VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool (GA 298-3)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

.

Op 7 september 2019 was het 100 jaar geleden dat in Stuttgart ’s werelds eerste vrijeschool werd geopend.

De Waldorfschool – genoemd naar de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek – werd officieel geopend door directeur Emil Molt.

Na de opening door Molt, hield Rudolf Steiner een toespraak:

Vertaling van

                        RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE

GA 298 [1]

blz. 22

Meine sehr verehrten Anwesenden! Aus den Worten des Herrn Molt werden Sie haben entnehmen können, aus welchem Geiste heraus er die Initiative ergriffen hat zur Begründung dieser seiner Waldorfschule. Sie werden aus seinen Worten heraus vernommen haben, daß diese Grün­dung nicht irgendeiner alltäglichen Absicht entsprungen ist, sondern dem Rufe, der heraustönt so klar aus der Entwickelung der Menschheit gerade in unserer Zeit, und der doch so wenig vernommen wird. Indem aus dieser Entwickelung der Menschheit heraustönt vieles, das eingefaßt werden kann in den Rahmen des sozialen Gestaltens der Menschheitsge­schicke, des sozialen Neuaufbaues, liegt auch etwas in diesem Rufe, das nicht überhört werden darf: es liegt in ihm vor allen Dingen die Erziehungsfrage. Und man kann überzeugt sein, daß nur diejenigen den Ruf nach sozialer Neugestaltung richtig hören in dem verwirrenden Chaos von Forderungen der Gegenwart, die seine Wirkung hineinver­folgen bis in die Erziehungsfrage. Aber wenn der soziale Ruf so gehört wird, daß man mit allem möglichen sozialen Streben haltmachen möchte vor der Erziehungsfrage und dann die Einrichtungen des Erziehungs­- und Unterrichtswesens selbst ausgestalten möchte im Sinne von irgend­welchen sozialen Grundsätzen, 

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL

Zeer geachte aanwezigen!

Uit de woorden van de heer Molt hebt u kunnen horen, uit welke geest hij het initiatief heeft genomen tot de oprichting van deze school, zijn vrijeschool. U zal uit zijn woorden hebben begrepen dat deze oprichting niet uit de een of andere doorsnee-intentie is voortgekomen, maar uit de roep die juist in onze tijd zo duidelijk opklinkt uit de ontwikkeling van de mensheid en die toch zo weinig gehoord wordt. Veel van wat uit deze ontwikkeling van de mensheid opklinkt, kan tot het terrein worden gerekend van de sociale vormgeving van het menselijk levenslot, tot het terrein van de sociale vernieuwing. Daardoor ligt in deze roep tegelijkertijd iets besloten waar wij niet doof voor mogen blijven: dat is in de allereerste plaats het opvoedingsvraagstuk. En we kunnen ervan overtuigd zijn dat alleen diegenen verlangen, de roep om nieuwe sociale vormen werkelijk goed te horen, temidden van de verwarrende chaos van hedendaagse eisen, die de consequenties van dit verlangen dóórtrekken tot in het opvoedingsvraagstuk. Als dit sociale verlangen daarentegen zo wordt verstaan, dat je je met heel je sociale streven afzijdig zou willen houden van het opvoedingsvraagstuk en dan de instellingen van het opvoedings- en onderwijsbestel zelf zou willen opzetten volgens willekeurig welke principes,

die nicht mitentsprungen sind aus einer Erneuerung der Erziehungs- und Unterrichtsquelle, dann wird man ganz bestimmt auf falschem Wege sein.
Für mich, meine sehr verehrten Anwesenden, war es eine heilige Pflicht, dasjenige, was in den Absichten unseres Freundes, des Herrn Molt, bezüglich der Gründung der Waldorfschule lag, so aufzunehmen, daß diese Schule herausgestaltet werden könne aus dem, was man glauben darf in der Gegenwart durch die Geisteswissenschaft gewonnen zu haben. Es soll diese Schule wirklich hineingestellt werden in dasje­nige, was gerade in unserer Gegenwart und für die nächste Zukunft von der Entwickelung der Menschheit gefordert wird. Und wahrhaftig: alles,

volgens principes die niet tegelijk zijn voortgevloeid uit een vernieuwing van de bron van alle opvoeding en onderwijs, dan ben je heel zeker op de verkeerde weg.

Voor mij, geachte aanwezigen, was het een heilige plicht om de intenties van onze vriend, de heer Molt, wat de oprichting van de vrijeschool betreft, zo op te vatten, dat deze school zou kunnen worden opgebouwd uit wat wij tot dusver als de vrucht van de geesteswetenschap mogen beschouwen. Deze school is werkelijk bedoeld om deel uit te maken van de ontwikkeling die de mensheid juist in deze tijd en in de naaste toekomst door moet maken. En werkelijk,

blz. 23

was zuletzt aus solchen Voraussetzungen heraus einläuft in das Erzie­hungs- und Unterrichtswesen, es stellt sich dar als eine dreifache heilige Pflicht.
Was wäre schließlich alles Sich-Fühlen und Erkennen und Wirken in der Menschengemeinschaft, wenn es sich nicht zusammenschließen könnte in der heiligen Verpflichtung, die sich gerade der Lehrer, der Erzieher auferlegt, indem er in seiner besonderen sozialen Gemeinschaft mit dem werdenden, dem aufwachsenden Menschen, mit dem kindlichen Menschen einen im allerhöchsten Sinne so zu nennenden Gemein­schaftsdienst einrichtete! Alles das, was wir schließlich wissen können vom Menschen und von der Welt, recht fruchtbar wird es erst, wenn wir es lebendig überführen können in diejenigen, die die soziale Welt gestalten werden, wenn wir nicht mehr mit unserer physischen Arbeit dabeisein können.
Alles das, was wir künstlerisch vollbringen können, es wird doch erst ein Höchstes, wenn wir es einlaufen lassen können in die größte Kunst, in diejenige Kunst, in der uns nicht totes Kunstmaterial wie Ton und Farbe übergeben ist, in der uns übergeben ist der lebendige Mensch, unvollendet, den wir bis zu einem gewissen Grade künstlerisch, erziehe­risch zum vollendeten Menschen machen sollen.

alles wat tenslotte vanuit die voorwaarden uitmondt in opvoeding en onderwijs is voor ons een drievoudige heilige plicht. Wat zou tenslotte de betekenis zijn van ieder gevoel, van ieder inzicht, iedere handeling in de menselijke gemeenschap, wanneer die zich niet zouden kunnen verbinden in de heilige plicht die met name een leraar, een opvoeder zichzelf oplegt, wanneer hij in zijn bijzondere sociale gemeenschap, met de wordende, opgroeiende mens, met het kind, handelingen verricht die in de allerhoogste zin een dienst aan de gemeenschap genoemd kunnen worden! Tenslotte wordt alles wat we van de mens en de kosmos kunnen weten pas echt vruchtbaar, wanneer we het levend kunnen houden en over kunnen dragen aan hen die de wereld sociaal zullen vormgeven wanneer wij er met onze fysieke inzet niet meer bij kunnen zijn. Al onze kunstzinnige vaardigheden vinden toch pas hun bekroning wanneer wij ze kunnen laten uitmonden in de grootste kunst, waarbij ons geen dood materiaal als klank en kleur is toevertrouwd maar de levende mens in wording, die we tot op zekere hoogte kunstzinnig, ‘opvoedkunstzinnig’ tot een volkomen mens moeten maken.

Und ist es nicht schließlich eine höchste heilige, religiöse Verpflich­tung, das Göttlich-Geistige, das ja in jedem Menschen, der geboren wird, neu erscheint und sich offenbart, in der Erziehung zu pflegen? Ist dieser Erziehungsdienst nicht religiöser Kult im höchsten Sinn des Wortes? Müssen nicht zusammenfließen alle unsere heiligsten, gerade dem religiösen Fühlen gewidmeten Menschheitsregungen in dem Altar-dienst, den wir verrichten, indem wir herauszubilden versuchen das sich als veranlagt offenbarende Göttlich-Geistige des Menschen im werden­den Kinde!

Lebendig werdende Wissenschaft!
Lebendig werdende Kunst!
Lebendig werdende Religion!

das ist schließlich Erziehung, das ist schließlich Unterricht. – Wenn man das Unterrichten und das Erziehen in diesem Sinne auffaßt, dann ist man nicht geneigt, leichtfertig Kritik zu üben an demjenigen, was von anderer

En is het uiteindelijk niet een allerhoogste, heilige, religieuze plicht om het goddelijk-geestelijke, dat toch in ieder mensenkind steeds opnieuw zichtbaar wordt en zich openbaart, in de opvoeding met zorg te omringen? Is deze handeling van het opvoeden niet een religieuze handeling in de hoogste zin van het woord? Moet niet het allerheiligste wat ons als mens beweegt, met name wat onze religieuze gevoelens betreft, samenvloeien in de dienst die wij verrichten aan het goddelijk altaar doordat we in het wordende kind datgene proberen te vormen wat zich als het goddelijk-geestelijke in de mens openbaart?

De wetenschap tot leven brengen!

De kunst tot leven brengen!

De religie tot leven brengen!

Dat is tenslotte opvoeding, dat is tenslotte onderwijs. Wanneer je onderwijs en opvoeding in deze zin opvat, dan ben je niet geneigd om lichtvaardig kritiek te uiten op de principes,

blz. 24

Seite her als Prinzipien, als Absichten und Grundsätze für die Erzie­hungskunst aufgestellt wird. Allein mir scheint nicht, daß jemand in richtiger Art gerade das durchschauen kann, was die Gegenwartskultur der Erziehungskunst, der Unterrichtskunst auferlegt, der nicht gewahr werden kann, wie notwendig ist in unserer Zeit eine vollständige geistige Erneuerung, der nicht durchdringend erkennen kann, wie in der Zukunft einfließen muß in das, was wir als Lehrer und Erzieher tun, ein ganz anderes, als gedeihen kann in der Sphäre gerade desjenigen, was man heute «wissenschaftliche Erziehung» nennt. Wird doch heute der Lehrer, der zukünftig den Menschen bilden soll, eingeführt in die Gesinnung, in die Denkweise der gegenwärtigen Wissenschaft. Nie ist es mir. eingefallen, diese gegenwärtige Wissenschaft abzukanzeln in abfälli­ger Weise. Ich bin durchdrungen von voller Schätzung für alles, was diese gegenwärtige Wissenschaft mit ihrer gerade auf Naturerkenntnis gegründeten Wissenschaftsgesinnung und Wissenschaftsmethode an Triumphen für die Menschheitsentwickelung erreicht hat, und was sie in der Zukunft noch erreichen wird. Aber gerade deshalb, so scheint es mir, wird das, was herausfließt aus der gegenwärtigen Wissenschafts- und Geistesgesinnung, nicht fruchtbar übergehen können in die Erziehungs­und Unterrichts kunst, weil die Größe der gegenwärtigen Wissenschafts­und Geistesgesinnung in etwas anderem liegt als in Menschenbehand­lung und in Einsicht in das menschliche Herz, in das menschliche Gemüt.

bedoelingen en uitgangspunten van de opvoedkunst van anderen. Maar ik denk dat niemand op een juiste manier kan doorzien wat de cultuur van deze tijd allemaal voorschrijft aan de kunst van het onderwijzen, die niet in staat is gewaar te worden hoe noodzakelijk het is dat er in onze tijd een volledige geestelijke vernieuwing tot stand komt en die niet volledig doorschouwt hoe in de toekomst heel andere dingen moeten gebeuren in de opvoeding dan wat nu welig tiert in de sfeer van de zogenaamde ‘wetenschappelijke opvoeding’. Het is tegenwoordig immers zo dat een leraar, die later mensen moet vormen, opgeleid wordt met de levenshouding, de manier van denken van de huidige wetenschap. Het is mij er nooit om te doen geweest deze wetenschap van onze tijd geringschattend af te vallen. Ik waardeer ten volle de triomfen die ze bereikt heeft in de ontwikkeling van de mensheid en die ze in de toekomst nog zal bereiken – juist door de wetenschappelijke instelling en de methode die berusten op inzicht in de natuur. Maar mijns inziens zal, wat uit de wetenschappelijke instelling en uit de geesteshouding van tegenwoordig voortvloeit, niet vruchtbaar gemaakt kunnen worden voor de opvoedkunst, doordat de grootheid van de huidige wetenschap nu juist in iets anders ligt dan in de omgang met mensen en het inzicht in het menselijk hart, het menselijk gemoed.

Man kann mit dem, was herausquillt aus der gegenwärtigen Geistesgesinnung, großartige technische Fortschritte machen; man kann damit auch in sozialer Beziehung eine freie Menschheitsgesinnung ent­wickeln, aber man kann nicht – so grotesk das heute noch der Mehrzahl der Menschen klingen mag – mit einer Wissenschaftsgesinnung, die auf der einen Seite allmählich zur Überzeugung gekommen ist, das mensch­liche Herz sei eine Pumpe, der menschliche physische Leib sei ein mechanistischer Betrieb, man kann nicht mit den Gefühlen und Empfin­dungen, die aus dieser Wissenschaft heraus fließen, sich selber so bele­ben, daß man künstlerischer Erzieher des werdenden Menschen sein kann. Unmöglich ist es, gerade aus dem heraus, was unsere Zeit so groß macht in der Beherrschung der toten Technik, die lebendige Kunst des Erziehens zu entwickeln.

Je kan met wat er uit de huidige geesteshouding voortspruit grote technische vooruitgang boeken. Je kan daarmee ook in sociaal opzicht een instelling ontwikkelen van een vrije mensheid. Maar hoe grotesk dat tegenwoordig voor het merendeel van de mensen ook moge klinken: met een wetenschap die geleidelijk tot de overtuiging is gekomen dat het hart van de mens een pomp is en dat het lichaam van de mens een mechanisme is en met de gevoelens en gewaarwordingen die uit deze wetenschap voortvloeien, kan je jezelf niet zo tot leven wekken dat je een kunstzinnig opvoeder van de opgroeiende mens kan zijn. Het is onmogelijk om uit dat element dat onze tijd zo groot maakt: de beheersing van de dode techniek, de levende opvoedkunst te ontwikkelen.

blz. 25

Da, meine sehr verehrten Anwesenden, muß ein neuer Geist in die Menschheitsentwickelung eingreifen, der Geist eben, den wir durch unsere Geisteswissenschaft suchen. Der Geist, der davon hinwegführt, in dem lebendigen Menschen den Träger von Pump- und Sauginstru­menten, einen Mechanismus zu sehen, der nur nach naturwissenschaftli­chen Methoden begriffen werden kann. Es muß einziehen in die Geistes-gesinnung der Menschheit die Überzeugung, daß Geist in allem Natur-dasein lebt, und daß man diesen Geist erkennen könne. Und so haben wir versucht, in dem Kursus, der vorangegangen ist unserer Waldorf­Unternehmung, und der bestimmt war für die Lehrer, eine Anthropolo­gie, eine Erziehungswissenschaft zu begründen, die eine Erziehungs-kunst, eine Menschheitskunde werden kann, welche aus dem Toten das Lebendige im Menschen wieder erweckt. Das Tote – und das ist das Geheimnis unserer gegenwärtigen absterbenden Kultur -, das Tote, es macht den Menschen wissend, es macht den Menschen einsichtig, wenn er es aufnimmt als Naturgesetz; aber es schwächt sein Gemüt, aus dem die Begeisterung hervorgehen soll gerade im Erziehen. Es schwächt den Willen.

Daar, zeer geachte aanwezigen, moet een nieuwe geest ingrijpen in de mensheidsontwikkeling – de geest namelijk die wij door middel van onze geesteswetenschap zoeken. Het is de geest die de levende mens niet ziet als een drager van pomp en zuiginstrumenten, als een mechanisme, dat slechts met natuurwetenschappelijke methoden begrepen kan worden. In de geesteshouding van de mensheid moet de overtuiging post vatten dat overal in de natuur de geest leeft en dat men deze kan kennen. En zo hebben wij geprobeerd om in de cursus [2] die voorafging aan onze vrijeschoolonderneming en die voor de leraren bestemd was, de grondslag te leggen voor een menskunde, een opvoedkunde die een opvoedkunst kan worden, een mensheidskunde, die uit het dode het levende in de mens weer opwekt. Het dode – en dat is het geheim van onze huidige afstervende cultuur – het dode maakt de mens wetend, geeft hem inzicht, wanneer hij het in zich opneemt in de vorm van natuurwetten; maar het verzwakt zijn gemoed, waaruit het enthousiasme moet voortspruiten – juist in de opvoeding. Het verzwakt de wil.

Es stellt den Menschen nicht harmonisch in das ganze, gesamte soziale Dasein hinein. Nach einer Wissenschaft suchen wir, die nicht bloß Wissenschaft ist, die Leben und Empfindung selber ist, und die in dem Augenblick, wo sie als Wissen in die Menschenseele einströmt, zu gleicher Zeit die Kraft entwickelt, als Liebe in ihr zu leben, um als werktätiges Wollen, als in Seelenwärme getauchte Arbeit ausströmen zu können; als Arbeit, die insbesondere übergeht auf das Lebendige, auf den werdenden Menschen. Wir brauchen eine neue Wissenschaftsgesin­nung. Wir brauchen einen neuen Geist in erster Linie für alle Erzie­hungs-, für alle Unterrichtskunst.
Meine sehr verehrten Anwesenden, derjenige, der so über die Erzie­hung der Gegenwart und ihre Notwendigkeiten denkt, kritisiert nicht leichtfertig, was in bester Absicht unternommen worden ist aus allerlei würdigen Impulsen der Gegenwart und der jüngsten Vergangenheit heraus. Welch schöne Impulse liegen zugrunde, da man aus dem Chaos und Ertötenden des Stadtlebens heraus das Erziehungswesen auf das Land, in die Landerziehungsheime hinausverlegen wollte. Man muß anerkennen all den in dieser Richtung waltenden guten Willen. Aber,

Het geeft de mens niet die harmonische plaats in het gehele sociale bestaan. Wij zoeken naar een wetenschap die niet slechts wetenschap is maar zelf ook leven en gevoel en die, zodra ze als kennis de ziel van de mens binnenstroomt, tegelijkertijd de kracht ontwikkelt om als liefde in haar te leven, om tenslotte als werkzame wilsimpulsen, als in zielswarmte gedompeld werk weer naar buiten te stromen – werk dat zich vooral richt op het levende, op de wordende mens. We hebben een nieuwe wetenschappelijke instelling nodig. We hebben een nieuwe geest nodig – in de allereerste plaats voor iedere opvoedkunst, voor iedere onderwijskunst. Wie in deze tijd zo over opvoeding denkt en wat daarbij noodzakelijk is, levert geen oppervlakkige kritiek op wat met de beste bedoelingen ondernomen is vanuit allerlei lofwaardige impulsen van deze tijd en het recente verleden. Wat een prachtige impulsen lagen er niet aan ten grondslag om vanuit de chaos en de verstikking van het stadsleven, de opvoeding naar het platteland, naar de opvoedingsinstellingen daar te verplaatsen. Al die werkzame goede wil in deze richting moet je erkennen. Maar, 

blz. 26

meine sehr verehrten Anwesenden, wenn in diese Landerziehungsheime nicht der lebendige Geist, der den Menschen dem Menschen begreiflich macht, der den Menschen anweist, den werdenden Menschen zu behan­deln, wenn in diese Landerziehungsheime und in all das andere, was heute begründet wird, nicht hineinzieht dieser lebendige Geist, es bleibt auch auf dem Lande tot, was in den Städten tot ist. Man denkt nach, wie man die Schulverfassung gestalten könne, damit nicht mehr in einer ertotenden Weise die Autorität des Lehrers wirke. Wenn man aber nicht hineingießen kann in jene Schulen, die nach dieser neuen Weise gestaltet sind, den wirklich lebendigen Geist, der den Menschen erst zum Menschen macht, es bleiben trotz aller sozialen Pädagogik die Schul- und Erziehungsstätten etwas Totes, etwas, was die gegenwärtige Generation nicht in der richtigen Weise der Zukunft entgegenführen kann. Die Überzeugung, daß der Ruf, der aus der Entwickelung der Menschheit heraustönt, für unsere gegenwärtige Zeit einen neuen Geist fordert, und daß wir diesen neuen Geist vor allen Dingen in das Erziehungswesen hineintragen müssen, diese Überzeugung ist es, die den Bestrebungen dieser Waldorfschule, die ein Musterbeispiel sein sollte nach dieser Richtung hin, zugrunde liegt.

zeer geachte aanwezigen, wanneer in de plattelandsinstellingen niet de levende geest die de mens de andere mens laat begrijpen, die de mens laat zien hoe je met de wordende mens moet omgaan, wanneer in deze plattelandsinstellingen  en in al dat andere wat tegenwoordig gesticht wordt, niet die levende geest werkzaam wordt, dan blijft ook op het platteland dood, wat in de steden dood is. Er wordt over nagedacht hoe men het schoolwezen zo vorm kan geven, dat de autoriteit van de leraar niet meer op een zo verstikkende manier werkt. Wanneer je echter in die scholen die volgens deze nieuwe manier gevormd zijn, niet de levende geest binnen kan laten stromen die de mens pas tot mens maakt, dan blijven, ondanks alle sociale pedagogie de school- en opvoedingsplaatsen iets doods, iets wat de huidige generatie niet op een goede manier de toekomst tegemoet kan laten gaan. De overtuiging dat er een vraag weerklinkt uit de ontwikkeling van de mensheid, een vraag die voor deze tijd een nieuwe geest vergt en dat we deze geest vooral in de opvoedkunst moeten laten doordringen, dat is de overtuiging die ten grondslag ligt aan het streven van de vrijeschool, die in dit opzicht een nastrevenswaardig voorbeeld zou moeten zijn.

Und versucht ist wor­den, zu hören, was unbewußt gerade in den Forderungen der Besten liegt, die sich abgemüht haben in der jüngsten Vergangenheit, für eine Gesundung, für eine Regenerierung der Erziehungs-, der Unterrichts-kunst zu wirken. Denken muß ich an solche Darlegungen, wie sie zum Beispiel von dem immerhin sehr gedankenreichen Herbartschüler Theo­dor Vogt oder dessen Nachfolger Rein, dem Jenaer Pädagogen, stam­men, denn sie scheinen mir zu entspringen einer tieferen Empfindung desjenigen, was in der Gegenwart unserem Erziehungs- und Unter­richtswesen mangelt. Vogt und Rein, sie haben ahnend bemerkt, aber nicht deutlich gesagt: Man möchte so gerne erkennen, um richtig unterrichten und erziehen zu können, wie sich das Kind eigentlich entwickelt in den ersten Jahren, vom Säugling bis zu der Zeit, wo es gegen das siebente Jahr in die Schule kommt; wie es sich entwickelt dann vornehmlich in der Volksschulzeit vom sechsten oder siebenten Jahr bis zu der Zeit, die so mächtig eingreift in alle Entwickelung des werdenden

Er is gepoogd om te horen wat er onbewust ten grondslag ligt aan het streven van juist de beste mensen die zich de laatste tijd hebben ingespannen om te werken aan een gezondmaking, een regeneratie van de opvoed- en onderwijskunst. Ik moet daarbij denken aan de opvattingen van bv. de steeds zo gedachterijke navolger van Herbart, Theodor Vogt of zijn opvolger Rein, de pedagogoog uit Jena, want die lijken mij te komen uit een dieper beleven van wat er in deze tijd aan het opvoedings- en onderwijswezen schort. Vogt en Rein hebben met een soort voorgevoel gemerkt, maar het niet duidelijk uitgesproken: men zou zo graag om goed te kunnen lesgeven en opvoeden, willen weten hoe het kind zich eigenlijk in de eerste jaren, van baby tot in de tijd waarop het in z’n zevende jaar naar school komt, hoe het zich dan in hoofdzaak ontwikkelt in de basisschoolleeftijd van het zesde of zevende jaar tot de tijd die zo sterk ingrijpt in de hele ontwikkeling van de wordende mens

blz. 27

Menschen, bis zu der Zeit im vierzehnten und fünfzehnten Jahr. Da frägt sich der einsichtige Pädagogiklehrer: Können wir auch verstehen, was da für Kräfte spielen in der Menschennatur, die fast mit jedem Monat, jedenfalls aber mit jedem Jahr uns ein anderes geistig-seelisches-leibli­ches Antlitz zuwendet? Solange wir keine wirkliche Geschichtswissen­schaft haben – so sagen diese Pädagogen -, solange können wir auch nicht wissen, wie der einzelne Mensch sich entwickelt. Denn der ein­zelne Mensch stellt in sich konzentriert dasjenige dar, was die ganze Menschheit im Laufe ihres geschichtlichen Werdens darstellt.
Solche Leute, wie die genannten, fühlen, daß im Grunde genommen die gegenwärtige Wissenschaft versagt, wenn sie etwas sagen soll über jene großen Gesetze, die durch die Geschichte walten, und wenn man ergreifen sollte im gegenwärtigen Zeitpunkt dasjenige, was für uns herausquillt aus diesen großen, umfassenden geschichtlichen Gesetzen der Menschheitsentwickelung. Würde man den einzelnen Menschen verstehen wollen aus der Beschaffenheit der Nahrungsmittel, die er aufnimmt vom ersten Atemzuge an bis zum Tode hin, so würde man etwas höchst Törichtes anstreben; aber in der Geschichte, in dem Begreifen der ganzen Menschheitsentwickelung hält man es heute im Grunde so.

mens, tot in de tijd van het veertiende, vijftiende jaar.
Een pedagogiedocent met inzicht zal zich afvragen of we ook kunnen begrijpen welke krachten er spelen in de natuur van de mens, die ons bijna iedere maand, maar in ieder geval ieder jaar een ander gezicht laat zien, wat betreft de geest zowel als de ziel en het lichaam. Zolang er geen werkelijke historische wetenschap bestaat – zeggen deze pedagogen – zolang kunnen we ook niet weten hoe ieder individu zich ontwikkelt. Want in ieder menselijk individu manifesteert zich in geconcentreerde vorm wat de mensheid in haar geheel in de loop van haar historische ontwikkeling tot ontplooiing brengt. Zulke mensen voelen dat de huidige wetenschap in feite faalt, wanneer ze iets moet zeggen over de grote wetmatigheden die door de geschiedenis heen werkzaam zijn en wanneer het erom gaat in het heden iets te begrijpen van wat ons tegemoet stroomt uit deze grote veelomvattende wetten van de mensheidsontwikkeling. Ieder menselijk individu te willen begrijpen door middel van het voedsel dat hij eet vanaf zijn eerste ademtocht tot aan zijn dood, zou een dwaze onderneming zijn; maar in de historische wetenschap, in het begrijpen van de hele mensheidsontwikkeling gaat men in feite zo te werk.

