Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – 4e klas – ‘bericht uit de 4e klas’

.

Zo af en toe vind ik nog een artikel van wel heel lang geleden.
Telkens blijkt dat – afgezien van de spelling – de inhoud voor een groot gedeelte nog actueel is, vooral waar het de menskundige visie betreft.

Zoals het toen verscheen in de schoolkrant “Ostara’ van de vrijeschool in Den Haag:
.
OVER DE 4E KLAS 

In het vorige nummer van „Ostara” schreef ik al over den overgang, dien het kind doormaakt in ’t 10de levensjaar en over het dierkunde-onderwijs in de 4e klas in verband hiermede. Deze overgang maakt het mogelijk op de andere vakken ook dieper in te gaan. Het spreekt echter vanzelf, dat de leerstof, die nu meer van het intellect vraagt, zoo behandeld moet worden, dat het kind er geheel in op kan gaan, zoodat het doen (willen) en het plezier of de moeite (voelen) het opnemen met het intellect te hulp komen.

Het 4e leerjaar bracht den kinderen naast de herhaling van de cijferoefeningen het werken met de breuken. We begonnen aan de hand van munten, maten en gewichten met de tiendeelige. De klas, de gang, de school werden gemeten, er werd winkeltje gespeeld, waarbij ponden en onsen okkernoten guldens, dubbeltjes en centen opbrachten. In de tweede rekenperiode kwamen de gewone breuken. In de eurhythmiezaal werd een groote cirkel in halven, vierden en zesden verdeeld. In de klas knipten we tienden en twaalfden uit „geheelen” van teekenpapier, waarmee al spoedig gerekend werd. De eenvoudige gelijkwaardige breuken, zooals ½  =  2/4  =   4/8  enz. en ½  =   3/6     =   6/12  reciteerden we in koor om ze vast in het geheugen te prenten.

In de Ned. taal-periode zetten we het onderscheiden der werkwoorden voort. Met de ontleding van eenvoudige zinnetjes, door de kinderen zelf verzonnen en voor de klas gespeeld, werd begonnen. Werkwoorden, zwakke en sterke, leerden we vervoegen in tegenwoordigen en verleden tijd. De stof tot vertellen en navertellen omvatte de verhalen der Germaansche mythologie. Wodan, zittend op zijn troon, de adelaar op zijn helm, de ‘kraaien op zijn schouders, de wolven aan zijn voeten werden in klei geboetseerd, „Hoe Thor zijn hamer haalde”, „Balder’s dood” en enkele andere episoden klonken als koorrecitaties door de klas. Het lezen oefenden we aan „Niels Holgerson’s wonderbare reizen”. Dit boek biedt den kinderen, doordat het zoo boeiend en levendig verteld is en doordat het vrij klein gedrukt is, geen geringe moeilijkheden, maar ook is het voor hen een bron van vreugde.

De dierkunde nam een belangrijke plaats in dit leerjaar in. Van de meest verschillende diersoorten leerden we eenige kennen. Onze naaste vrienden: het paard en de koe, verschillende soorten vogels, den adelaar, den zwaan, den reiger, enkele amphibieën en reptielen. Allen genoten dezelfde aandacht en belangstelling van de kinderen. Met toewijding luisterden zij naar wat er over de dieren verteld werd en graag vulden zij, dit uit hun eigen ervaring aan, met liefde en zorg werd alles geteekend en gekleid.

In het onderwijs der moderne talen namen grammatica en schrijven een iets grootere plaats in. Ook hierbij werden werkwoorden vervoegd, meervoudsvormen geoefend, enz. De kinderliedjes maakten plaats voor schoonere (lyrische) gedichten.

Uit de eerste drie jaren werd veel gerepeteerd, zooals bijv. de tafels van vermenigvuldiging, maar in dit leerjaar werd de grondslag gelegd voor de leerstof, die in de volgende twee jaren steeds meer de ontwikkeling van het verstand vraagt.

H.Janssen van Raay, Ostara 3e jrg 5/6, oct.1930

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas alle beelden

1051-974

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – inhoudsopgave

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 tot 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een uitvoering van pedagogische euritmie.
Dornach 1972 [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht 13 april 1924:
Om uit de sociale chaos te geraken, moeten we de ziel van mens spiritueel opvoeden. Het geërfde lichaam als model voor het nieuwe organisme.
Het kind is helemaal zintuig.
Bij het kind gaat al het zielsmatige over in het lichaam.
Circulatiestoornissen in het 40e, 50e jaar als gevolg van een cholerisch temperament van de opvoeder.
Hersenzwakte als gevolg van flegma.
Gebrek aan vitaliteitskracht als gevolg van het sanguinische temperament.
We moeten het kind levende begrippen bijbrengen.

Inhoudsopgave 2e voordracht 14 april 1924:
Uit een natuurwetenschappelijke overtuiging kan geen echte menskunde komen. Wakker is een winteractiviteit in het organisme, slapen zomeractiviteit. Voorstellingsoefeningen om het denken te ontwikkelen. Denken in het etherlijf. Het kind is een nabootsend wezen; er leeft natuurreligie in hem. Het neemt in gebaar en blik de moraliteit van de omgeving waar.

Inhoudsopgave 3e voordracht 15 april 1924:
Metamorfosen in het leven. Opleiding: boetseren ontwikkelt gevoel voor ruimte. Begrijpen van het astraallijf door innerlijk muziek te begrijpen. Begrijpen van het Ik door innerlijk begrijpen van spraak. De scheiding van geheugenvorming het etherlijf bij de tandenwisseling. Nu moet in het onderwijs werkzaam zijn wat beeldend is.

Inhoudsopgave 4e voordracht 16 april 1924:
Het zelfstandig worden van ziel en geest in het kind. Na de tandenwisseling werkt de autoriteit van de leerkracht. Uitgaan van het geheel bij optellen. Na de puberteit wordt het lot beleefd. Plant- en dierkunde.

Inhoudsopgave 5e voordracht 17 april 1924:
Tegen het 12e jaar ontwikkelt zich pas het gevoel voor causaliteit; nu kan natuurkunde/scheikunde aangeleerd worden. Met de puberteit ontwaakt pas het intellect. Invloed van maan- en zonnekracht op de plantengroei.

Vragenbeantwoording na de voordracht van 15 april 1924

Vragenbeantwoording na de voordracht van 16 april 1924

Vragenbeantwoording na de voordracht ‘Pedagogie en geneeskunde’ door Dr.Kolisko op 17 april 1924

Toespraak voor een opvoering van pedagogische euritmie op 14 april 1924

Verwijzingen
Deze worden bij de vertaling per bladzijde weergegeven.

[1] Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen GA309)

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

.

1047-970

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

alle pedagogische voordrachten

GA 309: vertaling
inhoudsopgave;  voordracht  [2]   [3]  [4]  [5]
vragenbeantwoording (1)
vragenbeantwoording  (2)
vragenbeantwoording (3}
toespraak 

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.(1)

Inhoudsopgave 1e voordracht 13 april 1924:
Om uit de sociale chaos te geraken, moeten we de ziel van de mens spiritueel opvoeden. Het geërfde lichaam als model voor het nieuwe organisme. Het kind is helemaal zintuig. Bij het kind gaat alles van de ziel over op het lichaam. Circulatiestoornissen in het 40e, 50e jaar als gevolg van een cholerisch temperament van de opvoeder. Hersenzwakte als gevolg van flegma. Gebrek aan vitaliteitskracht als gevolg van het sanguinische temperament. We moeten het kind levende begrippen bijbrengen.

1e voordracht, Bern, 13 april 1924 (2)

blz.7:
.
Sehr verehrte Anwesende, vor allen Dingen möchte ich für die freund­liche und liebevolle Begrüßung meinen herzlichen Dank aussprechen. Ich durfte ja gerade aus dem Gebiet anthroposophischer Weltanschau­ung heraus von diesem Ort hier in Bern seit vielen Jahren reden. Und es ist ja auch hier eine Gruppe anthroposophischer Freunde, welche für die Pflege anthroposophischer Weltanschauung ihre Opfer bringen und ihre Persönlichkeit einsetzen. Das alles scheint mir in die Empfin­dungen aufgenommen werden zu müssen, wenn ich für die liebevollen Worte, die hier gesprochen worden sind, herzlichen Dank sage. Denn es gewährt mir schon eine ganz besondere Befriedigung, nachdem ich so oftmals hier in Bern über Anthroposophie im allgemeinen gespro­chen habe, über das pädagogische Gebiet aus dem Geiste der Anthro­posophie heraus nunmehr sprechen zu können, jenes Gebiet, das ja vor allen Dingen den Menschen auf dem Herzen liegen muß. Denn wieviel hängt ab davon, daß tatsächlich gewonnen werden könne eine solche Kunst der Erziehung und des Unterrichts, daß die Menschen erstens über manches hinauskommen, was ja in deutlicher Weise zeigt, wie sehr wir in den letzten Jahren und Jahrzehnten in eine Art sozialen Chaos hineingekommen sind.

Geachte aanwezigen, allereerst zou ik mijn hartelijke dank uit willen spreken voor de vriendelijke en liefdevolle begroeting.
Ik mocht op het gebied van de antroposofische wereldbeschouwing hier in Bern vanaf deze plaats al sinds jaren spreken.
En ook hier is er een groep antroposofische vrienden die voor het onderhouden van de antroposofische wereldbeschouwing hun offers brengen en hun persoonlijkheid inzetten. Dat alles lijkt mij in het gevoel opgenomen te moeten worden, wanneer ik voor de liefdevolle woorden die hier gesproken zijn, van harte dank zeg.
Want het geeft mij een heel tevreden gevoel dat ik, nadat ik hier in Bern dikwijls over antroposofie in het algemeen gesproken heb, nu meer op pedagogisch gebied vanuit de antroposofische gedachtewereld te kunnen spreken, het gebied dat bovenal de mens na aan het hart moet liggen. Want hoeveel hangt er niet vanaf, dat daadwerkelijk een dergelijke opvoed- en onderwijskunst ontwikkeld wordt; zodat de mensen weer veel te boven komen van wat op een duidelijke manier laat zien hoe zeer we de laatste jaren en decennia in een soort sociale chaos terecht zijn gekomen.

Und aus diesem sozialen Chaos wird ja kaum etwas anderes herausführen können, ja man möchte sagen, ganz gewiß nicht etwas anderes herausführen können, als lediglich, wenn es uns gelingt, in die Seelen der Menschen Geistigkeit hinein zu erziehen, so daß die Menschen aus dem Geiste heraus den Weg finden zum Fort­schritt, zur Fortentwickelung der Zivilisation aus dem Geiste heraus; was uns so vertrauensvoll aus dem Grunde ansprechen muß, weil ja schließlich die Welt im Geiste und aus dem Geiste heraus geschaffen ist, und so auch menschliches Schaffen nur aus dem Urquell des Geistes heraus fruchtbar geschehen kann. Will aber der Mensch zu solchem fruchtbaren Schaffen aus dem Geiste heraus kommen, so muß er im Geiste erzogen und unterrichtet werden. Weil ich nun glaube, daß An­throposophie in der Tat manches zu sagen hat über Erziehungs- und

En wat ons uit deze sociale chaos zou kunnen leiden, kan nauwelijks iets anders zijn – ik zou willen zeggen – kan zeker niet iets anders zijn – dan enkel en alleen, als het ons lukt, de mens bij de opvoeding, voor zijn ziel iets van de geest mee te geven, zodat de mensen vanuit de geest de weg kunnen vinden naar vooruitgang, naar een verdere ontwikkeling van de cultuur, vanuit de geest; wat ons vanuit zo’n vertrouwd gevoel zou moeten aanspreken, omdat tenslotte de wereld in en vanuit de geest geschapen is en derhalve ook het menselijk scheppen slechts uit de oerbron van de geest vruchtbaar kan gebeuren. Wil echter de mens tot zo ’n vruchtbaar creëren vanuit de geest komen, dan moet hij in deze geest opgevoed en onderwezen worden. Omdat ik erin geloof dat antroposofie inderdaad veel te zeggen heeft over opvoeding en

blz 8:

Unterrichtswesen, gereicht es mir zur tiefen Befriedigung, hier diesen Kursus halten zu können, und aus dieser Befriedigung heraus ist mein Dank für die freundlichen, liebevollen Begrüßungsworte ausgesprochen.
Nun, es fühlen heute zahlreiche Menschen überall in der Welt, daß das Erziehungs-, das Unterrichtswesen in einem gewissen Sinne einen neuen Einschlag erhalten muß. Nicht, als ob nicht außerordentlich viel geschehen wäre im Laufe des an Fortschritten so fruchtbaren 19. Jahr­hunderts gerade für das Unterrichts- und Erziehungswesen, sondern vielmehr aus dem Grunde, weil die neuere Zivilisation eine Richtung genommen hat, welche eigentlich den Menschen wenig an den Men­schen herankommen läßt. Wir haben seit Jahrhunderten die großartig­sten Fortschritte zu verzeichnen auf dem Gebiet der Naturwissenschaft und auf den Gebieten der Technik, die aus den Naturwissenschaften heraus erblühten. Wir haben auch gesehen, wie eine Art Weltanschau­ung aus diesen naturwissenschaftlichen Fortschritten heraus sich all­mählich in der Zivilisation niedergeschlagen hat. Wir haben auch ge­sehen, wie eine Art Weltanschauung aus diesen naturwissenschaftlichen Fortschritten heraus sich allmählich in der Zivilisation niedergeschla­gen hat.

onderwijs, verschaft het mij een diepe tevredenheid hier deze cursus te kunnen houden en vanuit dit tevreden gevoel spreek ik mijn dank voor de vriendelijke, liefdevolle begroetingswoorden uit.
Welnu, tegenwoordig voelen talloze mensen overal in de wereld dat opvoeding en onderwijs in zekere zin een nieuwe impuls nodig heeft. Niet, dat er niet buitengewoon veel gebeurd zou zijn in de loop van de 19e eeuw wat vooruitgang betreft, m.n. op het gebied van opvoeding en onderwijs, maar veel meer omdat de nieuwere cultuur in een richting ging waarbij de mens eigenlijk maar weinig bij het menselijke uitkomt. We hebben sinds eeuwen de geweldigste vooruitgang te vermelden op het gebied van natuurwetenschap en techniek die opbloeiden vanuit de natuurwetenschappen. We hebben ook gezien hoe er langzamerhand een soort wereldbeschouwing uit deze natuurwetenschappelijke vooruitgang in de cultuur ontstaan is.

Wir haben gesehen, wie das Weltgebäude einschließlich des Menschen gedacht wird im Sinne desjenigen, was die Sinne über die Naturerscheinungen und Naturwesen lehren, und was der an das Ge­hirn gebundene Verstand über die Sinneswelt auszusagen vermag. Allein, was noch nicht eine klare, deutliche Erkenntnis heute ist, un­zählige Menschen fühlen es, wollen es sich oftmals nur nicht gestehen, daß man mit all denjenigen Erkenntnissen, die die neuere Zeit gewon­nen hat über den großen Umkreis der Natur, eigentlich nicht an den Menschen herankommen kann.
Und dieses Nicht-herankommen-Können, es muß ja ganz besonders gefühlt werden, wenn herangekommen werden soll an den werdenden Menschen, an das Kind. Daß etwas Fremdes sich gerade hineinschiebt zwischen den Lehrenden, Unterrichtenden und das Kind, das wird empfunden. Anthroposophie möchte auf der Grundlage wahrer und umfassender Menschenerkenntnis diesem Herzensruf, der von so vielen Seiten kommt, Rechnung tragen; Rechnung tragen in der Art, daß sie nicht irgendwie Theorien aufstellt über Pädagogik und Didaktik, sondern

We hebben gezien hoe er over de wereld, met inbegrip van de mens, gedacht wordt in de geest van wat de zintuigen over de natuurverschijnselen en natuurwezens zeggen en wat het aan de hersenen gebonden verstand over de zintuigelijke wereld te vertellen heeft. Alleen, wat tegenwoordig nog geen heldere, duidelijke kennis is, talloze mensen voelen dat, laten het vaak bij zichzelf niet toe, dat je met al de kennis die er in de nieuwe tijd ontstaan is op het grote gebied van de natuur, eigenlijk de mens niet kan bereiken.
En dit ‘er niet bij kunnen komen’ wordt men in het bijzonder gewaar, als men de wordende mens moet bereiken, het kind. Dat er iets vreemds tussen de leerkracht en het kind schuift, dat wordt gevoeld. Antroposofie zou op basis van echte en omvattende menskunde met die hartenkreet die van zo veel kanten komt, rekening kunnen houden, maar dan zo dat ze niet een of andere theorie over pedagogiek en didactiek opstelt, maar

blz. 9:

Rechnung tragen in dem Sinne, daß sie unmittelbar den Menschen dahin bringt, in die Schulpraxis einzugreifen. Anthroposophische Päd­agogik ist eigentliche Schulpraxis. Daher müßte man im Grunde ge­nommen, wenn man über anthroposophische Pädagogik reden will, die einzelnen praktischen Handhabungen im Unterricht vielleicht bei­spielsweise besprechen, allein da würde zunächst der Geist, aus dem das alles herausgeboren ist, sich nicht offenbaren können. Daher müs­sen Sie es mir schon gestatten, daß ich heute wenigstens einleitungs­weise spreche über diesen Geist anthroposophischer Pädagogik aus um­fassender Menschenerkenntnis heraus, aber auch aus eindringlicher Menschenerkenntnis aus dem anthroposophisch-pädagogischen Wirken.
Eindringliche Menschenerkenntnis! Was hat man sich darunter vor­zustellen? Wenn man dem Menschen, namentlich dem werdenden Men­schen, dern Kinde, wie ich schon sagte, gegenübertritt, kann man nicht auskommen damit, daß man gewisse Regeln hat darüber, wie es gut ist, zu erziehen und zu unterrichten, und dann sich etwa nach diesen Re­geln richten will, wie man die Sache in der Technik tun kann. Das führt niemals zu einer wirklichen Schulpraxis.

zo, dat ze meteen de mens zover brengt dat deze in de praktijk van het schoolleven kan iets kan doen. Antroposofische pedagogie is eigenlijk de manier van doen in de school. Daarom zou je, wanneer je basaal over antroposofische pedagogie wil spreken, de afzonderlijke praktische toepassingen in het onderwijs, wellicht als voorbeeld, moeten bespreken; alleen daarin kan de geest waaruit alles ontstaan is, zich niet meteen manifesteren. Vandaar dat u mij eerst moet toestaan dat ik vandaag op z’n minst als inleiding spreek over deze geest van de antroposofische pedagogie, vanuit een omvattende menskunde, maar ook vanuit een  diepgaande menskunde vanuit het antroposofisch-pedagogisch werk.
Diepgaande menskunde! Wat moet je je daarbij voorstellen? Wanneer je de mens, met name de wordende mens, het kind zoals ik zei, tegemoet treedt, heb je er niet genoeg aan dat je bepaalde regels hebt die bepalen dat het goed is om zó op te voeden, les te geven; dat je je dan aan deze regels wil houden om die technisch uit te voeren. Dat leidt nooit tot een echte praktijk op school.

Zur Schulpraxis braucht man im Handhaben des Unterrichts, im Handhaben der Erziehung inneres Feuer, inneren Enthusiasmus; man braucht Impulse, die nicht verstandesmäßig nach Regeln von dem Lehrenden und Erziehenden auf das Kind übergehen, sondern die in intimer Weise hinüberwirken von dem Erziehenden oder Lehrenden auf das Kind. Der ganze Mensch muß als Erzieher wirken, nicht bloß der denkende Mensch; der füh­lende Mensch muß es, der wollende Mensch muß es.
Die naturwissenschaftliche Gesinnung und Weltanschauung ist viel mehr der neueren Menschheit in die Glieder gefahren, als man denkt. Auch derjenige, der keine besondere Bildung in Naturwissenschaft hat, denkt, fühlt und will eigentlich, man möchte sagen, auf naturwissen­schaftliche Art. Das kann man in der Schule eben nicht; denn mit dieser naturwissenschaftlichen Art, mit dieser naturwissenschaftlichen Ge­sinnung erreicht man nur ein Glied der menschlichen Wesenheit: den physisch-sinnlichen Leib. Aber das ist eben nur ein Glied dieser mensch­lichen Wesenheit. Und gerade Anthroposophie zeigt, daß der ganze Mensch von einer wahren Menschenerkenntnis angeschaut werden

Voor de praktijk heb je in het geven van onderwijs, in het opvoedend bezig zijn, innerlijk vuur, innerlijk enthousiasme nodig; je hebt impulsen nodig die niet vanuit het verstand volgens regels van de opvoeder en onderwijsgevende op het kind overgaan, maar die op een intieme manier van de opvoeder of leerkracht op het kind werken. De hele mens moet opvoeder zijn, niet alleen de denkende mens; de voelende mens moet het zijn, de willende mens. De natuurwetenschappelijke gezindheid en wereldbeschouwing zit de nieuwere mensheid meer in het bloed dan je denkt. Ook degene die geen speciale natuurwetenschappelijke vorming heeft, denkt, voelt en wil eigenlijk, zou je kunnen zeggen, natuurwetenschappelijk. Dat gaat op school niet; want op deze natuurwetenschappelijke manier, met deze natuurwetenschappelijke gezindheid bereik je slechts een deel van het mensenwezen: het fysiek-zintuigelijke lichaam. Maar dat is maar een deel van het mensenwezen. En juist antroposofie laat zien, dat de hele mens door een echte menskunde gezien kan worden als

blz. 10:

kann nach drei deutlich voneinander unterschiedenen Gliedern: nach dem körperlichen, physischen Glied, nach dem seelischen Gliede, nach dem geistigen Gliede. Und nur dann sehen wir auf den ganzen Menschen hin, wenn wir ebensoviel Sinn und Erkenntnisfähigkeit haben, die Seele zu erkennen in ihrer ursprünglichen Eigenart wie den physischen Leib; und wenn wir weiter ebensoviel Sinn und Erkenntnisfähigkeit haben, den Geist im Menschen als selbständige Wesenheit zu erkennen. Aber im Kinde sind eben auf andere Art Leib, Seele und Geist miteinander verbunden als später beim erwachsenen Menschen. Und gerade dieses Heraustreten aus der Verbindung mit dem physischen Leibe läßt die Beobachtung von Seele und Geist am Kinde, ich möchte sagen, als das größte Erkenntnis- und lebenspraktische Wunder im menschlichen Da­sein erkennen. Sehen wir einmal auf das kleine Kind hin, wie es in die Welt her­eingeboren wird. Zauberhaft ist es, wie in die unbestimmten Gesichts­züge, in die chaotischen Bewegungen, in all dasjenige, was von dem Kinde ausgeht und noch nicht zusammenzugehören scheint, wie in all das, hervorquellend aus dem tiefsten Inneren, Geist getragen wird; wie Ordnung hineinkommt in den Blick, in die Bewegung der Gesichts-glieder und die anderen Glieder des menschlichen Leibes, wie immer ausdrucksvoller und ausdrucksvoller die Gesichtszüge werden; wie im­mer mehr in Auge und Gesichtszügen der aus dem Inneren an die Ober­fläche arbeitende Geist sich zeigt, die das ganze Leibliche durchdrin­gende Seele sich offenbart.

drie duidelijk van elkaar te onderscheiden delen: het lijfelijke, lichamelijke deel; het psychische deel en het geestelijke deel. En pas dan kijken we naar de totale mens, wanneer we evenveel bewustzijn en kenvermogen hebben om de ziel te kennen in haar oorspronkelijke eigenaard als het fysieke lichaam; en wanneer we tevens net zo veel bewustzijn en kenvermogen hebben de geest in de mens als een zelfstandig iets te kennen. Maar in een kind zijn wel lichaam, ziel en geest op een ander manier met elkaar verbonden dan later bij de volwassen mens. En juist het tevoorschijn komen uit de verbinding met het fysieke lichaam doet het waarnemen van ziel en geest bij het kind, ik zou willen zeggen, zich als het grootste wonder van kennis en het grootste wonder in de praktijk van het leven in het menselijk bestaan, kennen.
Laten we eens kijken naar het kleine kind, hoe het op de wereld geboren wordt. Prachtig is het, hoe in de ongevormde gezichtstrekken, in de chaotische bewegingen, in alles wat uit het kind komt en toch niet bij elkaar schijnt te horen; hoe in alles wat uit het diepste innerlijk opwelt, de geest zijn intrede doet, hoe er ordening komt in de blik, in de bewegingen van het gezicht en in de andere delen van het menselijk lichaampje; hoe de gezichtstrekken steeds meer uitdrukking krijgen; hoe steeds meer in de ogen en de gezichtstrekken de uit het innerlijk naar buiten toe werkende geest zich laat zien, hoe de ziel zich openbaart die heel het lichamelijke doordringt.

Wie das alles geschieht, das kann derjenige, der unbefangen und ernsten Sinnes solches zu betrachten vermag, nicht anders ansehen, als indem er gerade durch das, was das werdende Kind ihm sagt, mit scheuer Ehrfurcht hineinblickt in die Wunder und Rätsel des Welten- und des menschlichen Daseins.
Und wenn wir sehen, wie dieses Kind sich entwickelt, so zeigt sich uns wiederum, wie das Leben dieses Kindes gegliedert ist in einzelne Lebensepochen, die deutlich voneinander unterschieden sind, die nur gewöhnlich nicht unterschieden werden, weil sie in intimer Erkennt­nis unterschieden werden müssen, und weil man heute aus den groben naturwissenschaftlichen Begriffen heraus sich nicht gern zu solch in­timer Erkenntnis bequemt.

Hoe dat allemaal gebeurt, kan degene die onbevangen en met een ernstige stemming zoiets kan waarnemen, op geen andere manier zien dan wanneer hij, juist door wat het wordende kind hem te zeggen heeft, met gepaste eerbied zicht krijgt op de wonderen en raadsels van het wereld- en mensenbestaan.
En wanneer we zien hoe dit kind zich ontwikkelt, wordt ons opnieuw getoond hoe het leven van dit kind ingedeeld is in afzonderlijke levensfasen die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, die gewoonlijk niet onderscheiden worden, omdat ze met een subtiele kennis onderscheiden moeten worden en omdat men tegenwoordig vanuit de ongenuanceerde natuurwetenschappelijke begrippen zich niet zo graag opwerkt tot zo’n subtiele kennis.

blz. 11:

Ein erster bedeutsamer Umwandlungsprozeß geht mit dem Kinde vor sich ungefähr um das 7. Jahr herum, wenn das Kind die zweiten Zähne bekommt. Schon der äußere physische Prozeß dieses Zweite­Zähne-Bekommens ist ja interessant genug: wie sie da sind, die er­sten Zähne, die anderen sich nachschieben, wie die ersten ausgesto­ßen werden. Solange man nur oberflächlich diesen Vorgang ansieht, kann man beim Zahnwechsel stehenbleiben. Wenn man aber tiefer hin­einschaut mit den Mitteln, die gerade in diesem Kursus besprochen werden sollen, wird man gewahr, wie da, wenn auch in feinerer Weise als beim Zahnwechsel selber, in dieser Umwandlungsphase durch den ganzen Körper des Kindes etwas vorgeht. Dasjenige, was nur in gröb­ster, radikalster Weise im Zahnwechsel sich zeigt, das geht eigentlich im ganzen Körper vor sich. Denn, was geschieht da eigentlich? Sie kön­nen ja alle sehen, wie eigentlich der menschliche Organismus sich ent­wickelt: Sie schneiden sich die Nägel, Sie schneiden die Haare, Sie fin­den, daß die Haut abschuppt. Das alles zeigt, daß an der Oberfläche physische Substanz abgestoßen wird, und daß sie von innen heraus nachgeschoben wird.

Een belangrijk veranderingsproces vindt met het kind plaats ongeveer rond het 7e jaar, wanneer het kind zijn blijvende tanden krijgt. Alleen het uiterlijke fysieke proces van dit wisselen is al interessant genoeg: daar zijn ze, die eerste blijvende tanden, de andere komen later; hoe de eerste naar buiten gedrukt worden. Zolang je slechts oppervlakkig naar dit proces kijkt, kun je bij de tandenwisseling blijven stilstaan. Wanneer je echter verder kijkt met de middelen die m.n. in deze cursus besproken zullen worden, word je gewaar, hoe er, zij het op een veel genuanceerdere manier als het tandenwisselen zelf, in deze fase van verandering door heel het lichaam van het kind zich iets voltrtekt. Wat op de meest grove manier, radicale manier bij het tandenwisselen zichtbaar wordt, dat gebeurt eigenlijk in het hele lichaam. Want, wat gebeurt er eigenlijk? Je kan allemaal zien hoe het menselijk organisme zich ontwikkelt: je knipt je nagels, je knipt je haar; je ziet dat je huid schilfert. Dat laat zien dat aan de oppervlakte fysieke substantie afgestoten wordt en dat het van binnenuit aangevuld wordt.

Dieses Nachschieben, das wir beim Zahnwechsel sehen, ist beim ganzen Menschenleib vorhanden. Eine genauere Er­kenntnis zeigt uns, daß in der Tat das Kind den Leib, den es durch Vererbung mitbekommen hat, jetzt nach und nach ausgetrieben hat, ausgestoßen hat. So wie die ersten Zähne abgestoßen sind, so ist der ganze erste Leib abgestoßen. Und in der Epoche des Zahnwechsels steht das Kind vor uns mit einem gegenüber dem Geburtsleib völlig neuge­bildeten Leib. Der Geburtsleib ist wie die ersten Zähne abgestoßen, ein neuer Leib ist gebildet.
Was ist da im Intimeren geschehen? Den ersten Leib, den das Kind erhalten hat, hat es aus der Vererbung erhalten. Er ist sozusagen das Produkt desjenigen, was durch das Zusammenwirken von Vater und Mutter geschehen ist. Er bildet sich aus den physischen Erdenverhältnissen heraus. Aber was ist er, dieser physische Leib? Er ist das Modell, das die Erde dem Menschen gibt für seine eigentliche menschliche Ent­wickelung. Denn das Seelisch-Geistige des Menschen, es steigt ja her­unter aus einer seelisch-geistigen Welt, in der es war, bevor die Emp­fängnis und die Geburt eingetreten sind. Wir alle waren, bevor wir

Dit aanvullen dat we bij het tandenwisselen zien, gebeurt met het hele mensenlichaam. Preciezere kennis toont ons dat daadwerkelijk het kind het lichaam dat hij door de erfelijkheid heeft gekregen, beetje bij beetje naar de periferie heeft geduwd, afgestoten heeft. En in de periode van de tandenwisseling staat het kind voor ons met een lichaam dat t.o.v. het lichaam waarmee het geboren is, volledig nieuw gevormd is. Het geboortelichaam is net als de melktanden afgestoten, een nieuw lichaam is gevormd.
Wat is er in het verborgene gebeurd? Het eerste lichaam dat het kind heeft gekregen, kreeg het door erfelijkheid. Het is a.h.w.een product van wat door het samengaan van vader en moeder is gebeurd. Vanuit fysieke aardse verhoudingen wordt het gevormd. Maar wat is dit fysieke lichaam? Het is een model dat de aarde de mens geeft voor zijn eigenlijke menselijke ontwikkeling. Want ziel en geest van de mens incarneren uit de wereld van ziel en geest, waar ze zich bevonden vóór de conceptie en geboorte plaatsvonden. Wij allemaal, waren vóór

blz. 12:

Erdenmenschen geworden sind im physischen Leib, geistig-seelische Wesenheiten in einer geistig-seelischen Welt. Und dasjenige, was uns an physischer Vererbungssubstanz Vater und Mutter geben, das ver­einigt sich im Embryonalleben mit demjenigen, was rein geistig-seelisch aus einer höheren Welt heruntersteigt. Der geistig-seelische Mensch er­greift den physischen Leib, der aus der Vererbungsströmung herrührt. Der wird sein Modell, und nach diesem Modell wird jetzt ein völlig neuer menschlicher Organismus mit Abstoßung des vererbten Orga­nismus gebildet. So daß, wenn wir auf das Kind hinschauen zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel, wir sagen müssen: Da arbeitet sich hinein in den physischen Leib, der lediglich der physischen Vererbung sein Dasein verdankt, das Ergebnis des Zusammenwirkens dessen, was der Mensch mitbringt auf die Erde, mit demjenigen, was er an Stoffen und Substanzen von der Erde aufnimmt. Mit dem Zahnwechsel hat der Mensch nach dem Modell des vererbten Leibes einen zweiten Leib sich gebildet; und dieser zweite Leib ist das Produkt des seelisch-geistigen Wesens des Menschen.

dat we aardeburgers werden in een fysiek lichaam, geest-zielenwezens in een geest-zielenwereld. En wat vader en moeder ons geven aan fysieke erfelijkheidssubstantie, verbindt zich in het embryonale leven met wat zuiver als geest-ziel uit een hogere wereld incarneert. De geest-zielenmens neemt bezit van het fysieke lichaam dat uit de erfelijkheidsstroom komt. Dat wordt zijn model en naar dit model wordt nu een volledig nieuw menselijk organisme door het afstoten van het geërfde organisme gevormd. Zodat, als we naar het kind kijken tussen de geboorte en de tandenwisseling, we moeten zeggen: in het fysieke lijf dat zijn bestaan uiteindelijk dankt aan de fysieke erfelijkheid werkt zich naar binnen het resultaat van het samenwerken van wat de mens meebrengt op aarde met wat hij aan stoffelijkheid van de aarde opneemt. Met de tandenwisseling heeft de mens naar het model van het geërfde  lichaam een tweede lichaam gevormd en dit tweede lichaam is het product van de ziel en geest van de mens.

Selbstverständlich kennt derjenige, der aus einer intimeren Men­schenbeobachtung heraus zu solchen Ergebnissen kommt, wie ich sie jetzt ausgesprochen habe, die Einwendungen, die dagegen gemacht werden können. Diese Einwendungen sind auf der Hand liegend. Man wird selbstverständlich sagen: Zeigt sich nicht in der Ahnlichkeit mit den Eltern, die oftmals nach dem Zahnwechsel auftritt, zeigt sich da nicht, wie der Mensch auch später, nach dem Zahnwechsel, den Ge­setzen der Vererbung auch weiter unterliegt? – So könnte man vieles einwenden. Aber nehmen Sie nur das Folgende: Wir haben ein Modell, das aus der Vererbungsströmung herrührt. Nach diesem Modell arbei­ten jetzt Geist und Seele den zweiten Menschen aus. Da ja auch sonst nicht die Tendenz besteht, dasjenige, was nach einem Modell ausgearbei­tet wird, just ganz unähnlich dem Modell auszugestalten, so ist es auch klar, daß das Geistig-Seelische die Anwesenheit des Modelles dazu be­nützt, den zweiten menschlichen Organismus ähnlich zu gestalten. Aber immerhin, wenn man Sinn und Erkenntnisfähigkeit hat für das, was da eigentlich vorgeht, wird man auf das Folgende kommen: Es gibt Kinder, die zeigen in ihrem 9., 10., ii. Lebensjahr, wie fast ganz ähnlich ihr zweiter

Vanzelfsprekend kent degene die uit een subtieler waarnemen van de mens tot dergelijke resultaten komt, zoals ik ze nu uitgesproken heb, de tegenwerpingen die gemaakt kunnen worden. Die tegenwerpingen liggen voor de hand. Men zal vanzelfsprekend zeggen: Toont zich juist niet in het lijken op de ouders, wat je dikwijls na de tandenwisseling ziet, hoe de mens ook later, na de tandenwisseling nog onderhevig is aan de wetten van de erfelijkheid? – Zo zou je vele tegenwerpingen kunnen maken. Maar neem nu eens het volgende: we hebben een model dat uit de erfelijkheidsstroom komt. Volgens dit model werken nu geest en ziel aan de tweede mens. Maar omdat bij het werken volgens een model anders ook niet de tendens bestaat helemaal anders te werken dan het model, moge het duidelijk zijn, dat de geest en de ziel het voorhanden zijn van een model gebruiken om de tweede mens erop lijkend vorm te geven. Maar telkens weer, wanneer je bewustzijn en kenvermogen hebt voor wat er eigenlijk gebeurt, zul je op het volgende komen: er zijn kinderen bij wie je in hun 9e, 10e jaar ziet hoe hun tweede

blz. 13:

Organismus – denn ein zweiter Organismus ist eben da – dem ersten, vererbten, ist. Andere Kinder zeigen, wie unähnlich dieser zweite Or­ganismus diesem ersten wird, wie etwas ganz anderes aus dem Zentrum des Menschenwesens heraus arbeitet, als vorerst vererbt war. Alle Va­rianten zwischen diesen beiden Extremen treten auf im menschlichen Leben. Denn indem das Geistig-Seelische den zweiten Organismus aus-arbeitet, will es vor allen Dingen der Wesenheit gehorchen, welche es mitbringt aus der geistig-seelischen Welt, wenn es heruntersteigt. Es entsteht ein Kampf zwischen dem, was den zweiten Organismus her-ausarbeiten soll, und dem, was der erste Organismus aus der Vererbung bekommen hat. Je nachdem der Mensch stärker oder schwächer ist -wir werden in den folgenden Vorträgen sehen, warum das so ist – aus dem geistig-seelischen Dasein, desto mehr kann er seinem zweiten Orga­nismus eine besonders durchseelte, individuelle Gestalt geben, oder aber, wenn er schwächer herabkommt, wird er sich möglichst genau an das Modell halten.
Aber bedenken Sie, womit wir es da zu tun haben, wenn wir das Kind erziehen sollen in seinem ersten Lebensalter von der Geburt bis zum Zahnwechsel hin!

organisme – want een tweede organisme is er al – bijna helemaal identiek is aan het eerste, geërfde. Bij andere kinderen zie je, hoe dit tweede organisme helemaal niet lijkt op het eerste, hoe heel iets anders uit het centrum van het mensenwezen zich naar buiten werkt, dan wat eerst geërfd was. Alle varianten tussen deze beide uitersten komen voor. Want als het geest-zielenwezen aan het tweede organisme werkt, wil het vooral luisteren naar het wezen dat dit meebrengt uit de geest-zielenwereld, wanneer het incarneert. Er ontstaat strijd tussen hetgeen het tweede organisme moet bewerken en datgene wat het eerste organisme uit de erfelijkheid meegekregen heeft. En al naar gelang de mens sterker of zwakker is – we zullen in de volgende voordrachten zien waarom dit zo is – vanuit zijn geest-zielenexistentie, des te meer kan hij zijn tweede organisme een bijzondere, bezielde individuele gestalte geven of dus, wanneer deze zwakker incarneert, zal hij zich zoveel mogelijk precies aan het model houden
Maar bedenk nu wel waar we mee te maken hebben, wanneer we een kind moeten opvoeden in zijn eerste levensfase vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling!

