Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Churchill

.

DE STRIJDENDE BULDOG

 

Als laatste der grote staatslieden zal Winston Churchill, een veelzijdig genie, een dierbare herinnering nalaten als een der meest irriterende figuren in de geschiedenis.
Wanneer het Britse rijk aan de vooravond van een crisis stond, kreeg hij zo dikwijls gelijk, dat zijn vermogen om toekomstige gebeurtenissen te voorzien zijn landgenoten tot een last werd. Hij is de stem van Engelands geweten geweest, de hoogste beroepsinstantie in tijden van gevaar. Toch is hij daarbij tot op de dag dat hij zich terugtrok schelms gebleven, ondeugend en opvallend jongensachtig. Zelfs uiterlijk scheen hij in al die jaren weinig te veranderen.

Churchill dient beschouwd te worden als de meest onafhankelijke geest van onze moderne tijd. Hij heeft zich onsterfelijkheid verworven als staatsman, redenaar, geschiedschrijver, biograaf, humorist, oorlogscorrespondent en cognacdrinker. Bovendien heeft hij zich onderscheiden als schilder, metselaar, romanschrijver, piloot, polospeler, soldaat en renstaleigenaar. Waardoor rijst een genie uit boven gewone en louter talentvolle stervelingen? Zij die Churchill het best gekend hebben, geloven, dat dit in zijn geval een combinatie was van tomeloze energie, intelligentie, een goed geheugen en de felste eerzucht die men te zien heeft gekregen sedert Alexander de Grote erover klaagde dat er nog maar zo weinig werelden te veroveren waren.

Winston Leonard Spencer Churchill werd op 30 november 1874 geboren te midden van de vorstelijke grootsheid van het paleis van Blenheim, dat toen eigendom was van zijn grootvader, de zevende hertog van Marlborough. Churchills moeder, een Amerikaanse, was een opvallende schoonheid met een speelse geest en een verregaand gevoel voor humor. “Ik heb veel van haar gehouden,” schreef hij later, “maar altijd op een afstand. Voor mij was zij altijd een sprookjesprinses.” Zijn vader, Lord Randolph, was een uitermate begaafd man, die een levendige, zij het korte, loopbaan als lid van het Parlement had.

Als jongen was aan Winston Churchill al duidelijk te zien welk vuur er in hem brandde. Hij was klein van stuk, had rood haar en was overdekt met sproeten. Hij had een vrij stompe neus en een strijdlustige mond. Zijn blauwe ogen bekeken iedereen, kinderen en volwassenen, met onverstoorbare kalmte en een tikje ongeduld.

Churchills eerste schooltijd heeft maar weinig tegenhangers in de levens van andere grote mannen. Tegen leren verzette hij zich al vroeg en daar kwam maar weinig verandering in toen men hem naar een dure kostschool in Ascot stuurde. Van het begin af be­landde hij geregeld in de strafkamer, waar het schoolhoofd zijn rietje hanteerde. Hij had een hekel aan Latijn en heeft zijn hele schooltijd hardnekkig geweigerd dat te leren. (Later, toen hij de waarde van mooiklinkende Latijnse frases in zijn politieke rede­voeringen inzag, zette hij er zich toe om in echte Churchillstijl een heel boek met Latijnse citaten uit het hoofd te leren).

In 1888, toen de toekomstige Eerste Minister op Harrow kwam, werd hij in de laagste afdeling van de laagste klas geplaatst. “Hij was geen gemakkelijke jongen,” zegt een vroegere leraar van hem. “Hij had natuurlijk een briljant stel hersens, maar hij werkte alleen als hij er zin in had en dan nog maar uitsluitend voor de leraren die hij mocht.” Met een overmaat aan energie en een afkeer van onderwijs haalde hij een eindeloze reeks kwajongens­streken uit en sommige leerlingen ergerden zich aan Churchill. Maar zij behielden allen een levendige herinnering aan “Peenhaar” zoals men hem op Harrow noemde.

Churchill zelf beweert: “Doordat ik zo lang in de laagste klas heb gezeten, behaalde ik een enorme voorsprong op de knappere jongens. Die leerden allemaal Latijn en Grieks en dat soort prachtige dingen. Maar ik leerde Engels. Meneer Somervell — een hoogst sympathieke man, aan wie ik veel verschuldigd ben — had tot taak de domste jongen het meest verwaarloosde vak bij te brengen — namelijk gewoon Engels schrijven. En hij wist hoe hij dat doen moest. Hij onderwees het zoals niemand het ooit had onderwezen. Omdat ik driemaal zo lang als ieder ander in de derde klas bleef zitten, kreeg ik er dus driemaal zoveel les in. Op die manier kreeg ik de essentiële structuur van de gewone Engelse volzin  in mijn vingertoppen — en dat is al een heel ding.”

Churchill zakte tweemaal voor het toelatingsexamen voor de Militaire Academie in Sandhurst en een zekere kapitein James, die hem voor zijn derde, en uiteindelijk succesvolle, poging opleidde, zou hebben gezegd: “Die jongen kan nooit Harrow doorlopen hebben. Hij moet er onderdoor gekropen zijn.” Maar toen hij eenmaal op de Academie was, vond er in Churchill een ver­andering plaats. De oude koppigheid, de kloeke, onversaagde geest bleef, maar hij begon meegaander te worden. In de klaslokalen gedroeg hij zich behoorlijk en rustig en de avonden bracht hij meestal met studeren door. In een klas van 150 leerlingen was hij nummer acht.

Na Sandhurst kwam Churchill bij het Vierde Huzaren, een regiment cavalerie, dat qua pracht en praal en goede connecties voor geen enkel onderdeel onderdeed. Toen het regiment naar India werd uitgezonden, begon men zich intensief op polo toe te leggen. Churchill speelde dat met verbeten enthousiasme en bleek een natuurtalent te zijn. Maar de eentonigheid van het legerbestaan begon al spoedig op zijn zenuwen te werken. In het begin van 1897 wist hij zijn vriend Sir Bindon Blood, die kort tevoren naar het noordelijke grensgebied was gestuurd om een opstand van de Pathanenstam te onderdrukken, te overreden hem aan de expeditie te laten deelnemen als correspondent. De Daily Telegraph zou zijn verslagen opnemen voor honderd gulden per kolom. Zijn artikelen hadden in Londen onmiddellijk succes, evenals zijn boek The Story of the Malakand Field Force, waarin zij later gebundeld werden. Het boek bracht Churchill evenveel op als twee jaar soldij.

In Engeland teruggekeerd besloot Churchill de dienst uit te gaan. De journalistiek had gouden perspectieven geopend. Nauwelijks was in de herfst van 1899 de Boerenoorlog uitgebroken, of hij kreeg een aanbod om die strijd te gaan verslaan voor de Morning Post. Als ervaren oorlogscorrespondent zag hij kans zijn honorarium verhoogd te krijgen tot 4 500 gulden per maand plus al zijn onkosten, en zeer in zijn nopjes vertrok hij naar Afrika.

Toen hij de Britse buitenpost Estcourt bereikte, vond Churchill daar een vriend uit de Indische oorlogen, een zekere kapitein Haldane, die naderhand werd uitgekozen om per pantsertrein een verkenningstocht uit te voeren in Boerengebied. Deze op­dracht woog hem zwaar en hij praatte er somber over met Churchill. “Trek het je niet aan,” zei deze, “ik ga wel met je mee. Het is mijn plicht tegenover de Morning Post.”

Churchill

Een paar mijl buiten Estcourt viel de trein in een hinderlaag, waarbij twee wagons kwamen te kantelen. Wat men ook deed, alleen de locomotief en de kolentender konden uit de chaos wor­den vrijgemaakt en de ongeveer veertig gewonden werden daarop geladen. Zo werd de terugreis aanvaard. De rest van de groep volgde te voet, maar de uitgeputte manschappen raakten spoedig achter; Churchill had zich juist naar hen toegehaast om hen te verzamelen, toen Boerenruiters de heuvels afkwamen. Hij had zijn revolver op de locomotief laten liggen en een van de ruiters dwong hem vrijwel onmiddellijk de handen op te steken. Churchill werd als krijgsgevangene naar de hoofdstad Pretoria gebracht, maar slaagde erin na een paar weken te ontsnappen. Hij had het geluk een spoorweg te vinden, klauterde op een goe­derentrein en wist tenslotte Portugees Oost-Afrika te bereiken, het dichtstbijzijnde neutrale gebied, op een afstand van 300 mijl. Voor de Britten was de oorlog slecht gegaan en Churchills stoute stukje had hun tenminste een held opgeleverd. Toen hij scheepging naar Durban kreeg hij van de Britse kolonie ter plaatse een ovatie ten afscheid. Churchill voegde zich daarna weer bij het leger en zette zijn goedbetaalde werk voor de Morning Post tot aan het einde van de oorlog voort.

Na zijn terugkeer in Engeland besloot hij zich bij de volgende verkiezingen kandidaat te stellen voor een parlementszetel, die hij met een kleine meerderheid won. Zo begon hij in 1900 — hij was inmiddels 26 geworden — zijn loopbaan in dienst van de openbare zaak. Parlementsleden werden in die tijd nog niet be­taald, en daarom begon Churchill nu naar een bron van inkom­sten uit te kijken. Hij begon een serie lezingen in Engeland en Amerika. Churchills Amerikaanse reis was zwaar. Meer dan vijf maanden lang sprak hij elke dag behalve zondags. Maar het bracht hem bijna 180 000 gulden op als financiële basis voor zijn duik in de politiek.

In de regel hielden de jonge leden van het Lagerhuis zich achteraf en lieten zich door de ouderen wegwijs maken. Churchill niet. Toen hij voor het eerst binnenkwam, stapte hij onmiddellijk op de plaats toe, die zijn vader had ingenomen, en maakte het zich gemakkelijk. En op de vierde dag hield hij zijn eerste rede.

Psychiaters hebben geconstateerd dat bepaalde mensen voor­bestemd blijken om in moeilijkheden terecht te komen. Zij zijn de rustverstoorders en de bouwers van deze wereld. Churchill was zo’n figuur. Hij  was nog geen maand in het Huis of hij begon al tegen leiders van zijn partij in te gaan. Hij deed een scherpe aanval op het voorstel een hoge militaire begroting aan te nemen, pleitte voor milde vredesvoorwaarden voor de Boeren en nam zijn mede conservatieven nog op andere manieren zo tegen zich in dat die, toen hij op een dag opstond om te gaan spreken, met veel lawaai als één man de zaal verlieten en in de deur bleven staan om hem als schooljongens uit te jouwen. Dit voorval, dat in het Lagerhuis geen precedent had, gaf hem evenveel bekendheid als zijn ontsnapping in de Boerenoorlog.

Tenslotte veranderde Churchill volkomen van politieke kleur; hij ging over naar de liberale zijde van het Huis en aanvaardde bij de algemene verkiezingen van 1906 een uitnodiging om zich kandidaat te stellen in een kieskring te Manchester. Hij werd verkozen en omdat die verkiezing meteen de Tories ten val bracht, kreeg de liberaal Winston Churchill recht op een plaats in de regering. Zijn post — die van Onderstaatssecretaris van Koloniën – was betrekkelijk onbelangrijk, maar omdat hij die op 31-jarige leeftijd wist te verwerven, zette hij daarmee de legende van het wonderkind voort.

In die jaren kort voor de Eerste Wereldoorlog werd Churchill wat een zijn biografen noemde “de meest gehate politicus van het land.” Als Onderstaatssecretaris van Koloniën daarna Minister van handel en later als Minister van Binnenlandse Zaken was hij de voorvechter van veel liberale maatregelen. Ook wist hij een anti-militaire begroting erdoor te krijgen. Ongetwijfeld was hij een der ijverigste ministers die het Kabinet ooit gekend had en in historisch opzicht is het buiten kijf dat Churchill in de Eerste wereldoorlog Engeland bijna alleen gered heeft.

Het aanvankelijke verloop van de oorlog voorzag hij met verbluffend nauwkeurigheid. In 1911 nam de Britse militaire leiding aan dat het Franse leger bij een Duitse aanval sterk genoeg zou zijn om na negen tot dertien dagen tot een tegenaanval over te gaan en de Duitsers vervolgens terug te dringen. Churchills analyse, een historisch document dat nog altijd beschouwd wordt als een van de klassieke voorspellingen uit de wereldgeschiedenis. voorzag dat de Fransen op de twintigste dag nog altijd in volle terugtocht zouden zijn en tot op zijn minst de veertigste dag niet zouden kunnen aanvallen. Drie jaar later waren de Fransen op de 21ste dag nog in volledige aftocht en de Slag aan de Marne, algemeen beschouwd als het keerpunt in de oorlog, begon op de 41ste dag.

De Engelse generaals verwierpen Churchills document als “dwaas” en “volkomen amateuristisch”. Maar de Eerste Minister Asquith, doordrongen van het gevaar waarin Engeland zich be­vond, bracht hen al spoedig in verlegenheid door Churchill te vragen of hij Minister van Marine wilde worden. “Wij hebben alleen onze marine,” zei Asquith. “Daarin ligt onze enige hoop.”

Churchill accepteerde het aanbod gretig. Zonder zich om senioriteit te bekommeren zette hij onmiddellijk het mes in de Admiraliteit, zodanig dat de hoge officieren mokkend in een hoekje kropen. Teneinde een eersteklas marine op te bouwen bracht hij zeer vele veranderingen aan, waaronder de veelbe­sproken beslissing om kolen door olie te vervangen als brandstof op de vloot. Bovendien bestelde hij kanons van 37 cm, in plaats van de gebruikelijke van 33 cm, voor alle nieuwe slagschepen. De marine-officieren hieven een hartverscheurend protest aan, maar Churchill ging onverstoorbaar verder en toen de oorlog uitbrak hadden zijn schepen meer vuurkracht dan om het even welk Duits schip.

Toen, in de vroege zomer van 1914, liet hij de gebruikelijke vlootmanoeuvres afgelasten en kondigde in plaats daarvan — ondanks een veto van het kabinet en zonder de handtekening van de Koning — een ”oefenmobilisatie” af voor de hele marinere­serve. Met dit koene besluit bewees hij opnieuw zijn bijna mys­tieke, vooruitziende blik. De impopulaire mobilisatie, die al goed op gang was gekomen toen de moord op de Oostenrijkse aarts­hertog Ferdinand heel Europa in beroering had gebracht, was voltooid precies drie dagen vóór Engeland formeel de oorlog verklaarde. Het was een van de weinige keren in de geschiedenis dat een verdedigingsvloot maar half voorbereid de oorlog inging.

