VRIJESCHOOL – Opspattend grind (100)

.
(Tekst in blauw van mij; zwart uit artikel)

.

‘Op school leren over emoties is net zo belangrijk als taal en rekenen’

zegt juf Maxe de Rijk in haar column in Trouw van 13 nov. 2024.
Zij nam de column over van
juf Naomi die ik in deze rubriek ook al eens noemde.
([58]  [78]

De overheid – de verschillende partij-politieke visies waarin nauwelijks ruimte is voor wat een kind – letterlijk – in wezen is, reduceert het kind al geruime tijd tot een ‘lees-rekenobject’ –  en het nieuwe rariteitenkabinet Schoof komt met nog meer van het oude.


Juf Maxe: áls taal en rekenen dan zo belangrijk moeten zijn, dan is het gevoelsleven van het kind dat ook.’

‘Goeiemorgen, Denzel!” Ik sta bij de deur van mijn lokaal en verwelkom mijn leerlingen. Denzel slentert naar binnen. Op de check-in, een bord waarop leerlingen invullen hoe ze zich voelen, schuift hij zijn naam onder de emotie boos en gaat gebogen achter zijn tafel zitten. Ik loop naar hem toe. Tranen druppelen op zijn trainingsvest. “Ik zie dat je boos bent”, zeg ik. Hij kijkt me aan: “Ik ben eigenlijk verdrietig.”

Zo staan en stonden – vanaf het prilste vrijeschoolbegin – de leerkrachten in de deuropening om de leerlingen bij het binnenkomen – en bij het weer naar huis gaan – de hand te schudden. 
Iedere dag weer kijken naar het kind dat je klas binnenkomt. Met nog naklinkend de woorden die je met je collega’s over het kind sprak: ‘Je moet zijn raadsel oplossen, van dag tot dag, van uur tot uur.’

Vanuit een menskundige optiek zou ik het gebruiken van een check-in-bord nog wel wat willen nuanceren, op leeftijd bv., maar dat doet niets af aan de betrokkenheid van juf op het welzijn van de kinderen.

Sociaal-emotioneel welbevinden is een belangrijke basis om tot leren te komen. Niet voor niks besteden scholen hier aandacht aan met lessen over emoties, maar ook bijvoorbeeld kunst, muziek, gym en wereldoriëntatie.’

Juf – en met haar velen – streef er iedere dag naar om het zelfbeeld van de leerlingen te versterken.
‘Het kabinet lijkt dit allemaal een beetje soft te vinden. De nadruk op taal en rekenen moet terug, zo blijkt uit het regeerakkoord. Dat zou de oplossing zijn voor de dalende prestaties in het onderwijs.’

Maar daar is wel wat tegenin te brengen vanuit een andere visie dan een partij-politieke: een ontwikkelingspsychologische.
In een proefschrift van Nil Horoz (VU) komt naar voren dat de focus op taal en rekenen de kansenongelijkheid vergroot en leerlingen uit sociaal-economisch lagere milieus juist niet tot leren laat komen.

Willen we dat leerlingen boven zichzelf uitstijgen, dan moet er ruimte zijn voor de complete ontwikkeling van het kind.

Op haar vorige school ontwikkelde juf met haar collega’s het vak persoonsvorming en socialisatie waarbij middelbare scholieren ontdekken wie ze zijn, wat ze willen en wat ze kunnen betekenen in de maatschappij. Twee uur per week, die afgaan van andere lestijd, bijvoorbeeld van Nederlands en rekenen. Maar wat bleek? De leerlingen presteren sinds de invoering van het vak beter dan ervoor, juist op vakken als Nederlands en rekenen.

Maxe gelooft erin en vertelt enthousiast over wat haar leerlingen later zeggen:

“De les over toekomstdromen. Doordat ik nu een plan heb over wat ik wil bereiken in mijn leven, doe ik extra hard mijn best.”

Daarom blijft ze met haar leerlingen oefenen.
Uiteraard Nederlands en rekenen, maarwe doen ook een check-in en praten over ons leven en de wereld om ons heen.

Het kabinet mag het onzin vinden, maar in de klas en de wetenschap wordt het tegendeel bewezen.

.

Rudolf Steiner:

Een op menskundig inzicht gebouwde pedagogie moet er volkomen van uitgaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.
GA 310/69
Vertaald/73

Ook bij het kind dat nog in ontwikkeling is, willen wij er vandaag de dag geen kennis instampen, maar wij proberen zijn vermogens te ontwikkelen, zodat het niet meer nodig is dat het gedwongen wordt iets te begrijpen, maar dat het iets begrijpen wil.
GA 4/190
Vertaald/219

Juf Maxe is geen vrijeschooljuf.

Meer in wegwijzers

Opspattend grindalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3358-3159

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3 e.v.]*

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.

In Trouw van 6 november 2024 stond een bericht over Jelmer Zandbergen, boer in het Gelderse Doorwerth.
Hij vond tijdens het oogsten op zijn akker met wortelen veel rupsen van de koninginnenpage.
Voor hem was het meteen duidelijk: wij kunnen hier niet verder oogsten. ‘Vlinders, daar moeten we zuinig op zijn. De biodiversiteit kachelt achteruit en om dat te keren moeten we voorzichtig zijn, zeker ook met insecten.”

Hij oogst de wortelen niet verder en kan ze dus niet verkopen in zijn boerderijwinkel.
Maar zijn klanten steunen hem en staan garant voor de gederfde inkomsten.

Met elkaar laten zij de vlinders overwinteren.

Zandbergen is tuinder op het biologisch-dynamische bedrijf Veld en Beek.

Boeren hebben een verantwoordelijkheid als het gaat om biodiversiteit, vindt tuinder Zandbergen. “Je moet je afvragen: wat wil hier zijn? Wij zitten op een hoge zandwal. Een grutto zal je daarom hier niet snel zien. Wij hebben hier wel een kerkuil, de graspieper, de veldleeuwerik en boerenzwaluwen. Als nu de koninginnenpage zich aandient, hebben we daar rekening mee te houden.”

Voor mij is dit een voorbeeld van Steiners zo ware uitspraak dat we als mens met de wereld sterk zijn verbonden.

Tuinder Zandbergen maakt het met zijn klantenkring werkelijk waar.

.
Wat kunnen wij doen? O.a. grond vrijmaken voor een gezonde landbouw,
via Grondbeheer.

.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3357-3158

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (klas 7 t/m 12) [2-2]

.

In het artikel waarin de aanwijzingen staan voor de klassen 1 t/m 6, vind je ook als inleiding meer over het waarom.

Hier gaat het verder met het artikel van Ernst Weissert voor de klassen 7 t/m 12 en met nog een paar aanwijzingen voor andere ruimten.
Zijn mededelingen worden door mij aangevuld met gezichtspunten van Clausen/Riedel.
Tekst in blauw is van mij.

.

Wat Clausen/Riedel betreft:

In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben zij een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.

.
Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg.  nr 5/6 1952

.

Weissert

WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.

7e en 8e klas

De 7e en 8e klas zouden Rafael en Leonardo moeten hebben en wel vanuit het gezichtspunt dat deze dingen niet alleen als kijkmateriaal voor een les kunstgeschiedenis gebruikt worden, maar om ze vóór de feitelijke kunstlessen al een tijd daar te hebben hangen om naar te kijken.
Je kan ook beleven hoe door het vertonen van de allergrootsten, de kinderen bij het volwassener worden niet overweldigd worden, maar eerder hoe het menselijke niveau stijgt en hoe de worstelende ziel in de jonge mens zich in de ontwikkeling bevestigd en erkend voelt; hoe dit de enige manier is om een ​​echte relatie met kunst te ontwikkelen. De jongere die in deze jaren, onder de vrije leiding van zijn leraar, heeft geleerd kunst heilig te houden, die te zien als de veelomvattende oerwaarde van het menselijke – alleen hij zal dan een vrije verhouding tot de kunst als culturele waarde in het algemeen ontwikkelen.

Weissert geeft geen concrete voorbeelden van Rafael en Leonardo.

Clausen in kolom 1:

Van Rafael: Madonnabeelden:

De Sixtijnse Madonna is een van de beroemdste werken van Rafaël.

Er zijn er meer

In vrijeschoolkleuterklassen hangt vaak ook een madonna met kind van Rafael.
Dat is geen aanwijzing van Steiner. Toen hij de aanwijzingen voor de klassen gaf, was er geen kleuterklas. Die was er tijdens Steiners werk aan de Stuttgarter school heel even, maar moest toen weer ophouden. Pas na Steiners dood (1925) is de kleuterklas echt ontstaan.

Van Leonardo stelt zij houtskoolstudies voor, maar ook ‘enz‘ zonder dat in te vullen. Ze noemt wel ‘koppen, paarden en kinderstudies e.a.

What Leonardo da Vinci Learned from Animals | Artsy

Hoofd van een jonge vrouw (ca. 1506 – 1508) van Leonardo da Vinci – Artchive

In kolom 2:

Weer Rafael ‘Madonna met kind’ en Rembrandt: Landschap met drie bomen:

De drie bomen, Rembrandt van Rijn, 1643 - Rijksmuseum

In kolom 3:

Neemt Clausen de vertelstof – verschillende volken en bevolkingsgroepen; de grote ontdekkingen en uitvindingen; voeding en gezondheid.
De tijd van Goethe, Herder en Schiller; geschiedenis tot heden.

Zij geeft geen voorbeelden; dus wat neem je concreet? 
Dit blijft m.i. te vaag.

Weissert:

9e klas

Voor de volgende klassen stelde Rudolf Steiner nu enerzijds de artistieke wandbeelddecoratie voor en anderzijds meer praktische en technische
wanddecoraties. De leerlingen van klas 9 moeten technische situatieplannen krijgen: hoe wordt een weide, een veld, een meent [gemeenschappelijke weide, omdat die er niet meer zijn, zou je m.i. ook wel een bouwterrein kunnen nemennauwkeurig vastgelegd op een kaart? [tegenwoordig vind het landmeten in de 10e klas plaats
Het andere deel van de muur moet reproducties bevatten van een situatie binnen de kunstgeschiedenis die aansluit bij deze leeftijd van het kind: de strijd om los te komen van de tweedimensionale, hiëratische stijl van vóór 1250, hoe dit in de kunst van Giotto en zijn opvolgers als iets nieuws leeft. Dit is waar wij momenteel aan werken
Recentelijk zijn er gekleurde reproducties verschenen, zij het overwegend
in een wat klein formaat voor in de klas. Maar de grote uitgeverijen promoten bijvoorbeeld Giotto’s Madonna’s, en de nieuwe, bewonderenswaardige “Kunstkring”, Zürich, brengt samen met Christian Ar Editie AG – reproducties van dit type in het formaat 50 X 60 cm uit.

Voor de 9e klas werd door Rudolf Steiner ook gedacht aan een praktisch-technische voorstelling, een hemelkaart met een gestileerde samenstelling van figuren aan de hemel. 

Concreet is duseen madonna’ van Giotto.

Ognissanti Madonna van Giotto in Galleria degli Uffizi in FlorenceMeer

Zou zo’n sterrenkaart bedoeld kunnen zijn?

Kunst en de kosmos deel I: Sterren in de schilderkunst - NederlandsMeer

Is dit een technisch situatieplan?

File:Kaart van het bouwterrein bij de Kolk, Plan C en de Oude Haven 1884.jpg - Wikimedia Commons

Meer

Clausen stelt iets heel anders voor: foto’s van verschillende bouwwerken uit India, Perzië, Egypte, Griekenland enz.
(Een foto van Laocoöngroep voor het godsdienstonderwijs)

Ook noemt zij Giotto, naast Van Gogh, Segantini en Rembrandt.
Ze geeft geen voorbeelden in kolom 1.

Kolom 2:

Cézanne: De kastanjelaan:

Barnes Collection Online — Paul Cézanne: The Allée of Chestnut Trees at the Jas de Bouffan (L'allée des marronniers au Jas de Bouffan)

Giotto: De vlucht naar Egypte:

Bestand:Giotto - Scrovegni - -20- - Flight into Egypt.jpg

Giotto: De heilige Franciscus

Van Gogh: Bomentuin in Arles:

Bestand:Vincent van Gogh - Tuin van Arles - Google Art Project.jpg - Wikipedia

Pechstein: Opgaande zon:

Kolom 3:

Ook hier blijft het zeer abstract:

Duits: Goethe en zijn tijd; Hermann Grimm; ontwikkeling van de kunst van oudheid tot Rembrandt; vanaf de 30-jarige oorlog tot heden
Geschiedenis: structuur van de gebiedsverdeling.

10e klas

Weissert:

Rudolf Steiner stelt een illustratie voor van de zee onder de zeespiegel met de dieren die daar leven, dus materiaal uit de biologie dat enerzijds de kennis daarover moet aanspreken, maar ook iets kunstzinnigs moet hebben.

Daar zijn geen concrete voorbeelden van genoemd.

Clausen stelt in kolom 1 voor:

houtsneden, verschillend schrift; zelfgeschreven initialen.
Ze noemt de namen van Holbein, Dürer en Nolde.

In kolom 2:

Alleen Dürer: Zelfportret:

Albrecht Durer zelfportret op achtentwintigjarige leeftijd 50 x 60 cm Dürer zelfportret handgeschilderde olieverfschilderij reproductie DE1 zjc180 - Etsy Nederland

De apostelen Paulus en Markus (r)  en Petrus en Johannes:

Bestand:Sts. Paul, Mark, John en Peter door Albrecht Durer - Alte Pinakothek - München - Duitsland 2017.jpg - Wikimedia Commons

Huis aan visvijver:

Bestand:Albrecht Dürer - Weiherhaus (1497).jpg

Burcht aan het water:

Albrecht Durer

In kolom 3:

Hier zou je iets moeten vinden uit de Nibelungen – Gudrun -; de Edda;
het woord als kunstelement in lyriek, epiek en drama; recitatie.
De oudste geschiedenis van het Morgenland en de Griekse geschiedenis.

11e klas

Weissert:

Voor de 11e klas worden geologische doorsneden en kunstzinnig uitgevoerde hoogtekaarten e.d. voorgesteld. Voor de esthetische kant wordt er verwezen naar Holbein en Dürer. In hun kunstzinnig scheppen wordt de bewustzijnsziel die als iets nieuws verschijnt in de nieuwe tijd, weerspiegeld op een zodanige manier die bij het Midden-Europese geestesleven hoort.
We kunnen ons voorstellen dat Rudolf Steiner die zoals hij bv. de kleuren van de lokalen naar het karakter van de kinderen in Stuttgart, anders aangaf voor de kinderen in Hamburg of Engeland, in een ander land wellicht ook andere aanwijzingen zou hebben gegeven.
Voor onze Duitse kinderen is het karakteristieke het karaktervolle-individuele, het waarachtige, zelfs licht ontvlambare van deze koppen van grote betekenis; bij Dürer meer naar de zielenwarmte neigend, meer naar de objectief heldere zuivere pure waarneming bij Holbein.

Opnieuw geen praktische voorbeelden.

Bij Clausen

Kolom 1:

Tekeningen, etsen van meesters, studies van de meesters door de leerlingen.
Weer worden Holbein, Dürer en Rembrandt genoemd.

Kolom 2:

Dürer: zelfportret:

Zie 11e klas

Holbein: Erasmus:

Erasmus van Rotterdam, gravure | Holbein: karakter vangen | The Morgan Library & Museum Online tentoonstellingen

Rembrandt: De man met de gouden helm:

Rembrandt: Der Mann mit dem Goldhelm | Gemälde Online

Rembrandt: De lachende man:

De Lachende Man - The Laughing Man

Rembrandt: Zelfportret:

Zelfportret met baret, wijd open ogen en open mond, Rembrandt van Rijn, 1630 - Rijksmuseum

Meer

Michelangelo: Hoofd van Godvader:

schilderij van michelangelo van god

Michelangelo: Hoofd van de profeet Elia:

die vond ik niet: wel andere profeten

Kolom 3:

Duits: Parzival, De arme Hendrik, Hartmann von der Aue; tegenstelling apollinische en dionysische levenshouding.
Goethe, Wagner.
Meetkunde: elkaar doordringende lichamen; schaduwconstructies

12e klas:

Weissert:

Voor de 12e klas stelt Rudolf Steiner naast Dürer, Holbein en Rembrandt-reproducties voor.

Dit is ongetwijfeld niet bedoeld als de enige mogelijkheid of als dogmatisch standpunt, zoals het geval is met deze mededelingen uit de vergadering
van de spiritueel grondlegger en leider van de vrijeschool in het algemeen
die in de eerste plaats een schets willen zijn van de geestelijke situatie van het kind en van zijn behoefte aan beelden en die adequate waarnemingen en het proberen willen stimuleren. Sterker nog: je kan ervaren hoe de jonge mens die zijn 18e jaar nadert, op zoek is naar een nog bewuster en dieper begrip van zijn lot, en door de Rembrandtschilderijen aangesproken wordt, of het nu gaat om
het landschap bij Kassel of om de man met de gouden helm of een zelfportret.
Voor deze tijd geeft Rudolf Steiner als technisch-praktisch beeldmateriaal fysiologisch-anatomistische voorstellingen aan als iets dat hoort bij de sterke groei naar het aardse plan die hier plaatsvindt.

De mens met de helm staat hierboven bij klas 11, door Clausen voorgesteld.

Winterlandschap:

Rembrandts "Winterlandschap"

Verder geen voorbeelden.

Clausen:

Kolom 1:

Geeft weer de namen van Holbein, Dürer en Rembrandt, nu met de toevoeging ‘aquarellen, licht-donkertekeningen.
Studiebladen van verschillende bouwwerken.

Kolom 2:

Rembrandt: Een oude man

Bestand:Rembrandt van Rijn (follower) - Head of an old man (19th-century).jpg - Wikipedia

Meer

Rembrandt: Hendrikje Stoffels:

Portrait of Hendrikje Stoffels (1625-63) - Rembrandt Harmensz. van Rijn Als reproductie kunstdruk of als handgeschilderd olieverfschilderij

Meer

Dürer: Jongenskop:

Jongenskopje, en face, het hoofd naar links - PICRYL - Public Domain Media Search Engine Public Domain Image

Meer

Dürer: Gebergte:

Italiaans landschap, aquarel. - Albrecht Dürer Als reproductie kunstdruk of als handgeschilderde olieverfschilderij

Lucas Cranach de oudere: Saksische prins:

een prins van Saksen, Lucas Cranach de Oude

Kolom 3:

Geschriften uit de Oudhoogduitse tijd tot heden.
Elementen van de bouwkunst en vormen door de tijd van cultuur- en stijlgeschiedenis.

Tot zover de opvattingen van Clausen/Riedel.

Weissert vervolgt:

In de volgende vergadering, op 21 januari 1923, zei Rudolf Steiner nog
een paar dingen over de beelddecoratie: in de gang zou rechts en links van de deur van de klas iets soortgelijks moeten hangen als in de betreffende klas.

Muzieklokaal:

Het muzieklokaal moet niet worden versierd met illustratieve of zelfs allegorische afbeeldingen; als er al schilderijen gebruikt worden, dan moeten het geen voorstellingen zijn, maar zuivere kleurharmonieën; de beste manier om het muzieklokaal te versieren is met beeldhouwkunst.
Dit brengt ons terug bij de taken voor onze kunstenaarsvrienden!

Euritmieruimte:

Dit geldt ook voor de inrichting van de euritmiezaal. Deze moet heel anders worden ingericht dan de muziekruimte, met motieven die ontleend zijn aan de dynamiek van de mens, aan de de geestelijke dynamiek die “de expressieve mens artistiek omarmt”.

Gymzaal:

Er wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om de gymzaal met beeldmateriaal in te richten. Hier moet een sterke dynamiek van de mens worden uitgebeeld, 
hoe hij zich presenteert “in zijn evenwicht, in zijn bewegingen, in zijn
relatie tot de wereld, bijv. zich dapper boven een afgrond houdend”.

Handvaardigheidsruimte:

Hier zou het gaan om een ‘gemoedelijke inrichting van een interieur”. Hiervoor zijn de al genoemde Nederlandse kunstenaars geschikt (Vermeer van Delft, Pieter de Hooch, Terborch)

Concreter wordt het niet, Clausen noemt dit niet.

Lijsten

Voor het inlijsten van de reproducties stelde Rudolf Steiner vaak dat het
bij de afbeelding moet passen en om de lijst een kleur te geven die essentieel is in het schilderij.

We hebben goede ervaringen met het bevestigen van de gekleurde platen op houtvezelplaten, waarbij we dan de niet te grote, uitstekende rand een kleur hebben gegeven op de manier die Rudolf Steiner aangeeft. Dit geeft een mooi paneeleffect.
In elke school is het zeker mogelijk om, eventueel met behulp van de ouders niet te dure wissellijsten te maken met natuurlijke kleuren.
Het reflecterende glas is een nadeel, maar je moet waarschijnlijk vermijden om weer naar de gestileerde, “echte”-stijl van schilderen te grijpen die je tegenwoordig in de prestigieuze kunstwinkels in stijlvolle lijsten aantreft, waarbij
het vernis het schilderij op een origineel moet laten lijken.
Dat is een intellectuele leugen. Het zorgt ervoor dat het schilderij, dat voorheen werd herkend als een technisch mooi en goed afgedrukt blad kunst, wordt getransformeerd van onschuldig illustratief materiaal om naar te kijken, naar een ingeblikt beeld.
Het resultaat is tastbaar. In conferentieruimtes in lerarenopleidingen of pedagogische academies die op deze moderne manier gestileerd zijn, doet het ijl aan. Als je een tijdje met zo’n als echt gestileerde reproductie leeft, voel je dat daar een zekere leegte vandaan komt, het voelt als een soort zuigend vacuüm. De waarneming verkommert. Wij geven daarom altijd de voorkeur aan de reproductie met een marge, in een uitneembare lijst.

We keren terug naar de gedachten van ons begin Het huis van het kind, van de rijpende jeugd heeft vandaag de kleur en het beeld in grotere mate nodig als een helend element. Niet uit de subjectieve voorkeur en willekeur van de volwassene, maar uit de behoefte van het kind moet het beelden krijgen. Dat pas in de nieuwere tijd in burgerlijke ruimtes wandmateriaal in lijsten werd opgehangen, is in wezen een onding. 
Een schilderij als gemeenschappelijk element, als inhoud in het leven, zou in de gemeenschapsruimte van de toekomstige mens, het kind – in het schoollokaal – rijk en levendig de muren moeten sieren.
Als het de vertwijfelde hoop van de grote Duitse schilders van de 19e eeuw is geweest (Böddin, Feuerbam, Marees): dat ze muren zouden krijgen van een gemeenschap van mensen waarop ze iets konden afbeelden dat mensen verenigt – zo zou vandaag, in onze scholen, met zo’n benadering van een nieuwe kunst midden in het leven op onze scholen moeten worden begonnen.
Een eerste aanzet tot zo’n nieuwe kunst is op de vrijeschool te vinden in de afbeeldingen die Max Wolffhügel voor de godsdienstles heeft gemaakt. Moge het artistieke werk van Max Wolffhügel op dit gebied een zo groot mogelijke navolging vinden.

