterricht mit religiösen Zielen zu betreiben, dann müssen Sie den
Begriff des Religiösen eben viel ernster nehmen, als er gewöhnlich
genommen wird. Gewöhnlich wird der Begriff der Religion dadurch
entstellt, daß in die Religion allerlei nicht hineingehöriges Weltanschauliches hineingemischt wird. Dadurch wird gerade durch die religiöse Überlieferung dasjenige von einem Zeitalter ins andere hinübergetragen, was man nicht weiterbilden will. Es blieben alte Weltanschauungen neben den weitergebildeten Weltanschauungen gewahrt. Diese Dinge traten ja grotesk hervor in dem Zeitalter des Galilei und Giordano Bruno. Wie heute noch in Apologien diese Dinge gerechtfertigt werden, das ist geradezu humorvoll. Die katholische Kirche redete sich aus, daß ja dazumal die kopernikanische
Weltanschauung nicht anerkannt gewesen sei, die sie selber verboten
hatte; daher durfte Galilei sie auch nicht vertreten. Darauf will ich jetzt nicht eingehen, sondern ich will es nur erwähnen, um Ihnen zu sagen, daß das Religiöse ernst genommen werden muß, sobald es sich um Anthroposophisches handelt.
Nicht wahr, das Anthroposophische ist eine Weltanschauung, und die wollen wir als solche durchaus nicht in unsere Schule hineintragen. Wir müssen aber jenes religiöse Gefühl, welches von dieser

[3] Deze lessen zouden in twee fasen gegeven moeten worden. Als je überhaupt antroposofisch onderwijs met religieuze doelen wilt geven, dan moet je het begrip religie veel serieuzer nemen dan gewoonlijk het geval is. Het begrip religie wordt meestal vervormd door er allerlei wereldbeelden in te vermengen die er niet in thuishoren. Daardoor draagt de religieuze traditie van het ene tijdperk op het andere datgene over wat men niet verder wil ontwikkelen. Oude wereldbeelden bleven bewaard naast de wereldbeelden die verder ontwikkeld waren. Deze dingen kwamen op groteske wijze naar voren in de tijd van Galileo en Giordano Bruno. De manier waarop deze dingen vandaag de dag nog steeds in apologieën (verdedigingsreden) worden gerechtvaardigd is bijna humoristisch. De katholieke kerk kwam met het excuus dat in die tijd het Copernicaanse wereldbeeld niet erkend werd, dat ze zelf verboden had; daarom mocht Galileo die niet vertegenwoordigen. Ik wil daar nu niet op ingaan, maar ik wil het alleen noemen om u te vertellen dat het religieuze serieus genomen moet worden zodra het over antroposofie gaat.
Het is waar dat antroposofie een wereldbeschouwing is, die wij als zodanig zeker niet in onze school willen inbrengen. Maar we moeten het religieuze gevoel ontwikkelen dat 

Blz. 99

Weltanschauung der Menschenseele vermittelt wird, für die Kinder, deren Eltern es ausdrücklich verlangen, entwickeln. Wir dürfen aber gerade, wenn wir von der Anthroposophie ausgehen wollen, nichts Falsches entwickeln, nichts Verfrühtes vor allen Dingen entwickeln.
Wir werden daher zwei Stufen unterscheiden. Wir nehmen also die Kinder zunächst zusammen, die wir in den vier Unterklassen haben, und dann die, die wir in den vier Oberklassen haben.
In den vier unteren Klassen versuchen wir mit den Kindern Dinge und Vorgänge der menschlichen Umwelt so zu besprechen, daß bei den Kindern die Empfindung entsteht, daß Geist in der Natur lebt.
Da kommen also solche Dinge dann in Betracht, wie ich sie als Beispiele angeführt habe. Man will den Kindern zum Beispiel den Begriff der Seele beibringen. Da ist es notwendig, daß man erstens den Begriff des Lebens überhaupt den Kindern nahebringt. Den Begriff des Lebens bringt man den Kindern nahe, wenn man sie aufmerksam macht darauf, daß die Menschen zuerst klein sind, dann heranwachsen, alt werden, daß sie weiße Haare bekommen, Runzeln bekommen und so weiter. Also man weist auf den Ernst des Lebenslaufes beim Menschen hin und macht tatsächlich die Kinder mit dem Ernst des Todes bekannt, mit dem die Kinder ja doch bekannt werden.

van deze wereldbeschouwing op de menselijke ziel wordt overgedragen aan kinderen van wie de ouders dat uitdrukkelijk verlangen. Maar juist als we vanuit de antroposofie willen beginnen, mogen we niets verkeerds, vooral niets voorbarigs ontwikkelen.
Daarom maken we onderscheid tussen twee fasen. Eerst nemen we de kinderen bij elkaar die we in de vier lagere klassen hebben en daarna de kinderen die we in de vier hogere klassen hebben.

In de vier lagere klassen proberen we met de kinderen dingen en processen van de menselijke omgeving te bespreken op zo’n manier dat de kinderen het gevoel ontwikkelen dat geest in de natuur leeft. Dingen zoals ik die als voorbeeld heb gegeven komen aan bod. Je wilt kinderen bijvoorbeeld begrip van de ziel leren. Dan moet je de kinderen eerst vertrouwd te maken met het begrip leven in het algemeen. Het concept van leven wordt aan kinderen geleerd wanneer ze bewust worden gemaakt van het feit dat mensen eerst klein zijn, dan opgroeien, oud worden, grijs haar krijgen, rimpels enzovoort. Je wijst dus op de ernst van de loop van het menselijk leven* en maakt kinderen vertrouwd met de ernst van de dood, die ze toch wel leren kennen.

Dann ist es durchaus nicht unnötig, nun Vergleiche anzustellen zwischen dem, was in der Menschenseele vorgeht beim Wechsel von Schlafen und Wachen. Auf solche Dinge kann man bei dem kleinsten Kinde auf der ersten Stufe durchaus eingehen. Wachen und Schlafen: die Erscheinung besprechen, wie da die Seele ruhend ist, wie der Mensch unbeweglich ist im Schlafe und so weiter. Dann bespricht man mit dem Kinde, wie die Seele den Körper durchdringt, wenn er
wacht, und macht es aufmerksam darauf, daß es einen Willen gibt, der in den Gliedern sich regt; macht es aufmerksam darauf, daß der Körper der Seele die Sinne gibt, durch die man sieht, hört und so weiter. Solche Dinge sind also als Beweis zu geben dafür, daß Geistiges im Physischen waltet. Das ist mit dem Kinde zu besprechen.
Vollständig vermieden muß werden irgendeine oberflächliche Zweckmäßigkeitslehre. Also der anthroposophische Religionsunterricht darf ja nicht nach dem Muster jener Zweckmäßigkeitslehre irgendwie orientiert sein, die da sagt: „Wozu findet man an dem Baume Kork? ” „Damit man Champagnerpfropfen machen kann. Das hat der liebe Gott weise eingerichtet, damit man Kork hat zu Pfropfen.” Dieses, daß etwas da ist „wozu”, das wie menschliche Absicht waltet und in der Natur sich auslebt, das ist Gift; das darf nicht entwickelt werden. Also ja nicht banale Zweckmäßigkeitsvorstellungen in die Natur hineintragen.

Dan is het helemaal niet overbodig om vergelijkingen te maken tussen wat er in de menselijke ziel gebeurt als die afwisselt tussen slapen en waken. Zulke dingen kunnen zeker besproken worden met het kleinste kind in de eerste fase. Waken en slapen: bespreek het fenomeen hoe de ziel in rust is, hoe de mens onbeweeglijk is in de slaap enzovoort. Dan bespreekt je met het kind hoe de ziel het lichaam doordringt als het wakker is, en vestigt zijn aandacht op het feit dat er een wil is die in de ledematen opwelt; vestigt zijn aandacht op het feit dat het lichaam de ziel de zintuigen geeft waardoor men ziet, hoort enzovoort. Zulke dingen moeten gegeven worden als bewijs dat het spirituele aan het werk is in het fysieke. Dit moet met het kind besproken worden. Elke oppervlakkige opportuniteitsleer moet volledig worden vermeden. Het antroposofisch godsdienstonderricht mag dus op geen enkele manier georiënteerd zijn op de nuttigheidsleer die zegt: ‘Waarom zit er kurk aan de boom? “Zodat je er kurk voor champagneflessen van kan maken. De goede God heeft het wijselijk zo geregeld dat je kurk hebt om een kurk van te maken.”
Dit, dat er iets is “met welk doel”, dat zich gedraagt als een menselijke bedoeling en dat zich uitleeft in de natuur, is vergif; het mag niet ontwikkeld worden. Breng dus geen banale ideeën van nuttigheid in de natuur.

Blz. 100

Ebensowenig darf die Vorstellung gepflegt werden, die die Menschen so sehr lieben, daß das Unbekannte ein Beweis des Geistes ist. Nicht wahr, die Menschen sagen: Oh, das kann man nicht wissen, da offenbart sich der Geist! — Statt daß die Menschen die Empfindung bekommen: Man kann vom Geiste wissen, der Geist offenbart sich in der Materie —, werden die Menschen so sehr daraufhingelenkt, daß da, wo man sich etwas nicht erklären kann, ein Beweis ist für das Göttliche.
Diese zwei Dinge sind also streng zu vermeiden, oberflächliche Zweckmäßigkeitslehre und solche Wundervorstellungen, die also das Wunder geradezu suchen als einen Beweis des göttlichen Waltens.
Dagegen kommt es überall darauf an, daß wir uns Vorstellungen ausbilden, durch die wir aus der Natur auf das Übersinnliche hinweisen.
Zum Beispiel habe ich ja oftmals das eine erwähnt: Wir sprechen
mit den Kindern über die Schmetterlingspuppe, wie der Schmetterling aus der Puppe kommt, und machen ihnen daran den Begriff der unsterblichen Seele klar, indem wir sagen: Ja, der Mensch stirbt, und dann geht aus ihm die Seele heraus wie ein unsichtbarer Schmetterling, so wie der Schmetterling aus der Puppe geht.
Aber wirksam ist
eine solche Vorstellung nur, wenn Sie selber daran glauben, wenn Ihnen selber die Vorstellung des Auskriechens des Schmetterlings aus der Puppe ein von göttlichen Mächten in die Natur hineingepflanztes Symbolum für die Unsterblichkeit ist. Man muß selber daran glauben, sonst glauben einem die Kinder nicht.

We moeten ook niet het idee cultiveren, waar mensen zo van houden, dat het onbekende het bewijs is van de geest. Niet waar, mensen zeggen: Oh, dat kun je niet weten, daar openbaart de geest zich! – In plaats van dat mensen de indruk krijgen: Je kan van de geest weten, de geest openbaart zich in de materie -, worden mensen zozeer aangezet om te geloven dat waar iets niet verklaard kan worden, het een bewijs is van het goddelijke. Deze twee dingen moeten daarom strikt vermeden worden, oppervlakkige theorieën van opportunisme en die van de voorstellingen van wonderen als een bewijs van goddelijke activiteit.
Aan de andere kant is het overal belangrijk dat we ideeën vormen waarmee we vanuit de natuur naar het bovenzinnelijke kunnen wijzen.
Aan de andere kant is het overal van belang dat we ideeën vormen waarmee we verwijzen naar het bovenzinnelijke uit de natuur. Eén ding heb ik bijvoorbeeld vaak genoemd: we praten met de kinderen over de vlinderpop, hoe de vlinder uit de pop komt, en daarmee leggen we hun de onsterfelijke ziel uit door te zeggen: ja, de mens sterft, en dan verlaat de ziel hem als een onzichtbare vlinder, net zoals de vlinder uit de pop tevoorschijn komt. Maar zo’n idee is alleen effectief als je er zelf in gelooft, als je zelf het idee ziet van de vlinder die uit de pop tevoorschijn komt als een symbool van onsterfelijkheid, door goddelijke krachten in de natuur geplant. Je moet er zelf in geloven, anders geloven de kinderen je niet
. Zie ‘vrijeschoolonderwijs doen’ – Alle plaatsen in de ped. voordrachten.

Solche Dinge muß man anregen in den Kindern, und sie werden dann besonders wirksam sein in den Kindern, wo man zeigen kann, wie ein Wesen in vielen Gestalten leben kann, eine Urgestalt in vielen einzelnen Gestalten. Aber es kommt darauf an, das Empfindungsgemäße, nicht das Weltanschauungsgemäße im religiösen Unterricht zu pflegen. Sie können zum Beispiel die Gedichte über die Metamorphose der Pflanzen und der Tiere ganz gut religiös verwenden, nur
müssen Sie die Gefühle, die Empfindungen, die von Zeile zu Zeile gehen, verwenden. Und Sie können in ähnlicher Weise die Natur betrachten, bis die 4. Klasse vollendet ist. Da müssen Sie namentlich auch die Vorstellung immer wieder anregen, daß der Mensch im ganzen Weltenall drinnensteht mit all seinem Denken und all seinem Tun. Und Sie müßten auch diese Vorstellung anregen, daß in dem, was in uns lebt, auch der Gott lebt. Und immer wieder müssen Sie auf solche Vorstellungen zurückkommen: Im Baumblatt lebt das Göttliche, in der Sonne lebt das Göttliche, in der Wolke und im Flusse lebt das Göttliche. Aber das Göttliche lebt auch im Blutlauf; das

Die dingen moeten in de kinderen opgeroepen worden en ze zullen dan in de kinderen bijzonder werkzaam zijn, daar waar men kan laten zien hoe één wezen in vele vormen kan leven, één oervorm in vele individuele vormen.
Maar het is belangrijk om het gevoel te cultiveren, niet het ideologische in het godsdienstonderwijs. Je kunt bijvoorbeeld de gedichten over de metamorfose van planten en dieren* heel goed gebruiken voor het religieuze, maar je moet de gevoelens gebruiken, de beleving in iedere zin.
En je kan op een vergelijkbare manier naar de natuur kijken tot de 4e klas klaar is. Je moet dan vooral ook de voorstelling steeds weer blijven stimuleren dat de mens deel uitmaakt van het hele universum met al zijn gedachten en al zijn handelingen. En je moet ook het idee stimuleren dat God leeft in wat in ons leeft. En steeds opnieuw moet je op zulke ideeën terugkomen: Het goddelijke leeft in het boomblad, het goddelijke leeft in de zon, het goddelijke leeft in de wolk en in de rivier. Maar het goddelijke leeft ook in de bloedsomloop; 

Blz. 101

Göttliche lebt im Herzen, in dem, was du fühlst, in dem, was du denkst. Also immer die Vorstellung entwickeln, daß der Mensch auch ausgefüllt ist vom Göttlichen.
Dann muß man sehr stark schon in diesen Jahren die Vorstellung hervorrufen, daß der Mensch verpflichtet ist, weil er den Gott darstellt, weil er das Göttliche offenbart, ein guter Mensch zu sein. Der Mensch tut dem Gott Schaden, wenn er nicht gut ist. Der Mensch ist nicht um seiner selbst willen in der Welt, religiös gedacht, sondern er ist in der Welt zur Offenbarung des Göttlichen. Man drückt das oft so aus, daß man sagt: Der Mensch ist nicht um seiner selbst willen da,
sondern ,,zur Ehre Gottes”. — Zur „Ehre” bedeutet dann aber in Wirklichkeit „zur Offenbarung”. Wie es ja auch nicht heißt in Wirklichkeit: ,,Ehre sei Gott in der Höhe”, sondern: ,,Es offenbaren sich die Götter in der Höhe.” So ist auch der Satz, daß der Mensch ,,zur Ehre Gottes ” da ist, so zu fassen: Er ist da, damit er durch seine Taten und sein ganzes Fühlen das Göttliche ausdrückt. Und wenn er etwas Schlechtes tut, wenn er unfromm und ungut ist, so tut er
etwas, was dem Gotte zur Schmach wird, wodurch der Gott selbst
entstellt wird, zu etwas Unschönem wird.

het goddelijke leeft in het hart, in wat je voelt, in wat je denkt. Ontwikkel dus altijd de idee dat de mens ook vervuld is van het goddelijke.
Dan moet je al in deze jaren heel sterk de idee oproepen dat de mens verplicht is, omdat hij God vertegenwoordigt, omdat hij het goddelijke openbaart, om een goed mens te zijn. De mens schaadt God als hij niet goed is. De mens is niet in de wereld omwille van zichzelf, religieus gesproken, maar hij is in de wereld omwille van de openbaring van het goddelijke. Dit wordt vaak uitgedrukt door te zeggen dat de mens er niet is omwille van zichzelf, maar “tot eer van God”. – Maar “tot eer” betekent dan eigenlijk “tot openbaring”. Net zoals het eigenlijk niet betekent: “Ere zij God in de hoge”, maar eerder: “ De Goden worden geopenbaard in de hoge”. De zin dat de mens bestaat “tot eer van God” kan ook zo begrepen worden: Hij bestaat zodat hij het goddelijke kan uitdrukken door zijn daden en al zijn gevoelens. En als hij iets slechts doet, als hij goddeloos en niet goed is, doet hij iets dat een oneer wordt voor God, waardoor God zelf verminkt wordt, iets lelijks wordt.

