Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14/2)

.

Elisabeth von Thüringen

Koning Adreas en zijn gemalin Gertud van Hongarije moesten lang wachten tot er bij hen een dochtertje werd geboren.
Zij gaven haar de naam Elisabeth.

Zij was zo’n allerliefst blij meisje, dat haar ouders vaak dachten dat er een engeltje aan hun voeten zat te spelen en te praten.
Het liefst was ze in de slotkapel en ze verbaasde zich over de gekleurde ramen. Op een keer klom ze de kansel op, zong en juichte, zodat de geschrokken kinderjuffrouw het meisje naar buiten droeg. Maar vaak ging ze stilletjes alleen de kerk binnen. Dan pakte ze het gebedenboek van de priester. Ze hield het vaak ondersteboven vast, omdat ze nog niet kon lezen, maar ze bad en zong eruit, zoals de priester deed, alleen veel helderder en harder. De houten en stenen beelden van de ernstige apostelen zouden zeker een glimlach om de mond hebben gekregen als dat zou hebben gekund.

In deze tijd leefde een landgraaf die Hermann van Thüringen heette. Zijn zoon Lodewijk was een paar jaar ouder dan de kleine Elisabeth. De landgraaf dacht bij zichzelf: ‘De dochter van de machtige koning van Hongarije zou de juiste bruid zijn voor mijn zoon Lodewijk. Om er zeker van te zijn dat zij zijn bruid en latere vrouw wordt, zouden beide kinderen zich nu maar alvast moeten verloven.’

Hij stuurde dit voorstel met prachtige geschenken met vorstelijke huwelijksbemiddelaars naar koning Andreas van Hongarije. Hij kon het er mee eens zijn dat zijn dochtertje naar het prachtige slot Wartburg in het rijke land van Thüringen ging.
En zo groeiden de twee vorstenkinderen in vriendschap op, als waren ze broer en zus. Ze waren zeer op elkaar gesteld.

Toen Elisabeth zeven jaar was, stierf haar moeder. Maar vanaf dat ogenblik verscheen zij als beschermende engel vaak in haar dromen of wanneer ze in stil gebed verzonken was.

Niet lang daarna stierf ook de vader van Lodewijk, de graaf van de Wartburg. Nu stonden de kinderen alleen onder het gezag van de strenge moeder van Lodewijk, landgravin Sofie. Die zag niet graag dat Elisabeth tegen alle mensen, ja ook de meiden en knechten van het slot, aardig en vriendelijk deed.
Telkens als ze naar de kerk gingen, hing Sofie Elisabeth een gouden ketting om. Heel vaak drukte ze haar ook een gouden kroontje met edelstenen op haar hoofd. Elisabeth moest handschoenen dragen. Een bediende droeg fluwelen kussens de kerk in waarop de edelvrouwen en Elisabeth konden knielen. Maar zodra het meisje in de kerk kwam, trok ze haar handschoenen uit. Die deed ze met de ketting en de kroon in haar handtasje. Tijdens de dienst knielde ze naast het fluwelen kussen op de harde vloer. Daar ergerde de trotse vrouwe Sofie zich aan en ze verweet Elisabeth dat ze dit deed: ‘Je moet niet als een gewone meid knielen en waarom doe je die prachtige sieraden af?’
Elisabeth antwoordde: ‘Wees niet boos op mij, lieve moeder! Voor Christus zijn alle mensen gelijk.’
Toen wendde vrouwe Sofie zich tot haar zoon, de bruidegom van Elisabeth en zei: ‘Je moet haar verbieden zo alledaags te doen!’
Maar Lodewijk antwoordde: ‘Laat Elisabeth toch begaan! Ik ken geen beter hart dan dat van haar en ze is mooi en waardig zoals ze is, ook zonder goud en edelstenen.’
Toen kon moeder Sofie niets meer zeggen. Maar voor haar zoon had ze graag een andere bruid gezocht.

Op een keer roerde ze aan of Lodewijk nu echt Elisabeth als bruid wilde houden. Toen wees hij op een berg en zei: ‘Ook al was die berg van goud en men zou mij die aanbieden, dan zou ik Elisabeth daar niet voor geven.’

Bij hun bruiloft werden er drie dagen lang ridderspelen gehouden en er waren allerlei feestelijkheden. Lodewijk leidde Elisabeth naar het altaar. Vanaf die tijd woonde het jonge paar in innige liefde voor elkaar op de Wartburg. Uit liefde voor Elisabeth liet Lodewijk een rozentuin aanleggen.
Vaak reden ze samen door het land om het leven van de mensen daar te leren kennen. Waar Elisabeth nood en zorgen aantrof, bood ze hulp aan.
Ze kregen drie kinderen, een zoon en twee dochtertjes.

Op lange winteravonden spon de jonge gravin garen met de bediendes van het slot. Als er doeken van waren geweven, schonk ze die aan de arme mensen zodat die zich beter konden kleden.
Van een rondtrekkende geneesheer die een tijd aan het hof verbleef, leerde Elisabeth veel over de geneeskunst. Met de dienstmeisjes verzamelde ze geneeskrachtige kruiden, leerde wonden behandelen en koortsige ziekten verzachten. Voortaan ging ze ook met de meisjes naar de dorpen om de zieken te helpen. Geven en helpen waren haar grootste vreugde. Er ging geen dag voorbij of ze gaf voedsel aan wie honger had en ze lenigde vele noden.

Af en toe, wanneer moeder Sofie haar zoon Lodewijk zag, zeurde ze hem aan zijn hoofd: ‘Die Elisabeth verspilt je bezit! Wanneer dit zo doorgaat, kun je op zekere dag je slot verkopen!’
Maar Lodewijk liet zich niet gek maken. Hij hield Elisabeth alleen voor dat ze de ontvangers van haar gaven goed zou moeten kennen, want er zat ook bedelvolk bij dat te lui was om te werken.

Op een dak kwam Elisabeth van de berg naar beneden gelopen. In haar schort droeg ze broden mee die ze wilde uitdelen. Toen kwam haar gemaal te paard naar boven gereden. Hij vroeg: ‘Elisabeth, wat heb je daar in je schort? Zij antwoordde glimlachend: ‘Rozen voor de armen!’ en ze opende haar schort. Graaf Lodewijk knikte haar toe; want hij begreep de strekking van haar woorden.

Steeds vaker moest de landgraaf voor langere tijd op reis. Toen hij op een keer thuiskwam, liep zijn moeder Sofie hem tegemoet en klaagde: ‘Die Elisabeth heeft een vreemde kerel in haar woning genomen; van die houdt ze misschien wel meer dan van jou!’
Toen Lodewijk zijn gemalin begroette, vroeg hij haar naar de vreemdeling. Elisabeth liet hem daarop een melaatse man zien die zij op een bed had gelegd en wiens wonden al begonnen te genezen. De landgraaf sprak tot de zieke: ‘Een betere verpleging kun je niet krijgen. Wees welkom in mijn huis!’

Toen werd het land getroffen door een ernstige misoogst. De prijzen gingen omhoog en alle voedsel werd schaars. Graaf Lodewijk moest daarom een lange reis ondernemen naar ver weg gelegen streken. Daar hoopte hij graan te kunnen kopen voor zijn land.
Toen er iedere dag veel hongerlijders naar de Wartburg kwamen lopen, opende Elisabeth de voorraadkamers en opslagruimten. Dag voor dag ontvingen honderden mensen voedsel van haar. Omdat de voorraden niet groot genoeg waren, verkocht zij haar kostbare sieraden uit Hongarije en een groot aantal boerderijen met land en bijgebouwen.

Toen de landgraaf weer thuiskwam, beklaagde zijn moeder Sofie zich opnieuw over de verkwisterin die zoveel goederen verkocht had. Toen antwoordde Lodewijk: ‘Als ze maar niet de Wartburg verkoopt, zolang vind ik het goed.’

De jaren gingen voorbij. Toen besloot graaf Lodewijk met keizer Frederik ll een reis naar het heilige land te maken. Elisabeth wist van de gevaren van een kruistocht. Ze was bang voor wat er met haar en de kinderen zou gebeuren, als ze alleen achter zou blijven. Desondanks zei ze tegen Lodewijk: ‘Ga in Christus’ naam: ook ik zal mijn kruis dragen.’

Opdat het land Thüringen tijdens de afwezigheid van de graaf niet zonder heer zou achterblijven, benoemde Lodewijk zijn jongere broer Hendrik als plaatsvervanger. Hij moest zweren Elisabeth, de kinderen en het land te beschermen. Voor het afscheid schoof Lodewijk een ring met een blauwe edelsteen aan de vinger van zijn echtgenote. Toen Elisabeth haar echtgenoot in de verte zag verdwijnen, kreeg ze een voorgevoel dat zij elkaar op aarde niet meer zouden terugzien. En dat was zo.

Een paar maanden na het afscheid van Lodewijk was er een teken. Toen Elisabeth bij het slapengaan haar handen vouwde om te bidden, merkte ze tot haar schrik dat de blauwe steen uit de ring was gevallen. Hoe er ook werd gezocht, die was nergens meer te vinden.
Toen kwam de droevige boodschap dat graaf Lodewijk aan een verraderlijke ziekte was gestorven. Het bleek dat hij op dezelfde dag was overleden waarop zij de steen was verloren. Elisabeths hart was diep bedroefd en leed.

Hendrik, de jongere broer van Lodewijk, luisterde naar slechte raad. Hij geloofde, nu zijn broer dood was, dat hij zich niet meer aan zijn belofte hoefde te houden. Elisabeth werd aangeklaagd dat ze de goederen van de graaf verkwanseld had. Midden in de winter werd ze gedwongen om de Wartburg met haar kinderen te verlaten. Het werd haar verboden ook maar in de buurt te komen. Dagenlang was Elisabeth met haar kinderen op de vlucht. Een poosje mocht ze bij mensen die medelijden met haar hadden, in de schuur blijven; met de kinderen sliep ze op een bed van stro. Nu was de armoede haar zuster geworden. Nu moest ze de laatste gouden ring die ze had, verkopen. Toen trok ze bedelend met haar kinderen van deur naar deur. Uiteindelijk nam een verwant van haar, de bisschop van Bamberg de verdrevene op en gaf haar een woonplaats in slot Bodenstein.

Een jaar later kwamen de ridders van Thüringen die met Lodewijk meegetrokken waren, van de kruistocht terug. Ze vernamen in wat voor ellende Elisabeth en de kinderen terecht waren gekomen door de eedbreuk van graaf Hendrik. Ze pakten hem streng aan. Hij moest het erfdeel van Elisabeth afstaan en haar haar rechten teruggeven. Elisabeth nam het aan zodat ze weer goed zou kunnen doen. In de stad Marburg liet ze een ziekenhuis bouwen. Als moeder van de zieken diende ze hier voortaan als een eenvoudige helpster.