Beim Menschen muß man wissen, wie zum Beispiel eingreift in die Entwickelung solch ein physiologischer Vorgang, wie es der Zahnwechsel ist. Man muß wissen, was da alles leiblich an Geheimnis­vollem vorgeht aus einer ganz neuen Physiologie, welche die gegenwär­tige Wissenschaft noch nicht hat. Man muß aber auch wissen, was seelisch diesen Umschwung begleitet. Man muß die Metamorphosen der Menschennatur kennen. Da, beim einzelnen Menschen, wird man wenigstens nicht leugnen, wenn man auch ohnmächtig ist, es zu erken­nen: daß der Mensch aus seinem innersten Wesen heraus Metamorpho­sen, Umschwünge erlebt. Im geschichtlichen Werden der ganzen Menschheit gibt man so etwas nicht zu. Dieselben Methoden werden angewendet für das Altertum, für das Mittelalter, für die neuere Zeit. Darauf läßt man sich nicht ein, daß große Sprünge in der geschichtlichen Entwickelung der Menschheit vor sich gehen. Indem wir zurückblicken in das geschichtliche Werden, finden wir einen letzten Sprung im 15. Jahrhundert. Alles, was in der neueren Zeit Empfinden, Vorstellen,

Bij de mens moet je weten hoe fysiologische processen inwerken in de ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld de tandenwisseling. Je moet weten wat voor geheimzinnige dingen zich allemaal afspelen in het lichaam, door middel van een geheel nieuwe fysiologie die nog niet bestaat in de huidige wetenschap. Maar je moet ook weten wat er in het zielsgebied gebeurt bij deze grote verandering. Je moet de metamorfoses van de menselijke natuur kennen. En bij die individuele mens zal men in ieder geval niet ontkennen – ook al is men niet in staat het te doorzien – dat de mens vanuit zijn diepste wezen metamorfoses, ingrijpende veranderingen doormaakt. Zoiets geeft men niet toe wat betreft de historische ontwikkeling van de mensheid als geheel. Men hanteert dezelfde methodes voor de klassieke oudheid, voor de middeleeuwen en voor de Nieuwe Tijd. Men wil er niet aan, dat zich sprongsgewijs veranderingen afspelen in de historische ontwikkeling van de mensheid. Blikken we terug in de geschiedenis dan vinden we de laatste ‘sprong’ in de vijftiende eeuw. Het voelen, voorstellen

blz. 28

Wollen der Menschheit geworden ist so, wie wir es jetzt kennen, hat erst seinen intimen Charakter angenommen in der zivilisierten Menschheit seit dem 15. Jahrhundert. Und diese zivilisierte Menschheit unterschei­det sich von der des 10. oder 8. Jahrhunderts etwa so, wie sich das Kind als zwölfjähriges unterscheidet von dem Kinde, das noch nicht das siebente Jahr erreicht hat. Und dasjenige, was als ein Umschwung sich vollzogen hat im 15. Jahrhundert: aus dem Innersten des Menschheits­wesens ging es hervor, wie hervorgeht aus der innersten Menschennatur die gesetzmaßige Entwickelung des Zahnwechsels. Und alles das, in dem wir heute leben im 20. Jahrhundert – jenes Streben nach Individualität, das Streben nach sozialer Gestaltung, das Streben nach Ausgestaltung der Persönlichkeit -, es ist nur eine Folge desjenigen, was die inneren Kräfte der Geschichte heraufgetragen haben seit dem angedeuteten Zeitpunkt.
Wir können nur verstehen, wie der Mensch sich hineinstellen will in die Gegenwart, wenn wir verstehen den Gang, den die Menschheitsent­wickelung in der gekennzeichneten Art genommen hat. Solche Leute wie Vogt und Rein, die über Pädagogik viel nachgedacht haben, die sich auch praktisch mit den Dingen beschäftigt haben, kennen die Ohnmacht der gegenwärtigen Erziehungskunst aus der Ohnmacht der gegenwärtigen geschichtlichen Einsicht heraus. 

en willen van de mensheid in de Nieuwe Tijd, zoals wij dat nu kennen, is in de geciviliseerde wereld in essentie pas vanaf de vijftiende eeuw zo geworden als het nu is. En het geciviliseerde deel van de mensheid van nu onderscheidt zich van dat van de tiende of achtste eeuw ongeveer zoals een kind van twaalf zich onderscheidt van een kind voor het zevende jaar. En die grote verandering in de vijftiende eeuw, die is voortgesproten uit het diepste wezen van de mensheid, net zoals uit het diepste wezen van de menselijke natuur de wetmatigheid van de tandenwisseling voortspruit. En alles waarin wij in de twintigste eeuw leven – dat streven naar individualisme, het streven naar nieuwe sociale vormen, het streven naar ontplooiing van het individu – dat alles is in wezen een gevolg van wat de innerlijke krachten van de geschiedenis naar buiten hebben gebracht sinds het genoemde tijdstip. Hoe de plaats van de mens in het heden is, kunnen we alleen begrijpen wanneer we de zojuist geschetste loop van de mensheidsontwikkeling begrijpen. Mensen als Vogt en Rein die veel over pedagogie hebben nagedacht, die zich ook praktisch met die dingen hebben beziggehouden, kennen de onmacht van de tegenwoordige opvoedkunst vanuit de onmacht van het tegenwoordige historische inzicht.

Sowenig man mit jener Naturwissen­schaft, der das Herz zur Pumpe wird, den Menschen erziehen kann, sowenig kann man sich als Lehrer hineinstellen in das Erziehungsleben mit einer geschichtlichen Erkenntnis, die nicht aus dem lebendigen Geiste der Menschheit herausschöpft und solche Metamorphosen durch­schaut, wie sie sich zugetragen haben vom Mittelalter in die neuere Zeit hinein. Wir stehen noch immer in Auswirkung des da Begonnenen drinnen. Der Lehrer muß – man mag spotten über Prophetismus in unserer Zeit, trotzdem muß man sagen: der Lehrer muß in einer gewissen Weise ein Prophet sein. Hat er es doch zu tun mit dem, was leben soll in der zukünftigen Generation, nicht in der Gegenwart.
Durchschaut man solche Dinge vom Gesichtspunkte wahren, wirkli­chen geschichtlichen Geschehens aus, dann, meine sehr verehrten Anwe­senden, nehmen sie sich allerdings etwas anders aus als oftmals für den

Net zomin als je met die natuurwetenschap die het hart tot pomp maakt, de mens kan opvoeden, net zomin kan je als leraar in de wereld van de opvoeding je plaats innemen met een geschiedeniskennis die niet uit de de levende geest van de mensheid ontsproten is en die dergelijke metamorfosen doorziet, zoals die zich hebben afgespeeld vanaf de Middeleeuwen tot in de Nieuwere Tijd. We bevinden ons nog steeds in het vervolg van wat daar begonnen is. De leerkracht moet – je kan in deze tijd nog zo de spot drijven met toekomstvooruitzichten wat je wil – ondanks dat, zeggen: de leerkracht moet in zekere zin een profeet zijn. Hij heeft uiteindelijk te maken met wat er in de toekomstige generaties moet leven, niet nu.
Worden zulke dingen doorzien vanuit het gezichtspunt van het echte, het werkelijke historische gebeuren, dan, geachte aanwezigen, komen ze er natuurlijk wat anders uit te zien dan de tegenwoordige waarnemer van het menselijk leven vaak denkt.

blz. 29

gegenwärtigen menschlichen Beobachter. Dieser faßt in vieler Beziehung dasjenige, was Leben werden sollte in der Erziehungswissenschaft und in der Erziehungskunst, in sehr äußerlicher Weise. Man diskutiert heute über die Frage: Soll man den Menschen mehr erziehen im Sinne dessen, was die Menschennatur selbst fordert, also mehr eine Menschheitserzie­hung, eine humanistische Erziehung pflegen; oder soll man dem Men­schen mehr eine Erziehung angedeihen lassen, die ihn für den künftigen Beruf, für das Staatsgefüge vorbereitet und dergleichen? – Für den, der die Dinge in ihrer Tiefe durchschauen will, sind solche Diskussionen an der Oberfläche verlaufende Wortdialektik. Warum? Wer die werdende Generation durchschaut, der bekommt ein deutliches Gefühl davon: Die Menschen sind mit dem, was sie arbeiten, mit dem, was sie denken und empfinden, mit dem auch, was sie für die Zukunft anstreben als Erwach­sene, aus dem Schoße der Geschichte aufgestiegen. Und das, was heute Berufe sind, was heute Staatsgefüge ist, wohin sich heute die Menschen stellen können: das ist ja aus diesen Menschen selbst entsprungen! Das hängt ja nicht als eine Äußerlichkeit diesen Menschen an! Man kann gar nicht fragen: Soll man den Menschen mehr für das Menschenwesen erziehen oder mehr für den äußeren Beruf? Denn richtig angesehen, ist schließlich doch beides ein und dasselbe!

Wat tot leven zou moeten komen in de opvoedingswetenschap en in de opvoedingskunst, benadert zo iemand in veel opzichten op een zeer uiterlijke manier. Tegenwoordig wordt er gediscussieerd over de vraag: moeten we de mens meer opvoeden in de zin van wat de menselijke natuur zelf vraagt, moeten we dus meer in een algemeen menselijke, een humanistische opvoeding voorzien, of moeten we de mens meer een opvoeding aanreiken die hem op zijn toekomstige beroep, op zijn plaats in het staatsbestel voorbereidt en dergelijke? Voor wie de dingen in hun diepere achtergronden wil doorzien, komen zulke discussies niet verder dan de oppervlakte, dan een spel met woorden. Waarom? Wie de opgroeiende generatie doorschouwt, krijgt daarover een duidelijk gevoel: de mensen zijn met al hun doen, hun denken en voelen, en ook met hun toekomststreven als volwassenen, voortgesproten uit de schoot van de geschiedenis. En de huidige beroepen, het huidig staatsbestel waarin mensen een plaats kunnen vinden – dat is in feite voortgekomen uit deze mensen zelf! Dat is niet slechts een uiterlijk verschijnsel dat niets met deze mensen te maken heeft. Een vraag als: “Moet je de mens meer opvoeden om mens te worden of meer voor een beroep?” kan je gewoonweg niet stellen. Want op de keper beschouwd is het hetzelfde!

Können wir heute ein lebendiges Verständnis entwickeln von dem, was draußen die Berufe, die Menschen sind, dann entwickeln wir auch das Verständnis für dasjenige, was die vorhergehenden Generationen, die heute noch leben und Berufe haben, aus dem Mutterschoße der Menschheit heraufgetragen haben bis in die Gegenwart herein.
Mit der Trennung von Erziehung zum Menschen und zum Beruf reichen wir nicht aus, wenn wir als Lehrer, als Erzieher wirken sollen. Da muß in uns etwas leben, was äußerlich nicht sichtbar ist, nicht in einem Beruf, nicht in einem Staatsgefüge, nirgends im Äußeren. Da muß in uns dasjenige leben, was erst die nachfolgenden Generationen auf den äußeren Plan des Lebens bringen werden. Da muß in uns ein prophetisch wirkendes Zusammengewachsensein leben mit der kommenden Entwik­kelung der Menschheit. Mit diesem Zusammengewachsensein steht und fällt das erzieherisch-künstlerische Fühlen und Denken und Wollen einer Lehrerwelt. Daß fließen kann in die Lehrerwelt dasjenige, was man

Kunnen we heden ten dage een levendig begrip ontwikkelen van wat beroepen en mensen zijn, dan ontwikkelen we ook begrip voor datgene wat vorige generaties – die nu nog leven en beroepen uitoefenen – uit de moederschoot van de mensheid tot verschijning hebben laten komen tot in het heden toe. Met de scheiding tussen opvoeden tot mens en opvoeden voor een beroep komen we er niet, wanneer we leraar, opvoeder willen zijn. Dan moet er iets in ons leven dat uiterlijk niet zichtbaar is, niet in een beroep, niet in een staatsbestel, nergens. In ons moet leven wat pas de volgende generaties tot concrete werkelijkheid zullen maken. In ons moet leven een profetisch verweven zijn met de toekomstige ontwikkeling van de mensheid. Met dit verweven zijn staat of valt het pedagogisch-kunstzinnige voelen en denken en willen van leraren. In de pedagogiek en didactiek van deze tijd

blz. 30

wissen kann über den werdenden Menschen, wie ein seelisch-geistiges Lebensblut, das, ohne erst Wissen zu sein, Kunst wird, dahin muß eine lebendige Pädagogik und Didaktik der Gegenwart streben. Und von dieser lebendigen Didaktik kann allein dasjenige ausgehen, was in das kindliche Herz, in das kindliche Gemüt, in den kindlichen Intellekt eingehen soll.
Ich kann heute unsere Erziehungsgrundsätze nicht im einzelnen aus­führen. Ich wollte nur zeigen, wie sich hineinstellen soll in ein lebendi­ges, geistiges Auffassen des ganzen Welt- und Menschheitswesens dasje­nige, was Erziehungs- und Unterrichtskunst der Gegenwart und Zukunft sein soll.
Wir reden heute viel davon, daß eine sozial gestaltete Zukunft der Menschheit herankommen soll. Warum wird alles so schwer, was wir in der Richtung unternehmen wollen, um eine solche Zukunft herbeizu­führen? – Ja, das wird so schwer, weil dem sozialen Streben gerade in unserer Zeit die antisozialsten Triebe und Instinkte in der Menschheits­entwickelung entgegenstehen.
Wenn wir in patriarchalische Zeiten zurückblicken, in Zeiten, in denen die Menschheit instinktiver gelebt hat als in unserem Zivilisations­zeitalter, so mag man auf viele Veranlassungen kommen, stolz sein zu können auf die Errungenschaften der Gegenwart:

moet je ernaar streven dat wat je kan weten over de opgroeiende mens. kan binnenstromen in de leraren, als een geestelijk levensbloed dat – zonder eerst kennis te zijn – tot kunst wordt. En alleen van deze levende didactiek kan uitgaan wat het kind in zijn hart, in zijn gemoed, in zijn intellect moet opnemen.
Ik kan onze opvoedkundige uitgangspunten nu niet tot in detail uiteenzetten. Ik wilde alleen aantonen hoe de opvoed- en onderwijskunst van nu en de toekomst moet zijn, hoe die een plaats moet krijgen in een levendig, geestelijk begrijpen van de hele wereld en van heel het wezen van de mens. We praten er tegenwoordig veel over dat er een toekomst voor de mens moet komen die sociaal gevormd is. Waarom gaat alles zo moeilijk, wat wij in die richting willen ondernemen om zo’n toekomst dichterbij te brengen? Dat wordt zo zwaar, omdat het sociale streven nu juist in onze tijd te maken krijgt met anti-sociale driften en instincten van de mensheidsontwikkeling. Blikken we terug naar patriarchale tijden waarin de mensheid instinctiever leefde dan in onze beschaving, dan is er veel aanleiding om trots te kunnen zijn op wat nu daarvan de gevolgen zijn.

sozialere Triebe aber haben ältere Zeiten gehabt. Antisoziale Triebe beherrschen uns. Antiso­ziale Triebe müssen aber vor allen Dingen ausgetilgt werden in der Erziehungs- und Unterrichtskunst. Wer genauer beobachten kann, der sieht, wie auch allmählich das Erziehungs- und Unterrichtswesen einge­mündet ist in antisoziales Wesen. Nur diejenige Erziehungs- und Unter­richtskunst aber kann fruchtbar sein, durch die der Lehrer von dem Momente an, wo er das Schulzimmer betritt, auf das Kind wirkt wie aus einem einheitlichen Empfinden heraus. Eins muß sein Kindesseele und Lehrerseele durch ein unterbewußtes geheimnisvolles Band, das vom Lehrergeist übergeht in den Kindergeist. Das gibt der Schule ihr soziales Gepräge. Dazu muß der Lehrer fähig sein, in das Kind sich wirklich hi neinzuversetzen. Was tun wir heute oftmals? Ja, wir bemühen uns, unser Denken in solche Formen zu bringen, daß wir dem Kinde etwas erklären können. Wir sagen vielleicht dem Kinde: Sieh einmal, hier hast

oudere tijden kenden sociale drijfveren. Wij worden beheerst door anti-sociale driften. Anti-sociale driften moeten in de eerste plaats in de opvoed- en onderwijskunst met wortel en tak verdwijnen. Wie beter kan waarnemen ziet hoe ook langzamerhand het opvoed- en onderwijsbedrijf verworden is tot iets anti-sociaals. Alleen die opvoed- en onderwijskunst kan vruchtbaar zijn die door de leerkracht, vanaf het ogenblik dat hij de klas binnengaat, op het kind werkt als hij dat als een totaliteit beschouwt.
Kinderziel en lerarenziel moeten één geheel vormen door een onderbewuste onzichtbare band die loopt van de ene geest naar de andere, leerkracht en kind. Dat kleurt de school sociaal. Daarvoor is het nodig dat de leerkracht zich daadwerkelijk in het kind kan verplaatsen. Wat doen we tegenwoordig vaak? We doen moeite om ons denken zo te vormen dat we het kind iets kunnen uitleggen. We zeggen bv. tegen een kind: Kijk eens, hier heb je

blz. 31

du eine Puppe, aus der wird ein Schmetterling herauskommen. Man zeigt ihm vielleicht den Schmetterling und die Puppe, vielleicht auch, wie das eine sich aus dem anderen entwickelt. Dann sagt man ihm weiter vielleicht: Deine unsterbliche Seele ruht in deinem Leibe wie der Schmetterling in der Puppe. Und so wie der Schmetterling die Puppe verläßt, so wird deine unsterbliche Seele einmal den Leib verlassen, wenn du durch des Todes Pforte gehst. – Man hat sich ein Naturbild ausge­dacht, um etwas an diesem Bilde dem Kinde klarzumachen; aber man ist sich bewußt, daß man nur einen Vergleich gebraucht hat, daß man die ganze Sache ja auf eine andere Art weiß. Man hat sich angestrengt, für das Kind etwas zurechtzurichten. Aber es gibt ein geheimnisvolles Gesetz, wonach man, wenn man so die Dinge zurechtrichtet, nichts richtig im Unterricht erreichen kann. Denn man kann wirklich nur das auf das Kind übertragen, woran man selbst glaubt aus tiefster Seele heraus. Erst wenn man sich dazu durchgerungen hat, zu empfinden, daß in dem Bilde von Puppe und Schmetterling nicht ein äußerlich zusam­mengeschusterter Vergleich gegeben ist, sondern ein solcher, den uns die göttlich-geistige Natur selber hinstellt, in dem Augenblick, wo wir glauben können an die Wahrheit des Bildes, wie das Kind daran glauben soll, in dem Augenblick erst gelingt es uns, lebendigen Geist auf das Kind zu übertragen.

een pop waar een vlinder uit zal komen. Je laat vlinder en pop wellicht zien, hoe de een zich uit de ander ontwikkelt. Dan zeg je verder misschien: je onsterfelijke ziel rust in je lichaam, zoals de vlinder in de pop. En zoals de vlinder de pop verlaat, zo zal je onsterfelijke ziel eens je lichaam verlaten, wanneer je door de poort van de dood gaat. Je hebt zo’n beeld uit de natuur uitgedacht om met dit beeld iets aan het kind uit te leggen; maar je bent je bewust dat je alleen maar een vergelijking hebt gebruikt, dat jij dat weet op een andere manier. Je hebt je best gedaan om voor het kind iets goeds neer te zetten. Maar er bestaat een onverklaarbare wet, waarbij je, wanneer je de dingen zo neerzet, in het onderwijs niets goeds kan bereiken. Want je kan in feite alleen maar wat op het kind overbrengen, wanneer je daar zelf vanuit het diepst van je ziel in gelooft. Pas wanneer je je best hebt gedaan zover te komen, te voelen dat in het beeld van pop en vlinder niet een uiterlijk bij elkaar geharkte vergelijking gegeven is, maar dat het een beeld is dat ons door de goddelijk-geestelijke natuur zelf is gegeven, op dat ogenblik waarop wij kunnen geloven aan de waarheid van het beeld, hoe het kind het zou moeten geloven, pas op dat ogenblik slagen we erin iets levend-geestelijks op het kind over te brengen.

Wir müssen sprechen, wir müssen wirken können aus dem Geiste der Wahrheit heraus. Wir dürfen niemals aus dem heraus wirken, was heute in der Kulturentwickelung eine so große Rolle spielt:
aus dem Geiste der Phrase heraus. Das können wir nur, wenn wir verbunden sind, innerlichst verbunden sind mit allem Menschlichen; wenn wir aufgehen können, noch wenn wir die allerweißesten Haare schon erlangt haben, in dem, was der werdende Mensch seinem Wesen nach ist. Innerlich müssen wir verstehen können den werdenden Men­schen. Können wir das heute noch? Nein, sonst würden wir uns nicht hineinsetzen in Laboratorien und experimentelle Psychologie treiben, um Regeln aufzustellen, wie der menschliche Verstand und das mensch­liche Gedächtnis arbeiten. Der Lehrer, der als Wesentliches das Durch­gehen durch diese äußerlichen Methoden ansieht, um den Menschen kennenzulernen, der ertötet in sich die lebendige intuitive Beziehung, das lebendige intuitive Verhältnis zum Menschen. Ich weiß, nach welcher

We moeten kunnen spreken, kunnen werken vanuit de geest van de waarheid. We mogen nooit werken uit wat tegenwoordig in de cultuurontwikkeling zo’n grote rol speelt: uit de geest van de holle frase. Dat kunnen we alleen wanneer we verbonden zijn, innerlijk zo diep mogelijk, met alles wat menselijk is; wanneer we kunnen opgaan, ook nog wanneer wij al sneeuwwite haren hebben, in wat de wordende mens als wezen is. Innerlijk moeten wij de wordende mens kunnen begrijpen. Kunnen we dat tegenwoordig nog? Nee, want anders zouden we niet in laboratoria gaan zitten om experimentele psychologie uit te voeren, om regels op te stellen van hoe het menselijke verstand en geheugen werken. De leerkracht die het bestuderen van deze uiterlijke methoden als wezenlijk beschouwt om de mens te leren kennen, doodt in zichzelf de levende intuïtieve band, de levende intuïtieve relatie met de mens. Ik weet in welke

blz. 32

Richtung ihm Experimentalpädagogik und Experimentalpsycholo­gie nützlich sind. Ich weiß aber, daß sie für das, wofür sie heute am nützlichsten gelten, nur Symptom sind, daß wir den unmittelbaren Seelenweg von Mensch zu Mensch verloren haben und ihn durch äußerliche Anschauung im Laboratorium wieder suchen. Wir sind dem Menschlichen fremd geworden im Inneren und suchen daher dieses Menschliche auf äußerem Wege. Wir müssen aber, wollen wir richtige Erzieher und Lehrer werden, innerlich dem Menschlichen wiederum ereinigt werden. Wir müssen den ganzen Menschen in uns entwickeln, dann wird dieser ganze Mensch verwandt sein mit dem, was wir erziehe­risch-künstierisch an dem Kinde heranzugestalten haben. Was wir als Pädagogen gewinnen aus einer Experimentierkunde und aus der Beob­achtung heraus, die heute vielfach als die Grundlage der Erziehungswis­senschaft gepflegt wird, das gleicht dem Streben, aus der Nahrungsmit­tellehre und ihrer Anwendung auf den Menschen erkennen zu wollen, wie man ißt und trinkt. Wir brauchen nicht ein Wissen, wie man ißt und trinkt, wir brauchen eine gesunde Geschmacksentwickelung, gesunde Organe, dann können wir richtig essen und trinken. Wir brauchen nicht eine Pädagogik, die auf Experimentalpsychologie gebaut ist, wir brau­chen als Erzieher eine Erweckung der lebendigen Menschennatur, die in sich das ganze Kind wieder erlebt, indem sie mit ihm in geistige Beziehung tritt.

richting experimentele pedagogie en psychologie van nut voor hem zijn. Ik weet echter dat die voor waarvoor ze vandaag als het nuttigst worden gezien, slechts symptomen zijn voor dat wij de directe weg van ziel tot ziel bij de mens verloren hebben en hen door een uiterlijke waarneming in het laboratorium weer willen vinden. Innerlijk zijn we vervreemd van het menselijke en vandaar dat we dit menselijke nu zoeken langs een uiterlijke weg. We moeten echter steeds, willen we goede opvoeders en leraren worden, weer innerlijk een worden met de mens. We moeten de hele mens in ons ontwikkelen, dan wordt deze hele mens weer vertrouwd met wat wij opvoedkundig-kunstzinnig aan het kind te vormen hebben. Wat wij als pedagogen kunnen hebben aan iets uit de experimenteerkunde en uit de waarneming die tegenwoordig vaak als basis voor de opvoedwetenschap verzorgd wordt, lijkt op het streven om uit de voedingsmiddelentheorie en de toepassing daarvan bij de mens te willen leren kennen hoe je eet en drinkt. We hebben geen wetenschap nodig van hoe je eet en drinkt, we hebben een gezonde smaakontwikkeling nodig, gezonde organen, dan kunnen we goed eten en drinken. We hebben geen pedagogie nodig die op experimenteerpsychologie gefundeerd is, we hebben als opvoeder een wekken nodig van de levendige mensennatuur die het hele kind weer vitaliseert als deze opvoeder geestelijk met hem in contact komt.

So, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir aus einem neuen Geiste heraus diese Waldorfschule gestalten. Und Sie werden bemerkt haben auch, was diese Schule nicht werden soll. Jedenfalls soll sie nicht eine Weltanschauungsschule werden. Derjenige, der da sagen wird: die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gründe die Waldorf­schule und wolle nun ihre Weltanschauung hineintragen in diese Schule – ich sage das jetzt am Eröffnungstage -, der wird nicht die Wahrheit sprechen. Uns liegt gar nichts daran, unsere «Dogmen», unsere Prinzi­pien, den Inhalt unserer Weltanschauung dem werdenden Menschen beizubringen. Wir streben nicht danach, eine dogmatische Erziehung zu bewirken. Wir streben danach, daß dasjenige, was wir haben gewinnen können durch die Geisteswissenschaft, lebendige Erziehungstat werde. Wir streben an, in unserer Methodik, in unserer Didaktik dasjenige zu

Dus, zeer geachte aanwezigen, zouden wij graag vanuit een nieuwe geestesgesteldheid met deze vrijeschool beginnen. En u zal ook gemerkt hebben, wat deze school niet gaat worden. In ieder geval moet het geen wereldbeschouwelijke school worden. [3] Degene die daar zou zeggen: de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap heeft de vrijeschool opgericht en wil nu haar wereldbeschouwing deze school binnenbrengen – dat zeg ik nu op de openingsdag – die spreekt de waarheid niet.
Wij hebben er geen belang bij de wordende mens onze ‘leerstellingen’, onze principes, het inhoudelijke van onze wereldbeschouwing bij te brengen. Wij streven er niet naar een dogmatische opvoeding tot stand te brengen. Wij streven ernaar dat hetgeen wij uit de geesteswetenschap hebben kunnen halen, tot een levende opvoedingshandeling wordt. Wij streven ernaar wat uit de levende geesteswetenschap kan komen, in onze methodiek, in onze didactiek zit,

blz. 33

haben, was aus der lebendigen Geisteswissenschaft als seelische Men­schenbehandlung hervorgehen kann. Aus der toten Wissenschaft kann nur Wissen kommen, aus der lebendigen Geisteswissenschaft wird Methodik, wird Didaktik, wird Handgriffliches im geistig-seelischen Sinne hervorgehen. Daß wir lehren, daß wir erziehen können, das streben wir an. In bezug auf all das sind wir uns gründlich jener Verantwortlichkeit bewußt, von der unser lieber Freund, Herr Molt, vorhin gesprochen hat. Aber ehrlich werden wir einhalten, was wir gelobt haben: daß die verschiedenen religiösen Bekenntnisgesellschaften, die von sich aus den Religionsunterricht erteilen sollen, ihre Weltan­schauungsprinzipien in unsere Schule hineintragen können. Wir wollen nur abwarten, ob, ebensowenig wie wir stören werden im geringsten dasjenige, was so als Weltanschauung hereingetragen werden soll in unsere Schule, ob ebensowenig dasjenige gestört wird, was wir, in bescheidenster Weise vorläufig nur, als eine Kunst hineintragen wollen. Denn wir wissen: Früher wird die Menschheit verstehen müssen, daß aus einer geistigen Weltanschauung heraus Erziehungskunst im pädago­gischen, methodischen, didaktischen Sinne entstehen kann, bevor sie eine richtige Einsicht in Weltanschauungsfragen und ihre gegenseitigen Beziehungen haben wird.

voor de behandeling van de menselijke ziel. Uit de dode wetenschap kan alleen maar weten komen, uit de levende geesteswetenschap zal methodiek, zal didactiek voortkomen, zal vanuit de optiek geest en ziel iets praktisch voortkomen. Dat we kunnen onderwijzen, dat we kunnen opvoeden, daar streven wij naar. Wat dit alles betreft zijn we ons zeer bewust van die verantwoordelijkheid waar onze gewaarde vriend, mijnheer Molt, eerder over heeft gesproken. Maar eerlijk zullen we nakomen, wat we beloofd hebben: dat de verschillende religieuze richtingen die zelf het godsdienstonderwijs zullen geven,  met hun wereldbeschouwing in onze school kunnen werken. We zullen alleen afwachten of net zomin als wij in het minst niet zullen verstoren wat zo aan wereldbeschouwing de school binnenkomt of wat wij voorlopig slechts op de meest bescheiden manier als een kunst binnen de school willen opnemen, evenmin verstoord zal worden. want we weten: eerst zal de mensheid moeten begrijpen, dat uit een geestelijke wereldbeschouwing opvoedkunst in pedagogisch, methodisch, didactische zin kan ontstaan, voor deze een goed inzicht in wereldbeschouwelijke vragen en wederzijdse betrekkingen zal hebben.

Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen mit der Waldorfschule zu schaffen.
Ihnen, die Sie die Eltern sind der Kinder, die als erste in diese Schule hineingeschickt werden, Ihnen darf es gesagt werden, daß Sie nicht nur Pioniere sind für eine menschliche persönliche Absicht, sondern für eine Kulturforderung unserer Zeit, und daß Sie das, was jetzt geschehen soll mit Bezug auf die Waldorfschule, nur richtig auffassen werden, wenn Sie sich als solche Pioniere fühlen.
Zu den Kindern kann ich heute noch nicht in einer solchen verständli­chen Sprache sprechen wie zu den Eltern, aber geloben wollen wir diesen Kindern, daß dasjenige, was wir den Eltern in Worten mitteilen, zu ihnen durch Taten dringe, die sie wirklich hineinstellen werden ins Leben so, daß sie genügen können den schweren Forderungen der künftigen Generationen. Schwer werden diese Forderungen sein, und was wir heute, insbesondere in Mitteleuropa, als eine große Not empfin­den

Dus een wereldbeschouwelijke school zullen wij niet oprichten. Wij zullen ons inzetten om met de vrijeschool een school op te richten waar opvoeden als een kunst beschouwd wordt.
U, de ouders van de kinderen die als eerste uw kind naar deze school laten gaan, aan u mag ik zeggen, dat u niet alleen pionier bent ter wille van een menselijke, persoonlijke bedoeling, maar ook een voor de cultuureis van onze tijd en dat u wat nu moet gebeuren wat de vrijeschool betreft, alleen goed zal opvatten, wanneer u zich zo’n pionier voelt.
Ik kan nu nog niet met deze verstandelijke taal net zo tot de kinderen spreken als tot de ouders, maar wij willen deze kinderen beloven wat wij tegen de ouders met woorden zeggen: dat dat bij de kinderen doordringt door daden die hun werkelijk een plaats geven in het leven zodat zij aan de zware eisen kunnen voldoen die aan de komende generaties gesteld zullen worden. Deze eisen zullen zwaar zijn en wat wij vandaag, met name in Midden-Europa als een grote nood ervaren

blz. 34

es ist erst der Anfang von dem, was als die noch größere Not empfunden werden wird. Aber hervorgehen kann aus dieser großen Not, wie aus Leid und Schmerzen immer auch ein Größtes der Men­schen hervorgegangen ist, auch das, was wirkliche, auf Wirklichkeit gebaute menschliche Erziehungs- und Unterrichtskunst ist. Indem wir die Grundlage und den Quell für das Erziehungswesen in dem ganzen Menschenwesen suchen und durch das ganze Menschenwesen auszubil­den versuchen werden, möchten wir hineinstellen die erzieherische soziale Frage in die gesamte soziale Frage unserer Zeit.
Einheitsschule – so sagt unsere Zeit! An keine andere als eine Einheits­schule wird herantreten diejenige Erziehungs- und Unterrichtskunst, die, so wie es angedeutet wurde, aus dem ganzen Menschenwesen heraus ihr Können schöpfen will. Soll die Menschheit künftig sozial gerecht leben können, dann wird sie zunächst sozial richtig ihre Kinder erziehen müssen. 

is pas het begin van wat als een nog grotere nood gevoeld zal gaan worden. Maar uit deze grote nood kan, zoals uit leed en pijn steeds ook iets groots gekomen is voor de mensheid, ook komen wat echte, op werkelijkheid gebouwde menselijke opvoedings- en onderwijskunst is. Wanneer we de basis en de bron voor de opvoeding in het totale wezen van de mens zoeken en door dit totale wezen proberen dit te ontwikkelen, zouden wij de opvoedkundige sociale vraag onder willen brengen bij de gehele sociale vraag van onze tijd.
Schoolgemeenschap – dat zegt onze tijd! De opvoed- en onderwijskunst die uit het hele mensenwezen haar competentie wil ontwikkelen kan dat niet zonder schoolgemeenschap. Als de mensheid in de nabije toekomst werkelijk sociaal wil leven, moet ze eerst haar kinderen daadwerkelijk sociaal opvoeden.

Daß das der Fall sein könne, dazu möchten wir ein Kleines beitragen durch die Waldorfschule.
Möge das, was wir vielleicht nur teilweise erreichen werden, wenn wir auch das beste Wollen haben, seine Kraft nicht schon in unserem schwachen Versuch erschöpfen. Möge es Nachfolge finden. Denn wir hegen die Überzeugung: der schwache Versuch kann vielleicht durch Gegnerschaft und Unverstand scheitern; dasjenige aber, was als Kern in dieser Bestrebung liegt, es muß Nachfolge finden. Denn wenn einzieht in das Bewußtsein der ganzen Menschheit, die tragen soll Lehrerschaft und zu erziehende Kinderschaft, eine echte soziale Erziehungs- und Unterrichtskunst, dann wird im ganzen sozialen Leben die Schule in der richtigen Weise drinnenstehen.
Möge ein Kleines zu diesem großen Ziele die Waldorfschule beitragen können.

Opdat dit dan zou kunnen gebeuren, willen wij met onze vrijeschool daaraan graag een steentje bijdragen.
Ik hoop dat wat we misschien maar voor een deel bereiken, ook al hebben we het beste voornemen, zijn kracht niet al in onze bescheiden poging zal verliezen. Ik hoop dat het navolging vindt. Want we koesteren de overtuiging: de zwakke poging kan wellicht door tegenwerking en onverstand mislukken; maar wat als kern in dit streven ligt, moet navolging vinden. Want wanneer de hele mensheid zich bewust wordt van een echte sociale opvoed- en onderwijskunst en daarmee leraren en kinderen een draagvlak geeft, zal de school op een goede manier in het hele sociale leven staan.

Ik hoop dat aan dit grote ideaal de vrijeschool kan bijdragen.

.

[1] GA 298   Toespraak Steiner 7 september 1919

[2] :
[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Een bespreking van Algemene menskunde is op deze blog in ontwikkeling

[3] Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Rudolf Steiner: zijn pedagogisch werk

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

1993-1876

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool (GA 298)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

Vandaag* is het 100 jaar geleden dat in Stuttgart ’s werelds eerste vrijeschool werd geopend.

De Waldorfschool – genoemd naar de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek – werd officieel geopend door de directeur van de fabriek, Emil Molt.

Hij hield onderstaande toespraak: 

afgedrukt in GA 298 [1] 

blz. 18

Sehr verehrte Anwesende! Liebe Kinder! Im Namen meiner Firma, der Waldorf-Astoria, heiße ich Sie alle von Herzen willkommen, die Sie hierhergekommen sind, um teilzunehmen an der einfachen, schlichten Eröffnungsfeier unserer Waldorfschule. Herzlich willkommen heiße ich besonders die verehrten Gäste und danke denselben für ihr Erscheinen und das dadurch bewiesene Interesse an unserem Unternehmen.
Meine sehr verehrten Anwesenden! Diese Gründung der Waldorf­schule ist nicht etwa entsprungen einer bloßen Marotte eines einzelnen, sondern der Gedanke wurde geboren aus der Einsicht in die Notwendig­keiten unserer heutigen Zeit. Es war mir einfach Bedürfnis, in Wahrheit die erste sogenannte Einheitsschule ins Leben zu rufen und dadurch einem sozialen Bedürfnis wirklich abzuhelfen, so daß künftighin nicht nur der Sohn und die Tochter des Begüterten, sondern auch die Kinder der einfachen Arbeiter in die Lage versetzt werden, diejenige Bildung sich anzueignen, die heute notwendig ist zum Aufstieg zu einer höheren Kultur.

Zeer geachte aanwezigen! Beste kinderen!
Uit naam van mijn bedrijf, de Waldorf-Astoria, heet ik u allen die hier naar toegekomen zijn om de eenvoudige bescheiden openingsceremonie van onze vrijeschool mee te maken, van harte welkom.

In het bijzonder heet ik welkom de geachte gasten en ik bedank hen voor het feit dat ze gekomen zijn en de daarmee getoonde belangstelling voor wat wij gaan beginnen.
Mijn zeer geachte aanwezigen! Deze stichting van de vrijeschool is niet voortgekomen uit een of andere gril van de een of ander, maar de gedachte werd geboren uit het inzicht in wat voor onze huidige tijd nodig is.
Het was voor mij nu eenmaal een behoefte daadwerkelijk de eerste zgn. scholengemeenschap in het leven te roepen en daardoor daadwerkelijk in een sociale behoefte te voorzien, zodat in de toekomst niet alleen de zoon en dochter van de beter gesitueerden, maar ook de kinderen van de eenvoudige arbeider de kans krijgen zich zo te ontwikkelen als vandaag nodig is om een hogere cultuur te bereiken.

In diesem Sinne ist es mir persönlich eine tiefe Befriedigung, daß es möglich war, diese Institution ins Leben zu rufen. Aber es genügt heute ja nicht, eine bloße «Einrichtung» zu schaffen, sondern es tut not, diese Einrichtung zu erfüllen mit neuem Geiste. Und daß ein solcher Geist erfülle diese Einrichtung, dafür bürgt uns die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, und ich fühle mich innerlich tief ver­pflichtet, an dieser Stelle innigen Dank auszusprechen demjenigen, der uns diese Geisteswissenschaft vermittelt hat, unserem verehrten Herrn Dr. Rudolf Steiner. Aber ich danke auch der Behörde, welche es uns ermöglicht hat, mit dieser Einrichtung ins Leben zu treten, so daß wir heute in der glücklichen Lage sind, unsere Gedanken wirklich in die Tat überzuführen.

Wat dit betreft is het voor mij bijzonder bevredigend dat het mogelijk was, deze instelling in het leven te roepen. Maar tegenwoordig is het niet genoeg om alleen maar een ‘inrichting’ te maken, maar nodig is deze inrichting te vullen met een nieuwe geest. En dat een dergelijke geest deze inrichting kan vullen, daarvoor staat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap garant en ik voel mij innerlijk diep verplicht op deze plaats mijn diepgemeende dank uit te spreken aan degene die ons deze geesteswetenschap meegedeeld heeft, onze geëerde heer doctor Rudolf Steiner. Maar ik dank ook de overheid die het ons mogelijk heeft gemaakt deze inrichting vorm te geven, zodat wij nu in de gelukkige omstandigheid verkeren, onze gedachten daadwerkelijk uit te voeren.

blz. 19

Nun wende ich mich aber besonders an euch, ihr lieben Waldorfleute:
Seien wir uns klar darüber, daß damit, daß wir etwas Derartiges ins Leben rufen dürfen, uns gleichzeitig eine hohe Verpflichtung auferlegt ist. Wir wollen uns dessen ganz klar sein, wir wollen an diesem Tage uns geloben, daß wir uns würdig zeigen wollen der Tatsache, daß wir als die ersten im Deutschen Reiche die Möglichkeit haben, diesen Gedanken der Einheitsschule, der so viel ausgesprochen wurde, hier in unserem Stuttgart zu verwirklichen. Wir wollen der Welt zeigen, daß wir nicht nur Idealisten sind, sondern daß wir Menschen der praktischen Tat sind, und daß unsere Kinder, gestärkt durch diese Schule, in Zukunft dem täglichen Leben besser und voller standhalten können.
In diesem Sinne schicken wir euch, ihr lieben Kinder, in diese Wal­dorfschule, damit ihr euch Kraft dort holt, um, wenn ihr diese Stätte verlaßt, als ganze Menschen dem schweren euch erwartenden Leben gewachsen zu sein. Aber es erwarten euch, ihr Kinder, innerhalb der Schule auch Freuden. Mir, dem es vergönnt war, den Lehrerkursus, den Herr Dr. Steiner abhielt, mitzumachen, am es deutlich zum Bewußt­sein, wieviel man selbst versäumen mußte in seiner Jugendzeit, und wie schwer es einem in vorgeschrittenem Alter wird, dasjenige nachzuholen, was man in jenen Zeiten versäumt hat, und es ist mir wirklich ein Herzensbedürfnis, das auszusprechen, daß, weil man in früheren Zeiten nicht selbst in der Lage war, diesen Sege zu genießen, man seinem Schicksal wenigstens dankbar sein muß, wenn man diesen Segen heute andern zukommen lassen darf. 

Nu richt ik mij in het bijzonder tot u, beste vrijeschoolmensen: laten we ons duidelijk voor ogen houden dat wij, nu we iets dergelijks in het leven mogen zetten, daarmee gelijktijdig een hoge verplichting aangaan. We willen het heel duidelijk stellen, we willen ons op deze dag vast voornemen om te staan voor het feit dat wij als eersten in het Duitse Rijk de mogelijkheid hebben dit idee van de scholengemeenschap dat zo vaak geklonken heeft, hier in ons Stuttgart te verwezenlijken. We willen de wereld laten zien dat wij niet alleen idealisten zijn, maar dat wij praktische mensen zijn en dat onze kinderen, sterker geworden door deze school, in de toekomst het dagelijks leven beter en innerlijk rijker aankunnen.
Met deze bedoeling, beste kinderen, sturen we jullie naar deze vrijeschool, zodat jullie daar krachten kunnen opdoen om, wanneer je deze plaats verlaat, als harmonische mensen het zware leven dat jullie wacht, aankunnen. Maar, kinderen, er wachten binnen de school ook vrienden op jullie. Omdat het mij vergund was de lerarencursus die mijnheer doctor Steiner hier hield, mee te maken, werd het me duidelijk bewust, hoeveel wij zelf niet meegekregen hebben in onze jeugd en hoe moeilijk het is om op latere leeftijd nog in te halen wat je in die tijd gemist hebt, en het is voor mij een diepe behoefte uit te spreken, dat, omdat wij vroeger niet de kans kregen deze zegeningen te smaken, wij toch een beetje ons lot dankbaar moeten zijn, dat we nu deze zegeningen aan anderen kunnen geven. 

blz. 20

Und so kann ich sagen: Ihr Kinder, die ihr hineingeht in diese neue Schule, es erwarten euch Freuden, und denjenigen, denen es vergönnt war, diesen Kursus durchzumachen, den Herr Dr. Steiner abgehalten hat mit den neuen Lehrkräften, die wissen, daß durch die neue Methode das Lernen nicht mehr, wie es bei uns Älteren der Fall war, eine Plage ist, sondern daß es bei euch zur Freude und zur Lust werden wird. Deshalb freut euch, ihr Kinder, daß ihr diese Schule genießen dürft. Aber zeigt euch, wenn ihr das heute auch noch nicht in seiner ganzen Tragweite verstehen könnt, zeigt euch bei der Entlassung aus dieser Bildungsstätte dem Leben und seinen Anforderun­gen gewachsen, zeigt der Welt dann die herrlichen Früchte dieser neuen Lehrmethode, die euch zu lebenstüchtigen, zielbewußten Menschen

En dus kan ik zeggen: op jullie, kinderen, die hier naar deze nieuwe school gaan, wachten vrienden en degenen die het vergund was aan deze cursus mee te doen die mijnheer doctor Steiner gehouden heeft met de nieuwe leerkrachten, weten dat door de nieuwe methode van leren, wat bij ons ouderen het geval was, geen plaag meer is, maar dat bij jullie vreugde en tevredenheid zal schenken. Daarom, kinderen, verheugen jullie je er maar op dat je dit onderwijs mag genieten. Maar laat zien, ook al kun je dit nu nog niet in de volle reikwijdte overzien, laat zien dat je als je deze leerplek verlaat, opgewassen bent tegen het leven en wat dit van je vraagt, laat de wereld dan maar zien welke prachtige vruchten deze nieuwe leermethode afwerpt, die jullie tot levenskrachtige, doelbewuste mensen

erziehen will. Aber auch darüber sind wir uns klar: Was wir hier schaffen durften, ist nur ein kleiner Anfang. Schwer ist die Last und groß die Verantwortung, die auf denjenigen ruht, welche sich dieser Aufgabe unterzogen haben, und groß werden vielleicht die Anfechtungen sein, welche mit der Zeit von vielen Seiten auf uns einstürmen werden; aber eines können wir heute schon sagen: Der Wille in uns wird so stark sein und die Gedanken werden so kräftig sein und der Mut so groß, daß wir auch alle diejenigen Dinge, die hemmend vielleicht an uns herankommen möchten, überwinden werden, weil wir wissen, welch hohes Ziel wir anstreben, und weil wir stets eingedenk sind der Verantwortung, die wir übernehmen.
Und Ihr, sehr verehrte Lehrer, die Ihr diese Arbeit übernommen habt, die Ihr selbst eingeführt worden seid in den Geist, der diese Schule beseelen soll, Ihr wißt ja, welch tiefe Verantwortung Euch damit aufer­legt ist, und ich richte die Bitte an Sie alle, die Sie mitwirken werden als Lehrkräfte an der Waldorfschule: seien Sie sich mit mir voll bewußt der außerordentlichen Schwere der Verantwortung und hören Sie nie auf, diese Verantwortung ebenso tief wie ich jederzeit zu verspüren. Und nun, meine sehr verehrten Anwesenden, indem ich dieses Institut den Waldorfleuten und damit auch der Öffentlichkeit übergebe, wünsche ich aus vollem Herzen:

wil opvoeden. Maar ook daarover zijn we duidelijk: wat we hier mogen doen, staat nog maar aan het begin. Het werk is moeilijk en de verantwoordelijkheid die rust op degenen die deze opgave op zich willen nemen, groot en groot zullen misschien ook de twijfels zijn die mettertijd van veel kanten op ons af zullen komen; maar één ding kunnen we nu wel zeggen: de wil in ons zal zo sterk zijn en de gedachten zo helder en de moed zo groot dat wij ook al die dingen die wellicht als hindernis op ons af komen, zullen overwinnen, omdat we weten wat voor hoog ideaal we nastreven en omdat we steeds de verantwoordelijkheid die we aangaan, voor ogen houden. 
En u, geachte leerkrachten, die dit werk op u neemt, die zelf beginnend deze geest hebt leren kennen die de school moet bezielen, u weet wat voor een grote verantwoordelijkheid daarmee op uw schouders is gelegd en ik vraag u allen die als leeracht meewerken aan de vrijeschool: wees u met mij zich ten volle bewust van de buitengewone ernst van die verantwoordelijkheid en laat niet af, deze voortdurend zo diep te voelen als ik. En nu, zeer geachte aanwezigen, nu ik deze instelling aan u, vrijeschoolmensen, overdraag en daarmee ook aan het openbare leven, wens ik u van ganser harte:

Es möge wieder dort der Geist herrschen, den ein Goethe, ein Schiller, ein Herder und wie sie alle heißen, die großen Geisteshelden vergangener Zeiten, uns nahegebracht haben, damit dieser Geist durch die Schule der Zukunft auch wieder einziehen möge im deutschen Vaterlande. Wenn das der Fall sein wird, werden wir alle, die wir die Verantwortung tragen, dessen eingedenk sein, daß wir Die­ner sind jener geistigen Kräfte. Dann wird die Zeit anbrechen, wo auch wieder der Aufstieg beginnen wird aus der tiefen seelischen und körperlichen Not unseres armen Vaterlandes, und wir dürfen hoffen, daß dann die Menschen zahlreicher werden, welche unser Volk wieder hinaufführen können auf die Höhen und darüber hinaus, auf denen gestanden haben unsere Geisteshelden, ein Goethe und ein Schiller und so weiter.
Und indem ich nochmals meinen Wunsch für ein glückliches Gedei­hen unseres Unternehmens zum Ausdruck bringe, will ich geloben im Namen unserer Waldorfleute, im Namen unserer Schule, im Namen unserer Kinder, daß diese Schule eine Pflanzstätte werden soll, eine Quelle für alles Gute, für alles Schöne und für alles Wahre.

dat hier weer de geest mag heersen die een Goethe, een Schiller, een Herder en hoe ze allemaal verder mogen heten, die die grote helden van de geest uit vervlogen tijden ons hebben gebracht, opdat deze geest door de school van de toekomst ook weer zijn plaats zal krijgen in het Duitse vaderland. Wanneer dat dan het geval zal zijn, zullen we allen die de verantwoording dragen, eraan denken dat wij dienaren zijn van die geestelijke krachten. Dan zal de tijd aanbreken waarin ook de vooruitgang weer kan beginnen vanuit de diepe ellende en materiële nood van ons arme vaderland en we mogen hopen dat het aantal mensen dan groeit om ons volk weer groot te maken en meer nog, waar onze geesteshelden hebben gestaan, een Goethe, een Schiller enz. En als ik nogmaals mijn wens voor een gelukkige groei van ons werk tot uitdrukking breng, wil ik beloven uit naam van onze vrijeschoolmensen, uit naam van onze school, uit naam van onze kinderen, dat deze school een groeibodem zal worden, een bron voor alles wat goed, mooi en waar is.

[GA 298] Inleidende woorden Emil Molt
Niet vertaald
.

Medewerkers van de Waldorf-Astoriafabriek. Vooraan, met hoed in de hand, 3e van l. Emil Molt. 

De 1e vrijeschool in Stuttgart, 1930
.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen
.

*artikel geplaatst op 7 september 2019

.

1992-1875

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (22)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Patricia Wessels in Weleda Puur Kind, herfst 2004, nr.14
.

Voor een baby heeft veiligheid de geur van mama, die hem koestert, voedt, troost en sust. Maar ook het vertrouwen dat je als ouder hebt in jezelf, in je kind en in de goede afloop van de dingen, zorgt voor een gevoel van veiligheid. Pas als die basis goed is, kan de fysieke afstand tussen kind en ouder geleidelijk groter worden, zonder dat het kind onzeker wordt. Elke nieuwe stap in het loslaten kan spannend zijn voor kind en ouder. De eerste logeerpartij, kan zo’n mijlpaal zijn. Juist bij het inslapen, zijn kinderen vaak gehecht aan hun eigen ‘ritueel’: de vertrouwde stem van mama die een liedje zingt, haar manier van strelen bij het ‘welterusten-kusje’ en de juiste laatste woorden. Want om je aan de slaap te kunnen overgeven, moet je je veilig voelen. Het is heel wat als je ’s avonds voor het eerst moet inslapen in een ander huis, met onbekende geluiden in het donker en zonder papa of mama in de buurt. Leuk, omdat je al zo groot bent, en eng, omdat je nog maar klein bent.

Doordat veel ouders beiden werken, zie je steeds vaker dat grootouders inspringen en bijvoorbeeld op een vaste dag in de week de verzorging van de kleinkinderen op zich nemen. Zo kan er een intensieve band met de grootouders ontstaan. Ook het huis van oma kan, net als de eigen omgeving, een vertrouwde plek worden. Veel kinderen zullen er genoegen aan beleven eerst een rondje door oma’s huis te maken voor ze gaan spelen Elke vertrouwde kamer wordt dan weer betreden en alles wat er leuk of mooi is opnieuw bekeken, aangeraakt en eigen gemaakt.

Is er iemand thuis?

van Ron Claris, is een prachtig prentenboek over een meisje dat duidelijk kind aan huis is bij haar grootouders. Om de bladzijde is er een halve pagina waarop een deur is getekend.
Samen met het meisje open je de deuren en zie je steeds een ander stuk van de boerderij. Aan de tekeningen valt ontzettend veel te beleven; overal zijn dieren en insecten verstopt. Het is een boerderij waar geleefd wordt, maar je voelt ook de zorg en aandacht die de grootouders voor alles hebben. Een boek waarin je ‘thuis’ kunt komen, of je nu een jaar bent of volwassen.

Ron Maris

Is er iemand thuis?

Vanaf 1 jaar

Boek

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1991-1874

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 5 (5-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 82 – 87  vert. 82 -86

In deze 5e voordracht gaat Steiner via een concreet voorbeeld van zenuw- en bloedactiviteit in het oog, [5-1-1] (nog niet oproepbaar) over naar de basiskrachten van de ziel: de sympathie en antipathie.
Die stelde hij in de 2e voordracht al aan de orde: zie [2-3-1] blz. 35-38;  [2-3-2] blz. 35-38; [2-4] blz. 34-36]  en [2-4-1] blz. 40-44.

In [2-3-1] staat op blz. 35 een schema:

Op blz. 84 staat een soortgelijk schema:

Met deze tekst

Blz. 84     vert. 83

Nun steht zwischen Erkennen, Denken und Wollen mitten drinnen die menschliche Gefühlstätigkeit. Wenn Sie sich das vorstellen, was ich jetzt als Wollen und Denken entwickelt habe, so können Sie sich sagen: Von einer gewissen mittleren Grenze strömt auf der einen Seite alles das aus, was Sympathie ist: Wollen; auf der anderen Seite strömt aus alles, was Antipathie ist: Denken. Aber die Sympathie des Wollens wirkt auch zurück in das Denken hinein, und die Antipathie des Denkens wirkt auch in das Wollen hinein. Und so wird der Mensch ein Ganzes, indem das, was sich auf der einen Seite hauptsächlich entwickelt, auch in die andere Seite hineinwirkt. Zwischen- drinnen nun, zwischen Denken und Wollen, liegt das Fühlen, so daß das Fühlen nach der einen Richtung hin verwandt ist mit dem Denken, nach der anderen Richtung hin mit dem Wollen. Wie Sie schon in der ganzen menschlichen Seele nicht streng auseinanderhalten können erkennende oder denkerische Tätigkeit und Willenstätigkeit, so können Sie noch weniger auseinanderhalten im Fühlen das denkerische Element von dem Willenselement. Im Fühlen fließen ganz stark ineinander Willenselemente und Denkelemente.

Nu bevindt zich in het midden tussen kennen, denken en willen de menselijke activiteit van het voelen. Wanneer u de voorstelling die ik heb ontwikkeld van denken en willen voor ogen heeft, dan kunt u zeggen: vanuit een zekere grens in het midden stroomt naar de ene kant alles wat sympathie is: willen; en stroomt naar de andere kant alles wat antipathie is: denken. Maar de sympathie van het willen werkt ook terug op het denken en de antipathie van het denken werkt ook door tot in het willen. En de mens wordt een geheel doordat wat zich aan een kant in hoofdzaak ontwikkelt ook op de andere kant inwerkt. Daartussen — tussen denken en willen — ligt het voelen, zodat het voelen enerzijds met het denken verwant is en anderzijds met het willen. Kunt u in de gehele ziel van de mens de activiteiten van kennen of denken en willen al niet streng van elkaar scheiden, nog minder kunt u in het voelen het denkelement onderscheiden van het wilselement. In het voelen vloeien wilselementen en denkelementen heel sterk in elkaar over.

GA 293/84
Vertaling/83

In ander verband, wanneer Steiner de zielskwaliteiten denken, voelen en willen bespreekt vanuit een geestelijk aspect, verbindt hij aan het denken ‘wakkerheid’, aan het willen ‘dromen’ en aan het gevoelsleven ‘slapen’. 

In de slaap blijven bepaalde gevoelens onder de drempel van het bewustzijn. Maar ook overdag ‘slapen’ we in ons gevoel voor bepaalde gevoelens in ons, zowel voor de antipathieke, als voor de sympathieke.

Wanneer we denken, ons iets voorstellen, iets leren, kunnen we dat alleen met de reflecterende kracht van de antipathie. Dat gaat gewoon zo – is in zekere zin een objectief gegeven.

Opnieuw benadrukt Steiner het bijzondere karakter van het kenvermogen. 

Blz. 79/80    vert. 78/79

Wir haben schon darauf hingewiesen, aber wir müssen uns voll bewußt werden, was in diesem ganzen Komplex von menschlicher Tätigkeit, der nach der Erkenntnis-, der Vorstellungsseite hinneigt, alles liegt. Wir haben schon gesagt Im Erkennen, im Vorstellen lebt eigentlich Antipathie. So sonderbar es ist, alles, was nach dem Vorstellen hinneigt, ist durchdrungen von Antipathie.

Maar nu moeten we ook het bijzondere karakter van het kenvermogen leren kennen. We hebben daar al op gewezen — maar het moet ons heel duidelijk worden waar dit hele complex van menselijke activiteit — gericht op het kennen, op de voorstelling – uit bestaat. We hebben al gezegd dat in het kennen, in het voorstellen eigenlijk antipathie leeft. Hoe vreemd dat ook klinkt: alles wat in de richting van het voorstellen gaat, is doordrenkt met antipathie.
GA 293/79
Vertaling/78

(Een andere vertaling heeft ‘doordrongen’, iets minder sterk dan ‘doordrenkt’)

Er wordt dan van deze antipathie gezegd: die dringt in het gewone leven niet tot het bewustzijn door:

Blz. 81    vert. 80

Der Mensch hat in Wirklichkeit mehr Antipathie zu der Umwelt als das Tier, aber sie kommt im gewöhnlichen Leben nicht zum Bewußtsein. Sie kommt nur zum Bewußtsein, wenn sich das Anschauen der Umwelt steigert bis zu dem Eindruck, auf den wir mit dem Ekel reagieren. Das ist nur ein gesteigerter Eindruck alles sinnlichen Wahrnehmens: Sie reagieren mit dem Ekel auf den äußeren Eindruck. Wenn Sie an einen Ort gehen, der übel riecht, und Sie empfinden in der Sphäre dieses Übelriechens Ekel, so ist dieses Ekelempfinden nichts anderes als eine Steigerung desjenigen, was bei jeder Sinnestätigkeit stattfindet, nur bleibt die Begleitung der Empfindung durch den Ekel in der gewöhnlichen Sinnesempfindung unter der Bewußtseinsschwelle liegend.

De mens heeft in werkelijkheid meer antipathie ten opzichte van de omgeving dan het dier, maar die dringt in het gewone leven niet tot het bewustzijn door. Die wordt ons alleen bewust wanneer we van iets uit de wereld om ons heen een zo sterke indruk hebben dat we met afschuw reageren. In feite is dat een intensivering van wat er plaatsvindt bij iedere zintuiglijke waarneming: op een indruk van buitenaf reageert u met afkeer. Wanneer u op een plek komt waar het stinkt en u heeft een gevoel van afschuw bij die stank, dan is dat in feite niets anders dan een intensivering van wat er gebeurt bij iedere zintuiglijke activiteit – alleen overschrijdt bij een gewone zintuiglijke gewaarwording de gewaarwording van afschuw niet de drempel van het bewustzijn.