Wir müssen gestehen, wir schauen ehrfurchts­voll hin, wie die göttlich-geistigen Mächte herunterarbeiten aus über­sinnlichen Welten. Wir sehen sie von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in den ersten Lebensepochen herausarbeiten, so weit herausarbeiten, daß sie einen besonderen zwei­ten Leib bilden. Und indem wir erziehen, nehmen wir teil an dieser Arbeit des Geistig-Seelischen; wir setzen fort für das physische Men­schendasein dasjenige, was die göttlich-geistigen Mächte eingeleitet haben. Wir nehmen an göttlicher Arbeit teil.
Solche Dinge dürfen nicht bloß mit dem Verstande erfaßt werden. Solche Dinge müssen mit dem ganzen Menschen erfaßt werden. Dann bekommt man vor allen Dingen ein Gefühl von der ganzen Größe der Aufgabe gegenüber den schaffenden Mächten der Welt, welche die Er­ziehung insbesondere im ersten kindlichen Lebensalter hat. Aber ich möchte sagen, dieser erste Anhub, den das Geistig-Seelische unter­nimmt, um einen zweiten menschlichen Organismus zu schaffen, der zeigt uns wirklich, wie beim Kinde körperliches Gestalten, seelisches

Eerlijk gezegd, we kijken met grote eerbied toe hoe de goddelijk-geestelijke krachten vanuit bovenzintuigelijke werelden werkzaam zijn. We zien hoe zij dag na dag, week na week, maand na maand, jaar na jaar werkzaam zijn in deze eerste levensfase, en een eigen tweede lichaam creëren. En wanneer we opvoeden, hebben we deel aan dit geest-zielenwerk; wij gaan verder met wat de goddelijk-geestelijke krachten begonnen zijn vóór het fysieke bestaan van de mens. We doen mee met goddelijk werk.
Dit soort dingen mogen niet alleen maar verstandelijk opgevat worden. Deze dingen moet je met je hele mensenwezen begrijpen. Dan krijg je vooral het gevoel van de grootsheid van de opdracht die je t.o.v. de scheppende wereldkrachten hebt, die de opvoeding in het bijzonder in de eerste levensfase van het kind heeft.
Maar, ik zou willen zeggen, deze eerste aanzet die de geest-ziel geeft om een tweede menselijk organisme te scheppen, toont ons inderdaad hoe bij het kind de vorming van de fysieke gestalte, de werkzaamheid van

blz. 14:

Wirken, geistiges Schaffen eine Einheit sind. Alles das, was da geschieht im Bilden des neuen Organismus, im Abstoßen des alten, ist beim Kinde Einheit von Geist, Seele und Leib.
Daher zeigt sich das Kind in einer ganz anderen Art als später der Erwachsene. Das kann an einzelnen Erscheinungen durchaus beob­achtet werden. Im erwachsenen Zustand bekommen wir irgend etwas Süßes in den Mund, unsere Zunge, unser Gaumen nimmt das Süße wahr. Allein diese Geschmackswahrnehmung hört auf, wenn die süße Sub­stanz in einer gewissen Weise an eine gewisse Stelle des Organismus hin­gekommen ist. Den weiteren Verlauf verfolgen wir als erwachsene Menschen nicht mehr mit dem Geschmack. Im Kinde geht das anders. Beim Kinde geht der Geschmack durch den ganzen Organismus; es schmeckt nicht nur mit Zunge und Gaumen, es schmeckt mit dem gan­zen Organismus; es zieht die Süßigkeit durch den ganzen Organismus. Das Kind ist eben ganz Sinnesorgan.
Worin besteht das Wesen eines Sinnesorganes? Nehmen wir das menschliche Auge. Farbeneindrücke werden auf das menschliche Auge gemacht. Wer dasjenige, was der Mensch beim Sehen vollbringt, richtig ansieht, der sagt: Wille und Wahrnehmung ist im Auge eines; das bleibt an der Oberfläche, an der Peripherie des Menschen.

de ziel, het scheppen van de geest een eenheid vormen. Alles wat er gebeurt bij het vormen van het nieuwe organisme, bij het afstoten van het oude, is bij het kind een eenheid van geest, ziel en lichaam.
Vandaar dat een kind zich op een heel andere manier laat zien dan later de volwassene. Dat kan allereerst waargenomen worden aan een paar verschijnselen. Als wij als volwassene iets zoets in onze mond hebben, neemt onze tong, ons gehemelte dit zoets waar. Alleen, deze smaakwaarneming houdt op, wanneer de zoete substantie in zekere zin op een bepaalde plaats in het organisme is gekomen. Het verdere verloop volgen we als volwassen mens niet meer met de smaak. Bij het kind gaat dat anders. Bij het kind gaat de smaak door het hele organisme; het proeft niet alleen met de tong en het gehemelte, het proeft met het hele lichaam; het zoete doortrekt het hele organisme. Het kind is één zintuigorgaan.
Wat is het essentiële van een zintuigorgaan? Neem eens het menselijke oog. Op het menselijke oog worden kleurindrukken gemaakt. Wie op de juiste manier kijkt naar wat er bij de mens gebeurt bij het zien, zegt: wil en waarneming is in het oog hetzelfde; het blijft aan de oppervlakte, aan de periferie van de mens.

Im ersten Kindes­alter, von der Geburt bis zum Zahnwechsel, geht das – allerdings in feiner Weise – durch den ganzen Organismus. Der ganze Organismus des Kindes schaut sich an wie ein umfassendes Sinnesorgan. Und daher machen alle Eindrücke, die aus der Umgebung auf das Kind wirken, ganz andere Wirkungen im kindlichen Menschen als im erwachsenen Menschen. Dasjenige, was in der Umgebung vor sich geht, was mit dem Auge geschaut werden kann, ist im Menschen der Ausdruck des mensch­lich Seelenhaften, der menschlichen Moralität. Das Kind hat ganz un­terbewußt oder unbewußt, allerdings nicht im Bewußtsein, ein feines, intimes Wahrnehmungsvermögen für dasjenige, was sich ausspricht in jeder Bewegung, jeder Regung bei den Menschen der Umgebung. Wenn ein Jähzorniger in der Umgebung des Kindes aus dem Jähzorn heraus seine Regungen durchmacht, und in der äußeren Sinneswahrnehmung das Kind in solcher unbewußten Art schauen läßt, was er tut: oh, man täuscht sich sehr, wenn man glauben würde, daß das Kind nur diese

In de prille kindertijd, vanaf de geboorte tot de tandenwisseling, gaat dat – maar wel op een subtiele manier – door het hele organisme. Het hele organisme van een kind laat zich aanzien als een omvattend zintuigorgaan. En daarom hebben alle indrukken die uit de omgeving op het kind inwerken, een heel andere uitwerking op het kind dan op de volwassen mens. Wat er in de omgeving gebeurt, wat met de ogen wordt waargenomen, is voor de mens de uiting van wat in de menselijke ziel leeft, de menselijke moraliteit. Het kind heeft totaal onderbewust of onbewust, in ieder geval niet bewust, een fijn, subtiel waarnemingsvermogen voor wat zich in iedere beweging, bij iedere emotie tot uitdrukking komt bij de mens in zijn omgeving. Wanneer er in de omgeving van het kind een opvliegend iemand geëmotioneerd is en het kind dat uiterlijk laat waarnemen met zijn onbewust manier van kijken, wat daar gebeurt: oh, dan vergis je je erg als je denkt dat het kind alleen maar

blz. 15:

Bewegungen sieht. Das Kind hat einen deutlichen Eindruck von dem, was in den moralischen Regungen drinnen liegt, wenn auch nicht be­wußt. Das Auge hat auch keinen bewußten Sinneseindruck, sondern einen unbewußten. Alles, was sich moralisch-seelisch in unsinnlicher Weise offenbart, strömt in das Kind ein wie die Farben in das Auge, weil der ganze kindliche Organismus Sinnesorgan ist.
Aber dieser Organismus ist fein organisiert. Deshalb setzt sich jeder Eindruck fort in dem ganzen kindlichen Organismus. Zunächst ist der Eindruck, den das Kind empfindet von dem, was sich moralisch offen­bart, ein seelischer Eindruck. Aber bei dem Kinde geht alles Seelische in das Leibliche hinunter. Wenn das Kind einen Schreck erfährt an den Eindrücken der Umgebung, aber ebenso alles, was an Freude und Erhebung lebt, geht über, wenn auch nicht in so grober Art, sondern in feiner Weise, in die Wachstums-, Zirkulations- und Verdauungspro­zesse. Ein Kind, das jede Stunde zu fürchten hat die Eindrücke, die von einem Jähzornigen ausgehen, der jeden Augenblick einen Zorn be­kommt, erlebt etwas Seelisches, das sogleich eindringt in Atmung und Blutzirkulation und auch in seine Verdauungstätigkeit.

bewegingen waarneemt. Het kind heeft een duidelijke indruk van de moraliteit in die emoties, ook al is dat niet bewust. Het oog heeft ook geen bewuste zintuigindrukken, maar onbewuste. Alles wat morele zielenkwaliteit heeft en op een niet zintuiglijke manier tot uiting komt, gaat bij een kind naar binnen, zoals de kleuren bij het oog, omdat heel het kinderlijk organisme zintuig is. Maar dit organisme zit fijntjes in elkaar. Daarom gaat iedere indruk verder naar binnen in heel dit kinderlijke organisme. Meteen al is de indruk die het kind van iets wat zich moreel uit, ervaart, een indruk op zijn ziel. Maar bij een kind gaat alles wat ziel is over op het lichamelijke. Wanneer het kind schrikt door indrukken uit de omgeving, maar ook net zo bij plezier en een verheven stemming, gaat dat door, weliswaar niet op zo’n ruwe manier, maar subtiel, tot in de groeikrachten, de circulatie en stofwisselingsprocessen. Een kind dat ieder uur bang moet zijn voor de indrukken die een opvliegend mens op hem maken; die ieder ogenblik een woede-aanval krijgt, beleeft iets in zijn ziel wat tegelijkertijd in adem- en bloedcirculatie en ook in de stofwisseling binnenkomt.

Das ist das Be­deutsame, daß wir für das kindliche Alter gar nicht sprechen können bloß von körperlicher Erziehung, weil die Seelenerziehung eine körper­liche ist, weil alles Seelische sich metamorphosiert in das Körperliche, ein Körperliches wird.
Und was das für eine Bedeutung hat, wird einem erst klar, wenn man aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus nicht bloß auf das Kind hinschaut und Erziehungs- und Unterrichtsgrundsätze prägt, sondern wenn man hinschaut auf das ganze menschliche Erdenleben. Das ist nicht so bequem wie ein bloße Beobachtung des Kindes. Eine Beobach­tung des Kindes: nun, man registriert, wie das Gedächtnis ist, das Denk­vermögen, die Sinneswahrnehmungen des Auges, des Ohres und so weiter; man registriert für den Augenblick oder doch für eine kurze Zeit. Aber damit hat man gar nichts getan für die Erkenntnis des Men­schen. Denn geradeso wie bei der Pflanze in dem Samen, der zur Wur­zel wird, schon darin liegt, was nach langer Zeit in Blüte und Frucht zum Vorschein kommt, so liegt in dem Kinde bis zum Zahnwechsel hin, weil es für alles Seelische körperlich empfänglich ist, der Keim für

En dat is nu zo belangrijk, we kunnen met het oog op de kinderleeftijd helemaal niet spreken van alleen maar lichamelijke opvoeding, omdat de opvoeding van de ziel een lichamelijke is, omdat alles wat ziel is, omgezet wordt in iets lichamelijks, iets fysieks.
En wat daarvan het belang is, zie je pas duidelijk, wanneer je uit echte menskunde het kind niet alleen maar bekijkt en opvoedings- en onderwijsbeginselen formuleert, maar wanneer je kijkt naar het gehele aardse leven van de mens. Dat is niet zo makkelijk als alleen maar het waarnemen van een kind. Waarnemen van een kind: vooruit, je registreert hoe het geheugen is, het denkvermogen, de waarnemingen van het oog, van het oor enz; je tekent het aan voor het ogenblik zelf of wellicht voor een korte tijd. Maar daarmee heb je nog niets gedaan om de mens te kennen. Want net zo als bij de plant in het zaad, dat wortel schiet, besloten ligt wat er na langere tijd als bloem en vrucht tevoorschijn komt, zo ligt ook in het kind tot de tandenwisseling, omdat het voor alles wat ziel is lichamelijk gevoelig is, de kiem voor 

blz. 16:

Glück und Unglück, für Gesundheit und Krankheit für das ganze Er­denleben bis zum Tode hin. Und dasjenige, was wir als Lehrer oder Erzieher in das Kind einströmen lassen in der ersten Lebensepoche, die hinunterwirkt in Blut und Atmung und Verdauung, das ist wie ein Keim, der manchmal erst aufgeht in Form von Gesundheit und Krank­heit des Menschen im 40., 50. Lebensjahr. Ja, so ist es: Wie der Erzie­hende sich benimmt gegenüber dem kleinen Kinde, damit veranlagt er es zum innerlichen Glück oder Unglück, zu Gesundheit oder Krankheit.
Das zeigt sich ja insbesondere, wenn wir im einzelnen diese Wir­kungen des Erziehenden auf das Kind aus den Tatsachen des Lebens heraus beobachten. Diese Tatsachen lassen sich ebenso beobachten wie die physikalischen Tatsachen im Laboratorium oder wie die Pflanzen-tatsachen im botanischen Kabinett; aber man tut es gewöhnlich nicht. Nehmen wir einzelne Fälle heraus. Sagen wir einmal, wir wollen rein betrachten zunächst, wie der Lehrer neben dem Kinde in der Schule steht. Betrachten wir zunächst den Lehrer, und betrachten wir ihn nach seinem Temperament.

geluk en tegenspoed, voor gezondheid en ziekte in heel het aardse leven tot de dood. En wat wij als leerkracht of opvoeder in de eerste levensfase het kind meegeven wat doorwerkt tot in bloed en ademhaling en stofwisseling, is als zaad dat vaak pas ontkiemt in de vorm van gezondheid of ziekte van de mens in zijn 40e, 50e levensjaar. Ja, het is zo: met zijn gedrag tegenover het kleine kind legt de opvoeder iets aan  wat voor zijn innerlijk, geluk of ongeluk, gezondheid of ziekte betekent. Dat zie je met name wanneer we in detail deze werking van de opvoeder op het kind eens bekijken vanuit wat er in feite in het leven gebeurt. Deze dingen kan je net zo bekijken als natuurkundige zaken in een laboratorium of als plantkundige zaken in een botanische onderzoeksruimte; maar dat doet men gewoonlijk niet. We pikken er een paar gevallen uit. Laten we zeggen, we willen eerst puur bekijken hoe de leerkracht op school naast het kind staat. Eerst kijken we naar de leerkracht en letten op zijn temperament.

Wir wissen, nach dem Temperament kann der Mensch sein ein energischer, aber auch zornmutiger, jähzorniger Mensch, ein Choleriker, oder ein innerlich sich in sich zusammenzie­hender und mehr auf sich hinschauender, nur in sich empfindender, die Welt meidender Melancholiker; oder ein für äußere Eindrücke rasch Empfänglicher, der von Eindruck zu Eindruck eilt, ein Sangui­niker; oder einer, der alles gehen läßt, dem alles gleichgültig ist, der nicht gedrückt ist von äußeren Eindrücken, der alles vorübergehen läßt, ein Phlegmatiker.
Nehmen wir zunächst an, die Lehrerbildungsstätte hätte nicht dafür gesorgt, solche Temperamente abzuschleifen und in richtiger Weise in die Schule hineinzustellen, sondern solche Temperamente wirkten sich aus, sie schössen in die Zügel mit einem gewissen Radikalismus. Neh­men wir das cholerische Temperament: ein Kind im Lebensalter bis zum Zahnwechsel ist ausgesetzt dein cholerischen Temperament. Wenn der Lehrende, der Erziehende sich ganz gehen läßt in diesem seinem cholerischen Temperament, dann wird fortdauernd auf das Kind ein seelischer Eindruck ausgeübt, welcher dahin geht, daß dieses Kind in bezug auf sein Zirkulationssystem, in bezug auf alles das, was innerlicher

Wij weten, wat zijn temperament betreft, de mens een wilskrachtig, maar ook een mens kan zijn die snel driftig is, een opvliegend mens, een cholericus of iemand die zich in zijn binnenste terugtrekt en meer een binnenvetter is, meer zichzelf ervaart, de melancholicus die de wereld uit de weg gaat; of iemand die snel gevoelig is voor indrukken van buitenaf, vlug van de ene indruk naar de andere gaat, een sanguinicus; of iemand die alles maar laat gebeuren, voor wie het allemaal wel goed is, die niet gebukt gaat onder indrukken van buitenaf, die alles aan zich voorbij laat gaan, een flegmaticus.
Laten we eens aannemen dat er in de lerarenopleiding niet voor gezorgd werd dat de scherpe kantjes van deze temperamenten afgeslepen werden om op school de juiste houding te hebben, maar dat zulke temperamenten zich kunnen uitleven; dat men zich op een zekere rigoureuze manier kan laten gaan. Neem de cholericus: een kind in de leeftijdsfase tot de tandenwisseling krijgt te maken met een cholerisch temperament. Wanneer de leerkracht, de opvoeder zich met zijn cholerisch temperament helemaal laat gaan, dan wordt er voortdurend op de ziel van het kind indruk gemaakt wat ertoe leidt dat het kind wat zijn circulatiesysteem betreft, wat betreft alles wat innerlijk

blz. 17:

Rhythmus ist, starke Eindrücke erhält. Diese Eindrücke, die gehen zunächst nicht sehr tief, aber sie sind eben auch erst ein Keim; und dieser Keim wächst und wächst, wie alle Keime wachsen. Es kann zuweilen so im 40., 50. Lebensjahr in Zirkulationsstörungen des rhyth­mischen Systems die Wirkung ungezügelten cholerischen Temperamen­tes beim Erziehenden auftreten. Wir erziehen eben das Kind nicht bloß für das kindliche Alter; wir erziehen es für das ganze Erdendasein und, wie wir später sehen werden, auch noch für die Zeit darüber hinaus.
Oder nehmen wir an, der Melancholiker läßt seinem Temperament die Zügel schießen; er habe nicht mit der Seminarbildung aufgenommen den Impuls, es zu harmonisieren, es in der richtigen Weise an das Kind herantreten zu lassen; er gibt sich seiner Melancholie hin in dem Ver­kehr mit dem Kinde. Dadurch, daß er eine solche Melancholie in sich lebt, fühlt und denkt, dadurch entzieht er fortwährend dem Kinde dasjenige, was eigentlich vom Lehrer auf das Kind überströmen sollte:
Wärme.

ritme is, sterke indrukken ontvangt. In het begin gaan deze indrukken nog niet zo ver, ze zijn eerst ook nog maar een kiem; deze kiem groeit en groet zoals alle kiemen groeien; en er kunnen soms in het 40e, 50e levensjaar in het ritmische systeem circulatiestoornissen optreden als gevolg van het ongebreidelde cholerische temperament van de opvoeder. We voeden het kind niet alleen maar op voor de kinderleeftijd; we voeden het op voor het hele aardse bestaan en zoals we later zullen zien, ook nog voor de tijd daarna.
Of laten we er eens vanuit gaan dat een melancholicus zich helemaal laat gaan; hij heeft tijdens zijn opleiding niet de impuls in zich opgenomen meer harmonie te ontwikkelen  om het kind op een goede manier tegemoet te treden; in de omgang met het kind geeft hij zich over aan zijn melancholie. Omdat hij zo melancholisch is in wat hij voelt en denkt onttrekt hij voortdurend iets aan het kind, wat eigenlijk van de leerkracht naar het kind zou moeten stromen: warmte.

Der Erziehung fehlt häufig jene Wärme, die zunächst als Seelenwärme wirkt, die aber beim Kinde heruntergeht vorzugsweise in das Verdauungssystem und Keimanlagen darin hervorruft, die in spä­terem Lebensalter auftreten in allerlei Störungen, krankhaften Störun­gen des Blutes oder wenigstens in krankhaften Anlagen des Blutes und so weiter.
Nehmen wir den Phlegmatiker, dem alles gleichgültig ist, was er mit dem Kinde tut. Ein ganz besonderes Verhältnis spinnt sich an zwi­schen ihm und dem Kinde. Es ist etwas nicht Kaltes, aber furchtbar Wässeriges im seelischen Sinne zwischen einem solchen Erzieher und dem Kinde. Es wird nichts so stark entwickelt, daß ein richtiges Hin-­und-Herströmen des Seelischen zwischen dem Erziehenden und dem Kinde da ist; das Kind wird nicht genügend innerlich regsam gemacht. Verfolgt man ein Menschenkind, das unter dem Einfluß des Phlegmas, eines phlegmatischen Temperamentes sich entwickeln mußte bis in ein höheres Lebensalter, so merkt man oftmals, wie Anlage zur Gehirn­schwäche, Blutleere im Gehirn, Stumpfheit der Gehirntätigkeit im spä­teren Lebensalter auftritt.
Sehen wir, wie ein Sanguiniker, der seinem Sanguinismus die Zügel schießen läßt, auf das Kind wirkt. Er ist jedem Eindrucke hingegeben,

Aan de opvoeding ontbreekt dan vaak die warmte die eerst als warmte voor de ziel werkt, die echter bij een kind vooral dieper gaat, tot in de stofwisseling en daar worden kiemen gelegd die op latere leeftijd tevoorschijn komen in allerlei stoornissen, ziekelijke verstoringen van het bloed of op zijn minst in een verstoorde opbouw van het bloed enz.
Dan de flegmaticus voor wie alles om het even is wat hij met het kind doet. Tussen hem en het kind komt een bijzondere verhouding tot stand. Er is niet iets kouds, maar verschrikkelijk waterig – zo opgevat voor de ziel – tussen zo’n opvoeder en het kind. Er wordt niets zo sterk ontwikkeld dat er tussen de opvoeder en het kind een pendelende zielenstroom bestaat; het kind wordt vanbinnen niet voldoende actief. Volg je een mensenkind dat onder invloed van flegma, een flegmatisch temperament zich heeft moeten ontwikkelen tot op latere leeftijd, dan bemerk je vaak dat er in het latere leven een aanleg voor hersenzwakte, bloedeloosheid in de hersenen, dofheid in het werken van de hersenen ontstaat.
En kijk eens hoe een sanguinicus die zich in het sanguinisch-zijn laat gaan, op een kind werkt. Hij moet iedere indruk volgen,

blz. 18:

aber die Eindrücke gehen schnell vorüber. Er lebt auf besondere Art auch in sich, aber mit sich in den äußeren Dingen. Das Kind kann nicht mitgehen; die Reize, die gerade dadurch, daß der Lehrer von Eindruck zu Eindruck eilt, auf das Kind ausgeübt werden, sie greifen nicht an, denn das Kind braucht liebevolles Gehaltenwerden bei einem Eindruck, wenn es wirklich innerlich regsam genug gemacht werden soll. Verfol­gen wir ein Kind, das unter übertrieben sich gehenlassendem Sangui­nismus aufwächst, so zeigt es sich im späteren Alter, daß der erwach­sene Mensch, der sich aus dem Kinde entwickelt hat, Mangel an Vitalkraft hat, zu wenig Lebenskraft zeigt, wenig Gehalt zeigt und derglei­chen. So daß man eigentlich, wenn man dafür den Blick hat – und Er­ziehen beruht auf Intimität des seelischen Blickes -, an dem Typus, den ein Mensch angenommen hat, noch im 40., 50. Lebensjahr sagen kann:
auf diesen Menschen hat ein melancholisches, phlegmatisches, chole­risches oder sanguinisches Lehrertemperament eingewirkt.
Ich sage das in der Einleitung nicht, um etwa Angaben zu machen, wie diese Dinge für die Lehrerausbildung fruchtbar zu machen sind; ich möchte zunächst hinweisen, wie dasjenige, was wir mit dem Kinde vornehmen, nicht etwa bloß, wenn es ein Seelisches ist, Seelisches bleibt, sondern daß es durchaus in das Körperliche übergeht. Seelisch das Kind erziehen, heißt, es für das ganze Erdenleben auch körperlich erziehen.

maar indrukken komen en gaan. Hij blijft wel op een aparte manier bij zichzelf, maar gaat ook mee in de uiterlijkheden. Het kind kan daarin niet mee; de impulsen die van invloed zijn op het kind omdat de leerkracht snel van de ene indruk naar de andere leeft, beklijven niet, want een kind heeft nodig dat het op een liefdevolle manier bij een indruk kan blijven staan, wil het daadwerkelijk innerlijk actief genoeg worden. Wanneer we een kind volgen dat opgroeit bij een sanguinicus die zich overdreven laat gaan, blijkt dat op latere leeftijd de volwassen mens die uit het kind geworden is, een gebrek aan levenskracht heeft, te weinig levenskracht toont, weinig geestelijke bagage en zo. Zodat je, wanneer je daarvoor een blik hebt – en opvoeding berust op het subtiele kijken met de ziel – over het type mens dat iemand is geworden, op z’n 40e, 50e nog kan zeggen: op deze mens heeft een melancholisch, flegmatisch, cholerisch of sanguinisch temperament gewerkt.
Ik zeg dit in deze inleiding niet om aanwijzingen te geven hoe deze dingen in een lerarenopleiding vruchtbaar gemaakt zouden kunnen worden; ik wil slechts wijzen op hetgeen wij met het kind doen, wanneer het iets is voor zijn ziel, dat niet alleen maar voor zijn ziel blijft, maar dat het juist iets is wat in het lichamelijke terecht komt. De ziel van het kind opvoeden, betekent voor zijn hele aardse leven ook een lichamelijk opvoeden.

Der Anthroposophie sagt man sehr oft nach, daß sie zu dem See­lischen den Geist suche. Mancher Mensch wird heute schon sehr kri­tisch und ablehnend, wenn ihm überhaupt vom Geist gesprochen wird; und daher glaubt man leicht, nun ja, Anthroposophie ist so eine Phan­tasterei. Da wird aus dem Wirklichen, das für die Sinne erscheint, ein Dunst und Nebel heraus abstrahiert; der im Geiste Vernünftige braucht sich nicht einzulassen auf diesen Dunst und Nebel. – Aber gerade An­throposophie in ihren pädagogischen Auswirkungen möchte, daß im richtigen Sinne die Grundsätze für körperliche Erziehung Anwendung finden, weil sie weiß, daß gerade beim Kinde in der ersten Lebensepoche das Körperliche überall von den seelischen Impulsen beeinflußt wird. Ich möchte sagen: Man suche einmal die Grundlage bewußt, daß ein Seelisch-Geistiges überall zugrunde liegt dem körperlichen Wirken; dann kann man für die Entwicklung des Kindes von der Geburt bis

Antroposofie wordt dikwijls nagedragen dat ze bij wat de ziel betreft, de geest zou zoeken. Velen worden tegenwoordig al heel kritisch en afwijzend, wanneer er maar wordt gesproken over geest; en vandaar dat men makkelijk gelooft, ach, antroposofie is een of andere fantasterij. Die abstraheert uit de realiteit die zich voordoet aan de zintuigen een soort mist en laaghangende bewolking; degene die ze op een rijtje heeft hoeft zich met deze mist niet bezig te houden – . Maar juist antroposofie, omgewerkt tot pedagogie, wil nu juist dat er op een goede manier principes voor lichamelijke opvoeding toegepast worden, omdat ze weet dat juist bij het kind in de eerste levensfase het lichaam bij alles door impulsen vanuit de ziel beïnvloed wordt. Ik zou willen zeggen: men zou eens bewust de basis moeten zoeken van wat ziel en geest is, dat overal ten grondslag ligt aan het fysieke functioneren; dan kun je voor de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte tot

blz. 19

zum Zahnwechsel ganz gut Materialist sein und bloß auf das Stoff­liche wirken, denn so wie das Stoffliche im Kinde wirkt, ist es eine Einheit von Seele und Geist. Niemand versteht das Stoffliche im Kinde, der nicht so Seele und Geist ästimiert. Aber es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.
Zum Erziehen gehört Verantwortlichkeitsgefühl. Dieses Verant­wortlichkeitsgefühl, es tritt einem aus einer solchen Betrachtung wirk­lich recht stark vor das Seelenauge und ergreift das menschliche Herz. Denn geht man an die Erziehung heran, indem man weiß, dasjenige, was man an dem Kinde bewirkt, lebt fort als Glück, Unglück, Gesund­heit, Krankheit im ganzen Erdenleben: es lastet zunächst auf der Seele, aber es spornt auch an, diejenigen Kräfte und Fähigkeiten und vor allen Dingen diejenige Seelenverfassung als Erzieher in sich auszubilden, die stark genug sein wird, jene Seelenkeime im kindlichen Alter zu pflan­zen, die erst im späteren, manchmal im sehr späten Alter aufgehen.
So ist diejenige Menschenerkenntnis, die Anthroposophie zur Grund­lage der pädagogischen Kunst macht. Sie ist nicht bloß die Erkenntnis dessen, was gerade in einem bestimmten Lebensstadium, zum Beispiel im kindlichen, vor uns steht, sondern sie ist hervorgegangen aus der Anschauung des ganzen menschlichen Erdenlebens.

tot de tandenwisseling heel goed een materialist zijn en alleen maar op het stoffelijke inwerken, want zoals het stoffelijke in een kind werkt, is het een eenheid van ziel en geest. Niemand begrijpt het stoffelijke in het kind die niet ook respect heeft voor ziel en geest. Maar ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
Bij opvoeden hoort verantwoordelijkheidsgevoel. Dit verantwoordelijkheidsgevoel ziet iemand met zo’n beschouwingswijze heel sterk voor zich en dat beleeft een mens ook in zijn hart. Want wanneer je begint op te voeden als je weet dat wat je aan een kind doet, verder leeft als geluk of tegenspoed, gezondheid, ziekte in heel het aardse bestaan: dan drukt dat op je ziel, maar het stimuleert je ook om die krachten en vaardigheden en vooral je zielenstemming als opvoeder zo te ontwikkelen dat die sterk genoeg zijn om in de ziel van het kind kiemen te leggen die pas later, dikwijls pas op een veel latere leeftijd opbloeien.
Antroposofie maakt die menskunde tot basis van de pedagogische kunst. Dat is niet alleen maar kennis van wat we, juist in een bepaalde leeftijdsfase, bijv. die van het kind, voor ons hebben, maar deze kennis is naar voren gekomen uit het waarnemen van heel het aardeleven van de mens.

Denn der Mensch, was ist er denn seinem Erdenleben nach? Sehen Sie, wenn wir den Men­schen anschauen, wie er vor uns steht in jedem Augenblick, so sagen wir, er sei ein Organismus. Warum ist er das? Weil alles, alles einzelne an ihm in Harmonie mit der ganzen Bildung des Organismus steht. Wer sich einen Blick aneignet für die inneren Beziehungen in Gestalt, Größe und so weiter der einzelnen Glieder des menschlichen Organis­mus, wie sie zusammenpassen, sich aneinander harmonisieren, eine Einheit bilden, eine Mannigfaltigkeit in der Einheit bilden, wer sich dafür den Blick aneignet, schaut sich den kleinen Finger des Menschen an. Wenn er das Ohrläppchen auch nicht sieht, weiß er ungefähr, wie das Ohrläppchen gestaltet ist; denn bei einer gewissen Gestaltung des kleinen Fingers wird das Ohrläppchen in einer gewissen Weise gestal­tet sein und so weiter. Es ist so, daß das kleinste und das größte Glied des menschlichen Organismus nach dem Ganzen gebildet ist, aber daß es auch nach jedem anderen Glied gebildet ist, so daß wir ein Organ

Want wat is de mens eigenlijk, wat zijn aardse leven betreft? Kijk, wanneer we de mens waarnemen zoals die  ieder ogenblik voor ons staat, dan zeggen we: hij is één geheel. Waarom is dat zo? Omdat alle details aan hem in harmonie zijn met de gehele bouw van het organisme. Wie zijn blik geschoold heeft voor de innerlijke samenhang in gestalte, grootte enz. van de aparte delen van het menselijk organisme, hoe die bij elkaar horen, in harmonie zijn met elkaar, een eenheid vormen, een veelvuldigheid binnen een eenheid vormen; wie daarvoor zijn blik geschoold heeft, zou eens naar de pink van een mens kunnen kijken. Ook wanneer hij het oorlelletje niet ziet, weet hij min of meer hoe dat er uitziet; want bij een bepaalde vorm van de pink is het oorlelletje ook op een bepaalde manier gevormd enz. Het is zo dat het kleinste en het grootste deel van het menselijk organisme gevormd is naar het geheel, maar ook dat het naar ieder ander deel gevormd is, zodat wij een orgaan

blz. 20

im Kopfe nicht verstehen, wenn wir es nicht in Einklang, in Beziehung zu schauen vermögen mit einem Organ am Bein oder Fuße. Das ist der Fall für den Raumesorganismus, den Organismus, der im Raume aus­gebreitet ist. Aber der Mensch hat nicht nur den Raumesorganismus, er hat auch den Zeitorganismus. Und ebenso wie das Ohrläppchen gebil­det ist nach der Bildung des Ganzen und auch nach der Bildung, sagen wir des kleinen Fingers oder des Knies und so weiter, so steht dasjenige, was der Mensch im 50. Lebensjahr erlebt an physischer Gesundheit, an Krankheit, an seelischem Aufgeräumtsein oder Niedergeschlagensein, an geistiger Klarheit oder Dumpfheit, diese seelische Konfiguration des Menschen im 50. Lebensjahr steht im innigsten Verhältnis mit dem, was der Mensch im 10., 7. oder 4. Lebensjahr in dieser Beziehung in sich trug. So wie die Glieder im Raumesorganismus, so stehen die zeitlich voneinander getrennten Glieder im Zeitenorganismus in Beziehung zueinander. In gewisser Beziehung können wir sagen: Wenn wir 5 Jahre geworden sind – natürlich, der triviale Einwand gilt nicht, daß wir eher sterben können, da liegen andere Verhältnisse vor -, wenn wir 5 Jahre alt geworden sind, ist das, was in uns ist, schon im Einklang mit dem, was wir sein werden, wenn wir 40 Jahre alt sein werden.

in het hoofd niet begrijpen wanneer we het niet in overeenstemming met, in relatie tot een orgaan aan been of voet kunnen waarnemen. Dat is het geval bij het organisme in de ruimte, het organisme dat zich in de ruimte uitstrekt. Maar de mens heeft niet alleen zijn organisme in de ruimte, hij heeft het ook in de tijd. En net zoals het oorlelletje gevormd is naar de bouw van het geheel of laten we zeggen naar de pink of de knie enz, zo is wat de mens in zijn vijftiger jaren doormaakt aan fysieke gezondheid, ziekte, wat zijn ziel betreft, opgeruimd of juist terneergeslagen, aan geestelijke wakkerheid of dofheid, deze zielenconstellatie van de mens in zijn vijftiger jaren staat in een subtiele relatie tot wat de mens op zijn 10e, 7e of 4e jaar wat dit betreft, in zich meedroeg. Zoals de lichaamsdelen in de ruimte met elkaar in verbinding staan, zo ook de van elkaar gescheiden fasen in de tijd. In zekere zin kunnen we zeggen: wanneer we 5 jaar zijn geworden – natuurlijk, de triviale tegenwerping dat we eerder dood kunnen gaan, geldt niet – dan gaat het om andere dingen – wanneer we 5 jaar zijn geworden is wat we in ons hebben al in overeenstemming met wat we worden wanneer we 40 zullen zijn.

Der Mensch ist außerdem, daß er ein Raumesorganismus ist, ein Zeitenor­ganismus. Und wenn jemand einen Finger findet, so müßte schon dieser Finger eben erst abgeschnitten sein, damit er überhaupt einem Finger ähnlich sein kann: er wird sehr bald nicht mehr ein Finger sein; wenn er lange vom Organismus getrennt ist, verschrumpft er, wird er etwas anderes als ein menschliches Glied. Ein vom menschlichen Organismus getrennter Finger ist kein Finger; er könnte niemals leben, abgetrennt von seinem Leibe, und das ist nichts, ist kein in sich Beständiges, ist gar keine Wirklichkeit; er ist nur eine Wirklichkeit mit dem ganzen Erdenleib zwischen Geburt und Tod zusammen.
Wenn wir dies betrachten, werden wir uns auch klar sein darüber, daß wir in alldem, was wir an das Kind heranbringen, den Zeitenorga­nismus berücksichtigen müssen. Denken Sie sich nur einmal, wenn der Mensch ebenso beeinflussen könnte den Raumesorganismus, wie er den Zeitenorganismus oftmals beeinflußt, was dann aus diesem Raumes-organismus würde! Nehmen wir an, wir führten in den Menschenmagen

De mens is behalve dat hij een ruimte-organisme is, een tijdorganisme. En wanneer iemand een vinger vindt, dan moet die vinger van te voren afgesneden zijn om ook maar identiek te kunnen zijn aan een vinger: weldra is het geen vinger meer; wanneer die gescheiden wordt van het lichaam verschrompelt hij en wordt iets anders dan een deel van de mens. Een vinger die van het mensenorganisme gescheiden is, is geen vinger; die zou nooit kunnen leven, zo gescheiden van zijn lichaam en het is niets, is geen zelfstandig iets, is zelfs geen werkelijkheid; hij is alleen werkelijkheid samen met het hele aardse lichaam tussen geboorte en dood.
Wanneer we dit zien, zal het ons ook duidelijk zijn dat wij in alles wat we het kind aanbieden  rekening moeten houden met het tijdorganisme. Denk je eens in wanneer de mens net zo zijn ruimtewezen kon beïnvloeden zoals hij zijn tijdorganisme vaak beïnvloedt, wat er dan van zijn ruimte-organisme zou worden! Laten we eens aannemen dat we de mensenmaag

blz. 21:

eine Substanz ein, die den Kopf zerstört. Wir schauten nur auf den Magen, wir schauten nicht auf das, was aus dieser Substanz wird, wenn sie sich im Organismus verteilt und bis zum Kopfe kommt. Der­jenige, der den menschlichen Organismus verstehen will, muß sagen können aus dem, was vorgeht mit einer Substanz im menschlichen Ma­gen, was dieser Vorgang für eine Bedeutung für den Kopf hat. Die Substanz muß vom Magen bis zum Kopf fortwährend Veränderungen, Metamorphosen durchmachen, muß beweglich sein. Beim Zeitenorga­nismus versündigen wir uns dem Kinde gegenüber häufig. Wir sehen darauf, daß das Kind uns schon entgegenbringe so klare, scharfe Be­griffe, Begriffe mit scharfen Konturen; wir werden unwillig, wenn das Kind elastische Begriffe hat, die nicht recht scharf sind. Wir arbei­ten dahin, dem Kinde etwas beizubringen, das es dann so in der Seele behält, daß es uns das wieder vorschwatzen kann. Wir sind oftmals besonders glücklich, wenn wir einem ganz jungen Kinde etwas bei­bringen, das es nach Jahren in derselben Gestalt wieder vorschwatzt. Aber das ist gerade so, wie wenn wir einem Kinde mit 3 Jahren Stiefel machen lassen und verlangen, daß es mit 10 Jahren diese Stiefel an-ziehe und sie ihm noch passen. In Wahrheit handelt es sich darum, daß wir dem Kinde beibringen lebendige, biegsame, elastische Begriffe, die, wie die äußeren physischen Glieder wachsen, so seelisch mit dem Men­schen heranwachsen.

een substantie geven die het hoofd in de war maakt. Dan keken we naar de maag; we keken niet naar wat uit die substantie wordt, wanneer deze zich in het organisme verspreidt en in het hoofd terechtkomt. Wie het menselijk organisme begrijpen wil, moet kunnen zeggen wat met een stof gebeurt in de maag en wat dat betekent voor het hoofd. De stof moet van maag tot hoofd voortdurend veranderingen, metamorfosen ondergaan, moet beweeglijk zijn. Tegen het tijdsorganisme van het kind zondigen we erg vaak. We willen dat het kind ons klare, begrensde begrippen levert; afgemeten begrippen; we voelen wrevel, wanneer het kind rekbare begrippen heeft, die niet zo vastomlijnd zijn. We werken eraan het kind iets bij te brengen wat het jaren later precies hetzelfde weer ophoest. Maar dat is hetzelfde als wanneer we een kind van 3 laarzen geven en dan verlangen dat het op z’n 10e die laarzen aantrekt en dat ze nog passen. In waarheid gaat het erom dat wij het kind levendige, rekbare, meebewegende begrippen bijbrengen die. zoals de uiterlijke ledematen groeien, als inhoud voor de ziel mee kunnen groeien.

Das ist unbequemer, als dem Kinde Definitionen zu geben von dem und jenem, die es sich merken muß, die bleiben sollen, wie wenn man verlangen würde, daß Stiefel eines Kindes von 3 Jahren passen sollen für Füße eines Kindes von 10 Jahren. Man muß mit den Regungen des Kindes mitleben, muß eine Freude haben, dem Kinde etwas zu geben, was innerlich biegsam und elastisch ist, damit das Kind, so wie es mit den physischen Gliedern wächst, mit diesen Begriffen, Empfindungen, Gefühlsregungen heranwächst, so daß es in kurzer Zeit etwas anderes macht aus dem, was wir ihm gegeben haben. Da braucht man innige Freude am Werden und Wachsen; man kann nicht Pedantis­mus brauchen, nicht das Leben in zu scharf konturierten Begriffen brauchen. Man kann nur gebrauchen dasjenige, was regsames, sich ge­staltendes, wachsendes, gedeihendes Leben ist. Und derjenige, der für solches wachsende, gedeihende Leben etwas an Sinn hat, der ist schon

Dat is lastiger dan het kind definities geven van dit of dat, die het onthouden moet, die moeten blijven, alsof je zou eisen dat de laarzen van een kind van 3 ook nog passen aan de voeten van een 10-jarige. Je moet meebewegen met de belevingen van een kind, moet blij zijn het kind iets te geven wat innerlijk meebewegen kan, opdat het kind, zoals het met zijn fysieke ledematen groeit, ook mee kan groeien met deze begrippen, ervaringen, gevoelens, zodat het op korte termijn uit wat wij het aangereikt hebben, iets anders kan maken. Je hebt innerlijk plezier nodig bij ontwikkeling en groei; pedanterie kun je niet gebruiken; het leven in te vast omlijnde begrippen niet. En wie voor dat groeiende, gedijende leven een bepaald zintuig heeft, heeft als

blz. 22:

verwandt als Erzieher mit dem Kinde, weil Leben in ihm ist und das Leben von ihm auf das Leben verlangende Kind übergeht. Und das brauchen wir vor allen Dingen, daß vieles Totes, das in unserer Didak­tik und Pädagogik ist, in Leben umgewandelt werde. Daher brauchen wir eine Menschenerkenntnis, die nicht sagt: so und so und so ist der Mensch bloß, das und das ist der Mensch; wir brauchen eine Menschenerkenntnis, die auf den ganzen Menschen wirkt, wie die physische Nahrung auf das Blut wirkt. Das Blut zirkuliert im Menschen. Wir brauchen eine Menschenerkenntnis, die uns seelisches Blut gibt, die uns nicht nur gescheit und verständig und vernünftig machen kann, son­dern die uns enthusiastisch machen kann, innerlich beweglich machen kann, die Liebe entzünden kann. Denn liebegetragen muß dasjenige an Pädagogik sein, was aus wahrer Menschenerkenntnis hervorquillt.
Damit wollte ich zunächst nur einleitende Andeutungen geben über die Voraussetzungen, welche der Pädagogik aus der Anthroposophie heraus gegeben werden sollen. Es wird sich im weiteren darum han­deln, wie nun in der Schulpraxis im einzelnen dieser Geist anthropo­sophischer Pädagogik verwirklicht werden kann. Davon darf ich dann morgen und die folgenden Tage weiter sprechen. 

opvoeder al veel gemeen met het kind, omdat hij vol leven is en het leven van hem op het naar leven verlangende kind overgaat. En boven alles hebben we nodig dat het vele doodse dat in onze didactiek en pedagogiek zit, in leven veranderd wordt.
Daarvoor hebben we menskunde nodig; niet een die zegt: zus en zo en zo zit de mens dus in elkaar, dit en dat is de mens; we hebben een menskunde nodig die op de hele mens werkt, zoals de fysieke voeding op het bloed. Het bloed circuleert door de mens. Wij hebben een menskunde nodig die ons bloed voor de ziel geeft; die ons niet alleen maar slim en verstandig en knap kan maken, maar die ons ook enthousiast kan maken, innerlijk beweeglijk kan maken, die liefde kan doen ontbranden. Want wat aan pedagogie uit echte menskunde in je opkomt, moet liefdevol gedragen worden.
Daarmee wilde ik slechts inleidende aanwijzingen geven voor de uitgangspunten die de pedagogie vanuit de antroposofie moeten worden aangereikt. In het verdere verloop zal het erom gaan hoe nu in de schoolpraktijk in detail de geest van de antroposofische pedagogie kan worden verwezenlijkt. Hierover mag ik dan morgen en de dagen daarna verder spreken.
.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is hier gebruikt.