Misschien was een zodanige wervelwind van menselijke energie nog nooit op een oorlogsregering losgelaten. Churchill maakte een begin met de opbouw van een luchtwapen en zorgde ervoor dat er een reeks luchtaanvallen werd uitgevoerd op Duitse zeppelinloodsen en onderzeebootbases. Hij trok zo maar een bedrag uit voor het produceren van achttien “landschepen” en mag als zodanig gezien worden als de vader van de tank. Toen achten­veertig van die machines in september 1916 in actie kwamen, wierpen de Duitsers hun geweren weg en vluchtten. Opnieuw was in de oorlogvoering een blijvende verandering gekomen.
In 1915 had Churchill een plan opgesteld om een spoedig einde aan de oorlog te maken, waarbij de vloot door de Dardanellen zou worden gezonden en Turkije van de Centrale Mogendheden zou worden losgemaakt. Daarna zou men de Balkanstaten aan Geallieerde zijde krijgen en zo de weg vrij maken voor een snelle Russische overwinning in het oosten. Dit was zijn schema voor een snel blussen van de oorlogsbrand door middel van een aanval op de vijand “via de achterdeur” en hij legde alle protesten ertegen naast zich neer. Het duurde niet lang of de onderneming, die op 18 maart 1915 op gang kwam, liep uit op een catastrofe. Bij het binnenvaren van de Dardanellen kwam de aanvalsspits in een  mijnenveld terecht, waardoor drie slagschepen verloren gingen, op grond waarvan de bevelvoerende admiraal de actie af­brak. In Londen belegde Churchill een vergadering van zijn “Oorlogsgroep” op de Admiraliteit en toonde het telegram waarin hij de admiraal beval de actie te hernieuwen. Maar de verdere aanval leed een rampzalige vertraging, de vijand kreeg tijd om zijn verdediging te versterken en wat volgde werd een der bloedigste hoofdstukken in de vreselijke, eindeloze geschiedenis van de oorlog. Aan Britse zijde bedroegen de verliezen 205 000 man en terwijl de trieste overblijfselen van leger en vloot werden geëvacueerd, groeide de volkswoede tot een storm. Bijgevolg werd Churchill snel ontslagen.

In het begin van 1917 kwam de Commissie van Onderzoek betreffende de Dardanellencampagne tot de slotsom, dat Churchills oorspronkelijke plan goed was geweest; hij werd opnieuw in het kabinet opgenomen. Generaal Pershing onderscheidde hem met de Amerikaanse “Distinguished Service Medal” (Orde van Verdienste) voor zijn aandeel in het uitrusten van de Amerikaanse strijdkrachten. Hij was de enige Engelsman die op deze wijze gedecoreerd werd. Kort na de Wapenstilstand kreeg hij de post van Staatssecretaris van Oorlog en Luchtmacht. De naoorlogse reactie maakte echter dat hij niet alleen uit de regering werd verwijderd, maar ook zijn parlementszetel verloor, voor het eerst sedert 1900.

Zelfs Churchills volgzaamste aanhangers lopen niet over van enthousiasme over zijn loopbaan als Minister van Financiën, een post die hij in 1924 verwierf onder de Conservatieve regering van Stanley Baldwin. (Hij had intussen met de Liberalen gebroken en was in het Parlement teruggekeerd als “Constitutionalist”, een nieuwe partij met één lid). Het was een periode van economische neergang, met roerige, ontevreden arbeiders en veelvuldige sta­kingen. Churchill nam snel maatregelen om de stakingen de kop in te drukken en was in het algemeen meer rechts dan de meesten van zijn Tory collega’s. Men hief de oude leuze weer aan, dat hij te ver gegaan was. Zelfs de Tories wantrouwden deze impulsieve weerhaan. Kortom, hij nam iedereen tegen zich in. In de drukke tijd sinds Sandhurst had hij in vijf oorlogen gevochten, negen kabinetsposten bekleed (een record in de Britse geschiedenis), 8000 openbare redevoeringen gehouden en was daarbij in snelle opeenvolging de populairste en impopulairste figuur in Engeland geweest.

In de jaren tussen 1929 en 1939, soms de “uit-het-gareel” periode genoemd, hield Churchill zich voornamelijk met schrijven bezig. Hij had De Wereldcrisis in vier dikke delen al gepubliceerd, waarmee hij meer dan 350 000 gulden had verdiend. Nu zette hij zich aan een ander, zo mogelijk nog groter project, de monumen­tale biografie Marlborough, His Life and Times (Het leven van Marlborough). De honoraria, die hij voor tijdschriftartikelen kreeg, waren de hoogste die men ooit betaald had en zijn productie was kolossaal. Een zodanig inkomen, gevoegd bij een erfenis van een half miljoen gulden van zijn moeder bij haar dood in 1921, maakte het voor de Churchills aanzienlijk gemakkelijker om zich in de hoogste kringen te blijven bewegen.

Met zijn literaire inkomsten kocht Churchill in 1924 het land­goed Chartwell. Niet lang nadat hij het gekocht had, keek hij een tijdje hoe een paar metselaars het huis opknapten, nam toen een troffel en wat bakstenen en ging zelf aan het werk aan een ver­vallen bijgebouw. Toen de voorman hem vertelde, dat hij als hij wilde metselen ook lid van de vakbond moest worden, oefende Churchill tot hij twee stenen per minuut kon leggen en diende een aanvraag voor het lidmaatschap in. Tijdens een rustpauze in zijn carrière was Churchill ook met schilderen begonnen. Type­rend voor hem, had hij zich ook voorzien van alle mogelijke uit­rustingsstukken, die bij het gilde behoren, een lichtblauwe kiel en baret incluis. Hij maakte snel vorderingen en Parijs kreeg een ten­toonstelling te zien van een onbekende schilder, Charles Morin genaamd, het pseudoniem, dat Churchill zich gekozen had. Men kan van Churchill als schilder zeggen, dat zijn werk op beroepsniveau staat. “Als die man schilder van beroep was,” heeft Picasso gezegd, “zou hij ruim zijn brood kunnen verdienen.” Politiek gesproken bevond Churchill zich in deze jaren in een merkwaardige situatie. Hij was nog altijd Lagerhuislid, maar zonder enige invloed. Zowel Duitsland als Italië waren in opkomst en nu hij zag hoe Hitler steeds dreigender werd, waarschuwde hij Engeland zich moest bewapenen. Churchills eenzame strijd tegen de fascisten was misschien zijn mooiste periode. In het Lagerhuis en in de pers stelde hij de nazidreiging aan de kaak bij een volk dat met massale blindheid geslagen was.

Het was al bijna te laat toen de Britten zich bewust werden van het feit, dat Churchill opnieuw van meet af aan gelijk had gehad.

Volgens de deskundigen had men Hitler wel een keer of tien de weg kunnen versperren zonder bloedvergieten. En bij elke gelegenheid had Churchill op handelen aangedrongen. Nu was de teerling geworpen en kwam het oorlogsmonster aanrollen. Op 1 september 1939 rolde de nazi-oorlogsmachine met geoliede precisie Polen binnen. Op 3 september verklaarden Frankrijk en Engeland de oorlog en diezelfde avond werd Churchill uitge­nodigd zijn oude post op de Admiraliteit te betrekken. De boodschap ging uit naar elk onderdeel van de vloot, over de radio, met de seinlamp of per vlaggensein: “Winston is terug.”

De openbare mening haalde hem binnen met een stortvloed van adhesiebetuigingen en tijdens de formele oorlogsverklaring wandelde hij het Huis binnen langs een haag van leden die hem staande een ovatie brachten. Nauwelijks een week tevoren hadden ze hem hartgrondig bestreden. Maar het waren donkere uren in de geschiedenis van Engeland. De natie was slecht voorbereid op de oorlog. Terwijl Churchill aan het hoofd van de Admiraliteit stond – minder dan een jaar — was het nieuws weinig bemoedigend en de U-boten, die vele schepen tot zinken brachten, stelden het moreel van het Britse volk zwaar op de proef.

Jaren tevoren, tijdens een periode van politieke tegenslag, had Churchill aan een vriend toevertrouwd: “Ik zou mij helemaal uit de politiek terugtrekken als er geen mogelijkheid bestond, dat ik nog eens Eerste Minister word.”
Op 10 mei 1940, tijdens het zwaarste uur in Engelands geschiedenis, werd zijn volhardingsvermogen beloond. Noorwegen was gevallen, Chamberlain was eindelijk afgetreden en Koning George ontbood Churchill. De volgende maandag hield Churchill de inspirerende toespraak over ubloed en zwoegen, zweet en tranen”, die vijf jaar lang het grondthema van de democratie zou zijn.

Iedereen, die tijdens de oorlogsjaren met Churchill in aanraking kwam, voelde de moed waartoe hij wist te inspireren in zich natrillen. Dit had een bijna hypnotisch effect. In de dagen van Duinkerken, kort nadat hij de leiding van de regering had aan­vaard, was het voornamelijk aan hem te danken, dat het expeditieleger gered werd. Toen uit Duinkerken gemeld werd, dat een snelle evacuatie noodzakelijk was, kwam hij onmiddellijk in het geweer. Op de avond van de 26ste mei werden de eerste eenheden van het strand van Duinkerken gehaald. De volgende dag werd in aller ijl via radio en kranten bekendgemaakt: “Winnie heeft boten nodig” en kort nadien verliet de beroemde bijeengegaarde vloot van vaartuigen de Engelse havens om een der glorierijkste hoofdstukken in de Britse militaire annalen te schrijven. Maar Churchill deed geen moeite om de redding als een overwinning voor te stellen. Integendeel, hij schilderde Engelands positie af in donkere kleuren, waarbij hij de enorme offers — materieel en voorraden — duidelijk in het licht stelde. Europa was vrijwel verloren, een jaar tevoren had Rusland een non-agressiepact met Duitsland gesloten en Amerika proclameerde een besliste neutra­liteit. Churchill belegde een kabinetsvergadering en de ministers kwamen plechtig bijeen om zijn verschrikkelijke voorspellingen aan te horen. Zij hadden hem nog nooit zo opgewekt gezien. “Wel heren, wij staan alleen,” zei hij. “En wat mij betreft, dat geeft mij een bijzonder opwekkend gevoel.”

De last van het leiderschap van mei 1940 tot juli 1945 eiste een zware tol en Churchill kon er niet van afgebracht worden zich zonder noodzaak aan gevaar bloot te stellen. Wanneer de lucht­alarmsirenes loeiden, wachtte hij tegen beter weten in tot er werkelijk bommen vielen voor hij zijn ambtswoning aan Downing Street no. 10 verliet. Dan wandelde hij kalm tussen het afweer­geschut door naar het sterkere bijgebouw bijna duizend meter verder. Inspecteur Walter Thompson, zijn lijfwacht, kwam een keer heimelijk achter hem staan, nam Churchills hoed af en zette hem snel de voorgeschreven blikken helm op. Zonder commentaar nam Churchill het ding af en gooide het in de struiken. Hoe zwaar er ook gebombardeerd werd, hij verliet de schuilkelder voor het over was en bijna al zijn vrienden gaven tenslotte hun pogingen maar op om hem onder de grond te houden. Zoals een employé in Whitehall zei: “Wanneer de Premier in een schuilkeler zat opgesloten, was zijn kwade humeur veel erger dan de bommen.” Hij werkte zestien tot achttien uur per dag en scheen nooit moe te worden. Maar tegen de lente van 1945 meenden sommigen dat hij tekenen van vermoeidheid begon te vertonen.
Het nieuws van President Roosevelts dood was voor hem ongetwijfeld het ergste moment van de oorlog. Thompson vond de Eerste Minister in tranen. “Verschrikkelijk, verschrikkelijk,” zei en voegde daar aan toe: “Hij was een groot vriend van ons. Hij heeft ons onschatbare hulp gegeven op een moment dat wij die het meest nodig hadden. Ik heb een goede, goede vriend verloren.”

Op V.E.dag (toen de Duitsers capituleerden), de grootste dag van de oorlog voor Churchill en voor Engeland, reed Churchill in triomf van Downing Street 10 naar het Lagerhuis. Toen de optocht Parliament Square bereikt had, was hij op de voorbank van de open wagen gaan staan, vanwaar hij blootshoofds en grinnikend de menigte groette met zijn V-teken. Op een gegeven ogenblik bemerkte hij dat hij zijn sigaren thuis had gelaten. “Ga er een halen,” schreeuwde hij Thompson toe. “Dat willen ze zien.”
Toen de Eerste Minister ten slotte naar binnen ging om de vergadering toe te spreken, kreeg hij een ovatie zoals het parlement nog nooit iemand had gebracht. De leden lieten elk ceremonieel varen en sprongen schreeuwend en met papieren zwaaiend op hunhanken. Churchill stond op zijn gebruikelijke plaats naast de documentenkist. Tranen rolden over zijn gezicht en hij bleef staan snikken, wachtend tot hij gebruik kon maken van het kostelijke voorrecht, zelf de overwinning plechtig bekend te maken.
Toen de Britten Churchill twee maanden later wegstemden, bleef hij schijnbaar onbewogen onder deze plotselinge afwijzing.

Hij schikte zich al spoedig in een levenspatroon dat zou duren tot hij bij de verkiezingen van oktober 1951 op zo dramatische wijze weer naar Downing Street no. 10 terugkeerde.
In 1953 tot Ridder in de Orde van de Kouseband benoemd door Koningin Elizabeth II, bleef Sir Winston Leonard Spencer Churchill aan het hoofd van de regering tot 1955. Toen, onder het gewicht van zijn jaren, droeg hij zijn post over aan Anthony Eden en trok zich rustig terug van het politieke toneel.

Maar ook daarna was hij verre van vergeten. Want Engeland bleef deze man van heroïsch formaat eren, de laatste der grote staatslieden, een reus onder pygmeeën. En om met Shakespeare spreken: “Wanneer komt er weer zo een?”
.

alle biografieën

.

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

571-524

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sprookjes – 1e klas – toneelstukje ‘De zeven raven’

Pieter HA Witviet
.

Van tijd tot tijd probeerde ik zelf ook een toneelspelletje voor een klas te maken.

Ik had ooit een 1e klas die dol was op het sprookje van de zeven raven uit de bundel van Grimm. (nr.25)

Ik probeerde het volgende:

Vader:
God gaf ons zeven zonen
die hier nu bij ons wonen.
Kregen wij toch een meisje klein:
Wat heerlijk zou dat zijn!