Max Wolffhügel
Schets ‘Gang naar Emmaus’, 1946
Kleurkrijt op zwart bord

Ik heb over dit onderwerp maar weinig gevonden.
Weissert neemt min of meer de woorden van Steiner over uit de vergaderingen die worden genoemd.
In de woorden van Weissert zitten bepaalde opvattingen waarvan ik me afvraag of die vandaag de dag nog zo beleefd worden.

De vraag blijft interessant: waarom hangen we ‘wat’ op. 
De woorden van Steiner zijn voor een ruime uitleg vatbaar wat betreft de illustraties, getuige ook wat Clausen/Riedel te berde brengen.

Het zou zeker een aanwinst voor scholen kunnen zijn, wanneer een aantal mensen zich buigt over dit vraagstuk en met mooie, goed gefundeerde vondsten komt, want er blijkt veel mogelijk te zijn. 

.
Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Algemene menskunde: alle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

3356-3157

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (2-1-7/2)

.

Vervolg op deel 1

.

Hans Rutz, Erziehungskunst, jrg. 18, 1954 nr. 5
.

uit de dierkunde in klas 4
.

De koe

De koe is meer vanuit een bijzondere uitvorming van de innerlijke menselijke organen te begrijpen.
De hoofdbezigheid van een koe is eten, kauwen, herkauwen en verteren.
Een mens neemt per dag circa 1/10 deel van zijn eigen lichaamsgewicht aan voedsel op. Een koe is genoodzaakt dagelijks 1/8 deel van haar lichaamsgewicht aan voedsel tot zich te nemen.
Zo’n hoeveelheid voedsel heeft plaats nodig en wil verwerkt kunnen worden. Vandaar de langgerekte kaak en de brede kiezen die als molenstenen het gras langzaam vermalen en weer herkauwen.
Vandaar ook de kunstzinnig gevormede grote maag met zijn 4 kamers:

 De pens ( gras gaat erin en weer eruit om herkauwd te worden)
 De netmaag
 De boekmaag
 De lebmaag

Via deze 4 magen gaat het gras/hooi naar de ongewoon lange darm die 22 x zolang is als de koe zelf.
Dit reusachtig spijsverteringsapparaat is zwaar en wil plek hebben: dus strekt zich het lijf en wordt het zwaar. Vandaar die sterke benen die met plompe harde hoorn bedekte tenen in de aarde steken en als “zuilen” deze massale gestalte dragen.
Alles wat met vertering samenhangt, maakt zwaar en trekt naar de aarde toe.
De gestalte en bewegingen van een rund zijn zwaar en traag, alsof hij een zware last moet dragen. We zien dat de koe in zijn vorm/gestalte alles weerspiegelt wat met vertering en zwaarte samenhangt, het is een uitgesproken stofwisselingsdier.

Als ons stofwisselingsstelsel een zelfstandig wezen zou moeten worden, dan zou een diergestalte moeten ontstaan als die van de koe, en dat trekt dan door tot in de blik: de koe is ook innerlijk met zijn beleving helemaal in beslag genomen door zijn verteringsproces. Haar hele ziel is erbij betrokken. Daarbij stuurt ze
het meeste bloed naar de plek waar dat verteringswerk wordt gedaan: maag en darmen.
Vandaar de duffe, slome blik van de koe. Je krijgt de indruk dat die blik door de zwaarte van het verteringsproces van binnenuit naar achter en beneden is teruggetrokken. Vertering hangt immers samen met aardezwaarte.
De koe kan met haar door vertering bezwaarde blik niet vrij in de wereld staan/ gaan. Met een vermoeide zware beweging heft ze haar kop naar ons omhoog en kijkt ons aan met een doffe blik alsof ze wil zeggen: “waarom kijk ik eigenlijk op naar jou, ik heb namelijk niks anders te doen dan herkauwen en verteren”.
Wanneer de koe het gras dat haar de aarde schenkt eet, kauwt, verteert, herkauwt en weer verteert, neemt ze voedingsstoffen uit het voer in haar bloed op dat haar organen voedt. Een deel van haar rode bloed verandert, verfijnt en verlicht ze tot zuivere, witte melk, die op die manier wonderlijke levenskrachten bevat.
Wat de koe niet opnemen kan in haar bloed en niet gebruiken kan voor melkbereiding, dat geeft ze de aarde terug in de vorm van mest.
Maar aangezien de koe met haar hele ziel bij haar verteringsproces is (kijk maar naar haar blik), geeft ze ook wat van haar ziel aan dat wat ze de aarde terugschenkt: het is bezield en doorleefd. Daardoor maakt de koemest de aarde, die zich uitgeput heeft weer levendig, zodat ze weer vers gras kan laten groeien.
Omdat de koe de opgave heeft de aarde levendig te houden geldt ze bij de Indiërs als heilig dier.

In de lessen moet je de dieren eerst introduceren in hun karakteristieke levensmoment, bv. de koe op het ogenblik dat zij zwaar op de weide ligt te herkauwen. Zo hebben we haar ook getekend. 
Waar het ree een lyrisch-poëtische stijl van representatie eist, vereist de koe een schets die in de eerste plaats gericht kan zijn op de flegmatische kinderen in de klas, met een epische breedte.

Goethe zegt dat je naar de natuur moet kijken waar deze haar bedoelingen het duidelijkst openbaart. De natuur onthult haar koe-intenties het meest puur waar de koe op de grond ligt en herkauwt.

Vrijeschool in beeld: de koe

De adelaar

Het tegenbeeld van de koe is de adelaar. Hij is te begrijpen vanuit de door zonlicht doorglansde lucht. De kop is helemaal ingedroogd en benig door de uitdrogende werking van de lucht. Er zit net zoveel aan als de snuit bij de kop van de hond. De bedekking van de adelaar is door de lucht opgelost in veren.
Aan het lichte verenkleed is onmiddellijk te zien hoe licht en lucht daaraan gewerkt hebben.
Probeer je eens voor te stellen, wat de koe voor een veranderingen zou moeten doormaken als ze op een goede dag gedwongen zou worden in de lucht te leven en te liggen: het stevige vel zou zich moeten oplossen in een luchtig verenkleed, de voorpoten zouden samen moeten krimpen en zich in vleugels veranderen, de plompe kop waar zoveel aan zit, zou kleiner, magerder, spitser en knokiger moeten worden enz.

Het is goed om met de kinderen zoiets door te nemen, het maakt hun voorstellingen beweeglijk.
We beleven dan ook spontaan-levendig hoe het rund met zijn massieve zwaarte tot de aarde behoort, hoe de adelaar met zijn lichte, onmateriële, je zou bijna kunnen zeggen met zijn door geest doortrokken kop tot de lucht behoort.
Bij hem gaat de lucht tot in de beenderen naar binnen: hij heeft luchtzakjes in de botjes. De longen strekken zich als het ware uit tot in de botten.
Het is interessant in een dierentuin een adelaar te bekijken wanneer hij probeert op de aarde te lopen: hij kan het niet, hij maakt komische onbeholpen huppelpasjes waarbij hij regelmatig de vleugels als hulp gebruikt. Hij heeft geen zwaarte, de aarde wil hem niet hebben, de lucht tilt hem steeds maar weer
omhoog, ze “lift” hem.
Dit koninklijke dier, dat een eindeloos majesteitelijke indruk maakt als het met uitgespreide vleugels in de ijle hoogten over de bergen zijn trotse cirkels trekt, wordt tot een komisch figuur, zo gauw het gedwongen is zijn element te verlaten en op de aarde moet leven.

Door zulke dingen kan men de kinderen direct aanschouwelijk maken, hoe de dieren tot hun element horen waar ze in leven. Lucht en licht zijn de elementen van de adelaar. Bij hem zie je alle eenzijdige uitvormingen die met lucht, adem en lichtheid te maken hebben. Dit in tegenstelling tot de tegenkrachten
van de aarde, de vertering en de zwaarte. De vertering speelt bij de adelaar maar een geringe rol. Hij verteert zogezegd maar oppervlakkig. Dat zie je ook aan de blik van de adelaar. De scherpe blik gaat in tegenstelling tot de doffe blik van de koe, wakker de wereld in. Hij heeft bijna iets priemends; het lijkt alsof de ogen uit zijn kop willen vallen, ze worden naar buiten getrokken.
Wat de zwaarte van de vertering meebrengt, dat het bloed van de ogen wegtrekt en de blik naar binnen, ontbreekt bij de adelaar. De blik van de adelaar is geheel bezield, vandaar de scherpe, koene, vurige blik in zijn ogen. De adelaar is dan ook in staat vanuit oneindige hoogten het kleinste dier op aarde te ontdekken, hij is helemaal ogendier.
De zintuigwaarneming, het zenuw-zintuigsysteem is bij de mens speciaal in het hoofd geconcentreerd.
Onder de zintuigen van het hoofd is dit oogzintuig dat het dichtst bij het intellect staat, weer heel speciaal ‘kopzintuig’.
Het is geen toeval dat de adelaar speciaal in dit kopzintuig leeft: bij mensen is de verbening het sterkst in het hoofd, bij de adelaar is het hele lijf verbeend.
De mens heeft zijn kauwwerktuigen in het hoofd, de adelaar kauwt niet alleen met zijn snavel maar ook met de kauwspieren in zijn maag. Dat wat wij alleen in ons hoofd doen, doet de adelaar ook met zijn lijf.
Als wij ziek, gezond, treurig of vrolijk zijn, rustig of druk, dan zien we dat bij de mensen in zijn gezichtstrekken, bij de adelaar is dat aan het gevederte van zijn hele lijf te zien.
Wij kunnen met onze gedachten vliegen waarheen we willen (de gedachtevlucht), de adelaar doet dat met zijn hele lijf. Bij hem is zijn hele lijf kop en daarom is er maar weinig echt kop aan de adelaar te zien. Daarbij past dat het zien, dat speciaal een hoofdzintuig is, zo goed is uitgevormd. De adelaar is een vliegend hoofd.
Met zijn grootte, zijn gekromde, scherpe snavel, zijn dolkachtige klauwen, zijn vurige ogen, zijn trotse houding, zijn majesteitelijke vlucht, zijn kracht en koenheid is de adelaar de koning van de luchten, die een onbetwist meesterschap uitoefent in zijn jachtgebied. Daarom dragen moedige ridders zijn beeld graag in hun wapen.
Omdat hij de aardse stof en zijn zwaarte overwint en zich in een moedige vlucht naar boven zweept in de hoogste hoogten, gold hij voor de mensen van vroeger als zinnebeeld van de geest.
Wil je de adelaar in de voor hem karakteristieke vertoning laten zien en tekenen, dan moet dat natuurlijk een vliegende adelaar zijn:

“Vroeg in de ochtend, als de zon al behoorlijk hoog boven de bergen staat, verheft de trotse steenarend en zijn wijfje zich uit het eenzame nest, de horst.
Vervuld van koninklijke lust draait hij in majestueuze, rustige cirkels
in de door zonlicht overgoten lucht en volgt dan op gematigde hoogte
de bergketens. Niets ontsnapt aan de scherpe blik van zijn grote, vurige ogen.
Plotseling daalt de vooruitvliegende vogel in spiraalvormige lijnen neer.
Hij heeft een prooi ontdekt en wil deze van dichterbij bekijken. Dan legt hij zijn vleugels tegen z’n lijf en stort zich, met zijn klauwen uitgestrekt en gespreid, hoorbaar suizend, diagonaal naar de grond, recht op het beoogde slachtoffer af
en slaat beide klauwen in zijn lichaam. Daarbij steunt hij op zijn staart en houdt zichzelf in evenwicht met zijn halfopen vleugels. Zo staat hij, de veren plat, de ogen bloedrood en groter dan normaal, met de snavel wijd open, zijn tong naar voren gestrekt, een trotse overwinning op het dier dat sterft in zijn klauwen en hij stoot een rauwe kreet uit.’ (Uit het periodeschrift).

Vrijeschool in beeld: de adelaar

Nadat ik de kinderen het beeld van de koe en het tegenbeeld van de adelaar geschetst had, keken we naar de leeuw.

De leeuw

Als je een leeuw ziet, is het eerste dat opvalt, de borstkas; in verhouding daarmee
ziet het achterlijf er zwakker uit. Aan de figuur van de leeuw kan je van buitenaf al zien dat zijn hart en longen een belangrijkere rol spelen dan de spijsverteringsorganen.
Zoals de koe met heel haar ziel bij haar spijsvertering is, is de leeuw met zijn hele ziel bij zijn hartslag en zijn longademhaling met hun ritme.
De intensiteit van hartslag, bloedcirculatie en – daarmee samenhangend – van de stofwisseling, van de zwaarte, en de intensiteit van de longademhaling, van lucht en lichtheid zijn bij hem even sterk; ze houden elkaar in evenwicht. Hierdoor komt de leeuw in harmonie vanuit de borst.
Zijn vorm is tegelijkertijd massief en gemakkelijk beweegbaar, krachtig en slank,
gedrongen en lenig; het is evenwichtig en harmonieus.
Het is geen toeval dat de leeuw een favoriet dier is van beeldhouwers. Hij vertoont een prachtige harmonieuze plasticiteit.
Dit alles weerspiegelt zich in zijn blik.
Waarop is de ondoorgrondelijke aard van de leeuwenblik gebaseerd? Op het feit dat bij hem het de wereld in gaan en het zich naar binnen terugtrekken, volledig in evenwicht is.
De leeuw kijkt wakker en moedig de wereld in; maar tegelijkertijd heb je ook
de indruk: er is hier een kracht die de blik van binnenuit vasthoudt. In de blik van de leeuw schuilt een kracht die zichzelf in stand houdt, een kracht die in zichzelf rust.
Vandaar de beheerste, krachtig afgemeten, in rust verheven, ondoorgrondelijk majestueuze aard van de blik van de leeuw. Die staat precies tussen de scherpe blik van de adelaar die de wereld in schiet en de doffe, van binnenuit vastgehouden blik van de koe.
Hiermee hebben we nog een mooie ontdekking gedaan:
de koe vertoont haar wezen op de puurste manier door op de grond te gaan liggen herkauwen en zwaar op  de aarde te drukken;
kenmerkend voor de adelaar is het zwieren in de zonverlichte lucht, het vliegen; en ook hier staat de leeuw in deze relatie in het midden tussen een koe en een adelaar: het midden tussen het zwaar liggen en het lichte vliegen: het springen.
De leeuw: midden tussen rund en adelaar, tussen het bijna op zichzelf staande spijsverteringsorganisme en de vliegende kop. Hij vormt de borst op een heel bijzondere manier.
De leeuw is een borstdier. Als borstdier beschikt de leeuw over zeer bijzondere hartenkrachten; hij “heeft het hart”, d.w.z. is moedig.
Omdat hij zo dapper is, namen de ridders zijn beeltenis graag in hun wapen op als symbool van moed.
Vorm en beweging van de leeuw maken een gracieuze indruk, beheerst en verheven.
Zijn manen liggen  als een koninklijke mantel om zijn schouders. Zijn blik is majestueus, zijn stem dreunt na. Zijn machtige verschijning is ontzagwekkend. Door zijn kracht, zijn behendigheid en zijn moed heerst hij over alle dieren
in zijn jachtgebied. Hij wordt terecht de “Koning der Dieren” genoemd.

Als je in de klas de leeuw op het karakteristieke ogenblik in zijn bestaan wil schetsen, moet je hem laten springen; ook als je hem tekent.

Hoort bij de aard van de koe in de beschrijving de epische breedte, de beschrijving van de leeuw vraagt dramatische spanning:

“De zon is bloedrood ondergegaan achter de rand van de wildernis. De nomade heeft zijn kudde veilig omsloten door een dicht hek van 3 meter hoog en ongeveer 1 meter dik, gevlochten van de stekeligste takken van de mimosa. De duisternis van de vredige nacht daalt neer op het luidruchtige kamp. Het wordt stiller en rustiger. Het geluid verstomt. Geitenmelkers zingen hun nachtliederen onafgebroken uit de dichtstbijzijnde bomen en hoeden als geesten hun slapende
kudden. –
Plots lijkt de aarde te dreunen. Heel dichtbij brult een leeuw. De schapen rennen uitzinnig tegen de doornhaag aan. De geiten mekkeren luid. De runderen dringen onrustig bij elkaar terwijl ze angstig loeien. De kameel probeert los te raken van zijn teugels en de dapperste honden huilen luid en klagelijk en zoeken jammerend hun toevlucht voor bescherming bij hun baas die zelf zit te beven in zijn tent en niet durft, alleen gewapend met zijn lans, op zo’n vreselijke vijand
af te gaan. De leeuw komt steeds dichterbij. Angstaanjagend, in het groenachtige schijnsel, lichten zijn ogen op in de nacht. Met een machtige sprong springt hij over de doornenmuur om een ​​slachtoffer te pakken. Een enkele slag met zijn krachtige voorpoot slaat een tweejarige koe naar de grond. De tanden breken de nekwervels van het dier dat geen weerstand biedt. De overvaller ligt op zijn prooi en gromt dof. De levendige ogen sprankelen van overwinningsdorst en begeerte. Hij zwiept met zijn staart door de lucht. Hij laat het stervende dier even los en pakt het opnieuw met zijn verpletterende gebit totdat het ten slotte niet meer beweegt.
Nu gaat hij terug. Met de twee jaar oude koe in de bek verdwijnt hij over het drie meter hoge hek. Met gemak draagt hij zijn last naar zijn verblijfplaats.
(Uit ons periodeschrift, vrij naar een verslag van Brehm).

Vrijeschool in beeld: de leeuw

Als je de kinderen eerst een ‘momentopname’ van het leven geeft van een dier laat zien in zijn karakteristieke beweging, heb je in één keer de brandende interesse van de kinderen.

(Opmerking: Omdat de kinderen zich tussen de tandenwisseling en de puberteit overwegend in het hart- en longritme van hun borstkas leven, hebben ze op deze leeftijd een heel bijzondere relatie met borstdieren als de leeuw en in het algemeen tot de grote wilde katten.)

Vanaf daar kun je dan geleidelijk overgaan naar een bepaalde beschouwing. –

Toen we hier met de lessen waren, stopten we weer en keken terug.
Wat hadden we behandeld?
De koe, de adelaar en de leeuw.
Is dat geen vreemde combinatie? 
De kinderen waren erg verrast toen ze daar – een beetje geholpen – ontdekten dat we in het dierenrijk een hele mens hadden behandeld:
bij de adelaar een vliegend hoofd, bij de koe een zelfstandige spijsvertering, bij de leeuw de borst.
En we ontdekten: elk dier vormt eenzijdig een deel van de mens.
De eenzijdige nadruk op individuele delen van het menselijk organisme maakt dit heel duidelijk bij dieren zoals de giraffe, die zijn nek en de olifant die met zijn slurf zijn bovenlip grotesk overdrijft.)
We zien dus in de dierenwereld een uiteengelegde mens.
Eerst alle dieren bij elkaar vormen een hele mens.
Maar hoe zit dat?
Er zijn dieren die  veel beter kunnen springen dan een mens, bv. de leeuw; dieren die veel scherper kunnen zien dan een mens, bv. de adelaar; andere kunnen beter horen etc.
De dieren kunnen van alles wat we niet kunnen; omdat ze eenzijdig ontwikkeld zijn, overtreffen ze mensen in individuele speciale vaardigheden; ze hebben boven al deels veel scherpere zintuigen dan wij ze hebben .
Hoe moet dit worden begrepen?
Een kind gaf mij een mooi antwoord: “Bij mensen is alles in balans.”
Het kind het voelde helemaal goed: het dierenrijk is in de mens geharmoniseerd. 

Nu hadden we bereikt waar we heen wilden. De kinderen waren begeleid om te vinden: in het dierenrijk daarbuiten hebben we de wijdverspreide mens, in de mens hebben we het geharmoniseerde dierenrijk; dit betekent dat de kinderen op dit ogenblik van hun leven waar de kloof tussen hen en de wereld begint te ontstaan, zichzelf in de wereld vinden en de wereld in henzelf.

Ten slotte sprak ik er nog met de kinderen over waarom de zintuigen van mensen niet zo ontwikkeld mogen zijn als die van de afzonderlijke dieren.
Ik vroeg de kinderen: ‘Wat doe je als je je iets niet kan herinneren en je wil er heel sterk over nadenken?’ ‘Wij doen onze ogen dicht.’ ‘Waarom sluit je je ogen?’ ‘Om niet gestoord te worden, zodat we rustig kunnen nadenken.”

Op deze manier kan je kinderen gemakkelijk en op natuurlijke wijze laten zien dat mensen zich niet mogen verliezen in de wereld van de zintuigen, zoals de dieren dat doen.
Onder bepaalde omstandigheden moet je je zelfs afsluiten van de zintuiglijke wereld om wakker te worden voor het geestelijke.
Ik heb de kinderen nog eens gezegd dat we in de slaap afgesloten zijn van de zintuiglijke wereld, maar dat wij daarvoor in de plaats in ons in de droom mooie beelden zien of prachtige muziek horen. Op het laatst liet ik subtiel doorschemeren: als iemand sterft, valt hij in slaap voor de zintuiglijke wereld en wordt wakker voor een geestelijke wereld. –

[Dit is op een bepaalde manier antroposofie en we zouden moeten vermijden dat in het onderwijs te laten binnenkomen. Maar ik ken de situatie goed dat je soms ‘als vanzelf’ bij dergelijke conclusies komt. Dan is het beter, denk ik, deze gezichtspunten als vraag aan de kinderen te stellen. Een vraag die ze niet hoeven te beantwoorden. Die wellicht in hun ziel meegroeit naar ‘later‘.]

Toen ik op zoek was naar een mooie afsluiting van deze eerste periode van de dierkunde, was ik zo gelukkig een gedicht van de middeleeuwse dichter Rainmar von Zweter te vinden, waarin iets van de basisideeën van de dierkunde die wij waardevol vinden, al werd gezegd.
Met dit gedicht sloten we het werken in ons periodeschrift af.

