Hierbij een schrijven over de feesten in de Grote Kersttijd en in die weken zijn er niet alleen christelijke feesten. Een aantal feesten worden hier benoemd, zowel christelijke als een aantal die hun oorsprong vinden vanuit andere overtuigingen of geloofsrichtingen. Wat al deze feesten bindt: licht, vreugde, samen herdenken en vieren, zorg dragen voor elkaar en de aarde, schenken en ontvangen. Anders gezegd: Als mens in verbinding staan/komen met aarde, alledag, de ander en in verbondenheid weten/komen met hogere machten, engelen, je beschermengel.
Het is niet de bedoeling alle feesten uitgebreid te benoemen maar juist óm ze te benoemen. Meer informatie kun je zeker vinden op genoemde sites en ook meerdere artikelen van mijn hand. [1]
Grotendeels komt de tekst van mezelf, soms van sites als:
Van Sint-Maarten naar Maria Lichtmis. Op 2 februari, 40 dagen na Kerst, vieren wij het jaarfeest Maria Lichtmis. 40 dagen voor Kerst vieren we het Sint-Maartenfeest en ontsteken wij licht in een lampion van een suikerbiet of pompoen, die uit of op de aarde gegroeid is. Dit lichtje dragen we door de donkere winternacht, gedurende een periode van 80 dagen…
“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, in mijn lantaren een lichtje klein.”
Die periode wordt de Grote Kersttijd genoemd: buiten donkert het meer en meer en binnen steken we lichtjes aan. De aarde ademt in, natuur trekt zich terug, sapstromen stoppen, de eerste knoppen hebben zich aan boomtakken gevormd en bladeren dwarrelen in herfsttinten naar de aarde om beschutting te geven aan de aarde, kleine dieren, als voedselbron voor de aarde aangezien blad composteert in de winter…. Met Kerst, in de donkerste tijd van het jaar (21 december winterzonnewende, langste nacht en kortste dag), wordt het Jezuskind geboren welke symbool staat voor de geboorte van het licht in ieder mens, het innerlijke licht. Met Maria-Lichtmis, het laatste lichtfeest, sluiten we de grote Kersttijd af. Het lengen van de dagen gaat steeds sneller, het licht buiten neemt weer toe. Het is tijd om het licht van de kaarsen symbolisch terug te geven aan moeder aarde. We kunnen het licht missen en brengen het naar de voorzichtig ontluikende natuur.
Hier woont een rijk man, Die mij heel veel geven kan Lang zal hij (in mij) leven, Veel zal hij geven Zalig zal hij sterven, De hemel zal hij erven God zal hem lonen, Met honderdduizend kronen Met honderdduizend lichten aan, Hier komt Sinte Maarten aan.
Sint-Maarten, begin van de grote Kersttijd: het is de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laatste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met het “zelf” van jou en mij. We gaan deze tijd gebruiken om ook bij onszelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd gemakkelijk, je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen, verbeterpunten. En dat is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken. Het sprookje “de Sterrendaalders” laat in zijn eenvoud zien hoe je jezelf staande kan houden bij lastige momenten, veel vragende tijden, en je zal verrast en rijk worden ….
Ontvangen en schenken: Wat de ene schenkt ontvangt de ander: beide worden ze blij, warm vanbinnen.
“Er was eens een klein meisje; haar vader en haar moeder waren gestorven, en ze was zo arm dat ze niet eens een kamertje had om in te wonen, en ook geen bedje meer om in te slapen, en eindelijk helemaal niets meer dan de kleren die ze aanhad en een stukje brood in haar hand, dat een medelijdende ziel haar had gegeven. Maar ze was lief en vroom. En omdat ze zo door iedereen verlaten was, trok ze, in vertrouwen op de goede God, de wereld in. Een arme man kwam haar tegen, en hij zei: “Och, geef me toch wat eten, ik heb zo’n honger.” Ze gaf hem het hele stuk brood en zei: “Ik hoop dat Gods zegen erop rust,” en ze ging weer verder. Toen kwam een kind en dat huilde en zei: “Ik heb zo’n kou op mijn hoofd, geef me iets om op te zetten.” Toen nam ze haar mutsje af en gaf dat aan het kind. En toen ze nog een eind gegaan was, kwam er weer een kind aan en dat had geen bloesje aan en het had het zo koud en toen gaf ze het hare weg; en nog verder vroeg iemand om haar rokje, en dat deed ze ook uit en gaf het weg. Eindelijk kwam ze in een groot bos, en ’t was al donker geworden en toen kwam er nog iemand en vroeg om een hemd en het vrome meisje dacht: “Het is toch donkere nacht, niemand ziet er iets van, je kunt het hemd best weggeven,” en ze trok haar hemd uit en gaf dat ook weg. En toen ze zo stond en helemaal niets meer aan had, vielen er opeens sterren uit de hemel, en dat waren niets dan harde blanke daalders, en al had ze net haar hemd weggegeven, toch had ze een nieuw aan, en dat was van het allerfijnste linnen. Toen raapte ze alle daalders bij elkaar en was rijk voor de rest van haar leven.”
Sint-Lucia van Syracuse vrijdag 13 december. In de late Middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia=licht) verbonden met de terugkeer van het licht na hetwintersolstitium. Haar naamdag, 13 december, werd vóór de invoering van de Gregoriaanse kalender vaak beschouwd als kortste dag. Een in het wit gekleed meisje met een kroon van brandende kaarsen, meestal de jongste dochter, gaat als Luciabruid alle kamers af en brengt, vaak geholpen door bruidsmeisjes, alle huisgenoten koffie en lekkernijen in de slaapkamer…. Waar ook de Luciadag gevierd wordt zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot Midwintervieringen. De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de midwinteromgangen. In de loop der eeuwen zijn verschillende gebruiken rond Holda en Perchta [Keltische godinnen] door Lucia overgenomen. In vrijescholen is het jongste meisje van klas 3 [groep 5] de Luciabruid. Zij gaat gevolgd door haar medeleerlingen in een rij door alle klassen van de school, al zingend en koekjes van saffraan uitdelend. Alle leerlingen van die klas zijn in het wit gekleed, sommigen dragen een kaarsje anderen een schaal met sterren-zon-maankoekjes. Dit vindt plaats in de vroege ochtend, als het nog donker is…
Loi Krathong 15 & 16 november Loi Krathong is het feest van het licht, gevierd door de Thaise gemeenschap in Nederland. Dit feest wordt op de avond van de volle maan in november gevierd. Als de maan opkomt, verzamelt iedereen zich bij de rivier, waar de krathong, een bootje of lampion in de vorm van een lotusbloem, in het water wordt gelegd. Hoe langer deze blijft branden en drijven, hoe meer geluk je zult hebben in het komende jaar. De wegdrijvende lichtjes nemen het ongeluk met zich mee. Vervolgens wordt er een verhaal over één van de vorige levens van de Boeddha verteld: over prins Vessantara, die beroemd was om zijn medeleven en vrijgevigheid.
Dan komt St-Nicolaas, de derde herfstheilige, bij ons aan, in de adventtijd: vier zondagen voor Kerst.
“Donker is de aarde, de bomen zijn nu kaal. Voor kwaad bewaar’ ons de dapp’re Michaël, De dapp’re Michaël.
d’Heilige Sint-Maarten, Hij schonk ons offerkracht. Advent is nu gekomen en heel de wereld wacht, En heel de wereld wacht.
Nicolaas wil helpen Een beter mens te zijn. Opdat het Kerstlicht strale in onze harten rein, In onze harten rein.”
Het sinterklaasfeest is een feest waar veel van te vertellen is en dat bol staat van symbolen: Het medeleven en medelijden hebben met je medemens. Elkaar helpen en in liefde naar elkaar kijken is een aspect dat je bij Sinterklaas terugvindt. Sint die over de daken rijdt is de verbinding tussen hemel en aarde, dat is ook zijn mijter, die immers aan de bovenkant open is. Sinterklaas komt ieder jaar met de boot uit Spanje. Hij komt van over het water, dat wil zeggen vanuit de andere wereld. Waarom Spanje? Dat is niet helemaal eenduidig. In het Frans betekent een ‘chateau d’Espagne’ een luchtkasteel en heeft dezelfde gevoelswaarde als Engel-land: de andere wereld. Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom refereert aan de laatste maand van het jaar.. Het grote boek staat vol met zowel goede als minder goede daden van ons mensenkinderen Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst, zoals wij dat doen met onze surprises. Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. De schoen die we dragen en waarmee we de wereld in willen gaan. En zo zijn er nog veel meer symbolen op te noemen. Sint leert ons blij te zijn met datgene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen. Dit feest staat aan het begin van advent: tijd van stilte. De stilte waaraan we ons meer zouden moeten overgeven als voorbereiding op het kerstfeest. Dag voor dag dichter bij de langste en soms donkerste nacht, geboorte van het Kerstkind en het begin van de 12 heilige nachten. Nachten waarin voorspellende dromen, inzichten kunnen geven: de hemel is nabij…..
Het bij elkaar brengen van Advent en Sinterklaas en Kerst is op het oog wellicht lastig, maar hulpmiddelen als liedjes, prentenboeken, tijd nemen, in rust kunnen gaan, laten weten aan je kind[eren] dat “het goed komt”, en door onderstaand verhaaltje te vertellen wil het bij elkaar brengen van deze feesten echt wel lukken.
“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen. Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan. Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint- Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen… Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?. Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik help graag mee, zei de Zon. Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging… Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan eenieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen. Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”
En dan dit: “Zachtjes gaan Maria’s voeten langs de lichte sterrenbaan. Alle sterrenkind’ren groeten, allen willen haar ontmoeten, Ook de glanzend zilv’ren maan. En zo stil en zo zacht zweven eng’len bij nacht: Hoor, zij zingen zo fijn voor het Kindeke klein!” En dit lied te zingen….. “Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht. Stil nu, stil nu, het ruist al door de lucht. Het wonder komt heel zachtjes aan, ’t kerstkind wil naar binnen gaan.”
1e advent, viering met adventtuintje lopen.
De adventstijd voor kleine kinderen op vrijescholen begint met het lopen van de adventsspiraal. Dat is een spiraal van dennengroen, of zilverzand, met in het midden een grote kaars. Al zachtjes zingend of onder begeleiding van muziek, lopen de kinderen om de beurt de spiraal naar binnen. Zijn ze helemaal naar binnen gekeerd en aangekomen bij de kern, dan steken zij daar hun eigen lichtje aan. Op de terugweg (met de klok mee) mogen de kinderen hun kaarsje een plekje geven in de spiraal. Door het groeiende aantal kaarsjes in de spiraal, groeit het licht. De weg naar binnen is de weg die ook wij in deze steeds donker wordende en stille tijd van het jaar gaan. Door het groeiende licht in de spiraal en de komst van het goddelijke (of het spirituele) nieuwe licht, kan er een nieuwe impuls ontstaan die het menselijke met het goddelijke verbindt.
Hieronder een verhaal over het adventtuintje.
“Er was eens heel lang geleden een oude man. Hij heette Jacob en woonde helemaal alleen in een groot bos dicht bij een klein dorpje. Zijn kleine, ietwat vervallen huisje stond diep verscholen tussen de hoge bomen en het dichte struikgewas. Jacob hield er niet van om tussen de mensen in het dorp te leven, want hij wilde in het bos tussen de dieren zijn en elke dag het ruisen van de wind door de bomen horen. Hij hield van de koele aarde aan zijn voeten en het hemelgewelf met daarin bij dag de stralende zon, en bij nacht de lieve maan en de glinsterende sterren, die hem op zijn levenspad begeleidde. In de zomer verzamelde Jacob bijzondere kruiden met geneeskrachtige werking. Soms kwamen de mensen uit het dorp naar Jacob toe om hem te vragen naar zijn kruiden om daarmee de zieken in het dorp weer beter te kunnen maken. Jacob gaf graag zijn kruiden en zijn wijsheid aan de mensen – het maakte hem tot een zeer geliefd mens onder de mensen van het dorp. Op de dag trok de hemel dicht met donkere wolken. De wolken waren de voorbode van een onstuimig onweer dat over de aarde uitbarstte. De regen stortte uit de hemel zoals het lange tijd niet meer had gedaan. De bliksemschichten verlichtten de donkere aarde en de donder rolde over het kleine dorpje en het grote bos. De oude Jacob zat rustig en stil in zijn fijne huisje en luisterde naar het onweer buiten. Zijn geitje had hij naar binnen gehaald omdat het zo klagelijk aan het mekkeren was. En terwijl hij daar zo zat en stil voor zich uit keek, berustend in zijn gedachten zag hij opeens in de hoek van de kamer een groene slang met een gouden kroon op het kopje en allemaal glanzende stippen verspreid over de huid. Meteen toen Jacob van verbazing wilde opstaan, begon de slang tegen hem te spreken. “Jacob, het is donker op de wereld en de mensen hebben de deuren van hun hart gesloten. Je moet iets doen!” Jacob wist eerst geen woord uit te brengen, maar toen hij bijgekomen was van de verbazing, zei hij: “Het is niet eenvoudig om de mensen te helpen. Hoe zou ik dat moeten doen?” De slang antwoordde: “Jacob, de kinderen hebben een adventstuintje nodig, zodat zij een lichtje kunnen aansteken en naar buiten kunnen dragen zodat het weer lichter wordt in de wereld. Kijk naar mij!” De slang bewoog zich over de grond en vormde met zijn lichaam een spiraal. Toen stak hij zijn kopje in het midden van de spiraal omhoog zodat het gouden kroontje nog meer glansde als daarvoor. Ook de lichtende punten op de huid leken nog meer te stralen. Toen wist Jacob wat hem te doen stond. Hij wilde de slang danken, maar nog voordat hij een woord kon spreken, was de slang alweer verdwenen en lag op de grond nog enkel een laagje gouden stof. Intussen was buiten de storm gaan liggen. De wind had de wolken uiteengedreven en de zon scheen met voorzichtige stralen weer op de vochtige aarde. Jacob trok zijn jas aan, vulde zijn tas vol met kruiden, trok de deur stevig achter zich dicht en ging op pad. Bij het dorp aangekomen klopte hij op alle deuren en vroeg om appels en kaarsen. De mensen keken verbaasd naar Jacob, maar gaven hem natuurlijk de appels en kaarsen waar hij om vroeg. Hij vertelde de mensen dat morgen op de eerste adventszondag alle kinderen, ja, alleen de kinderen aan het eind van de dag als het al buiten begon te schemeren naar hem toe mochten komen. Bij het laatste huis aangekomen vroeg Jacob de mensen die daar woonden om een extra grote en mooie kaars. Toen hij die had gekregen ging hij weer naar huis. Zijn tas was nu ook leeg, hij had alle kruiden aan de mensen gegeven als dank voor de appels en kaarsen. Met een hart vol blijdschap vertrok Jacob weer richting het bos. Thuis aangekomen ging hij meteen vlijtig aan het werk. Hij ruimde zijn huisje leeg en legde in het midden van de ruimte een grote spiraal gemaakt van dennentakken en mos uit het bos. In het midden zette hij een grote wortel van een boom neer met daarop de bijzondere, grote kaars en stak die aan. De kleine kaarsjes stak hij in de appels en zette hij voor de kinderen klaar. De volgende dag bij het invallen van de avond vertrokken alle kinderen uit het dorp naar het bos. Op de weggetjes die tussen de hoge bomen door leiden naar het kleine huisje, renden en dansten de kinderen luidruchtig, Ze lachten en maakten samen pret. Maar hoe dichter ze bij het huisje kwamen, hoe rustiger de kinderen werden. Toen Jacob de deur opendeed en de kinderen naar binnen liep waren de kinderen muisstil geworden. In het midden brandde de kaars, verder was het helemaal donker binnen. De kinderen gingen in een grote kring om het adventstuintje zitten en begonnen samen de mooiste adventsliederen te zingen. Elk kind mocht nu om de beurt een appel met een kaarsje pakken en naar binnen in de spiraal lopen. Vol aandacht ontstaken de kinderen hun kleine kaarsje aan de grote kaars. Op de spiraalweg naar buiten zocht elk kind een plekje voor hun kleine lichtje om het neer te zetten tussen de takken en het mos. Oh wat straalden al de gezichten van de kinderen. Steeds lichter en lichter en lichter werd het in het kleine huisje en steeds lichter werd het in de harten van de kinderen”.
Advent In de natuur is het stil en rustig rond de 1e advent. De seizoentafel is getooid in de kleur blauw [de kleur van verwachting]. Week voor week wordt er aan je seizoentafel iets toegevoegd van de wereld: 1e week= mineralen, 2e week= plantenrijk, 3e week = dierenrijk en 4e week= mensenrijk.
Kerstfeest Het feest van de geboorte van Christus, De geboorte van het licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen,
Zijn licht. Wij vieren het nieuwe leven, de geboorte van een kind en Het keerpunt in het jaar waar het eindelijk weer lichter wordt.
Zoals elk feest, is ook het kerstfeest een feest met vele symbolen. De kerstboom is tegenwoordig vooral mooi als decoratie, waarbij voor ons de geur van dennengroen in huis, de geur van kerstmis is. Maar de boom is ook een verwijzing naar de boom van goed en kwaad uit het paradijs. De kerstballen die wij erin hangen zijn het beeld van de appels die Adam en Eva niet mochten eten, maar toch aten met als gevolg dat zij uit het paradijs werden verdreven. 25 december is Adam-en-Evadag, niet gek dus dat er zoveel verwijzingen zijn naar Bijbelse verhalen rondom de oorsprong van de mens. De piek of ster boven in de boom verwijst naar de heldere ster die boven de stal in Bethlehem stond. De boodschap die het kerstfeest ons brengt, is het terugkeren naar de kern, het zorg dragen voor anderen en vrede voor iedereen. Onwillekeurig denk je met kerst extra aan de mensen die niet gelukkig of eenzaam zijn. Laten we ook hen niet vergeten; stuur een lief bericht, maak een extra plekje vrij aan tafel, steek een kaarsje voor ze aan, of breng een kort bezoekje met heerlijke koekjes.
Yule of Midwinter (21 december) Yule vindt plaats tijdens het wintersolstitium (de langste nacht van het jaar, ook wel de zonnewende genoemd). Hierna wint de zon weer aan kracht. Yule wordt ook wel het Midwinterfeest genoemd, waarbij het terugkeren van het licht wordt gevierd. Thema’s: overdenking, aanvaarding (dat het donker bij het leven hoort), rust, afscheid, wijsheid, mysterie. Gebruiken: bouw kampvuren, hang wintergroene takken zoals hulst, klimop of maretakken in huis, versier een naaldboom (die we tegenwoordig kerstboom noemen), steek kaarsen aan als symbool van het licht dat de duisternis zal overwinnen. Kom samen rond de donkerste dagen van het jaar, deel je midwinterwensen en drink warme wijn.
Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari 2025 Joodse families steken in een speciale kandelaar op de eerste avond één kaarsje aan. Chanoeka is een zogenaamd ‘half-feest’. Het hoort niet bij de belangrijkste dagen van het joodse jaar, maar herinnert wel aan een voorval uit de geschiedenis van de joden. In dit geval gaat het over trouw blijven aan jezelf, ook al wil je omgeving iets anders. Chanoeka is een vrolijk en nog altijd populair feest, ook al is de tempel in het jaar 70 na Christus verwoest. Het is dan ook een echt familiefeest: mensen komen iedere avond thuis bij elkaar om te eten, te zingen, cadeautjes uit te delen en spelletjes te spelen.
Met Sint-Maarten maken we ons klaar verder te gaan op de weg die we na de zomer met Sint-Michaël zijn begonnen. Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies je er wellicht voor om wat langzamer te gaan lopen. [Letterlijk én figuurlijk…..] Alle groeikrachten van de aarde zijn de aarde ingetrokken en toch bloeit de Kerstroos buiten in de winter, de skimnia ook, en binnen de Kerstcactus…. Alsof ze weten dat ze met Kerst moeten bloeien ter verwelkoming van het Jezuskindje…. Wonderlijk.
Driekoningen. Wonderlijk ook de nieuwe ster aan de hemel die de drie wijzen uit het Oosten zagen: ze kwamen van ver! Van afstand was te zien dat er iets heel bijzonders had plaatsgevonden boven Israël, het was al heel lang geleden beschreven dat dit ging gebeuren. Gelukkig wisten de wijze koningen dit….
“Waarheen leidt het licht? Waarheen voert de ster? Door wouden zo dicht, langs wegen zo ver? Door regen en wind en bij vinnige kou? Wie volgen gezwind? Wie volgen getrouw? Drie wijzen van ver Drie koningen gaan. Zij volgen de ster, langs lichtende baan. Zij volgen gezwind, en komen dan aan, Bij ’t heilige Kind, Waar de Sterre bleef staan.”
Volgens oude afbeeldingen en beschrijvingen gelden voor de gewaden van de koningen speciale kleuren. Rood voor koning Melchior die het goud offerde. Hij vertegenwoordigt het denken, de macht en de wijsheid. Blauw voor koning Balthasar, die wierook bracht. Hij representeert het voelen, het liefdevolle hart. Groen voor koning Casper, de Moor, die mirre aanbood. Hij is het willen, bestendigt en overwint de dood. De offergaven van de drie koningen kan men ook als symbolische gaven zien. Zo wordt het goud verbonden met een inzicht in de goddelijke geestelijke wereld, wierook met de offerbereidheid en de menselijke deugd en de mirre voor de verbinding van de mensenziel met het eeuwige, onsterfelijke. Elke gave past zo bij zijn koning en kan ons een voorbeeld zijn. Driekoningen is een feest van betekenis. Met dit feest gaan we weer op weg met de nieuw geschonken kracht of het licht dat we met Kerstmis in ons opnieuw geboren hebben laten worden en ons eigen kleine licht weer gevoed kon worden om op te lichten op de nog te zetten stappen op onze levensweg en waar we de afgelopen dagen ideeën, inspiratie en kracht voor hebben opgedaan. De tijd van werken en uitvoeren komt er (bijna) aan. “Hoog aan de hemel de sterrenschijn, waar zou het land van Egypte zijn…” De vlucht van Jozef, Maria en hun Kind… De reis naar hun land van herkomst zal niet makkelijk geweest zijn. De gedachte geeft troost dat vele engelen hun ongetwijfeld door de donkere tijden loodsten door steeds zichtbaar en volgbaar te zijn… Net als bij ons eigenlijk: altijd is je beschermengel bij je. Klinkt als niet te vergelijken en dat is ook niet de bedoeling, maar vergeet je engel niet.
27 januari 2025 Lailat-ul-Meraj Hemelvaart van de Profeet herdenken moslims de wonderbaarlijke reis van de profeet Mohammed naar de hemel. Net als Jezus heeft Mohammed een wonderbaarlijke reis naar de hemel gemaakt. Ze zijn elkaar zelfs tegengekomen, ook al zat er zeshonderd jaar tussen hun levens in! Rond het jaar 620 lag Mohammed ’s nachts te slapen voor de moskee in Mekka, in wat nu Saudi-Arabië is. Daar werd hij gewekt door Djibriel. Dat is de Arabische naam voor de engel Gabriël, die ook Maria (Maria-Boodschap) kwam vertellen dat zij de moeder van Jezus zou worden. Djibriel nam Mohammed bij de arm en bracht hem naar de poort van de moskee. Daar stond Boeraak, een wit paard met vleugels aan zijn hoeven. Samen met Boeraak en Djibriel vloog Mohammed naar Jeruzalem. Ze landden op de berg waar ooit de joodse tempel (Chanoeka) stond. Daar ontmoette Mohammed allemaal mensen die net als hij profeten waren, boodschappers van God. Daar waren ook Mozes, Jesaja en Jezus bij. Nadat ze samen hadden gebeden klom Mohammed naar de hemel met een ladder, een ‘mi’raadj’. Er waren zeven hemelen en in de hoogste hemel ontmoette hij God. Toen keerde hij terug naar Mekka. Daar geloofde niemand zijn verhaal… Op de tempelberg in Jeruzalem verrees de El Aksamoskee. Jeruzalem werd door deze hemelvaart ook voor moslims een heilige stad. Nu herdenken moslims deze wonderlijke nacht tijdens een avonddienst in de moskee.