Elisabeth had haar vader, de koning van Hongarije, niet op de hoogte gesteld dat ze was verdreven. Maar langs omwegen had hij toch gehoord van de dood van haar gemaal Lodewijk. Hij zond nu graaf Panyas uit om over de lotgevallen van zijn dochter te vernemen. De graaf vond haar in haar ziekenhuis gekleed als een dienster, terwijl ze wol zat te spinnen. Graaf Panyas zei tegen haar: ‘Nooit is er een koningsdochter gezien die in zulke armoedige kleren wol zat te spinnen. Dat zal uw vader verdriet doen.’
Elisabeth antwoordde: ‘Ik ben een eenvoudig mensenkind en zou graag een kind van God worden.’
De graaf probeerde haar over te halen: ‘Elisabeth, kom met uw kinderen naar Hongarije terug naar het huis van uw vader. ‘Zij antwoordde: ‘Hier, waar ik God en de mensen kan dienen, is mijn vaderhuis.’

En Elisabeth bleef bij de armen en zieken in Marburg. Maar de vlam van het leven had in haar zo krachtig en snel gebrand, dat zij jong, al met vierentwintig jaar, gestorven is. Haar lichaam werd op de vierde dag na haar dood nog helemaal fris en onaangedaan in Marburg in het graf gelegd. Op die plaats bouwde men ter herinnering de Elisabeth-kerk. Vanaf die tijd maakten de mensen een pelgrimstocht naar haar graf en nog altijd klinkt haar naam door in de harten van mensen.

.

Naar het verhaal van Jakob Streit*

Elisabeth en Lodewijk in het huwelijksbed
Op de Wartburg (2020)

Elisabeth van Thüringen op deze blog

Elisabeth von Thüringenmeer

*De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstofalle artikelen

Alle biografieën

.

2347-2202

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/9)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over dieren gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een paard betekent dit, een kikker betekent dat.

9. DIEREN

Dieren zijn zinnebeelden van onze driften en instincten. Als een mens in een dier wordt veranderd, dan betekent dit een wegzinken van een typisch menselijke kracht zoals het verstand naar het dierlijke, animale niveau. 
Wanneer een dier echter mens wordt, vind het omgekeerde proces plaats: uit een zuiver instinctief, driftmatig beleven. wordt bewust het leven van ziel en geest ontwikkeld
Sprekende dieren in de sprookjes duiden erop dat ook in de driften een grote mogelijkheid tot uitdrukken gegeven is.

a] Veld- en bosdieren

Beer

Aan de ene kant zijn logge, zware lichaam, aan de andere kant een bepaalde souplesse die bij het rechtop gaan en dansen een merkwaardige gelijkenis vertoont van iets van de mens; zijn doffe slaperigheid samen met de plotselinge wakkerheid, maken hem in negatieve zin tot het beeld van de zwaarte, ook van de doffe hartstochten die ons voortdurend wegtrekken naar het aardse en ons daaraan willen binden, zodat het elan en de beweeglijkheid van de geest tekortschieten en het zich kunnen oprichten zoals dat bij het echte mens-zijn hoort, niet actief kan worden. Het diersymbool dat het vaakst voorkomt in Russische sprookjes.
In positieve zin kan echter deze zelfde kracht op aarde een uitstekende ijver worden, rechtschapenheid, trouw aan alles wat normaal, natuurlijk doen is. Geliefd dier op wapens.

Bij

Zij verandert de fijnste plantensubstanties in het zonnevoedsel van de honing. Ze leeft niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een bijenvolk. Leven en activiteit vindt plaats onder de heerschappij van de zon. Het geslachtelijke concentreert zich op de koningin. De bijen staan voor het onegoïstisch samenleven.

Egel

Hij kan zich tot een bolletje oprollen en zich weer strekken. In geestelijke betekenis is zich tot bol maken, de kosmos begrijpen, als een innerlijke eenheid begrijpen. Zich weer strekken betekent: op het volgende ogenblik weer in de normale bewustzijnstoestand verkeren. In de middeleeuwen gold hij als symbool voor de ingewijde.

Haas

Hij is een planteneter, doet geen enkel ander dier kwaad, hij is het meest vervolgde dier van allemaal. Als een haas door honden opgejaagd wordt en niet meer verder kan, trekt een andere de aandacht van de honden naar zich toe en redt de haas die achtervolgd werd. Zo werd de haas het waarachtige beeld van het instinctieve, onegoïstische Ik dat niemand kwaad doet, zelf door egoïsten achtervolgd, zich inzettend voor zijn broeder.

Hert

Het gewei is van oorsprong geen bot en geen hoorn, maar een bloedvatenstelsel. Dat hij zijn bloed boven zichzelf kan opheffen en juist boven zijn kop waarin de afbouwkrachten de overhand hebben, maakt hem tot beeld van het omhoog-strevende. In vele sagen wordt over dit als realiteit beleefde beeld gesproken. Het stichten van sommige kloosters gaat erop terug, verg. het witte of het gouden hert, het hert van Sint-Hubertus. 

Leeuw

Zijn machtig ontwikkelde kop en borst waarin alle uitdrukkingskracht geconcentreerd is, zijn dapperheid en kracht die ieder ogenblik tot een sprong kan worden, maken hem tot symbool van hartenmoed en hartenkoenheid, maar ook van doldriestheid en overmoed.

Muis

Niet voor niets noemt Goethe in zijn ‘Faust’ Mefisto de heer van ratten en muizen. Het knagen en woelen van de muis in de aarde, het spookachtige heen-en-weer roetsjen, tevoorschijn komen en verdwijnen hebben iets onheilspellends. Het maakt hem tot beeld van het eenzijdig gevangen zitten in het aardse, dikwijls verwant aan duivelse krachten. Dit gevangen gebonden-zijn aan het aardse kan echter ook als positieve eigenschap het muisje tot helper maken. 

Mier

Die leeft helemaal op de aardebodem gericht; ze bouwt haar mierenhoop op uit aarde en plantenresten, zodat ze hoofdzakelijk werkt met ‘dode’ materie. Bij de Ouden was haar ijver al spreekwoordelijk. Deze eigenschap is het ook die in de sprookjes tot symbool wordt voor de op de aarde gerichte ijver.

Panter = tijger

Ree

Met de ree verbinden wij het schuwe, het vluchtige en het ronddwalende. Zo is de ree ook in het sprookje het beeld van een doelloos, gedwongen dwalen, een zoeken zonder plan dat in overmaat de mens rusteloos en oppervlakkig maakt.

Slang

Het meest komt de slang voor als de verleidende macht, zoals in het scheppingsverhaal. Daar is ze het beeld van de begeertenatuur. In het beeld van de witte slang vertoont zich de levenskracht die onschuldig is gebleven. De slang is een dier dat het vermogen heeft, zich steeds weer in een nieuw vel te vertonen en op deze manier zich te vernieuwen. Zo wordt ze sinds de oudste tijden in de mythen en sprookjes van vrijwel alle volkeren tot beeld van zich vernieuwende krachten.

Tijger

Tijger en panter bespringen hun prooi, verscheuren die en vreten die op. In het negatieve zijn ze het beeld van een innerlijke gespletenheid, een volledig gebrek aan concentratie. In positieve zin: beeld van een zelfstandig worden door een energiek los willen komen van remmende bindingen.

Vos

De bewegelijke, listige vos representeert de sluwheid die in eerste instantie als een vanzelfsprekende drift in de mens op de achtergrond meespeelt. Als zuivere natuurdrift is deze op zijn plaats en noodzakelijk; Goethe heeft er een heel epos aan gewijd. Maar de vos moet wel getemd worden, anders gaat het bij hem alleen maar om eigen voordeel en gaat hij bij iedere gelegenheid ongeremd te werk.

Wolf

Met ongeremde begeerte en ‘duivelse’ sluwheid weet de wolf aan zijn prooi te komen. Zo wordt hij het symbool van wie het levende verslindt, de zielendood brengt; hij staat voor de macht van verdraaiing en leugen die de hogere plaats van de geest zou willen negeren en het innerlijk leven in de duisternis van het materiële sleuren. (In de mythe van de Fenriswolf)
In positieve zin: gezond materialisme als tegenwicht voor het wereldvreemd worden.

b) Huisdieren

Ezel

Het is geen rijdier, maar een lastdier, buitengewoon tweeslachtig als wezen: slim en wijs in zijn instinctieve zekerheid, maar ook onberekenbaar en koppig; geduldig bij het dragen van lasten, dwarsliggend voor de drijver. Hij is zinnebeeld van onze lichamelijke natuur die het helderziende oerweten kwijtraakte zoals de Egyptische mythe het beschrijft; daarvoor in de plaats echter verkreeg hij intellectueel verstand, met als gevolg zijn gespletenheid in wezen en willen.
In de taal beeldend: ‘Ik, ezel die ik ben’, ‘een ezel stoot zich in’t gemeen niet tweemaal aan dezelfde steen’, het ‘ezelsbruggetje’.

Geit

Overal aan sabbelend, naar iedere hoek kijkend, overal aan likkend. wordt de geit tot symbool van de nieuwsgierigheid, ook het naïeve willen weten. In de mythe: Odins geit Heidrun. In het sprookje komt het erop aan van wie de geit is. 

Hond

Zijn meest opvallende eigenschap is zijn reukzin, speurzin. Zo werd hij het symbool van onze speurzin, wij zeggen: ‘een fijne neus voor iets hebben’. Het is een onbewust instinct; net zo veelzijdig als bij de talloze hondensoorten hoort. De goede hond is de innerlijke padvinder, de boze hond de snuffelaar die het gemene en lage speurt. Cynisme is in het Grieks ‘de manier waarop een hond denkt.’

Kat

Het huisdier en tegelijkertijd het kleine roofdier. ’s Avonds wordt haar instinctleven bijzonder actief; De Grieken namen dit instinct bij de mens waar op de grens van ‘deze en gene zijde’. speels en onderdanig, uit een diepe slaperigheid plotseling klaar wakker, een sprong aanzettend, Zo wordt zij het symbool voor de drang naar liefde die in onschuldige speelsheid wakker wordend, de mens plotseling in bezit kan nemen.
De Egyptische godin van de liefdesbegoocheling, Bastet, wordt voorgesteld met een kattenkop.

Koe

Bij de koe is de stofwisseling bijzonder sterk ontwikkeld; ze is een herkauwer die zeven keer verteert. Voor het innerlijk menselijke staat ze symbool voor de voedende levenskracht in het gebied van de stofwisseling. De moederlijke basis van de stierachtige wilskrachten.

Paard

Al duizenden jaren wordt het paard als rijdier gehouden. Je kan het makkelijk sturen en het heeft een grote intelligentie. Symbool van het instinctieve verstand die door de leidende mensengeest naar vele doelen wordt gebracht. Wie zijn paard temt, wordt meester van zijn gedachtekracht.
Beeldende taal: ‘zich vergalopperen’, een ‘principerijder’

Stier

Hij is de imaginatie van de in de ondermens levende krachtige wilsdriften in de stofwisseling en in het seksuele. De stierengevechten van de oudere culturen duiden op de beheersing en overwinning van deze driften.

