Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-9)

.

Vanaf 7jr. Voorleestijd 35 min.
.

Leo Tolstoi

.

Waar liefde is daar is ook God

Er leefde ergens in een stad een schoenmaker, die Martyn Awdeitsch heette. Hij woonde in een kelderkamer met één raam, dat uitkeek op de straat. Door dat raam kon je de mensen voorbij zien komen. Eigenlijk zag je alleen maar de voeten, maar Martyn Awdeitsch herkende alle mensen aan hun schoenen. Hij woonde daar al lang, en er waren er dus heel wat die hij kende. Haast alle schoenen in de buurt waren een- of tweemaal door zijn handen gegaan. Hele rissen had hij opgeknapt, of van zolen en hakken voorzien en hij had ook de nodige nieuwe laarzenschachten aangezet. Vaak keek hij onder het werken door uit het raam. Hij had het druk, omdat hij behoorlijk werk leverde, niet te veel vroeg en zich altijd aan zijn afspraken hield. Kon hij de schoenen binnen de verlangde tijd klaar krijgen, dan nam hij de opdracht aan, zo niet, dan zei hij het van te voren, want hij wilde niemand teleurstellen. Zodoende wist iedereen wie Awdeitsch was, en hij zat geen ogenblik zonder werk.

Awdeitsch was zijn hele leven een goed mens geweest. Toen hij oud begon te worden ging hij nog meer aan zijn ziel en aan God denken.

Martyn had toen hij nog als gezel bij een baas werkte zijn vrouw al verloren. Hij was toen met een jongetje van drie achter gebleven. Ze hadden nog meer kinderen gehad, maar die waren allemaal heel jong gestorven. Eerst wilde Martyn het ventje naar het dorp bij zijn zuster brengen, maar toen was hij met het kind begaan en dacht: “Mijn Kapitoschka kon het in een vreemde omgeving weleens heel moeilijk krijgen; ik houd hem toch maar liever bij me.”

Awdeitsch ging bij zijn baas weg en betrok met zijn zoontje een woning. Maar hij had geen geluk met zijn kinderen. Nauwelijks was de jongen op een leeftijd gekomen dat hij zijn vader kon helpen en deze het leven verlichten, of hij werd ziek en moest het bed houden. Een week lang had hij zware koorts, toen stierf hij. Martyn bracht zijn jongen naar het kerkhof en was zo wanhopig dat hij begon te morren en tegen God in opstand kwam. Hij werd zo door zijn verdriet overmand, dat hij God meer dan eens bad om ook hem te laten sterven, en Hem verweet dat Hij niet hem zelf, maar zijn enige zoon en oogappel tot zich had genomen. Ook ging hij niet langer naar de kerk.

Op een dag, kort na Pinksteren, kwam er een boer bij Awdeitsch op bezoek. Het was een grijsaard die al acht jaar aan het zwerven was. Awdeitsch raakte met hem in gesprek en begon zijn nood te klagen: “Ik heb geen zin meer om verder te leven en ging net zo lief dood. Ik bid God alleen nog maar om me te laten sterven. Ik heb niets meer te verwachten.” Maar de grijsaard antwoordde hem: “Je redeneert niet goed, Martyn, wij kunnen over Gods daden niet oordelen. De wereld wordt niet door ons verstand, maar door het inzicht van God geregeerd. God besloot dat je zoon moest sterven, maar dat jij moet blijven leven. Dus moet dat wel beter zijn. Maar als jij wanhoopt, dan komt dat doordat je alleen voor je genoegen wilt leven.”
“En waar moet ik dan voor leven?” vroeg Martyn. De grijsaard antwoordde: “Men moet leven om wille van God, Martyn. Hij heeft je het leven geschonken, dus moet je ook alleen voor Hem leven. Maar als je eenmaal leeft voor Hem, zul je niet meer treurig zijn, en alles zal je gemakkelijk schijnen.”
Martyn zweeg even, en zei toen: “Hoe kun je dan voor God leven?”
De grijsaard antwoordde: “Hoe je voor God moet leven heeft Christus ons geleerd. Kun je lezen? Koop dan het evangelie, en je zult ontdekken hoe je voor God kunt leven. Daarin staat alles geschreven.”

Zijn woorden schoten wortel in het hart van Awdeitsch, en nog die zelfde dag kocht hij een nieuw testament, met grote letters gedrukt, en begon te lezen.
Eerst nam Awdeitsch zich voor om alleen op de feestdagen te lezen, maar zodra hij met lezen begon werd het hem zo licht om het hart, dat hij er van toen af aan dag in dag uit in las. Soms was hij er zozeer in verdiept, dat de olie in de lamp geheel opraakte. Hij kon zich eenvoudig niet van het boek losmaken.
Zo las Awdeitsch dan iedere avond in het evangelie, en hoe langer hij erin las, hoe beter hij begon te begrijpen wat God van hem verlangde en hoe je voor God leven moest, en het werd hem steeds lichter om het hart. Voordien was het vaak gebeurd dat hij zuchtend en steunend naar bed ging, en al maar aan zijn zoontje dacht, nu sprak hij steeds vaker: “Geloofd zijt Gij, o Heer! Uw wil geschiede!”

Allengs veranderde Awdeitsch zijn hele levenswijze.
Vroeger ging hij op de feestdagen naar de herberg om thee te drinken, maar de brandewijn versmaadde hij ook niet. Had hij samen met een goede bekende gegeten en gedronken, dan verliet hij de herberg weliswaar niet zwaar dronken, maar toch lichtelijk beneveld, en kletste allerlei onzin, riep sommige voorbijgangers aan en schold andere uit, maar nu was dat allemaal afgelopen. Zijn leven werd rustig en vol vreugde, ’s Morgens zette hij zich aan zijn werk, en was de dagtaak volbracht, dan nam hij zijn lampje van de haak, zette het op tafel, haalde het boek van de plank, sloeg het open en begon te lezen. En hoe langer hij las, hoe beter hij begon te begrijpen, en dan werd het hem steeds blijder te moede.
Op een keer las Martyn tot diep in de nacht door. Hij las in het evangelie van Lucas, en was gekomen tot hoofdstuk 6, en daarvan het vers: – Zo iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en neemt iemand uw mantel af, laat hem dan ook het hemd. Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug. En gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo. –
En verder las hij de verzen waarin de Heer zegt:
– Wat noemt gij mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven heeft en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen het huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. –

Toen Awdeitsch deze woorden had gelezen, was hij blij gestemd. Hij zette zijn bril af, legde die op het boek, steunde zijn hoofd op zijn hand en verzonk in gepeins. Hij begon zijn leven te toetsen aan wat hij zoëven had gelezen: “Hoe is eigenlijk mijn huis gebouwd, op een rots of op zand? Is het op een rots, dan is het goed. Als ik zo met mij zelf alleen ben, dan doe ik wel in alles naar Gods gebod: zoek ik verstrooiing dan maak ik me onverhoeds toch ergens aan schuldig. Ik wil dus mijn uiterste best doen. Moge God mij helpen.”

Zo dacht Awdeitsch en wilde al gaan slapen, maar hij kon er niet goed toe komen het boek opzij te leggen, en zo begon hij toch aan het zevende hoofdstuk. Hij las het verhaal van de hoofdman, van de zoon der weduwe, van het antwoord dat Christus Johannes de Dopers discipelen gaf, en kwam bij het gedeelte waar verteld wordt hoe de rijke Farizeeër Christus bij zich thuis nodigde; en verder las hij nog hoe de zondares de voeten van de Heer waste met haar tranen, en hoe Hij haar zonden vergaf. Dan kwam hij aan het vierenveertigste vers en hij las:

– En Hij wendde zich tot de vrouw en sprak tot Simon: “Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnen gekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.” Awdeitsch las deze verzen en dacht na over de woorden: … Hij heeft Hem geen water voor zijn voeten en geen kus gegeven, noch zijn hoofd met olie gezalfd.

Weer zette Awdeitsch zijn bril af, legde hem op het boek en ging zitten nadenken. “Hij leek op mij, deze Farizeeër, en dacht alleen aan zichzelf; als iemand alleen maar thee gaat drinken en het warm en gezellig heeft, en het komt niet bij hem op aan de gast te denken – want dat was het, hij zorgde alleen maar voor zichzelf, maar niet voor de gast. Maar Wie was die gast? De Heer zelf. Als Hij bij mij was gekomen, zou ik dan ook zo gehandeld hebben?”
Awdeitsch leunde met het hoofd op beide handen en merkte niet, dat hij in slaap sukkelde.

“Martyn,” hoorde hij opeens iemand aan zijn oor fluisteren. Martyn schrok op uit zijn slaap: – “Wie is daar?” Hij keerde zich om naar de deur, maar kon daar niemand ontdekken. Weer sliep hij in, maar eensklaps hoorde hij heel duidelijk de woorden: “Hoor je mij, Martyn? Kijk morgen door het venster uit op de straat. Ik kom.”
Martyn werd wakker, stond op van zijn stoel en wreef zich de ogen uit. Hij wist het zelf niet: had hij deze woorden in zijn droom gehoord of terwijl hij wakker was? Hij deed de lamp uit en ging naar bed.
De volgende morgen stond Awdeitsch al voor het begon te dagen op, zei zijn morgengebed, maakte de kachel aan, zette pap en koolsoep op, wakkerde de samowar aan, deed zijn voorschoot voor en ging voor het raam zitten werken. Hij zat daar te werken en telkens moest hij weer denken aan wat hem de vorige dag was overkomen. Hij wist niet wat hij ervan denken moest: nu eens hield hij het voor een zinsbegoocheling, dan weer scheen het hem toe, dat hij die stem werkelijk gehoord had.
“Nu ja, alles is mogelijk,” dacht hij.
Martyn zat voor het raam maar werken deed hij eigenlijk niet. Hij zat meer uit het raam te kijken. Ging er iemand voorbij van wie hij de laarzen niet kende, dan boog hij zich voorover en probeerde het gezicht van de voorbijganger te zien. Eerst ging de portier op zijn nieuwe viltpantoflels voorbij, toen de waterdrager, en daarna verscheen een oudgediende, die al onder Nikolaas I uit de dienst was ontslagen, met oude vilten laarzen aan en een schop in zijn handen, voor het venster.
Aan die laarzen herkende Awdeitsch hem. De oude man heette Stepanytsch en woonde bij de buurman van Awdeitsch, een koopman, die de oude soldaat uit medelijden onderdak verschafte, in ruil waarvoor deze allerlei klusjes moest opknappen voor de portier. Stepanytsch begon voor Awdeitsch’ raam sneeuw te ruimen, en Awdeitsch keek naar hem omhoog, en hervatte toen zijn werk maar weer.
“De oude dag heeft me wel erg onnozel gemaakt,” dacht Awdeitsch en moest een beetje glimlachen om zichzelf. “Daar heb je Stepanytsch, die sneeuw komt scheppen, en ik denk dat het Christus is die bij me op bezoek komt. Die oude kop van me wil niet zo best meer.” Hij deed nog tien steken, maar toen moest hij toch weer uit het raam kijken. Daar zag hij hoe Stepanytsch de schop tegen de muur had gezet, en in de zon stond uit te rusten.
Hij was oud en gebrekkig en zo te zien eigenlijk niet sterk genoeg meer om sneeuw te ruimen. Toen dacht Awdeitsch: “Zou ik hem een glas thee aanbieden? De samowar zingt al.”
Awdeitsch stak de naald in het leer, stond op, plaatste de samowar op tafel, zette thee en tikte op de ruit. Stepanytsch draaide zich om en kwam naar het raam.
“Kom toch binnen in de warmte,” zei hij. “Je bent geloof ik koud tot op het merg, is ’t niet?”

“De Heer sta ons bij, o, wat doen me de botten pijn,” antwoordde Stepanytsch. Hij kwam binnen, schudde de sneeuw van zijn jas, veegde zijn voeten, om de vloer niet vuil te maken. Hij kon haast niet meer op zijn benen staan.

“Doe geen moeite, ik maak de boel straks wel schoon. Kom, ga hier maar zitten,” zei Awdeitsch, “en drink een glas thee.”

Awdeitsch schonk twee glazen in, schoof zijn gast er eentje toe, goot uit het andere een scheut in zijn schoteltje en begon te blazen. Stepanytsch dronk zijn glas leeg, draaide het om, legde de rest van de suikerklont, waar hij een stukje had afgebeten, erop, en bedankte. Maar je kon best zien dat hij nog wel wat gelust had.

“Toe drink nog een glas,” zei Awdeitsch, en schonk voor zichzelf en zijn gast thee in. Hij dronk zijn thee, maar keek ondertussen telkens weer op straat.

“Verwacht je iemand?” vroeg de gast.

“Of ik iemand verwacht. Ik schaam me bijna om te zeggen wie ik verwacht. Ik wacht en ik wacht eigenlijk ook weer niet; er is een woord in mijn hoofd blijven hangen en dat wil me niet meer uit de zin. Of het een droom is geweest of iets anders, weet ik eigenlijk zelf niet. Zie je, vrindje, ik heb gisteren in het evangelie gelezen over Vadertje Christus, hoe Hij hier op aarde wandelde en veel smart heeft ondergaan. Daar heb je zeker wel van gehoord, niet?”

“Ervan gehoord heb ik wel,” antwoordde Stepanytsch, “maar ik heb geen opvoeding gehad en ik kan zelfs niet lezen.”

“Nu dan, ik heb gelezen hoe Hij op aarde wandelde en hoe Hij bij die Farizeeër kwam, die hem niet op een behoorlijke manier ontving. Terwijl ik dat zo zat te lezen dacht ik: hoe kon hij Vadertje Christus nu niet op een behoorlijke manier tegemoet treden! Als ik het geweest was, of iemand anders, ik had niet geweten wat ik doen moest om Hem goed te ontvangen. Zo zat ik bij mezelf te denken, en toen ben ik in slaap gevallen. En toen ik in slaap was gevallen, toen hoorde ik ineens, hoe iemand me bij mijn naam riep. Ik word wakker, en ik hoor een stem die me als het ware toefluistert: ‘Verwacht mij, morgen kom ik.’ Dat heeft zich twee keer herhaald. En van toen af aan, dat kun je geloven of niet, wil het me niet meer uit de zin. Ik loop mezelf uit te schelden, maar toch wacht ik op Hem.”

Stepanytsch schudde het hoofd en antwoordde niet, maar dronk zijn glas thee leeg en draaide het om; doch Awdeitsch zette het weer overeind en schonk opnieuw in.

“Drink op en laat het je goed gaan!” – Ik denk, dat toen Hij op aarde wandelde, er niemand was op wie Hij neerkeek, en dat Hij meest met eenvoudige mensen verkeerde. Mensen zoals jij en ik, en zijn discipelen wierf Hij ook onder het werkende volk, dat even zondig was als wij. Wie zich verhoogt, zei Hij, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, die zal verhoogd worden. Gij noemt mij Here, zei Hij, maar Ik zal u de voeten wassen. Wie de eerste wil zijn, sprak Hij, die zal aller dienaar zijn. Want zalig, zei Hij, zijn de armen, de nederigen en de zachtmoedigen.”

Stepanytsch had helemaal zijn thee vergeten. Stepanytsch was oud en licht geroerd. Hij zat daar te luisteren, en een paar tranen liepen over zijn gezicht.

“Kom, drink toch,” zei Awdeitsch.

Maar Stepanytsch sloeg een kruis, bedankte, schoof zijn glas opzij en stond op. “Ik dank je, Martyn Awdeitsch,” zei hij, “je hebt me als een gast ontvangen en mijn lichaam en ziel verkwikt.”

“Je moet maar gauw terugkomen, ik ben blij je te gast te hebben,” antwoordde Awdeitsch.

Stepanytsch ging heen, en Awdeitsch goot de rest van de thee uit de samowar in zijn glas, dronk het uit, ruimde de theeboel op en ging weer voor het raam zitten – om hakken te maken. Maar weer keek hij telkens het raam uit, want hij wachtte op Christus en dacht al maar aan Hem en zijn daden, en menig woord van Christus wilde hem niet uit de zin.

Toen gingen er twee soldaten voorbij; de een droeg een paar dienstlaarzen, de ander had zijn eigen laarzen aan; toen kwam de kastelein van naastaan voorbij, in mooie gummilaarzen, en daarna de bakker met een mand. Die waren allemaal voorbij, en toen kwam er een vrouw, met wollen kousen aan en gewone schoenen. Ze liep het raam voorbij en bleef toen tegen de muur staan. Awdeitsch keek uit zijn raam en zag dat het een vreemde vrouw was, met armoedige kleren aan en ze droeg een kind op haar arm. Ze leunde zo tegen de muur dat haar rug naar de wind gekeerd was, en wikkelde het kind in, maar ze had niets waarmee ze het behoorlijk kon toedekken. Ze droeg zomerkleren, maar ook die waren zeer gebrekkig. Zelfs door het dubbele raam heen kon Awdeitsch horen hoe het kind huilde en de vrouw het vergeefs toesprak.
Daar stond Awdeitsch op en riep luid:

“Beste vrouw, hoor eens even!”
De vrouw hoorde een stem en keerde zich om.
“Wat sta je daar toch met je kind in de kou? Kom toch in mijn kamer, daar is het warm, daar kun je veel beter wachten.”

De vrouw was erg verbaasd. Ze zag een oude man met een voorschoot en met een bril op zijn neus, die haar bij zich riep. Ze volgde hem. Ze gingen het trapje af en traden de kamer binnen. De oude man bracht de vrouw bij zijn bed. “Ga hier zitten, dichter bij de kachel – hier kun je goed warm worden en je kindje voeden.”

“Ik heb geen melk in mijn borsten, sinds vanmorgen heb ik niets meer gegeten,” zei de vrouw, maar legde niettemin het kind aan de borst. Awdeitsch schudde het hoofd, ging naar de tafel toe, haalde brood te voorschijn en een kom, maakte de ovenklep open en goot koolsoep in de kom. Toen haalde hij de pot met brij voor de dag, maar de brij was nog niet klaar, daarom zette hij alleen de koolsoep op tafel. Toen pakte hij het brood, haalde een handdoek van het rekje en legde die op de tafel.

“Ga maar aan tafel, jonge vrouw,” zei hij, “en eet, dan ga ik zo lang bij de kleine zitten. Ik heb vroeger ook kinderen gehad, dus ik weet hoe je er op passen moet.”
De vrouw sloeg een kruis, zette zich aan de tafel en begon te eten. Hij probeerde, om het kind te vermaken, met zijn lippen te klappen maar dat lukte niet erg, want hij had geen tanden meer. Het kind huilde maar door. Toen bedacht Awdeitsch wat anders. Hij bewoog zijn vinger voor het gezichtje van het kind heen en weer, bracht hem naar de mond van de kleine en trok dan hem meteen weer terug. Hij stopte zijn vinger niet in de mond, omdat die met pek besmeurd was en helemaal zwart. Het kind staarde naar de vinger en werd stil; toen begon het te lachen. Dat vond Awdeitsch leuk. De vrouw zat inmiddels te eten, en vertelde wie zij was, en waar ze vandaan kwam.