Diese Vorstellung muß man besonders hereinbringen. Also das Innewohnen des Gottes in dem Menschen, das ist etwas, was schon auf dieser Stufe verwendet werden muß. Auf dieser Stufe würde ich noch von jeder Christologie absehen und nur aus der Natur und aus Naturvorgängen heraus eben das göttliche Vatergefühl erwecken.
Und ich würde versuchen, daran zu knüpfen allerlei Besprechungen über Motive des Alten Testaments, namentlich auch soweit sie verwendbar sind — und sie sind es, wenn sie nur richtig behandelt werden —, die Psalmen Davids, das Hohe Lied und so weiter. Das wäre also die erste Stufe.
Bei der zweiten Stufe, die ja also die vier höheren Klassen umfassen würde, würde es sich darum handeln, daß man viel bespricht mit den Kindern die Begriffe von Schicksal, Menschenschicksal. Also dem Kinde wäre eine Vorstellung beizubringen von dem, was Schicksal ist, so daß das Kind wirklich fühlt, daß der Mensch ein Schicksal hat.
Den Unterschied dem Kinde beizubringen zwischen dem, was einen zufällig bloß trifft, und dem, was Schicksal ist, das ist wichtig. Also man muß den Begriff des Schicksals mit dem Kinde behandeln. Die Frage, wann einen etwas als Schicksal trifft, oder wann einen etwas zufällig trifft, die läßt sich nicht definitionsgemäß erläutern. Man kann sie aber vielleicht an Beispielen erläutern. Ich will sagen, wenn ich empfinde bei einem Ereignis, das mich trifft, daß ich das Ereignis

Deze voorstelling moet in het bijzonder naar voren worden gebracht. Dus dat God in de mens woont, is iets dat in deze fase aan de orde moet komen.
In die fase zou ik nog steeds afzien van enige christologie en alleen het goddelijke Vadergevoel opwekken vanuit de natuur en vanuit natuurlijke processen. En ik zou proberen om daar allerlei gesprekken te voeren over motieven uit het Oude Testament voor zover ze bruikbaar zijn – en dat zijn ze, als ze maar correct behandeld worden – de Psalmen van David, het Hooglied enzovoort. Dit dus voor de eerste fase.
In de tweede fase, die dus de vier hogere klassen omvat, zou het kunnen gaan om met de kinderen te bespreken wat begrippen als het lot en de menselijke bestemming inhouden. Het kind zou een idee moeten krijgen van wat het lot is, zodat het echt voelt dat de mens een bestemming heeft.
Het is belangrijk om het kind het verschil te leren tussen wat toevallig gebeurt en wat het lot is. Je moet dus het begrip lot met het kind behandelen. De vraag wanneer iets je overkomt als het noodlot of wanneer iets je overkomt door toeval, kan je niet met definities uitleggen. Maar misschien kan het worden uitgelegd aan de hand van voorbeelden. Ik wil zeggen dat wanneer ik een gebeurtenis meemaak die me treft, ik het gevoel heb dat ik naar de gebeurtenis

Blz.102

so wie gesucht habe, dann ist es Schicksal. Wenn ich nicht empfinden kann, daß ich es gesucht habe, aber besonders stark empfinden kann, daß es mich überrascht und daß ich viel daran lernen kann für die Zukunft, dann ist es ein Zufall, dann wird es erst Schicksal. Es muß an diesem, was nur empfindungsgemäß erlebt werden kann, der Unterschied zwischen ,,vollendetem Karma” und „aufgehendem, werdendem Karma” dem Kinde allmählich beigebracht werden. Man muß wirklich die Schicksalsfrage im Sinne der Karmafrage allmählich mit dem Kinde behandeln.
Daß es in der Empfindung Unterschiede gibt, darüber werden Sie Genaueres finden in der neuesten Auflage meiner „Theosophie”.
Da habe ich diese Frage einmal behandelt in dem Kapitel ,,Reinkarnation und Karma”, das ganz neu bearbeitet ist. Da habe ich versucht, herauszuarbeiten, wie man den Unterschied empfinden kann. Da können Sie den Kindern durchaus schon klarmachen, daß es eigentlich zweierlei Ereignisse gibt. Bei dem einen empfindet man eben mehr, daß man es gesucht hat: zum Beispiel wenn man einen Menschen kennenlernt, empfindet man meistens, daß man ihn gesucht hat. Wenn einen ein Naturereignis trifft, in das man verquickt ist, dann empfindet man, daß man viel daran lernen kann für die Zukunft. Trifft einen etwas durch Menschen, so ist es meist ein erfülltes Karma.

op zoek was, dan is het het lot. Als ik niet kan voelen dat ik het gezocht heb, maar wel bijzonder sterk kan voelen dat het me verrast en dat ik er veel van kan leren voor de toekomst, dan is het toeval, dan pas wordt het het lot. Het kind moet geleidelijk het verschil leren tussen “voltooid karma” en “opkomend, wordend karma” door dit, wat alleen gevoelsmatig ervaren kan worden. Het vraagstuk van het lot in de zin van het karmavraagstuk moet echt geleidelijk met het kind worden behandeld.
In de laatste uitgave van mijn “Theosofie” vind je meer gedetailleerde informatie over het feit dat er verschillende belevingen zijn. Daar heb ik deze vraag nu behandeld in het hoofdstuk “Reïncarnatie en Karma”, dat volledig herzien is. Daar heb ik geprobeerd uit te werken hoe je het verschil kan waarnemen. Je kunt de kinderen laten inzien dat er eigenlijk twee verschillende gebeurtenissen zijn. Bij het ene heb je meer het gevoel dat je ernaar op zoek bent geweest: als je bijvoorbeeld een persoon leert kennen, heb je meestal het gevoel dat je naar deze op zoek bent geweest. Als je iets overkomt bij een natuurgebeurtenis, waar je verkwikt uitkomt, heb je het gevoel dat je er veel van kunt leren voor de toekomst. Als je iets overkomt via mensen, is dat meestal een vervuld karma.

Selbst in einer solchen Weise, daß Sie sich hier zusammenfinden zum Beispiel in einem Lehrerkollegium in der Waldorfschule, ist ein erfülltes Karma. Man findet sich so zusammen, weil man sich gesucht hat. Das läßt sich aber nicht definitionsgemäß klarmachen, sondern nur empfindungsgemäß. Man muß dem Kinde viel über allerlei besondere Schicksale sprechen, vielleicht in Erzählungen, worin Schicksalsfragen spielen. Man kann manches sogar
wiederholen aus den Märchenerzählungen, indem man die Märchen
noch einmal durchnimmt, in denen Schicksalsfragen spielen.
Namentlich kann man auch in der Geschichte solche Beispiele aufsuchen, wo man an einzelnen Personen sieht, wie sich ein Schicksal erfüllt. Die Schicksalsfrage ist also zu besprechen, um von dieser Seite auf den Ernst des Lebens hinzuweisen.
Und dann möchte ich Ihnen klarmachen, was das eigentlich Religiöse im anthroposophischen Sinne ist. Das Religiöse im Sinne der Anthroposophie ist das Gefühlsmäßige, das, was wir aus der Weltanschauung an Gefühlen aufnehmen für Welt und Geist und Leben.
Die Weltanschauung selber ist eine Sache des Kopfes, das Religiöse aber geht immer aus dem ganzen Menschen hervor. Daher ist eine Religion, die Bekenntnisreligion ist, eigentlich nicht wirklich reli-

Zelfs op zo’n manier dat u hier samenkomt, bijvoorbeeld in een lerarengroep op een vrijeschool, is een vervuld karma. U komt zo samen omdat u elkaar hebt opgezocht. Dit is echter niet begripsmatig te verklaren, maar alleen op gevoel. Je moet veel met het kind praten over allerlei bijzondere lotsbestemmingen, misschien in verhalen waarin lotsvragen een rol spelen. Je kunt zelfs een aantal dingen uit de sprookjes herhalen door de sprookjes nog eens door te nemen waarin lotsvragen een rol spelen. In het bijzonder kun je ook op zoek gaan naar voorbeelden in de geschiedenis waarin je kunt zien hoe een lot zich voltrekt in individuele personages. De vraag van het lot moet daarom worden besproken om vanuit dit perspectief op de ernst van het leven te wijzen.
En dan wil ik u duidelijk maken wat in antroposofische zin eigenlijk religieus is. Het religieuze in de zin van antroposofie is het gevoelsmatige, datgene wat we uit het wereldbeeld halen aan gevoelens voor wereld, geest en leven. Het wereldbeeld zelf is een zaak van het hoofd, maar het religieuze komt altijd voort uit de hele persoon. Daarom is een religie die een confessionele religie is, niet echt religieus.

Blz. 103

Dasjenige, worauf es ankommt, ist, daß in der Religion der ganze Mensch, und zwar hauptsächlich Gefühl und Wille, lebt. Dasjenige, was an Weltanschauungsinhalt in der Religion lebt, das ist eigentlich nur zum Exemplifizieren, zur Unterstützung, zur Vertiefung des Gefühls und zur Erstarkung des Willens. Das ist das, was aus der Religion fließen soll: daß der Mensch über das, was einem die vergänglichen, irdischen Dinge an Gemütsvertiefung und Willenserstarkung geben können, hinauswächst.
Von der Schicksalsfrage wäre dazu überzugehen, den Unterschied zu besprechen zwischen dem, was man von den Eltern ererbt hat, im Gegensatz zu dem, was man aus einem früheren Erdenleben mitbringt. In der zweiten Stufe werden die früheren Erdenleben herangezogen, und alles wird beigetragen, damit ganz verstandesmäßig, gefühlsmäßig begriffen wird, daß der Mensch in wiederholten Erdenleben lebt.
Und dann sollte durchaus berücksichtigt werden, daß der Mensch zunächst sich in drei Stufen zum Göttlichen erhebt. —
Also, nachdem man mit dem Schicksalsbegriff beigebracht hat langsam, in Erzählungen, den Vererbungsbegriff, den Begriff der wiederholten Erdenleben, geht man über zu den drei Stufen des Göttlichen:
Erstens zu dem Göttlichen, das zu dem Engelwesen führt, das für jeden einzelnen Menschen persönlich da ist. Und da bespricht man, wie der einzelne Mensch von Leben zu Leben geführt wird durch seinen persönlichen Genius. Also dieses Persönlich-Göttliche, das im Menschen führend ist, das wird zuerst besprochen.

Waar het om gaat is dat in religie de hele mens, en vooral het gevoel en de wil, leeft. Wat er aan inhoud van het wereldbeeld in religie zit, is er eigenlijk alleen maar om door voorbeelden uit te leggen, te ondersteunen, het gevoel te verdiepen en de wil te versterken. Wat uit de religie moet stromen: dat mensen verder komen dan wat de vergankelijke, aardse dingen aan het verdiepen van het gevoel en de versterking van de wil kunnen bijdragen.
Van het vraagstuk van het lot kunnen we dan verder gaan naar het verschil
tussen wat je van je ouders hebt geërfd, en wat je meeneemt uit een vorig leven op aarde.
In de tweede fase kijken we naar de voorgaande aardse levens en wordt alles zo aangedragen dat volledig intellectueel, emotioneel wordt begrepen dat de mens in herhaalde levens op aarde leeft.
En dan moet er zeker rekening mee worden gehouden dat mensen zich op het goddelijke richten in drie fasen. – Dus, nadat we het begrip van het lot langzaam hebben aangeleerd met verhalen, van het erfelijkheidsbegrip, van het aardse leven dat zich herhaalt, ga je verder met de drie niveaus van het goddelijke:
In de eerste plaats naar het goddelijke, wat leidt naar het engelwezen dat er persoonlijk voor iedereen is. En daar bespreken we hoe de individuele mens van leven tot leven wordt geleid door zijn persoonlijke genius. Dus dit persoonlijk goddelijke dat in de mens leidend is, wordt eerst besproken.

Zweitens versucht man nun zu erklären, daß es höhere Götter gibt, die Erzengel, und daß die dazu da sind — man kommt da allmählich hinein in das, was man in der Geschichte, in der Geographie betrachten kann —, daß die Erzengel dazu da sind, um ganze Menschengruppen zu dirigieren, also Völkermassen und dergleichen. Das muß scharf so beigebracht werden, daß das Kind unterscheiden lernt zwischen dem Gott, von dem zum Beispiel der Protestantismus spricht, der eigentlich nur der Engel ist, und zwischen dem Erzengel, der etwas Höheres ist als dasjenige, was eigentlich in der evangelischen Religionslehre überhaupt vorkommt.
Drittens ist dann nun auch der Begriff des Zeitgeistes beizubringen als eines waltenden Göttlichen über Perioden hin. Da kommt man in den Zusammenhang zwischen der Geschichte und der Religion.
Und erst, wenn man solche Begriffe beigebracht hat, geht man dazu über, so etwa im zwölften Jahr — wir können es ja jetzt nicht so machen; wir werden zwei Stufen machen; die Kinder können durch-

Ten tweede probeert je nu uit te leggen dat er hogere goden zijn, de aartsengelen, en dat die er zijn – je komt geleidelijk bij wat kan worden waargenomen in de geschiedenis en de geografie – dat de aartsengelen er zijn om hele groepen mensen te leiden, dat wil zeggen volkeren en dergelijke. Het moet
zodanig duidelijk onderwezen worden dat het kind onderscheid leert maken tussen de God waar het protestantisme bijvoorbeeld over spreekt: die  eigenlijk gewoon de engel is, en tussen de aartsengel, die iets hogers is dan wat feitelijk in de evangelische godsdienst voorkomt.
Ten derde moet ook het begrip tijdgeest worden aangeleerd als iets heersend goddelijks gedurende perioden. Dan kom je bij de samenhang tussen geschiedenis en religie.
En pas als je zulke begrippen hebt geleerd, ga je ze gebruiken, zo rond het twaalfde jaar* – dat kunnen we nu niet zo doen; we zullen twee fasen nemen; de kinderen kunnen echt wel

Blz. 104

aus schon früher hören, was sie dann später besser verstehen —, nachdem wir die drei Stufen dem Kinde möglichst beigebracht haben, gehen wir über zur eigentlichen Christologie, indem wir die Weltentwickelung in zwei Teile teilen: in die vorchristliche, die eine Vorbereitung war, und in die christliche, die eine Erfüllung ist. Da muß der Begriff eine große Rolle spielen, daß sich das Göttliche durch den Christus offenbarte ,,in der Fülle der Zeiten”.
Und dann gehe man auch erst über zu den Evangelien. Bis dahin verwende man, insofern man Erzählungen braucht, um den Begriff der Engel, Erzengel und des Zeitgeistes zu erklären, das Alte Testament. Man macht aus dem Alten Testament heraus, zum Beispiel das Eintreten eines neuen Zeitgeistes, dem Kinde klar an der Erscheinung des Moses, gegenüber dem früheren Zeitgeist, wo die Offenbarung des Moses noch nicht vorhanden war. Dann macht man wiederum klar, daß ein neuer Zeitgeist auftritt im 6. Jahrhundert der vorchristlichen Zeit. Dazu verwendet man zuerst das Alte Testament. Und dann, wenn man zur Christologie übergegangen ist, aber es so erlaßt hat in einer langen vorbereitenden Zeit, dann gehe man über zu den Evangelien und versuche, einzelne Glieder der Evangelien herauszunehmen, und immer wie etwas Selbstverständliches die Vierheit der Evangelien beizubringen, indem man sagt:

eerder horen, wat ze dan later beter begrijpen – nadat we het kind zoveel mogelijk de drie fasen hebben geleerd en dan gaan we over tot de feitelijke christologie door de wereldevolutie in twee delen te verdelen: het voorchristelijke deel, dat een voorbereiding was, en het christelijke deel, dat een vervulling is. Dan moet het begrip dat het goddelijke zich openbaart door Christus ‘in de volheid des tijds’ een grote rol spelen.
En dan gaan we ook verder met de Evangeliën. Tot dan, als je verhalen nodig had, om de engelen, aartsengelen en de tijdgeest uit te leggen, gebruikte je het Oude Testament. Vanuit het Oude Testament maak je bv. het verschijnen van een nieuwe tijdgeest duidelijk door het optreden van Mozes, tegenover de vroegere tijdgeest waarin de openbaring van Mozes er nog niet was.
Vervolgens wordt opnieuw duidelijk gemaakt dat er in de 6e eeuw van de voorchristelijke tijd een nieuwe tijdsgeest ontstond. Hiervoor gebruik je allereerst het Oude Testament. En als je dan verder gaat met de christologie, maar het tijdens een lange voorbereidingsperiode op deze manier hebt verteld, dan ga je naar de evangeliën en probeer je er afzonderlijke delen uit te halen, en altijd als iets vanzelfsprekends de vier evangeliën te onderwijzen door te zeggen:

Wie ein Baum von vier verschiedenen Seiten photographiert werden muß, um richtig gesehen zu werden, so sind die vier Evangelien wie vier Gesichtspunkte. Man nehme einmal das Matthäus-Evangelium, einmal das Markus-Evangelium, einmal das Lukas-Evangelium, einmal das Johannes-Evangelium und lege gerade besonderen Wert darauf, daß das immer gefühlt wird. Auf den Gefühlsunterschied lege man ganz und gar den Hauptwert.
Das wäre also die zweite Stufe mit ihrem Lehrinhalt. Der Tenor der ersten Stufe ist der, daß dem werdenden Menschen beigebracht werden sollte alles dasjenige, was kund werden kann vermittels des Göttlichen in der Natur durch Weisheit.
Auf der zweiten Stufe ist die Umwandlung: der Mensch erkennt das Göttliche durch Weisheit allein nicht, sondern durch die wirkende Liebe.
Das ist der Tenor, das Leitmotiv in den beiden Stufen.

Zoals een boom van vier verschillende kanten  gefotografeerd moet worden, om deze goed te zien, zo  zijn de vier evangeliën gelijk aan vier standpunten. Neem een ​​keer het Evangelie van Mattheüs, een keer het Evangelie van Marcus, een keer het Evangelie van Lucas, een keer het Evangelie van Johannes en hecht er bijzonder belang aan dat dit altijd gevoeld wordt. Het accent moet komen te liggen op het verschil in gevoelsbeleving.
Dat zou dus de tweede fase zijn met de lesinhoud ervan. De teneur van de eerste fase is dat de zich ontwikkelende mens alles moet leren wat hierdoor bekend kan worden gemaakt door het goddelijke in de natuur door wijsheid.
In de tweede fase vindt de verandering plaats: de mens erkent dit goddelijk, niet alleen door wijsheid, maar door dat wat werkt door de liefde.
Dat is de teneur, het leidmotief in de twee fasen.

X.: Soll man Sprüche lernen lassen?

Moet je spreuken aanleren?

Dr. Steiner: Ja, vorzugsweise aus dem Alten Testament, später aus
dem Neuen Testament. Aber nicht die Sprüche, die oftmals in Gebetbüchern enthalten sind, die sind zumeist trivial. Also Sprüche aus der

Ja, bij voorkeur uit het Oude Testament, later het Nieuwe Testament. Maar niet de spreuken die vaak in gebedenboeken staan, die zijn meestal triviaal. Dus spreuken uit de

Blz. 105

Bibel, und auch dasjenige, was wir haben in der Anthroposophie an Sprüchen. Wir haben ja allerlei Sprüche, die können gut verwendet werden in diesem anthroposophischen Religionsunterricht.