Varken

Al in oude diersymbolieken werd de relatie genoemd tussen de aardegodin en de stoffelijke wereld. Zijn drang om de aarde om te woelen en zich in de modder  te wentelen, maakt het tot een beeld van een eenzijdig zich richten op het aardse. wordt deze drift met de speurzin, het cynisme, samen genomen, ontstaat het beeld voor de ‘Schweinehund’. Zwijn.

Zwijn = varken

c) waterdieren

Kikker

Zowel op het land als in het water is hij in zijn element. Hij reageert zeer gevoelig op het weer en de atmosfeer; hij werd graag als weersvoorspeller gezien. In zijn ontwikkeling van kieuwademhaling naar longademhaling maakt hij verschillende stadia door. Met het oog op deze verandering wordt hij tot symbool van een onbewuste metamorfose van het menselijk bewustzijn. 
Op het land en in het water leven betekent: in de wereld van de levende ziel net zo thuis zijn als in de wereld van de materiële dingen, de zintuigwereld. De kikker is het symbool voor het vermogen geestelijke inhoud waar te nemen en als geestelijke sfeer te begrijpen – dus weersvoorspeller in geestelijk opzicht te zijn. 

Pad

In onze sprookjes is ze symbool voor de seksualiteit.
De weglopende padden aan de middeleeuwse kathedralen duiden op verstoten dat reinigt.

Vis

Hij heeft geen eigen warmte en is één met de hem omringende wereld van het water. Hij heeft nog geen bloedwarmte en daardoor nog geen egoïsme; hij is het beeld van de natuur die zonder zonde is, onschuldig.
De vis staat ook als beeld voor geestelijke ervaringen, voor gedachten die niet gedacht – dus niet ‘gesponnen’- worden, maar beeldrijk ‘opduiken’ uit de diepte van de ziel.

De vogels staan in [3-3/10 ]

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2345-2200

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – alle artikelen

.

[1-1] Germaanse mythologie in de 4e klas
Gerard Reijngoud over: de dramatiek in de verhalen en de dramatiek in de ontwikkeling van de 10-jarige; deze ontwikkeling weerspiegeld in het leerplan: rekenen, taal; Thor en Utgard-Loki, verhaal in het kort; 

[1-2] De Edda als vertel- en recitatiestof
M.v.d.Made over: het ontstaan van de Edda; alliteratie; de 4e-klasser en de Edda; de Rubicon;

[1-3] Na de Edda
De verhalen uit de Nibelungen: waar te vinden.

[2-1] Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde
Pieter HA Witvliet over: deze verzen uit de Edda tot toneelstuktekst omgewerkt; tevens voorbeeld van het verbeteren van het handschrift; over ‘schoonschrift’

[3-1] Namen in de Edda verklaard
Dan Lindholm over: de achtergrond en de betekenis van de namen in de Edda

[3-2] Yggdrasil
Melly Uyldert
over: wat is de Yggdrasil;
Rudolf Steiner over: wat is de Yggdrasil; 

[4Hoe ziet je naam eruit in runentekens?
Wat zijn runtekens; hoe kun je ze met een klas maken; doorverwijsinfo
.

Roger L Green heeft de Eddaverhalen beeldend naverteld. 
Wanneer zijn boek niet meer te koop is, kun je via vspedagogie@gmail.com een digitaal exemplaar inzien.

Vrijeschool in beeld: 4e klas     (bord)tekeningen, schilderen over de Edda

2343-2198

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (3-2)

.

Zoals de sprookjesbeelden beelden zijn die ‘voor iets staan’, is dit ook het geval met de beelden in de verhalen van de Edda.

Het grote probleem is steeds: wie weet die beelden naar hun waarheid te duiden.
En zoals de sprookjes vanuit vele gezichtspunten zijn verklaard, zo bestaat er ook ‘uitleg’ over de beelden van de Edda.

Voor het vertellen van deze beelden aan de kinderen is het niet nodig ‘weet’ te hebben van deze beelden: ze hoeven, nee mogen niet, aan de kinderen worden verteld omdat het intellectuele weten het mee-beleven op deze leeftijd volkomen onmogelijk maakt. 
Maar als je als verteller meer weet, kan het bijv. je verwondering wekken, je eerbied voor een ‘brok volkswijsheid’ of een andere wijsheid die door deze beelden heenspreekt.

Rudolf Steiner heeft van de Germaanse mythologische verhalen ook de antroposofische achtergronden gegeven, m.n. in GA 121, vertaald.
.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam januari 1956
.

yggdrasil

Yggdrasil: de wereld-es, omklemt met drie wortels de onderwereld, waar bij de heilige bron de drie nornen wonen: Oerd, Werdandi en Skoeld.

Zijn stam verheft zich in der mensen wereld, de eekhoorn Ratatoskr springt er langs heen en weer.

Zijn kroon draagt het hemelgewelf: in zijn takken hangen de sterren als gouden vruchten, en van zijn bladen druppelt honingdauw.

Ook in de mens staat Yggdrasil opgericht: de levensboom en de kennisboom beide, in de tuin van het paradijs.

Zijn wortels zijn de drie onderste zenuwvlechten met hun bijbehorende endocrine klieren; bij de plexus sacralis en het heiligbeen ligt de heilige bron van het levenswater: de hormonen der geslachtsklieren. Bij de plexus prostaticus en de bijnieren ontstaat de moed en de kracht voor het aardse leven, en de milt met de plexus Solaris of zonnevlecht vormen de electrische keukenhaard waarop de materie wordt omgezet (de spijsvertering) .

Zijn stam is het ruggenmergkanaal, waardoor de levenskracht op en neer stroomt, omhoog ter sublimatie of verlossing, omlaag ter conversie of schepping. De zijtakken zijn de zenuwen die uit de ruggenstreng ontspringen.

Zijn kroon breidt Yggdrasil uit in ons hoofd, waar de sterren alle hun spiegelpunten in de hersencellen hebben, daar bloeien de gedachten en rijpen de gouden vruchten van inzicht, doorzicht en overzicht. Daar liggen de knoppen van het volmaakt bewustzijn: de slijmklier en de pijnappelklier om in de geestelijke zon te ontluiken en daar druppelt de honingdauw, het voedselder goden, het bewustzijnslicht, naar beneden.
Deze honing wordt aan de voet van de kroon, in de holte van het gaffelkruis, door de schildklier met de plexus laryngeus omgezet in het scheppende woord, als de vrucht van de kennisboom: de verklankte bewuste gedachte.

En daar bereikt zij het hart met de thymusklier, de zetel der vreugde waar zij wordt omgezet in geluk en in de liefde die uitstraalt en het heelal bijeenhoudt.

Zo groeit in ons de boom van zon en maan, van leven en denken.
En de mens die al wat in hem is ook buiten zich na wil maken, zet de groene kerstboom in zijn huis, het beeld van Yggdrasil. De lichtjes zijn de levende cellen, de blinkende ballen de krachtcentra als spiegelbeelden der sterren, de glanzende slingers de stromen van levenskracht en bewustzijnslicht.

De mercuriale eekhoorn, die springt als de flitsende zenuwprikkel, mag er ook wel in zitten en de gouden noten , beeld onzer hersenen! Het engelenhaar druipt als honingdauw van de takken. Op de top een dennenappel.
Laat ook onze eigen boom van binnen in ons lichaamshuis zulke stralende licht van levende cellen geven!
In al zijn jonkvrouwelijkheid en glorie staat daar ons eigen beeld.

RUDOLF STEINER over de Yggdrasil:

Yggdrasil nannte man die Weltesche, in der sich die Weltenkräfte zusammengezogen hatten. Ein Mensch wird abgebildet in dem Moment, wo er sich seines Ich bewußt werden soll, wo aus seinem Innern heraustönen soll das Wort «Ich». «Yggdrasil» ist soviel wie «Ich-Träger». Ich-Träger ist dieser Baum. «Ygg» ist «Ich» und «drasil» ist derselbe Wortstamm wie «tragen».

Yggdrasil noemde men de wereld-es waarin zich de wereldkrachten hadden samengetrokken. Een mens wordt afgebeeld op het ogenblik waarin hij zich bewust wordt van zijn eigen ‘Ik’. ‘Yggdrasil’ betekent zoveel als ‘Ik-drager’. Ik-drager is deze boom. ‘Ygg’ is ‘Ik’ en ‘drasil’ is van dezelfde woordstam als ‘dragen’. 
GA 101/26
Niet vertaald

Sagen und Mythen sind nichts anderes als astralische, geistige Anschauungen. Wir haben gesehen, wie wirklich der alte Germane oder der Angehörige der alten europäischen Bevölkerung die Weltenesche Yggdrasil auf dem astralen Plan gesehen hat, wie er die zwölf Strömungen vernommen hat, die als Kräfte in sein Haupt hineingingen und seine zwölf Hauptesnerven bildeten. Das alles haben wir als astralische Wirkungen kennengelernt und nicht durch irgendeine phantastische, geistreiche Spekulation.

Sagen en mythen zijn niets anders dan astraal-geestelijke waarnemingen. We hebben gezien hoe de oude Germaan of wie behoorde tot de oude Europese bevolking daadwerkelijk de wereld-es Yggdrasil als astrale voorstelling gezien heeft, hoe hij de twaalf stromen heeft waargenomen die als krachten zijn hoofd binnengingen en zijn twaalf hoofdzenuwen vormden. Dat hebben wij in zijn geheel als astrale invloeden leren kennen en niet door een of andere fantastische geestrijke speculatie.
GA 101/84
Niet vertaald

Der Mensch ist gleichsam wie ein Zusammenfluß von Kräften, die zusammenfließen in seinen Astralleib, Ätherleib und physischen Leib, und das Ich wird dargestellt als dasjenige, was an diesen drei Gliedern arbeitet. In der germanischen Mythe wird das dargestellt durch den Baum, der die Weltesche ist, das Symbolum für die dreigliedrige Menschennatur. Der Mittelpunkt für diese drei­gliedrige Menschennatur ist das Ich; indem es sich eingegliedert hat, trägt es den ganzen Baum des menschlichen Werdens und Wachsens. «Ygg» ist die alte Form des Werdens und Wachsens. Das finden Sie in den alten Sprachformen als Bezeichnung für das, was eingegliedert ist. Die Weltesche heißt «Yggdrasil». Yggdrasil heißt das «tragende Ich» und der Name des Gottes, der mit der Ich-Bildung zusammen­hängt, ist ebenfalls von daher genommen.

De mens is a.h.w. een samenstroom van krachten die samenkomen in zijn astraallijf, etherlijf en fysieke lichaam en het Ik wordt weergegeven als wat aan deze drie wezensdelen werkt. In de Germaanse mythe wordt dit voorgesteld door de boom die de wereldes is, het symbool voor de drieledige natuur van de mens. Het middelpunt van deze drieledige mensennatuur is het Ik; door daar deel van te zijn geworden, draagt dit de hele boom van de menselijke wording en ontwikkeling. ‘Ygg’ is de oude vorm van worden en groeien. Dat vind je in de oude taalvormen als betekenis voor wat geïncorporeerd is. De wereld-es heet ‘Yggdrasil’. ”Yggdrasil’ betekent het ‘dragende Ik’  en de naam van de God die met de Ik-vorming samenhangt is eveneens daaruit genomen.
GA 104A/49
Niet vertaald

Met de aanwijzingen van Steiner schreef Rudolf Meyer het boekNordische Apokalypse‘, over de Edda en Ernst Uehli ‘Nordisch-Germanische Mythologie als Mysteriengeschichte. Beide niet vertaald.