2) 1e voordracht Duits

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

over de begrippen ‘fysiek, lijf(elijk), ziel, geest, wil, ritme enz

1046-970

VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (1-4)

.

100 jaar vrijeschool is een feit
Je zou dan toch verwachten dat iedereen zo langzamerhand wel weet wat een vrijeschool is.

Lees als inleiding op onderstaand artikel hier eerst verder.

,

Rudolf Steiner:
‘De vrijeschool moet geen  wereldbeschouwelijke school zijn, niet een school waarin men zoiets als antroposofie aanleert. Dat was niet de bedoeling. Het was beslist niet de bedoeling een wereldbeschouwelijke school te stichten, maar het was de bedoeling om dat wat het resultaat kan zijn van onze antroposfische kijk en van ons geesteswetenschappelijk willen, als praktische, pedagogisch-didactische impulsen te gebruiken in de opvoeding van en het lesgeven aan de jeugd. Dus in  het toepassen in het onderricht; in de toepassing van het school-zijn; niet in de inhoud moet de antroposofie tot uiting komen.
GA 199/9-10

In ‘antroposofisch’onderwijs [1]  [2]  [3] gaf ik voorbeelden van hoe antroposofische gezichtspunten omgewerkt tot pedagogisch-didactische handelingen, individuele kinderen kunnen helpen bij hun ontwikkeling – in dit geval bij het harmoniseren van bepaalde eenzijdigheden.

Maar talloze antroposofische inzichten leiden, wanneer eveneens omgezet in pedagogie of didactiek tot een methodiek: die van de vrijeschool.

In wezen zijn alle vakken die gegeven worden op een bepaalde manier met deze inzichten verbonden.

Het gaat om menskundige inzichten:

[64]*
Wat en hoe onderwezen wordt, het moet absoluut voortvloeien uit menskunde.

[68]*
Alleen uit echte menskunde kan echte onderwijskunst en echte opvoedkunst ontstaan.

[75]*
De vrijeschoolpedagogie houdt rekening met de volledige mens in het kind.

MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN
In “hand en intelligentie” heb ik n.a.v.  een artikel van Ernst-Michael Kranich verslag gedaan van een aantal wetenschappelijke publicaties met daarin de resultaten van onderzoeken met als onderwerp:

“de invloed van werken met de handen op het brein”.

Het was Rudolf Steiner er veel aan gelegen dat de kinderen van jongs af zinvolle handelingen zouden verrichten: en niet alleen met hun handen, zelfs met heel het lichaam  (gymnastiek en euritmie).

Wat handwerken en handenarbeid betreft weet ik nog uit mijn eigen basisschooltijd (begin jaren ’50) dat handwerken er alleen was voor de meisjes-het heette “nuttige” handwerken; en handenarbeid was er alleen voor de jongens.

We vinden het nu heel gewoon dat beide activiteiten door zowel meisjes als jongens worden uitgevoerd, maar in Steiners tijd was het beslist heel vooruitstrevend om geen onderscheid te maken in geslacht en activiteit.
Daarom zaten op de vrijeschool in Stuttgart vanaf de oprichting in 1919 meisjes en jongens – wat ongebruikelijk was – samen in één klas.

In “De filosofie van de vrijheid” [1] benadrukt hij dat er geen onderscheid moet worden gemaakt tussen man en vrouw, wat hun individualiteit betreft.

Dus ook geen onderscheid in de ontplooiingsmogelijkheden voor het individu.

En dat betekent dat het gezichtspunt dat leerstof een middel kan zijn voor de ontwikkeling van een kind, voor jongens en meisjes in gelijke mate geldt.

Wanneer het doel de ontwikkeling van het denken is, blijkt de fijne(re) motoriek een sleutel te zijn.
Het middel om dit doel te  kunnen bereiken zijn o.a. de handvaardigheidsvakken.

En deze weer ingebed in een nog daarboven uitgaand principe: de scheppende vermogens van de (jonge) mens tot ontplooiing te brengen: kortom: kunstzinnig onderwijs.

NEUROLOGISCHE ONDERZOEKEN
Steeds meer neurologische onderzoeken naar hoe de mens en dus ook het kind leert, tonen een belangrijke relatie aan  tussen de activiteit van de handen en de ontwikkeling van de hersenen. [2]

In “on the brain” schrijft Dr.Merzenich:
“We now know that the neurological processes controlling physical movement and thought are essentially the same.”

(We weten nu dat neurologische processen die de lichamelijke beweging en gedachten controleren in wezen dezelfde zijn.)

( )”that our hands can (of course) represent thinking.” (Wanneer iemand Braille leert en of toepast)
( ) (dat onze handen het denken representeren)
woordenboek van Dale: representeren: belichamen; de weergave zijn van iets anders.

Dr.Merzenich:
“Wij besteden steeds meer tijd aan het toepassen van instructie met het doel meteen te scoren op het gebied van lezen en rekenen en steeds minder tijd nemen we voor de basisvaardigheden die werkelijk het leerniveau kunnen verhogen en de lees-en rekenvaardigheden kunnen verbeteren en daarmee de testuitkomsten.”*

En verder:
” The use of the hands in fine motor control is an important neurological prelude to reading, because it contributes to training the brain about a) attentional focus, and b) deliberate, controlled linear visual motion tracking. Those implicit skills have been demonstrated to be very important for lexical access. Bonnie Robb also described how she initiated pictograph-drawing and word-writing exercises in parallel with–or even BEFORE–reading. That makes lots of neurological sense!”

(de hoofdletters zijn van Dr.Merzenich)

Het gebruik van de handen die de fijne motoriek beheersen is een belangrijke neurologische vooroefening voor het lezen, omdat het bijdraagt de hersenen te oefenen in
a) het gericht waarnemen en
b) doelbewust, gecontroleerd volgen van een zichtbaar “spoor van beweging”.

De opmerking dat het schrijven, wanneer het plaatsvindt vóór het lezen “makes lots of neurological sense” is zeker een onderbouwing te noemen van Steiners gezichtspunten aangaande het schrijven en lezen, dat het schrijven aan het lezen vooraf dient te gaan.”

Uit het onderzoek van Dr.Merzenich wordt vanuit neurologisch gezichtspunt duidelijk waarom het zich ontwikkelende kind de vormen van de te leren letters, om te kunnen lezen, moet tekenen; en dat het tekenen van vormen buitengewoon belangrijk is:

“In my view, training in fine motor control of the hands through coloring/painting/drawing is a crucial part of preparation for school.”

Uit het feit dat Steiner in vrijwel iedere pedagogische voordrachtenreeks het leren schrijven ter sprake brengt, kunnen we wel aflezen hoe belangrijk hij de manier vond waarop een kind deze vaardigheid leert.

En steeds gaat het om “vormen”; die de ene keer “Weltenformen” genoemd worden; de andere keer “freie Formen”.

Steiner:
“Aan het schrijven moet het tekenen voorafgaan; het schrijven moet uit het tekenen ontwikkeld worden; daarna lezen wat geschreven is en daarna het lezen van wat gedrukt is.”
GA 294/67
vertaald/58

Ronde en rechte vormen, die het kind om te schrijven nodig heeft, moeten tekenend worden geoefend.

“Wanneer wij zelf (als leerkracht) proberen in de huidige lettervormen die lijnen te ontdekken die ons de mogelijkheid geven met het kind  deze of gene hand-of vingerbeweging te oefenen, wanneer we de kinderen deze of die lijnen laten tekenen, geheel afgezien of het letters worden of niet; wanneer we kinderen ronde, hoekige , horizontale, vertikale vormen innerlijk gevoelsmatig door de hele mens laten begrijpen, dan voeren we het kind naar een op de wereld betrokken vaardigheid.”
GA 294/18
Vertaald/18

Dr.Fr.Wilson in “The hand”:
“how our hands influence learning and how we, in turn, use our hands to leave our personal stamp on the world.”

Steiner:
“Wij leren het schrijven eigenlijk nog niet aan, maar we gebruiken een zeker kunstzinnig geleid tekenen, het kan zelfs ook schilderen zijn, zoals we dat op de vrijeschool doen, zodat we ook een verbinding tot stand brengen tussen de kleur en de kleurharmonie( ). Wanneer men, geheel afgezien van het feit dat daaruit tenslotte het schrijven moet ontstaan, het kind laat genieten van dit kunstzinnig geleid tekenen, dan moet het kind wel zijn vingers, heel zijn arm op een bepaalde manier gebruiken. ( )Niet alleen maar van het denken uitgaan, maar van de vaardigheid, de handigheid. ( ) Daarmee ontwikkelt het intellect zich, als een gevolg. Hoe minder men het intellekt “dresseert” en hoe meer men uitgaat heel de mens aan te spreken, zodat uit de ledematenbewegingen, uit de vaardigheid, het  intellect ontstaat, des te beter het is.”
GA 301/80
Vertaald

“Wij besteden steeds meer tijd aan het toepassen van instructie met het doel meteen te scoren op het gebied van lezen en rekenen en steeds minder tijd nemen we voor de basisvaardigheden die werkelijk het leerniveau kunnen verhogen en de lees-en rekenvaardigheden kunnen verbeteren en daarmee de testuitkomsten.” (Merzenich)

Dit “meteen scoren” is m.i. synoniem met “de dressuur van het intellect”.

ONTWIKKELING VAN HET SCHRIJVEN
Wie de ontwikkeling van het schrijven en het schrift door de eeuwen heen vervolgt, ziet hoeveel abstracter dit is geworden.
Het beitelen in de steen om teksten in hiëroglyfen weer te geven, was niet mogelijk zonder heel het lichaam te gebruiken. Bij de monniken is de beweging al veel verstilder en beperkt tot het bovenlijf: armen en handen. In het zwierige “op-en-neer” is, i.t.t. tot het lichamelijke van de Egyptische beitelaar, veel meer ritme waar te nemen; dat weer i.t.t. het schrijven op een toetsenbord, waarbij het eigenlijk alleen om de vingertoppen gaat. Van ritme is bijna geen sprake meer. Zouden we de pc-letters, bestaande uit pixels moeten schrijven, dan zaten we alleen maar puntjes te tikken.

Op school zie je de kinderen, zoals ze werkelijk zijn, eigenlijk alleen maar in een pauze, op het schoolplein:
rennen, klimmen, spelen, kortom: beweging. In dit opzicht lijken ze meer op de Egyptenaar, dan op de pc-typist(e): heel het lichaam, i.p.v. de vingertoppen.

Aansluiten bij het kind (1 van de 5 pedagogische principes die ik nog moest leren en toepassen tijdens mijn onderwijzersopleiding op de toen nog “kweekschool”), betekent hier:

Uitgaan van de beweging-het liefst met heel het lichaam.

In dit opzicht is het niet vreemd dat Steiner aanraadde ook eens met de tenen te tekenen of te schrijven.

Er is hier  gewezen op het feit dat vóór de letter aan het kind wordt aangeleerd, deze als “beeld” in de fantasie(=verbeeld-ing) is gaan leven, doordat dit beeld uit een verhaal komt, dat het kind heeft meebeleefd. En  vaak op een intense manier.

Toen een 7e klas en ik afscheid van elkaar moesten nemen, omdat mijn klassenleraarschap bij de 8e klas ophield, wist een aantal kinderen nog precies welk beeld bij welke letter was aangeboden.
En in een 1e klas had ik een meisje dat heel lang nog steeds een kroontje tekende op het hoofd van de koningsletter, die al lang tot gewone K was geworden. Toen ik haar zo ver wilde krijgen om dat kroontje weg te laten, zei ze: “Maar ik vind het zo mooi”.

We kunnen dus wel vaststellen dat er in de meeste gevallen een “band” ontstaat tussen het kind en het beeld, de komende letter.

Steiner:
“Zo kan men tot de abstractie van het schrijven komen uit het heel concrete van het tekenende schilderen of het schilderende tekenen en men bereikt daardoor zelfs, dat het kind steeds van een “beeldgevoel” uitgegaan is en de letters met het gevoel in verbinding heeft kunnen brengen, zo dat het hele principe van het schrijven uit het gevoel van de menselijke ziel tevoorschijn komt.
Wanneer men dan over gaat tot het lezen, hoeft men in wezen niets anders meer te doen dan ernaar toe te werken, dat het kind met het hoofd weer herkent, wat het door het hele lichaam heeft leren verwerken. Zodat het lezen een herkennen van een activiteit is die men zelf heeft uitgevoerd. Dat is van een ongelooflijke betekenis. ( ) Het leidt steeds tot een gezonde menselijke ontwikkeling wanneer eerst de activiteit aangespoord wordt en dat dan uit deze activiteit het begrip ontwikkeld wordt.”
GA 307/157
Vertaald/201

In bovenstaande opmerking zie je hoe dicht ‘menskunde’ ligt bij de omvorming naar methodisch/didactisch handelen.

Z 1

.

“Als je het allereerste begin van zwaan opschrijft, dan zeg je met je adem steeds z-z-z-z-z-z-je leert dus het teken voor het begin van het woord zwaan.”

Z 2

Vóór het lezen komt het schrijven en vóór het schrijven het oefenen van allerlei vormen die het aanleren van de uiteindelijke cursieve schrijfletters mogelijk maken.

VORMTEKENEN
Hierop, maar hierop niet alleen, is het vrijeschoolvak “vormtekenen” gebaseerd.

Het vormtekenen wordt niet beperkt tot klas 1 (groep 3) waar de vooroefeningen voor het schrijven worden gedaan.

Hier enige voorbeelden van deze “vooroefeningen” in schrijven:

Door op deze manier met kinderen bezig te zijn, heb ik inzichten die ik heb verkregen uit het antroposofische mensbeeld op een ander niveau (umgesetzt) toegepast in het onderwijs; daarbij op verrassende wijze gesteund door recente neurologische onderzoeken.

Steiner:
‘In wat met de vrijeschool gepoogd wordt, willen wij niet zoeken het verspreiden van een of andere wereldbeschouwing , maar wij willen, dat wat wij kunnen neerzetten, uitmonden kan in  een nieuwe onderwijsmethode, een nieuwe onderwijsaanpak, een nieuwe opvoedingsmethode en een nieuwe  pedagogische aanpak.
GA 297/86
Niet vertaald
.

*Rudolf Steiner: wegwijzers

[1] Vertaald

[2] A.Bos: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’

schrijven: alle artikelen

vormtekenoefeningen 1e klas

vormtekenen

VRIJESCHOOL in beeld: lettervormen

VRIJESCHOOL  in beeld: vormtekenen

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

1027-952

.

VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (1-3)

.

100 jaar vrijeschool is een feit.

Je zou dan toch verwachten dat iedereen zo langzamerhand wel weet wat een vrijeschool is.

Lees als inleiding op onderstaand artikel hier eerst verder.

Hier volgt nog  een voorbeeld van ‘omwerken’ van menskundige gezichtspunten – antroposofische gezichtspunten – in pedagogisch-didactische handelingen.

Door hier opnieuw uit te gaan van één kind, schep ik wellicht onbedoeld een nieuw vooroordeel: dat het omwerken van antroposofische gezichtspunten uitsluitend geldt voor individuele gevallen.
Dat is niet zo. Zie bijv. de artikelen over leren schrijven en lezen.

Rudolf Steiner geeft in in zijn pedagogische voordrachten veel gezichtspunten hoe naar kinderen – een kind – te kijken. Waarop te letten.
Daarboven staat als een soort koepel zijn opmerking dat het vruchtbaarder is te karakteriseren dan te definiëren; d.w.z. hou alle mogelijkheden open – trek niet te snel je conclusie, wees bereid je eerdere mening los te laten en open te staan voor elke -nieuwe- uiting van het kind.

Die gezichtspunten zijn antroposofische gezichtspunten: het gaat om o.a. lichaam, ziel en geest; denken, voelen, willen; groot- en kleinhoofdig; fantasierijk en fantasie-arm; aards of kosmisch; om temperamenten.

Al deze gezichtspunten en de pedagogisch-didactische maatregelen die op grond daarvan genomen kunnen worden, zijn er om in het kind harmonie te bewerkstelligen.

Maatregelen die ontstaan, concreet worden, wanneer de antroposofische inhoud omgewerkt wordt, veranderd wordt in pedagogisch/didactisch handelen.

In ‘antroposofisch’ onderwijs [1-1]  en [1-2]  werden daarvan voorbeelden gegeven, maar ook vind je die in Rudolf Steiner als pedagoog

Dus gaat het om het:

WEZEN VAN HET KIND
Er wordt gezocht naar het wezen van het kind: hoe is dit kind, hoe verschijnt het aan ons in de wereld.

Er wordt gezocht naar “kennis” over dit kind.

WAARNEMING EN BEGRIP
Kennis komt tot stand door waarneming en het vinden van het daarbij behorende begrip.

Met de waarneming is niet automatisch en tegelijkertijd het begrip gegeven.

Zonder het kind waar te nemen, kan er van dit kind geen juist begrip ontstaan.

DE LIJST MET AANDACHTSPUNTEN
De aandachtsgebieden in onderstaande* lijst zijn met de grootste zorg samengesteld om tot een zo genuanceerd mogelijk aantal waarnemingen te komen.

Wie met zo’n lijst werkt weet ook dat het nooit gaat om een kind “vast te pinnen” of voor eens en voor altijd te typeren.

De lijst is een hulpmiddel bij het waarnemen om het kind te leren kennen om vanuit die kennis het te helpen op zijn levensweg.

In het manuscript “Hoofdstukken uit de heilpedagogie”:

REMEDIËREN
Wanneer de leerkracht in staat is om deze (kleine) afwijkingen en eenzijdigheden te onderkennen en te duiden, is hij wellicht ook in staat om deze harmoniseren.

In dit verband wordt wel gesproken over “helend of genezend opvoeden’. Dat heeft als intentie: het harmoniseren, het in evenwicht brengen van wat uit balans is.

Ik had ooit een meisje in de klas dat iedere morgen wel iets had waarmee ze in de belangstelling stond: een verband om haar knie; haar arm in een mitella; de oorzaken van haar “ongelukken” vervatte ze in verhalen die onmogelijk werkelijk hadden kunnen plaatsvinden. Ook fantaseerde ze er lustig op los bij andere gelegenheden.

In het dagelijks spraakgebruik zou je zeggen: “dit is niet normaal”.

Met dit “niet normaal” heb je echter nog niet meteen gezegd en bedoeld dat dit kind “abnormaal” is; dat is toch een gradatie verder.

Wanneer ik dit gedrag voor het sociale leven “ongezond” noem, is dat een door velen gebezigde uitdrukking.

Maar daarmee wordt niet bedoeld dat dit kind “ziek” is, ook dat is een gradatie verder.

Toch was het zaak dat ze niet in deze fantasterij bleef hangen. Daarvan moest ze in zekere zin “genezen” worden, haar toestand in deze diende “beter” te worden. Er moest een soort “herstel” plaatsvinden.

Ze is daarvan ook “genezen”.

Een oudere collega, met meer ervaring, had bij een ouder kind met een soortgelijke “afwijking”, 2 boekjes ontworpen, met de titel “waar gebeurd” en “verzonnen”.

Wanneer dit kind in de klas een verhaal vertelde, oordeelde de klas of dit verhaal in het boekje “waar gebeurd” of “verzonnen” moest worden opgetekend.

Nooit werd het woord “leugen” gebruikt.

Na enkele maanden vertelde dit kind alleen nog wat ook echt gebeurd was.

Omdat het kind in mijn klas jonger was, maakte ik 2 doosjes, met dezelfde opschriften.

De klas besloot dan in welk verhalendoosje het betreffende verhaaltje gestopt moest worden.

Ook in dit geval nam het aantal “ongelukken” af en vertelde het kind steeds meer de waarheid.

Ik beweer met “de waarheid” niet, dat dit kind een leugenaarster was.

Noch mijn oudere collega, noch ik beweerden/beweren, dat deze kinderen “ziek” waren, terwijl ze toch “beter” werden, of “herstelden”.

Het kind in kwestie had duidelijk een overmaat aan fantasie – fantasterij. Een teveel aan astrale krachten: d.w.z. te sterk reagerend op allerlei prikkels van buiten en van binnen. Waarom en waardoor? Dat weet je niet. Wat je wel weet is dat alleen het Ik deze astrale krachten kan beteugelen, er orde in aan kan brengen. Zijn de astrale krachten het paard, het Ik is de ruiter. Hij bepaalt waar het paard heen gaat en niet omgekeerd.

Het ‘denkt al eer gij doende zijt’ is het Ik op het paard.

Maar ook het terugkijken, het reflecteren op, is een activiteit van het Ik: vanuit de rust overzicht scheppen over wat je gedaan, gezegd hebt. En van daaruit weer een toekomst gerichte vraag: wat ga je morgen doen, in dit geval: vertellen.
Wat er precies in het kind gebeurde, weet ik niet. Maar het leerde wel de werkelijkheid van de onwerkelijkheid onderscheiden en daarmee was het ‘beter’ af voor het verdere (sociale) leven.

ALLES VOOR HET ZICH ONTWIKKELENDE KIND.

Rudolf Steiner:
“We moeten er ons vooral bij het uitoefenen van de (vrijeschool)methode van bewust zijn, dat het gaat om een harmoniseren ( )

Om goed te kunnen karakteriseren zijn er alle mogelijke aandachtspunten
zoals in deze:

KIJKWIJZER KINDERBESPREKING

Elementen uit de voorgeschiedenis.
(het kan zinvol zijn op huisbezoek te gaan; in elk geval enkele zaken afpunten samen met de ouders)
Ziekten in de familie
Waar opgevoed?
Hoeveelste kind?
Zwangerschap: geboorte, voeding als baby en kind
Ontwikkeling: zitten, kruipen, lopen, spreken, denken
droog worden, bedplassen
tanden krijgen, tanden wisselen
groei
groot- of kleinhoofdig?
Rachitis?
Fontanel?

Ziektegeschiedenis: kinderziekten, allergieën, operaties, ongevallen, oogziekten,
vaccinaties?

Familiale gegevens
Beroep

Fysieke verschijning
(gedetailleerd beschrijven, doch enkel karakteriserend)

Wat was het eerste dat aan het kind opviel?

– Hoofd-romp-ledematen verhoudingen, harmonie
Gestalte: grootte, lichaamsbouw
Licht-zwaar
– Groot- of kleinhoofdig (dromend, rustig, fantasierijk, moeilijk te wekken — wakker, levendig, helder, stelt zich t.o. de dingen)
Hoofd: drieledigheid in het gelaat (voorhoofd, neus, mond/kin)
Haar (kleur, …, kruin)
Voorhoofd, schedelvorm, achterhoofd, haargrens

– Ogen, wenkbrauwen
Oren: drieledigheid
Neus: drieledigheid, onderlinge afstanden
Mond: vorm, open/dicht
Gebit: kwaliteit, vormentaal
Verhemelte
– -Hals, strottenhoofd
Romp: schouders, rug, borst, buik
Ademhaling: waar, ritme
Lendenen
Rug: scoliose, hol-bol,
Beweeglijkheid
– Handen, nagels, schouders
Bekken, benen, voeten
– Kleding

(dit alles brengt ons tot een ‘beeld’)
Levensprocessen , functie, vitaliteit, gezondheid
Ontwikkeling

Hoe ‘jong’?
Welke indruk van gezondheid?
Vermoeidheid, kringen onder de ogen?

Bolle lichaamsvormen? (buik, wangen, handen)
Kleurindruk?
Kwaliteit van de haren?
Huid? Vochtig, droog, warm, koud, dun, dik, zacht, kleur, doorbloeding?

Ogen: blik?
Lichaamsfuncties: eten, eetlust, voorkeuren, eetgewoontes, vertering, stofwisseling, ontlasting, plassen;
Buikpijn, hoofdpijn?
Zweten?
Warmtehuishouding?

Slapen, waken, dromen?

Motoriek: aard, ritme van de bewegingen, gebaren.
Grove motoriek.
Lenig, houterig?
Wijze van lopen? (op tenen, hielen? Richting van de voeten? Zwaarte?)
Hoe beweegt het kind zich in de ruimte?
Fijne motoriek? Grijpen, handigheid?

Groeiritmes.

Is het ‘etherlichaam’ geboren? Schoolrijpheid? Gestalte, tandenwisseling, motorische ontwikkeling en coördinatie, lateralisatie (hand, voet, oog, oor),
Geheugen?
Gewoontes, gewoontevorming.

Vermogen tot nabootsen (in de kring, bij bewegingsspelen, euritmie, knutselen,…)

Denken, abstractievermogen, geheugen, leergierigheid, nog spiegelen?
Denken: traag, snel, leerprestaties?

Plaats in de klas?

Bij dit alles: wat is van het kind zelf en wat van milieu en opvoeding?

Gedrag.
Relatie tot de buitenwereld.
Zielenkwaliteiten die ‘zichtbaar’ worden.
Welke gevoelens worden door het kind bij zijn klasgenoten en bij volwassenen opgeroepen?

Gevoeligheid, prikkelbaarheid
Reacties op omgeving, jaargetijden, feesten, zintuiglijke prikkels,…
Zintuigfuncties
Waarneming wakker of dromend?

Glans van de ogen
Stem (nasaal, open, vrij, spontaan, hoog, diep, grof, fijn…?)
Spraak: stoornissen? (spraakvaardigheid, snel, traag, articulatie, woordenschat, intonatie, ademstroom,…?)
Muzikaliteit? Zingen: melodie, toonhoogte, ritme? Aandacht?
Driften? Begeerten?

Kunstzinnigheid?

Lachen en huilen?
Zin voor humor?

Fantasie? Spel?
Doelmatigheid in het spel?
Orde?
Dwangmatigheid?
Rustig of rusteloos?
Verbinding met de activiteiten?
Beweeglijkheid? Overbeweeglijkheid?
Mimiek?
Vlijtig, lui, vlot, snel, traag, oppervlakkig, dwangmatig,…

Waarvoor sympathie en antipathie?
Verhouding tot klasgenoten?
Verhouding tot opvoeders, leerkrachten?
Binding met ouders? Verhouding tot andere gezinsleden?

Levendigheid, spontaniteit?
Extrovert, introvert?

Vrij, zelfstandig of nood aan bescherming?

Het ‘Ik’
Wie is dit kind? Wat wil het kind?

Houding, opgerichtheid
Wijze van zitten, staan, lopen
Wijze van spreken,
Toneelspel
Wijze van (aan)kijken kan het kind in de ogen kijken?
Groeten, handdruk

Concentratie: kan het kind bij zichzelf, bij een taak blijven?
Uithoudingsvermogen

Moed, wil om problemen aan te pakken.

Zich aan afspraken houden

Initiatief nemen.
Manifestatie in de groep? Leiding kunnen geven, dienstbaarheid – volger of leider?
Egoïstisch of altruïstisch? Kunnen luisteren, delen, schenken, danken?

Hobby’s, waar verbindt het kind zich uit zichzelf mee?
Interesses? Welke vakken doet het graag?
Naar wie kijkt het op?
Wat heeft het bijzonder graag? (welk spel, welke verhalen, kleur,…)

[78]*
Uitgaan van het hele kind kun je slechts tot een gewoonte maken wanneer je een goed, realistisch streven hebt het kind in  zijn verschillende verschijningsvormen te leren kennen. Ieder kind is interessant.

[11]*
Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.

 [41]*
( ) Opvoeding en onderwijs moeten ertoe dienen van iemand een volledig mens te maken. ( ) Het resultaat van opvoeding en onderwijs moet zijn, harmonie te creëren tussen de vier wezensdelen.

*Rudolf Steiner: wegwijzers

Rudolf Steiner over ‘antroposofisch’  onderwijs

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

Rudolf Steiner als didacticus

1026-951

.

VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (1-2)

Nog 1 jaar – in Nederland nog 5 – en er is “100 jaar vrijeschool”.

Je zou dan toch verwachten dat iedereen zo langzamerhand wel weet wat een vrijeschool is.

Lees als inleiding op onderstaand artikel hier eerst verder.

Nog een voorbeeld van ‘omwerken’ van menskundige gezichtspunten – antroposofische gezichtspunten – in pedagogisch-didactische handelingen.

Door hier opnieuw uit te gaan van één kind, schep ik wellicht onbedoeld een nieuw vooroordeel: dat het omwerken van antroposofische gezichtspunten uitsluitend geldt voor individuele gevallen.
Dat is niet zo. Zie bijv. de artikelen over leren schrijven en lezen.

Wanneer je Steiners uitspraken ter harte neemt die ik hier onder ‘wegwijzers‘ bundel, ligt het voor de hand dat ieder kind de aandacht krijgt:

[75]
De vrijeschoolpedagogie houdt rekening met de volledige mens in het kind.

[77]
Je moet niet zo zeer het idee hebben dat kinderen dit of dat moeten bereiken, maar je moet je afvragen wat kinderen kunnen bereiken op grond van hun psychologische hoedanigheid. Volledig vanuit het kind werken! 

[78]
Uitgaan van het hele kind kun je slechts tot een gewoonte maken wanneer je een goed, realistisch streven hebt het kind in  zijn verschillende verschijningsvormen te leren kennen. Ieder kind is interessant.

Laten we eens kijken naar:

GIJS                  

(niet zijn echte naam)
Gijs kwam in de kinderbespreking in klas 1.
Omdat hij na 2 jaar kleuterklas toch niet echt schoolrijp werd gevonden, bleef hij nog een jaar in de kleuterklas.
Hij was dus al een jaar ouder dan zijn klasgenoten.

In de 1e klas zou hij zich tot  een echt schoolkind moeten ontwikkelen,
wat o.a. wil zeggen dat hij interesse aan de dag legt om iets te gaan leren.
Hij toonde echter weinig initiatief tot iets. Hij deed braaf aan dingen mee, maar de leerstof tot eigen bezit maken, lukte niet.

Wanneer er een verhaal werd verteld, droomde hij heerlijk weg met de
duim in zijn mond.

Op een regenachtige middag hadden we het laatste schooluur nog wat spelletjes gedaan, waarbij sommige kinderen hun schoenen hadden uitgetrokken.

Toen we hadden opgeruimd om naar huis te gaan; ons afscheidslied
hadden gezongen en elkaar bij de deur een hand hadden gegeven ten
afscheid, had ik ook Gijs de hand gedrukt en met een “tot morgen” was
hij naar de kapstok op de gang gelopen. Ik had verder niet meer op hem gelet.

Even later stond Gijs weer voor me. “Ik heb natte voeten”.
‘Hoe komt dat dan?’
“Ik ben vergeten mijn schoenen aan te trekken.” Het was mij ook ontgaan.

Het werd me door dit voorval wel ineens duidelijker: Gijs vergeet ‘van
boven’, dat hij ‘van onder’ leeft.

TEMPERAMENT
Op grond van de begrippensleutel ‘Stärke’ – (meer of minder volhardingskracht) en ‘Erregbarkeit’ (een grote of kleine mate van ontvankelijkheid voor prikkels van buitenaf) zou zijn temperament flegmatisch genoemd kunnen worden.

Naast een individueel temperament, is er ook nog het ‘leeftijds’temperament.

Vanuit het standpunt dat bij het flegmatische temperament de levenskrachten sterk zijn, wat zich uit in slapen en groeien, is dit het temperament van de babytijd.
Dit bleek de sleutel te zijn tot een dieper begrijpen van Gijs.

GROOTHOOFDIG
Zo op het eerste gezicht zou je Gijs een groothoofdig kind kunnen
noemen, gezien zijn schedelomvang t.o.v. zijn lengte.

(Er is op een onzinnige manier kritiek geuit op dit begrip ‘schedelgrootte’.
Er werd, geheel ten onrechte, verband gelegd met ‘frenologie’, zelfs
aan de 2e wereldoorlog werd gerefereerd. Maar op bijv.
consultatiebureaus wordt het kinderhoofdje gemeten als er twijfel
bestaat of de groothoofdigheid ‘abnormaal’ is)

Tijdens het gesprek met de ouders bleek het groothoofdige voor
hen geen onbekend begrip.

De bevalling was mede door het grote hoofd van Gijs moeilijk verlopen. Hij was er, toen hij leerde lopen en daarna, vaak op gevallen.
‘Hij was een beetje topzwaar’, zei zijn moeder.

Verder bleek dat hij met zowat alles later was dan andere baby’s: zich oprichten, zitten, kruipen, lopen, spreken.
Hij had ruim 2 jaar borstvoeding gekregen. Hij werd iets te dik en zijn lengtegroei was wat achter gebleven. Hij was nauwelijks ziek geweest. Een tevreden baby, die lekker dronk en at en veel en rustig sliep.
Ook in de kleuterklas kon hij nog wel eens spontaan in slaap vallen in een knus gebouwd huisje.
Bij het spelen nam hij geen initiatieven. Hij kon ook een hele tijd alleen
in zijn eigen spel opgaan. Thuis kon hij ook tijden op een kleedje zitten
spelen, totdat hij daarbij in slaap viel.

In de ‘doe-vakken’: handwerken, blokfluiten, euritmie viel vooral op hoeveel moeite hij had met het werken met handen en voeten.

Op grond van alle waarnemingen kwamen we – wanneer een kind besproken wordt, doen alle mensen die het kind lesgeven daaraan mee en de leerkrachten die het kind geen lesgeven luisteren mee of stellen vragen -t ot de conclusie dat Gijs a.h.w. zijn babytijd verlengde tot in zijn schoolleeftijd.
Dat deed Gijs uiteraard niet zelf; dat gebeurde er met hem van nature.

We zouden het een vorm van retardatie kunnen noemen.

VERSCHILLENDE GEZICHTSPUNTEN EN AANWIJZINGEN
Rudolf Steiner geeft in de voordrachtenreeks ‘Algemene menskunde [1] een uiteenzetting over de in de mens werkzame krachten die vanuit
het hoofd ‘naar beneden’ werken en die welke vanuit de ledematen ‘naar boven’ werken.

Op zich geen gemakkelijk onderwerp.

Maar, eigen ervaringen kunnen wel bijdragen aan een beter begrijpen.

SLAAPDRONKEN
Velen van ons kennen het verschijnsel dat wanneer we ’s morgens – nog niet al te wakker- op (moeten) staan en in onze pantoffels o.i.d. willen stappen, dat we dan niet onmiddellijk met onze voet goed aanvoelen waar we deze moeten plaatsen en er – tot onze verbazing, dat wel – ‘naast’ tasten.
Het is net of we nog wat onwennig, ‘onhandig’ zijn, daar in het uiterste puntje van ons lichaam.
Of we daar eigenlijk nog een beetje slapen.
Eer we helemaal wakker zijn, kan nog even duren.

Bij Gijs leek iets soortgelijks aan de hand te zijn.

VERLENGDE BABYTIJD
Bij het babyleven horen eten en slapen. Dit laatste leek ook bij Gijs
nog, natuurlijk in afgezwakte vorm, maar toch te overmatig,  aanwezig.

Hoewel alles wat slaapt toch eens wel wakker wordt, – een uitspraak van Steiner om aan te geven dat er geen ‘luie’ kinderen zijn – hadden we bij
Gijs het gevoel dat hij ermee geholpen zou zijn, hem wakkerder te
maken.

Ook daarvoor gaf Steiner diverse aanwijzingen.

Het ligt voor de hand dat zo’n type kind iedere morgen bijtijds uit
bed moet komen. Wassen met koud water geeft een frisse, een
wakkere start van de dag. Geen pap, maar een stevige boterham met
niet al te veel zoet.

WAKKERHEID IN HAND EN VOET
Bij Gijs was duidelijk geworden dat hij nog weinig bewustzijn in
handen en voeten had.

Omdat de ledematen de instrumenten zijn waarmee we handelen,
de dingen doen – vertaald naar denken, voelen, willen: – de instrumenten
zijn van de wil, besloten we daar het accent te leggen voor de extra
hulp aan Gijs.

Dat betekende bijv. dat zijn ouders een hondje voor hem kochten,
dat hij iedere morgen, vóór schooltijd moest uitlaten. Het vroegere
opstaan kreeg daardoor zin.

Er was op het schoolplein al een hinkelbaan aangelegd. De meeste
kinderen vinden hinkelen erg leuk en ook Gijs vormde daarop geen uitzondering. Het kostte hem moeite om het steentje precies in het volgende vakje te schoppen, maar al doende zag je de vaardigheid daartoe in de voeten toenemen.

Ook het touwtje-springen pakten we voor hem extra op. De co-ordinatie arm/voet ontwikkelde zich goed.

De letters die al ontstaan waren uit de beelden, kon hij niet benoemen.

De beelden had hij wel onthouden. Ik gebruikte uit triplex gezaagde
letters, beplakt met schuurpapier die Gijs, geblinddoekt, moest betasten: vanuit het (opnieuw voor hem gebrachte) beeld, begon hij de lettervorm te herkennen die behoort bij de eerste klank van het beeld.*
(voor alle duidelijkheid : bij de ‘slang’ is de beginklank sssss   en NIET de alfabetletter ES)

Het lukte hem al vrij snel zijn eigen naam bij elkaar te voelen en ook
zonder blinddoek neer te leggen.

Ik liet hem van ieder woordje dat hij al lezen kon, de letters analyseren.

Door hem met een potlood tussen de tenen, staand op een groot vel
papier, de lettervormen te laten tekenen, leerde hij ook veel beter deze vormen met de handen te doen, kortom: het schrijven werd beter.

Bij mooi weer kon dat ook in de zandbak.

Het van ‘het geheel naar de delen’ paste ik ook toe bij het rekenen.
Het ‘waarom’ hiervan staat bij rekenen en temperamenten: ik deed
met hem  de ‘flegmatische’ oefeningen; ook bij het vormtekenen.
Ook deze weer met de tenen en in de zandbak.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN
Een andere belangrijke aanwijzing voor het ‘wakker maken’ van dromerige, slaperige kinderen, geeft Steiner wanneer hij vanuit een bepaalde optiek het ‘voelen’  bespreekt.
Voelen, tussen denken en willen, vanuit het gezichtspunt: wakker, dromen, slapen.
De wakkerheid in het denken (bewust), het ‘dromerige’ in het voelen (onderbewust); het ‘slaperige’ in het handelen, de wil (onbewust).

Wat beweeglijkheid betreft: in het denken: rust; in het voelen: ritme en in de wil: beweging, maar niet ritmisch.

RITME
Ritme is verwant aan dromerigheid. We kunnen hier denken aan het
ritmisch wiegen om een kind in slaap te krijgen; wanneer we aan iemand iets meedelen zouden we daar, zonder dat het ons stoort, bij kunnen klappen in een ritme, b.v. 1-2; 1-2. Daarvoor is nauwelijks aandacht, wakkerheid nodig.

Anders wordt het al, als we een afwijkend ritme zouden willen klappen: iets syncopisch bijv. Daarvoor moet je alerter zijn.

Daaraan kun je ervaren, dat afwijken van een ritme, wakkerheid geeft.

In het dagelijks leven wordt dit bijv. toegepast bij zwaailichten die ons op gevaar moeten wijzen.
De ‘gewone’ zwaailichten die in een soort 1-2-ritme bewegen, roepen
lang niet zo veel attentie op als de zwaailichten die na een paar maal 1-2, plotseling een vluggere flikkering tonen om weer terug te keren naar 1-2.

Door met een kind ritmen te klappen en/of te lopen, die plotseling een ritmewisseling verlangen, maak je het wakkerder.