Bijbel, en ook wat we in de antroposofie hebben aan spreuken. We hebben allerlei spreuken* die we goed kunnen gebruiken in dit antroposofische godsdienstonderwijs.

GA 40, vertaald

X..- Soll man die Zehn Gebote lehren?

X..- Moeten we de Tien Geboden onderwijzen?

Dr. Steiner: Die Zehn Gebote sind ja im Alten Testament enthalten, aber es muß der Ernst der Sache immer klargemacht werden. Ich habe ja immer betont, es steht auch da drinnen, daß man den Namen des Gottes nicht eitel aussprechen soll. Das wird ja übertreten fast von jedem Kanzelredner, indem der Name des Christus fortwährend eitel ausgesprochen wird. Das muß natürlich alles gefühlsmäßig vertieft werden. Der Religionsunterricht soll überhaupt gegeben werden nicht in Bekenntnisform, sondern in gefühlsmäßiger Vertiefung. Das
Credo ist als solches nicht die Hauptsache, sondern dasjenige, was empfunden wird beim Credo; nicht der Glaube an den Vatergott, an den Sohngott, an den Geistgott, sondern was man empfindet dem Vater, dem Sohne, dem Geiste gegenüber. So daß immer in den Seelengründen waltet:

Gott nicht erkennen, ist eine Krankheit;
Christus nicht erkennen ist ein Schicksal, ein Unglück;
den Geist nicht erkennen ist eine Beschränktheit der Menschenseele.

De Tien Geboden staan ​​in het Oude Testament, maar de ernst van de zaak moet altijd duidelijk worden gemaakt. Ik heb altijd benadrukt dat daarin ook staat dat de naam van God niet ‘ijdel’ mag worden uitgesproken. Dat wordt door bijna iedereen die vanaf de spreekstoel preekt overtreden, wanneer de naam van Christus voortdurend ‘ijdel’ wordt gebruikt.
Natuurlijk moet dit allemaal gevoelsmatig worden verdiept. Religieus onderwijs zou überhaupt gegeven moeten worden, niet in de vorm van een leer, maar in gevoelsverdieping. De Geloofsbelijdenis als zodanig is niet het belangrijkste, maar wat wordt gevoeld in het Credo; niet het geloof in de Vader God, in
de Zoon God, in de Geest Gods, maar wat men voelt bij de vader, de zoon, de geest. Dus dat altijd in de diepte van de ziel aanwezig is:

God niet kennen, is een ziekte;
Het niet erkennen van Christus is een lot, een ongeluk;
Het niet kennen van de geest is een beperking van de menselijke ziel.

X.: Soll man das Historische den Kindern nahebringen: den Gang der Zarathustra-Individualität bis zur Offenbarung des Christentums? Die Geschichte von den beiden Jesus-Knaben?

X.: Moeten we kinderen iets leren over de geschiedenis: de ontwikkeling van Zarathoestra’s individualiteit tot aan de openbaring van het christendom? Het verhaal van de twee Jezuskinderen?

Dr. Steiner: Man muß den Religionsunterricht abschließen, indem man den Kindern diese Zusammenhänge beibringt, selbstverständlich sehr vorsichtig.
Die erste Stufe ist durchaus mehr Naturreligion, die zweite mehr historische Religion.

Je moet het godsdienstonderwijs afsluiten door de kinderen deze verbanden te leren, uiteraard heel zorgvuldig.
De eerste fase is beslist meer natuurlijke religie, de tweede meer historische religie.

X.: Für den Naturgeschichtsunterricht ist auch wohl die Zweckmäßigkeitslehre zu vermeiden? Der Schmeilsche Leitfaden für Botanik und Zoologie —
der ist teleologisch.

[4] X.: Moet de doelmatigheidsheorie ook vermeden worden in de biologielessen? De Schmeil-gids voor plantkunde en dierkunde-het is teleologisch. (kortweg: met een doel)

Dr. Steiner: Bei den Büchern bitte ich durchaus zu berücksichtigen, daß ich sie nur betrachtet wissen möchte zu Ihrer Information bezüglich der Tatsachen. Sie können schlechtweg voraussetzen, daß die Methoden, die da drinnen befolgt sind, auch in der Anschauungsweise, durchaus von uns zu vermeiden sind. Bei uns müssen eben alle Dinge wirklich neu werden. Diese schrecklichen Dinge, die man nur so charakterisieren kann: Der gute Gott hat den Kork erschaffen,

Als het om boeken gaat, zou ik u willen vragen er rekening mee te houden
dat ik er alleen maar meer over wil weten voor uw informatie over de feiten. Je kunt er gewoon vanuit gaan dat we de werkwijzen die daarin worden gevolgd, ook in de manier van kijken, absoluut moeten vermijden. Bij ons moet echt alles nieuw. Deze vreselijke dingen die men alleen maar zo kan karakteriseren: De goede God schiep de kurk,

Blz. 106

damit man Champagnerpfropfen daraus machen kann —, diese Gesinnung, die natürlich solche Bücher ganz durchdringt, die müssen wir
vollständig vermeiden. Für uns sind diese Bücher nur da, damit wir
uns über die Tatsachen informieren. So ist es auch in der Geschichte.
Da ist nicht minder alles Kohl, was an Urteil hineingeflossen ist. In
der Naturgeschichte erst recht.
Es scheint mir zum Beispiel nicht schlimm, wenn man den Brehm
verwenden würde, wenn solche Dinge aktuell werden sollten. Im
Brehm sind solche Trivialitäten vermieden. Er ist ja ein bißchen
spießig. Es wäre ganz gut, wenn man solche Dinge herausschreiben
würde, und die Erzählungen dabei mehr zugrunde legen würde. Das
würde vielleicht das beste sein. Er ist ja philiströs geschrieben, der
alte Brehm; der neue kommt nicht in Betracht, der ist wiederum von
einem Modernen bearbeitet.
Sie können ungefähr annehmen, daß alles, was vom Jahre 1885 an an
Schulbüchern erzeugt worden ist, schlechtes Zeug ist. Seit jener Zeit
ist alle Pädagogik in der furchtbarsten Weise zurückgegangen und in
die Phrase hineingekommen.

zodat je er champagnekurken van kan maken – deze teneur, die zulke boeken natuurlijk helemaal doordringt, moeten we volledig vermijden. Voor ons zijn deze boeken er gewoon zodat we ons op de hoogte kunnen stellen van de feiten. Voor geschiedenis is het hetzelfde. Daar is niet minder aan onzin in gekomen. Bij biologie pas echt.
Het lijkt mij bijvoorbeeld niet erg als je de Brehm gebruikt, wanneer zulke dingen aan de orde zouden komen. In de Brehm zijn dergelijke trivialiteiten vermeden. Hij is een beetje burgerlijk. Het zou heel goed zijn als je dit soort dingen zou uitschrijven en daarbij dan meer verhalen naar voren halen.
Dat zou misschien wel het beste zijn. Het is wat schoolmeesterachtig geschreven
die oude Brehm; de nieuwe komt niet in aanmerking, die is weer
op een moderne manier bewerkt.
Je kunt er grofweg vanuit gaan dat alles wat vanaf 1885 aan schoolboeken is geproduceerd, slecht in elkaar zit. Vanaf die tijd is alle pedagogie op de meest verschrikkelijke manier achteruitgegaan en in loze woorden uitgemond.

X.: Wie muß man in der Naturgeschichte den Menschen durchnehmen? Wie
soll man das in der 4. Klasse anfangen?

[5] X.: Hoe moeten we de mens in de biologie behandelen? Hoe moet je hiermee beginnen in de 4e klas?

Dr. Steiner: Für den Menschen finden Sie fast alles irgendwie in meinen Zyklen zerstreut. Es ist fast alles irgendwo gesagt. Und dann ist ja auch vieles im Seminarkursus angedeutet. Sie brauchen es nur umzusetzen für die Schule. Die Hauptsache ist, daß Sie sich an die Tatsachen halten, aber auch an die Tatsachen psychologischer und spiritueller Art. Sie nehmen zunächst den Menschen durch nach der Formung des Knochensystems; da können Sie ja nicht unsicher sein.
Dann gehen Sie über zum Muskelsystem, zum Drüsensystem. Am
Muskelsystem bringen Sie den Kindern bei den Begriff des Willens, am Nervensystem den Begriff des Denkens. Also halten Sie sich an das, was Sie aus der Anthroposophie kennen. Es ist notwendig, daß Sie sich ja nicht beirren lassen durch ein heutiges schablonenmäßiges Buch. Nehmen Sie sich sogar lieber — Sie brauchen ja nicht für Ihre 4. Klasse etwas, was „auf der Höhe der Wissenschaft” steht — eine ältere Beschreibung und halten Sie sich daran. Alle diese Dinge sind, wie gesagt, spottschlecht geworden, seit den achtziger Jahren. Aber in den Zyklen finden Sie überall Anhaltspunkte.

Voor de mens kun je op de een of andere manier bijna alles verspreid vinden
in mijn cycli. [de toen tot dan toe verschenen voordrachten]. Bijna alles wordt wel ergens gezegd. En dan is er ook veel in de cursus [zie Rudolf Steiner over dierkunde] behandeld. U moet het alleen veranderen voor in de school. Het belangrijkste is dat u zich aan de feiten houdt, maar ook aan de psychologische en spirituele feiten. U behandelt de mens eerst naar hoe de botten gevormd zijn; daar hoef u zich niet onzeker bij te voelen. Dan gaat u over naar het spiersysteem, het kliersysteem. Aan het spiersysteem kun je de kinderen het begrip van de wil uitleggen, aan het zenuwsysteem het begrip van het denken. Houd u aan wat u uit de antroposofie weet. Het is noodzakelijk dat u zich niet laat misleiden door de stereotype boeken van vandaag. Neem liever – u hebt het  voor uw 4e klas niet nodig dat iets “op wetenschappelijke hoogte’ staat – een oudere beschrijving en houd u daaraan. Al deze dingen zijn, zoals ik al zei, sinds de jaren tachtig erg slecht geworden. Maar overal in de cycli vind aanwijzingen.

X.: Ich habe hier eine Tabelle der geologischen Formationen zusammengestellt im Anschluß an das gestern Gesagte.

X.: Ik heb een tabel met geologische formaties samengesteld naar aanleiding van wat gisteren* werd gezegd.

Blz. 107

Sie dürfen da nie pedantisch parallelisieren. Ja, wenn Sie zu der Primitivform, zum Urgebirge, gehen, haben Sie die polarische Zeit. Die paläozoische entspricht der hyperboräischen Epoche, auch da dürfen Sie nicht pedantisch die einzelnen Tierformen nehmen.
Dann haben Sie das mesozoische Zeitalter dem lemurischen im wesentlichen entsprechend. Dann die erste und zweite Säugetierfauna oder das känozoische Zeitalter, das ist das atlantische Zeitalter. Das atlantische ist nicht älter als etwa neuntausend Jahre. —
Diese fünf Zeitalter, das primitive, paläozoische, mesozoische, känozoische, anthropozoische können Sie also geradezu parallelisieren, aber nicht pedantisch.

[6] Je moet dingen nooit op pedante wijze parallelliseren. Ja, als u naar de primitieve vorm gaat, naar de oergebergten, heb je de polaire tijd.
Het Paleozoïcum komt overeen met het Hyperboreïsche tijdperk, ook hier moet je niet pedant de individuele diervormen nemen.
Dan heb je het Mesozoïcumin in essentie dienovereenkomstig met het Lemurische tijdperk. Dan de eerste en tweede zoogdierfauna of het Cenozoïcum, dat is het Atlantische tijdperk. Dat is niet ouder dan ongeveer negenduizend jaar. — Je kan deze vijf tijdperken feitelijk parallelliseren: het primitieve, het Paleozoïcum, Mesozoïcum, Cenozoïcum en Antropozoïcum, maar niet pedant.

X.; Es ist einmal gesagt, daß die Abzweigung der Fische und die Abzweigung
der Vögel gewöhnlich nicht richtig angegeben werden, zum Beispiel bei
Haeckel.

X; Er is ooit gezegd dat de aftakking van de vissen en de aftakking
van de vogels meestal niet correct vermeld worden , bijvoorbeeld bij Haeckel.

Die Abzweigung der Fische wird allerdings etwas zurückgeschoben im Devonschen Zeitalter.

De aftakking van de vissen wordt enigszins teruggeschoven naar het Devoon.

X.; Wie sieht der Mensch in diesem Zeitalter aus?

X.; Hoe ziet de mens er in deze tijd uit?

Im primitiven Zeitalter ist er fast ganz noch von ätherischer Substantialität. Er lebt zwischen den anderen Erscheinungen. Er hat noch keine Dichte. Er wird dichter im hyperboräischen Zeitalter. Nur diese Tierformen, die eigentlich der Niederschlag sind, die leben. Der Mensch lebt auch, nicht in geringer Kraft, er hat eine ungeheure Kraft. Aber er hat nichts an sich von einer Substanz, die
zurückbleiben könnte. Daher gibt es keine Überreste. Er lebt durch
die ganzen Zeitalter hindurch und bekommt erst etwa im känozoischen Zeitalter äußere Dichte. Wenn Sie sich erinnern, wie ich das lemurische Zeitalter beschrieben habe, das sind fast ätherische Landschaften. Das ist alles da, aber es sind keine geologischen Überreste da. Aber wollen Sie das berücksichtigen, daß eigentlich hier durch alle fünf Zeitalter überall schon Mensch ist: Mensch ist überall. Dann hier (Dr. Steiner demonstriert an der Tabelle) im ersten Zeitalter
(Primitivform) ist außer dem Menschen eigentlich noch nichts anderes vorhanden; das sind nur geringfügige Überreste. Da ist Eozoon
canadense eigentlich mehr Formation, etwas, was sich als Figur bildet; das ist nicht ein wirkliches Tier. Dann hier in der hyperboräisch-paläozoischen Zeit tritt das Tierische schon auf, aber in Formen, die später nicht mehr erhalten sind. Hier in der lemurisch-mesozoischen Zeit tritt das Pflanzenreich auf, und hier tritt in der Atlantis, in der känozoischen Zeit, das Mineralreich auf; eigentlich schon in der letz-

In de primitieve tijd is deze nog steeds vrijwel geheel etherisch van aard. Hij leeft tussen de andere verschijnselen. Er is nog geen verdichting. Hij wordt dichter in het Hyperboreïsche tijdperk. Alleen de dierlijke vormen, die feitelijk de neerslag zijn, leven. De mens leeft ook, niet met weinig kracht, hij heeft een enorme kracht. Maar hij heeft niets aan zich van substantie die achter zou kunnen blijven. Daarom zijn er dus geen overblijfselen. Hij leeft gedurende al die tijdperken en krijgt pas rond het Cenozoïcum een ​​externe dichtheid. Als u zich nog herinnert hoe ik het Lemurische tijdperk heb beschreven, zijn dit bijna etherische landschappen. Het is er allemaal, maar er zijn daar geen geologische overblijfselen. Maar wil u er rekening mee houden, dat gedurende die vijf tijdperken er al overal mensen zijn: de mens is overal. Dan hier (Dr. Steiner laat het op de tabel zien) in het eerste tijdperk (primitieve vorm) bestaat er buiten de mens bijna niets anders, daar zijn slechts kleine overblijfselen van. Eozoon canadense is eigenlijk meer een vorm, iets dat zich als een figuur vormt; dat is geen echt dier. Dan verschijnt hier in de Hyperboreïsche-Paleozoïsche periode het dierachtige al wel maar dan in vormen die later niet meer bewaard gebleven zijn. Hier in de Lemurisch-Mesozoïsche tijd verschijnt het plantenrijk, en hier in Atlantis, in de Cenozoïcumperiode, het mineralenrijk; eigenlijk al in de laatste

Blz. 108

ten Zeit hier, in diesen zwei früheren Zeitaltern schon. (In den beiden letzten Unterrassen der lemurischen Zeit.)

laatste tijd hier, in deze twee vroegere tijdperken al. (In de laatste twee onderrassen van de Lemurische periode.)

X.: Ist der Mensch schon als Kopfmensch, Brustmensch und Gliedmaßenmensch da?

X.: Zijn er al mensen als hoofd-, borst-en ledematenmens?

Dr. Steiner: Er ist ähnlich wie ein Kentaur. Stark tierischer Unterleib
und vermenschlicht der Kopf.

Hij lijkt op een centaur. Een sterk dierachtig onderlijf en een vermenselijkt hoofd.

X.: Man hat fast den Eindruck, als wäre es eine Zusammensetzung, eine
Symbiose aus drei Wesenheiten.

X.: Je krijgt bijna de indruk dat het een compositie is, één
symbiose van drie entiteiten.

Dr. Steiner: So ist es auch.

Dat is ook zo.

X.: Wie ist es möglich, daß dann im Karbon Pflanzenreste sind?

X.: Hoe kan het dat er plantenresten in het Carboon aanwezig zijn?

Das sind keine Pflanzenreste. Was da so ausschaut wie Pflanzenreste, das ist dadurch entstanden, daß zum Beispiel der Wind weht und ganz bestimmte Hemmungen findet. Sagen wir, der Wind weht und bringt so etwas wie Pflanzenformen hervor, die sich geradeso erhalten haben wie der Tritt der Tiere. (Hyperboräisches Zeitalter.) Es ist eine Art Pflanzenkristallisation. Es ist eine Einkristallisierung mit Pflanzenformen.

Dit zijn geen plantenresten. Wat eruit ziet als plantenresten, is ontstaan ​​doordat bijvoorbeeld de wind waait en heel bepaalde weerstanden ondervindt. Laten we  zeggen de wind waait en vormt zoiets als plantvormen, net als de voetstappen van dieren. (Hyperboreïsch tijdperk.) Het is een soort plantenkristallisatie. Het is een kristallisatie met plantvormen.

X.: Also die Bäume, die existierten gar nicht?

X.: Dus de bomen bestonden niet eens?