.

2342-2198

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (1-2)

.
.
M.v.d.Made, nadere gegevens onbekend

DE EDDA ALS VERTEL- EN RECITATIESTOF IN DE VIERDE KLAS

.

“Ik weet dat ik hing, aan de windrge boom.
Negen nachten lang, …”

Als uit één keel klinkt de recitatie van de 4e klas; de machtige taal van de Edda ontvouwt een panorama van indrukwekkende beelden.

We zien Odin, de Alvader, die de Taal ons schenkt.

Odin, de radende heer, die hiervoor een offer moet brengen en het oog offert. Vrijwillig.

Diepe indruk maakt ook de god Tyr, een zoon van Odin, die ook een offer brengt: om de mensen te behoeden voor het kwaad, dat de Fenriswolf brengt, moet deze gebonden worden. Deze angstwekkende wolf, die zich voedt met de leugens der mensen, laat zich echter alleen binden als een der goden zijn hand in zijn muil durft te steken.

Tyr is degene die dat durft en doet.

Er is veel sprake van moed in de verhalen uit de Edda die in de 4e klas verteld worden. Er zijn grote reuzen te bestrijden; steenreuzen en ijsreuzen. Er is de Fenriswolf, de Midgardslang die om de wereld ligt, staart in eigen bek. Maar daarboven is Asgard, waar de goden wonen, in hun heerlijke burchten. Er is veel goud en glans, er zijn groene velden en een boom met gouden (levens)vruchten.

Het is zeker geen eenvoudige verhalenstof; de gebeurtenissen zijn wonderlijk en indrukwekkend tegelijk.

Wat wordt er eigenlijk verteld?

De IJslandse bisschop Saemundar (1056-1133) liet de goden- en heldenverhalen, die oude zangers hem voorzongen, opschrijven.

Zo ontstond een boek, dat hij naar een klooster stuurde. De Saemundar-Edda werd het genoemd.

Snorri Sturluson wordt als de schrijver van de z.g. jongere Proza-Edda aangezien. Snorri leefde van 1178-1241 op IJsland.

Dit was een herhaling en aanvulling.

Naar de klank is het woord Edda verwant met het Indische “Veda” en met het Perzische “Avesta”.

Alle drie zijn het Indo-Germaanse benamingen voor het Scheppende Wereld Woord.

De schriftelijke uitwerking van de Edda valt dus in de 11e,12e eeuw. Maar haar inhoud bestrijkt een tijd, die teruggaat tot Atlantische oer-herinneringen en vooruitgrijpt op een na-atlantische menheidsontwikkeling.

De “Edda-stof” kan men alleen met een gevoel van eerbied tegemoet treden.

Hoe heilzaam werkt dan het opzeggen van die strofen in de klas, met hun wonderlijke alliteratie-rijm! Het eind van de versregel rijmt niet, maar de z.g. heffingen zitten soms middenin een regel.

Als voorbeeld een stukje uit de 5e strofe van Grimnirmâl (het lied van Grimnir, tekst uit de Saemundar Edda):

Alfheim Freyr gáfu                                          Alfheim aan Freyr
í  Árdaga                                                            eertijds als handgeld
tívar at tanufé                                                   door de goden gegeven

Het opzeggen van de verzen roept een zekere teruggehouden kracht op en een wriemelende maandag-morgen-klas is tot één geheel om te smeden door een stevige recitatie met een grote stamp op elke heffing.

Weten we nog hoe het was om 4e-klasser te zijn? Tien jaar oud, net wakker geworden aan de omgeving, kritiek krijgen en kritiek hebben op anderen en op jezelf (ik kan niet tekenen). De veilige omhulling van de lagere klassen is er niet meer, er worden plotseling andere eisen gesteld. Dr. Steiner spreekt over het oversteken van de Rubicon.

De Rubicon is een riviertje dat men passeert, terugkomend uit het noorden (Gallie), op weg naar Rome. Het was in de tijd van het Driemanschap: twee regeerders in Rome en de derde, Julius Caesar, op krijgstocht in Gallië. Een greep naar de macht deed Caesar terugkeren. Aan de oever van de Rubicon wachtte hij in de vroege ochtenduren. Oversteken en naar Rome rijden betekende zéker burgeroorlog. Niet-gaan betekende afhankelijk zijn van de zittende regering. Hij ging. ‘Alea jacta est’ – de teerling is geworpen.

Deze dramatiek speelt zich af in de psychische wereld van de vierdeklasser. Er is geen weg terug mogelijk.

Maar een flinke dosis moed zou wel fijn zijn, voor onderweg.

.

4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2341-2197

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/8)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over ‘wreedheden’ gaat, is het een hulp daarover vooral vanuit een ‘figuurlijk – niet letterlijk gezichtspunt na te denken, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun ‘niet fysieke’ aard wil zeggen. 

8.IETS OVER DE WREEDHEDEN

Omdat het bij de sprookjes om innerlijke processen gat, mogen de zgn. wreedheden niet geïsoleerd bekeken worden. Puur voelende kinderen weten dat. Een paar voorbeelden ter verduidelijking:

Afhakken = hand voet

Afslaan = hoofd

Bakken = verbranden

Braden = verbranden

Hand afhakken

Handelen, handeling, handhaven komen van ‘hand’. Het verlies staat voor ‘dat je handelingsonbekwaam wordt/bent. De mens kan zijn lot ‘niet in de hand’ nemen, kan geen beslissingen meer uitvoeren/
Vgl.: iets ‘(geen) handen en voeten (kunnen) geven.

Hangen = ophangen

Hoofd afslaan

Het hoofd staan voor het bewust-zijn, het heldere denken, de beheersing van het zelf; door een gewelddadige invloed van buitenaf kun je het verliezen (het hoofd wordt afgeslagen/gehakt: de eenheid van denken, voelen en willen gaat verloren; zelf kun je je hoofd ‘verliezen’, je kan je niet meer waarmaken – Duits: behaupten.

In het water gegooid worden = verdrinken

In het water gooien = verdrinken

Kinderen alleen laten

Nog onschuldige, onontwikkelde krachten worden prijsgegeven aan het chaotische en wilde van de driftnatuur.

Kinderen (laten) verdwalen = kinderen alleen laten

Koken = verbranden

Ogen uitsteken, ogen uitpikken

Hier wordt het geestelijk kunnen zien bedoeld. Dit betekent dus: het schouwen nemen, de aan-schouwing, het zicht. Vgl. het beeldende (Duits) Eine Sache ‘sticht’ ins Auge; (iets steekt in het oog); ik heb ‘mijn oog erop gericht’. 
Bij Jakob Grimm vind je nog de uitdrukking: Der stof ‘hat kein Auge’ (de stof heeft geen oog) – tegenwoordig zouden we zeggen: niet om aan te zien; verder: is iemand ‘met blindheid geslagen’.
Ook in de Bijbel: ‘Als het oog u hindert, ruk het uit’: bedoeld als: verander je instelling’.

Ophangen

Zonder dat het vermogen om te kunnen staan (symbool: de voeten) verloren gaat, wordt ‘de bodem onder de voeten’ weggeslagen, de verbinding met de aardse werkelijkheid wordt voor de mens onmogelijk. Zich ‘verhangen’ is een beeld voor het denken dat zich te veel in het abstracte is gaan bewegen, zodat het in de lucht komt te hangen.

Opvreten

Met geweld tot je nemen om zo mogelijk de eigenschappen van ‘de prooi’ te verwerven. Dit moet worden begrepen als een aanduiding naart bepaalde praktijken uit het magische tijdperk. In zgn. primitieve stammen wordt zoiets tegenwoordig nog als belangrijk gezien.

Verbranden

Vuur kan twee dingen betekenen:
1.Het vuur van de geest, de vonk, de vlam van het enthousiasme
2.Het vuur van de begeerte, het oplaaien daarvan, de brandende hartstocht, het heksenvuur, de magisch werkende begeertegloed
Dus ook: verbranden: ofwel het reinigende vuur ofwel het verterende vuur. Wanneer het voedsel met het vuur van de geest is bereid, is het voeding; op het vuur van de begeerte wordt het gif, de (ver)wensdrank.

Verdrinken

Ook hier wordt de grond onder de aardse werkelijkheid – het bestaan -weggeslagen; je komt in het element van het stromende, het onzekere; je wordt blootgesteld aan diepten/ondiepten; ‘in het diepe gegooid’ Je kan (ten) ondergaan. Het kan van buiten komen, maar ook door jezelf: ‘je kan in iets verdrinken’, het water kan ‘tot aan de lippen stijgen’; je kan ‘kopje onder gaan’; het Ik gaat ten onder in de stromende ziel.
Het sprookje gebruikt ‘ertrinken’ wanneer het gaat om ‘wegzinken’ (Versenken) ; het zich ‘verdiepen’ wordt tot ‘Versinken’.

Verhangen = ophangen

Verslinden = opvreten

Vierendelen

Volgens Aristoteles bestaat de mens uit vier delen: een mineraal-fysiek deel, een aan planten verwant vegetatief deel, een deel verwant met het driftmatige van het dier en en uit een menselijk Ik-deel.
Vierendelen betekent dan: het ongedaan maken van de deze vier-eenheid en daarmee gaat de mens verloren.

Voet afhakken

Met de voeten staan we stevig op aarde. Dit vermogen gaat dus in één keer en definitief verloren. Je hebt ‘geen been meer om op te staan’; je kan niet meer ‘standhouden’, je kan niet meer ‘vooruitkomen’, geen ‘stappen zetten’.
Vgl. ‘op grote voet leven’;  ‘met beide voeten op de grond staan/in het leven staan’; iets is gebaseerd op waarheid: Duits ‘fusst’ auf Wahrheit; 

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2339-2195

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/7)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over fabeldieren gaat, is het niet zo makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 

7. FABELDIEREN

Draak

De draak is ook vandaag de dag in streken in het Verre Oosten nog het teken van dat goddelijke wezen dat de mens in het Paradijs zijn gelijkenis met God bewust maakte en in hem het verlangen aanwakkerde naar kennis van het goed en kwaad. Daarmee won de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid en langzamerhand het bewustzijn van zijn zelf, zijn Ik. In het Avondland waar de persoonlijkheidsontwikkeling eerder optrad. veranderde het teken, zoals ook het innerlijk van de mens veranderde. Zelfgevoel werd tot egoïsme, Ik-ontwikkeling ook. De zintuignatuur, eens met eerbied voor de natuur en respectvol, raakte op drift. Het lagere egoïsme begon te heersen.