Moeder:
Mijn lieve man, wees blij!
Wij krijgen er nog een kindje bij.
Misschien wil God ons bedenken
En ons een dochtertje schenken.

(de melodie was simpel pentatonisch)

Alle kinderen zingen:

’t Kindje werd op aard’gebracht
In een stille, donkere nacht.
Vader en moeder vreesden zeer,
want het was zo klein en teer.

V:
Wij moeten ’t kindje vlug dopen.

(Hij roept zijn zonen):
Jongens; jullie kunnen heel snel lopen.

(Hij geeft een kruik aan één van hen)

Vul deze kruik bij gindse bron
En kom dan gauw weerom.

(Als bron zette ik vier stoeltjes met de rugleuning naar buiten, kleed erover).

(Ze proberen elkaar de kruik afhandig te maken):

1e Jongen:
IK schep!

2e:
Neen, IK!

3e:
Geef hier!

4e:
Blijf af!

5e:
O, neeee
daar valt de kruik diep naar benee

6e:
Wat nu gedaan?

7e:
Zo kunnen we niet naar huis toegaan!

De jongens verdwijnen uit het zicht.

Vader:
Waar blijven ze toch, wat duurt het lang!
O, kom nu snel, ik word zo bang.

Goddeloze jongens zijn het, geen brave.
Werden ze maar veranderd in zwarte raven!

(Achter een scherm staan 7 in het zwart geklede raven klaar, die nu al vliegend tevoorschijn komen en weer verdwijnen)

Allen zingen:
Nauwelijks was die wens gedaan,
Vlogen er zeven raven aan.
Betoverd gingen zij door de lucht
In een donkere, droeve vlucht.

Vader:
Ach, had ik dit maar nooit gezegd
Wat komt er nu van hen terecht.

Moeder:
Mijn lieve man, heb goede moed.
Het gaat ons zwakke dochtertje goed.
Laat haar nooit horen
Wat er gebeurde, toen zij werd geboren.

Allen zingen:
Jaren gingen er voorbij,
’t Meisje was heel mooi en blij.
Zong en speelde met plezier
Was heel lief voor plant en dier.

(Het meisje zit ergens te spelen. 2 Vrouwen komen voorbij en blijven op afstand staan):

1e vrouw:
Zie je dat mooie meisje daar
met die bloempjes in het haar.
Toen zij werd geboren,
waren haar 7 broers verloren.

(Meisje heeft het gehoord, staat op en rent naar haar ouders)

Meisje:
Vader, moeder, is het waar
wat ik zoëven hoorde daar.
Vertel mij snel en kort
Heb ik mijn broers in het ongeluk gestort?

Allen zingen:
’t Meisje was niet vrolijk meer
Dacht aan haar broertjes, iedere keer.

Meisje:
‘k Ga hen zoeken, ik hoop dat ik ze vind.

Allen zingend:
Sprak het moedige, dappere kind.

Meisje:
Een ring om vader en moeder niet te vergeten,
Een kruikje water en brood om te eten.
En dit stoeltje over mijn schouders.
Vaarwel mijn lieve ouders.

Ik loop hier ver vandaan.
Naar het eind van de wereld zal ik gaan.
Ik zal het wagen
Aan de zon om raad te vragen.

Zon:
Ga weg, mijn kind, eer
Ik je met mijn vlammend vuur verteer.

(Meisje haast zich weg)

Hier kan ik niet lang vertoeven.
Bij de maan wil ik mijn geluk beproeven

Maan:
Wat komt daar zonder vrees?
Ik ruik mensenvlees.

(Tot het meisje):
Mijn koude zal je doen verstijven
Dan moet je altijd bij mij blijven,

Meisje:
Vlug hier vandaan
Voordat het verkeerd zal gaan.

Nu naar de sterren
Ik zie hen al van verre.

Morgenster:
Ik weet dat je je broeders vindt
Met dit beentje, mijn lieve kind
Open je de berg van glas
Met dit hinkelbeentje lukt dat ras.

Meisje:
Dank je, lieve morgenster.
Ik ga, want het is nog ver.

Allen zingen:
Vele dagen trok zij voort
In het onbekende oord.
Wat blonk ginds in de zonneschijn?
Ja, dat moet de berg wel zijn.

Meisje:

(zoekt beentje):
Het beentje zat in deze doek,
O, ongeluk, nu is het zoek.

Dan zal ik mijn pink afsnijden,
Want ik ZAL mijn broers bevrijden.

Dwerg:
Wat zoek je hier in deze berg?

Meisje:
Mijn zeven broers, o help mij dwerg!

Dwerg:
De heren raven zijn niet thuis.
Wacht hier op ze in hun huis.

(Dwerg af. Het meisje eet intussen iets van ieder bordje en drinkt uit ieder bekertje dat op tafel staat. In één bekertje doet ze het ringetje)

Dwerg:
Hoor je het vleugelgeruis
De heren raven komen thuis.

1e t/m 7e broer na elkaar:
Wie heeft er van mijn bordje gegeten?
(Wie heeft er van MIJN bordje gegeten enz)

Idem:
Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken.

De 7e niet, hij zegt:
Een mensenmond heeft het gedaan
En zie toch moeders ringetje eens aan!!
God geve dat ons zusje hier is.
Dan zijn wij verlost uit onze duisternis.

Meisje komt tevoorschijn:
O, broertjes, jullie leven!

De broers:
En onze mensengestalte  wordt ons teruggeven.

(Ze trekken nu hun vogelkapjes en snavel af en doen hun zwarte cape af. Ze gaan mooier rechtop staan)

Allen zingen:
O, wat was een ieder blij.
De betovering was voorgoed voorbij.
Vrolijk gingen zij naar huis
Leefden heel gelukkig thuis.

Met een beetje fantasie en improvisatie kun je van een paar tafeltjes en wat lappen een ‘berg’ maken, die je bv. links op het toneel zet. Daarin of daarachter verbergen zich dan de weggevlogen raven. De bron kan midden op het toneel en het huisje van de ouders rechts.

Verdere regie-aanwijzingen lijken mij overbodig. Al oefenend en spelend merk je vanzelf wat er nodig is en hoe je iets wilt vormgeven.
.

Er bestaat nog een ander spel:

 

De zeven raven

.
Alle kinderen in een halve kring. Aan de ene kant staan: Moeder, sterren, de zon en het zusje. Aan de andere kant: De vader, de 7 raven, de maan en de wachterdwerg.

allen:
Luistert allen naar dit spel
misschien verwondert gij u wel.
Hoort gij hoe dat beekje kabbelt ?
Luister hoe dat eendje babbelt.
Bonte tortelduifjes vliegen
Vader kom, Help moeder wiegen
’t Lieve kleine kindje daar.
Zorgzaam knielt het ouderpaar.
Vader kom, Help moeder wiegen
Bonte tortelduifjes vliegen
Luister hoe dat eendje babbelt
Hoort gij hoe dat beekje kabbelt?
Misschien verwondert gij u wel
Luistert allen naar dit spel.

Moeder:
De nacht verdwijnt, de ochtend naakt
Zie ons dochtertje ontwaakt
Het sliep zo lang, het sliep zo zwaar
Zo diep, als of ’t gestorven waar.

Vader:
Moge God het kindje geven
Sterke krachten tot het leven.

Koor:
De zeven broertjes blj elkaar
Zien verwonderd, nu naar haar.

1e:
Wat een lief gezicht

2e:
Oogjes klaar en licht.

3e:
Hoofdje als een appel rond.

4e:
En een lachje om de mond.

5e:
En Ik wieg je heen en weer.

6e:
Ik leg hier wat bloempjes neer

7e:
Voor ons zusje zorgt de Heer
Ziet vol liefde op haar neer.

Vader:
Jongens, door de laatste regenval
Ontstond een beekje In het dal.
Ga daar water halen nu terstond
Dopen maakt de mens gezond.
Doe het snel en keer dan weer
Zet het water hier dan neer.

Ie:
lk draag de kan.

2e:
Ik zal lopen wat ik kan

3e:
Ik loop als de wind

4e:
Ik weet dat ik de weg wel vind

5e:
Zie hoe Ik door de struiken dringen kan

6e:
Geef mij de kan ik loop vooran.

7e: (bij de bron)
lk zal scheppen voor ons allen.

Allen:
O weel De kan is gevallen I
Stil, houd toch je mond
De kan viel op de grond
En vader wacht en wacht
Wie had dat nu gedacht
Wie zal nu water geven
Wie vertelt het vader zonder beven
Wie zal nu water geven
Wie had dat nu gedacht
En vader wacht en wacht
De kan viel op de grond
Stil, houd toch je mond
O wee! De kan is gevallen!
Dat ongeluk treft ons allen!

Moeder:
De avondwind speelt om het huls
En nog zijn de jongens niet thuis
Misschien bij vrolijkheid en spel
Vergaten zij hun opdracht wel!

Vader:
Weet je wat ik vind
Straffen moet men ieder kind
Dat zo zijn plicht vergeet
Voor zover ik weet
Zou het het beste zijn
In plaats van een groot festijn
De duivel met zijn kracht
Hen beet neemt in zijn macht.
Raven zullen ze voortaan zijn .
Allemaal, groot en klein .

De 7 Raven:
Klein zusje wees jij lief en braaf
Wij vliegen nu als raaf
Met veel en luid geruis
Over ons eigen oud tehuis
Zie toch hoe vreselijk erg
Zo vliegen we over dal en berg
Wij vliegen nu als raaf
Klein zusje wees jij lief en braaf.

Koor:
Zo als er uit het knopje
De roos opbloelt in zonneschijn
Zo heft het meisje op haar kopje
En wil nu flink en dapper zijn.
Haar broertjes zoekt zij over berg en dal
Of zij ze daar wel vinden zal?
Zij zoekt bij sterren en bij maan
Hoe zal het verder met haar gaan ?
Zij zoekt bij sterren en bij maan
Of zij ze daar wel vinden zal ?
Haar broertjes zoekt zij over berg en dal
En wil nu flink dapper zijn
Ze loopt in regen en in zonneschijn.

(Bnnenkring gevormd door drie sterren, Zon en Maan.
Sterren hurken neer en het Zusje komt en spreekt: )

Zusje:
Zo wandel ik de hele dag
Waarheen de weg mij voeren mag
Maar tegen bittere hongersnood
Gaf moeder mij een flink stuk brood
Een gouden ring gaf vader mij
Dat maakte dapper mij en blij.
In het oosten uit de wolkenpoort
komt moeder Zon, zij moet steeds voort.
Flikkerend rood in het morgenlicht
Schijnt verblindend zij mij in ’t gezicht.
Lieve Zon, waar zijn mijn broertjes nu
Wijs mij de weg, dit smeek ik U.

Zon:
Mijn vlammenadem heet en rood
Verbrandt het mensenhart, brengt hen de dood.

Zusje:
Ik red mij door Uw hete gloed.
Vader Maan, weest gij zo goed
Geeft gij mij milde manenschijn
Vertel mij toch waarof mijn broertjes zijn.

Maan:
Met koude sneeuw en het harde ijs
Breng ik het mensenhart snel van de wijs.

Zusje:
Ik red mij voor Uw vorst en kou
Door dat ik van mijn broertjes hou
Gij sterren aan de blauwe hemelboog
Tot U richt ik me nu omhoog.
Verlicht mijn schreden, wijst gij mij toch de baan
Hoe moet ik tot mijn broertjes gaan?

Sterren:
WIJ wachten voor de hemelpoort
En wandelen mee zoals het behoort
En wie zo trouw vervult zijn plicht
Die schenken wij ons kleine licht.

Morgenster:
Aan ’t eind van de wereld staat een berg
Daar houdt de wacht een dappere dwerg.
Daar boven op staat fier een groot paleis
Daarheen vervolg je nu je reis,
Daar vlogen 7 raven uit en in.
Hier is de sleutel – dat is het begin.

Sterren:
Wij volgen steeds het gouden spoor|
De morgenster die gaat ons voor
Wij zingen saam een sterrenlied
Maar vele mensen horen ’t niet.
Doch hoort er iemand ons gezang
Begeleiden wij zijn stoere gang.

Zusje:
Daar sta ik nu voor de poort,
Maar och heden
Het sleuteltje is uit mijn zakje gegleden.
U lieve sterren geef me sterkte en moed
Dat ik durf, wat helaas nu geschieden moet.
Ik snijd nu tot mijn straf
Vlug mijn eigen pinkje af
Tot sleutel wordt het vingertje snel
En laat mij binnen In de glasberg wel.

Wachterdwerg:
lk behoed de poort en houd de wacht
Wie zijt gij meisje lief en zacht?
De heren raven zijn niet thuis vandaag
Ze vlogen over muur en haag
En ’t is eerst ’s avonds laat
Dat de groep naar huis toe gaat.

Zusje:
Ik smeek U wachterdwerg
Laat mij binnen in Uw berg
Ik kwam van o zo ver
Geholpen door de morgenster
Laat mij rusten nu en slapen gaan
Ik kan van moeheid niet meer staan.

Wachterdwerg:
Kom binnen, kom binnen kind
Ik ben je zeker goed gezind
Een maaltijd staat hier voor je klaar
Flink eten en ook drinken maar
En rusten doe je onderwijl maar goed
Dan heb je straks weer lust en moed.

Zusje:
Van leder bordje nam ik veel
Uit ieder bekertje mijn deel
In het zevende doe ik stil en snel
Mijn vaders ring, die vindt broer wel.

Wachterdwerg:
Ik hoor de raven vleugelslag
Wat of deez’ dag ons geven mag ?
In open huis en zaal zo wijd
Heer Raven ’t is Uw etenstijd!

(Raven vliegen binnen, zusje verbergt zich, wachterdwerg op de achtergrond.
Raven zingen hun lied)

Raaf 1:
Wie at er van mijn bordje klein?

2:
Wie dronk er van mijn wijn ?

3:
Wie nam een hapje van mljieten ?

4:
Wie heeft dit lege bord op zijn geweten ?

5:
Wie at er van mijn appel zeg ?

6:
Wie nam heel mijn pannenkoekje weg?

7:
En mij is het naar de zin
Mijn Vaders ring lag onderin
Toen Ik flink dronk hier van mijn wijn.