Dr. Steiner: Nein, die sind als Baumformen vorhanden gewesen. Die ganze Flora der Karbonzeit ist nicht physisch vorhanden. Denken Sie sich einen Wald, der eigentlich in seiner Ätherform vorhanden ist, und der daher in bestimmter Weise den Wind aufhält. Dadurch bilden sich da in der Form fast Stalaktiten. Was sich bildet, das sind nicht Überreste von Pflanzen. Da bilden sich Formen einfach durch die Konfiguration, die da entsteht durch Elementarwirkungen. Das sind nicht wirkliche Überreste. Man kann nicht sagen, daß das so ist,
wie in der Atlantis. Da haben sich dann die Sachen erhalten, und in der letzten lemurischen Zeit auch, aber in der Karbonzeit ist keine Rede davon, daß Pflanzenüberreste da sind. Nur tierische Überreste. Aber da handelt es sich auch in der Mehrzahl um solche Tiere, die nur zu parallelisieren sind mit unserer Kopfform.

Nee, ze bestonden als boomvormen. De hele flora uit het Carboon is fysiek niet aanwezig. Stel u een bos voor dat daadwerkelijk bestaat in zijn ethervorm, en die daardoor de wind op een bepaalde manier tegenhoudt. Hierdoor ontstaan ​​er bijna in de vorm, stalactieten . Wat er wordt gevormd zijn geen resten van planten. Er ontstaan ​​eenvoudigweg vormen door de configuratie die ontstaat door elementaire effecten. Dat zijn geen echte overblijfselen. Je kan niet zeggen dat dat het geval is in Atlantis. Toen bleven de dingen bewaard, ook op het laatst van de Lemurische periode, maar het is niet zo dat er in het Carboon over plantenresten gesproken kan worden. Alleen over dierlijke resten.
Maar het grootste deel hiervan zijn dieren die alleen parallel te denken zijn met onze vorm van het hoofd.

X.: Wann richtete sich der Mensch auf? Man kann den Punkt nicht einordnen.

X.: Wanneer richtte de mens zich op? Je kunt het punt niet classificeren.

Dr. Steiner: Das ist doch nicht gut, wenn Sie sich diese Vorstellungen so festnageln. Denn, nicht wahr, manche Rasse richtete sich eben
früher auf und manche später. Man kann nicht den bestimmten
Punkt festnageln. So ist es in der Wirklichkeit nicht.

Het is niet goed om je zo op deze voorstellingen vast te leggen. Want nietwaar, sommige rassen gaan gewoon eerder rechtop lopen en soms later. Je kan dat bepaalde tijdstip niet vastpinnen. Zo is het in werkelijkheid niet.

Blz. 109

X.: Wenn das Pistill dem Monde zugeordnet ist, die Narbe der Sonne, wie
drückt sich da die Bewegung von Sonne und Mond aus?

[7] X.: Als de stamper wordt toegewezen aan de maan, de stempel aan de zon, hoe
manifesteren de beweging van zon en maan zich dan? [hierover ging het in deze vergadering blz. 90, 93, 94]

Dr. Steiner; Sie müssen sich die Sache so vorstellen. (Es wird gezeichnet.) Die Narbe geht nach oben, das wäre die Sonnenbahn; und das Pistill bewegt sich ringsherum, da ist man in der Mondenbahn darinnen. Da haben wir ein Abbild dieser Sonnen-Erdenbahn, die ich gestern aufgezeichnet habe. Der Mond bewegt sich aber um die Erde. Der ist im Pistill drinnen. (Dr. Steiner demonstriert an der Zeichnung.) Das erscheint daher so, die Mondenbahn, die auch natürlich
so herumgeht, aber nicht in gerader Linie für die Verhältnisse erscheint. Die Sonnenbahn ist die Narbe. Dieser Kreis ist eine Nachbildung der Spirale, die ich gestern gezeichnet habe. Es ist auch eine Spirale, eine Schraube.

U moet er op deze manier over nadenken. (Er wordt getekend.) De stempel gaat naar boven, dat is de zonnebaan; en de stamper beweegt eromheen, dan zit je in de baan van de maan. Daar hebben we een beeld van deze baan zon – aarde, die ik gisteren heb laten zien. Maar de maan beweegt om de aarde. Die zit in de stamper. (Dr. Steiner demonstreert dit met de tekening.) Daarom lijkt de baan van de maan die natuurlijk zo rond gaat, maar niet in verhouding in een rechte lijn. De baan van de zon is de stempel. Deze cirkel is een replica van de spiraal die ik gisteren tekende. Het is ook een spiraal, een schroef.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X.: Wir haben gehört, daß die Temperamente mit dem Übergewicht der einzelnen Leiber zusammenhängen. Im Zyklus 20 ist nun die Rede davon, daß
ein Übergewicht besteht des physischen Leibes gegenüber dem Ätherleib, des
Ätherleibes gegenüber dem Astralleib, des Ich gegenüber dem Astralleib. —Ist
hier ein Zusammenhang mit den Temperamenten? — Im 18. Zyklus ist eine
Figur erwähnt, die gibt das richtige Verhältnis der Leiber an.

[8] X.: We hebben gehoord dat temperamenten verband houden met het overwicht van de te onderscheiden ‘lijven’. In cyclus 20 wordt nu gezegd dat er een overheersing van het fysieke lichaam is over het etherlijf; van het etherlijf over het astraallijf, van het Ik over het astraallijf. —Bestaat hier een samenhang met de temperamenten? In cyclus 18 staat een tekening die de juiste verhouding van de wezensdelen aangeeft.
[cyclus 18 is nu GA 129   niet vertaald
cyclus 20: GA 134   vertaald]

Dr. Steiner: Das gibt das Kräfteverhältnis an.

Dat geeft de krachtsverhoudingen aan.

X.: Ist da weiter eine Beziehung zu den Temperamenten?

X.: Bestaat er verder nog een relatie met temperamenten?

Dr. Steiner: Keine andere, als die im Seminarkurs angegeben wurde .

Niets anders dan wat er in de cursus werd aangegeven.

X.: Es wurde gesagt, daß Melancholie durch ein Übergewicht des physischen
Leibes entsteht. Ist das ein Übergewicht des physischen Leibes über den
Ätherleib?

X.: Er wordt wel gezegd dat melancholie wordt veroorzaakt door een overheersing van het fysieke lichaam. Is dit een overheersing van het fysieke lichaam over het etherlijf?

Dr. Steiner: Nein, überhaupt ein Übergewicht über die anderen
Leiber.

Nee, eigenlijk een overwicht op de anderen lijven.

Es wird gefragt nach einem Elterntag.

[9] Er wordt gevraagd naar een dag voor de ouders.

Dr. Steiner: Er sollte schon vorhanden sein, aber es wäre gut, wenn er nicht allzuoft wäre, sonst versickert das Interesse und die Eltern kommen nicht mehr. Es muß so eingerichtet werden, daß die Eltern auch wirklich kommen. Wenn er zu oft ist, würde es eine übel empfundene Sache. Man sollte gerade in bezug auf Schuleinrichtungen keine Projekte machen, die nicht erfüllt werden. Man sollte sich nur vornehmen, was auch wirklich geschehen kann. Dreimal im Jahr einen Elterntag ansetzen, das würde ich für gut finden. Dann würde ich aber vorschlagen, daß er möglichst feierlich behandelt wird, daß also Karten gedruckt werden und allen einzelnen Eltern diese Karten zugeschickt werden.
Vielleicht könnte man es so einrichten, daß man den ersten so im Anfang des Schuljahres festsetzt; mehr als Courtoisie, damit man mit den Eltern wiederum in Kontakt kommt. Dann in der Mitte des Schuljahres einen Elternabend und einen am Ende des Schuljahres. Die beiden letzten sind dann die eigentlich maßgebenden. Der erste ist nur eine Courtoisie. Man könnte die Kinder ja etwas deklamieren lassen, etwas Eurythmie machen lassen und so weiter.

Die zou er al moeten zijn, maar het zou goed zijn als het niet te vaak is, anders verslapt de interesse en dan komen de ouders niet meer. Het moet zo worden opgezet dat de ouders ook echt komen. Als het te vaak gebeurt, zou het een slechte zaak worden. Wat schoolzaken betreft, moeten we geen projecten opzetten die niet waar gemaakt kunnen worden. We moeten ons alleen voornemen wat werkelijk uitgevoerd kan worden. In drie keer per jaar een dag voor de ouders organiseren, kan ik me heel goed vinden. Dan stel ik mij echter zo voor dat die feestelijk van opzet is, dat er kaarten worden gedrukt die alle ouders ontvangen.
Misschien kunnen we het zo opzetten dat we de eerste organiseren aan het begin van het schooljaar; meer een vorm van beleefdheid, zodat we met de ouders opnieuw in contact kunnen komen. Dan een ouderavond in het midden van het schooljaar
Een ouderavond tijdens het schooljaar en één aan het einde van het schooljaar. De laatste twee zijn eigenlijk de belangrijkste. De eerste is slechts uit beleefdheid. Je zou de kinderen iets kunnen laten opzeggen, wat euritmie doen enzovoort.

Elternsprechstunden kann man einrichten; das ist ganz gut. Im allgemeinen werden Sie ja wahrscheinlich die Erfahrung machen, daß sich die Elternschaft zu wenig kümmert, außer die anthroposophischen Eltern.

[10] U kunt ouder-leraarspreekuren instellen; dat is best goed. Over het algemeen zal je waarschijnlijk ervaren dat de ouders daar niet genoeg mee bezig zijn, behalve de antroposofische ouders.

X. bittet, ihm etwas zu sagen über die Popularisierung der Geisteswissenschaft, besonders in bezug auf die Nachmittagskurse für Arbeiter.

[11] X. vraagt ​​hem iets te vertellen over de popularisering van de geesteswetenschap, vooral in relatie tot de middagcursussen* voor arbeiders.

Dr. Steiner: Nun, diese Popularisierung muß sich mehr darauf beziehen, den richtigen Gang einzuhalten. Ich bin im allgemeinen nicht dafür, daß man das Popularisieren durch Trivialisierung bewirkt. Ich meine also, daß man zunächst das Buch ,,Theosophie” zugrunde legt und von Fall zu Fall herauszukriegen versucht, was ein bestimmtes Auditorium schwer oder leicht versteht. Sie werden sehen, daß die letzte Auflage der „Theosophie” viele Winke enthält, gerade wenn man sie als Lehrstoff vorträgt. Dann würde ich übergehen zu der
Besprechung einzelner Partien von „Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? “, aber niemals mit der Tendenz, daß die Leute Hellseher werden sollen. Sie sollen sich nur informieren über die Wege des Hellsehers, so daß sie es wissen, auf welche Weise man zu

Nou, deze popularisering moet meer gaan over het houden van de juiste koers. Over het algemeen ben ik geen voorstander van popularisering door middel van trivialisering. Ik denk dus dat eerst het boek ‘Theosofie’ [GA 9, vertaald] als basis moet worden genomen en van geval tot geval proberen te vinden wat een bepaald publiek moeilijk of gemakkelijk te begrijpen vindt. U zal zien dat de laatste uitgave van “Theosofie” veel aanwijzingen bevat, vooral als je het gebruikt als lesmateriaal. Dan zou ik verder mee gaan met bespreking een paar delen van “De weg tot inzicht in hogere werelden? ” [GA 10, vertaald] , maar nooit met de neiging dat mensen helderziend moeten worden. Ze hoeven zich alleen maar te informeren over de weg van de helderziende, zodat ze weten op welke manier je

Blz. 111

diesen Wahrheiten kommt. Sie sollen das Gefühl bekommen, durch gesunden Menschenverstand kann man begreifen und wissen, auf welchen Wegen diese Dinge erfaßt werden. Dann kann man richtig populär behandeln ,,Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit”. Das wären für eine populäre Darstellung die drei Bücher. Im übrigen muß man sich nach dem Auditorium richten.

deze waarheden komt. Ze moeten het gevoel krijgen dat je door een gezond verstand kan begrijpen en weten langs welke wegen deze dingen te bereiken zijn.
Dan kun je ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid‘ [GA 15, vertaald] op een populaire manier aan de orde stellen. Voor een populaire aanpak zouden dat de drie boeken zijn. Voor het andere moet je naar het publiek luisteren.

Es wird noch über einzelne Kinder gesprochen.

Er worden nog een paar individuele kinderen besproken.

Dr. Steiner: Das Wichtigste ist, daß immer Kontakt da ist, daß der Lehrer mit den Schülern eine richtige Einheit bildet. Das ist im Grunde genommen fast durch alle Klassen hindurch in sehr schöner, erfreulicher Weise vorhanden gewesen. Ich war sehr erfreut über die Sache.
Ich kann Ihnen sagen, ich werde viel, auch wenn ich nicht da bin, an diese Schule herdenken. Denn, nicht wahr, wir müssen ja alle durchdrungen sein:
Erstens von dem Ernst der Sache. Es ist eine ungeheuer wichtige Sache für uns gerade.
Zweitens müssen wir durchdrungen sein von der Verantwortung, die wir tragen, sowohl der Anthroposophie gegenüber wie der Kulturbewegung gegenüber, der sozialen Frage gegenüber.
Und dann drittens das, was wir als Anthroposophen besonders uns vorhalten müssen: die Verantwortung gegenüber den Göttern.

[12] Het belangrijkste is dat er altijd contact is, dat de leraar met de leerlingen een echte eenheid vormt. Dit is kortom, bijna in alle klassen op een heel mooie,
vreugdevolle manier aanwezig. Daar was ik erg blij mee.
Ik kan u zeggen, ook als ik er niet ben, dat ik veel aan deze school moet denken.
Want ja, we moeten allemaal doordrongen zijn:
In de eerste plaats van de ernst van de zaak. Het is een ongelooflijk belangrijke
zaak voor ons op dit moment.
Ten tweede moeten we doordrongen zijn van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt, zowel wat de antroposofie betreft, als ook de culturele beweging en wat het sociale vraagstuk betreft.
En dan ten derde wat wij als antroposofen vooral onszelf moeten voor houden: de verantwoordelijkheid naar de goden.

Wir müssen durchaus innerhalb der Lehrerschaft daran festhalten,
daß wir Menschen nicht um unserer selbst willen da sind, sondern um
die göttlichen Pläne mit der Welt zu verwirklichen. Halten wir uns das vor, daß wir eigentlich, indem wir das eine oder andere tun, die Intentionen der Götter ausführen, daß wir gewissermaßen die Gehäuse sind, um das zu verwirklichen, was als Strömungen herunterfließt und sich verwirklichen will in der Welt; daß wir keinen Augenblick ermangeln, den ganzen Ernst und die ganze Würde zu empfinden.
Empfinden Sie diese Würde, diesen Ernst, diese Verantwortung. Ich
werde Ihnen mit solchen Gedanken entgegenkommen. Wir werden
uns mit solchen Gedanken begegnen.
Das wollen wir heute noch als unsere Empfindung aufnehmen und in
diesem Sinne eine Weile auseinandergehen, und dann uns immer
wiederum geistig treffen, um die Kraft zu bekommen für dieses wirklich große Werk.

Dit moeten we zeker vasthouden binnen de lerarengroep, dat wij mensen er niet zijn voor onszelf, maar om de goddelijke plannen met de wereld te verwezenlijken. Laten we onszelf voorhouden dat we daadwerkelijk, door het een of het ander te doen, de bedoelingen van de goden uitvoeren, zodat wij als het ware de omhulsels zijn voor het realiseren van wat als stromingen van hoger hand naar ons toekomt en in de wereld gerealiseerd wil worden; dat we geen ogenblik nalaten alle ernst en waardigheid te voelen.
Voel deze waardigheid, deze ernst, deze verantwoordelijkheid.
Ik zal u met zulke gedachten tegemoet treden. Wij zullen elkaar met zulke gedachten ontmoeten.
Dat willen we vandaag nog als ons gevoel in ons opnemen en hiermee een poos uit elkaar gaan, om dan altijd weer elkaar in de geest te ontmoeten om de kracht te krijgen voor dit werkelijk belangrijke werk.
GA 300A/96-111  

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3335-3139

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 307

.

GA 307

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung

Opvoeding en moderne cultuur

Voordracht 13, Illkley 17 augustus 1923

Blz. 235/236

Man sollte ein Verständnis dafür haben, daß man ja auch nicht ein besonderes Malen für die Kinder einzurichten habe; sondern wenn man findet, daß die Kinder ins Malen in irgendeiner Weise hineinwachsen sollen, dann müssen die Prinzipien aus der lebendigen Malkunst heraus, nicht aus einer pädagogisch besonders zurechtgeschusterten Methode gemacht werden. Es muß das wirklich Künstlerische dann in die Schule hineingetragen werden, nicht ein wiederum verstandesmäßig Ausgedachtes.