“Ik ben een soldatenvrouw, mijn man hebben ze acht maanden geleden heel ver weg gestuurd, en ik heb geen bericht meer van hem gehad. Ik had een betrekking als keukenmeid gehad, en daar ben ik toen heen gegaan. Maar met het kind wilden ze me niet hebben, en nu ben ik al drie maanden zonder betrekking. Alles wat ik had heb ik opgemaakt, ik wilde me als min verhuren, maar niemand wilde me nemen. Ze zeggen dat ik te mager ben. Ik ben zopas bij een koopmansvrouw geweest, die een vrouw uit ons dorp in huis heeft, en daar hadden ze me een betrekking beloofd. Ik dacht dat ik daar meteen beginnen kon, maar nu zeiden ze, dat ik pas over een week hoefde te komen. Het was een heel eind van mij vandaan, en ik ben doodmoe geworden van het lopen en ook mijn lieve kleine is er heel slecht aan toe. God zij geloofd en gedankt dat mijn kostjuffrouw een christenvrouw is, nog medelijden heeft, en ons bij zich laat wonen. Anders wist ik helemaal niet hoe ik verder moest leven.”

Awdeitsch zuchtte en zei: “Je hebt zeker geen warme kleding?”

“Hoe zou ik aan warme kleding moeten komen, goede man, gisteren heb ik mijn laatste omslagdoek voor twintig kopeken beleend.”
De vrouw ging naar het bed toe en nam het kind op, maar Awdeitsch kwam overeind, liep naar de muur en na wat gestommel kwam hij terug met een oude borstrok. “Neem dit maar, ’t is wel een oude, maar je kunt het kind erin wikkelen.” De vrouw keek naar de borstrok en toen naar de oude man en begon te schreien. Awdeitsch wendde zich af; hij kroop onder het bed, haalde een kleine kist te voorschijn, zocht daar iets in en ging weer tegenover de vrouw zitten. De vrouw zei: “Christus moge je helpen, grootvadertje.
Hij moet het ook wel geweest zijn die me voor jouw venster heeft gebracht. Het kind was anders zeker bevroren. Toen ik van huis wegging was het vrij warm, maar nu vriest het buiten verschrikkelijk hard. En God heeft je ingegeven dat je uit het raam moest kijken, om je over een ongelukkige te ontfermen.” Bij deze woorden glimlachte Awdeitsch en zei: “Heel juist. Hij heeft het mij ingegeven. Niet voor niets heb ik uit het raam gekeken.”

Hierop vertelde Martyn de soldatenvrouw van zijn droom en van de stem die hem voor vandaag Gods verschijning had aangekondigd. “Alles is mogelijk,” antwoordde de vrouw, stond op, deed de borstrok om bij wijze van omslagdoek en wikkelde het kind erin. “Neem dit, om Christus’ wil,” zei Awdeitsch, overhandigde haar een twintigkopekenstuk en zei dat ze daarmee de doek moest inlossen. De vrouw sloeg een kruis, Awdeitsch deed hetzelfde en begeleidde haar naar buiten.

De vrouw was weg. Awdeitsch at de koolsoep op, ruimde de tafel af en zette zich weer aan de arbeid. Onder het werk dacht hij niettemin voortdurend aan het venster, iedere keer als de ruit verduisterd werd keek hij op om te zien wie er langs ging. Er kwamen veel vreemden en bekenden voorbij, maar geen enkele bijzondere persoonlijkheid.

Daar zag Awdeitsch, hoe recht tegenover zijn raam een oude koopvrouw bleef staan, die een mand met appels droeg. Er zaten niet veel appels in de mand, de vrouw had ze zeker bijna allemaal al verkocht. Op haar schouder had zij echter een zak met houtspaanders. Die had ze zeker bij een bouwterrein verzameld en nu ging ze naar huis. Maar de zak drukte wel erg zwaar op haar schouder. Ze wilde hem op de andere schouder doen, zette hem op de grond en de appelmand op een schamppaal en begon de zak met spaanders te schudden. Ondertussen dook plotseling een jongen met een gescheurde pet op, greep een appel en wilde ermee vandoor gaan, maar de oude vrouw had het gemerkt, draaide zich om en greep het ventje bij zijn arm. De jongen begon van zich af te slaan en wilde zich bevrijden, maar het ouwetje had hem met twee handen beet, sloeg hem zijn pet van het hoofd en pakte hem bij zijn haren. De jongen schreeuwde en de vrouw schold. Awdeitsch had nauwelijks tijd om de naald in het leer te steken, hij gooide hem daarom op de grond en liep zo snel hij kon de trap op, zodat hij zelfs struikelde en zijn bril verloor. Zo kwam hij de straat op gehold; het oude mens rukte de jongen aan zijn haar, schold hem hevig uit en dreigde hem aan een agent te geven. De jongen sloeg om zich heen en ontkende dat hij iets ergs had gedaan:

“Ik heb niks gepakt,” betuigde hij, “waarom moet je me dan slaan, laat me toch los!”
Awdeitsch stond aan allebei te trekken en te plukken om ze van elkaar te scheiden, pakte de jongen bij de hand en zei:
“Laat nou los, grootmoedertje, vergeef het hem toch!”

“Ik zal het hem zo vergeven dat hij het tot het volgende pak slaag niet meer vergeet! Ik zal die schoft aan de politie overgeven!”

Nu begon Awdeitsch de oude vrouw gemoedelijk toe te spreken: “Laat hem toch lopen, grootmoedertje, hij zal het heus niet meer doen. Laat hem vrij om Christus’ wil!”
De vrouw liet de jongen vrij, hij wilde weglopen, maar Awdeitsch hield hem vast.
“Je moet grootmoedertje eerst om vergeving vragen. En doe het niet weer. Ik heb gezien dat je de appel weggepakt hebt.”

De jongen barstte in tranen uit en begon de oude vrouw vergiffenis te vragen.
“Zo is het goed. En hier heb je een appel.”

Awdeitsch nam een appel uit de mand en stak hem de jongen toe.-“Ik zal hem betalen, grootmoedertje, ”zei hij daarbij tot de oude vrouw.

“Je verwent die lummel,” zei de oude. “Hij moest er zo van langs krijgen dat hij het een weeklang voelt.”

“Och grootmoedertje!” zei Awdeitsch, “dat denken wij misschien, maar naar Gods gebod is het heel anders. Als hij al slaag verdient om een appel, wat verdienen wij dan wel, want wij zijn toch veel grotere zondaars.”

De oude vrouw verstomde.
En Awdeitsch vertelde de oude vrouw de geschiedenis van de Heer die zijn knecht een grote schuld kwijtschold, waarop deze heenging en zijn eigen schuldenaren begon aan te manen. De oude koopvrouw hoorde de geschiedenis aan en ook de jongen bleef staan luisteren. “God heeft ons opgedragen de anderen te vergeven,” zei Awdeitsch, “anders zullen wij ook niet vergeven worden.”

De vrouw schudde het hoofd en zuchtte. “Dat is wel zo,” zei ze, “maar de jeugd is veel te brutaal geworden.”

“Dan moeten wij ouderen hen juist beter voorgaan,” antwoordde Awdeitsch.

“Dat zeg ik ook,” antwoordde de vrouw. “Ik heb zelf zeven kinderen gehad, maar ik heb alleen een dochter overgehouden.”

En zij begon te vertellen waar ze woonde, hoe ze bij de dochter in huis was en hoeveel kleinkinderen ze had. “Ik ben helemaal niet sterk meer, maar ik blijf werken. Mijn kleinkinderen verdragen mij, ze zijn ook erg aardig; niemand doet tegen mij zoals jij. De kleine Aksjutka is niet bij me weg te slaan; ’t is de hele tijd: grootmoedertje, aller-, allerliefste grootmoedertje …” De oude vrouw was helemaal ontroerd.
“Zo zijn kinderen nu eenmaal. Nou, laat hem dan maar lopen,” voegde zij eraan toe, met een blik op de jongen.

De oude vrouw wilde de zak weer op haar rug laden, maar nu sprong de jongen toe en zei: “Laat mij hem dragen, grootmoedertje, ik moet toch dezelfde kan uit.”
Het mensje schudde het hoofd en tilde de zak op de jongen zijn rug. Zo liepen ze samen de straat uit. Het vrouwtje had zelfs vergeten Awdeitsch geld voor de appel te vragen. Awdeitsch stond de twee na te kijken en hoorde hoe druk ze met elkaar praatten.

Toen keerde hij terug naar zijn kamer, vond in het voorbijgaan op de trap zijn bril, die niet eens gebroken was, raapte de naald op en zette zich opnieuw aan het werk. Hij werkte nog een poos door, maar toen wilde het niet meer vlotten, omdat het al donker was geworden en hij zag zelfs de lantaarnopsteker al langs komen, om de lantaarns aan te steken. “Ik zal wel licht moeten maken,” dacht hij. Hij stak de lamp aan, hing hem aan de haak en ging weer aan de slag. Hij repareerde nog één laars, draaide hem om en om en bekeek hem nauwgezet – het was goed werk.
Awdeitsch legde zijn gereedschap bij elkaar, ruimde het afval op, borg de borstels en de naalden weg, zette de lamp op tafel, en nam het evangelie van de boekenplank. Hij wilde het boek op dezelfde plaats openslaan waar hij de vorige dag een stukje marokijn erin had gestoken bij wijze van bladwijzer, maar toevallig sloeg hij het op een andere plaats op. Terwijl hij het boek opensloeg schoot hem alweer het gebeurde van de vorige avond te binnen. Nauwelijks kwam de gedachte in hem op, of het leek of vlak bij hem iemand bewoog, of er iemand met een heel lichte tred achter hem langs ging. Awdeitsch keerde zich om, en het scheen hem toe of er verscheidene mensen in de donkere hoek van de kamer stonden, maar hij kon ze niet goed onderscheiden. Daar fluisterde een stem hem in het oor:

“Martyn, Martyn, heb je mij dan niet herkend?”
“Wie?” zei Martyn.
“Mij,” zei de stem.
“Ik ben het.”
En uit de donkere hoek kwam Stepanytsch te voorschijn, glimlachte, veranderde in een wolkje en verdween…
“En dit ben ik,” sprak een andere stem.
En uit de donkere hoek trad de vrouw met het kind naar voren. Zij glimlachte, ook het kind lachte, en toen verdwenen zij.
“En hier ben ik,” zei een derde stem, en daar stonden het oude vrouwtje en de jongen met de appel, en allebei glimlachten zij en verdwenen eveneens.

Awdeitsch voelde zijn hart zwellen van vreugde. Hij sloeg een kruis, zette zijn bril op en begon in het evangelie te lezen, daar waar hij het tevoren toevallig had opengeslagen. En bovenaan de bladzijde las hij de woorden: “Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest. ..”

Onderaan dezelfde bladzijde las Awdeitsch:

“… in zoverre gij dit aan één van dezer minsten hebt gedaan, hebt gij het ook aan Mij gedaan.” (Mattheüs 25).
En toen begreep Awdeitsch, dat de droom geen bedrog was geweest, maar dat de Heer hem deze dag werkelijk had bezocht en dat hij Hem in zijn huis had ontvangen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2421-2270

.

.

.

 


VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-8)

.

Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

.

Lichte sneeuwval, windstil weer

.

Toen hij de kerk uitkwam leek het of het klokgelui werd gesmoord in een gordijn van watten. De sneeuw viel in dichte, warrelende vlokken. Een jonge hond dolde uitgelaten heen en weer, kinderen lachten om een slee, hij hoorde de stemmen van de mensen die afscheid namen van de dominee: prettige feestdagen, vrolijk kerstfeest – wat je dan zoal zegt. Zelf had hij geen afscheid genomen, de dominee was geen vriend van hem. (Wie eigenlijk wel?) Door de sluier van sneeuw drong flauw het maanlicht, een waterig schijnsel; de contouren van de dorpsstraat, waarin de spaarzame lantarens door dansende vlokken omgeven waren, vielen nauwelijks te onderscheiden, de huizen aan het eind waren van hieruit niet te zien.
Hij had erop gerekend, op zijn leeftijd kon je dat verwachten, dat de gang naar huis terug hem moeilijk zou vallen, maar hij was toch gekomen.
De stemmen kwamen dichterbij, hij trok zijn das wat dichter om zijn hals, greep zijn wandelstok stevig beet en begaf zich op weg. De sneeuw lag al tamelijk dik, zoveel was er in jaren niet gevallen. Hij moest lang in de kerk hebben gezeten, maar het had hem toch niet lang geleken, hoewel de dominee even lang van stof was geweest als anders en weer te veel literatuur en kunstgeschiedenis in zijn preek had ingelast. Dat had hem jaar en dag het kerkbezoek tegen gemaakt, en ook de uitvallen nu en dan tegen het katholicisme, die hij blijkbaar niet achterwege kon laten. Als je lang in romaanse landen had gewoond, kon je dat moeilijk verdragen. Geen slechte prediker, de dominee, maar een ijveraar, je zou bijna zeggen, een beetje een fanaticus. Waarom was hij dan deze keer toch gegaan? Om de kerstboodschap, om de oude koralen, om zijn kindergeloof te horen bevestigen of om de kerstbomen en de oude boerenkribben met hun houtsneewerk te zien? Maar de kerk stond daar niet vanwege de dominee, en wie was hij, zo’n oude, eenzame, door ervaringen geteisterde man, dat hij over hem zou mogen oordelen?
Hij had te hard gelopen, om maar van de mensen weg te komen, met wie hij geen enkele band had, en ook niet hebben wilde. Ze mochten hem gerust voor zonderling en ouwe gek uitschelden.
Hij moest even stil blijven staan om adem te scheppen. Zijn leeftijd deed zich weer eens voelen. De kou kroop in zijn benen omhoog, zijn handen begonnen gevoelloos te worden, altijd vergat hij wat: hij had zijn overschoenen aan moeten doen.

De stemmen waren nu niet meer te horen, hij was de dorpsstraat uit, waar nu achter stijf dichtgetrokken gordijnen de kaarsen werden aangestoken; het vertrouwde voetpad naar de bosrand waar zijn huis tegenaan stond, was nog maar net te onderscheiden. Het buitenlicht brandde, maar de haard zou wel uit zijn gegaan, en hij had vergeten de tuindeur op slot te doen. Hij had geen kerstboom, met kaarsjes om aan te steken. Hij zou niet weten voor wie. Wat was het stil, geen zuchtje wind, en de sneeuw bleef zachtjes vallen. De sneeuw moest begonnen zijn te vallen toen hij al in de kerk zat. De eerste sneeuw van het jaar, stipt zoals het behoorde, een witte Kerstmis waar hij als kind altijd naar verlangd had. Het was nu niet ver meer. Hij bleef staan en glimlachte voor zich heen. Hij moest ineens denken aan de sirene, die midden onder de preek was gaan loeien, juist toen de dominee al te pathetisch werd, ongenadig door de welgekozen woorden heen scheurend, de sirene van de gevangenis in het moerasgebied achter het bos. Er was er weer een ontsnapt, en zo waarschuwden ze de omgeving, terwijl ze probeerden hem weer te vangen. Een zeer moderne strafinrichting, ook de behoefte aan modern lawaai scheen daarbij te horen, een beter alarmsysteem hadden ze blijkbaar niet weten te verzinnen. In het dorp waren ze er al aan gewend om te worden overvallen door de wisselend aanzwellende en afnemende huiltonen van de sirene te worden opgeschrikt, maar waarom juist op kerstavond, midden onder de nachtdienst? Aan de andere kant was het heel goed verklaarbaar dat de drang naar de vrijheid een gevangene juist nu te machtig werd, en misschien was ook de kans om te ontsnappen gunstiger dan anders. Het mocht de uitbreker aanvankelijk al gelukt zijn een voorsprong te krijgen, ver zou hij in deze sneeuw niet komen, tenzij de wachters hem in deze nacht voorlopig maar lieten gaan. Maar wat ging het hém aan, moest hij daarbij stilstaan? Hij zou de boodschap van het evangelie nog eens nalezen, besloot hij, als hij tenminste niet te moe was, nu meteen, voor die weer verbleekte. Hij ging verder, maar bleef nog eenmaal staan, en ditmaal glimlachte hij niet. Nu wist hij waarom hij naar de kerk was gegaan. De vrede van God, die alle verstand te boven gaat… Om deze zegen te horen uitspreken, deze troostrijke woorden, in hun eenvoud vol geheimenis, had hij de bezwaarlijke tocht ondernomen.
Ook het licht in de hal had hij aangelaten, hij was niet meer gewend om zo laat uit te gaan. Terwijl hij met klamme vingers zijn schoenen uittrok, overwoog hij of hij niet meteen een warme kruik in zijn bed zou leggen.
De deur van de bibliotheek stond op een kier – zo haastig was hij, in een plotselinge opwelling, weggegaan. Hij hoorde daarbinnen een haardvuur knapperen en voelde hoe de warmte hem tegemoet drong. Waar had hij ook weer zijn pantoffels? Hij deed de deur wijd open, maar na een paar passen stond hij stil – met zijn natte sokken maakte hij vieze voeten op het kleed.

Op de stoel bij de haard zat een voorovergebogen gestalte, een lange jas losjes omgeslagen, die met een haardijzer in het vuur pookte. Als hij nu iets riep zou de man hevig schrikken – dat was het eerste wat hij dacht. Na een afgemeten zwijgen zei hij daarom, met zijn gewone, gearticuleerde stem: “Goedenavond, hoe bent u hier zo binnengekomen?’ ’
“Neemt u me niet kwalijk.” De man sprak zachtjes, hij scheen niet geschrokken, zelfs niet verrast, alsof hij deze ontmoeting wel had verwacht. “Ik zag licht branden. Uw tuindeur stond zo uitnodigend open, en dan opeens al die sneeuw. Ik wilde graag even in de warmte zitten. Ik ga zo dadelijk weer weg.”

Zou hij al het licht aandoen? Hij draaide alleen de schemerlamp aan. De onbekende bezoeker stond op en keerde zich langzaam naar hem toe. De jas had hij nu tot de hals toegeknoopt. Het was een ouderwets model dat hem tot aan de voeten reikte, die in grove laarzen staken. Hij was lang en tenger, en hield het hoofd enigszins gebogen. Zijn gelaat toonde sporen van dodelijke vermoeidheid, de kin was verstrakt, de ogen waren te groot in het lijkbleke masker. Zijn houding was vrij van verlegenheid meer als van iemand die hoffelijk luistert dan van iemand, die betrapt is. Ook hij leek een man op leeftijd, hoewel toch zeker tien jaar jonger dan hijzelf, en zoals hij daar stond, in de lichtkring van de lamp, met een mengeling van gelatenheid en innerlijk verzet, maakte hij een afgeleefde, uitgeputte indruk.

“Ik verlang ook een beetje warmte. Gaat u rustig zitten, maar in de andere stoel graag, ik ben aan deze gewend.” Hij maakte een uitnodigend gebaar. De warmte deed hem opleven. Iets anders wist hij zo gauw niet te verzinnen. Niet overhaasten. Eerst maar eens zien hoe het liep. Hij keek de indringer aan. “Zit die jas niet te warm, hij is zo onmogelijk lang. Zou u hem niet liever uittrekken?”