Dit is de Nieuwhoogduitse vertaling van Friedrich Rückert

Mensch und Tier

Ein voller Mensch fünf Sinne hat,
Von denen jeder steht an seiner eignen Statt,
Wie sie Gott erschaffen.
Seh’n, Hören, Fühlen, Riechen, Schmecken,
Die Sinn’ auch haben wilde Tiere,
Und je an einem stark den einen finden wir,
Am Luchs, am Maulwurf, nn der Spinn’, am Geier und am Affen:
Scharf sieht der Luchs, der Maulwurf hört im Wühlen,
Die kleine Spinn’ ist flink zum Fühlen,
Der Geier riecht •, der Affe schmecket.
Sie übertreffen an dem Sinne
Den Menschen, daß sein Geist werd inne,
Daß nicht zum Ziel die Sinn’ ihm sind gestecket.

Mens en dier

Een volledig mens heeft vijf zintuigen,
Ieder van hen heeft zijn eigen plek,
Zoals God ze heeft geschapen.
Zien, horen, voelen, ruiken, proeven,
Wilde dieren hebben ook zintuigen,
En één vinden we er,
die heel sterk is.
Bij de lynx, bij de mol, bij de spin, bij de gier en bij de aap:
De lynx ziet scherp, de mol hoort tijdens het graven,
De kleine spin voelt snel,
De gier ruikt, de aap proeft.
In die zin blinken zij uit
over de mens, opdat zijn geest zich bewust mag worden,
dat zijn zintuigen niet als doel hem zijn gegeven.

Deel 1   over octopus, koe, muis en ree

.

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

4e klasalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

3355-3156

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (2-1-7/1)

.

Hans Rutz, Erziehungskunst, jrg. 18, 1954 nr. 4
.

uit de dierkunde in klas 4

.

Als je werkt volgens het leerplan van de vrijeschool, kun je ervaringen hebben die vergelijkbaar zijn met die van een moeder die haar kleine kind zo opvoedt
dat ze het op elk moment van zijn ontwikkeling de voeding geeft waar zijn organisme op dat moment om vraagt, wat hem aanspreekt. Zo’n moeder zal het voedsel voor haar kind altijd op de juiste manier bereiden. Kortom, ze voedt het op zo’n manier dat het gedijt.
De pedagogie van Rudolf Steiner geeft de kinderen van buitenaf op elk moment van hun leven datgene wat juist in de richting van hun innerlijke ontwikkelingskrachten ligt. De “buitenkant” en de “binnenkant” vallen samen; leerplan en methode worden kunstzinnig.

Een voorbeeld uit de lessen voor de vierde klas op de vrijeschool kan dit illustreren.
Dit zijn normaal gesproken in deze klas kinderen die de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, d.w.z. tussen het negende en tiende jaar.
Wat gebeurt er met de kinderen vóór moment in hun leven ~ Tot ongeveer hun negende zijn de kinderen nog min of meer één met de wereld, zijn ze nog tot op zekere hoogte spiritueel in hun omgeving aanwezig. Hun Ik is met duizend gouden draden verweven met de omgeving, leeft en weeft erin en ermee. Het is
herhaaldelijk aangetoond hoe de dieren nog steeds broeders en zusters zijn voor kinderen van deze tijd, hoe deze relatie een ontroerende uitdrukking heeft gevonden in het sprookje van Grimm ‘Het kind en de pad’.
In dit stadium kunnen kinderen eerst op een sprookjesachtige manier kennismaken met de dieren, die praten en zich gedragen als hun eigen soortgenoten, dan – iets later – door middel van fabels op een typerende manier (‘De boze wolf, ‘Het onschuldige lammetje’ enz.)
Tussen het negende en tiende jaar is er een belangrijk keerpunt in de ontwikkeling van kinderen. Ze ervaren iets soortgelijks op een hoger
niveau en op een subtielere manier iets dat lijkt op wat ze ervoeren als kleine kinderen tussen de leeftijd van drie en vier jaar, toen ze hun ledematen bewuster gingen gebruiken en – iets later – voor het eerst “ik” van zichzelf zeiden.
Hun spiritualiteit verplaatst zich sterker in hun lichaam, het wordt meer gecondenseerd, geconcentreerd en verinnerlijkt in hun lichaam, de kinderen “belichamen” zichzelf sterker. Zo beginnen ze zich los te maken van hun omgeving, zich af te zonderen van hun omgeving, zich innerlijk meer af te zonderen, er wat objectiever tegenover te staan. Echter, in dezelfde mate dat ze zich innerlijk losmaken van de objectieve buitenwereld, verdiept hun zelfbewustzijn zich, wordt het Ik-gevoel sterker.
Vanaf nu doet men er goed aan om de kinderen de wereld zo mee te geven dat men overal zoveel mogelijk uitgaat van de mens, en wel op zo’n manier dat de kinderen zichzelf in de wereld gaan herkennen en de wereld in zichzelf vinden. Wat doe je hiermee? Je pakt de kinderen waar hun kernbeleving ligt, in hun menselijk zelfbewustzijn, en van daaruit overbrug je de kloof die tussen hen en de wereld is ontstaan.
Dit kan in alle vakken tot en met het Nederlandse taalonderwijs. Hier zullen een paar voorbeelden uit de dierkundeles worden gegeven. Volgen aanwijzingen van Rudolf Steiner volgt een behandeling van vrije keuze van dieren en in relatie gebracht met de mens, zodat de kinderen ervaren hoe de mens enerzijds tot de koninkrijken van de natuur behoort, maar anderzijds ook hoe hij op hun niveau staat en ze in zichzelf verenigt en tot perfecte harmonie brengt. In de dierkunde gaan we zelfs uit van de mens; niet alleen omdat het – zoals hierboven aangegeven – bijzonder goed is voor deze tijd om altijd en overal uit te gaan van de mens, maar ook om een andere reden: laten we ons even voorstellen
dat we beginnen bij de laagste dieren en het hele dierenrijk opbouwen, van de meest onvolmaakte soorten tot de meest hoogst ontwikkelde, en dan aan het eind de mens behandelen.
Dan zouden de kinderen, al was het maar stilletjes en onbewust, de verkeerde en ongezonde houding ontwikkelen: “De mens is het meest volmaakte dier.”
Maar als we beginnen bij de mens en van hem afdalen naar de dieren, komen de kinderen onbewust tot het juiste en gezonde idee: “Dieren zijn onvolmaakte menselijke wezens.

(Edgar Daque verwijst af en toe naar het feit dat hij in zijn werk “Urwelt, Sage und Menschheit” probeerde aan te tonen “dat, in tegenstelling tot de vroegere afstammingstheorie, de mens niet de laatste, buitenste tak van de stamboom kan zijn. In wezen niet omdat het op zichzelf een epistemologische absurditeit is om iets hogers af te leiden uit het lagere.)

[Als dit zo gesteld wordt, is het kentheoretisch aanvechtbaar. Een simpele waarneming – het kind dat leert fietsen – laat ons zien dat zijn prestaties als het later een etappe in een bekende wielerwedstrijd wint, aanmerkelijk hoger staan dan zijn eerste wankele pogingen. Over het algemeen kan je zeggen dat alles wat de mens leert, er later beter = hoger = uitziet dan wanneer hij eraan begint. Dat je kan ‘opklimmen’ zoals de leerling die gezel en later meester wordt, geeft aan dat er zeker ontwikkeling is vanuit iets lagers naar iets hogers.
Wat ontbreekt in de stelling van Daque is de toevoeging ‘buiten de soort’.
Binnen de soort kan een dier nog veel leren en zich ontwikkelen tot hogere prestaties, maar het ene dier zal zich nooit ontwikkelen tot het andere. Dus ook een lager staande soort niet tot een soort die hoger staat. Ook de termen ‘lager’ en ‘hoger’ zou je nog ter discussie kunnen stellen. Dat de mens qua geestelijke vermogens meer ontwikkeld is dan het hoogst staande dier in dat opzicht, is snel duidelijk; maar lichamelijk gekeken blijven onze prestaties zwaar achter bij die van de dieren.
Er zijn groepen mensen die de uitspraak ‘hoger’ en ‘kroon op de schepping’ per se vermijden, omdat ze bang zijn dat de niet goed nadenkende mens er een vrijbrief aan ontleent om met de dieren te doen wat hij wil. 
Het is alom bekend dat dieren worden mishandeld, uitgebuit en als ‘fabriek van’ worden beschouwd, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs te gebeuren door het feit dat de mens op een geestelijk hogere trap van ontwikkeling staat.
Uiteraard is dit geen lesstof!
]

We beginnen dus met de mens. Natuurlijk kun je negen- tot tienjarige kinderen maar weinig leren over de biologie van de mens. Wat hier belangrijk is, is dat de kinderen, juist op dit moment van hun leven een eerste indruk krijgen, die tot in het diepst van hun gevoel en wil doordringt, van hoe de mens in de wereldorde staat en wat deze positie betekent. Om er maar een paar uit te dingen uit pikken: we hebben naar de mens gekeken, in eerste instantie eenvoudigweg naar de uiterlijke vorm, en hebben gezien dat hij verdeeld is in hoofd, romp en ledematen. We hebben ook ontdekt dat de basisvorm van het menselijk hoofd een bol is. Het is heel belangrijk voor de kinderen om dingen te leren zien vanuit de vorm, kunstzinnig.

“Het ronde hoofd van de mens is een afbeelding van de ronde wereldbol; daarom kan hij de wereld in zich opnemen. In zijn hoofd heeft hij de ogen om te zien, de oren om te horen, de neus om te ruiken, de mond om te proeven.
proeven. Maar taal komt ook uit de menselijke mond.”
(Uit ons gezamenlijk gemaakte dierkundeschrift).
Het is heel belangrijk om de aandacht van de kinderen op dit feit te vestigen, want gearticuleerde spraak is wat mensen menselijk maakt.

Aan het “woord” wordt op de vrijeschool bijzondere aandacht geschonken; hierdoor kunnen de kinderen goed begrijpen dat dat de menselijke mond veredeld wordt door het “woord”. –
In antwoord op een subtiele vraag vertelden de kinderen in mijn toenmalige vierde klas dat het menselijk hoofd aan de zon doet denken; ze namen onmiddellijk heel op z’n plaats de zonachtige uitstraling van het menselijk hoofd waar.
Eén kind zei zelfs: “Er straalt ook iets uit het hoofd: gedachten.”

Onze armen zijn zo wonderbaarlijk flexibel dat we, als ze maar lang genoeg waren, de hele hemelbol met onze handen zouden kunnen beschrijven en naar de sterren zouden kunnen reiken.
De kinderen moeten ervaren dat je helemaal niet over de mens kunt praten
zonder dat de zon en de sterren er hun licht op doen schijnen.

In onze borstkas dragen we hart en longen die nooit moe worden om dag en nacht te werken. Als we geen hart in onze borst hadden, dan konden we geen “hart” hebben voor onze medeschepselen, konden we niet niet “moedig” zijn, d.w.z. niet dapper. [Het Duits heeft hier ‘be-herzt’]  Door de longen
nemen we de adem van de wereld in ons op en geven die terug aan de wereld.
Zo vaak als we inademen, blaast God zijn adem in ons. We worden nieuw
bezield, herschapen.
Omdat alle mensen dezelfde lucht inademen, zijn ze met elkaar verbonden.

In het ademhalen zijn twee genaden:
De lucht binnenhalen, zich weer van haar ontdoen;
Die bedrukt, deze verfrist;
Zo wonderbaarlijk is het leven gemengd.
Gij bedanke God, wanneer hij u bedrukt,
En bedank hem, wanneer hij u weer bevrijdt.
Goethe

Aan de andere kant is het oneindig belangrijk om kinderen te laten beseffen dat, als gevolg van de rechtopstaande houding van de mens, zijn voorste ledematen niet langer beperkt zijn tot de aarde, niet langer veroordeeld zijn om de zware last van het lichaam te dragen, hoe de armen en handen in tegenstelling tot de benen en voeten, vrij zijn, vrij om te werken voor de medemensen, vrij om goed of kwaad te doen, kortom, om kinderen op een heel eenvoudige manier de menselijke handen als fysiologische uitdrukking van menselijke vrijheid te laten zien.
Je moet ze ook bewust maken van het feit dat mensenhanden zulke kunstwerken hebben gemaakt als de kathedralen uit de Middeleeuwen; dergelijke voorbeelden kunnen hen op een invoelende manier duidelijk maken wat Hermann Poppcebaum noemt “het cultureel creatieve vermogen van de hand” noemt. (Cf. H Poppelbaum:Mens en dier”.

Nadat we het over de mens hadden gehad op de aangegeven manier, liet ik de kinderen een opstel schrijven over de mens.
Hier zijn een paar zinnen uit een van deze opstellen:
“Zijn handen kunnen goed en kwaad doen. Zijn voeten zijn gebonden aan de aarde, net als de handen en voeten van dieren.
Dieren kunnen niet scheppen, ze kunnen geen piano spelen, ze kunnen alleen maar eten.
Als je aan de kathedraal denkt, die zo kunstig is gemaakt, dat hebben mensen allemaal met hun vingers gedaan. Dieren kunnen dat niet.
Een dier kan goed noch kwaad doen.” –
Dat is heel fijn gevoeld, hoe het dier buiten de sfeer van vrijheid staat,
“voorbij goed en kwaad”. Dit was niet in de klas gezegd, de jongen vond het zelf.

[Dit vind ik altijd een kwetsbaar onderwerp: je wil aan de ene kant geen ‘antroposofie in het onderwijs’, anderzijds wil je de kinderen wel gevoelsmatige kennis laten opdoen van deze grootse gezichtspunten – met ook als doel dat het kind zich op een bepaalde manier – met eerbied, respect, liefdevol – verbindt met de wereld. Vermijd dus vooral wat ‘dogmatisch’ kan lijken; geen ‘welles-nietes’ en vooral: dat je zelf dit respect, die bewondering voor deze grootse ideeën voelt: het imponderabele!]

Nu gingen we kijken naar de octopus (noot: losjes gebaseerd op
Brehm):

Vertaling K. Derhaag

De octopus

Op een modderige zeebodem staat zijn ovale, iets platte gestalte rustig rechtop in het water. De golfachtige bewegingen van zijn tentakels houden het lichaam in een perfect evenwicht. De “armen” zijn over elkaar gerangschikt en van achter naar voren naar beneden lopend. De grijparmen zijn niet te zien, zij bevinden zich, opgerold, in een door de overige armen gevormde holte.
Midden onder worden de bovenste armen uit elkaar gespreid en als twee vulpennen kaarsrecht omhoog getild. Over de gehele rug is een roze-gele kleur te zien met witte vlekken in het midden; de armen zijn groenachtig, de tentakels doorzichtig violet gekleurd.
Daar komt een kleine vis of kreeft in zijn omgeving.
Onmiddellijk begint een wonderbaarlijk kleurenspel: de rug verstart van onregelmatige bobbels van kastanjebruine kleur en koperrode metaalglans. Van de kop en van de armen gaat een groenige glans uit; de oogbollen schitteren in rozenrode, blauwe en groene zilverschijn. Levendige wolken in alle kleuren van
de regenboog vliegen over de buikzijde. Bliksemsnel rollen zich tussen de overige armen twee lange grijparmen uit, grijpen met de zuignappen van de  “handen” het slachtoffer en trekken het naar zich toe.
De andere armen leggen zich om de buit en de messcherpe kaken van de cirkelronde mond vermalen hem de botten van de kop.
Maar komt er een vijand in zijn buurt, dan spuit de octopus direct uit de huidmantel aan de buikzijde verschijnende trechter een zwart/bruinige vloeistof, de “inkt” en hult zich daardoor in een wolk. In de beschutting van deze wolk maakt hij zich pijlsnel achterwaarts “uit de voeten”.
We zien dus aan de ene kant de plompe gestalte van de octopus en aan de andere kant zijn kunde, op fijngevoelige wijze alles waar te nemen wat er in zijn omgeving gebeurt.
Het levendige kleurenspel van zijn rug en kop, de “armen” en de buik laten zien dat bij hem de fijngevoelige mogelijkheid, de omgeving waar te nemen over de huid van zijn gehele lijf verspreid is.

De mens neemt zijn omgeving vooral met zijn hoofd waar, de octopus met zijn hele lijf. Bij hem is dat, wat zich bij de mens met name in het hoofd bevindt, over het hele lichaam uitgespreid. Bij de octopus is het hele lijf  “hoofd”.
Als je de octopus met iets van de mens zou moeten vergelijken, dan zouden we hem met het hoofd moeten vergelijken. Zijn rondom de mond gegroeide “armen” zijn eigenlijk alleen maar verlengde “mondwerktuigen” ( lippen) die hij daarnaast ook nog kan gebruiken om zich voort te bewegen.
Boven en onderkaak in zijn mond doen denken aan de vorm en scherpte van een papegaaiensnavel. De zintuigen die in allerhoogste mate speciaal tot het hoofd behoren, de ogen, zijn voortreffelijk vorm gegeven bij de octopus.
Ons hoofd zou op zichzelf niet kunnen leven. Het zou hulpeloos zijn zonder het lichaam, dat hem draagt en voortbeweegt, zonder een maag die hem voedt, zonder de armen en handen die voor hem werken.

Uit het dierkunde periodeschrift: de octopus is een zwemmend hoofd, dat zo goed uitgerust is, zo’n goede eigenschappen heeft, dat hij zichzelf kan voortbewegen, voeden en verdedigen kan.

Het is goed om bij zo’n gelegenheid tegelijkertijd eens tegen de steeds maar weer eenzijdige overschatting van het menselijk hoofd in te gaan.

Vrijeschool in beeld

De muis

Op een andere manier, meer vanuit de uiterlijke verschijning, kan men de kinderen wijzen op het rompkarakter van een dier als de muis. Haar romp, waarvan zich de kop bijna niet onderscheidt en waaronder haar kleine dikke beentjes bijna verdwijnen, drijft van binnen de spitse snuit naar buiten, zodat
het geheel eruit ziet als een naar voren afgeslepen deegrol, die van onder wat afgeplat is. Al het andere hangt er, formeel gezien, maar een beetje bij.
Het is goed de kinderen de ogen te openen voor zulke dingen en hen tot een formeel kunstzinnige beschouwingswijze aan te zetten.
De altijd snuffelende snuit van de muis zit aan de toegangspoort. Hij ruikt en meldt al van ver, waar wat smakelijks te halen is voor de romp.
Door haar spitse vorm is hij prima in staat in smalle spleten en door kleine gaatjes te komen. De gevoelige snorharen vertellen de romp of de muis nog door een smalle opening heen kan. De scherpe knaagtandjes zijn in staat dikke wanden door te knagen om zo de romp vrij baan te verschaffen. Met deze tanden knaagt ze ook haar woning open.
Ook aan haar tamelijk grote en scherp horende oren en de kleine schrander kijkende kraaloogjes heeft de muis veel hulp. Met behulp van haar kleine flinke beentjes haast ze zich onhoorbaar over de vloer weg. De vijf-tenen tellende voetjes met haar scherpe nageltjes zorgen voor goede dienst tijdens het klimmen, net als de naakte, geschubde en gevoelige staart, die haar romp bij het lopen als stuur en bij het klimmen als steun dient.

De octopus neemt door de gevoeligheid van zijn hele lichaam waar wat zich in zijn omgeving bevindt, de muis vooral met behulp van haar “aanhangsels”: de fijn ruikende snuit, haar scherp horende oren, haar gevoelige snorharen.
De octopus kan zich alleen door zijn hele lijf voortbewegen, de muis heeft daar haar beentjes voor nodig.
Wanneer we de muis met een menselijk deel van het lichaam willen vergelijken kan dat alleen maar de romp zijn.
De muis is in feite een romp die voor alle levensbehoeften met geweldige hulpstukken is uitgerust.
Voor een kunstzinnige beschouwingswijze, waar de kinderen toe geleid zouden moeten worden is het noodzakelijk dat ze leren het zielsmatige van het dier te onderscheiden van het lichamelijke.
De muis met haar immer bewegende, messcherpe knaagtanden maakt een nerveuze maar intelligente indruk. Haar spitse snuit, de fijne snorhaartjes, de scherpe knaagtanden, de levendige glanzende kraaloogjes, de fijn gevormde oren, de algehele sierlijkheid: dat alles drukt haar nieuwsgierigheid ,
fijngevoeligheid, knabbeldrift en slimheid uit.

Vrijeschool in beeldmuis;

De ree

Nu bekijken we de ree (het ree mag ook). Helemaal in tegenstelling tot de muis, bij wie de onbeduidende pootjes bijna verdwijnen onder de “rompwals”, vallen bij de ree de lang gegroeide, ontzettend slanke, lenige en sierlijke benen op, die de aarde maar met twee tenen beroeren: helemaal de uitdrukking van het vluchtige meisjesachtig-schuwe wezen van de ree. Deze behendige poten dragen het lichaam van het hert naar het graasgebied en helpen het te ontsnappen.
De ver ruikende neus, met de grote vochtige neusgaten, de fijn horige spits toelopende oren met de beweeglijke oorschelpen, de grote levendige slimme ogen waarschuwen de ree op tijd voor gevaar en en onthullen zijn fijngevoelige aard.
Overigens moet men de dieren altijd samen met hun omgeving beschouwen, ze nooit gescheiden daarvan bespreken. De ree is helemaal niet te begrijpen zonder het woud.
Stellen wij ons eens voor, de stille ziel van het woud zou zich willen belichamen: er zou altijd een reeachtige verschijning naar voren treden.
De reebok draagt nl net als zijn familielid het hert, in zijn gewei een klein bos op zijn hoofd. Eigenlijk is het niet anders mogelijk dan lyrisch – poëtisch over de ree te spreken.
En zo hebben we in ons dierkundeperiodeschrift de tekst over de ree afgesloten met het volgende geweldige gedicht van Christian Morgenstern, waarin de beeldspraak over de ree poëtisch verwoord is:

Aus Silbergrauen Gründen tritt
Ein schlankes Reh
Im winterlichen Wald
Und prüft vorsichtig, Schritt, für SWchritt,
Den reinen, kühlen, frischgefallnen Schnee:
Und Deiner denk’ich, zierlichste Gestalt

Uit zilvergrijze gronden treedt
Een ranke ree
Uit het winterse woud tevoorschijn
En proeft voorzichtig, schrede voor schrede,
De reine, koele vers, gevallen sneeuw:
En dan denk ik: welk een sierlijke gestalte

Vertaling: K. Derhaag
.