Centaur

Deze gestalte – boven mens, onder paard – is het beeld van die mens die in zekere zin in het instinctieve van zijn verstand gevangen zit, dus het verstand dat nog niet tot zelfstandige kracht is geworden en waarover hij nog geen heer en meester is en het kan sturen, maar hij wordt door deze natuurkracht nog opgejaagd. De nog wilde bergvolken in Griekenland leken nog op centauren, i.t.t. de hooggecultiveerde bevolking van de stadstaten.

Feniks

De imaginatie van de feniks komt uit de feniksmysteriën die van Saba naar het ernaar genoemde Fenicië gebracht worden. De vuurvogel met de gouden of met de regenboogkleurige veren, met het nest dat naar kaneel (cinnamomum) ruikt, is als symbool wijdverbreid. Van tijd tot tijd stort hij zich in het vuur en verbrandt tot as om daaruit nieuw en wedergeboren op te staan. Sterven en opstaan, vergaan en weer geboren worden werd in de ervaring opgenomen. Het beeld duidt op de eeuwige individualiteit van de mens die in de dood afstand doet van het lichamelijke en verder gaat naar een nieuw leven. Ook duidt het op het (Duits Stirb und Werde = sterven en worden, zoals Goethe dat uitspreekt in zijn onvergankelijke wijsheiddwoorden:

Und solang du das nicht hast,
Dieses: Stirb und werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde. 

Wel vertaald als:

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.

Of:

Maar zolang het je niet past
‘Sterf en leef dan!’ te aanvaarden, 
Ben je maar een droeve gast.
Op de donkere aarde. –

Dat wijst op de overwinning van de individuele geest op het lagere sterfelijke en vergankelijke.

Griffioende vogel Grijp

De griffioen neemt het beeld van de leeuw en van de adelaar samen: dapperheid, koenheid van de middenmens met de vlucht van de gedachten, de hoge vlucht van de adelaar, van het hoofd.

Vuurvogel = Feniks

Zeehaasje

Dit symbool is nog zelden te vinden: een haas met een vissenstaart. Het is het beeld voor de onzelfzuchtigheid (van de haas) die nog niet in de zintuigwereld, maar in de zielenwereld, de in beweging zijnde zielenwereld (in het water) thuis is.
.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2331-2187

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/4)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over planten, bloemen en vruchten gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een appel betekent dit, een roos betekent dat.

4.PLANTEN

Aardbei

De aardbei – geen echte vrucht – is volgens oude opvattingen geneeskrachtig bij vermoeidheidsverschijnselen van de hersenen en wordt als hart-versterkend gezien. Ze staat symbool voor de gezond makende kracht van de liefde.

Appel

In tegenstelling tot de vruchten waarvan het vruchtbeginsel zich duidelijk naar boven toe ontwikkelt, groeit zijn vruchtbeginsel zoals bij vele verwante vruchten naar beneden, wordt onderstandig en is tegelijkertijd een opzwellen van de bloembodem, van de verlengde stamper. Hij omhult zijn behuizing twee keer. 
Door deze vorm en als vertegenwoordiger van andere vruchten werd hij terecht tot het symbool van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, tot vrucht van de zondeval. De mens werd burger van twee werelden. Wordt deze val in de afzondering door kennis van de geest weer op een hoger niveau getild, dan spreekt het sprookje over de appel van het leven, met het oog op de wijsheid over de gouden appel.

Appelboom

Boom van de kennis van goed en kwaad.

Boom

Symbool voor het zenuwsysteem, dat zich als een boom vertakt en ook symbool voor het zenuwsysteem dat de groei- en levenskrachten begeleidt. Beeldend woord in het Duits ‘sich aufbäumen’ = zich oprichten (opbomen).

Eik

De knoestige eik met zijn buitengewoon harde, langzaam groeiend hout gold voor veel volkeren als heilig. Hij was aan de god \mars gewijd. De in de mens aanwezige martiale wilskracht kan in het sprookje verschijnen al het beeld van de eikenboom.

Gras

Het gras dat onze aarde met een levend tapijt bedekt, is het beeld van de elementaire, aardse, vegetatieve levenskrachten. Hooi duidt op het verdrogen van deze levenskrachten.

Hazelaar

Oude boerenwijsheid plantte de hazelaar op de hoeken en langs de hekken, want men roemde zijn eigenschap levenskrachten aan te trekken. Zo werd de struik – ook de boom – tot het symbool van die levens- en wordingskracht die in de mens als een levensboom omhoog groeien.

Hazelnoot

Dat de hazelnoot een buitengewoon hoge voedingswaarde heeft, de zenuwen sterkt alsmede de levenskrachten in het algemeen, komt naar voren in een oud spreekwoord: Duits: ‘Sieben Haselnüsse am Tage und man ist nicht unterernährt’. (Zeven hazelnoten per dag en je bent niet ondervoed).

Hooi = gras

Jeneverbes

De jeneverbes geldt al sinds de oudste tijden als zeer geneeskrachtig. Hij geeft levens- en verjongingskracht.
Bij de Kelten en de Germanen werden jeneverbestakken op de offeraltaren verbrand om wierook te maken.

Jeneverbesboom

De mysterieboom van de Keltisch-Germaanse volkeren.

Knol

Duits Rübe. Een wortel die met voedingstoffen verrijkt is. De krachtige stofwisseling met de aarde duidt op onderbewuste,onder de oppervlakte werkende levenskrachten.

Lelie

De lelie met het bovenstandig vruchtbeginsel (andere symboolplanten zoals de appel zijn onderstandig, de roos boven- en onderstandig, dus een middenvorm) bouwt in haar bol haar eigen basis, wortelt dus niet dieper in de aarde. In het teken van de oude symbooltaal wil zij niet, zoals de roos, met de aarde verbonden zijn. De witte bloemen in een streng gevormde zesheid en het feit dat ze ’s nachts haar geur verspreidt, duiden op haar kosmische gerichtheid. De lelie gold vanaf het begin als symbool voor de maagdelijkheid.

Peer

Sappige, mild-zoete vrucht, vloeiend als druppelvorm gevormd. Die staat voor het stromende, vloeiende gevoel. Wie de gelaatsuitdrukking van de twee madonnabeelden van Dürer met elkaar vergelijkt, de madonna met de appel en de madonna met de peer, komt achter de verschillende symboolwaarde van appel en peer.

Perenboom

Uitdrukking voor het stromende gevoel in het zenuw-zintuigsysteem.

Roos

Met vijf blaadjes bloeiend, altijd een welriekende geur, komt tot bloei aan een sterke stam van doornen voorzien, die krachtig in de aarde wortelt. Deze bloem werd tot symbool van de liefde die uitgroeit boven alles wat verwondt, het boze overwint en onzelfzuchtig zich op de omgeving richt. Beeld van de christelijke liefde.

Walnoot

De walnoot lijkt in haar vorm op de hersenen, die net zo in de schedel liggen als de kern in de noot. In de beeldende taal wordt het hoofd wel als Duits ‘Nuss’ – noot – aangeduid. Nederlands heeft bv. ‘je kersenpit’.

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelenwaaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2329-2185

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/6)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

6.Voorwerpen

Haard = oven

Kuip = vat

Oven

De warmtebron van het huis wordt tot symbool voor de warmtebron in het lichaam: het hart.
Fysieke en psychische ‘hartervaringen’ worden daarin gespiegeld, bijv. wanneer over een gloeiende oven wordt gedroomd.
Vgl, ook de beeldende woorden zoals ‘brandende liefde’, ‘gloeiende liefde’, ‘verkillende vriendschap.’

Spinwerktuigen

Met spindel en spinnenwiel  wordt gesponnen. Deze wijzen naar het denkproces. Zij symboliseren het spinnen van gedachtedraden, de draad van de logica.
In beeldende woorden: Duits heeft: ‘Jemand spinnt’ = iemand denkt iets uit; ‘spintisieren’ = mijmeren, peinzen, piekeren; hij heeft last van ‘hersenspinsels’, hij heeft ‘de draad verloren’, je ‘neemt de draad weer op.’
De spoel is er om er iets op te winden, de gesponnen draden bij elkaar te houden. Spoel en kluwen wijzen zo op meer of minder tot het einde gebrachte gedachtestromen. Komen die ongeordend bij elkaar, duidt dit op een ‘ver’wikkeling, worden ze afgewikkeld, betekent dat een ‘ont’wikkeling.
De haspel is er om de draden bij elkaar te houden. Dat is een beeld voor het vermogen logische gedachten tot een eenheid, een idee te verbinden. Beeldend: iets verhaspelen (door gedachten die in de war zijn.

Ton = vat

Vat

De equivalente woorden ton, kuip e.d.: deze woorden staan in de sprookjes met de betekenis van: kleinst mogelijke behuizing op de kleinste ruimte. Vgl. uitdrukkingen zoals ‘in het nauw gedreven worden’, ‘heel klein voelen’.

.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2325-2181

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/5)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, hier bijv. is het afkomstig van de plant of van het dier, hoe klaargemaakt, hoe ruikt, smaakt het, enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

5.VOEDING

Brood

Zoals het brood het meest voorkomende, belangrijkste voedsel voor ons lichaam is, zo is voor ons geest-zielenwezen de geestelijke kennis van belang, die in het sprookje ‘brood’ wordt genoemd.

Druivensap = wijn

Ei

Dit bevat de kiem voor nieuw leven, is symbool voor voortbrengende nieuwe levenskracht, ook beeld van het zich steeds vernieuwende Ik van de mens.

Honing

Honing is zonnevoedsel, opwekkend, gezondmakend, harmoniserend; in de Oudheid vormde het in de mysteriën het voedsel voor de priesters. Het beeld van de honing duidt op geestelijke krachten van een zonachtige, het denken stimulerende kracht.

Melk

Melk wordt in een levend wezen gevormd in samenhang met de voortplanting onder invloed van maankrachten. In dit opzicht is het geen onmiddellijk aards voedsel, het komt uit het bereik van het organische, uit de vitaliteit, het is kosmisch voedsel. Melk maakt sterk voor de aarde. Als beeld wijst het naar kosmische krachten.

Water

Wanneer het uit het binnenste van de aarde komt, duidt water als drinken op het element van het oorspronkelijke voelen, op hoe het de mens verkwikt.

Wijn

Wijn is het edelste zonneproduct. Zolang de mens een groepswezen was, door zijn binding aan stam en volk, had hij behoefte aan de wijn die het levensgevoel versterkt en het zelfbewustzijn verhoogt. Zo wordt ze in het sprookje gebruikt: als sterker worden van het Ik en de wilskracht.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2322-2178

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/3)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

3.KLEDING, OPSMUK, WAPENS

Edelsteen

Daar de steen in zijn hardheid de uitdrukking is van de materie, wijst de edelsteen naar het veredelde materiële. Hij wordt uit de aarde gewonnen, staat daarom voor edele aardesubstantie.

Hemd

Het hemd is de omhulling van ons lichaam dat ons het eerst wordt aangetrokken. Mythen en sprookjes schetsen het geheel aan elementaire levenskrachten die door het fysieke lichaam stromen – wat Aristoteles de vegetatieve ziel noemt – als een hemd. Het draagt ons onderbewuste gedachteweven en -leven. Het is belangrijk van welk materiaal dit hemd is gemaakt: linnen duidt op ‘gedachten’, zijde ‘de getuige van een lange metamorfose’ wijst op omvormingskracht.