(Dat Steiner hier een vergelijking maakt met de dieren, laat ik even buiten beschouwing). 
Het gaat erom dat er antipathie in ons werkzaam is, maar dat deze ‘gewoonlijk’ onder de drempel van het bewustzijn blijft, m.a.w. we merken deze niet op. Maar wanneer we als ziel reageren op de buitenwereld: – een van de karakteristieke omschrijvingen voor de ziel is, dat het ons vermogen is, om de buitenwereld tot binnenwereld te maken -, en als we dan heftig reageren, zit in dat heftige een groter bewustzijn voor wat we ervaren. Plotseling voelen we ons bv. boos, driftig, geraakt, in Steiners voorbeeld – hij houdt zich hier tamelijk strak aan ‘via de zintuigen’ – wanneer we iets ruiken dat stinkt, neemt de antipathie zodanig toe, dat we deze nu ervaren.

Het is interessant om bij jezelf na te gaan, wat je ervaart, hoe je óf meteen reageert, óf soms ook later, wanneer bv. een opmerking van iemand ‘echt tot je doorgedrongen is’.
In ‘dat meteen reageren’ zit de andere kant van de ziel: het vermogen om de binnenwereld tot buitenwereld te maken’. 

We laten dan niet over ons lopen, want ‘ik ben er ook nog!’ En hier kunnen we ervaren dat in die sfeer van verhoogde antipathie, ‘ik ben er ook nog’ ons individu meer van zich laat zien en horen.

In een bepaalde vorm van afzondering – door de sterkere antipathiekracht – staan we meer tegenover de wereld dan dat we erin opgaan, mee samenvallen.

De bekende koppigheidsfase van het jonge kind is in dit kader te beschouwen als een sterker tegenover de wereld staan als individu.
Van nature brengt de groei van het kind als ‘Ik’ met zich mee dat het in een ‘nee-fase’ komt, wel móet komen. Tot nog toe was het a.h.w. één met zijn omgeving, nu echter wordt die omgeving beleefd als iets wat anders is dan wat het kind zelf is. De eerste mogelijkheid om dit tot uitdrukking te brengen is, niet meer één te zijn, m.a.w. de wereld (jij!) daar, ik hier. En wat die wereld doet om de eenheid in stand te houden, wordt afgewezen. ‘Nee!’
Het is vooralsnog de enige mogelijkheid om je te laten zien als individu. Het kind wil niet geholpen worden, zoals ‘gisteren’, vandaag is het ‘Ikke zelf doen’. 
En als vader of moeder naar links gaat, gaat het kind naar rechts! Op het ‘kom hier!’ volgt meestal juist een nog meer en verder weglopen.
Vaak zie je wanneer je naar zo’n tafereel kijkt, wanhopige ouders. Maar die wanhoop kan ook een feestgevoel in je teweegbrengen: hier vertoont het kind dat het bij het mensenrijk hoort: ‘nee-zeggen, is alleen voorbehouden aan Ik-zeggers.

Wenn wir Menschen aber nicht mehr Antipathie hätten zu unserer Umgebung als das Tier, so würden wir uns nicht so stark absondern von unserer Umgebung, als wir uns tatsächlich absondern.

Wanneer wij mensen niet méér antipathie zouden hebben ten opzichte van onze omgeving dan dieren, dan zouden we niet zo sterk van onze omgeving afgezonderd zijn als nu het geval is.

Weil der Mensch viel mehr Antipathie hat gegen die Umgebung, deshalb ist er eine Persönlichkeit. Der Umstand, daß wir uns durch unsere unter der Schwelle des Bewußtseins liegende Antipathie absondern können von der Umgebung, diese Tatsache bewirkt unser gesondertes Persönlichkeitsbewußtsein.
Damit aber haben wir auf etwas hingewiesen, was zur ganzen Auffassung des Menschen ein sehr Wesentliches beiträgt. 

Doordat de mens veel meer antipathie ten opzichte van de omgeving koestert, is hij een individu. De omstandigheid dat we ons door onze — onderbewuste — antipathie kunnen afzonderen van de omgeving, brengt ons individuele bewustzijn als persoon tot stand.

Zoals hierboven bleek: in ‘gewone’ omstandigheden worden we ons onze antipathie niet bewust. 
Naar iets kijken, is in Steiners voorbeeld, zo’n gewone activiteit. We kijken echter wel om iets te zien, om daardoor iets te weten te komen, bv. Het kijken is daardoor nu een soort ‘kennisgebeurtenis’: onderbewust gebruiken we de antipathiekracht. Fysiek gebruiken we de zenuwen. Maar tot bewustzijn daarvan komt het evenmin. En dat komt, volgens Steiner, omdat er in ons oog niet alleen zenuwactiviteit is, maar ook bloedsactiviteit, want bij het kijken is ook de wil ingeschakeld. Ook daarvan ontstaat geen bewustzijn.

Blz. 79 vert. 78:

Betrachten Sie zum Beispiel das menschliche Auge. In das Auge hinein, wenn wir es in seiner Ganzheit betrachten, setzen sich fort die Nerven; aber es setzen sich in das Auge auch die Blutbahnen fort. Dadurch, daß sich die Nerven in das menschliche Auge hinein fortsetzen, strömt die Gedanken-, die Erkenntnistätigkeit ins Auge ein; dadurch, daß sich die Blutbahnen ins Auge fort- setzen, strömt die Willensbetätigung in das Auge ein. So ist bis in die Peripherie der Sinnesbetätigungen auch im Leibe Willensgemäßes und Vorstellungs- oder Erkenntnisgemäßes miteinander verbunden.

Beschouwt u bijvoorbeeld het menselijk oog. Tot in het oog – als geheel beschouwd – dringen de zenuwen door; maar ook de bloedbanen dringen daarin door. Doordat de zenuwen tot in het oog doorlopen dringt de activiteit van het denken, van het kennen, door tot in het oog; doordat de bloedbanen tot in het oog doorlopen, dringt de wilsactiviteit door tot in het oog. Zo zijn ook in het lichaam de twee aspecten, willen enerzijds en zich voorstellen of kennen anderzijds, met elkaar verbonden – tot in de periferie van de zintuiglijke activiteiten.

Blz. 80  vert. 79

Sie werden sich sagen: Ja, wenn ich etwas anschaue, so übe ich in diesem Anschauen doch nicht Antipathie aus! – Doch, Sie üben sie aus! Sie üben Antipathie aus, indem Sie einen Gegenstand ansehen. Würde in Ihrem Auge nur Nerventätigkeit sein, so würde Ihnen jeder Gegenstand, den Sie mit Ihren Augen ansehen, zum Ekel sein, er wäre Ihnen antipathisch. Nur dadurch, daß sich in die Augentätigkeit hinein auch die Willenstätigkeit ergießt, die in Sympathie besteht, dadurch daß sich leiblich in Ihr Auge hineinerstreckt das Blutmäßige, nur dadurch wird für Ihr Bewußtsein die Empfindung der Antipathie im sinnlichen Anschauen ausgelöscht, und es wird durch einen Ausgleich zwischen Sympathie und Antipathie der objektive, gleichgültige Akt des Sehens hervorgerufen. Er wird da hervorgerufen, indem Sympathie und Antipathie sich ins Gleichgewicht stellen und uns dieses Ineinanderspielen von Sympathie und Antipathie gar nicht bewußt wird.

U zult zeggen: ach kom, wanneer ik iets bekijk dan is dat kijken toch geen uiting van antipathie! – Jawel, dat is het wel! U spreidt antipathie ten toon, wanneer u naar iets kijkt. Zouden in uw oog alleen zenuwen werken, dan zou ieder ding dat u ziet u afschuw inboezemen, u antipathiek zijn. Maar enkel doordat ook de wil in het kijken doorwerkt – als sympathie – doordat namelijk het bloed ook in uw ogen doordringt, enkel daardoor dringt de gewaarwording van antipathie die optreedt bij zintuiglijke waarnemingen niet tot uw bewustzijn door en komt door een evenwicht van sympathie en antipathie het objectieve, neutrale zien tot stand. Het zien komt tot stand doordat sympathie en antipathie met elkaar in evenwicht komen en wij ons de wisselwerking tussen beide volstrekt niet bewust zijn.

Even later vat hij samen:

Blz. 80  vert. 79

Es rührt eben auch in der Sinnestätigkeit das Antipathische her von dem eigentlichen Erkenntnisteil, von dem Vorstellungsteil, dem Nerventeil, und das Sympathische rührt her von dem eigentlichen Willensteil, von dem Blutteil.

Want ook in de zintuigactiviteit komt de antipathie voort uit het eigenlijke kenvermogen, het voorstellingsvermogen, de zenuwen. De sympathie komt voort uit het eigenlijke wilsvermogen, het bloed.

En even later nog eens:

Blz. 81   vert. 80

Wir haben gesehen, wie in der Erkenntnis- oder Vorstellungstätigkeit zusammenfließen: Denken – Nerventätigkeit, leiblich ausgedrückt und Wollen – Bluttätigkeit, leiblich ausgedrückt.

We hebben gezien hoe in ons ken- of voorstellingsvermogen het denken – lichamelijk: de activiteit van de zenuwen – en het willen – lichamelijk: de activiteit van het bloed – samenvloeien.

Wat hierboven voor de kenniskant werd opgemerkt, geldt ook voor de wil, dus wanneer we iets ‘gewoon’ doen. We doen het, we handelen en daarmee is ‘per definitie’ iets van sympathie aanwezig. Zelfs wanneer we het met ‘tegen!-zin‘ doen: we doen het. 

Blz. 81/82  vert. 80/81

Wir haben gesehen, wie in der Erkenntnis- oder Vorstellungstätigkeit zusammenfließen: Denken – Nerventätigkeit, leiblich ausgedrückt und Wollen – Bluttätigkeit, leiblich ausgedrückt.
So aber fließen auch zusammen in der Willensbetätigung vorstellende und eigentliche Willenstätigkeit. Wir entwickeln immer, wenn wir irgend etwas wollen, Sympathie mit dem Gewollten. Aber es würde immer ein ganz instinktives Wollen bleiben, wenn wir uns nicht auch durch eine in die Sympathie des Wollens hineingeschickte Antipathie absondern könnten als Persönlichkeit von der Tat, von dem Gewollten. Nur überwiegt jetzt eben durchaus die Sympathie zu dem Gewollten, und es wird nur ein Ausgleich mit dieser Sympathie dadurch geschaffen, daß wir auch die Antipathie hineinschicken. Dadurch bleibt aber die Sympathie als solche unter der Schwelle des Bewußtseins liegend, es dringt nur etwas von dieser Sympathie ein in das Gewollte. 

Maar zo vloeien ook in de activiteit van de wil een kennende en een eigenlijke wilsactiviteit samen. Altijd wanneer we iets willen, ontwikkelen we sympathie voor het gewilde. Maar het zou altijd een geheel instinctief willen blijven, wanneer we ons niet ook – door middel van antipathiekrachten die in de sympathie van het willen doordringen – als individu los zouden kunnen zien van de daad, van het gewilde. Maar de sympathie tot het gewilde heeft in zo’n geval duidelijk de overhand en wordt slechts getemperd doordat we ook antipathie erin brengen. Daardoor blijft de sympathie als zodanig onder de drempel van het bewustzijn; er dringt maar een klein beetje van deze sympathie door in het gewilde.

En zoals het aan de antipathiekant wél tot een bewustzijn van deze kracht kan komen doordat iets uit de buitenwereld op ons een zodanige indruk maakt, dat we erop reageren met veel meer antipathie dan ‘gewoon’, waarbij het gevolg o.a.  afkeer en/of woede kunnen zijn, een bepaalde drift, zo kan aan de andere kant de sympathiekracht toenemen waarbij we die ervaren als o.a. enthousiasme, een geest-drift voor iets wat ons vanuit de wereld tegemoet komt. 

In den ja nicht sehr zahlreichen Handlungen, die wir nicht bloß aus Vernunft vollbringen, sondern die wir in wirklicher Begeisterung, in Hingabe, in Liebe ausführen, da überwiegt die Sympathie so stark im Wollen, daß sie auch hinaufdringt über die Schwelle unseres Bewußtseins und unser Wollen selber uns durchtränkt erscheint von Sympathie, während es uns sonst als ein objektives verbindet mit der Umwelt, sich uns so offenbart. 

In de toch niet zeer talrijke handelingen die we niet slechts uit rationele overwegingen verrichten, maar in werkelijke geestdrift, in overgave, in liefde – daarin heeft de sympathie zo sterk de overhand dat ze ook tot ons bewustzijn doordringt en ons willen zelf doordrenkt blijkt te zijn van sympathie. In de andere gevallen openbaart de wil zich als iets objectiefs dat ons met de wereld om ons heen verbindt.

En weer samenvattend:

Geradeso wie uns nur ausnahmsweise, nicht immer, unsere Antipathie mit der Umwelt ins Bewußtsein kommen darf im Erkennen, so darf uns unsere immer vorhandene Sympathie mit der Umwelt nur in Ausnahmefällen, in Fällen der Begeisterung, der hingebenden Liebe, zum Bewußtsein kommen.

Net zoals onze antipathie ten opzichte van de buitenwereld bij het kennen slechts bij uitzondering en niet voortdurend tot bewustzijn mag komen, zo mag onze steeds aanwezige sympathie voor de buitenwereld ook slechts bij uitzondering tot bewustzijn komen, namelijk wanneer er sprake is van geestdrift, van toegewijde liefde. 

En dan kan duidelijk zijn dat:

Blz. 83  vert. 82

Das alles soll uns lehren, in wie hohem Grade Wollen nicht nur Wollen in der praktischen Betätigung des Menschen ist, sondern inwiefern Wollen durchaus auch von Vorstellen, von erkennender Tätigkeit durchdrungen ist.

Dit alles dient ons te leren dat willen in hoge mate niet alleen willen is in het praktische doen van de mens, maar dat willen ook verweven is met voorstelling, met kenactiviteit.
GA 293/79-83
Vertaling/79

Bij ‘dit alles” hoort nog meer, en omdat het zo belangrijk is, laat ik het hier achterwege en zal het onderwerp zijn van een volgende beschouwing: (nog niet oproepbaar) de sympathie bij de dieren, in samenhang met het instinctieve, de moraliteit, het sociaal kunnen zijn.

Dan doet Steiner weer een uitnodiging tot zelfwaarneming.
Hij brengt a.h.w. anti- en sympathie even terug tot ‘gevoel’ en zegt dan:

Blz. 84   vert. 83

Auch hier können Sie wieder durch die bloße selbstbeobachtung, wenn Sie diese auch nur oberflächlich ausüben, sich von der Richtigkeit des eben Gesagten überzeugen. Schon was ich bis jetzt gesagt habe, führt Sie auf die Anschauung von dieser Richtigkeit, denn ich sagte Ihnen: Das Wollen, das im gewöhnlichen Leben objektiv verläuft, steigert sich bis zur Tätigkeit aus Enthusiasmus, aus Liebe heraus. Da sehen Sie ganz deutlich ein sonst von der Notwendigkeit des äußeren Lebens hervorgebrachtes Wollen durchströmt vom Fühlen. Wenn Sie etwas Enthusiastisches oder Liebevolles tun, so tun Sie das, was aus dem Willen fließt, indem Sie es durchdrungen sein lassen von einem subjektiven Gefühl. 

Ook hier kunt u zich overtuigen van de juistheid van deze opmerking wanneer u — eventueel slechts oppervlakkig — zichzelf observeert. Wat ik tot nu toe heb gezegd, brengt u al op het goede spoor. Ik zei immers dat het willen, dat in het gewone leven objectief werkt, zich kan intensiveren tot een daad uit enthousiasme of liefde. Daarin ziet u heel duidelijk hoe het voelen doorwerkt in de wil, die anders altijd tot stand komt door noodzakelijkheden van buitenaf. Wanneer u iets enthousiast of liefdevol doet, dan doordringt u iets wat uit de wil voortvloeit met een subjectief gevoel. 

Aber auch bei der Sinnestätigkeit können Sie sehen, wenn Sie genauer zusehen – eben durch die Goethesche Farbenlehre -, wie sich in die Sinnestätigkeit hineinmischt das Fühlen. Und wenn sich die Sinnestätigkeit bis zum Ekel steigert oder auf der anderen Seite bis zum Einsaugen des angenehmen Blumenduftes, so haben Sie auch dabei die Gefühlstätigkeit in die Sinnestätigkeit ohne weiteres über- fließend.
Aber auch in die Denktätigkeit fließt die Gefühlstätigkeit hinein.

Maar wanneer u — met behulp van de kleurenleer van Goethe — beter waarneemt, dan kunt u ook bij zintuiglijke activiteiten zien hoe het voelen zich daarin mengt. En wanneer de zintuiglijke waarneming zo sterk is, dat er afschuw optreedt – of het tegenovergestelde bij het opsnuiven van de aangename geur van een bloem — dan vloeit er zonder meer gevoel in de zintuiglijke waarnemingsactiviteit. Maar het voelen stroomt ook door in het denken.
GA 293/84
Vertaling/83

Blz. 79  vert.  78

Das ist für alle Sinne so, ist aber auch für alle Bewegungsglieder, die dem Wollen dienen, eben so: in unser Wollen, in unsere Bewegungen geht durch die Nervenbahnen das Erkenntnisgemäße und durch die Blutbahnen das Willensgemäße.

Dat geldt voor alle zintuigen, maar ook voor alle bewegende ledematen die het willen dienen. Het voorstellingsaspect dringt via de zenuwbanen door tot in ons willen, onze bewegingen. Het wilsmatige dringt via de bloedbanen in ons willen, onze bewegingen door.

In zekere zin volgt op blz. 86  vert. 85 een afsluiting met nogmaals een samenvatting:

Indem sie so das gefühlsmäßige Element nach der einen Seite verfolgen in dem Erkennenden, in dem Vorstellenden, und auf der anderen Seite in dem Willensgemäßen, werden Sie sich sagen: Das Gefühl steht als die mittlere Seelenbetätigung zwischen Erkennen und Wollen drinnen und strahlt seine Wesenheit nach den beiden Richtungen aus. – Gefühl ist sowohl noch nicht ganz gewordene Erkenntnis, wie noch nicht ganz gewordener Wille, zurückgehaltene Erkenntnis und zurück gehaltener Wille. Daher auch ist das Fühlen zusammengesetzt aus Sympathie und Antipathie, die sich nur verstecken, wie Sie gesehen haben, sowohl im Erkennen wie im Wollen. Beide, Sympathie und Antipathie, sind im Erkennen und Wollen vorhanden, indem leiblich Nerventätigkeit und Bluttätigkeit zusammenwirken, aber sie verstecken sich. Im Fühlen werden sie offenbar.

Wanneer u het gevoelsmatige element zo naar twee kanten volgt: naar het kennen, het voorstellen enerzijds en het wilsmatige anderzijds, dan kunt u zeggen dat het gevoel als zielenactiviteit midden tussen kennen en willen in staat en zijn wezen naar beide zijden laat doorstralen. – Gevoel is zowel nog niet geheel uitgekristalliseerde kennis als nog niet geheel gevormde wil: teruggehouden kennis en teruggehouden wil. Daarom bestaat het voelen ook uit sympathie en antipathie, die — zoals u gezien hebt — verborgen zijn in zowel kennen als willen. Sympathie en antipathie zijn beide in denken en willen aanwezig, doordat -lichamelijk – zenuwen en bloed samenwerken, maar ze zijn daar verborgen. In het voelen openbaren ze zich.
GA 293/86
Vertaling/85

Het gevoel als teruggehouden kennis en wil, kwam in de 4e voordracht ook al de orde: zie [4-1]

Steiner noemt in deze voordracht nog een aantal zintuigen: m.n. het gehoor. In de 8e voordracht komen alle zintuigen aan bod.

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 5: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1990-1873

.

.

.

**

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-8)

.
N00r Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2004 nr. 14
.

Een ondernemende dreumes hoort geen ‘nee’

Zeg me wat het is, leer me hoe het klinkt, voelt en ruikt, toon me waar het voor dient en hoe jij wilt dat ik er mee omga – dat is kort samengevat de levenshouding van een kind van één jaar. Noor Prent, consultatiebureauarts, merkt dat ouders niet altijd goed raad weten met de ontdekkingsdrang van hun eenjarige.

Jonas van twaalf maanden speelt een ‘geef-en-neem’ spelletje met blokjes met me. Ondertussen vraag ik zijn vader of hij denkt dat Jonas al begrijpt wat hij tegen hem zegt. ‘Oh ja, hij weet het donders goed als ik “nee, dat mag niet” zeg als hij naar de tv kruipt. Dan kijkt hij om naar mij, schudt zijn koppie en gaat toch weer met zijn handje naar de knoppen. Ik moet hem dan wel een tik op zijn vingers geven.’

Dit soort verhalen hoor ik vaak over kinderen van die leeftijd. Als je kind eraan toe is op eigen beentjes de wereld te gaan ontdekken, zijn er een paar dingen om in het oog te houden.

Gebaren nabootsen

Een kind wordt geboren met een positieve wilskracht de wereld te ontdekken. Zodra hij kan kruipen of lopen, weerhoudt niets hem ervan op onderzoek uit te gaan. Als hij zijn motorische ontwikkeling op eigen kracht (dus zonder loopstoeltjes en andere stimulansen van buitenaf) heeft kunnen maken, zal hij niet snel dingen ondernemen die hij niet aan kan of die gevaarlijk voor hem zijn. Toch zal hij jouw beschermende gebaar nog nodig hebben. Eigenlijk vraagt hij je om hem bij de hand te pakken en de wereld te laten zien. Dat geeft zekerheid en richting aan zijn leerproces. Samen met jou ontdekt hij hoe je de hond van de buren, de eendjes in het park of de bloemen in de tuin van oma moet benaderen. De gebaren die jij daarbij maakt, zal hij feilloos nabootsen. Omdat een gebaar meer is dan een beweging van een hoofd of een hand, maar ook gevoelens uitdrukt, zal hij met het nadoen van je gebaren innerlijk ook je gevoelens en intenties nabootsen. Bloemen die jij met zorg in een vaas hebt gezet, zal je dreumes er niet zo snel ruw uit rukken. Al kunnen ze wel zo onweerstaanbaar voor hem zijn dat hij ze wil aanraken, ombuigen of fijnknijpen. Probeer dan niet om hem bij de bloemen vandaan te houden, maar loop met hem mee en bewaak het ontdekken. Meestal zal het niet al te moeilijk zijn om zijn aandacht daarna naar iets ander te leiden.
Bij heel spannende nieuwe ontdekkingen moet je zo’n begeleidend proces soms eindeloos herhalen voordat je kind weet wat de bedoeling is. Je hebt in deze fase een berg geduld nodig. Soms kan hij te veel vragen van je verdraagzaamheid en dan rest je niets anders dan steviger optreden. Even op de gang, met het risico van een huilbui, is dan een optie. Maar laat je eigen emoties zo min mogelijk oplopen. Realiseer je dat je kind alleen maar deed wat zijn temperament hem ingaf. Alleen met jouw hulp kan hij dat temperament leren hanteren.

Driftbuien

In de omgang met ondernemende krabbelaars hoor je de woorden ‘nee’ en ‘niet’ veelvuldig. Maar het onderbewustzijn van een éénjarig kind kent eigenlijk geen nee of welke andere ontkenning dan ook. Als je ‘niet aankomen’ zegt, hoort hij vooral: ‘aankomen’ en doet dat dan ook. Door jouw reactie begrijpt hij of dat de bedoeling was of niet. Laat hem vooral zien wat hij allemaal mag. Bijvoorbeeld dat er boeken zijn die in de kast willen blijven staan, maar dat er ook een plank is met boeken die wel door hem willen worden gepakt. Ga zo zijn steeds groeiende leefomgeving met hem langs, geef de dingen hun naam, vertel waar ze voor zijn, orden ze en geef ze de betekenis die ze voor jou en je partner hebben. Dat geeft je kind het vertrouwen dat zijn wereld in elkaar zit zoals hij hoort te zitten.

Negatieve gevoelens

Als een kind te vaak een tik op zijn vingers krijgt of nee hoort, kan dat leiden tot een stuwing in zijn energie en driftbui of agressieve uitbarstingen in gang zetten. Meestal kennen ouders hun kind goed genoeg om te weten wanneer er een driftbui op komst is. Maak daar gebruik van. Als je uit ervaring weet dat je peuter een driftbui krijgt zodra je hem verbiedt aarde uit de planten te gooien, buig dan zijn intenties in een vroeg stadium af. Roep hem of ga naar hem toe zodra hij richting planten loopt, leidt zijn aandacht af en buig zijn onderzoeksdrang ongemerkt om naar iets anders.

Dat vereist de nodige wakkerheid en creativiteit en het zal alleen maar goed lukken als je er al je aandacht in stopt en zelf ook echt in je afleidingsmanoeuvre gelooft. Door jezelf daarin te oefenen, zul je innerlijk krachtiger tegenover je kind komen staan. Je hebt dan een waardevol opvoedingsinstrument ontwikkeld, want door afleiding voelt je kind zich niet afgewezen maar juist gesteund in zijn drang om de dingen om hem heen te (be)grijpen.

In de eerste jaren van zijn leven kent je kind eigenlijk nog geen
antipathiegevoelens. Als hij iets doet wat niet mag, doet hij dat niet omdat hij jou dwars wil zitten. Hij gaat ervan uit dat de wereld goed is, dat de mensen goed zijn. Met ruim twee begint hij wel min of meer je grenzen op te zoeken. Hij komt in de peuterpuberteit en gaat krachtig en bewust nee zeggen. Vanaf dat moment zal hij moeten leren omgaan met negatieve gevoelens.
.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda herfst 2000 nr. 6
(met toestemming van de auteur)
.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1989-1872

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/6)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er worden allerlei bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewerl ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool Amsterdam, okt.1975
.

vrijheid

In onze schoolbeweging kom je nogal eens het woordje “vrij” tegen; vrije school, vrije opvoedkunst, vrije pedagogische academie, vrije hogeschool enz.
Wat wordt met dat begrip “vrij” nu eigenlijk bedoeld? Ouders vragen hier vaak naar.

Om wat voor soort vrijheid gaat het hier nu eigenlijk?

Het woord ‘vrij’ klinkt ons over het algemeen sympathiek in de oren, het wekt op, houdt een belofte in – de mogelijkheid tot veelvoudige keuze. De kinderen juichen als zij vrij krijgen, ook al vinden ze het helemaal niet naar op school. Maar ook wij, volwassenen, zijn – zij het ook beheerster – blij met vrijheid. Het verlangen naar vrijheid zit ons merkbaar in het bloed.

Toch is het bezit van vrijheid helemaal niet zo vanzelfsprekend, In vele gevallen wordt deze ontkend, geloochend, betwist of ontnomen. Dit kan op allerlei gronden gebeuren.

Misschien is het daarom wel interessant dit veelomvattende en veel omstreden ideaal eens van verschillende kanten te bekijken. Uit die overweging hebben wij het voor dit schooljaar als thema voor het Maandbericht gekozen, wel wetende dat het geen eenvoudig thema is – er zijn dikke en moeilijke boeken over volgeschreven! Maar mogelijk kunnen we – en dat kan dan niet anders dan aforistisch zijn, voor wie er meer van wil weten is er de desbetreffende literatuur- wat bijeen brengen waardoor we iets meer zicht krijgen op onze vrijheidsdrang -en op de waarde daarvan.

In het septembernummer [niet op deze blog] hebben we dit thema al aangelopen vanuit de Nederlandse volksaard en vanuit het beeld van de verloren gegane fysieke bewegingsvrijheid; door de steeds toenemende inperking van onze ruimtelijke vrijheid. Die echter samengaat met een tegenovergestelde tendens – de ontwikkeling en groei van een innerlijk beleefde vrijheid, , .

filosofische uitgangspunten

Er was een tijd dat de filosofie als wetenschap hoog aangeschreven stond. Zij doortrok als het ware alle andere wetenschappen. In onze tijd is aan de filosofie weliswaar nog een plaats ingeruimd op de universiteiten, maar waarschijnlijk is het de kleinst bezette faculteit – het studeren van filosofie wordt bijna als een hobby beschouwd.

Interesseert ons in het algemeen de filosofie als wetenschap niet meer – zij beheerst ons wel. Zonder het zich altijd bewust te zijn, leven velen van ons onder de invloed van een bepaalde filosofie en wel van die van Emanuel Kant.