“Huisvredebreuk,” zei de man. “Op zijn allerminst huisvredebreuk. Wat een woord!” Hij scheen ergens over na te denken. “Als ik die jas nou uittrek – ik heb hem in de hal gevonden, en ik dank u wel dat ik hem van u heb mogen lenen” – hier viel hij zichzelf in de rede – “wat een frasen.”
Zo vaardig met de tong als hij scheen te zijn, bracht hij de zin niet tot een einde. Hoewel hij het haardijzer nog losjes in de hand hield – een gevaarlijk wapen, als je er even bij nadacht – ging er niets dreigends van hem uit. De jas maakte hem tot een groteske figuur.

“U hebt het vuur hoog genoeg opgepookt, dus u kunt dat haardijzer nu wel weghangen. En gaat u toch zitten.” De man legde het haardijzer weg, gehoorzaam en een beetje in de war gebracht, maar hij bleef wel staan. Je moest hem blijkbaar de tijd gunnen. “Ik krijg nog maar zelden bezoek. U hebt me een verrassing bezorgd die ik jaren niet meer gekend heb. Ik vind het heel interessant, zo lang u me niets doet tenminste.” Nu hij in zijn eigen stoel zat kwam het er gemakkelijk uit. Ze waren nu dicht tot elkaar gekomen.

Langzaam liet de man zich in de andere stoel zakken. “Bedankt, heel erg bedankt,” sprak hij hortend, “’t Is hier zo – zo vredig. En waar zou ik ook heen moeten in die sneeuw. U staat niet gauw perplex, maar als ik deze jas uittrok, zou u toch vreemd opkijken.” Hij streek met een ironisch gebaar over de lange rij knopen.

“Omdat er dan een gestreept gevangenispak te voorschijn komt?”

De man kwam overeind, wilde opstaan, een schrikreactie, maar hij liet zich onmiddellijk weer terugvallen. “U weet het dus,” klonk het toonloos. “Ik had het kunnen verwachten. Weet de politie al waar ik ben? Komen ze me halen? Jammer. Ik had gehoopt dat ik tenminste nog tot in de stad zou weten te komen.”

“Dus u bent die uitbreker voor wie midden onder de preek de sirene ging. ’t Lag voor de hand. Maak je geen zorgen, hier komt niemand, en ik ben niet van plan je bij de politie aan te geven. Tenminste, vannacht niet. In deze nacht zou dat voor mijn gevoel eenvoudig niet passen. Nog afgezien van de moeite. Ik heb geen telefoon en ik denk er niet aan om nog eens door de sneeuw te gaan baggeren.”

“En u bent niet bang? Ik zou u bijvoorbeeld . . .”

“U zou van alles kunnen. Maar u zult niets doen. Ik heb dadelijk gezien dat u niet het type bent van een – hoe zal ik zeggen? – een gevaarlijke bruut.”

Nu stond de armzalige kerel op en trok met ongeduldige, rukkerige bewegingen de jas uit. In zijn gevangenisplunje zag hij eruit als een clown, maar het groteske patroon gaf hem tegelijk iets van de bittere ernst van een arme struikrover, het wanhopige van alle echte grappenmakers. “Wat ben ik dan wel?” vroeg hij.

“U zult wel zeggen: een onschuldig veroordeelde.”

“U hebt gelijk. Dat zeggen ze bijna allemaal. Maar ik ben werkelijk onschuldig. U kunt me geloven.”

“Vanavond is juist mijn kindergeloof in de kerstboodschap weer bevestigd, dus ik zou wel in de stemming moeten zijn om het van u aan te nemen. Maar het spijt me wel, de bijzonderheden interesseren me hoegenaamd niet. Ik ben een oude schrijver.

“Die boeken, zijn die allemaal van u?” De man in de gevangeniskledij liet zijn blik over de vele boekenplanken gaan. “Ik heb daarstraks de titels gelezen. U moet heel beroemd zijn. Ik wist niet, ik lees niet zoveel bellettrie, dat ik juist in het huis van… (hij noemde de naam) mijn toevlucht moest zoeken. Maar dat zijn alweer frasen. Neem me niet kwalijk.” Zijn voorgewende zelfverzekerdheid scheen hem geheel in de steek te laten. Hij liet zich weer op zijn stoel vallen.

“Maak toch niet telkens verontschuldigingen. Vroeger ben ik beroemd geweest. Ik ben nu vergeten. Sinds acht jaar heb ik geen boek meer geschreven. Sedert mijn vrouw gestorven is. Vorig jaar is mijn kat doodgegaan. Er zijn te veel geschiedenissen door mij heen gegaan, waar of bedacht. Ik wil er niet meer horen. Alleen nog de hele grote, de weinige die blijven. Uw geschiedenis hoort daar, vrees ik, niet bij.”

“U hebt gelijk. Helaas. Mijn geschiedenis is alledaags en triest en vreselijk banaal. Maar in elk geval is het een ware geschiedenis. Ik kan er wat van leren, u niet.” Hij zocht naar woorden, en voegde er zachtjes aan toe: “U bent een wijze oude man, en dat u niets vraagt bewijst hoe goed u bent.”

“Hoe nu?” Hij had dat laatste niet verstaan, en bemerkte dat het haardvuur begon uit te gaan. Hij vermande zich.

“Ik zal u een nuchter voorstel doen. U trekt een pak van mij aan, dat u zo ongeveer past. Ondertussen zet ik koffie. Ik zal u zeggen hoe u in de stad kunt komen. U moet niet naar het station gaan, daar zoeken ze zeker. Er is een bushalte hier dichtbij.”

“U riskeert een vervolging wegens strafbare hulpverlening.”

“Daar kan ik me in deze nacht niet om bekreunen. En voor ik er anders over denk zal ik u het adres geven van een goede advocaat, die iets aan mij verplicht is, met een briefje of hij u helpen wil. Die gekke jas kunt u wel houden. Ik heb hem al jaren niet meer gedragen en hij hangt daar toch maar voor niets.”

“Waarom doet u dit allemaal? Ik dring uw huis binnen, u kent me niet eens.”

“Ik wil u helemaal niet kennen. Dat is het juist. En, goed dat ik er aan denk, het belangrijkste moeten we nog regelen: u moet wat geld hebben. Laten we een gentleman’s agreement sluiten: u kunt het me bij gelegenheid terugbetalen. Als u geluk hebt. Als u onschuldig bent.”

“Maar ik verzeker u …”

“Verzeker me maar niets. Als u mij uw levensgeschiedenis en alle bijzonderheden van het proces vertelt, hoe waar ze ook mogen zijn, dan zeg ik u nogmaals, dat ik niet de minste lust heb om er naar te luisteren. Ik deug niet voor biechtvader. De belangstelling voor het persoonlijk lot van anderen is mij helemaal vreemd. Wat zou ik van u kunnen leren, dat ik niet al lang wist? Bovendien ben ik moe, heel erg moe, en ik laat mijn geregelde leven niet graag in de war brengen.”

“Ik begrijp het. Ik zal u mijn geschiedenis en mijn persoonlijke moeilijkheden besparen. Ik heb ook niet het minste recht iets van u te vragen. Ik sta overal buiten.”

“Wat moet dat betekenen? Ik haat alle zelfbeklag. Ik wil alleen zuiver praktisch iets voor u doen, en u moet niet vragen waarom. Ik doe het eerlijk gezegd ook om op een fatsoenlijke manier van u af te komen.”

“Goed dan, goed dan,” zei de vreemde gast. Hij stond op, schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. “De sneeuw is opgehouden,” zei hij langzaam. “De maan schijnt. Het is tamelijk helder. Ik geloof dat ik maar gaan moet.”

Onderaan de trap wachtte hij hem op. Het pak zat hem een beetje ruim, maar het maakte hem heel anders. Hij zag eruit als iemand uit de stad, als een heer. Hij legde een bundeltje kleren op een dekenkist en zei: “Ik heb een nieuw mens aangetrokken. Gooi dit hier maar in het vuur.”

“Ik heb een schetskaartje gemaakt van de weg door het bos. Daar zullen ze nu niet zoeken. Wacht hier bij het ziekenhuis op de eerste bus. U zult misschien lang moeten wachten, maar u hebt al zoveel geriskeerd, dat kan er ook nog wel bij.”

“En als ik nog wat langer hier blijf? Ik weet dat het veel gevraagd is, maar . ..”

“De gastvrijheid, volgens de ouderwetse opvattingen tenminste, zou vergen dat ik het goed vond, maar blijf toch maar liever niet. Ik ben een oude man en werkelijk heel erg moe. En als het straks dag is geworden denk ik er misschien anders over.”

De onbekende haalde zijn schouders op. Was hij bang geworden? Zonder een woord stak hij het kaartje in zijn zak, nam de brief en het bankbiljet en dronk haastig zijn koffie op. “Ja,” zei hij toen, “het is beter zo. Laat ik hopen dat ik bij die advocaat kom en dat ik mijn vrouw spreek, dat is het belangrijkste.”

Bij de deur draaide hij zich om en stak verlegen zijn hand uit. “U loopt nog aldoor op uw sokken.” Hij schudde misprijzend het hoofd, maar hij glimlachte niet. Zijn gezicht droeg weer een gespannen en gefolterde uitdrukking. “Wat moet ik verder nog zeggen. Ik dank u. Van ganser harte. En toch vraag ik: waarom doet u dat voor mij?”

“Dat vraag ik mezelf ook af. Weet ik het?

God behoede u,” zei hij op gesprekstoon, helemaal niet plechtig, en toen, meer tot zichzelf dan tot de gedaante in de vormeloze jas, die eenzaam het besneeuwde pad op ging: “Misschien omdat er iets is dat alle verstand te boven gaat.”

De sterren flonkerden, het bos stond donker tegen de lucht: het zou hem beschutten. Vlug sloot hij de deur. Een lange, onderdrukte geeuw deed hem schudden. Hij hoorde nu toch heus in bed. Waar zijn toch mijn pantoffels? Nou, ik ga ze nu echt niet meer zoeken, besloot hij.

.

Waarschijnlijk van Hans Bütow

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2420-2269

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-7)

.

Kerstverhaal, vanaf 7 jr.
Voorleestijd: ca 23 minuten

.

De dieren van Bethlehem

.

Jozef nam zijn fluit, bracht hem aan de mond en begon te spelen. Het werd hoog tijd, vond hij, dat Maria ging rusten, want. het was geen kleinigheid een kind ter wereld te brengen, en dan nog wel als het tijd is om te slapen. Hij zou iets spelen, bedacht hij, waardoor ze de een na de ander in slaap zouden vallen – eerst de moeder, dan het kindje, en ten slotte de dieren in de stal, die ook wel een onrustige nacht achter de rug moesten hebben, want het gebeurt niet vaak dat dieren bij de geboorte van een mens kunnen toekijken. Zouden ze begrepen hebben, vroeg hij zich af, wat er met de vrouw aan de hand was? Ze hadden haar nog nooit eerder horen schreien.

Eerst klonk de fluit zo vredig en rustgevend dat Jozef er zelf slaap van kreeg. De kerstnacht daarbuiten was zo ijzig koud dat de wanden van de stal er van kraakten en de sterren aan de hemel er van fonkelden. Voor de deur van een geriefelijk, met stro gedekt buurhuis stond een hondje met een natte neus hevig te janken. Maar hij was de eerste die de honingzoete fluittonen in slaap deden vallen. Bij Maria duurde het trouwens ook niet lang. Zodra de hond zich stil hield en zijn gelijkmatig, vredig ademen verried dat hij het niet meer koud had, draaide zij zich om naar de wand en sluimerde in. Haar lieve gezicht begon in de slaap te blozen, de rode lippen glansden vochtig en op de kleine hand, die zij onder haar wang had geschoven, glinsterde van louter ijver en tevredenheid een zweetdruppeltje. Maria hijgde zelfs een beetje van uitputting, en zij strekte haar benen onder de deken, om eindelijk de pijn der weeën te vergeten; als na welgedane arbeid sliep zij in. Zodra Jozef dit bemerkte vielen ook zijn ogen dicht, de fluit gleed uit zijn handen en zoals het een vader past, strekte hij zich uit op het stro en begon te snurken.

Het kind lag echter nog wakker en glimlachte. Waarom zou het zich ook haasten om te gaan slapen, terwijl het nog maar pas voor het eerst de wereld had aanschouwd en nu met ogen, oren en neus moest kennis nemen van wat voor hem reeds een gelukzalige zekerheid was. Maar het zei geen woord, om Jozef, die voor de kribbe lag, niet wakker te maken, en tuurde met licht gebalde vuistjes roerloos naar de grauwe balken van de zoldering, die glad en glanzend werden van de adem der dieren. En doordat het zo koud was, werd zijn eigen lichte adem zichtbaar boven zijn mond, zodat hij die ook kon leren kennen op zijn eerste levensdag. Want – zie toch – nauwelijks waren de vader en moeder ingeslapen, daar begon het in de stal reeds merkbaar kouder te worden.

De os schudde bezorgd zijn kop. “Het is koud,” zei hij, “het kind zal nog kou vatten.” De ezel hief zijn kop op, die hij tot aan de grond had laten hangen, zo moe was hij van alle nieuwe ervaringen, en zoog met veel gerucht de lucht op door zijn fluwelige neusgaten. “Zachtjes,” bromde de os mismoedig, “je zult hem nog wakker maken.” “Hij slaapt niet eens,” mompelde de ezel. Dat wist de os ook wel, want hij wendde zijn ogen geen ogenblik van de kribbe af, waarin het kind met stralende ogen onbeweeglijk neerlag, en slechts af en toe, als er een vlieg voorbijvloog, beefden zijn vuistjes, die er als twee kleine knopjes uitzagen. Ja, de os zou dat niet geweten hebben, hij wist nog heel wat meer. “Ik weet dat hij niet slaapt,” antwoordde hij, “maar hou je toch maar stil, want daarom kun je hem nog wel wakker maken. Wat moeten we nou doen dat hij geen kou vat?” “Zullen we zijn moeder wekken?” vroeg de ezel. “Nee,” antwoordde de os beslist, want hij hield evenveel van Maria als van het kind. “Zij moet rusten, want ze heeft de hele avond gehuild.” “Wat dan wel?” vroeg de ezel, die nog altijd heel moe was en die daardoor niets kon bedenken.

Het werd steeds kouder, door het kleine stalraam drong het licht van de maan en tintte de achterdelen van de os en de ezel zilver. Maria werd in haar slaap al maar lichter, Jozef al maar plomper. Onder de jonggeborene begon het stro te geuren als hooi.

De os schaamde zich, het stond hem tegen vindingrijker te zijn dan anderen, maar ditmaal mocht hij niet verzwijgen dat hij een verstandige raad te geven had, die anderen, slimmer dan hij, ter harte konden nemen. Hij wendde zijn kop af van schaamte. “We moeten vlak bij hem gaan staan,” zei hij, “om hem met onze onwaardige lichamen te warmen. Mocht hij jouw lucht niet kunnen verdragen dan kun je een beetje van de kribbe af gaan staan.” “Ja goed,” viel de ezel hem bij, “jij gaat rechts van hem staan en vangt de kou die van rechts komt op, en ik ga aan de linkerkant staan, en als de kou daar vandaan komt, bijt ik en trap ik hem dat hij dood neervalt.”
Ze gingen aan weerskanten van de kribbe staan, en de os maakte zich in zijn ijver helemaal krom, zodat ook de voetjes van het kind een beetje beschut waren. Maar de ezel moest eventjes weg. Hij stootte met zijn kop de staldeur open, draafde het erf op, en deed daar wat hij zo nodig doen moest.
Toen hij terugkwam zag hij tot zijn stomme verbazing dat de os het kind zwaar snuivend met zijn machtige adem stond te warmen, zó vanzelfsprekend als moest hij een kalfje verzorgen. “Wat een vermetel dier,” dacht de ezel, en er kwam een beetje jaloersheid in hem op, het eerste lage gevoelen in Bethlehem sinds de geboorte van het kind; geen wonder dat het raam wat besloeg en het in de stal een beetje donkerder werd. “Wat hem nu toch allemaal invalt,” verbaasde zich de ezel, terwijl hij in de deuropening bleef staan, “anders is hij zo onnozel, dat hij stilhoudt als ik een strohalm op zijn pad leg, en zie nu eens wat er voor geweldige ideeën bij hem opkomen.”
De os kon hem gelukkig niet zien, want die stond van de deur afgewend met onblusbare ijver de pasgeborene te warmen. Het kind keek hem met zijn grote, glanzende ogen stil aan, en was zo tevreden dat zijn vuistjes zelfs opengingen, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Toen de ezel bij de kribbe kwam, ademde de os op de voetjes van het kindje. Op elk voetje viermaal. Het gekwetste hart van de ezel raakte weer verzoend. “Kijk nou,” dacht hij bij zichzelf, “hij is toch dommer dan ik. Hij kan nog niet eens tot vijf tellen.”
“Waarom blaas je maar viermaal op elke voet?” vroeg hij fluisterend, opdat het kind het niet horen zou, want hij wilde de os niet beschaamd maken. “Ik blaas zoveel keer als het teentjes heeft,” antwoordde deze.
Het hart van de ezel vulde zich met medelijden. “Blaas nog maar eens, het heeft nog een teentje.” Maar dat vijfde teentje was zo klein dat de os het pas ontdekte nu hij wat nauwkeuriger keek. Vlug ademde hij er nog twee keer op, om het verzuim te herstellen.
De ezel ging zó naast de kribbe staan dat hij met zijn staart de vliegen kon verjagen, die van de os, of van hemzelf, op het kind wilden overwippen. Een diepe stilte heerste in de stal, waarin alleen het vergenoegde snuiven van de os en het suizen van de ezelstaart te horen waren. Jozef en Maria sliepen zo vol overgave, dat zij als het ware in de nacht opgingen.

Toch maakte de os zich ongerust of de ezel zich wel naar behoren gedroeg. Gaf het wel pas dat hij het kind zijn achtereind toekeerde? Maar kom – dacht hij weldra – de ezel zou toch wel weten wat hij deed.

Beide dieren dachten zo ingespannen na, dat de stal daardoor al gauw weer warmer werd. De ezel had al zoveel moed gevat, dat hij het stro onder het roze kinderlijfje een beetje begon te ordenen; met zijn tanden trok hij onder de bipsjes wat samengeklitte halmen weg, en eenmaal raakte hij daarbij met zijn neus bijna een voetje van het kind aan. Toen hij zijn kop beschaamd terugtrok, sprak het kind hem aan. Niet dat het echt praatte, want het kon alleen nog maar glimlachen en huilen; maar de dieren verstonden toch alles wat het zei. Ze hielden ook dadelijk op met het waaieren en warmen – zó ontdaan waren ze, dat de hoog opgeheven staart van de ezel plotseling tot een vaan der nederigheid verstarde en de adem voor de open bek van de os als een kluwen bleef staan.

