.
De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond.
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, b.v. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)
Blz. 26
4. Staatliche Schulbehörden
In derselben Zeit, in der die Dreigliederungsbewegung mit ihrer Forderung nach völliger Loslösung alles Schulwesens vom Staate in vollstem Gange war, im Sommer 1919, wurde als ein Beispiel einer staatsfreien Schule die Entstehung der Waldorfschule vorbereitet.
Aber die staatlichen Schulgesetze waren ja noch keineswegs außer
Kraft gesetzt, die staatlichen Schulbehörden bestanden noch, und so
mußte die Genehmigung der neuen Schule in Verhandlung mit ihnen
erreicht werden.
Der Zeitpunkt für diese Verhandlungen war so günstig wie niemals
vorher oder nachher. Der alte Obrigkeitsstaat mit seiner festgefügten
Beamtenhierarchie war durch den Umsturz vom November 1918
von Grund auf erschüttert. An die Stelle der alten, konservativ denkenden Minister, waren die durch die Revolution heraufgekommenen getreten, die für neue Ideen und Initiativen sehr viel zugänglicher waren. Der Kultusminister Heymann war Sozialdemokrat. Auf der anderen Seite war die Zeit vom November 1918 bis zum Sommer 1919 viel zu kurz, als daß schon alle Schulgesetze hätten im sozialistischen Sinne umgeformt sein können.
4. Overheid
In de zomer van 1919, op hetzelfde moment dat de Driegeledingsbeweging in volle gang was met haar eis om het schoolsysteem volledig los te koppelen van de staat, werd als voorbeeld van een staatsvrije school de waldorfschool voorbereid.
Maar de staatsschoolwetten waren nog lang niet afgeschaft. De onderwijsoverheid bestond nog steeds, en dus moest de goedkeuring van de nieuwe school door te onderhandelen, worden verkregen.
De tijd voor deze onderhandelingen was gunstiger dan ooit daarvoor of daarna. De oude autoritaire staat met zijn stevig gevestigde hiërarchie van ambtenaren was grondig door elkaar geschud door de omwenteling van november 1918.
De oude, conservatieve ministers waren vervangen door mensen die door de revolutie waren opgeklommen en veel meer openstonden voor nieuwe ideeën en initiatieven.
De minister van Onderwijs, de heer Heymann, was een sociaaldemocraat. Aan de andere kant was de periode van november 1918 tot de zomer van 1919 veel te kort om alle schoolwetten in een socialistische geest te herschikken.
Die neue Reichsverfassung, die auch Bestimmungen über die Schulen enthalten sollte, war noch nicht in Kraft. So galt in Württemberg noch wie bisher ein Schulgesetz vom Jahre 1836. Es war wohl 1909 in manchen Punkten
geändert worden, aber gerade die Artikel, die sich auf Privatschulen
bezogen, waren tatsächlich noch die von 1836. Und diese Artikel waren so weitmaschig wie in keinem anderen deutschen Lande.
Rudolf Steiner hat den Kultusminister niemals in Zweifel gelassen, daß er grundsätzlich keineswegs gewillt war, von seiner Forderung nach einem vom Staate losgelösten Schulwesen auch nur einen Schritt zurückzugehen. Er hat dem auch deutlich Ausdruck gegeben durch den Namen Freie Waldorfschule. Aber mit den tatsächlich bestehenden Rechtsverhältnissen war nicht anders als durch Kompromisse zurechtzukommen (1/61). Sie mußten nur als solche
unmißverständlich ausgesprochen werden. Und das geschah.
Dieser Kompromisse waren es vor allem drei:
De nieuwe grondwet, die ook bepalingen over scholen zou bevatten, was nog niet van kracht. In Württemberg bijvoorbeeld was een schoolwet uit 1836 nog steeds van kracht. Die was wel in 1909 op een paar punten veranderd, maar juist de artikelen met betrekking tot privéscholen waren daadwerkelijk nog van 1836. En in deze wetsartikelen zaten veel meer gaten dan in enig ander Duitsland.