Hoed

De hoed bedekt het hoofd. Hij drukt het denken met het hoofd uit. Zoals de hoed ons afsluit naar boven, zo doet ons hersendenken dat naar de algemene geestelijke wereld. In het Duitse spreekwoord ‘man muss etwas auf seine Kappe nehmen’, wordt op de persoonlijke verantwoordelijkheid van het bewuste denkvermogen gewezen. 
In gewoonten, profane en religieus-cultische gebruiken vinden we een spiegeling van dit proces.

Jas

Dit kledingstuk. over de borst gedragen, wijst op de belevingen van de ziel. Duits heeft: ‘Die Jacke ist ihm zu eng’.

Jurk 

Over het hemd, als een tweede omhulsel wordt in het sprookje de jurk tot beeld van een tweede omhulling. Die staat voor het totaal aan gewaarwordingen, gevoelens, hartstochten, dus voor het innerlijk leven van de gevoelens.
Duits heeft hier ‘Kleid’ dat meer betekenissen heeft.
Dit totale zielenleven hebben de middeleeuwse schilders van heiligenbeelden als aura gezien en weergegeven. Aan de helderziende verschijnt deze in talrijke kleuren, ook als eivormige goudstralende mandorla en met regenboogkleuren. In de sprookjes zijn de kleurengegevens niet zomaar, ze zijn een uitrdrukking van te onderscheiden zielentoestanden. Is het innerlijk leven nog heel driftmatig en verwant aan dat van het dier, dan verschijnt de mens in het sprookje met een dierenhuid.

Kap = hoed

Kroon

De kroon heeft bij de kroning en zalving van een heerser cultische betekenis. De gouden kroon is het zichtbare teken van verlichting en wijsheid die de heerser in de aura van zijn hoofd moet uitstralen. De ijzeren kroon duidt op de aanwezigheid van het Ik en de ijzeren wil.

Mantel

De zielenomhulling van de mens en van wie bij hem horen. In het beeld van de koning of de koningszoon verschijnt de mantel als een omhulling.
De symboolwaarde van de mantel is nog duidelijker voor ons bij de priester in de cultus, in de toga van de rechter, want in deze samenhang is de mantel heel duidelijk symbool, geen kledingstuk.
De rode kleur van de mantel zegt ons dat de taak van de koning is de behoeder te zijn van het bloed van zijn volk.

Parel

Door water omspoeld groeit de parel in de schelp; het tere glazuur herinnert daar nog aan. Een parelketting verliest haar glans, wanneer deze lange tijd niet wortdt gedragen. Als symbool wijst de ‘in het water geborene’ op de zielenwereld. Ze is tegengesteld aan de edelsteen die ons wijst op de tegenovergestelde wereld van het aardse.

Ring

De in zich gesloten cirkel is het teken van de verbinding, van het ‘samen’. Zo kan ook het op zichzelf staande (gesloten) bewustzijn door het symbool van de ring vertegenwoordigd worden.

Rok

Over het onderlijf gedragen, duidt de rok op de bewegingen van de wil.

Schoen

Met de schoenen sta je op aarde. Als beeld drukt het onze relatie tot het aardse uit; dat is echter de relatie met het leven, tot onze opdracht(en) en mogelijkheden. Wie maar één schoen draagt, staat niet vol meer in het leven; wie schoenen heeft met gaten, heeft vaardigheden verloren en wordt ongeschikt voor de levensloop; afgetrapte schoenen duiden erop dat een levensweg ten einde is.
De witte schoen zegt dat de drager ervan kan leven uit reine, onaardse krachten, heeft de aarde nog niet helemaal betreden of heeft zich daarvan weer losgemaakt.
De rode schoen heeft de kleur van het bloed: gezond rood bloed helpt ons aan een goed Ik-bewustzijn en laat ons een daadkrachtig leven leiden. Er moet een goed onderscheid worden gemaakt wat de vossen- of vlammend rode schoen betreft die op egoïsme duidt.
De gouden schoen: wijsheid en lichtkracht in de levensloop.

Vel = zie bij jurk

Vest

Over de borst gedragen duidt het op het gevoelsleven. zie ook de andere kledingstukken. Duits: ‘er hat eine weisse Weste’, = hij heeft een zuiver geweten.

Wapen = zwaard

Zwaard

De kracht van het woord, is de kracht van het zwaard; het zwaard helpt en beschermt, verwondt en doodt echter ook. Het is tweesnijdend – ook het woord.
In de hand van de strijder, betekent ‘zwaard’: eigen, persoonlijke macht van het woord.
Waar ook in het sprookje wapens, zoals pijl, boog, buks, (jacht)geweer, genoemd worden, wordt gewezen op doelgericht en trefzeker handelen.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2319-2175

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/2)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een bepaald beroep nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de gereedschappen, de uitrusting enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n beroep anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

De beroepen vertonen zich meestal in een mannelijk beeld, omdat ze samenhangen met het Zelf, het Ik en voor dit laatste kiest het sprookje voor het mannelijke aspect. Daar drukt de scheppende mens zich in uit. 
Een beroep kan een gegeven zijn om daarmee je opdracht te vervullen, het kan een overgangsfase betekenen, maar ook het doel
Wanneer het sprookje over de ‘boerin’ spreekt, de kokkin, de molenaarsdochter, dan wijst dat naar hetzelfde proces, maar dan vanuit de ziel gezien.

2.AMBT EN BEROEP

Boer

Hij bewerkt de aarde eb oogst de vruchten daarvan. Beeld van de mens of een vermogen van hem: de fysieke levensgrond, het aardse wordt bewerkt, omgewerkt om de beste vruchten te verkrijgen. Beeld voor het verkrijgen van alle wijsheid die aanwezig is op aarde.

Dienaar = knecht

Herder

Hem is het pure en onschuldige leven toevertrouwd dat hij moet verzorgen en voor gevaar moet behoeden. Hij staat voor het vermogen van overgave en bereidheid om wat geestelijk ontvangen is te bewaren en te verzorgen op een sappige weide (gezonde groeikrachten) en voor wilde dieren  (driften) te behoeden.

Houthakker

Hij is in zekere zin het tegenovergestelde van de tuinman: een eenzijdig abstract denkend theoreticus, analyserend, begrippen klovend, daarbij het geheel van het levende uit het oog verliezend. De houthakker staat voor een zekere eindfase in die persoonlijkheidsontwikkeling die eenzijdig de weg van het intellectuele is gegaan.

Jager

Hij staat voor die waakzame, doelgerichte wezenskracht die driften en instincten opzoekt en doodt om te voorkomen dat ze de overhand krijgen; hij verzorgt de dieren en temt ze af en toe. Verder is hij het beeld voort een doelgericht streven in de jacht naar meer kennis.

Kindermeisje

Zielenkrachten die het geesteskind verzorgen en onderhouden, verschijnen in de sprookjes als kindermeisjes.

Kleermaker

Het sprookje noemt het intellect ‘snijder’, want hij gaat het ‘geheel’ te lijf, verdeelt dit en zet die naar eigen ‘maat’staf weer voor iets nieuws in elkaar. Hij werkt analytisch en synthetisch. Wanneer het sprookje over het slimme of dappere kleermakertje spreekt, dan wordt het productieve, voortschrijdende intellect gebruikt. Maar we kennen ook het verwaande kleermakertje (bijv. in ‘De reus en de kleermaker’ (Grimm nr. 183).

Knecht

De knecht, de dienaar, betekent vooral een zielenkracht die het Ik als heerser, dient en handelingen voltrekt die de heerser niet wil doen of niet kan.
Zo is er bij de mens innerlijk een vermogen nodig als aanvulling op het heersende deel. Deze knecht in het innerlijk verkrijgt andere inzichten en heeft soms ook meer wisheid fan het heersende aspect van het Ik.
Knecht kan een noodzakelijke overgangsfase betekenen naar een succesvolle afsluiting.

Kok

Symbool voor dát vermogen dat kan kennen en onderscheiden, die voedsel bereidt voor ziel en geest en dit voedsel smakelijk klaarmaakt. Wanneer hij dit vermogen niet heeft, wordt hij een slechte kok.

Koning

Koning zijn betekent: onbeperkte macht bezittend. In het sprookje duidt het ambt en beroep van koning aan dat de hoogste trap van innerlijke ontwikkeling is bereikt. Het rijk van de koning kan zowel de innerlijke wereld van de geest (bijv. de oude koning – de vader in het sprookje van het Ezeltje) als ook de binnenwereld van de ziel (bijv. de vreemde koning – de vader van de bruid – in hetzelfde sprookjes) omvatten, dus het geheel van de innerlijke mens. In het woord ‘zelfbeheersing’ zit dit innerlijke koningschap al. De koning kan ook zijn macht misbruiken en een boze koning worden.

Koopman..

Hij koopt en verkoopt, handelt met goederen die hij niet zelf geproduceerd heeft. Vandaag kan hij rijk zijn, morgen arm. Hij is het beeld van de mens die niet meer vanuit de volheid van de scheppende wijsheid leeft, maar alleen nog uit des chatten van het verleden die vandaag nog gelden, morgen echter hun waarde verloren kunnen hebben.

Molenaar

Hij is het symbool voor die werkzaamheid die de vruchten van de aarde, vreugde en smart van de aardse ervaring zo weet te verwerken, dat de voorwaarde om tot geestelijke kennis te komen geschapen wordt. Geestelijke kennis is ‘brood’.

Ridder

De ridder heeft een ijzeren harnas en is bewapend; hij trekt te paard ten strijde. Offerbereid wil hij zich inzetten. Taal: een ‘ridderlijk gemoed’. In het sprookje wordt hij de gepantserde wil en het Ik dat zich met doodsverachting inzet, door de kracht van het verstand (paard) gedragen, uitgerust met alle deugden.

Rover

Ook dit is een beroep, ook al is het negatief. Waar rovers inbreken of ergens bezit van nemen, werken ze destructief. De mens kan tot krachten vervallen die niets anders hebben dan begerig zintuigindrukken op te doen , de mooie wereld te plunderen, zonder haar dank te bewijzen.

Schoenmaker

Hij maakt schoenen of herstelt ze. Zoals je met je schoenen over de aarde gaat en staat, zo moet de innerlijke ‘schoenmaker’ in ons het vermogen ontwikkelen, met zekerheid in het leven te staan, goede vooruitgang te boeken, onze levenswandel op de juiste wijze te voeren.

Smid

Zoals de smid in het vuur het ijzererts smeedbaar maakt en naar zijn wil vormt, zo wordt de mens de smid van zijn levenslot wanneer hij de ijzerprocessen van zijn bloed aan zich dienstbaar maakt. Met de natuurkracht van het ijzer in het bloed vormt de innerlijke smid zijn eigen wezen tot persoonlijkheid, tot Ik.

Soldaat

Hij is het beeld voor de innerlijke strijder.