Je klapt 1,2,3,4 (accent op 1) en bij de volgende valt het accent op 2,
dan op 3 en dan op 4.

En dan weer terug. Ook lopend kan dit: sprong, 2,3,4,–1-sprong,
3, 4; 1-2-sprong, 4 en 1,2,3, sprong.

Deze reeks achteruit lopen maakt nog wakkerder.

Er stonden ons nog meer hulpmiddelen ten dienste, maar dit artikel zou te lang worden, ze allemaal in extenso te beschrijven, met het waarom.

Door al deze maatregelen werd Gijs wakkerder; al bleef hij meer tijd nodig hebben dan andere kinderen.
In het reguliere onderwijs zou hij vrijwel zeker zijn blijven zitten. Door het ‘meegaan’ met de kinderen gedurende de basisschooljaren kon ik Gijs’ vorderingen goed in de gaten houden over een langere tijd en door het extra dat met hem werd gedaan, kon hij de basisschool afmaken zonder te hoeven doubleren.

‘ANTROPOSOFISCH’ ONDERWIJS
Het moge duidelijk zijn dat een aantal oefeningen gebaseerd is
op de pedagogische aanwijzingen van Steiner, als praktische uitwerking van de menskundige gezichtspunten die onlosmakelijk verbonden zijn met antroposofie.

Door deze aanwijzingen te ‘vertalen’  naar pedagogisch/didactisch
handelen, werd er aan Gijs geen antroposofie aangeleerd.

Op school vormt antroposofie – de menskundige inzichten – de basis, het uitgangspunt voor het handelen – naar het handelen vertaald.
Wie dat bedoelt met ‘antroposofisch’ onderwijs, mag het zo zeggen – Steiner doet dit – niet in tegenspraak met zijn gezichtspunten – af en toe ook.

De opmerkingen dat door met de ledematen zinvolle handelingen te
verrichten de intelligentie wordt vergroot, door Steiner al in de jaren ’20 van de vorige eeuw gemaakt, wordt een kleine 100 jaar later op
verrassende wijze bevestigd door hersenonderzoek.

Dit is een van de redenen waarom er op vrijescholen zoveel vormen van handarbeid worden gegeven, waarin ‘zinvolle bewegingen’ worden uitgevoerd.

Daarom o.a. krijgen meisjes en jongens handwerken vanaf klas 1; en toen het examenspook nog niet zo rondwaarde in de bovenbouw zaten er in klas 9 t/m 12 allerlei handvaardigheden.

*Xenos verkoopt/verkocht? 3-dimensionale (hoofd)letters die een uitstekende hulp kunnen bieden bij het ‘verinnerlijken’ van de letterbeelden tot letters. Ze achter de rug houdend moeten herkennen, bijv. is net weer een stapje moeilijker dan wanneer ze voor je liggen.

[59]
De mensennatuur zelf moet ons leren wat we in ieder afzonderlijk levensjaar van het kind met het kind opvoedend en onderwijzend moeten volbrengen.
.

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner als didacticus

Rudolf Steiner over ‘antroposofisch’  onderwijs

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

lichaamsgeografie

1025-950

.

VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (1-1)

Nog 3 jaar – in Nederland nog 7 – en er is “100 jaar vrijeschool”.

Je zou dan toch verwachten dat iedereen zo langzamerhand wel weet wat een vrijeschool is.

Maar dat is niet zo: karrenvrachten vooroordelen of volkomen onjuiste opvattingen circuleren onder mensen die iets van of over de vrijeschool denken en menen te weten.

Nog altijd moet worden uitgelegd dat het ‘vrije’ niet slaat op ‘dat de kinderen mogen doen en laten waar ze zin in hebben’.

Waar het ‘vrije’ dan wèl op slaat, is -na bijna 100 jaar – voor de burgers niet duidelijk geworden.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw deed de vrijeschoolbeweging – ik laat nu even onbesproken wat dat is/was – nog wel pogingen voor meer vrijheid van onderwijs – maar daarna doofde het elan steeds meer en men liet Steiners woorden – zijn vurig pleidooi in GA 192 bijv. voor de noodzaak van een vrij geestesleven als voorwaarde voor een echte vrijeschool op de boekenplank staan.

Leg dan maar eens uit wat ‘vrije’school betekent.

Vraag je mensen wat een technische school is, dan antwoorden ze dat er ‘techniek’ wordt (aan)geleerd. Of landbouw, als het om een landbouwschool gaat.
Dan is het onderwijs dus ‘technisch- of landbouwonderwijs’.

En wanneer de term ‘antroposofisch’ onderwijs wordt gebezigd, is het dus ‘onderwijs in antroposofie’.

Tegenstanders van de vrijeschool – o, ja die zijn er – hanteren uitsluitend of vaak ‘antroposofische school‘, ‘antroposofisch onderwijs‘ en ‘antroposofische leraar’, met geen ander doel de vrijeschool ‘klein’ te maken, terug te schroeven tot onderwijs dat met een sekte – de antroposofie – van doen heeft.
Dus kijk even naar de integriteit van wie deze termen gebruikt.

Veel scholen geven op een juiste manier aan wat de antroposofie voor de vrijeschool betekent: het uitgangspunt, het vertrekpunt, de blikrichting om onderwijs te geven dat ‘hand, hart en hoofd voedt’.

Maar daarmee zijn de onduidelijkheden niet opgelost.

Want wat is dat ‘antroposofische’ vertrekpunt.

Dat is en zal nooit met een paar woorden uit te leggen zijn: het gaat immers om de mens, om menskundige inzichten en opvattingen en die zijn per definitie – de mens is een zeer gecompliceerd wezen – niet een, twee, drie uit te leggen.

Dat wist Steiner natuurlijk als geen ander.
En voortdurend wijst hij erop dat de vrijeschoolpedagogie een methode is waarbij de antroposofische menskundige inzichten omgewerkt moeten worden tot pedagogische en onderwijskundige handelingen.

‘Wij willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school inrichten. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn, waar we de kinderen zoveel mogelijk met antroposofische leerstellingen volproppen. Wij willen geen antroposofische dogma’s aanleren, antroposofie is geen leerinhoud, maar we streven naar praktische uitvoering van antroposofie. Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, op een ander niveau brengen, als reële onderwijspraktijk.’
Ga 293/216
vertaald/15

Een voorbeeld van dit ‘omwerken’:

ANTROPOSOFISCHE GEZICHTSPUNTEN:

Naast het stoffelijke lichaam, onderscheidt Steiner een complex van levenskrachten, die niet door de stoffelijkheid worden voortgebracht, maar eerder: deze stoffelijkheid vormgeven, doordringen.
Het karakter van de stof wordt pas zichtbaar bij de dood, wanneer het leven is geweken: dan valt de stoffelijkheid in de verschillende, ons bekende, elementen uiteen.
In de mens zijn, op deze wijze geredeneerd, polen van “dood” en “leven”werkzaam.
Eenzelfde tegenstelling is waarneembaar in het zenuwmateriaal en het bloed. Het eerste is op sterven na dood; het andere bruist van leven-denk aan de enorme vernieuwingsmogelijkheden van het bloed.

Het lesgeven op een fantasieloze, droog intellectuele manier, waarbij de stof snel begrepen moet worden, doet veel meer een beroep op het bloedeloze denken, het reproduceren, dan bijvoorbeeld het brengen van de stof op een levendige, fantasievolle manier, waarbij de kinderen kunnen genieten en de tijd krijgen de stof eigen te maken.

Op zeker ogenblik kreeg ik half in een leerjaar een meisje in mijn klas, dat er heel bleek uitzag. De ouders vertelden me dat ze op haar school helemaal niet gelukkig was; zij vonden ook dat de leerdruk erg hoog was. Ze hadden haar medisch laten onderzoeken, maar voor haar bleekheid en het feit dat ze niet echt levenslustig was, vond men geen verklaring.

Die tegenstelling zenuw-bloed kennen we allemaal uit ons eigen leven.

Bij zenuwen moeten we dan denken aan de hersenen – die we moeten gebruiken – om te leren en wie weleens heeft zitten blokken voor een examen weet dat je daar niet warm van wordt, maar koud, tot in de voeten.

Een dag buiten werken heeft een heel ander gevolg: rode wangen, helemaal doorgloeid en een reuzehonger.
De kamergeleerde tegenover de buitenwerker.

Wie op een reclamefolder van een paar weken geleden ‘vers fruit’ ziet, weet dat dit fruit nooit ‘vers’ meer kan zijn: het is een plaatje, een voorstelling(sbeeld): het leven is eruit.
Letterlijk ‘na’denken is het produceren van voorstellingen die niet veel meer met het echte (‘vers’) leven van doen hebben.

Het leek erop dat dit meisje teveel in die wereld had moeten leven: teveel ‘kamergeleerde’ had moeten zijn, terwijl haar kinderwezen eigenlijk vroeg om ‘buitenwerker’ te mogen zijn.
D.w.z. meer activiteiten waar je kleur en honger van krijgt en dat zijn de activiteiten van de beweging, het bezig zijn met de handen, de voeten, het hele lijf.
Ik trad haar met alles wat het rijke vrijeschoolonderwijs ter beschikking heeft, tegemoet: beweging, ritme, kleur, fantasie enz. Na een half jaar had ze weer kleur op de wangen (bloed) en kenden haar ouders haar weer terug als het levenslustige kind, dat ze ooit was.

Veel vrijeschoolleerkrachten hebben een soortgelijke ervaring – ik vertel hier niet iets unieks.

Het kon ook lang geleden gebeuren:

Zo verhaalt Max Stibbe in zijn ‘Opvoeding langs nieuwe wegen’ [1]:

Van een bleek en zwak meisje

Jeanne kwam in de school in de 4e klasse, zij was toen tien jaar oud, zwak van gezondheid, bleek, mager, lang uitgegroeid, misschien iets te lang. Zij zat stil in haar hoekje, kwam alleen de bank uit als het van haar geëist werd door de leraar. Zij was ijverig in haar werk, het woord van de leraar was voor haar het hoogste gebod. Ook in de vroegere school was zij plichtsgetrouw geweest en haar onderwijzer had haar steeds tot zijn beste leerlingen gerekend, goede cijfers en goede rapporten had zij gekregen. Maar voortdurend bleker was zij geworden, en stiller. In haar moeder groeide de ongerustheid. Het kind begon te klagen over vermoeidheid, moest dadelijk als zij uit school kwam, gaan liggen. Na korte tijd was er niet meer aan te denken, dat zij nog piano kon studeren, hoe graag zij het zelf ook wilde. De ouders stelden prijs op muziekstudie. Onmogelijk werd dit. Goede voeding en veel slaap gaven geen voldoende tegenwicht. –
Zo kwam Jeanne op de nieuwe school. In de eerste dagen klaagde zij thuis over het lawaai, over het vele bewegen en praten, soms ook schreeuwen in de klas. Zij was de stilte gewend in de vroegere school, de orde, de tucht. Zij was zelf een stille natuur. Bovendien kostte elke vernieuwing haar moeite, ze wende niet gauw. De leraar stelde de ouders gerust.

„De tijd moet helpen.”
En de tijd hielp. De leraar had Jeanne een plaats gegeven naast een ander meisje, ook zo stil en rustig. Dat was prettig. En hij liet haar altijd rustig haar werk doen, liet haar op haar plaatsje zitten. Stel je voor, dat zij zo voortdurend voor de klas geroepen zou worden als Frans. En dan zo op het moment een zin bedenken bij de grammatica als voorbeeld voor een regel, of een spel verzinnen, of een bevel uitvoeren in een vreemde taal. (Want zij leerde ineens nu in de 4e klas drie vreemde talen: Frans, Duits en Engels). Zij huiverde bij de gedachte. Het was of de leraar dit wist. Hij vroeg haar nooit voor zo iets. Dat gaf een veilig gevoel. Aan het leven was zij ook spoedig gewend, zij vond het zelf ook prettig om af en toe iets te kunnen zeggen aan haar buurmeisje, gedurende het schilderen b.v. Soms als veel kinderen voor de klas kwamen om tegelijk iets te doen, b.v. in koor een gedicht zeggen, dan mocht ze er ook bij zijn. Nu, dat vond ze fijn, dan deed ze ook mee, en je viel niet op. Bij het schilderen werken met kleuren, in een opstel weergeven wat ze gehoord had over Thor en Odin en Freya, dat deed ze graag. Gymnastiek, euritmie, samen met de hele klas, al was het in het begin wat vreemd, ook dat vond ze snel plezierig. En zo leerde het stille, gesloten kind op haar wijze zich uiten, zich bewegen.

Zij ging steeds meer houden van haar leraar. Bij de dierkundeles werd een spel gespeeld van een vlinder, die gaat van bloem tot bloem; tot één bloem wendt hij zich in het bijzonder, de bloem antwoordt op zijn toespraak met een enkele zin. Vele kinderen stelden de bloemen voor, Frans was de vlinder. Het spel werd telkens opnieuw gespeeld, de rollen omgewisseld. Jeanne kreeg nu de rol van de bloem waar de vlinder het liefste heen wil, en die ook een zin alleen zegt. Het was haar eerste zelfstandige rol. En ze deed het, hoewel innerlijk een beetje angstig, natuurlijk heel goed. Hoe blij was ze erover. Nu durfde ze ook wel iets
belangrijkers afzonderlijk te doen. In een volgend toneelstuk kreeg ze een bescheiden rol. Alleen moest ze optreden en spreken, en alleen deed ze het. Kort daarop werd ze voor een recitatie voor de klas geroepen – ze zei het hele gedicht zonder aarzelen alleen voor de klas op. Alle kinderen keken naar haar. En ze durfde het! Jeanne werd steeds flinker, kreeg steeds meer zelfvertrouwen, door het meedoen en het doen. Ook haar kleur werd al wat frisser en gezonder, haar moeheid verdween. Met vreugde kan ze nu naar haar pianolessen gaan en met vreugde ook thuis studeren na de schooltijd.

Hoe gelukkig, dat Jeanne een leraar vond die haar autoriteit kon zijn, d.w.z. die haar begreep, haar leidde en in wie zij vertrouwen kreeg, omdat hij de in haar verborgen krachten opriep en tot ontwikkeling liet komen. Jeanne was een goede leerling op de gewone school, ijverig en plichtsgetrouw. „Orde en tucht” waren voor haar vanzelfsprekend. En toch was de oude vorm van „orde en tucht” voor haar fataal, omdat deze haar steeds meer van de wereld vervreemdde. Met al haar goede cijfers werd ze steeds ongezonder en sloot ze zich steeds meer af van de wereld en mensen. Dat kon ook niet anders, want haar ontbraken de krachten voor interesse en verkeer met anderen, zoals zij de kracht miste voor haar pianostudie.’

Rudolf Steiner:

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wij zullen werkelijk geen eenzijdige wereldbeschouwelijke school oprichten. Wie gelooft dat wij een ‘antroposofenschool’ willen stichten of wie dat verspreidt, die gelooft en verspreidt een leugen. Dat willen wij helemaal niet en we zullen aantonen dat wij dat niet willen.
Dat betekent dat wij ons niet inzetten om een of andere wereldbeschouwelijke school te grondvesten, wij willen de inhoud van de antroposofie niet de school binnenbrengen, we willen iets anders.
Antroposofie is leven, is niet alleen maar een theorie. En antroposofie kan overgaan in een vaardigheid gestalte, vorm te geven aan het onderwijs in die mate waarin antroposofie pedagogie kan worden, in die mate waarin uit antroposofie vakbekwaamheid kan ontstaan om bv. het rekenen beter aan te leren dan dit tot nog toe aangeleerd werd, beter het schrijven, beter de talen, beter de aardrijkskunde aan te leren dan deze tot nog toe aangeleerd werden. Dus in zoverre als een methode door de antroposofie in het leven geroepen wordt, in die mate streven wij dit na.
Wij streven naar methodiek, naar onderwijspraktijk. Daarin willen wij graag laten uitmonden wat in waarheid volgen zal uit de kennis van de geest. Dus daarom leren wij zo het lezen en het schrijven aan enz., zoals dit in overeenstemming is met het wezen van de mens.
Daarom zien wij beslist af van wat men ons in de schoenen wil schuiven: dat wij  door een school bij de kinderen al reclame willen maken voor antroposofie. Dat   willen wij niet.
Wij streven er alleen naar in die mate les te geven zoals door het doortrokken zijn van antroposofische impulsen goed les geven en opvoeden mogelijk kan worden.
Ga 297, 1e voordracht
Niet vertaald

[1] Max Stibbe ‘Opvoeding langs nieuwe wegen’- Uitg. Servire 1960

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner als didacticus

‘antroposofische indoctrinatie’   [1]    [2]

‘antroposofisch’ onderwijs  [2]   [3]

1024-949

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (18)

.

Rudolf Steiner:
Niet met pedagogie als normwetenschap, maar met pedagogie als kunst moet je het kind benaderen. [74]

opspattend grind


Claire Boonstra:

“SCHOLEN, KOM UIT DIE KRAMP”

Eindexamen, bul, een goeie baan, een beter salaris, meer status. Civiel ingenieur en ondernemer Claire Boonstra (39) was hard op weg met creëren van een ‘inte­ressant visitekaartje’ toen ze zich realiseerde dat boven aan al die ladders niets is wat haar voldoening bracht. “We kijken alleen maar omhoog, maar daar is niets.”

Dat gevoel knaagde al langer aan haar. Op het jaarlijkse topoverleg van het World Economie Forum in Davos waar ze als ‘technology pio­neer’ wereldleiders mocht toespreken, besefte ze dat daar de verandering niet vandaan zal ko­men. “Die grijze mannen in pak zijn de titel op hun visitekaartje geworden.”

De basis van het probleem ligt volgens Boon­stra in het onderwijs. “Er is iets mis met een onderwijssysteem dat daartoe opleidt.” Boon­stra, succesvol ondernemer met een eigen soft­warebedrijf, gooide het roer om en zei haar be­drijf vaarwel. Dat is nu twee jaar geleden. “Het onderwijssysteem is gericht op hogere scores, betere, meetbare prestaties. Maar waarom ei­genlijk? Wat is het doel van onderwijs?” Daarover moeten we nadenken, zegt ze. Alle­maal. Aan de keukentafel, op borrels en in be­stuurskamers. Boonstra, zwart jurkje met bal­lerina’s die ze voor de foto verwisselt voor hak­ken, praat er bevlogen over. Ze maakt tekenin­getjes om haar voorbeelden kracht bij te zetten en praat als een waterval. Ze heeft een missie: het denken over onderwijs op zijn kop zetten.

Zo ontstond ‘Operation Education’, een stich­ting van vrijwilligers van binnen en buiten de onderwijssector die goeie, vernieuwende ideeën bij elkaar brengt en een maatschappe­lijk debat wil beginnen over hoe wij onze scho­len hebben ingericht.

Vandaag* presenteert ze een boek waarin hon­derd Nederlanders beschrijven wat volgens hén het belangrijkste is wat onderwijs moet bewerkstelligen. Er wordt gewerkt aan een do­cumentaire en over twee weken komt er nóg een boek: ‘Onderwijshelden’, waarin scholen en leerkrachten laten zien dat het anders kan.

Wat is er mis met het onderwijs?
“We proberen elk kind door dezelfde mal te persen. We leggen iedereen langs dezelfde meetlat. Succes wordt afgemeten aan een be­perkte hoeveelheid vaardigheden: rekenen, le­zen, schrijven. Die zijn zeker niet onbelangrijk, maar ze vormen maar een klein onderdeel van wat je nodig hebt in de maatschappij. Daarbij is er te weinig ruimte voor wie anders denkt. Mijn neefje bijvoorbeeld antwoordde in een toets dat het woord ‘iglo’ een ‘warm’ woord was, in plaats van een ‘koud’ woord. Zijn uitleg was dat eskimo’s een iglo bouwen om zich warm te houden. Maar zijn antwoord werd fout gerekend.’ Het geven van het ‘juiste
ant­woord’ is in het onderwijs belangrijker gewor­den dan kritisch nadenken, vragen stellen en op een dwarse manier naar de dingen kijken.”

Wat is het gevaar?
“Ik zie dat veel mensen last hebben van het huidige systeem, ook mensen die het heel net­jes hebben gedaan in het huidige schoolsys­teem. Een voorbeeld? Er zijn dertigers die cum laude afstuderen, een glansrijke carrière heb­ben bij een multinational en vervolgens een burn-out krijgen of depressief worden. Ze
heb­ben precies de ‘juiste’ weg gevolgd, maar vra­gen zich af: is dit het? Dat wordt het schoolsys­teem niet aangerekend, deze mensen hebben dat succesvol doorlopen terwijl ze later toch uitvallen. Volgens mij gaat er dan iets mis.”

Is het niet gevaarlijk om met kinderen te experimenteren?
“Weet je wat pas gevaarlijk.is? 150 jaar lang niet experimenteren met kinderen. We weten tegenwoordig heel veel over hoe leren werkt. En de kennis daarover strookt totaal niet met hoe ons onderwijs is geregeld. Continu stilzit­ten is bijvoorbeeld slecht voor het leerproces.”

Waarom doen we daar dan niets mee?
“Nog zoiets: mijn ene kind kon lopen na negen maanden, de ander pas na zeventien. Dat vin­den we normaal, maar eenmaal op school baart het ons zorgen. Een kind dat op zijn vierde klaar is om te leren lezen en de ander op zijn achtste. Toch labelen we het eerste kind als hoogbegaafd en het tweede krijgt remedial teaching.”

Hoe moet het dan?
“Je moet kijken waarop een kind ‘aangaat’. Waardoor het gegrepen wordt, hoe het geboeid raakt. Dan wordt leren interessant. Elk kind verdient dat, om gezien te worden. Waarom zou je dat niet faciliteren op school?

“Begrijp me goed. Ik heb niets tegen ouders, leraren of leerlingen die blij zijn met het hui­dige systeem en daarin gedijen. Als ze er maar over hebben nagedacht. Ik snap het wel dat mensen het een beetje eng vinden om daar­over na te denken. Die horen over scholen waar kinderen mogen meebeslissen over wat er geleerd wordt en denken: dat kan niet goed gaan. Maar waarom niet?”

Hebben ze ongelijk? Het Nederlandse onderwijs behoort toch tot het beste ter wereld?
“Dat klopt. Het schoolsysteem zoals we dat nu kennen, heeft ons ook welvaart gebracht, maar nu begint het te knellen. Met de beste bedoe­lingen en in onze drang om het steeds beter te doen, hebben we steeds meer regels gecreëerd. Daardoor hebben veel docenten het gevoel dat ze geen ruimte meer hebben en zich voortdu­rend moeten verantwoorden. Dat werkt ver­stikkend en houdt verandering tegen.

“Daarbij is de rol van kennis in onze samen­leving heel erg veranderd. Kennis is alomtegen­woordig. Het gaat erom wat je ermee doet. Dat vraagt een andere rol van leerkrachten. Het draait niet langer om kennisoverdracht van bo­ven naar beneden. Ik wil scholen niet afschaf­fen, maar anders inrichten.”

Is dit een pleidooi voor de iPadschool?
“Ja en nee. Ik ben geen adept van de manier van communiceren van Maurice de Hond, maar ik vind het wel interessant wat hij doet. Met een tabletcomputer kun je een individueel leerproces faciliteren. Het is een hulpmiddel. Je moet oppassen dat je daar geen karikatuur van maakt. Het is een manier om op een ande­re manier te kijken naar leren. Ouders moeten zich afvragen of dat bij hun kind past.”

Is uw pleidooi nieuw?
“Misschien niet. Wat me opvalt, is dat 90 pro­cent van de mensen deze vragen niet stelt. Ik denk omdat het antwoord te ongemakkelijk is.

We zijn eraan gewend geraakt dat scholen er gewoon zijn en we zijn gestopt met nadenken of die onze kinderen wel brengen wat ze nodig hebben.

“Ik heb de afgelopen twee jaar duizenden re­acties gekregen van leerkrachten, schoollei­ders, politici en ouders. Velen voelden zich een roepende in de woestijn. Ook kreeg ik berich­ten van leraren die zeiden: wij doen het al an­ders. Er zijn scholen waar ze de indeling in schoolniveaus van vmbo tot vwo loslaten, waar kinderen van verschillende leeftijden samen leren. Het kan dus wel. Waarom weten we dat niet? Waarom heeft niemand mij dat verteld toen ik voor mijn kinderen een basisschool moest kiezen?”

Naar wat voor school gaan zij?
“Mijn oudste zoon is vijfenhalf en ik moest al een school kiezen op het moment dat ik zwan­ger was, vanwege de enorme wachtlijsten. Het is een behoorlijk traditioneel dorpsschooltje hier in Bussum, met gelukkig heel goede kleuterleerkrachten. Hij is leeftijdsgenootjes cogni­tief ver vooruit, dus ik vind zijn sociale ontwik­keling heel belangrijk. Dat hij leert samenwerken en vriendjes maakt.

“Volgend jaar gaat hij naar groep 3, dat vind ik heel spannend. Ik ben bang voor de nadruk op prestaties. Ik hoop dat hij zich kan blijven ontwikkelen op al die andere belangrijke ge­bieden: creativiteit, samenwerken, onderne­merschap, nieuwsgierigheid. Hij is heel gevoe­lig voor wat anderen verwachten, dus ik hoop niet dat hem dat belemmert. Er is hier in de omgeving helaas niet zoveel keus qua scholen. Er is wel een montessorischool, een Jenaplan­school, een Daltonschool, een Vrije School…”

Dat zijn er niet genoeg? Wat ontbreekt er dan op die scholen?
“Er is weinig aandacht voor verschillen tussen kinderen, en er is weinig ruimte voor structu­rele vernieuwing. Dat soort scholen vind ik ook vaak te eenvormig, te dogmatisch in de leer. Je moet naar mijn idee meebewegen met wat er gebeurt in de maatschappij. Dat gaat allemaal heel voorzichtig.

“Sommige scholen zijn zo bang voor hun sco­res, prestaties en excellente predicaten dat ze verandering buiten de deur proberen te hou­den. Veel schoolleiders worstelen met lijstjesangst. Ze zijn bang dat ze op het spel zetten wat ze hebben opgebouwd als ze het rooster op z’n kop zetten, klassen anders indelen of meer tijd uittrekken voor de ontwikkeling van creativiteit, buitenspelen of leiddinggeven. Want stel dat de Cito-scores daardoor ietsje minder zullen uitvallen als ze iets bekends los­laten.”

Is die lijstjesangst niet logisch? Daar kijkt de onderwijsinspectie toch naar?
“Maar vinden wij dat écht het allerbelang­rijkst? De inspectie is bovendien helemaal niet zo star als sommige scholen denken. Zelfs de minister roept scholen op om niet dociel te denken dat ze de regels volgen. Als ouders zich ermee bemoeien, verandert er hopelijk echt iets. We moeten niet alleen de overheid, maar ook elkaar ter verantwoording roepen. De vrij­heid van onderwijs is in de Grondwet veran­kerd, die kunnen we benutten en oprekken als samenleving – we leven tenslotte in een demo­cratie.”

Wie is Claire Boonstra?
Claire Boonstra (1975) is afgestu­deerd civiel ingenieur, ze werkte bij KPN en Unilever. In 2009 was ze medeoprichter van Layar. Dat bedrijf ontwikkelde een applicatie om digitale informatie toe te voe­gen aan de realiteit, via de camera van een mobiele telefoon (‘augmented reality’)- Ze was adviseur van eurocommissaris Neelie Kroes op het gebied van technologie en werd in 2012 uitgeroepen tot Young Global Leader van het World Economie Forum en tot ‘On­line Mediavrouw van het Jaar’.

In 2012 gooide ze het roer om. Ze stopte bij Layar en richtte ‘Operation Education’ op. Haar zelfgespaarde pensioengeld stak ze in een festival over onderwijs. Haar geld verdient ze tegenwoordig met het geven van spreekbeurten. Ze woont in Bussum met haar man en drie kinderen (5 jaar, 3 jaar en 7 maanden).

Bron: Trouw *29-08-2014

Opspattend grind  [9]   [11]

Alle grindjes

Rudolf Steiner:
Uitgaan van het hele kind kun je slechts tot een gewoonte maken wanneer je een goed, realistisch streven hebt het kind in zijn verschillende verschijningsvormen te leren kennen. Ieder kind is interessant. [78]

1015-941

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over periodeonderwijs

PERIODEONDERWIJS

Hier volgen uit de pedagogische voordrachten Gesamt Ausgabe 293 t/m 311 Steiners voornaamste opmerkingen over periodeonderwijs.

Wir machen nicht den Stundenplan so, daß wir die erste Stunde schreiben, die zweite lesen und so weiter, son­dern wir fassen durch lange Zeiträume das Gleichgeartete zusammen. Für die späteren Dinge setzen wir auch bestimmte Zeiten fest, in denen wir die Dinge so betreiben, daß wir nicht immer stundenmäßig einen Gegenstand auf den andern folgen lassen, sondern daß wir durch lange Zeit hindurch die Kinder mit einem Lehrgegenstand beschäftigen und dann erst wiederum, wenn wir sie wochenlang damit beschäftigt haben, zurückkommen auf anderes. Dadurch konzentrieren wir den Unterricht, und wir sind in der Lage, dadurch viel ökonomischer zu unterrichten, als wenn wir jenes furcht­bar Kraft- und Zeitverschwendende mit dem Stundenplan betreiben: daß wir in der ersten Stunde einen Lehrgegenstand nehmen und daß in der nächsten Stunde wieder ausgelöscht wird, was in der vorhergehen­den gelernt worden ist.
.

We hebben geen lesrooster, waarin men in het eerste uur schrijft, in het tweede uur leest enzovoort, nee, we nemen gedurende langere tijd gelijksoortige din­gen samen. [  ] Voor latere dingen stel­len we ook bepaalde tijden vast. Maar we zullen niet steeds ieder uur een ander onderwerp nemen, maar ons gedurende langere tijd met één onderwerp bezighouden. Pas na weken gaan we op iets anders over. Daardoor concentreren we de lessen en zijn we in staat veel economischer te werken dan met het energie- en tijdverspillende rooster. Met zo’n rooster vaagt men in het tweede uur weg wat in het eerste geleerd is.
GA 294/158-159
vertaald: 130-131

0-0-0

Nun möchte ich gleich von Anfang an Sie darauf aufmerksam ma­chen, daß wir einen großen Wert darauf legen werden, den Unterricht möglichst konzentriert zu gestalten. Wenn man das nicht tut, kann man auf alle diese Dinge nicht Rücksicht nehmen, von denen ich eben gespro­chen habe, namentlich auf die Temperamente nicht. Daher werden wir das, was man im äußeren den Stundenplan nennt, nicht haben. In die­ser Beziehung werden wir also geradezu entgegengesetzt der Einrich­tung arbeiten, die das Ideal der modernen materialistischen Erziehung ist. In Basel zum Beispiel spricht man vom Vierzigminutenbetrieb. Man läßt gleich wieder etwas anderes folgen. Das heißt nichts anderes, als alles, was in den vierzig Minuten voranging, sofort wieder auszulö­schen und furchtbare Verwirrung in den Seelen anzurichten. Wir werden uns genau überlegen, welcher Lehrstoff einer gewissen Altersstufe des Kindes entspricht, und dann werden wir diesen Lehr­stoff, das Lesen zum Beispiel, durch eine gewisse Zeit hindurch verfol­gen. Das heißt, das Kind wird seinen Vormittagsunterricht im Lesen wäh­rend sechs bis acht Wochen haben, dann wird Schreiben an seine Stelle treten, dann Rechnen, so daß das Kind sich die gesamte Zeit hindurch jeweilig konzentriert auf einen Unterrichtsstoff. So daß etwa, wenn ich es schematisch andeuten wollte, unser Unterricht darin bestehen würde, daß wir möglichst am Morgen beginnen – das heißt aber nur möglichst, denn es werden alle möglichen Modifikationen eintreten – mit Lesen, so daß wir einige Wochen lesen, dann schreiben, dann rechnen. Aber es wird der Unterricht so ge­staltet, daß die Aufmerksamkeit des Kindes durch Wochen hindurch auf dasselbe konzentriert ist.Dann werden wir am Ende des Schul­jahrs Repetitionen folgen lassen, wodurch aufgefrischt wird, was im Anfang durchgenommen wurde. Absondern und fortdauernd pflegen werden wir nur alles Künstlerische. Entweder nachmittags oder, wenn die nötige Zeit vorhanden, vormittags, sollen wir das Künstlerische als besondere Willensbildung pflegen.
.

Nu wil ik u er van meet af aan op wijzen, dat we er veel belang aan zullen hechten om het onderwijs zo geconcentreerd mogelijk vorm te geven. Doet men dat niet, dan kan men geen aandacht schenken aan al die dingen die ik net besproken heb, met name niet aan de temperamenten. Daarom zullen we niet hebben wat men in het reguliere onderwijs een lesrooster noemt. In dit opzicht zullen we dus lijnrecht ingaan tegen de inrichting van het onderwijs die het ideaal is van de moderne materialistische opvoeding. In Bazel bijvoorbeeld heeft men het over het ‘veertig-minuten-bedrijf’. Na die tijd volgt er steeds weer iets anders. En dat wil alleen maar zeggen dat alles wat in de veertig minuten daarvoor is behandeld, onmiddellijk weer teniet wordt gedaan en er een verschrikkelijke verwarring in de zielen teweeg wordt gebracht. We zullen zorgvuldig onderzoeken welke leerstof in een bepaalde leeftijdsfase thuishoort en dan zullen we deze leerstof — lezen bijvoorbeeld – gedurende een bepaalde tijd blijven behandelen. Dat wil zeggen, het kind zal ’s ochtends gedurende zes tot acht weken les krijgen in lezen, dan in schrijven, dan in rekenen, zodat het kind zich de gehele tijd steeds op één onderwerp concentreert. In een schema aangeduid zou dat er zo uitzien: de lessen beginnen ’s ochtends als het kan met lezen, als het kan tenminste, want er zullen allerlei aanpassingen nodig zijn; we lezen dus enkele weken, dan schrijven we, dan rekenen we. [ ]
Maar het onderwijs wordt zo inge­richt dat de aandacht van de kinderen weken lang op hetzelfde on­derwerp is geconcentreerd. Dan zullen we aan het eind van het schooljaar repeteren, zodat de stof van het begin van het jaar weer wordt opgefrist. Los daarvan, en zonder onderbreking, beoefenen we alleen al het kunstzinnige, ’s Middags, of als de tijd er is ook ’s morgens, moeten we het kunstzinnige beoefenen, als datgene wat in het bijzonder de wil vormt.
GA 295/16-17
vertaald:17-18

0-0-0

So haben wir nötig, daß, ohne daß der Bogen überspannt wird, nicht durch Anstrengung, sondern durch Ökonomie der Erziehung, Konzentration bei den Kindern erreicht werden soll. Dies können wir in der Weise, wie es der heutige Mensch braucht, nur erreichen, wenn wir etwas abschaffen, was heute noch sehr beliebt ist: wenn wir den verfluchten Stundenplan in den Schulen abschaffen, dieses Mordmittel für eine wirkliche Entwicklung der menschlichen Kräfte. Man denke nur einmal nach, was es heißt: von 7-8 Rechnen, von 8-9 Sprachlehre, von 9-10 Geographie, von 10-11 Geschichte! Alles das­jenige, was von 7-8 die Seele durchwogt hat, wird ausgelöscht von 8-9, und so weiter. In diesen Dingen ist es heute notwendig, den Sachen auf den Grund zu gehen. Wir dürfen überhaupt nicht mehr daran denken, daß Lehrfächer da sind, damit «Lehrfächer» gelehrt werden; sondern wir müssen uns klar sein: im Menschen vom 7. bis 14. Jahre müssen entwickelt werden in der richtigen Weise Denken, Fühlen und Wollen. Geographie, Rechnen, alles muß so verwendet werden, daß in der richtigen Weise Denken, Fühlen, Wollen ent­wickelt werden.  Für ein bestimmtes Lebensalter ist zum Beispiel vor allen Dingen notwendig, etwas Rechnen beizubringen. Dazu muß man zwei, drei Monate ver­wenden, um an den Vormittagen Rechnen beizubringen. Nicht einen Stundenplan, der alles durcheinander enthält, sondern der Rechnen eine Zeitlang treibt – dann weitergehen. Und genau die Dinge so einstellen, daß sie eingestellt sind auf das, was die Menschennatur in einem bestimmten Zeitpunkt verlangt!  Wer denkt denn heute daran, daß der Stundenplan der Mord ist der wirklichen Erziehung des Menschen?
.

Dan is het noodzakelijk,  zonder dat de boog te gespannen wordt, dat niet door inspanning, maar door economie van de opvoeding, concentratie bij de kinderen wordt opgeroepen. Dit kunnen we op de manier die de mens van nu nodig heeft, alleen bereiken, wanneer we iets afschaffen wat tegenwoordig nog heel geliefd is: wanneer we dat vervloekte urenlesrooster in de scholen afschaffen; deze om zeep helper van een echte ontwikkeling van de menselijke vermogens. Denk eens in wat het betekent: van 7-8 rekenen; van 8-9 taal; van 9-10 aardrijkskunde; van 10-11 geschiedenis!  Alles wat van 7-8 door de ziel gaat, wordt van 8-9 weer uitgewist, enz. Nu is het zaak bij deze dingen tot de basis te gaan. We mogen er helemaal niet meer aan denken dat er leervakken zijn, dat er ‘leervakken’ geleerd moeten worden, maar voor ons moet het helder zijn: in de mens van 7-14 jaar moeten op de juiste manier denken, voelen en willen ontwikkeld worden. Aardrijkskunde, rekenen, alles moet zo gebruikt worden, dat op een goede manier denken, voelen en willen ontwikkeld worden. Voor een bepaalde leeftijd is het bijv. vooral nodig zoiets als rekenen aan te leren. Daarvoor moet je twee, drie maanden de tijd nemen om dan ’s morgens het rekenen aan te leren. Geen urenrooster waarop alles door elkaar staat, maar een tijd lang rekenen – dan verdergaan. En dan de zaken zo organiseren dat ze ingaan op wat de natuur van de mens op een bepaald tijdstip nodig heeft. Wie denkt er vandaag-de-dag aan dat het urenrooster moord betekent voor een echte opvoeding van de mens?
GA 296/50-51
Niet vertaald*

0-0-0

Und auch so gehen wir vom Leben aus, daß wir zum Beispiel in den Lehrplan hinein nicht jene, von manchem so wohltätig emp­fundene Abwechslung bringen, daß jede Stunde etwas anderes ge­trieben wird, sondern wir treiben irgendeinen Gegenstand in den hauptsächlichsten Schulstunden so lange, bis ihn das Kind be­herrscht, bis das Kind drinnen ist in der Sache. Wir haben daher nicht den stundenmäßigen Lehrplan, sondern für die hauptsäch­lichsten Schulfächer haben wir einen Lehrplan, der etwa durch drei Monate bei dem Gleichen bleibt. Natürlich ist davon ausgeschlos­sen das Sprachenmäßige und so weiter.

.
En ook hier gaan we zo van het leven uit, dat wij bijv. in het leerplan niet zetten wat door sommigen als een weldadige afwisseling gezien wordt, dat er ieder uur wat anders wordt gedaan, maar wij behandelen een vak op de belangrijkste schooluren zo lang tot het kind het beheerst, tot het kind thuis is in het onderwerp. Daarom hebben wij geen urenlesrooster, maar voor de belangrijkste schoolvakken hebben we een leerplan dat wel een maand of drie [1] bij hetzelfde blijft. Natuurlijk vallen de talen enz.[2]. daarbuiten.
GA297/210
Niet vertaald*

0-0-0

Als ich meinen Weihnachtskurs hielt, da wurde dann in den Stunden, die einer Fragebeantwortung gewidmet waren, auch die Frage aufgeworfen, wie verhält es sich mit der Ermü­dung? Ich erwähnte, daß es durchaus im Sinne unserer Pädagogik liegt, nicht in der Weise die Aufmerksamkeit der Kinder zu zerstäuben, daß man in einer Stunde Religion, in der anderen Zoologie und dergleichen hat, sondern daß es darauf ankommt, den Unterricht möglichst so zu geben, daß die Aufmerksamkeit der Kinder konzentriert sein kann. Daher haben wir den Unterricht so, daß ein gewisses Gebiet durch Wochen hindurch getrieben wird, durch eine längere Schulzeit hindurch. Das ist ein Gesichtspunkt, der hervorgeholt wird aus der besonderen Erkenntnis der kindlichen Wesenheit.
.