Rudolf Steiner liet er bij de minister van Onderwijs geen enkele twijfel over bestaan, dat hij geenszins bereid was ook maar een stap terug te doen van zijn eis voor een schoolsysteem los van de staat. Hij drukte dit ook duidelijk uit
door de naam Freie Waldorfschule. Maar door de bestaande
rechtsverhoudingen konden alleen een compromissen worden gesloten (1/61). Ze moesten alleen ondubbelzinnig als zodanig worden uitgedrukt. En dat gebeurde ook.
Er waren drie compromissen in het bijzonder:
Blz. 27
a) Im Artikel 26 jenes Gesetzes von 1836 hieß es: ,,Privatanstalten können, wenn die Benützung derselben von dem Besuche der öffentlichen Volksschule befreien soll, mit Genehmigung des Oberschulrates errichtet werden.” Eine solche, wenn auch wie üblich nur vorläufige Genehmigung wurde damals bald gegeben; die endgültige erfolgte nach einer ersten Inspektion (1/273) erst am 8. März 1920.
Aber weil durch die Genehmigung die Waldorfschule der staatlichen
Schulaufsicht unterstand, mußten an ihr auch später die üblichen Revisionen durch den Schulrat abgehalten werden.
b) Im weiteren Text jenes Gesetzesartikels heißt es: ,,. . . es dürfen dabei nur Lehrer, welche diese Behörde nach Kenntnissen und Sittlichkeit für befähigt erkennt, angestellt werden.” Es wurde von den künftigen Waldorrlehrern nicht die Ablegung einer staatlichen Lehrerprüfung verlangt, und tatsächlich besaßen von den zwölf Lehrern, die zu Beginn der ersten Konferenz vom 8. September 1919 genannt werden (1/65), nur drei bis vier ein solches Zeugnis. Diese Lehrer mußten alle einen ausführlichen Lebenslauf einreichen und sich im
Ministerium persönlich vorstellen (1/64), aber sie wurden sämtlich ohne weiteres ,,für befähigt erkannt”.
a) Artikel 26 van die wet van 1836 stelde: “Privé-instellingen kunnen worden opgericht met toestemming van de hoofdinspecteur van het onderwijs. Bij gebruikmaking ervan is men dan vrijgesteld van het bezoeken van de openbare lagere scholen.” Zo’n toestemming werd destijds al snel verleend, hoewel zoals gebruikelijk, slechts voorlopig; de definitieve goedkeuring werd pas verleend na een eerste inspectiebezoek (1/273) op 8 maart 1920.
Maar omdat de toelating betekende dat de vrijeschool onder staatstoezicht stond, moest de school zich onderwerpen aan de gebruikelijke inspecties.
b) De verdere tekst van dit wetsartikel luidt: ,,. . .
alleen leerkrachten die door dit gezag worden erkend als bekwaam op het gebied van kennis en zedelijkheid, mogen worden aangesteld.” De toekomstige
vrijeschoolleraren hoefden geen staatsexamen te doen, en in feite hadden van de twaalf leraren die aan het begin van de eerste vergadering op 8 september 1919 werden genoemd (1/65), er slechts drie tot vier het gebruikelijke diploma. Deze leraren moesten allemaal een gedetailleerd curriculum vitae inleveren en zich persoonlijk voorstellen op het ministerie (1/64), maar ze werden allemaal zonder meer “erkend als bevoegd”.
Solche, gewiß noch nicht absolute, aber doch sehr weitgehende Freiheit der Lehrerwahl wäre damals anderswo nicht möglich gewesen. Rudolf Steiner sprach öfter von einer „Lücke im württembergischen Schulgesetz” (3/49).
Aber der Griff des Staates wurde wieder fester, und die Lücke wurde durch Verordnungen geschlossen, so daß dann, von wenigen Ausnahmen abgesehen, von allen Lehrern der Waldorfschule staatliche Prüfungszeugnisse gefordert wurden.
c) Über den Lehrplan einer privaten Volksschule enthielt das Gesetz von 1836 keine Bestimmungen. Es war aber zweifellos vorausgesetzt, daß es der auch an den öffentlichen Volksschulen gebräuchliche sein sollte.