Alle raven:
Oh! Zal ons zusje gekomen zijn ?

zusje:
Goddank mijn broers heb Ik gevonden
De sterren hebben mij gezonden
De sterren kunnen raven weer genezen
Om mensen weer te kunnen wezen,

1: 
Ik werp mijn vleugels weg goddank!

2:
Ik leg mijn kleed op deze bank,

3:
Ik sta weer op mijn voeten

4:
Met deze hand kan ik mijn zus begroeten,

5:
Ik richt mij op en hef mijn hoofd,

6:
Ik kan weer spreken, Gode zij geloofd,

7: 
En nu terug naar vaders huls
Ik breng je allemaal weer thuis.

Broers zusje en wachterdwerg:
WIJ trekken van de berg vandaan
’t Is huiswaarts dat we nu weer gaan.
Wij varen over het wilde meer
De tocht verheugt ons allen zeer.
Dan gaat de tocht weer verder voort
Geen moeilijkheid je ons meer stoort.
Dank God wij zijn bevrijd van tovenarlj.
We gaan door ’t leven zij aan zij
We helpen en we steunen op elkander
En altijd helpt de een de ander.
Maar zonder Godes licht en kracht
Heeft niemand het ooit ver gebracht
De zeven broertjes zijn gevonden
En met hun zusje weer verbonden.
Nu is alles hier weer goed
Besluiten met een heuse groet

-0-0-0

Sprookjes: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

toneelstukken

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas w.o. sprookjesbeelden

.

561-515

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL- Vertelstof – biografieën – Hudson

.

DE KAPITEIN VAN DE ‘HALVE MAEN’
.

Van het verleden van Henry Hudson, de ontdekker van de Hudsonbaai, de Hudsonstraat en de eveneens naar hem genoemde rivier, is niets bekend. Het is echter niet waar dat hij een Nederlander was, al noemden de Nederlanders hem “Hendrick”. Hij schreef zijn naam gewoon Henry en hij kon de taal van zijn Amsterdamse broodheren lezen noch schrijven.

Hij komt voor de eerste maal in de geschiedenis voor wanneer hij en zijn bemanning — 10 man en een jongen — te Bishopsgate in Engeland de heilige communie doen, alvorens zich in te schepen op de Hopewell om recht over de Noordpool heen naar het verre, fabelachtige land Cathay (China) te varen. Deze reis, die werd georganiseerd door een handelmaatschappij, de Muscovy Company, werd een mislukking. Hudson ervoer dat het onmogelijk was om door de ijsbarrière tussen Groenland en Spitsbergen heen te breken en hij keerde naar Londen terug. Hij werd het volgende jaar wederom door de Muscovy Company uitgezonden om het nogmaals te proberen. Nu poogde hij door het ten noorden van Rusland gelegen Nova Zembla een vaargeul te vinden naar de tot de Poolzee behorende Kara-Zee, om vandaar, na de legen­darische Kaap Tabin omzeild te hebben, het rijke Oosten te bereiken via een warme zee die naar “wierook-dragende bomen” moest geuren.

Ook deze reis mislukte, maar al kreeg hij de legendarische kaap nimmer in zicht, ten minste twee leden van zijn bemanning vingen een glimp op van iets nog veel merkwaardigers. Terwijl ze vlak na een poolstorm aan dek stonden, zagen ze een meermin. Ze waren niet de eerste menselijke wezens die dit voorrecht hadden.

De Nederlanders zagen bij Borneo ook zo’n wezen dat ze bijna een week lang in een groot vat in leven hielden. “Nu en dan slaakte ze kreetjes als een muis. Ze wilde niet eten, al bood men haar vis, kreeft en zo voort aan.”

Omstandig beschrijft Henry Hudson de gedaante van het vismeisje. “Ze kwam dicht bij het schip en zag de mannen ernstig aan” — toen werd ze door een golf omgeworpen en verdween. “Tot de navel was haar rug, en waren hare borsten, als die van een vrouw; haar huid was zeer blank, en heur lange haar viel op haar rug; toen ze onderdook zagen ze haar staart, gelijk die van een bruinvis en gespikkeld als van een makreel.”

Hoezeer de Londense kooplieden ook door zijn relaas geboeid mogen zijn geweest, ze waren diep ontmoedigd door Hudsons tweede mislukking, en hij was alras zonder werk. De Nederlanders hadden evenwel van zijn daden vernomen, namen hem in dienst, en hij vertrok opnieuw, stak in de Halve Maen de Atlantische Oceaan over, en kreeg op 2 september 1609 de blinkende zand­banken van Sandy Hook in zicht. Toen de zeelui de tegenwoordige haven van New York opvoeren, “drong hun een zoete geur in de neus”. Indianen in kano’s kwamen hun oesters en bessen brengen. Aan alle kanten groeiden prachtige wouden tot aan de waterkant.

Hudson voer in de Halve Maen de rivier op tot aan het tegen­woordige Albany en verliet het schip om de Indianen in hun eigen huis op te zoeken. “Met een oude man die aan het hoofd stond van een stam van 40 mannen en 17 vrouwen ging ik de oever op; deze mensen woonden in een goedgebouwde hut van eikenschors, rond van vorm, met een gewelfd dak. Bij onze komst kregen we onbekende spijzen aangeboden in grote houten kommen. Ook werd er een gemeste hond geslacht, en in grote haast met schelpen gevild. Ze dachten dat ik bij hen zou overnachten, maar ik keerde terug naar het schip. De inboorlingen zijn een vriendelijk volkje, want toen zij zagen dat ik niet wilde blijven, meenden zij dat ik bevreesd was voor hun bogen; ze namen hun pijlen, braken ze in stukken en wierpen die op het vuur.”

Bij Albany stootte Hudson op ondiepten en keerde terug. Er deed zich toen een ongelukkig incident voor. Op een middag, toen de Halve Maen, omgeven door kano’s, voor anker lag, klom er een Indiaan op het roer en stal uit een patrijspoort een hemd en een hartsvanger. Het hemd behoorde toe aan een boosaardige Engelse zeeman uit de sloppen van Londen, Robert Juet geheten.

Het ware beter geweest indien de inboorling van een mensenetend dier had gestolen dan van deze middeleeuwse vechtersbaas. Er werd alarm geslagen, en de Nederlandse stuurman schoot op de dief en doodde hem. Er ontstond grote verwarring, en de Indianen vluchtten in paniek overboord. Die avond voer de Halve Maen zo ver mogelijk de rivier af. De volgende dag zag men meer dan honderd Indianen zich verzamelen op een landtong, en ze probeerden de Halve Maen te praaien. Juet “vuurde een falkonet op hen af en doodde er twee”. Twee dagen later voeren ze de riviermonding uit en de open zee op, zulks tot hun grote op­luchting. Wellicht had de gezagvoerder deze barbaarse geweld­daden niet kunnen voorkomen; het is bekend dat hij toen reeds te lijden had van ongehoorzaamheid onder de bemanning.

De laatste reis van Hudson werd geldelijk gesteund door de prins van Wales, samen met de Londense kooplieden, en in 1610 voer hij uit in de bark Discovery op zoek naar Cathay. Er heerste vanaf het begin van de reis een slechte, ontevreden stemming onder het scheepsvolk. Robert Juet sloeg oproerige taal uit en gaf twee schepelingen de raad, hun musketten geladen en wel in hun verblijf gereed te houden omdat hij “doodslag, en voor sommigen bloedvergieten” verwachtte.

Eindelijk voeren ze de Hudsonstraat binnen. Vanwege de grote ijsmassa’s duurde het vijf weken voor ze erdoorheen waren. Eens weigerde de bemanning om verder te varen, maar Hudson toonde hun zijn zeekaarten en haalde hen over, door te zetten. Ze voeren maar door, en onderweg verzamelden ze uit poelen op voorbij­drijvende ijsbergen vers water. Toen ze de ingang van de grote baai bereikten, moet Hudson wel gedacht hebben, dat het zwaar­ste gedeelte van de reis achter de rug was en dat hij de lang gezochte noordwestelijke doorvaart had gevonden. Met heen en weer varen werd echter veel tijd verloren, en tegen 1 november was de Discovery ingevroren aan de zuidpunt van de Jamesbaai. De kanonnier stierf, de bemanning kreeg scheurbuik, en het voedsel werd schaars.

Aanvankelijk leefden ze van sneeuwhoenders, en in de vroege lente aten ze trekvogels die op doortocht waren haar hun broed­plaatsen in het hoge noorden. Nog later raakten de mannen zo uitgehongerd dat ze de bossen introkken, de heuvels op en de dalen in, om gelijk vossen te zoeken naar “Alles wat maar enigs­zins eetbaar was, walgelijk of niet”. Ze aten mos en kikkers, “de dood door de kogel ware beter”. Eindelijk was het ijs zo ver gesmolten dat ze het schip los konden krijgen. Hun enige hoop was, vanaf de Jamesbaai koers te zetten naar het noorden, naar Kaap Digges, waar ze het jaar tevoren wild gevogelte hadden zien broeden. Met zijn eigen handen verdeelde Hudson de laatste korsten brood onder het scheepsvolk, “en hij weende toen hij het hun gaf”

Na een poos raakten ze door het ijs van de open zee afgesneden, en op een zaterdagnacht begonnen de mannen onder aanvoering van Juet te muiten. Drie man overmeesterden Hudson en dwon­gen hem, zijn zoon en de zieke schepelingen in de kleine boot te gaan. De muiters waren niet van zins, de scheepstimmerman te laten gaan, maar toen de eerlijke zeebonk zag wat er gebeurde, wilde hij van blijven niet horen. Tierend dat het een aard had verdween hij om zijn timmerkist en zijn ijzeren pot te gaan halen — “wat hem betrof, hij wilde op het schip niet blijven, en, eerder dan er waarschijnlijk bij die schurken het leven af te brengen, be­gaf hij zich in Gods hoede omwille van de schipper in de sloep”.

Toen stootten de muiters het huikje af en zeilden weg: ze zagen de sloep kleiner en kleiner worden, totdat Henry Hudson niet meer dan een stip was op de golven van de grote middellandse Poolzee die hijzelf had ontdekt. Dat is het laatste wat we van hem weten. Zijn einde is in raadselen gehuld.

.

alle biografieën

vertelstofalle biografieën
.
vertelstofalle artikelen
.
557-511

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Confucius

.

De wijsheid van Confucius

 

Als hij in eigen persoon vóór ons kwam staan, zou hij er, in onze ogen, nogal vreemd uitzien, met zijn grote, naar buiten staande neusgaten, zijn spleetogen en grote bult boven op zijn hoofd. Zijn baard en snor hingen in drie strengen omlaag, en zijn gewaad leek op een Japanse kimono. Maar hij was groot en sterk, een hartstochtelijk jager, een begaafd musicus en een intellectueel genie. Zijn grote en subtiele wijsheid wordt in het Westen niet erg gewaardeerd, en toch neemt hij in de hele wereld een unieke plaats in. Hij staat in de geschiedenis geheel op zichzelf als de man die de geest en de gewoonten van een heel volk heeft gevormd.

Confucius

Confucius leefde in China meer dan 500 jaar voor Christus’ geboorte. Hij was een van de grootste leermeesters der levenskunst en meer dan een van de anderen alleen maar leermeester. Hij was geen heilige en geen profeet. Hij had geen sleutel die paste op alle geheimen van het heelal. Hoewel men over zijn leer dikwijls spreekt als over de godsdienst van China, had hij weinig belang­stelling voor godsdienst of voor de idee van een eeuwig leven. Maar hij bekommerde zich zeer om het goed-zijn. Hij was de uit­vinder van die toverformule, de gulden regel, een van de heiligste schatten van ons eigen evangelie, namelijk de samenvatting van zijn leer: “Doet een ander niet aan wat gij niet wilt dat anderen u aandoen.”

Confucius is soms zo dicht bij het Evangelie van Christus, dat er een heel boek geschreven is over de overeenkomsten en verschillen van deze twee. Overeenkomstig de christelijke leer “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” is bijvoorbeeld zijn waarschuwing dat wij bij het beoordelen van anderen, “ons innerlijkste zelf”‘ als maatstaf moeten nemen. Is het niet denkbaar dat wij dezelfde zonde zouden hebben begaan? Maar in tegenstelling tot het christelijk geloof was zijn antwoord, toen iemand hem vroeg wat hij vond van de gedachte dat wij onrecht met vriendelijkheid moesten vergelden: “Waarmee wil je dan vriendelijkheid ver­gelden? Vergeld onrecht met recht, vriendelijkheid met vriende­lijkheid.”

Als jongen had Confucius een levendige belangstelling voor alle soorten ritueel en ceremoniën. Van muziek hield hij ook, en hij leerde zingen en luit en citer spelen. Op middelbare leeftijd reisde hij van zijn geboorteplaats in de kleine provincie Lu naar de hoofdstad, om “de regels van de muziek en het decorum” te bestu­deren en een deskundige te worden in alle vormen van ceremo­nieel gedrag.

Toen Confucius volwassen werd, voorzag hij in zijn levens­onderhoud door leerlingen in huis te nemen. Er was geen vast­gesteld lesgeld, en als de leerling zowel behoeftig als begaafd was, hoefde hij helemaal niets te betalen. De leer van Confucius is tot ons gekomen in de vorm van een uitgebreide verzameling losse opmerkingen en fragmenten van gesprekken die door zijn leer­lingen zijn vastgelegd. Helaas zijn ze niet verbonden met zijn levensgeschiedenis, zoals het geval is met die van Jezus, en dat maakt ze minder leesbaar. Ze zijn ook niet zo welsprekend als de evangeliën. Confucius wantrouwde welsprekendheid. “Het enige dat de taal moet doen,” zei hij, “is een betekenis overdragen.” Hijzelf deed dat met eenvoudige proza-gezegden, zoals:

“Waarheen u ook gaat, ga met uw ganse hart.”
“De ernstige fout is: fouten hebben en niet proberen die te ver­beteren.”
“Acht uzelf niet zo groot, dat andere mensen klein lijken.”

Zijn geest neigde naar het wetenschappelijke. Doordien hij de nadruk legde op de geestelijke lenigheid, de vervanging van het dogma door het feitenonderzoek en het opschorten van een oor­deel was hij zijn tijd 2000 jaar vooruit. Hij heeft als eerste onder woorden gebracht wat men de gulden regel der wetenschap zou kunnen noemen: “Als men iets niet kent, is de erkenning dat men het niet kent, kennis.”
Zo rekende hij af met de verleidingen van bijgeloof en een manier van “denken” waarbij de wens de vader is van de gedachte. Tot hetzelfde doel legde hij grote nadruk op oprechtheid — niet alleen in woorden, maar ook in de persoon­lijke meditatie. Er mag geen innerlijk zelfbedrog bestaan als men op reis gaat langs wat hij noemde “het pad der waarheid”.