Wat het kind zei klonk echter zo vriendelijk, zo vrolijk en geduldig, dat beide dieren weldra weer tot zichzelf kwamen.
“Waarom adem je zo op me?” vroeg het kind aan de os. Het moest een hele tijd vergeefs op antwoord wachten, want de os was wel niet bepaald bang, maar hij kon vooreerst zijn bek, die van schrik open was blijven staan, niet dichtdoen. “En jij, waarom wapper je zo met je staart?” vroeg het kind na een poos aan de ezel. Deze was weliswaar wat handiger, maar hij kon toch ook niet antwoorden, zo bonsde zijn hart van vreugde en trots. Hij wendde zijn grote, onbehouwen kop af, om niet in de kribbe te kwijlen van louter ontroering. “Nu?” vroeg het kind na een poosje. De os streek voorzichtig met zijn hoef over het pas opgeschudde stro in de kribbe en wenkte nauw merkbaar met zijn horens.
“Antwoord jij eerst,” fluisterde hij de ezel toe. “Waarom?” vroeg deze. “Jij bent slimmer,” zei de os. “Maar jij bent sterker,” meende de ezel.
Daar dachten ze een poos over na, en zoals dat gaat maakten ze in hun onnozelheid de grond voor hun voeten nat met hun speeksel. In hun hart werden ze een beetje kwaad op zichzelf, dat ze iets gedaan hadden waarvoor het kind ze ter verantwoording kon roepen, en omdat ze, toen ze dat eenmaal gedaan hadden, geen antwoord wisten te geven.
Misschien was het niet goed, dacht de os bij zichzelf, misschien hadden wij het niet moeten verwarmen. Wat oneerbiedig, dat we geen antwoord geven, dacht de ezel, zou je dat ooit weer goed kunnen maken?
“Waarom geef je nog steeds geen antwoord?” fluisterde hij de os toe.
“En jij dan?” zei deze beschaamd.
“Hij heeft jou het eerst gevraagd,” zei de ezel zacht, maar beslist, “dan moet jij ook eerst antwoorden.”
“Maar ik heb vier magen,” verdedigde zich de os, “en daardoor duurt het bij mij langer voor ik de vraag van het kind verteerd heb.”
Maar nu werd de ezel boos; het was duidelijk dat zijn metgezel het pad der waarheid en der rechtvaardigheid verlaten had. Zijn lange, behaarde oren werden stijf van opwinding. “Ezel die je bent!” beet hij de os toe.
Deze hief van verrassing zijn kop zo schielijk op, dat hij bijna met zijn horens aan de kribbe bleef haken. “Wat?” vroeg hij verbluft, “Ik een ezel? Jij bent de ezel!”
Maar ze zetten de ruzie niet verder voort, want doordat ze voortdurend met één oog het kind in de gaten hielden, bemerkten ze dat het stilletjes, maar toch zo stralend glimlachte, alsof het hun wilde uitlachen. Kijk eens, dachten ze allebei met een jubelend hart, het is toch niet boos op mij – en misschien ook niet op mijn vriend.
De os kreeg opeens zijn spraak terug.
“Ik adem op je,” zei hij, “opdat je net zo sterk zult worden als ik. En opdat je net zo lekker zult gaan ruiken als ik,” voegde hij er verwaand aan toe. “En ik,” viel de ezel hem in de rede, omdat hij bang werd dat de os hem niet aan het woord zou laten komen, “en ik waaier met mijn staart om de vliegen weg te jagen, die van de neus van mijn vrind af op jou willen gaan zitten.”
“Ik adem op je,” ging de os voort, “om je warm te maken. Neem me niet kwalijk dat ik maar viermaal op je voetjes heb geademd, maar dat ene teentje is zo klein dat ik het niet gezien had.” “En ik,” zei de ezel, “joeg de vliegen die van de neus van mijn vrind af naar jou toe vlogen weg, omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheid, en omdat ze iemand lelijke, venijnige woorden in het oor fluisteren. Maar het kan best zijn,” voegde hij er eerbiedig aan toe, “dat ze zich bij jouw oren een beetje matigen. Zouden jouw oren nog groter worden?” vroeg hij nieuwsgierig. Het kind zweeg alsof het op een antwoord zon. Het ene zwijgen was grijs en vol vragen, het andere goudkleurig en vol vertrouwen.
Buiten voor de staldeur zat een muisje op zijn achterpootjes in het schijnsel van de sterren, met zijn snuitje naar de deur gekeerd; het was of het de zwijgende velden vertegenwoordigde.
Boven de schuur aan de andere kant van het erf steeg vanaf de horizon een blauwe ster aan de hemel omhoog en bewoog zich langzaam en doelbewust naar Bethlehem.

“Waarom verwarm je mij?” vroeg het kind aan de os. “Waarvoor geef je mij je kracht?”

Als het niet hoogst oneerbiedig was geweest had de os zijn schouders opgehaald. Hoe kon je op die vraag nu antwoord geven? Als er al een antwoord was, dan was dat even zwaarwichtig, en dan zag het er van kop tot staart precies eender uit als de os zelf. Maar hoe zou hij met zijn kleine beetje hersenen voor zo’n groot antwoord de juiste woorden kunnen vinden? “Nu?” vroeg het kind. “Waarom?” De os durfde zich nauwelijks te verroeren.
“Waarom jaag je de vliegen van mijn gezicht weg?” vroeg het kind aan de ezel, en sloot even de ogen, zodat de dieren naar hartenlust hun schouders konden ophalen.

Maar nu stond ook de ezel stokstijf stil, en hij waagde het zelfs niet even met zijn huid te trekken, want ook zijn antwoord zou zo groot moeten zijn, dat er in zijn kop geen plaats voor was.

“Nu?” vroeg het kind geduldig.

Uit een donkere hoek achter in de stal klonk zacht een klaaglijk blaten; het was zo kroezig, zo doorschijnend, zo zilverhelder als een heel klein schapenwolkje dat onder de maan langs voorbij zweeft. Het kind glimlachte weer. Het kleine zwarte lammetje, dat tot nu toe in het donker verborgen was geweest en nu door zijn stemmetje zichtbaar werd, stelde zijn hartje gerust, het was nauwelijks groter dan het kindje zelf. Als het kind uit de krib had gekund, dan was het zeker naar het lammetje toe getrippeld.
“Moeten we het nog eens doen?” vroegen de os en de ezel gedienstig, in stilte hopend dat het kind zijn vragen zou vergeten. De os likte van louter geestdrift met zijn brede tong een beetje aan de teentjes van het kind; het merkt het misschien niet eens, hoopte hij.
Maar het kleine, zwarte, alleen door zijn stem zichtbaar geworden lammetje was alweer verdwenen; het was zo zwak dat het alleen maar het kind had kunnen helpen, als het eerst zichzelf had geholpen. De ezel keek tersluiks achter zich, maar toen zijn blik de hoek van de stal bereikte, was het lammetje nergens meer – slechts een weinigje zurige reuk van wol hing nog in de lucht als een klein, kroezig schapenwolkje. En omdat de ezel wist dat hij het antwoord tenslotte niet langer kon uitstellen, liet hij zich naast de kribbe op de knieën neer.
Aan de andere kant van de kribbe knielde nu ook de os. Het viel hem niet moeilijk, hoewel zijn rechterknie een beetje kapot was; hij verdeelde zijn gewicht zo, dat het wat meer op de kant van het hart rustte. Hij legde de kop op de met stro bedekte grond, alleen zijn grote, schuchtere horens reikten tot aan de rand van de kribbe. En het kind begreep, dat dit het antwoord van de dieren was, en zijn hart werd zwaar, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Maar hij zei geen woord, en de knielende dieren konden gelukkig zijn gezicht niet zien, waarover heel even de donkere schaduw van de dood voorbij streek. Het had ook niets meer geholpen of het iets gezegd had, want rondom de kribbe maakte alles zich nu op om hem te dienen, en achter de gedweeë dieren zonk de ganse wereld op de knieën. Het kind wist, dat allen die men liefheeft en daardoor dient, moeten sterven, en omdat het nog maar een paar uur op de wereld was, kreeg het medelijden met zichzelf en begon te schreien. Maar dat kon niemand merken, want na een minuutje glimlachte het alweer en wreef met beide knuistjes de tranen weg die in zijn ooghoeken blonken. Alleen Maria zuchtte diep, in haar slaap, en streek eenmaal met haar hand langzaam over haar verhitte, moederlijke gezichtje.

Doch daarbuiten maakte de harde wereld zich reeds vaardig om te dienen. Met veel gerucht en keelgeschraap stonden in de buurt de herders op, om te gepaster tijd als eersten de jonggeborene te begroeten. De meesten hadden zelfs ter ere van de gelegenheid hun handen gewassen, en toen bonden ze de honden vast, spuugden eens flink in de handen – zoals dat hoort als je iets belangrijks gaat ondernemen – en haalden hun mooiste herdersstaf te voorschijn.

De drie koningen slikten al stevig stof op de weg die zij regelrecht en zonder aarzelen gingen, in de richting die de blauw fonkelende ster hun wees.

.

Waarschijnlijk van Tibor Déry

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2419-2268

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/23)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.
Uit Sicilië
.

 

De herderslegende

 

Ach, ach, ach – het Kindje Jezus in het wiegje bibberde van kou en trilde als een klein naakt vogeltje in het nest. Zelfs Moeder Maria had geen warme handen en ze stopte haar ijskoude vingers in haar armholtes. Toen sloeg Vader Jozef snel zijn stijf bevroren mantel met de kap om en ging naar buiten om ergens een warm vuurtje te halen. Toen hij buiten voor de stal in de felle vrieskou stond en rondkeek, zag hij nergens licht, nergens een brandend vuurtje. Alleen de grote, wonderlijke ster stond boven hem aan de hemel en straalde zo prachtig, maar gaf nog geen beetje warmte. Maar hij móest een vuurtje hebben, dat móest beslist!
‘Misschien vind ik buiten op het veld bij de herders een waakvuur,’ dacht de heilige Jozef en liep verder over het veld. En warempel – daar lichtte in de nacht een rode gloed op. Er zaten drie herders bij hun schaapskooi rond het vuur en speelden tijdens hun nachtwake een dobbelspel. Een hond die de meest waakse was en ook het snelst van alle waakhonden beet, had alle schapen die hij bewaken moest, goed in de gaten. Hij liet geen enkel levend wezen dichterbij komen, of het nu een dier of een mens was en met zijn scherpe tanden greep hij die vast als ze ongevraagd binnen de omheining kwamen.
Nu was Jozef bij de schaapskooi aangekomen en deed het hek open en ging binnen. Maar kijk – de hond liep op hem af, gromde niet, blafte niet, beet niet, maar heette de late vreemdeling welkom door met zijn staart te kwispelen. De schaapherders waren niet weinig verbaasd en vroegen zich af wat het beest bezielde, dat het zo anders deed. Maar Jozef kwam dichterbij en een van de herders riep wat hij wilde. ‘Geef me een beetje vuur, lieve vrienden; mijn kind dat niet veel ouder is dan de tijd die ik naar jullie toeliep, bevriest anders in deze strenge winterkou!’- ‘Als het anders niets is dan wat vuur’, zei de hoofdherder, ‘neem dan maar wat!’ ‘Maar, eh, oude man’, zei een andere, ‘waarin wil je die gloed dan meenemen, waar moeten we die in doen?’
Maar Jozef trok zijn jas uit en draaide de kap binnenstebuiten zodat die op een puntzak leek en zei: ‘Hierin!’ Toen begonnen de drie herders te lachen dat het klonk en ze dachten natuurlijk dat Jozef met zo’n vuurpan dan niet zo ver zou komen. ‘Dat is mijn zorg en het komt wel goed,’ antwoordde Jozef, ‘geef me maar snel een beetje vuur!’
‘Nu, goed dan, als je niet anders wil, dan maar in je kap!’ lachten alle drie en haalden het brandende hout uit de vuurhoop en lieten het in de kap vallen die Jozef omhoog hield. ‘Goede reis’, riepen ze hem lachend na, toen hij met veel dank wegging.
En toen de heilige Jozef wegliep, keken ze hem verbaasd na, want de gloed bleef in de kap gewoon hetzelfde. ‘Wel-nog-aan-toe!’ riepen ze en nu liep de hond met de vreemdeling mee en wreef zijn snuit tegen Joze
fs benen waarmee hij grote stappen nam. Roepen en fluiten hielp niets. Dat was toch wel al te merkwaardig: ‘Dit is niet gewoon!’ zeiden ze en sprongen overeind om nieuwsgierig achter de oude man aan te lopen. Maar die was door zijn haastige gang al een stuk verder op het veld en droeg zijn vuur met zekerheid naar huis.
Toen daalde er een wonderbaarlijke sterrenregen uit de hemel op het veld neer, midden onder de lopende herders. En in een lichtend schijnsel stond een zilverkleurige engel voor hen. Die sprak tegen de verbaasde herders die stil waren blijven staan: ‘Herders, haast je en loop! Ik breng jullie de meest vreugdevolle boodschap. Ga naar de stal – jullie vuur is al vooruitgegaan. Daar vinden jullie een voerbak en op wat stro een kind en zijn hemelse moeder en de vader die je nu volgt. Aanbid het en zing een loflied, want dit Kind is Gods zoon die de wereld verwacht en die het geluk en de vrede van het hart is. Bid en jubel ‘Halleluja!’
En, o. godswonder, de engel die zo wonderlijk was verschenen, was weer van de aardbodem verdwenen. Boven de stal glansde echter het licht van de ster, helder en groot als een nachtelijke zon.
De herders stonden nog als aan de grond genageld. Nu echter brachten ze hun stijve benen weer in beweging en met grote passen liepen ze over het veld naar de stal. En elk keek onder het lopen in zijn herderstas of er niet nog iets in zat wat ze aan het hemelse kind zouden kunnen geven. En een vond nog een homp kaas die helemaal vers was; de tweede vond een duif in zijn tas en de derde een konijn. Zo kwamen ze bij de stal en vonden het allemaal zo als de engel had gezegd. En de heilige Jozef knielde bij de kribbe en blies in het warme oplaaiende vuurtje dat hij in zijn kap had gehaald. 
.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2418-2267

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/22)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

Over de ‘kerstroos’ bestaan verschillende verhalen. 
Onderstaand verhaal gaat niet over ‘die’ kerstroos, maar over witte en rozerode.
.
Uit Frankrijk

.

DE ROZEN MET KERST
.
Tussen os en ezel lag het Jezuskind in de stal op zijn bedje van schamel stro. Maria in haar blauwe kleed hield de wacht bij de kribbe en droomde weg in haar gelukzaligheid. Jozef had zijn ruwe, bruine handen gevouwen en bad met murmelende lippen. De os loeide: ‘Moe, moe, wat een heerlijke dag!’ En de ezel riep: ‘Hoe mooi is dit kind, i-aaaa!’
Het werd nacht. Buiten stormde het, het sneeuwde en het vroor. Soms hing er een dichte vlokkensluier voor de grote ster die hoog aan de hemel stond; maar het licht was zo krachtig dat hij alles met zijn felle schijnsel overgoot en hij dompelde de stal met daarin het grote geheim in een stralende glans.

Uit het verre Morgenland waren de drie heilige koningen weggereden, In kostbare brokaten kleding, gehuld in zwaar fluweel, opgesierd met de kostbaarste edelstenen. Ze knielden bij het Kind dat met grote open ogen en wijde armpjes in de kribbe lag en zij brachten hem goud om hem daarmee te eren als de hoogste koning; ze schonken hem wierook dat een wonderbaarlijke geur verspreidde en opsteeg om in hem de God te erkennen en ze legden de mirre bij hem die alles geneest, voor de Heiland en Mensenzoon.

En uit hun schaapskooien waren de herders van het veld gekomen en schonken een lammetje en een bokje, een duif en een koeienhoorn waaruit je kon drinken en één bracht een herdersfluit mee en Ysambert, de oude, had een echte kalender gemaakt van hout die de dagen en de maanden aangaf. En Aloris haalde een rammelaar uit zijn herderstas die hij zelf uit hout had gesneden en die deed ‘klip-klap’ en het Jezuskind lachte en greep naar het vrolijke ding.

Achter de grote herders stond schuchter en een beetje bang een klein herdersmeisje gehuld in versleten lompen. Met een nieuwsgierige blik ging ze op haar tenen staan, zodat ze met haar blauwe ogen, ook iets kon zien. Maar de brede schouders van de mannen maakten dat bijna onmogelijk en daarom keek ze dan maar door de benen van de mannen heen. Wat ze toen zag, was voor het kind een grote belevenis en toen ze het Kind met het gouden hart in de kribbe zag liggen, had ze dat het liefst aan haar borst gedrukt, tegen haar hart en in haar armen gewiegd en de mooiste geschenken voor Hem meegenomen. Maar ze had niets om te geven, een kerkrat zou nog meer hebben kunnen schenken dan het arme kind. Haar handen, ruw van het aardappelen rooien en rijshout zoeken, waren leeg, helemaal leeg. Toen begon ze bittere tranen te huilen omdat ze zo arm was.

Hoog op zijn wolkentroon gezeten, zag de engel Gabriël het meisje met haar verdriet en hij daalde naar de aarde neer, kwam ongemerkt de armzalige stal binnen en vroeg naar het verdriet van het kind. “Ach, ik zou net als de anderen het kindje in de wieg een geschenkje willen brengen, maar ik heb niets.’ Wat zou je dan willen geven?’, vroeg de zachte engelenstem. ‘De herders en de koningen hebben het Kindje Jezus alles al gebracht wat je je maar kan bedenken.’ ‘Zijn ze dan echt niets vergeten’, vroeg de engel verder, ‘denk eens na!’ Dat hoefde het herdersmeisje niet lang te doen: ‘O, als ik Hem eens rozen zou kunnen brengen, witte en rode! Het Kind heeft helemaal geen bloemen gekregen en het is toch de eerste dag dat hij geboren is. Maar ach, het is hartje winter en de lente met de bloemen is nog ver weg.’
Toen nam de engel het meisje bij de hand. Ze gingen naar buiten, naar de besneeuwde velden en om hen heen scheen een sterk lichtschijnsel. De engel tikte met zijn engelenstaf op de aarde en toen gebeurde er een mooi wonder: overal bloeiden er bloemen op, prachtige wilde rozen. Uit zilverwitte kelken waarvan de blaadjes teder waren als het fijnste albast, lichtten de gele meeldraden als een gouden sterretje op als het beeld van het stralende teken dat aan de hemel boven het sneeuwveld stond. Het meisje verzamelde de kerstrozen in haar schortje en ging de stal binnen en ze schudde de bloemenzegen over het kribje en het Kind uit, zodat het leek of alles bloeide. En toen mocht het meisje, wat ze zo innig gewenst had, het goddelijke Kind in haar armen wiegen en aan haar hart drukken en het goddelijke Kind drukte zijn lipjes op een paar bloemen die rozerood werden, net als Zijn lipjes. 

En sinds die tijd zijn er met Kerstmis feestelijke rozen, witte en rozerode kerstrozen. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2414-2264

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/7)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
BROERTJE EN ZUSJE

In het dagelijks even kennen we de ‘broertjes en de zusjes’ die in een familie bij elkaar wonen en lief en leed delen, daar een stukje van hun levenslot voltrekkend.