Tuinman

Hij is het beeld voor die wezenskracht die in het innerlijk van de mens het goede, het bruikbare, het waardevolle door liefderijke verzorging tot ontwikkeling brengt. Wie het zaad van ‘het goede woord’ uitstrooit, de ‘wilde’ zielendriften snoeit, wie de zich louterende ziel omringt en verzorgt en geestelijke groei steunt en bevordert, wie met geduld kan wachten, is zover tot ontwikkeling gekomen dat hij tuinman kan zijn.

Visser

Visser is de mens die tast naar de diepten van de zielenwereld en die de gedachten kan ophalen die uit de oergrond opduiken om zich als beelden te openbaren. Dat is het echte zielenvoedsel. Tegenover de visser staat de wever.

Wever

Hij weeft de gesponnen draden tot een weefsel. Overdrachtelijk: losse gesponnen gedachtedraden (hersenpinsels) worden tot een patroon geweven. Aan het weven gaat het spinnen vooraf. Onder spinnen verstaat de beeldspraak het aan elkaar rijgen van gedachten tot gedachtedraden, tot logische draden. Dat vermogen om deze draden tot een geheel samen te voegen, heet ‘wever’.

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2316-2172

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/0)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

De schrijfster maakt een indeling.

Ze gaat in op deze beelden – hier alle bij elkaar in alfabetische volgorde

Aardbei
Adelaar
Afhakken van hand, hoofd, voet
Appel
Appelboom
Bakken
Braden
Beek
Beer
Berg
Bij
Boer
Boom
Bos
Brood
Bron
Bruiloft
Centaur
Dal
Dienaar
Dochter
Dorp
Draak
Druivensap
Duif
Dwerg
Edelsteen
Eend
Egel
Ei
Eik
Ekster
Elf
Ezel
Fee
Feniks
Gans
Geit
Gras
Gras
Griffioen
Grijp vogel = griffioen
Grijsaard
Haan
Haas
Haard
Hangen
Havik
Hazelaar
Hazelnoot
Hemd
Herder
Hert
Hoed
Honing
Hond
Hooi
Hooi
Houthakker
Huis
Hut
Jager
Jas
Jeneverbes
Jeneverbesboom
Jongeling
Jonkvrouw = jonge vrouw
Jurk
Kap
Kasteel
Kat
Kikker
Kinderen (laten) verdwalen
Kindermeisje
Kleermaker
Knecht
Knol
Koe
Kok
Koken
Koning
Koopman
Knaap
Kraai
Kroon
Kuip
Land
Leeuw
Leeuwerik
Lelie
Man
Mantel
Meer
Meisje
Melk
Mier
Moeder
Moeras
Molenaar
Muis
Nachtegaal
Nix
Ogen uitsteken
Ophangen
Opvreten
Oude man = oude vrouw
Oven
Paard
Pad
Parel
Panter
Pauw
Peer
Perenboom
Raaf
Ree
Reus
Ridder
Ring
Rivier
Rok
Roos
Rover
Schoen
Schoenmaker
Slang
Slot
Smid
Soldaat
Spinwerktuigen
Stad
Stiefmoeder
Stier
Tijger
Ton
Toren
Tuin
Tuinman
Undine
Vader
Valk
Varken
Vat
Vel
Verbranden
Verdrinken
Verdwalen
Verhangen
Verslinden
Vest
Vierendelen
Vijver
Vis
Visser
Voorvader = voormoeder
Vos
Vrouw
Vuurvogel = feniks
Walnoot
Wapen
Water
Water
Waterman/vrouw
Weide
Wever
Wijn
Woestenij
Wolf
Wortel
Woud
Zee
Zeehaasje
Zoon
Zwaan
Zwaard
Zwijn

Wordt vervolgd     

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2314-2170

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/1)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchensomt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je in een bos bent, of over een weiland gaat, aan een beekje zit, kan je alle indrukken in je opnemen: wat hoor ik, wat zie ik, hoe ruikt het, enz.
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: het woud betekent dit, de berg betekent dat.

1.LANDSCHAP

Beek – zie rivier

Berg:

We zijn ‘hooggestemd, vol goede moed’; 
We zien ‘van bovenaf’, zien ‘neer’, kennen de ‘verheven’ stemming, het ‘overkoepelende’ weten. 
Er wordt een ‘hogere waarheid’ verkondigd, d.w.z. in de beeldentaal: ‘de berg beklimmen, bestijgen’. 
De mens werd naar de ‘berg’ van/in zijn zielenlandschap geleid om het overzicht te krijgen; daar kan hij wel in verzoeking gebracht worden.

Bos = woud

Bron

Duits heeft ‘Brunn’: Beeld voor de scheppende diepte; voortdurende vernieuwing van de ziel of wat ermee samenhangt.

Duits heeft ‘Quelle’: ‘het bruisende, scheppende nieuwe. Taal:’tot de bron teruggaan; bronnenonderzoek’.

Dal

Laagte, i.t.t. de berg. Het dal van het dagelijks leven waarin de mens zich dienend realiseert. Hier staat hij dicht bij de aarde, maar hij is er niet in. Hij woont beneden aan de berg, maar niet erin.

Dorp

Beeld van het sociale samenleven en – werken.

Gras = weide

Hooi = weide

Huis

Beeld van de lichamelijkheid als ‘behuizing’, ‘onderkomen’ voor de geest en de ziel. In de beeldspraak van de taal: ‘Iemand gaat uit zijn dak’, Duits heeft o.a. ‘Jemand ist aus dem ‘Häuschen’ (Iemand is uit zijn huisje). Iemand heeft ‘einen Dachschaden’ (dakschade); ‘er klopt iets niet in het bovenkamertje’; iemand heeft geen fundament, basis, grond onder de voeten. 
Ook in de vorm van hut, toren, slot.

Hut = huis

Kasteel = slot

Land

In materiële zin staan wij wat de zintuigwereld betreft op ‘vaste bodem’, op ‘zekere grond’; de ‘vaste basis van de feiten’; en we hebben ‘standpunten’. Het grondwoord ‘verstaan’ (begrijpen) heeft als kernwoord ‘staan’. Men ‘zet stappen voorwaarts’, ‘gaat vooruit’ in de wereld die zich als ‘dingwereld’ laat meten en becijferen. In de taal: ‘vaste grond onder de voeten hebben’, ‘stevig op de aarde/de grond staan’; ‘(vast)geworteld zijn’,’met beide benen op de grond’

Meer = zee

Moeras

Wanneer de mens in een situatie raakt, waarin hij noch in het bewustzijn van zijn zintuigen (d.w.z. op het land) noch in zijn zielenbewustzijn (d.w.z. op het water) zekerheid heeft, ‘verliest hij de grond onder zijn voeten’. Deze onheilspellende ‘tussentoestand’ verschijnt als ‘moeras’, taal: ‘in het moeras belanden’, ‘wegzinken’, ‘zompig’. 

Rivier (stroom)

Beeld voor de beweeglijke ziel, het stromende leven, vgl. het woord ‘geestelijke stroming’; ‘alles stroomt’ (Duits: es ist alles in der Fluss’ (Fluss = stroom/rivier); de ‘stroom van de tijd’.

Slot

Het slot dat zich door grootte en rijkdom onderscheidt van het huis, is een beeld voor de ‘behuizing’ van het lichaam. Het wordt gebruikt wanneer het lichaam meer betekenis heeft, ‘voller’ is en rijker beleefd wordt; zo woont het kind overwegend in een slot want het kent de grenzen van zijn lichamelijkheid niet.
‘Stenen slot’ duidt op het hoofd als ‘woning’, omdat de schedel de hardste botstructuur heeft.

Stad

Als grootste bewoning duidt dit woord in de taal op de grootste sociale gemeenschap.

Toren

Lijkt op huis, hut, slot, heeft betrekking op de lichamelijkheid. In het bijzonder duidt de toren op de afzondering, de afgesnoerdheid; aan de andere kant kan de toren niet alleen maar het symbool van de lichamelijkheid zijn, maar eigenlijk ook staan! voor standvastigheid en zelfstandigheid.

Tuin

Gebied van de diverse groeikrachten, waar gezaaid wordt en levenskiemen bedachtzaam worden geplant, zodat er vruchten kunnen rijpen. Zie ook ‘de tuinman’. (nog niet oproepbaar)

Vijver = zee

Water

Symbool voor het gebied van de ziel; wijst op een bewustzijn dat boven het door de zintuigen begrensde bewustzijn uitgaat. In de ‘oerschoot’ van de ziel ‘golven’ gevoelens heen en weer, ‘wellen driften op’; daar kan het ‘kolken’. Droomachtige gevoelens en gedachten ‘duiken op’ en ‘verstarren’ (ijs?) De mens moet zichzelf behoeden voor dromend ‘wegstromen’ of ‘onder gaan’. Taal: ‘iemand gaat kopje onder’, is in zichzelf ‘verzonken’; ‘het water staat tot aan de lippen’.

Weide

Innerlijk veld waar de levenskrachten spruiten, uitlopen, die door de zon beschenen tot bloei kunnen komen. Gras is een bijzondere uitdrukking voor vegetatieve krachten. Hooi is het beeld van het verdrogen daarvan.

Woestenij

Toestand van verarming en verdroging, de kale verdorde vlakte. Taal: ” iemand heeft zijn leven verwoest’; ‘bij hem is alles woest en leeg’

Woud

Het is het gebied waar het vegetatieve leven met woekerende groeikracht met beklemmende dichtheid werkzaam is. Het is een grensgebied tussen de wereld van de zintuigen en de geest. Hier kan de driftnatuur op een bijzondere manier tevoorschijn komen (wilde dieren). Hier worden ontwikkelingswegen gezocht, je kan je vergissen, maar ook de juiste weg vinden. Het woud is beeld voor een innerlijke toestand met meer kanten, die iedere zoeker naar de geest door moet maken.

Zee

Tussen het vaste, de voorwerpen op deze wereld hier en de geestelijke wereld ‘daar’, ligt ‘schommelend’, ‘op  – en afgaand’ de wereld van de ziel; de oneindigheid verschijnt hier in het beeld van de zee of van het meer. Kleinere wateren, zoals vijver, plas duiden op een meer begrensd bereik van de zielenwereld. Zie ook water (hierboven)

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2313-2169

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-2)

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

de beeldentaal van de sprookjes

In de inleiding van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ zegt de schijfster Friedel Lenz:

Wilhelm Grimm zegt:

‘Wat de sprookjes gemeen hebben zijn de overblijfselen van een geloof dat in oude tijden teruggaat en dat verwoord wordt in een beeldende opvatting van bovenzintuiglijke dingen. 
Dit mythische lijkt op een edelsteen die kapot gesprongen is en die op de grond ligt waar gras en bloemen rijkelijk groeien en alleen door een scherp oog ontdekt kan worden. De betekenis ervan is allang verloren gegaan, maar wordt nog wel gevoeld en geeft aan de sprookjes de waarde, terwijl ze tegelijkertijd het natuurlijke verlangen naar het wonderbaarlijke bevredigt; nooit zijn ze alleen maar een kleurenspel van inhoudsloze fantasie.’