Hoewel Kant al in de 18e eeuw (in Duitsland) leefde en werkte en er na hem andere belangrijke filosofen geweest zijn, staat het hedendaagse wetenschappelijke denken nog steeds voor de grens, die Kant getrokken heeft. En ook al bespeurt hij dat niet, voor vrijwel iedere al dan niet academisch opgeleide burger geldt, dat zijn individuele denkbeelden in hoge mate mee gevormd worden door datgene wat aan “de” wetenschap als filosofie ten grondslag ligt.

Als een sneeuwkap die van een berg geleidelijk omlaag zakt, langzaam smelt, zich omvormt in water en daarna een heel gebied doordrenkt, zo werkt na lange tijden nog door wat van de toppen der wetenschap is neergedaald.

Er is in 1894 een boek geschreven, getiteld “Filosofie der Freiheit“, waarvan de auteur gezegd heeft dat dit ene werk van zijn gehele oeuvre het langste zijn waarde zou blijven behouden. Je vraagt je dan natuurlijk dadelijk af; waarom? Waarom alleen en juist dit? Het antwoord lijkt te zijn, dat in dit boek geen occulte gegevens verwerkt zijn – het is een strikt wetenschappelijk werk in de zin die aan ‘wetenschap’ wordt toegekend. Het is een voortzetting van de lijn, die begint bij Plato en sluit aan bij hetgeen door de eeuwen door de belangrijkste filosofen is ontwikkeld en met name door Kant als de meest invloedrijke.

Wat is filosofie? In het Nederlands wijsbegeerte. Een prachtige uitdrukking; begeerte naar wijsheid! Zelfs naar de allerhoogste wijsheid – de wijsheid die in alle verschijnselen verborgen ligt. Deze wijsheid te kunnen omvatten met het eigen denken kan werkelijk een begeerte zijn! .

In “Mijn levensweg” beschrijft Rudolf Steiner hoe hij als middelbaar scholier met de werken van Kant in aanraking kwam. Deze beschrijving geeft een karakteristiek beeld van de persoonlijkheid van (de jonge) Steiner en maakt al de kiem zichtbaar van zijn latere filosofische ontwikkeling. Nadat hij zich al een paar jaar (in de 3e en 4e klas!) had bezig gehouden met het vraagstuk hoe je denkend tot het wezen van de natuurverschijnselen kunt doordringen, zodanig dat er een overeenstemming ontstaat met wat je er innerlijk aan beleeft, kwam hij op een dag langs een boekhandel en zag in de etalage Kants “Kritik der reinen Vernunft” liggen.

Hij kocht het onmiddellijk omdat de titel hem intrigeerde – van Kant wist hij nog totaal niets- hij wilde alleen weten hoe je met je pure menselijke verstand de dingen kon doorgronden. Omdat hij weinig tijd had om te lezen -hij was dagelijks 3 uur onderweg van huis naar school en vice versa en moest ’s avonds nog huiswerk maken- bedacht hij een manier om toch aan zijn trekken te komen. Hij haalde de “Kritik” uit elkaar, legde de losse blaadjes in zijn geschiedenisboek en las ze op school tijdens de les. Kant – zo schijft hij ter verontschuldiging – de geschiedenisleraar deed in die les niets anders dan het boek citeren, dus kon hij dat ook thuis nalezen. De les stelde verder niets voor. Deze filosofische zelfstudie, die Steiner in de vakanties voortzette, had dan ook geen nadelige invloed op zijn rapportcijfer en, zoals hij er nog aan toevoegt: hij hinderde er niemand mee.

Vermakelijk is in dit verband nog een kleine anekdote, eveneens karakteristiek, maar voor een heel andere instelling.
Enkele tientallen jaren later werd Rudolf Steiner, toen reeds een vermaard spreker, uitgenodigd om voor een groep hoogleraren aan de universiteit van Amsterdam een voordracht te houden-. In de discussie die op deze voordracht volgde, werd hij door één van de toehoorders op de vingers getikt met de opmerking: hij moest Kant eerst maar eens bestuderen!

Rudolf Steiner vond bij Kant echter geen antwoord op zijn vraag. Hij heeft later in zijn ‘’Filosofie van de vrijheid” uiteengezet op welk punt de filosofie van Kant is vastgelopen en daaraan een nieuw perspectief voor de verdere ontwikkeling van deze wetenschap toegevoegd.

Wat is nu het kritieke punt in de filosofie van Kant? Heel kort gezegd komt het hierop neer: de mens neemt door zijn zintuigen de wereld om zich heen waar. Deze waarnemingen vormen zich, volgens Kant, in zijn innerlijk tot voorstellingen. Op deze voorstellingen is ons denken over de wereld gebaseerd. In ieder mens leeft een individuele voorstellingswereld. Volgens Kant is er echter niets wat ons garandeert, dat deze voorstellingswereld klopt met de werkelijke wereld, met het eigenlijke wezen van de dingen om ons heen. Onze voorstellingen hebben daarom geen of weinig waarheidsgehalte. Door het denken kunnen wij dan ook geen toegang krijgen tot het wezen van de dingen zelf – het: “Ding-an-sich” blijft verborgen. Wat zich door de waarneming in ons tot voorstelling vormt is een schijnwereld ten opzichte van de eigenlijke achtergronden. Ons eigenlijke kennen staat daardoor voor een grens, die niet overschreden kan worden. Wij moeten erin berusten dat er twee werelden bestaan; degene die wij waarnemen en waarvan wij ons een voorstelling maken en met behulp waarvan wij thesen bouwen, wetenschap ontwikkelen, techniek voortbrengen én degene die de werkelijke wereld is en die wij in wezen niet kunnen kennen. In vakterm: een dualistische wereldbeschouwing.

Wat zijn nu voor de ontwikkeling van de wetenschap en het maatschappelijk leven de consequenties geweest van deze dualistische wereldbeschouwing?

.

Meer artikelen van Annet Schukking over vrijheid in

Sociale driegeleding: alle artikelen onder nr. 7

.
Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1988-1871

.

4

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14)

.

ELISABETH VAN THÜRINGEN
.

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Elisabeth van Thüringen.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven. De schrijfster geeft ook haar heel persoonlijke beleving bij de kennismaking met deze vrouw. Ze verbindt Elisabeths leven met aspecten van deze tijd o.a. de vrouw-man relatie in menselijke zin – en toont daarmee dat ‘figuren uit vroegere tijd’ nog altijd van betekenis kunnen zijn voor de tijd waarin je nu leeft.

Lili Chavannes, Jonas 7, 27-11-1981*
.

Ruim tien jaar* geleden werd in Haarlem, bij de nieuwe behuizing van het St.- Elisabeth’s Gasthuis in de buitenwijk Schalkwijk, een beeld onthuld van Mari Andriessen. In de krant stond een afbeelding – om de een of andere reden was ik geboeid en een paar dagen later ben ik gaan kijken. Op een kaal, winderig veld met niet meer begroeiing dan wat onwennige dunne boompjes en het al te groene gras van opgespoten grond staat het: een man die zijn paard inhoudt, hoog verheven boven de voor hem staande vrouw. Zij kijkt naar hem op, maar aan haar houding is te zien dat zij haar aandacht heeft bij wat zij in de handen houdt. ‘Wat verberg je onder je mantel Elisabeth?’ vraagt de ruiter, Lodewijk van Thüringen. Met een schuchter en tegelijk vrij gebaar toont zij het hem. Het waren broden. Het zijn rozen, die hij ziet.

Zoals ik daar stond te kijken in wat de tuin van het St.-Elisabeth’s Gasthuis moest worden, was ik niet zozeer getroffen door het beeldhouwwerk zelf als wel door het beeld dat er doorheen oplicht: het brood dat in Elisabeths handen tot rozen wordt. Vanaf die tijd word ik af en toe aan haar herinnerd. Twee jaar later, we zijn inmiddels verhuisd, brengt iemand een klein, tweedehands boekje voor me mee: Von Elisabeth der Thüringerin, geschreven door Herbert Hahn. Ik las het in het kraambed en werd erdoor ontroerd, aangeraakt. Net als bij het beeld van Andriessen was het niet in de eerste plaats door de vorm, een prachtig geschreven, dichterlijk verhaal met een rijke gedachte-inhoud, maar ook en vooral door de figuur van Elisabeth. Waar komt de aantrekkingskracht vandaan die een historische figuur op je uitoefent? Speelt hier misschien ook mee dat ik haar naam draag? In ieder geval waren we nog niet met elkaar klaar.

Het boekje van Hahn gaf ik een paar jaar later weg aan een vriendin die ik op dat moment de kracht toewenste die het voor mij vertegenwoordigde. Ongeveer een jaar geleden kwam Elisabeth me weer in gedachten toen we in een groep zochten naar iets inhoudelijks waarmee we onze werkavond konden openen. Ik leende het boekje van Hahn uit de bibliotheek en herlas het. Opnieuw die ervaring van aangeraakt te worden, met weer heel andere perspectieven dan indertijd, krachtiger, dwingender. Zou ik iets over haar op papier willen zetten?

Meer documentatie vond ik onder andere in het schitterende boek van Mary Lavater-Sloman ‘Triumph der Demut’. En ook voor me uit schuiven, uitstellen. Tot iemand me twee weken geleden vertelde dat het 17 november de zevenhonderdvijftigste sterfdag van Elisabeth van Thüringen zou zijn. Ik was verbaasd, maar voelde me vooral ook beantwoord.

De tijd waarin Elisabeth geboren wordt, het begin van de dertiende eeuw, is een overgangstijd. De oude ridderlijke idealen beginnen aan kracht in te boeten. Het geld gaat een rol spelen in de maatschappij; de handel is bevorderd door de kruistochten. De kleine nederzetting onderaan de voet van een burcht groeit uit tot een stad, waarin de burgerlijke stand groot wordt ten koste van aan de ene kant de boeren en aan de andere kant de adel, die wel grond bezit maar geen gemunt geld om hun kostbare hofhoudingen mee in stand te houden. De kerk doet voor hen niet onder in de vorstelijke pracht waarmee zij zich omkleedt. Ook de kloosterorden vergeten voor het gemak de gelofte tot armoede. Tegelijkertijd probeert de kerk haar autoriteit te handhaven door heksenprocessen en kettervervolgingen.

In deze tijd ontstaan de bedelorden, waarin het armoede-ideaal opnieuw met nadruk op de voorgrond komt. Franciscus van Assissi en Elisabeth zijn tijdgenoten en ook geestverwanten, al hebben ze elkaar nooit ontmoet. Op het politieke toneel speelt zich de machtsstrijd af tussen kerk en staat, tussen paus en Duitse keizer, met het nog steeds levende kruistochtideaal als machtsmiddel.

Als Elisabeth dertien jaar is wordt Frederik II van Hohenstaufen, pupil van de beroemde paus Innocentius III en opgevoed aan de Saraceense universiteit van Palermo op Sicilië, tot keizer gekroond, vijfentwintig jaar oud. Zij zullen elkaar ontmoeten, de heilige Elisabeth en Frederik de Saraceen.

Koningsdochter

Elisabeth wordt in 1207 geboren als Hongaarse koningsdochter en al snel uitgehuwelijkt – verhandeld – aan Lodewijk van Thüringen, die zeven jaar ouder is dan zij en dus ook nog van niets weet. Als de vierjarige Elisabeth op de Wartburg, het slot van de landgraven van Thüringen, komt om zo vlug mogelijk een passende opvoeding te krijgen, groeien ze samen op. Er ontstaat een diepe vriendschap en later – ze trouwen als Elisabeth veertien is! – een hartstochtelijke liefde, wat kennelijk de moeite van het optekenen waard was, getuige de kroniek van de kapelaan van de Wartburg.

Al vroeg toont Elisabeth zich innig verbonden met het christelijk geloof en ervaart zij schrijnend de bijna onoverbrugbare kloof tussen het feestelijke, weldoorvoede en verkwistende leven aan het hof en de werkelijk onafzienbare ellende van de armen en zieken eromheen. Twee werelden die naast elkaar liggen, maar elkaar nergens raken. Met afgewend gelaat een aalmoes geven, dat mag en hoort, meer niet.

Elisabeth kon dat niet. Zij gaf waar ze kon, brood, hemden die ze zelf naaide met haar dienstmaagden, ook haar eigen mantel en lijfgoed. Steeds meer blijkt ze ‘anders’ te zijn, niet alleen uiterlijk met haar kleine, tengere gestalte, bruine haar, donkere ogen en huid, te midden van de struise, blonde en blanke Duitse edelvrouwen, maar ook innerlijk, zoals ze het beleden geloof tot levenswerkelijkheid wil maken.

Er wordt overwogen haar terug te sturen naar Hongarije; een groter schande is er niet voor een meisje, dan afgewezen bruid te zijn. Maar Elisabeth gaat door alsof haar niets boven het hoofd hangt, en gelukkig komt Lodewijk, die inmiddels zijn vader als landgraaf is opgevolgd, haar te hulp. Het huwelijk vindt plaats. In het jaar daarop wordt Lodewijk ontboden bij keizer Frederik II om hem een tijd in zijn hofhouding gezelschap te houden. Ze zijn neven en ook vrienden.

In het Thüringse land is hongersnood en de vijftienjarige Elisabeth staat er alleen voor. Zij doet wat zij kan, deelt brood uit tot de voorraadschuren leeg zijn, maakt de schatkist te gelde en bouwt een klein ziekenhuis onder aan de Wartburg waar zij zelf de zieken verpleegt. Zij verdeelt land onder de armen en geeft ze een ploeg, zodat ze zichzelf kunnen helpen. Als Lodewijk terugkomt zijn de gemoederen zeer verhit, maar hij blijft haar steunen. Het is echter niet te verbazen dat haar landgrafelijke schoonfamilie ontzet is; het is niet alleen dat zij het familiebezit als sneeuw voor de zon zien verdwijnen, het is ook zo dat Elisabeth door zich zo daadwerkelijk in te laten met armen en zieken, zelfs melaatsen, alle geldende gedragsregels van die tijd met voeten treedt. Als zij later, na Lodewijks dood, min of meer verstoten wordt van de Wartburg wordt zij bespot en veracht, zelfs ook door de mensen die ze vroeger geholpen heeft. Zij doorkruist alle bestaande verhoudingen en dat wordt haar door hoog én laag kwalijk genomen.

In het jaar 1227 gaat Lodewijk met Frederik ter kruistocht. Het is de kruistocht die uitloopt op de zelfkroning van Frederik tot koning van Jeruzalem. Frederik heeft dit bereikt door listige onderhandeling, waarbij zijn Saraceense opvoeding hem te pas kwam, en dit wordt hem door de christelijke wereld niet in dank afgenomen: de belangrijkste ridderlijke gelofte was die tot strijd om het heilige graf. Maar zelfs nog vóór de schepen de oversteek maken over de Middellandse Zee is Lodewijk al bezweken aan een korte, hevige ziekte. Het bericht bereikt Elisabeth ruim een half jaar na de geboorte van haar derde kind.

Met haar kinderen en twee trouwe dienaressen trekt zij, midden in de winter, in grauw boetekleed, weg van de Wartburg waar men haar het leven onmogelijk maakt. Nergens wordt zij opgenomen, onderdak vindt zij ten slotte in een schuur, tot haar oom, bisschop van Bamberg, gekwetst in zijn familie-eer, haar bij zich neemt en min of meer gevangen houdt. Hij heeft inmiddels een huwelijksaanzoek voor haar gekregen van… keizer Frederik II. Elisabeth wijst het af, trouw aan haar liefde voor Lodewijk en ook aan haar gelofte tot navolging van Christus.

De laatste jaren van haar leven worden beheerst door een wonderlijke, onheilspellende figuur, Konrad von Marburg, een berucht kettervervolger in zijn tijd, die het tenslotte zelfs in de ogen van de kerk te bont maakt en door het volk gedood wordt. Zoals Lodewijk de lichtkant in haar leven vertegenwoordigde, zo staat deze man voor de schaduwkant. Hij heeft Elisabeth, als haar zelfgekozen biechtvader, de gruwelijkste boetedoeningen en geselingen doen ondergaan.

Onder zijn ‘hoede’ beleeft Elisabeth als een roos in de herfst haar tweede bloei in het ziekenhuis van Marburg. Haar lichamelijke krachten worden onder de zware geestelijke oefeningen die zij doet steeds brozer, maar dag en nacht is zij voor de zieken bezig. Uit deze tijd stammen vele verhalen over de wondergenezingen die zij verricht.

Op 17 november 1231 sterft Elisabeth van Thüringen, vierentwintig jaar oud. Vijf jaar later wordt zij door de katholieke kerk heilig verklaard. Haar gebeente wordt opgegraven om er een waardiger plaats aan te geven. Duizenden mensen zijn erbij, ook keizer Frederik is aanwezig. Hij neemt de kroon van zijn hoofd en drukt hem op de schedel van Elisabeth: ‘Wat in leven niet kon gebeuren, moge ik nu in de dood voltrekken.’

Biografie

Hoe dat is, de biografie na te gaan van iemand die zo lang geleden leefde en bovendien een heilige werd, met alle legendevorming van dien? Er zijn oude kronieken waarin sober en kort de belangrijkste feiten opgetekend staan uit haar leven. Toch zijn die aantekeningen niet meer dan een dood geraamte. Een levende persoon zal je daaruit niet op eigen kracht tegemoet treden. Er kan verschillend mee omgegaan worden. Er is het gevaar van dweperij met een dood persoon vol toegedichte goede eigenschappen. Dat worden dan geromantiseerde biografieën, wonderverhalen waarin de figuur kunstmatig beademd wordt tot een niet levensvatbaar bestaan van zoetelijkheid. Een bidprentje, dat onbeperkt vermenigvuldigd kan worden en in de hand gedrukt ter illustratie van bijvoorbeeld naastenliefde. Een andere mogelijkheid is alleen naar de historische feiten te kijken en ze te laten voor wat ze zijn: dor takkengekraak van verleden zomers. Dat is de Elisabeth van de geschiedenisboekjes, een heilige uit de lange rij van katholieke heiligen, met haar eigen jaartallen.

Er is een derde mogelijkheid

Eerst kan je proberen een zo duidelijk mogelijk beeld te vormen van iemands leven op grond van historische feiten. Daar hoort bijvoorbeeld ook de omgeving bij, de tijd waarin de figuur leeft. Je kunt de beelden glijdend in elkaar over laten gaan, zoals wel gebeurt bij diaprojectie. De beweging die je dan ziet is niet die van de historische, tot leven gebrachte figuur, maar het is een beweging die je zelf, als lezer, tot stand brengt. Er worden plekken zichtbaar waar je je toe aangetrokken voelt, die je afstoten, plekken die je verbazen; er zijn waarschijnlijk ook plekken die je niet ziet, omdat je er niets bij voelt. Ik denk dat je vervolgens met die plekken aan de gang moet gaan, ze innerlijk heen en weer moet wiegen. Op de een of andere manier spreken ze je aan, want je voelt er iets bij.
Ze sluiten aan bij dingen die voor jou, op dit moment, een levenswerkelijkheid zijn. Je kunt proberen die aansluiting voor jezelf onder woorden te brengen, eerst associatief, dan langzamerhand met meer bewustzijn. ‘Haken en ogen, tikke takke togen’, zing ik voor mijn dochter. Dat is het een beetje: voor die plekken in een biografie waarvan je het gevoel hebt dat het ‘haken’ zijn, moet je de bijpassende ‘ogen’ in je eigen werkelijkheid vinden. Pas als de haakjes ingehaakt zijn kunnen ze weer tot leven komen en bevruchtend gaan werken. De figuur wordt dan levend, kan je letterlijk iets gaan zeggen, niet vanuit zijn historische context en levensgeschiedenis, maar vanuit de impuls waarmee hij daarin stond.
Het vraagt een zekere moed om die innerlijke verbinding te durven aangaan. Wat zijn we in de wetenschap niet opgevoed met de onaantastbaarheid van historische feiten en de verkrachting daarvan die te vrezen is zodra de mens ze in een visie opneemt!

Vervroeging

Terug naar Elisabeth van Thüringen. Wat is eigenlijk het bijzondere aan Elisabeth? In haar tijd was wat zij deed niet zo uitzonderlijk. Duizenden deden de drie grote geloften: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Vasten, kastijdingen en urenlang gebed waren geen uitzonderingen. Wat zagen de mensen voor bijzonders in haar? Want al tijdens haar leven verbreidde zich haar roep ver buiten de eigen kring.
Elisabeth was arm, kuis en gehoorzaam, maar het buitengewone was dat zij midden in de wereld stond en niet binnen de beschermende muren van een klooster. Zij deed de geloften uit eigen vrije wil aan zichzelf – zij vastte voor een vorstelijk voorziene tafel, zij kon kiezen tussen een keizerinnenkroon en de beddensteek en koos het laatste. Elisabeth was vrij op een tijdstip in de mensheidsgeschiedenis waar dit soort zielenvrijheid nog nauwelijks ergens zichtbaar was. Zoals haar hele biografie in het teken staat van een ongelooflijke vervroeging: lot voor een heel leven samengeperst in vierentwintig jaar, zo treedt dit realiseren van innerlijke vrijheid in haar vervroegd op in de mensheidsgeschiedenis. Hierin is Elisabeth haar tijd ver vooruit. In het boek van Mary Lavater-Sloman komen de lichamelijke kastijdingen die Elisabeth zichzelf oplegt of opzoekt in de figuur van Konrad von Marburg vrij uitvoerig aan de orde.
De opvatting dat pijniging van het lichaam met zijn driften en lusten de ziel kan louteren, is in de middeleeuwen algemeen geaccepteerd. De twintigste-eeuwer die het leest kan er – met zijn verontwaardiging over politieke martelingen in zijn tijd – moeilijk in mee gaan. De zelfgekozen kastijdingen doen hem hysterisch aan. Zo ging het mij ook. In Elisabeths biografie leek het een bijzaak waarmee ik niet veel kon beginnen.
In dezelfde tijd las ik ook het boek dat Christiane F. met behulp van twee journalisten schreef over haar ervaringen als junkie ‘Wir Kinder vom Bahnhof Zoo’. Het is een aangrijpend verslag van een jong meisje dat via de woestenij van een Berlijnse Bijlmermeer, een kerkelijk jeugdcentrum en een discotheek- heroïnespuitster wordt. Ze blijft pogingen doen om de weg terug te vinden. De zelfgewilde afkickperioden – met de lichamelijke ontwenningsverschijnselen die daarbij optreden – zijn werkelijke zelfkastijdingen van de vijftienjarige Christiane. En zevenhonderdvijftig jaar geleden was daar een even oude Elisabeth die haar ziel wist vrij te maken. Onvergelijkbaar? Ja, misschien. In ieder geval maakte deze associatie voor mij naar beide kanten iets duidelijk. Elisabeths kastijdingen kunnen voortgekomen zijn uit dezelfde behoefte ‘clean’ te zijn als Christianes afkickpogingen, hoe verschillend zij beiden het onreine ook ervoeren. En naar de andere kant: Christianes afkickpogingen hebben meer te betekenen dan alleen het ontgiften van haar lichaam. Ze hebben naar mijn gevoel ook te maken met het ontwikkelen van een vrije ik-kracht, tegen alle verdrukking van omstandigheden en drugs in.
In onze tijd is dat misschien een herkenbaar menselijk streven aan het worden, in Elisabeths tijd was het in de mensheidsontwikkeling nog niet aan de orde. Zij loopt vooruit op die ontwikkeling, dat is het buitengewone in haar biografie en als zodanig ook door de mensen van haar tijd erkend. Een heiligverklaring, nog geen vijf jaar na de dood, is snel.

Elisabeth, een vervroegde mensenziel in haar tijd. Herbert Hahn stelt in zijn boekje haar leven in een indrukwekkend perspectief. Hij schildert hoe ook Frederik II van Hohenstaufen op zijn manier een te vroeg geborene was. Hoe hij, zo jong al keizer van het christelijk avondland, vanuit zijn Saraceense achtergrond de eigenlijke christelijke impuls gemist heeft; hoe hij, krachtig in de daad en gescherpt in het Arabische denken, in het gevoelsgebied te kort schiet en dat ook weet. Frederik de Andere wordt hij ook wel genoemd. Als hij Elisabeth ontmoet op de Wartburg herkent hij in haar de aanvulling die voor hem levensnoodzaak is. Hij herkent de zielenhouding die de zijne kan aanvullen en werkelijk vruchtbaar maken.

Hahn schildert, meer als visionair kunstenaar dan als historicus, hoe de wereldgeschiedenis haar adem inhoudt bij de ontmoeting van deze twee vroegelingen, beiden groten van hun tijd. Zullen ze elkaar werkelijk aanraken? Elisabeth herkent hem niet en gaat aan hem voorbij, zijn kroon slaat ze af. Maar de belofte die zij in haar leven draagt, het dode denken levend te maken, de kiem voor het natuurwetenschappelijk denken te bevruchten, die belofte vervult zij niet. Na het afslaan van Frederiks huwelijksaanzoek maakt zij, bij alle activiteit in het Marburger ziekenhuis, een terugtrekkende beweging, zij mist de kracht de wereld werkelijk te veranderen. De kloof tussen geloof en wetenschap wordt niet overbrugd, integendeel, wordt steeds wijder.

Steeds weer, ook in later tijd, is Thüringen het toneel van verzoeningspogingen tussen deze twee uitersten: het heldere, natuurwetenschappelijke denken dat via de universiteit in Palermo op Sicilië uit het mohammedaanse cultuurgoed stamt, en het christelijk geloof, gevoelsrijk maar in haar bronnen onkenbaar. Luther werkte op de Wartburg; Goethe en Schiller ontmoetten elkaar in Thüringen en Rudolf Steiner schreef in zijn Thüringse tijd zijn boekje over de kentheorie, waarin hij het gesprek tussen Goethe en Schiller als het ware afrondt. Wat een plek, dat Thüringen. En ook wat een visie. Het boekje van Hahn hoort tot de mooiste die ik ken.

‘Haken en ogen, tikke takke togen’, waar haak ikzelf in? Met een andere invalshoek op hetzelfde gegeven zou je kunnen zeggen dat Elisabeth heel geconcentreerd en zuiver de vrouwelijke zielenhouding in beeld brengt, terwijl Frederik exponent is van de mannelijke zielskrachten. Om misverstanden te voorkomen wordt in dergelijk verband wel gesproken van feminiene en masculiene kwaliteiten: ik vind dat geen mooie woorden en denk dat niemand tegenwoordig zich zo uitsluitend ‘man’ of ‘vrouw’ voelt dat hij of zij niet zou begrijpen wat er bedoeld wordt met vrouwelijke en mannelijke ziele-kwaliteiten. Dat Elisabeth een vrouw is en Frederik een man, is min of meer toevallig. Elisabeth vertegenwoordigt dus de vrouwelijke kwaliteiten, Frederik de mannelijke. Zij lopen elkaar mis, er komt geen verbinding tot stand die zo vruchtbaar is dat er twee ‘hele’ mensen uit te voorschijn komen. Elisabeth gaat haar weg, die haar letterlijk en figuurlijk van de aarde wegvoert, Frederik gaat de zijne die aan schizofrenie grenst. Maar de mogelijkheid tot bevruchting, tot ‘heel’ maken was er wél, ook al werd zij niet verwerkelijkt.

Dat geeft het beeld van Elisabeth zoveel zeggingskracht voor mij in deze tijd. Naast alles wat zij in haar leven wel verwerkelijkte, blijft er iets als een gemiste kans in haar. De kracht van die hoopvolle kans blijft bewaard in het sprookjesachtige beeld van het brood dat in rozen verandert. En dat zegt me wat, want lijkt het er niet op dat het feminisme door zich op haar eigen burcht terug te trekken opnieuw een werkelijke ontmoeting met al de mannelijke elementen in de maatschappij mis gaat lopen? Natuurlijk, er zijn er genoeg die het signaleren, maar het moet nu ook werkelijk gebeuren. De mannelijke kwaliteiten bezitten kracht en helderheid, maar zijn in zichzelf onvruchtbaar. De kwaliteit van het vrouwelijke is warmte en continuïteit en moet zichzelf, ook ongevraagd, durven geven. Nogmaals, het is niet aan man-zijn of vrouw-zijn gebonden. In ieder mens en op iedere plek in de maatschappij kan dat gebeuren.

Zo komt er uit de levensgeschiedenis van een vrouw, die zevenhonderdvijftig jaar geleden stierf, een beeld tevoorschijn dat toekomstkracht voor me heeft en waarmee ik iets beginnen kan. Elisabeth zou een boegbeeld kunnen zijn voor een vruchtbare vorm van feminisme als die wil staan voor het inbrengen van vrouwelijke kwaliteiten in een mannelijke maatschappij.

.
Elisabeth von Thüringen: meer

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Alle biografieën

.

1987-1870

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Opspattend grind (71)

.