Toch was het geen recht en nauw, of onmogelijk moeilijk pad, dat hij wees. “De weg der waarheid,” zei hij, “is als een grote weg. Hij is niet moeilijk te vinden. De kwestie is alleen, dat de mensen er niet naar willen zoeken.” Dit betekent niet dat hij laksheid of toegeeflijkheid jegens onszelf aanried. Confucius was een strenge, veeleisende leermeester. Vergeleken met de lijst met hoedanighe­den waarnaar zijn leerlingen moesten streven, lijken onze zeven hoofddeugden meer op een cursus voor beginners. Onder andere dienden zijn leerlingen te zijn “vlug van begrip, helder van oor­deel, van verreikende intelligentie en alomvattende kennis, ge­schikt om gezag uit te oefenen, grootmoedig en verdraagzaam.” Ze moesten ook “plechtigheid”, “ernst”, “trouw”, “vriendelijk­heid” en “eerbiedige aandacht voor zaken” leren. Zijn gezegden geven mij de indruk dat daaraan de gedachte ten grondslag ligt dat alle mensen zich in een groeiproces bevinden. Hij geloofde dat er in ons allen een stuwkracht werkzaam is, een verlangen om zo al niet anderen, dan toch onszelf te overtreffen.

Evenals Plato 200 jaar later, ontwierp ook Confucius het bouw­plan van een ideale republiek, maar de zijne was zeer verschillend van de streng geordende die Plato bedacht heeft. Confucius’ plan kwam namelijk voort uit zijn verlangen dat de maatschappij zou functioneren als een liefhebbend gezin. Die idee was met name in China nogal utopisch, omdat de familiebanden daar hechter en sterker zijn dan waar ook ter wereld; Chinezen te vragen, alle mensen als hun familieleden te beschouwen, ging wel wat ver. Confucius wist dit, maar hij wilde de wereld althans in de richting van het ideaal zien gaan. En de enige manier om een begin te maken, zo meende hij, was goede en wijze mannen in
machtsposities te krijgen. En ook evenals Plato heeft hij zich zijn hele leven naarstig beijverd om door een van de feodale vorsten in een hoge ambtelijke positie benoemd te worden. Dat viel wel verscheidene van zijn beste leerlingen ten deel, maar hijzelf schijnt nooit veel verder gekomen te zijn dan de positie van hooggeschat leermeester voor dergelijke ambtenaren.

Hoewel hij jarenlang door China rondgetrokken is met een kleine groep leerlingen, op zoek naar een machthebber die hem een kans wilde geven om de wereld te hervormen, stonden bepaal­de karaktertrekken de verwezenlijking van zijn ambities in de weg. Hij schijnt te openhartig geweest te zijn om als politicus te slagen. Tot een onstuimig heerser die hem onderricht vroeg in de kunst van het regeren, zei hij: “Leer eerst uzelf regeren.” Bovendien geloofde Confucius niet werkelijk in erfelijke aristocratie. “Van nature zijn de mensen bijna gelijk,” zei hij. En hoewel de demo­cratie toen nog niet was uitgevonden, verklaarde Confucius — wellicht voor het eerst in de geschiedenis — dat het ware doel van het regeren niet slechts de welvaart, maar het geluk van het volk is.

Ten slotte keerde hij terug naar zijn vaderstad, als een oude ver­moeide man — niet geestelijk gebroken, maar wel overtuigd dat hij mislukt was. Na een paar jaar van rustig onderwijzen stierf hij in die overtuiging. Zijn leerlingen rouwden om hem alsof hij hun vader was geweest. En aangezien het toentertijd in China ge­bruikelijk was dat kinderen drie jaar lang rouwden om een ge­storven vader, hadden ze ruim de tijd. Die brachten ze door met elkaar aan alle belangrijke dingen te herinneren die hij onderwe­zen had, en die op te schrijven. Het boek van hun herinneringen werd de bijbel van het Chinese volk. Meer dan dat: het werd hun boek der etiquette, de geest van hun wetten, de politieke begin­selen die hun goede heersers voorstonden.

Toen in de derde eeuw vóór Christus zekere wrede despoten het confucianisme verboden, zijn geschriften verbrandden en zijn aanhangers doodden, verbreidde deze filosofie zich als een geheim lopend vuurtje — evenals het christendom zich later onder de vervolging zou verbreiden. En eveneens als met het christendom gebeurde, kwam er daarna een bedachtzamer keizer, die het confucianisme aannam en het van staatswege sanctioneerde.

Boek na boek is sindsdien over het confucianisme geschreven, zodat iemand die er in zijn jeugd aan zou beginnen en dan een heel mensenleven zou doorlezen, er niet doorheen zou kunnen komen. Maar door al die boeken straalt de zuivere, hoge, gema­tigde en eenvoudige levenskunst die Confucius zelf onderwezen heeft, en die zal blijven stralen, ongeacht hoevele communistische volksopvoeders hun best doen om haar te vervangen door hun religie van staatstirannie en hun leer dat het doel de middelen heiligt, hoe bloedig en slecht die middelen ook zijn.
.

alle biografieën

vertelstofalle biografieën
.
vertelstofalle artikelen

.

556-510

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

./

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Linnaeus

.

VIVAT LINNAEUS

 

Linnaeus

 

De historische figuur waar mijn voorkeur naar uitgaat — een man die ik mijn vriend durf noemen, ondanks de tijdruimte die ons scheidt — is Carolus Linnaeus. Aan het begin van de eeuw waarin hij leefde — de 18de — was de natuur­lijke historie nog niet veel meer dan een allegaartje van schijnge­leerdheid. Deze rommelkamer van obscure vaagheden is de kor­date jonge reus overmoedig binnengedrongen om er de vensters van de geest wijd open te gooien. In de natuur zelf had hij orde en planmatigheid gevonden, en uit chaos schiep hij een organisch opgebouwd systeem. Zijn wetenschappelijke arbeid was een lofzang op de harmonie van Gods schepping.

Toen Linnaeus in 1707 in het eenkamerhuisje van een dorps­predikant het levenslicht aanschouwde, was Zweden nog groten­deels woest land, met dun gezaaide boerderijen, kleine ontginnin­gen en glinsterende eenzame meren. Zodra de jongen er oud genoeg voor was zwierf hij door bossen en velden met zijn vader, die een hartstochtelijk natuurvriend was, hem de bloemen aan­wees, hun wortels en zaden liet zien, en het kind de Latijnse naam van elke plant inprentte. Met deze methode om zijn zoon in de geheimen der flora in te wijden toonde dominee Linnaeus zich een oorspronkelijk man. Want in die dagen plachten nog slechts weinig geleerden de natuur zelf te observeren om hun kennis van plant of dier te verrijken; zij diepten die liever op uit een boek, bij voorkeur een dat 2000 jaar eerder was geschreven door een Griek. Zodat de oude professor Celsius, van de theologische faculteit der universiteit van Uppsala — zelf een verdienstelijk amateur botanicus — enigszins verrast opkeek toen hij op een dag in 1729 een student enige bloemen in de halfvergeten botanische tuin met aandacht zag bekijken. Kennelijk een arme jongen, te oordelen naar zijn kale plunje en magerte. Maar zijn bruine ogen schitter­den toen de professor een gesprek met hem aanknoopte, waarin de jonge man blijk gaf van een verbazingwekkende botanische kennis. Daardoor geïmponeerd, nodigde de vriendelijke oude theoloog hem bij zich aan huis, bezorgde hem een behoorlijk stel kleren, liet hem flink eten en stelde zijn bibliotheek voor hem open.

De dank voor de betoonde gastvrijheid was de aanbieding van een geschrift van de hand van de 21-jarige jongeman, het resul­taat van een langdurige en nauwgezette studie van bloemen. Hij had het een ietwat zonderlinge titel gegeven: Bloemenbruiloft. De oude professor las het manuscript met stijgende belangstelling door. Want hier werd klaar en duidelijk gesteld dat planten een geslachtsleven hebben — een simpel, maar nauwelijks onderkend feit. Er was tot die tijd heel wat nonsens over uitgekraamd, bij­voorbeeld dat planten “zich van hun stuifmeel ontdoen om hun sappen te zuiveren”. Linnaeus leerde dat de stamper het vrouwe­lijke orgaan van de bloem is, dat het vruchtbeginsel bevat met een buikvormige holte om het zaad vast te houden na bevruchting door het stuifmeel dat door de meeldraden, de mannelijke or­ganen, wordt uitgestrooid. En hij legde, de bloem bekijkend met de ogen van een bij, in poëtische maar veel waarheid bevattende bewoordingen uit dat “de mooie bloembladen zelf niets tot de voortplanting bijdragen, doch slechts dienst doen als het bruids­bed, door de Schepper zo schitterend opgemaakt, gedrapeerd met prachtige gordijnen en doordrenkt van zoete geuren.” Met het vaststellen van dit feit, de geslachtelijkheid der planten, is een nieuw tijdperk in de wetenschap ingeluid. De “Eeuw van Lin­naeus” noemen wij het — een gouden tijd van ontdekkingen en het opdoen van nieuwe kennis, waarvan wij nog heden de vruch­ten plukken.

Verheugd met het verrassende eerbetoon, door zijn bescherme­ling aan Gods wijsheid gebracht, haastte de oude Celsius zich naar zijn vriend professor Rudbeck, Uppsala’s grootste geleerde. En Rudbeck, onmiddellijk beseffend dat hier het genie zich aan­meldde, stond erop dat Linnaeus bij hem kwam inwonen. Aan de jongere gaf de oudere al de in een lang leven vergaarde kennis door, verruimde Carls blik en stimuleerde zijn verbeeldings­kracht. Samen ontwierpen zij het plan voor wat later een van de belangrijkste wetenschappelijke expedities zou blijken die ooit zijn ondernomen.

Ze bestond weliswaar slechts uit die ene jongeman, die op een dag in mei van het jaar 1732 te paard uittrok naar de maagdelijke wildernissen van Zwedens noordelijkste provincie, Lapland. Maar het was de eerste omvangrijke onderzoekingstocht in de vrije natuur in de geschiedenis der wetenschap. Linnaeus’ uitrusting bestond uit een meetstok, verrekijker, vergrootglas, mes, jacht­geweer, papier om er planten in te drogen — maar bovenal uit een geest, even wijd open en even sprankelend als die meimorgen, die de jeugdige avonturier als volgt heeft beschreven: “De natuur was op haar bekoorlijkst. Het winterkoren stond een halve voet hoog. Berken, elzen en espen hadden zich met het eerste jonge groen getooid. De leeuwerik begeleidde mij, hoog in de lucht, met zijn getureluur.”

Een half jaar later stapte een pezige jonge kerel, gebruind en verweerd door poolwind en middernachtszon, de vertrekken van Uppsala’s Wetenschappelijk Genootschap binnen. Linnaeus had honger en kou getrotseerd op ijzige kale vlakten, had halfbedorven vis gegeten, verraderlijke rotshellingen beklommen, was schuimende bergstromen afgezakt en beschoten door argwanende Lappen. Maar hij had de wijdgeopende kelken van de wilde noordpoolbloemen gezien die laag bij de grond van de toendra moeten blijven om niet door de snijdende poolwind te worden afgemaaid. Hij had de vogels van het hoge noorden kunnen gade­slaan bij het nestelen, gezien hoe hun gevederte de bruidstooi aannam, en had hun eieren en jongen gevonden. Hij had zich verdiept in het leven van het rendier, waarvan de Lappen af­hankelijk waren voor hun eten en drinken, kleding en onderdak. Hij had zijn dagboek moeten bijhouden bij het licht van flakkerende kampvuren, in de stinkende hutten van wilde nomaden, onder de beschutting van zijn op de oever getrokken boot. En hij had van de levende natuur meer kennis uit de eerste hand op­gedaan dan enige andere geleerde vóór hem.

De monsters van mineralen die hij meebracht openden Zweden de ogen voor de rijkdommen, die zijn bodem in het noorden des lands bevatte. Hij vestigde de aandacht op de verwaarloosde toestand van de kroondomeinen, waar branden, plantenziekten en insecten de bossen met ondergang bedreigden. (Tegenwoordig kent Zweden een modelbosbeheer, echter pas sinds Linnaeus zijn land had wakkergeschud voor de dreigende gevaren.) Hij was ook achter de oorzaak gekomen van de ziekte, die toentertijd in het noorden een grote slachting onder het vee aanrichtte: een giftige plant, en hij raadde aan zich daarvan te bevrijden door “meisjes aan het werk te zetten om hem met wortel en tak uit te roeien”. Er waren drie jaren van hard werken nodig om uit zijn aantekeningen en geheugen deze rijke oogst aan gegevens binnen te halen. Middelerwijl was zijn naam op veler lippen gekomen en was Zweden gaan beseffen welk een grote zoon het in Linnaeus bezat. Hij werd uitgenodigd een dergelijke onderzoekingstocht te ondernemen in de provincie Dalecarlië; ditmaal echter werden er medewerkers te zijner beschikking gesteld en werden de kosten betaald.

De nieuwjaarsklokken luidden 1735 in toen de 28-jarige Lin­naeus, na beëindiging van zijn exploratie in Dalecarlië, als gast het huis betrad van dr. Moraeus, een van de plaatselijke notabe­len. Hij danste er met de dochter des huizes, Sara Lisa, en het werd hem daarbij prompt duidelijk dat hij in haar de vrouw van zijn hart had gevonden. Maar hij was arm, en de rijke dr. Moraeus stelde zijn voorwaarden: Carl moest in Nederland medicijnen gaan studeren en na het behalen van het artsendiploma trachten in eigen land een goede praktijk op te bouwen. Van zijn kant gaf de dokter de belofte voor eventuele aanzoeken van andere mannen om de hand van Sara Lisa doof te blijven; en intussen zette hij een groot bedrag als bruidsschat vast dat de nodige rente zou op­brengen.