Das kam natürlich für die Waldorfschule nicht in Frage (1/62). Der Lehrplan mußte frei sein, das heißt, nur von den inneren Bedürfnissen der heranwachsenden Kinder abgelesen. Andererseits aber meinte Rudolf Steiner, doch Rücksicht nehmen zu sollen auf Kinder, die, weil etwa die Eltern an einen anderen Ort verzogen, auf eine öffentliche Schule übergehen mußten. Er arbeitete deshalb einen Kompromißvorschlag aus, der dann von der Behörde auch angenommen wurde. Danach sollten die Schüler der Waldorfschule jeweils am Ende des 3., 6. und 8. Schuljahres das Lehrziel der öffentlichen
Schule erreicht haben. Weil alle Akten der Waldorfschule beschlag-
Een dergelijke, zeker nog geen absolute, maar zeer uitgebreide vrijheid van lerarenkeuze zou toen elders niet mogelijk zijn geweest. Rudolf Steiner sprak vaker over een “maas in de schoolwet van Württemberg” (3/49).
Maar de greep van de staat werd weer strakker en mazen werden
door verordeningen gedicht, zodat alle vrijeschoolleraren, op een paar uitzonderingen na, in het bezit moesten zijn van een staatsexamencertificaat.
Examencertificaten werden verplicht gesteld voor alle vrijeschoolleraren.
c) De wet van 1836 bevatte geen bepalingen over het leerplan van een particuliere basisschool. Men ging er echter zonder twijfel vanuit dat dit hetzelfde zou zijn als dat van de openbare basisscholen.
Voor de vrijeschool was dit natuurlijk uitgesloten (1/62). Het leerplan
moest vrij zijn, d.w.z. uitsluitend afgelezen aan de innerlijke behoeften van de opgroeiende kinderen. Anderzijds vond Rudolf Steiner dat er rekening gehouden moest worden met kinderen die bijv. naar een openbare school moesten overstappen omdat hun ouders naar een andere plaats gingen verhuizen.
Hij werkte daarom een compromisvoorstel uit, dat door de autoriteiten werd geaccepteerd. Volgens dit voorstel zouden de leerlingen van de vrijeschool
aan het einde van het 3e, 6e en 8e schooljaar het leerdoel van de openbare school hebben bereikt.
Omdat alle dossiers van de vrijeschool in beslag
Blz. 28
nahmt wurden, als sie Ostern 1938 verboten wurde, sind dort keine Kopien der damaligen Eingaben an die Schulbehörde mehr vorhanden. Von dem oben erwähnten Vorschlag aber hat sich in Rudolf Steiners Handschrift ein Entwurf erhalten, dessen Text hier folgt.
„Das Lehrercollegium der Waldorfschule möchte den Unterricht methodisch in der Art gestalten, daß ihm für die Gliederung des Lehrstoffes innerhalb der drei ersten Schuljahre völlig freie Hand bleibt; dagegen wird es bestrebt sein, mit dem Abschluß des dritten Schuljahres die Kinder einem Lehrziele zuzuführen, das ganz übereinstimmt mit demjenigen der 3. Klasse der öffentlichen Volksschule. Diese Absicht soll so durchgeführt werden, daß ein aus der dritten Klasse der Waldorfschule etwa abgehendes Kind in die vierte Klasse einer anderen Volksschule ohne Störung übertreten kann. Im vierten, fünften und sechsten Schuljahr soll wieder die Gliederung des Unterrichtes frei vorgenommen werden können. Mit dem vollendeten sechsten Schuljahre sollen die Kinder bei dem Lehrziele der sechsten Volksschulklasse und zugleich bei dem einer höheren Schule angekommen sein, das klassengemäß dem vollendeten zwölften Lebensjahre entspricht. Dasselbe soll gelten für Gliederung des Lehrstoffes und Erreichung des Lehrzieles bis zum vollendeten achten Schuljahre.
werden genomen toen deze met Pasen 1938 verboden werd, zijn er geen kopieën meer van de voorstellen die toen bij de schoolautoriteiten zijn ingediend. Er is echter een ontwerp van het bovengenoemde voorstel bewaard gebleven in het handschrift van Rudolf Steiner, waarvan de tekst hier volgt.