Chinees Nieuwjaar/ Lunar new year 29 januari 2025 een nieuw jaar begin je met een schone lei Twee keer in één jaar Oud en Nieuw vieren, kan dat? Jazeker! In China en verschillende andere Aziatische landen wordt ook tussen 21 januari en 20 februari feest gevierd, bij de start van het nieuwe maanjaar. Een nieuw jaar moet je met een schone lei beginnen. Dus wordt al weken van tevoren het huis gepoetst en kopen mensen nieuwe schoenen en kleren. Ook leggen ze ruzies bij en proberen ze schulden af te lossen. Want aan het eind van het jaar geeft de Keuken-god een verslag over elk huishouden aan de Hemelgod. De feestrituelen van Chinees Nieuwjaar hebben te maken met geluk en overvloed. Er is een groot diner voor de hele familie met negen gerechten. Het getal negen staat voor de eeuwigheid. Zoete gebakjes van rijstebloem worden aan zoveel mogelijk mensen uitgedeeld. Kinderen en ongetrouwde mensen krijgen rode envelopjes met geld. Winkeliers geven envelopjes en kroppen sla aan felgekleurde leeuwenpoppen die dansers in een optocht ronddragen. Zo hopen ze op goede zaken. En natuurlijk is er vuurwerk. Heel veel vuurwerk, om kwade geesten weg te jagen.
Imbolc (1 of 2 februari) ‘Ik bereid me voor en zuiver om al wat passend is te kunnen verwelkomen.’ Dit feest wordt Imbolc genoemd, naar het Keltische bolc (buik), dat verwijst naar de buik van Moeder Aarde. Alles wat in de grond ligt te sluimeren wordt gewekt door het toenemende licht en glimpen van onverwachte warmte al kan het nog ijzig koud zijn. Het feest hangt samen met het reinigen en ploegen van de aarde om de akkers na de winter weer vruchtbaar te maken. Thema’s: reiniging, zuivering (het Latijnse februa betekent zuivering), voorbereiding. Gebruiken: plant bloembollen, steek kaarsen en vuren aan om het licht aan te moedigen, reinig je huis door de bezem erdoorheen te halen (tegen de klok in), met salie te beroken en met rozenwater te besprenkelen, volg een vastenkuur of sapkuur, probeer oude vastgeroeste gewoonten en remmingen te doorbreken.
Maria-Lichtmis. De dagen lengen, het licht buiten groeit, grassprietjes, winterakoniet, sneeuwklokjes, de toverhazelaar zoeken de warmer wordende zonnestralen op om zich te laten verwarmen. Tijd voor mensenkinderen om meer naar buiten te gaan. ’s Morgens vroeg een wandeling maken, of je aankleden in het donker, steeds op dezelfde tijd en je merkt dat de zon steeds vroeger komt, alles van de grote Kersttijd breng je je huis uit, grote schoonmaak, ramen wassen, maar ook gesmolten kaarsvet [van de restanten van alle gebrande kaarsen] in kuiltjes in de aarde te gieten, te laten branden tot het licht bijna letterlijk in de aarde opgenomen is en ook kinderen met kleine belletjes rond te laten lopen om de wortelkindjes en de bolletjes onder de grond te wekken en ook pannenkoeken bakken [zo rond als de zon die pannenkoeken…] Door zo bewust je te verbinden met de natuur, geef je aandacht en bewustzijn aan onze aarde, die net als elk ander levend organisme liefde en zorg nodig heeft. Wellicht staan we niet meer zo dicht bij de natuur bij moeder aarde, weet dan dat het goed is om af en toe bewúst stil te staan bij alles wat onze mooie aarde ons te bieden heeft en wat zij ons geeft. Ook hier past: schenken en ontvangen. Zij schenkt ons veel aan mooite en voeding en wij mogen dat ontvangen in aandacht en dankbaarheid…. Zeg nou zelf: het is een Wonder dat de natuur elk jaar opnieuw trouw, vanuit de ingetogen winter een nieuwe levenscyclus start…
“Sterrenlichtjes neem ik mee In de lieve, lichte dag, Als ik uit de wijde nacht hier weer wakker worden mag. Sterrenlichtjes breng ik mee als de zon mij weer komt halen, In de wereld overal z ie ’k dan kleine lichtjes stralen.”
Met kinderen de feesten van het jaar beleven is als het zien van de regenboog; de ene kleur is nog niet vervaagd of de volgende verschijnt. En zonder kinderen (of de kinderlijke blik) ervaren we de regenboog vaak niet eens, omdat we niet verder kijken dan de regen of het grijs van lucht en grond. Ceremonies die diep in het verleden van de mensheid wortelen, bloeien op in het dagelijks leven van gezin en klas en plaatst onze relaties tot elkaar in ander licht. Naast het feestelijke, oplichtende karakter, kan een feest of ceremonie een bron van genezing, bewustwording en spirituele groei zijn. Ze hoeven geen kerkelijk karakter te hebben, wel een open karakter, dat van je innerlijk kind, daarmee zien we de regenboog beter en voelen we de kleurige hemelomhulling in dankbaarheid en warmte….
“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, in onze handen een lichtje klein”…
Dieuwke Hessels
[1] Bij de verschillende jaarfeesten hier te vinden .
[1-3] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
Kort uit de vergadering van 15 oktober 1920; veel uitgebreider uit de vergadering van 23 januari 1923, met concrete aanwijzingen voor alle klassen, gemeenschappelijke ruimten; een opmerking over de schilderijlijst; aanvulling in vergadering van 31 januari 1923.
[2-1] De kunstzinnige inrichting van een klas Ernst Weissertover: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt. Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 1 t/m 6; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.
[2-2] De kunstzinnige inrichting van een klas Ernst Weissertover: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt. Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedelvoor de klassen 7 t/m 12, euritmielokaal, gymzaal, lerarenkamer; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.
[3] Over kleuren en wandversiering in vrijescholen Oene Schreuderover: kunst en een kunstzinnige omgeving; de aanwijzingen van Steiner [1-3] doorgenomen en van gezichtspunten voorzien.
In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis. ‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is. Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen. Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.
In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam. In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven. Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.
In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens. Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.
Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan hij, wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft.
Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.
Bewußtsein – Leben – Form Bewustzijn – leven – vorm
(Grundprinzipien der geisteswissenschaftlichen Kosmologie) (Basisprincipes van de geesteswetenschappelijke kosmologie)
Voordracht 6, (2e van 3) Berlijn 2 juni 1904
Blz. 94
Was ist nun der physische Mensch? Wenn Sie anatomisch den physischen Menschen studieren, dann werden Sie finden, daß er aus verschiedenen Systemen besteht: aus dem Knochen- und dem Muskelsystem, aus dem Nervensystem, das sich zu einem Gehirn geformt hat, und so weiter. Sie wissen auch, daß das Gehirn das Organ des Denkens ist.
Wat is de fysieke mens? Wanneer je de fysieke mens anatomisch bestudeert, zal je zien dat hij uit verschillende stelsels bestaat: uit het beender- en spierstelsel, uit het zenuwstelsel dat zich tot een brein heeft gevormd enz. U weet toch dat de hersenen het orgaan zijn voor het denken. GA 89/94
Niet vertaald.
Blz. 98
Wenn Sie einen Bergkristall, ein Stück Kalkspat, ein Stück Steinsalz, eine Pflanze, ein Tier ansehen und sie chemisch und physikalisch untersuchen, so werden Sie finden, daß die ganze physische Natur, insofern sie mit Augen gesehen, mit Händen gegriffen werden kann, in gleichartiger Weise aus denselben chemischen und physikalischen Kräften besteht, die eben im Mineralreich, im Pflanzen- und im Tierreich wirken.
Als je naar een bergkristal, een stuk calsiet, een stuk steenzout, een plant, een dier kijkt en ze chemisch en fysisch onderzoekt, zul je merken dat de hele fysieke natuur, voor zover die met de ogen kan worden gezien en met de handen kan worden vastgepakt, op een vergelijkbare manier uit dezelfde chemische en fysische krachten bestaat die in het mineralen-, planten- en dierenrijk werkzaam zijn. GA 89/98
Niet vertaald
Voor Steiner staat het onomstotelijk vast dat er een geestelijke wereld is en dat deze invloed heeft op de mens. Hij maakt ‘de geestelijke wereld’ hier bijna aanschouwelijker door over ‘groepen geestelijke wezens’ te spreken.
Door over ‘scheppende wereld’ te spreken, komt het ‘begrijpen’, wat voor mij niet meer is dan ‘inleven’, wel wat dichterbij.
Die planetarische Entwicklung De planetaire ontwikkeling
Voordracht 1, 17 oktober 1904
Blz. 123
Ohne daß der jetzige Geistmensch mitbauen konnte, haben Scharen erhabener Wesen gebaut an diesem körperlich-seelischen Organismus. Dieser ist in weisheitsvoller Weise aufgebaut. Der vollkommenste photographische Apparat würde nur ein Kinderspiel sein gegenüber dem Weisheitsbau des Auges oder der Bau eines Klaviers gegenüber dem Weisheitsbau des Ohres. Das Knochensystem ist auf die weisheitsvollste Weise eingerichtet. Jeder Knochen ist aufgebaut aus einer unzähligen Anzahl kleiner Balken, die sich gegenseitig stützen. Viel tiefer ist solche Weisheit als alle Weisheit, zu der der Mensch es in seinem äußeren Schaffen gebracht hat.
Zonder dat de huidige geestmens – een deel van de zevenledige mens waarover hier meer uitleg staat – eraan mee kon scheppen, hebben groepen van verheven wezens aan dit (= ons) fysiek-psychische organisme gebouwd. Dit is op een heel wijsheidsvolle manier opgebouwd. Het meest geavanceerde fototoestel is maar een fluitje van een cent t.o.v. de wijsheid van de bouw van het oog of de bouw van een pianovleugel t.o.v. de wijsheidsvolle bouw van het oor. Het bottenstelsels is wel op de meest wijze manier opgebouwd. Ieder bot is opgebouwd uit een onnoembaar aantal kleine balkjes die elkaar over en weer ondersteunen. Deze wijsheid is veel dieper dan alle wijsheid die de mens in zijn scheppingen heeft gelegd. GA 89/123 Niet vertaald
Voordracht 2, Berlijn 19 oktober 1904
Blz. 129
Das Mineralischste an dem Menschen ist sein Knochensystem. Das hat auch bei dem jetzigen physischen Menschen die vollkommenste Gestalt.
Het meest minerale deel aan de mens is zijn beendergestel. Ook bij de fysieke mens in deze tijd is dit het meest optimaal van vormgeving. GA 89/129
Niet vertaald.
Uit de vele pedagogische voordrachten weten we wat met ‘kunstzinnig onderwijs‘ wordt bedoeld. M.n. dus de manier waarop de kinderen de lesstof wordt aangeleerd, aansluitend bij hun ontwikkelingsfase en ter ondersteuning van die fase. Met het duidelijke voorbeeld van het leren van de tafels van vermenigvuldigen: het kind, 7 à 8 jaar heeft vanuit zijn innerlijk, behoefte aan (ritmische) beweging (het leeft meer in de wil, dan in het denken). De getallenreeksen in een tafel die geleerd moeten worden, worden door het kind, klappend, lopend enz. bijna letterlijk, van nature opgenomen.
Dan is er nog het aspect van ‘bezig zijn met kunst’, d.w.z. dat er met een bepaald doel wordt geschilderd, getekend en geboetseerd.
Minder in het oog springend is de omgeving waarin het kind zich dagelijks bevindt, in eerste instantie dus het klassenlokaal. Sommige scholen hebben hun ‘organische bouw‘ waarbij er rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en de vorm van het lokaal. En daar hoort een bepaalde muurkleur bij. En daar weer een bepaalde kleur gordijnen.
Maar ook over ‘wat hangt er aan de muur’ gaf Steiner aanwijzingen. En daarmee worden niet bv. de schilderwerkjes van de kinderen bedoeld. Dat die ook op ‘kunstzinnige = meer esthetische manier’ opgehangen kunnen worden, kwam hier al eens aan de orde. In dit verband kun je ook nog denken aan: hoe staan de planten ervoor; hoe liggen de bordkrijtjes bij het bord; hoe opgeruimd is de tafel van juf of meester en in het verlengde daarvan: de kastjes van de kinderen; hoe hangen hun jassen aan de kapstok, hoe staan hun regenlaarzen daaronder. En wat je nog meer kan bedenken.
In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben Clausen/Riedel een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.
Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg. nr 5/6 1952*
.
WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.
De vraag in welke omgeving het kind opgroeit, hoe de ruimten ingericht zijn waarin het de schooljaren doorbrengt is nu* nog belangrijker geworden dan voorheen. Tegenwoordig dringen zich al in zijn prilste kindertijd een veelheid aan visuele indrukken op. Die ervaringen veroorzaken een snelle waarneming; de intensiteit van de waarneming gaat daarmee al te gemakkelijk verloren. Vragen die Rudolf Steiner in medisch en pedagogisch opzicht stelde, worden daardoor steeds duidelijkere vragen voor de tijd van nu. [dat geldt zeer zeker ook in 2024]. Kan je, door de ruimte op de juiste manier vorm te geven de vormende krachten in het van kind stimuleren; kun je door transparante kleuren in de ruimte rustgevend of stimulerend op het kind werken. Wat beeldende inhoud heeft, krijgt een buitengewone betekenis. Als het de ontwikkeling van het kind tijdens de leerjaren op de juiste manier begeleidt, kan het een therapeutisch effect hebben op de talloze beeldimpressies, op de magische fascinatie van moderne reclame en op de vele, eindeloze kunstzinnig waardeloze stroom van zoveel illustraties of tijdschriftinhoud. Het is belangrijk om te kijken naar de ‘zintuiglijk-ethische‘ werking van het beeld waar een kind een jaar lang in het betreffende leerjaar a.h.w. dromend bij aanwezig is. Het is niet het juiste, om alleen maar beeldinhoud te nemen als illustratie bij de lesstof – bijvoorbeeld voor geschiedenis – en pas dan als de betreffende stof in de les aan de beurt komt. Dit leidt tot een intellectualisering van de beeldinhoud. Je kan waarnemen hoe de kinderen met een bepaalde trots naar de beelden kijken die bij hen horen, wanneer ze in een nieuwe klas komen.
Het gaat dus eigenlijk om een element dat veel dieper ligt, als het lukt die beelden te kiezen die bij de leeftijd horen.
Daarbij moet je behoedzaam te werk gaan en niet handelen vanuit een volwassenen-intellectualisme of een eenzijdige hobby. Het kan niet zo zijn dat je, omdat je er zelf enthousiast voor bent, een moderne stijl tot in de laagste klassen inbrengt; omgekeerd is heel goed mogelijk als vorm en inhoud van het beeld universeel menselijk zijn, zelfs in de lagere klassen, met de grootste onbevangenheid een van Gogh of een Frans Marc op te hangen.
Rudolf Steiner deedin de vergaderingvan de vrijeschool Stuttgart in 1923 voorstellen vanuit de menskunde, vanuit het waarnemen van wat er in het kind aan behoefte aan beelden bestaat. Onderstaande gedachten worden aan de inhoud van dit onderdeel van die vergadering ontleend.
Door genuanceerd naar de zielentoestand van het kind in de verschillende klassen te kijken, zijn de aanwijzingen van Steiner anders dan de zeer lovenswaardige pogingen om beeldmateriaal in de scholen te gebruiken, zoals we dat zagen sinds het begin van de 20e eeuw. [ ] Ze spreken kunstzinnig wel aan, maar er overheerst toch een gemoedelijk-illustratief element. Dit overheerst echter niet op elk leeftijdsniveau van het kind. In moderne scholen kun je ruimtes zien die door de leraar kunstvakken stijlvol zijn ingericht en op een gelijksoortige manier zijn gedecoreerd (bijvoorbeeld met de prachtige reproducties van de figuren in de dom van Naumburg e.a.);
maar in die klaslokalen krijg je wel het gevoel van een zekere esthetische oververfijning, een gevoel van ‘in het luchtledige’, geen verbinding met de praktijk.
Welke niveaus onderscheidt Steiner bij de beeldbeleving in de verschillende leeftijden. Hij maakt een duidelijke scheiding tussen de tijd van 6 tot 12 jaar (klas 1 t/m 6) en wat de 13 – 18-jarigen (klas 7 t/m 12) vragen. In de lagere klassen kan en moet in de voorstelling het thema, het illustratieve en het poëtische de boventoon voeren. Het kind neemt het beeld nog op vanuit de inhoud. En daarom moet hier het artistieke ontwerp het allerbeste zijn. Je mag omdat het je inhoudelijk aanspreekt vanwege dat ze op kinderlijk niveau gemaakt zijn, geen armzalige beelden ophangen. In de hogere klassen is dan een onderscheid tussen het eigenlijk kunstzinnige en het esthetische van het beeld, steeds meer op zijn plaats en dat tussen de praktische zaken van het leven dat zich in kaarten, overzichtsplannen, technische tekeningen e.d. ook terecht een plaats in de klas moet krijgen zodat het gezien wordt. Je zal hiervoor nauwelijks geschikte reproducties vinden. Het spreekt voor zich dat in elk van deze klassen een grote reproductie van Rafael moet hangen. [dat vinden we in die vergadering niet]
Maar voor afbeeldingen van sprookjes, legende en van fabels die bij deze klassen horen, is er nauwelijks iets geschikts te krijgen. Dan zou het nog het allermooist zijn als in de betreffende klassen op de muren zelf een kleurrijke schildering zou komen waar de leerkracht steeds weer op terug kan komen, i.p.v. een ingelijste in de grond van de zaak, onkunstzinnige afbeelding aan de muur.
Weissert heeft het over een schildering op de muur. In veel scholen is dat ook gerealiseerd. Zie hier
Het is echt wel een belangrijke opdracht. Bij alles klinkt de oproep van Steiner: de dingen mogen alleen niet de platen van een prentenboek zijn, maar ze moeten kunstzinnig gevormd zijn.
1e klas
Sprookjesbeelden
De aanwijzingen zijn verre van concreet. We hadden al: het moet niet op een prentenboek lijken.
Maar over welke prentenboeken gaat het. Uit Steiners tijd, maar hoe waren die dan. Anno nu hebben we prentenboeken met illustraties die duidelijk gemaakt zijn met ‘het kinderlijk niveau’. Je krijgt vaak de indruk dat de illustrator naar kindertekeningen heeft gekeken. In hun stijl wordt er dan geïllustreerd.
Is dat dan wat ‘rustig maakt of stimuleert?
Is het ‘esthetisch’.
Zou je zoiets ophangen?:
Steiner: De vormgeving moet kunstzinnig zijn. Wanneer er geen kleurplaten zijn, dan liever zwart-witte die goed zijn, liever dan een slechte kleurplaat.
Met verschillende gezichtspunten van Steiner toog vrijeschoolleraar Max Wolfhügel aan het werk. Hij maakte veel religieuze voorstellingen, ook veel bordtekeningen. Deze Christoforus lijkt mij op grond van de criteria heel goed in de 2e klas te passen:
In die tussentijd hebben vele illustratoren met en aan deze techniek verder gewerkt. We vinden hier de ‘eis’ voor het kunstzinnige, het esthetische:
Roodkapje – Hilde Langen
Assepoester – Gabriela de Carvalho
Sneeuwwitje – Berthilde Günter
Deze reproducties – en vele andere – zijn te vinden bij ABC-boeken.
Dit is onmiskenbaar een bepaalde stijl. Moet alles wat je ophangt in de stijl zijn. Volgens Steiner niet.
Bij Clausen vinden we voor de 1e klas alleen de aanwijzing: ‘kunstzinnige sprookjesbeelden’. [kolom 1]
Kolom 2: leeg
Kolom 3: sprookjes
2e klas
Fabels en legenden
Clausen [kolom 1] stelt voor: Franciscus met de vogels van Giotto:
Kolom 2: Meister Bertram, de schepping van de dieren:
In kolom 3: dierfabels, dierverhalen, legenden. Het ligt dus voor de hand ze zelf te zoeken en gezien de kwaliteitseis van ‘kunstzinnig’, ‘esthetisch’ kom je dan weer snel uit bij de sfeer die bovenstaande sprookjesbeelden hebben. Maar is dat dan ook niet te veel van hetzelfde?
Als je een fabel hebt verteld en een poos later hang je een passende reproductie op, zullen veel kinderen een herkennende reactie geven. Maar ook omgekeerd: als er al een plaat hangt van een fabel en je gaat die ooit eens vertellen, zijn er ineens een paar kinderen die de illustratie ‘zien’. Maar wat is passend: Ik denk dat deze wat de kunstzinnigheid betreft, zeker geschikt is:
De hond en zijn spiegelbeeld
En deze:
Deze zou ik dan weer nooit doen:
De vos en de kraai
Ook voor ‘De zon en de noordenwind’ is er keus:
Weissert:
3e klas
In het 3e schooljaar ontstaat er in het kind een sterker zich richten op de buitenwereld. Maar eigenlijk heeft het vóór het 9e jaar nog geen begrip voor wat er aan gevoel in een beeldende voorstelling kan zitten, meer voor het het vegetatief-levende. Als beeldmateriaal stelde Rudolf Steiner voor om rekening te houden met dit gevoelsleven en voorstellingen van planten te geven, bloemen, stillevens. Je zou aan de plantenvoorstellingen van Dürer kunnen denken en in de geschiedenis van de schilderkunst zijn vele geschikte beelden te vinden. Ook met de bloemen van Van Gogh zijn mooie ervaringen opgedaan. De schilder van planten zal in de regel een mens zijn die in zichzelf iets van de organische vormkracht laat opbloeien en het stille overgeleverd zijn in het waarnemen oefent, dat klaarblijkelijk bij de gevoelsstemming van de kinderen in deze klas hoort. Zo zou je de laat-middeleeuwse voorstellingen van planten kunnen gebruiken, de bloemstillevens van de Hollanders, het beeld van de bloem in de Biedermeiertijd, maar ook zeker iets moderns.
Weissert geeft wel enig houvast, maar noemt weinig concrete voorbeelden:
En meer, dat in verband kan worden gebracht met de heemkundeperiode: boerderij.
Vanuit de vertelstof: Oude Testament:
Meister Bertram: schepping en andere bijbeltaferelen, hier een paar samen, maar ze zijn er ook ‘los’:
Er zijn zoals bekend veel meer schilderingen met als thema het Oude Testament.
Clausen noemt ze niet, maar wat te denken van Michelangelo en Rembrandt!
Als andere mogelijkheid wijst Clausen steeds op kunstkaarten die vergroot zouden kunnen worden: [kolom 2]
De steengroeve van Bibémus van Cezanne. Ik zou die eerder in klas 6 ophangen – mineralogie.
De eenzame boom van Friedrich:Ik zie niet helemaal waarom dit in de 3e klas zou moeten/kunnen, eerder later, aardrijkskunde?
Dezelfde twijfel bij Altdorfer: Landschap met kerk:
Kolom 3: vertelstof, verhalen uit het Oude Testament; begin van wereld- en cultuurgeschiedenis; bij heemkunde: huizenbouw, akkerbouw, planten, dieren.