Drie en een half jaar heeft Sara Lisa op de terugkomst van haar aanbidder moeten wachten, en het moeten saaie jaren voor haar zijn geweest. Intussen werkte Linnaeus als een paard. Hij was naar Nederland gekomen met de manuscripten van acht ver­handelingen in portefeuille. Het werk, waarover de Nederlanders het meest in verbazing geraakten, was het door Linnaeus ont­worpen “geslachtelijke systeem” om elke plant te kunnen deter­mineren naar het aantal en de plaats van zijn mannelijke meel­draden en vrouwelijke stampers. Tot die tijd had men planten gerubriceerd in doornige en vlezige, of alfabetisch gerangschikt, of geclassificeerd naar hun vermeende uitwerking op het mense­lijk lichaam. Al deze “systemen” zijn natuurlijk van nul en gener waarde gebleken. Maar het door Linnaeus ontworpen systeem, dat in de bloem zelf ligt opgesloten, wordt ook thans nog, zij het aangepast aan nieuwe inzichten, door botanici toegepast.

Dit systeem was zo opgezet, dat het voor de flora op ieder plek­je van de aardbodem te gebruiken moest zijn. Voor Goethe was het werken ermee een van de plezierigste oefeningen voor zijn geweldig intellect. Toen Linnaeus Oxford bezocht bleek professor Dillenius zo opgetogen over het Linnaeus-systeem, dat hij de Zweed de helft van zijn eigen salaris aanbood als hij in Oxford wilde blijven om aan de universiteit te doceren. Het aanbod werd afgeslagen, evenals nog vele andere aanbiedingen. Linnaeus had als gast van de Hollanders naar Kaap de Goede Hoop of naar Suriname kunnen gaan, met de unieke gelegenheid om als eerste een schat van onbekende plant- en diersoorten te verzamelen en te beschrijven. Maar Sara Lisa was nooit uit zijn gedachten, en hij spande al zijn krachten in om zijn manuscripten uitgegeven te krijgen en zijn medische studie te voltooien.

Eindelijk kon Linnaeus dan, met zijn diploma op zak en zijn gepubliceerde boeken onder de arm, naar Zweden terugkeren om in Stockholm een praktijk op te zetten — een man, als medicus onbekend en weinig gezocht. Hij trok de sloppen in en bond de strijd aan tegen die wrede kwalen die zo vaak samengaan met armoede — tuberculose en geslachtsziekten —, behandelde “hopeloze” gevallen en wist dikwijls genezing te brengen. Hij zag er niet tegenop achttien uur per dag in touw te zijn. Al spoedig kreeg hij een aanstelling als chef-arts bij de Zweedse Marine, later werd hij lijfarts van de koningin. Hij werd gekozen tot voorzitter van de Academie van Wetenschappen. Zijn Sara Lisa had hij zich met ere verworven, en in juni 1739 leidde hij haar naar het altaar. Spoedig daarna kon hij terugkeren naar de andere grote liefde van zijn leven, toen hem de leerstoel in de botanie en de medicijnen in Uppsala werd aangeboden.

Zo maakte Linnaeus zijn rentree in wat eens het huis van pro­fessor Rudbeck was geweest. Maar nu was hij er de heer en mees­ter van, evenals van de botanische tuin eromheen — tot op de huidige dag door Zweden als een heiligdom in ere gehouden. Met de volgens zijn eigen systeem geclassificeerde bloemen, levend studiemateriaal voor zijn leerlingen, werd de tuin de rijkste bota­nische schatkamer van Europa. Bewonderaars uit de verste uit­hoeken der aarde stuurden hem planten; sommige bloeien nog steeds, zoals de gouden weelde van een Siberische plant, gekweekt uit zaad dat de tsarina van Rusland hem had gezonden. Want het behaagde de groten der aarde Linnaeus te eren. De Zweedse koning schonk hem een prachtige collectie uit tropisch Azië. Reizigers stuurden hem van overal exotische plantensoorten. Lord Baltimore liet zich bij Linnaeus voorrijden in een pompeuze karos, zo breed dat men de poortposten uit de grond moest trek­ken om hem door te laten.

Dat was in Hammerby, het lieflijk gelegen landgoed waar Lin­naeus ’s zomers met zijn gezin placht heen te trekken. Hier, in dit landelijke buiten, dat ook thans nog de geest van zijn rustig, ge­lukkig leven ademt, gaf Linnaeus privéles aan leerlingen uit vele landen. Wie geen geld had mocht er gratis vertoeven. Velen hunner hebben zich in latere jaren een eigen faam verworven. De planten, die zij hun vroegere leermeester toezonden, verrijkten gestadig de collecties in het herbarium, waar Linnaeus probeerde achter de geheimen te komen van de bloemen die in verre streken in­heems waren. Want hij werkte aan een boek, dat alle te dien tijde bekende dieren en planten van de gehele wereld zou beschrijven. Zoals eens Adam in de Hof van Eden, zo was nu Linnaeus uit­verkoren om namen — de wetenschappelijke — te geven aan elk levend wezen, de bloemen des velds, het gevogelte des hemels, het gedierte des wouds.

Het dubbelnamige systeem dat hij heeft uitgedacht is zeer een­voudig. Alle rozen, bijvoorbeeld, heten Rosa de gezusters wer­den onderscheidenlijk Rosa gallica (Franse roos) of Rosa odorata (de zoetgeurende theeroos) genoemd, en zo voort. Linnaeus gaf alles een naam, tot Homo sapiens toe, alles keurig rangschikkend in klassen en onderklassen. Hij onthulde, beseffend hoe voor elk levend wezen de lijn consequent werd doorgetrokken naar het volgende op de ranglijst, de verheven en schone orde die in de natuur heerst. Het boek, waarin hij als zeer jonge man voor het eerst had getracht dit grootse en heldere systeem vast te leggen, be­sloeg 14 bladzijden; de 12de druk, die in 1768 uitkwam, telde er 2500.

Maar het was aan de natuur zelf, niet aan een dor schema, dat Linnaeus zijn hart had verpand. Weliswaar heeft hij, eenmaal in Uppsala gevestigd, Zweden nooit meer verlaten, maar hij zwierf nog veel met een open oog voor al het schone in de natuur door de bossen en velden van het nabije Hammerby. De jaren hadden zijn gretige nieuwsgierigheid en geniale opmerkingsgave niet aan­getast. Menige dierbare herinnering aan hem leeft nog voort — Linnaeus docerend met zijn dochtertje op de knie, zijn hond met zich meenemend in de kerkbank, krekels vangend omdat hun gesjirp hem, de aan slapeloosheid lijdende, deed inslapen. Of met vlugge, ferme stap de botaniseertochten leidend die zo’n toeloop vonden, dat ouderejaars een beetje orde in de troep moesten hou­den. Het kon vrolijk toegaan bij deze gelegenheden, en de met hem door de straten van het grauwe Uppsala terugmarcherende studenten plachten de muren te laten daveren van jachthoorngetoeter en ketelmuziek, om bij het ontbinden van de stoet voor zijn deur afscheid te nemen met een schallend “Vivat scientia!” (Leve de wetenschap!) en “Vivat Linnaeus!”

Geleefd heeft Linnaeus, zeventig gelukkige jaren, waarna hij ten laatste onder klokgelui en bij vlammend toortslicht ter ruste werd gelegd in de sombere kathedraal van Uppsala. Maar hij leefde voort, zoals de melkeppe voortleeft in haar drijvende zaden, in zijn studenten, die zich over de aarde verspreidden om zijn kennis verder te dragen en zijn levensblijheid aan anderen door te geven. Hij leeft nog voort, voor u en voor mij, in die grootse reliëfkaart die hij voor ons van de natuur heeft getekend, opdat wij, wanneer wij ’s ochtends de deur achter ons dichttrekken, in haar met nieuwe ogen aanschouwde wonderen ons eigen stralende Lapland mogen ontdekken.
.

Linnaeus

alle biografieën

.

549-503

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Plato

.

PLEITBEZORGER VOOR DE REDE

Als men de Griekse wijsgeer Plato noemt, hebben toehoorders de neiging een vroom gezicht te zetten, alsof men van plan was over een heilige te gaan praten. Maar Plato was geen heilige. Hij was een atleet van topklasse, een dapper soldaat, dichter, kenner van renpaarden en liefhebber van gooi-en smijttoneelstukken. Hij bereikte de leeftijd van 81 jaar en stierf op een bruiloftsfeest — tot aan zijn laatste hartenklop vol animo voor gesprekken en voor het leven.
Dit alles is van belang, als men zijn leerstellingen wil schatten naar de waarde die zij in onze dagen hebben. Zijn wereld leek veel op de onze. Hij beleefde zijn grote tijd in het Athene van de eerste helft van de vierde eeuw voor Christus, toen de mensen het oorlogvoeren moe waren, zich geen illusies meer maakten over revoluties, sceptisch stonden tegenover de oude vormen van geloof en op zoek waren naar de werkelijke waarden van het leven, ten einde een houvast te hebben. Plato stelde zich tot taak. dat houvast voor hen te vinden. Hij heeft dat even serieus gedaan als de Hebreeuwse profeten, ook al kon hij zijn conclusies niet staven door zich te beroepen op de goddelijke macht. De Griekse goden waren schoon en bekoorlijk, maar tamelijk zelfzuchtig. Het waren onrustzaaiers, en ze hadden er in de verste niet aan gedacht om zoiets als de Tien Geboden vast te leggen. Plato had zijn geloof in hen verloren en begon zelfs te praten over God als één wezen, al beschouwde hij dat wezen niet als gezaghebbend voor  het menselijk gedrag. Hij moest zowel gedragsnormen uitdenken als een reden om zich er in deze mensenwereld aan te houden.

Hierin zou hij nooit geslaagd zijn, als hij Socrates niet gekend had, de profeet van de logica, de baanbreker van de exacte be­toogtrant. Plato was 20 jaar oud en had al een reputatie als dichter toen hij Socrates ontmoette, maar die kruisvaarder voor het zuivere denken, die ondanks zijn kikkergezicht en zijn hinderlijke manieren zo sympathiek was, sleepte hem volkomen mee. Na een paar gesprekken met Socrates over het immense belang van doordenken en woorden gebruiken die voor geen andere uitleg vatbaar zijn, ging Plato naar huis en vernietigde zijn gedichten. Misschien was dat niet onverstandig, want de dichterlijke melodie van zijn proza is, zoals de Engelse dichter Shelley zei, “zo intens dat men het nauwelijks bevatten kan.”

Plato bleef Socrates als leerling en vriend toegedaan tot diens dood. Een gewone leerling was hij niet, want Socrates dacht er net zomin aan om geld te vragen voor het onderwijzen van de zuivere logica als Jezus dat gedaan zou hebben voor zijn leer van de liefde. Maar Plato was een van de jongemannen die vrijwel altijd verschenen op die college-achtige  bijeenkomsten met Socrates in een sportschool, in het voorportaal van een tempel of het huis van een vriend, om de betekenis van een of ander belangrijk denkbeeld te bespreken. Voor Plato betekende hun vriendschap zoveel, dat hij Socrates in gedachten met zich meegedragen heeft tijdens zijn hele verdere letterkundige leven, en vrijwel al zijn gedachten heeft neergeschreven in de vorm van gesprekken en dialogen, waarin de figuur van Socrates de hoofdrol speelde.

Socrates zelf had het probleem gesteld, wat “deugd” betekent.
Hij had zich afgevraagd waarom men goed behoort te zijn en was tot de slotsom gekomen dat goedheid niets anders is dan goed gefundeerd en zorgvuldig beredeneerd gedrag. Als men iemand voor een keuze stelt en hij is op de hoogte van alles wat dat inhoudt, dan zal hij de juiste gedragslijn kiezen. Het is niet nodig dat men dit gelooft om het belang ervan in te zien. Voor het eerst werd hier door de leer van Socrates het hoogste gezag over morele kwesties aan de individuele menselijke geest toegekend. Dat was een omwenteling die nergens in de geschiedenis haar gelijke heeft.

Plato ging hierop door. Niet alleen is de redelijke handeling de juiste, zei hij, maar de goede mens is de mens in wie de rede regeert. In zijn tijd bestond er nog geen psychologische wetenschap, dus ontwierp Plato er een. Het was nog een goede ook, die een paar duizend jaar heeft standgehouden. Ons bewuste leven, zei hij, wordt verdeeld in drieën: een zintuiglijk deel bestaande uit begeerten en hartstochten; een rusteloos deel, dat de wil of de “geest” genoemd kan worden; en een denkend deel, door hem de rede genoemd.

Aangezien het de rede is, die de mens van de hond of de baviaan onderscheidt, is deze kennelijk de belangrijkste van de drie en heeft een regerende functie. De “geest” heeft de plicht, de voorschriften van de rede te doen uitvoeren. De driften en hartstochten moeten gehoorzamen. Waar elk deel zijn natuurlijke functie vervult, daar is de deugd. Op deze eenvoudige manier herstelde Plato in een tijd van cynische teleurstelling het gezag van het juiste leven. Waar Plato het woord “rede” gebruikte, zeggen wij “intelligentie”, want wij beseffen dat kennis niet verworven wordt door abstract redeneren — men moet ook de feiten onderzoeken. Maar Plato’s grondidee, dat integratie naar richtlijnen van de geest het wezen van het morele karakter uitmaakt, zal nooit verouderen.

Plato is zelfs zo weinig verouderd, dat men soms het gevoel heeft dat hij zo de kamer binnen kan stappen. Hij spreekt over wiskundige sterrenkunde en natuurkunde alsof die in zijn tijd al bestonden. Hij verklaart dromen en beschrijft bijna in de taal van Freud hoe, als de macht van de rede in de slaap verzwakt is, “het wilde dier in ons binnenste overeind komt en naakt rondloopt.”
Hij doceert over arbeidsverdeling en haar oorzaken als een leraar in de moderne economie. Hij is de uitvinder of propagandist van het onderscheid tussen hoger en middelbaar onderwijs, van de noodzaak van specialisatie in de wetenschap en van de toepassing van wetenschappelijke methoden op maatschappelijke vraagstukken.

Voor zover bekend was hij de eerste die gesproken heeft over psychologie van de lach, akoestiek, inkomstenbeperking (geen gezin behoort meer dan viermaal zoveel te hebben als een ander. Hij bedacht het kleuterdagverblijf, de kleuterschoolmethode – de progressieve opvoeding: “Gedwongen lichamelijke oefening kan geen kwaad, maar kennis onder dwang verworven,  blijft niet hangen. Gebruik daarom geen dwang, maar laat de opleiding van het jonge kind een vorm van ontspanning zijn.”