Toen ik mijn kerstcursus [GA 303 – zie onder] gaf werd er in een vragenuurtje de vraag gesteld naar vermoeidheid. Ik gaf als antwoord dat het de bedoeling van onze pedagogie is de aandacht van de kinderen niet te verstrooien door dan een uurtje godsdienst, gevolgd door een uur biologie enz. te geven, maar dat het erop aankomt de lessen zo te geven dat de kinderen erop geconcentreerd kunnen zijn. Daarom hebben we de lessen zo dat een bepaald vak weken achtereen behandeld wordt, gedurende een langere schooltijd. Het is een gezichtspunt dat gelegen is in een bijzonder kennen van het wezen kind.
GA 298/140
Niet vertaald*

0-0-0

Ich muß dabei an dem einen Tag das mehr objektive Charakterisierende, am anderen Tag das Urteilende, Betrachtende darstellen, dann wirke ich dahin, daß sich die drei Glieder des dreigliedrigen Menschen tatsächlich in der richtigen Weise ineinander einfügen.Das sind solche Dinge, die Ihnen zeigen, was man eigentlich leisten kann, wenn man den gesamten Unterricht gliedert, wenn man ihn also wirklich den Lebensverhältnissen anpaßt. Das kann natürlich niemals anders richtig werden, als wenn der Lehrplan so gestaltet ist, wie er bei uns gestaltet ist, daß man wirklich eine längere Zeit hindurch denselben Gegenstand behandelt. Ich möchte wissen, wie man es machen sollte, wenn an einem Tag Physik ist in der ersten Stunde und am nächsten Tag Religion. . Natürlich ist es sehr schwierig, den gesamten Unterricht in dieser Weise zu gestalten, aber wenigstens nähern kann man sich einer solchen Gestaltung des Unterrichts.
.

De ene dag moet ik dus meer objectief-karakteriserend vertellen, de volgende dag oorde­lend-beschouwend. Dan werk ik ernaartoe dat de drie leden van de drieledige mens zich werkelijk goed in elkaar voegen. Dat zijn dingen die duidelijk maken wat je kunt bereiken als je in het totale onderwijs een geleding aanbrengt, dus als je het echt aanpast aan de levensomstandigheden. Dat kan uiteraard alleen op de juiste manier gebeuren als het leerplan zo is vormgegeven als dat bij ons het geval is, dat je eenzelfde onderwerp echt langere tijd behandelt. Ik zou wel eens willen weten hoe je dat voor elkaar moest krijgen als je de ene dag het eerste uur natuurkunde gaf en de volgende dag het eerste uur godsdienst. Ik zou wel eens willen weten hoe je dan rekening moest houden met dat wat er van de vorige dag is overgebleven.
Natuurlijk is het heel moeilijk het gehele onderwijs op deze manier in te richten. Maar je kunt zo’n inrichting van het onderwijs op z’n minst benaderen.
GA 302/49
vertaald/48

0-0-0

Zunächst kommt es ja darauf an, in dem Sinne zu unterrichten und zu erziehen, den ich den seelisch-ökonomischen nennen möchte. Heute, im gewöhnlichen Erziehungs- und Unterrichtswesen, zersplittert man den Unterricht sehr stark, und dadurch wirkt er nicht konzentriert ge­nug auf das heranwachsende Kind ein. Es handelt sich um folgendes. Nehmen Sie einmal an, man will irgend etwas in der Schule mit dem Kinde durchnehmen, das für das Kind dann einen bleibenden Besitz des Lebens bedeuten soll. [ ]
Es handelt sich darum, daß im Sinne des Waldorfschul-Gedankens der ganze Unterricht so veranlagt werde, daß in der möglichst kürze­sten Zeit möglichst viel mit den allereinfachsten Mitteln an die Kinder herangebracht werde, so daß dem Kinde nirgends die innere seelische, nicht einmal die verstandesmäßige, meine ich hier, sondern die innere seelische, empfindungsgemäße Überschau verlorengeht.
Sie begreifen, daß das gerade an die Lehrerschaft besondere An­forderungen stellt. Und ich habe zum Beispiel aus dem, was ich see­lisch-ökonomischen Unterricht nenne, die Überzeugung gewonnen, die ich dezidiert – sie ist ja vielleicht nicht immer so dezidiert realisiert -, die ich aber so dezidiert aussprechen möchte, daß ich sage: Will man in einer halben Stunde in der richtigen ökonomischen Weise, so daß das Kind keinen Schaden erleidet, irgend etwas an das Kind heranbringen, so braucht man dazu mindestens eine Vorbereitung als Lehrer von zwei bis drei Stunden, um das Ganze in einen solchen lebendigen inne­ren organischen Zusammenhang zu bringen, den man dann durch die Schultüre in die Klasse hineinzutragen hat. – Es stellt also an die Lehrerschaft  ein solches Erziehungsprinzip allerdings große Anforderun­gen. Aber diese großen Anforderungen werden von der Sache selbst ge­stellt, und sie müssen einfach, so gut es geht, befriedigt werden. [  ]
Dann beginnt der sogenannte Hauptunterricht, jener Hauptunter­richt, der ja nach den gewöhnlichen Lehrplänen vielfach zerschnitten ist. Gerade das seelisch-ökonomische Prinzip, auf das ich aufmerksam machte, macht nötig, wenn man es zu Ende denkt, daß man sich von dem, was man gewöhnlich Stundenplan nennt, gründlich abwendet. Im gewöhnlichen Sinne haben wir für den Hauptunterricht keinen Stundenplan, sondern das Kind wird, je nachdem ein Gebiet so oder so abgeschlossen werden kann, durch vier bis sechs Wochen in den er­sten zwei Stunden, zwischen denen eine Pause liegen kann, für die kleineren Kinder auch liegen muß, in seiner Klasse unterrichtet. Also vier bis sechs Wochen lang nimmt man ein geographisches Gebiet oder ein Rechengebiet durch. Sind diese vier bis sechs Wochen vorüber, dann wird ein anderes Gebiet begonnen, das wiederum seine entsprechende Zeit hat, das aber nicht fortwährend stundenplanmäßig von irgend etwas anderem durchbrochen wird.
So wird zeitraummäßig das Jahr hindurch dasjenige, was der Lehr­plan nach den entsprechenden Grundsätzen enthalten soll, an das Kind in seelisch-ökonomischer Weise herangebracht, so daß nicht große An­forderungen nach der Richtung hin gestellt werden, daß das Kind in irgendeinem Augenblick das Gefühl hat, es habe Mühe, mitzukommen. Dieses Gefühl soll es nie bekommen. Es soll das Innere des Unterrichtens so eingerichtet werden, daß das Kind nie das Gefühl hat, es bereite ihm Schwierigkeiten, vorwärtszukommen, sondern es soll immer die Sehnsucht haben, wirklich von dem einen zu dem anderen zu kom­men. Und niemals ist das Kind dadurch eigentlich versucht, etwas als abgebrochen zu betrachten, sondern überall ist Anschluß zu erreichen.

Es ist ja wiederum selbstverständlich, daß dann, wenn der Jahres­schluß vor den Ferien herannaht, in einer Art Rekapitulation alles das wiederum an die Seele des Kindes herangebracht wird – man kann das in einem hübschen Zusammenhang tun -, was in den verschiedenen Zeiträumen während des Jahres dem Kinde, wie man sagt, beigebracht worden ist.
Alles das also, was eigentlicher Hauptunterricht ist, fällt in diese Kategorie hinein. Und es wird immer darauf gesehen, daß in solchen vier bis sechs Wochen dem Kinde etwas Ganzes überliefert werden kann, was gerade deshalb, weil es ein Ganzes ist, ihm dann etwas gibt, was es ins Leben mitnimmt, wie es die Dinge ins Leben mitnehmen soll.
.

Allereerst gaat het erom les te geven en op te voeden op een manier die ik zielsmatig-economisch zou willen noemen. Tegenwoordig, in het gangbare opvoedings- en onderwijswezen, versplintert men het onderwijs zeer sterk en daardoor werkt het niet geconcentreerd genoeg op het opgroeiende kind. Het gaat om het volgende. Neemt u eens aan dat we op school iets met het kind willen doornemen wat voor het kind dan een blijvend bezit voor het leven moet betekenen. [ ]
Het gaat erom dat in de zin van de vrijeschoolgedachte het hele onderwijs zo wordt ingericht dat de kinderen in zo kort mogelijke tijd met de allereenvoudigste middelen zo veel mogelijk wordt bijgebracht, zodat voor het kind nergens het innerlijk, het psychische – ik bedoel hier niet het verstandelijke -, gevoelsmatige overzicht verloren gaat.
U begrijpt dat dit aan de leerkrachten bijzondere eisen stelt. En ik heb bijvoorbeeld door wat ik psychisch-economisch onderwijs noem, de volgende overtuiging verkregen die ik, ook al wordt dit niet altijd gedecideerd gerealiseerd, op de volgende gedecideerde manier zou willen uitspreken: wil je het kind in een half uur op de juiste economische wijze het een of ander bijbrengen, zonder het kind schade te berokke­nen, dan heb je daarvoor als leraar minstens een voorberei­ding nodig van twee tot drie uur, om het geheel in een leven­dige innerlijk organische samenhang te brengen. Die moet je dan mee de klas in nemen. — Zo’n opvoedingsprincipe stelt dus grote eisen aan het lerarencollege. Maar deze eisen zijn inherent aan de zaak zelf en daaraan moet gewoon zo goed als dat gaat voldaan worden. [  ]

Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, het hoofdonderwijs of periodeonderwijs dat bij de meeste gewone leerplannen vaak versnipperd is. Juist het psychisch-economische principe, waarop ik gewezen heb, maakt het noodzake­lijk, als je het tot het uiterste doordenkt, dat je je volledig afwendt van wat men gewoonlijk het lesurenrooster noemt. In deze gebruikelijke zin hebben we voor het hoofdonderwijs geen urenrooster, maar afhankelijk van de tijd die er voor nodig is krijgt het kind gedurende vier tot zes weken in de eer­ste twee uur in zijn klas onderwijs. Daar kan een pauze tussen zitten. Voor het kleinere kind moet er een pauze worden inge­last. Dus vier tot zes weken lang behandel je het vak aardrijks­kunde, of rekenen. Zijn deze vier tot zes weken voorbij, dan wordt er met een andere periode, een ander vak begonnen, die ook weer zo lang duurt als nodig is en niet voortdurend, volgens een of ander rooster, door iets anders wordt onder­broken.
Zo wordt, qua tijd en ruimte, gedurende het hele jaar dat­gene wat het leerplan volgens de geldende uitgangspunten moet bevatten, op een zielsmatig-economische manier aan het kind gegeven. Dit alles op een zodanige manier dat niet zodanig hoge eisen aan het kind gesteld worden dat het op een bepaald moment het gevoel krijgt dat het moeite heeft om mee te kunnen komen. Dit gevoel mag het kind nooit krij­gen. Het interne aspect van het onderwijs wordt zo ingericht dat het kind nooit het gevoel heeft dat het hem moeite kost vooruit te komen, integendeel, het moet er altijd naar verlan­gen om echt van het een naar het ander te komen. En nooit is het kind daardoor geneigd om het bijltje erbij neer te gooien, maar overal is aansluiting te bereiken.
Het spreekt dan ook weer vanzelf dat wanneer de jaarafsluiting voor de vakantie nadert, in een soort herhaling alles weer voor de ziel van het kind geplaatst wordt wat in de ver­schillende perioden tijdens het jaar het kind, zoals men dat noemt, bijgebracht is. Je kunt dat op een mooie samenhan­gende manier doen. Alles wat het eigenlijke hoofdonderwijs is, periodeonderwijs is, valt in deze categorie. En er wordt altijd op toegezien dat in deze vier tot zes weken aan het kind een vak als een geheel kan worden overgebracht. Juist omdat het een geheel is, geeft het hem dan iets wat hij in het leven meeneemt, zoals dat bij de dingen in het leven gebeuren moet.
GA 303/139-141
Vertaald: 151-154

0-0-0

Man kann gewiß glauben, daß die Ausdehnung eines einzelnen Unter­richtsgegenstandes über eine längere Zeit gewisse Schattenseiten hat, und man kann ja auch nicht leugnen, daß es schwierig ist, während einer längeren Zeit die Aufmerksamkeit des Kindes auf einen Gegen­stand zu konzentrieren. [ ]

Dasjenige worauf in der Waldorfschule der größte Wert gelegt  werden muß, ist ja, in ökonomischer Weise, in seelisch-ökonomischer Weise zu unterrichten und zu erziehen. Und wenn man die Sache so einrichtet, daß man tatsächlich durch die ganze Zeit hindurch große Linien gehen läßt, sagen wir, indem man durch zwei Stunden etwas durchnimmt, große Linien gehen läßt, auf welche die Aufmerksamkeit, ohne zu ermüden, oder wenigstens ohne heftig zu ermüden, gerichtet werden kann, und man dann der Möglichkeit zu ermüden dadurch ent­gegenwirkt, daß man gewissermaßen dem Hauptthema dasjenige pa­rallel gehen läßt, was dieses Hauptthema variiert – all das wird ja für den richtigen Erzieher sich aus dem Gefühl ergeben -, dann erreicht man damit mehr, als wenn man den Unterricht nach einem anderen Gesichtspunkte hin einrichtet und die Vorteile dieses anderen Gesichtspunktes einheimst. [  ]

Und da wird man eben auch das noch sehen, daß man bei den kurzen, stundenplanmäßigen Behandlungen einzelner Gegenstände absolut nicht in der Lage ist, den Kindern etwas zu geben, was sich tief genug mit ihrer ganzen gei­stigen, seelischen und leiblichen Organisation verbindet.

Men kan zeker geloven dat de uitbreiding van een enkel onderwijsvak over een langere tijd bepaalde schaduwzijden heeft, en men kan ook niet ontkennen dat het moeilijk is gedurende een langere tijd de aandacht van het kind op één onderwerp te concentreren. [  ]
.

Dat waaraan in de vrijeschool de grootste waarde gehecht moet worden is immers om op economische wijze, op psychisch-economische wijze les te geven en op te voeden. Als je het onderwijs zo inricht rond grote lijnen, laten we zeggen, doordat je gedurende twee uren iets in grote lijnen doorneemt waarop de aandacht zonder te vermoeien, of ten minste zon­der al te erg te vermoeien, gericht kan worden, en als je dan de kans dat de kinderen vermoeid raken tegenwerkt door in zekere zin parallel aan het hoofdthema dingen te behandelen die op dit hoofdthema variëren — dit alles zal bij de goede opvoeder vanuit het gevoel ontstaan —, dan bereik je daarmee meer dan als je het onderwijs volgens een ander gezichtspunt inricht en de voordelen van dit andere gezichtspunt binnen­haalt. [ ]

Dan kom je er achter dat je bij de korte behandeling van de verschillende vakken door middel van een lesrooster absoluut niet in staat bent de kinderen iets te geven wat zich diep genoeg met hun hele geestelijke, psychische en lichamelijke organisatie ver­bindt.
GA 303/312-315
Vertaald: 347-349

0-0-0

Wenn man auf diese Weise Erziehungskunst ausüben will, hat man nötig, das Leben des Kindes konzentriert zu haben. Daher kann man nicht, wie es heute gebräuchlich ist, beim Unterrichte von acht bis neun Uhr Rechnen treiben, von neun bis zehn Geschichte, von zehn bis elf wieder etwas anderes, und so alles mögliche durcheinander. Sondern in der Waldorfschul-Pädagogik haben wir die Einrichtung getroffen, daß durch drei bis vier Wochen hindurch derselbe Gegenstand täglich von acht bis zehn Uhr an das Kind herangebracht wird, so daß es konzen­triert dabei bleibt. Daß das Aufgenommene später wieder vergessen wird, ist kein Einwand gegen diese Methode. Aber es wird damit gerade erreicht, daß das Seelische des Kindes in einer ganz besonderen Weise gefördert wird.
.

Wanneer je op deze manier opvoedkunst wil uitoefenen, gaat het in het leven van een kind om concentratie. Daarom kun je dan niet, zoals tegenwoordig  gebruikelijk is, bij het lesgeven van acht tot negen rekenen, van negen tot tien geschiedenis, van tien tot elf weer iets anders doen – al het mogelijke door elkaar. Maar in de vrijeschoolpedagogie hebben we het zo ingericht dat gedurende drie of vier weken hetzelfde vak dagelijks van acht tot tien met het kind behandeld wordt, zodat het er geconcentreerd bij kan blijven. Dat hetgeen wat opgenomen wordt, later weer vergeten wordt, vormt geen bezwaar tegen deze methode. Maar er wordt juist mee bereikt dat de ziel van het kind op een heel bijzondere manier ondersteund wordt.
GA304A/120-121
Niet vertaald*

0-0-0

Wir haben die Waldorfschule so eingerichtet, daß zunächst der Hauptunterricht am Morgen erteilt wird. Im Sommer etwas früher, im Winter etwa um 8 oder 8 1/4 Uhr beginnt der Hauptunterricht. Dieser Hauptunterricht hat die Eigentümlichkeit, daß für ihn das, was man gewöhnlich den Stundenplan nennt, abgeschafft ist. Stundenplan im gewöhnlichen Sinne haben wir nicht, sondern es wird eine Materie zu­nächst für diesen zweistündigen Vormittagsunterricht, der für die klei­neren Kinder noch einmal durch eine Pause unterbrochen wird, es wird eine Materie für diesen zweistündigen Vormittagsunterricht genommen, und die wird in vier oder sechs Wochen vollendet. Dann wird eine an­dere Materie vorgenommen. Das stellt sich dann so heraus, daß die Kinder nicht haben von 8 bis 9 Religion, von 9 bis 10 Naturgeschichte, von 10 bis 11 Rechnen – also immer in etwas anderes hineingeworfen werden, sondern sie haben zum Beispiel im Oktober vier Wochen Rech­nen, dann drei Wochen Naturgeschichte und so weiter. Dasjenige, was da etwa getadelt werden könnte, weil die Kinder vielleicht etwa vergessen würden, weil das aus dem Gedächtnis wie­derum entschwindet, was als eine zusammenhängende Materie durchgenommen worden ist, das muß ersetzt werden durch die Ökonomie des Unterrichts und die Tüchtigkeit der Lehrerschaft. Nur in den letz­ten Wochen eines Schuljahres werden die Materien wiederholt, so daß eine Art Zusammenfassung für das Schuljahr da ist. Dadurch wächst das Kind ganz mit irgendeiner Materie zusammen.

Eine Ausnahme damit muß gemacht werden für den Fremdsprachen-unterricht, der eigentlich bei uns ein Sprechunterricht ist.
.

We hebben de zaken op de Vrije School zo geregeld, dat in de eerste plaats het hoofdonderwijs [3] tijdens de ochtenduren gegeven wordt. Het hoofdonderwijs begint in de winter om acht uur, kwart over acht, en in de zomer iets eerder. Het is specifiek voor dit hoofdonderwijs, dat voor de uren dat dit gegeven wordt, hetgeen men gewoonlijk de rooster noemt, is afgeschaft. Een urenrooster in de gebruikelijke betekenis van het woord kennen wij niet, maar er wordt een bepaald stofgeheel gekozen om tijdens deze twee ochtenduren – bij de kleinere kinderen onderbroken door een pauze – te behandelen, en in vier tot zes weken af te ronden. Daarna wordt dan weer een ander stofgeheel bij de kop gevat. De kinderen krijgen dus niet van 8 tot 9 godsdienst, van 9 tot 10 biologie, van 10 tot 11 rekenen – en worden dus niet steeds weer plotseling met iets anders geconfronteerd, maar krijgen bijvoorbeeld in oktober vier weken rekenen, daarna drie weken biologie, enzovoort.
De aanmerkingen die daarop gemaakt zouden kunnen worden, dat de leerlingen wellicht het een en ander zouden kunnen vergeten, en dat wat als een samenhangend geheel van de leerstof is behandeld, weer uit het geheugen zou kunnen verdwijnen, dienen gecompenseerd te worden door een doelmatige inrichting van het onderwijs en de vakbekwaamheid van de leraren. Alleen in de laatste weken van het schooljaar wordt de stof herhaald, zodat een samenvatting van het schooljaar wordt gegeven. Daardoor vergroeit het kind met de geboden leerstof.
Een uitzondering moet daarbij gemaakt worden voor het onderwijs in de vreemde talen, wat bij ons eigenlijk spraakonderwijs is.
GA305/136
Vertaald:146

0-0-0

Nun, aus solchen Unterlagen ist auch dasjenige herausgebildet, was an unserer Waldorfschule der Epochenunterricht genannt wird. Dieser Epochenunterrlcht besteht darin, daß man das Kind nicht fort­während dadurch zerstreut, daß man von 8 bis 8 1/4 Uhr Geographie, von 8 3/4 bis ½ 10 Uhr etwas ganz Fremdes, vielleicht Latein, und nachher von ½ 10 bis ½ 11 Uhr meinetwillen Mathematik und Rech­nen gibt oder dergleichen; sondern daß man täglich den Hauptunter­richt so gestaltet, daß man – je nachdem, was eben notwendig ist für die einzelnen Fächer – in der ersten Tageszeit durch 3 bis 4 Wochen hindurch – die Zeit muß natürlich nach den Verhältnissen und dem Unterrichtsinhalt bestimmt werden – immer dasselbe treibt: also sa­gen wir durch 3 bis 4 Wochen durch eine Epoche hindurch, in einer notwendigen, wenn ich so sagen darf, nichts Zwangsmäßiges enthal­tenden, sondern seriös-legeren Weise – Geographieunterricht erteilt; in der nächsten Epoche wird dann ein Unterricht erteilt, der sich aus diesem Geographieunterricht heraus entwickelt usw.Man wird aller­dings finden, daß dieser Epochenunterricht – der so eingerichtet ist, daß also durchgegangen wird im Laufe des Jahres epochenweise das­jenige, was Lehrstoff sein soll in einer Klasse -, man empfindet, daß die Handhabung des Unterrichts und der Erziehung unter solchen Voraussetzungen etwas schwieriger ist als sonst; denn man wird  leichter als Lehrer langweilig, wenn man so lange hintereinander Geo­graphie zu lehren hat, als wenn man nur 2/4 Stunden hindurch Geo­graphie zu lehren hat. Und man muß auch ganz anders in der Sache drinnenstehen, wenn man in dieser Weise den Unterricht erteilen will.
.

Vanuit deze achtergronden komt ook wat we op de vrijeschool het periodeonderwijs noemen. Dit behelst dat we het kind niet voortdurend verstrooien – dat het van acht of kwart over acht aardrijkskunde krijgt; van kwart voor negen tot half tien iets heel anders, misschien Latijn en daarna van half tien tot half elf wat mij betreft wiskunde en rekenen o.i.d., maar dat je iedere dag het hoofdonderwijs [3] zo inricht dat je – al naar gelang wat nodig is voor de aparte vakken – op de eerste uren van de dag gedurende drie of vier weken lang – de tijd moet natuurlijk door de omstandigheden en de lesinhoud bepaald worden – steeds hetzelfde behandelt: dus laten we zeggen gedurende een periode van 3 of 4 weken niet iets waar dwang van uitgaat, maar op een serieus ongedwongen manier – aardrijkskunde; in de volgende periode zit dan het onderwijs dat uit de aardrijkskunde ontwikkeld is. Je zal zeer zeker ervaren dat dit periodeonderwijs – dat zo georganiseerd is dat je op deze manier in de loop van het jaar in perioden door de leerstof van dat schooljaar heengaat – je zal merken dat het hanteren van het lesgeven en opvoeden iets lastiger is dan anders; want je wordt als leraar makkelijker langdradig wanneer je zo lang achterelkaar aardrijkskunde moet aanleren, dan wanneer je maar een half uur aardrijkskunde moet geven. En je moet er ook anders in staan, wanneer je op deze manier les wil geven.
GA306/168-169
Niet vertaald*

0-0-0

Es ist in diesen Tagen einmal gefragt worden, ob es denn gut sei, den Unterricht epochenweise zu erteilen, so wie er in der Waldorfschule erteilt wird. Wenn er richtig erteilt wird, dann ist gerade das epochenweise Erteilen dasjenige, was am allerfruchtbarsten sich erweist. Epochenartiger Unterricht heißt: ich nehme nicht so, daß fortwährend eines das andere beeinträchtigt, etwa von acht bis neun Uhr Rechnen, von neun bis zehn Uhr Geschichte oder Religion oder irgend etwas, was gerade paßt, oder je nachdem der Lehrer in den Stundenplan hineinkommt; sondern ich setze mir drei, vier, fünf Wochen vor, in denen morgens durch zwei Stunden der Hauptunterricht in einem Fach erteilt wird. Es wird immer dasselbe getrieben. Dann wiederum durch fünf bis sechs Wochen im Hauptunterricht irgend etwas, das sich meinetwillen aus dem anderen entwickelt, aber wiederum in diesen zwei Stunden das gleiche. So daß durch Wochen hindurch das Kind auf etwas Bestimmtes konzentriert ist. Nun entstand die Frage, ob denn dadurch nicht zu viel vergessen werde, ob dadurch nicht die Kinder wiederum das alles aus der Seele herausbekommen, was man in sie hineingebracht hat? Wird aber der Unterricht in der richtigen Weise getrieben, dann arbeitet ja während der Zeit, in welcher ein anderer Gegenstand gegeben wird, der frühere Gegenstand in den unterbewußten Regionen fort. Man muß in einem solchen Epochenunterricht gerade mit dem rechnen, was unbewußt arbeitet; und es gibt nichts Fruchtbareres, als wenn man einen Unterricht, den man durch drei, vier Wochen erteilt hat, in seinen Konsequenzen ruhen läßt, damit er nun ohne Zutun des Menschen weiter im Menschen arbeitet. Dann wird man schon sehen: hat man richtig unterrichtet, und frischt gedächtnismäßig die Sache wieder auf, dann kommt es bei der nächsten Epoche, wo dasselbe Fach getrieben wird, in ganz anderer Weise wieder herauf, als wenn man es eben nicht richtig getrieben hat. Aber mit solchen Dingen rechnet man gar nicht, wenn man den Einwand macht: ob auch die Dinge so richtig getrieben werden, da die Dinge vergessen werden könnten! Der Mensch muß ja so viel mit dem Vergessen rechnen. Denken Sie nur, was wir nicht alles im Kopfe haben müßten, wenn wir nicht richtig vergessen könnten und das Vergessene wiederum heraufbringen könnten! Deshalb muß ein richtiger Unterricht nicht nur mit dem Unterricht, sondern auch mit dem Vergessen richtig rechnen.
.

Er werd dezer dagen een keer gevraagd of het goed zou zijn om het onderwijs in periodes te geven, zoals het op de vrijeschool wordt gedaan. Wanneer het op de juiste wijze gegeven wordt, dan blijkt juist het periodeonderwijs lesgeven het allervruchtbaarst te zijn. Onderwijs in periodes betekent: ik doe het niet zo dat voortdurend het een het ander bena­deelt, bijvoorbeeld van acht tot negen uur rekenen, van ne­gen tot tien uur geschiedenis of godsdienst of iets wat pre­cies gelegen komt, of al naar gelang de leraar in het rooster past; maar ik trek er drie, vier, vijf weken voor uit, waarin ’s morgens gedurende twee uur het hoofdonderwijs in een vak gegeven wordt. Er wordt steeds hetzelfde gedaan. Vervol­gens weer gedurende vijf tot zes weken in het hoofdonder­wijs iets wat voor mijn part uit het andere ontwikkelt, maar wederom in deze twee uur hetzelfde. Zodat wekenlang het kind op iets bepaalds geconcentreerd is.

Nu kwam de vraag op of daardoor niet teveel vergeten zou worden, of daardoor de kinderen dat alles niet weer uit hun ziel te voorschijn zouden krijgen wat er bij hen was in­gebracht. Maar als het onderwijs op de juiste wijze wordt uitgevoerd, dan werkt in de periode waarin een ander on­derwerp gegeven wordt, het eerdere onderwerp in de onder­bewuste regionen door. Je moet bij zo’n periodeonderwijs juist rekening houden met wat onbewust werkt. En er be­staat niets vruchtbaardere dan wanneer je het onderwijs, dat je over drie, vier weken verdeeld hebt, op zijn eigen manier laat bezinken, opdat het nu zonder toedoen van de mens verder in de mens werkt. Dan zul je wel zien: heb je goed lesgegeven, en fris je in het geheugen de zaak weer op, dan komt het bij de volgende periode waarin hetzelfde vak wordt gegeven, op een heel andere manier weer naar boven dan als je het niet goed hebt gedaan. Maar met zulke dingen houdt men helemaal geen rekening als men het bezwaar maakt: of de dingen ook zo op de juiste manier gedaan worden aange­zien ze vergeten zouden kunnen worden! Nietwaar, de mens moet zoveel met het vergeten rekening houden. Bedenkt u maar wat we allemaal niet in ons hoofd zouden moeten heb­ben als we niet goed konden vergeten en het vergetene weer naar boven konden brengen! Daarom moet een goed onder­wijs niet alleen met het onderwijs rekening houden, maar op de juiste manier ook met het vergeten.
GA307/185-186
Vertaald:138/139

0-0-0

Sie sehen, worauf es ankommt, ist dieses, daß man wirklich sachgemäß Woche für Woche, Monat für Monat den werdenden Menschen so in Betätigung versetzt, wie das die in ihm sich entwickelnden Kräfte der menschlichen Organisation verlangen. Es kommt also darauf an, daß man abliest aus der Art und Weise, wie sich die menschliche Wesenheit entwickeln will, was man in jedem Lebensalter mit dem Kinde zu machen hat. Da geht es dann allerdings nicht, daß man arbeitet mit jenen Stundenplänen, die irgendeine Betätigung durch eine Stunde oder dreiviertel Stunden einschlagen, dann sofort zu einer anderen überspringen, dann zur dritten und so weiter. Daher wurde in der Waldorfschule jener Unterricht eingeführt, der eine gewisse Zeit hindurch, ein paar Wochen hindurch für die ersten Morgenstunden den gleichen Lehrgegenstand bringt, so daß der Schüler sich ganz hineinlebt in diesen Lehrgegenstand, daß er wirklich nicht gleich, wenn er die Hand angelegt hat,wiederum herausgerissen wird. Ein sogenannter Epochenunterricht also ist die Art,die in der Waldorfschule geübt wird.
.  

Je ziet, waar het op aankomt is dit: dat je werkelijk ter zake week na week, maand na maand de wordende mens zo laat werken als de zich ontwikkelende  krachten in het menselijk organisme vragen. Het komt er dus op aan dat je afleest aan de manier waarop het mensenwezen zich ontwikkelen wil, wat je op iedere leeftijd met het kind moet doen. Dat gaat echt niet wanneer je met urenroosters werkt waarbij het een of andere activiteit betreft van een uur of drie kwartier; meteen daarna overgaand op wat anders, dan naar het derde enz. Vandaar dat op de vrijeschool dat onderwijs ingevoerd werd dat een bepaalde tijd  een paar weken lang gedurende de eerste morgenuren hetzelfde vak brengt, zodat de leerling zich helemaal kan inleven in dit onderwerp, dat hij daadwerkelijk niet meteen, wanneer hij er net een beetje mee bezig is, er weer vanaf gehaald wordt. Het zogenaamde periodeonderwijs is de manier waarop in de vrijeschool geoefend wordt.
GA308/60
Niet vertaald*

0-0-0

Wenn man erziehen will, muß man auch eine gewisse Ellenbogenfreiheit haben. Die hat man aber nicht, wenn in der gewöhnlichen Weise der schauderhafte Stundenplan in der Schule wirkt: von 8 bis 9 Religion, von 9 bis 10 Turnen, von 10 bis 11 Geschichte, von 11 bis 12 Rechnen. Da löscht alles Spätere wiederum das Frühere aus; man kann nichts machen, man verzweifelt als Lehrer, wenn man dann noch zu­rechtkommen soll. Deshalb haben wir in der Waldorfschule das, was man den Epochenunterricht nennen kann. Das Kind kommt in eine Klasse. Im Hauptunterricht ist es so, daß das Kind jeden Tag in den hauptsächlichsten Vormittagsstunden, von 8 bis 10 oder von 8 bis 11, mit entsprechenden kurzen Erholungspausen, einheitlichen Unterricht erhält. Da ist ein Lehrer in der Klasse, auch in den höheren Klassen. Da wechselt nicht stundenmäßig der Gegenstand des Unterrichtes, sondern man braucht für irgend etwas, was man durchnehmen will, zum Beispiel im Rechnen, sagen wir 4 Wochen. Dann wird jeden Tag von 8 bis 10 Uhr das betreffende Kapitel durchgenommen, und immer wieder wird am nächsten Tage an das angeknüpft, was am vorher­gehenden Tage war. Kein Späteres löscht da das Vorangegangene aus; Konzentration ist möglich. Wenn dann 4 Wochen verflossen sind und man ein Rechenkapitel genügend behandelt und abgeschlossen hat, beginnt man mit einem Kapitel Geschichte, das nun wiederum, je nach­dem man es braucht, durch 4 bis 5 Wochen durchgeführt wird, und so weiter. Da wird eben auf das Gegenteil von dem gesehen, was man Fachlehrersystem nennt. Sie können zum Beispiel, wenn Sie die Wal­dorfschule besuchen, unsern Dr. Baravalle einmal in einer Klasse fin­den, wo er gerade Darstellende Geometrie durchnimmt. Die Schüler sitzen vor ihm auf den Bänken, wo sie ihr Reißbrett ausgebreitet haben, er läßt sie zeichnen, er benimmt sich wie der musterhafteste Fachlehrer in der Geometrie. – Wenn man in eine andere Schule kommt, dann schaut man etwa den Professor- oder Lehrerschematismus nach und findet zum Beispiel bei einem die Bemerkung: Prüft in Geometrie oder Mathematik oder dergleichen. Ich habe sehr viele Lehrer gekannt, die damit renommierten, daß sie, wenn sie Mathematiklehrer waren, bei einem Schulausfluge den Kindern nicht einmal die Namen der Pflan­zen sagen konnten. – Aber der Vormittag ist noch nicht vergangen, da finden Sie denselben Dr. Baravalle, in seiner Klasse hin- und her­wandernd zwischen den Bänken, englischen Unterricht treiben. Und aus der Art und Weise, wie er hier in seinen Vorträgen Methodik treibt, ersehen Sie ja, da hat er von allem Möglichen geredet und man konnte nicht herausbekommen, in welchem Fache er eigentlich Lehrer ist. Einige von Ihnen werden geglaubt haben, er habe die Geographie als Lehrfach oder auch die Geometrie und dergleichen. Das Eigentliche, das Substantielle und Inhaltliche des Unterrichtens kann ja so schnell erworben werden, wenn man überhaupt die Anlage dafür hat, irgend­wo ins Erkennen hineinzukommen, etwas in der Seele erkennend er­leben zu können. So also haben wir nicht Stundenplan-, sondern Epochenunterricht. Natürlich nichts pedantisch. Es ist in unserer Wal­dorfschule der Hauptunterricht epochal gegliedert; manches muß na­türlich auch stundenplanmäßig gemacht werden, es schließt sich dann an den Hauptunterricht an.
.

Als je wilt opvoeden moet je ook een zekere vrijheid van handelen hebben. Maar die heb je niet als op school op de gebruikelijke manier dat verschrikkelijke lesrooster werkt: van 8 tot 9 uur godsdienst, van 9 tot 10 gymnastiek, van 10 tot 11 geschiedenis, van 11 tot 12 rekenen. Dan zal al het latere het eerdere weer uitwissen; je kunt niets doen als leraar, je wordt wanhopig als je toch nog iets voor elkaar wilt krijgen. Daarom hebben wij in de vrije school iets wat je het periodeonderwijs kunt noemen. Het kind komt in de klas. In het periode- of hoofdonder-wijs krijgt het kind elke dag gedurende de belangrijkste uren ’s ochtends, van 8 tot 10, of van 8 tot 11, les in één vak, met de nodige korte pauzes om te ontspannen. Er is dan één leraar in de klas, ook in de hogere klassen. Het vak wisselt niet ieder uur; nee, voor iets wat men wil behandelen, bijvoorbeeld voor rekenen, heb je laten we zeggen 4 weken. Elke dag van 8 tot 10 wordt dat betreffende onderwerp doorgenomen en de volgende dag wordt steeds weer aangeknoopt bij wat er de vorige dag aan de orde was. Het latere wist dan het voorafgegane niet uit; men heeft de mogelijkheid om zich te concentreren.
Als er vervolgens vier weken zijn verstreken en je een hoofdstuk uit het rekenen voldoende behandeld en afgesloten hebt, begin je met een hoofdstuk uit de geschiedenis, dat wederom, al naar gelang je nodig vindt, gedurende 4 tot 5 weken wordt gedaan, en zo verder.

Dan wordt juist gelet op het tegendeel van wat men het vakleerkracht-systeem noemt. Wanneer men de vrije school bezoekt, kan men bijvoorbeeld meneer Baravalle in een klas aantreffen waar hij op dat moment beschrijvende meetkunde behandelt.12 De leerlingen zitten vóór hem op hun stoelen, waarop ze hun tekenplank hebben liggen; hij laat ze tekenen, hij gedraagt zich als de meest voorbeeldige vakleerkracht meetkunde. – Als je op een andere school komt, dan bekijk je de lijst van leraren en vind je bijvoorbeeld bij één van hen de aantekening: bevoegd in wiskunde of meetkunde, of iets dergelijks. Ik heb heel veel leraren gekend die erover opschepten dat ze, wiskundeleraar zijnde, tijdens een schoolreisje de kinderen niet eens de namen van de planten konden vertellen. – Maar de ochtend is nog niet voorbij, of u ziet diezelfde meneer Baravalle in zijn eigen klas, heen en weer lopend tussen de banken, Engels   geven. Uit de manier waarop hij hier in zijn voordrachten metho­disch te werk ging, kon u het al merken: hij sprak over allerhande dingen en je kon er niet achter komen welk vak hij eigenlijk geeft. Enkelen onder u zullen hebben gedacht dat het vak dat hij geeft, aardrijkskunde, of meetkunde is, of iets dergelijks. Het eigenlijke, het substantiële en inhoudelijke van het lesgeven kun je je immers heel snel eigen maken als je er in het algemeen aanleg voor hebt om in een leerproces te komen, om iets in je ziel kennend te kunnen doorleven.

Zo hebben we dus geen onderwijs met een lesrooster, maar periodeonderwijs. Natuurlijk niet op een pietluttige manier. In onze vrije scholen is het hoofdonderwijs in perioden opgedeeld; natuurlijk moet er ook veel in vaklessen worden gedaan, dat sluit dan aan bij het hoofdonderwijs.
GA310/97-98
Vertaald:138-139

0-0-0

Was man braucht, um mit einem solchen innerlich zu gestaltenden Unterricht vorwärtszukommen, das ist – ja, ich muß es durch ein Ne­gatives ausdrücken -, das ist: kein Stundenplan! In der Waldorf­schule haben wir sogenannten Epochenunterricht, keinen Stunden­plan. Die Beschäftigung mit einem Gegenstande wird vier bis sechs Wochen fortgesetzt. Wir haben nicht von 8-9 Uhr Rechnen, von 9-10 Uhr Lesen, von 10-11 Uhr Schreiben, sondern wir nehmen eine Materie, mit der wir uns fortlaufend im Hauptunterricht beschäftigen,
Morgen für Morgen vier Wochen lang. Erst dann wech­seln wir, wenn die Kinder entsprechend weit gekommen sind. Wir wechseln niemals so ab, daß wir von 8-9 Uhr Rechnen und von 9-10 Uhr Lesen haben, sondern wir treiben Rechnen sechs Wochen lang für sich, wir treiben ein anderes Fach auch vier oder sechs Wochen lang für sich, je nachdem was es ist. Wir haben nur in einzelnen Fällen, von denen ich noch sprechen werde, Stundenpläne. In der Hauptsache, bei dem sogenannten Hauptunterricht haben wir strenge den Epochenunterricht eingeführt. Diese Epochen hindurch nehmen wir nur Gleichartiges, wie eines aus dem anderen hervorgeht. Dadurch entheben wir das Kind des ungeheuer innerlich seelisch Störenden, daß es in einer Stunde Dinge auf seine Seele wirken las­sen muß, die in der nächsten Stunde wieder ausgelöscht werden. Diese Dinge können nicht vermieden werden, wenn nicht dieser so­genannte Epochenunterricht eingeführt wird. Gewiß, es wird gegen diesen Epochenunterricht vielfach einge­wendet, daß die Kinder die Dinge wieder vergessen. Allein das ist ja eine Sache, die nur für einzelne Unterrichtsfächer, zum Beispiel für das Rechnen in Betracht kommt, und da kann man durch kleine Wiederholungen die Sache ausbessern. Für die meisten Unterrichts­fächer kann überhaupt dieses Vergessen keine große Rolle spielen, jedenfalls nicht im Verhältnis zu dem, was gewonnen wird, an Un­geheurem gewonnen wird dadurch, daß das Kind konzetitriert eine gewisse Epoche hin bei einer Materie festgehalten wird.
.