En zo rijden wij te paard
Op een ezel, op een ezel.
En zo rijden wij te paard,
Op een ezel zonder staart.

Jawel, er is WEER onenigheid over ‘de’ toets. 

Niet over de inhoud, maar over het tijdstip waarop die dient te worden afenomen.

Dagblad Trouw vermeldde 22 juni 2019 dat minister Slob vindt dat de eindtoets voor de achtstegroepers eerder in het jaar moet: begin maart én direct na het schooladvies.

Het gaat de minister – lijkt het – om het kind:

Door de tijd tussen die twee momenten zo kort mogelijk te maken, wil hij voorkomen dat ouders hun kinderen na het advies nog snel op extra toetstraining sturen om het onderste uit de kan te halen. Dat werkt kansenongelijkheid in de hand, aangezien vooral kinderen van hogeropgeleide ouders profiteren van dit soort opties. Nu krijgen achtstegroepers hun schooladvies in februari, maar volgt de toets pas in april of mei.

In een brief aan de Tweede Kamer stelde Slob daarnaast enkele andere aanpassingen van de eindtoets voor. Zo wil hij vastleggen wanneer het schooladvies moet komen – tussen 1 februari en 1 maart – en dat er één moment komt waarop basisscholen hun definitieve adviezen moeten geven.

Het Centraal Planbureau ziet dat anders: de toets weer vóór het schooladvies af nemen en de resultaten daarin mee wegen, zodat leerlingen een gelijkere kans krijgen op een passend advies.

Ook partijen in de Kamer drongen daarop aan.

Maar Slob luistert liever naar de docenten! uit groep 7 en 8: driekwart wil de huidige volgorde in stand houden.

‘Op deze manier wordt het schooladvies bepaald op basis van een breed beeld van de ontwikkeling van het kind’, aldus Slob. ‘Ik heb vertrouwen in het professionele oordeel van de leraar hierover.’

Dat is al heel wat: dat de minister vertrouwen heeft in het professionele oordeel van de leraar.

Maar…….heel het onderwijs overlaten aan dit professionele oordeel, m.a.w.: als overheid hoeven wij ons met de inhoud van het onderwijs niet te bemoeien – dat kunnen leerkrachten en ouders zelf wel – daarover gaat de minister het niet hebben. 

Zijn voorgangers hadden het er ook niet over en zijn opvolgers?????

Werkelijke vrijheid van onderwijs, dat is vrijheid van INrichting, is – 100 jaar vrijeschool speelt geen rol – nog altijd geen onderwerp van overweging.

En zo hobbelen we voort:

En zo rijden wij hop, hop,
op een ezel, op een ezel,
en zo rijden wij hop, hop
op een ezel zonder kop!

(oud kinderliedje)

.

Opspattend grind:  artikelen over de toetst: [4]  [17]  [58]  [64]

Over de toets:  [1]   [2]

Opspattend grind: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs in: 100 jaar vrijeschool

.

1986-1869

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 3

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 3e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 3

dierkunde

Da seien wir uns nur ja recht klar darüber, daß wir gegen das neunte Jahr zu, also im dritten Schuljahr, damit beginnen, die Tiere in ent­sprechender Auswahl zu behandeln, und immer so in Beziehung zum Menschen zu bringen, wie ich das probeweise dargestellt habe.

En dan moet het ons heel duidelijk zijn dat we tegen het negende jaar, in de derde klas dus, een begin maken met de behandeling van de dieren, althans een passende keuze daaruit en dat we ze steeds in verband brengen met de mens, zoals ik dat bij wijze van voorbeeld heb laten zien.*
GA 295/165
Vertaald/152

*Opvoedkunst, 7e voordracht

eurithmie

Im zweiten Schuljahr würde man erst mit dem Ausbilden der Buch­staben beginnen, das man dann weiter fortsetzt im dritten Schuljahr; immer so, daß man immer wiederum an Musik und Geometrie und Zeichnerisches anknüpft.

In de tweede klas zou men pas moeten beginnen met de uitbeelding van de letters, wat een vervolg krijgt in de derde klas; steeds zo, dat men voortdurend aanknoopt bij de muziek, de geometrie en het tekenen.
GA 295/176
Vertaald/161

Dabei wäre auch auf Eurythmie fremder Sprachen hinzuweisen. Jeder Laut liegt zwischen zwei anderen. Zwischen A und 1 liegt:
rechte Hand vorne, linke Hand rückwärts. Nach dem Laut, nicht nach dem Zeichen.
Anmerkung: Es wird, auch von eurythmischer Seite, folgende Ergänzung vor­geschlagen: Jeder Laut liegt zwischen zwei anderen. Zum Beispiel liegt das englische 1 zwischen A und 1. Gebärde: rechte Hand vorne, linke Hand rückwärts. Nach dem, wie der Laut tönt, nicht nach dem geschriebenen Zei­chen eurythmisieren.

Ook zou gewezen kunnen worden op niet-Nederlandse talen. Iedere klank bevindt zich tussen twee andere. Tussen A en I ligt: rechter hand voor, linkerhand naar achter. In overeenstemming met de klank, niet met het letterteken.
Opmerking: Uit euritmische hoek wordt het volgende voorstel gedaan: iedere klank ligt tussen twee andere. Bv. de Engelse A en I: gebaar: rechterhand voor, linkerhand naar achteren. Zoals de klank klinkt, niet het geschreven teken euritmiseren.
GA 300A/113
Niet vertaald

godsdiens:t zie vertelstof

handenarbeid

Plastisches soll vor dem neunten Jahre beginnen, Kugeln, dann an­deres und so weiter. Auch beim Plastischen soll man ganz aus den For­men heraus arbeiten.

Met plastische vormen moet men voor het negende jaar beginnen, met bollen, dan verder met andere dingen. Ook bij het boetseren moet men geheel en al werken vanuit de vormen.
GA 295/182
Vertaald/166

heemkunde

Nun, Sie haben gesehen, wir verwenden in freier Weise dasjenige, was aus der nächsten Umgebung bekannt ist, um eben einen freien Sachunterricht zu treiben. Das Kind kann ganz gut, indem es mit dem dritten Schuljahr gegen das neunte Jahr zugeht, durch diesen Sach­unterricht eine Anschauung davon haben, wie man – nun, ich kann nur Beispiele herausheben – Mörtel zubereitet, wie man ihn verwendet beim Hausbau. Es kann auch eine Vorstellung davon haben, wie man düngt, wie man ackert, wie der Roggen, der Weizen aussieht. Kurz, in freier Weise läßt man das Kind eindringen in dasjenige seiner näch­sten Umgebung, was es verstehen kann.

Welnu, u heeft gezien, we gebruiken op vrije wijze wat er ons uit de naaste omgeving bekend is om vrij les te geven in de zaakvakken. Door die zaakvakken kan het kind in de derde klas, tegen het negende jaar, heel goed een idee hebben hoe men – ik kan alleen maar enkele voorbeelden geven – specie maakt en die gebruikt bij de huizenbouw. Het kan ook een idee krijgen hoe men bemest, hoe men ploegt, hoe rogge, hoe tarwe er uitziet. Kortom, men laat het kind op vrije wijze kennis maken met datgene uit zijn naaste omgeving wat het kan begrijpen.
GA 295/161
Vertaald/149

muziek

Im ersten, zweiten und dritten Schuljahr wird man es ja im wesent­lichen zu tun haben mit einfachen musikalischen Verhältnissen. Und diese einfachen musikalischen Verhältnisse sollen so benützt werden, daß der Gesichtspunkt der ist: an dem, was man pädagogisch zurich­tet im Musikalischen, Stimmbildung und Gehör des Menschen, des wer­denden Menschen, heranzubilden. Also der Gesichtspunkt ist, das Mu­sikalische so zuzurichten, daß es geeignet ist, den Menschen zum rich­tigen Bilden des Stimmlichen, des Tonlichen, und zum richtigen Hören aufzurufen.

In de eerste, tweede en derde klas zal men natuurlijk in wezen te maken hebben met eenvoudige muzikale gegevens. En deze eenvoudige muzikale gegevens moeten zo benut worden dat het gezichtspunt is: de vorming van de stem en het gehoor van de mens, van de opgroeiende mens, te stimuleren aan de hand van wat men pedagogisch in de muziek doet. Het gezichtspunt is dus, de muziek zo te benaderen dat ze geschikt is om de mens tot de juiste stemvorming en toonvorming en tot het juiste luisteren te brengen.
GA 295/175
Vertaald/161

Niet-Nederlandse talen

Dr. Steiner: Im Sprachunterricht sollte man nicht lexikalisch vor­gehen und nicht übersetzen. Man sollte auch möglichst vermeiden, den deutschen Text vorzusagen. Am besten ist es, den fremdsprach­lichen Text erst zu lesen und dann den Inhalt mit eigenen Worten wiederzugeben.

Dr. Steiner:
Bij het talenonderwijs moet je niet vanuit het woordenboek te werk gaan en niet vertalen. Je zou ook zo veel mogelijk moeten vermijden de Nederlandse tekst  voor te zeggen. Het is het beste wanneer je de niet-Nederlandse tekst eerst leest en dan de inhoud met eigen woorden weergeeft.
GA 300A/128
Niet vertaald

X.:    Soll man in der 3. Klasse in den Fremdsprachen auch schreiben?
Dr. Steiner: Man kann anfangen, kurze und leichte Sätze zu schrei­ben, die einen einfachen Gedanken ausdrücken.

Moet je in de 3e klas de niet-Nederlandse talen ook schrijven?

Dr. Steiner: Je kan beginnen met korte, eenvoudige zinnen te schrijven die een eenvoudige gedachte tot uitdrukking brengen.
GA 300A/284
Niet vertaald

rekenen

Im dritten Schuljahr wird alles für kompliziertere Zahlen fort­gesetzt, und es werden schon die vier Rechnungsarten, wie sie im zwei­ten Schuljahr gepflogen worden sind, in Anwendung gebracht auf ge­wisse einfache Dinge des praktischen Lebens.

In de derde klas wordt alles voortgezet met ingewikkelder getallen en de vier rekenbewerkingen zoals die in de tweede klas behandeld werden, worden nu toegepast op bepaalde eenvoudige dingen uit het praktische leven.
GA 295/168
Vertaald/154

schrijven: zie taal

taal

Das dritte Schuljahr wird im wesentlichen eine Fortsetzung des zweiten Schuljahres sein mit Bezug auf Sprechen, Lesen, Schreiben und noch mit Bezug auf vieles andere. Man wird die Fähigkeit erweitern, Gesehenes und Gelesenes niederzuschreiben. Man wird nun aber auch versuchen, in dem Kinde ein bewußtes Gefühl hervorzurufen für kurze, lange, gedehnte Laute und so weiter. Dieses Erfühlen der Sprachartiku­lation und überhaupt der Sprachkonfiguration, das ist etwas, was gut im achten und neunten Jahr getrieben werden kann, wenn man das Kind im dritten Schuljahr hat. Da versuche man dann, dem Kinde eben eine Vorstellung der Wortarten zu geben, der Satzglieder und des Auf­baues eines Satzes, also der Eingliederung von Satzzeichen, Komma, Punkt und so weiter in den Satz.

Het derde schooljaar zal in essentie een voortzetting zijn van het tweede wat betreft spreken, lezen, schrijven en nog veel andere dingen. Men zal het vermogen om dingen die gezien of gelezen zijn op te schrijven nog verder uitbreiden. Maar nu zal men ook proberen in het kind een bewust gevoel op te roepen voor korte en lange klanken enzovoort. Men kan in het achtste en negende jaar, in de derde klas dus, heel goed het aanvoelen van de articulatie en ook de configuratie van de taal bevorderen. Men probeert dan het kind een voorstelling te geven van de woordsoorten, de zinsdelen en de opbouw van de zin, dus wat voor plaats de leestekens, komma, punt en dergelijke, hebben in de zin.

Und es wird gut sein, wenn man darauf sieht, insofern man Dichtungen be­handelt – kurze Gedichte -, daß man insbesondere im ersten und zwei­ten Schuljahr das Kind instinktiv Rhythmus, Reim, Takt erfühlen läßt, und daß man die innere Formung des Gedichtes, also was sich auf die inneren Schönheiten des Gedichtes bezieht, zur Empfindung bringt beim Kinde im dritten und vierten Schuljahr.

En het zal goed zijn als men er vooral in de eerste en tweede klas op toeziet dat men de kinderen instinctief ritme, rijm, maat laat aanvoelen wanneer men – korte – gedichten behandelt, en in de derde en vierde klas het kind de innerlijke vorm van het gedicht, dus wat betrekking heeft op de innerlijke schoonheden van een gedicht laat ervaren.
GA 295/157
Vertaald/145/146

Man kann ja im drit­ten Schuljahr das, was man über Wiese, Wald und so weiter sagt, schon ausdehnen auf geschäftliche Beziehungen, so daß später (6E Klasse)Stoff da ist für das Ableisten einfacher Geschäftsaufsätze.

(met het oog op de 6e klas)
Men kan immers in de derde klas datgene wat men vertelt over weide en bos en dergelijke heel goed uitbreiden tot zakelijke gegevens, zodat er later stof is voor het vervaardigen van eenvoudige zakenbrieven.
GA 295/159
Vertaald/147

vertelstof

Dann biblische Geschichte, in die allgemeine Geschichte aufgenommen, außerhalb des anderen Religionsunterrichtes.
3.    Biblische Geschichte als Teil der allgemeinen Geschichte (Altes Testament)

Dan bijbelse geschiedenis als onderdeel van de algemene geschiedenis en los van het andere godsdienstonderwijs.
3. bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
GA 295/19
Vertaald/19/20

Als Erzählstoff ist biblische Geschichte angegeben für die 3. Klasse. Ich weiß nicht, wie ich das machen soll.

Dr. Steiner: Nehmen Sie sich einmal eine ältere katholische Bibelausgabe. Da werden Sie sehen, wie man nacherzählt. Diese Geschich­ten sind ganz gut gemacht, nur müssen Sie es natürlich noch besser machen. Sie kriegen die Möglichkeit, den biblischen Stoff aus dieser schrecklichen Lutherschen Übersetzung herauszuheben. Es wäre überhaupt gut, wenn man die katholische Übersetzung der Bibel nehmen würde. Außerdem empfehle ich Ihnen, beschäftigen Sie sich etwas mit den vorlutherischen Bibelübersetzungen, damit Sie über das Märchen von den Verdiensten der Bibelübersetzung von Luther hinwegkommen. Das spukt furchtbar, daß Luther ein Verdienst hat

X: Als vertelstof zijn voor de 3e klas bijbelse verhalen aangegeven. Ik weet niet hoe ik dat doen met.

Dr.Steiner:
Neemt u eens een oudere katholieke uitgave van de Bijbel. Daar kun je zien hoe men navertelt. Deze verhalen zijn heel goed. alleen u moet het nog beter doen. U krijgt de mogelijkheid om de Bijbelse stof boven die verschrikkelijke vertaling van Luther uit te tillen. Het is uiteindelijk heel goed als u een katholieke vertaling zou nemen. Bovendien raad ik u aan u bezig te houden met de vertalingen van vóór Luther, waardoor u over het sprookje van de verdiensten van de vertaling van Luther heenkomt. Dat Luther verdienstelijk was, waart nog als een spookbeeld rond.
GA 300B/62
Niet vertaald

In bezug auf die Gestaltung der deutschen Sprache. Das ist etwas, was furchtbar spukt in den Gemütern der mitteleuropäischen Men­schen. Wenn Sie zurückgehen auf die früheren Bibelübersetzungen, aber größere Partien haben, so werden Sie sehen, was da früher glänzend gemacht worden ist, gegenüber dieser Lutherischen Bibelübersetzung, die eigentlich die Entwicklung der deutschen Sprache fürchterlich zurückgehalten hat. Es gibt so eine Bibelausgabe für Schüler, die Schustersche Bibel. Man bekommt sie überall da, wo Katholiken sind in größerer Anzahl. Man soll anfangen vor der Schöpfungsgeschichte mit dem Fall der Engel. Die katholische Bibel fängt an mit dem Fall der Engel; dann kommt erst die Weltschöpfung. Das ist sehr schön. Einfache, schlichte Erzählung.

Wat betreft de vorming van het Duits. Dat is iets wat in het gemoed van de Europese mens vreselijk spookt. Wanneer u teuggaat naar de eerdere Bijbelvertalingen, zal u zien dat grotere delen uitstekend zijn t.o.v. de vertaling van Luther die eigenlijk de ontwikkeling van het Duits beangstigend sterk achterop heeft gebracht. Voor leerlingen bestaat er een Bijbeluitgave, de Schustersche Bijbel. Die kun je krijgen waar heel veel katholieken zijn. 
Je moet beginnen met de val van de engelen, vóór het scheppingsverhaal. De katholieke Bijbel doet dat, dan volgt pas de schepping van de wereld. Dat is heel mooi. Eenvoudige, wezenlijke vertellingen.
GA 300B/63
Niet vertaald

Es wird gefragt nach einer Bibelausgabe.
Dr. Steiner: Man sollte die Bibel so beibringen, daß sie verstanden werden kann. Das Alte Testament ist nicht für Kinder bestimmt. Es stehen Dinge darinnen, die man nicht heranbringen kann. Die Katho­liken haben es gut gemacht. Die Schustersche Bibel ist für Kinder gut. Bei Schubert habe ich sie gesehen. Sehr fein ist es bearbeitet.

Er wordt naar een Bijbeluitgave gevraagd.

Dr.Steiner:
Je zou de Bijbel zo moeten brengen, dat deze kan worden begrepen. Het Oude Testament is niet voor kinderen. Daar staan dingen in die je niet kan bijbrengen. De katholieken hebben het goed gedaan. De Schustersche Bijbel is goed voor kinderen. Die heb ik bij Schubert (een leerkracht) gezien. Heel mooi bewerkt.

GA 300B/86 
Niet vertaald

Es wird gefragt nach biblischer Geschichte in der 3. Klasse.

Dr. Steiner: Ich habe gesehen, daß einzelne Freunde benutzen das Hebel-Buch (J. P. Hebel). Meiner Empfindung nach kann als Leit­faden für die Behandlung der biblischen Geschichte nur die im Auf­bau ausgezeichnete Schustersche Bibel benutzt werden. Es ist besser, wenn man die Geschichten nicht textmäßig behandelt, sondern in freier Weise heranträgt. Man sollte die Sachen nur in freier Weise an die Kinder heranbringen. Das Buch ist nur eine Gedächtnishilfe und zum Nachlesen. Da ist die ältere Schustersche Bibel, obwohl sie in der neuen Ausgabe verballhornt (slechter geworden) ist, doch immer noch das Beste. Ich glaube, so interessant es auch ist, das Buch von Hebel zu lesen, wenn man lesen will, was man schon kennt, zum ersten Unterricht in der Bibel ist es nicht geeignet, ganz abgesehen davon, daß der Druck der hiesigen Ausgabe ein scheußlicher ist. Also ich würde meinen, wir behalten die alte Schustersche Bibel bei. Der Aufbau ist ausgezeich­net. Es ist ja sonst etwas pedantisch und katholisierend, aber in die Gefahr, zu katholisch zu werden, werden Sie ja nicht geraten.

Er wordt naar de Bijbelse geschiedenis in de 3e klas gevraagd.

Dr.Steiner:
Ik heb gezien dat enige vrienden het boek van J.P.Hebel gebruiken. Naar mijn smaak kan als leidraad voor het behandeling van de Bijbelse geschiedenis alleen de Schustersche Bijbel gebruikt worden die uitstekend van opbouw is. Het is beter om de verhalen niet letterlijk volgens de tekst aan de orde te stellen, maar op een vrij gekozen manier. Je zou de dingen alleen op een vrije manier aan de kinderen moeten vertellen. Het boek is alleen maar een geheugensteuntje en om te lezen. De oudere Schustersche Bijbel is, hoewel de nieuwere slechter is, toch steeds nog de beste. Ik geloof, hoe interessant het ook is om het boek van Hebel te lezen, wanneer je wil lezen wat je al bekend is, voor het eerste onderwijs in de Bijbel is het niet geschikt, nog geheel afgezien van het feit dat de druk van de huidige uitgave vreselijk is. Dus zeg ik, laten we ons aan de oude Schustersche Bijbel houden. De opbouw is uitstekend. Hij is wel wat pedant en neigt naar het katholieke, maar er bestaat geen gevaar dat je er katholiek door wordt.
GA 300C/165
Niet vertaald

Ein Religionslehrer fragt nach dem Unterschied der Behandlung der biblischen Geschichte in dem Religionsunterricht und im Hauptunterrkht der 3. Klasse.

Dr. Steiner: Sie werden methodisch viel lernen, wenn Sie bedenken, welches Prinzip dem zugrunde liegt, daß wir an diesen zwei ver­schiedenen Stellen die biblische Geschichte zu behandeln haben. Nicht wahr, wenn wir biblische Geschichte im Hauptunterricht im eigentlichen Lehrplan drinnen behandeln, so behandeln wir sie als etwas ganz Allgemein-Menschliches. Wir machen einfach die Kinder bekannt mit dem Inhalt der Bibel, geben dem gar keine besondere religiöse Färbung, behandeln es als Profanunterricht, lassen nur gel­ten, daß der Inhalt der Bibel eben durchaus klassische Literatur ist, wie andere klassische Literatur auch.
Behandeln wir die Bibel im freien Religionsunterricht, so stellen wir uns damit auf den religiösen Standpunkt, stellen wir sie für uns in  den Dienst des freien religiösen Elementes. Wenn wir diesen Unter­schied taktvoll treffen, wenn wir nicht seichte (oppervlakkige) Aufklärerei treiben im Hauptunterricht, dann werden wir gerade an der Herausarbeitung dieses feinen Unterschiedes außerordentlich viel für unsere eigene Pädagogik lernen können. Es ist ein Unterschied im ,,wie”, aber ein außerordentlich wichtiger Unterschied im ,,wie” bDas, was vorher erzählt worden ist, wird nachher gelesen zur Befesti­gung. Ich möchte durchaus nicht glauben, daß diese Schustersche Bibel ein schlechter Lesestoff ist. Die Bilder sind ganz humoristisch sogar, nicht schlecht; etwas süßlich, aber nicht eigentlich sentimen­tal. Es genügt als Lesestoff für die 3. Klasse und kann auch zur Einübung der Fraktur-Druckschrift verwendet werden.

Een godsdienstleraar vraagt naar het verschil in behandeling van de Bijbelse geschiedenis in het godsdienstuur en in het hoofdonderwijs van de 3e klas

Dr. Steiner:
U zal methodisch veel leren, wanneer u bedenkt welk principe eraan ten grondslag ligt dat we op twee verschillende plaatsen de Bijbelse geschiedenis moeten behandelen. Niet waar, wanneer we Bijbelse geschiedenis in het hoofdonderwijs binnen het eigenlijke leerplan aan de orde stellen, doen we dat als iets algemeen menselijks. We maken de kinderen eenvoudigweg bekend met de inhoud van de Bijbel, geven daaraan geen bijzondere godsdienstige kleur, stellen het als werelds onderwijs aan de orde, laten alleen gelden dat de inhoud van de Bijbel eveneens klassieke literatuur is, net zoals andere klassieke literatuur. Wanneer we in het vrije godsdienstonderwijs de Bijbel aan de orde stellen, doen we dat vanuit een religieus standpunt, doen we dat in dienst van het vrije religieuze element. Wanneer we dit verschil tactvol benaderen, wanneer we geen oppervlakkige verklaringen geven in het hoofdonderwijs, zullen we juist bij het uitwerken van dit fijnzinnige verschil buitengewoon veel voor onze eigen pedagogiek kunnen leren. Het is het verschil in ‘hoe’, maar een buitengewoon belangrijk verschil in het ‘hoe’. Wat eerder werd verteld, wordt later gelezen als bevestiging. Ik zou zeker niet denken dat deze Schustersche Bijbel slechte leesstof is. De beelden zijn zelfs heel humoristisch, niet slecht; wat zoetsappig, maar eigenlijk niet sentimenteel. Voor de 3e klas is het goed en kan die ook nog gebruikt worden bij het oefenen van het fracturdrukschrift
GA 300C/165
Niet vertaald

vormtekenen

Over de symmetrie-oefeningen voor ‘achtjarigen’ zie GA 311/72, vertaald op deze blog.

3e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas

.

1985-1868

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – suiker (3-2/3)

.

In de 7e klas wordt in een periode over de samenhang mens-voeding gesproken.
Daarbij komen ook de zgn. voedings- en genotsmiddelen aan de beurt.
Daaronder valt de suiker.
Suiker speelt in de voedings- en genotmiddeleninustrie een grote rol.
Eb is ook van grote invloed op onze gezondheid.
Telkens worden er weer nieuwe gezichtspunten ontwikkeld. Een van de laatste is de samenhang met de koolhydraten en diabetes 2. 
Veel kinderen blijken te dik te zijn. Ook vanuit dit hygiënische standpunt zal er in de periode aandacht aan moeten worden besteed.

Voor de leerkracht is ook de ‘geschiedenis’ van de suiker interessant.
In het tijdschrift ‘Vrije Opvoedkunst’ staan daarover artikelen van A.C.Henny.
Deze schreef er ook over in het blad Jonas:

A.C.Henny, Jonas 06-07-1973
.

suiker tussen oost en west

Werner Sombart, een bekende geleerde in de dertiger jaren van de vorige eeuw, op het gebied van de economische en sociale geschiedenis, heeft de algemene mensheidsgeschiedenis in drie grote tijdperken onderscheiden die hij kwalificeerde als volgt:

1. Het magische tijdperk.

2. Het politieke tijdperk.

3. Het economische tijdperk.

Het eerste tijdperk omvat die culturen waarin het sociale leven op aarde nog geheel in dienst stond van het religieuze leven, waarbij religio kan worden gezien als verbinding tussen de mens en de in de kosmos werkende goddelijke moraliteit.

In het tweede tijdperk, het politieke tijdperk, verliest de structuur van het sociale leven langzamerhand zijn samenhang met de kosmos. In dit tijdperk valt de geboorte van de moderne staat — in Griekenland en in Rome —, die zich pas in de na-christelijke tijd tot een volledig zelfstandig organisme begint te ontwikkelen en als zodanig zijn meest absolute vorm aanneemt na de ontdekking van Amerika. In dit tijdperk staat het economisch leven nog geheel in dienst van de staat. Naarmate echter het staatsleven meer en meer zijn religieuze verbondenheid met de kosmos gaat verliezen, ontwikkelt zich ook in het economisch leven een tendens tot verzelfstandiging.

Na de Frans revolutie — dus na de grote crisis van de absolute monarchie— voltrekt zich dit emancipatieproces van het economisch leven in snel tempo.

Daarmee is het derde tijdperk, het economisch tijdperk aangebroken. Het economisch leven is zelfstandig geworden, zelfs in die mate, dat economische belangen meer en meer politiek en cultuur gaan overheersen.

Deze visie vertoont in vele opzichten een overeenstemming met de visie van Rudolf Steiner op de geschiedenis, die vanaf de Egyptisch-Babylonische cultuur eveneens drie grote tijdperken, als ontwikkelingsfasen van het menselijk bewustzijn onderscheidt: het tijdperk van de gewaarwordingsziel, het tijdperk van de verstandsziel en het tijdperk van de bewustzijnsziel. Daarbij is sprake van een geleidelijk sterkere verbinding van de mensenziel met de aarde, een afdalingsproces van de kosmos. De aarde wordt daarbij niet gezien als een klomp materie, of als een onnoemelijk klein stofje in de ruimte van het heelal, maar als een levenskiem in een evolutieproces. Overal waar de mens, via zijn wilsleven zich met deze aarde verbindt, schept hij vanuit zijn eigen vrijheid, mee aan de aarde-ontwikkeling, die door het offer van Christus op Golgotha een nieuwe bestemming heeft gekregen.

Het is duidelijk, dat vanuit deze visie van de mensheidsontwikkeling, het economisch leven een andere functie krijgt dan vanuit de gangbare
materialistische evolutievoorstellingen.

Ook voor ons onderwerp — de suiker tussen West en Oost – is een dergelijke onderscheiding van belang. Veranderingen van voedingsgewoonten worden niet slechts door economische en politieke factoren bepaald. Wanneer men de geschiedenis van voedingsmiddelen — en speciaal die van de genotsmiddelen, zoals suiker, koffie, thee, tabak — bestudeert, krijgt men te maken met veranderingen die niet alleen kunnen worden verklaard door veranderingen in allerlei machtsverhoudingen, zoals de opkomst en ondergang van handelssteden — Venetië, Antwerpen, Amsterdam, London. Speciaal bij de geschiedenis van de suiker ‘tussen West en Oost’ gaat men ontdekken dat er een merkwaardige samenhang bestaat tussen het gebruik van honing, rietsuiker en bietsuiker, en de drie, zo-even vermelde bewustzijnsfasen van de mensheid.