4e klas
Weissert:
In de 4e klas, na de ingrijpende verandering van het 9e levensjaar, is het op aanwijzing van Rudolf Steiner goed om afbeeldingen van de voelende wezens, de dieren, over te gaan. Belangrijk is het menskundige gezichtspunt: ‘Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof.’ Vaker sprak Steiner er al over hoe pas tussen het 9e en het 10e jaar het kind werkelijk een onderscheid gaat maken als het een koe ziet afgebeeld of die koe in een prentenboek een echte koe is of een speelgoedkoe van hout. Ook hier worden we terugverwezen naar de empathische en objectieve stijl van afbeelden aan het begin van de moderne tijd, zoals weerspiegeld in de dierafbeeldingen van de Renaissance: de dierstudies van Dürer, Cranach of ook de Italiaanse kunstenaars. Hier is de kans het grootst dat we kleinburgerlijk-naturalistische afbeeldingen van dieren tegenkomen, zoals die aan het eind van de vorige of het begin van deze eeuw zijn gemaakt. Met de diervoorstellingen van Frans Marc hebben ze beslist positieve ervaringen, maar de leerkracht moet daarbij wel teen zekere mate van voorzichtige waarneming in acht nemen. De reproducties van de dieren van Hans Jenny zijn zeer stimulerend.
Weissert is ook hier niet zo concreet, bv. bij ‘Italiaanse kunstenaars’ en wat is een ‘kleinburgerlijk-naturalistische afbeelding. Bij Frans Marc komen we al snel uit bij zijn paarden. Misschien heeft de ‘voorzichtige waarneming’ iets te maken m et welke paarden je dan zou nemen: de blauwe, bv. – hoe prachtig ook – staan misschien nog te ver af van de beleving van de kinderen en zou je voor een meer naturalistische kleur kunnen kiezen.
Van Jenny vond ik hier en daar wat:
Clausen [kolom 1]:
Zij geeft alleen ‘diervormen’ aan en noemt Franz Marc.
Bij kolom 2:
Mu-Ch’i: zittende gans:
Franz Marc: Herten in het bos:
Drie herten:
De blauwe vos:
Van Macke noemt ze ‘De ezelrijder’:
Kolom 3: Germaanse sagen en mythologie. De dierenwereld m.b.t. de mens.
5e klas
Weissert:
Tussen het 10e en het 11e levensjaar, de 5e klas, moeten de muurdecoraties om mensen gaan, maar nog geen individuen, maar groepen, en door er gezamenlijk naar te kijken, kan je dan als de gelegenheid zich voordoet, praten over menselijk-sociale dingen.
Steiner stelt voor: reidansen, dans, een straat waar mensen elkaar ontmoeten.
Dat kan gevonden worden in zowel de Hollandse schilderkunst bij Pieter Brueghel, in familie-interieurs (Pieter de Hooch, Terborch, Vermeer e.a., als ook in de schilderkunst van de 19e eeuw die buitengewoon goede voorbeelden biedt (Romantici, Thoma, Böcklin enz.)
Specifieke voorbeelden geeft Weissert ook hier niet.
Bij Pieter Brueghel, de jongere, vind je wel groepen mensen, ook dansend:
Op zijn schilderingen is heel veel te vinden van wat mensen, ook kinderen, met elkaar en onder elkaar doen. Daar is vanuit ‘het sociale’ van alles over te vertellen.
Hier vind je familie-interieurs van Pieter de Hoogh; van Terborch; van Vermeer.
‘Romantici’ is een ruim begrip; bij Thoma en Böcklin zie ik geen voorbeelden van wie hierboven bedoeld is.
Clausen: kolom 1
Bij ‘mensengroepen‘ noemt zijNolde.
(Ik vind er niet iets bij dat ik op zou willen hangen)
Kolom 2::
Cézanne: die Schnitter. Maar van Cézanne vind ik die niet, wel der Schnitter, de maaier, maar dat is geen groep.
Sagen uit de klassieke tijd; broederlijke verbondenheid met alle gebieden op aarde wekken.
6e klas
Weissert:
Vanaf klas 6 moet de individuele mens op de reproducties staan, bv. in het landschap of bij zijn werk, zo dat de blik van het kind tegelijkertijd op een landschap met zon of met regen gevestigd wordt. In de Romantiek heb je bv. von Schwind, en beeldmateriaal uit de 19e eeuw, maar ook Van Gogh. Je kan ook naar borstbeelden overgaan of naar koppen, zoals bv. Erasmus van Rotterdam door Holbein of van Dürer, de Holzschuber. Hier komen we bij de markering toen Steiner zei dat het thematische hier ophoudt. Het beeld moet nu eigenlijk het esthetisch-kunstzinnige brengen en daarom raadde Steiner aan met de allergrootsten te beginnen. Als het niet anders kan, moeten we maar goede zwart-wit kopieën nemen.
[dat zal in onze tijd niet meer nodig zijn]
Moritz von Schwind: er zit wel e.e.a. bij wat aan de criteria zou voldoen, maar – en dat is de vraag bij meer genoemde werken – ga je dat in onze tijd nog ophangen en waar zijn dan alternatieven die ook geschikt zijn.
Erasmus van Holbeinis een concrete aanwijzing:
evenalsDürer: Holzschuher:
Dan rijst toch wel sterk de vraag of je dit in een klas van 12-jarigen zou hangen en waarom? Ja, een kop, maar van een (voor ons) totaal onbekende.
Verder wordt weer Van Gogh genoemd en van hem vind je zeker iets wat hier kan.
Clausen: kolom 1:
Ook zij noemt Van Gogh, i.z. ‘De boer’:
En van Segantini: De schapenhoedster:
En ook van Segantini: Boot met schapen:
Kolom 2:
Pieter Brueghel de oudere:
De hooioogst:
Ze noemt ook de winter en de herfst, maar onder deze namen bestaan die schilderijen niet. Er is wel: winterlandschap:
De terugkeer van de kudde (herfst):
De zomer:
Van Gogh: De oogst:
Kokoschka: Boten bij Venetië:
Monet: Vissers op de Seine:
Kolom 3:
Vertelstof uit de volkerenkunde; geschiedenis van Rome tot het begin van de 15e eeuw.
Met de criteria die Steiner in z’n algemeenheid hanteert, heb je wel enige richtlijnen, maar het is – dat blijkt wel bij bovengenoemde auteurs – niet eenvoudig om ‘objectief’ vast te stellen wat dan wel of niet geschikt is. En welke (beroemde?) schilders kies je. Wat de lesstof betreft of het jaarthema of de vertelstof, ligt het onderwerp vaster, maar ook daarbij komt weer de vraag: wat kies je. En eventueel: van wie.
.
Toen Steiner er in de vergadering over sprak, zei hij niets over de kleuterklas. Sinds jaar en dag hangt er in menige vrijeschoolkleuterklas het schilderij van Rafaels ‘Madonna met kind’.
Omdat er geen aanwijzingen zijn, alleen de algemene, komt er veel neer op de kunstzin en fantasie van wie de kleuters begeleidt.
. Dit artikel is niet af. De voorbeelden zijn er, denk ik, enkele uit vele. Clausens vondsten zijn in vele gevallen haar voorstellen. Het is ook goed dat ‘de stof in beweging’ blijft. Wat is er na Weissert en Clausen bij gekomen wat ook bruikbaar is. Of, wat beslist niet.
Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal:alle artikelen
Er zijn heel veel kinderboeken. Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.
Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.
De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.
In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.
.
KLEIN VOGELBOEK
In vergelijking met veel kinderboekillustraties die m.i. voor het jonge kind niet mooi genoeg zijn, is wat Loes Botman schept, dat wél. Ik weet het, over de vorm van illustreren is veel discussie mogelijk, maar voor mij geldt toch in hoge mate: voor het jongste kind is het beste niet goed genoeg. Immers: de zich nog sterk ontwikkelende zintuigen nemen de wereld in zich op: de wereld van kleur en vorm zoals die in de wereld verschijnen – zonder ons toedoen. Waarom dan schreeuwende kleuren en karikaturale vormen? De kunstzinnige afbeeldingen van Loes Botman zijn een weldaad voor het jonge kinderoog, denk ik. Er is geen tekst, dus je moet als (groot)ouder zelf vertellen. En aanwijzen. Ieder die het ervaren heeft, weet dat er bijna niets fijners bestaat dan zo samen te zijn met je (klein)kind. Gouden ogenblikken! En wat betekent ‘aandacht‘
.
Loes Botman heeft het jonge kind nog meer prachtige boekjes geschonken:
. Bij dit spel staan de kinderen in twee lange rijen tegenover elkaar. De tussenruimte is ongeveer een meter.
Het lied:
Twee emmertjes water halen,
twee emmertjes pompen,
meisje op je klompen,
meisje op je houten been,
rij maar door het poortje heen!
Van je ras, ras, ras,
rij de koning door de plas!
Van je voort, voort, voort, rij de koning door de poort!
Van je sterk, sterk, sterk, rij de koning door de kerk!
Van je één, twee, drie! Muziek
De kinderen die tegenover elkaar staan hadden elkaars handen vast, dus met gestrekte armen, maar kruiselings en met wat ‘ruimte over’, zodat er door wat naar zich toe te trekken en terug, een pompbeweging ontstaat. Dan los en een stap achteruit. Belangrijk: het eerste paar blijft staan en houdt de handen nog vast. Zij huppelen nu door ‘de poort’ van de twee rijen naar de andere kant. En weer terug en weer terug: dat moet a.h.w. ‘getimed’ worden om precies aan de andere kant te eindigen. Daar laten ze de handen los en staan ook ‘als poort’. Tijdens het huppelen klappen de andere kinderen de maat en zingen het lied.
Dan het volgende paar, enz.
De rij verplaatst zich dus in een bepaalde richting en als leerkracht moet je dus rekening houden met de ruimte, en dat de kinderen ‘in een bocht’ toch nog ruimte houden om te pompen.
Verklaring
Uyldert denkt bij deze dans aan een regenbezwering, zoals men die zoveel tegenkomt in streken, die periodiek van te grote droogte te lijden hebben.
Toen ik het als kind nog speelde in de kleuterklas en in de 1e klas van mijn basisschool, bestond de ene rij uit jongens, de andere uit meisjes. Uyldert heeft dit waarschijnlijk ook voor ogen als ze zegt dat van het door het straatje rijdende paar het meisje waarschijnlijk een waternimf is.
Een houten been, ofwel één been, zou wijzen op een natuurwezen of engel; de jongen verbeeldt de koning. Dat kon in oudere tijden ook de priester zijn, of de ‘priester-koning’, de levensgeest vertegenwoordigend. Wordt hier de levensgeest uitgenodigd om zich met het water te verbinden?
Misschien heeft men in vroeger tijden wel de vorst of de priester met een priesteres van het water of van de maan tezamen naar een heilige plaats gereden, door water, door een poort en het heiligdom zelf (kerk) binnen, voor een heilig h u w e l ij k.
Uyldert zegt nog van het spel: Wijs en ritme van het liedje werken opwindend, elektriserend, mede door de beweging. De kinderen worden er uitgelaten van en men kan er zich werkelijk mee in trance dansen!
Wat me opvalt is, dat ik altijd heb gezongen ‘rijDT de koning door de plas’ – dat zie je in de meeste teksten – maar dat hierboven (en bv. hier) een gebiedende wijs staat: ‘rij de koning’. De ‘DT’ als spelling kan vanuit de D-klank van De geleid hebben tot ‘rijd’ en dan – de 3e persoon – tot rijdt. De veronderstelling dat de koning gereden werd, zou ‘rij’ verklaren.
Die Kunst des Erziehens aus der Erfassung der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens
Voordracht 4, Torquay, 15 augustus 1924
Blz. 76
Und aus dieser Menschenkenntnis heraus muß man versuchen, wirklich das einzurichten, was man an das Kind heranzubringen hat. So kann man auch gewisse Harmonisierungen in den Farben erreichen. Nehmen wir an, ich mache zunächst mit dem Kinde die Übung, daß ich solch eine Malerei bringe (siehe Zeichnung I). Jetzt bringen wir ihm bei, indern wir sein Gefühl erregen, daß neben dieser roten Farbfläche (innen) eine grüne Farbfläche sich harmonischgut fühlen läßt. Das muß natürlich mit Farben ausgeführt werden, dann sieht man es besser. Jetzt versucht man dem Kinde klarzumachen: Ich werde die Sache einmal umdrehen. Schau, ich mache hier (innen) das Grün (Zeichnung II); was wirst du mir da rundherum machen? Dann wird das Kind rundherum rot malen. Man bekommt dadurch, daß man diese Dinge macht, das Kind dazu, allmählich die Harmonik der Farben zu empfinden. Das Kind lernt wissen: wenn ich hier in der Mitte eine rote Fläche habe, ringsherum Grün (Zeichnung I), so muß ich, wenn nun das Rot grün wird, das Grüne rot machen. Dieses Sich-Entsprechen von Farbe und Form auf das Kind wirken lassen, das ist von einer ungeheuren Bedeutung gerade in diesem Lebensalter gegen das 8. Jahr hin.
En vanuit deze menskunde moet je proberen praktisch te organiseren wat je het kind aan te bieden hebt. Op die manier kun je ook bepaalde kleurharmonieën bereiken. Laten we aannemen dat ik eerst met het kind zo’n soort schilderoefening doe:
blz.76 tek. l
Nu leren we hem, zijn gevoel stimulerend, dat naast dit rode vlak (vanbinnen) een groen vlak harmonisch goed voelt. Dit moet natuurlijk met kleur worden gedaan, dan zie je het beter. Nu probeer ik de kinderen duidelijk te maken: ik zal het eens omkeren. ‘Kijk, ik maak het hier (vanbinnen) groen:
blz.76 tek. ll
wat zou je daar nu omheen zetten?’ Dan zal het daar rood omheen maken. Daardoor krijg je, wanneer je dit doet, het kind ertoe langzamerhand de harmonie van de kleuren gewaar te worden. Het kind leert: wanneer ik hier in het midden een rood vlak heb en daaromheen groen (tek.l) dan moet ik, wanneer het rood groen wordt, het groene rood maken. Dit tegengesteld bij elkaar passen van kleur en vorm, op het kind laten werken, is van enorme betekenis, juist op de leeftijd tegen het 8e jaar.
Nu is het 2024 en als je dit artikel mag geloven, is er nog niet veel verbeterd:
.
Muziekonderwijs helpt leerling ook bij rekenen en taal
Twee Pabo-muziekdocenten merken op dat de resultaten van leerlingen voor de basisvakken taal en rekenen achteruit hollen. De keuze voor de oplossing is meestal: wekelijks extra uren inzetten voor deze vakken.
Maar volgens de schrijvers levert dat nauwelijks resultaten op, terwijl de oplossing voor het grijpen ligt: investeren in muziekonderwijs.
Zij beroepen zich op wetenschappers diekeer op keer het positieve effect van muziekonderwijs op de hersenen aantonen.
Aan het samen musiceren worden nu nog meer kwaliteiten toegeschreven: cognitieve functies zoals taalverwerving, leesvaardigheid, concentratievermogen, plannen en zelfbeheersing gaan erop vooruit. Kinderen die wekelijks muziekles krijgen, presteren beter op taken die executieve functies* vereisen.
* de denkfuncties die je nodig hebt om succesvol te kunnen functioneren in het dagelijks leven, met alle uitdagingen of veranderingen die dit dagelijks leven met zich mee brengt.
Daarnaast versterkt muziekonderwijs sociale vaardigheden zoals empathie en emotionele intelligentie, wat een positief effect heeft op het individu en de klas.
Dat van de sociale vaardigheden is voor vrijeschoolleerkrachten geen onbekend gegeven, in 1919 zei Steiner al:
Niet vergeten moet worden dat al het plastisch – beeldende werkt aan de individualiteit van de mens, maar al het muzikaal-dichterlijke daarentegenbevordert het sociale leven . GA 294/46 Vertaald
Dan trekken de auteurs een interessante conclusie:
In deze tijd, waarin het vaak gaat over burgerschap, kansengelijkheid en diversiteit, zou je daarom verwachten dat muziek een vaste plek in het basisschoolcurriculum heeft.
Maar, zoals uit alle artikeltjes blijkt waarnaar hierboven wordt verwezen: daar waar muziek een belangrijke factor zou moeten zijn: in de opleiding voor leerkracht, de PABO – daar wordt muziek nauwelijks van belang geacht.
Op 1 augustus stond in dagblad Trouw nog datpabo’s aankomende leerkrachten vrijwel niets leren over muziekonderwijs. De meeste groepsleerkrachten in het basisonderwijs hebben maar een beperkte basis van het vak muziek . Als zij zich niet competent voelen, sneuvelt muziek in die klassen, met alle desastreuze gevolgen van dien.
Maar er is hoop:
Op diverse pabo’s in Nederland wordt de post-hbo-opleiding vakspecialist muziek aangeboden. Hierin worden huidige en toekomstige groepsleerkrachten opgeleid tot kartrekker voor muziek in een basisschoolteam. De vakspecialist muziek is onderdeel van het team en fungeert als bruggenbouwer in de school: geeft muzieklessen, ondersteunt teamleden, legt contacten met culturele instellingen, werkt samen met vakleerkrachten en is zo een echte spin in het web. Groepsleerkracht, vakleerkracht en vakspecialist muziek dragen zo samen zorg voor goed muziekonderwijs op school.
Als we het onderwijs op de basisschool willen versterken en verrijken, dan is die vakspecialist muziek een uitgelezen kans: de groepsleerkracht wordt ondersteund en alle leerlingen krijgen de kans zich cognitief, sociaal en muzikaal beter te ontwikkelen. Basisscholen, grijp die kans.
Belén Kerkhoven en Herman Weelink, Netwerk Muziekdocenten Pabo
Al in 1908 merkt Steiner iets op over ‘wat er in de scholen aan de muur zou moeten hangen’. Vanuiteen bepaalde contextwordt ook het waarom duidelijk.
In een vergadering met de leerkrachten op 22 november 1920 is er een aanleiding om erover te spreken.
In deze vergadering kondigt Steiner aan dat hij er nog verder over wil spreken. Dat gebeurt (pas) op 23 januari 1923. Wel maakt Steiner nog een korte opmerking op 15 oktober 1922:
Ich würde es gar nicht für schlimm finden, wenn Herr Wolffhügel etwas dafür sorgt, daß unsere Klassen nicht so schmucklos sind, sondern etwas künstlerischen Inhalt hätten. Amusisch wirkt noch unsere Schule.
Ik zou het niet erg vinden als meneer Wolffhügel ervoor zorgt dat onze klassen niet zo kaal zijn, maar van een artistiek gehalte. Onze school ziet er nog gebrekkig uit wat kunstzin betreft. GA 300B/151
Niet vertaald
Vergadering van 23 januari 1923, ’s middags
Blz. 228
Dr. Steiner: Ich möchte einiges sagen in bezug auf die Dinge, die mir jetzt durch die Seele gezogen sind bei diesem Besuch in der Schule, und zwar mit Bezug auf die Wände. Nicht wahr, jetzt, wo alles in der neuen Umhüllung erscheint, ist es noch auffälliger als früher, daß es bei einer Schule nicht gut angeht, daß da und dort ein verlorenes und nicht gerade ausgezeichnetes Bildchen hängt. Es wäre schon notwendig, daß auch in dieser Beziehung unsere Schule nicht gerade einen hervorragend unkünstlerischen Eindruck machen würde. Nun ist es selbstverständlich, daß in diesem Stadium nicht Ideale erfüllt werden können, aber wenigstens scheint es mir gut zu sein, wenn wir Ideale so vor uns haben, daß wir uns in der Richtung nach ihnen bewegen können, wenigstens mit unserem Denken, so daß zuletzt irgend etwas nach dieser Richtung herauskommen könnte. Ich meine, daß Sie das, was ich sage, nicht wiederum so auffassen sollen, wie manchmal solche Dinge aufgefaßt werden, wenn man zum Beispiel genötigt ist zu sagen: Das und dies ist der Unterschied zwischen Fleisch- und Pflanzennahrung, so ziehen die Leute gleich die Konsequenz des Agitierens.
Ik zou graag iets willen zeggen over de dingen die bij mij gevoelens opriepen tijdens dit schoolbezoek, namelijk wat de muren betreft. Niet waar, juist nu alles in een nieuwe jasje verschijnt, valt het nog meer op dan voorheen dat het op een school niet goed gaat als er hier en daar verloren een niet bepaald prachtige illustratie hangt. Ook op dit vlak zou onze school niets moeten doen om een uiterst onartistieke indruk te maken. Het spreekt voor zich dat er in dit stadium geen idealen vervuld kunnen worden, maar het lijkt mij in ieder geval goed, wanneer we de idealen zo voor ons hebben, dat we ons in die richting kunnen bewegen, op z’n minst met ons denken, zodat op de duur er iets in deze richting kan ontstaan. Ik denk dat wat ik zeg ook weer niet zo opvat hoeft te worden, zoals dat soms gebeurt, wanneer je bv. moet zeggen: dit en dat is het verschil tussen dierlijk en plantaardig voedsel, dat de mensen meteen conclusies trekken en beginnen te protesteren.
Nehmen Sie es also als die Hinstellung eines Ideales: Wie eigentlich aus unserer Pädagogik selbst heraus die künstlerische Ausgestaltung der Schulzimmer sein sollte. Es würde sich dann so zu erweitern haben, daß vielleicht auch dasjenige, was wir im Schulzimmer finden, in der Nähe des Schulzimmers auf den Wänden in ähnlicher Art zu finden wäre. Eine gewisse Ausgestaltung durch Bildwerke ist in den Schulzimmern schon zweifellos notwendig. Nicht weil ich denke, daß wir das morgen einführen sollen, sondern damit wir eine Orientierung haben sollen, wie das im Sinne unserer Pädagogik sich ausnimmt, möchte ich dasjenige, was sich mir ergeben hat, mitteilen. Wir haben die unteren Klassen; bei denen würde es sich tatsächlich mehr handeln müssen um das Stoffliche desjenigen, was bildhaft denKindern geboten wird, während man allmählich zum Künstlerischen auf der einen Seite, wie zu den mehr praktischen Angelegenheiten des Lebens übergehen kann. Ich werde nur die Hauptsachen heute nennen, und es kann sich im Laufe der Zeit die Sache wesentlich vertiefen. Es wird sich darum handeln, daß auch da, wo das Stoffliche die Hauptrolle zu spielen hat in bezug auf die künstlerische Ausgestaltung, daß auch da selbstverständlich nicht irgendeine phili-
Beschouw het dus als het aangeven van een ideaal: hoe eigenlijk vanuit onze pedagogie zelf de kunstzinnige vormgeving van het lokaal zou moeten zijn. Het zou dan zo verder ontwikkeld moeten worden dat wat we in het klaslokaal vinden, vlakbij het klaslokaal, aan de muur op een vergelijkbare manier te vinden is. Een zekere mate van versiering door middel van afbeeldingen is in de schoollokalen ongetwijfeld noodzakelijk. Niet omdat ik denk dat we dat morgen moeten invoeren, maar opdat we enige oriëntatie hebben hoe dat eruit ziet in de zin van onze pedagogie, zou ik zoals ik erover denk, iets willen meedelen. We hebben de lagere klassen; daar zou het eigenlijk meer moeten gaan om het thema van wat aan beeldmateriaal aan de kinderen wordt geboden, terwijl je geleidelijk enerzijds tot het kunstzinnige, anderzijds tot de meer praktische zaken van het leven kan overgaan. Ik zal vandaag alleen de belangrijkste zaken behandelen en in de loop van de tijd kunnen we dat nog aanzienlijk verdiepen. Het zal erom gaan dat zelfs daar waar het thema de hoofdrol moet spelen in relatie tot de artistieke vormgeving, we vanzelfsprekend ook daarbij niet een of andere kleinburgerlijke
ströse Illustration da sein darf, sondern daß die Dinge künstlerisch gestaltet sein müssen, und zwar nicht einseitig künstlerisch gestaltet, sondern schon so, daß man nicht irgendwelche künstlerische Spezialmeinungen und Spezialstile zur Durchführung bringt, sondern dasjenige, was mehr allgemein menschlich erscheint. Wenn wir die 1. Klasse nehmen, so würde es sich darum handeln, daß wir unsere Wände schmücken mit Märchendarstellungen, welche, wenn es geht, farbig gehalten sind. Nun muß ich betonen, wenn es nicht geht, für die ganze Durchführung der Sache Farbiges zu haben, so muß manches dann in farblosen Reproduktionen hängen. Besser ist es, eine Reproduktion zu haben, die gut ist, die in der Technik, in der sie gehalten ist, gut ist, als irgendeine schlechte Kopie von den Dingen, die ich meine. In der 1. Klasse würde es sich um Märchendarstellungen handeln, in der 2. Klasse um Legendendarstellungen. Das müßte streng eingehalten werden. Sie können sich denken, daß dadurch in einer bestimmten Weise fortdauernd auf das kindliche Gemüt der richtige Impuls ausgeübt werden kann. Nur dürfen die Dinge nicht der Bildschmuck der Bilderbücher sein, sondern sie müssen künstlerisch durchgeführt werden. Da würde es sich lohnen, sich Aufgaben zu stellen, aber nicht in einer einseitigen Malmanier, sondern so, daß die Dinge allgemein menschlich sind
illustraties mogen hebben, maar dat de dingen kunstzinnig gemaakt zijn, maar ook niet weer niet te eenzijdig kunstzinnig vormgegeven, dat je niet een of ander kunstzinnig specialisme of een speciale stijl door gaat voeren, maar meer iets dat algemeen menselijk is. Wanneer we de 1e klas nemen, gaat het erom dat we onze muren verfraaien met sprookjesvoorstellingen die, als het gaat, in kleur zijn. Nu moet ik er de nadruk op leggen, dat wanneer het niet lukt om iets met kleur te krijgen, we dan sommige dingen dan maar zonder kleur ophangen. Het is beter een reproductie te hebben die goed is met de techniek die gebruikt is, dan een of andere slechte kopie van de dingen die ik bedoel. In de 1e klas gaat het dus om sprookjesvoorstellingen, in de 2e om legenden. We moeten ons daar streng aan houden. U kan wel bedenken dat daardoor op een bepaalde manier steeds op het kinderlijke gevoel de juiste impuls uitgeoefend kan worden.