Wat je nodig hebt om met dit innerlijk vormende onderwijs verder te komen, dat is – ja, ik moet het door iets negatiefs uitdrukken – dat is: geen urenrooster! Op de vrijeschool hebben we het zgn. periodeonderwijs, geen urenrooster. Het bezigzijn met een leeronderwerp zal vier tot zes weken duren. Wij hebben niet van 8 – 10 rekenen, van 9 – 10 lezen, van 10 – 11 schrijven, maar we nemen de stof waarmee we ons doorlopend in het hoofdonderwijs bezighouden.
Iedere morgen vier weken lang. Pas daarna wordt er gewisseld, wanneer de kinderen dienovereenkomstig verder gekomen zijn. We wisselen nooit zo, dat we van 8 – 9 rekenen en van 9 – 10 lezen, maar we rekenen zes weken lang, we doen een ander vak ook vier of zes weken lang, al naar gelang wat het is. Slechts in een paar gevallen, waarover ik nog zal spreken, hebben we een urenrooster. Hoofdzakelijk, bij het zgn. hoofdonderwijs hebben we consequent het periodeonderwijs ingevoerd. Tijdens deze perioden doen we hetzelfde vak, het een komt uit het andere voortt.
Daardoor wordt het kind gevrijwaard van wat de ziel innerlijk vreselijk stoort, dat het een uur lang dingen op zich moet laten inwerken, die dan in het uur daarop weer  moeten verdwijnen. Dit kan niet worden vermeden, wanneer je niet dit zgn. periodeonderwijs invoert.
Zeker, tegen dit periodeonderwijs wordt misschien ingebracht dat de kinderen dingen weer vergeten. Dat is alleen iets wat maar opgaat voor bepaalde vakken, bv. voor rekenen en dan kun je dat door kleine herhalingen weer verbeteren. Voor de meeste vakken kan het vergeten echt niet zo’n grote rol spelen, tenminste niet in verhouding tot hetgeen er aan winst is, ongelooflijke winst doordat het kind geconcentreerd door een zekere tijd een bepaalde materie vasthoudt.
GA311/76-77
Vertaald op deze blog

0-0-0

Sollen die Gegenstände des Epochenunterrichts in einer bestimmten Reihenfolge genommen werden?

Das ist natürlich etwas, worüber viel diskutiert werden könnte, aber einen großen praktischen Wert würde das nicht haben. Es wird sich in den ersten Klassen ja um nicht viel anderes handeln, als daß man Epochen abwechseln läßt mehr für den Unterricht, der im Schreiben, dann beim allmählichen Übergang in das Lesen erteilt wird, dann Rechnen und weniges andere. Man wird finden, ob man die Dinge in der einen oder in der anderen Reihenfolge nimmt, daß es keine übergroße Bedeutung hat. So daß wir bisher wenigstens in unseren Erfahrungen nicht irgendwie Veranlassung genommen ha­ben, auf eine solche Reihenfolge besonders Rücksicht zu nehmen.

.
Moeten de onderwerpen van het periodeonderwijs in een bepaalde volgorde gegeven worden?

Dat is natuurlijk iets waarover je veel zou kunnen discussiëren, maar dat zou niet van grote praktische waarde zijn. Het zal in de eerste klassen om niet veel anders gaan dan dat je de perioden afwisselt voor het schrijven, dan voor het langzamerhand overgaan naar het lezen, dan rekenen en niet veel meer. Je zal ontdekken dat of je nu de dingen in de ene of in de andere volgorde doet, dat geen extra grote betekenis heeft. Zodat we tot nog toe, tenminste wat onze ervaringen betreft niet een of andere aanleiding gezien hebben om met een bepaalde volgorde rekening te houden.
GA311/143
Vertaald op deze blog

[1]  Aanvankelijk spreekt Steiner nog over ‘maanden’ wanneer het gaat over de tijdsduur van de periode. Later wordt het steeds meer 3 à 4 weken. Dat is het in de praktijk van de jaren daarna ook geworden.
In de pedagogische voordrachten brengt Steiner de periode niet in verband met het etherlijf.
In ander verband wordt duidelijk dat dit etherlijf ook ‘tijdslijf’ genoemd zou kunnen worden en de tijd waarin het etherljjf iets ‘leert’ is dan nauw verwant met de 4-wekenperiode. Dit thema is op deze blog (nog) niet behandeld.

[2] Niet alleen de andere talen vallen buiten de periode; ook bijv. handenarbeid, schilderen – kortom: de kunstzinnige vakken.

[3] ‘Hoofd’onderwijs is niet gelijk aan ‘intellectueel’ onderwijs en betekent simpelweg de 1e 2 uur van de dag; op de meeste scholen dus van 8.30u tot 10.30u.
.

een voorbeeld van een uitgewerkte periode: sterrenkunde klas 7

*eigen vertaling

Periodeonderwijs [1]   [2]

ver. van vrijescholen

steinerschool Gent

begeleidingsdienst voor vrijescholen

Artikelen in het blad Vrije Opvoedkunst
.

999-926

.

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (2)

Periode-onderwijs

Voordat een boer kan oogsten moet hij eerst zeer intensief het land bewerken: ploegen, eggen en met zorg inzaaien. Dan kan hij niet veel meer doen, maar moet hij het zaad aan de donkere aarde en de elementen overlaten.
Wat de oogst zal zijn?
De tijd zal het leren.
Onderwijs moet ook zijn vruchten dragen. Er wordt verwacht, dat de kinderen wat kunnen: lezen, rekenen… De vrucht van intensieve arbeid.
Maar er is meer; er moet meer zijn voor de kinderen. Hun ziel moet kunnen meetintelen als zij op school zijn, het moet spannend zijn, droevig, opwindend.
Met hun ‘hele’ wezen moeten ze door de leerstof heen in beweging kunnen komen.
De kinderen willen betrokken zijn, meeleven met wat hen gebracht wordt. Zo kan het gevoelsleven zich ontplooien in de directe betrokkenheid van de kinderen met datgene wat in de lessen aan de orde komt. Een rijk gekleurd en ontwikkeld gevoelsleven zal voor het hele latere leven zijn vruchten afwerpen. Alle leerstof zal daarom omgevormd moeten worden, juist voor het kind in de
basisschoolperiode, dat- in deze fase geheel en al gevoelsmens is, tot gevoels-ontwikkelingsstof.
Het periodesysteem biedt de mogelijkheid aan de kinderen zich intensief met de leerstof te verbinden. De hoofdvakken, zoals rekenen, taal, aardrijkskunde, biologie, meetkunde, scheikunde, etc., worden gegeven in aaneengesloten perioden, variërend van drie tot zes weken, iedere dag twee lesuren aan het begin van de dag.
Voor het onderwijs en m.n. het periode-onderwijs is de zaterdagschool* van wezenlijk belang. Ondanks het feit, dat de zaterdagsschool vanuit andere gezichtspunten omstreden kan zijn, is het hier duidelijk dat met deze ‘extra’ dag- en dus tevens ‘extra’ periode-ochtend – er wezenlijk pedagogisch belang gediend is.
Want waar het ritme overal in de school duidelijk zichtbaar is in de jaarfeesten, is het ritme dat een schoolweek heeft ‘misschien minder zichtbaar, maar zeker zo belangrijk: iedere dag heeft zijn eigen kwaliteit, zelfs een periode-ochtend heeft zijn eigen ritme in spanning en ontspanning, beweging en rust.
De toegevoegde waarde van de zaterdagschool is voor het periode-onderwijs groot. De bijzondere kwaliteit van de dag is voor de leerkrachten duidelijk te ervaren: de zaterdag maakt een periodeweek tot een geheel. Bovendien – kan de boog – die nooit te lang gespannen moet blijven – naar de maandag toe getrokken worden, waardoor de samenhang tussen de afzonderlijke periodeweken groter wordt.
Doordat een bepaald onderwerp gedurende langere tijd aan de orde is, ontstaat de mogelijkheid het onderwerp uit te diepen, te doorploegen. Het biedt ook de mogelijkheid een vak op kunstzinnige wijze aan te pakken, van verschillende zijden te benaderen. Er kan toneelgespeeld worden in een taalperiode, geschilderd en getekend. Tijdens een rekenperiode gonst het in een klas: tafels worden geklapt en gestampt, er is tijd voor beweging. Het enthousiasme van de kinderen voor het vak dat aan de orde is, is groot, ze kunnen zich er helemaal mee verbinden.
Soms brengt een bepaalde periode de hele school in beweging.

Wanneer een vijfde klas aan het meten slaat tijdens een rekenperiode waarin maten en gewichten centraal staan, zal de hele school dat weten, want alles en iedereen wordt gemeten.

De scheikundeperiode is voor alle klassen een belevenis, omdat de vaak onaangename geuren zich door de hele school verspreiden. Een brand op het schoolplein (benzine-verbrandingsproef) veroorzaakt danig veel deining.
Tijdens de periode ontstaat het periodeschrift, waarin een neerslag komt van hetgeen er tijdens de periode aan de orde is geweest.
Ieder kind maakt zijn eigen boek.
Voor de kinderen ontstaat tijdens de periode een overzichtelijk geheel van een leerstofgebied. Aandacht en concentratie worden niet versnipperd door steeds wisselende vakken.
Juist in deze tijd, waarin concentratieproblemen door een veelheid van wisselende indrukken een groot probleem vormen, is het
periodesysteem een zegen.
Een periode zou een kunstwerk op zich moeten zijn, moet een climax hebben, moet uitblinken en duidelijk afgesloten worden.
Aan het eind van de periode kun je met je klas terugkijken: wat hebben we geleerd? De leerkracht kijkt terug en vraagt zich af hoe hij/zij het anders had kunnen doen. Ondanks een intensieve voorbereiding op de periode ontdek je als leraar altijd weer wat je anders aan had kunnen pakken.
Tot slot mag iedereen het geleerde vergeten in de tijd dat een vak niet aan de orde is.
Er is geploegd en gezaaid en wat er van opkomt als vrucht zal de tijd leren.
Daarin zit het geheim van het periodesysteem.
Iedereen heeft wel de ervaring iets moeilijk te vinden, iets niet te kunnen. Wanneer je het dan laat rusten en het later nog eens oppakt, blijkt het plotseling wel te gaan. Problemen kunnen na een nachtje slapen soms wel opgelost worden. Blijkbaar werkt in het vergeten een kracht, die in later tijd een licht kan doen opgaan.
Wanneer een 4e klas bijv. na de eerste kennismaking met de breuken het rekenen hiermee een poos laat rusten, bloeit in een volgende periode ‘het vergetene’ op wonderbaarlijke wijze weer op. Moeilijkheden kunnen zo soms onverwacht overwonnen worden; waar een kind zich eerst  blind op staarde wordt plotseling doorzien.
Zo werpt het periodesysteem zijn vruchten af.
En toch zijn dat vruchten, die zichtbaar worden op de korte termijn.
De werkelijke vruchten zullen/kunnen in het latere leven plotseling zichtbaar worden, vaak wanneer men de basisschooltijd al helemaal ‘vergeten’ is.
.
Jo (nadere gegevens ontbreken)
.
*Sinds de invoering van de vijfdaagse werkweek schaften veel scholen de zaterdag af. Ook vrijescholen. Sommige probeerden de zaterdag ‘als zegen voor een ritmisch verloop’ wel te handhaven.
Maatschappelijke veranderingen: meer sport op zaterdag; uitstapjes met het gezin; bezoekregeling gescheiden ouders enz. maakten langzamerhand overal een eind aan de zaterdagschool.
.
.
993-920

.

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (1)

Periode-onderwijs

Een van de dingen, die de vrijeschool onderscheidt van andere schooltypen is het zogenaamde periode-onderwijs. Dit betekent, dat de eerste twee lesuren van de dag, als de kinderen nog fris zijn, enkele weken lang steeds aan hetzelfde vak gewijd worden. De vakken, die op deze wijze onderwezen worden zijn: lezen, schrijven, Nederlandse taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, wiskunde, natuur-en scheikunde. In de benedenbouw (klassen 1 t/m 6) zijn deze vakken over het algemeen in handen van de klassenleraar, die de lengte van de periodes zelf bepaalt, meestal 3, soms 2 of 4 weken, al naar gelang de te behandelen leerstofeenheid.
Aan het begin van het schooljaar stelt hij zijn perioderooster op. Hij houdt daarbij rekening met het jaarritme in de natuur (geen plantkundeperiode in de winter) en de jaarfeesten.
In de bovenbouw, waar het onmogelijk is, dat één leraar al deze vakgebieden bestrijkt, worden ook de periodes door verschillende leraren gegeven.
Als men voor het eerst met deze werkwijze geconfronteerd wordt, welt meestal een stroom van vragen op: “Hoe kan dat nu? Dat is toch veel te weinig tijd per vak en doe je dan niets meer aan meetkunde als geschiedenis aan de beurt is? Hoe gaat dat dan?”
Om al zulke vragen te beantwoorden moeten we wat ingaan op het leer- en verwerkingsproces.
In de eerste plaats kan er in zo’n periode economisch en geconcentreerd gewerkt worden. De aandacht wordt niet elke dag en elk uur op iets anders gericht. Een periode is een afgerond geheel, waar een zekere lijn door loopt. Het is een soort gebouw, dat de leraar samen met zijn klas opzet en wat dan na drie weken klaar is.
En zoals het met de dingen in ons gewone dagelijkse leven gaat, zo gaat het ook hier: wat we afgedaan hebben, leggen we naast ons neer, we vergeten het. Later, als men er ons weer naar vraagt, kunnen we het uit onze herinnering ophalen en staat het ons opnieuw (als nieuw) voor de geest. Zo ook met de periode. Wat intensief beleefd, gemaakt, gedaan of geleerd werd, is tijdens het vergeten gerijpt en komt bij een volgende behandeling verdiept en verrijkt te voorschijn. Het behandelde uit de eerste periode komt snel weer boven en blijkt een “ingeklonken” bodem te zijn geworden, waar men op verder kan bouwen.
De neerslag van dit alles vinden we uiterlijk terug in de periodeschriften. Aanvankelijk klassikaal opgezet, worden ze gaandeweg de zeer persoonlijke verwerking van het behandelde thema. In verzorging en illustraties ademen ze echter van het begin af de eigen geest van de eigenaar.
Tenslotte moeten we nog bedenken dat de inhoud van de periodes ook een zeer belangrijke factor vormt. Rudolf Steiner gaf de hoofdthema’s voor alle leerjaren aan. Thema’s, die afgelezen waren aan de psychische ontwikkelingsfase, waarin het opgroeiende mensenkind zich bevindt. Door deze thema’s aan te houden, is er bij de leerlingen veelal een natuurlijk interesse voor wat er komt en wordt het gehele mensenwezen aangesproken en niet alleen de leer-denkpool.
Periode-onderwijs is een bouwwerk van rust, vreugde en intensieve arbeid.
H.M.de Boer-van Geer, Geert Groteschool Amsterdam, okt.1974

over periodeonderwijs:

periode-onderwijs (2)

Rudolf Steiner over periode-onderwijs

ver. van vrijescholen

steinerschool Gent

begeleidingsdienst voor vrijescholen
.
Artikelen in het blad Vrije Opvoedkunst

.

990-917

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (5)

.
tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom
.

Wanneer Steiner over schrijven en lezen spreekt, geeft hij meestal een voorbeeld van hoe hij een bepaalde letter aan de kinderen zou aanleren.

Hier volgen die voorbeelden zoals ze te vinden zijn in de voordrachten over pedagogie in de Gesamt Ausgabenummers 293 t/m 311 en GA 349

Voorbeeld 1:

Du hast schon einen Fisch gesehen. Mache dir einmal klar, wie das ausgesehen hat, was du als Fisch gesehen hast. Wenn ich dir dieses hier (siehe Zeich­nung links) vormache, so sieht das einem Fisch sehr ähnlich. Was du als Fisch gesehen hast, sieht etwa so aus, wie das, was du da an der Tafel siehst. Nun denke dir, du sprichst das Wort Fisch aus. Was du sagst, wenn du Fisch sagst, das liegt in diesem Zeichen (siehe Zeichnung links). Jetzt bemühe dich einmal, nicht Fisch zu sagen, sondern nur anzufangen, Fisch zu sagen. – Man bemüht sich nun, dem Kinde bei­zubringen, daß es nur anfangen soll, Fisch zu sagen: F-f-f-f-. – Sieh einmal, jetzt hast du angefangen, Fisch zu sagen; und nun bedenke, daß die Menschen nach und nach dazugekommen sind, das, was du da siehst, einfacher zu machen (siehe Zeichnung rechts). Indem du an-fängst, Fisch zu sagen, F-f-f-f-, drückst du das so aus, indem du es niederschreibst, daß du nun dieses Zeichen machst. Und dieses Zeichen nennen die Menschen f. Du hast also kennengelernt, daß das, was du in dem Fisch aussprichst, beginnt mit dem f – und jetzt schreibst du das auf als f. Du hauchst immer F-f-f- mit deinem Atem, indem du anfängst, Fisch zu schreiben. Du lernst also kennen das Zeichen für das Fischsprechen im Anfange.

GA 294 blz. 9
We zeggen bijvoorbeeld tegen een kind: Je hebt wel eens een vogel gezien. Denk nog eens heel goed na hoe die vogel er precies uitzag. Als ik nu dit teken (zie tekening links), dan lijkt dat wel op een vogel.2 De vogel die jij gezien hebt, ziet er wel ongeveer zo uit als de tekening die je op het bord ziet. Stel je nu voor, je zegt het woord Vogel’. Als je vogel zegt, bedoel je dit (zie tekening links). Probeer nu eens om niet vogel te zeggen, maar alleen het eerste begin van vogel. — Dan probeert men het kind alleen het begin van vogel te laten zeggen: v-v-v-v-. Kijk, nu zeg je alleen het begin van vogel. En nu is het zo, dat de mensen langzamerhand de tekening die je daar ziet makkelijker zijn gaan maken (zie tekening rechts). En als je nu het allereerste begin van vogel zegt, v-v-v-v-, dan kun je dat opschrijven. Je doet dat zo, dat je dit teken maakt. En dit teken noemen de mensen v. Je hebt dus gezien dat het woord vogel begint met de v. Nu schrijfje dat op: v. Als je het allereerste begin van vogel opschrijft, dan zeg je met je adem steeds v-v-v. Je leert dus het teken voor het begin van het woord vogel.
GA 294/9
vertaald/10-11

Zoals overduidelijk blijkt, gaat het om het benoemen van de klank. Niet om het noemen van de letter zoals we dat in het alfabet doen: aaa, beee, ceee, enz.

‘Wanneer je vogel BEGINT te zeggen. Het ALLEREERSTE begin. Dat zeg je met je ADEM.’

Het Duits heeft het woord ‘hauchen’ en dat betekent aanblazen, aspireren.
Het is van het grootste belang dat de klank eerst wordt geleerd: het foneem en pas als dit door een kind wordt herkend en gekend, mag er worden overgegaan tot het benoemen van de klank, het grafeem, het schriftteken.
Dit is meer dan logisch: hoe zou een kind kunnen leren lezen wanneer het het woordje ‘vis’ zou gaan lezen als ‘veee,   ie,   es’. Alleen de klanken leiden tot het woord ‘vis’: vvv -i (kort) sss.
In voorbeeld 4 wordt over het midden van het woord ‘oven’ gesproken: de V. Dat kan nooit de alfabetletter zijn: je leest niet: o-vee-en.
Zie ook: voorbeeld 12; 13; 16; 18; 20; 23; 24; 25; 26; 27;  28; 29

Wanneer Steiner over de ‘rechte’ en de ‘ronde’ heeft gesproken en over het belang van ‘vormtekenen‘, vervolgt hij de aanpak van het schrijven en lezen:

voorbeeld 2:

Ich nehme dabei an, daß Sie solche Übungen mit dem Stift und mit der Farbe eine Zeitlang fortgesetzt haben. Es ist durchaus ein Erfordernis eines auf guten Grundlagen ruhenden Unter­richtes, daß dem Schreibenlernen vorangehe ein gewisses Eingehen auf ein Zeichnerisches, so daß gewissermaßen das Schreiben herausgeholt werde aus dem Zeichnen.
Also werden wir versuchen, von dem Zeich­nen den Übergang zu finden zu dem Schreiben, vom Schreiben zum Lesen des Geschriebenen und vom Lesen des Geschriebenen zum Lesen des Gedruckten. Ich setze dabei voraus, daß Sie es dahin gebracht haben, daß das Kind durch das zeichnerische Element schon ein wenig darinnensteht, runde und geradlinige Formen, die es im Schreiben braucht, zu beherrschen. Dann würden wir von da aus wieder denÜbergang versuchen zu dem, was wir schon besprochen haben als die Grundlage des Schreibe-Leseunterrichtes. [ ] Also angenommen, das Kind habe es schon dazu gebracht, daß es geradlinige Formen und runde Formen beherrschen kann mit dem Händchen. Dann versuchen Sie, das Kind zunächst darauf hinzuweisen, daß es eine Reihe von Buchstaben gibt. Wir haben begonnen mit dem Fisch und dem f, die Reihenfolge ist dabei gleichgültig. Sie brauchen nicht alphabetisch vorzugehen, ich tue es jetzt nur, damit Sie etwas Enzyklopädisches haben. Wir wollen sehen, wie wir zu Rande kommen, wenn wir so vorgehen, das Schreiben und Lesen so zu entwickeln, wie es aus Ihrer eigenen, freien imaginativen Phantasie folgt. Da würde ich zunächst dem Kinde sagen: Du weißt, was ein Bad ist – und dabei will ich eine Zwischenbemerkung machen: es kommt im Unterrichten sehr darauf an, daß man in rationeller Weise schlau ist, das heißt, daß man immer hinter den Kulissen auch etwas hat, was wieder zur Erziehung und zum Unterrichte beiträgt. Es ist gut, wenn Sie zu dem, was ich jetzt entwickeln werde, gerade das Wort Bad verwenden, damit das Kind dadurch, daß es jetzt in der Schule ist, sich an ein Bad, an das Waschen überhaupt erinnert, an die Reinlichkeit. So etwas immer im Hintergrunde zu haben, ohne daß man es ausgesprochen charakterisiert und in Ermahnungen kleidet, das ist gut. Seine Beispiele so wählen, daß das Kind gezwungen ist, an etwas zu denken, was zu gleicher Zeit zu einer moralisch-ästhetischen Haltung beitragen kann, das ist gut. Dann gehen Sie dazu über zu sagen: Sieh, wenn die Großen das, was das Bad ist, niederschreiben wollen, so schreiben sie das folgendermaßen nieder:
BAD. Dies also ist das Bild desjenigen, das du aussprichst, indem du «Bad» sagst, das Bad bezeichnest. – Jetzt lasse ich wieder eine Anzahl von Schülern einfach dieses nachschreiben, damit die Kinder jedesmal, wenn sie so etwas bekommen, die Sache auch schon in das Händchen hineinbekommen, daß sie es nicht bloß mit dem Anschauen, sondern mit dem ganzen Menschen auffassen. Jetzt werde ich sagen: Sieh, du fängst an «Bad» zu sagen. Wir wollen jetzt einmal den Anfang uns klarmachen: B. – Das Kind muß geführt werden von dem Aussprechen des ganzen Wortes BAD zu dem Aushauchen des Anfangslautes, wieich es für den Fisch gezeigt habe. Und nun muß dem Kinde klarge­macht werden: Wie dies BAD das Zeichen ist für das ganze Bad, so ist das B das Zeichen für den Anfang des Wortes BAD.
Jetzt mache ich das Kind darauf aufmerksam, daß solch ein Anfang auch noch bei andern Worten vorhanden ist. Ich sage: Wenn du sprichst Band, so fängst du geradeso an; wenn du sprichst Bund, was manche Frauen auf dem Kopf tragen, einen Kopfbund, so fängst du es ebenso an. Dann hast du vielleicht im Tiergarten schon einen Bären gesehen: da fängst du ebenso an zu hauchen; jedes dieser Worte fängt mit demselben Hauch an. – Auf diese Weise versuche ich beim Kinde überzugehen von dem Ganzen des Wortes zu dem Anfange des Wortes, es überzuführen zu dem bloßen Laut beziehungsweise zum Buchstaben; immer aus dem Worte heraus einen Anfangsbuchstaben zu entwickeln.
Nun handelt es sich darum, daß Sie vielleicht versuchen, den An­fangsbuchstaben selber zuerst auch sinnvoll aus dem Zeichnerischen heraus zu entwickeln. Das werden Sie gut können, wenn Sie einfach Ihre Phantasie zu Hilfe nehmen und sich sagen: Diejenigen Menschen, die zuerst solche Tiere gesehen haben, die mit B anfangen, wie Biber, Bär und dergleichen, die zeichneten den Rücken des Tieres, die Füße, die aufsitzen und die Vorderpfoten, die sich erheben; ein sich aufrich­tendes Tier zeichneten sie, und die Zeichnung ging über in das B. Bei einem Worte werden Sie immer finden – und da können Sie ihre phan­tasievollen Imaginationen eben spielen lassen, brauchen gar nicht auf Kulturgeschichten, die doch nicht vollständig sind, einzugehen -, daß der Anfangsbuchstabe eine Zeichnung ist, eine Tier- oder Pflanzen-form oder auch ein äußerer Gegenstand. Historisch ist das so: Wenn Sie zurückgehen auf die ältesten Formen der ägyptischen Schrift, die noch eine Zeichenschrift war, so finden Sie überall in den Buchstaben Nachahmungen von solchen Dingen. Und im Übergang von der ägyptischen Kultur in die phönizische hqt sich das eerst vollzogen, was man nennen kann:  Entwickelung von dem Bilde zu dem Zeichen für den Laut. Diesen Übergang muß man das Kind nachmachen lassen.

Ik ga er dan van uit dat u die oefeningen met potlood en kleur een tijdlang heeft voortgezet. Wil het onderwijs op goede fundamenten rusten, dan is het een absolute voorwaarde dat er vóór het leren schrijven eerst getekend wordt, zodat het schrijven ontwikkeld wordt uit het tekenen. ( ) We zullen dus proberen de overgang te vinden van het tekenen naar het schrijven, van het schrijven naar het lezen van het geschrevene en van daaruit naar het lezen van gedrukte tekst.

Ik ga er daarbij van uit dat u de kinderen vertrouwd hebt gemaakt met het tekenen en dat ze de voor het schrijven noodzakelijke ronde en rechte vormen enigszins beheersen. Dan zouden we van daaruit weer proberen de overgang te vinden tot de basis van het schrijf- en leesonderwijs. ( )

We gaan er dus van uit dat het kind de rechte en ronde vormen beheerst met de handen. Dan probeert u eerst het kind te laten zien dat er een heleboel letters bestaan. We zijn begonnen met de vogel en de v – de volgorde is onbelangrijk. U hoeft niet de alfabetische volgorde aan te houden, ik doe het nu alleen opdat u een overzicht heeft.

Laten we eens kijken hoe ver we komen als we het schrijven en lezen ontwikkelen vanuit uw eigen vrije, imaginatieve  fantasie. Ik zou bijvoorbeeld tegen een kind zeggen: je weet wat een bad is… Nu wil ik iets tussendoor opmerken: het komt er bij het lesgeven zeer op aan, dat men op een rationele
wijze slim is, dat wil zeggen, dat men altijd iets achter de hand heeft wat ook weer bijdraagt tot de opvoeding en het onderwijs. Het is goed wanneer u bij hetgeen ik nu zal behandelen juist het woord ‘bad’ gebruikt. Want daardoor denkt een kind op school aan een bad, aan het wassen in het algemeen, aan schoon zijn. Het is goed om zoiets altijd achter de hand te hebben, zonder het expliciet te benadrukken of in vermaningen te verpakken. Het is goed om de voorbeelden zo te kiezen dat het kind gedwongen is aan iets te denken dat tevens bijdraagt tot een morele, esthetische houding. Dan zegt u: Kijk, als de grote mensen willen opschrijven wat het bad is, dan schrijven ze BAD. Deze letters geven weer wat je zegt als je ‘bad’ zegt en het bad bedoelt. Nu laat ik dit weer door een paar leerlingen overschrijven, opdat de kinderen steeds als ze zoiets te horen krijgen het ook ‘in de vingers’ krijgen, zodat ze het niet alleen met hun voorstellingsvermogen, maar met de gehele mens in zich opnemen. Nu zeg ik: Nu begin je ‘bad’ uit te spreken. Laten we eens kijken wat het begin is: B. Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginklank – net zoals ik bij de vogel heb laten zien. En nu moet men het kind duidelijk maken: zoals het woord ‘BAD’ het teken is voor het hele bad, zo is de B het teken voor het begin van het woord ‘BAD’.

Dan wijs ik het kind er op dat zo’n begin ook bij andere woorden voorkomt. Ik zeg: Als je ‘band’ zegt, begint dat woord precies hetzelfde. Net zo met het woord ‘boter’ – dat wat je op je brood smeert. Dan heb je misschien in de dierentuin wel eens een beer gezien. Dan is de eerste letter die je uitspreekt weer precies dezelfde. Al die woorden beginnen op dezelfde manier. Zo probeer ik het kind de overgang te laten maken van het hele woord naar het begin, de overgang naar één enkele klank, respectievelijk één enkele letter. We ontwikkelen altijd vanuit het gehele woord de beginletter.

En nu gaat het er om dat u eerst zelf zo mogelijk ook eens probeert om de beginletter op zinvolle wijze te laten ontstaan uit een tekening. Dat is heel goed mogelijk wanneer u gewoon uw fantasie te hulp roept en tegen uzelf zegt: de mensen die het eerst dieren gezien hebben die met een b (buh) beginnen  zoals bever, beer enzovoort, die tekenden de rug

GA 294 blz.69

van het dier, de achterpoten op de grond, de voorpoten omhoog. Ze tekenden een dier dat zich opricht – en de tekening ging over in de B. Bij ieder woord zult u vinden dat de beginletter een tekening is: de vorm van een dier, een plant of voorwerp. En daarbij kunt u uw fantasie de vrije loop laten en tot beelden komen, u hoeft niet in te gaan op de cultuurgeschiedenis, die toch niet volledig is. Historisch ligt het namelijk zo: Wanneer u terug gaat naar de oudste vormen van het Egyptisch schrift, dat nog getekend werd, dan vindt u overal dat de letters nabootsingen zijn. En in de overgang van de Egyptische naar de Fenicische cultuur heeft zich de ontwikkeling van het beeld naar het teken voor de klank voltrokken. Deze overgang moet men ook het kind laten maken.
GA 294 /67-70
vertaald/58-60 (1)

=

voorbeeld 3:

Dieses Prinzip, das in der Geschichte der Schriftentwickelung ein­gehalten worden ist, ist auch sehr gut im Unterricht zu verwenden, und wir verwenden es hier. Das heißt, wir werden versuchen, aus dem Zeichnerischen heraus zum Buchstaben zu kommen: Wie wir aus dem Fisch mit seinen zwei Flossen zu dem f kommen, so kommen wir vom Bären, der tanzt, der aufgestellt ist, zum B; wir kommen von der Ober­lippe zum Mund, zum M und versuchen uns durch unsere Imagination auf diese Weise für das Kind einen Weg zu bahnen vom Zeichnen zum Schreiben.

GA 294 blz.71

Dit principe dat in de historische ontwikkeling van het schrift besloten ligt, kan ook heel goed gebruikt worden in het onderwijs en dat doen we hier ook. Dat wil zeggen, we zullen proberen om vanuit het tekenen tot de letters te komen. Zoals we vanuit de vogel met zijn twee vleugels tot de V komen, zo komen we van de dansende, opgerichte beer tot de B en zo komen we van de bovenlip tot de mond, tot de M. We proberen ons via onze voorstellingsbeelden zo een weg te banen voor het kind van het tekenen naar het schrijven.
GA 294 /71
vertaald/61 (1)

Niet nodig om cultuurgeschiedenis te bestuderen om tot eigen beelden te komen!

Ich sagte, es ist nicht nötig, daß Sie Kulturgeschichte des Schriftwesens treiben und sich dort aufsuchen, was Sie brauchen. Denn was Sie sich dort aufsuchen, das dient Ihnen viel weniger im Unterricht als das, was Sie durch Ihre eigene Seelentätigkeit, durch Ihre eigene Phantasie finden. Die Tätigkeit, die Sie anwenden im Studium der Kul­turgeschichte der Schrift, die macht Sie so tot, daß Sie viel weniger lebendig auf Ihren Zögling wirken, als wenn Sie sich so etwas wie das B aus dem Bilde des Bären selbst ausdenken. Dieses Selbstausdenken erfrischt Sie so, daß auf den Zögling das, was Sie ihm mitteilen wollen, viel lebendiger wirkt, als wenn Sie erst kulturhistorische Exkurse an­stellen, um etwas für den Unterricht zu gewinnen. Und auf diese zwei Dinge hin muß man das Leben und den Unterricht betrachten. Denn Sie müssen sich fragen: Was ist wichtiger, eine kulturhistorische, mit aller Mühe zusammengestellte Tatsache aufgenommen zu haben und sie mühselig in den Unterricht hineingetragen zu haben, oder in der Seele selber so regsam zu sein, daß man die Erfindung, die man macht, im eigenen Enthusiasmus auf das Kind überträgt? – Freude werden Sie immer haben, wenn es auch eine recht stille Freude ist, wenn Sie von irgendeinem Tier oder einer Pflanze die Form, die Sie selbst gefun­den haben, auf den Buchstaben übertragen. Und diese Freude, die Sie selbst haben, wird in dem leben, was Sie aus Ihrem Zögling machen werden.

Ik zei dat het niet nodig is om de cultuurgeschiedenis van de ontwikkeling van het schrift te bestuderen en daar op te zoeken wat u nodig heeft. Want wat u daar opzoekt, dat werpt veel minder vruchten af in de lessen dan wat u door uw eigen zieleactiviteit, uw eigen fantasie vindt. Het bestuderen van de ontwikkeling van het schrift werkt zo geestdodend, dat u veel minder levendig op uw leerlingen inwerkt dan wanneer u zelf zoiets bedenkt als de ontwikkeling van een B uit het beeld van een beer. Door zelf iets te bedenken wordt u zo verfrist dat hetgeen u wilt vertellen veel levendiger is voor de leerlingen dan wanneer u eerst cultuurhistorische studies bedrijft om materiaal te verzamelen voor uw lessen. En deze twee aspecten moet men bij het leven en het onderwijs voor ogen houden. Want u moet zich afvragen wat belangrijker is: dat men een cultuurhistorisch feit met veel moeite gevonden, in zich opgenomen en moeizaam in de lessen ingebracht heeft, of dat men in de ziel zo beweeglijk is dat men de uitvinding die men doet in het eigen enthousiasme aan het kind overbrengt? Vreugde zult u altijd beleven, ook al is het een stille vreugde, wanneer u de vorm van een dier of een plant die u zelf gevonden heeft, verbindt met de letter. En deze vreugde die u zelf heeft, die zal doorleven in de wijze waarop u uw leerling vormt.
GA 294 /71
vertaald/61 (1)

=

Auf diese Weise schaut man der Natur des Kindes ab, wie man es zu führen hat, läßt es sich von dem Kinde selber diktieren. Dadurch aber ist man als Lehrer genötigt, selbst ein anderer Mensch zu sein, nicht bloß seine Lektionen zu lernen und dann in abstrakter Weise anzuwenden, sondern mit seinem ganzen Menschen vor der Klasse zu stehen und zu allem, was man zu treiben hat, das Bild zu finden, selber Phantasie zu haben. Dann geht in imponderabler Weise das von dem Lehrer auf das Kind über.

Op deze manier lees je aan de natuur van het kind af, hoe je het moet leiden, laat je je door het kind zelf dicteren. Daardoor echter, ben je als leerkracht wel verplicht, zelf een ander mens te zijn, niet alleen maar je les te leren en die dan op een abstracte manier toe te passen, maar als totale mens voor de klas te staan en bij alles wat je moet doen een beeld te vinden, zelf fantasie te hebben. Dan gaat dat op een imponderabele manier van de leerkracht op het kind over.
GA 304a/173
Niet vertaald

=

Da ist es nicht nötig, daß wir nun immer historisch zurückgeben, wie aus der Bilderschrift wirklich in solcher Weise unsere heutige Schrift entstanden ist. Das ist gar nicht nötig, wir brauchen nicht kul­turhistorische Pädagogik zu treiben. Wir brauchen nur selber uns hineinzufinden, etwas durch die Phantasie beflügelt, dann werden wir in allen Sprachen die Möglichkeit finden, von charakteristischenWor­ten auszugehen, die wir ins Bild verwandeln können und aus denen heraus wir dann erst die Buchstaben gewinnen.

Het is niet nodig dat wij nu steeds zouden moeten weergeven hoe uit het beeldenschrift ons schrift daadwerkelijk ontstaan is. Dat is helemaal niet nodig; we hoeven geen cultuurhistorische pedagogie te bedrijven. We moeten zelf de weg weten, iets door fantasie bevlogen zijn, dan kunnen we in alle talen de mogelijkheid vinden om van karakteristieke woorden uit te gaan waarvan wij een beeld kunnen maken en daaruit halen we dan pas de letters.
GA 306/81
Niet vertaald

=

Man braucht nicht Studien zu machen, um diese Dinge herauszufischen aus der Art und Weise, wie die Dinge sich entwickelt haben. Das ist nicht unbedingt notwendig für den Lehrer. Er kann es bloß, wenn er durch Intuition, ja mit Phan­tasie die Dinge entwickelt.

Je hoeft geen studies te verrichten om deze dingen op te duikelen uit de manier waarop de dingen zich ontwikkeld hebben. Dat is voor de leerkracht niet strikt noodzakelijk. Hij kan het al (de beelden vinden) wanneer hij door intuïtie, ja met fantasie de dingen ontwikkelt.
GA 309/57
vertaald

=

Ich bringe nicht das Kind in ein Zivilisations­stadium hinein, das mit ihm noch nichts gemeinschaftlich hat, sonder ich führe es so, daß niemals sein Verhältnis zur Außenwelt abreißt. Da muß man, wenn man nicht gerade Kulturgeschichte studieren will -denn aus der Bilderschrift ist die heutige Schrift entstanden, aber Kul­turgeschichte studieren braucht man gar nicht -, man muß nur seine Phantasie in Schwung bringen; denn dann bringt man das Kind dazu, aus dem malenden Zeichnen das Schreiben zu gestalten.

Ik breng het kind niet in een stadium van beschaving waarmee het nog niets gemeen heeft. Integen­deel, ik leid hem zo dat zijn relatie tot de buitenwereld nooit afbreekt. Als je je niet wilt verdiepen in cultuurgeschiedenis -want uit het beeldschrift is het huidige schrift wel ontstaan, maar cultuurgeschiedenis hoef je echt niet te gaan studeren – dan moet je slechts je fantasie in gang zetten. Want dan breng je het kind ertoe om uit het schilderend tekenen het schrijven te ontwik­kelen.
GA 310/59
vertaald/61

=

van het geheel naar de delen

voorbeeld 4

Dann geht man dazu über, das Kind darauf aufmerksam zu machen, daß das, was es so für den Anfang eines Wortes angeschaut hat, auch in der Mitte der Worte vorkommt. Also gehe man dazu über, zu dem Kinde zu sagen: Sieh einmal, du kennst das, was draußen auf den Fel­dern oder Bergen wächst, was im Herbst eingeerntet wird und aus dem der Wein bereitet wird: die Rebe. Die Rebe schreiben die Großen so:
REBE. Jetzt überlege dir einmal, wenn du ganz langsam sprichst: Rebe, da ist in der Mitte dasselbe drinnen, was bei BÄR am Anfang war. -Man schreibt es immer zunächst groß auf, damit das Kind die Ahnlich­keit des Bildes hat. Dadurch bringt man ihm bei, wie das, was es für den Anfang eines Wortes gelernt hat, auch in der Mitte der Worte zu finden ist. Man atomisiert ihm weiter das Ganze.

Vervolgens wijst men de leerlingen er op, dat dat wat aan het begin van woorden staat ook midden in woorden voorkomt. Dan kan men zeggen: Je kent wel dat ding in de keuken, waar taarten of broden in gebakken worden: een oven. De grote mensen schrijven dat zo op: OVEN. Luister eens heel goed als je het langzaam uitspreekt: oven, dan vind je in het midden hetzelfde als wat bij de VOGEL aan het begin staat. Men schrijft alles eerst met hoofdletters, zodat het kind hetzelfde beeld voor zich heeft. Daardoor leert men het kind dat de beginklanken ook midden in de woorden te vinden zijn. Men deelt verder het geheel in delen op.

In GA 301 wordt het van het geheel naar de delen behandeld:

Es handelt sich darum, daß man auch zum Beispiel bei dem Erklären der Buchstaben nicht in erster Linie von einer synthetischen Betätigung, sondern von einer analytischen Betatigung ausgeht. Sagen wir zum Beispiel, ich lasse das Kind ein Wort sprechen, das Wort Fisch, und dann schreibe ich ihm einfach auf die Tafel hin – indem ich darauf zähle, daß ich mit ihm, so wie ich es geschildert habe, Zeichnen getrie­ben habe -, ich schreibe ihm, bevor es irgend etwas von einem Buch­staben weiß, das Wort Fisch hin. Ich versuche sogar, dieses ganze Wort­bild, ohne daß ich es in Buchstaben zunächst gliedere, einzuprägen. Ich versuche sogar, das Kind, nachdem es lange genug eben das Zeichnen getrieben hat, so wie ich es auseinandergesetzt habe, das Wort nach-bilden zu lassen, ohne daß es zunächst eine Ahnung hat davon, daß da ein F-I-SCH drinnen ist. Einfach dasjenige, was ich auf der Tafel habe,  das soll das Kind nachahmen. Und bevor ich zu den Buchstaben über­gehe, versuche ich sogar öfter, das Kind fertige Worte nachmalen zu lassen. Und dann versuche ich die Analyse. Dann versuche ich, das Kind aufmerksam darauf zu machen, wie es das Wort beginnt: F, analysiere das F heraus, analysiere dann das I heraus und so weiter. Also es ist etwas, was einfach der menschlichen Natur entgegenkommt, daß man nicht von den Buchstaben ausgeht, sie synthetisch zusammen­setzt , zu Worten, sondern daß man vom ganzen Worte ausgeht und analysierend zu den Buchstaben geht.