“Het onderwijzend personeel van de vrijeschool wil de lessen methodisch zodanig organiseren dat men met de leerstof binnen de eerste drie schooljaren volledig de vrije hand heeft; anderzijds zal zij ernaar streven met de kinderen aan het eind van het derde schooljaar een onderwijsdoel te halen dat volledig overeenkomt met dat van de derde klas van de openbare basisscholen. Dit zal zodanig gerealiseerd worden dat een kind uit de derde klas van de vrijeschool zonder onderbreking naar de vierde klas van een andere basisschool kan doorstromen. In het vierde, vijfde en zesde schooljaar kan de organisatie van de lessen vrij georganiseerd worden. Aan het einde van het zesde schooljaar moeten de kinderen het leerdoel van het zesde leerjaar van de basisschool hebben bereikt en tegelijkertijd bij dat van een hogere school zijn uitgekomen wat klassikaal overeenkomt met het voltooide twaalfde jaar. Hetzelfde moet gelden voor de organisatie van het leerplan en het bereiken van het onderwijsdoel aan het einde van het achtste schooljaar.
Die Kinder sollen Realschulmäßige Lehrziele vollendet erreichen und auch befähigt werden, in die dem Alter entsprechende Klasse einer anderen höheren Schule überzutreten.
Freie Hand erbittet sich das Lehrercollegium nur für die Gestaltung des Unterrichts auf jeder der drei von ihm festgelegten Stufen:
1. Schulanfang bis zum vollendeten neunten Lebensjahre;
2. von diesem bis zum vollendeten zwölften Lebensjahre;
3. von diesem bis zur Vollendung der dritten Stufe.
Am Ende dieser Stufen sollen die den öffentlichen Schulen vorgeschriebenen Lehrziele auch von der Waldorfschule erreicht werden.”
Über eine etwa zu errichtende 9. Klasse für die über Vierzehnjährigen war in dem Gesetz von 1836 keinerlei Bestimmung enthalten, weil es sich nur mit der Volksschule befaßte. Hierfür war also die Schule ganz frei (1/119, 3/117).
Ein anderer Teil des Kompromisses bezog sich nicht eigentlich auf das Verhältnis zum Staat, sondern auf den Religionsunterricht (1/63). Davon wird noch besonders gesprochen werden (Einleitung S. 37).
Die oben erwähnte günstige Lage bestand nicht lange. Schon kurz vor der Schuleröffnung (Anfang September) verschlechterte sie sich,
De kinderen moeten leerdoelen van een middelbare school in z’n geheel bereiken en ook kunnen doorstromen naar de juiste klas op een andere middelbare school.
Het onderwijzend personeel vraagt alleen de vrije hand voor de organisatie
van het onderwijs op elk van de drie vastgestelde niveaus:
1. start op school tot de leeftijd van negen jaar;
2. vanaf deze leeftijd tot de leeftijd van twaalf jaar
3. vanaf deze leeftijd tot de voltooiing van de derde fase.
Aan het eind van deze fasen moet de vrijeschool ook de onderwijsdoelen bereiken die zijn voorgeschreven voor staatsscholen.”
In de wet van 1836 werd geen melding gemaakt van een 9e klas voor leerlingen ouder dan veertien jaar, omdat deze alleen betrekking had op de lagere scholen. De school was daar dus volledig vrij (1/119, 3/117).
Een ander deel van het compromis had eigenlijk geen betrekking op de relatie
tot de staat, maar tot het godsdienstonderwijs
(1/63). Hierop zal nader worden ingegaan (Inleiding pag. 37).
De bovengenoemde gunstige situatie duurde niet lang. Kort
voor de opening van de school (begin september) verslechterde de situatie,
Blz. 29
als am 11. August 1919 die neue Reichsverfassung, die sogenannte „Weimarer Verfassung” (1/71) in Kraft trat. Sie enthielt im Artikel 147 die Bestimmung, daß private Schulen staatlich genehmigt werden können, wenn sie in Lehrzielen, Einrichtungen und in der wissenschaftlichen Ausbildung ihrer Lehrer nicht hinter den öffentlichen Schulen zurückstehen. Weiter: „Private Volksschulen sind nur zuzulassen, wenn . . . die Unterrichtsverwaltung ein besonderes
pädagogisches Interesse anerkennt. Private Vorschulen sind aufzuheben.”
Dieser Artikel der Reichsverfassung wurde damit zwar bindendes Recht für alle Länder des Reiches, also für die bisherigen König- und Fürstentümer. Aber weil die Schulen auch weiterhin unter der Hoheit der Länder standen, zog es sich lange hin, bis der Artikel 147 sich voll auswirkte.