Nu moeten de dingen niet de prenten zijn uit prentenboeken, maar ze moeten kunstzinnig gemaakt zijn.
Het zou de moeite waard zijn om onszelf taken op te leggen, maar niet op een eenzijdige schildermanier, maar op zo’n manier dat dingen over het algemeen menselijk zijn.
Wenn wir in die 3. Klasse kommen, dann müssen wir dem Seelenzustand dadurch Rechnung tragen, daß man dasjenige an den Wänden hat, was man im philiströsen Leben Stilleben nennt, Pflanzendarstellungen, Blumendarstellungen; natürlich nicht die gewöhnlichen Stilleben, sondern wirklich Darstellungen des Lebendigen, aber noch nicht des Empfindenden. Es ist gut, wenn man das Kind nun so weit bringt, als es eigentlich mit der Seele mit kann, und die Darstellungen des Empfindenden, des Tierischen, die müßte man für die nächste Klasse, die 4. Klasse, aufbewahren, weil da die Seele des Kindes anfängt, nun schon die Darstellung auf das Empfinden zu beziehen. Das Kind hat erst von dieser Zeit an ein Gefühl davon, daß es selbst Empfindung hat, wenn das Gefühl auch noch dumpf ist. Tierische Darstellungen, die früher auf das Kind in Kinderbüchern wirken, die wirken so, daß das Kind nicht unterscheidet, ob in der bildhaften Darstellung eine wirkliche Kuh wiedergegeben ist oder eine aus Holz gemachte Kuh. Es gibt für das Kind so ungefähr vor dem Lebensalter zwischen neun und zehn Jahren keine Möglichkeit zu unterscheiden, wirklich lebensvoll innerlich zu unterscheiden zwischen der Darstellung einer wirklichen und einer aus Holz
Als we bij de 3e klas komen, moeten we rekening houden met het gevoelsleven, door op de muren te hebben wat in het kleinburgerlijke stillevens genoemd worden, voorstellingen van planten, voorstellingen van bloemen; natuurlijk niet de gebruikelijke stillevens, maar echt voorstellingen van het levende, maar nog niet van het voelende. Het is goed om het kind zover te brengen als het daadwerkelijk met zijn ziel kan gaan en de voorstellingen van het voelende, van het dier, te bewaren voor de volgende klas, de 4e, omdat het kind nu met zijn gevoel de voorstelling in verband begint te brengen met wat het ervaart. Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof. Dierenvoorstellingen die vroeger in kinderboeken een werking hadden op het kind, werken zo dat het kind geen onderscheid maakt of op de prent een voorstelling van een echte koe staat of een van hout. Voor de leeftijd van ongeveer negen tot tien jaar is het voor het kind nog niet mogelijk onderscheid te maken, echt een levendig innerlijk onderscheid, tussen de afbeelding van een echte koe en een koe van hout,
Blz. 230
aber in diesem Lebensalter tritt das Unterscheidungsvermögen ein. In der 5. Klasse, wo wir die Kinder zwischen zehn und elf Jahren haben, würde es sich darum handeln, Darstellungen zu wählen, die Menschengruppen der verschiedenen Lebensalter darstellen: Reigentänze, Sonstiges, sagen wir eine Straße, wo sich Menschen begegnen, wo man anknüpfend mit den Kindern sprechen kann; Menschengruppierungen, wo man über die Tatsachen, die sich zwischen den Menschen abspielen, mit den Kindern reden kann. Dann kommen wir in die 6. Klasse; da soll eintreten der einzelne Mensch. Da kann man schon Köpfe, ganze Menschen als auch einzelne Menschen, zum Beispiel den Menschen in der Natur und dergleichen darstellen, wobei einem die Natur zu Hilfe kommen kann, indem man die Kinder schon aufmerksam machen kann darauf, was eine sonnenbeschienene Landschaft und was eine Regenlandschaft ist, aber den Menschen darin, und so, daß es auf den einzelnen Menschen ankommt; ein kleiner See, wo einer rudert zum Beispiel.
Da sind wir an der Grenze angelangt, wo es aufhört, auf das Stoffliche anzukommen, wo bereits begonnen werden soll, mit dem Bildschmuck einzutreten ins Künstlerische. Da soll man beginnen mit dem Allerkünstlerischsten! Natürlich kommt da in Betracht, daß man, wenn man keine guten Kopien haben kann, dann eben Schwarz-Weiß-Darstellungen haben muß.
maar op deze leeftijd ontstaat het vermogen om te onderscheiden. In de vijfde klas, waar kinderen tussen de tien en elf jaar oud zijn, gaat het erom voorstellingen te kiezen die groepen mensen van verschillende leeftijden afbeelden: Rondedansen, andere dingen, laten we zeggen een straat waar mensen elkaar ontmoeten, waar je met de kinderen over kunt praten; groepen mensen, waar je met de kinderen kunt praten over de dingen die tussen mensen gebeuren .
Dan komen we bij de 6e klas, waar de individuele mens moet gaan komen. Hier kun je al hoofden nemen, hele mensen, ook individuele mensen, bijvoorbeeld mensen in de natuur en dergelijke, waarbij de natuur je te hulp kan schieten door de kinderen te wijzen op wat een zonovergoten landschap is en wat een regenachtig landschap is, maar de mensen erbij, en zodanig dat het op de individuele persoon aankomt; een meertje waar iemand aan het roeien is, bijvoorbeeld. Hier hebben we de grens bereikt waar het niet meer van het materiaal afhangt, waar we dan moeten beginnen met het decoratieve naar het kunstzinnige te gaan. Daar moet je beginnen met het meest kunstzinnige! Natuurlijk, als je geen goede reproducties kan krijgen, moet je zwart-wit voorstellingen nemen.
Es ist gut, wenn man für dieses Lebensalter in der 7. Klasse Raffael und Leonardo hat, was auch bleiben kann flir die nächste, die 8. Klasse. Das kann man auf die beiden Klassen verteilen. Da soll es darauf ankommen, daß die Kinder diese Bilder vor sich haben. Man muß bei dieser Ausschmückung nicht glauben, daß es richtig wäre, den Wandschmuck so zu gestalten, daß er parallel gehen würde dem Lehrplan, sondern es ist sogar von großer Bedeutung, daß die Kinder die Bilder früher vor sich haben, als im Kunstunterricht davon gesprochen wird. Vorher sollte gelegentlich einmal über die Bilder gesprochen werden. Im ganzen sollen sich die Augen des Kindes mit dem Künstlerischen dieser Bilder beschäftigen; das Kind soll zunächst nur einen rein sensuellen Eindruck empfangen und wissen, daß man diese Bilder für etwas ganz besonders Schönes hält. Sie sind schon in der richtigen Weise vorbereitet dadurch, daß man in bezug auf die Ausschmückung zuerst auf das Stoffliche den Hauptwert gelegt hat. Nun bei den nächstfolgenden Klassen kommt es darauf an, daß man das Künstlerische zusammenbringt in einer taktvollen Weise mit dem Praktischen des Lebens, so daß das Kind die beiden Seiten fortwäh-
Het is goed om voor de leeftijdsgroep in klas 7, Raphael en Leonardo te hebben die ook kunnen blijven voor het volgende jaar, klas 8. Dit kan verdeeld worden over de twee klassen. Het belangrijkste is dat de kinderen deze afbeeldingen voor zich hebben. Het is niet nodig om te denken dat het goed zou zijn om de muren zo te versieren dat het parallel loopt met het lesprogramma, het is zelfs van groot belang dat de kinderen de afbeeldingen eerder voor zich hebben dan dat er in de kunstlessen over gesproken wordt. De afbeeldingen moeten af en toe van tevoren worden besproken. Over het algemeen moeten de ogen van het kind bezig zijn met het artistieke aspect van deze afbeeldingen; het kind moet in eerste instantie alleen een puur zintuiglijke indruk krijgen en weten dat deze afbeeldingen als iets bijzonder moois worden beschouwd. Ze zijn al op de juiste manier voorbereid doordat de nadruk qua decoratie op het thema is gelegd.
Nu is het belangrijk om in de volgende klassen het artistieke op een tactvolle manier samen te brengen met de praktische kant van het leven, zodat het kind beide kanten voortdurend
Blz. 231
rend vor sich hat, so daß man in der 9. Klasse auf der einen Seite künstlerische Bilder von Giotto oder Ähnliches hat, aber in derselben Klasse Situationsbilder, ganz technisch, eine Wiese, eine Hutweide, einen Laubwald, einen Nadelwald, aber jetzt nicht künstlerisch, sondern technisch, reine Musterbeispiele, wie man Situationspläne macht; die würden an einer Wand hängen, und die hintere Wand könnte zum Beispiel Giottos haben. Ebensogut könnte in der 9. Klasse eine Himmelskarte sein, wo man die einzelnen Sternbilder zusammenfaßt mit starken Figuren, mit stilisierten Himmelsfiguren, so wie es früher auf Himmelskarten vorhanden war. In der 10. Klasse, wo man es mit Fünfzehn-bis Sechzehnjährigen zu tun hat, würde es sich darum handeln, nun etwa Holbein und Dürer nach der künstlerischen Seite zu haben, und nach der technischwissenschaftlichen Seite zum Beispiel — es kann auch anderes sein —, sagen wir: das Innere des Meeres, all die Tiere, die im Inneren des Meeres sind, das müßte in entsprechender Weise gemalt erscheinen, zugleich instruktiv in intellektueller Beziehung, und doch müßte es so sein, daß es künstlerisch auf das Kind wirkt. Dann bliebe für die 11. Klasse Holbein und Dürer, weiter vielleicht auch Rembrandt. Das würde für die folgenden Klassen immer sein; man kann aber auch Ältere dazwischen mischen. Da ist das Alter, wo das dem Unterricht parallel gehen kann. Für die 11. und 12. Klasse also Holbein, Rembrandt, Dürer.
voor zich heeft, zodat je in de 9e klas aan de ene kant artistieke afbeeldingen van Giotto of iets dergelijks hebt, maar in dezelfde klas zou je ook situatieschetsen kunnen hebben, heel technisch, van een weiland, een gemeenschappelijke weide om vee te hoeden, een loofbos, een naaldbos, maar nu niet artistiek, maar technisch, pure voorbeelden van hoe je situatieschetsen moet maken; ze zouden aan de ene muur kunnen hangen, en aan de achterwand zou bijvoorbeeld Giotto kunnen hangen. Er zou net zo goed een hemelkaart in de 9e klas kunnen hangen, waar de individuele sterrenbeelden worden samengevat met sterke figuren, met gestileerde hemelfiguren, net zoals ze vroeger op hemelkaarten stonden. In de 10e klas, waar je te maken hebt met vijftien- tot zestienjarigen, zou het kunnen gaan om bijvoorbeeld Holbein en Dürer aan de artistieke kant, en aan de technisch-wetenschappelijke kant, bijvoorbeeld – het kan ook iets anders zijn – laten we zeggen: het binnenste van de zee, alle dieren die zich in de zee bevinden, dat zou op een passende manier geschilderd moeten worden, tegelijkertijd intellectueel leerzaam, en toch zou het zo moeten zijn dat het een artistiek effect heeft op het kind. Dan blijven Holbein en Dürer over voor klas 11, en misschien ook Rembrandt. Dat is voor de volgende klassen steeds zo, maar je kunt er ook oudere kunstenaars tussen mengen. Dat is de leeftijd waarop dit parallel aan de lessen kan lopen. Dus voor klas 11 en 12, Holbein, Rembrandt, Dürer.
In der 11. Klasse da sollte man nach der technischen Seite an die Wand hängen so etwas wie Erddurchschnitte, geologische Durchschnitte und entsprechend künstlerisch ausgeführte Höhenkarten und Ähnliches. Erst in der 12. Klasse würden an der Wand zu hängen haben Physiologica, Anatomisches neben Holbein, Dürer, Rembrandt. Das würde dasjenige sein, was eigentlich hineingehört, was eben als das Ideal hineingehört. Jetzt sieht es greulich aus, aber wenn man solch ein Ideal vor sich hat, kann man sich unter Umständen doch, wenn es auch erst nach einem Jahrhundert erfüllbar ist, in der einen oder anderen Weise darnach richten. Es ist besser, ein richtiges Bild im Holzschnitt zu haben, als manches von dem, was jetzt darin hängt. Das sind die Dinge, die ich Ihnen als ein Kapitel der Pädagogik vorlegen möchte. Es ist schon durchaus notwendig, daß wir unser Augenmerk darauf richten, daß das Künstlerische besonders gutbehandelt wird in unserer Pädagogik, denn es gehört das eigentlich ins Gesamtbild des anthroposophischen Behandelns des Menschheitsfortschrittes hinein.
In de 11e klas, zouden wat de technische kant betreft, er zoiets als aarddoorsneden, geologische doorsneden en navenant artistiek uitgevoerde hoogtekaarten en dergelijke aan de muur moeten hangen. Pas in de 12e klas zouden fysiologische en anatomische werken aan de muur moeten hangen naast Holbein, Dürer en Rembrandt.
Dit hoort hier eigenlijk thuis, als ideaal. Het ziet er nu afschuwelijk uit, maar als je zo’n ideaal voor je hebt, zelfs als het pas na een eeuw gerealiseerd kan worden, kun je je er toch op de een of andere manier door laten leiden. Het is beter om een echt beeld in houtsnede te hebben dan sommige dingen die er nu in hangen. Dit zijn de dingen die ik aan u wil presenteren als een hoofdstuk uit de pedagogie. Het is absoluut noodzakelijk dat wij in onze pedagogie vooral het artistieke aspect goed behandelen, omdat het eigenlijk in het totaalbeeld van de antroposofische behandeling van de menselijke vooruitgang thuishoort. GA 300B/228-231
Bij het lezen van deze gezichtspunten kunnen er – tenminste, zo vergaat het mij – talloze vragen rijzen: wat bedoelt Steiner precies, hoe maak je concreet wat hij bv. abstract: ‘mensengroepen, individuele koppen, technische schetsen,’ enz. noemt. Wat is daarvan in de praktijk terecht gekomen?
Er is bij mijn weten ook niet veel over gepubliceerd. Ik vond nog een artikel in Erziehungskunst en Clausen/Riedel hebben in hun boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’ een heel schema gegeven met mogelijkheden.
In een nog te verschijnen artikel worden die gezichtspunten gebundeld en de gezichtspunten van Steiner hierboven, meegenomen.
In devergadering van 31 januari 1923volgen er nog een paar aanvullingen:
Blz. 240
Dr. Steiner: Ich hätte nur einiges nachzutragen zu dem, was ich neulich gesagt habe. Es handelt sich um die Beantwortung der Frage, wie bei der Bildausschmückung die musikalischen Räume zu behandeln wären. Da handelt es sich darum, daß man jedenfalls einen musikalischen Lehrsaal in keiner Weise ausschmücken kann mit irgendwelchen malerisch-figuralen Motiven. Einen musikalischen Saal könnte man höchstens plastisch ausschmücken durch die Aufstellung von Plastiken, oder aber, wenn man Malerisches anwenden will, so müßte man Farbenharmonien, reine Farbenwirkungen nehmen; Bildwerke, in denen reine Farbenwirkungen etwa in Betracht kommen. Dann müßte es sich handeln um das bildhafte Ausschmücken der Eurythmiesäle. Das unterscheide ich vom Musikalischen. Es kann vielleicht bei uns kollidieren. Wir könnten unter Umständen im Eurythmiesaale etwas von musikalischem Unterricht haben, dann würde das ein Surrogat sein müssen. Der Eurythmiesaal selbst müßte ausgeschmückt sein mit Motiven, die aus der Dynamik des Menschen entnommen sind, aber aus der seelischen Dynamik; der ausdrucksvolle Mensch, künstlerisch erfaßt.
Ik wil graag een paar dingen toevoegen aan wat ik laatst heb gezegd. Het gaat om het antwoord op de vraag hoe het met de wanddecoratie in de muzieklokalen moet. Het punt is dat een muziekonderwijsruimte op geen enkele manier versierd kan worden met schilderachtig- figuratieve motieven. Een muziekzaal kan hoogstens gedecoreerd worden met het opstellen van beeldhouwwerk, of, als men schilderkunst zou willen gebruiken, met kleurharmonieën, zuivere kleureffecten; schilderkunstige werken waarin zuivere kleureffecten een rol spelen. Dan gaat het om de decoratie van de euritmiezalen. Ik onderscheid dit van het muzikale. Het kan bij ons misschien botsen. In de euritmiezaal zou door bepaalde omstandigheden ook muziekles kunnen zijn, maar dan zou het surrogaat zijn. De euritmiezaal zelf zou versierd moeten worden met motieven die ontleend zijn aan de dynamiek van de mens, maar dan aan de dynamiek van de ziel, de expressieve mens, artistiek opgevat.
Dann würde es sich beim Turnsaal darum handeln, daß man mit entsprechender Übertragung achtet auf das mehr sich in die Welt Hineinstellen. Bei der Eurythmie würde es sich darum handeln, daß man eine Art findet, künstlerisch auszudrücken die seelische Dynamik; beim Turnen, daß man den Menschen mit Bezug auf seine Gleichgewichts- und Bewegungsverhältnisse in Beziehung zur Welt darstellt, daß man den Menschen zum Beispiel darstellt, sich wacker haltend über einem Abgrund und dergleichen. Das Verhältnis zur Welt, das würde der Bildschmuck sein für das Turnen. Für die Handarbeitsräume würde man Interieurs brauchen, wo das Gemütselement berücksichtigt wird. Jetzt bliebe uns noch der Handfertigkeitssaal, den müßte man möglichst mit künstlerisch aufgefaßten Motiven des praktischen Lebens und eventuell auch des Kunstgewerbes künstlerisch ausschmücken, so daß man an den Wänden etwas hat, was wohlgefällig aufnimmt, was in diesen Räumen getrieben wird. Ich glaube, daß das Lehrerzimmer so ausgeschmückt werden muß, wie es dem Geschmack und dem harmonischen Zusammenklange der Lehrerseelen selbst entspricht, so daß das Lehrerzimmer keine
In de gymnastiekzaal gaat het erom dat je met aandacht op de juiste wijze weet over te brengen de manier waarop we onszelf meer in de wereld plaatsen. In de euritmie zou het erom moeten gaan een manier te vinden om de dynamiek van de ziel artistiek uit te drukken; in de gymnastiek zou het erom gaan de mens in relatie tot de wereld uit te beelden in termen van zijn evenwicht en beweging, bijvoorbeeld de mens die zich dapper over een afgrond staande houdt en dergelijke. De relatie tot de wereld zou de decoratie voor gymnastiek moeten zijn. Voor de handenarbeidlokalen zouden we interieurs nodig hebben waarin rekening wordt gehouden met het emotionele element. Dan blijft het lokaal voor handenarbeid over, dat ingericht zou moeten worden met artistieke motieven uit het praktische leven en mogelijk ook uit de kunstnijverheid, zodat we iets aan de muren hebben dat een aangename afspiegeling is van wat er in deze ruimtes gebeurt. Ik ben van mening dat de lerarenkamer zo ingericht moet worden dat het overeenkomt met de smaak en het harmonisch samengaan van de lerarenzielen zelf, zodat de lerarenkamer geen
Blz. 241
Vorschrift haben soll, sondern ganz aus dem Geschmack und Zusammenstimmen der Lehrer selbst hervorgehen soll. Das soll eine Offenbarung sein einer besonders intimen Konferenz, die ins Künstlerische ausläuft, ohne Expertise. Für das Spinnen gilt dasselbe wie für das Handwerk. Beim Musikalischen ist es besser, wenn man den Saal ganz einförmig ohne Bild läßt, statt daß man irgendwelche Bilder anbringt, die psychologisch nicht vereinbar sind mit dem, was musikalisch herrschen soll. Bei den Rahmen ist die Sache diese, daß man den Rahmen nach dem Bilde machen soll. Nun, die Farbe des Rahmens habe ich gewöhnlich so angegeben, daß man eine Farbe, die auch auf dem Bilde ist oder die öfter im Bilde ist, zum Rahmen verwendet. Die plastische Form muß man nach dem Bilde machen.
voorschriften zal krijgen, maar uit de smaak en de afstemming van de leerkrachten zal moet komen. Het moet een uiting zijn van een bijzonder vertrouwelijke vergadering die uitmondt in iets kunstzinnigs, zonder speciale kennis. Voor het spinnen geldt hetzelfde als voor de handvaardigheid. Bij het muzikale is het beter wanneer de zaal hetzelfde blijft, zonder decoratie, in plaats van wat voor voorstellingen dan ook aan te brengen die psychologisch niet te verenigen zijn met wat bij het muzikale moet overheersen. Wat de lijsten betreft, die zouden zo gemaakt moeten zijn dat ze bij de afbeeldingen passen. Wat de kleur ervan aangaat, heb ik gewoonlijk wel aangegeven dat je een kleur neemt die ook in de afbeelding zit of er meer in voorkomt. De plastische vorm ervan moet je passend bij de voorstelling maken.
Es wird gefragt nach dem Raum für die Sonntagshandlung.
Er wordt gevraagd hoe het voor de ruimte van de zondagshandeling moet zijn.
Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß ich eine weitere Handlung geben werde, und danach wird auch das Bild sich richten. Auch die Hilfsklasse muß noch bekleidet werden. Das werden wir bei der nächsten Konferenz besprechen. Die Eurythmiefiguren müßten in einer Vitrine im Eurythmiesaal aufgestellt werden. Auf den Gängen müßte man sehen, daß man links und rechts von der Tür etwas Ähnliches hat wie das, was man in der Klasse findet, daß man sich anlehnt an das, was in der Klasse ist.