Het gaat erom dat je ook bv. bij het duiden van de letters niet in de eerste plaats uitgaat van een synthetische activiteit, maar van een analytische. Laten we bv. zeggen, dat ik een kind een woord laat spreken, het woord vis en dan schrijf ik dit simpelweg op het bord – en ik houd er rekening mee, dat ik met hem, zoals ik dat geschetst heb, heb getekend – ik schrijf, voor het ook maar iets van letters weet, het woord vis op. Ik probeer zelfs hem dit hele woordbeeld, zonder dat ik het in letters uiteenleg, in te prenten. Ik probeer zelfs het kind, nadat het lang genoeg getekend heeft, zoals ik dat uiteen heb gezet, het woord te laten namaken, zonder dat het nog een flauw benul heeft van dat daar vis staat. Alleen wat op het bord staat moet het kind namaken. En voor ik tot de letters overga, probeer ik zelfs vaker het kind kant-en-klare woorden te laten nadoen. En dan probeer ik de analyse.
Dan probeer ik het kind erop te wijzen, hoe hij met het woord begint: V, analyseer de V , analyseer dan de I enz. En dat is iets wat in overeenstemming is met de natuur van de mens; dat je niet van de letters uitgaat, die synthetisch bij elkaar zet tot woorden, maar dat je van het hele woord uitgaat en analyserend tot de letters overgaat.
GA 301/155
niet vertaald

=

verschil klinker-medeklinker

voorbeeld 5

Sie sehen, worauf es uns, die wir einen lebendigen Unterricht – im Gegensatz zu einem toten – erzielen wollen, ankommt: daß wir immer von dem Ganzen ausgehen. Wie wir im Rechnen von der Summe aus­gehen, nicht von den Addenden, und die Summe zergliedern, so gehen wir auch hier von dem Ganzen ins Einzelne. Das hat den großen Vorteil für die Erziehung und den Unterricht, daß wir es erreichen, das Kind wirklich auch lebendig in die Welt hineinzustellen; denn die Welt ist ein Ganzes, und das Kind bleibt in fortwährender Verbindung mit dem lebendigen Ganzen, wenn wir so vorgehen, wie ich es angedeutet habe. Wenn Sie es die einzelnen Buchstaben aus dem Bilde heraus lernen las­sen, so hat das Kind eine Beziehung zur lebendigen Wirklichkeit. Aber Sie dürfen nie versäumen, die Buchstabenformen so aufzuschreiben, wie sie sich aus einem Bilde ergeben, und Sie mussen immer Rücksicht darauf nehmen, daß Sie die Mitlaute, die Konsonanten, als Zeichnung von äußeren Dingen erklären – nie aber die Selbstlaute, die Vokale. Bei den Selbstlauten gehen Sie immer davon aus, daß sie wiedergeben das menschliche Innere und seine Beziehung zur Außenwelt. Wenn Sie also zum Beispiel versuchen, dem Kinde das A beizubringen, werden Sie ihm sagen: Nun stelle dir einmal die Sonne vor, die du morgens siehst. Kann sich keines von euch erinnern, was es da getan hat, wenn die Sonne morgens aufgegangen ist? – Nun wird sich vielleicht das eineoder andere Kind an das erinnern, was es getan hat. Wenn es nicht dazu kommt, wenn sich keines erinnert, so muß man dem Kinde in der Er­innerung etwas nachhelfen, was es getan hat, wie es sich hingestellt haben wird, gesagt haben wird, wenn der Sonnenaufgang sehr schön war: Ah! – Man muß diese Wiedergabe eines Gefühles anschlagen las­sen, man muß versuchen, die Resonanz, die im Selbstlaut ertönt, aus dem Gefühl herauszuholen. Und dann muß man versuchen, zunächst zu sagen: Wenn du dich so hingestellt hast und Ah! gesagt hast, da ist das so, wie wenn von deinem Inneren hinausgegangen wäre wie in einem Winkel aus deinem Mund der Sonnenstrahl. Was in deinem Inneren lebt, wenn du den Sonnenaufgang siehst, das läßt du so (siehe Zeichnung links) ausströmen aus dir und bringst es hervor, indem du A sagst. Du läßt es aber nicht ganz ausströmen, du hältst etwas davon zurück, und da wird das dann zu diesem Zeichen (siehe Zeichnung rechts). Sie können einmal den Versuch machen, das, was beim Selbst­laut im Hauch liegt, in zeichnerische Formen zu kleiden. Dadurch be­kommen Sie Zeichnungen, die Ihnen im Bilde darstellen können, wie die Zeichen für die Selbstlaute entstanden sind.

U ziet waar het voor ons op aan komt als we levend en geen dood onderwijs willen: dat we steeds van het geheel uitgaan. Zoals we bij het rekenen uitgaan van de som en niet van de samenstellende delen, en de som in stukken delen, zo gaan we ook hier van het geheel naar de delen. Dat heeft het grote voordeel voor de opvoeding en het onderwijs dat we bereiken dat we het kind ook werkelijk een levende plaats geven in de wereld. Want de wereld is een geheel en het kind blijft voortdurend in verbinding met het levende geheel wanneer we zo te werk gaan als ik heb aangeduid. Wanneer u een kind de afzonderlijke letters laat leren vanuit het beeld, dan heeft het kind een verbinding met de levende werkelijkheid. Maar u mag nimmer verzuimen de vormen van de letters zo op te schrijven als ze uit het beeld voortkomen en u moet er steeds op letten dat u de medeklinkers, de consonanten verklaart als een tekening van dingen in de buitenwereld – nooit echter de klinkers, de vocalen. Bij de klinkers gaat u er altijd van uit dat ze het innerlijk van de mens weergeven en zijn relatie tot de buitenwereld. Wanneer u dus bijvoorbeeld probeert om de kinderen de A te leren, dan zult u zeggen: Stel je eens de zon voor, die je ’s ochtends ziet. Is er iemand van jullie die zich kan herinneren wat hij gedaan heeft toen ’s morgens de zon op ging? Nu zullen een paar kinderen zich waarschijnlijk wel herinneren wat ze gedaan hebben. Is dit niet het geval, herinnert zich niemand iets, dan moet men de kinderen een beetje helpen te bedenken wat ze gedaan hebben, hoe ze zouden zijn gaan staan, wat ze gezegd zouden hebben wanneer de zonsopgang heel mooi was: Ah! Men moet proberen deze weergave van een gevoel over te brengen, men moet proberen om de weerklank die in de klinker leeft uit het gevoel naar boven te halen. En dan moet men proberen om het volgende uit te leggen. Als je zo naar de zon hebt gekeken en ‘Ah!’ gezegd hebt, dan is het net alsof er een zonnestraal uit je binnenste naar buiten komt door je mond, zó, schuin. Wat er in je binnenste leeft wanneer je een zonsopgang ziet, dat laat je zo (zie tekening links) uit je naar buiten stromen en dat doe je als je A

GA 294 blz.73

zegt. Maar je laat niet alles naar buiten stromen, je houdt iets binnenin je en dat wordt dan tot dit teken (zie tekening rechts). U kunt eens proberen om dat wat door een klinker uitgedrukt wordt in een tekening weer te geven. Dan krijgt u tekeningen die u in een beeld kunnen vertellen hoe de tekens voor de klinkers zijn ontstaan.
GA 294 /72-73
vertaald/62-63 (1)

=

Ich weiß, eine Verwunderung wird ausgedrückt, indem man ausbricht in den Laut A. Es ist nun etwas ganz Naturgemäßes, wenn der Mensch mit seiner vollen Körperlich­keit nachzumachen sucht dieses A und es so auszudrücken sucht mit dieser Geste der beiden Arme. Nun machen Sie das einmal nach. (Die beiden Arme schräg nach oben gehoben.) Da wird schon ein A daraus! Und wenn Sie ausgehen beim Kinde von der Verwunderung und an­fangen den Unterricht zu geben in malendem Zeichnen, dann können Sie inneres Erlebnis und äußeres Erlebnis in malendes Zeichnen und zeichnendes Malen hineinbringen.

Ik weet dat verwondering wordt uitgedrukt door de klank A te uiten. Het is iets heel natuurlijks wanneer de mens met zijn hele lichamelijkheid deze A probeert na te vormen en deze probeert uit te drukken met een gebaar van de beide armen. Welnu, doe u dat eens na. (Beide armen schuin naar boven gehouden.) Daar komt al een A uit! En wanneer je bij het kind uitgaat van de verwondering en het onderwijs begint met schilderend tekenen, dan kun je wat innerlijk en uiterlijk beleefd wordt in schilderend tekenen en tekenend schilderen leggen.
GA 309/55
vertaald

=

voorbeeld 6

Für die Vokale ist es nicht so leicht. Aber für die Vokale ist vielleicht folgendes möglich. Denken Sie ein­mal, Sie sagen dem Kinde: Sieh einmal die schöne Sonne! Die mußt du doch bewundern. Stelle dich einmal so auf, daß du hinaufschaust, um die schöne Sonne zu bewundern. Nun steht es so da, schaut hin­auf und drückt die Verwunderung aus: Ah! Das malen Sie auch noch hinzu. Es ist sogar dann das hebräische A, der Laut der Verwunde­rung. Sie brauchen jetzt das nur klein werden zu lassen und können allmählich auf das A übergehen.Und so werden Sie – wenn Sie inneres Seelisches, namentlich eurythmische Begriffe vor das Kind hinstellen, es selber in diese Lage versetzen -, so werden Sie auch die Vokale herausbringen. Die Eu­rythmie wird Ihnen da eine ungeheuer starke Hilfe geben können, weil schon die Laute im Eurythmischen gebildet sind. Daraus kann man das Lautzeichen 0 bekommen. Man kann tatsäch­lich aus der Geste, aus der Gebärde, die Vokale bekommen.

Voor de vocalen is het niet zo makkelijk. Maar voor de vocalen is misschien het volgende mogelijk. Bedenk eens, je zegt tegen het kind: kijk eens naar de mooie zon! Die moet je toch bewonderen. Ga eens zo staan dat je omhoog kijkt om de mooie zon te bewonderen. Nu staat het daar dus, kijkt omhoog en drukt de verwondering uit: Ah! Dat teken je ook nog erbij. Dan is dat zelfs de Hebreeuwse A, de klank van de verwondering. Dat hoef je maar te verkleinen en kun je langzaam tot de A over te gaan.

GA 311 blz. 33 1
En zo kun je – wanneer je diepere gevoelens, namelijk euritmische begrippen aan het kind geeft, het zelf in die omstandigheid brengen -, dan kun je ook de vocalen ontwikkelen. De euritmie kan daarbij een heel sterk hulpmiddel zijn, omdat de klanken in de euritmie al gevormd zijn. Denk bv. alleen al aan de O – je omvat iets; liefdevol omvat je iets.

GA 311 blz. 33 2

Daaruit krijg je het klankteken O. Je kan inderdaad uit de gebaren, uit het gebaar, de vocalen halen.
GA 311/32-33
Vertaald

=

voorbeeld 7

Wir können also immer aus dem Zeichnerischen die Selbstlauter her­ausholen. Wenn Sie zum Beispiel das Kind dahin bringen, ihm klarzu­machen – indem Sie sich an sein Gefühl wenden -, daß es in einer sol­chen Situation ist wie zum Beispiel der folgenden: Sieh mal, es kommt dein Bruder oder deine Schwester zu dir. Sie sagen dir etwas, du ver­stehst sie nicht gleich. Dann kommt ein Augenblick, da fängst du an, sie zu verstehen. Wie drückst denn du das aus? – dann wird sich wieder ein Kind finden oder es werden sich die Kinder dahin bringen lassen, daß eines sagt iii. In dem Hinweis auf das, was verstanden worden ist, liegt die zeichnerische Gestalt des Lautes I, die ja selbst grob in dem Hinweisen zum Ausdruck kommt. In der Eurythmie haben Sie es in klarerer Weise ausgedrückt. Es wird also der einfache Strich zum i, der einfache Strich, der unten dicker, oben dünner sein müßte; statt dessen macht man nur den Strich und drückt dann das Dünnwerden durch das kleinere Zeichen darüber aus. So kann man alle Selbstlaute heraus­holen aus der Gestalt des Hauches, aus der Gestalt des Atems.
.


We kunnen de klinkers dus altijd vanuit tekeningen verklaren. Zo ook bij het volgende voorbeeld, waarbij u ook weer appelleert aan het gevoel van een kind. U zegt: Stel je voor dat je broertje of zusje naar je toekomt. Ze zeggen iets tegen je, maar je begrijpt niet meteen wat ze bedoelen. Maar dan komt het moment dat je ze al een beetje begint te begrijpen. Hoe druk je dat nu uit? Dan is er beslist wel weer een kind -of u brengt de kinderen zo ver-dat zegt iiii. De getekende vorm van de klank I wijst op iets wat begrepen is. Die vorm is ook grofweg aanwezig in het wijzen zelf. In de euritmie wordt het duidelijker uitgedrukt. De simpele streep wordt een I, de streep die van onder wat dikker en van boven wat dunner zou moeten zijn. Maar in plaats daarvan maakt men gewoon een streep en drukt het dunnere gedeelte uit door de punt op de i. Zo kan men alle klinkers afleiden uit de manier waarop er uitgeademd wordt, uit de vorm van de adem.

GA 294 blz.74

GA 294 /74
vertaald/63-64 (1)

voorbeeld 8

Auf diese Weise bekommen Sie es fertig, dem Kinde zunächst eine Art Zeichenschrift beizubringen. Dann brauchen Sie sich gar nicht ge­nieren, gewisse Vorstellungen zu Hilfe zu rufen, welche auch in der Empfindung etwas hervorrufen von dem, was ja in der Kulturentwik­kelung wirklich gelebt hat. So können Sie dem Kinde das Folgende bei­bringen. Sie sagen ihm: Sieh einmal das Obere des Hauses: Wie drückst du es aus? Dach! D! – Aber man müßte dann das D so machen: -, das ist unbequem, daher haben die Leute es umgestellt: D. Solche Vor­stellungen liegen in der Schrift, und Sie können sie durchaus benutzen.
Dann aber haben die Menschen nicht so kompliziert schreiben wollen, sondern sie haben es sich einfacher machen wollen. Daher ist aus diesem
Zeichen: D, das eigentlich so sein sollte   – indem Sie jetzt über­gehen zur kleinen Schrift, dieses Zeichen, das kleine d geworden. – Sie können durchaus die bestehenden Buchstabenformen in dieser Weise aus solchen Figuren heraus entwickeln, die Sie als zeichnerisch dem Kinde beigebracht haben. Auf diese Weise werden Sie, immer denÜber­gang von Form zu Form besprechend, niemals bloß abstrakt lehrend, das Kind vorwärtsbringen, so daß es den wirklichen Übergang findet von der zuerst aus dem Zeichnen herausgeholten Form zu jener Form, die nun der heutige Buchstabe, wenn er geschrieben wird, wirklich hat.

Op deze wijze speelt u het klaar om het kind eerst een soort tekenschrift aan te leren. U hoeft zich dan geenszins te generen om bepaalde voorstellingen in te schakelen die ook in het gevoel iets oproepen van datgene wat in de culturele ontwikkeling werkelijk geleefd heeft. Zo kunt u het kind het volgende bijbrengen. U zegt: Kijk eens naar de bovenkant van een huis. Hoe heet dat? Dak! D! Maar dan zou men de D een kwartslag moeten draaien: GA 294 blz.74 2Maar dat is onhandig en daarom hebben de mensen het gedraaid: D.Zulke voorstellingen behelst het schrift en u kunt ze zeer zeker gebruiken.

GA 294 blz.75

Maar toen wilden de mensen niet zo ingewikkeld schrijven. Ze wilden het zich gemakkelijker maken. Daarom is uit dit tekenGA 294 blz.74 2(dat eigenlijk D zou moeten zijn) de kleine d ontstaan. En daarmee maakt u de stap naar de kleine letters. U kunt de bestaande lettervormen beslist op deze wijze afleiden uit de figuren die u de kinderen via het tekenen hebt bijgebracht. Zo zult u steeds de overgang van vorm naar vorm bespreken en nooit louter abstract te werk gaan. Daardoor zult u de kinderen er toe brengen de werkelijke overgang te vinden van de getekende vormen naar de lettervormen zoals die nu in deze tijd geschreven worden.
GA 294 /74-75
vertaald/64 (1)

=

Bei den Vokalen wird man zu der Gebärde gehen müssen, denn die Vokale entstammen der Offenbarung des menschlichen Inneren. Im Grunde genommen ist das A zum Beispiel immer eine Art von, Verwunderung und Staunen. Da wird einem dann die Eurythmie besonders helfen. Denn in der 307/157 Eurythmie sind genau die dem Empfinden entsprechenden Gebärden gegeben. Und man wird das I, das A und so weiter aus den entsprechenden Eurythmiegebärden durchaus herausentwickeln können. Vokale müssen aus den Gebärden, die ja aus der menschlichen Lebendigkeit die Gefühle begleiten, herausentwickelt werden.

Bij de vokalen zul je naar het gebaar moeten gaan, want de vokalen zijn afkomstig uit de openbaring van het mense­lijk innerlijk. In de grond van de zaak is de A bijvoorbeeld altijd een soort verwondering en verbaasd zijn. Daar zal de euritmie je dan in ‘t bizonder behulpzaam zijn. Want in de euritmie zijn juist de met het gevoel erbij passende gebaren gegeven. En je zult de I, de A enzovoort helemaal uit de erbij passende euritmiegebaren kunnen ont­wikkelen. Vokalen moeten vanuit de gebaren die uit de men­selijke levendigheid de gevoelens begeleiden, ontwikkeld worden. (voorbeeld 4)
GA 307/156
Vertaald/200

niet alleen tekenen, ook vanuit de beweging

voorbeeld 9

Will man in einer menschlichen Art das Schreiben an das Kind heran­bringen, dann hat man durchaus von demjenigen auszugehen, was das Kind erleben kann als Zusammenhang des Gesehenen und dem durch den Willen hervorgebrachten Gesehenen – wir nennen das die Schrift. Das ist dasjenige, was das Kind nun triebhaft entgegenbringt als Be­dürfnis, aus dem Willen heraus zu erleben. Das Kind bringt einem nun einmal diese künstlerischen Tendenzen in die Schule herein, und es muß diesen künstlerischen Tendenzen zum Beispiel dadurch Rech­nung getragen werden, daß man ein Kind, sagen wir zunächst, herum­laufen läßt in dieser Kurve (siehe Zeichnung). Dann bringt man einGefühl davon hervor, was bei einem so gearteten Herumlaufen inner­lich erlebt wird. Man geht dann dazu über, das Kind aufmerksam zu machen, daß es da diese Linie am Fußboden beschrieben hat. Man kann es dann überleiten, diese Linie entsprechend mit der Hand nach­zumachen. Nun läßt man es dann so laufen, daß es so seinen Wegvollführt, läßt es auch das wiederum mit der Hand nachahmen. Was so der ganze Körper in der künstlerischen Erziehung aus dem ganzen vollführt, läßt es auch das wiederum mit der Hand nachahmen. Was so der ganze Körper in der künstlerischen Erziehung aus dem ganzen  Organismus gebildet hat, läßt man nun einseitig mit der Hand nach­formen. Und dann leitetman es dazu hin, Worte auszusprechen, die mit L beginnen. Man leitet es dahin, daß dasjenige, was solch ein Wort, das mit L beginnt, als Laut zunächst hat, in dem, was man aus dem Zeichnen, nicht aus dem abstrakten Nachbilden unserer L-Form herausgeholt hat, daß es das in dem hat. Man kann auf diese Weise aus dem innerlich als Bewegung Erlebten zu dem Zeichnen der Buchstaben kommen.

Wil je op een menselijke manier het kind leren schrijven, dat moet je uitgaan van wat het kind kan beleven als samenhang tussen wat het ziet en wat het door de wil tevoorschijn brengt – we noemen dat het schrift. Dat is wat het kind vanuit een aandrang als een behoefte uit, vanuit de wil te beleven. Het kind brengt nu eenmaal deze kunstzinnige tendensen mee de school in en er moet met deze kunstzinnige tendensen rekening worden gehouden, bv. door, laten we zeggen, het kind deze bocht te laten lopen:

GA 303 blz. 164 1

Dan breng je een gevoel teweeg dat bij zo’n vorm van lopen innerlijk beleefd wordt. Dan ga je er toe over er het kind op te wijzen dat het die lijn op de grond heeft beschreven. Dan kun je het deze lijn precies zo met de hand laten maken. En nu laat je zo lopen dat het deze weg aflegt:

GA 303 blz. 164 2

En dat laat je ook weer door de hand nadoen. Wat op deze manier het hele lijf in de kunstzinnige opvoeding vanuit het geheel uitvoert, laat dit ook weer met de hand nadoen. Wat zo het hele lijf in de kunstzinnige opvoeding vanuit het gehle organisme gevormd heeft, laat je nu eenzijdig met de hand navormen. En dan leid je het er naartoe woorden uit te spreken die met L beginnen. Je brengt het ertoe wat zo’n woord dat met L begint, allereerst als klank heeft, wanneer je uit het tekenen, niet uit het abstracte nadoen van onze L-vorm naar boven hebt gehaald, dat dat daarin zit. Je kan op deze manier wat als beweging beleefd wordt, uit het innerlijk tot het symbool van de letter komen.
GA 303/164-165
Vertaald

=

voorbeeld 10

Das Kind ist ja nicht nur durch den Zahnwechsel ein inner­licher Musiker, es ist auch von früher her ein Plastiker. Nun kann man das Folgende machen: Man versucht, dem Kind ein Bild des Fisches zu geben; man geht dann allmählich künstlerisch über zu einem sol­chen Verlauf dieser Form: und man leitet das Kind von dem Worte Fisch zu dem F, nach dem Gehör, und bringt ihm diesen Zusammen­hang lebendig vor Augen zwischen dem F und dem Bilde, das man vom Fisch herausgebildet hat. Man hat da sogar in einer gewissen Weise den Gang nachgebildet, wie in der Menschheitsentwicklung das F aus dem Worte Fisch heraus entstanden ist.

Het kind is door de tandenwisseling niet alleen een innerlijke musicus, het is ook daarvoor al een beeldhouwer. Nu kun je het volgende doen: Je probeert het kind een beeld van een vis te geven; je gaat dan langzamerhand kunstzinnig over tot het ontwikkelen van deze vorm: en je brengt het kind van het woord vis naar de V, op het gehoor, en voert hem deze samenhang levendig voor ogen tussen de V en het beeld, dat je van de vis gevormd hebt. Je hebt dan in zekere zin de weg bewandeld die in de mensheidsontwikkeling  de V uit het woord vis deed ontstaan.
(Het Duits heeft Fisch=vis, vandaar onderstaande tekening)

GA 303 blz.165

voorbeeld 11

Man macht das Kind aufmerksam, wie Wasser Wellen aufwirft. Man bringt es zu die­sem Bilde, verwandelt dann langsam, allmählich dieses Bild in das, leitet über in das Wort Welle, Woge, zu W und bringt Welle, Woge, es woget, es wellet, mit dem Zeichnen in Zusammenhang. So holt man aus dem unmittelbaren Leben heraus dasjenige, was zunächst zeich­nerisch vorhanden sein kann, und leitet es über zu den Buchstabenformen.

Je maakt het kind er attent op, hoe het water golven opstuwt. Je maakt dit beeld:

GA 303 blz.166 1

verandert dit beeld dan beetje voor beetje in dit:

GA 303 blz.166 2

en brengt dit met het woord ‘water’, ‘wind’, het ‘waait’ in samenhang. Zo haal je uit wat je meteen beleven kan, wat je tekenen kan en dat brengt het kind bij de lettervormen.
GA 303/166
Vertaald

=

voorbeeld 12

Ein Beispiel. Sie haben ja auch das englische Wort «fish»: Fisch. Nehmen wir an, wir lassen das Kind dazu kommen, daß es den Fisch im malenden Zeichnen, im zeichnenden Malen, aus der Farbe heraus schafft (es wird gezeichnet): Fisch. Jetzt lasse ich das Kind das Wort «Fisch» ruhig aussprechen; «fange bloß an», sage ich dem Kinde: F. Es entsteht aus dem Bilde, das ich hingemalt habe für den Fisch, das F.

Een voorbeeld. U hebt ook het Engelse woord ‘fish’: Fisch. Laten we aannemen, dat we het kind ertoe laten komen dat het de vis schilderend tekenend, tekenend schilderend vanuit de kleur schept:
GA 304A blz 175

Vis. Nu laat ik het kind het woord ‘vis’ rustig uitspreken; ‘alleen het begin’, zeg ik tegen het kind: V. Uit het beeld dat ik getekend heb voor de vis ontstaat de V.

So kann ich es machen für alles, was konsonantisch ist. Für die Selbstlaute finde ich, wenn ich das innere Seelenleben zu Hilfe nehme, wie ich das Bild überführen kann in den Buchstaben.

Zo kan ik dat doen voor alle consonanten. Voor de klinkers zal ik, wanneer ik het innerlijke gevoelsleven te hulp neem, vinden hoe ik het beeld over kan brengen naar de letters. (Zie voorbeeld 5, 6, 7)
GA 304a/173
Niet vertaald

=

voorbeeld 13

Belebende Erziehung zwischen Zahnwechsel und Geschlechtsreife ist das, um was es sich handelt. Denn da wird der Ätherleib frei. Da müssen wir auch so recht lebendig alles gestalten. Zum Beispiel, nehmen Sie das Wort «Mund», das ja auch im Englischen «mouth» ist: ich spreche nur den Anfangsbuchstaben: M aus – ich komme auf das: Mund, mouth. Und so werden Sie überall aus dem Lebendigen heraus die Möglichkeit finden, zu schaffen dasjenige, was dann im Schreiben auftreten soll.

Het gaat om Inspirerende opvoeding tussen tandenwisseling en puberteit. Dan komt het etherlijf vrij. Dan moeten wij ook zo echt levendig alles vorm geven. Neem bv. het woord ‘mond’, dat in het Engels ‘mouth’ is: ik spreek alleen maar de beginletter uit – dan kom ik op:

GA 304A blz 176

mond, mouth. En dan zul je overal de mogelijkheid vinden om vanuit het leven te pakken wat je voor het schrijven nodig hebt.
GA 304a/175
Niet vertaald

=

voorbeeld 14

Ich möchte es Ihnen anschaulich machen an einem Beispiel. Denken Sie sich, wir veranlassen das Kind dazu, das Wort «Fisch» zu sagen, und indem wir es dazu veranlassen, das Wort zu sagen, versuchen wir, mit ganz einfachen Linien die Form des Fisches ihm vor Augen zu führen, etwa so (es wird gezeichnet), daß wir in einfacher Weise so etwas dem Kinde vormalen, was die Form des Fisches imitiert, und dann auch versuchen, das von dem Kinde nachmalen zu lassen. Und dann bringen wir das Kind dazu, zu empfinden vom Wort «Fisch», das F. Vom «Fisch» gehen wir über zu F, und wir haben aus der Form des Fisches die Möglichkeit, nach und nach das F zu gestalten. Wir lassen also künstlerisch aus demjenigen, was aus der Anschauung in den Willen hineingeht, die Buchstabenform entstehen. Auf diese Weise bringen wir nicht ein fremdes F; das ist ein Dämon für das Kind, das ist etwas, was als ganz Fremdes in seinen Leib hin­eingestopft wird; wir bringen dasjenige, was das Kind auf dem Markte gesehen hat, aus dem Kinde heraus. Wir verwandeln das nach und nach in das F.

Ik zou het u duidelijk willen maken met behulp van een voorbeeld. Stelt u zich voor dat wij het kind het woord ‘vis’ laten zeggen, en terwijl wij dat doen proberen we met heel eenvoudige lijnen het kind de vorm van een vis voor ogen te stellen, ongeveer zo:

blz. 98

zodat wij op eenvoudige wijze iets voor het kind tekenen dat de vorm van een vis nabootst. Wij proberen dan ook dat door het kind na te laten schilderen. Daarna laten wij het kind het woord ‘vis’ (in de oorspronkelijke, Duitse tekst natuurlijk ‘Fisch’ vert.) vooral de V (F) ervaren. Van ‘Vis’ (Fisch) gaan we over naar V (F), en we hebben de mogelijkheid uitgaande van de vorm van de vis, langzamerhand de V (F) te vormen. We kunnen dus op een kunstzinnige wijze uit hetgeen via de aanschouwing de wil doordringt, de lettervorm ontstaan. Op deze wijze geven wij het kind niet een vreemde V(F); dat is voor hem een demon, dat is een zaak die als iets volkomen vreemds hem in zijn lichaam wordt gebracht; wij komen integendeel met iets dat het kind op de markt gezien heeft, wat van het kind zelf uitgaat. Dat veranderen wij langzamerhand in de V (F).
GA 305/98
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/103 (2)

voorbeeld 15

Wir kommen dadurch nahe der Entstehung der Schrift, denn so, in ähnlicher Weise, ist auch die Schrift entstanden. Aber es ist nicht nötig, daß der Lehrer antiquarische Studien macht und gleichsam wie­derholt dasjenige, wie die Bilderschrift entstanden ist, um nun wieder­um das dem Kinde beizubringen. Das, um was es sich handelt, ist, eine lebendige Phantasie walten zu lassen, und das heute noch entstehen zu lassen, was vom Gegenstand, vom unmittelbaren Leben in die Buchstabenformen hineinführt. Sie werden da jede mögliche Gelegenheit haben, dem Kinde Buchstabenformen aus dem Leben heraus abzuleiten. Lassen Sie es M sprechen, lassen Sie es fühlen, wie das M auf den Lippen vibriert, und versuchen Sie ihm dann die Form der Lippe als Form beizubringen, dann werden Sie von dem M, das auf der Lippe vibriert, übergehen können nach und nach zu dem Zeichen M. Und so werden Sie, wenn Sie nicht intellektualistisch, sondern spiri­tuell, imaginativ vorzugehen versuchen, alles aus dem Kinde heraus­holen können.
‘ 

Daarmee benaderen wij de wijze waarop het schrift is ontstaan, want zo, althans op een dergelijke manier is het schrift ook ontstaan. Het is echter niet nodig dat de leraar zich in de oudheid gaat verdiepen en als het ware het ontstaan van het beeldschrift overdoet, om dat nu het kind weer bij te brengen. Waar het om gaat is een levendige fantasie te gebruiken en nu opnieuw te laten ontstaan hetgeen vanuit het voorwerp, vanuit het direkte leven leidt in de richting van, en uiteindelijk wordt tot de vormen van de letters. U zult alle gelegenheid hebben voor het kind lettervormen af te leiden uit wat het leven biedt. Laat u het kind de M (mmmmm) zeggen, laat u het kind voelen hoe de M op de lippen trilt en probeert u het dan de vorm van de lippen als vorm te laten zien, dan zult u van de M zoals die op de lippen vibreert, langzamerhand kunnen overgaan tot het ‘teken M.

blz 99

En zo zult u, wanneer u niet intellectualistisch, maar spiritueel, imaginatief tracht te handelen, alles vanuit het kind kunnen laten komen, wat er langzamerhand toe leidt dat het kind leert schrijven.
GA 305/99
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/104 (2)

voorbeeld 16

Wenn Sie einem Kinde zunächst nicht Buchstaben oder selbst Worte hinschreiben, sondern ihm aus den auch in seiner Seele existierenden Bildekräften heraus dasjenige hinzeichnen, was hier so aussieht, dann werden Sie sehen, daß das Kind sich noch erinnert an etwas, was wirklich da ist, was es mit seinen Bildekräften schon erfaßt hat. Das Kind wird Ihnen sagen: Das ist ein Mund! Und jetzt können Sie das Kind nach und nach dazu führen, daß Sie ihm sagen: Nun sprich ein­mal Mmmund ; laß das letzte weg. Sie führen das Kind dazu, nach und nach zu sagen mmm… Und jetzt sagen Sie ihm: Nun wollen wir einmal dasjenige aufmalen, was du da gemacht hast. Wir haben was weggelassen:haben wir gemalt. Und nun machen wir es einfacher: Es ist ein M draus geworden.

Wanneer je voor een kind niet meteen letters of zelfs woorden opschrijft, maar voor hem tekent wat ook in de vormkrachten in zijn ziel aanwezig is, wat er zo uitziet:

GA 306 blz.80 1
dan zul je zien dat een kind zich iets  herinnert van wat er werkelijk is, wat het met zijn vormkrachten al ervaren heeft. Het kind zal tegen je zeggen: ‘Dat is een mond!’ En nu kun je het kind stap voor stap zo leiden dat je zegt: ‘Spreek mmmmond eens uit en laat het laatste weg’. Je brengt het kind ertoe om zo mmm te zeggen. En dan zeg je: ‘Nu zullen we wat je gedaan hebt, eens tekenen. We hebben wat weggelaten:

GA 306 blz.80 2

hebben we getekend. En nu maken we het eenvoudiger:

GA 306 blz.80 3

De M is ontstaan.
GA 306/80
Niet vertaald

=

voorbeeld 17

Oder wir zeichnen dem Kinde so etwas auf (es wird gezeichnet). Das Kind wird sagen: Fisch… Man wird dazu übergehen, F zu sagen. Machen wir das nun einfacher, diesen Fisch! Dann wird ein F daraus. Wir kriegen die abstrakten sogenannten Buchstaben überall aus den Bildern heraus.

Of we tekenen het kind zoiets voor:

GA 306 blz.81

Het kind zal zeggen: ‘Vis….’. Dan ga je ertoe over F te zeggen. Laten we hem simpeler maken, deze vis! Dan komt er een F uit. Overal krijgen we de abstracte zogenaamde letters uit de beelden.
GA 306/81
Niet vertaald

=

voorbeeld 18

Man nehme also an, man habe die Kinder dahin gebracht, eine Anschauung zu gewinnen von fließendem Wasser. Fließendes Wasser hat das Kind nun gelernt ins Bild zu bringen. Wir nehmen an, wir seien so weit gekommen, daß wir dem Kinde etwas beigebracht haben von der Verbildlichung des fließenden Wassers, das Wellen wirft (es wird farbig gezeichnet). Wir wollen darauf hinarbeiten, daß das Kind nun achten lernt auf den Anfangslaut, den Anfangsbuchstaben des Wortes «Welle». Wir versuchen gerade das Anlauten, das Aussprechen des Anfangsbuchstabens charakteristischer Worte ins Auge zu fassen. Wir bringen dem Kinde bei, wie gewissermaßen an der Oberfläche des wellen werfenden Wassers sich diese Linie ergibt. Und wir bringen das Kind herüber vom Ziehen dieser Linie, den Wellen des fließenden Wassers entlang, zum zeichnerischen Formen dessen, was sich daraus ergibt: W.
Und man hat das Kind auf diese Weise dazu gebracht, daß es beginnt, aus dem Bilde heraus das W dem Spiel, der Linie der Welle nach schriftlich zu fixieren. – So holt man aus der Anschauung desjenigen, was das Kind ins Bild bringt, den zu schreibenden Buchstaben heraus.

Neem dus aan dat we de kinderen zover hebben gebracht een voorstelling te krij­gen van stromend water. Stromend water heeft het kind nu geleerd om in beeld te brengen. We nemen aan dat we zo ver gekomen zijn dat we het kind iets bijgebracht hebben van het aanschouwelijk voorstellen van het stromende wa­ter, dat golven maakt [het wordt met kleuren getekend]. We willen ernaar toe werken dat het kind nu leert letten op de beginklank, de beginletters van het woord ‘water’. We pro­beren juist het aanzetten van de klank, het uitspreken van de beginletters van karakteristieke woorden te bekijken. We brengen het kind bij hoe in zekere zin aan de oppervlakte van van het golvende water deze lijn ontstaat:

blz. 155a

En we leiden het kind van het tekenen van deze lijn, langs de golven van het golvende water, naar de tekenvormen van wat daaruit ontstaat: de W.

blz. 155b

En op deze wijze heb je het kind ertoe gebracht dat het begint om vanuit het beeld de W volgens het spel, de golf­lijn op schrift te fixeren. – Zo haal je uit het waarnemen van dat wat het kind in beeld brengt, de te schrijven letters.
GA 307/155
Vertaald/198

=

voorbeeld 19

Oder sagen wir, man bringt das Kind dahin, daß es etwa folgende Zeichnung macht, daß es den menschlichen Mund in dieser Weise zur Aufzeichnung bringt. Man hält es an, diesen Zug des Mundes festzuhalten und herauszuheben, und läßt es von da an herüberkommen zu dem Verspüren des Anfangsbuchstabens des Wortes «Mund».

Of laten we zeggen, je brengt het kind ertoe dat het bij­voorbeeld de volgende tekening zo maakt dat het de mense­lijke mond op deze wijze tekent. Je blijft eraan vasthouden dat deze trek van de mond vast wordt gehouden en eruit wordt gehaald, en je laat het van daaruit overbrengen naar het voelen van de beginletter van het woord ‘Mond’. –

blz. 155c

GA 307/155
Vertaald/199

=

voorbeeld 20

Ich habe bereits in einer Abendstunde angedeutet, wie man nun das Kind dazu bringen kann, einen Fisch aufzuzeichnen. Man bringt das Kind nun dahin, die Grundform festzuhalten und läßt es von da aus zum Erfühlen des Anfangslautes des Wortes kommen: «Fisch». Man wird auf diese Weise eine Anzahl von Buchstaben gewinnen können; andere wird man auf eine andere Weise aus dem Zeichnerischen hervorholen müssen.

Ik heb al bij een avondbijeenkomst erop gewezen hoe je het kind ertoe kunt brengen om een vogel te tekenen. Je brengt het kind nu ertoe de grondvorm vast te houden en laat het van daaruit komen tot het voelen van de beginklank van het woord: ‘Vogel’. Je zult op die manier een aantal letters kun­nen verkrijgen; andere zul je op een andere manier uit het tekenen te voor­schijn moeten halen.

blz. 156a

GA 307/155
Vertaald/198

=

voorbeeld 21

Sagen wir zum Beispiel, man bringt dem Kinde auf irgendeine anschauliche Weise bei, wie der dahinbrausende Wind sich bewegt. Bei kleinen Kindern wird dies besser sein als eine andere Art; die Dinge können natürlich in der verschiedensten Weise gemacht werden. Man bringt dem Kinde das Hinstürmen des Windes bei. Nun läßt man das Kind das Sausen des Windes nachmachen und bekommt auf diese Weise diese Form. Kurz, es ist möglich dadurch, daß man in dem Malerischen entweder scharf konturierte Gegenstände oder Bewegungen oder auch Tätigkeiten festzuhalten versucht, auf diese Weise fast alle Konsonanten zu entwickeln.

Laten we bijvoorbeeld zeggen, je brengt het kind op een aanschouwelijk wijze bij hoe de suizende wind zich beweegt. Bij kleine kinderen zal dit beter gaan dan een andere manier; de dingen kunnen natuurlijk op de meest uiteenlopende manier gedaan worden. Je brengt het kind het voortstormen van de wind bij. Nu laat je het kind het suizen van de wind nabootsen en je krijgt op die manier-deze vorm:

blz. 156b

Kortom, het is mogelijk doordat je in het schilderachtige hetzij scherp omlijnde voorwerpen, hetzij bewe­gingen of ook activiteiten probeert vast te houden, om op deze wijze bijna alle consonanten te ontwikkelen.

Bei den Vokalen wird man zu der Gebärde gehen müssen, denn die Vokale entstammen der Offenbarung des menschlichen Inneren. Im Grunde genommen ist das A zum Beispiel immer eine Art von, Verwunderung und Staunen. Da wird einem dann die Eurythmie besonders helfen. Denn in der 307/157 Eurythmie sind genau die dem Empfinden entsprechenden Gebärden gegeben. Und man wird das I, das A und so weiter aus den entsprechenden Eurythmiegebärden durchaus herausentwickeln können. Vokale müssen aus den Gebärden, die ja aus der menschlichen Lebendigkeit die Gefühle begleiten, herausentwickelt werden.