Je zou er begrip voor moeten hebben dat je ook niet een bijzonder soort schilderen voor de kinderen moet inrichten; integendeel, als je vindt dat de kinderen op de een of andere manier vertrouwd moeten raken met het schilderen, dan moeten de principes vanuit de levende schilderkunst, niet uit een pedagogisch speciaal in elkaar geflanste methode worden opgesteld. Dan moet het werkelijk kunstzinnige in de school worden gebracht, niet iets wat weer verstandsmatig uitgedacht is. 
GA 307/235-236
Opvoeden en moderne cultuur/303

Zur Ausstellung von künstlerischen und kunstgewerblichen
Arbeiten der Waldorfschüler

Bij de tentoonstelling van het werk op het gebied van kunst en kunstnijverheid van de leerlingen van de vrijeschool op

Illkley, 8 augustus 1923

Blz. 264    vert. 303

Und so scheuen wir nicht davor zurück, die kleinsten Kinder damit beginnen zu lassen, aus dem Farbigen heraus irgendwie Formen zu schaffen.
Das Kind bekommt merkwürdig schnell einen Sinn für die Behandlung der Farben, bekommt auch merkwürdig schnell für die Harm nisierung, die Nebeneinanderstellung der Farben einen Sinn. Und Sie sehen hier an den verschiedenen Proben kindlicher Malerei, wie versucht worden ist, einfach dadurch, daß das Kind die Farben erlebt, den malerischen Sinn, das künstlerische Empfinden aus der Seele des Kindes herauszuholen. Es ist sehr leicht, das Kind dahin zu bringen, daß man es irgendwie eine Farbfläche auftragen läßt, dann einfach in

En zo deinzen we er niet voor terug om de kleinste kinderen ermee te laten beginnen om vanuit de kleuren op de een of andere wijze vormen te creëren.
Het krijgt opmerkelijk snel gevoel voor de behandeling van de kleuren, krijgt ook opmerkelijk snel gevoel voor de harmonisering, het naast elkaar zetten van de kleuren. En u ziet hier aan de verschillende proeven van schilderwerk van kinderen hoe geprobeerd is om, gewoon doordat het kind de kleuren beleeft, het kunstzinnige gevoel uit de ziel van het kind te voorschijn te halen. Het is erg gemakkelijk om het kind ertoe te bewegen, nadat men het op de een of andere manier een kleurvlak laat opbrengen, dan eenvoudig in

Blz. 265   vert. 339

die Nachbarschaft hinbringen läßt andere Farben, die damit harmonieren. So daß man zunächst nur das Farberleben auf dem Papier hat, daß man zunächst nur, sagen wir, das Gelb neben dem Rot, neben dem Violett erleben läßt. Es werden dann, wenn das Kind in dieser Weise die Farbe erlebt, von selbst Formen; es wird von selbst Figurales. Die Farbe fordert Figurales. Und wenn man dann weiter das Farberleben treiben will, so kann man mit verhältnismäßig noch nicht sehr alten Kindern schon das folgende versuchen: Man läßt, sagen wir, solch eine gelbe Fläche machen (es wird an die Tafel gemalt), die andere Farbe in Harmonie dazu, und dann sage ich dem Kinde: jetzt werde ich, statt daß ich hier (innen) gelb mache, nun blau machen… und das Kind hat nun die anderen Farben alle in der entsprechenden Weise aufs Papier zu bringen. So daß es also, wenn es hier (innen) nun blau hat statt gelb, alle anderen Farben ändern muß, aber so, daß alle anderen Farben in einer ebensolchen Harmonie zu dem Blau stehen wie hier zu dem Gelb. Das ist etwas, was in einer ungeheuer starken Weise das ganze innere Erleben des Kindes mit sich reißt. Das Kind wird innerlich lebendig. Das Kind bekommt ein Verhältnis zur Welt dadurch. Und manche Lehrkräfte verbinden dann den ganzen Menschen im Kinde mit dem, was sie da aufs Papier bringen lassen.

de buurt daarvan andere kleuren laat aanbrengen die daarmee harmoniëren zo, dat we eerst alleen het kleurbeleven op het papier hebben, dat we eerst alleen, laten we zeggen, het geel naast het rood, naast het violet laten beleven. Het worden dan, als het kind op die wijze de kleur beleeft, vanzelf vormen; het wordt vanzelf iets figuraals. De kleur vraagt om iets figuraals. En als we dan het kleurbeleven verder willen voortzetten, kunnen we met verhoudingsgewijs nog niet heel oude kinderen al het volgende proberen. Je laat, laten we zeggen, zo’n geel vlak maken [het wordt op het bord getekend]*, de andere kleur in harmonie erbij, en dan zeg ik tegen het kind: nou zal ik, in plaats van dat ik het hier [binnen] geel maak, nu blauw maken … en het kind moet nu de andere kleuren allemaal op overeenkomstige wijze op papier aanbrengen. Zodat het kind dus, als het hier [binnen] nu blauw in plaats van geel is, alle andere kleuren veranderen moet, maar zodanig dat alle andere kleuren in net zo’n harmonie tot het blauw staan als hier tot het geel. Dat is wat op een reusachtig sterke manier het hele innerlijk beleven van het kind meeneemt. Het kind wordt innerlijk levend. Het kind krijgt een verhouding tot de wereld daardoor. En menige leerkracht verbindt dan de hele mens in het kind met wat hij daar op het papier laat zetten.
GA 307/264-265
Opvoeden en moderne cultuur/339

*Die voorbeelden zijn in de GA niet weergegeven.
Maar het zou zoiets geweest kunnen zijn:

.

 

 

 

 

 

 

 

Zie andere voorbeelden – in andere context gebruikt – in dit artikel .
.

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3334-3138

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – voordracht 2 (2-3)

.

opvoedkunst – GA 294

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

RUDOLF STEINER OVER SPRAAK

DE MEDEKLINKERS

Leidraad is een karakterisering van de ziel:

Maar begrijpen zullen we de taal* pas als we haar werkelijk beschouwen als primair verankerd in het menselijk gevoel.

Steiner zegt het nog een keer, voor hij in detail verder gaat.

Blz. 25  vert. 36

Nun ist tatsächlich die Sprache zwiefach verankert im menschlichen Fühlen.

Nu is de taal in feite op tweevoudige wijze in het menselijk voelen verankerd.

*”Taal’ is hier als vertaling van ‘Sprache’ genomen; het had dus ook vertaald kunnen worden met ‘spraak’ van het werkwoord ‘sprechen’ – spreken.

Dat ‘tweevoudig’ zijn we al tegengekomen in sympathie en antipathie; in vocaal en consonant en dat wordt nu verder uitgewerkt.

Hier gaat het over de klinkers.

Nu over de medeklinkers.
Als het om ‘spreken’ gaat en je wil iets nader ingaan op de klinkers en medeklinkers, kan dat eigenlijk niet los van elkaar.
Ik heb dat in het artikel over de klinkers wel enigszins geprobeerd, maar ook daar ging het ook steeds over de consonanten.
Ik ga dus nu weer dezelfde tekst gebruiken.
Die is tussen <1> en <1> te vinden en is de noodzakelijke begintekst van dit artikel.
Daaruit nog eens een karakterisering van de medeklinker:

Konsonanten sind zurückgehaltene Gebärden, nicht sichtbar werdende Gebärden, die aber in ihrem Inhalt durchaus dasjenige erfassen, was äußerlich im Rollen des Donners, im Zucken des Blitzes, im Hinrollen des Windes und so weiter erlebt werden kann. Ein inneres Sichhineinversetzen in die äußeren Dinge ist vorhanden, indem der Konsonant erlebt wird. Man will eigentlich, wenn ich mich so ausdrücken darf, durch Gebärden nachahmen, was äußerlich lebt und webt; man hält die Gebärde zurück, sie verwandelt sich im Innern und kommt in dieser Verwandlung im Konsonanten zum Vorschein.

Consonanten zijn ingehouden gebaren, gebaren die niet zichtbaar worden, maar die in hun inhoud zeker dat grijpen wat uiterlijk ervaren kan worden in het rollen van de donder, het flitsen van de bliksem, het bulderen van de wind enzovoort. Een innerlijke empathie met uiterlijke dingen is aanwezig in wat in de consonant wordt ervaren. Men wil eigenlijk, als ik me zo mag uitdrukken, door gebaren nabootsen wat uiterlijk leeft en weeft; men houdt het gebaar tegen, het transformeert zichzelf innerlijk en in deze transformatie komt het te voorschijn in de consonant.

 daß er im konsonantischen Wesen die äußere Welt nachbildet, ( ) 

( )  dat hij in het consonantische de uiterlijke wereld imiteert, ( )
GA 81/148-149
Niet vertaald

In GA 294, 2e voordracht

Blz. 27  vert. 37

Diesem seelischen Vorgang, der eigentlich durchaus auf dem Auswirken einer Sympathie beruht, kann die Antipathie von aussen begegnen. Das geschieht durch die Konsonanten, durch die Mitlaute. Wenn wir einen Konsonanten mit einem Vokal zusammenfügen, dann fügen wir immer Sympathie und Antipathie ineinander, und unsere Zunge, unsere Lippen und unser Gaumen sind eigentlich dazu da, um sich als Antipathieorgane geltend zu machen, um die Dinge abzuhalten.
Würden wir bloß in Vokalen, in Selbstlauten sprechen, so würden wir nur hingebungsvoll sein an die Dinge. Wir würden eigentlich mit den Dingen zusammenfließen, würden sehr unegoistisch sein, denn wir würden unsere
tiefste Sympathie mit den Dingen entwickeln; wir würden nur gefühlsmäßig durch die Nuancierung der Sympathie, zum Beispiel wenn wir Furcht oder Entsetzen haben, uns etwas zurückziehen von den Dingen, aber in diesem Sich-Zurückziehen von den Dingen wäre selbst noch Sympathie vorhanden. So wie sich die Selbstlaute auf das Lauten von uns selbst beziehen, so die Konsonanten auf die Dinge; da klingen die Dinge mit.

Dit proces in de ziel, dat in wezen berust op de werking van een bepaalde sympathie, kan nu op een antipathie van buitenaf stuiten.

Met ‘dit proces’ wordt bedoeld wat Steiner hiervoor over bepaalde klinkers heeft gezegd. Dat vind je hier.

Dat gebeurt door de consonanten, de medeklinkers. Wanneer we een medeklinker verbinden met een klinker, dan verbinden we altijd sympathie en antipathie met elkaar. Onze tong, onze lippen en ons verhemelte dienen er eigenlijk voor om zich als antipathie-organen te manifesteren, om dingen tegen te houden. Zouden we louter in vocalen, in klinkers spreken, dan zouden we enkel en alleen vol overgave tegenover de dingen staan. Eigenlijk zouden we samensmelten met de dingen; we zouden zeer onegoïstisch zijn, want we zouden onze diepste sympathie voor de dingen ontwikkelen. We zouden ons alleen gevoelsmatig door een nuancering van de sympathie, zoals bij angst of ontzetting, iets van de dingen terugtrekken, maar zelfs in dit terugtrekken zou nog sympathie aanwezig zijn. Zoals de klinkers verband hebben met het klinken van onszelf, zo hebben de medeklinkers verband met de dingen: de dingen klinken mede.

Blz. 28   vert.  38

Mitlaute: F, B, M und so weiter müssen aufgesucht werden als Nachahmung äußerer Dinge.

medeklinkers – f, b, m enzovoort – moeten gezocht worden als een nabootsing van dingen in de buitenwereld.

Hierna verwijst Steiner naar een voorbeeld van hoe hij een medeklinker in de eerste klas aan de kinderen leert.
Dat doet hij in veel meer pedagogische voordrachten.
Die voorbeelden zijn hier te vinden.
Telkens gaat het erom dat er naar ‘iets’ in de buitenwereld wordt gekeken dat als beeld voor de beginklank van een woord kan staan.
Hier vind je talloze voorbeelden van wat vrijeschoolleerkrachten in de loop van de tijd aan beelden hebben gebruikt.

Mitlaute werden immer auf Nachahmungen äußerer Dinge zurückgeführt werden können.

Medeklinkers kunnen altijd herleid worden tot nabootsingen van dingen in de buitenwereld.

In het artikel over de klinkers en in het inleidende artikel is er uiteraard steeds sprake van sympathie en antipathie.
Daar komt Steiner telkens weer op terug:

Daher können Sie die Sprache geradezu auffassen als ein Begegnen von Antipathie und Sympathie.
Die Sympathien liegen immer in den Selbstlauten, die Antipathien
immer in den Mitlauten, in den Konsonanten.

Daardoor kunt u de taal [het spreken] in feite opvatten als een ontmoeting van antipathie en sympathie. De sympathieën liggen altijd in de klinkers, de antipathieën in de medeklinkers, de consonanten.

Zoals we dat telkens tegenkomen, benadert Steiner, wanneer hij een onderwerp opnieuw behandelt, het dan weer van een andere kant of voegt iets nieuws toe.
Dat geheel in lijn met zijn opvatting dat we alleen iets leren wanneer we karakteriseren i.p.v. definiëren.

In deze voordracht haalt hij er ‘het plastische’ en het ‘muzikale’ bij.
Ook deze begrippen laten zich niet eenvoudig in enkele woorden vatten, maar als we telkens de verschillende nuances bestuderen, krijgen we er toch grip op.

Wir können aber die Sprachbildung noch in einer andern Weise auffassen. Wir können sagen: Was ist denn das eigentlich für eine Sympathie, zum Ausdruck kommend im Brustmenschen, so daß er die Antipathie zum Stehen bringt und der Kopf mensch sie nur begleitet? Was da zugrunde liegt, ist in Wirklichkeit Musikalisches, das über eine gewisse Grenze hinübergegangen ist. Musikalisches liegt zugrunde und geht über eine gewisse Grenze hinaus, überhupft sich gewissermaßen, wird mehr als Musikalisches. Das heißt: Soweit die Sprache aus Selbstlauten besteht, hat sie ein Musikalisches in sich; soweit sie aus Mitlauten, aus Konsonanten besteht, hat sie ein Plastisches, ein Malerisches in sich. Und im Sprechen liegt eine wirkliche Synthese, eine wirkliche Verbindung von musikalischen mit plastischen Elementen im Menschen vor.

Maar we kunnen de vorming van de taal nog op een andere manier benaderen. We kunnen zeggen: wat is dat eigenlijk voor een sympathie die tot uiting komt in de borstmens, zodat deze borstmens de antipathie tot staan brengt en alleen de hoofdmens die antipathie begeleidt? Wat daaraan ten grondslag ligt is in werkelijkheid iets muzikaals dat een bepaalde grens overschreden heeft. Ten grondslag eraan ligt iets muzikaals dat een zekere grens overschrijdt, dat als het ware zichzelf te buiten gaat en meer wordt dan muziek. Dat wil zeggen, voor zover de taal uit klinkers bestaat is ze muzikaal; voor zover ze uit medeklinkers, consonanten bestaat is ze plastisch, schilderend. In het spreken vindt er dus een werkelijke synthese plaats, een werkelijke verbinding van muzikale en plastische elementen in de mens.
GA 294/28 e.v.
Vertaald/37 e.v.

Dit is ook niet zo’n makkelijk stukje.
In de 2e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ (de deelnemers aan de cursus hebben dat dus een paar uur eerder gehoord) is er sprake van ‘het ontmoeten van sympathie en antipathie, hier vanaf <1>
En meer nog in voordracht 11. [11-3] en [11-4]
Om e.e.a. concreter met elkaar te verbinden, moet ik het zelf eerst nog grondiger bestuderen.

Dat het muzikale met de klinker samenhangt en het plastische met de medeklinker, is uit een eenvoudige waarneming wel op te maken.
Een klinker kun je a.h.w. zingen, dat is met een aantal medeklinkers niet het geval, verg. bv. een a met g.
Talen die in hun woorden veel klinkers hebben, zoals het Italiaans, noemen we ‘zangerig’. Dat kun je van o.a. het Russisch niet zeggen.

Wanneer Steiner over het aanleren van de letters spreekt, komen de verschillen klinker – medeklinker veelvuldig aan bod.
Die opmerkingen vind je hier.

Schrijven en lezenalle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld1e klas letterbeelden

.

GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

3333-3137

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookje ‘De twaalf broers’ (1-8)

.
Een sprookje van Grimm (nr. 9)

.
Ulrich Schlechtinger, die Kommenden, nadere gegevens onbekend
.

Sprookjesbeelden  willen altijd méér uitdrukken dan alleen maar wat betrekking heeft op de beschreven feiten. Deze beelden zijn als vensters waardoor we de hogere waarheden kunnen zien.

.

Het geheim van getallen in de sprookjeswijsheid

.
In dit sprookje spelen getallen een grote rol en die worden ook de sleutel om dit sprookje te begrijpen.
De getallen scheppen een ordenend patroon in het tapijt van het lot.
Van de twaalf broers wordt alleen de jongste bij naam genoemd; hij heet, zoals in de Bijbel Benjamin. Dus de twaalf is verdeeld in elf en één. De zuster wiens geboorte op handen is wanneer het verhaal begint, is de dertiende. Zij vertegenwoordigt het begin van een nieuw tijdperk als we een ontwikkelingscyclus in twaalf fasen verdelen.

Voordat wij rond 600 na Christus van de Arabieren het decimale stelsel overnamen, was twaalf het leidende getal. We kennen de termen vandaag de dag nog steeds: een dozijn, een gros; alle tijdsindelingen zijn nog steeds gebaseerd op het oude Indiase systeem: 60 seconden en minuten, 12 uur, 12 maanden. Een muziekoctaaf heeft 12 halve tonen. Als we de getallen optellen die betrekking hebben op de hemel en de mens, dan is 7+5 weer gelijk aan 12. Twaalf is het afrondingsgetal, daarmee wordt iets afgerond. –
Maar wanneer een tijdperk ten einde loopt, treedt decadentie op. De 13 is omgeven door duisternis en bijgeloof – uit angst: wat zal het nieuwe onverwachte brengen? In het gewone taalgebruik zeggen we: Nu heeft de klok 13 uur geslagen; of als het de hoogste tijd is, het is 5 voor 12.
Twaalf is een samengesteld getal dat veel mogelijkheden heeft: 3 + 4 + 5;  3 x 4;  4 x 3;  5 + 7;  2 x 6.
In dit sprookje komen de volgende getallen voor: 20 x de twaalf; 6 x de 11; 11 x de naam Benjamin; 3 x de naam van de koningsdochter en 4 x de gouden ster op het voorhoofd van de koningsdochter.

Als twaalf afronding uitdrukt, waarom zouden de twaalf broers dan moeten sterven zodat het koninkrijk in handen valt van de dertiende – de dochter? Het woord afgerond – het Duits heeft ‘Vollendung – daar zit het woord einde in – betekent: iets is klaar, tot een einde gekomen. Er zou een einde komen aan de ontwikkeling als er geen ruimte was voor het nieuwe. Met de geboorte van het 13e kind begint een nieuwe cyclus van twaalf – 13 is de nieuwe een, de eerste en het begin van de toekomst.

De 12 kisten zijn niet leeg, maar gevuld met houtkrullen. Geeft dat niet aan dat de dode zonen er toch later niet in gelegd zullen worden? Er staat ook geen straf op het overtreden van het koninklijk gebod als de koningin de twaalf doodskisten twee keer aan Benjamin en haar dochter laat zien. De ouders hebben niet de dood op het oog, maar ze willen de op de dood lijkende transformatie die in het sterven het nieuwe voortbrengt.
De twaalf broers moeten in de toekomst niet langer leiding geven aan de ontwikkeling, maar ze moeten terugtreden. Ze moeten het koninklijk hof en later het huis in het bos verlaten en de leiding aan hun zuster overdragen. In twee fasen moeten ze zich losmaken van wat zij zagen als de erfenis van hun vader.
De 12 is dus het teken van de tijd die rijp is geworden in de ruimte, waar net als in het zaad alle groei en ontwikkeling tot stilstand is gekomen. De 12-voudige ontwikkelingsmogelijkheden zijn uitgeput, de erfenis is opgebruikt. Daarom kan de koning het koninkrijk niet aan hen overdragen.
Wanneer de koning dit wijselijk voorbereidt en regelt om de toekomst te dienen, kan de moeder dit nog niet volgen: “ze zat de hele dag te treuren”, staat er. Ze leeft zoveel mogelijk volledig in en voor het heden.
Ze heeft een zeer nauwe band met haar jongste, Benjamin, die altijd bij haar was. Er wordt benadrukt dat ze hem naar de Bijbel Benjamin noemde (zie hieronder).
Ze heeft het eerst ook alleen maar over Benjamin en pas veel later over de 11 broers en verdeelt zo de eenheid 12 in 2 delen: de één en de elf. De 11 zijn de dragers van het verleden, de 13 staat voor de toekomst en Benjamin als de 12e is de verbindende schakel. Benjamin krijgt van zijn moeder de opdracht om met de broers het bos in te vluchten. Daarmee gaat ze tegen de wil van de koning in en bereidt Benjamin zo voor dat hij zijn zuster kan herkennen en kan leren lief te hebben. Het verleden moet zich met de toekomst verbinden.