Het is zo dat ik daarover verder nog wat zeg en daarmee over de decoratie die erbij hoort. Ook de hulpklassen moeten nog ingericht worden. Dat bespreken we op de volgende conferentie. De euritmiefiguren zouden in een vitrine in het euritmielokaal moeten komen. In de gangen zou je moeten zien dat links en rechts van de deur iets is wat je in de klas vindt, dat gebaseerd is op wat er in de klas is.
Es wird gefragt nach dem Physik- und dem Chemiesaal.
Er zijn vragen over de natuurkunde- en scheikundelokalen.
Dr. Steiner: Wir sind in solchen großen Sorgen darin, daß ich heute dies nicht beantworten kann
We zijn zo bezorgd dat ik daar vandaag geen antwoord op kan geven. GA 300B/240-241
Niet vertaald
Dr. Steiner: Nun, nicht wahr, einiges möchte ich so sagen von den Eindrücken, die mir noch in diesen Tagen gekommen sind. Vor allen Dingen würde ich wünschen, daß man hätte so etwas besprechen können — ich fürchte, es wird während der diesmaligen Anwesenheit nicht mehr gehen; es ist früher nicht so arg gewesen, aber jetzt fällt es mir so auf, namentlich in den Klassen, die angebaut worden sind —, daß die Wände irgend etwas von Bildern haben müßten. Die 4. Klasse ist eine greuliche Klasse in bezug auf die Bildlosigkeit. Und es fiel mir insbesondere so stark auf, ich sagte es Herrn U., als er die Religionsklasse hatte, da geht es stark ab. Man müßte dafür sorgen. Es ist auch die 5., die zu wünschen übrig läßt. Es ist mir aufgefallen, daß es notwendig wird, daß die Wände einem nicht als Wände entgegentreten, daß sie etwas von Bildern haben müßten. Es müßte sehr sorgfältig gemacht werden.
Welnu, ik zou nog een paar dingen willen zeggen over de indrukken die ik de laatste dagen kreeg. Allereerst had ik graag gewild dat we zoiets als dit nog hadden kunnen bespreken – ik ben bang dat dit deze keer nu ik er ben, niet meer zal gaan; voorheen is het niet zo erg geweest, maar nu valt het me zo op dat vooral in de klassen die aangebouwd zijn, de muren iets aan beeldmateriaal zouden moeten hebben. De 4e klas is een verschrikkelijke klas wat betreft het gebrek aan afbeeldingen. En het trof mij vooral zo sterk, dat ik het tegen mijnheer U zei, toen hij godsdienstles had, en het heel erg mis ging. We zouden er zorg aan moeten besteden. Ook de 5e laat te wensen over. Het is me opgevallen dat het noodzakelijk wordt dat de muren niet als muren op iemand afkomen, dat ze iets van afbeeldingen moeten krijgen. Het zou heel zorgvuldig moeten gebeuren.
Es wird ein Mitglied der Anthroposophischen Gesellschaft erwähnt, das für Bilder sorgen will, Herr G.
Er wordt een lid van de Antroposofische Vereniging genoemd die voor beelden wil zorgen, de heer G.
Dr. Steiner: Davor habe ich eine kleine Angst. Es müßte ganz im Sinne unserer Pädagogik geschehen. Deshalb kann es sich nicht vollziehen, bevor ich komme. Wo sind Maler, die etwas machen könnten? Es müßten geradezu die Anregungen von den betreffenden Klassenlehrern ausgehen. Und dann müßte die Sache wirklich recht künstlerisch behandelt sein. Gar nichts Unkünstlerisches darf vorhanden sein. Es müßte wirklich für diese Schule Besonderes geschaffen werden.
Daar ben ik een beetje bang voor. Het moet helemaal in de zin van onze pedagogie gebeuren. Daarom kan het niet plaatsvinden voordat ik kom. Waar zijn schilders die iets kunnen doen? De suggesties zouden echt moeten komen van de betreffende klassenleraren. En dan zou het geheel eigenlijk zeer kunstzinnig moeten worden benaderd. Er mag niets onkunstzinnigs bij zitten. Voor deze school zou echt iets bijzonders gemaakt moeten worden.
Omdat er kennelijk weinig is dat in aanmerking komt, geeft Steiner nog een soort suggestie om tot iets te komen, vanuit de lessen. Hij heeft bij ‘juffrouw L’ kennelijk gezien hoe zij een gedicht behandelde:
Es würde zum Beispiel von einer großen Bedeutung sein — heute morgen hat Fräulein L. durchgenommen das „Riesenspielzeug”, und nun, nicht wahr, ist von Chamisso das Gedicht so gemeint, daß man, sobald man es den Kindern in dieser Chamisso-Gesinnung vorbringt, leicht etwas ins Rationalistische kommt, und ihm leicht den Duft nehmen kann. Das Gedicht ist so — so hat man das aufzufassen —, daß die Burgriesen die alte Gutsaristokratie sind. Es ist ein gründlich tief soziales Gedicht. Das Riesenspielzeug ist der Bauer, der von der Gutsaristokratie als Spielzeug benutzt wird. Ich würde heute morgen zurückgeschreckt sein, so etwas anzudeuten. Es wird so etwas leicht rationalistisch. Dagegen dies: da die Kinder es sehr lieb gehabt haben, sollte man versuchen, dies nun ins Malerische zu übersetzen, aber mit diesem Gedanken — wodurch es den Duft nich
Het zou bijvoorbeeld van groot belang zijn -[wat dat precies is, wordt niet gezegd] vanmorgen heeft juffrouw L. het “Reuzenpeelgoed” doorgenomen, en niet waar, het gedicht is door Chamisso zo bedoeld dat zodra je het in deze Chamisso-geest aan de kinderen geeft, er gemakkelijk wat rationalistisch bijkomt, dat de essentie gemakkelijk verdwijnt. Het gedicht is zo– zo moet het begrepen worden – dat de kasteelreuzen de oude landgoedaristocratie zijn. Het is een door en door diep sociaal gedicht. Het reuzenpeelgoed is de boer, die door de landgoedaristocratie als speelgoed wordt gebruikt. Ik zou vanochtend geaarzeld hebben om zoiets te zeggen. Het wordt dan makkelijk rationalistisch. Daartegenover: omdat de kinderen het erg leuk vonden, zou je kunnen proberen het te schilderen, maar met deze gedachte, dat de essentie niet verdwijnt.
Blz. 245
verliert —, mit diesem Gedanken des Spielens der untergehenden Gutsaristokratie, daß man das darin hat. Also gewissermaßen nicht den Kindern das Gedicht in Prosa übersetzen, sondern es ins Bild übersetzen. Das gibt einen tiefen Eindruck, wenn so etwas gerade da hängt, was dem Unterricht entnommen ist und was die Kinder durchgefühlt haben. Ich habe mit Fräulein Waller am Anfang der Waldorfschule längst davon gesprochen, daß man etwas schaffen müßte, was den Metamorphosegedanken durch die Reiche des Lebendigen hindurch gibt in einem wirklichen Kunstwerk. So etwas Ähnliches, was durchgeführt ist in Dornach in den Übergängen von einem Architrav zum anderen. Dadurch würde es dem Lehrer ungemein erleichtert sein, in solchen Dingen etwas, was zum Unterricht gehört, gerade daran zu erklären. — Wenn uns G. etwas liefert, so liefert er Dinge, die ihm gefallen. Das ist etwas, wovon wir nichts haben. Vielleicht denken Sie zunächst über solche Sachen nach. Aber so etwas brauchen wir.
verliest – met dit idee van het spelen met de landgoedaristocratie, die ten onder gaat. Dat moet erin zitten. Dus zeker niet het gedicht voor de kinderen in proza zetten, maar in beeld. Het laat een diepe indruk na als er iets hangt wat uit de les wordt gehaald en wat de kinderen beleefd hebben. Ik heb het er met juffrouw Waller bij het begin van de waldorfschool al lang over gehad dat je iets zou moeten scheppen wat de idee van metamorfose door de rijken van het levende zou kunnen weergeven in een echt kunstwerk. Iets soortgelijks wat in Dornach is gedaan bij de overgangen van het ene architraaf naar het anderen. Dit zou het voor de leerkracht een stuk makkelijker maken dergelijke dingen die deel uitmaken van de les, daarmee uit te leggen. — Als G. ons iets geeft, komt hij met dingen die hém bevallen. Daar hebben wij niets aan. Misschien moet u eerst nog over deze dingen nadenken. Maar zoiets hebben we nodig.
X.; Ist es pädagogisch ungünstig, wenn die Kinder selbst etwas machen?
X; Is het onderwijskundig gezien ongunstig als de kinderen zelf iets doen?
Dr. Steiner: Ihre Nichte war bei mir und brachte mir ihre erste Malerei. Sie sagte, das wäre nicht bloß, daß ich es ansehen müßte, sondern das müßte ich mir zuhause an die Wand hängen.
Da kommt es darauf an, wie die Sachen sind. Ich habe nichts dagegen, wenn auch die Sachen von Kindern aufgehängt werden. Bei Bildern ist es furchtbar schwer; eigentlich ist ein gewöhnliches Bild an die Wand zu hängen, ein Ungedanke. Was soll ein Bild an der Wand? Künstlerische Zeiten haben nie so gedacht, Bilder an die Wand zu hängen. Ein Bild muß dem Raum angepaßt sein. Das Abendmahl von Leonardo ist im Speisesaal des Klosters. In Kreisform saßen die Mönche, die vierte Wand wurde gemalt. Er aß mit, Er gehörte dazu. Das ist aus dem Raum und aus den Verhältnissen heraus gedacht. Solche Dinge rechtfertigen die Sachen. Einfach Bilder aufzuhängen, dann wird die Sache um so irriger.
Uw nichtje was bij mij en bracht mij haar eerste schildering. Ze zei dat ik er niet alleen naar moest kijken, ik moest hem thuis aan de muur hangen.
Het hangt ervan af hoe de dingen zijn. Ik heb er niets op tegen als er ook dingen van kinderen worden opgehangen. Bij schilderijen is het vreselijk moeilijk; eigenlijk is het ophangen van een gewone afbeelding aan de muur onzin. Wat moet een afbeelding aan de muur? Artistieke tijden hebben er nooit zo over gedacht, om beelden aan de muur te hangen. Een beeld moet aangepast zijn aan de ruimte.
Leonardo’s Laatste Avondmaal vindt plaats in de eetkamer van het klooster. De monniken zaten in een kring en de vierde muur werd geschilderd. Hij at mee, hij
maakte er deel van uit. Dit was vanuit de ruimte en vanuit de omstandigheden
gedacht. Dat soort dingen rechtvaardigen het. Het simpelweg ophangen van afbeeldingen maakt de zaken nog misleidender.
X.: Ich wollte Nachbildungen der Dornacher Glasfenster aufhängen.
X.: Ik wilde replica’s van de glasramen van Dornach ophangen.
Dr. Steiner: Man läßt es eine Zeitlang.
Laat het een tijdje hangen.
X. fragt, ob man Bilder von einem anthroposophischen Maler aufhängen solle.
X. vraagt of er afbeeldingen van een antroposofische schilder moeten worden opgehangen.
Dr. Steiner: Es kommt darauf an, wie es gemacht wird. Es hat schon eine Bedeutung, wenn die Kinder Bilder haben, die auf sie einen bleibenden Eindruck machen.
Het hangt ervan af hoe het gedaan wordt. Het is wel van betekenis als de kinderen afbeeldingen hebben die op hen een blijvende indruk maken. GA 300A/244-245
Er wordt op deze blog aan een vertaling gewerkt.
Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal:alle artikelen
. Opmaat tot een paar artikelen over hoe kunstzinnig wordt de klas ingericht. Nu eerst met het oog op deschilderijendie aan de muur hangen. (Niet bedoeld is het werk van de kinderen)
Regelmatig lees ik bij Steiner in zijn voordrachten tekst waarbij ik denk: ‘Hij zei het toen, maar voor welke tijd geldt dit eigenlijk’. En als je dan denkt: ‘Stel eens dat het op onze tijd nu, slaat, waar in de wereld, op welk gebied herken je dan die inhoud.
In GA 266, in een voordracht van 16 januari 1908, zegt hij o.a.:
Blz. 299
Schaut Euch die riesenhaften Maschinen an, welche die menschliche Technik heute mit allem Scharfsinn konstruiert! In ihnen schafft sich der Mensch die Dämonen, die in Zukunft gegen ihn wüten werden. Alles, was der Mensch heute an technischen Apparaten und Maschinen sich erbaut, wird in Zukunft Leben gewinnen und sich dem Menschen in furchtbarer Weise feindlich entgegenstellen.
Kijk eens naar die enorme machines die de menselijke techniek met grote scherpzinnigheid construeert. Hiermee schept de mens de demonen die in de toekomst tegen hem tekeer zullen gaan. Alles wat de mens vandaag aan technische apparaten en machines bouwt, zal in de toekomst leven krijgen en op een vreselijke manier zich vijandig tegenover de mens plaatsen.
Lezen we hier iets bv. over de vernietigingswapens waarvan we vandaag de dag de enorme impact kunnen zien? Is de ‘de machine die ‘leven’ krijgt, de pc van de (nabije) toekomst die met programma’s als AI ons leven drastisch gaat beïnvloeden, zoals er nu al wordt beweerd? Is het maken van nepnieuws, het manipuleren van je foto die in een situatie wordt getoond die je in diskrediet brengt, die ‘vreselijke manier van vijandigheid’, of wordt het allemaal nog erger?
Alles, was aus reinem Nützlichkeitsprinzip, aus Einzel- oder Gesamtegoismus heraus geschaffen wird, ist in Zukunft des Menschen Feind. Wir fragen heute viel zu viel nach dem Nutzen dessen, was wir tun. Wenn wir die Entwicklung wirklich fördern wollen, so dürfen wir nicht nach dem Nutzen fragen, sondern vielmehr danach, ob etwas schön und edel ist. Wir sollen nicht nur aus dem Nützlichkeitsprinzip heraus handeln, sondern aus reiner Freude am Schönen.
Alles wat uit een puur nuttigheidsprincipe of het nu door het egoïsme van een enkeling of door dat van een groep wordt gehanteerd, is in de toekomst de vijand van de mens. We vragen tegenwoordig veel te veel naar het nut van wat we doen. Als we de ontwikkeling daadwerkelijk willen bevorderen, mogen we niet naar het nut vragen, maar veel meer naar of iets mooi en edel is. We moeten niet alleen maar handelen vanuit het nuttigheidsprincipe, maar vanuit een pure vreugde voor het mooie.
Ook daar vinden we voorbeelden van in onze tijd. Hoe anders zouden we met de dieren, in zonderheid bv. de koeien, varkens en kippen omgaan, wanneer ze niet alleen maar werden gehouden voor het nut van wat ze opbrengen. Zien we – door het nuttigheidsdenken, met als gevolg milieuvervuiling en klimaatverandering – de natuur zich nu vijandig tegen ons keren?
Dan volgt er in de voordracht een bepaalde omslag die – verrassend – ook bij het klassenlokaal van de school uitkomt!
Alles, was der Mensch heute schafft, um sein künstlerisches Bedürfnis zu befriedigen, aus reiner Liebe am Schönen, auch das wird sich in Zukunft beleben, und es wird zur Höherentwicklung des Menschen beitragen.
Alles wat de mens vandaag bewerkstelligt om zijn behoefte aan kunstzinnigheid te bevredigen, uit pure liefde voor de schoonheid, ook dat zal in de toekomst meer leven krijgen en dat zal bijdragen aan een hogere ontwikkeling van de mens.
En dan de overstap naar de school:
Aber furchtbar ist es, heute sehen zu müssen, wie viele Tausende von Menschen schon von der frühesten Kindheit an dazu angehalten werden, keine andere Tätigkeit zu kennen als die um des materiellen Nutzens willen, abgeschnitten zu sein zeitlebens von allem Schönen und Künstlerischen. In den ärmsten Volksschulen sollten die herrlichsten Kunstwerke hängen, das würde unendlichen Segen bringen in der menschlichen Entwicklung. Der Mensch baut sich selbst seine Zukunft.
Maar het is toch verschrikkelijk om te moeten zien hoe veel duizenden mensen al vanaf hun prilste kindertijd worden gestimuleerd om geen andere activiteit te ondernemen dan materieel voordeel te behalen, om het hele verdere leven afgesneden te worden van alles wat mooi en kunstzinnig is. In de allerarmste basisscholen zouden de prachtigste kunstwerken moeten hangen, dat zou oneindig veel zegen brengen in de ontwikkeling van de mens. De mens werkt zelf aan zijn eigen toekomst. GA 266/299 Niet vertaald
Niet dat er nu nog ‘allerarmste’ scholen zijn. Maar hoe is het met de kunstzinnigheid van de inrichting in de klas gesteld?
Als de vrijeschool in Stuttgart in 1919 haar deuren opent, komen er veel kinderen van de fabrieksmedewerkers. We mogen ervan uitgaan dat in hun milieu ‘kunst’ niet de eerste levensbehoefte was. Nog afgezien van kunst in hun ruimere leefomgeving, zo pas na Wereldoorlog 1.
In mei/juni van dat jaar houdt Steiner drie voordrachten over ‘volkspedagogie’. [GA 192] Daarin gaat het over kunst en een kunstzinnige omgeving. Ook dan klinkt het dat het jammer is dat de leerlingen op school niet in lokalen zitten die kunstzinnig gedecoreerd zijn. E A Karl Stockmeyer verwijst naar die passage in zijn ‘Angaben Rudolf Steiners für den Waldorfschulunterricht(eerder getiteld: Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule) De voordracht is op deze blog vertaald. Zie bij <1> en <2>.
Het schoolgebouw is ook niet meteen ‘af’ en in de vergadering met de leerkrachten roert Steiner op 22 november 1920 voor het eerst aan dat de muren (van de bijgebouwen) zo kaal zijn en dat er kunstzinnige beelden moeten komen te hangen.
.
De kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen
In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’. In het hoofdstukje “In den hemel is enen dans’ – de titel van een nogbestaand lied – besteedt ze aandacht aan het fenomeen ‘dans’. Nu zijn er talloze studies gewijd aan ‘de geschiedenis van de dans‘, maar haar opmerkingen komen ons – wanneer we naar (pedagogische) aanwijzingen van Steiner kijken, wel bekend voor. Zo zegt ze dat wanneer je naar de hemel kijkt, je in de loop van de sterren ‘een reidans kan ontwaren’, ‘ze trekken lijnen’. Maar er is meer: de hemel oefent een invloed uit op aarde. Dat is duidelijk aan de invloed van zon en maan. Steiner beschrijft heel duidelijk vanuit allerlei gezichtshoeken dat alle planeten invloed uitoefenen. Uyldert noemt het ‘krachtstromen die op aarde doortrillen in de natuur en in de mensenzaken. Een krachtenspel dat invloed heeft op ‘werken, lijden en genieten’.
Dansen zou dus ook zijn: de behoefte ‘de kosmische ritmen die hij voelt, na te bootsen in spel en dans.
Ze verbindt de balspelen aan heilige handelingen bij de oude Grieken (sphaeristeria): ‘het opwerken van gouden ballen zoals ze die aan de hemel zagen op- en ondergaan, zich in kringen en lussen bewegend’. Zo zouden dus ritmische spelen en dansen zijn ontstaan, ‘een meedansen in die grote dans’.
De grafische voorstellingen van de gang van planeten heeft zeker iets weg van een choreografie:
De retrogade van Mercurius 2024
Niet zo lang geleden ontdekte exoplaneet HD 106906 b Bron
Beweging in het spelletje ‘Laat ons nu de kluw opwinden‘
En er zijn meer bewegingen in kringspelen die vergelijkbare bewegingen hebben:
In die bewegingen aan de hemel ziet zij een ‘meescheppen, een meeverlossen, een toereiken en loslaten, in kruisende banen, in wijken en naderen, in innige samendans of met uitdagende afstand, inhalend, aanrakend, voorbijstrevend.’
Ze haalt een Mexicaanse uitspraak aan: ‘Dansen is werken’ en verbindt dit aan het feit dat wanneer wij dansen, wij meewerken in het grote kosmische leven, dat we ingeschakeld zijn in de grote rondedans en het alles omvattende ritme.’
Niet alleen in de kinderdansen vinden we dit soort bewegingen, ook nog bij de volwassen folklore- volksdansen. Maar we kunnen wel constateren dat deze gaandeweg overal verdwijnen of verdwenen zijn als spontane dansen bij bepaalde gelegenheden. In het begin van de jaren 1970 zag ik nog dat spontane dansen op straat in o.a. Griekenland, het toenmalige Joegoslavië, in het Baskenland.
Het is interessant oorzaken proberen te vinden waarom dit onder de autochtone bevolking van Nederland vrijwel is verdwenen, terwijl een bepaald soort bewegen onder de jeugd op bepaalde vormen van muziek erg populair is geworden. Zonder directe oorzaken te kunnen aanwijzen, kan ik wel waarnemen dat de muziek zeer mechanisch is geworden – als je het geluid van verre afstand hoort, weet je niet of het ook een machine kan zijn die aanstaat; de bewegingen doen vaak automatisch-mechanisch aan.
De basisschoolleerlingen van nu zullen ongetwijfeld – het zijn kinderen van deze tijd – in aanraking komen met het muzikale geweld van disco en festival en de vorm van bewegen die weinig meer heeft van waarover het in dit artikel gaat.
Misschien is het goed dat in de jaren waarin het nog kan, onze kinderen bewegen met de kringspelen. Of in deeuritmiewaarin ook vele ‘kosmische’ vormen een rol spelen.
Uyldert voegt aan haar inleiding deze kringspellen toe:
[2-1] Blz. 24-27 vert. 34/35 Sympathie en antipathie in het spreken; daarover opmerkingen uit GA 81; het gebeurt in het midden van de mens; spreken en adem; voelen: ritmische afwisseling van sympathie en antipathie: spreken ook;
[2-2] Blz. 25 vert. 36 Over de vocalen A, E, I , O, U (als oe); aangevuld met opmerkingen uit GA 218; GA 300C; GA 305; GA 306; GA 307; GA 308; GA 309; GA 310; GA 311> Wat betekent dit voor de beelden om het schrijven en lezen aan te leren.
[2-3] Blz. 27 vert. 37 Over de medeklinkers; uit GA 81; kern: nabootsing van de buitenwereld; sympathie in de klinker, antipathie in de medeklinker; iets over ‘plastisch’- ‘muzikaal’ in verband hiermee.
De Duitse uitgaven heeft als ondertitel : methodisch-didaktisches
het methodisch-didactische
De vertaling heeft als ondertitel: het hart van de vrijeschool
Inhoudsopgave uit de vertaling van 2020. De link gaat naar de inhoudsopgave van de door mij besproken voordrachten. Die inhoudsopgave is uitgebreider.
Deze pagina is voor het grootste deel nog in opbouw.
TWEEDE VOORDRACHT 22 augustus 1919 Het samenspel van sympathie en antipathie in de mens. Oorsprong van de taal in het gevoelsleven. Klinkers als uitingen van zielenroerselen. O, oe, a, e, i; de bijzondere klank a-o-oe.
Medeklinkers als nabootsing van dingen in de buitenwereld. Voorbeelden van woordvormingen in verschillende talen. De getalsmatige ordening van aardse en kosmische processen: het getal 25920. Gevoel voor levensgeheimen noodzakelijk voor de leraar. Opvoeding van het verstand en van de wil. De rol van sympathie en antipathie in de opvoeding.
Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.
In deze vergadering gaat het over:
Lezen vanuit schrijven [1] Morgenspreuk [2] Antroposofisch godsdienstonderwijs [3] Doelmatigheid bij biologie [4] De mens in klas 4 [5] Het antwoord lijkt specifiek voor deze leerkracht gegeven, de aanwijzingen wijken af van wat Steiner elders heeft aangegeven. De door Steiner gegeven aardefasen in vergelijking met de gangbare termen; hoe waren de dieren, de mens, fossielen [6] Verwijzing naar een onderwerp in een andere vergadering over plantkunde: stempel, stamper en de bewegingen van zon en maan [7] Temperamenten i.v.m. overwicht ene wezensdeel op andere; melancholie [8] Ouderavonden [9] Ouderspreekuur [10] Popularisering geesteswetenschap; welke boeken [11] Belangrijkste: contact leerkracht-leerling; de ernst van de pedagogische opdracht in relatie tot de tijd en de geestelijke wereld; verantwoordelijkheid [12]
RUDOLF STEINER .
Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924
Erster Band Das erste und zweite Schuljahr
Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart
Band 1 Het eerste en tweede schooljaar .
Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
Zunächst findet eine Besprechung statt über einzelne Kinder, die Dr. Steiner sich am Vormittag angesehen hatte.
Eerst is er een gesprek over individuele kinderen die Dr. Steiner ’s ochtends had gezien.
Dr. Steiner: Den E. E. muß man moralisch heben. Er ist ein Bolschewist.
E. E. moet moreel opgevoed worden. Hij is een bolsjewiek.
X., der vertretungsweise die 1. Klasse führte, stellt eine Frage.
X., die de eerste klas vervangt, stelt een vraag.
Dr. Steiner: Man sollte das Lesen sehr stark aus dem malenden Schreiben herausarbeiten. Die Formen müßte man aus dem Künstlerischen heraus ableiten.
[1] Lezen moet heel sterk worden uitgewerkt vanuit schrijven door tekenen. De vormen moeten worden afgeleid van het artistieke.
X. schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.
X. stelt voor ’s morgens te beginnen met het Onze Vader*.
[2] Het antwoord ishier (vanaf <1> te vinden. Daar staat de morgenspreuk met vertaling en meer context.
Verder vanaf daar:
Blz.98
Lehrplan für den freien anthroposophischen Religionsunterricht für Kinder.
.
Dr. Steiner: Dieser Unterricht müßte in zwei Stufen erteilt werden. Wenn Sie überhaupt darauf eingehen wollen, anthroposophischen Unterricht mit religiösen Zielen zu betreiben, dann müssen Sie den Begriff des Religiösen eben viel ernster nehmen, als er gewöhnlich genommen wird. Gewöhnlich wird der Begriff der Religion dadurch entstellt, daß in die Religion allerlei nicht hineingehöriges Weltanschauliches hineingemischt wird. Dadurch wird gerade durch die religiöse Überlieferung dasjenige von einem Zeitalter ins andere hinübergetragen, was man nicht weiterbilden will. Es blieben alte Weltanschauungen neben den weitergebildeten Weltanschauungen gewahrt. Diese Dinge traten ja grotesk hervor in dem Zeitalter des Galilei und Giordano Bruno. Wie heute noch in Apologien diese Dinge gerechtfertigt werden, das ist geradezu humorvoll. Die katholische Kirche redete sich aus, daß ja dazumal die kopernikanische Weltanschauung nicht anerkannt gewesen sei, die sie selber verboten hatte; daher durfte Galilei sie auch nicht vertreten. Darauf will ich jetzt nicht eingehen, sondern ich will es nur erwähnen, um Ihnen zu sagen, daß das Religiöse ernst genommen werden muß, sobald es sich um Anthroposophisches handelt. Nicht wahr, das Anthroposophische ist eine Weltanschauung, und die wollen wir als solche durchaus nicht in unsere Schule hineintragen. Wir müssen aber jenes religiöse Gefühl, welches von dieser
[3] Deze lessen zouden in twee fasen gegeven moeten worden. Als je überhaupt antroposofisch onderwijs met religieuze doelen wilt geven, dan moet je het begrip religie veel serieuzer nemen dan gewoonlijk het geval is. Het begrip religie wordt meestal vervormd door er allerlei wereldbeelden in te vermengen die er niet in thuishoren. Daardoor draagt de religieuze traditie van het ene tijdperk op het andere datgene over wat men niet verder wil ontwikkelen. Oude wereldbeelden bleven bewaard naast de wereldbeelden die verder ontwikkeld waren. Deze dingen kwamen op groteske wijze naar voren in de tijd van Galileo en Giordano Bruno. De manier waarop deze dingen vandaag de dag nog steeds in apologieën (verdedigingsreden) worden gerechtvaardigd is bijna humoristisch. De katholieke kerk kwam met het excuus dat in die tijd het Copernicaanse wereldbeeld niet erkend werd, dat ze zelf verboden had; daarom mocht Galileo die niet vertegenwoordigen. Ik wil daar nu niet op ingaan, maar ik wil het alleen noemen om u te vertellen dat het religieuze serieus genomen moet worden zodra het over antroposofie gaat. Het is waar dat antroposofie een wereldbeschouwing is, die wij als zodanig zeker niet in onze school willen inbrengen. Maar we moeten het religieuze gevoel ontwikkelen dat
Blz. 99
Weltanschauung der Menschenseele vermittelt wird, für die Kinder, deren Eltern es ausdrücklich verlangen, entwickeln. Wir dürfen aber gerade, wenn wir von der Anthroposophie ausgehen wollen, nichts Falsches entwickeln, nichts Verfrühtes vor allen Dingen entwickeln. Wir werden daher zwei Stufen unterscheiden. Wir nehmen also die Kinder zunächst zusammen, die wir in den vier Unterklassen haben, und dann die, die wir in den vier Oberklassen haben. In den vier unteren Klassen versuchen wir mit den Kindern Dinge und Vorgänge der menschlichen Umwelt so zu besprechen, daß bei den Kindern die Empfindung entsteht, daß Geist in der Natur lebt. Da kommen also solche Dinge dann in Betracht, wie ich sie als Beispiele angeführt habe. Man will den Kindern zum Beispiel den Begriff der Seele beibringen. Da ist es notwendig, daß man erstens den Begriff des Lebens überhaupt den Kindern nahebringt. Den Begriff des Lebens bringt man den Kindern nahe, wenn man sie aufmerksam macht darauf, daß die Menschen zuerst klein sind, dann heranwachsen, alt werden, daß sie weiße Haare bekommen, Runzeln bekommen und so weiter. Also man weist auf den Ernst des Lebenslaufes beim Menschen hin und macht tatsächlich die Kinder mit dem Ernst des Todes bekannt, mit dem die Kinder ja doch bekannt werden.
van deze wereldbeschouwing op de menselijke ziel wordt overgedragen aan kinderen van wie de ouders dat uitdrukkelijk verlangen. Maar juist als we vanuit de antroposofie willen beginnen, mogen we niets verkeerds, vooral niets voorbarigs ontwikkelen. Daarom maken we onderscheid tussen twee fasen. Eerst nemen we de kinderen bij elkaar die we in de vier lagere klassen hebben en daarna de kinderen die we in de vier hogere klassen hebben.
In de vier lagere klassen proberen we met de kinderen dingen en processen van de menselijke omgeving te bespreken op zo’n manier dat de kinderen het gevoel ontwikkelen dat geest in de natuur leeft. Dingen zoals ik die als voorbeeld heb gegeven komen aan bod. Je wilt kinderen bijvoorbeeld begrip van de ziel leren. Dan moet je de kinderen eerst vertrouwd te maken met het begrip leven in het algemeen. Het concept van leven wordt aan kinderen geleerd wanneer ze bewust worden gemaakt van het feit dat mensen eerst klein zijn, dan opgroeien, oud worden, grijs haar krijgen, rimpels enzovoort. Je wijst dus op de ernst van de loop van het menselijk leven* en maakt kinderen vertrouwd met de ernst van de dood, die ze toch wel leren kennen.
Dann ist es durchaus nicht unnötig, nun Vergleiche anzustellen zwischen dem, was in der Menschenseele vorgeht beim Wechsel von Schlafen und Wachen. Auf solche Dinge kann man bei dem kleinsten Kinde auf der ersten Stufe durchaus eingehen. Wachen und Schlafen: die Erscheinung besprechen, wie da die Seele ruhend ist, wie der Mensch unbeweglich ist im Schlafe und so weiter. Dann bespricht man mit dem Kinde, wie die Seele den Körper durchdringt, wenn er wacht, und macht es aufmerksam darauf, daß es einen Willen gibt, der in den Gliedern sich regt; macht es aufmerksam darauf, daß der Körper der Seele die Sinne gibt, durch die man sieht, hört und so weiter. Solche Dinge sind also als Beweis zu geben dafür, daß Geistiges im Physischen waltet. Das ist mit dem Kinde zu besprechen. Vollständig vermieden muß werden irgendeine oberflächliche Zweckmäßigkeitslehre. Also der anthroposophische Religionsunterricht darf ja nicht nach dem Muster jener Zweckmäßigkeitslehre irgendwie orientiert sein, die da sagt: „Wozu findet man an dem Baume Kork? ” „Damit man Champagnerpfropfen machen kann. Das hat der liebe Gott weise eingerichtet, damit man Kork hat zu Pfropfen.” Dieses, daß etwas da ist „wozu”, das wie menschliche Absicht waltet und in der Natur sich auslebt, das ist Gift; das darf nicht entwickelt werden. Also ja nicht banale Zweckmäßigkeitsvorstellungen in die Natur hineintragen.
Dan is het helemaal niet overbodig om vergelijkingen te maken tussen wat er in de menselijke ziel gebeurt als die afwisselt tussen slapen en waken. Zulke dingen kunnen zeker besproken worden met het kleinste kind in de eerste fase. Waken en slapen: bespreek het fenomeen hoe de ziel in rust is, hoe de mens onbeweeglijk is in de slaap enzovoort. Dan bespreekt je met het kind hoe de ziel het lichaam doordringt als het wakker is, en vestigt zijn aandacht op het feit dat er een wil is die in de ledematen opwelt; vestigt zijn aandacht op het feit dat het lichaam de ziel de zintuigen geeft waardoor men ziet, hoort enzovoort. Zulke dingen moeten gegeven worden als bewijs dat het spirituele aan het werk is in het fysieke. Dit moet met het kind besproken worden. Elke oppervlakkige opportuniteitsleer moet volledig worden vermeden. Het antroposofisch godsdienstonderricht mag dus op geen enkele manier georiënteerd zijn op de nuttigheidsleer die zegt: ‘Waarom zit er kurk aan de boom? “Zodat je er kurk voor champagneflessen van kan maken. De goede God heeft het wijselijk zo geregeld dat je kurk hebt om een kurk van te maken.” Dit, dat er iets is “met welk doel”, dat zich gedraagt als een menselijke bedoeling en dat zich uitleeft in de natuur, is vergif; het mag niet ontwikkeld worden. Breng dus geen banale ideeën van nuttigheid in de natuur.
Blz. 100
Ebensowenig darf die Vorstellung gepflegt werden, die die Menschen so sehr lieben, daß das Unbekannte ein Beweis des Geistes ist. Nicht wahr, die Menschen sagen: Oh, das kann man nicht wissen, da offenbart sich der Geist! — Statt daß die Menschen die Empfindung bekommen: Man kann vom Geiste wissen, der Geist offenbart sich in der Materie —, werden die Menschen so sehr daraufhingelenkt, daß da, wo man sich etwas nicht erklären kann, ein Beweis ist für das Göttliche. Diese zwei Dinge sind also streng zu vermeiden, oberflächliche Zweckmäßigkeitslehre und solche Wundervorstellungen, die also das Wunder geradezu suchen als einen Beweis des göttlichen Waltens. Dagegen kommt es überall darauf an, daß wir uns Vorstellungen ausbilden, durch die wir aus der Natur auf das Übersinnliche hinweisen. Zum Beispiel habe ich ja oftmals das eine erwähnt: Wir sprechen mit den Kindern über die Schmetterlingspuppe, wie der Schmetterling aus der Puppe kommt, und machen ihnen daran den Begriff der unsterblichen Seele klar, indem wir sagen: Ja, der Mensch stirbt, und dann geht aus ihm die Seele heraus wie ein unsichtbarer Schmetterling, so wie der Schmetterling aus der Puppe geht. Aber wirksam ist eine solche Vorstellung nur, wenn Sie selber daran glauben, wenn Ihnen selber die Vorstellung des Auskriechens des Schmetterlings aus der Puppe ein von göttlichen Mächten in die Natur hineingepflanztes Symbolum für die Unsterblichkeit ist. Man muß selber daran glauben, sonst glauben einem die Kinder nicht.
We moeten ook niet het idee cultiveren, waar mensen zo van houden, dat het onbekende het bewijs is van de geest. Niet waar, mensen zeggen: Oh, dat kun je niet weten, daar openbaart de geest zich! – In plaats van dat mensen de indruk krijgen: Je kan van de geest weten, de geest openbaart zich in de materie -, worden mensen zozeer aangezet om te geloven dat waar iets niet verklaard kan worden, het een bewijs is van het goddelijke. Deze twee dingen moeten daarom strikt vermeden worden, oppervlakkige theorieën van opportunisme en die van de voorstellingen van wonderen als een bewijs van goddelijke activiteit. Aan de andere kant is het overal belangrijk dat we ideeën vormen waarmee we vanuit de natuur naar het bovenzinnelijke kunnen wijzen. Aan de andere kant is het overal van belang dat we ideeën vormen waarmee we verwijzen naar het bovenzinnelijke uit de natuur. Eén ding heb ik bijvoorbeeld vaak genoemd: we praten met de kinderen over de vlinderpop, hoe de vlinder uit de pop komt, en daarmee leggen we hun de onsterfelijke ziel uit door te zeggen: ja, de mens sterft, en dan verlaat de ziel hem als een onzichtbare vlinder, net zoals de vlinder uit de pop tevoorschijn komt. Maar zo’n idee is alleen effectief als je er zelf in gelooft, als je zelf het idee ziet van de vlinder die uit de pop tevoorschijn komt als een symbool van onsterfelijkheid, door goddelijke krachten in de natuur geplant. Je moet er zelf in geloven, anders geloven de kinderen je niet. Zie ‘vrijeschoolonderwijs doen’ –Alle plaatsen in de ped. voordrachten.
Solche Dinge muß man anregen in den Kindern, und sie werden dann besonders wirksam sein in den Kindern, wo man zeigen kann, wie ein Wesen in vielen Gestalten leben kann, eine Urgestalt in vielen einzelnen Gestalten. Aber es kommt darauf an, das Empfindungsgemäße, nicht das Weltanschauungsgemäße im religiösen Unterricht zu pflegen. Sie können zum Beispiel die Gedichte über die Metamorphose der Pflanzen und der Tiere ganz gut religiös verwenden, nur müssen Sie die Gefühle, die Empfindungen, die von Zeile zu Zeile gehen, verwenden. Und Sie können in ähnlicher Weise die Natur betrachten, bis die 4. Klasse vollendet ist. Da müssen Sie namentlich auch die Vorstellung immer wieder anregen, daß der Mensch im ganzen Weltenall drinnensteht mit all seinem Denken und all seinem Tun. Und Sie müßten auch diese Vorstellung anregen, daß in dem, was in uns lebt, auch der Gott lebt. Und immer wieder müssen Sie auf solche Vorstellungen zurückkommen: Im Baumblatt lebt das Göttliche, in der Sonne lebt das Göttliche, in der Wolke und im Flusse lebt das Göttliche. Aber das Göttliche lebt auch im Blutlauf; das
Die dingen moeten in de kinderen opgeroepen worden en ze zullen dan in de kinderen bijzonder werkzaam zijn, daar waar men kan laten zien hoe één wezen in vele vormen kan leven, één oervorm in vele individuele vormen. Maar het is belangrijk om het gevoel te cultiveren, niet het ideologische in het godsdienstonderwijs. Je kunt bijvoorbeeld de gedichten over de metamorfose van planten en dieren* heel goed gebruiken voor het religieuze, maar je moet de gevoelens gebruiken, de beleving in iedere zin. En je kan op een vergelijkbare manier naar de natuur kijken tot de 4e klas klaar is. Je moet dan vooral ook de voorstelling steeds weer blijven stimuleren dat de mens deel uitmaakt van het hele universum met al zijn gedachten en al zijn handelingen. En je moet ook het idee stimuleren dat God leeft in wat in ons leeft. En steeds opnieuw moet je op zulke ideeën terugkomen: Het goddelijke leeft in het boomblad, het goddelijke leeft in de zon, het goddelijke leeft in de wolk en in de rivier. Maar het goddelijke leeft ook in de bloedsomloop;
Blz. 101
Göttliche lebt im Herzen, in dem, was du fühlst, in dem, was du denkst. Also immer die Vorstellung entwickeln, daß der Mensch auch ausgefüllt ist vom Göttlichen. Dann muß man sehr stark schon in diesen Jahren die Vorstellung hervorrufen, daß der Mensch verpflichtet ist, weil er den Gott darstellt, weil er das Göttliche offenbart, ein guter Mensch zu sein. Der Mensch tut dem Gott Schaden, wenn er nicht gut ist. Der Mensch ist nicht um seiner selbst willen in der Welt, religiös gedacht, sondern er ist in der Welt zur Offenbarung des Göttlichen. Man drückt das oft so aus, daß man sagt: Der Mensch ist nicht um seiner selbst willen da, sondern ,,zur Ehre Gottes”. — Zur „Ehre” bedeutet dann aber in Wirklichkeit „zur Offenbarung”. Wie es ja auch nicht heißt in Wirklichkeit: ,,Ehre sei Gott in der Höhe”, sondern: ,,Es offenbaren sich die Götter in der Höhe.” So ist auch der Satz, daß der Mensch ,,zur Ehre Gottes ” da ist, so zu fassen: Er ist da, damit er durch seine Taten und sein ganzes Fühlen das Göttliche ausdrückt. Und wenn er etwas Schlechtes tut, wenn er unfromm und ungut ist, so tut er etwas, was dem Gotte zur Schmach wird, wodurch der Gott selbst entstellt wird, zu etwas Unschönem wird.
het goddelijke leeft in het hart, in wat je voelt, in wat je denkt. Ontwikkel dus altijd de idee dat de mens ook vervuld is van het goddelijke. Dan moet je al in deze jaren heel sterk de idee oproepen dat de mens verplicht is, omdat hij God vertegenwoordigt, omdat hij het goddelijke openbaart, om een goed mens te zijn. De mens schaadt God als hij niet goed is. De mens is niet in de wereld omwille van zichzelf, religieus gesproken, maar hij is in de wereld omwille van de openbaring van het goddelijke. Dit wordt vaak uitgedrukt door te zeggen dat de mens er niet is omwille van zichzelf, maar “tot eer van God”. – Maar “tot eer” betekent dan eigenlijk “tot openbaring”. Net zoals het eigenlijk niet betekent: “Ere zij God in de hoge”, maar eerder: “ De Goden worden geopenbaard in de hoge”. De zin dat de mens bestaat “tot eer van God” kan ook zo begrepen worden: Hij bestaat zodat hij het goddelijke kan uitdrukken door zijn daden en al zijn gevoelens. En als hij iets slechts doet, als hij goddeloos en niet goed is, doet hij iets dat een oneer wordt voor God, waardoor God zelf verminkt wordt, iets lelijks wordt.
Diese Vorstellung muß man besonders hereinbringen. Also das Innewohnen des Gottes in dem Menschen, das ist etwas, was schon auf dieser Stufe verwendet werden muß. Auf dieser Stufe würde ich noch von jeder Christologie absehen und nur aus der Natur und aus Naturvorgängen heraus eben das göttliche Vatergefühl erwecken. Und ich würde versuchen, daran zu knüpfen allerlei Besprechungen über Motive des Alten Testaments, namentlich auch soweit sie verwendbar sind — und sie sind es, wenn sie nur richtig behandelt werden —, die Psalmen Davids, das Hohe Lied und so weiter. Das wäre also die erste Stufe. Bei der zweiten Stufe, die ja also die vier höheren Klassen umfassen würde, würde es sich darum handeln, daß man viel bespricht mit den Kindern die Begriffe von Schicksal, Menschenschicksal. Also dem Kinde wäre eine Vorstellung beizubringen von dem, was Schicksal ist, so daß das Kind wirklich fühlt, daß der Mensch ein Schicksal hat. Den Unterschied dem Kinde beizubringen zwischen dem, was einen zufällig bloß trifft, und dem, was Schicksal ist, das ist wichtig. Also man muß den Begriff des Schicksals mit dem Kinde behandeln. Die Frage, wann einen etwas als Schicksal trifft, oder wann einen etwas zufällig trifft, die läßt sich nicht definitionsgemäß erläutern. Man kann sie aber vielleicht an Beispielen erläutern. Ich will sagen, wenn ich empfinde bei einem Ereignis, das mich trifft, daß ich das Ereignis
Deze voorstelling moet in het bijzonder naar voren worden gebracht. Dus dat God in de mens woont, is iets dat in deze fase aan de orde moet komen. In die fase zou ik nog steeds afzien van enige christologie en alleen het goddelijke Vadergevoel opwekken vanuit de natuur en vanuit natuurlijke processen. En ik zou proberen om daar allerlei gesprekken te voeren over motieven uit het Oude Testament voor zover ze bruikbaar zijn – en dat zijn ze, als ze maar correct behandeld worden – de Psalmen van David, het Hooglied enzovoort. Dit dus voor de eerste fase. In de tweede fase, die dus de vier hogere klassen omvat, zou het kunnen gaan om met de kinderen te bespreken wat begrippen als het lot en de menselijke bestemming inhouden. Het kind zou een idee moeten krijgen van wat het lot is, zodat het echt voelt dat de mens een bestemming heeft. Het is belangrijk om het kind het verschil te leren tussen wat toevallig gebeurt en wat het lot is. Je moet dus het begrip lot met het kind behandelen. De vraag wanneer iets je overkomt als het noodlot of wanneer iets je overkomt door toeval, kan je niet met definities uitleggen. Maar misschien kan het worden uitgelegd aan de hand van voorbeelden. Ik wil zeggen dat wanneer ik een gebeurtenis meemaak die me treft, ik het gevoel heb dat ik naar de gebeurtenis
Blz.102
so wie gesucht habe, dann ist es Schicksal. Wenn ich nicht empfinden kann, daß ich es gesucht habe, aber besonders stark empfinden kann, daß es mich überrascht und daß ich viel daran lernen kann für die Zukunft, dann ist es ein Zufall, dann wird es erst Schicksal. Es muß an diesem, was nur empfindungsgemäß erlebt werden kann, der Unterschied zwischen ,,vollendetem Karma” und „aufgehendem, werdendem Karma” dem Kinde allmählich beigebracht werden. Man muß wirklich die Schicksalsfrage im Sinne der Karmafrage allmählich mit dem Kinde behandeln. Daß es in der Empfindung Unterschiede gibt, darüber werden Sie Genaueres finden in der neuesten Auflage meiner „Theosophie”. Da habe ich diese Frage einmal behandelt in dem Kapitel ,,Reinkarnation und Karma”, das ganz neu bearbeitet ist. Da habe ich versucht, herauszuarbeiten, wie man den Unterschied empfinden kann. Da können Sie den Kindern durchaus schon klarmachen, daß es eigentlich zweierlei Ereignisse gibt. Bei dem einen empfindet man eben mehr, daß man es gesucht hat: zum Beispiel wenn man einen Menschen kennenlernt, empfindet man meistens, daß man ihn gesucht hat. Wenn einen ein Naturereignis trifft, in das man verquickt ist, dann empfindet man, daß man viel daran lernen kann für die Zukunft. Trifft einen etwas durch Menschen, so ist es meist ein erfülltes Karma.
op zoek was, dan is het het lot. Als ik niet kan voelen dat ik het gezocht heb, maar wel bijzonder sterk kan voelen dat het me verrast en dat ik er veel van kan leren voor de toekomst, dan is het toeval, dan pas wordt het het lot. Het kind moet geleidelijk het verschil leren tussen “voltooid karma” en “opkomend, wordend karma” door dit, wat alleen gevoelsmatig ervaren kan worden. Het vraagstuk van het lot in de zin van het karmavraagstuk moet echt geleidelijk met het kind worden behandeld. In de laatste uitgave van mijn “Theosofie” vind je meer gedetailleerde informatie over het feit dat er verschillende belevingen zijn. Daar heb ik deze vraag nu behandeld in het hoofdstuk “Reïncarnatie en Karma”, dat volledig herzien is. Daar heb ik geprobeerd uit te werken hoe je het verschil kan waarnemen. Je kunt de kinderen laten inzien dat er eigenlijk twee verschillende gebeurtenissen zijn. Bij het ene heb je meer het gevoel dat je ernaar op zoek bent geweest: als je bijvoorbeeld een persoon leert kennen, heb je meestal het gevoel dat je naar deze op zoek bent geweest. Als je iets overkomt bij een natuurgebeurtenis, waar je verkwikt uitkomt, heb je het gevoel dat je er veel van kunt leren voor de toekomst. Als je iets overkomt via mensen, is dat meestal een vervuld karma.