Bij de vokalen zul je naar het gebaar moeten gaan, want de vokalen zijn afkomstig uit de openbaring van het mense­lijk innerlijk. In de grond van de zaak is de A bijvoorbeeld altijd een soort verwondering en verbaasd zijn. Daar zal de euritmie je dan in ‘t bizonder behulpzaam zijn. Want in de euritmie zijn juist de met het gevoel erbij passende gebaren gegeven. En je zult de I, de A enzovoort helemaal uit de erbij passende euritmiegebaren kunnen ont­wikkelen. Vokalen moeten vanuit de gebaren die uit de men­selijke levendigheid de gevoelens begeleiden, ontwikkeld worden. (voorbeeld 5)
GA 307/156
Vertaald/200

=

voorbeeld 22

Denken Sie zum Beispiel, ich versuche das Kind einen Fisch malen zu lassen, da mache ich solch eine Form (es wird gezeichnet), zuletzt eine Flosse so, eine Flosse hier, das Kind stilisiert malerisch den Fisch. Jetzt gehe ich über zu dem Worte Fisch, und das Kind hat den Einklang dessen, was es im Beginne des Wortes Fisch hat, mit dem, was es aufgemalt hat. Nun kann ich entstehen lassen den Buchstaben, der das Wort Fisch beginnt, aus der gemalten Form. So ungefähr ist ja auch die Bilderschrift in die Buchstabenform übergegangen. Ich habe aber nicht Geschichte getrieben, um auf eine einzelne Form zu kommen, ich habe einfach die Phantasie des Kindes walten lassen. Es kommt nicht darauf an, daß man das historisch richtig macht, sondern daß man das richtig macht, was sich im kindlichen Organismus geltend machen soll.

Denkt u bijvoorbeeld eens in dat ik probeer het kind een vis te laten schilderen, dan maak ik zo’n vorm (zie tekening van de F hierboven) op het laatst een vin zo, een vin hier, het kind stileert schilderend de vis. Nu ga ik over naar het woord vis en het kind heeft de overeenstemming van dat wat het in het begin van het woord vis [Duits Fisch; de vis wordt tot de letter F ] voor zich heeft, met wat het geschilderd heeft. Nu kan ik vanuit de geschilderde vorm de letter laten ontstaan waarmee het woord vis begint. Zo ongeveer is immers ook het beeldschrift in de vorm van de letters overgegaan. Maar ik heb dus geen geschiedenis gegeven om bij een afzonder­lijke vorm uit te komen, ik heb gewoon de fantasie van het kind werkzaam laten zijn. Het komt er niet op aan dat je het historisch juist doet, maar dat je dat juist doet wat zich in het kinderlijke organisme merkbaar moet laten gelden.
GA 307/264
Vertaald/334

=

voorbeeld 23

Streift das Kind von oben nach unten über einen Stab, und ich lasse es dann einen Strich machen, der von oben nach unten geht, dann weiß das Kind wieder, worum es sich handelt. Ich zeige ihm einen Fisch. Ich lasse das Kind die Hauptrichtung des Fisches verfolgen. Dann lasse ich die Hinter- und Vorderflosse verfolgen; das durchquert das Vorige. Ich lasse die Hauptrichtung und dann dieses Durchqueren aufzeichnen und sage: Was du da auf dem Papier hast, das kommt vom Fisch. Du hast ihn ja angegriffen. – Und jetzt führe ich hinüber in das innere Erleben des Wortes Fisch. Da ist darinnen das F. Das lasse ich jetzt auch so machen: einen Strich und durchqueren. Ich hole mir den Laut, mit dem das Wort Fisch beginnt, aus dem heraus, was erfühlt wird von dem Kinde. So kann ich das Ganze der Schrift hervorgehen lassen nicht aus abstraktem Nachahmen der Zeichen, wie sie heute sind, sondern aus dem Erfassen der Dinge selber, die im zeichnenden Malen, im malenden Zeichnen der Kinder entstehen. So kann ich die Schrift hervorholen aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen. Dann stehe ich in der lebendigen Bildhaftigkeit darinnen.

Betast een kind van boven naar beneden een stok en ik laat het dan een streep trekken die van boven naar beneden gaat, dan weet het kind weer waarom het gaat. Ik laat het kind een vis zien. Ik laat het kind de richting kop-staart volgen. Dan laat ik de voor- en achtervinnen volgen, die staan haaks op de vorige. Ik laat de richting en het kruisen tekenen en zeg: ‘Wat je daar op je papier hebt staan, komt van de vis. Die heb je beetgepakt.’En dan ga ik over tot de innerlijke beleving van het woordje vis. Daar zit de V in. Die laat ik ook zo maken: een streep en kruisen. (de Duitse F uiteraard) Ik haal de klank waarmee het woord vis begint eruit en dat voelt het kind mee. Zo kan ik het geheel van het schrift te voorschijn laten komen, niet door het abstracte nabootsen van de tekens zoals die nu zijn, maar uit het meebeleven van de dingen zelf die in het tekenende schilderen en het schilderende tekenen in het kind ontstaan. Zo kan ik het schrift tevoorschijn halen uit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen. Dan bevind ik mij midden in de levende verbeelding.
GA 308/40
Niet vertaald

=

voorbeeld 24

Denken Sie das Folgende: Ich erinnere das Kind an einen Fisch und veranlasse es, wenn das auch unbequem ist, den Fisch zu malen. Man muß da mehr Sorgfalt anwenden, als man sonst in bequemer Weise gern getan hätte. Man veranlaßt es, den Fisch so zu malen, daß es da den Kopf vor sich hat und da den übrigen Teil. Das Kind malt den Fisch; jetzt hat es ein Zeichen durch malendes Zeichnen, durch  zeichnendes Malen herausgebracht. Nun lassen Sie es aussprechen das Wort «Fisch». Sie sprechen F-isch. Jetzt lassen Sie weg das isch. Sie haben von «Fisch» übergeleitet zu seinem ersten Laute «F». Jetzt ver­steht das Kind, wie zustande kommt so eine Bilderschrift, wie sie zu­stande gekommen ist und übergegangen ist in späterer Zeit in die Schrift.Das ist nachgeahmt worden, das andere ist weggelassen worden. Da­durch entsteht das Zeichen des Lautes.

Denk eens het volgende: ik laat een kind aan een vis denken en ik spoor het aan, ook wanneer dat lastig is, de vis te schilderen. Dat kost meer moeite dan wanneer je het op een makkelijkere manier had willen doen. Je spoort het aan de vis zo te schilderen, dat het zo de kop heeft en daar de rest. Het kind schildert de vis; nu heeft het een teken door het schilderend tekenen, door tekenend schilderen gemaakt. Nu laat je het woord ‘vis’ uitspreken. Je zegt V-is. Nu laat je -is- weg. Je bent van ‘vis’ overgegaan naar de eerste klank ervan ‘V’. Nu begrijpt het kind  hoe zo’n beeldschrift tot stand komt, hoe dit tot stand gekomen is en in latere tijd overgegaan is in het schrift.

GA 309 blz. 57 1

Dat is nagedaan, het andere is weggelaten. Daardoor ontstaat het teken van de klank.
GA 309/57
vertaald

voorbeeld 25

Er sieht zum Beispiel den Mund; versucht, daß die Kinder die Ober­lippe malen, daß es zum Malen der Oberlippe kommt. Jetzt bringt man es dahin, das Wort «Mund» auszusprechen. Wenn man jetzt das «und» wegläßt, hat man das «M». So kann man aus der Wirklichkeit heraus die ganzen Schriftzeichen erhalten. Und das Kind bleibt in fortwährender Lebendigkeit. Da lehrt man das Kind zuerst schreiben, indem sich die abstrakten Zeichen der heutigen Zivilisation aus dem Konkreten heraus entwickeln.

De leerkracht ziet bv. de mond; probeert dat de kinderen de bovenlip schilderen, dat het tot het schilderen van de bovenlip komt.

GA 309 blz. 57 2

Dan zorg je ervoor dat het kind het woord ‘mond’ uitspreekt. Wanneer je nu ‘ond’ weglaat, heb je de ‘M’. Zo kun je uit de realiteit alle schrijftekens halen.
GA 309/57
vertaald

=

voorbeeld 26

Es handelt sich also durchaus darum, daß man als Lehrer auch seine Phan­tasie in Schwung bringen kann. Was heißt das? Ich appelliere zunächst beim Kinde an etwas, was es auf dem Markt oder sonst irgendwo ge­sehen hat, zum Beispiel einen Fisch. Ich bringe es dazu, daß es zu­nächst, indem ich es sogar Farben benutzen lasse, einen Fisch malend zeichnet, zeichnend malt. Habe ich es dazu gebracht, so lasse ich es dann das Wort «Fisch» sagen, dieses Wort nicht schnell herausspre­chend, sondern «F-i-sch». Ich leite es dann an, nur den Anfang des Wortes Fisch, «F. . .», zu sagen und ich bilde allmählich die Fischgestalt in dieses fisch-ähnliche Zeichen um, indem ich das Kind gleich­zeitig dazu bringe, «F» zu sagen: das F ist da!

Allereerst appelleer ik bij het kind aan iets wat hij op de markt of ergens anders heeft gezien, bijvoorbeeld een vogel. Ik breng hem ertoe dat hij eerst – en ik laat hem zelfs kleuren gebruiken ­een vogel schilderend tekent, of tekenend schildert. Heb ik hem zo ver gebracht, dan laat ik hem vervolgens het woord ‘VOGEL’ zeggen; ik laat hem dat woord niet snel uitspreken, maar ‘V-O-G-E-L’. Daarna leer ik hem om alleen het begin van het woord vogel, ‘V . ..’ te zeggen en langzamerhand vorm ik de vogelgestalte om in dit op een vogel-lijkend teken, terwijl ik het kind er tegelijkertijd toe breng om ‘V’ te zeggen: de V is er!

GA 310 blz. 58 2

voorbeeld 27

Oder ich lasse das Kind sagen: «Welle», bringe ihm bei, was eine Welle ist (siehe Zeichnung). Ich lasse das Kind dies wiederum malen, bringe es dazu, den Anfang des Wortes Welle zu sagen: …. .», und ich verwandle dann die Wellenzeichnung in das W.

Of ik laat het kind zeggen: ‘WATER’, ik vertel hem hoe water beweegt (zie tekening). Ik Jaat hem dat weer schilderen en breng hem ertoe het begin van het woord ‘WATER’ te zeggen: ‘W . . .’; vervolgens vorm ik de tekening van het water om in de W.

GA 310 blz. 58 1

Indem ich dies immer weiter ausbilde, hole ich aus dem malenden Zeichnen und dem zeichnenden Malen die Schriftzeichen heraus, wie sie auch entstanden sind.

Doordat ik dit steeds verder ontwikkel, haal ik uit het schilderend tekenen en het tekenend schilderen de schrifttekens op de manier zoals ze ook zijn ontstaan.
GA 310/58-59
vertaald/61

voorbeeld 28

Man denke nur einmal an folgendes. Nehmen wir das Wort «Mund», im Englischen «mouth». Wenn Sie das Kind veranlassen, einen Mund zu zeichnen, aber malend zu zeichnen, Farbenkleckse hinmachen zu lassen mit roter Farbe, und dann das Kind das Wort aussprechen lassen und sagen: Nun sprich aber nicht das ganze Wort aus, sondern fange es nur an – M, und machen wir aus der Oberlippe  (siehe Zeichnung) allmählich dieses M, so bekommen wir aus dem Mund, den wir zuerst gemalt haben, das M heraus. So ist nämlich in Wirklichkeit die Schrift entstanden, nur sieht man es heute den Worten schwer noch an, daß die Buchstaben Bilder waren, weil die Worte alle im Verlaufe der Sprachentwicklung ver­schoben worden sind. Ursprünglich hatte jeder Laut eben sein Bild, und seine Bildmöglichkeit war eindeutig.

Denk eens aan het volgende: we nemen het woord  ‘mond’, in het Engels ‘mouth’. Wanneer we het kind stimuleren een mond te tekenen, maar schilderend te tekenen, met een klein beetje rode verf en dan het kind het woord laten uitspreken en zeggen: maar spreek nu eens niet het hele woord uit, maar alleen maar het begin – M, en  maken we dan van de bovenlip stilaan deze M; dan krijgen we uit de mond die we eerst geschilderd hebben de M.

GA 311 blz. 32

Zo is namelijk in werkelijkheid het schrift ontstaan, alleen zie je nu moeilijk meer aan de letters dat het beelden waren, omdat de woorden allemaal in verloop van de taalontwikkeling veranderd zijn. Oorspronkelijk had iedere klank zijn eigen beeld en wat er mogelijk was met het beeld was duidelijk.
Je hoeft niet terug te gaan op deze oorspronkelijke karakters, je kunt ze zelf bedenken. De leerkracht moet vindingrijk zijn; hij moet uit de aard van de zaak creatief zijn.

=

voorbeeld 29

Nehmen wir das Wort «Fisch», das ja auch im Englischen «fish» ist. Lassen Sie das Kind zeichnend, malend eine Art Fisch darstellen, lassen Sie den Anfang des Wortes sprechen: F, Sie kriegen nach und nach das F heraus aus dem Bilde.
 Und so finden Sie in der Tat für alle Konsonanten, für alle Mit­laute, wenn Sie erfinderisch sind, die Bilder, können sie aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen herausholen.

Laten we het woord  ‘vis’ nemen [Duits: Fisch] dat in het Engels dus ‘fish’ is. Laat het kind tekenend, schilderend een soort vis maken, laat het begin van het woord uitspreken: F. Je krijgt stap voor stap de F uit het beeld.

GA 311 blz. 32 2

Und so finden Sie in der Tat für alle Konsonanten, für alle Mit­laute, wenn Sie erfinderisch sind, die Bilder, können sie aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen herausholen.

En zo vind je inderdaad voor alle consonanten, voor alle medeklinkers, wanneer je vindingrijk bent, de beelden, je kunt ze tevoorschijn laten komen uit het schilderende tekenen, het tekenende schilderen.
GA 311/32-33
Vertaald/32

Rudolf Steiner zegt in deze laatste opmerking: ‘Als je vindingrijk bent’.
Zonder die vindingrijkheid is het een stuk lastiger om vrijeschoolleerkracht te zijn.
Hier vind je allerlei vindingrijkheid van collega’s over de hele wereld.
Bij het zien hiervan ligt ‘het gevaar’ op de loer, de letterbeelden maar over te nemen.
In een enkel geval is daar niets op tegen, maar bedenkt toch zelf de meeste; het verhaal waaruit je ze haalt is iets van jou met de klas.

voorbeeld 30

Man sagt zum Beispiel dem Kind: Sieh einmal, was ist das? (Es wird gezeichnet). Was wird denn das Kind sagen? Das Kind wird sagen: Das ist ein Fisch! Da wird es nicht sagen: Da erkenne ich nichts darin. Da drin (in dem Worte Fisch) kann es nicht sagen:
Da erkenne ich den Fisch wieder. Aber den Fisch erkennt es in dem Bild drin.
Nun sage ich: Sprich mir einmal aus «Fisch»; jetzt lasse weg das i und das spätere, sprich nur aus das F, womit der Fisch anfängt. Sieh einmal, jetzt werde ich dir das einfach aufzeichnen: F. – Ich habe also vom Fisch das F herausgegriffen. Das Kind malt zu­nächst den Fisch auf, bekommt dann das F heraus. Man muß es nur vernünftig machen, daß es nicht abstrakt ist, daß es aus dem Bilde herauskommt; dann lernt das Kind selbstverständlich gern. Das kann man bei jedem Buchstaben machen. Man muß sich das nur nach und nach aneignen.
.

Je zegt bijv. tegen het kind: ‘Kijk eens, wat is dit? (het wordt getekend) Wat zou het kind zeggen? Het zal zeggen: ‘Dat is een vis!'(Fisch)  Het zal niet zeggen: ‘Ik zie daar niets in. Daaruit (uit het woord vis) kan het niet zeggen: ‘Daar zie ik ook weer een vis in.’ De vis herkent het echter in het beeld. Nu zeg ik: ‘Spreek eens uit ‘vis’; laat nu de i en wat er volgt eens weg, spreek alleen maar de F, waarmee vis begint. Kijk die zal ik nu eens simpel voor je tekenen: F. – Uit de vis heb ik de F gehaald. Je moet het begrijpelijk maken, dat het niet te abstract is; het moet uit het beeld komen; dan leert een kind dat vanzelfsprekend graag. Dat kun je bij iedere letter doen. Je moet het je langzamerhand eigen maken.
GA 349/188
niet vertaald

GA 349 blz. 188  1

(1) uitg. 1989
(2) uitg. 1977

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

945-874

 

 

VRIJESCHOOL 5e klas – geschiedenis (2-2)

.

de tekst in blauw is van mij

Perzische cultuur

Ashem Vohü Vahiotem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai Vahistâi Ashem.

Reinheid is het hoogste.goed
Zegen is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

IRAN

(OER-PERZISCHE CULTUURPERIODE)

Tussen de Perzische golf en de Kaspische Zee ligt een woest hoogland. Kale, grillige bergketens sluiten het aan alle kanten af. De grond is schraal, de meren zijn zout, het klimaat is bar. Overdag brandt de zon uit een wolkenloze hemel en doet de lucht trillen boven de hete steenmassa’s, ’s nachts fonkelen myriaden sterren in een ijskoude, diepblauwe hemel.

De mensen die in dat land voor 7000 jaar leefden, noemden zich Aryers
(edelen) en het land Aryana of Iran. De belangrijkste volksstammen werden later MEDEN en PERZEN genoemd.

De Oer-Perzen waren groot van gestalte, zij hadden een blanke huid, blauwe, ogen en blond haar. Is dit juist? Zij waren verwant aan de oude Indiërs en ook aan ons. Hun taal was een zustertaal van het Sanskrit.

Het leven van de Perzen in dat verre land kostte moeite. Alles moest aan de harde bodem ontwrongen worden. Zo was de Pers op strijd ingesteld; strijd tegen het klimaat, tegen de steenachtige bodem, tegen mensen en dieren.

Zijn aard was geheel anders dan die van het rijke, weelderig begroeide Indië. Krijgshaftig was her karakter der Perzen, woest en onbuigzaam. Geduchte boogschutters en jagers waren zij. Zij doodden vele dieren, aten het vlees en kleedden zich in de huiden. Geheel bedekt met leer waren zij. Op het hoofd droegen zij een leren kap of puntmuts. De woningen der Oer-Perzen waren van steen. Soms waren het huizen die geheel en al ïn de rotswanden uitgehakt waren. Vensters ontbraken geheel en al. Een enkel gat gaf toegang tot de woning. Meestal waren deze woningen gelegen aan bergbeekjes.

Bij dit woeste volk verscheen een wijze, gezonden door de Manu.(?)  Hij heette ZARATHUSTRA of “Goud Ster”. Hij bracht de Perzen een nieuwe leer, die veel later in de heilige boeken van de ZEND-AVESTA is opgetekend.
In de zielen van dit volk, zo ontembaar en wild, bracht hij de impuls tot reinheid in daad, woord en gedachte.

Onder invloed van de grote Zarathustra (en zijn opvolgers, die ook Zarathustra heetten, werden de Perzen een cultuurvolk.

De leiding van deze cultuur ging later over op koningen, bijgestaan door magiërs(priesters).

De Perzen beleefden de wereld in tegenstellingen: brandende hitte tegenover felle koude; heldere dag tegenover zwarte nacht; verblindend licht tegenover duisternis; hemel tegenover aarde. Deze tweeledigheid kreeg in de leer van Zarathustra een verheven vorm.

In den beginne waren er twaalf Amshaspands of Wereldgeesten. Zij stonden onder leiding van twee broedergoden:

AHURA MAZDA (=de grote zonneglans ) en ANGRAMANIJU (de erge boze).

Ahura Mazda of Ormuzd wilde de wereld verder scheppen en zeven Amshaspands volgden hem. Angramaniju en vijf duistere Amshaspands wilden niet meewerken en worden zo tot boze d.i. tegenwerkende wezens.

De duistere Angramaniju of AHRIMAN kon niets tegenover de schepping van Ormuzd stellen en ging toen de wereld vergiftigen en bederven. Ahura Mazda had op aarde ook de mens geschapen en de mens riep hij op als medestrijder om het licht te doen zegevieren.

Veltman blz. 35

De mens was echter in zijn ziel vergiftigd door Ahriman, die angst, twijfel en leugen als gaven aan de mens had gebracht. Zarathustra leerde, dat de mens, die zich reinigde van boosheid, leugen en onzuiverheid het lichtrijk voor Ormuzd vergroten kon. Wie waarheid sprak, het goede deed en dacht, heroverde zijn ziel op Ahriman en stelde haar opnieuw open voor Ormuzd’s lichtkracht. Niet alleen de mens was bedorven door Ahriman’s duistere werk, maar ook de natuur: Planten waren gaan woekeren, dieren waren wild,v erscheurend of giftig geworden.
Wie de natuur haar gang liet gaan, liet haar over aan de klauwen van Ahriman. Daarom leerde Zarathustra de Perzen, dat zij de natuur ook op Ahriman konden veroveren. Hij schonk aan de eerste koning Djemshid een gouden dolk van Ormuzd. De Perzen leerden met de dolk de aarde open te scheuren, daarna te zaaien, planten te kweken en de soorten te veredelen. Wilde dieren moesten getemd en tot huisdieren worden gemaakt. Het water van de bergriviertjes moest over de akkers worden geleid om de aarde vruchtbaar te maken. Zo werden de Perzen tot landbouwers en zij kregen de aarde lief. Arbeid was tevens godsdienst. Zij wonnen melk, wol, leer en trekkracht, brood en vele veldvruchten. Hun werk was echter niet voor eigen nut, maar in hoofdzaak bedoeld als deel van de strijd voor Ormuzd tegen Ahriman. Hun arbeid moest de aarde terugwinnen uit de macht der duisternis. De Perzische landbouw en veeteelt is van grote betekenis geweest voor de gehele ontwikkeling van de gehele mensheid. De Perzen kweekten onder leiding van hun priesters granen (tarwe, rogge, gerst, spelt uit wilde grassoorten. Onze groenten, zoals sla, kool, uien, peterselie, prei, asperges zijn oorspronkelijk uit Perzië afkomstig, evenals vele vruchten. Appel, peer, abrikoos, pruim en kers zijn Perzisch van oorsprong. De Perzik bewaart de herinnering aan deze oorsprong zelfs in zijn naam.
Vele bloemen, zoaJs lelie, hyacint en roos werden in Perzië voor ’t eerst gekweekt. Paard, rund, schaap, geit, hond, kat, kippen en andere huisdieren werden gefokt uit wilde diersoorten.
Delen van Iran werden langzamerhand herschapen in bloeiende tuinen. Zo machtig werkte Zarathustra’s woord na. De Perzen bleven vóór alles naar waarheid en reinheid streven. De goden vereerden zij door op de bergen grote vuren te branden. Het vuur was heilig en reinigde de wereld.

De Perzen konden hun doden niet toevertrouwen aan aarde, water of vuur. Het lijk behoorde toe aan Ahriman en de zuivere elementen mochten niet besmet worden. Men legde de doden op hoge rotsen of torens neer.

In later tijd wilden dè Perzen het licht van Zarathustra ook onder andere volken brengen. Daarom stichten zij een wereldrijk. Tegen de boze Turaniërs in de vlakten, noordelijk van Iran, voerden zij een lange en heldhaftige strijd; de heldendaden der Perzen zijn later in het koningsboek (SHAM-NAMEH) van FIRDUSI in schone verzen neergeschreven.

In de 6e eeuw voor Christus stichtten de Perzen onder koning KURUSH (CYRUS) een wereldrijk. Deze koning veroverde Babylon en bevrijdde de Joden, die daar in ballingschap zuchtten.

Veltman blz.35

(HET HOOGLAND VAN IRAN.) (voor de leerkracht)

De perzische cultuur staat in het teken van de Tweelingen. Het typische van het tweelingteken is, dat zij elkaar kruiselings vasthouden en dat één kind licht en het andere donker is. Het grandioze van de wereldbeschouwing van Zarathustra bestaat wel hierin, dat in zijn leer de oorsprong van het Boze (terugblijven van dat oorspronkelijk goed was) zo duidelijk is aangegeven. Ahriman is de broeder van Ormuzd. Hij blijft achter in de ontwikkeling en wordt zo tot een macht, die alles vergiftigt en de mensen tot leugen verleidt.

Dr. Steiner geeft aan hoe de oer-Perzen het astrale lichaam tot ontwikkeling moesten brengen. Vandaar hun ongebreidelde woeste hartstochten, waarin de machtige roep om zuivering en reinheid van Zarathustra gaat weerklinken als een muziek, die de wilde dieren tot bedaren brengt. De Turaniërs, nakomelingen van de Atlantische oer-Turaniërs, maken de ontwikkeling niet mee. Zij blijven woeste jagers (recht onder het Tweelingenteken staat de Schutter!) en werden door de Perzen beleefd als een typisch Ahrimanisch volk, waarmee zij een heilige strijd te voeren hebben. Alles wat de Atlantische impulsen wil vasthouden, werkt storend op de nieuwe cultuurontwikkeling. Men denke aan de verwoestende aanvallen der Hunnen onder Attilla, der Mongolen onder Djengis Khan en die der Turko-Tartaren onder Timur-Lenk! Het duistere Turan roert zich nog steeds in de ontwikkeling der mensheid!

UIT DE ZEND-AVESTA

LUISTER NIET NAAR DE LEUGENAAR!
HUIS EN HOF, LAND EN WERELD
ZAL HIJ VERDERVEN!
O, WEER U TEGEN SLECHTE GEDACHTEN.

EENS SPATTE ‘T VUUR
NAAR ALLE KANTEN,
MAAR EENS ZAL’T AL
EEN VUURVLAM ZIJN…….

GA GENE WEG
OF DEZE WEG,
WEES ROOK OF VLAM!
LAAT U VERDRUKKEN
IN DE STIKWALM
OF LAAT U LAAIEND
NAAR BOVEN STUWEN

DE KEUS IS U!

GEBED

IK STEL MIJ OPEN
VOOR ELKE REINE GEDACHTE,
VOOR ELK EDEL WOORD,
VOOR ELKE EDELE DAAD.

IK WEER GEHEEL
ELKE BOZE GEDACHTE,
ELK SLECHT WOORD,
ELKE SLECHTE DAAD.

ALLES WAT MENS HEET,
REIN IN GEDACHTEN,
REIN IN WOORDEN,
REIN IN DADEN,
ZAL IN HEMELSE GLANS WANDELEN OP AARDE.

U ERKEN IK, HEILIGE AHURA MAZDA.
O, KOM OP UIT DE NACHT, TREED UIT HET DUISTER
IN HET LICHT.
EN GIJ, WORDT WARM, VERSTEENDE HARTEN!
MIJN WOORDEN ZWIJGEN: HEILIGE STILTE HEERST…..
DE WAARHEID STROOMT DE WERELD IN,
DE ZON BUIGT NEER TOT IEDER WEZEN.
SCHENK OOGST EN WASDOM, O, AHURA!

Uit de Avesta
          Vendidad  (Farkant III).

“Schepper van de Aarde-Wereld, Reine Geest!
Hoe groeit de Reinheid volgens Uw Wet?”
Toen antwoordde Ahura Mazda:
“Wanneer men ijverig graan verbouwt,- …….
O,heilige Zarathustra!
Wie de vruchten des velds kweekt,
Hij bevordert de Reinheid
Evenals met 100, met 1000, met 10.000 gebeden!
Wanneer er vruchten komen, sissen de deva’s
Wanneer  het graan opkomt, hoesten de deva’s
Wanneer de halmen groeien, huilen de deva’s
Wanneer er dikke aren zijn, vluchten de deva’s.
Zij vluchten ter helle als gesmolten ijzer…..”

De belangrijkste Perzische gebeden: Ashem Vohu en Ahuna Vairya werden evenveel gebeden als Paternosters en Avemaria’s.

Men begon bij het opstaan 5 Ashem-Vohu’s op te zeggen.

Ashem Vohu

Reinheid is het hoogste goed
Zegen Is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

Ashem Vohû Vahistem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai
Vahistâi Ashem.

Yatha Ahu Vairya
                (Ahuna Vairya of Honover)

Naar ’s Heren wil doet hij
Die uit Reinheid handelt.
De gaven van de Goede Geest.
Geworden hem voor daden die
Hij voor Ahura Op aard’ volbrengt.
Wie Armen steun verleent,
Vermeerdert Mazda’s Lichtrijk.

Veltman blz. 13

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Perzië

5e klas: alle artikelen

929-860

VRIJESCHOOL – 2e klas – een ouderavond

.

Een moeder doet verslag van een ouderavond:

Ouderavond van de 2e klas, periode aug. 82- jan.83.

Van de angstige “ie”, de deftige “eu”, en nog veel meer.

Gezeten achter de tafeltjes, beladen met periodeschriften, schildermap en niet meer zulke bloemrijke plantjes; ramen voorzien van prachtige transparanten en een bord vol “stralende” en “glanzende” letters; hoorden we hoe hard de klas had gewerkt.

Onze tweede klas, die inmiddels 16 leerlingen telt, heeft het goed voor zijn kiezen gehad, zowel qua stof als qua ruimte geven aan elkaar.

Juffie Marianne lacht nog stralend en vindt dat met alle “instappers” de klas een fijne gemeenschap is gebleven. Goed gedaan Mensjes!

Nu even het rekenen. Juffie gaat ervan uit dat je bij het rekenen plezier moet hebben. En plezier hebben ze wanneer een eigenwijs stokje langs de getallen van 1 tot 100 danst en zo juffie tot stilstand of tot hollen brengt, want zij zit aan het stokje vast. Klappend en stampend bukkend, springend, lopend worden de tafels van 1 -2-3-4—5 — en 10 ingeoefend.

Bij het getallendictee doen de koning (de tientallen) en de knechten ( de eenheden) hun werk, geen enkel kind keert de getallen nog om en dat is behoorlijk knap.

De vier hoofdbewerkingen + , – , : , x , worden iedere dag gedaan.

Om dit steeds gezellig en inspirerend te houden, worden er heel wat verhalen verzonnen.

Hoe alles schriftelijk verwerkt wordt, is te zien in de periodeschriften.

De vertelstof in de tweede klas zijn fabels en legenden. De taalperiode was vooral rond het feest van St.-Maarten geplooid. De kinderen hebben toen ook een spel gespeeld, eerst voor de 1e klas, later voor de ouders.

De legendarische muizen op juffies zolder hebben heel wat werk gehad om van de grote letters net zoveel af te knabbelen tot er kleine letters over bleven. Op het einde van deze periode werden voor het eerst kleine letters geschreven. Hiervoor werden ze getekend, geknipt en geplakt.

Als je de periodeschriften ziet, vallen de gekleurde letters erg op en – er blijkt een systeem in te zitten. De blauwe letters zijn de vormletters (de medeklinkers) en de rode letters zijn de klank of engelenletters (de klinkers).

En dan nog de tweeklanken: de ie – ou – au – eu – ei .

Bij iedere tweeklank hoort een verhaal. In het kort het verhaal van de “ie”. De “i” liep in een donker bos en de “e” liep ook in datzelfde enge bos. Ze waren beiden nogal angstig en liepen dus uiterst behoedzaam. Plotseling botsten ze tegen elkaar op en slaakten gezamenlijk de angstkreet ..ie…ie…; ziehier de geboorte van de “ie”.

Het a-b-c wordt veel gesprongen. Twee kinderen aan het touw en de rest maar springen: langzaam, snel, alleen, samen; ook wordt het a-b-c van achteren naar voren geoefend.

De versjes op het bord worden vaak uit de fabels gehaald en gebruikt voor het leesonderwijs. Zinnen worden in stukken geknipt, worden veranderd, worden langer of korter gemaakt. Woorden worden opgezocht.

Er wordt hard gewerkt aan de “stralende” en “glanzende” letters.

Stralend zijn de aa – oo – ee – uu b.v. in: naam.

Glanzend zijn de a-o-e-u b.v. in: nam.

Stralende letters klinken en schijnen heel ver, het gebaar erbij is ook groot en open. Glanzende letters klinken en schijnen dichterbij, het gebaar is ook kleiner. En zo komen we terecht bij euritmie.

Gesteund door de begeleiding van Madeline neemt juffie Sofie de kinderen mee in de allesomvattende bewegingswereld van woord – klank en gebaar.

De blokfluit wordt iedere dag ter hand genomen en de kinderen spelen op het gehoor. Hele liederen komen al uit de instrumenten vloeien, nou ja, soms is het meer een riviertje vol met stenen, maar ze halen de overkant.

Verder haak ik nog even in op de bordenkwast, die in de klas hing.

Er wordt wat afgehaakt, meterslange kleurige gehaakte koorden; het voorwerk voor een echte heuse ouderwetse kwast. Je moet er maar op komen.

De Engelse juf komt nog trouw en de Franse columbine is pas gearriveerd, we wensen haar une grande succes. Vormtekenen wordt steeds moeilijker en vooral dat “spiegelen” is niet mis.

Nu nog even schilderen en dan ben ik klaar. Vergeet het maar, even schilderen is en niet bij, met volle aandacht worden de kleuren naast elkaar gezet. Het ziet er prachtig uit en straalt de werkintensiteit uit.

Ga maar lekker door met z’n allen en deze moeder nu naar bed, want ik ben voldaan en dan mag je slapen gaan.

Marlies van Oers, vrijeschool Alphen aan den Rijn, jan. 1983

2e klas: alle artikelen

925-856

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – nabootsing

De nabootsing bij het kind
.

Dat kinderen alles nadoen wat er om hen heen gebeurt, is bekend. Iedereen heeft wel eens meegemaakt hoe kleine kinderen naast volwassenen gaan staan en hun gebaren nadoen; zij bewegen hun benen, hun handen en schrapen hun keel heel precies zo.
Wie dan ook de gelegenheid heeft, gade te slaan wat jonge kinderen spontaan spelen, zal kunnen constateren dat het zgn. arbeidsspel daarbij een grote plaats inneemt. En geen wonder, want wat is beter in staat het
kinderideaal: volwassen te zijn, te verwezenlijken dan juist de mensenarbeid?
De dartele fantasie waarmee de meest onwaarschijnlijke dingen tot zeer bruikbare attributen van die mensenarbeid worden omgetoverd, wordt met de grootste ernst gehanteerd!

Een enkel voorbeeld van een “arbeidsspel” spontaan door kinderen gespeeld:

Een kind loopt rond met een bakkersmuts op en een kist met blokken, pittenzakken in zijn. handen. Hij roept: “Lekkere broodjes, taartjes te koop”. Hij straalt als ik met een mand in mijn hand het een en ander kom kopen. Daarna gaat hij met nog meer overtuiging ‘verkopen’.

Het is is waarschijnlijk voor de meeste volwassenen wel duidelijk, dat dit  alles gezond en goed spel is. Maar……het is niet altijd zo. Het kan ook gebeuren, dat men onze kinderen aantreft terwijl ze in soort bezetenheid een auto of een straaljager besturen….. en alleen maar dit. Ze zijn de machine zélf en produceren daarbij geluiden die niets menselijks meer hebben. Hun ogen staan wild en er is geen verband meer tussen hen en de omringende mensenwereld.

Hier ligt een verantwoordelijke taak voor ons volwassenen.

Want al kunnen wij niet veel van de invloed, die dit veroorzaakt, weren, we kunnen wel onze kleuters zoveel mogelijk ertegen beschermen, en ze, liever dan b.v. naar Schiphol, meenemen de natuur in. Waar alles nog organisch verband heeft, waar nog stilte te beluisteren valt, waar bet groeizaam is voor hun ontwikkeling en ze niet aangerand worden door de vele heftige indrukken, die de voortbrengselen der techniek teweegbrengen (natuurlijk is het niet altijd te vermijden dat kinderen blootgesteld zijn aan schadelijke invloeden, maar in dat geval is het goed dat men het zich terdege bewust is en voor tegenwicht kan zorgen).

En ook in het zo-even aangeduide spel kunnen, ja moeten we ingrijpen, om ze tot iets positiefs om te vormen. We kunnen de kinderen van deze bezetenheid verlossen door een menselijk doel aan hun gerace te geven. Niet waar: er kunnen toch mensen in dat vliegtuig zijn, die naar vreemde landen reizen en daar uitstappen en van alles beleven! Of brieven en pakken die bezorgd moeten worden. En die auto kan de auto van de groenteboer zijn, die rondrijdt om groente te verkopen.

En nu komen we vanzelf op de arbeidsspelen die wij bewust met de kinderen doen. Extra opbouwende kracht is het, als kleine kinderen kunnen meemaken (niet: uitgelegd krijgen) hoe een ding ontstaat door verschillende ambachten heen, als zij mogen beleven wat er allemaal aan mensenwerk gedaan moet worden voordat het zijn boterhammetje met jam op zijn bordje heeft, die in de eerste oorsprong altijd geschenken van zon en aarde zijn. Dankbaarheid groeit daar op natuurlijke wijze.
Hier volgt een voorbeeld van een arbeidsspel aangepast aan het jaargetijde en het komende jaarfeest:

Dwergenspel;

Zeg heb je ’t al vernomen
De herfst is weer gekomen
Het herfstvrouwtje tovert in het woud
Alles geel en goud.

Hoor de wilde wind eens waaien
hoor hem woelen door het bos
alle takken twijgen zwaaien
en de bladeren breken los.

Liedjes:

Blaadjes val maar neer (2x)
het is geen zomer meer (2x)
blaadjes maar neer

en:

Alle blaadjes klein en groot
worden geel en worden rood
dansen dan wel duizend keer
dwarrelen op da aarde neer
op de aarde neergevlijd
vormen zij een mooi tapijt
lopen wij nu stil en zacht
op die mooie bonte vacht.

Waaiewind waait in de bomen
Maar wij laten ons niet storen
Houden onze mutsen vast
Aan de punt en aan de kwast
Stevig stappen wij zo voort
Zingen blij zoals het hoort.

Hé kijk eens wat hier staat
Rozebottels, rozebottels
rode kralen ia de haag
nu de bloemen weg zijn
kunnen we met jou heel blij zijn
met je rode ronde buikje
en je grappige groene pruikje

En de dwergen plukken hun mondjes vol
zodat ze in hun huisje straks heerlijke jam kunnen maken

Plukken plukken
zonder te rukken

Zeg kabouters kijkt eens aan
zien jullie ook de paddenstoelen staan
Bruine, witte, gele
en ook rode. op lange stelen
Bolletjes, tolletjes, parasolletjes

Kom we gaan nog even bij de smidkabouter langs
(ijzer: Michael)

De hamer slaat de hamer slaat
Op het aambeeld van vroeg tot laat
Het vuurtje vlamt nu rood en fel
De slagen klinken hard en hel
Hij smeedt ’t ijzer voor het zwaard
Hij maakt !t heet en slaat met vaart
Zijn hamer zwaait hij flink en sterk
O hei,  de smidkabouter is aan het werk.

Ben ik dan niet een flinke smid
die met vlijt zijn kost moet winnen.
Dat gaat altijd altijd voort                       ,
Alle dagen zoals het hoort
Van je rikker, de tikker de rikker de tik (2x)

Nadat de dwergen goed meegeholpen hebben, gaan ze naar huis want het wordt al donker.

We zingen:

Michael, Michael hoort ons aan
en laat ons met uw mede gaan.
Door ’t donkere bos en ’t wijde veld
Michael, Michael sterke held.

We komen bij ons huisje, vegen onze voetjes
deurtje open, deurtje toe
O, wat zijn. de dwergjes moe
Maken we een gezellig vuurtje
dan spelen we eerst een uurtje
voordat we jam gaan maken.

Als de kleuters gaan spelen, zie je vaak zo’n spel terug komen. Kinderen die in hun huisje al ’n potje jam gaan maken, of een kind dat de smidkabouter naspeelt. Op deze manier “roest” een .spel niet vast omdat je telkens het kind nieuwe elementen aanbiedt, wat het in zijn spel kan verwerken.

Een ander kringspel i.p.v. ’t arbeidsspel rond dit jaargetijde is het spel van Sint Joris:

Een kind speelt St. Joris. Een paar kinderen achter elkaar met een laken over zich heen zijn de draak en een koningsdochter die in nood is.

De rest van de kleuters zingt het lied terwijl ze in een kring zitten, zij zijn in het paleis.

Komt heffen wij allen een feestlied aan,
kyrieleison
Van ridder Joris, de heilige man
kyrieleison
De koningsdochter is in nood
kyrieleison-
Het lot veroordeelt haar ter dood
kyrieleison

(hierbij moet de koningsdochter treurig kijken)

Maar daar komt ridder Joris aan
(op een stokpaard, in zijn hand een zwaard)

Hij zingt: “Ach jonkvrouw wat is u misdaan”,

De jonkvrouw zingt: “Geofferd word ik ’t wilde dier
dat komt mij nu verslinden hier”

Sint Joris zingt: “Dan zal ik voor u komen staan
en met Gods hulp de draak verslaan.”

Dan komen de kinderen onder de doek eraan, de draak; en Sint Joris verslaat de draak met zijn zwaard.
Het is een zeer geliefd spel bij de kleuters. Vooral de draak en Sint Joris te mogen zijn.
In het vrije spel zie je het dan ook telkens de kinderen uitspelen.

(nadere gegevens onbekend)
Nabootsing
Nabootsing

910-841

.