Maar ook ín de mensen wonen ‘broertje en zusje’; wezenlijke krachten die naast en met elkaar werkzaam zijn en die in de groei, bouwend aan de mens werken. We kunnen die krachten enerzijds als ‘vrouwelijk’ kwalificeren als we kijken naar de gevoelskanten van de ziel en als ‘mannelijk’ als het om de kwaliteiten van wil en geest gaat. 

Komen broertje en zusje in sprookjes voor en zijn ze allebei nog kind, dan beleven we in hen de nog jonge, onrijpe wilskracht samen met de groeiende, naïeve ziel. 
Als ze ‘weeskinderen’ zijn en ook een ‘boze stiefmoeder’ hebben, kunnen we proeven dat het proces van rijper worden niet zonder hindernissen verloopt. Want als ‘vader’ en ‘moeder’ gestorven zijn, is er geen oude geestelijke ervaring meer aanwezig en de moederbodem van de ziel biedt geen bescherming meer. Dan overheerst de verharde materialistische ziel, de ‘verstijfde’ ziel’ – de stiefmoeder. Zij probeert de totale mens te beïnvloeden, bestrijdt het goede en volgt het kwaad. En de krachten die naar het goede en het ware streven, moeten het zelf doen, zich losmaken van haar en hun ontwikkelingsweg gaan. In het sprookje staat dat zo:

Broertje nam zijn zusje bij de hand en sprak: ‘Sinds onze moeder dood is hebben wij geen goed ogenblik meer gekend; onze stiefmoeder geeft ons alle dagen slaag en als wij bij haar komen trapt zij ons het huis uit. De harde broodkorsten die overblijven zijn ons voedsel en het hondje onder de tafel heeft het nog beter, dat werpt ze dikwijls een lekker hapje toe. Het is gewoon verschrikkelijk! – als onze moeder dat eens wist! Kom, laten wij samen de wijde wereld ingaan.’ Zij liepen de hele dag over weiden, velden en stenige paden en als het regende sprak het meisje: ‘God en onze harten, zij schreien tezamen!’ ’s Avonds kwamen zij in een groot bos en waren zo moe van honger en ellende en van de lange tocht dat zij in een holle boom gingen zitten en in slaap vielen.

Het Duitse woord voor bos, woud is Wald, dat hangt samen met ‘Waldung, Walle’, waar we ons woord ‘wal = muur’ nog in herkennen. De boerderijen waren omgeven door een ‘wal’ en daarachter begon het Wald. Binnen de ‘Walle’ was je beschermd, daarbuiten lag het gebied vol van gevaren. Daar moest je wel je weg kunnen vinden; je kon die echter ook verliezen en verdwalen. Dan dreigden de wilde dieren, ook rovers en ander gespuis. 
Maar er woonde ook een wijze vrouw, een zieneres of ook de vrome kluizenaar. Ook zijn er volop levenskrachten die kunnen verkwikken, sterkte en gezondheid geven. Ze kunnen er ook woekeren. Er is ook het geheimzinnige, schemerige gebied waar je de bomen hoort ruisen of knarsen en dat wekt in de mens (bange) voorgevoelens of angst. 
Het bos werd symbool voor het innerlijk zoeken en verdwalen dat iedereen mee moet maken; soms is het uitzichtloos, maar ook voel je als een soort drang dat je een doel wil vinden. 
Ook de Graalsburcht is door een bos omsloten van ‘zestig mijlen’ ver.

Dante schetst in zijn ‘Goddelijke Komedie’ het bos als het sfeergebied van de geheimzinnigheid waar je doorheen moet.

Wanneer kinderen veel over ‘bos’ dromen dat hen beangstigt, hebben ze volgens Lenz meer sturing en leiding nodig; je moet vertellen en hen geestelijk bezighouden omdat hun eigen vitaliteit hun parten speelt en ze weten geen uitweg te vinden.

Het sprookje gaat verder:

Toen zij de volgende morgen wakker werden stond de zon al hoog aan de hemel en scheen warm in de boom. Toen sprak het broertje: ‘Zusje, ik heb dorst; als ik een bronnetje wist zou ik erheen gaan en wat drinken; ik geloof dat ik water hoor ruisen.’ Broertje stond op en nam zusje bij de hand om het bronnetje te gaan zoeken. De boze stiefmoeder was echter een heks en zij had wel gezien dat de beide kinderen weggelopen waren; zij was hen heimelijk achterna geslopen zoals heksen dat doen en zij had alle bronnen in het bos betoverd. Toen de kinderen nu een bron vonden waarvan het water glinsterend over de stenen sprong, wilde broertje drinken, maar het zusje hoorde in het ruisen de woorden: ‘Wie uit mij drinkt wordt een tijger. Wie uit mij drinkt wordt een tijger.’ Toen riep het zusje: ‘Drink alsjeblieft niet, broertje, drink niet, anders word je een wild dier en dan verscheur je mij.’ Het broertje dronk niet ofschoon hij erge dorst had en sprak: ‘Ik zal tot de volgende bron wachten.’ Toen zij bij het tweede bronnetje kwamen hoorde het zusje hoe ook hieruit de woorden klonken: ‘Wie uit mij drinkt wordt een wolf; wie uit mij drinkt wordt een wolf.’ Toen riep het zusje: ‘Broertje, drink alsjeblieft niet, anders word je een wolf, en dan verslind je mij.’ Het broertje dronk niet en sprak: ‘Ik zal wachten tot wij bij de volgende bron komen maar dan moet ik drinken, je kunt zeggen wat je wilt, ik heb veel te veel dorst.’ En toen zij bij het derde bronnetje kwamen hoorde het zusje in het ruisen de woorden: ‘Wie uit mij drinkt wordt een ree, wie uit mij drinkt wordt een ree.’ Het zusje sprak: ‘O, broertje, drink alsjeblieft niet, drink niet, anders word je een ree en dan loop je van mij weg.’ Maar het broertje was al bij de bron neergeknield, had zich voorovergebogen en van het water gedronken en toen de eerste druppels zijn lippen hadden beroerd lag hij daar als een reekalfje.

Je kindertijd ontgroeien, betekent dat je voortdurend bewuster wordt, wakkerder. In je prille menszijn leef je nog slapend, dromend. Maar je komt steeds wakkerder in de wereld te staan en dat steeds langer per dag. En dat ‘wakker’ is over het algemeen ‘denkend’. 
In het sprookje staat er dan: ‘De zon staat hoog aan de hemel’.
De hele mensheid is door zo’n proces van ‘wakker worden’ gegaan en het kind doet dat ook. 
De dromende tijd, de tijd van het droombewustzijn waarin nog de wijsheid zich kon openbaren, loopt ten einde. De mens moet nu denkend zijn weg vinden. Nu ontwaakt in het wilsleven een bepaald begeren naar kennis: ‘dorst’ ontstaat. En men wil ‘bronnen’ vinden. Men wil ‘scheppend’ worden en in een nieuw levenselement ‘duiken’. De dorst naar het bestaan brandt in het wilsleven. 
Maar de stiefmoeder is ook naar het bos gekomen en sluipt als een heks langs de bronnen: alles wat nieuw scheppend is, wil zij in de oude betovering houden. Maar ‘de wil’ die nog niet veredeld is, maar nog jong en onstuimig, wil verder. Het innige van de ziel is nauwelijks in staat hem te beteugelen. De ziel hoort wel de waarschuwing: ‘Wie uit mij drinkt, wordt een tijger.’
Als we zeggen: ‘Ik kan niet meer (iets willen), ik voel me gespleten, verscheurd, dan drukt de taal hiermee uit dat de ziel niet op kan tegen het drammerige wilsleven. Het sprookje waarschuwt daarvoor: ‘Drink niet, broertje, anders word je een wild dier en verscheur je mij. De wil kan niet aan dit gevaar ontkomen, als de ziel hem daarvoor niet behoedt. 

De Grieken schetsten een bepaald positief beeld hiervan door hun god Dionysos eerst een panter en later de tijger als symbool gaven, ook de god Bacchus kleedden ze met een tijgervel en lieten hem op een wagen rijden die door tijgers getrokken werd. 
Dionysos laat de goddelijke kracht zien die bij de Ik-wording actief is. De bloedskrachten van de stam en ook van de stadsgemeenschap moesten losgemaakt worden van het zich ontwikkelende bewustzijn. Het Ik moest op zichzelf komen te staan. Dat proces werd in Griekenland nog als een soort roes beleefd. Zoets kennen we ook wel bij onze kinderen die volwassen worden. 
Intussen heeft de mensheid een vorm van individualiteit ontwikkeld en wat een noodzakelijke bevrijding en vooruitgang is, kan ook weer een gevaar worden. De wereld kent dan geen grenzen, je zou alles willen wat er kan, je bent vrij! Maar ook dit kan een roes zijn die je meesleept, die je uiteindelijk weer verscheurt. Dan kan de wil zich niet concentreren, er is geen bezinning op het eigen handelen en dat verdeelt de ziel.

De wolf laat weer een andere kant zien. het zusje zegt: ‘Broertje drink niet, anders word je een wolf en dan verslind je me.’

De taal schildert het heel precies. Vreten is opslokken. De wolf is het beeld van ‘wat opslokt.’ Het menselijke opslokt, zodat bijv. list en bedrog, leugen en laster de boventoon gaan voeren.

De Germanen noemen dit in hun mythologie de Fenriswolf. de Bijbel noemt hem Satan. 

De ene bron is de verleiding van de ‘roes’, van wat de wil meeneemt in een luciferisch losmaken van de wil van de werkelijkheid – wij kunnen ons niet meer concentreren, we verliezen onze kern, ons Ik. 
De tweede bron verlamt onze wil die zich verliest in egoïstische begeerte, in onwaarheid en verwarring. 
De ziel is nog steeds bij machte de wil daarvoor te behoeden, maar niet meer voor de derde keer: de wil ‘verdierlijkt’. 

Wanneer in het sprookje de menselijke gestalte een dier wordt, betekent dit een wegzinken in een animale toestand. 
In wezen kan de menselijke wil geduldig zijn, tot inzicht leiden, open staan voor geestelijke kennis, tot ontwikkeling komen. Nu wordt deze driftmatig, dof en kan niets meer leren. Een bok wil met zijn kop door de muur. Wordt de wil een reebokje, dan komt het accent op ‘ree’ te liggen, wat betekent dat hij zwalkend wordt, onvast en vluchtig, dat hij niet bij zichzelf is, maar overal om hem heen  snuffelt en proeft. 

Mensen die hun wil niet beheersen, overal iets zoeken wat een prikkel is voor hun geest, maar nergens echt bij stil blijven staan, lijken op de ree.
In het Russische sprookje wordt voor dit ‘wilsbederf’ – het Duits heeft ‘Verbockung’ het symbool van de ram gekozen. 
Op deze manier worden de verschillende wilseigenschappen duidelijk gekarakteriseerd.

Nu weende het zusje over het arme betoverde broertje en het reetje schreide ook en zat heel bedroefd naast haar. Tenslotte sprak het meisje: ‘Wees stil, lief reetje, ik zal je nooit verlaten.’ Toen deed zij haar gouden kousenband af en bond die om de hals van het reetje, sneed biezen en vlocht daar een zacht koord van. Daar bond zij het diertje mee vast en zij leidde het steeds dieper het bos in. En toen zij lang, heel lang gelopen hadden kwamen zij eindelijk bij een huisje; het meisje keek naar binnen en omdat het leeg was dacht zij: Hier kunnen wij blijven wonen. Toen zocht zij voor het reetje wat bladeren en mos om een zacht leger van te maken en iedere morgen ging zij er op uit om wortels, bessen en noten te vergaren en voor het reetje bracht zij mals gras mee dat het uit haar hand at; het was tevreden en speelde om haar heen. ’s Avonds, als het zusje moe was en haar gebed gezegd had legde zij haar hoofd op de rug van het reekalf – dat was haar kussen waarop zij zacht insliep. Als het broertje maar een mensengedaante had gehad, zou het een heerlijk leven geweest zijn.

Ons sprookje laat op zo’n verrassende manier zien hoe de ziel de dolende wil zoekt te beteugelen. Ze gebruikt een gouden kousenband, vlecht een biezen koord en leidt de wil. In de leiding zit wijsheid (goud). De gouden kousenband zal sommige kenners van de symbolentaal ooit wel verstolen hebben doen glimlachen. Maar daar zit meer achter dan je zo zou zeggen. 
In 1348 werd door koning Edward 111 de Orde van de Kousenband gesticht. Op een bal van de koning had de gravin van Salisbury haar kousenband verloren. De koning raapte die op en sprak: ‘Honni soit qui mal y pense!’ – ‘Schande over hem die er kwaad van denkt!’ En hij richtte de Orde van de Kousenband op, de hoogste in Engeland. Maar het ging bij de uitroep van de koning en de gevolgen daarvan niet om een gewone kousenband van de Lady, dat kan iedereen wel bedenken. De kousenband van de dame was het geheime ordeteken van een loge die het esoterische weten van Arthur en de tafelronde behoedde. 
En de gouden kousenband wil zeggen: wie de wijsheid van een esoterisch weten bezit, kan daarmee zijn driftmatige wil beteugelen en leiden.

Waar we een huisje vinden dat bewoond gaat worden, in de droom zowel als in het sprookje, wordt erop gewezen dat het ‘huis van het lichaam’ intensiever wordt waargenomen, dat men meer ‘tot zichzelf’ komt. Men wordt ‘huiselijk’. De wil en ziel ‘wonen’ nu innig samen. ‘ ’s avonds’ wanneer het zusje het gebed heeft gezegd, legt ze haar hoofd op de rug van het reekalfje waarop ze zacht in slaap valt – kan er een treffender beeld gegeven worden voor deze innige tweeheid: de naar buiten willende wil die tot rust komt onder de hoede van de ziel? 
De schilder Kaulbach heeft het geschilderd. Misschien wel een prachtig motief voor de kinderkamer waar nu vaak karikaturale platen hangen van micky-mouse-achtige figuren. 

Maar de ziel weet ook heel goed dat ze de wil overdag los moet laten. Alleen door deze te kluisteren en te beteugelen kan deze zichzelf niet bewijzen. Hij moet actief zijn in de uiterlijke zintuigwereld en ’s avonds weer thuiskomen in de stilte. Je wordt niet zelfstandig wanneer de wil niet ongebonden van de vrijheid mag genieten. Maar dat blijft gevaarlijk!

Lange tijd waren zij zo alleen in de wildernis. Toen gebeurde het dat de koning van het land een grote jachtpartij hield in het bos. Hoornsignalen, hondengeblaf en opgewekte kreten van de jagers schalden door de bomen en het reetje hoorde het en was er maar al te graag bij geweest. ‘Ach,’ sprak het tot zijn zusje, ‘laat mij eruit om bij de jacht te zijn, ik kan het niet langer meer uithouden,’ en het smeekte net zolang tot zij toestemde. ‘Maar kom in ieder geval ’s avonds terug,’ sprak zij tot hem, ‘voor de woeste jagers sluit ik mijn deurtje en opdat ik weet dat jij het bent moet je kloppen en zeggen: “Zusje mijn, laat mij erin,” en als je dat niet zegt doe ik mijn deurtje niet open.’ Toen sprong het reetje naar buiten en het voelde zich zo heerlijk vrij en opgewekt in de open lucht. De koning en zijn jagers zagen het mooie dier en zetten het na, maar zij konden het niet inhalen en toen zij dachten dat zij het zeker te pakken hadden sprong het over de struiken weg en was verdwenen. Toen het donker werd liep het naar het huisje, klopte aan en sprak: ‘Zusje mijn, laat mij erin.’ Toen werd het deurtje voor hem opengedaan, het sprong naar binnen en rustte de hele nacht uit op zijn zacht leger. De volgende morgen begon de jacht opnieuw en toen het reetje de jachthoorn weer hoorde en het Ho-ho van de jagers, had het geen rust meer en sprak: ‘Zusje, doe de deur voor mij open, ik moet eruit.’ Het zusje maakte de deur voor hem open en sprak: ‘Maar vanavond moet je er weer zijn en je spreukje zeggen.’ Toen de koning en zijn jagers het reetje met de gouden halsband weer zagen maakten zij er met zijn allen jacht op, maar het was te behendig en het was hen te vlug af. Dat duurde de hele dag, maar eindelijk hadden de jagers het ’s avonds omsingeld en een van hen verwondde het licht aan zijn poot, waardoor het hinkte en langzaam wegliep.
Toen sloop een jager het achterna tot aan het huisje en hoorde hoe het riep: ‘Zusje mijn, laat mij erin,’ en hij zag dat de deur voor hem werd opengedaan en dadelijk weer gesloten. De jager nam dat alles goed in zich op, ging naar de koning toe en vertelde hem wat hij gezien en gehoord had. Toen sprak de koning: ‘Morgen zal er nog één keer gejaagd worden.’

Maar het zusje schrok erg toen zij zag dat haar reekalfje gewond was. Zij waste het bloed af, legde kruiden op de wond en sprak: ‘Ga naar je leger, lief reetje, dan kan het weer genezen.’ Maar het wondje was zo gering dat het reetje er ’s morgens niets meer van merkte. En toen het de volgende dag de jachtpret buiten weer hoorde sprak het: ‘Ik kan het niet uithouden, ik moet erbij zijn; zo gauw zullen zij mij niet te pakken krijgen.’ Het zusje schreide en sprak: ‘Nu zullen zij je doden en dan ben ik hier alleen in het bos en van alles en iedereen verlaten, ik laat je er niet uit.’ – ‘Dan sterf ik hier van verdriet,’ antwoordde het reetje, ‘als ik de jachthoorn hoor kan ik niet stil blijven zitten.’ Toen kon het zusje niet anders en zij deed met een bezwaard hart de deur voor hem open en het reetje sprong gezond en vrolijk het bos in. Toen de koning het zag sprak hij tot zijn jagers: ‘Jaag het de hele dag na tot de avond, maar zorg ervoor dat niemand het kwaad doet.’ Zodra de zon was ondergegaan sprak de koning tot de jager: ‘Kom mee, wijs mij nu dat huisje in het bos.’ En toen hij voor het deurtje stond klopte hij aan en riep: ‘Lief zusje, laat mij erin.’