Vrijeschool in beeld: hert

Hier hebben we even pas op de plaats gemaakt en terug gekeken.
Het inzicht dat we uit de beschouwing van de mens, de octopus, de muis en de ree hebben gewonnen laat zich op de volgende manier kort samenvatten:

1. De octopus is een zwemmend hoofd, dat zich zelfstandig voortbewegen, voeden en verdedigen kan.
Op deze wijze is hij veel meer volkomen dan het menselijk hoofd, dat op zichzelf alleen niet zou kunnen leven.
2. De romp van de muis, de ree en andere rompdieren zijn door zintuigwerktuigen en ledematen beter uitgerust en toebediend dan de romp van de mens.
3. De mens is meer volkomen dan de dieren door zijn ledematen. Zij onderscheiden zich in de benen met voeten die het lichaam dragen, en in de armen en handen, die vrij zijn, om niet alleen voor het eigen lichaam, maar ook voor de medemensen en voor de wereld te werken.

.

Dierkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over dierkunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

3354-3155

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Klas 1-6 – handwerken in de onderbouw (5-2)

.
Interview: Evelien Nijeboer, Seizoener 2018

.

DENKEN MET JE HANDEN

.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd.
Waarom leren alle kinderen, meisjes én jongens, breien op de vrijeschool? En ook haken, weven en borduren?
Daar zit een leerplan achter.
Denk aan het ontwikkelen van de fijne motoriek en van de oog-handcoördinatie, of een goede werkhouding. En ervaring opdoen met tellen en rekenen.
Dan is er het belangrijke element van gevoel voor kleuren en patronen.
Maar ook de ervaring zelf.

Handwerkjuf Conny de Heer: ‘Het is zo’n vreugde om iets moois te maken met je eigen handen. Zelden zie je een trotser kind dan als het met veel moeite zijn werkstuk heeft afgemaakt!’ 

Handwerken als ontwikkelstof

Handwerken maakte al vanaf de allereerste vrijeschool in Stuttgart (1919) deel uit van het leerplan. De uitvoering verschilt per school, en bij Conny ook per kind, maar het gaat als volgt:

In de eerste klas leren de kinderen breien,
in de tweede klas haken,
in de derde wéér breien, maar nu met een averechtse steek erbij want die vraagt extra bewustzijn.

In de eerste klas vraagt de leerkracht de kinderen vaak om een lap van honderd pennen en vijfentwintig steken te breien. Zo verandert elk getal onder de honderd in ervaringsmateriaal. Daarnaast worden de steken steeds geteld en de kinderen oefenen hun doorzettingsvermogen. Van de lap maken ze dan een dier voor zichzelf.
Rond hun 9e breien ze een eigen muts – mooi beeld voor de fontanel, die dan definitief sluit.
Zo heeft handwerken steeds een plek in de ontwikkeling.

Conny: ‘In de vierde klas komt het moment dat kinderen hun ik sterker gaan beleven. Met vragen als: waar kom ik vandaan? of: waar eindigt het heelal? De kruissteek laat dan zien hoe je vanuit vier hoeken je centrum vindt.

In de vijfde klas maken ze wanten voor zichzelf en in de zesde sokken of sloffen, soms ook een bodywarmer. Zo krijgen ze bewustzijn voor hun eigen lichaam.’

Alles wat ze maken is mooi – en ook echt bruikbaar. ‘Zo geef je kinderen een optimaal gevoel van eigen kunnen.
Als ze na de zesde de wijde wereld in gaan. hebben ze al hun ledematen in mooie zelfgemaakte wollen kleding gehuld.’

Rust in het hoofd

Volgens juf Conny heb je rust in je hoofd nodig om tot leren te komen.
‘Als een kind chaotisch is. vliegt de aandacht overal naartoe – behalve naar waar hij moet zijn. Door het handwerken leren de kinderen dat je werk alleen goed gaat als je je aandacht er volledig bij hebt.’
Handwerken structureert je aandacht. en dat vormt de kinderen.
Onderzoek toont aan dat onze hersenen zich vooral ontwikkelen aan zinvolle handelingen, met name met onze handen.

Bij het handwerken is het hele kind betrokken:

de aandacht,
de lichaamsbeweging,
het gevoel van eigen kunnen, de ziel: daarmee wordt in het kind de basis gelegd voor een gezonde en bezielde logica.

‘Voor oen kind van zeven is het bijvoorbeeld een hele toer om de volgorde van handelingen van het breien te onthouden. Insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden. Precies die volgorde, anders krijg je geen moor breiwerk. Het mooie is dat het breiwerk zélf precies laat zien of het goed is gegaan. Kinderen leren zo wat het is om met aandacht ordening aan te brengen – het vol te houden om steeds opnieuw de juiste handeling op het juiste moment te doen. Zodra een kind het gevoel heeft van ‘ik kan het’, zie je dat de chaos verdwijnt. Ze raken betrokken bij hun werk. Ze zakken in zichzelf en zijn erg trots als hun mooie werk af is. Zo ontstaat er rust in de klas en kinderen ontwikkelen een leer- en werkhouding, die ook de andere vakken ten goede komt.’

Haken, weven, borduren

‘Elke techniek heeft ook zijn eigen functie. De kinderen beginnen meestal in de kleuterklas met een pompon of een weefwerkje – ik laat ze dat met hun vingers doen. Met een weeflat gaat het veel sneller, maar dan missen ze de gelegenheid om hun fijne motoriek te oefenen. Het gaat om het handig worden met je vingers.’
Ook de oog-handcoördinatie, zeer belangrijk voor onder andere het latere schrijven, wordt daarbij geoefend. ‘Later, bij het borduren wordt de oog-handcoördinatie nog meer geoefend. Als je niet alert bent, prik je in je vinger. De draad ligt los in de naald, dus je moot goed opletten hoe je de naald vastpakt – samen met de draad, anders trek je de naald van de draad.’

Door te breien m de eerste klas, leren kinderen hoe je een taak begint, erin volhardt en hem afmaakt.

Conny: ‘Bij het breien werken de linker- en de rechterhand samen. Wanneer kinderen duidelijk de linkerhand als voorkeur hebben, mogen ze de draad met de linkerhand omslaan.

Verder blijft het breien hetzelfde, want als het breien in spiegelbeeld wordt aangeleerd is mijn ervaring dat de draad gaat splijten – dat werkt niet prettig. Haken, naaien en borduren kunnen wel zonder problemen linkshandig aangeleerd worden. Dat is ook beter, want kinderen kunnen gaan stotteren wanneer ze worden gedwongen om met hun niet-voorkeurshand te werken.’

In de tweede klas is dan het haken aan de beurt. Waar in de eerste klas het rekenen nog veel op de vingers gebeurt, wordt in de tweede het schrijven belangrijker. Door te haken oefen je de pengreep – en ook de verfijnde, gerichte hand- en polsbewegingen die nodig zijn voor het schrijven.

Competentiegevoel

Als je de handwerklessen afschaft, geef je je goud weg’, zegt Conny. ‘Ik had een jongetje met ADHD. Hij ging naar een andere school – en zei dat hij de  handwerklessen erg zou gaan missen, omdat hij daar zo rustig van werd.
Ik heb zijn nieuwe juf aangeraden om hem twintig minuten te laten weven als hij het te kwaad krijgt.

Het is ook heel belangrijk dat elk project wordt afgemaakt. Alleen dan kan een kind trots zijn op z’n werk en krijgt zijn competentiegevoel een boost. Een onafgemaakt werkstuk ligt als een steen in je rugzak – dat is en blijft de ervaring van iets wat niet gelukt is. Dus ik zorg dat het af komt. Als het moet help ik een handje en als een kind vroegtijdig van school gaat, maak ik het werk af en stuur ik het na.

Maar fijn werken is het allerbelangrijkst. Over een werkstuk mag je zo lang doen als je wilt, maar wel vanuit respect voor het materiaal en de omgeving. In de manden waar de kinderen hun materiaal uit kiezen, liggen de bolletjes wol bijvoorbeeld altijd mooi op kleur.’

Bij Conny krijgt elke gebreide pen een high-five.
Ze biedt prachtige projecten aan en verzint nieuwe, met de kinderen.

‘Als ze een Minion willen maken, dan zoeken we samen uit hoe dat moet.

Als kinderen zelf kunnen kiezen wat ze willen maken, zijn ze supergemotiveerd.’ 

.
Conny de Heer: De verborgen kwaliteiten van handwerken
.

Handvaardigheid: alle artikelen

Rudolf Steiner over handvaardigheid: alle artikelen
(met opmerkingen over handen en intelligentie)

Meer over handen en intelligentie: [5]

Vrijeschool in beeld: alle beelden

In de trein

.

SEIZOENER

EVELIEN NIJEBOER

.

3353-3154

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-10-1)

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 29

In [1-10] ging het o.a. om ‘met welke gedachten stap je de klas binnen’. Ben je helemaal in beslag genomen door de zorgen van alle dag: in de thuissituatie bv., maar ook door de schoolzorgen, problemen met ouders, enz. Steiner roept ons op om dit soort stemmingen niet mee de klas in te nemen. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd, dan gedaan: immers je ziel, vervuld van bepaalde zaken, schakel je niet zomaar uit. Daarvoor zou een andere vervulling moeten komen. (Van vervuiling naar vervulling’, fluisterde ik weleens voor mezelf) Die vervulling kan je krijgen door je intensief te verdiepen in de menskunde, in uitspraken die je a.h.w. ‘opheffen’ boven het alledaagse’. Niet alleen in de pedagogische voordrachten geeft Steiner ons daarvoor gezichtspunten, ook in andere:

GA 161

Wege der geistigen Erkenntnis und der Erneuerung künstlerischer Weltanschauung

Een weg tot kennis van de geest en voor het vernieuwen van een kunstzinnige wereldbeschouwing

In deze voordracht schetst hij een breed perspectief van de mens die geboren gaat worden en vanuit de geestelijke wereld zijn incarnatie op aarde begint. In veel vrijescholen wordt er – naast de weekspreuk – ook nog een anderspreukjegezegd om iedere dag te benadrukken waarmee we eigenlijk bezig zijn. In de 2e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ gaat het verschillende keren over ‘een spiegeling’, in onderstaande voordracht over ‘een spiegeling vanuit de geestelijke wereld’, waarmee de opmerkingen in de Algemene menskunde duidelijker worden.
Deze 4e voordracht is in z’n geheel vertaald in
Uit de sterren. De lange weg weg naar een nieuwe geboorteals ‘Van kind tot volwassene – de levensloop in kosmisch perspectief’.

Het boek is als PDF te downloaden. Daarom slechts een klein citaat:

Voordracht 4, Dornach 2 februari 1915

Blz. 74   vert. 109

Was können wir am besten tun, um ein Kind aufzuziehen? Wie bei so vielen Sachen handelt es sich nicht so sehr darum, dass wir ein paar Grundsätze aufstellen, die wir in der Westentasche oder im Pompadour herumtragen, um uns danach richten zu können; es handelt sich darum, dass wir bei uns selber anfangen, dass wir uns bemühen, einen Fond übersinnlicher Vorstellungen in uns zu tragen, dass wir von einer ins Übersinnliche gehenden Gesinnung und Empfindung durchdrungen sind. Denn diese wirken viel mehr als dasjenige, was wir nach äußerlichen Verstandesgrundsätzen und nach einer Verstandespädagogik bewirken können. Ein liebevolles Gemüt, das durchdrungen ist von der übersinnlichen Welt und dadurch alle Empfindungen vertieft, kommt dadurch auch in die Lage, ich möchte sagen – bitte das Wort nicht misszuverstehen -, mit der Kindeserziehung einen gewissen Kultus zu treiben, der aber darin besteht, dass wir ein Wesen lieben, das uns aus der geistigen Welt geschickt worden ist, der in einer Vergeistigung der Kindesliebe besteht, in einem Durchdrungensein von dem Gefühl: Dadurch dass wir dem Kinde die Hände reichen, können wir uns sagen: Du reichst dem Kinde etwas durch die Hand, aber du musst ihm ein Repräsentant sein derjenigen Käfte, die nicht auf der Erde zu finden sind, sondern im Übersinnlichen.

Wat kunnen we het beste doen om een kind op te voeden? Het gaat er, als bij zoveel dingen, niet zozeer om dat we een aantal principes opstellen, die we dan in onze binnenzak of portefeuille steken en waarnaar we ons richten. Het gaat erom dat we bij onszelf beginnen, dat we een bodem van boven-materiële, bovenzinnelijke voorstellingen in ons aanleggen, dat we een attitude en een stemming ontwikkelen die in het bovenzinnelijke uitmonden. Want zoiets werkt veel sterker dan alles wat we met verstandelijke principes en een rationele pedagogie kunnen uitrichten. Een liefdevol hart, dat zich bewust is van een bovenzinnelijke wereld en daardoor alle indrukken en gevoelens meer diepte geeft, komt er daardoor ook toe – vat u deze woorden alstublieft niet verkeerd op – van de opvoeding van het kind als het ware een cultus te maken. Maar die cultus komt op niets anders neer dan dat wij van een wezen houden dat uit de geestelijke wereld naar ons toe gezonden is. Het is een vergeestelijking van onze liefde voor het kind, waarbij we doordrongen zijn van het gevoel dat we het kind de hand reiken. We voelen dan: mijn handen zorgen voor het kind, maar ik moet voor het kind een representant zijn van de krachten die niet op de aarde maar in het bovenzinnelijke te vinden zijn.
GA 161/74
Vertaald/109 .

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie

[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen

[3] GA 295 Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3352-3153

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

‘T SCHIP GAAT ZEILEN
.

Ik ken het liedje al sinds mijn jeugd als ’t schip moet zeilen’.
Zo staat het bv. ook bij ‘Vrijeschoolliederen’.
Een kleine afwijking, evenals ‘we dansen maar’ t.o. ‘we dansen ja’.

De spelwijze is op ‘Vrijeschoolliederen’ veel eenvoudiger weer gegeven dan Uyldert doet.
Ook bij haar staan er twee rijen kinderen tegenover elkaar. Maar wel zo dat er tegenover een jongen, een meisje staat. In de rij staat er daardoor ook afwisselend een jongen naast een meisje.
(Wat er binnen de ‘inclusiviteit’ ook allemaal moet kunnen, laat ik achterwege, bovendien is dat ook de zorg van de kinderen meestal niet)

De 1e twee paren vormen met z’n vieren een molen.
De kinderen die naast elkaar staan geven elkaar de linker of de rechterhand.
(In andere speelwijzen hebben zij de handen in de zij).

Dan wordt het liedje gezongen.

Bij de eerste regel lopen de rijen naar elkaar toe: ‘het schip vaart immers uit’ en weer terug, dat wordt herhaald.

Bij de derde regel zou er een molen gevormd moeten worden van vier kinderen, de twee paren tegenover elkaar, die elkaar met de rechter duim en vinger bij de pols vasthouden terwijl ze naar rechts draaien.
Bij de 4e regel moet de molen weer links, wat betekent dat ook de armen moeten wisselen, dus de linker houdt nu vast.
Bij ‘alle scheepjes’ staan de kinderen weer tegenover elkaar en die tegenover elkaar staande haken hun arm in en maken een rondedans op de plaats. 
Op ‘een, twee, drie’ wordt geklapt. Op het eind doet ieder een stap naar links, zodat er nieuwe paren ontstaan. 
Je kan het tempo opvoeren.

Uyldert ziet in dit dansje een beeld voor de golfslag (het heen en terug) en de werveling, bij de molen.
Twee natuurritmen die ook in ons plaatsvinden: in het lichaam en in de ziel.
Ze vraagt zich af of we hier met een oud ritueel hebben te maken. (Om de wind op te wekken?)

.
Het wordt op nog andere manieren gedaan.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3351-3152

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (1)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

Blz. 42

1. Schuljahr September 1919 bis Juli 1920
Het 1e schooljaar september 1919 tot juli 1920

Durch die Unzahl der gestellten Fragen und behandelten Themen haben die Konferenzen eine schwer überschaubare Form. Sie sind nicht leicht als Ganzes zu lesen. Der Benutzer sucht oft nur Rudolf Steiners Äußerungen heraus zu den Themen, die ihn im Moment besonders interessieren.
Das ist aber unberechtigt, denn es ist sehr wohl ein durchgehender Duktus vorhanden. Er war gewiß niemandem von den Sprechenden bewußt, aber das Schicksal selbst hat eine Gesamtkomposition geschaffen. Um zur Erkenntnis dieser Komposition hinzuleiten, sollen hier für jedes Schuljahr die charakteristische Stimmung und die Hauptthemen herausgehoben werden. Weil die Aufgabe schwer ist, kann es sich dabei gewiß nur um einen Versuch handeln.

1. Schuljahr: 16. September 1919 bis 24. Juli 1920
8 Klassen
12 Lehrer
256 Kinder

Vanwege de talloze gestelde vragen en behandelde onderwerpen hebben de vergaderingen een vorm die moeilijk te overzien is. Ze zijn niet gemakkelijk om als geheel te lezen. De gebruiker is vaak alleen maar op zoek naar Rudolf
Steiners uitspraken over de kwesties die hem op dit moment in het bijzonder
interesseren. Maar dat is onterecht, omdat er zeer zeker een continue ductus aanwezig is. Niemand van de sprekers was zich daar kennelijk van bewust, maar het lot zelf heeft er een compositie in het algemeen van gemaakt.
Om u te helpen deze compositie te begrijpen, worden hier de karakteristieke stemming en de belangrijkste thema’s van ieder schooljaar belicht. Omdat die opgave moeilijk is, kan het alleen maar om een poging gaan.

1e schooljaar: 16 september 1919 tot 24 juli 1920
8 klassen
12 leerkrachten
256 kinderen

Alte Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft versicherten oft, sie hätten Rudolf Steiner so ganz besonders strahlend gesehen, als die Waldorfschule eröffnet wurde. Dies Strahlen liegt, wie ein Nachklang des großen dreifachen Gründungskurses vom August 1919, auch noch über allen Konferenzen des ganzen ersten Jahres.
Und wie Rudolf Steiner bei Kursbeginn den tiefen Dank aussprach an die über der Schule waltenden geistigen Mächte, so richtete er in diesem ersten Jahre auch mehrere Male den Dank an Emil Molt und an die Lehrer der Schule (1/162 und in den Ansprachen, siehe „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, besonders S. 51/52, Liste Nr. 8).
Diese Stimmung trägt und beflügelt die Lehrer und schafft ihnen erstaunliche Kräfte. Mit Schwung und Begeisterung gehen sie an ihre Aufgaben heran und suchen sich noch neue hinzu. Rudolf Steiner feuert wohl die Lehrer mehrfach an zu Enthusiasmus (1/63) und Mut (1/95, 117), aber er ruft sie auch auf zum Bewußtsein und zur Besinnung (1/63) und warnt sie vor Zersplitterung ihrer Kräfte (1/84, 124).

Oudere leden van de Antroposofische Vereniging verklaarden vaak dat ze Rudolf Steiner op zo’n bijzonder stralende manier gezien hadden, toen de Waldorfschool werd geopend. Dit stralen ligt als een echo van de grote drie cursussen in augustus 1919, ook nog over alle vergaderingen van het hele eerste jaar.
En zoals Rudolf Steiner aan het begin van de cursus zijn diepe dankbaarheid uitte aan de geestelijke machten die over de school werkzaam zijn, zo richtte hij in het eerste jaar ook meerdere keren zijn dank aan Emil Molt en aan de leraren van de school (1/162 ) en in het bijzonder in de toespraken, zie “Rudolf Steiner in de vrijeschool”, [GA 298, vertaald], vooral p. 51/52.
Deze sfeer ondersteunt en inspireert de leraren en roept bij hen
verbazingwekkende krachten op. Zij benaderen hun taken met kracht en enthousiasme en zoeken nog naar nieuwe. Rudolf Steiner moedigt de leraren wel verschillende keren aan om enthousiast te zijn en moed te hebben (1/63) (1/95, 117), maar hij roept ze ook op tot bewustzijn en bezinning (1/63) en waarschuwt hen voor het versplinteren van hun krachten. (1/84, 124).

Blz. 43

Am 7. September 1919 fand die Eröffnungsfeier für die Freie Waldorfschule statt, in der Rudolf Steiner seine grundlegende Ansprache hielt (Liste Nr. 8).
Aber der Unterricht konnte noch nicht beginnen, weil die Räume des ehemaligen Kaffeerestaurants Uhlandshöhe, Kanonenweg 44, erst zum Teil fertig waren. In der „entscheidenden Konferenz im engsten Kreise” vom 8. September (1/65), die Rudolf Steiner im Seminarkurs zuletzt (S. 184) für „morgen oder übermorgen” schon angekündigt hatte, wurde zwar ein provisorischer Plan ausgearbeitet, wie man unter Zuhilfenahme von „Schichtunterricht” auch mit den noch zu wenigen Räumen zurechtkommen könnte (1/65, 66), aber der Unterrichtsbeginn verschob sich dann doch auf Dienstag den 16. September. Rudolf Steiner war nicht dabei anwesend.
Das Äußere war denkbar primitiv. Schulbänke wurden erst nach und nach geliefert. Die Kinder mußten in den ersten Wochen auf den vom Restaurant her vorhandenen Stühlen sitzen und auf den Knien schreiben.

De openingsceremonie van de Vrije Waldorfschool vond plaats op 7 september 1919, waarin Rudolf Steiner zijn fundamentele toespraak hield [GA 298/22, in deze uitgave vertaald]. Maar de lessen konden nog niet beginnen omdat de ruimten  van het voormalige koffierestaurant Uhlandshöhe, Kanonenweg 44, slechts gedeeltelijk klaar waren. In de “beslissende vergadering in de kleinste kring” op 8 september (1/65), die Rudolf Steiner al had aangekondigd in de seminarcursus (p. 184) voor “morgen of overmorgen”, werd weliswaar een voorlopig plan opgesteld met behulp van lessen aan de ene groep na de andere, om toch uit te komen met de te weinige ruimte. (1/65, 66), maar de start van de lessen werd uitgesteld naar dinsdag 16 september. Rudolf Steiner was daarbij niet aanwezig.
Het schoolmateriaal was uiterst primitief. Schoolbanken werden pas later afgeleverd. De eerste weken moesten de kinderen op de stoelen zitten die uit het restaurant kwamen en moesten ze op hun knieën schrijven.