Nur in einem Punkte griff die Reichsregierung noch direkt ein.
Durch das Reichsgesetz vom 28. April 1920, das sogenannte „Grundschulgesetz” (2/242, 250, 3/145) wurde der Besuch der untersten drei, später vier Klassen der staatlichen Volksschule für schlechthin alle Kinder für verbindlich erklärt. Alle privaten Vorschulen sollten abgebaut werden, indem sie keine neue unterste Klasse mehr eröffnen und die Schülerzahl ihrer schon bestehenden Klassen nicht vergrößern durften.
toen op 11 augustus 1919 de nieuwe grondwet van het rijk, de zgn.
“Weimar-Grondwet” (1/71) van kracht werd. Artikel 147 bevatte de bepaling dat particuliere scholen door de staat konden worden toegestaan als ze niet onder deden voor openbare scholen wat betreft onderwijsdoelen, faciliteiten en de academische opleiding van hun leraren. Verder: “Particuliere basisscholen mogen alleen alleen worden toegestaan als . . . de onderwijsinspectie een speciaal educatief belang erkent. Particuliere kleuterscholen moeten worden gesloten.”
Dit artikel uit de rijksgrondwet werd zo bindend recht voor alle staten van het rijk, d.w.z. voor de voormalige koninkrijken en vorstendommen. Maar omdat de scholen onder de soevereiniteit van de deelstaten bleven, duurde het lang voordat artikel 147 volledig van kracht werd.
De rijksregering greep slechts op één gebied direct in.
Door middel van de Rijkswet van 28 april 1920, de zogenaamde
“Wet op de Lagere School” (2/242, 250, 3/145), werd schoolbezoek van de staatsbasisschool voor de laagste drie en later vier klassen verplicht gesteld voor alle kinderen. Alle particuliere kleuterscholen moesten worden opgeheven door niet langer een nieuwe lagere klas te openen en het aantal leerlingen in hun bestaande klassen niet te verhogen.
Das galt naturgemäß auch für Württemberg, und es wurde der Waldorfschule durch Erlaß vom 31 . Dezember 1920 von der Behörde mitgeteilt (1/255), daß laut Grundschulgesetz jetzt schrittweise die untersten Klassen geschlossen werden müßten, weil sie eine „private Vorschule” seien. Es könne nur der Waldorfschule auf Antrag genehmigt werden, daß sie für das Schuljahr 1921/22 noch eine erste Klasse eröffne, aber ihre vier Grundschulklassen — mit a- und b-Klassen waren es acht — dürften nicht mehr Kinder führen als bisher, also zusammen 240. Dieser Zustand wurde zwar verlängert, aber er bewirkte doch, daß erst in die 5. Klasse, die nicht mehr zur Grundschule zählte, neue Kinder aufgenommen werden konnten. Weil nun der Andrang dazu sehr groß war, mußte im 5., 6. und 7. Schuljahr jedesmal eine dritte 5. Klasse, eine Klasse 5c errichtet werden (3/93, 100, 145).
Erst im Jahre 1926, also schon nach dem Tode Rudolf Steiners, änderte sich das. Damals nahm der Schulrat Friedrich Hartlieb die vorgeschriebene Prüfung (s. unten) vor. Bei ihm lag hinter aller behördlichen Unbestechlichkeit und Strenge eine ganz ursprüngliche pädagogische Genialität vor. Auf Grund seiner eingehenden und sehr
Dit gold natuurlijk ook voor Württemberg en de vrijeschool werd bij decreet van 31 december 1920 (1/255) door de autoriteiten dat volgens de wet op het basisonderwijs geleidelijk de laagste klassen gesloten moesten worden omdat ze een “particuliere voorschool” waren. Alleen de vrijeschool kon op aanvraag toestemming krijgen om voor het schooljaar 1921/22 een eerste klas te openen, maar de vier basisschoolklassen – met A- en B waren het er acht –mochten echter niet meer kinderen opnemen dan voorheen, d.w.z. een totaal van 240 kinderen.
Deze situatie werd verlengd, maar het betekende toch dat nieuwe kinderen alleen konden worden toegelaten vanaf leerjaar 5, dat geen deel meer uitmaakte van de basisschool.