Selbst in einer solchen Weise, daß Sie sich hier zusammenfinden zum Beispiel in einem Lehrerkollegium in der Waldorfschule, ist ein erfülltes Karma. Man findet sich so zusammen, weil man sich gesucht hat. Das läßt sich aber nicht definitionsgemäß klarmachen, sondern nur empfindungsgemäß. Man muß dem Kinde viel über allerlei besondere Schicksale sprechen, vielleicht in Erzählungen, worin Schicksalsfragen spielen. Man kann manches sogar wiederholen aus den Märchenerzählungen, indem man die Märchen noch einmal durchnimmt, in denen Schicksalsfragen spielen. Namentlich kann man auch in der Geschichte solche Beispiele aufsuchen, wo man an einzelnen Personen sieht, wie sich ein Schicksal erfüllt. Die Schicksalsfrage ist also zu besprechen, um von dieser Seite auf den Ernst des Lebens hinzuweisen. Und dann möchte ich Ihnen klarmachen, was das eigentlich Religiöse im anthroposophischen Sinne ist. Das Religiöse im Sinne der Anthroposophie ist das Gefühlsmäßige, das, was wir aus der Weltanschauung an Gefühlen aufnehmen für Welt und Geist und Leben. Die Weltanschauung selber ist eine Sache des Kopfes, das Religiöse aber geht immer aus dem ganzen Menschen hervor. Daher ist eine Religion, die Bekenntnisreligion ist, eigentlich nicht wirklich reli-
Zelfs op zo’n manier dat u hier samenkomt, bijvoorbeeld in een lerarengroep op een vrijeschool, is een vervuld karma. U komt zo samen omdat u elkaar hebt opgezocht. Dit is echter niet begripsmatig te verklaren, maar alleen op gevoel. Je moet veel met het kind praten over allerlei bijzondere lotsbestemmingen, misschien in verhalen waarin lotsvragen een rol spelen. Je kunt zelfs een aantal dingen uit de sprookjes herhalen door de sprookjes nog eens door te nemen waarin lotsvragen een rol spelen. In het bijzonder kun je ook op zoek gaan naar voorbeelden in de geschiedenis waarin je kunt zien hoe een lot zich voltrekt in individuele personages. De vraag van het lot moet daarom worden besproken om vanuit dit perspectief op de ernst van het leven te wijzen. En dan wil ik u duidelijk maken wat in antroposofische zin eigenlijk religieus is. Het religieuze in de zin van antroposofie is het gevoelsmatige, datgene wat we uit het wereldbeeld halen aan gevoelens voor wereld, geest en leven. Het wereldbeeld zelf is een zaak van het hoofd, maar het religieuze komt altijd voort uit de hele persoon. Daarom is een religie die een confessionele religie is, niet echt religieus.
Blz. 103
Dasjenige, worauf es ankommt, ist, daß in der Religion der ganze Mensch, und zwar hauptsächlich Gefühl und Wille, lebt. Dasjenige, was an Weltanschauungsinhalt in der Religion lebt, das ist eigentlich nur zum Exemplifizieren, zur Unterstützung, zur Vertiefung des Gefühls und zur Erstarkung des Willens. Das ist das, was aus der Religion fließen soll: daß der Mensch über das, was einem die vergänglichen, irdischen Dinge an Gemütsvertiefung und Willenserstarkung geben können, hinauswächst. Von der Schicksalsfrage wäre dazu überzugehen, den Unterschied zu besprechen zwischen dem, was man von den Eltern ererbt hat, im Gegensatz zu dem, was man aus einem früheren Erdenleben mitbringt. In der zweiten Stufe werden die früheren Erdenleben herangezogen, und alles wird beigetragen, damit ganz verstandesmäßig, gefühlsmäßig begriffen wird, daß der Mensch in wiederholten Erdenleben lebt. Und dann sollte durchaus berücksichtigt werden, daß der Mensch zunächst sich in drei Stufen zum Göttlichen erhebt. — Also, nachdem man mit dem Schicksalsbegriff beigebracht hat langsam, in Erzählungen, den Vererbungsbegriff, den Begriff der wiederholten Erdenleben, geht man über zu den drei Stufen des Göttlichen: Erstens zu dem Göttlichen, das zu dem Engelwesen führt, das für jeden einzelnen Menschen persönlich da ist. Und da bespricht man, wie der einzelne Mensch von Leben zu Leben geführt wird durch seinen persönlichen Genius. Also dieses Persönlich-Göttliche, das im Menschen führend ist, das wird zuerst besprochen.
Waar het om gaat is dat in religie de hele mens, en vooral het gevoel en de wil, leeft. Wat er aan inhoud van het wereldbeeld in religie zit, is er eigenlijk alleen maar om door voorbeelden uit te leggen, te ondersteunen, het gevoel te verdiepen en de wil te versterken. Wat uit de religie moet stromen: dat mensen verder komen dan wat de vergankelijke, aardse dingen aan het verdiepen van het gevoel en de versterking van de wil kunnen bijdragen. Van het vraagstuk van het lot kunnen we dan verder gaan naar het verschil tussen wat je van je ouders hebt geërfd, en wat je meeneemt uit een vorig leven op aarde. In de tweede fase kijken we naar de voorgaande aardse levens en wordt alles zo aangedragen dat volledig intellectueel, emotioneel wordt begrepen dat de mens in herhaalde levens op aarde leeft. En dan moet er zeker rekening mee worden gehouden dat mensen zich op het goddelijke richten in drie fasen. – Dus, nadat we het begrip van het lot langzaam hebben aangeleerd met verhalen, van het erfelijkheidsbegrip, van het aardse leven dat zich herhaalt, ga je verder met de drie niveaus van het goddelijke: In de eerste plaats naar het goddelijke, wat leidt naar het engelwezen dat er persoonlijk voor iedereen is. En daar bespreken we hoe de individuele mens van leven tot leven wordt geleid door zijn persoonlijke genius. Dus dit persoonlijk goddelijke dat in de mens leidend is, wordt eerst besproken.
Zweitens versucht man nun zu erklären, daß es höhere Götter gibt, die Erzengel, und daß die dazu da sind — man kommt da allmählich hinein in das, was man in der Geschichte, in der Geographie betrachten kann —, daß die Erzengel dazu da sind, um ganze Menschengruppen zu dirigieren, also Völkermassen und dergleichen. Das muß scharf so beigebracht werden, daß das Kind unterscheiden lernt zwischen dem Gott, von dem zum Beispiel der Protestantismus spricht, der eigentlich nur der Engel ist, und zwischen dem Erzengel, der etwas Höheres ist als dasjenige, was eigentlich in der evangelischen Religionslehre überhaupt vorkommt. Drittens ist dann nun auch der Begriff des Zeitgeistes beizubringen als eines waltenden Göttlichen über Perioden hin. Da kommt man in den Zusammenhang zwischen der Geschichte und der Religion. Und erst, wenn man solche Begriffe beigebracht hat, geht man dazu über, so etwa im zwölften Jahr — wir können es ja jetzt nicht so machen; wir werden zwei Stufen machen; die Kinder können durch-
Ten tweede probeert je nu uit te leggen dat er hogere goden zijn, de aartsengelen, en dat die er zijn – je komt geleidelijk bij wat kan worden waargenomen in de geschiedenis en de geografie – dat de aartsengelen er zijn om hele groepen mensen te leiden, dat wil zeggen volkeren en dergelijke. Het moet zodanig duidelijk onderwezen worden dat het kind onderscheid leert maken tussen de God waar het protestantisme bijvoorbeeld over spreekt: die eigenlijk gewoon de engel is, en tussen de aartsengel, die iets hogers is dan wat feitelijk in de evangelische godsdienst voorkomt. Ten derde moet ook het begrip tijdgeest worden aangeleerd als iets heersend goddelijks gedurende perioden. Dan kom je bij de samenhang tussen geschiedenis en religie. En pas als je zulke begrippen hebt geleerd, ga je ze gebruiken, zo rond het twaalfde jaar* – dat kunnen we nu niet zo doen; we zullen twee fasen nemen; de kinderen kunnen echt wel
Blz. 104
aus schon früher hören, was sie dann später besser verstehen —, nachdem wir die drei Stufen dem Kinde möglichst beigebracht haben, gehen wir über zur eigentlichen Christologie, indem wir die Weltentwickelung in zwei Teile teilen: in die vorchristliche, die eine Vorbereitung war, und in die christliche, die eine Erfüllung ist. Da muß der Begriff eine große Rolle spielen, daß sich das Göttliche durch den Christus offenbarte ,,in der Fülle der Zeiten”. Und dann gehe man auch erst über zu den Evangelien. Bis dahin verwende man, insofern man Erzählungen braucht, um den Begriff der Engel, Erzengel und des Zeitgeistes zu erklären, das Alte Testament. Man macht aus dem Alten Testament heraus, zum Beispiel das Eintreten eines neuen Zeitgeistes, dem Kinde klar an der Erscheinung des Moses, gegenüber dem früheren Zeitgeist, wo die Offenbarung des Moses noch nicht vorhanden war. Dann macht man wiederum klar, daß ein neuer Zeitgeist auftritt im 6. Jahrhundert der vorchristlichen Zeit. Dazu verwendet man zuerst das Alte Testament. Und dann, wenn man zur Christologie übergegangen ist, aber es so erlaßt hat in einer langen vorbereitenden Zeit, dann gehe man über zu den Evangelien und versuche, einzelne Glieder der Evangelien herauszunehmen, und immer wie etwas Selbstverständliches die Vierheit der Evangelien beizubringen, indem man sagt:
eerder horen, wat ze dan later beter begrijpen – nadat we het kind zoveel mogelijk de drie fasen hebben geleerd en dan gaan we over tot de feitelijke christologie door de wereldevolutie in twee delen te verdelen: het voorchristelijke deel, dat een voorbereiding was, en het christelijke deel, dat een vervulling is. Dan moet het begrip dat het goddelijke zich openbaart door Christus ‘in de volheid des tijds’ een grote rol spelen. En dan gaan we ook verder met de Evangeliën. Tot dan, als je verhalen nodig had, om de engelen, aartsengelen en de tijdgeest uit te leggen, gebruikte je het Oude Testament. Vanuit het Oude Testament maak je bv. het verschijnen van een nieuwe tijdgeest duidelijk door het optreden van Mozes, tegenover de vroegere tijdgeest waarin de openbaring van Mozes er nog niet was. Vervolgens wordt opnieuw duidelijk gemaakt dat er in de 6e eeuw van de voorchristelijke tijd een nieuwe tijdsgeest ontstond. Hiervoor gebruik je allereerst het Oude Testament. En als je dan verder gaat met de christologie, maar het tijdens een lange voorbereidingsperiode op deze manier hebt verteld, dan ga je naar de evangeliën en probeer je er afzonderlijke delen uit te halen, en altijd als iets vanzelfsprekends de vier evangeliën te onderwijzen door te zeggen:
Wie ein Baum von vier verschiedenen Seiten photographiert werden muß, um richtig gesehen zu werden, so sind die vier Evangelien wie vier Gesichtspunkte. Man nehme einmal das Matthäus-Evangelium, einmal das Markus-Evangelium, einmal das Lukas-Evangelium, einmal das Johannes-Evangelium und lege gerade besonderen Wert darauf, daß das immer gefühlt wird. Auf den Gefühlsunterschied lege man ganz und gar den Hauptwert. Das wäre also die zweite Stufe mit ihrem Lehrinhalt. Der Tenor der ersten Stufe ist der, daß dem werdenden Menschen beigebracht werden sollte alles dasjenige, was kund werden kann vermittels des Göttlichen in der Natur durch Weisheit. Auf der zweiten Stufe ist die Umwandlung: der Mensch erkennt das Göttliche durch Weisheit allein nicht, sondern durch die wirkende Liebe. Das ist der Tenor, das Leitmotiv in den beiden Stufen.
Zoals een boom van vier verschillende kanten gefotografeerd moet worden, om deze goed te zien, zo zijn de vier evangeliën gelijk aan vier standpunten. Neem een keer het Evangelie van Mattheüs, een keer het Evangelie van Marcus, een keer het Evangelie van Lucas, een keer het Evangelie van Johannes en hecht er bijzonder belang aan dat dit altijd gevoeld wordt. Het accent moet komen te liggen op het verschil in gevoelsbeleving. Dat zou dus de tweede fase zijn met de lesinhoud ervan. De teneur van de eerste fase is dat de zich ontwikkelende mens alles moet leren wat hierdoor bekend kan worden gemaakt door het goddelijke in de natuur door wijsheid. In de tweede fase vindt de verandering plaats: de mens erkent dit goddelijk, niet alleen door wijsheid, maar door dat wat werkt door de liefde. Dat is de teneur, het leidmotief in de twee fasen.
X.: Soll man Sprüche lernen lassen?
Moet je spreuken aanleren?
Dr. Steiner: Ja, vorzugsweise aus dem Alten Testament, später aus dem Neuen Testament. Aber nicht die Sprüche, die oftmals in Gebetbüchern enthalten sind, die sind zumeist trivial. Also Sprüche aus der
Ja, bij voorkeur uit het Oude Testament, later het Nieuwe Testament. Maar niet de spreuken die vaak in gebedenboeken staan, die zijn meestal triviaal. Dus spreuken uit de
Blz. 105
Bibel, und auch dasjenige, was wir haben in der Anthroposophie an Sprüchen. Wir haben ja allerlei Sprüche, die können gut verwendet werden in diesem anthroposophischen Religionsunterricht.
Bijbel, en ook wat we in de antroposofie hebben aan spreuken. We hebben allerlei spreuken* die we goed kunnen gebruiken in dit antroposofische godsdienstonderwijs.
Dr. Steiner: Die Zehn Gebote sind ja im Alten Testament enthalten, aber es muß der Ernst der Sache immer klargemacht werden. Ich habe ja immer betont, es steht auch da drinnen, daß man den Namen des Gottes nicht eitel aussprechen soll. Das wird ja übertreten fast von jedem Kanzelredner, indem der Name des Christus fortwährend eitel ausgesprochen wird. Das muß natürlich alles gefühlsmäßig vertieft werden. Der Religionsunterricht soll überhaupt gegeben werden nicht in Bekenntnisform, sondern in gefühlsmäßiger Vertiefung. Das Credo ist als solches nicht die Hauptsache, sondern dasjenige, was empfunden wird beim Credo; nicht der Glaube an den Vatergott, an den Sohngott, an den Geistgott, sondern was man empfindet dem Vater, dem Sohne, dem Geiste gegenüber. So daß immer in den Seelengründen waltet:
Gott nicht erkennen, ist eine Krankheit; Christus nicht erkennen ist ein Schicksal, ein Unglück; den Geist nicht erkennen ist eine Beschränktheit der Menschenseele.
De Tien Geboden staan in het Oude Testament, maar de ernst van de zaak moet altijd duidelijk worden gemaakt. Ik heb altijd benadrukt dat daarin ook staat dat de naam van God niet ‘ijdel’ mag worden uitgesproken. Dat wordt door bijna iedereen die vanaf de spreekstoel preekt overtreden, wanneer de naam van Christus voortdurend ‘ijdel’ wordt gebruikt. Natuurlijk moet dit allemaal gevoelsmatig worden verdiept. Religieus onderwijs zou überhaupt gegeven moeten worden, niet in de vorm van een leer, maar in gevoelsverdieping. De Geloofsbelijdenis als zodanig is niet het belangrijkste, maar wat wordt gevoeld in het Credo; niet het geloof in de Vader God, in de Zoon God, in de Geest Gods, maar wat men voelt bij de vader, de zoon, de geest. Dus dat altijd in de diepte van de ziel aanwezig is:
God niet kennen, is een ziekte; Het niet erkennen van Christus is een lot, een ongeluk; Het niet kennen van de geest is een beperking van de menselijke ziel.
X.: Soll man das Historische den Kindern nahebringen: den Gang der Zarathustra-Individualität bis zur Offenbarung des Christentums? Die Geschichte von den beiden Jesus-Knaben?
X.: Moeten we kinderen iets leren over de geschiedenis: de ontwikkeling van Zarathoestra’s individualiteit tot aan de openbaring van het christendom? Het verhaal van de twee Jezuskinderen?
Dr. Steiner: Man muß den Religionsunterricht abschließen, indem man den Kindern diese Zusammenhänge beibringt, selbstverständlich sehr vorsichtig. Die erste Stufe ist durchaus mehr Naturreligion, die zweite mehr historische Religion.
Je moet het godsdienstonderwijs afsluiten door de kinderen deze verbanden te leren, uiteraard heel zorgvuldig. De eerste fase is beslist meer natuurlijke religie, de tweede meer historische religie.
X.: Für den Naturgeschichtsunterricht ist auch wohl die Zweckmäßigkeitslehre zu vermeiden? Der Schmeilsche Leitfaden für Botanik und Zoologie — der ist teleologisch.
[4] X.: Moet de doelmatigheidsheorie ook vermeden worden in de biologielessen? De Schmeil-gids voor plantkunde en dierkunde-het is teleologisch. (kortweg: met een doel)
Dr. Steiner: Bei den Büchern bitte ich durchaus zu berücksichtigen, daß ich sie nur betrachtet wissen möchte zu Ihrer Information bezüglich der Tatsachen. Sie können schlechtweg voraussetzen, daß die Methoden, die da drinnen befolgt sind, auch in der Anschauungsweise, durchaus von uns zu vermeiden sind. Bei uns müssen eben alle Dinge wirklich neu werden. Diese schrecklichen Dinge, die man nur so charakterisieren kann: Der gute Gott hat den Kork erschaffen,
Als het om boeken gaat, zou ik u willen vragen er rekening mee te houden dat ik er alleen maar meer over wil weten voor uw informatie over de feiten. Je kunt er gewoon vanuit gaan dat we de werkwijzen die daarin worden gevolgd, ook in de manier van kijken, absoluut moeten vermijden. Bij ons moet echt alles nieuw. Deze vreselijke dingen die men alleen maar zo kan karakteriseren: De goede God schiep de kurk,
Blz. 106
damit man Champagnerpfropfen daraus machen kann —, diese Gesinnung, die natürlich solche Bücher ganz durchdringt, die müssen wir vollständig vermeiden. Für uns sind diese Bücher nur da, damit wir uns über die Tatsachen informieren. So ist es auch in der Geschichte. Da ist nicht minder alles Kohl, was an Urteil hineingeflossen ist. In der Naturgeschichte erst recht. Es scheint mir zum Beispiel nicht schlimm, wenn man den Brehm verwenden würde, wenn solche Dinge aktuell werden sollten. Im Brehm sind solche Trivialitäten vermieden. Er ist ja ein bißchen spießig. Es wäre ganz gut, wenn man solche Dinge herausschreiben würde, und die Erzählungen dabei mehr zugrunde legen würde. Das würde vielleicht das beste sein. Er ist ja philiströs geschrieben, der alte Brehm; der neue kommt nicht in Betracht, der ist wiederum von einem Modernen bearbeitet. Sie können ungefähr annehmen, daß alles, was vom Jahre 1885 an an Schulbüchern erzeugt worden ist, schlechtes Zeug ist. Seit jener Zeit ist alle Pädagogik in der furchtbarsten Weise zurückgegangen und in die Phrase hineingekommen.
zodat je er champagnekurken van kan maken – deze teneur, die zulke boeken natuurlijk helemaal doordringt, moeten we volledig vermijden. Voor ons zijn deze boeken er gewoon zodat we ons op de hoogte kunnen stellen van de feiten. Voor geschiedenis is het hetzelfde. Daar is niet minder aan onzin in gekomen. Bij biologie pas echt. Het lijkt mij bijvoorbeeld niet erg als je de Brehm gebruikt, wanneer zulke dingen aan de orde zouden komen. In de Brehm zijn dergelijke trivialiteiten vermeden. Hij is een beetje burgerlijk. Het zou heel goed zijn als je dit soort dingen zou uitschrijven en daarbij dan meer verhalen naar voren halen. Dat zou misschien wel het beste zijn. Het is wat schoolmeesterachtig geschreven die oude Brehm; de nieuwe komt niet in aanmerking, die is weer op een moderne manier bewerkt. Je kunt er grofweg vanuit gaan dat alles wat vanaf 1885 aan schoolboeken is geproduceerd, slecht in elkaar zit. Vanaf die tijd is alle pedagogie op de meest verschrikkelijke manier achteruitgegaan en in loze woorden uitgemond.
X.: Wie muß man in der Naturgeschichte den Menschen durchnehmen? Wie soll man das in der 4. Klasse anfangen?
[5] X.: Hoe moeten we de mens in de biologie behandelen? Hoe moet je hiermee beginnen in de 4e klas?
Dr. Steiner: Für den Menschen finden Sie fast alles irgendwie in meinen Zyklen zerstreut. Es ist fast alles irgendwo gesagt. Und dann ist ja auch vieles im Seminarkursus angedeutet. Sie brauchen es nur umzusetzen für die Schule. Die Hauptsache ist, daß Sie sich an die Tatsachen halten, aber auch an die Tatsachen psychologischer und spiritueller Art. Sie nehmen zunächst den Menschen durch nach der Formung des Knochensystems; da können Sie ja nicht unsicher sein. Dann gehen Sie über zum Muskelsystem, zum Drüsensystem. Am Muskelsystem bringen Sie den Kindern bei den Begriff des Willens, am Nervensystem den Begriff des Denkens. Also halten Sie sich an das, was Sie aus der Anthroposophie kennen. Es ist notwendig, daß Sie sich ja nicht beirren lassen durch ein heutiges schablonenmäßiges Buch. Nehmen Sie sich sogar lieber — Sie brauchen ja nicht für Ihre 4. Klasse etwas, was „auf der Höhe der Wissenschaft” steht — eine ältere Beschreibung und halten Sie sich daran. Alle diese Dinge sind, wie gesagt, spottschlecht geworden, seit den achtziger Jahren. Aber in den Zyklen finden Sie überall Anhaltspunkte.
Voor de mens kun je op de een of andere manier bijna alles verspreid vinden in mijn cycli. [de toen tot dan toe verschenen voordrachten]. Bijna alles wordt wel ergens gezegd. En dan is er ook veel in de cursus [zie Rudolf Steiner over dierkunde] behandeld. U moet het alleen veranderen voor in de school. Het belangrijkste is dat u zich aan de feiten houdt, maar ook aan de psychologische en spirituele feiten. U behandelt de mens eerst naar hoe de botten gevormd zijn; daar hoef u zich niet onzeker bij te voelen. Dan gaat u over naar het spiersysteem, het kliersysteem. Aan het spiersysteem kun je de kinderen het begrip van de wil uitleggen, aan het zenuwsysteem het begrip van het denken. Houd u aan wat u uit de antroposofie weet. Het is noodzakelijk dat u zich niet laat misleiden door de stereotype boeken van vandaag. Neem liever – u hebt het voor uw 4e klas niet nodig dat iets “op wetenschappelijke hoogte’ staat – een oudere beschrijving en houd u daaraan. Al deze dingen zijn, zoals ik al zei, sinds de jaren tachtig erg slecht geworden. Maar overal in de cycli vind aanwijzingen.