Die Waldorfschule begann als „Volksschule”, das heißt mit nur acht Klassen. Sie hatte beim Beginn 256 Schüler; die einzelnen Klassen waren recht unterschiedlich besetzt, im Durchschnitt mit 32 Schülern, darunter meist ein wenig mehr Mädchen als Jungen. 191 Kinder waren „Waldorfkinder”, das heißt, sie hatten Eltern oder Verwandte in der Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik. Die übrigen Schüler waren fast ausschließlich Kinder von Anthroposophen.
Dem Lehrerkollegium gehörten an: Rudolf Steiner als Leiter der Schule, Frau Marie Steiner „als Leiterin der eurythmischen Abteilung”, Emil Molt als „Protektor der Schule”, Frau Bertha Molt als „Schulmutter” (1/198, 199) und anfangs zwölf Lehrer. Deren Zahl veränderte sich im Laufe des Schuljahres, weil einige vorübergehend oder dauernd die Schule verließen und andere hinzukamen; am Schuljahresende waren es vierzehn Lehrer.
An die Stelle der üblichen „regierungsmäßigen”, rektoralen Schulführung stellte Rudolf Steiner die Verantwortung jedes einzelnen Lehrers, die sich in den Konferenzen auswirkt (1/62). „Recht republikanisch!” (1/83). „Konferenzen sind freie republikanische Unterredungen. Jeder ist darin ein Souverän” (1/68). Nach über drei Jahren schlug er für die Schulverwaltung einen drei- bis vierköpfigen Verwaltungsrat vor, „damit nicht die republikanische Verfassung durchbrochen wird” (2/235).
Obwohl der Aufbau, die Gliederung und der Lehrplan des Unterrichtes in den pädagogischen Kursen von August und September von

De Waldorfschool begon als een ‘basisschool’, dat wil zeggen met slechts acht
klassen. Bij het begin waren er 256 leerlingen; de bezetting per klas verschillende aanzienlijk, met een gemiddelde van 32 leerlingen, waaronder meestal iets meer meisjes dan jongens. 191 kinderen waren ‘Waldorf-kinderen’, wat betekent dat ze ouders of familieleden hadden in de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek. De overige leerlingen waren bijna uitsluitend kinderen van antroposofen.
Het lerarencollege bestond uit: Rudolf Steiner als leider van de
school, mevrouw Marie Steiner “als hoofd van de euritmie-afdeling”, Emil Molt als “beschermer van de school”, mevrouw Bertha Molt als “Schoolmoeder” (1/198, 199) en aanvankelijk twaalf leraren. Hun aantal veranderde in de loop van het schooljaar, omdat sommige tijdelijk of definitief de school verlieten en andere er bij kwamen: op het einde van het schooljaar waren er veertien leerkrachten.
In plaats van de gebruikelijke, van rijkswege gestelde leiding met een rector, legde Rudolf Steiner de verantwoordelijkheid bij iedere individuele leraar, wat zichtbaar wordt in de vergaderingen (1/62). “Geheel republikeins!” (1/83). “Vergaderingen zijn republikeinse gesprekken. Iedereen is daarin soeverein” (1/68). Na meer dan drie jaar stelde hij een drie- tot vierhoofdig bestuur voor, opdat “niet het republikeinse doorbroken zou worden” (2/235).
Hoewel de structuur, de opbouw en het leerplan in de pedagogische cursussen van augustus en september

Blz. 44

Rudolf Steiner schon gegeben waren, war doch noch manches einzufügen, zu ändern oder genauer auszugestalten. Nicht alles, was im ersten Schuljahre versucht wurde, ließ sich auch schon für die Dauer ausführen.
Die 7. und 8. Klasse sollten abwechselnd von zwei Lehrern geführt werden, von Stockmeyer und Dr. Treichler (1/65). Weil Dr. Treichler nach einigen Wochen noch mehr Sprachunterricht zu übernehmen hatte, trat an seine Stelle als Klassenlehrer Dr. Stein (1/115, 122). Stockmeyer und Stein rückten dann jährlich mit ihren Klassen eine Stufe höher, bis in die Oberklassen hinein. Die späteren 7. und 8. Klassen hatten, wie die 1. bis 6., dann auch nur einen Klassenlehrer (3/25).
Über den neu einzurichtenden Freien Religionsunterricht ist schon gesprochen worden im Abschnitt 7, S. 35—41.
Über die Eingliederung der „weiblichen Handarbeiten” hatte Rudolf Steiner im Seminarkurs noch nichts gesagt, „weil einfach die Besetzung nicht da war” (Seminar S. 184). Deshalb wurde erst Ende Oktober mit diesem Unterricht begonnen, selbstverständlich für Jungen und Mädchen zusammen. Frau Bertha Molt und Fräulein Helene Rommel gaben den Unterricht lange gemeinsam; erst als zu viele neue Klassen hinzukamen, übernahmen sie ihre Klassen einzeln.
Bis in den Sommer 1922 wurde das Turnen von Paul Baumann und einzelnen Klassenlehrern schlecht und recht mitversehen

al door Rudolf Steiner gegeven waren, moest er toch nog het een en ander aan toegevoegd, gewijzigd of nader uitgewerkt worden. Niet alles wat in het eerste schooljaar werd geprobeerd, kon voor de langere duur worden uitgevoerd.
De klassen 7 en 8 moesten afwisselend geleid worden door twee leerkrachten, door Stockmeyer en dr. Treichler (1/65). Omdat dr. Treichler na een paar weken meer taallessen moest gaan geven, kwam in zijn plaats als klassenleraar dr. Stein. (1/115, 122). Stockmeyer en Stein gingen vervolgens elk jaar met hun klassen
mee naar de hogere klassen. De latere 7e en 8e klassen hadden, net als de 1e tot en met de 6e, slechts één klassenleraar (3/25).
Er werd al gesproken over het nieuw op te zetten godsdienstonderwijs in deel 7, pp. 35-41.
Rudolf had tijdens de seminarcursus nog niets gezegd over de plaats van het  “vrouwelijke handwerken”, “omdat er simpelweg nog geen bezetting was” (seminar p. 184). Daarom begonnen deze lessen pas in oktober, vanzelfsprekend met de jongens en meisjes samen. Mevrouw Bertha Molt en mevrouw Helene Rommel hebben lange tijd samen de lessen gegeven; pas toen er te veel klassen bijkwamen, namen ze ieder een klas.
Tot in de zomer van 1922 werd gymnastiek gegeven door Paul Baumann en
door een paar klassenleraren, zo goed en zo kwaad als het ging.

Die wenigen in dieser Zeit gemachten Angaben Rudolf Steiners zu diesem
Unterricht heben stark den von ihm gewünschten engen Zusammenhang mit dem Eurythmieunterricht hervor (vgl. Sachwortverzeichnis). Durch die Arbeit Graf Bothmers ergab sich später für Rudolf Steiner die Möglichkeit, so konkret Grundlegendes über das Turnen zu sagen, wie es in der Konferenz vom 1. März 1923 geschah (2/292 ff.).
Handwerk und Gartenbau wurden im methodisch-didaktischen Kurs und im Seminar nur ganz allgemein erwähnt, nicht als besondere Unterrichtsgegenstände. Während nun Rudolf Steiner von Ende September bis Mitte Dezember 1919 von Stuttgart abwesend war, wurde in der Waldorfschule eine Werkstatt mit Hobelbänken und einigem Schlosserwerkzeug eingerichtet, und es wurde ein junger Schlosser angestellt, zunächst um Apparate für den Physikunterricht herzustellen. Damit im Zusammenhang wurde Ende November, wie es scheint ohne Besprechung mit Rudolf Steiner, auch mit einem
anfänglichen Handwerksunterricht durch den Schlosser begonnen, in zwei einzelnen Stunden jede Woche für die 6. bis 8. Klasse. Nach

De weinige aanwijzingen die Rudolf Steiner hierover in deze tijd gaf, leggen sterk de nadruk op de nauwe samenhang die hij wenste met het euritmieonderwijs (zie verklarende woordenlijst). Door het werk van graaf Bothmer kreeg Rudolf Steiner later de kans om over de gymnastiek concrete, fundamentele gedachten te uiten, zoals gebeurde op de conferentie van 1 maart 1923 (2/292 ev).
Handwerken en tuinieren werden in de methodisch-didactische cursus
en in de werkbesprekingen alleen in algemene termen genoemd, niet als speciale onderwijsvakken.
Terwijl Rudolf Steiner van eind september tot half december 1919 niet in Stuttgart was, werd in school een werkplaats met een paar schaafbanken ingericht en wat gereedschappen en er werd een jonge [man aangesteld die ermee om kon gaan] het Duits heeft Schlosser, dat meerdere betekenissen heeft.
In eerste instantie om apparaten voor het natuurkundeonderwijs te maken.
In verband hiermee werd eind november, naar het lijkt zonder bespreking met Rudolf Steiner, door hem ook met de eerste handvaardigheidslessen begonnen, iedere week 2 uur voor de klassen 6 t/m 8.

Blz. 45

den Osterferien kam unter derselben Leitung Gartenarbeit hinzu, schon von der 5. Klasse ab, aber zunächst nur für Freiwillige, worauf Rudolf Steiner anordnete (1/121), dieser Unterricht solle für alle Kinder als obligatorisch gelten. Zu der Frage, in welchem Alter der Handwerks- und Gartenbauunterricht beginnen sollte, vgl. Hinweis zu S. 196. —
Vom Beginn des zweiten Schuljahres ab ging dieser Unterricht über an Max Wolffhügel, der Kunstmaler war und auch die Schreinerei erlernt hatte. Den Gartenbauunterricht konnte er im Herbst 1921 abgeben an Gertrud Michels, die Gärtnerin war.
Um der in der ersten Zeit der Schule reichlich vorhandenen Ungezügeltheit ein Gegengewicht zu geben, führte Rudolf Steiner einen „Unterricht für Takt und Moral” ein; er wurde meist „Anstandsunterricht” betitelt (1/125). Paul Baumann hatte ihn zu geben, und damalige Schüler berichten, er habe zum Beispiel eine Art Kulturgeschichte der Höflichkeit behandelt: „Höflichkeit” vom Worte Hof, Rittertum und so weiter. Im Laufe des zweiten Schuljahres ist dieser Unterricht dann eingeschlafen (1/268).
Hilfsklasse. Verständlicherweise hatten die Eltern aus der Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik besonders bereitwillig diejenigen Kinder für die neue Schule angemeldet, bei denen es in der öffentlichen Schule nicht recht vorangehen wollte. Deshalb waren in den Klassen meist vier bis sechs „schwierige”, zum Teil sogar sehr schwierige Kinder zu finden. Für die, die als wirkliche Psychopathen besondere Sorgenkinder waren, richtete Rudolf Steiner schon im April 1920 eine Hilfsklasse ein (1/123).

Na de paasvakantie kwam er tuinieren bij onder dezelfde leiding, vanaf het 5e leerjaar al, maar in eerste instantie alleen voor die kinderen die het wilden.
Rudolf Steiner stelde in (1/121) dat dit onderwijs voor alle kinderen verplicht werd.
Wat betreft de vraag vanaf welke leeftijd nu de handvaardigheid en tuinbouw zou moeten beginnen, wordt verwezen naar de opmerking voor p. 196.
Vanaf het begin van het tweede schooljaar gingen deze lessen naar Max Wolffhügel, die schilder was en ook timmerwerk had geleerd. Hij kon de tuinbouw in de herfst van 1921 aan Gertrud Michels overdragen, een tuinierster.
Om tegenwicht te bieden aan los geslagen gedrag dat in die begindagen van de school bestond, stelde Rudolf Steiner een onderwijs ‘in omgangsvorm en moraliteit’ in;  het werd gewoonlijk “fatsoenslessen” genoemd (1/125). Paul Baumann moest het geven, en leerlingen uit die tijd melden dat hij bijvoorbeeld  een soort cultuurgeschiedenis van beleefdheid behandelde: ‘Hoffelijkheid’ vanuit de woorden hof, ridderlijkheid, enzovoort. Tijdens het tweede schooljaar
kwamen deze lessen op een laag pitje te staan.  (1/268).

Hulpklas

Het is begrijpelijk dat vooral de ouders van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek graag die kinderen bij de nieuwe school inschreven met wie het in het reguliere onderwijs niet zo goed ging. Daarom zaten er in de klassen meestal wel vier tot zes moeilijke, soms zelfs heel moeilijke kinderen. Vooral voor hen die als reële psychopathische kinderen echte zorgenkinderen waren, zette Rudolf Steiner in april 1920 al een hulpklas op(1/123).

Etwa zehn Kinder der 1.—6. Klasse wurden während des Hauptunterrichtes, also nur von acht bis zehn Uhr, aus ihren Klassen herausgenommen und „separat” unterrichtet. Es sollten dabei besonders langsam und eindringlich dieselben Dinge durchgenommen werden wie im Klassenunterricht sonst auch (1/125), aber außerdem sollten auch ganz spezielle Übungen gemacht werden (1/264). Zu den Stunden nach zehn Uhr sollten die Kinder alle wieder in ihre regulären Klassen zurückkehren. Diesen Hilfsunterricht übergab Rudolf Steiner an Karl Schubert.
Leider konnte diese Hilfsklasse zunächst nur bis zum Juni 1920 durchgeführt werden, weil Dr. Schubert für eine erkrankte Klassenlehrerin einspringen mußte, und die Hilfsklassenkinder gingen wieder ganz in ihre jeweilige Klasse zurück. Erst im September 1921 (2/37) konnte Dr. Schubert seine Hilfsklasse wieder übernehmen, Sie veränderte sich im Laufe der Jahre zunehmend in der Richtung, daß immer mehr auch ganz schwere Fälle, das heißt Kinder, die
überhaupt an keinem Klassenunterricht teilzunehmen in der Lage

Ongeveer tien kinderen uit de 1e tot en met 6e klas werden tijdens het hoofdonderwijs, dat wil zeggen alleen van acht tot tien uur, uit hun klas gehaald en “afzonderlijk” onderwezen. Dezelfde dingen die in de klas werden gedaan, werden hier bijzonder langzaam en indringend gedaan,  (1/125), maar er moesten ook heel specifieke oefeningen gedaan worden. (1/264). Na tien uur gingen de kinderen allemaal terug naar hun klas. Deze hulpklas gaf Rudolf Steiner aan Karl Schubert. Helaas kon deze hulpklas aanvankelijk slechts tot juni 1920 blijven bestaan, omdat dr. Schubert moest invallen voor een collega die ziek was, en de kinderen van de hulpklas gingen weer helemaal terug naar hun eigen klas. Pas in september 1921 (2/37) kon dr. Schubert zijn hulpklas weer overnemen. Door de jaren heen is het al maar meer in de richting veranderd dat er steeds meer zeer ernstige gevallen waren, namelijk kinderen die helemaal geen onderwijs konden volgen,

Blz. 46

waren, in die Hilfsklasse aufgenommen wurden. Dr. Schubert leitete dann die Hilfsklasse zum größten Segen für „seine”, aber auch für alle Kinder der Waldorfschule ununterbrochen, bis die Schule Ostern 1938 verboten wurde; ja es gelang ihm sogar, sie, im Verborgenen geduldet, auch dann noch bis 1945 weiterzuführen (vgl. Sachwortverzeichnis).
Ebenfalls im Frühjahr 1920 wurde ein Kindergarten (Vorschule, Vorklasse) unter Leitung von Elisabeth von Grunelius eröffnet (1/121). Rudolf Steiner gab Ratschläge dafür (1/133, 134, 146, 147). Leider mußte der Kindergarten wegen Geld- und Platzmangels schon nach wenigen Monaten wieder aufgegeben werden. Fräulein von Grunelius übernahm zeitweise andere Aufgaben an der Schule.
Ihr Kindergarten kam erst nach Rudolf Steiners Tode wieder zustande.
Ebensowenig konnte der Versuch durchgeführt werden, für Kinder,
die nachmittags unbeaufsichtigt waren und verwilderten, einen Hort
(1/112) einzurichten. Auch hier reichten die Räume und Geldmittel
nicht aus. Außerdem war das Interesse gerade der Eltern dieser Kinder doch nicht stark und zuverlässig genug.
Auch die Versuche, für schulentlassene Kinder eine Fortbildungsschule zu schaffen, mußten, allerdings aus anderen Gründen, immer
wieder aufgegeben werden.

en die in de hulpklas werden opgenomen. Dr. Schubert leidde dan de hulpklas tot de grootste zegen voor “zijn”, maar ook voor alle kinderen van de Waldorfschool doorlopend tot de school met Pasen 1938 verboden werd; ja, hij slaagde er zelfs in, zij  het in het geheim getolereerd om door te gaan tot 1945 (zie verklarende woordenlijst).
Ook in het voorjaar van 1920 werd er een kleuterschool (kleuterschool, voorschool, voorklas) geopend onder leiding van Elisabeth von Grunelius (1/121). Rudolf Steiner gaf hiervoor advies (1/133, 134, 146, 147). Helaas moest de kleuterschool al na een paar maanden weer gesloten worden wegens gebrek aan geld en ruimte. Mevrouw von Grunelius nam tijdelijk andere taken op  school op zich.
Haar kleuterklas werd pas heropend na de dood van Rudolf Steiner.
De poging om kinderen voor wie er ’s middags geen opvang was en die niet verzorgd werden, een naschoolse opvang te organiseren, kon niet worden gecontinueerd. (1/112). Ook hier waren de ruimte en de middelen niet toereikend. Daarnaast was vooral de belangstelling van de ouders van deze kinderen niet sterk en betrouwbaar genoeg.
Ook de pogingen om voor de kinderen die de school doorlopen hadden een vervolgschool in te richten, weliswaar om andere redenen, moesten steeds weer worden opgegeven.

Rudolf Steiner hatte ursprünglich gedacht an eine mit der Waldorfschule nur locker zu verbindende Schule für junge Leute von vierzehn bis fünfzehn Jahren ab, als Vorbereitung für den Eintritt in die spezielle Berufsausbildung im Handwerk oder in der Fabrik. Diese Aufgabe sollte Dipl. Ing. Alexander Strakosch (1/121, 126) übernehmen. Er war bis Herbst 1920 in Wien Vorstand eines Eisenbahnwerkstättenamtes und hatte durch Urlaub im August/September an den pädagogischen Kursen, und später auch an den naturwissenschaftlichen Kursen teilnehmen können. (Vgl. dazu: Alexander Strakosch, „Lebenswege mit Rudolf Steiner. 2. Teil.” Dornach 1952, S. 60.) Aber dieser erste Plan erwies sich als undurchführbar, weil die Bestimmungen über die staatlichen Fortbildungsschulen jede private Initiative auf diesem Felde ausschlössen.
Jetzt (1/121) im März 1920 trat der zweite Plan auf: für Schüler, die nach absolvierter Schulpflicht aus der 8. Klasse der Waldorfschule ausgetreten waren und nun schon in einer Berufsausbildung standen, eine solche Schule einzurichten. Sie sollte wirkliche „Lebenskunde” geben, und Rudolf Steiner wollte sie „Lebensschule für die Ältesten” nennen. Er gab sogar schon einen skizzenhaften Lehrplan

Rudolf Steiner had oorspronkelijk gedacht aan een school voor jongeren tussen de veertien en vijftien jaar die slechts losjes verbonden zou zijn met de Waldorfschool, als voorbereiding om toegelaten te worden tot de speciale beroepsopleiding voor een ambacht of voor in de fabriek. Deze taak zou ir. Alexander Strakosch (1/121, 126) op zich nemen. Hij was tot de herfst van 1920 hoofd van een spoorwegwerkplaats in Wenen en had omdat hij in augustus/september vakantie had, aan de pedagogische cursus en later ook aan de natuurwetenschappelijke cursussen kunnen deelnemen. (Zie: Alexander Strakosch, “Levenspaden met Rudolf Steiner. Deel 2.” Dornach 1952,
p. 60.) Maar dit eerste plan bleek onwerkbaar omdat de bepalingen met betrekking tot staatsscholen voor voortgezet onderwijs, elk particulier
initiatief op dit gebied uitsloten.
Nu (1/121) in maart 1920 kwam het tweede plan: voor leerlingen die na het voltooien van de leerplicht uit klas 8 van de Waldorfschool waren vertrokken en al een beroepsopleiding volgden, zo’n school op te richten. Het zou om echte ‘levenskennis’ moeten gaan en Rudolf Steiner wilde het een ‘levensschool voor de oudsten’ noemen. Hij gaf er zelfs een schetsmatig leerplan

Blz. 47

dafür (1/126). Aber auch dies scheiterte. Das Interesse der jungen Menschen selber war nicht nachhaltig genug, und die behördlichen Bestimmungen ließen keinerlei Spielraum. Strakosch übernahm dann im September 1920 als Klassenlehrer die 5. Klasse und war gleichzeitig in der Leitung des Forschungsinstitutes tätig (Einleitung S. 19).
In gewisser, freilich recht anderer Weise ist später der innerhalb des
Waldorflehrplanes von Strakosch gegebene Unterricht in Technologie (von der 10. Klasse ab) an diese Stelle getreten (1/286, 287, vgl. Sachwortverzeichnis).
Ganz aus der damals Deutschland ergreifenden Erregung über sozialemFragen und gleichzeitig aus der Begeisterung für die Dreigliederungsbewegung herausgeboren, waren die von Dr. Herbert Hahn für die 6. bis 8. Klasse unternommenen Unterweisungen in „sozialer Erkenntnis” (1/136). Es war das, wie Rudolf Steiner es nannte, ein „Unterricht abseits vom übrigen”, der mit dem Wiedereintreten „ruhiger” Verhältnisse sein natürliches Ende fand. (Vgl. Sachwortverzeichnis.)

voor (1/126). Maar ook dit mislukte. De interesse van de jongeren zelf was niet duurzaam genoeg, en de regelgeving van de overheid liet ook geen speelruimte. Strakosch nam daarna in september 1920 als klassenleraar de 5e klas over en was tegelijkertijd werkzaam in de leiding van het onderzoeksinstituut (inleiding
blz. 19).
Op een bepaalde, weliswaar heel andere manier, zijn later binnen het vrijeschoolleerplan de door Strakosch gegeven technologielessen (vanaf de 10e klas) daarvoor in de plaats gekomen. (1/286, 287, vgl. Verklarende woordenlijst).
Geheel vanwege de opwinding over sociale kwesties die Duitsland destijds in zijn greep hielden en tegelijkertijd uit het enthousiasme voor de driegeleding ontstonden de door Dr. Herbert Hahn voor de 6e tot en met de 8e klas gegeven instructies in “sociale kennis” (1/136). Het waren, zoals Rudolf Steiner het noemde, “lessen los van de rest” die met de terugkeer van weer “rustiger” omstandigheden, tot een natuurlijk einde kwamen. (Zie verklarende woordenlijst.)

Vier Dinge, die zu den besonders charakteristischen Lebensformen der Waldorfschule gehören, nahmen schon im ersten Schuljahr ihre bleibende Gestalt an.