Hoe komt de mensheid ertoe te spreken in een taal die van inhoud beeldend is? En welke bovenzintuiglijke dingen worden dan in de sprookjes uitgedrukt?

Modern sprookjesonderzoek zegt: sprookjes zijn de ware dromen van de volkeren. In dromen wordt niet gedacht. In een bonte afwisseling komen de beelden in de ziel op. Vandaag de dag zijn deze beelden in de meeste gevallen chaotisch, nabeelden van wat er overdag gebeurde.

Een andere manier van dromen duidt op diepere samenhang. Wij kunnen bijv. dromen dat het huis waarin we wonen, in brand staat. We vluchten voor de brand, worden wakker en – hebben koorts. Het lichaam is het huis, de koorts de brand. Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis zoeken. Of we zijn verdwaald in een bos en vinden maar geen uitweg of rotsen en bergen rijzen hoog voor ons op en we komen niet verder. En dan moeten we zeggen: dit zijn niet alleen maar beelden van het dagelijks leven, of van de gewone chaotische droom, ze spiegelen uitzichtloze situaties waarin wij ons bevinden.

Een derde vorm van dromen is nu wel zeldzaam geworden, maar komt nog voor, vooral bij schokkende gevoelservaringen. Dat is de lotsdroom, de profetische waarheidsdroom die zich binnen in de mens uitspreekt.
Hier kom je op het terrein van de precieze waarheidsbeelden, op het terrein van het bewustzijn dat beelden schept en daaruit stammen ook de sprookjes.

In een vroegere fase van de mensheid hadden alle volkeren zo’n bewustzijn. De droom van ’s nachts is daar een laatste overblijfsel van. De mens leefde toen oorspronkelijk ook overdag, later voornamelijk ’s nachts, met een droomachtig beeldbeleven. Hij zag niet alleen – zoals de moderne mens – de wereld van de tastbare voorwerpen in de buitenwereld van de zintuigen met zijn lichamelijke ogen, maar hij nam ook de wereld waar die daarin werkzaam is. Toen zijn veel plooibaardere wezen in aanraking kwam met andere wezens, vormde hij die in zich na: een wezen sprak zich in een wezen uit met innerlijke waarheidsbeelden. Deze helderziendheid leefde als natuurkracht in hem.

Het was het mythologische tijdperk. Uit het beleven van de goddelijke oerwereld kreeg de mens zijn grootse imaginaties (imago = beeld)  over het ontstaan van de wereld en de mensheid: de mythe. 
Hij kon de goddelijke machten innerlijk zien. Ook de leidende geest van zijn volk beleefde hij niet abstract denkend zoals wij, maar schouwend als een werkzaam wezen. 
Zo werd bijv. de Duitse volksgeest die zich nog niet in één enkel volk kon uitspreken, maar nu eens in deze stam en dan weer in een andere, imaginatief als ‘Wanderer’ wandern = wandelen, rondtrekken, dwalen zonder doel’ beleefd. 

Op deze manier werden voor de mensen het lot en de ontwikkelingen van het volk waartoe ze behoorden of waarmee ze te maken kregen, in de beelden van de grote heldensagen duidelijk.
Vanuit de beleving van zijn eigen wezen en zijn eigen lot vormde de mens een nieuwe manier van vertellen: de sprookjes.

Sprookjes zijn beelden van het innerlijk lot en de ontwikkelingen van de individuele mens.

In het mythische tijdperk werden de waarheidsbeelden geschouwd (droomachtige imaginaties). Tijdens de ontwikkeling van het denken werden ze in woorden gekleed en verteld, De vroegere vertellers waren in het vrouwelijk tijdperk van de mensheid de vrouwen die de stammen leidden, de helderziende vrouwen, de profetessen, zoals Tacitus nog over de grote zieneres Weleda spreekt.
In het mannelijk tijdperk was het de opdracht van de barden en rapsoden, uitgezonden van de mysterieplaatsen van de Druïden bij de Kelten, van de koningshoven bij de vroegere Germanen om mythen, heldenagen en sprookjes te vertellen.

In het middelpunt van onze Germaanse mythen staat die grote bewustzijnsverandering die Simrock in de 19e eeuw in het beeldende woord ‘godenschemering’ samenvatte. Het helderziend waarnemen van een goddelijke wereld verbleekt en de op zich staande verbinding met de wereld die steeds zo als aanwezig werd beleefd, wordt steeds vager. Tegelijkertijd wordt in de mens van het Avondland de zelfstandige persoonlijkheid wakker, het Ik. Deze grandioze gebeurtenis heeft voor iedere individuele mens betekenis voor het lot.

De sprookjes die de gebroeders Grimm met niet aflatende ijver verzameld hebben, spiegelen wezenlijk deze bewustzijnsverandering: een rijk moet worden verlaten, een koningschap opgegeven; je leeft in armoe en wordt op de proef gesteld. Uiteindelijk wordt er op eigen kracht een nieuw rijk en koningschap gevonden. We herkennen de weg van de persoonlijkheidsontwikkeling, het individu-worden. 
De sprookjes tonen de gevaren van deze weg, de opdrachten  die tot een goed einde moeten worden gebracht, de beproevingen die moeten worden doorstaan; wat je bereikt hebt, moet blijvend worden. De hoogste trap die kan worden bereikt is de mens die Christus in zichzelf meedraagt. Dat wordt niet uitgesproken door christelijke namen, maar wordt duidelijk door de daden. Het gaat om het woord in Johannes: ‘Ik heb jullie tot koning gemaakt.”

Het is wel zo dat het beeldende vermogen algemeen was en sommige sprookjes kunnen hier of daar wel onder het volk ontstaan. Maar onze belangrijkste sprookjes laten zo’n diep weten van het mensenwezen zien, zo’n gave leiding van innerlijke ontwikkeling, wijzen zo doelgericht naar een toekomst, dat wij daarin de hand van grote pedagogen herkennen. De namen zijn onbekend, maar zorgvuldig waarnemen van de leerweg en de symboliek die erbij hoort, laat ons in de gangbare vertellingen bepaalde centra zien:

Sprookjes zijn bewuste ‘leerstof’, net zoals de grote opvoedings- en vormingsmiddelen van de volkeren

Tot de 9e eeuw gold in het Avondland de zgn. trichotomie, de indeling van de mens naar lichaam, ziel en geest. De pedagogen die de sprookjes schiepen, hanteerden de leer van de drieledige mens die Aristoteles al begripsmatig had geformuleerd, hoewel de tweedeling van de mens in lichaam en ziel intussen tot dogma verheven was. 

Dit is een belangrijke sleutel om de sprookjes van hieruit te bekijken. De geest van de mens, zijn eeuwige kern, het Ik verschijnt ten tonele in het mannelijke beeld en alle krachten die daarbij horen worden als mannelijk voorgesteld.
De ziel spreekt zich in de beeldentaal van alle volkeren uit als een vrouwelijk wezen en alle zieleneigenschappen verschijnen als vrouwelijke wezens.
Het lichaam als beschermende omhulling vertoont zich als huis, slot, hut, toren.
Ieder sprookje is een klein drama dat zich afspeelt op ons innerlijk toneel. De menselijke figuren zijn personificaties van de krachten van geest en ziel; driften en instincten daarentegen verschijnen in deze samenhang als dieren. De gebeurtenissen worden als handelingen in hun beelden uit de uiterlijke wereld met de dingen, de voorwerpen, genomen, maar moeten als volledig zich in het binnenste afspelende gebeurtenissen worden gezien. Ieder landschap is een innerlijk toneel.
We moeten tegenwoordig met vernieuwde inzet proberen om het sprookje te begrijpen, want de moderne mens begrijpt de beeldentaal niet meer. Hoewel onze taal vol beeldspraak zit.
De meeste woorden zijn uit beelden ontstaan. Taal is verstard beeld. Maar het intellectuele denken ziet het beeld niet meer. De beelden in woorden te herkennen is nog een belangrijke sleutel.

Waarom zijn sprookjes belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling van een kind?

Een sleutel om de betekenis van het sprookje en dat bij de opvoeding van het kind te betrekken, kan wel de uitspraak zijn van een tijdgenoot van Goethe: ‘De geschiedenis van een individu dat volledig tot ontwikkeling is gekomen is tegelijk de geschiedenis van zijn soort’ (Wieck).

De ontwikkeling die de mensheid als geheel gaat, wordt in een individueel mens herhaald, de vroege tijd van de mensheid vindt een spiegel in het kind, het herhaalt die mythische tijd. Het kind is nog geen abstract denkend wezen, maar een wezen dat in zijn beleving beelden schept, zoals ieder spel van een kind direct laat zien. En daar komt een belangrijke wetmatigheid bij: de mensheid heeft te maken met de verandering van het bewustzijn. (R.Steiner) Het bewustzijn is voortdurend aan verandering onderhevig en daarmee moet de opvoeding rekening houden.
Het kleine kind herhaalt het mythische tijdperk. Dat speelt zich af tussen het vierde en het achtste jaar, de eigenlijke fase van de beelden.
Hier heeft het kind de echte volkssprookjes nodig met die onvervalste beeldspraak en ook als je met het kind spreekt moet de beeldspraak overheersen.

Na dit mythische tijdperk begon de ontwikkeling van het denken en de mens bevond zich in een droomachtig-helderziend waarnemen, maar ook in het denken. 
De vertellingen spreken zich nu uit in beelden én in gedachten. uiterlijke gebeurtenissen worden in de taal van alledag onder woorden gebracht, de innerlijke in beelden. Deze fase vindt een herhaling in het kind als een beeld-denkfase, vanaf zo het achtste jaar Hier horen de sagen en de legenden bij, ook de heldenverhalen van het eigen volk en andere sagen. Een groot document van deze mensheidsfase is het Oude Testament, dat deze twee talen spreekt.

Met de beginnende aarderijpheid wordt de eigenlijke fase van het denken bereikt. In deze fase hoort pas het kunstsprookje. Dat komt volledig uit een andere sfeer, het is een product van het verstand en de fantasie. Het kunstsprookje is literatuur, het echte sprookje imaginatie.

De uitleg van de hier besproken sprookjes is niet bedoeld voor het kind, vanzelfsprekend. In de kinderleeftijd moet de ziel nog niet vanuit het beeld naar het intellectuele begrip worden geleid. 
Maar ouders, kleuterleid(st)ers, leerkrachten krijgen meer verantwoording bij de keuze van de sprookjes en bij het mondeling vertellen, wanneer ze over de zin en de betekenis van deze oude overleveringen iets weten.

De interpretaties die in dit boek bij elkaar zijn gebracht, zijn gedeelten uit voordrachten die in verschillende steden in diverse landen gehouden werden.
Ze staan hier wel als een afrondend verhaal.
Omdat ieder sprookje een zelfstandig geheel moet blijven, was het niet te vermijden dat bepaalde motieven en beelden steeds terugkomen.

Een klein overzicht van de symbolen die in deze sprookjes voorkomen, staat achterin het boek {3-3]

[3-3/0] In alfabetische volgorde 

Een aantal opvattingen: De beeldentaal van de sprookjes

.

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2310-2166

.

.

.