Wij zagen reeds dat tijdens de Oudheid slechts het gebruik van honing bekend was. Door de Arabieren werd de rietsuiker als genotmiddel naar Europa gebracht. De behoefte hiernaar breidt zich uit, naarmate het denken van de mens zich zelfstandiger gaat ontwikkelen, naarmate de mens zichzelf meer en meer als individu gaat beleven, en naarmate de maatschappijstructuur daar steeds meer door wordt beïnvloed.

In dit opzicht is het interessant, dat tijdens de z.g. industriële revolutie in de 18e en 19e eeuw de overgang plaatsvindt van rietsuiker naar bietsuiker, van genotmiddel naar voedingsmiddel. Vanaf 1847 nam de productie toe van 1 miljoen ton tot 67 miljoen ton (1969).

Deze veranderingen voltrekken zich in drie verschillende fasen:

1. de honing.
2 de rietsuiker.
3. de bietsuiker.

Een geleidelijk afdalingsproces naar de aarde! Want de honing is een product van de bloem van de plant, de rietsuiker is een product van de stengel en de bietsuiker een product van de wortel.
Met dit afdalingsproces voltrekken zich tevens de grote metamorfosen van het menselijk bewustzijn.

De behoefte aan suiker is toegenomen, naarmate in de loop der geschiedenis het menselijk bewustzijn zich sterker met de aarde gaat verbinden. Met zulk een diep ingrijpende kracht in alle aardse verhoudingen heeft dit afdalingsproces tot de aarde plaats gehad, dat zowel in de kwantiteit als in de kwaliteit der voedingsmiddelen dit proces zijn sporen heeft achtergelaten. De toenemende behoefte aan suiker is een der begeleidende verschijnselen van onze nerveuze, intellectualistische tijd. Merkwaardig is, dat in de steden deze behoefte sterker is dan op het platteland, en dat is niet alleen een aangelegenheid van meerder of mindere koopkracht. Zij die de gehele dag op hun bureau of in de fabriek min of meer mechanische arbeid verrichten, daarbij ’s avonds ‘relaxen’ aan het schaakbord, de bridgetafel, of de kruiswoordpuzzel, hebben een sterkere behoefte aan suiker dan zij, die, nog natuurlijker verbonden met de grote kosmische ritmen van de dag, van de maand, van het jaargetijde, op het platteland hun werk verrichten. Deze tegenstelling tussen stad en platteland is aan de hand van het suikerverbruik o.a. zichtbaar te maken aan de volgende statistische gegevens uit de tijd — 1929/30 — waarin Rusland nog voor een groot deel agrarisch gestructureerd was:

Suikerverbruik per hoofd van de bevolking in 1929-30

Rusland 7.1 kg
Duitsland 25.3 kg
Engeland 43.6 kg
Ver.Staten 51.7 kg

Vanuit hygiënisch gezichtspunt zou daarbij nog de volgende vraag kunnen worden gesteld:

Welk verschil maakt het uit voor de lichamelijke en geestelijke constitutie van de mens of rietsuiker of bietsuiker als voedingsmiddel wordt gebruikt? Gaat men van een Goetheanistische visie op mens en natuur uit, dan kan men aannemelijk maken dat er een samenhang bestaat tussen mens en plant. Dan wordt duidelijk, dat de wortel als voedingsmiddel een andere uitwerking heeft op het organisme van de mens dan de bloem.
De wortel werkt sterk op die processen die in het hoofd van de mens werkzaam zijn: de zenuwzintuigprocessen; de bloem en de vrucht van de plant werken daarentegen meer op de stofwisselingsprocessen.

Van dit gezichtspunt uit wordt duidelijk, dat iedere eenzijdigheid op het gebied van de voeding — in dit geval het gebruik van de wortel of de wortelproducten als voedingsmiddel — een bepaalde eenzijdige werking in het menselijke organisme oproept — in dit geval een eenzijdige beïnvloeding van het zenuw-zintuigstelsel. Daarmee krijgt de keuze tussen riet en biet nog een ander aspect dan het sociale en het politieke aspect.

Sociaal is deze keuze van belang voor het lot van de Derde Wereld. Vandaar de verschillende acties die gevoerd worden vanuit de wereldwinkels, om hiervoor bewustzijn te wekken: consumentenbewustzijn voortgekomen uit verantwoordelijkheid ten opzichte van de ontwikkelingslanden (zie deel 1)

Politiek is deze keuze beslissend ten opzichte van de vraag: moeten nationale belangen prioriteit hebben ten opzichte van mondiale belangen? Zijn wij, ter wille van deze prioriteit, bereid hiervoor een hoge prijs te betalen?

Hygiënisch krijgt deze keuze een meer individualistisch aspect: wat hebben wij ervoor over om tot een minder eenzijdige voeding te komen als consumenten van riet of biet?

Deze laatste vraag wordt op het ogenblik nog nauwelijks gesteld. Stelt U zich eens voor, dat dit het geval zou zijn bij de a.s. onderhandelingen te Brussel tussen de E.E.G. en de 19 Britse Gemenebestlanden (zie JONAS no.21).

Of bij de overwegingen die tot een fusie moeten leiden tussen de Suiker Unie en de Centrale Suiker Maatschappij in o n s land?

.

deel 1    deel 2 

Over voedingsleer in de 7e klas: 7e klas alle artikelen onder voeding

.

Artikelen van A.C.Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

.

1984-1867

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – suiker (3-2/2)

.

In de 7e klas wordt in een periode over de samenhang mens-voeding gesproken.
Daarbij komen ook de zgn. voedings- en genotsmiddelen aan de beurt.
Daaronder valt de suiker.
Suiker speelt in de voedings- en genotmiddeleninustrie een grote rol.
Eb is ook van grote invloed op onze gezondheid.
Telkens worden er weer nieuwe gezichtspunten ontwikkeld. Een van de laatste is de samenhang met de koolhydraten en diabetes 2. 
Veel kinderen blijken te dik te zijn. Ook vanuit dit hygiënische standpunt zal er in de periode aandacht aan moeten worden besteed.

Voor de leerkracht is ook de ‘geschiedenis’ van de suiker interessant.
In het tijdschrift ‘Vrije Opvoedkunst’ staan daarover artikelen van A.C.Henny.
Deze schreef er ook over in het blad Jonas:

A.C.Henny, Jonas 06-07-1973
.

SUIKER TUSSEN OOST EN WEST 

Nu het conflict tussen ‘riet en biet’ continentale afmetingen gaat aannemen (zie suiker 3-2/1) in verband met de a.s. besprekingen te Brussel willen wij een korte historische beschouwing inlassen over de suiker tussen West en Oost. Daarbij gaan wij ervan uit dat veranderingen van voedingsgewoonten zoals dit het geval is geweest bij de overschakeling van rietsuiker naar bietsuiker — een cultuurhistorische achtergrond hebben, en niet alleen zijn te verklaren vanuit economische en politieke gezichtspunten. Voor het vormen van een Europees consumentenbewustzijn is dit wel van belang.

Europa is dankzij de Arabieren met de rietsuiker in aanraking gekomen.
Dat blijkt al uit het woord ‘suiker’ dat van Arabische oorsprong is. In de tijd waarin in Europa de mens zich tevreden moest stellen met honing – de vroege Middeleeuwen – werden te Bagdad aan het hof van de kaliefen feestgelagen gehouden, waarbij banketbakkerskunst voor steeds nieuwe verrassingen zorgde: dieren, vruchten, bloemen, gehele kastelen van suikerwerk.

De Arabieren haalden de rietsuiker uit het Oosten. Waarschijnlijk zijn zij door Griekse geschriften erop op merkzaam geworden. Want reeds Alexander de Grote trof bij zijn tochten het suikerriet aan. Door zijn veldheren Nearchos en Onesikritos wordt het eerst de suiker vermeld: ‘in Indië moet een rietsoort honing vóórtbrengen zonder de hulp van bijen’. Niettegenstaande deze vermelding duurde het nog duizend jaar voordat Europa voor het eerst de suiker leerde kennen. Onder het bleke schijnsel van de halve maan werd zij door de Arabieren naar het Westen gebracht, met nog zoveel andere zegeningen van de Arabische cultuur: Griekse natuurfilosofie tot natuurwetenschap omgevormd en bruikbaar gemaakt ten behoeve van meer confort en zelfs technische perfectie. Wie de beschrijvingen leest van de Arabische steden in Spanje — omstreeks de negende en tiende eeuw — waant zich niet meer in de duistere middeleeuwen maar in de eigentijdse welvaartsstaat, met haar collectieve voorzieningen betreffende studie aan de universiteiten en medische verzorging in de ziekenhuizen.

Tijdens en na de kruistochten wordt Venetië de belangrijkste suikermarkt van Europa. Van hieruit werd de Arabische suiker in geraffineerde vorm als handelswaar geëxporteerd naar Noord- en West-Europa. Een volgende stap voor de verbreiding van de suiker in de wereld is de ontdekking van Amerika. Reeds bij zijn eerste reis nam Columbus suiker mee van de Canarische eilanden en plantte deze in San Domingo. Van hieruit verbreidde zij zich in snel tempo naar Mexico, Brazilië, Peru, Paraguay, Argentinië, Cuba en de Antillen.

Sinds door Karel V aan de Vlaamse kooplieden het privilege gegeven was Afrikaanse slaven naar Amerika te verkopen, ontstond een levendig
driehoeksverkeer tussen Europa, Afrika en Amerika. Vanuit de Zuid-Nederlandse handelssteden voeren de schepen eerst naar Afrika om slaven te halen. Deze werden afgezet op de West-Indische plantages. Van hier keerden de schepen terug naar Europa, volgeladen met de tropische producten.

Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam een belangrijke suikermarkt. Met de oprichting van de Oost-Indische Compagnie werd nu ook de Oost- Indische suiker hier verhandeld, hoewel gedurende de gehele 17e en 18e eeuw de betekenis hiervan niet in de schaduw kon staan van die van de West-Indische suiker.

Ondertussen was de Europese beschaving onder invloed gekomen van het suikergenot. In Venetië — dat nu uit Portugal zijn suiker ging invoeren – bood in de eerste helft van de 16e eeuw ieder feestmaal dezelfde overdaad aan versuikerde pronk als de feesten van de kaliefen te Bagdad: suiker werd verwerkt in de vis, in het vlees, in de eieren; men dronk suiker in het water en in de wijn.

Evenzo in Frankrijk: in 1560 constateerde de lijfarts van Frans 1 „dat de zeden zodanig zijn geworden, dat suiker onontbeerlijk is, omdat lieden van enigszins culturele verfijning niets meer nuttigden, wanneer het niet met suikerpoeder bestrooid is”.

En over koningin Elisabeth van Engeland schreef een tijdgenoot: „haar handen zijn zwart, een gebrek, waaraan vele Engelsen schijnen te lijden omdat zij te veel suiker eten.” Zelfs haar voorliefde voor de klassieken liet deze koningin blijken door de keuze harer koks en pasteibakkers, die iedere plumpudding of cake wisten te herscheppen in een kunstwerk, gewijd aan de verwoesting van Troje of de liefde van Amor en Cupido.

Het genot van rietsuiker werd daarmee een verfijnd genoegen dat dikwijls gepaard ging met de studie van de ‘onsterfelijke’ klassieken en hoofdzakelijk Brazilië de grote suikerlanden geworden, in het Oosten de Filippijnen en Java.

Dan verschijnt — in 1747 – in de Berliner Akademie der Wissenschaft een geleerde verhandeling waarin wordt vastgesteld dat in een bepaalde knolsoort suiker aanwezig is, die volkomen gelijk is aan de suiker die uit het suikerriet wordt getrokken, zodat dit ‘zoete zout’ even goed uit onze planten te maken is als uit uitheems suikerriet.

De schrijver van dit stuk, Andreas Sigismund Marggraf, heeft nooit beseft welke revoluties niet alleen op economisch gebied maar ook op politiek gebied – dit geschrift eens zou teweeg brengen. Hij kon dit ook niet vermoeden, want bij zijn dood reeds was het geschrift in de veilige hoede van een Pruisisch archief aan de menselijke vergetelheid prijsgegeven.

Pas 42 jaar later, 1789 – het jaar van de Franse revolutie — worden door Achard, die een leerling was van Marggraf, de eerste proeven genomen die de beweringen van Marggraf bevestigden, en die in 1802 hebben geleid tot de eerste oogst van de bietsuiker. Wij zagen reeds – (zie suiker 1-1) – hoe Napoleon deze uitvinding gebruikt heeft om hiermee Frankrijk onafhankelijk te maken van de overzeese import en daarmee – d.m.v. het Continentaal Stelsel — Engeland economisch te verzwakken.

In 1847 werd door de nieuwe proeven van Valmorin betreffende de verbetering van het suikergehalte in de bietwortel, de economische grondslag gelegd van de ontwikkeling van de bietsuikerindustrie.

De wereldproductie van suiker is sindsdien — 1847 — gestegen van 1 miljoen ton tot 67 miljoen ton (1969).(2018: 195 miljoen ton)  Daarvan (1969) is thans 54 procent rietsuiker en 46 procent bietsuiker. Vóór wereldoorlog II — 1938 — was de wereldproductie

.27 miljoen ton, waarvan 63 procent rietsuiker en 37 procent bietsuiker. In de laatste 125 jaar is dus de productie van de bietsuiker sterk toegenomen in verhouding tot die van de bietsuiker. Daar hebben de protectionistische maatregelen van het ‘continent’ Europa aanzienlijk toe bijgedragen.

deel 1       deel 3

Over voedingsleer in de 7e klas: 7e klas alle artikelen onder voeding

.

Artikelen van A.C.Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

.

1983-1866

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – suiker (3-1/1)

.

In de 7e klas wordt in een periode over de samenhang mens-voeding gesproken.
Daarbij komen ook de zgn. voedings- en genotsmiddelen aan de beurt.
Daaronder valt de suiker.
Suiker speelt in de voedings- en genotmiddeleninustrie een grote rol.
Eb is ook van grote invloed op onze gezondheid.
Telkens worden er weer nieuwe gezichtspunten ontwikkeld. Een van de laatste is de samenhang met de koolhydraten en diabetes 2. 
Veel kinderen blijken te dik te zijn. Ook vanuit dit hygiënische standpunt zal er in de periode aandacht aan moeten worden besteed.

Voor de leerkracht is ook de ‘geschiedenis’ van de suiker interessant.
In het tijdschrift ‘Vrije Opvoedkunst’ staan daarover artikelen van A.C.Henny.
Deze schreef er ook over in het blad Jonas:

A.C.Henny, Jonas 22-06-1973
.

suikerproblemen binnen en buiten het continent europa 

Wanneer in het najaar president Nixon zijn zorgvuldig voorbereide Europa-tour — in verband met een nieuw Atlantic Charter zal afwerken, vinden omstreeks de zelfde tijd te Brussel onderhandelingen plaats tussen de Europese Gemeenschap en 19 Britse Gemenebestlanden over economische problemen. „Hier zal moeten blijken”, zo schreef reeds in maart jl. Irene Hawkins in de Frankfurter
Allgemeine, „of het de E.E.G. werkelijk ernst is met haar vriendelijke woorden tot de ontwikkelingslanden. Met name voor de suikerlanden staat veel op het spel.”

Hier zal dan tevens — in verband met het nieuwe Atlantic Charter — blijken in hoeverre mondiale belangen op economisch gebied al of niet in conflict komen met nationale belangen op staatkundig gebied.

Het probleem dat hier in het bijzonder aan de orde zal worden gesteld is dat tussen ‘riet en biet’, een suikerconflict dat reeds jaren lang zich afspeelt tussen de rietsuikerproducerende ontwikkelingslanden en de bietsuikerproducerende ontwikkelde landen.

Dit probleem is ontstaan met het Continentaal stelsel, waarmee Napoleon in 1806 trachtte Engeland economisch te vernietigen. Hij deed dit, zoals bekend, door Europa af te grendelen van Engelse import. Daardoor zag hij zich genoodzaakt producten uit de tropen zo veel mogelijk te vervangen door Europese producten. Reeds vier jaar daarvóór waren in Pruisen door Achard de eerste proeven genomen met de verbouw van een ‘bepaalde knolsoort’ waardoor het mogelijk zou worden „dit zoete zout evengoed uit onze planten te maken als uit de uitheemse rietsuiker”. Maar Achard had geen geluk met zijn proeven. Er was hiervoor weinig belangstelling. Hij is in grote armoede gestorven.

Wat een Duits geleerde niet was gelukt, werd door een Frans officier volbracht: kapitein Delessert kwam op de gedachte Achards proeven voort te zetten. Behalve met het legioen van eer werden zijn pogingen door Napoleon met een ruime staatssubsidie gehonoreerd. De oorlog met Engeland had suikerbietenteelt plotseling winstgevend gemaakt.
Lang nadat het leger van Napoleon bij Waterloo door Wellington is verslagen en het Continentaal stelsel is opgeheven, is de discriminatie van de rietsuiker ten gunste van de bietsuiker in Europa blijven bestaan. Tolmuren beschermden in de 19e en 20e eeuw de inheemse suikerboeren tegen de suiker uit de koloniën. Dat was niet alieen het geval in Frankrijk maar in bijna alle landen van Europa. Ook na de dekolonisatie is deze protectie van Europese belangen ten nadele van de belangen van de ‘derde wereld’ blijven voortbestaan. In 1969 bedroeg de wereldproductie 67 miljard kilo. Daarvan is 54 procent rietsuiker en 46 procent bietsuiker. Deze laatste kan alleen dankzij hoge tolmuren en subsidies blijven bestaan. Want de Europese bietsuikerproducent kreeg in 1969 nog 80 cent per kilo terwijl de rietsuikerprijs op de vrije wereldmarkt 25 cent bedroeg.

Wij zouden dus als consument veel goedkoper rietsuiker kunnen krijgen wanneer geen machtige pressiegroepen er belang bij hadden de
bietsuikerverbouwers te beschermen!

Rietsuiker die de grens van de Euromarkt passeert, wordt zodanig belast dat het verschil tussen 25 cent en 80 cent wordt tenietgedaan. Uit de grensbelasting van 55 cent per kilo wordt o.a. de subsidie aan de bietsuikerverbouwers betaald.

Een deel van die bietsuiker wordt dan weer naar andere landen buiten de E.E.G. geëxporteerd. Maar op de vrije markt brengt de suiker maar 25 cent op. Om die dure bietsuiker te kunnen exporteren, moet er weer 55 cent subsidie op de uitvoer worden gegeven. Dat kost de Europese Gemeenschap een half miljard gulden aan uitvoersubsidies.

Binnen de E.G. is het bietsuikerhemd dus wel heel wat nader dan de
rietsuikerrok, ondanks alle goede bedoelingen van ontwikkelingsvoorzieningen.

Men kan deze bedragen zien als een premie voor sociale verzekering, die de suikerboeren genieten en die de consumenten en de belastingbetalers moeten opbrengen. Natuurlijk speelt het vraagstuk van de Europese veiligheid hierbij ook een rol. Want in geval van oorlog is het niet prettig ineens binnen de Europese vesting zonder suiker te zitten. Het is dus een soort veiligheidsbelasting die wij als consument opbrengen en die zit ingebouwd in de prijs die wij moeten betalen voor een kilogram suiker onafhankelijk of dit nu rietsuiker of bietsuiker is. Politie en leger kosten immers ook geld.

Maar hierdoor worden allerlei economische en politieke verhoudingen wel erg ondoorzichtig. Want wat wij op de suikerprijs toeleggen mag dan vanuit Europees gezichtspunt onze veiligheid verhogen, vanuit mondiaal gezichtspunt is dit niet het geval. Daar werkt deze handelsdiscriminatie ten opzichte van de ontwikkelingslanden beslist niet ten gunste van vreedzame verhoudingen tussen de volkeren, omdat immers deze handelsdiscriminatie uitermate frustrerend werkt naast de weldaden die Europa bewijst met zijn ontwikkelingshulp.

De toetreding van Engeland tot de E.E.G. heeft deze situatie er ook niet beter op gemaakt. Engeland heeft namelijk aan de 15 Gemenebestlanden bepaalde waarborgen gegeven, jaarlijks 1.75 miljoen ton suiker—waarvan 335000 ton uit Australië — te kopen voor 57 à 61 Pond per ton. Deze Britse garantie geldt voor ongeveer 60 procent van de suikerexport der Gemenebestlanden. Bij de onderhandelingen in het komend najaar zal nu moeten blijken in hoeverre Engeland deze garanties gestand kan doen.

Want nu Engeland is toegetreden tot de E.E.G. bereiden de Franse boeren een suikeroffensief voor om de Engelse markt te veroveren. Frankrijk schat dat binnen twee jaar zijn bietsuikerproductie met 500.000 ton zal worden verhoogd. De Engelse bietsuikerboeren doen daar nog een schepje bovenop van 200.000 ton. Daarmee geraakt de afzetgarantie aan de rietsuikerverbouwers in de Gemenebestlanden behoorlijk in de knel. Het lijkt dus wel of de schim van Napoleon nog steeds bezig is Continentale Stelsels af te kondigen; nu niet vanuit het continent Europa zonder Engeland, maar vanuit het continent Europa met Engeland ….

Deze erfenis van Napoleon komt uitsluitend de blanke bevolking ten goede. De ontwikkelingslanden brengen de successiebelasting op. Europa blijft voorlopig – wat de suiker betreft – een zichzelf verzorgend werelddeel.

In hoeverre deze continentale problemen ook het kwaliteitsvraagstuk van riet en biet en het daarmee verband houdende consumentenprobleem nog een rol kan spelen, daarover in twee volgende artikelen.

.
deel 2   deel 3

Over voedingsleer in de 7e klas: 7e klas alle artikelen onder voeding

.

Artikelen van A.C.Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

.

1982-1865

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/5}

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen. 
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

Achtergrond, De Gelderlander, 14-04-1984
.

kind agressief van tv-geweld

Geweld: mooiste vorm van amusement

The A-Team, van de Tros, is een voorbeeld van een serie met veel geweld, al wordt dit met een knipoog gepresenteerd.

Zo vallen er nooit doden.

Ook al dondert een boef van 20 hoog op een brandende auto; op de een of andere wijze is hij onverwoestbaar.

Om deze reden acht de Tros het juist de serie uit te zenden op een moment dat ook de jeugd er geheid naar kijkt.

Ik heb een willekeurige uitzending van The A-Team geklokt op geweldscenes. Daarvoor moest ik soms de recorder op slow motion zetten, anders was het niet bij te benen. Voor wie het nog niet weet, The A-Team is een groepje Vietnam-veteranen dat weduwen en wezen helpt, maar door het boze leger telkens achtervolgd wordt.

Intro: soldaat uit helikopter. Titel wordt in beeld geschoten met kogels. Terwijl de titel draait, vliegt een auto over de kop, achtervolgen 2 helikopters elkaar, verschijnt een monster, springt Hannibal schietend uit een helikopter, trapt BA een deur in, rijdt een auto door een huis, en race’t een auto het water in.

Dan begint het feitelijke verhaal.
Een juf breekt in bij een computer, twee boeven bespreken het plan om een sjeik met raketten op te blazen, jacht op juf, Murdock schiet als een duveltje uit een doosje uit een vuilnisbak, een pistool in beide handen, bedreigt juf. A-Team in winkel. Kolonel Decker springt met getrokken pistool te voorschijn. Face licht hem beentje, geknok, de kolonel verwoest een etalage-pop in de mening dat het Hannibal is. wordt gevloerd en in de boeien geslagen, ondertussen beschiet het leger de winkel, A-Team er vandoor.

Face bij juf, versieren, 2 boeven vallen binnen, boef schiet door deur in de hoop dat daar Face achter zit, knokpartij, de boeven pakken Face en donderen hem tien hoog de flat uit. (knipoog). Face in zwembad bij mooie meid. even versieren, wegwezen naar zijn A-Team. Face en Murdock weer in de flat, trappen deur in, bedreigen bewakers met pistool, bevrijden juf. Hannibal en BA dringen flat in met pistool en pistoolmitrailleur, terroriseren boeven. BA ramt elektronica en telefoon. The A-Team er vandoor, schietend natuurlijk, de bebouwde kom in, terwijl bewakers schieten naar vluchtauto.
A-Team verbouwt oude helikopter tot gevechtsmachine. Ondertussen stijgt helikopter van boeven op met enkele raketten aan boord. Het decor van de sjeik wordt aan flarden geschoten, luchtgevecht tussen helikopters met grijnzende Hannibal met sigaar in de mond aan de mitrailleur (knipoog), A-Team lokt vijand tegen rotswand, helikopter in vlammen, maar ongedeerd krabbelen boeven uit het wrak (knipoog).

Dit was overigens een vrij tamme aflevering.

The A-Team bevat gemiddeld 46 uitgesproken geweldstaferelen per uitzending.

Met name kinderen zijn er verzot op.

• tv-geweld maakt met name kinderen agressiever. Volwassenen worden er
minder door geraakt.

• Meer dan de helft van de tv-programma’s heeft hard-agressieve momenten.

• Vreemd genoeg is de agressiepiek uitgerekend tussen half 7 en half 8, het kinderuur dus.

• Verbaal geweld, zoals schelden, bedreigen, als in Dallas, wordt door kinderen ook als ‘eng, erg en echt’ ervaren, dus als agressie.

De discussie is al oud. Wordt iemand, die veel geweld op de buis ziet, daar zelf agressiever van? Wat betreft kinderen, is het antwoord volmondig ‘ja’. Wat betreft volwassenen, is zo’n stellige uitspraak niet mogelijk.

Dit blijkt uit internationaal speurwerk. De onderzoekers begonnen in Amerika en keken vervolgens ook naar landen als Australië, Finland, Polen, Israël en Nederland.

Deze zes landen kwamen onlangs in Toronto bijeen op een congres over tv-geweld. En daar werden heel harde noten gekraakt. Zo kwam onder meer een onderzoek ter sprake dat liefst 22 jaren had geduurd. Jongens, die in 1960 veel tv-geweld hadden gezien, bleken tweemaal zoveel misdaden gepleegd te hebben in de 22 jaar daarna dan klasgenoten, die vreedzamere programma’s hadden bekeken.

Vrouwen, die waren opgevoed met een gewelds-menu, sloegen later veel meer hun kinderen. Ieder, die meer dan 6 tot 7 uur per week geweld aanschouwt op het scherm, wordt daar, vaak onwetend, negatief door gevormd. De somberste conclusie, die overigens niet door iedere onderzoeker gedekt wordt, is dat de eerste – met tv-opgevoede generatie de gewelddadigste is uit de moderne geschiedenis. Moderne Amerikanen vermoorden elkaar 300% meer, en randen 500% meer aan dan figuren van zeg maar voor de jaren vijftig. Er wordt 600% meer geslagen, en deze cijfers nemen toe. Benauwend perspectief is, dat juist de jeugd het meeste tv kijkt in Amerika.

De Brit Belson volgde een half jaar lang 1565 jongens van 12 tot 17 jaar. In strikt vertrouwelijke interviews vroeg Belson aan de jongens waar ze naar gekeken hadden en aan welke agressie ze zich in die tijd schuldig hadden gemaakt. Toen bleek, dat de jongens in dat half jaar gemiddeld zes ernstige geweldsdaden hadden gepleegd, variërend van het vernielen van een telefooncel tot diefstal, aanranding en schieten met een pistool.

Opmerkelijk was, dat in de jongste categorie (tot 15 jaar) het geweld het hevigst was. Dit deed zich overigens in alle sociale lagen voor. En Belson constateerde, dat jongens met een hoog ‘agressie-dieet’ zich aan meer geweld bezondigden dan diegenen, die daar minder naar gekeken hadden.

Andere onderzoekers kwamen er achter dat het bij jonge kinderen weinig uitmaakt of het geweld realistisch is (een gangster-of cowboyfilm) dan wel onrealistisch (Popeye, Tom en Jerry enz.).

Bij volwassenen gaat dat laatste niet op. Twee groepen studenten kregen een oorlogsfilm te zien. Groep A kreeg te horen, dat het een documentaire gold en de andere, dat het maar een Hollywood-film was, waarvan het geweld in scène was gezet.

Men deed het dus voorkomen of het realiteitsgehalte in het laatste geval veel kleiner was, terwijl het toch om dezelfde film ging. De zogenaamde realistische film bleek beduidend meer agressie uit te lokken dan de als niet-realistisch aangeboden oorlogsfilm.

Ook in Nederland werd en wordt onderzoek gepleegd. De onderzoekers Oene Wiegman en Ben Baarda analyseerden 117 programma’s in Nederland. In tegenstelling tot de Amerikanen gingen de Nederlanders ook na of lief, aardig, vriendelijk gedrag op het scherm ook aanstekelijk werkt. En dat is inderdaad het geval.