1. Dem in Württemberg damals üblichen schulfreien ersten Montag im Monat gab Rudolf Steiner einen sinnvollen Inhalt. Er machte aus dem bloßen freien Tag, den er auf den Donnerstag als den geeigneten Wochentag verlegte, ein Schulfest, die „Monatsfeier” (1/112), indem er einerseits den Inhalt des Festes ganz aus dem pädagogischen Leben der Schule herauswachsen ließ — die Kinder sollten einander zeigen, was sie gearbeitet hatten — und andererseits darauf
hinwies, daß dieser Tag etwas sein sollte wie „ein Gedankensammeln über den Monatsinhalt”. Rudolf Steiners eigene Ansprachen bei diesen Monatsfeiern und ähnlichen Gelegenheiten, siehe in „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, Stuttgart 1958, S. 29, 45, 55, 99, 141,171 (Liste Nr. 8).

2. Auch bei den Feiern zum Anfang und Abschluß des Schuljahres
erfüllte Rudolf Steiner den bisher üblichen leeren Formalismus mit
pädagogischem Inhalt. Freilich war die Gestalt dieser Feiern, wie sie
heute noch in den Waldorfschulen lebendig ist, bei Rudolf Steiner
auch nicht mit einem Male vorhanden, sondern sie entwickelte sich
schrittweise. Man vergleiche dazu Seite 157, „etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt” mit Seite 289, wo er über die Anspra-

Vier dingen die bijzonder kenmerkend zijn voor de levensvormen die bij de
Waldorfschool horen, kregen in het eerste schooljaar al een blijvende vorm.

1. De eerste maandag van de maand was er, zoals destijds gebruikelijk in Württemberg, geen school. Rudolf Steiner gaf een betekenisvolle inhoud
aan deze maandag, Hij maakte van deze alleen maar vrije dag die hij naar de donderdag verplaatste als een geschikte dag, een schoolfeest, de “maandelijkse viering” (1/112) een maandfeest. Aan de ene kant liet hij de inhoud van het feest volledig voortkomen uit het pedagogische leven van de school – de kinderen lieten aan elkaar zien waar ze aan gewerkt hadden – en aan de andere kant
wees hij erop dat deze dag zoiets zou moeten zijn als “een verzameling van ideeën over de inhoud van de maand”. Zie de eigen toespraken van Rudolf Steiner bij deze maandelijkse vieringen en soortgelijke gelegenheden in “Rudolf Steiner in de Waldorfschool”, Stuttgart 1958, blz. 29, 45, 55, 99, 141, 171 (lijst nr. 8).

2. Ook bij de feestelijke bijeenkomsten aan het begin en einde van het schooljaar
vulde Rudolf Steiner de voorheen gebruikelijke lege formaliteit met pedagogische inhoud. Natuurlijk was de vorm van deze vieringen zoals die op vrijescholen nog steeds leven, bij Rudolf Steiner ook niet meteen aanwezig, maar ontwikkelde zich dit geleidelijk. Vergelijk pagina 157, “iets dat euritmisch het einde van de schooltijd vertoont” met pagina 289, waar hij spreekt over de

Blz. 48

chen der Lehrer spricht. Er gab auch selbst Vorbilder für die Art, wie da zu sprechen sei, in seinen eigenen Ansprachen, von denen sich sechs erhalten haben. Vgl. in „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, S. 48,75,88 , 126,145,175.

3. Ein ähnlicher Prozeß des langsamen Wachsens einer Form zu innerer Realität hin ist bei der Frage der Zeugnisgebung und der Versetzung zu beobachten. Im Seminarkurs am 6. September 1919 (S. 183) ist noch von mehreren Zeugnissen die Rede, die im Laufe des Jahres zu geben seien, ,,als von der Außenwelt Gefordertes”; ähnlich auch noch in der Konferenz am 23. Dezember 1919 (1/116).
Aber am 14. Juni 1920 (1/147) wird wie selbstverständlich von nur
einem Jahreszeugnis gesprochen. Der Kopf der Zeugnisse wurde später von ihm so angegeben:

                                                             Dieses Zeugnis
wird______________________________________________
geboren am_______________ in_________________________
für die Klasse______ im Schuljahr 19__ /19__ gegeben

Über die Art, wie diese Zeugnisse innerlich zu gestalten seien, sollten
Rudolf Steiners mehrfache Äußerungen (vgl. Sachwortverzeichnis)
nachgelesen werden.

de toespraken van de leraren. Hij gaf ook voorbeelden van hoe je dit kunt doen
in zijn eigen toespraken waarvan er zes bewaard zijn gebleven. Zie “Rudolf Steiner in de Vrije School”, blz. 48,75,88, 126,145,175.

3. Een soortgelijk proces waarbij je langzaam een ​​vorm ziet groeien
naar de innerlijke werkelijkheid is de kwestie van het getuigschrift en het overgaan. In de seminarcursus op 6 september 1919 (p. 183) is er sprake van verschillende getuigschriften die in de loop van het jaar moesten worden gegeven “als iets dat door de buitenwereld wordt geëist”; eveneens tijdens de vergadering van 23 december 1919 (1/116).
Maar op 14 juni 1920 (1/147) werd als vanzelfsprekend maar over één getuigschrift gesproken. De kop van het getuigschrift werd later door hem zo aangegeven:

                                                                Dit getuigschrift
wordt_______________________________________________
geboren op_________ in_________________________________
gegeven voor de klas in het schooljaar 19__/19___

Over de manier waarop deze getuigschriften inhoudelijk vormgegeven moeten worden, kan bij de verschillende opmerkingen van Rudolf Steiner (zie verklarende woordenlijst) gelezen worden.
GA 300A/42-48

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3350-3151

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Van Sint-Maarten tot Maria-Lichtmis

.

Dieuwke Hessels, november 2024

.
Feestend van Sint-Maarten tot Maria-Lichtmis

.

Klein voorwoord van ondergetekende

Hierbij een schrijven over de feesten in de Grote Kersttijd en in die weken zijn er niet alleen christelijke feesten.
Een aantal feesten worden hier benoemd, zowel christelijke als een aantal die hun oorsprong vinden vanuit andere overtuigingen of geloofsrichtingen.
Wat al deze feesten bindt: licht, vreugde, samen herdenken en vieren, zorg dragen voor elkaar en de aarde, schenken en ontvangen. Anders gezegd: Als mens in verbinding staan/komen met aarde, alledag, de ander en in verbondenheid weten/komen met hogere machten, engelen, je beschermengel.

Het is niet de bedoeling alle feesten uitgebreid te benoemen maar juist óm ze te benoemen.
Meer informatie kun je zeker vinden op genoemde sites en ook meerdere artikelen van mijn hand. [1]

Grotendeels komt de tekst van mezelf, soms van sites als:

Waldorf Inspiration – Bewust ouderschap met de antroposofie ,
Welkom – Antroposofie en het Kind,
Het Zonnejaar,
Wereld Feesten Almanak

Waarvoor dank.

Foto’s komen van Pinterest: bijvoorbeeld van de seizoentafels in advent van
Vrijeschool in beeld/advent

Ansichtkaarten zijn voorzien van naam.

Liedjes zijn te vinden op Vrijeschoolliederen
Versjes zijn te vinden bij Tineke’s DoeHoek

In verbinding staan met het grote geheel en je overgeven aan het hogere wat je geleidt.

De Grote Kersttijd
In de grote Kersttijd is er een reeks aan jaarfeesten: lichtfeesten en enige mantelfeesten.
Sint-Maarten – 11 november – 40 dagen voor Kerst
Loi Kratong 15-16 november Thais
1e advent 01 december
Advent – vier zondagen/weken voor Kerst –
Sint-Nicolaas – 5 december pakjesavond
Luciafeest 13 december
Yule/midwinter 21 december
Kerstdagen 25 en 26 december
12 heilige nachten – 24 december- 6 januari
Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari
Drie Koningen – 6 januari
Lailat-ul-Meraj 27 januari
Chinees nieuwjaar 29 januari
Imbolc 1 februari
Maria-Lichtmis – 2 februari – 40 dagen na Kerst

Van Sint-Maarten naar Maria Lichtmis.
Op 2 februari, 40 dagen na Kerst, vieren wij het jaarfeest Maria Lichtmis. 40 dagen voor Kerst vieren we het Sint-Maartenfeest en ontsteken wij licht in een lampion van een suikerbiet of pompoen, die uit of op de aarde gegroeid is.
Dit lichtje dragen we door de donkere winternacht, gedurende een periode van 80 dagen…

“Hoog aan de hemel de sterrenschijn,
in mijn lantaren een lichtje klein.”

Die periode wordt de Grote Kersttijd genoemd: buiten donkert het meer en meer en binnen steken we lichtjes aan.
De aarde ademt in, natuur trekt zich terug, sapstromen stoppen, de eerste knoppen hebben zich aan boomtakken gevormd en bladeren dwarrelen in herfsttinten naar de aarde om beschutting te geven aan de aarde, kleine dieren, als voedselbron voor de aarde aangezien blad composteert in de winter….
Met Kerst, in de donkerste tijd van het jaar (21 december winterzonnewende, langste nacht en kortste dag), wordt het Jezuskind geboren welke symbool staat voor de geboorte van het licht in ieder mens, het innerlijke licht.
Met Maria-Lichtmis, het laatste lichtfeest, sluiten we de grote Kersttijd af. Het lengen van de dagen gaat steeds sneller, het licht buiten neemt weer toe. Het is tijd om het licht van de kaarsen symbolisch terug te geven aan moeder aarde.
We kunnen het licht missen en brengen het naar de voorzichtig ontluikende natuur.

Hier woont een rijk man,
Die mij heel veel geven kan
Lang zal hij (in mij) leven,
Veel zal hij geven
Zalig zal hij sterven,
De hemel zal hij erven
God zal hem lonen,
Met honderdduizend kronen
Met honderdduizend lichten aan,
Hier komt Sinte Maarten aan.

Sint-Maarten, begin van de grote Kersttijd: het is de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laatste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met het “zelf” van jou en mij. We gaan deze tijd gebruiken om ook bij onszelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd
gemakkelijk, je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen, verbeterpunten. En dat is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken.
Het sprookje “de Sterrendaalders” laat in zijn eenvoud zien hoe je jezelf staande kan houden bij lastige momenten, veel vragende tijden, en je zal verrast en rijk worden ….

Ontvangen en schenken: Wat de ene schenkt ontvangt de ander: beide worden ze blij, warm vanbinnen.

“Er was eens een klein meisje; haar vader en haar moeder waren gestorven, en ze was zo arm dat ze niet eens een kamertje had om in te wonen, en ook geen bedje meer om in te slapen, en eindelijk helemaal niets meer dan de kleren die ze aanhad en een stukje brood in haar hand, dat een medelijdende ziel haar had gegeven. Maar ze was lief en vroom. En omdat ze zo door iedereen verlaten was, trok ze, in vertrouwen op de goede God, de wereld in.
Een arme man kwam haar tegen, en hij zei: “Och, geef me toch wat eten, ik heb zo’n honger.” Ze gaf hem het hele stuk brood en zei: “Ik hoop dat Gods zegen erop rust,” en ze ging weer verder.
Toen kwam een kind en dat huilde en zei: “Ik heb zo’n kou op mijn hoofd, geef me iets om op te zetten.” Toen nam ze haar mutsje af en gaf dat aan het kind.
En toen ze nog een eind gegaan was, kwam er weer een kind aan en dat had geen bloesje aan en het had het zo koud en toen gaf ze het hare weg; en nog verder vroeg iemand om haar rokje, en dat deed ze ook uit en gaf het weg.
Eindelijk kwam ze in een groot bos, en ’t was al donker geworden en toen kwam er nog iemand en vroeg om een hemd en het vrome meisje dacht:
“Het is toch donkere nacht, niemand ziet er iets van, je kunt het hemd best weggeven,” en ze trok haar hemd uit en gaf dat ook weg.
En toen ze zo stond en helemaal niets meer aan had, vielen er opeens sterren uit de hemel, en dat waren niets dan harde blanke daalders, en al had ze net haar hemd weggegeven, toch had ze een nieuw aan, en dat was van het allerfijnste linnen.
Toen raapte ze alle daalders bij elkaar en was rijk voor de rest van haar leven.”

Sint-Lucia van Syracuse vrijdag 13 december.
In de late Middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia=licht) verbonden met de terugkeer van het licht na hetwintersolstitium. Haar naamdag, 13 december, werd vóór de invoering van de Gregoriaanse kalender vaak beschouwd als kortste dag.
Een in het wit gekleed meisje met een kroon van brandende kaarsen, meestal de jongste dochter, gaat als Luciabruid alle kamers af en brengt, vaak geholpen door bruidsmeisjes, alle huisgenoten koffie en lekkernijen in de slaapkamer….
Waar ook de Luciadag gevierd wordt zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot Midwintervieringen.
De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de midwinteromgangen. In de loop der eeuwen zijn verschillende gebruiken rond Holda en Perchta [Keltische godinnen] door Lucia overgenomen.
In vrijescholen is het jongste meisje van klas 3 [groep 5] de Luciabruid. Zij gaat gevolgd door haar medeleerlingen in een rij door alle klassen van de school, al zingend en koekjes van saffraan uitdelend.
Alle leerlingen van die klas zijn in het wit gekleed, sommigen dragen een kaarsje anderen een schaal met sterren-zon-maankoekjes.
Dit vindt plaats in de vroege ochtend, als het nog donker is…

Loi Krathong 15 & 16 november
Loi Krathong is het feest van het licht, gevierd door de Thaise gemeenschap in Nederland. Dit feest wordt op de avond van de volle maan in november gevierd.
Als de maan opkomt, verzamelt iedereen zich bij de rivier, waar de krathong, een bootje of lampion in de vorm van een lotusbloem, in het water wordt gelegd. Hoe langer deze blijft branden en drijven, hoe meer geluk je zult hebben in het komende jaar. De wegdrijvende lichtjes nemen het ongeluk met zich mee.
Vervolgens wordt er een verhaal over één van de vorige levens van de Boeddha verteld: over prins Vessantara, die beroemd was om zijn medeleven en vrijgevigheid.

Dan komt St-Nicolaas, de derde herfstheilige, bij ons aan, in de adventtijd: vier zondagen voor Kerst.

“Donker is de aarde, de bomen zijn nu kaal.
Voor kwaad bewaar’ ons de dapp’re Michaël,
De dapp’re Michaël.

d’Heilige Sint-Maarten, Hij schonk ons offerkracht.
Advent is nu gekomen en heel de wereld wacht,
En heel de wereld wacht.

Nicolaas wil helpen Een beter mens te zijn.
Opdat het Kerstlicht strale in onze harten rein,
In onze harten rein.”

Het sinterklaasfeest is een feest waar veel van te vertellen is en dat bol staat van symbolen:
Het medeleven en medelijden hebben met je medemens.
Elkaar helpen en in liefde naar elkaar kijken is een aspect dat je bij Sinterklaas terugvindt.
Sint die over de daken rijdt is de verbinding tussen hemel en aarde, dat is ook zijn mijter, die immers aan de bovenkant open is.
Sinterklaas komt ieder jaar met de boot uit Spanje. Hij komt van over het water, dat wil zeggen vanuit de andere wereld.
Waarom Spanje? Dat is niet helemaal eenduidig. In het Frans betekent een ‘chateau d’Espagne’ een luchtkasteel en heeft dezelfde gevoelswaarde als
Engel-land: de andere wereld.
Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom refereert aan de laatste maand van het jaar..
Het grote boek staat vol met zowel goede als minder goede daden van ons mensenkinderen
Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst, zoals wij dat doen met onze surprises.
Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. De schoen die we dragen en waarmee we de wereld in willen gaan.
En zo zijn er nog veel meer symbolen op te noemen.
Sint leert ons blij te zijn met datgene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen.
Dit feest staat aan het begin van advent: tijd van stilte. De stilte waaraan we ons meer zouden moeten overgeven als voorbereiding op het kerstfeest.
Dag voor dag dichter bij de langste en soms donkerste nacht, geboorte van het Kerstkind en het begin van de 12 heilige nachten. Nachten waarin voorspellende dromen, inzichten kunnen geven: de hemel is nabij…..

Het bij elkaar brengen van Advent en Sinterklaas en Kerst is op het oog wellicht lastig, maar hulpmiddelen als liedjes, prentenboeken, tijd nemen, in rust kunnen gaan, laten weten aan je kind[eren] dat “het goed komt”, en door onderstaand verhaaltje te vertellen wil het bij elkaar brengen van deze feesten echt wel lukken.

“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee
mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.

Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint- Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de
sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de
nacht, kunt u overdag helpen?.
Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De
sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik
help graag mee, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant.
Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan.
Daar aangekomen vertelde hij aan eenieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen.
Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

En dan dit:
“Zachtjes gaan Maria’s voeten langs de lichte sterrenbaan.
Alle sterrenkind’ren groeten, allen willen haar ontmoeten,
Ook de glanzend zilv’ren maan.
En zo stil en zo zacht zweven eng’len bij nacht:
Hoor, zij zingen zo fijn voor het Kindeke klein!”
En dit lied te zingen…..
“Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu, het ruist al door de lucht.
Het wonder komt heel zachtjes aan, ’t kerstkind wil naar binnen gaan.”

1e advent, viering met adventtuintje lopen.

De adventstijd voor kleine kinderen op vrijescholen begint met het lopen van de
adventsspiraal.
Dat is een spiraal van dennengroen, of zilverzand, met in het midden een grote
kaars. Al zachtjes zingend of onder begeleiding van muziek, lopen de kinderen om de beurt de spiraal naar binnen. Zijn ze helemaal naar binnen gekeerd en
aangekomen bij de kern, dan steken zij daar hun eigen lichtje aan. Op de terugweg (met de klok mee) mogen de kinderen hun kaarsje een plekje geven in de spiraal.
Door het groeiende aantal kaarsjes in de spiraal, groeit het licht.
De weg naar binnen is de weg die ook wij in deze steeds donker wordende en stille tijd van het jaar gaan. Door het groeiende licht in de spiraal en de komst van het goddelijke (of het spirituele) nieuwe licht, kan er een nieuwe impuls ontstaan die het menselijke met het goddelijke verbindt.

Hieronder een verhaal over het adventtuintje.

“Er was eens heel lang geleden een oude man. Hij heette Jacob en woonde helemaal alleen in een groot bos dicht bij een klein dorpje. Zijn kleine, ietwat vervallen huisje stond diep verscholen tussen de hoge bomen en het dichte
struikgewas. Jacob hield er niet van om tussen de mensen in het dorp te leven, want hij wilde in het bos tussen de dieren zijn en elke dag het ruisen van de wind door de bomen horen. Hij hield van de koele aarde aan zijn voeten en het hemelgewelf met daarin bij dag de stralende zon, en bij nacht de lieve maan en de glinsterende sterren, die hem op zijn levenspad begeleidde.
In de zomer verzamelde Jacob bijzondere kruiden met geneeskrachtige werking. Soms kwamen de mensen uit het dorp naar Jacob toe om hem te vragen naar zijn kruiden om daarmee de zieken in het dorp weer beter te kunnen maken. Jacob gaf graag zijn kruiden en zijn wijsheid aan de mensen – het maakte hem tot een zeer geliefd mens onder de mensen van het dorp.
Op de dag trok de hemel dicht met donkere wolken. De wolken waren de voorbode van een onstuimig onweer dat over de aarde uitbarstte. De regen stortte uit de hemel zoals het lange tijd niet meer had gedaan. De bliksemschichten verlichtten de donkere aarde en de donder rolde over het kleine dorpje en het grote bos. De oude Jacob zat rustig en stil in zijn fijne huisje en luisterde naar het onweer buiten. Zijn geitje had hij naar binnen gehaald omdat het zo klagelijk aan het mekkeren was. En terwijl hij daar zo zat en stil voor zich uit keek, berustend in zijn gedachten zag hij opeens in de hoek van de kamer een groene slang met een gouden kroon op het kopje en allemaal glanzende stippen verspreid over de huid.
Meteen toen Jacob van verbazing wilde opstaan, begon de slang tegen hem te spreken. “Jacob, het is donker op de wereld en de mensen hebben de deuren van hun hart gesloten. Je moet iets doen!”
Jacob wist eerst geen woord uit te brengen, maar toen hij bijgekomen was van de verbazing, zei hij: “Het is niet eenvoudig om de mensen te helpen. Hoe zou ik dat moeten doen?”
De slang antwoordde: “Jacob, de kinderen hebben een adventstuintje nodig, zodat zij een lichtje kunnen aansteken en naar buiten kunnen dragen zodat het weer lichter wordt in de wereld. Kijk naar mij!”
De slang bewoog zich over de grond en vormde met zijn lichaam een spiraal. Toen stak hij zijn kopje in het midden van de spiraal omhoog zodat het gouden kroontje nog meer glansde als daarvoor. Ook de lichtende punten op de huid
leken nog meer te stralen.
Toen wist Jacob wat hem te doen stond. Hij wilde de slang danken, maar nog voordat hij een woord kon spreken, was de slang alweer verdwenen en lag op de grond nog enkel een laagje gouden stof.
Intussen was buiten de storm gaan liggen. De wind had de wolken uiteengedreven en de zon scheen met voorzichtige stralen weer op de vochtige aarde. Jacob trok zijn jas aan, vulde zijn tas vol met kruiden, trok de deur stevig achter zich dicht en ging op pad. Bij het dorp aangekomen klopte hij op alle deuren en vroeg om appels en kaarsen. De mensen keken verbaasd naar Jacob, maar gaven hem natuurlijk de appels en kaarsen waar hij om vroeg. Hij vertelde de mensen dat morgen op de eerste adventszondag alle kinderen, ja, alleen de kinderen aan het eind van de dag als het al buiten begon te schemeren naar hem toe mochten komen.
Bij het laatste huis aangekomen vroeg Jacob de mensen die daar woonden om een extra grote en mooie kaars. Toen hij die had gekregen ging hij weer naar huis. Zijn tas was nu ook leeg, hij had alle kruiden aan de mensen gegeven als
dank voor de appels en kaarsen. Met een hart vol blijdschap vertrok Jacob weer richting het bos. Thuis aangekomen ging hij meteen vlijtig aan het werk.
Hij ruimde zijn huisje leeg en legde in het midden van de ruimte een grote spiraal gemaakt van dennentakken en mos uit het bos. In het midden zette hij een grote wortel van een boom neer met daarop de bijzondere, grote kaars en stak die aan. De kleine kaarsjes stak hij in de appels en zette hij voor de kinderen klaar.
De volgende dag bij het invallen van de avond vertrokken alle kinderen uit het dorp naar het bos. Op de weggetjes die tussen de hoge bomen door leiden naar het kleine huisje, renden en dansten de kinderen luidruchtig, Ze lachten en
maakten samen pret. Maar hoe dichter ze bij het huisje kwamen, hoe rustiger de kinderen werden. Toen Jacob de deur opendeed en de kinderen naar binnen liep waren de kinderen muisstil geworden. In het midden brandde de kaars, verder was het helemaal donker binnen. De kinderen gingen in een grote kring om het adventstuintje zitten en begonnen samen de mooiste adventsliederen te zingen.
Elk kind mocht nu om de beurt een appel met een kaarsje pakken en naar binnen in de spiraal lopen. Vol aandacht ontstaken de kinderen hun kleine kaarsje aan de grote kaars. Op de spiraalweg naar buiten zocht elk kind een plekje voor hun kleine lichtje om het neer te zetten tussen de takken en het mos. Oh wat straalden al de gezichten van de kinderen.
Steeds lichter en lichter en lichter werd het in het kleine huisje en steeds lichter werd het in de harten van de kinderen”.