In diepere lagen van het totale mens-zijn huist de eigenlijke wezenskracht, het ware Ik. Als een leider die het wezen in zelfbeheersing stuurt. Dit is het beeld van de koning, want het Ik ontstaat in de waardigheid van het zelfbewuste zijn.
Maar er zijn in het leven dikwijls langere en zwaardere wegen te gaan wil de ziel deze ‘koning’ ontmoeten en haar eigen koninkrijk vinden, tot ze is geworden wie ze moet zijn. Wanneer ze zich met haar wil heeft losgemaakt van de remmende krachten, zoals hier van de stiefmoeder, dan bevindt zij zich op deze weg. Ik-wording is echter een dubbel proces; terwijl de nog aan het driftleven gebonden ziel (zusje en het reetje) groeit in de richting van het hogere Ik, komt ook het hogere Ik (de koning) naar de ziel toe die onderweg is. Ook al moet hier de ziel op de moeilijke weg naar de vrijheid eerst nog de ‘menselijkheid’ van de wil verliezen, dan heeft deze toch door de beteugeling en de leiding (gouden band en leidsel) en door een geconcentreerde verinnerlijking (leven in een huisje) alles wat in het menselijk vermogen ligt, gedaan. Daardoor komt het doel dichterbij: de koning komt in het bos. 
Het sprookje schildert het Ik van de moderne mens graag af als ‘jager’. Er wordt daarmee op een oer-activiteit van het Ik gewezen: het is voortdurend bezig; het wil leren; inzicht krijgen en kennis opdoen. We kennen de jacht op het geld, op succes en geluk. Hoe nobeler de jager, des te edeler de jacht. Slechte driften en instincten worden doelgericht op de korrel genomen om ze te doden; goede natuurinstincten worden getemd in ingezet voor een nobelere dienst. Dat alles in de beeldentaal gezegd: de koning is op jacht, hij jaagt en achtervolgt. Het Ik wil weten, alle menselijke kracht zoeken en de wil die langdurig gevangen zat in het innerlijk, tot vrijheid brengen. (Er is hoorngeschal, het reebokje moet naar buiten).

De eerste dag zien de koning en zijn jagers het mooie diertje met de gouden halsband en achtervolgen het.
Op de tweede dag komen ze het op het spoor.
Op de derde dag vindt de koning het huisje in het bos en vraagt binnen gelaten te worden.
Je zou kunnen zeggen: het veredelde wilsinstinct dat zich moedig naar het jachtterrein heeft begeven, kon zijn vrijheid behouden. Nu leidt het direct naar de ziel (zusje). De wil bouwt een brug tussen Ik en ziel.

Daarop ging de deur open en de koning trad binnen en daar stond een meisje, zo schoon als hij nog nooit gezien had. Het meisje schrok toen zij zag dat het niet het reetje was dat daar binnenkwam, maar een man met een gouden kroon op zijn hoofd. De koning echter keek haar vriendelijk aan, reikte haar de hand en sprak: ‘Wil je met mij meegaan naar mijn slot en mijn lieve vrouw worden?’ – ‘O ja,’ antwoordde het meisje, ‘maar het reetje moet ook meegaan, dat verlaat ik niet.’ Toen sprak de koning: ‘Het mag bij je blijven zolang je leeft en het zal hem aan niets ontbreken.’ Intussen kwam het reetje naar binnenspringen; toen bond het zusje het weer aan het biezenkoord, nam dat in de hand en verliet met het reetje het huisje in het bos.

De ziel die zolang haar wilsleven heeft beheerst en trouw wacht en dagelijks bidt en zo naar menselijk inzicht toegroeit, wordt mooi. Die schoonheid die zelfstandig en in vrijheid, in armoede en zonder thuis gerijpt is, was er niet eerder. Alleen de moderne ziel kan die verwerven, moet die verwerven. Daarom zegt het sprookje: ‘Zoiets schoons had de koning nog nooit gezien.’ – ‘Wil je mijn lieve vrouw worden?”
Wil jij, ziel, je helemaal met mij verenigen? Deze een-wording werd in de middeleeuwen de ‘koninklijke bruiloft’ genoemd. Geest en ziel worden een onlosmakelijke eenheid. De wil is echter nog driftmatig gebleven; op de achtergrond zijn de remmende krachten nog aanwezig, waarvan de ziel zich wel heeft losgemaakt, maar die nog niet zijn overwonnen.

De koning nam het mooie meisje op zijn paard en bracht het naar zijn slot, waar de bruiloft met veel pracht en praal gevierd werd; nu was zij koningin en zij leefden lange tijd tevreden met elkaar. Het reetje werd gekoesterd en verzorgd en sprong rond in de slottuin. De boze stiefmoeder echter, die er de oorzaak van was geweest dat de kinderen de wijde wereld waren ingegaan dacht niet anders of zusje was in het bos door de wilde dieren verscheurd en broertje was als reekalfje door de jagers doodgeschoten. Toen zij nu hoorde dat zij gelukkig waren en dat het hen goed ging, maakten afgunst en nijd zich meester van haar en lieten haar niet met rust en zij had slechts één gedachte: hoe zij die twee toch nog in het ongeluk kon storten. Haar eigen dochter die zo lelijk was als de nacht en maar één oog had, maakte haar verwijten en sprak: ‘Koningin worden, dat geluk had mij ten deel moeten vallen.’ – ‘Stil maar,’ zei de oude vrouw geruststellend, ‘als de tijd gekomen is zal ik wel zorgen dat ik bij de hand ben.’

De oude herkennen we nu nog duidelijker door haar dochter; ‘eenoog’ wijst op een oeroude kracht van helderziendheid die echter al sinds lang niet meer van deze tijd is – decadent geworden. De moderne mens moet in de zintuigelijke wereld waarnemen, denken en onderscheiden, een wakkere dag-mens zijn. Hij mag niet vertrouwen op het oude helderziend-zijn. De dochter met het ene oog is ‘zo lelijk als de nacht’. Hiermee wordt uitgedrukt wat ooit een helderziend droombewustzijn was, in het sprookje ‘nacht’ genoemd. 
Waar het materialisme (stiefmoeder) gepaard gaand met atavistische helderziendheid (de dochter met het ene oog) werkelijkheid wordt, komt de ontwikkeling van de ziel waarin het Ik sterker wordt, in gevaar. Waar zijn die remmende krachten het meest ingrijpend?
Het sprookje zegt:

Toen er enige tijd verlopen was en de koningin een mooi jongetje ter wereld had gebracht en de koning juist op jacht was, nam de oude heks de gestalte van de kamenier aan, kwam de kamer binnen waar de koningin lag en sprak tot de zieke: ‘Kom, uw bad is gereed, dat zal u goed doen en u nieuwe kracht geven – vlug, voor het koud wordt.’ Haar dochter was er ook, zij droegen de zwakke koningin naar de badkamer en legden haar in de badkuip; vervolgens deden zij de deur op slot en liepen weg. Zij hadden echter in de badkamer een waar hellevuur aangestoken zodat de mooie jonge koningin wel moest stikken.

Er is een kind geboren, dus heeft er een bevruchting plaats gehad – tussen de scheppende geest en de ontvangende ziel. Er is een kiem tot rijping gekomen die een nieuwe mens voortgebracht heeft die naar de toekomst leeft. In dit koningskind woont het eeuwige Ik dat geboren is uit de ziel die zich vrijgemaakt heeft. Al het tere en hogere dat uit het samengaan van geest en ziel geboren wordt, moet in beschermde stilte verzorgd worden, zodat het tot een grotere kracht worden kan. En zoals in de uiterlijke wereld de man zijn vrouw moet bijstaan wanneer het moeilijke uur van de bevalling aanbreekt, zo moet ook in de innerlijke wereld de menswording met toewijding en aandacht verzorgd worden. Maar: de koning is op jacht. D.w.z. de geest van de mens is zo actief, zo druk bezig nieuwe ervaringen en kennis te verwerven dat hij daarmee alleen zijn eigen impulsen najaagt. 

De dichter Juan Ramón Jiménez maakte het gedicht:

‘Eile nicht,gehe sachte,
Denn du gehst ja zu dir selber,
Gehe sachte, und eile nicht:
Das Kind deines Ichs, das neugeborene, ewige,
kann dir nicht folgen.

Hij schetst hier die ervaring. Het pas geboren Ik van de moderne mens moet beschermd worden. Iedere scheppingsdaad moet worden gevolgd door een reiniging. In het sprookje volgt na de geboorte het bad. En als het eeuwige Ik geboren is, moet iedere reiniging tegelijkertijd een loutering zijn. Het vuur van de wil van een heilige geestdrift moet in de ziel ontvlammen en een onaardse liefde doen opgloeien. Waar echter de boze krachten aan het werk zijn, wordt het een hellevuur waarin de ziel stikt.

Toen dat volbracht was zette de oude vrouw haar dochter een muts op en legde haar in bed in plaats van de koningin. Zij gaf haar ook de gestalte en het uiterlijk van de koningin; alleen het oog dat verloren was gegaan kon zij haar niet teruggeven.

Lenz wijst erop dat deze passage niet uit het originele verhaal kan komen. Het gaat om de figuur met het ene oog, zoals dat ook voorkomt in het sprookje ‘Eenoogje. tweeoogje, drieoogje. En verder bijv. in de sagen, o.a. in de Griekse sage van Polyphemos.

Maar opdat de koning het niet zou merken moest zij op die zijde gaan liggen waar zij geen oog had. Toen hij bij zijn terugkomst ’s avonds vernam dat hem een zoontje geboren was verheugde hij zich van harte en wilde naar het bed van zijn lieve vrouw gaan om te zien hoe zij het maakte. Maar de oude vrouw riep gauw: ‘Als ’t u blieft niet, laat de gordijnen dicht, de koningin mag nog niet in het licht kijken en moet rust houden.’ De koning ging terug en wist niet dat een valse koningin daar in bed lag.

Wanneer de ziel met de Ik-eigenschappen verstikt is, kan je de koning bedriegen met een onontwikkelde ziel. Hoe vaak merkt een mens helemaal niet dat er in hem iets veranderd is en dat iets verkeerds iets goeds heeft verdrongen. Het kwaad zet graag een verwarrend masker op.

Toen het nu middernacht was en iedereen sliep zag de baker die in de kinderkamer naast de wieg zat en die alleen nog wakker was, hoe de deur openging en de echte koningin binnentrad. Zij haalde het kind uit de wieg, nam het in haar armen en gaf het te drinken. Vervolgens schudde zij zijn kussentje op, legde het weer terug in de wieg en dekte het toe met het dekentje. Zij vergat echter ook het reetje niet, ging naar de hoek toe waar het lag en streelde het over zijn rug. Daarna liep zij heel stil de deur weer uit en de baker vroeg de volgende morgen aan de wachten of er iemand gedurende de nacht het slot binnengekomen was maar zij antwoordden: ‘Nee, wij hebben niemand gezien.’ Zo kwam zij vele nachten en sprak daarbij nooit één woord. De baker zag haar steeds, maar zij durfde daar niemand iets van te zeggen.

Na verloop van enige tijd begon de koningin ’s nachts te spreken:

‘Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
Ik kom nog twee keer en dan nooit meer.’

De baker gaf haar geen antwoord, maar toen zij weer verdwenen was ging zij naar de koning en vertelde hem alles. Toen sprak de koning: ‘Mijn God, wat zou dat betekenen? Ik zal de volgende nacht bij het kind waken.’ ’s Avonds ging hij naar de kinderkamer en te middernacht verscheen de koningin weer en zij sprak:

‘Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
Ik kom nog één keer en dan nooit meer.’

En daarop verzorgde zij het kind, zoals zij het altijd had gedaan, voor zij weer verdween. De koning waagde het niet haar aan te spreken maar waakte ook de volgende nacht. Weer sprak zij:

‘Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
Ik kom na deze keer nooit meer.’

Toen kon de koning zich niet meer bedwingen, snelde naar haar toe en sprak: ‘Jij kunt niemand anders zijn dan mijn lieve vrouw.’ Toen antwoordde zij: ‘Ja, ik ben je lieve vrouw,’ en op dat ogenblik ‘kreeg zij door Gods genade het leven weer terug, was fris en gezond en had weer kleur.

De ziel is niet gestorven, maar verbannen naar een schaduwbestaan. In het verborgene is ze nog actief en op een droomachtig niveau – in de nacht – niet in het wakkere Ik van overdag. (De koning weet het niet). Maar trouw verzorgt ze wat als vrucht van de geest zichtbaar is geworden en raakt liefdevol de sfeer van de wil aan. Alleen de baker is wakker; zij is het beeld van het verzorgen in het zielengebied. Ontwikkelingen hebben tijd nodig.

Het sprookje gaat verder: 

Daarop vertelde zij de koning welke euveldaad de boze heks en haar dochter aan haar hadden begaan. De koning liet beiden voor het gerecht brengen en zij werden veroordeeld. De dochter werd naar het bos gebracht waar de wilde dieren haar verscheurden; de heks echter werd in het vuur geworpen en moest jammerlijk verbranden en toen zij tot as was verbrand kreeg het reekalfje zijn menselijke gedaante weer terug en zusje en broertje leefden gelukkig met elkaar tot aan het einde hunner dagen.

Als de kracht van het heersende Ik recht laat spreken, kan wat zich in de ziel naar het verleden richt (de dochter met het ene oog) geen standhouden. De lagere krachten grijpen het. Een alles beslissende loutering vernietigt ook het heksachtige kwaad en daarmee wordt de wil bevrijd van de banvloek van het dierlijke. De wil wordt weer menselijk. Het onzelfzuchtige geduld van de ziel bracht hem de vrijheid.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2413-2263

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/21)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.


.
Uit Roemenië

.

De sprinkhaan*
.

De dieren in de stal van Bethlehem hadden honger en riepen luid om voer. Dat sneed Maria, de goede moeder, door de ziel en zij was bij al haar noden ook bezorgd om de klagende dieren. Uit alle hoeken en gaten van de stal verzamelde ze de verstrooide halmen, maar het was nauwelijks een handjevol dat ze voor de dieren bij elkaar sprokkelde. Toen liep ze, terwijl ze haar Kindje toevertrouwde aan de dieren, naar buiten, naar een boer en vroeg hem met vriendelijke woorden om wat hooi voor de trouwe dieren in de stal. Maar de man wees de smekende vrouw bars terug: hij had zelfs nauwelijks genoeg in zijn schuur, want maaien liet hij liever aan anderen over, de zomer is te mooi om op het veld te gaan staan met een kromme rug en maar zweten.
Hoe moeder Maria ook smeekte, het hielp geen zier: de man kruiste zijn armen achter z’n rug en schudde zijn hoofd: ‘Bedelvolk krijgt niks!’

Maar nu trokken donkere wolken over het gezicht van de lieve vrouw, bij al haar zorgen en noden kwam nu ook de teleurstelling. Hard waren haar woorden in haar boosheid: ‘Wie voor de armen en bedelaars niets over heeft en ook nog een luilak is die niet wil werken, krijgt zijn verdiende loon. Je hele leven lang zal je gras moeten maaien, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, halm voor halm, zonder dat je er zelf wat aan hebt!’ En terwijl de man nog spottend lachte en zei: ‘Wel, wel, wel! Dat denk je maar! Och, och, ha, ha! werd Maria’s woord al bewaarheid: de man schrompelde langzaam ineen, droeg plotseling groene kleren, werd kleiner en kleiner, armen en vingers werden zo dun als een graat en zijn benen ellenlang en daar sprong hij al als een groene sprinkhaan met zijn poten als stelten weg om nu de hele lieve dag lang de grashalmen een voor een af te knagen. En als hij eens een dor hoopje bij elkaar heeft, dan komen de mollen en de vogels en de mieren, die nemen het mee of de wind verwaait het, alle zonder hem te bedanken.
De groene sprinkhaan echter staat daar maar en jammert en moppert, zwaait met die lange poten en heeft het nakijken, hoe hij ook mopperend ratelt, raspt en tsjirpt.
.

*In het Duits staat hier ‘Heupferd’, dat niet alleen ‘sprinkhaan’ betekent, maar ook ‘stommeling’.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2412-2262

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/20)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.

Uit Duitland

.

HET GLIMWORMPJE
.


Boven in het gebinte van de stal waarin het Kindje Jezus in het kribbetje lag, zat een heel klein kevertje en dat keek heel verwonderd naar wat er in de stal gebeurde.
Het keek ook eens met één oog door een gat in het dak en toen zag het vol verbazing de grote ster aan de hemel staan. En met zijn andere oog keek het door een kier in de planken en zo kon het uitkijken over de verre velden en toen zag het hoe een engel de herders op het veld de blijde boodschap bracht en met zijn oortjes, ook al zijn die piepklein, hoorde hij wat voor wonderbaarlijke boodschap de engel bracht. 
Toen besloot het kevertje net zo te doen als de engel en het ging alle dieren in het bos de boodschap brengen van het wonder dat zich in de wereld voltrokken had.
Het vloog eerst naar de lichtende engel op het veld en wilde van hem precies horen wat hij moest vertellen.
Eerst zag de engel het kleine helpertje niet eens, maar hoorde een zacht zoemende vraag. Met plezier sprak de engel hem de tekst voor en toen het vol ijver wilde vertrekken, voelde de engel in zijn gouden haar dat een lichtgevend schijnsel uitstraalde en nam er een klein vonkje uit en plaatste dat op de rug van het kevertje, precies tussen de vleugeltjes, zodat het net een fonkelend diamantje leek. 
Toen vloog het weg en het liet zijn lantaarntje telkens oplichten en vloog van struik naar struik en van bloem tot bloem, van boom naar boom en wekte de vogels en de kevers, de libellen en de vlinders, de grote dieren, de kikkers in de plas en ook de wormen die nieuwsgierig uit de aarde omhoog keken. Ze waren alle zeer verbaasd toen ze dat vliegende lichtje zagen en ze dachten wel dat het een kevertje moest zijn dat nu met een lichtje in het donker rondvloog. En alle dieren in het bos en op de heide hoorden de blijde boodschap van het hemelse kind.

Toen het kevertje de hele ronde had gedaan, vloog het als een bewegend hemelslichtje, helemaal niet moe, terug naar de stal waar de moeder in een donkere hoek bij haar kindje de wacht hield en het bleef er de hele stille nacht trouw met haar lichtje bij zitten. Ze deed het pas uit toen de morgenschemering de dag aankondigde. 
Het kevertje mag vanaf die dag glimwormpje heten.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2410-2260

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/19)

.

Uit Stiermarken

.

DE SPREKENDE DIEREN

.

Zo snel als de gedachte zijn vlucht neemt, bereikte de boodschap van de blijde gebeurtenis in de stal in Bethlehem de dieren die veel slimmer zijn en veel meer bijzonders kunnen horen dan wij, geleerde mensen.
Weldra wisten alle schepsels het die op het veld of in de bossen leven of die rond het huis of de boerderij wonen. En allemaal maakten ze het geluid dat bij hen hoort: gekakel, gesnater, gemiauw, geblaf, gemekker, geblaat en nog veel meer, zoveel vreugde werd er geuit en luid en opgewonden vertelden ze elkaar over de grote gebeurtenis. ‘Heb je het al gehoord, buurvrouw…?’ En: ‘Beste vriend, wat daar toch allemaal gebeurd is!’ ‘Wie weet het nog niet, wie heeft het nog niet vernomen?’
De haan sloeg om middernacht plotseling met zijn vleugels, strekte zich zover mogelijk uit en riep: ‘Kukeleku, Jezus is er nu!’ En de hond die anders zo waaks was en het eerder had moeten weten, vroeg gelijk: ‘Wa, wa, wa, waar?’ De geiten echter wisten het precies en mekkerden belerend naar hem: ‘In Bèèèthlèèm. in Bèèèthlèèm!’ En een lammetje voegde eraan toe: ‘Ik wil erhèèèn, erhèèèn, erhèèèn!’ En de ezel die zich een beetje verslapen had, geeuwde: ‘I-aaa; i-aaa!’ 
Maar de kip die wel wist wat er moest gebeuren, rekte haar hals en ging op weg en ze riep alle dieren en kakelde: ‘We gaan er meteen op af, kom mee, kom mee!’ En toen riepen ze het allemaal naar elkaar en toen wist de hele wereld dat Jezus was geboren. 
Alleen de slak kwam te laat: dat is nu eenmaal een zeer bedachtzaam en langzaam wezen. Maar die zou toch ook niet zoveel hebben kunnen zeggen, dus was het ook niet zo erg dat ze te laat kwam.