Naast al deze indringende nuchterheid had Plato ook een mystieke drang in zich. Hij wilde ontkomen aan de steeds veranderende wereld, en niet steeds geconfronteerd worden met die voortdurend wisselende vraagstukken waarop hij zo vroeg reeds zulke wijze antwoorden had weten te geven. Hij wilde een godsdienst. Hij vond er geen die paste bij zijn tijd en volk, en daarom ontwierp hij er een. Het ligt voor de hand dat deze was gebaseerd op de logische samenhang der dingen, waarvoor Socrates destijds reeds zijn geestdrift had gewekt. Die denkbeelden, die wij zo boeiend vinden, zo verklaarde hij, zijn de ware werkelijkheid; de dingen die wij zien en aanraken, zijn slechts schaduwen.
Hij zei zelfs dat het begrip schoonheid meer bemind moet worden dan iemand met een bekoorlijk uiterlijk — en dat is de eigenlijke betekenis van “platonische liefde”. Wij moeten eraan toevoegen dat Plato zelf heel goed de uitersten waartoe zijn geloof in de hogere werkelijkheid hem soms leidde, kon afkeuren. “Zelfs zij die ideeën beminnen,” heeft hij met een glimlach opgemerkt, “lijden aan een soort waanzin.”
Dit dienen we voor ogen te houden wanneer we zijn beroemde, gewaagde bespiegeling, neergelegd in zijn grootste dialoog, De Republiek, benaderen, waarin hij de juiste wijze om een rijk te besturen aan de orde stelt. Zijn voorliefde voor de logica bracht hem op het denkbeeld dat, waar de goede mens strikt geleid wordt door intelligentie, de goede staat even strikt geleid moet worden door een intelligente minderheid.
Hij wilde de burgers naar aanleg en geaardheid in klassen verdelen, en zijn uitgelezen groepje rechtschapen mensen het gezag verlenen om ze, zo nodig met de sterke arm, daar te houden. Deze deugdzame en wijsgerige supermensen, die hij “opzieners” noemde, mochten geen persoonlijk eigendom en geen persoonlijke genegenheden hebben. Hun vrouwen en kinderen zowel als hun bezittingen zouden gemeenschappelijk eigendom worden. Ge­slachtelijke gemeenschap mochten ze alleen op vastgestelde tijdstippen hebben en alleen met het oog op rasverbetering, zoals bij het fokken van dieren. Alle kinderen uit een bepaalde paartijd zouden alle ouders van dat seizoen vader en moeder noemen, en alle andere kinderen broer en zuster, en aangezien ze naar een staatsschool zouden gaan zodra ze van de borst af waren, zou niemand weten wie van wie was. Intussen zou de hele aristocratie, de regerende klasse, zich lichamelijk in de allerbeste conditie houden door een streng dieet en lichaamsoefening, en geestelijk op het toppunt van scherpzinnigheid door voortdurend lessen in logica, wiskunde en metafysica te volgen.
Plato was geen voorstander van dit systeem voor de hele staat.

Het was een levenswijze voor de hoogste kaste om deze werkelijk op een hoger niveau te brengen. Wij zouden opmerken: “Als dat allemaal nodig is om een ware aristocratie voort te brengen, geef ons dan maar de democratie, hoeveel bezwaren die ook heeft.” Maar wij leven niet in de dageraad der logica. Ons ontbreekt de glimlach van het geloof, waarmee Plato de weg volgde die zijn betoog hem wees. Of zijn wij misschien blind voor de glimlach van de ironie waarmee hij zo ver kwam?

Zijn redenering bracht hem tot een van de beroemdste dwaze ondernemingen uit de geschiedenis. Hij was 60 jaar toen hij uit Athene wegging om op uitnodiging van de jonge Dionysius, de pas aan de macht gekomen tiran van Syracuse, hem te leren hoe hij de ideale republiek moest stichten. Plato begon zijn werk vol idealen, maar helaas ook met een prozaïsche grondigheid. Hij stelde vast dat de opleiding van de wijsgeer-koning moest beginnen met meetkunde. Meetkunde zou hem de kunst van streng logisch redeneren bijbrengen, zonder welke het geen zin had de ingewikkelde vraagstukken van de staatkundige hervorming aan te vatten. Zo begon het dan ook: niet alleen Dionysius, maar zijn hele hofhouding wierp zich op deze ongekende afleiding, totdat het hele paleis onder het stof zat van het tekenen van figuren in het zand op de marmeren vloeren.
Dionysius mocht Plato graag, en hij hield wel van een verzetje. Er was maar één moeilijkheid: hij hield niet van meetkunde. De anti-Platonisten scharrelden een andere wijsgeer op, die kon bewijzen dat de tirannie de beste regeringsvorm is, en dat zonder meetkunde. Ten slotte moest Plato ’s nachts in allerijl het paleis ontvluchten om per schip langs een omweg naar Athene terug te keren.

Plato hoefde niet stil te zitten na zijn thuiskomst, want hij had alweer een andere onderneming op touw gezet — hij had een school opgericht. Het was de beroemdste school uit de oudheid, eigenlijk uit de hele geschiedenis. De bijeenkomsten werden gegeven in een “gymnasium” ongeveer anderhalve kilometer ten noordwesten van Athene. De stad had drie van deze gymnasia – uitgestrekte complexen, half park, half gebouw. Ieder gymnasium omvatte overdekte zalen voor balspelen en worstelen, een massagezaal, stoombadkamer, hete en koude baden, kleedkamers en een sportveld voor atletiek. Bovendien was er een klein bos met paden voor opvoedende gesprekken en overwelfde galerijen met nissen waar banken stonden voor hen die hun opleiding liever zittend ontvingen.

Het gymnasium dat Plato had uitgekozen voor zijn school, heette de “Academia” — naar het Woud van Academus waar het zich bevond. De zittingen daar waren waarschijnlijk niet veel plechtiger dan de gesprekken met Socrates die het begin van Plato’s eigen hogere opleiding hadden gevormd. Men hoefde geen lesgeld te betalen, men had geen enkel verplicht vak en waarschijnlijk veel plezier; het valt zelfs te betwijfelen of er ooit iets minder “academisch” in de naam van de opvoeding bedreven is. Maar Plato’s school heeft bijna 1000 jaar bestaan, en alle Europese talen danken daaraan het woord academie.

Er ontbreekt echter één essentieel ding aan de leer van Plato: gevoel van de ene mens voor de ander, gevoel van ieder mens voor het gehele volk. Daaraan heeft Plato nooit gedacht; dat kwam pas onze westerse wereld binnen met Christus en de evangelisten, die leerden dat de goede mens niet wordt geleid door de rede, maar door een hartstochtelijk gevoel — de liefde tot de medemens.

Onnodig te zeggen hoe diep deze nieuwe leer de wereld heeft geraakt. Plato zou er wellicht evenzeer door getroffen zijn. Ik denk dat hij, na enige jaren van meditatie, gezegd zou hebben: “Ge hebt gelijk. Ik heb niet beseft dat het medegevoel, of wat gij liefde noemt, zo’n grote plaats inneemt in de levenswijze en in de persoonlijkheid van de goede mens. Maar ge hebt slechts aangetoond dat het intelligent is, gevoel aan te kweken. Ge kunt niet aantonen dat zelfopoffering geen ondeugd kan worden, dat medelijden niet, als elke andere hartstocht, binnen redelijke grenzen gehouden moet worden. Het is nog steeds de rede, de intelligentie, die regeert.”

Op deze wijze zou Plato zijn grote, blijvende plaats in onze westerse levensfilosofie misschien weer eens hebben bewezen.
>

alle biografieën
.

5e klasgeschiedenis

.
525-485

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Socrates

.

DE EVANGELIST VAN DE LOGICA

Socrates

Hij was een man die een vermakelijke aanblik opleverde: een schedel, hoog en kaal als de koepel van een openbaar gebouw, een gezicht dat verhoudingsgewijs heel klein was, een ronde wipneus en een lange, golvende baard die niet bij zo’n eigenwijs gezicht scheen thuis te horen. Zijn lelijkheid was voor zijn vrienden een spreekwoordelijk mopje en hij van zijn kant deed er nog een schepje bovenop. Hij was een arm man die graag lanterfantte; steenhouwer van beroep, een tweederangs beeldhouwer. Maar hij deed geen slag werk meer dan nodig was om zijn vrouw en drie jongens in leven te houden. Hij praatte liever. En omdat zijn vrouw een helleveeg was met een griezelig scherpe tong, was hij het liefste van huis weg.

Deze houding van schalkse en min of meer voorgewende nederigheid bezorgde hem een geweldige voorsprong in een discussie. Ze maakte hem in feite tot een soort plaag. Voorgevende dat hijzelf de antwoorden niet wist te geven, kwam hij de mensen altijd met vragen aan boord als een officier van justitie, en hij bracht hen tot de vreemdste bekentenissen.

Socrates was de evangelist van het zuivere denken. Hij ging rond door de straten van Athene en predikte de logica, precies zoals vierhonderd jaar later Jezus door de dorpen van Palestina zou trekken en de leer der naastenliefde zou verkondigen. En als Jezus oefende hij, zonder ooit een woord op schrift te zetten, een invloed op de geest van de mensen uit die door geen bibliotheek vol boeken kon worden overtroffen.

Hij stevende gemeenlijk af op de meest vooraanstaande burger, een groot redenaar of wie dan ook, om te vragen of deze werkelijk wist waarover hij praatte. Gesteld dat een vooraanstaand staats­man zijn vaderlandslievende redevoering besloot met een tirade over de moed, over de glorie om te sterven voor zijn vaderland. Dan stapte Socrates op hem af en zei: “Vergeef me dat ik me ermee bemoei, maar wat bedoelt u precies met moed?”

“Moed, dat is in gevaar op je post blijven,” was dan het korte antwoord.

“Maar veronderstel dat de goede krijgskunst eist dat je je terugtrekt?” vroeg Socrates dan.

“O ja, dan ligt de zaak; anders. In dat geval zou je daar natuur­lijk niet blijven.”

“Dan is moed dus niet afhankelijk van op je post blijven of je terugtrekken. Wat is moed dan volgens u wél?”

De redenaar fronste dan het voorhoofd. “U hebt me overbluft. Ik vrees dat ik het niet precies weet.”

“Ik evenmin,” zei Socrates dan weer. “Maar het zou mij ver­bazen als het iets anders is dan alleen maar je hersens te gebruiken. Dat wil zeggen: het redelijke doen, ongeacht gevaar.”

“Dat lijkt er al meer op,” zei iemand uit de menigte en Socrates keerde zich dan naar de nieuwe spreker.

“Zijn we het dan eens — voorlopig uiteraard, want het is een moeilijke kwestie — dat moed gelijk staat met een onwrikbaar juist oordeel? Moed is tegenwoordigheid van geest. En het tegen­overgestelde in dit geval zou de aanwezigheid van gemoedsbe­wegingen zijn, in zulk een mate dat de geest wordt overstemd?”

Socrates wist uit persoonlijke ervaringen mee te praten over moed en zijn toehoorders wisten dat, want zijn koelbloedigheid en heldhaftigheid tijdens de slag van Delium was alom bekend, evenals zijn lichamelijk uithoudingsvermogen. En hij bezat ook geestelijke moed. Iedereen wist nog hoe hij zich geheel alleen te weer had gesteld tegen de volkshysterie na de zeeslag van Arginusae, toen tien generaals ter dood waren veroordeeld omdat ze verdrinkende soldaten niet gered hadden. Schuldig of niet schul­dig, het was onrechtvaardig, had hij volgehouden, om mensen groepsgewijs te doen terechtstaan of te veroordelen.

Natuurlijk was het hierboven beschreven gesprek in zijn bij­zonderheden denkbeeldig. Maar het toont het hoofdkenmerk aan waardoor de leer van deze beminnelijk lelijke en overtuigende man Socrates een keerpunt in de beschavingsgeschiedenis is ge­worden. Hij leerde dat de juiste handelwijze altijd die handelwijze is die door de geest wordt bestuurd, dat alle deugden in de grond neerkomen op overwinning van de geest over de emoties.

Socrates legde niet alleen voortdurend de nadruk op de morele betekenis van zuiver denken, maar zette ook de eerste grote stap om de mensen te leren hoe ze dat moesten doen. Hij ontwikkelde de idee van definitie der begrippen. Hij placht te zeggen: “Laten we voordat we beginnen te praten, vaststellen waarover we pra­ten.” Dit was zonder twijfel al eerder gezegd in gesprekken van mens tot mens, maar Socrates maakte er een evangelie van.

Vóór Socrates hadden de Griekse filosofen drie geslachten lang de natuur en de sterren bestudeerd en in een schitterende intellec­tuele bloei het aanzien aan wat wij wetenschap noemen, gegeven. Socrates gebruikte de wetenschappelijke methode voor de studie van de levenskunst. In zijn dagen strekte de wonderbaarlijke wereld van Griekse stadstaten en van de Griekse cultuur zich uit rond het bekken van de Middellandse Zee en voorbij de Zwarte Zee tot de Russische kust. Griekse koopvaarders beheersten de handel in dat gebied. Onder het leiderschap van de grote handelsstad Athene hadden de Grieken juist de legers van Perzië ver­slagen. Van overal ter wereld begonnen nu kunstenaars, dichters, mannen der wetenschap en filosofen, studenten en leraren naar Athene te stromen. Rijke lieden van zo ver weg als Sicilië stuurden hun zonen uit om Socrates te volgen op zijn wandelingen, om te luisteren naar zijn merkwaardige betogen. De oude man weigerde daar iets voor te berekenen.

Alle grote filosofische stelsels die in de Griekse en later in de Romeinse wereld zijn ontstaan, beroepen er zich op van hem af te stammen. Plato was zijn leerling en Aristoteles was Plato’s leer­ling. We leven nog altijd in het Socratische erfdeel. De leer van Socrates zou wellicht niet zulk een diepe indruk op de wereld hebben gemaakt als hij er niet als een martelaar voor was ge­storven. Het schijnt vreemd om een man ter dood te brengen wegens het “invoeren van algemene definities”. En toch: wie denkt aan wat die nieuwe techniek, als ze halsstarrig tot in de uiterste consequenties wordt gevolgd, aan aloude, gevoelsmatige overtuigingen kan toebrengen, is er niet door verrast. Socrates was voor zijn jonge en vooruitstrevende vrienden de zachtaardig­ste van alle mensen, maar hij moet door duizenden traagdenkende, ouderwetse lieden en zelfs door vele bedachtzame conservatieven zijn beschouwd als een verderfelijk fanaticus. Er waren twee for­mele beschuldigingen tegen Socrates: hij geloofde niet in de door de stad erkende goden en hij “bedierf de jongeren”.