Advent
In de natuur is het stil en rustig rond de 1e advent.
De seizoentafel is getooid in de kleur blauw [de kleur van verwachting].
Week voor week wordt er aan je seizoentafel iets toegevoegd van de wereld:
1e week= mineralen, 2e week= plantenrijk, 3e week = dierenrijk en 4e week= mensenrijk.

Kerstfeest
Het feest van de geboorte van Christus,
De geboorte van het licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen,

Zijn licht.
Wij vieren het nieuwe leven, de geboorte van een kind en
Het keerpunt in het jaar waar het eindelijk weer lichter wordt.

 

 

Zoals elk feest, is ook het kerstfeest een feest met vele symbolen.
De kerstboom is tegenwoordig vooral mooi als decoratie, waarbij voor ons de geur van dennengroen in huis, de geur van kerstmis is.
Maar de boom is ook een verwijzing naar de boom van goed en kwaad uit het paradijs.
De kerstballen die wij erin hangen zijn het beeld van de appels die Adam en Eva niet mochten eten, maar toch aten met als gevolg dat zij uit het paradijs werden verdreven.
25 december is Adam-en-Evadag, niet gek dus dat er zoveel verwijzingen zijn naar Bijbelse verhalen rondom de oorsprong van de mens.
De piek of ster boven in de boom verwijst naar de heldere ster die boven de stal in Bethlehem stond.
De boodschap die het kerstfeest ons brengt, is het terugkeren naar de kern,
het zorg dragen voor anderen en vrede voor iedereen.
Onwillekeurig denk je met kerst extra aan de mensen die niet gelukkig of eenzaam zijn.
Laten we ook hen niet vergeten; stuur een lief bericht, maak een extra plekje vrij aan tafel, steek een kaarsje voor ze aan, of breng een kort bezoekje met heerlijke koekjes.

Yule of Midwinter (21 december)
Yule vindt plaats tijdens het wintersolstitium (de langste nacht van het jaar, ook wel de zonnewende genoemd). Hierna wint de zon weer aan kracht. Yule wordt ook wel het Midwinterfeest genoemd, waarbij het terugkeren van het licht wordt gevierd.
Thema’s: overdenking, aanvaarding (dat het donker bij het leven hoort), rust, afscheid, wijsheid, mysterie.
Gebruiken: bouw kampvuren, hang wintergroene takken zoals hulst, klimop of maretakken in huis, versier een naaldboom (die we tegenwoordig kerstboom noemen), steek kaarsen aan als symbool van het licht dat de duisternis zal overwinnen. Kom samen rond de donkerste dagen van het jaar, deel je midwinterwensen en drink warme wijn.

Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari 2025
Joodse families steken in een speciale kandelaar op de eerste avond één kaarsje aan.
Chanoeka is een zogenaamd ‘half-feest’. Het hoort niet bij de belangrijkste dagen van het joodse jaar, maar herinnert wel aan een voorval uit de geschiedenis van de joden. In dit geval gaat het over trouw blijven aan jezelf, ook al wil je omgeving iets anders. Chanoeka is een vrolijk en nog altijd populair feest, ook al is de tempel in het jaar 70 na Christus verwoest. Het is dan ook een echt familiefeest: mensen komen iedere avond thuis bij elkaar om te eten, te zingen, cadeautjes uit te delen en spelletjes te spelen.

Met Sint-Maarten maken we ons klaar verder te gaan op de weg die we na de zomer met Sint-Michaël zijn begonnen.
Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies je er wellicht voor om wat langzamer te gaan lopen. [Letterlijk én figuurlijk…..]
Alle groeikrachten van de aarde zijn de aarde ingetrokken en toch bloeit de Kerstroos buiten in de winter, de skimnia ook, en binnen de Kerstcactus…. Alsof ze weten dat ze met Kerst moeten bloeien ter verwelkoming van het
Jezuskindje…. Wonderlijk.

Driekoningen. Wonderlijk ook de nieuwe ster aan de hemel die de drie wijzen uit het Oosten zagen: ze kwamen van ver! Van afstand was te zien dat er iets heel bijzonders had plaatsgevonden boven Israël, het was al heel lang geleden
beschreven dat dit ging gebeuren. Gelukkig wisten de wijze koningen dit….

“Waarheen leidt het licht? Waarheen voert de ster?
Door wouden zo dicht, langs wegen zo ver?
Door regen en wind en bij vinnige kou?
Wie volgen gezwind? Wie volgen getrouw?
Drie wijzen van ver Drie koningen gaan.
Zij volgen de ster, langs lichtende baan.
Zij volgen gezwind, en komen dan aan,
Bij ’t heilige Kind, Waar de Sterre bleef staan.”

Volgens oude afbeeldingen en beschrijvingen gelden voor de gewaden van de koningen speciale kleuren.
Rood voor koning Melchior die het goud offerde. Hij vertegenwoordigt het denken, de macht en de wijsheid.
Blauw voor koning Balthasar, die wierook bracht. Hij representeert het voelen, het liefdevolle hart.
Groen voor koning Casper, de Moor, die mirre aanbood. Hij is het willen, bestendigt en overwint de dood.
De offergaven van de drie koningen kan men ook als symbolische gaven zien. Zo wordt het goud verbonden met een inzicht in de goddelijke geestelijke wereld, wierook met de offerbereidheid en de menselijke deugd en de mirre voor de
verbinding van de mensenziel met het eeuwige, onsterfelijke.
Elke gave past zo bij zijn koning en kan ons een voorbeeld zijn.
Driekoningen is een feest van betekenis. Met dit feest gaan we weer op weg met de nieuw geschonken kracht of het licht dat we met Kerstmis in ons opnieuw geboren hebben laten worden en ons eigen kleine licht weer gevoed kon worden om op te lichten op de nog te zetten stappen op onze levensweg en waar we de afgelopen dagen ideeën, inspiratie en kracht voor hebben opgedaan.
De tijd van werken en uitvoeren komt er (bijna) aan.
“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, waar zou het land van Egypte zijn…”
De vlucht van Jozef, Maria en hun Kind…
De reis naar hun land van herkomst zal niet makkelijk geweest zijn. De gedachte geeft troost dat vele engelen hun ongetwijfeld door de donkere tijden loodsten door steeds zichtbaar en volgbaar te zijn…
Net als bij ons eigenlijk: altijd is je beschermengel bij je.
Klinkt als niet te vergelijken en dat is ook niet de bedoeling, maar vergeet je engel niet.

27 januari 2025 Lailat-ul-Meraj
Hemelvaart van de Profeet herdenken moslims de wonderbaarlijke reis van de profeet Mohammed naar de hemel.
Net als Jezus heeft Mohammed een wonderbaarlijke reis naar de hemel
gemaakt. Ze zijn elkaar zelfs tegengekomen, ook al zat er zeshonderd jaar tussen
hun levens in!
Rond het jaar 620 lag Mohammed ’s nachts te slapen voor de moskee in Mekka,
in wat nu Saudi-Arabië is. Daar werd hij gewekt door Djibriel. Dat is de Arabische naam voor de engel Gabriël, die ook Maria (Maria-Boodschap) kwam vertellen dat zij de moeder van Jezus zou worden.
Djibriel nam Mohammed bij de arm en bracht hem naar de poort van de moskee.
Daar stond Boeraak, een wit paard met vleugels aan zijn hoeven. Samen met
Boeraak en Djibriel vloog Mohammed naar Jeruzalem. Ze landden op de berg
waar ooit de joodse tempel (Chanoeka) stond. Daar ontmoette Mohammed allemaal mensen die net als hij profeten waren, boodschappers van God. Daar waren ook Mozes, Jesaja en Jezus bij. Nadat ze samen hadden gebeden klom
Mohammed naar de hemel met een ladder, een ‘mi’raadj’.
Er waren zeven hemelen en in de hoogste hemel ontmoette hij God. Toen keerde hij terug naar Mekka. Daar geloofde niemand zijn verhaal…
Op de tempelberg in Jeruzalem verrees de El Aksamoskee. Jeruzalem werd door deze hemelvaart ook voor moslims een heilige stad.
Nu herdenken moslims deze wonderlijke nacht tijdens een avonddienst in de moskee.

Chinees Nieuwjaar/ Lunar new year 29 januari 2025 een nieuw jaar begin je met een schone lei
Twee keer in één jaar Oud en Nieuw vieren, kan dat? Jazeker! In China en verschillende andere Aziatische landen wordt ook tussen 21 januari en 20 februari feest gevierd, bij de start van het nieuwe maanjaar.
Een nieuw jaar moet je met een schone lei beginnen. Dus wordt al weken van tevoren het huis gepoetst en kopen mensen nieuwe schoenen en kleren. Ook leggen ze ruzies bij en proberen ze schulden af te lossen. Want aan het eind van het jaar geeft de Keuken-god een verslag over elk huishouden aan de Hemelgod.
De feestrituelen van Chinees Nieuwjaar hebben te maken met geluk en overvloed. Er is een groot diner voor de hele familie met negen gerechten. Het getal negen staat voor de eeuwigheid. Zoete gebakjes van rijstebloem worden aan zoveel mogelijk mensen uitgedeeld.
Kinderen en ongetrouwde mensen krijgen rode envelopjes met geld. Winkeliers geven envelopjes en kroppen sla aan felgekleurde leeuwenpoppen die dansers in een optocht ronddragen. Zo hopen ze op goede zaken. En natuurlijk is er vuurwerk. Heel veel vuurwerk, om kwade geesten weg te jagen.

Imbolc (1 of 2 februari)
‘Ik bereid me voor en zuiver om al wat passend is te kunnen verwelkomen.’
Dit feest wordt Imbolc genoemd, naar het Keltische bolc (buik), dat verwijst naar de buik van Moeder Aarde. Alles wat in de grond ligt te sluimeren wordt gewekt door het toenemende licht en glimpen van onverwachte warmte al kan het nog ijzig koud zijn. Het feest hangt samen met het reinigen en ploegen van de aarde om de akkers na de winter weer vruchtbaar te maken.
Thema’s: reiniging, zuivering (het Latijnse februa betekent zuivering),
voorbereiding.
Gebruiken: plant bloembollen, steek kaarsen en vuren aan om het licht
aan te moedigen, reinig je huis door de bezem erdoorheen te halen (tegen de klok in), met salie te beroken en met rozenwater te besprenkelen, volg een vastenkuur of sapkuur, probeer oude vastgeroeste gewoonten en remmingen te doorbreken.

Maria-Lichtmis. De dagen lengen, het licht buiten groeit, grassprietjes, winterakoniet, sneeuwklokjes, de toverhazelaar zoeken de warmer wordende zonnestralen op om zich te laten verwarmen.
Tijd voor mensenkinderen om meer naar buiten te gaan.
’s Morgens vroeg een wandeling maken, of je aankleden in het donker, steeds op dezelfde tijd en je merkt dat de zon steeds vroeger komt, alles van de grote Kersttijd breng je je huis uit, grote schoonmaak, ramen wassen, maar ook
gesmolten kaarsvet [van de restanten van alle gebrande kaarsen] in kuiltjes in de aarde te gieten, te laten branden tot het licht bijna letterlijk in de aarde opgenomen is en ook kinderen met kleine belletjes rond te laten lopen om de wortelkindjes en de bolletjes onder de grond te wekken en ook pannenkoeken bakken [zo rond als de zon die pannenkoeken…]
Door zo bewust je te verbinden met de natuur, geef je aandacht en bewustzijn aan onze aarde, die net als elk ander levend organisme liefde en zorg nodig heeft.
Wellicht staan we niet meer zo dicht bij de natuur bij moeder aarde, weet dan dat het goed is om af en toe bewúst stil te staan bij alles wat onze mooie aarde ons te bieden heeft en wat zij ons geeft.
Ook hier past: schenken en ontvangen. Zij schenkt ons veel aan mooite en voeding en wij mogen dat ontvangen in aandacht en dankbaarheid….
Zeg nou zelf: het is een Wonder dat de natuur elk jaar opnieuw trouw, vanuit de ingetogen winter een nieuwe levenscyclus start…

“Sterrenlichtjes neem ik mee
In de lieve, lichte dag,
Als ik uit de wijde nacht
hier weer wakker worden mag.
Sterrenlichtjes breng ik mee
als de zon mij weer komt halen,
In de wereld overal z
ie ’k dan kleine lichtjes stralen.”

Met kinderen de feesten van het jaar beleven is als het zien van de regenboog;
de ene kleur is nog niet vervaagd of de volgende verschijnt.
En zonder kinderen (of de kinderlijke blik) ervaren we de regenboog vaak niet eens, omdat we niet verder kijken dan de regen of het grijs van lucht en grond.
Ceremonies die diep in het verleden van de mensheid wortelen, bloeien op in het dagelijks leven van gezin en klas en plaatst onze relaties tot elkaar in ander licht.
Naast het feestelijke, oplichtende karakter, kan een feest of ceremonie een bron van genezing, bewustwording en spirituele groei zijn.
Ze hoeven geen kerkelijk karakter te hebben, wel een open karakter, dat van je innerlijk kind, daarmee zien we de regenboog beter en voelen we de kleurige hemelomhulling in dankbaarheid en warmte….

“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, in onze handen een
lichtje klein”…

Dieuwke Hessels

 

[1] Bij de verschillende jaarfeesten hier te vinden
.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3349-3150

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnige inrichting v/h lokaal – alle artikelen

.
[1-1] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas 
Uit GA 266 waarom er in de basisschoolklassen de prachtigste kunstwerken zouden moeten hangen; uit GA 192 waarom een kunstzinnige omgeving zo belangrijk is.

[1-2] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
In de vergadering van 22 november 1920 spreekt Steiner voor het eerst wat uitvoeriger over de muurdecoratie; hij stelt wat voorwaarden aan de kwaliteit.

[1-3] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
Kort uit de vergadering van 15 oktober 1920; veel uitgebreider uit de vergadering van 23 januari 1923, met concrete aanwijzingen voor alle klassen, gemeenschappelijke ruimten; een opmerking over de schilderijlijst; aanvulling in vergadering van 31 januari 1923.

[2-1] De kunstzinnige inrichting van een klas 
Ernst Weissert over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 1 t/m 6; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[2-2] De kunstzinnige inrichting van een klas
Ernst Weissert
over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 7 t/m 12, euritmielokaal, gymzaal, lerarenkamer; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[3] Over kleuren en wandversiering in vrijescholen
Oene Schreuder over: kunst en een kunstzinnige omgeving; de aanwijzingen van Steiner [1-3] doorgenomen en van gezichtspunten voorzien.

.

Organische architectuur

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

,

3348-3149

,

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 89

.

HET FYSIEKE LICHAAM
.

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis.
‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is.

Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen.
Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.

In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.
In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven.
Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.

In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens.
Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. 
Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.

Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan hij, wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft. 

Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. 
Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

GA 89

Bewußtsein – Leben – Form
Bewustzijn – leven – vorm

                   (Grundprinzipien der geisteswissenschaftlichen Kosmologie)
(Basisprincipes van de geesteswetenschappelijke kosmologie)

Voordracht 6, (2e van 3) Berlijn 2 juni 1904

Blz. 94

Was ist nun der physische Mensch? Wenn Sie anatomisch den physischen Menschen studieren, dann werden Sie finden, daß er aus verschiedenen Systemen besteht: aus dem Knochen- und dem Muskelsystem, aus dem Nervensystem, das sich zu einem Gehirn geformt hat, und so weiter. Sie wissen auch, daß das Gehirn das Organ des Denkens ist.

Wat is de fysieke mens? Wanneer je de fysieke mens anatomisch bestudeert, zal je zien dat hij uit verschillende stelsels bestaat: uit het beender- en spierstelsel, uit het zenuwstelsel dat zich tot een brein heeft gevormd enz. U weet toch dat de hersenen het orgaan zijn voor het denken.
GA 89/94
Niet vertaald.

Blz. 98

Wenn Sie einen Bergkristall, ein Stück Kalkspat, ein Stück Steinsalz, eine Pflanze, ein Tier ansehen und sie chemisch und physikalisch untersuchen, so werden Sie finden, daß die ganze physische Natur, insofern sie mit Augen gesehen, mit Händen gegriffen werden kann, in gleichartiger Weise aus denselben chemischen und physikalischen Kräften besteht, die eben im Mineralreich, im Pflanzen- und im Tierreich wirken.

Als je naar een bergkristal, een stuk calsiet, een stuk steenzout, een plant, een dier kijkt en ze chemisch en fysisch onderzoekt, zul je merken dat de hele fysieke natuur, voor zover die met de ogen kan worden gezien en met de handen kan worden vastgepakt, op een vergelijkbare manier uit dezelfde chemische en fysische krachten bestaat die in het mineralen-, planten- en dierenrijk werkzaam zijn.
GA 89/98
Niet vertaald

Voor Steiner staat het onomstotelijk vast dat er een geestelijke wereld is en dat deze invloed heeft op de mens. Hij maakt ‘de geestelijke wereld’ hier bijna aanschouwelijker door over ‘groepen geestelijke wezens’ te spreken.
Door over ‘scheppende wereld’ te spreken, komt het ‘begrijpen’, wat voor mij niet meer is dan ‘inleven’, wel wat dichterbij.

                                     Die planetarische Entwicklung
                                        De planetaire ontwikkeling

Voordracht 1, 17 oktober 1904

Blz. 123

Ohne daß der jetzige Geistmensch mitbauen konnte, haben Scharen erhabener Wesen gebaut an diesem körperlich-seelischen Organismus. Dieser ist in weisheitsvoller Weise aufgebaut. Der vollkommenste photographische Apparat würde nur ein Kinderspiel sein gegenüber dem Weisheitsbau des Auges oder der Bau eines Klaviers gegenüber dem Weisheitsbau des Ohres. Das Knochensystem ist auf die weisheitsvollste Weise eingerichtet. Jeder Knochen ist aufgebaut aus einer unzähligen Anzahl kleiner Balken, die sich gegenseitig stützen. Viel tiefer ist solche Weisheit als alle Weisheit, zu der der Mensch es in seinem äußeren Schaffen gebracht hat.

Zonder dat de huidige geestmenseen deel van de zevenledige mens waarover hier meer uitleg staateraan mee kon scheppen, hebben groepen van verheven wezens aan dit (= ons) fysiek-psychische organisme gebouwd. Dit is op een heel wijsheidsvolle manier opgebouwd.
Het meest geavanceerde fototoestel is maar een fluitje van een cent t.o.v. de wijsheid van de bouw van het oog of de bouw van een pianovleugel t.o.v. de wijsheidsvolle bouw van het oor. 
Het bottenstelsels is wel op de meest wijze manier opgebouwd. Ieder bot is opgebouwd uit een onnoembaar aantal kleine balkjes die elkaar over en weer ondersteunen. 
Deze wijsheid is veel dieper dan alle wijsheid die de mens in zijn scheppingen heeft gelegd. 
GA 89/123
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 19 oktober 1904

Blz. 129

Das Mineralischste an dem Menschen ist sein Knochensystem. Das hat auch bei
dem jetzigen physischen Menschen die vollkommenste Gestalt.

Het meest minerale deel aan de mens is zijn beendergestel. Ook bij de fysieke mens in deze tijd is dit het meest optimaal van vormgeving. 
GA 89/129
Niet vertaald.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3347-3149

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (klas 1 t/m 6) [2-1]

.
De tekst in blauw is van mij (phaw)

De kunstzinnige inrichting van een klas

Uit de vele pedagogische voordrachten weten we wat metkunstzinnig onderwijswordt bedoeld.
M.n. dus de manier waarop de kinderen de lesstof wordt aangeleerd, aansluitend bij hun ontwikkelingsfase en ter ondersteuning van die fase.
Met het duidelijke voorbeeld van het leren van de tafels van vermenigvuldigen: het kind, 7 à 8 jaar heeft vanuit zijn innerlijk, behoefte aan (ritmische) beweging (het leeft meer in de wil, dan in het denken).
De getallenreeksen in een tafel die geleerd moeten worden, worden door het kind, klappend, lopend enz. bijna letterlijk, van nature opgenomen.

Dan is er nog het aspect van ‘bezig zijn met kunst’, d.w.z. dat er met een bepaald doel wordt geschilderd, getekend en geboetseerd.

Minder in het oog springend is de omgeving waarin het kind zich dagelijks bevindt, in eerste instantie dus het klassenlokaal.
Sommige scholen hebben hun ‘organische bouw‘ waarbij er rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en de vorm van het lokaal.
En daar hoort een bepaalde muurkleur bij. En daar weer een bepaalde kleur gordijnen.

Maar ook over ‘wat hangt er aan de muur’ gaf Steiner aanwijzingen.
En daarmee worden niet bv. de schilderwerkjes van de kinderen bedoeld.
Dat die ook op ‘kunstzinnige = meer esthetische manier’ opgehangen kunnen worden, kwam hier al eens aan de orde.
In dit verband kun je ook nog denken aan: hoe staan de planten ervoor; hoe liggen de bordkrijtjes bij het bord;  hoe opgeruimd is de tafel van juf of meester en in het verlengde daarvan: de kastjes van de kinderen; hoe hangen hun jassen aan de kapstok, hoe staan hun regenlaarzen daaronder. En wat je nog meer kan bedenken.

In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben Clausen/Riedel een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.

Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg.  nr 5/6 1952*

.

WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.