Eén van de broers moet altijd de wacht houden vanaf de hoogste boom, achteromkijkend naar de kasteeltoren, waar de geboorte van de nieuweling wordt aangekondigd. En na 11 dagen is het Benjamin die als 12e het nieuws van zijn moeder ontvangt dat er een dochter is geboren. Als de elf broers dit horen, worden ze boos en zweren wraak op elk meisje: “Waar we ook een meisje vinden, zal haar rode bloed vloeien’. Wat hun geboorte betreft, stammen ze af van de koningin-moeder en verdedigen ze zichzelf, net als zij tegen al het nieuwe; ze willen hun ouderlijke erfenis niet opgeven.

De vraag rijst: waarom bewaart de koning de sleutel van de doodskamer met de twaalf doodskisten niet zelf en overhandigt deze aan de koningin? Wat volgt daaruit? Als de koning de sleutel zelf had bewaard, zouden de zonen zich niet in het bos hebben verstopt en zou de dochter niet op pad zijn gegaan om de broers te zoeken. Een oude stroom in de mensheid mag niet sterven voordat deze zich een tijdje met de nieuwe stroom heeft verenigd. Het nieuwe moet nog steeds op het oude kunnen voortbouwen en er iets uit kunnen opnemen. Dit wordt gegarandeerd door het overhandigen van de sleutel. De koning wil de verantwoordelijkheid voor de voortgang van de ontwikkeling niet alleen dragen, maar samen met de koningin.
Twee keer opent de moeder de doodskamer en toont de doodskisten aan haar liefste zoon en dochter; allebei gaan ze dan van haar en het ouderlijk huis weg.

Man en vrouw vertegenwoordigen een gespleten eenheid, net zoals de wereld uit vele paren van tegenstellingen bestaat. Uit deze twee kunnen de 13 kinderen zich volgens hun eigen wetten ontwikkelen. De koning bereidt alles voor, hij brengt het voort; de vrouw baart het uit haarzelf en zorgt ervoor dat het gevolg heeft: zij heeft de sleutel en doet deze open. Wat de relatie tussen beide geslachten betreft, begint de man met aandacht geven, maar de vrouw opent de harten. Later wordt de sleutel tot stilte aan een vrouw gegeven en moet ze zeven jaar lang een geheim bewaren en het zwijgen beoefenen.

Vragen brengen altijd iets in beweging

Benjamin merkt de emotionele verandering van de moeder op en vraagt ​​waarom ze zo verdrietig is. Door vragen komt er iets in beweging, er gaat iets vooruit. Hij valt op tussen zijn broers, simpelweg omdat alleen zijn naam wordt genoemd. Hij geeft de naam aan de kring van twaalf en wordt als 12e de bemiddelende schakel voor de 13e, die op een dag de oudste zal worden in de nieuwe kring van twaalf.
Omdat hij als eerste van zijn moeder verneemt dat er nog een kind wordt verwacht, verzet hij zich niet tegen het nieuwe – omdat hij heel goed weet welke gevolgen deze geboorte zal hebben voor de 12. Hij bereidt de vlucht naar het bos voor en vertelt dat aan zijn broers. Maar hij zweert niet met de 11 dat hij wraak zal nemen op alle meisjes. Hij is geen jager die doodt, maar hij maakt eten klaar voor iedereen en zorgt voor het huishouden: hij neemt meer moedertaken op zich – later ook samen met zijn zuster. – Als het getal 12 voor de 12e keer in het sprookje verschijnt, herkent Benjamin zijn zuster aan de 12 getoonde hemden – en daarmee is de verbinding tussen oud en nieuw voltrokken Het enige wat nog te vrezen is, is dat de broers geen genade zullen tonen en, in overeenstemming met hun gelofte, hun zuster willen doden. – En het is echt ontroerend hoe zorgvuldig Benjamin de blijde boodschap en het nieuwe aan zijn broers verkondigt; omdat hij een heel ander karakter heeft, omdat hij tussen de twee vrouwelijke figuren, moeder en zuster, staat. Als de elf vragen: “Is er nog nieuws?”, vraagt ​​hij: “Weten jullie niets?” – Hoe kan hij iets nieuws te weten komen als hij de hele dag in huis moet werken? Alleen de elf die elke dag buiten jagen, kunnen iets nieuws ervaren. Benjamin is “in huis”, hij is de innerlijke ziel. Hij weet niet helemaal zeker hoe zijn broers zullen reageren als ze erachter komen dat de zuster aanwezig is. Daarom wil hij van de jagers zeker weten of ze net zo als hij, voelen dat het meisje genade verdient. Zo verbindt hij zich met de 11 broers en vormt opnieuw de eenheid 12, voordat de 12 zich verzoenen met de 13e. “Toen was iedereen gelukkig en hielden ze van elkaar met heel hun hart.” Vanaf dit uur blijven Benjamin en zijn zuster in huis nauwer met elkaar verbonden.

De naam Benjamin komt uit het eerste boek van Mozes, hoofdstuk 35, vers 24 en hfst. 42-45. Jacob had 12 zonen: 6 van zijn vrouw Lea, 2 van Rachels dienstmeisje, 2 van Lea’s dienstmeisje en de 11e en 12e zoon van zijn lievelingsvrouw Rachel zelf: dit waren Jozef en Benjamin. – Jozef werd door de broers aan kooplieden verkocht en kwam in Egypte, waar hij al snel de vertrouwde minister van de farao werd. – Toen er hongersnood uitbrak in Kanaän, het thuisland van Jakob, stuurde hij zijn tien zonen naar Egypte en hield Benjamin als jongste bij zich. Pas toen Benjamin met hem meeging op de tweede reis naar Egypte maakte Jozef zich aan zijn broers bekend. Dit gebeurde op zo’n manier dat Jozef zijn tranen van emotie niet kon bedwingen toen hij zijn echte broer Benjamin zag (de anderen waren halfbroers van Josef) –
Benjamin legde ook hier de verbinding tussen de broers en zussen vast. En Jozef, die eerder door zijn broers dood verklaard was, vergaf zijn broers en zei: ‘Ik ben niet boos op je omdat je me naar Egypte hebt verkocht; God heeft mij hierheen gebracht zodat jullie levens door mij gered konden worden.’ Hij ziet een door God ingesteld, noodlottig verband tussen de intentie van de broers om hem te doden en het feit dat hij nu hun redder kan worden. –
En als derde parallel met deze beschrijvingen in het Oude Testament wordt over de bejaarde vader Jacob verteld, hoeveel hij om zijn jongste zoon geeft en hem bij zich houdt als de andere 10 zonen voor de eerste keer naar farao gaan om graan te kopen.
En hoe de koningin twee keer huilt in het sprookje als ze Benjamin en de dochter de doodskisten laat zien; zo huilt ook Jacob bitter en denkt dat hij zal sterven als hij Benjamin bij de tweede keer naar Egypte mee moet laten gaan.

Hoewel het middelpunt van ons sprookje de zuster is, heeft ze geen naam. Onzelfzuchtig doet ze bij het vervullen van haar opdracht, een stap terug. Maar ze wordt wel drie keer de koningsdochter genoemd: wanneer ze Benjamin ontmoet – wanneer ze de elf broers erkent – en wanneer de koning haar in de boom ontdekt.
En over haar gouden ster op haar voorhoofd wordt vier keer gesproken als teken van het tijdperk dat aanbreekt. Maar de twaalf broers worden nooit de zonen van de koning genoemd.

In tegenstelling tot haar broers, die uit angst om dood te gaan het bos in vluchten, neemt het meisje zelf het besluit het huis van haar ouders te verlaten om haar broers te zoeken. De dood wordt aan de broers aangekondigd omdat de ontwikkeling anders tot stilstand zou komen. Ze zijn volledig toegewijd aan de zorg voor het fysieke; daarom staan ​​de kisten al voor hen klaar. Het ligt in de aard van het lichaam en al het materiële om zijn eigen graf en dood voor te bereiden.

De zuster draagt ​​de ster op haar voorhoofd

Maar de zuster is van nature anders, zij draagt ​​de ster op haar voorhoofd. Ze denkt niet zoals haar broers; in haar denken licht de helderheid van een hemelster op. Alle gedachten die om materiële dingen gaan of die construeren, dienen ook het stoffelijke en hebben uiteindelijk een destructief effect op het leven. In zulke gedachten is er geen goddelijke geest, geen licht en geen leven. Maar in de mens is een streven naar een hoger leven aanwezig. Dit is wat de ster die het meisje draagt ​​laat zien: zij wil dat dienen en een spiritueel wereldbeeld toevoegen aan het materiële wereldbeeld. Nieuw leven moet aan de dood worden ontworsteld. Hier weerspiegelt een paasmotief de wederopstanding.

Als Benjamin ernaar vraagt, laat zijn moeder hem de twaalf doodskisten zien en wijst hem erop: jullie staat op het punt om te sterven. Het meisje neemt eerst iets bovenzintuiglijks waar aan haar broers voordat haar hun doodskisten worden getoond. Ze ziet de twaalf hemden die de broers hebben achtergelaten.
Wat zijn deze hemden?
Een hemd is de eerste bedekking voor het lichaam; het lijkt erg op het lichaam en is op maat gesneden, zodat het de romp en armen bedekt. Bovenaan en onder zijn er openingen voor hoofd, armen en benen. Vijf delen van het lichaam worden dus niet bedekt door het hemd.
Wij werken met onze handen en geven met eigen verantwoordelijkheid vorm aan ons lot. Op plekken waar mensen wonen en werken laten ze onzichtbare omhulsels achter als resultaat van hun handelen en denken.
Goethe wist hiervan toen hij zei: De plaats die een edel mens betreedt, wordt ingewijd.
De zuster neemt dit onzichtbare wat de broers achtergelaten hebben, waar en vermoedt dat haar lot daar ook iets mee te maken moet hebben. Deze hemden als wasgoed zijn voor haar iets onvolmaakts dat veranderd moet worden. Pas na deze waarneming hoort ze van haar moeder over het lot van haar broers en neemt ze de mentale beslissing om naar hen op zoek te gaan. De hemden zijn de leidraad voor haar weg.

Overal waar mensen werken, laten ze gedachtevormen achter die bovenzintuiglijk op hemden lijken, zodat mensen zich later de acties van anderen kunnen herinneren. Als we het ons herinneren, brengen we onbewust iets in onszelf tot leven dat anderen als hun hemd hebben achtergelaten. Elke gedachte, gevoel en handeling laat sporen na in het leven. – De zuster volgt deze sporen van de hemden van haar broers en vindt zonder omwegen hun hut.

Laten we ook opmerken dat deze delicate waarneming plaatsvindt op het moment dat de zuster samen met de moeder kleren aan het wassen is. De twee vrouwen wassen iets schoon dat tijdens het leven vervuild is. De hemden van de broers waren niet meer schoon. In hun hemden, die bij elke geboorte onschuldig en puur lijken, hebben ze geestelijk vuil achtergelaten. De laatste onreinheid zal hun gevoel van wraak in de hemden hebben gedrukt. Vanwege deze schuld werd er een draad van het lot getrokken van de zielen van de broers naar de ziel van de zuster.

Vanuit haar onschuldige hart ziet de zuster aan de hemden deze verbinding en stelt ze ook een vraag aan de moeder van wie deze hemden zijn. Nadat ze de 12 doodskisten te zien krijgt, weet ze dat het haar taak is om haar broers te zoeken en met hen in contact te komen. Haar geboorte is verweven met het lot van haar broers, omdat die tien jaar geleden het ouderlijk huis moesten verlaten.

Door de hemden worden de ziel en het morele niveau van de broers aan haar onthuld, en pas later komt ze oog in oog met hen te staan. En ze is al zo vertrouwd met de geest-zielnatuur van Benjamin dat het herkennen en liefhebben van elkaar voor beiden als vanzelfsprekend is. “Ze omhelsden en  kusten elkaar innig.”

Wanneer Benjamin zijn zus vertelt over de gelofte van wraak, is het net zo vanzelfsprekend dat zij wil sterven om haar broers te verlossen.
In sprookjes komen we voortdurend de drempel van de dood tegen. In het aangezicht van de dood worden nieuwe zielskrachten onthuld. Het meisje staat voor ons  met een ziel van koninklijke grootte.
De naam Benjamin wordt nu voor het laatst genoemd als hij en zijn zuster voor de broers in het boshuis zorgen: zijn naam komt elf keer voor; als de 12e dient hij de 11 broers. Hij voorkomt het ongeluk dat de 11 hun zuster zouden hebben gedood. Benjamins taak is voorbij; Hij neemt weer bescheiden zijn plaats in onder zijn broers en deelt hun toekomstige lot. Hij werkte slechts korte tijd samen met zijn zuster in het huis.

De verandering van de broers in raven –
het breken van de lelies

Nu begint de eigen activiteit van de koningsdochter met de opdracht voor een nieuw tijdperk van ontwikkeling. De broers woonden al 10 jaar in het huis; maar daar gebeurt eigenlijk niets nieuws. Hoe vaak zullen ze elkaar niet hebben gevraagd: “Wat is er iets nieuws?” De ene dag gaat voorbij als de andere. Ze zorgen voor voedsel en zijn bezorgd over hun fysieke welziin.
Van koninklijke opdrachten en doelen is geen sprake. In dit huis zouden de wereld en de tijd stilstaan.
Als de zuster de leiding heeft over het huis, wordt er gesproken over een kleine tuin waarin 12 lelies groeien. De zuster doorbreekt de eentonigheid van de dag en wil de broers blij maken en elk een lelie geven. Ze grijpt onschuldig en schuldig in hun lot in en veroorzaakt zo het vertrek en twee metamorfoses van haar broers: ze worden raven, maken zich los van de aarde, vliegen de lucht in en moeten hun vroegere levensgewoonten (gewoonte wijst op wonen) opgeven; later veranderen ze weer in nieuwe mensen die de geest in de lucht hebben ontmoet.

Ze moeten hun huis verlaten, hun woning in het lichaam – ze moeten lichaamsvrij in de lucht leven – overgegeven aan de geest. Hiervoor waren het volkomen eenzijdige aardwezens. – Nu geeft de zuster voor de tweede keer de reden waarom ze worden verdreven, net zo onbedoeld en onschuldig als toen ze werden geboren. Haar vader wilde hen laten sterven, hun zuster heeft hen getransformeerd zodat hun leven een nieuwe richting en een nieuwe inhoud kan krijgen.
Hun pure levenskrachten zijn opgeslagen in de lelies; ze moeten worden opgeofferd zodat ze kunnen uitgroeien tot hun nieuwe betekenis in het leven. Ze waren hun ware, hogere natuur vergeten; Die moeten ze nu zoeken in het geestelijke, in de lucht.

Vanuit het standpunt van de zuster gezien is het breken van de lelies nog steeds een geschenk voor de broers, omdat geen van hen deze stap van verandering uit zichzelf zou hebben gezet. Ze leren en ervaren dat het lichaam en al het stoffelijke slechts één kant van onze menselijkheid uitmaakt. Iedereen die zich tot de geest wendt, transformeert voortdurend het fysieke in het spirituele en laat het spirituele in het materiële stromen. Zo bouwt de mens mee aan de brug tussen de twee werelden. –
De 12 raven bevinden zich in de lucht dichter bij het licht van de hemel zodat hemelse kennis weer in aardse kennis kan worden geplant. Om deze vooruitgang op gang te brengen, worden de twaalf broers door de zuster in raven veranderd.

Dit heeft nu ook voor haar tot gevolg dat zij dakloos wordt. De zuster moet ook ontwikkelingspijnen doormaken en haar aard veranderen. Als meer gevorderde ziel heeft ze andere taken. Deze worden ons in het sprookje veel gedetailleerder beschreven dan bij haar broers.
Toen ze haar moeder verliet, zei ze: “Ik wil mijn broers gaan zoeken.” Deze eerste beslissing komt uit haar wil. Nu wil ze haar broers verlossen en zegt ze in haar hart: ‘Ik weet zeker dat ik ze zal verlossen.” Deze tweede beslissing komt uit haar hart en geest. Ze transformeert alle drie de zielsvermogens in spirituele organen waarmee ze na 7 jaar transformerend kan ingrijpen en verlossing kan bewerkstelligen.

Omdat de broers zich te diep met het fysieke verbonden hadden, moeten ze in een toestand zonder lichaam, ver van de aarde – dicht bij de geest leven. Hun verlossing bestaat erin hen weer dicht bij de aarde te brengen, zodanig dat zij als nieuw geboren aardse mensen ook de geest in hun lichaam herkennen en ervaren. Daardoor vinden ze een heilzame balans tussen lichaam en geest.

Van de koningsdochter wordt gezegd dat ze op zoek gaat naar een hoge boom, erop gaat zitten, gaat spinnen en geen woord zegt. Haar ziel heeft alleen een kleinere hoogte op een boom nodig; ze blijft nog steeds verbonden met de aarde en vanuit haar wetende hart spint ze boomgedachten.