Omdat nu de vraag zo groot was, moest er een derde 5e klas, een klas 5c, worden toegevoegd in het 5e, 6e en 7e jaar van de school. (3/93, 100, 145).
Pas in 1926, dus na de dood van Rudolf Steiner, kwam hier verandering in.
In die tijd nam de schoolinspecteur Friedrich Hartlieb het voorgeschreven examen af (zie hieronder). Hij had, afgezien van alle officiële onkreukbaarheid en strengheid, een volstrekt originele pedagogisch genialiteit. Op basis van zijn grondige en zeer
Blz. 30
günstigen Beurteilung der Waldorfschule (abgedruckt im „Nachrichtenblatt”, 3. Jg., 1926, Nrn. 2—6) wurde vom Ministerium das „besondere pädagogische Interesse anerkannt”, und die Beschränkung wurde aufgehoben.
Aber diese „gesetzliche Limitierung” (3/145) der ersten vier Klassen und andere Wahrnehmungen bewirkten, daß Rudolf Steiner eine zunehmende Einengung der ursprünglichen Bedingungen feststellen mußte.
„Heute (im Mai 1923) könnte man auch hier nicht mehr eine Waldorfschule errichten” (3/49).
Im übrigen hatten es die Länder nicht eilig mit neuen und gründlichen eigenen Schulgesetzen. In Württemberg erschien zwar eines, das sogenannte „kleine Schulgesetz”, schon 1920, aber es enthielt nur Bestimmungen, die die Waldorfschule nicht angingen. Ein wirklich umfassendes Schulgesetz kam bis zu Rudolf Steiners Tode nicht heraus. Die Schulbehörden behalfen sich mit Erlassen und Verfügungen. –
Nachdem nun der Unterricht der Waldorfschule einmal im Gange war, beschränkte sich die Berührung mit den Behörden, innerhalb der Grenzen der oben genannten Kompromisse, hauptsächlich auf wenige Gebiete.
Regelmäßig wurden im Abstand weniger Jahre die vorgeschriebenen
Schulrats-Revisionen vorgenommen (1/273, 2/59, 65—69, 141), und ebenso regelmäßig überprüfte der Amtsarzt den allgemeinen Gesundheitszustand der Kinder (1/121, 2/20). Wegen der beiden anderen Berührungsstellen mit den Behörden sind die Ausführungen über die einzelnen Schuljahre nachzulesen; über die Fortbildungsschule Einleitung S. 46, 47; über das Abiturium Einleitung S. 56, 58.
gunstige beoordeling van de vrijeschool (afgedrukt in het “Nachrichtenblatt”, 3e jaargang, 1926, nrs. 2-6), erkende het ministerie het “speciale onderwijsbelang” en werd de beperking opgeheven.
Deze “wettelijke beperking” (3/145) van de eerste vier klassen en andere percepties zorgden ervoor dat Rudolf Steiner een toenemende versmalling van de oorspronkelijke voorwaarden moest vaststellen.
“Vandaag (mei 1923) zou het ook hier niet meer mogelijk zijn een
vrijeschool te stichten” (3/49).
Overigens maakten de deelstaten geen haast om zelf nieuwe en grondige schoolwetten aan te nemen. In Württemberg verscheen er al een in 1920, maar die bevatte alleen bepalingen die geen invloed hadden op vrijescholen. Een echt allesomvattende schoolwet kwam er niet vóór de dood van Rudolf Steiner.
De schoolautoriteiten namen genoegen met verordeningen en voorschriften. –
Toen de vrijeschool eenmaal liep, bleef het contact met de autoriteiten, binnen de grenzen van de bovengenoemde compromissen, hoofdzakelijk beperkt tot enkele gebieden.
Regelmatig, met tussenpozen van enkele jaren, werden de voorgeschreven
schoolinspecties gehouden (1/273, 2/59, 65-69, 141), en even regelmatig controleerde de ambtenaar van volksgezondheid de algemene gezondheid
van de kinderen (1/121, 2/20).
Voor de twee andere contacten met de autoriteiten verwijzen we naar de uitleg over de afzonderlijke schooljaren; over het voortzetten van de school inleiding p. 46, 47; over het examen inleiding p. 56, 58.
GA 300A/26-30
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Opvoedingsvragen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3291-3098
.
.
.
.