De vraag in welke omgeving het kind opgroeit, hoe de ruimten
ingericht zijn waarin het de schooljaren doorbrengt is nu* nog belangrijker geworden dan voorheen. Tegenwoordig dringen zich al in zijn prilste kindertijd een veelheid aan visuele indrukken op. Die ervaringen veroorzaken een snelle waarneming; de intensiteit van de waarneming  gaat daarmee al te gemakkelijk verloren.
Vragen die Rudolf Steiner in medisch en pedagogisch opzicht stelde, worden daardoor steeds duidelijkere vragen voor de tijd van nu. [dat geldt zeer zeker ook in 2024].
Kan je, door de ruimte op de juiste manier vorm te geven de vormende krachten in het van kind stimuleren; kun je door transparante kleuren in de ruimte rustgevend of stimulerend op het kind werken.
Wat beeldende inhoud heeft, krijgt een buitengewone betekenis.
Als het de ontwikkeling van het kind tijdens de leerjaren op de juiste manier begeleidt, kan het een therapeutisch effect hebben op de talloze beeldimpressies, op de magische fascinatie van moderne reclame en op de vele, eindeloze kunstzinnig waardeloze stroom van zoveel illustraties of tijdschriftinhoud.
Het is belangrijk om te kijken naar de ‘zintuiglijk-ethische‘ werking van het beeld
waar een kind een jaar lang in het betreffende leerjaar a.h.w. dromend bij aanwezig is.
Het is niet het juiste, om alleen maar beeldinhoud te nemen als illustratie bij de lesstof – bijvoorbeeld voor geschiedenis – en pas dan als de betreffende stof in de les aan de beurt komt. Dit leidt tot een intellectualisering van de beeldinhoud. Je kan waarnemen hoe de kinderen met een bepaalde trots naar de beelden kijken die bij hen horen, wanneer ze in een nieuwe klas komen.
Het gaat dus eigenlijk om een element dat veel dieper ligt, als het lukt die beelden te kiezen die bij de leeftijd horen.
Daarbij moet je behoedzaam te werk gaan en niet handelen vanuit een volwassenen-intellectualisme of een eenzijdige hobby. Het kan niet zo zijn dat je, omdat je er zelf enthousiast voor bent, een moderne stijl tot in de laagste klassen inbrengt; omgekeerd is heel goed mogelijk als vorm en inhoud van het beeld universeel menselijk zijn, zelfs in de lagere klassen, met de grootste onbevangenheid een van Gogh of een Frans Marc op te hangen.

Rudolf Steiner deed in de vergadering van de vrijeschool Stuttgart in 1923 voorstellen vanuit de menskunde, vanuit het waarnemen van wat er in het kind aan behoefte aan beelden bestaat.
Onderstaande gedachten worden aan de inhoud van dit onderdeel van die vergadering ontleend.

Door genuanceerd naar de zielentoestand van het kind in de verschillende klassen te kijken, zijn de aanwijzingen van Steiner anders dan de zeer lovenswaardige pogingen om beeldmateriaal in de scholen te gebruiken, zoals we dat zagen sinds het begin van de 20e eeuw.
[ ] Ze spreken kunstzinnig wel aan, maar er overheerst toch een gemoedelijk-illustratief element. Dit overheerst echter niet op elk leeftijdsniveau van het kind. In moderne scholen kun je ruimtes zien die door de leraar kunstvakken stijlvol zijn ingericht en op een gelijksoortige manier zijn gedecoreerd (bijvoorbeeld met de prachtige reproducties van de figuren in de dom van Naumburg e.a.);

maar in die klaslokalen krijg je wel het gevoel van een zekere esthetische oververfijning, een gevoel van ‘in het luchtledige’, geen verbinding met de praktijk.

Welke niveaus onderscheidt Steiner bij de beeldbeleving in de verschillende leeftijden.
Hij maakt een duidelijke scheiding tussen de tijd van 6 tot 12 jaar (klas 1 t/m 6) en wat de 13 – 18-jarigen (klas 7 t/m 12) vragen.
In de lagere klassen kan en moet in de voorstelling het thema, het illustratieve en het poëtische de boventoon voeren. Het kind neemt het beeld nog op vanuit de inhoud. En daarom moet hier het artistieke ontwerp het allerbeste zijn. Je mag omdat het je inhoudelijk aanspreekt vanwege dat ze op kinderlijk niveau gemaakt zijn, geen armzalige beelden ophangen.
In de hogere klassen is dan een onderscheid tussen het eigenlijk kunstzinnige en het esthetische van het beeld, steeds meer op zijn plaats en dat tussen de praktische zaken van het leven dat zich in kaarten, overzichtsplannen, technische tekeningen e.d. ook terecht een plaats in de klas moet krijgen zodat het gezien wordt.
Je zal hiervoor nauwelijks geschikte reproducties vinden.
Het spreekt voor zich dat in elk van deze klassen een grote reproductie van Rafael moet hangen. [dat vinden we in die vergadering niet]

Maar voor afbeeldingen van sprookjes, legende en van fabels die bij deze klassen horen, is er nauwelijks iets geschikts te krijgen. Dan zou het nog het allermooist zijn als in de betreffende klassen op de muren zelf een kleurrijke schildering zou komen waar de leerkracht steeds weer op terug kan komen, i.p.v. een ingelijste in de grond van de zaak, onkunstzinnige afbeelding aan de muur.

Weissert heeft het over een schildering op de muur. In veel scholen is dat ook gerealiseerd. Zie hier

gebouw 8

Het is echt wel een belangrijke opdracht.
Bij alles klinkt de oproep van Steiner: de dingen mogen alleen niet de platen van een prentenboek zijn, maar ze moeten kunstzinnig gevormd zijn.

1e klas

Sprookjesbeelden

De aanwijzingen zijn verre van concreet. We hadden al: het moet niet op een prentenboek lijken.
Maar over welke prentenboeken gaat het. Uit Steiners tijd, maar hoe waren die dan. Anno nu hebben we prentenboeken met illustraties die duidelijk gemaakt zijn met ‘het kinderlijk niveau’. Je krijgt vaak de indruk dat de illustrator naar kindertekeningen heeft gekeken. In hun stijl wordt er dan geïllustreerd.
Is dat dan wat ‘rustig maakt of stimuleert?
Is het ‘esthetisch’.
Zou je zoiets ophangen?:


Steiner:
De vormgeving moet kunstzinnig zijn. Wanneer er geen kleurplaten zijn, dan liever zwart-witte die goed zijn, liever dan een slechte kleurplaat. 

Met verschillende gezichtspunten van Steiner toog vrijeschoolleraar Max Wolfhügel aan het werk. Hij maakte veel religieuze voorstellingen, ook veel bordtekeningen.
Deze Christoforus lijkt mij op grond van de criteria heel goed in de 2e klas te passen:

In die tussentijd hebben vele illustratoren met en aan deze techniek verder gewerkt.
We vinden hier de ‘eis’ voor het kunstzinnige, het esthetische:

Cartolina: Cappuccetto Rosso nel boscoRoodkapje – Hilde Langen

Assepoester – Gabriela de Carvalho

Sneeuwwitje – Berthilde Günter

Deze reproducties – en vele andere – zijn te vinden bij ABC-boeken.

Dit is onmiskenbaar een bepaalde stijl. Moet alles wat je ophangt in de stijl zijn.
Volgens Steiner niet.

Bij Clausen vinden we voor de 1e klas alleen de aanwijzing: ‘kunstzinnige sprookjesbeelden’. [kolom 1]
Kolom 2: leeg
Kolom 3: sprookjes

2e klas

Fabels en legenden

Clausen [kolom 1] stelt voor: Franciscus met de vogels van Giotto:


En Franciscus met de wolf:

David Newbatt
Verkrijgbaar bij ‘De nieuwe Boekerij
Meer van deze kunstenaar.

Kolom 2: Meister Bertram, de schepping van de dieren:

In kolom 3: dierfabels, dierverhalen, legenden.
Het ligt dus voor de hand ze zelf te zoeken en gezien de kwaliteitseis van ‘kunstzinnig’, ‘esthetisch’ kom je dan weer snel uit bij de sfeer die bovenstaande sprookjesbeelden hebben.
Maar is dat dan ook niet te veel van hetzelfde?

Als je een fabel hebt verteld en een poos later hang je een passende reproductie op, zullen veel kinderen een herkennende reactie geven.
Maar ook omgekeerd: als er al een plaat hangt van een fabel en je gaat die ooit eens vertellen, zijn er ineens een paar kinderen die de illustratie ‘zien’.
Maar wat is passend:
Ik denk dat deze wat de kunstzinnigheid betreft, zeker geschikt is:

De hond en zijn spiegelbeeld

En deze:

Deze zou ik dan weer nooit doen:

De vos en de kraai

Ook voor ‘De zon en de noordenwind’ is er keus:


Weissert:

3e klas

In het 3e schooljaar ontstaat er in het kind een sterker zich richten op de buitenwereld. Maar eigenlijk heeft het vóór het 9e jaar nog geen begrip voor wat er aan gevoel in een beeldende voorstelling kan zitten, meer voor het het vegetatief-levende. Als beeldmateriaal stelde Rudolf Steiner voor om rekening te houden met dit gevoelsleven en voorstellingen van planten te geven, bloemen, stillevens. Je zou aan de plantenvoorstellingen van Dürer kunnen denken en in de geschiedenis van de schilderkunst zijn vele geschikte beelden te vinden. Ook met de bloemen van Van Gogh zijn mooie ervaringen opgedaan.
De schilder van planten zal in de regel een mens zijn die in zichzelf iets van de organische vormkracht laat opbloeien en het stille overgeleverd zijn in het waarnemen oefent, dat klaarblijkelijk bij de gevoelsstemming van de kinderen in deze klas hoort. Zo zou je de laat-middeleeuwse voorstellingen van planten kunnen gebruiken, de bloemstillevens van de Hollanders, het beeld van de bloem in de Biedermeiertijd, maar ook zeker iets moderns.

Weissert geeft wel enig houvast, maar noemt weinig concrete voorbeelden:

De bloemen van Van Gogh zijn duidelijk.
En ook bij Dürer vind je wat in aanmerking komt.
De Hollandse meesters.
De Biedermeiertijd
Bij ‘iets moderns’ en toch bij de criteria blijvend, vond ik dit.

Clausen: kolom 1

Van Gogh: de zaaier

Landschap met schoven

En meer, dat in verband kan worden gebracht met de heemkundeperiode: boerderij.

Vanuit de vertelstof: Oude Testament:

Meister Bertram: schepping en andere bijbeltaferelen, hier een paar samen, maar ze zijn er ook ‘los’:

Er zijn zoals bekend veel meer schilderingen met als thema het Oude Testament.

Clausen noemt ze niet, maar wat te denken van Michelangelo en Rembrandt!

Als andere mogelijkheid wijst Clausen steeds op kunstkaarten die vergroot zouden kunnen worden: [kolom 2]

De steengroeve van Bibémus van Cezanne.
Ik zou die eerder in klas 6 ophangen – mineralogie.

De eenzame boom van Friedrich:Ik zie niet helemaal waarom dit in de 3e klas zou moeten/kunnen, eerder later, aardrijkskunde?

Dezelfde twijfel bij Altdorfer: Landschap met kerk:

Kolom 3: vertelstof, verhalen uit het Oude Testament; begin van wereld- en cultuurgeschiedenis; bij heemkunde: huizenbouw, akkerbouw, planten, dieren.

4e klas

Weissert:

In de 4e klas, na de ingrijpende verandering van het 9e levensjaar, is het op aanwijzing van Rudolf Steiner goed om afbeeldingen van de voelende wezens, de dieren, over te gaan. Belangrijk is het menskundige gezichtspunt: ‘Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof.’
Vaker sprak Steiner er al over hoe pas tussen het 9e en het 10e jaar het kind werkelijk een onderscheid gaat maken als het een koe ziet afgebeeld of die koe in een prentenboek een echte koe is of een speelgoedkoe van hout. 
Ook hier worden we terugverwezen naar de empathische en objectieve stijl van afbeelden aan het begin van de moderne tijd, zoals weerspiegeld in de dierafbeeldingen van de Renaissance: de dierstudies van Dürer, Cranach of ook de Italiaanse kunstenaars.
Hier is de kans het grootst dat we kleinburgerlijk-naturalistische afbeeldingen van dieren tegenkomen, zoals die aan het eind van de vorige of het begin van deze eeuw zijn gemaakt.
Met de diervoorstellingen van Frans Marc hebben ze beslist positieve ervaringen, maar de leerkracht moet daarbij wel teen zekere mate van voorzichtige waarneming in acht nemen.
De reproducties van de dieren van Hans Jenny zijn zeer stimulerend.

Weissert is ook hier niet zo concreet, bv. bij ‘Italiaanse kunstenaars’ en wat is een ‘kleinburgerlijk-naturalistische afbeelding.
Bij Frans Marc komen we al snel uit bij zijn paarden.
Misschien heeft de ‘voorzichtige waarneming’ iets te maken m et welke paarden je dan zou nemen: de blauwe, bv. – hoe prachtig ook – staan misschien nog te ver af van de beleving van de kinderen en zou je voor een meer naturalistische kleur kunnen kiezen.

Van Jenny vond ik hier en daar wat:

Clausen [kolom 1]:

Zij geeft alleen ‘diervormen’ aan en noemt Franz Marc.

Bij kolom 2:

Mu-Ch’i: zittende gans:

Franz Marc:
Herten in het bos:

Drie herten:

De blauwe vos:

Van Macke noemt ze ‘De ezelrijder’:

Kolom 3: Germaanse sagen en mythologie. De dierenwereld m.b.t. de mens.

5e klas

Weissert:

Tussen het 10e en het 11e levensjaar, de 5e klas, moeten de muurdecoraties om mensen gaan, maar nog geen individuen, maar groepen, en door er gezamenlijk naar te kijken, kan je dan als de gelegenheid zich voordoet, praten over menselijk-sociale dingen.
Steiner stelt voor: reidansen, dans, een straat waar mensen elkaar ontmoeten.
Dat kan gevonden worden in zowel de Hollandse schilderkunst bij Pieter Brueghel, in familie-interieurs (Pieter de Hooch, Terborch, Vermeer e.a., als ook in de schilderkunst van de 19e eeuw die buitengewoon goede voorbeelden biedt (Romantici, Thoma, Böcklin enz.)

Specifieke voorbeelden geeft Weissert ook hier niet.

Bij Pieter Brueghel, de jongere, vind je wel groepen mensen, ook dansend:


Op zijn schilderingen is heel veel te vinden van wat mensen, ook kinderen, met elkaar en onder elkaar doen. Daar is vanuit ‘het sociale’ van alles over te vertellen.
Hier vind je familie-interieurs van Pieter de Hoogh; van Terborch; van Vermeer.
‘Romantici’ is een ruim begrip; bij Thoma en Böcklin zie ik geen voorbeelden van wie hierboven bedoeld is.

Clausen: kolom 1

Bijmensengroepennoemt zij Nolde.
(Ik vind er niet iets bij dat ik op zou willen hangen)

Kolom 2::

Cézanne: die Schnitter.
Maar van Cézanne vind ik die niet, wel der Schnitter, de maaier, maar dat is geen groep.

C.D.Friedricht: Hafen von Greiswald

Segantini: Am Pflug:

Kokoschka: London Tower Bridge:

Kolom 3:

Sagen uit de klassieke tijd; broederlijke verbondenheid met alle gebieden op aarde wekken.

6e klas

Weissert:

Vanaf klas 6 moet de individuele mens op de reproducties staan, bv. in het landschap of bij zijn werk, zo dat de blik van het kind tegelijkertijd op een landschap met zon of met regen gevestigd wordt.
In de Romantiek heb je bv. von Schwind, en beeldmateriaal uit de 19e eeuw, maar ook Van Gogh.
Je kan ook naar borstbeelden overgaan of naar koppen, zoals bv. Erasmus van Rotterdam door Holbein of van Dürer, de Holzschuber.
Hier komen we bij de markering toen Steiner zei dat het thematische hier ophoudt.
Het beeld moet nu eigenlijk het esthetisch-kunstzinnige brengen en daarom raadde Steiner aan met de allergrootsten te beginnen.
Als het niet anders kan, moeten we maar goede zwart-wit kopieën nemen.
[dat zal in onze tijd niet meer nodig zijn]

Moritz von Schwind: er zit wel e.e.a. bij wat aan de criteria zou voldoen, maar – en dat is de vraag bij meer genoemde werken – ga je dat in onze tijd nog ophangen en waar zijn dan alternatieven die ook geschikt zijn.

Erasmus van Holbein is een concrete aanwijzing:

evenals Dürer: Holzschuher:


Dan rijst toch wel sterk de vraag of je dit in een klas van 12-jarigen zou hangen en waarom? Ja, een kop, maar van een (voor ons) totaal onbekende.

Verder wordt weer Van Gogh genoemd en van hem vind je zeker iets wat hier kan.

Clausen: kolom 1:

Ook zij noemt Van Gogh, i.z. ‘De boer’:


En van Segantini: De schapenhoedster:

En ook van Segantini: Boot met schapen:

Kolom 2:

Pieter Brueghel de oudere:

De hooioogst:


Ze noemt ook de winter en de herfst, maar onder deze namen bestaan die schilderijen niet.
Er is wel: winterlandschap:


De terugkeer van de kudde (herfst):

De zomer:

Van Gogh: De oogst:

Kokoschka: Boten bij Venetië:

Monet: Vissers op de Seine:

Kolom 3:

Vertelstof uit de volkerenkunde; geschiedenis van Rome tot het begin van de 15e eeuw.

Met de criteria die Steiner in z’n algemeenheid hanteert, heb je wel enige richtlijnen, maar het is – dat blijkt wel bij bovengenoemde auteurs – niet eenvoudig om ‘objectief’ vast te stellen wat dan wel of niet geschikt is. En welke (beroemde?) schilders kies je.
Wat de lesstof betreft of het jaarthema of de vertelstof, ligt het onderwerp vaster, maar ook daarbij komt weer de vraag: wat kies je. En eventueel: van wie.
.

Toen Steiner er in de vergadering over sprak, zei hij niets over de kleuterklas.
Sinds jaar en dag hangt er in menige vrijeschoolkleuterklas het schilderij van Rafaels ‘Madonna met kind’.

De Sixtijnse Madonna schilderij door Raffael (Rafaello Santi) - verkrijgbaar als kunstdruk, als poster, op canvas, als olieverfschilderij of op dibond/acrylglas

Omdat er geen aanwijzingen zijn, alleen de algemene, komt er veel neer op de kunstzin en fantasie van wie de kleuters begeleidt.

.
Dit artikel is niet af. De voorbeelden zijn er, denk ik, enkele uit vele.
Clausens vondsten zijn in vele gevallen haar voorstellen.
Het is ook goed dat ‘de stof in beweging’ blijft.
Wat is er na Weissert en Clausen bij gekomen wat ook bruikbaar is.
Of, wat beslist niet.

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3346-3148

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (97)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

KLEIN VOGELBOEK

In vergelijking met veel kinderboekillustraties die m.i. voor het jonge kind niet mooi genoeg zijn, is wat Loes Botman schept, dat wél.
Ik weet het, over de vorm van illustreren is veel discussie mogelijk, maar voor
mij geldt toch in hoge mate: voor het jongste kind is het beste niet goed genoeg. Immers: de zich nog sterk ontwikkelende zintuigen nemen de wereld in zich op: de wereld van kleur en vorm zoals die in de wereld verschijnen – zonder ons toedoen. Waarom dan schreeuwende kleuren en karikaturale vormen?
De kunstzinnige afbeeldingen van Loes Botman zijn een weldaad voor het jonge kinderoog, denk ik.
Er is geen tekst, dus je moet als (groot)ouder zelf vertellen. En aanwijzen. Ieder die het ervaren heeft, weet dat er bijna niets fijners bestaat dan zo samen te zijn met je (klein)kind.
Gouden ogenblikken!
En wat betekent ‘aandacht

.

Loes Botman heeft het jonge kind nog meer prachtige boekjes geschonken:

Loes Botman

Uitgeverij Christofoor

Rond 2 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3345-3147

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

TWEE EMMERTJES WATER HALEN

.
Bij dit spel staan de kinderen in twee lange rijen tegenover elkaar. De tussenruimte is ongeveer een meter.

Het lied:

Twee emmertjes water halen,
twee emmertjes pompen,
meisje op je klompen,
meisje op je houten been,
rij maar door het poortje heen!

Van je ras, ras, ras,
rij de koning door de plas!
Van je voort, voort, voort, rij de koning door de poort!
Van je sterk, sterk, sterk, rij de koning door de kerk!
Van je één, twee, drie!
Muziek

De kinderen die tegenover elkaar staan hadden elkaars handen vast, dus met gestrekte armen, maar kruiselings en met wat ‘ruimte over’, zodat er door wat naar zich toe te trekken en terug, een pompbeweging ontstaat.
Dan los en een stap achteruit. Belangrijk: het eerste paar blijft staan en houdt de handen nog vast. Zij huppelen nu door ‘de poort’ van de twee rijen naar de andere kant. En weer terug en weer terug: dat moet a.h.w. ‘getimed’ worden om precies aan de andere kant te eindigen. Daar laten ze de handen los en staan ook ‘als poort’.
Tijdens het huppelen klappen de andere kinderen de maat en zingen het lied. 

Dan het volgende paar, enz.

De rij verplaatst zich dus in een bepaalde richting en als leerkracht moet je dus rekening houden met de ruimte, en dat de kinderen ‘in een bocht’ toch nog ruimte houden om te pompen.

Verklaring

Uyldert denkt bij deze dans aan een regenbezwering, zoals men die zoveel tegenkomt in streken, die periodiek van te grote droogte te lijden hebben.

Toen ik het als kind nog speelde in de kleuterklas en in de 1e klas van mijn basisschool, bestond de ene rij uit jongens, de andere uit meisjes. Uyldert heeft dit waarschijnlijk ook voor ogen als ze zegt dat van het door het straatje rijdende paar het meisje waarschijnlijk een waternimf is.

Een houten been, ofwel één been, zou wijzen op een natuurwezen of engel; de jongen verbeeldt de koning.
Dat kon in oudere tijden ook de priester zijn, of de ‘priester-koning’, de levensgeest vertegenwoordigend.
Wordt hier de levensgeest uitgenodigd om zich met het water te verbinden?

Misschien heeft men in vroeger tijden wel de vorst of de priester met een priesteres van het water of van de maan tezamen naar een heilige plaats gereden, door water, door een poort en het heiligdom zelf (kerk) binnen, voor een heilig h u w e l ij k.

Uyldert zegt nog van het spel: Wijs en ritme van het liedje werken opwindend, elektriserend, mede door de beweging. De kinderen worden er uitgelaten van en men kan er zich werkelijk mee in trance dansen!

Wat me opvalt is, dat ik altijd heb gezongen ‘rijDT de koning door de plas’ – dat zie je in de meeste teksten – maar dat hierboven (en bv. hier) een gebiedende wijs staat: ‘rij de koning’. De ‘DT’ als spelling kan vanuit de D-klank van De geleid hebben tot ‘rijd’ en dan – de 3e persoon – tot rijdt. 
De veronderstelling dat de koning gereden werd, zou ‘rij’ verklaren. 

Meer
Meer

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3344-3146

.

.

.