Het zijn zulke zuivere, plantachtige [bedoeld is waarschijnlijk: niet vervuild door astraliteit] gedachtevormen die alleen de zuivere vrouwenziel kan voortbrengen. En al het andere in haar ziel is stil. Deze stilte betekent niet alleen dat ze niet spreekt, maar dat alle verlangens die nog uit een egoïstische ziel voortkomen, tot zwijgen worden gebracht. Ze beoefent dit 7 jaar lang met volledige onbaatzuchtigheid. – De manier waarop haar ziel op de proef wordt gesteld, wordt voor haar nog moeilijker gemaakt door het feit dat ze na een tijdje in de boom wordt ontdekt door een koning. Haar ster schijnt helder naar de koning toe. Hij draagt ​​haar uit de boom en leidt haar uit haar eenzaamheid naar zijn hof. Als je als een kluizenaar helemaal alleen leeft, is zwijgen niet zo moeilijk. Maar de koningsdochter wil ook de nog moeilijkere proef doorstaan ​​van het zwijgen in het gezelschap van veel mensen – aan het hof van de koning.
Ze weet dat alleen met grotere weerstand de krachten van de ziel zich sterker zullen ontwikkelen.

Aan het hof komt ze ook alle tegenmachten tegen die door de moeder van de koning worden vertegenwoordigd. Nu moet ze leren zwijgen als haar onrecht, haat en laster overkomen. Ze kan zichzelf niet verdedigen tegen het kwaad dat lijkt te winnen. Als een heks moet ze op de brandstapel worden verbrand. Wanneer ze nu ook de vuurdood voor ogen heeft, komt de tijd van de zwijgbeproeving ten einde.
In de lucht verschijnen de raven. Wanneer ze de aarde weer raken, worden ze nieuwe mensen en kunnen ze hun zuster bevrijden. Wederzijdse redding treedt op. Niemand weet wie hij moet bedanken. Iedereen is in de lange tijd innerlijk gegroeid. Dit zou nooit zijn gebeurd als ze bij elkaar waren gebleven in het boshuis.

Laten we nog eens het spoor volgen waar langs het sprookje ons leidt: 12 vertegenwoordigers van een oud tijdperk zien hun cultuur ten onder gaan. Hun woede richt zich niet tegen hun vader omdat ze ongeschikt worden geacht als erfgenamen, maar tegen het nieuwe dat met hun zuster wordt geboren. De vonk van kennis van de 13e wordt ontstoken door wat ze achterlaten als hun hemden en wat moet worden gereinigd. De ster van de koningsdochter neemt de leiding, en de beslissing tot verlossing komt voort uit wat ze weet met haar hart. Het kennen ervan dient het leven omdat het hart erbij betrokken is. Alleen een dergelijke erkenning kan het leven van vandaag en de toekomst dienen. Iedere eenzijdige, materieel georiënteerde kennis is bedrog. Aan de ene kant moeten we, net als de broeders, het sterven ervaren in verbinding met het lichaam; aan de andere kant moeten we vanuit de wil ons ontwikkelen tot het punt waarop we ons tijdelijk van het lichaam losmaken en ons overgeven aan de geest. Dan worden we in gedachten net zo levend als vogels tussen hemel en aarde.

En het is de moeilijke taak van de mens om het een of het ander niet te verwaarlozen of te overdrijven; noch om uit gelukzaligheid in de hemel te willen blijven en onze aardse plichten te veronachtzamen, noch om ons te laten misleiden alsof we een technisch perfect paradijs op aarde zouden kunnen bouwen waar in de toekomst alleen robots ons werk zullen doen. Deze twee afwijkingen komen in het sprookje tot uiting wanneer de moeder Benjamin haar afscheidszegen geeft: ze wil vragen dat de zonen zich in de winter kunnen verwarmen aan een vuur en in de zomer niet hoeven te versmachten van hitte. Dit wijst op de twee zielsvermogens om deze tegenstellingen in evenwicht te kunnen brengen. Omdat aardse dingen de neiging hebben te verstarren en te bevriezen; het liefdeshartvuur kan ons hiertegen beschermen. En elk enthousiasme kan ontaarden in zweverij en mystiek; dan is de innerlijke warmte te heet, de ziel zou gespleten raken, haar gezonde vormende krachten verliezen. Dit wordt tegengegaan door een ordelijke, geduldige en strikte beoefening van meditatie.
Als het nieuwe tijdperk het christelijke tijdperk moet zijn, kunnen we niet doorgaan op de oude paden, maar moeten we moedig de moeilijkheden aanpakken.
Voor zijn twaalf discipelen was Christus ook de dertiende, de nieuwe. Hij wil mensen genezen van de ziekte van de zonde. Wat is zonde dan? Als we ons gedragen zoals de twaalf broers deden voordat ze raven werden. Wanneer we de levende geest steeds meer verliezen of ontkennen.

Fysiek dragen we de dood in ons. In de geest kunnen we de dood overwinnen. Ook onze intellectuele rijkdom aan kennis is doodse kennis; ze begrijpt alles wat niet leeft, ze dient niet langer het leven. Kennis heeft vaak slechts het karakter van het graf. Onze wetenschap van vandaag is net zo perfect als de 12: eenzijdig-perfect – alsof ze aan het einde is gekomen. Veel werkprocessen vinden plaats zonder mensen. – Het is de vrije beslissing van ieder individu hoe en of hij zichzelf wil voorbereiden om het nieuwe te dienen en uit de beperkingen en ketenen te breken.
Laten we de koningsdochter als voorbeeld nemen. Laten we ons verbazen over de grootte van haar hart, haar moed om op te offeren, haar doorzettingsvermogen en iedereen kan tegen zichzelf zeggen: ik weet zeker
dat ik mijn broers kan verlossen. Dat moet uit het hart komen.
En daarom zijn sprookjes christelijk.

.
Grimm

Sprookjes: alle artikelen

Rudolf Steiner over: sprookjes, sagen, mythen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas sprookjes

.

3332-3136

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 306

.

GA 306

Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

De praktijk van de pedagogie bezien vanuit geesteswetenschappelijke menskunde

Voordracht 5, Dornach 19 april 1923

Blz. 96    vert. 96

In jedem Sinnes­organ schafft das Willensmäßige das innere Bild. Das Sinnesorgan, passiv, hat zunächst nur die Aufgabe, sich oder den Menschen der Außenwelt zu exponieren, aber es findet in jedem Sinnesorgan eine innere Aktivität statt, und die ist willensartiger Natur. Und dieses Willensartige wirkt beim Kinde intensiv durch den ganzen Leib bis zum Zahnwechsel hin. Dann bleibt noch dieses Willensartige vorhan­den. Und dieses Willensartige erträgt nämlich zwischen dem Eintritt in die Volksschule und ungefähr dem 9. Jahr zunächst nur, daß man es in einer ganz menschlich-bildhaften Weise an alle Dinge der Natur und des Menschen heranführt. Daher arbeiten wir zum Beispiel so, daß wir in der Tat nicht ein ästhetisierendes, aber ein künstlerisches Element gerade in den ersten Unterricht hineinbringen; daß wir das Kind zum Beispiel auch schon ganz von Anfang an mit Farben han­tieren lassen, trotzdem das manchmal in der Klasse recht unbequem wird. Aber wir lassen das Kind mit Farben hantieren, weil es damit

In ieder zintuigorgaan schept de wil het innerlijke beeld. Het passieve zintuigorgaan heeft als eerste slechts de taak zichzelf of de mens tegenover de buitenwereld te plaatsen, maar in ieder zintuigorgaan vindt ook innerlijke activiteit plaats en die is wilsmatig van natuur. En deze wilskracht werkt bij het kind intensief door het hele lijf tot aan de tandenwisseling. Dit wilsmatige blijft aanwezig. En dat wilsmatige verdraagt namelijk tussen het naar de basisschool gaan en ongeveer het 9e jaar alleen maar dat je het op een heel menselijke manier beeldend kennis laat maken met alles van de natuur en de mens. Vandaar dat we bijv. zo te werk gaan dat we dus niet een esthetisch element in het eerste onderwijs brengen, maar een kunstzinnig element; dat we bijv. het kind ook meteen vanaf het begin met kleuren om laten gaan, ook al gaat dat in de klas weleens wat lastig. Maar we laten het kind met kleuren omgaan, omdat het daarmee

blz. 97

seinen eigenen Bildekräften folgt im Nebeneinandersetzen der Far­ben, in dem Sich-Befriedigen daran, Farbe neben Farbe zu setzen, nicht bedeutungsvoll, sondern instinktiv-sinnvoll Farbe neben Farbe zu setzen. Das Kind entwickelt nämlich eine wunderbare instinktive Art, die Farben nebeneinanderzusetzen. Und man kann dann schon sehen, wie man dirigieren kann dieses Farbennebeneinandersetzen in das Zeichnen, und wie man dann aus dem Zeichnen heraus das Schrei­ben gewinnen kann.

zijn eigen vormkrachten volgt bij het naast elkaar zetten van de kleuren, in het plezier erin hebben om de ene kleur bij de andere te zetten, niet met een bedoeling, maar instinctief op een zinvolle manier kleur bij kleur. Het kind ontwikkelt namelijk een wonderbaarlijke instinctieve manier om kleur bij elkaar te zetten. En dan kan je al zien hoe je bij elkaar zetten van kleuren over kan leiden naar het tekenen en hoe je dan vanuit het tekenen tot schrijven kan komen.
GA 306/96-97
Op deze blog vertaald/96-97

Blz. 112  vert. 112

Nun sagte ich Ihnen: wir lassen das Kind aus seinen eigenen Bildekräften heraus irgendwie malen, natürlich nicht mit Stiften, sondern mit wirklichen Farben. Dann merke ich: das Kind lebt mit den Farben. Nach und nach wird für das Kind – man muß nur selber eine Empfindung dafür haben, daß es so ist – das Blau etwas, was weggeht, nach der Ferne geht; das Gelb und Rot etwas, was herankommt. Das ist etwas, was bei dem Kinde auch schon im 7., 8. Jahr stark hervortritt, wenn man es nur nicht in diesem Alter quält mit irgendwie dressiertem Zeichnerischem und Malerischem. Wenn man das Kind freilich Häuser und Bäume malen läßt, wie sie in Wirklichkeit sind, so geht das nicht. Aber wenn man das Kind folgen läßt, so daß es das Gefühl hat: wohin ich die Hand bewege, da geht die Farbe – der Stoff der Farbe ist nur Nebensache-,

Nu zei ik tegen u: we laten het kind iets schilderen vanuit zijn eigen vormkrachten, natuurlijk niet met potloden, maar met echte kleuren. Dan merk ik op: het kind leeft met kleur. Langzamerhand wordt het voor het kind zo – je moet er alleen zelf een gevoel voor hebben dat het zo is – dat blauw is iets wat weggaat, naar de verte trekt; geel en rood zijn iets wat dichterbij komt. Dat blijkt bij het kind van 7 of 8 jaar al sterk, als je het op deze leeftijd niet met een of andere teken- of schilderdressuur kwelt. Wanneer je het kind de vrijheid geeft huizen en bomen te schilderen zoals ze in werkelijkheid zijn, dan lukt dat niet. Maar wanneer je het kind laat volgen, zodat het het gevoel heeft: waarheen ik mijn hand beweeg, daar gaat de kleur heen – de substantie van de verf is maar bijzaak –

Blz. 113  vert. 113

da lebt die Farbe auf unter den Fingern, da will sie sich fortsetzen irgendwo – wenn man das erreicht, so bekommt man etwas sehr Sinn­volles in der Seele des Kindes: Farbenperspektive. Das Kind bekommt das Gefühl, daß das rötende Gelb näherkommt, daß das Blauviolett fern und ferner geht. Da arbeitet man aus dem Intensiven heraus das, was man dann später mit dem Kinde auch erarbeiten soll: die Per­spektive, die man dann in Linien durchführt. Es ist etwas furchtbar Schädliches, die Perspektive einem Kinde im späteren Lebensalter beizubringen, dem man nicht vorher eine Art intensiver Farbenper­spektive beigebracht hat. Dadurch wird ja der Mensch in furchtbarer Weise veräußerlicht, wenn er sich gewöhnt, die quantitative Perspek­tive sich anzueignen, ohne vorher die intensive, die qualitative Per­spektive sich angeeignet zu haben, die in der Farbenperspektive liegt. Und in diesem Zusammenhang liegen dann die weiteren Zusam­menhänge. Wenn Sie dem Kinde verwehren, intensiv in der Farben-perspektive zu leben, so wird das Kind niemals mit der richtigen Schnelligkeit lesen lernen. Immer mit der Einschränkung, die ich ge­stern gesagt habe: es kommt ja nicht darauf an, daß man das Lesen so schnell als möglich am Anfange dem Kinde beibringt. Aber das Kind bekommt geschmeidige Vorstellungen, geschmeidige Empfindungen und geschmeidige Willensaktionen aus diesen Farbenempfindungen heraus. 

dan komt de kleur onder de vingers tot leven, dat wil ergens verder naartoe – wanneer je dat bereikt, dan krijg je iets heel zinvols voor de ziel van het kind: kleurperspectief. Het kind krijgt het gevoel, dat het roodachtige geel dichterbij komt, dat het blauw-violette steeds verder weggaat. dan werk je intensief aan waaraan je dan later met het kind ook moet werken: het perspectief dat je dan in lijnen uitvoert. Het is heel erg verkeerd om het perspectief aan het kind op een latere leeftijd te leren, wanneer je niet eerst van te voren op een intensieve manier het kleurenperspectief aangeleerd hebt. En in deze samenhang liggen dan weer andere samenhangen. Wanneer je het kind niet toestaat intensief met het kleurenperspectief om te gaan, zal het niet met de juiste snelheid leren lezen. Steeds met de restrictie die ik gisteren aangegeven heb: het komt er niet op aan dat je kind in het begin zo snel mogelijk leert lezen. Maar het kind krijgt beweeglijke voorstellingen, beweeglijke ervaringen en beweeglijke wilsactiviteit vanuit deze kleurbeleving.

Alles Seelische wird geschmeidiger. Vielleicht müssen Sie durch das alles, was hier verlangt wird, aus dem malenden Zeichnen, dem zeichnenden Malen das Lesen zu entwickeln, länger brauchen, um das Lesen an das Kind heranzubringen. Aber in dem Lebensalter, wo es dann darankommt, ist es dann doch eben möglich, das Lesen wirklich richtig an das Kind heranzubringen, ohne daß es im Körper, im ganzen Menschen zu flüchtig sitzt – wie es auch sein kann – und ohne daß es zu tief im Menschen drinnen sitzt und ihm förmlich jeder Buchstabe einen Ritz macht in der menschlichen Wesenheit.

Alles wat met de ziel te maken heeft, wordt beweeglijker. Misschien heb je door wat hier allemaal gevraagd wordt, om uit het schilderende tekenen, het tekenende schilderen het lezen te ontwikkelen, meer tijd nodig om het kind te leren lezen. Maar op de leeftijd waarop het er dan op aankomt, is het dan toch wel mogelijk het kind op een goede manier te leren lezen, zonder dat dit in zijn lijf, in de hele mens te vluchtig aankomt – zoals het ook kan zijn – en zonder dat het te diep in de mens aankomt en dat iedere letter meteen een kras maakt in het mensenwezen.
GA 306/112-113
Op deze blog vertaald/112-113

.

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3331-3135

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind

.

Herhaaldelijk heeft Rudolf Steiner zich uitgesproken over het belang van de opvoeding in de eerste jaren van een kind.
In GA 297 o.a. citeert hij Jean Paul Richter die zei dat een  kind de eerste drie jaar van zijn  leven meer leert, dan in de drie academische jaren:

Wir lernen gewiß in unseren drei ersten Lebensjahren mehr als in unseren drei akademischen Lebensjahren, weil wir sozusagen ein organisch entwickeltes
Gedächtnis ja noch haben, weil da das Gedächtnis noch organisch wirkt. 

Het is zeker zo dat wij in onze eerste drie levensjaren meer leren dan in onze drie academische levensjaren’- omdat wij zogezegd nog een organisch ontwikkeld geheugen hebben, omdat het geheugen nog organisch werkt.
GA 297/179
Op deze blog vertaald/179

Door Richter (1763-1825) wordt al een verband gelegd tussen geheugen en organen en Rudolf Steiner doet dat veelvuldig wanneer hij spreekt over de levenskrachten die aan het lichaam werken en met de tandenwisseling vrijkomen.
Pas dan kunnen deze krachten volledig gebruikt worden voor leren, dus onthouden, dus het geheugen.

In de eerste zeven jaar is een van de grootste vormende krachten bij de ontwikkeling de nabootsing.
Hier vind je de uitspraken van Steiner daarover.
Daar staan er ook bij de niet zomaar te begrijpen vallen. Juist daar waar hij een verband legt tussen deze eerste jaren en de latere gezondheid van de mens.

In 1907 al:

Was in der physischen Umgebung vor­geht, das ahmt das Kind nach, und im Nachahmen gießen sich seine physischen Organe in die Formen, die ihnen dann blei­ben.

Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activiteit van het nabootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven.
GA 34/324
De opvoeding van het kind/32 

In GA 309, voordracht 1, gaat hij er uitgebreid op in:

Bv.

Aber bei dem Kinde geht alles Seelische in das Leibliche hinunter. Wenn das Kind einen Schreck erfährt an den Eindrücken der Umgebung, aber ebenso alles, was an Freude und Erhebung lebt, geht über, wenn auch nicht in so grober Art, sondern in feiner Weise, in die Wachstums-, Zirkulations- und Verdauungspro­zesse. Ein Kind, das jede Stunde zu fürchten hat die Eindrücke, die von einem Jähzornigen ausgehen, der jeden Augenblick einen Zorn be­kommt, erlebt etwas Seelisches, das sogleich eindringt in Atmung und Blutzirkulation und auch in seine Verdauungstätigkeit.

Maar bij een kind gaat alles wat ziel is over op het lichamelijke. Wanneer het kind schrikt door indrukken uit de omgeving, maar ook net zo bij plezier en een verheven stemming, gaat dat door, weliswaar niet op zo’n ruwe manier, maar subtiel, tot in de groeikrachten, de circulatie en stofwisselingsprocessen. Een kind dat ieder uur bang moet zijn voor de indrukken die een opvliegend mens op hem maken; die ieder ogenblik een woede-aanval krijgt, beleeft iets in zijn ziel wat tegelijkertijd in adem- en bloedcirculatie en ook in de stofwisseling binnenkomt.
GA 309/15
Op deze blog vertaald/15

De wetenschap is steeds aan het onderzoeken en aan de Harvard Universiteit, de afdeling ontwikkeling van het kind, komt men nu met deze bevindingen.
.