X.: Ich habe hier eine Tabelle der geologischen Formationen zusammengestellt im Anschluß an das gestern Gesagte.
X.: Ik heb een tabel met geologische formaties samengesteld naar aanleiding van wat gisteren* werd gezegd.
Blz. 107
Sie dürfen da nie pedantisch parallelisieren. Ja, wenn Sie zu der Primitivform, zum Urgebirge, gehen, haben Sie die polarische Zeit. Die paläozoische entspricht der hyperboräischen Epoche, auch da dürfen Sie nicht pedantisch die einzelnen Tierformen nehmen. Dann haben Sie das mesozoische Zeitalter dem lemurischen im wesentlichen entsprechend. Dann die erste und zweite Säugetierfauna oder das känozoische Zeitalter, das ist das atlantische Zeitalter. Das atlantische ist nicht älter als etwa neuntausend Jahre. — Diese fünf Zeitalter, das primitive, paläozoische, mesozoische, känozoische, anthropozoische können Sie also geradezu parallelisieren, aber nicht pedantisch.
[6] Je moet dingen nooit op pedante wijze parallelliseren. Ja, als u naar de primitieve vorm gaat, naar de oergebergten, heb je de polaire tijd. Het Paleozoïcum komt overeen met het Hyperboreïsche tijdperk, ook hier moet je niet pedant de individuele diervormen nemen. Dan heb je het Mesozoïcumin in essentie dienovereenkomstig met het Lemurische tijdperk. Dan de eerste en tweede zoogdierfauna of het Cenozoïcum, dat is het Atlantische tijdperk. Dat is niet ouder dan ongeveer negenduizend jaar. — Je kan deze vijf tijdperken feitelijk parallelliseren: het primitieve, het Paleozoïcum, Mesozoïcum, Cenozoïcum en Antropozoïcum, maar niet pedant.
X.; Es ist einmal gesagt, daß die Abzweigung der Fische und die Abzweigung der Vögel gewöhnlich nicht richtig angegeben werden, zum Beispiel bei Haeckel.
X; Er is ooit gezegd dat de aftakking van de vissen en de aftakking van de vogels meestal niet correct vermeld worden , bijvoorbeeld bij Haeckel.
Die Abzweigung der Fische wird allerdings etwas zurückgeschoben im Devonschen Zeitalter.
De aftakking van de vissen wordt enigszins teruggeschoven naar het Devoon.
X.; Wie sieht der Mensch in diesem Zeitalter aus?
X.; Hoe ziet de mens er in deze tijd uit?
Im primitiven Zeitalter ist er fast ganz noch von ätherischer Substantialität. Er lebt zwischen den anderen Erscheinungen. Er hat noch keine Dichte. Er wird dichter im hyperboräischen Zeitalter. Nur diese Tierformen, die eigentlich der Niederschlag sind, die leben. Der Mensch lebt auch, nicht in geringer Kraft, er hat eine ungeheure Kraft. Aber er hat nichts an sich von einer Substanz, die zurückbleiben könnte. Daher gibt es keine Überreste. Er lebt durch die ganzen Zeitalter hindurch und bekommt erst etwa im känozoischen Zeitalter äußere Dichte. Wenn Sie sich erinnern, wie ich das lemurische Zeitalter beschrieben habe, das sind fast ätherische Landschaften. Das ist alles da, aber es sind keine geologischen Überreste da. Aber wollen Sie das berücksichtigen, daß eigentlich hier durch alle fünf Zeitalter überall schon Mensch ist: Mensch ist überall. Dann hier (Dr. Steiner demonstriert an der Tabelle) im ersten Zeitalter (Primitivform) ist außer dem Menschen eigentlich noch nichts anderes vorhanden; das sind nur geringfügige Überreste. Da ist Eozoon canadense eigentlich mehr Formation, etwas, was sich als Figur bildet; das ist nicht ein wirkliches Tier. Dann hier in der hyperboräisch-paläozoischen Zeit tritt das Tierische schon auf, aber in Formen, die später nicht mehr erhalten sind. Hier in der lemurisch-mesozoischen Zeit tritt das Pflanzenreich auf, und hier tritt in der Atlantis, in der känozoischen Zeit, das Mineralreich auf; eigentlich schon in der letz-
In de primitieve tijd is deze nog steeds vrijwel geheel etherisch van aard. Hij leeft tussen de andere verschijnselen. Er is nog geen verdichting. Hij wordt dichter in het Hyperboreïsche tijdperk. Alleen de dierlijke vormen, die feitelijk de neerslag zijn, leven. De mens leeft ook, niet met weinig kracht, hij heeft een enorme kracht. Maar hij heeft niets aan zich van substantie die achter zou kunnen blijven. Daarom zijn er dus geen overblijfselen. Hij leeft gedurende al die tijdperken en krijgt pas rond het Cenozoïcum een externe dichtheid. Als u zich nog herinnert hoe ik het Lemurische tijdperk heb beschreven, zijn dit bijna etherische landschappen. Het is er allemaal, maar er zijn daar geen geologische overblijfselen. Maar wil u er rekening mee houden, dat gedurende die vijf tijdperken er al overal mensen zijn: de mens is overal. Dan hier (Dr. Steiner laat het op de tabel zien) in het eerste tijdperk (primitieve vorm) bestaat er buiten de mens bijna niets anders, daar zijn slechts kleine overblijfselen van. Eozoon canadense is eigenlijk meer een vorm, iets dat zich als een figuur vormt; dat is geen echt dier. Dan verschijnt hier in de Hyperboreïsche-Paleozoïsche periode het dierachtige al wel maar dan in vormen die later niet meer bewaard gebleven zijn. Hier in de Lemurisch-Mesozoïsche tijd verschijnt het plantenrijk, en hier in Atlantis, in de Cenozoïcumperiode, het mineralenrijk; eigenlijk al in de laatste
Blz. 108
ten Zeit hier, in diesen zwei früheren Zeitaltern schon. (In den beiden letzten Unterrassen der lemurischen Zeit.)
laatste tijd hier, in deze twee vroegere tijdperken al. (In de laatste twee onderrassen van de Lemurische periode.)
X.: Ist der Mensch schon als Kopfmensch, Brustmensch und Gliedmaßenmensch da?
X.: Zijn er al mensen als hoofd-, borst-en ledematenmens?
Dr. Steiner: Er ist ähnlich wie ein Kentaur. Stark tierischer Unterleib und vermenschlicht der Kopf.
Hij lijkt op een centaur. Een sterk dierachtig onderlijf en een vermenselijkt hoofd.
X.: Man hat fast den Eindruck, als wäre es eine Zusammensetzung, eine Symbiose aus drei Wesenheiten.
X.: Je krijgt bijna de indruk dat het een compositie is, één symbiose van drie entiteiten.
Dr. Steiner: So ist es auch.
Dat is ook zo.
X.: Wie ist es möglich, daß dann im Karbon Pflanzenreste sind?
X.: Hoe kan het dat er plantenresten in het Carboon aanwezig zijn?
Das sind keine Pflanzenreste. Was da so ausschaut wie Pflanzenreste, das ist dadurch entstanden, daß zum Beispiel der Wind weht und ganz bestimmte Hemmungen findet. Sagen wir, der Wind weht und bringt so etwas wie Pflanzenformen hervor, die sich geradeso erhalten haben wie der Tritt der Tiere. (Hyperboräisches Zeitalter.) Es ist eine Art Pflanzenkristallisation. Es ist eine Einkristallisierung mit Pflanzenformen.
Dit zijn geen plantenresten. Wat eruit ziet als plantenresten, is ontstaan doordat bijvoorbeeld de wind waait en heel bepaalde weerstanden ondervindt. Laten we zeggen de wind waait en vormt zoiets als plantvormen, net als de voetstappen van dieren. (Hyperboreïsch tijdperk.) Het is een soort plantenkristallisatie. Het is een kristallisatie met plantvormen.
X.: Also die Bäume, die existierten gar nicht?
X.: Dus de bomen bestonden niet eens?
Dr. Steiner: Nein, die sind als Baumformen vorhanden gewesen. Die ganze Flora der Karbonzeit ist nicht physisch vorhanden. Denken Sie sich einen Wald, der eigentlich in seiner Ätherform vorhanden ist, und der daher in bestimmter Weise den Wind aufhält. Dadurch bilden sich da in der Form fast Stalaktiten. Was sich bildet, das sind nicht Überreste von Pflanzen. Da bilden sich Formen einfach durch die Konfiguration, die da entsteht durch Elementarwirkungen. Das sind nicht wirkliche Überreste. Man kann nicht sagen, daß das so ist, wie in der Atlantis. Da haben sich dann die Sachen erhalten, und in der letzten lemurischen Zeit auch, aber in der Karbonzeit ist keine Rede davon, daß Pflanzenüberreste da sind. Nur tierische Überreste. Aber da handelt es sich auch in der Mehrzahl um solche Tiere, die nur zu parallelisieren sind mit unserer Kopfform.
Nee, ze bestonden als boomvormen. De hele flora uit het Carboon is fysiek niet aanwezig. Stel u een bos voor dat daadwerkelijk bestaat in zijn ethervorm, en die daardoor de wind op een bepaalde manier tegenhoudt. Hierdoor ontstaan er bijna in de vorm, stalactieten . Wat er wordt gevormd zijn geen resten van planten. Er ontstaan eenvoudigweg vormen door de configuratie die ontstaat door elementaire effecten. Dat zijn geen echte overblijfselen. Je kan niet zeggen dat dat het geval is in Atlantis. Toen bleven de dingen bewaard, ook op het laatst van de Lemurische periode, maar het is niet zo dat er in het Carboon over plantenresten gesproken kan worden. Alleen over dierlijke resten. Maar het grootste deel hiervan zijn dieren die alleen parallel te denken zijn met onze vorm van het hoofd.
X.: Wann richtete sich der Mensch auf? Man kann den Punkt nicht einordnen.
X.: Wanneer richtte de mens zich op? Je kunt het punt niet classificeren.
Dr. Steiner: Das ist doch nicht gut, wenn Sie sich diese Vorstellungen so festnageln. Denn, nicht wahr, manche Rasse richtete sich eben früher auf und manche später. Man kann nicht den bestimmten Punkt festnageln. So ist es in der Wirklichkeit nicht.
Het is niet goed om je zo op deze voorstellingen vast te leggen. Want nietwaar, sommige rassen gaan gewoon eerder rechtop lopen en soms later. Je kan dat bepaalde tijdstip niet vastpinnen. Zo is het in werkelijkheid niet.
Blz. 109
X.: Wenn das Pistill dem Monde zugeordnet ist, die Narbe der Sonne, wie drückt sich da die Bewegung von Sonne und Mond aus?
[7] X.: Als de stamper wordt toegewezen aan de maan, de stempel aan de zon, hoe manifesteren de beweging van zon en maan zich dan? [hierover ging het in deze vergadering blz. 90, 93, 94]
Dr. Steiner; Sie müssen sich die Sache so vorstellen. (Es wird gezeichnet.) Die Narbe geht nach oben, das wäre die Sonnenbahn; und das Pistill bewegt sich ringsherum, da ist man in der Mondenbahn darinnen. Da haben wir ein Abbild dieser Sonnen-Erdenbahn, die ich gestern aufgezeichnet habe. Der Mond bewegt sich aber um die Erde. Der ist im Pistill drinnen. (Dr. Steiner demonstriert an der Zeichnung.) Das erscheint daher so, die Mondenbahn, die auch natürlich so herumgeht, aber nicht in gerader Linie für die Verhältnisse erscheint. Die Sonnenbahn ist die Narbe. Dieser Kreis ist eine Nachbildung der Spirale, die ich gestern gezeichnet habe. Es ist auch eine Spirale, eine Schraube.
U moet er op deze manier over nadenken. (Er wordt getekend.) De stempel gaat naar boven, dat is de zonnebaan; en de stamper beweegt eromheen, dan zit je in de baan van de maan. Daar hebben we een beeld van deze baan zon – aarde, die ik gisteren heb laten zien. Maar de maan beweegt om de aarde. Die zit in de stamper. (Dr. Steiner demonstreert dit met de tekening.) Daarom lijkt de baan van de maan die natuurlijk zo rond gaat, maar niet in verhouding in een rechte lijn. De baan van de zon is de stempel. Deze cirkel is een replica van de spiraal die ik gisteren tekende. Het is ook een spiraal, een schroef.
X.: Wir haben gehört, daß die Temperamente mit dem Übergewicht der einzelnen Leiber zusammenhängen. Im Zyklus 20 ist nun die Rede davon, daß ein Übergewicht besteht des physischen Leibes gegenüber dem Ätherleib, des Ätherleibes gegenüber dem Astralleib, des Ich gegenüber dem Astralleib. —Ist hier ein Zusammenhang mit den Temperamenten? — Im 18. Zyklus ist eine Figur erwähnt, die gibt das richtige Verhältnis der Leiber an.
[8] X.: We hebben gehoord dat temperamenten verband houden met het overwicht van de te onderscheiden ‘lijven’. In cyclus 20 wordt nu gezegd dat er een overheersing van het fysieke lichaam is over het etherlijf; van het etherlijf over het astraallijf, van het Ik over het astraallijf. —Bestaat hier een samenhang met de temperamenten? In cyclus 18 staat een tekening die de juiste verhouding van de wezensdelen aangeeft. [cyclus 18 is nu GA 129 niet vertaald cyclus 20: GA 134 vertaald]
Dr. Steiner: Das gibt das Kräfteverhältnis an.
Dat geeft de krachtsverhoudingen aan.
X.: Ist da weiter eine Beziehung zu den Temperamenten?
X.: Bestaat er verder nog een relatie met temperamenten?
Dr. Steiner: Keine andere, als die im Seminarkurs angegeben wurde .
Niets anders dan wat er in de cursus werd aangegeven.
X.: Es wurde gesagt, daß Melancholie durch ein Übergewicht des physischen Leibes entsteht. Ist das ein Übergewicht des physischen Leibes über den Ätherleib?
X.: Er wordt wel gezegd dat melancholie wordt veroorzaakt door een overheersing van het fysieke lichaam. Is dit een overheersing van het fysieke lichaam over het etherlijf?
Dr. Steiner: Nein, überhaupt ein Übergewicht über die anderen Leiber.
Nee, eigenlijk een overwicht op de anderen lijven.
Es wird gefragt nach einem Elterntag.
[9] Er wordt gevraagd naar een dag voor de ouders.
Dr. Steiner: Er sollte schon vorhanden sein, aber es wäre gut, wenn er nicht allzuoft wäre, sonst versickert das Interesse und die Eltern kommen nicht mehr. Es muß so eingerichtet werden, daß die Eltern auch wirklich kommen. Wenn er zu oft ist, würde es eine übel empfundene Sache. Man sollte gerade in bezug auf Schuleinrichtungen keine Projekte machen, die nicht erfüllt werden. Man sollte sich nur vornehmen, was auch wirklich geschehen kann. Dreimal im Jahr einen Elterntag ansetzen, das würde ich für gut finden. Dann würde ich aber vorschlagen, daß er möglichst feierlich behandelt wird, daß also Karten gedruckt werden und allen einzelnen Eltern diese Karten zugeschickt werden. Vielleicht könnte man es so einrichten, daß man den ersten so im Anfang des Schuljahres festsetzt; mehr als Courtoisie, damit man mit den Eltern wiederum in Kontakt kommt. Dann in der Mitte des Schuljahres einen Elternabend und einen am Ende des Schuljahres. Die beiden letzten sind dann die eigentlich maßgebenden. Der erste ist nur eine Courtoisie. Man könnte die Kinder ja etwas deklamieren lassen, etwas Eurythmie machen lassen und so weiter.
Die zou er al moeten zijn, maar het zou goed zijn als het niet te vaak is, anders verslapt de interesse en dan komen de ouders niet meer. Het moet zo worden opgezet dat de ouders ook echt komen. Als het te vaak gebeurt, zou het een slechte zaak worden. Wat schoolzaken betreft, moeten we geen projecten opzetten die niet waar gemaakt kunnen worden. We moeten ons alleen voornemen wat werkelijk uitgevoerd kan worden. In drie keer per jaar een dag voor de ouders organiseren, kan ik me heel goed vinden. Dan stel ik mij echter zo voor dat die feestelijk van opzet is, dat er kaarten worden gedrukt die alle ouders ontvangen. Misschien kunnen we het zo opzetten dat we de eerste organiseren aan het begin van het schooljaar; meer een vorm van beleefdheid, zodat we met de ouders opnieuw in contact kunnen komen. Dan een ouderavond in het midden van het schooljaar Een ouderavond tijdens het schooljaar en één aan het einde van het schooljaar. De laatste twee zijn eigenlijk de belangrijkste. De eerste is slechts uit beleefdheid. Je zou de kinderen iets kunnen laten opzeggen, wat euritmie doen enzovoort.
Elternsprechstunden kann man einrichten; das ist ganz gut. Im allgemeinen werden Sie ja wahrscheinlich die Erfahrung machen, daß sich die Elternschaft zu wenig kümmert, außer die anthroposophischen Eltern.
[10] U kunt ouder-leraarspreekuren instellen; dat is best goed. Over het algemeen zal je waarschijnlijk ervaren dat de ouders daar niet genoeg mee bezig zijn, behalve de antroposofische ouders.
X. bittet, ihm etwas zu sagen über die Popularisierung der Geisteswissenschaft, besonders in bezug auf die Nachmittagskurse für Arbeiter.
[11] X. vraagt hem iets te vertellen over de popularisering van de geesteswetenschap, vooral in relatie tot de middagcursussen* voor arbeiders.
Dr. Steiner: Nun, diese Popularisierung muß sich mehr darauf beziehen, den richtigen Gang einzuhalten. Ich bin im allgemeinen nicht dafür, daß man das Popularisieren durch Trivialisierung bewirkt. Ich meine also, daß man zunächst das Buch ,,Theosophie” zugrunde legt und von Fall zu Fall herauszukriegen versucht, was ein bestimmtes Auditorium schwer oder leicht versteht. Sie werden sehen, daß die letzte Auflage der „Theosophie” viele Winke enthält, gerade wenn man sie als Lehrstoff vorträgt. Dann würde ich übergehen zu der Besprechung einzelner Partien von „Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? “, aber niemals mit der Tendenz, daß die Leute Hellseher werden sollen. Sie sollen sich nur informieren über die Wege des Hellsehers, so daß sie es wissen, auf welche Weise man zu
Nou, deze popularisering moet meer gaan over het houden van de juiste koers. Over het algemeen ben ik geen voorstander van popularisering door middel van trivialisering. Ik denk dus dat eerst het boek ‘Theosofie’ [GA 9, vertaald] als basis moet worden genomen en van geval tot geval proberen te vinden wat een bepaald publiek moeilijk of gemakkelijk te begrijpen vindt. U zal zien dat de laatste uitgave van “Theosofie” veel aanwijzingen bevat, vooral als je het gebruikt als lesmateriaal. Dan zou ik verder mee gaan met bespreking een paar delen van “De weg tot inzicht in hogere werelden? ” [GA 10, vertaald] , maar nooit met de neiging dat mensen helderziend moeten worden. Ze hoeven zich alleen maar te informeren over de weg van de helderziende, zodat ze weten op welke manier je
Blz. 111
diesen Wahrheiten kommt. Sie sollen das Gefühl bekommen, durch gesunden Menschenverstand kann man begreifen und wissen, auf welchen Wegen diese Dinge erfaßt werden. Dann kann man richtig populär behandeln ,,Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit”. Das wären für eine populäre Darstellung die drei Bücher. Im übrigen muß man sich nach dem Auditorium richten.
deze waarheden komt. Ze moeten het gevoel krijgen dat je door een gezond verstand kan begrijpen en weten langs welke wegen deze dingen te bereiken zijn. Dan kun je ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid‘ [GA 15, vertaald] op een populaire manier aan de orde stellen. Voor een populaire aanpak zouden dat de drie boeken zijn. Voor het andere moet je naar het publiek luisteren.
Es wird noch über einzelne Kinder gesprochen.
Er worden nog een paar individuele kinderen besproken.
Dr. Steiner: Das Wichtigste ist, daß immer Kontakt da ist, daß der Lehrer mit den Schülern eine richtige Einheit bildet. Das ist im Grunde genommen fast durch alle Klassen hindurch in sehr schöner, erfreulicher Weise vorhanden gewesen. Ich war sehr erfreut über die Sache. Ich kann Ihnen sagen, ich werde viel, auch wenn ich nicht da bin, an diese Schule herdenken. Denn, nicht wahr, wir müssen ja alle durchdrungen sein: Erstens von dem Ernst der Sache. Es ist eine ungeheuer wichtige Sache für uns gerade. Zweitens müssen wir durchdrungen sein von der Verantwortung, die wir tragen, sowohl der Anthroposophie gegenüber wie der Kulturbewegung gegenüber, der sozialen Frage gegenüber. Und dann drittens das, was wir als Anthroposophen besonders uns vorhalten müssen: die Verantwortung gegenüber den Göttern.
[12] Het belangrijkste is dat er altijd contact is, dat de leraar met de leerlingen een echte eenheid vormt. Dit is kortom, bijna in alle klassen op een heel mooie, vreugdevolle manier aanwezig. Daar was ik erg blij mee. Ik kan u zeggen, ook als ik er niet ben, dat ik veel aan deze school moet denken. Want ja, we moeten allemaal doordrongen zijn: In de eerste plaats van de ernst van de zaak. Het is een ongelooflijk belangrijke zaak voor ons op dit moment. Ten tweede moeten we doordrongen zijn van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt, zowel wat de antroposofie betreft, als ook de culturele beweging en wat het sociale vraagstuk betreft. En dan ten derde wat wij als antroposofen vooral onszelf moeten voor houden: de verantwoordelijkheid naar de goden.
Wir müssen durchaus innerhalb der Lehrerschaft daran festhalten, daß wir Menschen nicht um unserer selbst willen da sind, sondern um die göttlichen Pläne mit der Welt zu verwirklichen. Halten wir uns das vor, daß wir eigentlich, indem wir das eine oder andere tun, die Intentionen der Götter ausführen, daß wir gewissermaßen die Gehäuse sind, um das zu verwirklichen, was als Strömungen herunterfließt und sich verwirklichen will in der Welt; daß wir keinen Augenblick ermangeln, den ganzen Ernst und die ganze Würde zu empfinden. Empfinden Sie diese Würde, diesen Ernst, diese Verantwortung. Ich werde Ihnen mit solchen Gedanken entgegenkommen. Wir werden uns mit solchen Gedanken begegnen. Das wollen wir heute noch als unsere Empfindung aufnehmen und in diesem Sinne eine Weile auseinandergehen, und dann uns immer wiederum geistig treffen, um die Kraft zu bekommen für dieses wirklich große Werk.
Dit moeten we zeker vasthouden binnen de lerarengroep, dat wij mensen er niet zijn voor onszelf, maar om de goddelijke plannen met de wereld te verwezenlijken. Laten we onszelf voorhouden dat we daadwerkelijk, door het een of het ander te doen, de bedoelingen van de goden uitvoeren, zodat wij als het ware de omhulsels zijn voor het realiseren van wat als stromingen van hoger hand naar ons toekomt en in de wereld gerealiseerd wil worden; dat we geen ogenblik nalaten alle ernst en waardigheid te voelen. Voel deze waardigheid, deze ernst, deze verantwoordelijkheid. Ik zal u met zulke gedachten tegemoet treden. Wij zullen elkaar met zulke gedachten ontmoeten. Dat willen we vandaag nog als ons gevoel in ons opnemen en hiermee een poos uit elkaar gaan, om dan altijd weer elkaar in de geest te ontmoeten om de kracht te krijgen voor dit werkelijk belangrijke werk. GA 300A/96-111