De sprekende dieren kregen als dank en ter herinnering de gave om elkaar op het middernachtelijk uur van Kerstmis te kunnen verstaan en te kunnen spreken als de mensen.
En wie dat niet geloven wil, moet in de kerstnacht zijn oren maar eens spitsen, want precies om twaalf uur kan je de dieren horen spreken. En menigeen heeft op dit tijdstip al dingen gehoord waarvan hij denkt dat hij zijn oren niet kan geloven. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2409-2259

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/18)

.
Uit Nederland
.

DE HERDER IN HET VERENBED
.

Waar was het, waar was het niet? Er was eens – zoals men in Nederland weet te vertellen – een goedmoedige herder. Hij had het bij zijn heer heel goed en hij sliep in een bed van veren. Toen hij zich op een nacht wilde omkeren van zijn ene zij op de andere en daarbij behaaglijk mompelde, werd hij plotseling wakker. Hij wist niet hoe het kwam, maar opeens had hij aan het arme Kerstkind moeten denken over wie men vertelde dat het koud en bloot op een handje vol stro in een gammele houten kribbe lag en dat het ook nog eens vroor, want het was rond midwinter. Heel duidelijk stond de herder – droomde hij nu of was hij wakker – een beeld voor ogen, hoe de redder van de wereld nu armzalig naakt in een harde voederbak lag en hij, een herder, behaaglijk zacht en warm in zijn verenbed. Dat is toch niet rechtvaardig – jij – een kerel die het goed heeft en zo’n arm wiegenkind, zo’n beklagenswaardig stumpertje ligt in de vrieskou. 
En met een sprong was de herder van zijn bed af en nam de zak met veren onder zijn arm om die bij het Christuskind te gaan brengen, zoals hij het in zijn droom had gezien. 
En toen hij zo met het bont gekleurde verenbed over zijn schouder geslagen, met blote voeten over de afgegraasde winterweiden liep, stond daar plotseling een lichtende engel voor hem:  ‘Wees niet bevreesd, goede man! Wanneer het Christuskind het koud heeft is dat uit liefde voor alle mensen en ook voor jou, want lijden en ontbering leert men alleen door het voorbeeld te geven en door je eigen lijf. Maar jij zal eens door je kleine en toch zo grote geschenk dat je van harte geeft, aan de zijde zitten van Jezus die in de hemel is en wanneer het dan Christusdag, kerstdag is, mag je samen met het kind Jezus je bed over de aarde leegschudden, zodat de veren vrolijk neerdwarrelen.’

Als het op kerstdag sneeuwt, dan moet je weten dat de herder aan het werk is en zijn verenbed leegschudt, zodat de vlokken vrolijk dansen en alles met een sneeuwwitte laag bedekken. Bomen, struiken, bossen en velden slapen rustig onder deze deken die als donsveertjes uit de hemel komt, de vlokken en vlokjes uit het verenbed van de goedmoedige herder van toen. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2408-2258

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/17]

.

Onbekend

.

DE LAVENDEL
.

Enkele dagen na de geboorte van Jezus, ging Maria in een beekje de kleren van haar kind wassen. Toen zij ze op de oever te drogen wilde leggen, zag ze daar een onooglijk gewas staan. Om de andere bloemen en planten te sparen, besloot zij de kleertjes op deze plant te leggen. Toen zij na enige tijd terugkwam, merkte ze tot haar verwondering dat het gehele veld vervuld was van een heerlijke geur.
Niet wetend waar dit verrukkelijk aroma vandaan kwam, ging zij op zoek naar de plek waar zij haar wasgoed had achtergelaten. Nergens was het onaanzienlijke plantje meer te ontdekken. Plotseling stond de engel Gabriël voor haar en sprak: “Gezegend zij deze plant boven alle andere. Hij werd verkozen de kleren van het Kind te drogen en daarom zal hij vanaf heden bloemen dragen die de geur van het Paradijs verspreiden”.
Maria zag nu dat de plant prachtige, blauwe bloemen had gekregen en zij plukte een takje af en stak het tussen haar kleed, opdat de geur van het Paradijs haar altijd zou vergezellen.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:      Kerstmis    jaartafel

.

2407-2257

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/16)

.

Onbekend

.

De vogelmelk
.

Nadat de Ster van Bethlehem de Wijzen uit het Oosten de weg naar het kind Jezus had gewezen, spatte zij in duizen­den stukjes uiteen. Elk zo’n stukje werd een helder wit bloempje dat de hele nacht na Christus’ geboorte schitterend bloeide.
Sindsdien draagt de Vogelmelk ieder jaar een overvloedige hoeveelheid witte kelkjes, en eigenlijk is deze plant dus de ware Ster van Bethlehem.

De bloem lijkt op een ster

Bron

.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

2406-2256

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/15)

.

Er zijn verschillende verhalen in omloop die de titel ‘De kerstroos’ dragen.
Op deze blog: het onderstaande verhaal; en het (ingekorte verhaal van Selma Lagerlöff (14-2) Er is ook een Zwitsers sprookje over een roos die in de winter bloeide

.

Bron onbekend
.

de kerstroos
.

“Die bloem van wond’ren luister
waarvan Jesaja sprak,
Bloeid’ op, toen door het duister
het licht der wereld brak’,

luidt een oud kerstlied. Die bloem is de kerstroos, aan de grond ontsproten door de vurige wens van het dochtertje van een der herders, de kleine Jezus een geschenk te geven.
Het kleine meisje was echter zo arm dat ze niets bezat om weg te geven. Ze probeerde een bloempje te vinden op de velden van Efrata, maar vergeefs, elk sprietje groen was bedekt door een dik pak sneeuw.
Een engel die medelijden had met het kind, daalde uit de hemel en beroerde met zijn vleugels de sneeuw. Overal sprongen toen de kerstrozen uit de aarde, waarvan het meisje een grote bos plukte en naar de kleine Jezus bracht.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

.

386-364

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/6)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE ZOETE PAP

.

Pap, brij, was toch wel een van de eerste gekookte voedingsmiddelen van de mens en wat absoluut bij dit voedsel hoorde was natuurlijk de pappot, de brijpot.
In oude (scheppings)verhalen is soms sprake van een ‘hemelse brijpot’ (zon en maan), want die be -vat-te de macrokosmische krachten. Zon en maan als een pot waaruit aan de aardse mens kosmisch voedsel geschonken wordt. Dit voedsel kan je ‘vat-ten en be-vat-ten’, het Duitse ‘fassen’ en ‘er-fassen’, beetpakken en begrijpen. Beetpakken, aangrijpen wijst dan meer op het fysieke, stoffelijke; vatten, bevatten, begrijpen op de geestelijke tegenhanger: iets met je verstand ‘grijpen’ = be-grijpen. Vooral de zon – het zonlicht – hoort bij de wakkere mens; de maan werkt door in de levensritmen van groei en voortplanting. 
De vroegere mens, met andere bewustzijnskwaliteiten, beleefde deze krachten meer met een helderziend voelen en waarnemen, daarmee naar geest en ziel zich voedend.

In de loop van de tijd veranderde dit bewustzijn en zon en maan werden ‘gewone’ hemellichamen, uiterlijk bezien stoffelijke voorwerpen. Het gevoel van ‘een kosmisch vat met kracht’ ging verloren. 
De ziel ontving het niet meer en werd ‘arm’. 
Toch blijft de mens een microkosmos in de macrokosmos, in zijn kleine wereld vind je een weerspiegeling van de grote. 
De grote brijketel is er nog, maar de mens moet die zelf weer leren vinden om er geestelijk voedsel uit te halen.

Het sprookje vertelt het zo:

Er was eens een arm, vroom meisje dat met haar moeder alleen woonde en zij hadden niets meer te eten. Toen liep het kind het bos in en daar kwam zij een oude vrouw tegen die haar verdriet al kende en haar een potje gaf waartegen zij moest zeggen: ‘Potje kook’, en dan kookte het lekkere zoete gierstepap, en als zij zei: ‘Potje, stop’, dan hield het weer op met koken. Het meisje bracht de pot naar haar moeder toe en nu leden ze geen armoe en geen honger meer, maar aten zoete pap zo vaak zij maar wilden.

In de ziel – de ‘huishouding’ heerst armoede. Het oude, het overgeleverde en behoudzuchtige (de moeder) heeft honger en ook het kind – het jonge, het vooruitstrevende (de dochter) lijdt. Maar zij gaat op zoek, op pad. Ze is vroom en goed en dit zou haar kunnen helpen. Als je op pad gaat, kan het goede in je ziel voor een keerpunt zorgen. 

Nu komt zij in het bos. Het bos of het woud is in het sprookje vaak het beeld voor de vele groeikrachten in de natuur, voor het vegetatieve leven; vol levenskracht die ook woekeren kan. Het bos zorgt diwijls voor ‘verrassingen’. Dit sprookje wijst daarop. Iets wat al lang vergeten was, waar nog wel een sluimerend gevoel voor bestond, wordt nu opnieuw tot leven gewekt: de oude vrouw helpt het meisje door haar op de magische kracht van het woord te wijzen, op de wil die in het woord leeft: dat zal het voedsel zijn dat nodig is. Het kind krijgt weer een pot, Duits een ‘Ge-fass’! en daaruit zal weer kosmisch voedsel stromen. Naar believen kan ze er gebruik van maken.

Op een keer was het meisje uitgegaan; toen sprak de moeder: ‘Potje kook’, en meteen kookt het en zij eet ervan tot zij genoeg heeft. Daarna wil zij dat het potje weer ophoudt met koken, maar zij weet het woord niet. En dus kookt het verder en de pap loopt al over de rand en kookt maar door, de keuken en het hele huis vol, en dan het tweede huis en daarna de straat op als wilde de pap de hele wereld verzadigen en er heerst de grootste nood en geen mens weet raad. Eindelijk, als er nog maar één huis over is, komt het kind thuis en zegt alleen maar: ‘Potje stop’, en daar stopt het en houdt op met koken; en wie weer naar de stad toe wilde moest zich door de pap heen eten.

Het sprookje laat nu zien dat het zielenleven van het jonge meisje dat ‘op weg is gegaan’ en ‘in het bos is geweest’ een ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar dat de moeder in haar ontwikkeling is blijven stilstaan. Die kan wel iets in beweging brengen, maar ze heeft het overzicht niet en kan het niet beheersen; de mateloosheid zegeviert.

Dit sprookje wordt, volgens Lenz, bijna altijd verkeerd verteld, namelijk zo dat het kind de brijpot aan de kook gebracht zou hebben en dan de juiste woorden zou zijn vergeten. Maar het omgekeerde is het geval.

Het is een klein sprookje, het ziet er op het eerste gezicht bijna nietszeggend uit. Maar het is wel een loflied op het kind in de mens. Kunnen wij iets tegen onze kinderen zeggen dat troostrijker is? Kunnen wij meer zekerheid geven dat er altijd voedsel voor de ziel is als deze het zuivere van het kind heeft en ‘vroom’ is, dan door dit eenvoudige beeld? 

Natuurlijk moet je de beeldtaal van het sprookje nooit aan het kind uitleggen: de beelden moeten tegen het kind hun eigen taal spreken. Als het kind die eenvoudigweg in zijn ziel opneemt, zullen ze net zo voedend werken als de zoete pap in dit sprookje.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2405-2255

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/5)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

HANS EN GRIETJE

Aan de rand van een groot bos woonde een arme houthakker met zijn vrouw en zijn twee kinderen; het jongetje heette Hans en het meisje Grietje. Er was maar weinig te eten en toen alles erg duur werd in het land kon de houthakker zelfs niet meer voor het dagelijks brood zorgen. Toen hij nu ’s avonds in bed daarover lag te tobben en zich van de ene zij op de andere wierp zuchtte hij en sprak tot zijn vrouw: ‘Wat moet er van ons worden? Hoe kunnen wij onze arme kinderen te eten geven nu wij zelf niets meer hebben?’ – ‘Weet je wat, man,’ antwoordde de vrouw, ‘wij zullen morgen in alle vroegte de kinderen naar het bos brengen, daar waar de bomen het dichtst op elkaar staan, daar maken wij een vuur voor hen en geven ze allebei nog een stukje brood en dan gaan wij aan ons werk en laten hen alleen achter. Zij vinden de weg naar huis nooit terug en wij zijn hen kwijt.’ -‘Nee, vrouw,’ zei de man, ‘dat doe ik niet; hoe zou ik het over mijn hart kunnen verkrijgen mijn kinderen in het bos alleen achter te laten; het zou niet lang duren of de wilde dieren zouden hen verscheuren.’ – ‘O, jij dwaas,’ zei zij, ‘dan moeten wij alle vier van honger omkomen; dan kun je nu alvast de planken voor de doodkisten gaan schaven,’ en zij liet hem niet met rust totdat hij toegaf. ‘Maar de arme kinderen gaan mij toch aan het hart,’ zei de man.

Wijsheid is volgens Lenz altijd levend en neemt toe, groeit zoals een boom naar de hemel. Of zoalsa Goethe zegt: ‘Dood, beste vriend is alle theorie, groen des levens gulden boom’ (Faust 1)

Als de mens een abstracte denker is geworden, verdort deze boom. Hij blijft hangen in doodse theorieën; hij geeft geen ruimte om al waarnemend nieuwe ervaringen op te doen en deze te veranderen, te laten rijpen tot inzicht dat hij uit het leven haalt. Hij hakt deze boom om, ziet het leven niet meer in zij totaliteit, alleen de details die hij analyseert en indeelt. Hij heeft exacte gedachten, maar droog, dor. 
Het Duits heeft ‘begrippen kloven’; ‘versplinteren’ en je kan je op de ‘houtweg’ (auf der Holzweg’= met een voorstelling of mening vastlopen) bevinden.

In dit sprookje verschijnt de houthakker en deze heeft te maken met zo’n ‘verhoutingsproces’. Het beeld van de houthakker komt ook in positieve zin voor, want houthakken is nuttig en nodig.
In dit sprookje is de houthakker het drama van de mens die de arme houthakker, zoals beschreven, is.

Ook zijn vrouw – het beeld van de ziel – verlaat hem: zij kan hem geen warmte meer schenken, zijn ziel niet meer rijker maken: ook zij vervalt tot het harde, materialistische denken. Voor de jonge, nog zo samenhorende – zusje en broertje – gevoels- en wilskrachten, wordt ze een ‘stief’moeder. Het kan niet anders dan dat deze gevoel- en wilskrachten daaronder lijden. Ze staan echter nog ver van het ‘verhoute’ zielenleven af; het zijn geen abstracte krachten, maar levende, wezenlijke krachten in de mens. Aan de ene kant de erfelijkheidskrachten die naar het verleden wijzen en aan de andere kant de krachten die op de toekomst zijn gericht. De mens staat altijd tussen gisteren en morgen. 

De houthakker lijdt honger en daarom zijn kinderen ook: er is geen brood meer. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, heet het in het Onze Vader: een wezenlijk bestanddeel van ons mens-zijn. Ook Christus gebruikt het brood als beeld: ‘Ik ben het brood des levens’. ‘Stenen voor brood’ duidt erop dat ‘brood’ de betekenis heeft van ‘gezond geestelijk voedsel’. 
.
De twee kinderen hadden van honger ook niet kunnen inslapen en hadden gehoord wat hun stiefmoeder tegen hun vader had gezegd. Grietje weende bittere tranen en sprak tot Hans: ‘Nu is het met ons gedaan.’ – ‘Stil maar, Grietje,’ sprak Hans, ‘treur maar niet, ik vind voor ons beiden wel uitkomst.’ En toen de ouders waren ingeslapen stond hij op, trok zijn jasje aan, deed de achterdeur open en sloop naar buiten. De maan scheen helder en de witte kiezelstenen die voor het huis lagen glansden als zilveren kwartjes. Hans bukte zich en stopte er zoveel in de zak van zijn jasje als er maar in gingen. Daarop ging hij weer terug en sprak tot Grietje: ‘Wees maar gerust, lief zusje, en ga rustig slapen, God zal ons niet verlaten,’ en hij ging weer in zijn bed liggen.
Toen de dag aanbrak kwam de vrouw nog voor zonsopgang de kinderen wekken: ‘Opstaan, luilakken, wij gaan naar het bos om hout te halen.’ Daarop gaf ze ieder een stukje brood en sprak: ‘Daar hebben jullie wat voor het middaguur maar eet het niet van tevoren op, want verder krijgen jullie niets.’ Grietje stopte het brood onder haar schort omdat Hans de stenen in zijn zak had. Daarop begaven zij zich gezamenlijk op weg naar het bos. Toen zij een tijdje gelopen hadden, stond Hans stil en keek om naar het huis, en dat deed hij keer op keer. De vader sprak: ‘Hans, waar kijkje toch naar en waarom blijf je achter? Let op en vergeet niet je benen te gebruiken.’ – ‘Ach, vader,’ zei Hans, ‘ik kijk naar mijn witte katje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen.’ De vrouw sprak: ‘Zot, dat is je katje niet, het is de morgenzon die op de schoorsteen schijnt.’ Hans had echter niet naar het katje gekeken maar telkens een van de witte kiezelstenen uit zijn zak op de weg gegooid.
Toen zij midden in het bos waren gekomen sprak de vader: ‘Nu hout sprokkelen, kinderen, ik ga een vuur maken zodat jullie het niet koud hebben.’ Hans en Grietje droegen een berg sprokkelhout aan. Het werd aangestoken en toen de vlammen goed hoog brandden zei de vrouw: ‘Gaan jullie nu bij het vuur liggen, kinderen, en rust wat uit, wij gaan het bos in om hout te hakken. Als wij klaar zijn komen we terug om jullie te halen.’
Hans en Grietje zaten bij het vuur en toen het middaguur aanbrak aten zij ieder hun stukje brood. En omdat zij de slagen van de bijl hoorden geloofden zij dat hun vader in de buurt was. Het was evenwel niet de bijl maar een tak die hij aan een dorre boom had gebonden en de wind sloeg hem heen en weer. En toen zij zo een hele tijd gezeten hadden, gingen hun ogen dicht van vermoeidheid en zij vielen in slaap. Toen zij eindelijk ontwaakten was het al pikdonker. Grietje begon te huilen en sprak: ‘Hoe komen we nu uit het bos?’ Hans troostte haar echter: ‘Wacht nog maar even totdat de maan is opgekomen, dan vinden wij de weg wel.’ En toen de volle maan was opgegaan, nam Hans zijn zusje bij de hand en volgde de kiezelstenen die glansden als pas geslagen kwartjes en hun de weg wezen. Zij liepen de hele nacht door en kwamen bij het ochtendkrieken weer bij het huis van hun vader. Zij klopten aan de deur en toen de vrouw opendeed en zag dat het Hans en Grietje waren sprak zij: ‘Jullie stoute kinderen, om zo lang in het bos te blijven slapen, wij dachten dat jullie nooit meer terug zouden komen.’ De vader echter was blij want het was hem aan het hart gegaan dat hij hen zo alleen had achtergelaten.