Het verbinden van de hersenen met de rest van het lichaam: ontwikkeling in de vroege kindertijd en levenslange gezondheid zijn nauw met elkaar verweven

De snel voortschrijdende grenzen van de biologische wetenschappen van de 21e eeuw leveren nu overtuigend bewijs dat de fundamenten van levenslange gezondheid ook vroeg worden gebouwd, met toenemend bewijs van het belang van de prenatale periode en de eerste paar jaar na de geboorte.

Wat er tijdens deze periode gebeurt, kan aanzienlijke gevolgen hebben voor zowel de korte- als langetermijnresultaten op het gebied van leren, gedrag en zowel lichamelijke als geestelijke gezondheid.

Al deze domeinen zijn opmerkelijk van elkaar afhankelijk en het potentieel om te leren is onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit van de fysieke en mentale gezondheid.

Af en toe voeg ik in dit verslag opmerkingen tussen [  ] toe, die alle terug te vinden zijn in het pedagogisch voordrachtenwerk van Steiner.
Daarnaast een enkele opmerking en cursief.

Een kind dat leeft in een omgeving met ondersteunende relaties [het kind in eerbied ontvangen en met liefde opvoeden] en consistente routines  [gewoontevorming = versterking van het etherlijf] heeft meer kans om goed functionerende biologische systemen te ontwikkelen, waaronder hersencircuits, die een positieve ontwikkeling en levenslange gezondheid bevorderen.
Kinderen die zich bedreigd of onveilig voelen, kunnen fysiologische reacties en copinggedrag ontwikkelen dat is afgestemd op de moeilijke omstandigheden die ze op dat moment ervaren, wat op de lange termijn ten koste gaat van hun fysieke en mentale welzijn [in de verschillende voordrachten over de gevolgen van de omgeving op de latere gezondheid], zelfregulatie en effectief leren.

De uitkomsten van het onderzoek zijn bestemd voor allen die met opvoeding en onderwijs te maken hebben om innovatieve oplossingen te creëren om ziekten te voorkomen en vroegtijdige sterfgevallen en het verlagen van de hoge kosten van de gezondheidszorg voor chronische ziekten die hun oorsprong vinden in de vroege kinderjaren te voorkomen.

Bijna alle aspecten van vroege ontwikkeling en latere gezondheid worden beïnvloed door interacties tussen ervaringen, genen, leeftijd en de omgeving waarin jonge kinderen leven. Deze interacties beïnvloeden elk biologisch systeem in het lichaam, met vooral krachtige effecten in de vroegste jaren.

Systemen met betrekking tot de ontwikkeling van de hersenen, hart en longfunctie, spijsvertering, energieproductie, infectiebestrijding en lichamelijke groei zijn allemaal met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaars ontwikkeling en functie. Elk systeem “leest” de omgeving, bereidt zich voor om te reageren en deelt die informatie met de andere systemen. Elk systeem “geeft dan signalen terug” aan de andere systemen via feedbacklussen die al bij de geboorte functioneren.

Kinderen die leven in omstandigheden van bedreiging en ontbering lopen als volwassenen een groter risico op verschillende vormen van cardiometabole ziekten [hierboven GA 309: circulatie- en stofwisselingsprocessen] . Kortom, de omgevingen die we creëren en de ervaringen die we jonge kinderen en hun families bieden, hebben niet alleen invloed op de zich ontwikkelende hersenen, maar ook op veel andere fysiologische systemen, van cardiovasculaire functie en immuunrespons tot metabolische regulatie. Al deze systemen zijn verantwoordelijk voor ons hele leven

Ook uit GA 309:

In jedem Lebensalter muβ eben durchaus darauf gesehen werden, daβ man nicht bloβ für dieses Lebensalter erzieht, sondern für das ganze irdische Menschenleben, ja noch darüber hinaus.

In iedere leeftijdsfase moet er dus volstrekt op gelet worden dat je niet alleen voor deze leeftijdsfase opvoedt, maar voor heel het aardse mensenleven, zelfs voor wat daar op volgt.
GA 309/80
Op deze blog vertaald/80

De hersenen en alle andere organen en systemen in het lichaam, elk met een gespecialiseerde vaardigheid die de andere aanvult zijn allemaal toegewijd aan een gemeenschappelijk doel. Ze lezen elkaars acties, passen hun eigen acties aan op basis van wat er om hen heen gebeurt en leren voortdurend van elkaar. Na verloop van tijd groeien biologische systemen in het lichaam uit tot een fijn afgestemde eenheid en reageren ze als één geheel op een veelheid aan uitdagingen. Als hun gedeelde ervaringen of omgevingen veranderen, moeten deze systemen zich aanpassen. Elke prestatie bouwt voort op wat ervoor kwam en hoewel aanpassingen altijd mogelijk zijn, is het moeilijker – en kostbaarder – om strategieën, patronen en gewoonten later te veranderen dan om vanaf het begin een goed functionerende en efficiënte samenhang op te bouwen.
Elk kind is daarin anders. 

De onderzoekers wijzen erop dat resultaten van deze verstoringen slechte onderwijsprestaties, lagere economische productiviteit, hogere criminaliteitscijfers en hogere kosten voor gezondheidszorg betekenen.

Alle biologische systemen in het lichaam interageren met elkaar en passen zich aan aan de context waarin een kind zich ontwikkelt – ten goede of ten kwade – en aanpassingen in het ene systeem kunnen aanpassingen in andere systemen beïnvloeden. Bedenk hoe alle systemen in het lichaam van een jong kind op een sterk gecoördineerde manier moeten functioneren om te reageren op uitdagende omstandigheden. De initiële biologische respons is hetzelfde, of het nu gaat om een kortstondige, normatieve ervaring, zoals de eerste dag in een kinderdagverblijf, of het aanhoudende trauma van herhaaldelijk fysiek misbruik – het zijn de duur, de ernst en de timing van de ervaring (samen met de beschikbaarheid van ondersteunende relaties) die bepalen of de respons uiteindelijk schadelijk of groeibevorderend is.
In beide situaties reageren de stresssystemen van het lichaam door meerdere interactieve componenten te coördineren: het autonome zenuwstelsel verhoogt de hartslag en de ademhaling, zodat het cardiovasculaire systeem wordt geactiveerd.

De hersenen ontvangen signalen van elk systeem, die de werking ervan beïnvloeden (en zelfs de chemie en architectuur ervan kunnen veranderen), en sturen vervolgens signalen terug naar andere organen.
Verschillende onderzoeken tonen bijvoorbeeld aan dat lichaamsbeweging de gezondheid van hart en bloedvaten bevordert en ook de processen stimuleert die leiden tot nieuwe neurale verbindingen en een verhoogde bloedstroom in de hersenen die het geheugen en de stemming verbeteren. [hier kunnen we denken aan de opmerkingen datde handen het hoofd beïnvloeden‘]

Metabole verstoringen kunnen ook veranderingen in de hersenarchitectuur veroorzaken die kunnen leiden tot een verminderde stemming en geheugen, evenals een verhoogd risico op latere dementie. [In GA 59 legt Steiner een verband met een bepaalde manier van opvoeden en dementia preacox.
Dit zijn slechts enkele van de vele voorbeelden die de connecties tussen de hersenen en de rest van het lichaam illustreren.

Verschillende keren geeft Steiner het voorbeeld van de driftige ouder en de hartproblemen op latere leeftijd.
De onderzoekers:
Bij een kind dat de aanhoudende dreiging van mishandeling ervaart, is er een voortdurende activering van de stressrespons die de investering van het lichaam in groei in gevaar brengt. Het proces waarbij het lichaam zich aanpast aan bedreigingen, zoals een verhoogde bloeddruk als reactie op stress, noemen wetenschappers allostase. Als een bedreiging of ontbering te intens of langdurig is, resulteert dit in allostatische belasting of overbelasting. Zoals bij elk overbelast systeem kan allostatische belasting leiden tot storingen (d.w.z. fysiologische en gedragsveranderingen die zowel de lichamelijke als geestelijke gezondheid kunnen ondermijnen). Een verhoogde bloeddruk is bijvoorbeeld in eerste instantie onderdeel van de stressrespons die ervoor zorgt dat het benodigde bloed, voedingsstoffen en zuurstof naar alle cellen in het lichaam gaan, maar als de bloeddruk te lang te hoog is, beschadigt hij de slagaders, wat kan leiden tot een hartaanval of beroerte. 

Om mijn artikel hier niet te lang te maken, verwijs ik naar de Engelse tekst [ Bron ]   waarin nog veel meer staat, dat we zullen herkennen als ‘wat we ook bij onze achtergronden’ tegenkomen.

.

Algemene menskunde voordracht 9 over nabootsing  en  tandenwisseling

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfase     0 – 7 jaar

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3330-3134

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen n.a.v. de vertelstof (3-6)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 50 – 55

Vertellend tekenen

noemt Jünemann het volgende onderwerp, d.w.z. dat het woord ‘Malen’ hier niet betekent het schilderen met verf, maar het tekenen met kleurblokje, wasblokje, wasstift, pastelkrijtje, oliekrijt.
Daarmee kunnen de kinderen op een vel papier of in het periodeschrift werken. 
Daar hebben ze ook behoefte aan: meer in het figuratieve tot uitdrukking brengen wat ze zich hebben voorgesteld bij de aangeboden lesstof.
Ook dan, door het tot uitdrukking brengen, wordt hun wil aangesproken.
Dus meer de kleurkwaliteit dan de vormkwaliteit. Dan is er sprake van ‘Zeichnen’ – tekenen, zoals in Formenzeichnen: ons vormtekenen. 

Getekend

Geschilderd

Leren schrijven

Ook daarbij wordt eigenlijk vertellend getekend. De leerkracht heeft iets verteld over brood en de bakker en komt daar de andere dag op terug. Dat wordt eerst mondeling herhaald door de kinderen waarna ze mogen tekenen van wat ze voor zich zien. 
De leerkracht kan een bordtekening maken van het beeld dat hem voor ogen staat om de kinderen de letter B aan te leren. Ten overvloede: er wordt niet gesproken over ‘de B(eee), maar alleen de klank B (uh) wordt ontwikkeld door het beeld van de bakker in de vorm van een B.

Of een beer:

Als de kinderen het woord beer zeggen en ze worden langzaam ertoe gebracht alleen het begin te laten horen, ontstaat begrip voor hoe die eerste klank klinkt. 
Voor veel meer over het leren schrijven en daarna lezen.

Nu kunnen er nog allerlei woorden gevonden worden die met de beer te maken hebben: Bolle   Buik   Bruin en datzelfde geldt bij de bakker:  Brood, BakBlik, Beschuit, Bolletje, Bakkerij enz.

Dat illustreren is dus een vorm van schilderend tekenen.

Dan wordt er aandacht besteed aan de ‘landbouw’ als onderdeel van de heemkundeperiode in klas 3:

Landbouw

In het periodeschrift staat bv. een gedichtje (zie hier) dat ook weer kleurrijk geïllustreerd kan worden.
Dat is hier gebeurd met iets uit ‘de huizenbouw’.

.
De auteur geeft dan nog een voorbeeld van hoe ook in het godsdienstonderwijs schilderend getekend zou kunnen worden.
Ze noemt m.n. beelden waarin eerbied en medegevoel tot uitdrukking zou kunnen worden gebracht. Uit het O.T. bijvoorbeeld de regenboog, de ark met de dieren, Mozes en het brandende braambos, David en Goliath.
Uiteraard kunnen deze onderwerpen ook ; gewoon’ bij de vertelstof horen.

Geschilderd: Mozes ontvangt de stenen tafelen

Getekend: de toren van Babel

Als laatste deel van het hoofdstuk wordt aandacht besteed aan

Therapeutische gezichtspunten

Als een kind met grote regelmaat de kleuren hard en geïsoleerd naast elkaar zet en je herkent het kind met een melancholische aanleg wat zich o.a. uit in ‘het leven in of met het verleden’, niet los kunnen komen naar de toekomst, dan zou je ‘speciale oefeningen met harmonieuze kleurcomposities kunnen geven deze neiging tot gespannenheid tegengaan.’
Je kan zo’n kind bijvoorbeeld een ovaal geel vlak op het vel laten schilderen vanaf de ene kant, het aan de onderkant omringen met blauw en het doortrekken naar de andere kant. Van bovenaf stroomt rood naar het geel en waar het het bedekt, wordt het oranje. Rood stroomt dan verder naar beneden en bedekt een deel van het blauw, waardoor het paars kleurt. Alleen waar geel naast blauw ligt, kan groen worden gemaakt door het een in het ander te kleuren. De overgangen moeten zo zorgvuldig worden geschilderd dat de harmonieuze combinatie van kleuren wordt versterkt.
Een variatie op de oefening kan worden bereikt door te beginnen met rood en dit te omringen met geel, dat aan één kant wordt bedekt door blauw, zodat er direct naast het rood groen ontstaat. De kleurmengsels die aan de randen ontstaan, resulteren in paars en oranje.
Als je uitgaat van blauw en dit omringt met geel en met rood naar binnen transformeert in oranje, verschijnt oranje direct naast blauw en vormt het een harmonieuze klank waaromheen paars en groen worden gevormd in de overgangen in de periferie.’

Bij de temperamenten zie je nog wel andere eenzijdigheden, zo bv. bij de flegmatische kinderen bij wie de stofwisseling een sterke rol speelt. Ze staan niet zo open voor wat er wordt verteld: het moet écht indruk maken wil het beklijven.

Er zijn kinderen die ‘technisch’ meer begaafd zijn, hun schilderwerk is vaak heel zorgvuldig uitgevoerd, maar de kleuren tonen weinig expressie.

En er weer kinderen waarbij alles er waterig en wazig uitziet. Die krijgen bv. deze opgave:

Ze moeten lussen vormen. Je kan het beste met geel beginnen. Maak met een brede penseel een grote acht, die aan de bovenkant open is. De blauwe kleur volgt hetzelfde pad op enige afstand. In het midden, waar geel en blauw elkaar overlappen, ontstaat groen. Dat gaat heel voorzichtig binnen de lus en breidt zich uit naar boven op de grens tussen geel en blauw. Dit wordt gevolgd door rood. Dit moet ook van boven door het kruispunt. Waar het blauw snijdt, ontstaat paars, dat opnieuw een fijne lus binnenin vormt die zich uitbreidt in de vrije ruimte.
Belangrijk is hier dat het papier niet te nat is en dat er niet te veel verf op het penseel zit, zodat niet alles in elkaar overvloeit.’

Als je deze oefening zelf uitprobeert, zul je zien dat elke keer dat je met een nieuwe kleur door het midden gaat, het moeilijker wordt omdat de kleurzone steeds breder wordt, zelfs als er maar smalle stroken kleur worden aangebracht. Het vergt oplettendheid en een zekere durf om tot het einde door te gaan.’

Kinderen die zoiets als dit als opdracht krijgen, beginnen meestal snel, maar slaan na korte tijd het kruispunt over en gaan rond en rond met het penseel. Hier wordt duidelijk waar de oefening op gericht is. Een kind dat te gevoelig is voor vergeetachtigheid of saaiheid moet zich vermannen en moeite doen om de taak te voltooien. Ook hier moet de oefening herhaald worden. Er zijn variaties in twee richtingen. Ten eerste kan het kleurverloop worden veranderd zodat de kop van de lus niet alleen onderaan verschijnt, maar ook bovenaan, rechts of links. De andere keer zijn de kleuren beperkt, maar worden ze meerdere keren naast elkaar geschilderd. Als rood en blauw worden uitgedeeld, worden verschillende rode en blauwe stroppen afgewisseld.

Als de leerkracht erin slaagt om zijn ervaring met deze oefeningen uit te breiden en steeds beter te begrijpen wat er effectief in is, kan hij ze op veel manieren gebruiken. Als bijvoorbeeld in klas 7 een geografisch gebied is behandeld en er nu een landschap van moet worden geschilderd, zal de leerkracht de melancholicus instrueren zich meer te richten op het harmonische van de kleurcomposities en hem misschien aanmoedigen om de lucht met delicate kleurovergangen te schilderen, zoals deze ’s ochtends of ’s avonds boven dat gebied verschijnt.

Bij een ander kind dat vergeetachtig is, zorgt hij ervoor dat de kleuren duidelijk te onderscheiden zijn en dat de karakteristiek van het landschap ook in de vorm van de afbeelding tot uiting komt.

Er zijn veel manieren om een ​​educatief, therapeutisch effect te hebben in de schilderlessen. Om de juiste ideeën te hebben, is het noodzakelijk dat de leraar door zijn studie altijd de objectieve toegang tot de wereld van kleuren en vormen vergroot en dat hij in spiritueel contact blijft met zijn kinderen.

Als zich in een hele klas een soort eenzijdig gedrag voordoet, zoals een opvallend gebrek aan controle of lamme traagheid of zelfs een zekere verlegenheid, heeft de leraar de mogelijkheid om via kleuroefeningen hun algehele toestand te beïnvloeden.
Hij leest bv. een oefening met slechts één kleur. Laten we aannemen dat het verhaal van het Blauwe Licht verteld is (Grimm).
Op de schilderdag wordt dit voortgezet. Alle kinderen schilderen alleen met blauw. Je kunt dan ervaren hoe het in de klas opeens zo stil wordt dat de kinderen het eindelijk zelf merken.

Als je een bijzondere activiteit in de klas wilt brengen, doe dan een oefening met veel vermiljoen. Soms rennen de kinderen de pauze in alsof het rood in hun ledematen zit. Veranderingen treden op als je de kleuren voorzichtig en soms krachtig mengt. Een klas die de neiging heeft afgeleid te worden, kan worden gekalmeerd met zachtere kleuren, net zoals wanneer je rustig spreekt Sterkere kleuren stimuleren, activeren en versterken de kinderziel.

Uiteraard moeten al deze maatregelen worden herhaald. Vooral leraren in het eerste en tweede leerjaar moeten hiermee omgaan en zichzelf trainen in het waarnemen van de verschillende effecten. Want je kunt al deze onderwijstherapeutische middelen niet schematisch inzetten.’

.

Voor 4e, 5e en 6e klas:

Schilderen alle artikelen bij [3-8]

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3329-3133

.

.

.