Helaas kwam er in die 117 programma’s veel meer agressie voor dan lief gedrag. Bovendien laat Hilversum uitgerekend op het kinderuurtje veel geweld zien. In 60% van de programma’s vóór 9 uur kwamen gewelddaden voor, tegen 36% van de programma’s daarna.

Op dit ogenblik volgen de Nederlandse onderzoekers het kijkgedrag van 500 kinderen. In een willekeurige week kwam het team tot de volgende balans: in die week stierven er 14 mensen gewelddadig op de buis, werden er 399 geslagen, geschopt, bedreigd. 291 mensen werden uitgescholden, afgekraakt enz. Dit gebeurde 584 maal door mannen en 106 maal door vrouwen.

In diezelfde week werden er 338 mensen geknuffeld, aangehaald, omhelsd. 294 mensen werden getroost. Dit gebeurde 414 maal door mannen en 218 maal door vrouwen.

Neem series als Dallas en Charley’s Angels. Bij de Angels wordt gemiddeld 9 keer per half uur iemand gekwetst, in Dallas slechts 5 keer. Is Dallas dan minder agressief? O nee, zeggen de onderzoekers. Want er is nog zoiets als verbale agressie.

In Dallas wordt er gemidddeld 14 keer per half uur iemand beledigd, uitgescholden of bedreigd, bij Charley en zijn engeltjes slechts 7. keer. Kortom, bij Charley komt 2 maal zoveel fysieke agressie voor als bij Dallas, maar de club van JR roert wel dubbel zo vaak op kwetsende wijze de mond. En de onderzoekers gingen met hun cijfers en apparaatjes het veld in.

Ze ondervroegen 167 vierde, vijfde en zesde-klassers over Charley en Dallas. 66% van de kinderen vond Dallas ‘erger’ dan Charley. Slechts 10% vindt Dallas onzin, en daardoor irreëel, en hetzelfde geldt voor Charley. Hoe dan ook, zeggen de onderzoekers: ‘Erg, eng en echt’ hebben hoge amusementswaarde.

Een van de Nederlanders, die al jaren bezig zijn met onderzoek naar tv-geweld en kinderen, de psycholoog drs. Ben Baarda, is overigens niet zo somber gestemd als zijn Amerikaanse collega’s: „TV kan ook positief uitpakken. En het ligt er ook aan in welk milieu je tv kijkt.

Als je naar het A-Team kijkt naast een vader, die telkens schreeuwt „Schiet hem kapot”, dan reageer je anders dan bij een vader, die dat allemaal hoofdschuddend en ironiserend aanschouwt.

Wij hebben niet alleen de agressie nagegaan, maar ook het pro-sociale gedrag: aardig zijn, knuffelen, een vriendelijk woord over hebben enz. Dat hebben de Amerikanen niet in hun onderzoek betrokken. Onze bevindingen zijn daarom genuanceerder dan die van de Amerikanen.”

Waarom, vraagt Baarda zich enigszins verbeten af, brengt Hilversum niet wat meer positieve programma’s? ‘Fame‘, misschien niet groots, maar wel aardig, is volgens Baarda een voorbeeld van een serie, waarin mensen proberen samen te werken, iets gemeenschappelijks op te bouwen. En ook ‘Fame’ heeft een hoge amusementswaarde. En veel actie.

„De TV gaat normen verleggen. Neem bejaarden, die nooit meer de deur uitkomen, want van het vele kijken naar de tv krijgen ze de indruk, dat de wereld gevaarlijk is. Zware tv-kijkers zijn minder geneigd het goede te zien,”

Drs. Baarda neemt een avondje TROS onder de loep. „Neem de vrijdag. Dat begint met het zeer gewelddadige A-Team, gemiddeld 46 geweldsdaden per uitzending. En daarna, na achten, krijgen we opeens die vriendelijke Mounties of de Showbizkwis. Op het eind is er dan ‘Harten Twee’, de volwassen-variant van The A-Team.”

Juist kinderen zijn het ontvankelijkst voor tv-geweld: „In Utrecht lieten we kinderen een poppenfilm zien. Daar waren drie versies van: een neutrale, een agressieve en een vriendelijke. En het kind dat gekeken had moest aan een peuter in de wieg een masker tonen. Daar hadden we er twee van: een vriendelijk konijn en een lelijke heks.

Van tevoren hadden we tegen de kinderen gezegd dat de peuter zou gaan huilen als hij het heksenmasker zag. Nou, kinderen die de agressieve film hadden gezien, lieten veel meer de heks zien dan het konijn.”

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen

.

1981-1864

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (21)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Patricia Wessels in Weleda Puur Kind, herfst 2004, nr.14

Voor een baby heeft veiligheid de geur van mama, die hem koestert, voedt, troost en sust. Maar ook het vertrouwen dat je als ouder hebt in jezelf, in je kind en in de goede afloop van de dingen, zorgt voor een gevoel van veiligheid. Pas als die basis goed is, kan de fysieke afstand tussen kind en ouder geleidelijk groter worden, zonder dat het kind onzeker wordt. Elke nieuwe stap in het loslaten kan spannend zijn voor kind en ouder. De eerste logeerpartij, kan zo’n mijlpaal zijn. Juist bij het inslapen, zijn kinderen vaak gehecht aan hun eigen ‘ritueel’: de vertrouwde stem van mama die een liedje zingt, haar manier van strelen bij het ‘welterusten-kusje’ en de juiste laatste woorden. Want om je aan de slaap te kunnen overgeven, moet je je veilig voelen. Het is heel wat als je ’s avonds voor het eerst moet inslapen in een ander huis, met onbekende geluiden in het donker en zonder papa of mama in de buurt. Leuk, omdat je al zo groot bent, en eng, omdat je nog maar klein bent.

Welterusten, Beer Baboen

Ook Welterusten, Beer Baboen van Bette Westera is een op rijm geschreven logeerboek waarin Willem Wout met zijn knuffelbeer Baboen bij oma gaat logeren. Wout heeft het naar zijn zin, maar beer voelt zich onbehaaglijk, zeker als ze in bed zijn gestopt en het licht uitgaat. Hij ziet van alles in het donker en wil naar beneden. Willem Wout geeft hem een stevige hand en gaat de lange trap af naar oma:

‘Ik kan niet slapen, oma Antje, Beer Baboentje wil naar huis.’ ‘Ach die beren toch’, zegt oma. Ze verzint er iets op: ze gaan met z’n drieën in haar bed liggen. En dan kan de beer wel slapen. Peuters en kleuters zullen die beer wel begrijpen.

Doordat veel ouders beiden werken, zie je steeds vaker dat grootouders inspringen en bijvoorbeeld op een vaste dag in de week de verzorging van de kleinkinderen op zich nemen. Zo kan er een intensieve band met de grootouders ontstaan. Ook het huis van oma kan, net als de eigen omgeving, een vertrouwde plek worden. Veel kinderen zullen er genoegen aan beleven eerst een rondje door oma’s huis te maken voor ze gaan spelen Elke vertrouwde kamer wordt dan weer betreden en alles wat er leuk of mooi is opnieuw bekeken, aangeraakt en eigen gemaakt.

.

Bette Westera
Ill.: Suzanne Diederen

vanaf 3 jr.

Boek:

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1980-1863

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 (1-4-2)

.

100 jaar geleden hield Rudolf Steiner deze dagen – 19 aug. t/m 6 sept. 1919 – zijn voorbereidende voordrachten voor het onderwijs op een vrijeschool, toen nog de enige: de Waldorfschule in Stuttgart. → Algemene menskunde alle artikelen

In de 1e voordracht wees hij al op de maatschappelijke achtergronden van de tijd net na de Eerste Wereldoorlog.
Maar die verwijzing had een veel groter perspectief: iedere tijd heeft zijn eigen opgave, waarbij ‘tijd’ door Steiner werd gezien als grote fasen die elkaar afwisselen. 
De ‘nieuwe tijd’ was voor hem al begonnen in de 15e eeuw, met het opkomen van het materialisme. Daarin dreigde de mens als geestelijk wezen gereduceerd te worden tot machine (de La Mettrie), in onze tijd tot ‘zijn genen’ of ‘zijn brein’.

Steiner stelde daar een andere mensopvatting tegenover: de mens niet alleen als fysiek wezen, maar bovenal als een wezen met een geest en een ziel.

Een wezenlijke karakteristiek van de vrijeschoolpedagogie is wegen te vinden die ertoe leiden dat lichaam, ziel en geest de optimale mogelijkheid krijgen zich harmonieus te ontwikkelen. 
Dat dit mogelijk is, heeft de vrijeschoolpedagogie de afgelopen 100 jaar bewezen en Steiners gezichtspunten zijn bij lange na niet tot in de uiterste finesses uitgewerkt. Die 100 jaar is geen brevet van ‘achterhaald’, maar op vele vlakken slechts een begin van wat er op basis van de antroposofische gezichtspunten over de ontwikkeling van kinderen tot volwassenen nog allemaal mogelijk is en wat er tegen de achtergrond van de ‘kleine’ tijd waarin we nu leven, zou moeten gebeuren.

Wijlen Christoph Lindenberg, vrijeschoolleraar en auteur van o.a. ‘Geschichte lehren’ (deels op deze blog vertaald), schreef in 1972 een artikel in het blad Jonas , waarin achtergronden werden geschetst van het leven van die tijd. Lindenberg overziet historisch een aantal revoluties, maar pleit eigenlijk voor een revolutie in onze tijd die in onszelf plaatsvindt: anders waarnemen, anders denken.
.

Christoph Lindenberg, Jonas -04-03-1972
.

Wat kunnen we doen ?

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring

Nog is er niets gebeurd; nog kan men zich terugtrekken in een dal van de Hoge Alpen in een „gezonde” natuur om uren- en dagenlang de bedreigingen van onze beschaving te vergeten, te verdringen — waarom ook niet, als men uit de stilte en schoonheid van die oases kracht en moed voor het dagelijkse leven meebrengt. Wie de wereldsituatie echter goed beschouwt en de tijdstendensen volgt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ontwikkelingslijnen steeds duidelijker op komende crisissen en catastrofes wijzen. Zo iets schrijft men niet graag neer en zeer zeker niet zonder zorg. Het woord catastrofe gebruik ik bepaald met tegenzin, want met „paniekzaaien” is niemand geholpen. Maar de tekenen des tijds zijn zo overduidelijk, dat men wel blind moet zijn om ze niet te zien.

Zelf zie ik de volgende hoofdproblemen, die stuk voor stuk belangrijk genoeg zijn om de mensheid in haar bestaan te bedreigen of haar ontwikkeling eeuwen terug te zetten:

• De bevolkingsexplosie en de ten gevolge daarvan dreigende hongercatastrofe, die tot ernstige conflicten tussen het noorden en het zuiden kan leiden.

• De dreigende milieuvernietiging en -vergiftiging.

• De wedkamp der supermachten USA, Rusland en China, die reeds door een fout in het communicatiesysteem tot een oorlog opgevoerd kan worden.

• De zelfvernietiging der steden die een duizenden jaren oude stadscultuur dreigt te verstoren, wat een enorm sociaal onheil met zich brengen kan.

• De ongeremde exploitatie van de verstandelijke vermogens van de jeugd door de machinerie van het intellectualisme (geprogrammeerd leren, het vervroegd leren lezen, enz.)

• Het verval van de oude — alleszins problematische — moraal, zonder dat nieuwe en betere gedragsregels ervoor in de plaats komen.

Gesteld tegenover deze problemen, die men nog zou kunnen aanvullen en illustreren, komt de vraag in ons op: „Wat kunnen we doen! ” Deze vraag dringt zich vooral aan ons op, omdat men van mening is, dat degenen die de verantwoording dragen niet genoeg en niet het juiste zouden hebben gedaan. Het meest verbreide antwoord op de vraag „Wat te doen” is kort en bondig: revolutie, omwenteling! De onderlinge betrekkingen, de omstandigheden moeten veranderd worden als men werkelijk wat bereiken wil. Pas als het kapitalistische stelsel en de bureaucratische staat geliquideerd zijn, is er een kans om een nieuwe, betere maatschappij en een nieuwe mens te vormen. Revolutie betekent: radicaal opnieuw beginnen, het kwaad bij de wortel aanpakken door de oorzaken van de huidige misstand te verwijderen. En de oorzaken liggen, zo meent men, in de omstandigheden, in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Wie draagt de schuld van de milieuvernietiging: het op voordeel beluste „kapitalisme”! Wie verdient aan de oorlogen? Het „kapitalisme”! Wie wil reeds de kinderen op de omgang met machines africhten? Het machtbegerende „kapitalisme”, dat zich een gedwee volk kweekt! —Het is de materialistische interpretatie die meent met de wijziging van de omstandigheden — dus in ons geval met de liquidatie van het kapitalisme en imperialisme — de problemen zelf te kunnen oplossen en zo ook de mensen te kunnen verbeteren.

REVOLUTIE

Het is de revolutie die de gewenste grote en ingrijpende verandering in de omstandigheden brengt. Vatten we nog eenmaal kort de geschiedenis van de revolutie samen, om ons een beeld te vormen van de historische praktijk van deze wereldverandering. De revoluties treden in de latere tijd in de plaats van die bewegingen die het „goede oude” wilden herstellen: in de middeleeuwen was het de Renovatie; daarna volgden de Renaissance en de Reformatie. Ook de eerste grote revolutie van de nieuwe tijd, de Engelse, begon nog als een beweging tot herstel van het goede oude recht der Magna Charta (waarin men zijn eigen wensen geïnterpreteerd had), maar na een zestig jaar durende strijd had men tenslotte „de glorierijke revolutie” volbracht, en aan staat en maatschappij een nieuwe ordening gegeven. Zonder plannen gemaakt te hebben en zonder theorie had men de revolutie haast instinctief ten uitvoer gebracht.

Anders verliep de revolutie in Frankrijk: men wist dat er een revolutie zou komen. De gedachten van Montesquieu (machtenscheiding) en Rousseau (gelijkheid) vormden een theorie die de gebeurtenissen hun richting gaven. Met het geweld van een natuurgebeuren brak dan echter de revolutie toch in wezen onvoorgenomen en ongewild los en verzwolg niet alleen de Royalisten en Girondijnen, maar ook haar eigen bijzonderste kinderen, Marat, Danton en Robespierre. Niet de ideale deugdzame mens, die Robespierre en Rousseau zich hadden voorgesteld, werd uit de Franse Revolutie geboren, maar Napoleon, de code civil (het Burgerlijk Wetboek) en — de burgerlijke samenleving van de negentiende eeuw.

Door het voorbeeld der Franse Revolutie en de kleinere die daarna nog kwamen tot aan de opstand van de Parijse Commune besefte men, wat revolutie eigenlijk was. Karl Marx voorspelde de komende revolutie. Lenin was dat niet genoeg: hij beraamde plannen en voerde tenslotte de revolutie uit.
Met het „uitvoeren” van de revolutie is een wereldhistorisch gewichtig stadium in de geschiedenis der mensheid bereikt: men maakt geschiedenis, plannen en sociale gebeurtenissen volgens bepaalde theorieën. De mensheid overschrijdt zo de drempel van de van buitenaf bepaalde „menselijke geschiedenis”.

Lenin merkte zelf al in de laatste jaren van zijn leven, dat zijn revolutie haar doel niet bereikt had. Weliswaar had hij gepoogd de oude staat, het oude leger en de bureaucratie te vernietigen en was het kapitalisme geliquideerd, maar uit alle hoeken en gaten van de Sovjetstaat kroop de oude bureaucratie tevoorschijn; al spoedig vormde zich, zoals Milovan Djilas het raak gekarakteriseerd heeft, een „nieuwe klasse” van functionarissen, en uiteindelijk bedreef de nieuwe Sovjetstaat de oude imperialistische politiek van Rusland. Men had iets nieuws willen brengen maar was ongewild weer in het oude beland. Ook al herkent men de prestaties van de Sovjetunie volledig, dan kan men nochtans de mening zijn toegedaan dat in de Sovjetstaat een technocratische kaste van functionarissen heerst over een kleinburgerlijke samenleving.

MAO TSE-TUNG

Vanuit dit aspect moeten we de door Mao Tse-tung in scène gezette grote Chinese cultuurrevolutie beschouwen. Nadat in 1949 de volksrepubliek China door een boerenrevolutie gegrondvest was, begon na een twintigjarige burgeroorlog een fase van kalmering en consolidering, en dat was de aanvang van een nieuwe verburgerlijking. Hoge posten werden bekleed door academici; letterkundige en wetenschappelijke examens openden de weg daartoe, zoals dat ten tijde van het confucianisme ook het geval was. Zo dreigde weer een klasse van functionarissen, litteratoren en technici te ontstaan.
Doordat men in China het gehele examensysteem en de inschrijving van studenten afschafte en in de opvoeding elke theoretische opleiding met praktisch werk verbond, begon er een heropvoedingsproces dat klassenvorming en verburgerlijking verhinderen moet. De terugkeer der mandarijnen is door de proletarische cultuurrevolutie zeker verhinderd. Of echter de cultuurrevolutie werkelijk een spontane, vrije, scheppende beweging van de revolutionaire massa’s of de grootste massa-indoctrinatie en geestelijke gelijkschakeling aller tijden geweest is, dat zal de toekomst ons moeten leren. — Eén ding laat het verloop van de revolutie in China ons in elk geval zien: de revolutie is geen eenmalig gebeuren meer; volgens de woorden van Mao is het zelfs als voortdurend omvormingsproces van mens en milieu gedacht.

NIEUWE ORDENING

Duidelijk komt in de volgende vragen de problematiek van de revolutie naar voren, namelijk: „Wat wil ze in de plaats van de oude ordening stellen? ” en „Hoe brengt ze een nieuwe ordening tot stand? ” De Franse en de Russische revolutie hebben in wezen het vraagstuk van de nieuwe ordening en van de nieuwe mens niet opgelost, maar alleen op bepaalde gebieden ingrijpende veranderingen gebracht.
De Chinese cultuurrevolutie, wat voor een zonderlinge en avontuurlijke indruk ze ook op de Europese waarnemer maken mag, heeft in elk geval een belangrijk probleem herkend en geformuleerd: „De uitbuitende klassen werden ontwapend — maar hun reactionaire ideeën blijven stevig in hun hoofden vastgeworteld. Wij hebben hun eigendom in beslag genomen, maar hun hoofden kunnen we niet van reactionaire gedachten bevrijden.”

Om de hoofden nieuwe gedachten in te prenten, begon men de cultuurrevolutie en men prijst nu in heel China de „gedachten van Mao Tse-tung”, omdat men heeft ingezien dat het handelen van de mens door zijn gedachten bepaald en geleid wordt, en men laat de intellectueel lichamelijke arbeid verrichten opdat hij uit de praktijk nieuwe gedachten zal opdoen. De revolutie wordt op deze manier tot opvoedingsproces. Mao weet dat alleen daar een nieuwe wereld, een nieuwe ordening kan ontstaan, waar nieuwe gedachten zijn.
Daarmee krijgt de gedachte, de idee, een betekenis die in de materialistische interpretatie van de geschiedenis in het geheel niet was voorzien. Naast de verandering van alleen de omstandigheden komt de verandering van de mensen en hun gedachten te staan.
Reeds in een geschrift uit het jaar 1845 kan men lezen: „De materialistische leer van de verandering der omstandigheden en der opvoeding vergeet, dat de omstandigheden door de mensen moeten worden veranderd en dat de opvoeder zelf moet worden opgevoed. Om de samenleving te kunnen doorgronden, moet ze in twee delen worden gezien, waarvan het ene deel boven het andere verheven is.”
Deze woorden uit de stellingen over Feuerbach van Karl Marx geven een tweevoudig dilemma aan: Wanneer de omstandigheden — of de opvoeding van de mens — door iemand worden veranderd die niet al zelf veranderd is, die niet al zelf „een nieuwe mens” is, dan moet men zich niet verwonderen als alle, zij het ook met nog zo veel vlijt aangebrachte verandering, tenslotte alleen het oude reproduceert, omdat telkens de verkeerde manier van denken der vaders weer binnensluipt en zich ermee vermengt.

Aan de andere kant vraagt Marx met recht: Welk deel van de samenleving heeft het recht zichzelf boven de ander te verheffen en hem op te voeden? Alleen de reeds volbrachte zelfopvoeding van een enkeling of van een groep mensen kan de bevoegdheid geven om de omstandigheden te veranderen! Men kan de mensheid niet de chaotische wensen van zijn eigen door het kapitalisme gevormde wezen als revolutionair programma aanbieden. Wel moet deze zelfopvoeding ook werkelijk praktisch zijn, een proces dat zich midden in het maatschappelijke leven van onze tijd afspeelt en daarin voldoet. Dan zal namelijk de omvorming van onszelf niet abstract zijn maar zich tegelijkertijd bezighouden met de verandering van de wereld. Dat weet ook Karl Marx. Hij hecht er veel waarde aan dat het allebei, de verandering van de wereld die van onszelf, op dezelfde wijze en in dezelfde mate zal gebeuren, dat het samenvalt: „De gelijktijdigheid van zowel de verandering van de omstandigheden als van de menselijke bemoeiingen om zichzelf te veranderen, kan alleen als revolutionaire praktijk gebracht en rationeel, op wetenschappelijke feiten gebaseerd, worden begrepen.

RATIONEEL

Waar kan zo’n revolutionaire praktijk rationeel beginnen? Vele „revolutionairen” uit onze dagen menen: in de dagelijkse politieke strijd. Dat leidt echter, zoals de ervaring ons heeft geleerd, alleen tot een hier en daar proberen, tot onrust en tenslotte tot berusting. De werkelijke revolutie neemt een ander uitgangspunt: ze begint met een verandering van het eigen denken. Normalerwijze wenden we onze gedachten net zoals ze in ons opkomen aan, om de wereld te beoordelen. Daarbij besturen zowel denkgewoonten als antipathie en sympathie onze meningen. Hebben we ons eenmaal het denkbeeld gevormd dat bv. het materialisme de juiste wereldbeschouwing is, dan zullen we alle gedachten en redenen met ons denken erbij sleuren om deze mening te ondersteunen. Ons denken is dan in één richting geprogrammeerd.

Daartegen helpt slechts één ding: zich tegenover zijn eigen denken plaatsen en het observeren. Met de waarneming en controle van de eigen gedachten begint de werkelijke zelfbevrijding van de mens, die een omwenteling in zijn bestaan betekent. Dit is geen theoretisch probleem, maar een voortdurende praktische opgave: Inzicht te verkrijgen in de gedachten en motieven die de eigen denkbeelden en daarmee ook het eigen handelen bepalen. Hiermee begint het proces van de zelfbevrijding. En dat is bepaald geen genoegen, want op hetzelfde moment waarin men ophoudt instinctmatig en volgens gewoonte over alles te oordelen, wordt men om te beginnen onzeker, men begint te vragen.

Dat is al een enorme vooruitgang, want de vraag leidt tot beter en misschien ook onbevangener observeren.

Zolang men nog instinctief gewoon „erop los” dacht, wist men op alles een antwoord. Vooral als er in menselijke relaties iets verkeerd ging, was het meteen duidelijk waar dat aan lag. De van zichzelf overtuigde zocht de schuld bij de anderen; de ander, moedeloos geworden, stelde — al even onproductief — vast: mij lukt ook nooit iets. De werkelijke oorzaken opmerken, dat kan alleen hij wiens denken niet geprogrammeerd is. Wie zich vragend aan de verschijnselen weet over te geven, leert uit de praktijk van het leven. Hij krijgt dan ook vanuit de omgang met de mensen en dingen nieuwe gedachten. De theoretici van het marxisme hadden gedacht dat de bevrijde klasse der proletariërs vanzelf wel voor de nieuwe gedachten en nieuwe sociale vormen zouden zorgen. Rosa Luxemburg bv. geloofde dat het revolutionerende proletariaat de intuitiebron zou zijn, waaruit nieuw denken en nieuw willen geboren zouden worden. Bij een dergelijke opvatting wordt vergeten dat ook het als een mythe vereerde proletariaat het bedorven, in verval geraakte voortbrengsel is van een
burgerlijk-kapitalistische samenleving. Het denken van dit proletariaat — voor zover dat tenminste nog bestaat — is door de gedegradeerde vormen der burgerlijke wetenschap geblokkeerd. In werkelijkheid heeft het revolutionaire proletariaat in het geheel geen nieuwe vormen en ideeën voortgebracht, maar werd het integendeel door een kleine groep burgerlijke beroepsrevolutionairen bestuurd en aan de leiband gehouden.

ERVARING

Anthroposofie stelt zich ten doel, de weg naar nieuwe gedachten en sociale vormen werkelijk vrij te maken, en ze heeft in de afgelopen tientallen jaren weliswaar niet genoeg maar toch van alles gepresteerd wat de aandacht verdient. Deze wereldbeschouwing doelt geenszins alleen op verinnerlijking en zelfopvoeding, maar in dezelfde mate op wereldhervorming. Voor haar begint echter de praktijk der verandering met de verandering van het praktische denken.

In de kennisleer van Rudolf Steiner wordt dat volkomen duidelijk: de eerste schrede naar het verkrijgen van inzicht is een poging om tot rechtstreekse ervaring en waarneming te komen. In het dagelijks leven hebben we om twee redenen geen directe ervaringen. Enerzijds omdat we datgene waarmee we in aanraking komen altijd beschouwen vanuit abstracte gezichtspunten: als het om een mens gaat dan vinden we hem dom of knap, vriendelijk of hatelijk, sympathiek of onsympathiek, en zo vormen we oordelen die al van te voren onder de dictatuur van bepaalde begrippen staan, begrippen die nergens aan getoetst zijn en waarvan de gegrondheid twijfelachtig is. Erger is echter dat deze abstracte brillen ons verhinderen tot werkelijke ervaring te komen. Anderzijds zorgt heden ten dage de technische wereld om ons heen ervoor dat mensen steeds minder werkelijke ervaringen kunnen maken. In vroeger tijden werden de meeste mensen door hun werk in weer en wind en met ploeg en hamer wezenlijk met de dingen vertrouwd. Men ondervond de gevolgen van het eigen bezigzijn lichamelijk. Tegenwoordig beschermen we ons niet alleen als we ons bv. in het wegverkeer begeven, met een stalen pantser dat we auto noemen, we zijn ook bij de uitvoering van ons dagelijks werk tegen vele gevolgen „verzekerd”.

Het is echter noodzakelijk dat wezenlijke ervaringen gemaakt en dat deze ervaringen ten volle innerlijk doorleefd worden. Pas dan kan de mens ertoe komen dat hij spontaan vanuit eigen beleven en ervaren zichzelf uitspreekt. Directheid, spontaniteit, vrijheid, het zijn geen geschenken van de natuur, zij moeten door bewuste scholing worden voorbereid.

NIEUWE GEDACHTEN

Hoe ieder afzonderlijk zoveel mogelijk ervaringen kan opdoen, is moeilijk in het algemeen te zeggen. Maar zoveel is wel duidelijk: Men kan ernaar streven met zoveel mogelijk mensen een innerlijk levendige ontmoeting te hebben, en ook onaangenaam lijkende ontmoetingen niet uit de weg te gaan.

Verder kan men ervoor zorgen niet in een sleur te verstarren door heel bewust nieuwe werkzaamheden en taken op zich te nemen, ook die waarvoor men niet „geschikt” is. Zelfs de vakantie kan men daartoe gebruiken, door niet alleen zo maar op reis te gaan maar door zich in ander werk, onder andere mensen te hervinden, zich werkelijk te her-stellen, zichzelf op een nieuwe plaats te stellen. Uiteindelijk dienen alle oefeningen waarbij de geest geschoold wordt, ter vermeerdering van de ervaring. De controle der eigen gedachten is daarentegen een oefening die iedereen in de eerste plaats alleen te verwerken heeft. Hierbij gaat het erom niet volgens het gebruikelijke patroon te denken. Niet te vragen: wat was goed — wat was verkeerd — maar zich onbevangen aan de verschijningen over te geven en te vragen: wat is dat?

Werkelijk nieuwe gedachten komen vaak niet in ons op, omdat we al een bepaalde opvatting over het probleem hebben, omdat we al weten — of beter: denken te weten —, wat er moet gebeuren. Als men echter al weet wat er aan de hand is en wat men te doen heeft, kan men het verschijnsel niet meer onbevangen waarnemen. Alleen daar waar het is gelukt de situatie onbevangen, met open vragende ziel innerlijk te doorleven, alleen daar treden intuïties op.

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring; uit het zuivere waarnemen ontstaat de zuivere en nieuwe gedachte. Men zal zo weliswaar niet direct met het oplossen van alle aan het begin genoemde wereldvragen kunnen beginnen, maar wel kan men iets reëlers doen: men zal kunnen beginnen met handelen, met werken, en in deze arbeid legt men kiemen, die zich verder kunnen ontwikkelen.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

1979-1862

.

.

.

..