Niet lang daarna heerste er alom weer nood en de kinderen hoorden hoe de moeder ’s nachts in bed tot hun vader sprak: ‘Alles is weer op, wij hebben nog een half brood en daarna is het uit. De kinderen moeten weg, wij zullen hen dieper het bos inbrengen zodat zij de weg eruit niet meer kunnen vinden; er blijft ons geen andere uitweg over.’ Het viel de man zwaar en hij dacht: Het zou beter zijn je laatste hap met je kinderen te delen. Maar de vrouw luisterde niet naar hem, wat hij ook zei, schold hem uit en maakte hem verwijten. Wie A zegt moet ook B zeggen en aangezien hij de eerste keer had toegegeven, moest hij dat de tweede maal ook doen.
De kinderen hadden echter nog wakker gelegen en het gesprek gehoord. Toen de ouders sliepen stond Hans weer op en wilde naar buiten om kiezelstenen te verzamelen net als de vorige keer, maar de vrouw had de deur op slot gedaan en Hans kon er niet uit. Maar hij troostte zijn zusje en sprak: ‘Huil maar niet, Grietje, ga rustig slapen, de goede God zal ons wel bijstaan.’
’s Morgens vroeg kwam de vrouw de kinderen uit bed halen. Zij kregen ieder hun stukje brood dat echter nog kleiner was dan de vorige keer. Op weg naar het bos verkruimelde Hans het in zijn zak en stond dikwijls stil om een stukje op de grond te gooien. ‘Hans, waarom sta je steeds stil, waarom kijk je telkens om?’ zei de vader, ‘loop toch door.’ – ‘Ik kijk naar mijn duifje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen,’ antwoordde Hans. ‘Zot,’ zei de vrouw, ‘dat is je duifje niet, het is de morgenzon die daarboven op de schoorsteen schijnt.’ Hans wierp echter allengs alle kruimels brood op de weg.
De vrouw bracht de kinderen nog dieper het bos in, waar zij van hun leven nog niet geweest waren. Toen werd er weer een groot vuur gemaakt en de moeder zei: ‘Blijf daar maar zitten, kinderen, en als jullie moe bent, kunnen jullie wat slapen; wij gaan het bos in om hout te hakken en als wij vanavond klaar zijn komen wij jullie weer halen.’

Toen het midden op de dag was deelde Grietje haar brood met Hans die zijn stuk op de weg gestrooid had. Daarop vielen zij in slaap en de avond verstreek maar niemand kwam de arme kinderen halen. Zij ontwaakten pas toen het donker was en Hans troostte zijn zusje en zei: ‘Wacht maar, Grietje, tot de maan opgaat, dan zien wij de broodkruimels die ik heb gestrooid en die wijzen ons de weg naar huis.’
Toen de maan opkwam begaven zij zich op weg maar zij vonden geen kruimeltje meer want de duizenden vogels die in bos en veld rondvliegen hadden ze weggepikt. Hans zei tegen Grietje: ‘Wij zullen de weg wel vinden,’ maar zij vonden hem niet. Zij liepen de hele nacht en nog een dag van ’s morgens tot ’s avonds maar zij kwamen het bos niet uit en zij hadden zo’n honger want zij hadden niets dan de paar bessen die er groeiden. En omdat zij zo moe waren dat zij geen voet meer voor de andere konden zetten gingen zij onder een boom liggen en vielen in slaap.
Nu was het reeds de derde morgen sinds zij het huis van hun vader hadden verlaten. Zij gingen weer op weg maar zij raakten steeds dieper het bos in en als er niet spoedig hulp kwam zouden zij omkomen. Toen het middag was zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. En toen het klaar was met zingen sloeg het zijn vleugels uit en vloog voor hen uit en zij gingen het achterna tot zij bij een huisje kwamen waar het op het dak ging zitten en toen zij vlakbij kwamen zagen zij dat het huisje van brood gemaakt was en met koek bedekt; maar de vensters waren van witte suiker.

In de sprookjes zijn ‘drie dagen’ een belangrijke ontwikkelingstijd. Hans en Grietje zijn drie dagen onderweg en weten eigenlijk ‘heg noch steg’. De verwarring is groot. 
Je kan in de het sprookje ook een vorm van een ‘mystieke weg gaan’ zien. Na drie dagen moet er een weten zijn ontstaan, er moet een besluit genomen worden. Er staat: (op die derde dag:) zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. 
Lenz wijst erop dat het vogeltje ’s middags verschijnt. En van de middag zegt zij dat wanneer de zon op z’n hoogst staat, de mens niet meer zo wakker is als bij het opstaan in de frisse morgen. 
In vroegere tijden vermeed de landbouwbevolking het om ’s middags op de akker te zijn. In oude sagen is nog sprake van een ‘middagvrouw’ (Mittagsfrau) met een sikkel – om het bewustzijn te splijten; of het ondervragen door sfinxachtige monsters. 
Pas ervoor op dat je ’s middags geen verdragen sluit, want ‘dat is het uur van Lucifer’.
Het luiden van de klok om 12u ’s middags moet de mens eraan herinneren wakker te blijven, het luiden met de ‘verleidende geesten verdrijven’.
Als het vogeltje ’s ochtends was verschenen, zou het een beeld zijn geweest voor een verhelderde inspiratie, maar ’s middags wordt zijn stem een verlokking die tot dwaling leidt. Het vliegt voor de kinderen uit en brengt ze bij het huisje van de heks. Dat is ook een ‘brood’huis, maar van heksenbrood.

‘Daar zullen wij maar eens aan beginnen,’ sprak Hans, ‘en genieten van een gezegende maaltijd. Ik ga een stuk van het dak eten, Grietje, jij kunt van het raam eten, dat smaakt zoet.’ Hans reikte omhoog en brak een stukje van het dak af om te proeven hoe dat smaakte en Grietje ging voor de ruiten staan en knabbelde eraan. Toen riep een zachte stem vanuit de kamer:

‘Knabbel, knabbel, knuisje,
Wie knabbelt aan mijn huisje?’

De kinderen antwoordden:

‘De wind, de wind,
dat hemelse kind.’

en aten verder zonder zich van de wijs te laten brengen. Hans die zich het dak goed liet smaken, brak er een flink stuk vanaf en Grietje drukte een ronde ruit in zijn geheel in en ging zitten om er zich te goed aan te doen. Daar ging opeens de deur open en een stokoude vrouw kwam leunend op een stok naar buiten schuifelen. Hans en Grietje schrokken zo geweldig dat zij, wat zij in hun handen hadden, lieten vallen. De oude vrouw echter schudde met haar hoofd en sprak: ‘Wel, lieve kinderen, wie heeft jullie hierheen gebracht? Kom maar binnen en blijf bij mij, er zal jullie geen kwaad geschieden.’ Zij nam hen beiden bij de hand en leidde hen haar huisje binnen. Toen werd er heerlijk eten opgediend, melk en pannenkoeken met suiker, appels en noten. Hierna werden er twee mooie bedjes met schone lakens opgemaakt en Hans en Grietje gingen er in liggen en dachten dat zij in de hemel waren.

Een Duitse oorsprong van het woord ‘heks’ gaat terug op ‘hagazussa’. ‘Hag’ is in het Duits een soort bosgebied, struikgewas e.d. Van Dale geeft voor het woord de betekenis ‘heks’. We moeten denken aan een wijze vrouw, een zieneres, een profetes, zoals die nog voorkomt in bijv. de Edda of bij de Grieken als ‘orakel’. Een helderziende hoedster van een stam. 
Maar dit schouwende vermogen ging langzamerhand verloren; het ‘zuivere’ verdween en iets demonisch kwam ervoor in de plaats. Magie werd zwarte magie en valse invloeden deden zich gelden op het oerweten. De hagazussa veranderde in haar tegendeel van weleer. Nu is ze het beeld van een verleidingsmacht die de mens een pseudoweten aanbiedt van atavistische oorsprong en daarmee raakt hij verstrikt in waan en oppervlakkigheid. 
Lenz ziet bij het occulte een vorm van wetmatigheid: wat in een bepaalde tijd voor een bepaalde ontwikkeling van geest en ziel juist is, ‘aan de tijd’, kan later volledig omkeren. Methoden die eeuwen juist waren, kunnen voor de moderne mens niet goed meer zijn. 
Het sprookje wil ons daarvoor waarschuwen. De heks is oeroud, heeft rode ogen en kan niet ver zien, ze neemt de zintuiglijk waarneembare wereld niet echt waar. Ze heeft zoals de dieren een bijzondere gevoeligheid; ze voelt de dingen aan, maar doordringt ze niet met heldere gedachten, met de geest. Ze lokt de kinderen naar zich toe: de onschuldige jonge krachten in de mens trekken haar aan en ze biedt die een verlokkende betovering aan: ‘ze dachten dat ze in de hemel waren.

De oude vrouw had alleen maar gedaan alsof zij zo vriendelijk was; zij was echter een boze heks die op kinderen loerde en zij had het broodhuisje alleen gebouwd om ze te lokken. Als zij er een in haar macht kreeg maakte zij het dood, kookte het en at het op en dat was voor haar een feestdag.
Heksen hebben rode ogen en kunnen niet ver zien, maar zij hebben een fijne neus net als de dieren en zij merken het als er mensen aankomen. Toen Hans en Grietje in haar buurt kwamen, lachte zij boosaardig en sprak honend: ‘Die heb ik, die zullen mij niet meer ontsnappen.’

’s Morgens vroeg, nog eer de kinderen wakker waren, stond zij al op en toen zij hen beiden zo lief zag slapen met hun dikke rode wangen mompelde zij voor zich uit: ‘Dat zal een lekker hapje worden.’ Toen pakte zij Hans met haar dorre handen beet en bracht hem naar een klein hokje en sloot hem op achter de tralies; hij kon schreeuwen zo hard hij wilde het hielp hem niets. Daarop ging zij naar Grietje, schudde haar wakker en riep: ‘Sta op, luilak, haal water en kook iets lekkers voor je broer die buiten in het hok zit om dik te worden. Als hij vetgemest is, eet ik hem op.’ Grietje begon bitter te schreien maar het was allemaal tevergeefs, zij moest doen wat de boze heks wilde.

Nu werd voor de arme Hans het beste eten gekookt maar Grietje kreeg niets anders dan kreefteschalen. Elke morgen sloop de oude vrouw naar het hok en riep: ‘Hans, steek je vinger naar buiten, zodat ik kan voelen of je al vet bent.’ Maar Hans stak een botje naar buiten en de oude vrouw die slechte ogen had zag het niet goed en zij dacht dat het Hans’ vinger was en zij verbaasde zich dat hij maar helemaal niet vet wilde worden. Toen er vier weken waren verstreken en Hans maar steeds mager bleef verloor zij haar geduld en zij wilde niet langer wachten. ‘Hé, Grietje,’ riep zij het meisje toe, ‘ga vlug water halen: Hans mag vet of mager zijn, morgen slacht ik hem en dan kook ik hem.’ Ach, wat jammerde het arme zusje toen zij water moest aandragen en hoe stroomden de tranen over haar wangen. ‘Lieve God, help ons toch,’ riep zij uit, ‘hadden de wilde dieren in het bos ons maar opgegeten, dan waren wij tenminste samen gestorven.’ – ‘Schei uit met dat geblèr,’ zei de oude vrouw, ‘dat helpt je toch niets.’

Hans, de jonge wil, wordt opgesloten, van zijn vrijheid beroofd. Grietje, het zuivere gevoel van het kind, kan niet meer haar eigen impulsen volgen: ze moet het kwade dienen.
Koken en braden e.d. hebben met het vuur te maken. Wanneer je in de taal naar uitdrukkingen met vuur zoekt, kom je erachter waarom het gaat. Waar het gaat om iets met enthousiasme in de wereld te zetten, moet je ‘in vuur en vlam’ staan voor het idee; je moet er warm voor lopen, in jezelf een vuur, vlam ontsteken, enz. Het vurig enthousiasme en de edele gloed van de liefde duiden daarop. 

Geestdrift heeft als tegenhanger de lichamelijke drift, de gloeiende begeerte; de brandende hartstocht. Wat aan de kant van de geest ‘laaiend’ wordt, wordt hier tot een duivelse illusie daarvan en brandt je op.
Het oude, boosaardig geworden atavisme wil de jeugdkrachten van het kind – de toekomst – verslinden, verteren. 

’s Morgens vroeg moest Grietje opstaan om de ketel met water op te hangen en het vuur aan te maken. ‘Eerst gaan wij bakken,’ zei de oude vrouw, ‘ik heb de oven al vóórver-warmd en het deeg gekneed.’ Zij duwde het arme Grietje naar buiten naar de oven waar de vlammen al uitsloegen. ‘Kruip erin,’ zei de heks, ‘en kijk of het al warm genoeg is om het brood erin te schuiven.’ En als Grietje er dan in was wilde zij de oven dichtdoen zodat Grietje daarin zou braden en dan zou zij haar ook opeten. Maar Grietje merkte wat zij van plan was en sprak: ‘Ik weet niet hoe ik dat moet doen, hoe kom ik erin?’ – ‘Domme gans,’ zei de oude vrouw, ‘de opening is groot genoeg, zie je wel, zelfs ik kan erin.’ Zij krabbelde er heen en stak haar hoofd in de oven. Toen gaf Grietje haar een duw zodat zij er een eind in Schoof, sloot de ijzeren deur en schoof de grendel ervoor. Oei, wat begon zij daar te jammeren, het was gewoon griezelig; maar Grietje liep weg en de goddeloze heks moest ellendig verbranden.

Hans, de jongen, zijn mannelijke wil is volkomen passief gemaakt. Maar Grietje, het meisje, de vrouwelijke ziel schuift het boze terug in zijn eigen element: het vuur van de illusie, begeerte en hartstocht; het vuur wordt een louterend vuur. Het boze richt zichzelf ten gronde wanneer de moed van het hart en de dapperheid zich ertegen keren. De wil wordt erdoor bevrijd.

Grietje echter liep regelrecht naar Hans, maakte zijn hokje open en riep: ‘Hans, wij zijn verlost, de oude heks is dood.’ Toen sprong Hans naar buiten als een vogel uit een kooi waarvan de deur wordt opengezet. Wat waren zij blij, zij vielen elkaar om de hals, sprongen in het rond en kusten elkaar. En omdat zij nu niet meer bang hoefden te zijn gingen zij het huis van de heks binnen en daar stonden in alle hoeken kasten vol parels en edelstenen. ‘Dat is nog beter dan kiezelstenen,’ zei Hans en hij stopte zijn zakken vol, en Grietje zei: ‘Ik zal ook iets mee naar huis nemen,’ en zij vulde haar schortje.

Negatieve ervaringen, het overwinnen van het kwaad kan tot positieve inzichten leiden die de mens rijker maken en Hans en Grietje vinden in het huisje van de heks grote schatten. 
De parel wijst ons op de zee, op het water; de edelsteen op de aarde. Ze blijven niet ‘opgepot’, maar worden voor de fysieke wereld en de levenskrachten bevrijd. Zo is ook de heks dus weer een deel van ‘die kracht die steeds het kwade wil en steeds het goede schept’. (Goethe, Faust 1)

‘Maar laten wij nu gaan,’ zei Hans, ‘om weg te komen uit het heksenbos.’ Toen zij echter een paar uur gelopen hadden kwamen zij aan een groot water. ‘Wij kunnen er niet over,’ zei Hans, ‘ik zie geen vlonder en geen brug.’ -‘Hier vaart ook geen bootje,’ antwoordde Grietje, ‘maar daar zwemt een witte eend; als ik het die vraag dan helpt hij ons wel naar de overkant.’ Toen riep zij:

‘Eendje, eendje,
Hier staan Hans en Grietje,
Er is geen vlonder en geen brug,
Neem ons op je witte rug.’

Het eendje zwom naar hen toe en Hans ging op zijn rug zitten en hij vroeg zijn zusje naast hem te komen zitten. ‘Nee,’ antwoordde Grietje, ‘dat is te zwaar voor het eendje, ‘het moet ons na elkaar overzetten.’ Dat deed het goede diertje en toen zij goed en wel aan de overkant waren en een poosje hadden gelopen kwam het bos hun steeds bekender voor en tenslotte zagen zij in de verte het huis van hun vader.

Na het bos komen de kinderen nu voor een groot water. In het dichte woud is er geen uitzicht, de blik over het water is ruim. Er is weer ruimte, ook in de ziel, nu de spanning, de angst verdwenen zijn. Het is een witte eend die t.o.v de zwarte heks te vertrouwen is. Grietje voelt zich als prille ziel verwant met dit wezen dat weliswaar op het land een onbeholpen indruk maakt, maar op het water in zijn element is. Er is geen kans meer dat de kinderen nu wegzinken of ten onder gaan.
De witte eend komt in de symboliek van het Oosten meer voor dan in het Westen. De zonnewagen van Apollo wordt door drie eenden getrokken; op Indische tempels zit ze naast de zwaan; in het Russische sprookje Elena. de wonderschone, vraagt ze aan de held als gave een witte eend. Hier ervaar je dat ze staat voor de zekerheid van de ziel op de ‘beweeglijkheid van de gevoelswateren’.

Er zijn wel uitgaven van sprookjes waarin dit beeld van het water en het eendje is weggelaten, maar het hoort wel bij de afronding van het verhaal.

Toen begonnen zij te hollen, stormden de kamer binnen en vielen hun vader om de hals. De man had geen gelukkig ogenblik meer gekend sinds hij zijn kinderen in het bos had achtergelaten; de vrouw echter was gestorven.
Grietje schudde haar schortje uit zodat de parels en edelstenen door de kamer rolden en Hans gooide er de ene handvol na de andere bij. Daarmee was er aan alle zorgen een eind gekomen en zij leefden te samen in grote vreugde. – Mijn sprookje is uit, daar loopt een muis, wie hem vangt, mag er een grote, grote bontmuts van maken.

Het kan niet uitblijven: de ziel van de vader moet veranderd zijn om de kinderen weer ‘van harte’ te kunnen omhelzen. We lezen dan ook dat de verhardende invloed op zijn ziel – de stiefmoeder – is gestorven, Het moge ook duidelijk zijn dat deze ontwikkeling van de ziel voor ieder rijkdom oplevert. het oude Ik hoeft geen houthakker meer te zijn; vanaf nu kan de fris-willende en opnieuw bezielde mens de groeiende boom van de gouden wijsheid verder leren kennen. 

15-grimm-hans-en-grietje-2

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2399-2249

.

.

.