Het is heden ten dage niet precies duidelijk wat de aanklagers hebben bedoeld, maar het staat vast dat de jonge mensen aan deze oude man waren verknocht. De aanlokkelijkheid van nieuwe inzichten, de aansporing om zelfstandig te denken, trokken hen tot hem aan, maar hun ouders vreesden dat ze revolutionaire dogma’s leerden. Daarbij kwam nog dat een van zijn studenten, de heethoofdige, onevenwichtige Alcibiades, tijdens de oorlog met Sparta naar de vijand was overgelopen. Dat was niet de schuld van Socrates. Maar Athene, lijdend onder de nederlaag, was op zoek naar zondebokken.

Socrates stond terecht voor een jury van 501 burgers en werd ter dood veroordeeld met een meerderheid van slechts 60. Waar­schijnlijk hadden zeer weinigen verwacht dat hij zou sterven. Hij bezat bij voorbeeld officieel het recht om een lichtere straf voor te stellen en een stemming daarover aan te vragen. Als hij dat nederig, weeklagend en smekend had gedaan, zoals de gewoonte was, dan zouden meer dan 30 ongetwijfeld hun stem hebben ge­wijzigd. Maar hij hield eraan vast zich ook op dit punt verstan­delijk te gedragen.

“Een van de dingen waarin ik geloof,” zei hij tegen de volge­lingen die in de gevangenis bij hem kwamen en hem aanspoorden te ontvluchten, “is de heerschappij van de wet. Een goed burger, zoals ik jullie altijd heb verteld, is degene die gehoorzaamt aan de wetten van zijn stad. De wetten van Athene hebben me ter dood veroordeeld en de logische gevolgtrekking daaruit is dat ik moet sterven, als een goed burger.”

Dit moet zijn ongeruste vrienden als enigszins ziekelijk strijd­lustig hebben getroffen. “Wordt de logica op die manier niet wat al te ver doorgedreven?” protesteerden ze. Maar de oude man bleef op zijn stuk staan.

Plato heeft Socrates’ laatste nacht op aarde beschreven in de dialoog Phaedo. Socrates bracht die nacht door zoals hij de meeste andere had doorgebracht: debatterend over filosofie met zijn jonge vrienden. Het onderwerp was: Is er een leven na de dood? Socrates was geneigd te denken van wel, maar hij toonde een ontvankelijke geest en luisterde aandachtig naar de tegenwerpin­gen van zijn studenten die het tegengestelde standpunt innamen. Tot het einde toe hield Socrates het hoofd koel en hij liet zijn denken niet door zijn gevoelens beïnvloeden. Hoewel hij binnen enkele uren moest sterven, zat hij bezadigd over de kansen op een toekomstig leven te betogen.

Toen het uur naderde, verzamelden zijn vrienden zich rond hem en bereidden zich in hun hart voor op de aanblik van hun leraar die de gifbeker dronk. Socrates liet die zelf halen, kort voordat de zon boven de bergen in het westen onderging. Toen de bewaker het ding binnenbracht, zei hij op kalme, zakelijke toon tegen hem: “U weet alles van deze dingen en u moet me vertellen wat ik moet doen.”

“U drinkt de kervel en dan staat u op en loopt wat rond,” zei de bewaker, “tot uw benen u zwaar gaan wegen. Daarna gaat u liggen en de verdoving zal naar uw hart trekken.”

Zeer weloverdacht en beheerst deed Socrates wat hem was be­volen, alleen pauzerend om zijn vrienden de les te lezen; ze snikten en schreiden, alsof hij niet wijs en juist handelde. Zijn laatste ge­dachte gold een kleine verplichting die hij had vergeten. Hij ver­wijderde de doek die over zijn gezicht was gelegd en zei: “Krito, ik ben een haan schuldig aan Asclepius . . . Zorg er vooral voor dat die wordt betaald.”

Daarna sloot hij de ogen en legde de doek weer terug, en toen Krito hem vroeg of hij nog een andere laatste wens had, gaf hij geen antwoord.

“Dat was het einde,” zei Plato die deze sterfscène in onver­getelijke taal heeft beschreven, “van onze vriend die van allen die we hebben gekend de beste, de rechtvaardigste en de wijste is geweest.”

Hij placht voor het licht werd op te staan, een haastig ontbijt te nuttigen: in wijn gedoopt brood, een hemd aan te schieten, daarover een grofgeweven mantel te gooien en weg te gaan, op zoek naar een werkplaats, een tempel of het huis van een vriend, een badinrichting of zomaar een bekend punt in de stad waar hij in discussie kon geraken. In de ganse stad waar hij woonde, gonsde het van discussies. De stad heette Athene en die man was Socrates.

Hij zag er niet alleen vermakelijk uit, maar hij had ook grappige manieren en denkbeelden waar hij weliswaar goedsmoeds, maar met een koppige vasthoudendheid aan vast hield. Een van zijn vrienden had het orakel van Delphi gevraagd wie de wijste man van Athene was. Tot aller verbazing had de priesteres deze leeg­loper, Socrates, genoemd. “Het orakel,” zei deze, “heeft mij de wijste man van Athene genoemd omdat ik de enige ben die weet dat hij niets weet.”
.

alle biografieën

vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
.
514-475

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Shakespeare

.

HEEL DE WERELD IS ZIJN SCHOUWTONEEL

Shakespeare

 

Nimmer in de ruim 400 jaar die verstreken zijn sedert de ge­boorte van hun schepper hebben Shakespeares personages tot zovelen gesproken, of zoveel betekend als in onze dagen. Op de sombere kantelen van het twaalfde-eeuwse kasteel Lourije-nac in Joegoslavië zet de geest van Hamlets vader zijn zoon tot wraak aan; diep in Sowjet-Rusland, in Tasjkent, wurgt de jaloerse Moor de schuldeloze Desdemona. Aan de andere kant van de wereld reizen Australische acteurs met een bus de binnenlanden af, met niet meer rekwisieten dan een kroon en een stuk of wat zwaarden. Inheemsen in Zuid-Rhodesië [nu Zimbabwe] voeren Macbeth op, daar­bij uitgedost als Zoeloekrijgers met staarten en veren.

In de schouwburgen, tenten en schoollokalen van ieder land, waar ook maar de zon ondergaat en het doek rijst, spreken Shake­speares figuren een universele taal des harten, waarvoor elk mens openstaat — ongeacht in welke taal de tekst wordt gezegd, hetzij in voorbeeldig Engels, hetzij in een vloeiende of gebrekkige
ver­taling. En nergens lijken ze zo op hun plaats als in de drie Stratfords — in Engeland, Canada en de Verenigde Staten.
Engelands Stratford-upon-Avon, het oudste, in 1882 gestichte en nog steeds in gebruik zijnde Shakespeare-toneel, geeft jaarlijks zo n 391 000* plaatskaarten af. Stratford in Ontario, dat in 1953 is begonnen, heeft sindsdien meer dan twee miljoen toeschouwers gelokt, wat een bruto recette van zeven miljoen dollar heeft opgeleverd. Het Amerikaanse Stratford, in Connecticut, verwachtte voor het sei­zoen 1964 zo’n 258 000 liefhebbers. Te oordelen naar de verkeers­stromen in de richting van de drie Stratfords, stelt het hedendaagse publiek de criticus Maurice Morgann in het gelijk, die in 1 774 over Shakespeare schreef: “Het is juister om te zeggen dat wij van hem bezeten zijn dan dat wij hem bezitten.”

De grote hiaten in onze kennis omtrent Shakespeares leven heb­ben voedsel gegeven aan het bizarre streven van pseudogeleerdcn om aan te tonen dat Shakespeare zijn stukken niet zelf heeft ge­schreven, dat hij een stroman was voor Sir Francis Bacon of Edward de Vere, de 17de graaf van Oxford; of Christopher Marlowe; of Sir Walter Raleigh; of koningin Elizabeth; of zelfs ’s dichters vrouw Anne Hathaway. Amateur-geheimschriftkun­digen hebben in Shakespeares geschriften verborgen codes menen te ontdekken die de ware auteurs zouden aanduiden. Aan dit alles ligt een eigenaardig soort snobisme ten grondslag — de opvatting dat iemand van eenvoudige afkomst en met een geringe opleiding niet een zo groot genie geweest kan zijn. Deze theorieën zijn op velerlei wijze weerlegd, maar de sterkste tegenargumenten vor­men, afgezien dan nog van historische gegevens, de toneelwerken zelf; die stijl, dat is Shakespeare, wiens leven en werk niet van elkaar zijn los te denken.

De jonge William was overigens van betere afkomst en had waarschijnlijk een heel wat grondiger schoolopleiding gehad dan de anti-Shakespeare-theoretici gewoonlijk willen toegeven. De Shakespeares waren boeren uit Warwickshire, maar Williams vader, de eerzuchtige John Shakespeare, verhuisde naar Stratford en werd daar handschoenmaker. Hij was een van de officiële bierproevers van de stad, en toen William vier jaar was trok John het scharlakenrode ambtsgewaad van opperschout of burge­meester aan. De jongen ging vermoedelijk naar Stratfords King’s School — zonder twijfel met tegenzin, want de scholen maakten in die tijd lange dagen (van 7 uur ’s morgens tot 5 uur ’s middags en in de zomer dikwijls nog later), hadden als hoofdvak Latijn en spaarden de roede niet.

Rondtrekkende toneelgezelschappen kwamen in Stratford voor­stellingen geven. Bekoord door hun wereld van schone schijn trok Shakespeare — hij was toen nog geen dertig — naar Londen en sloot zich bij een toneelgezelschap aan. Al spoedig had William succes als acteur en als toneelschrijver. Hij schreef vlot — het viel zijn uitgevers op dat zijn manuscripten bijna nooit doorhalingen vertoonden. De motieven waarop Shakespeare zijn stukken ba­seerde, waren voor hem, wat potten voor tovenaar Merlijn be­tekenden — elke geleende kom, of die nu uit de Kronieken van Holinshed of de Levens van Plutarchus afkomstig was, kon dienen om zijn toverdranken in te mengen. Londen verafgoodde hem.

In de stad, die inmiddels voor Shakespeare een open boek was geworden, begon een zekere onrust merkbaar te worden. Na de ondergang van de Spaanse Armada, in 1588, beheerste Engeland de zeeën en dat had tot gevolg dat de mensen zichzelf als het ware vol verbazing stonden aan te gapen: “Welk een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de rede! Hoe oneindig rijk aan vermogens! Van vorm en in beweging, hoe bewonderenswaardig en expres­sief! In zijn optreden, hoe gelijk een engel! Van begrip, hoe gelijk een god!” Maar hoezeer de mens ook was gefascineerd door het leven, de dood was voor hem geen onbekende. Londen werd door epidemieën geteisterd. Het leven was een hachelijke zaak, maar men aanvaardde het met een overmoedig lachje. Shakespeare hield een vergrootglas voor de geest van zijn tijd en zette het Globe Theatre in gloed met zijn “Muze van Vuur”.

Nadien heeft ieder tijdperk getracht, Shakespeare in een eigen­tijds keurslijf te wringen. Aan de hand van een historisch overzicht van de steeds wisselende aankleding van Shakespeare-stukken kunnen wij, zoals de dichter T. S. Eliot heeft gezegd, tevens de geschiedenis van de westerse beschaving gevoegelijk nagaan. Orson Welles stak zijn Julius Caesar in een soort fascistisch uni­form. Moskou bracht Hamlet ten tonele als een militaire samen­zwering tegen de koning. In New York werd Koning Lear in een bezetting van uitsluitend vrouwen gegeven.

In sommige gevallen geven deze bizarre opvoeringen aanstoot, maar daarom behoeven ze nog niet in strijd te zijn met de geest van de schrijver. En dat ze zowaar mogelijk zijn, komt doordat Shakespeare tijdloos is. En hij zegt alles. Protestanten, katholieken, agnostici, zij allen wedijveren om hem als een der hunnen te be­schouwen. Hetzelfde geldt voor aristocraten, voorvechters van de democratie, optimisten en pessimisten.

Wat heeft Shakespeare in enig ontwricht tijdsbestek tot de wereld te zeggen? Hij keert die wereld niet de rug toe en heeft evenmin medelijden met zichzelf. Hij bezingt ’s levens wereldse genietingen; hij verheerlijkt de liefde, spijs en drank, muziek, vriendschap, een goed gesprek en de steeds wisselende, maar
on­veranderlijke schoonheid der natuur. In Shakespeare is de gerijpte mens aan het woord, wiens levenservaring is gekristalliseerd tot nuchter denken en een grote wijsheid.
Echter, de mens is ook “de edelste geur der stof” en “dulden moet de mens zijn heengaan uit de wereld als zijn aankomst”.
Shakespeares tragische held moet de onverdraaglijke gedachte onder ogen zien dat hij zonder hoop op vergelding moet sterven. Terwijl hij zijn noodlot tegemoet gaat, denkt de toeschouwer: “De Heer zij me genadig, daar gaat een beter mens dan ik ben.” Wat het publiek tot tranen toe aan de tragische held bindt, is de hoedanigheid die hen in wezen scheidt: adeldom.

Bij minder begaafde toneelschrijvers berust die adeldom vaak op de schoonheid van de taal, maar fraaie verzen zonder meer ko­men wellicht niet verder dan het oor. Shakespeare spreekt tot de ziel. Hij kon met de taal doen wat hij wilde; het beeldend vermo­gen van zijn woorden is onbegrensd. Hij omvatte werelden in enkele lettergrepen. “Te zijn of niet te zijn” is ’s mensen grootste zorg, gevat in ’s mensen kleinste en eenvoudigste woorden.

De adembenemende overgangen in Shakespeares stukken bren­gen een mens tot aan de rand van de eeuwigheid en zetten hem dan weer terug in het gewone leven. Neerziende op de dode Cordelia, roept de door smart overmande Lear uit: “Wat! Hond en paard en ratten hebben leven, en gij geen ademtocht?” In zijn diepste wanhoop (“Gij komt niet weder”) zegt hij dan vijf­maal achtereen het indrukwekkende “Nimmer!” Dan breekt zijn opgekropte, ondraaglijke zielesmart in het simpele verzoek: “Ach, maak dien knoop hier los.” Niemand behalve Shakespeare zou het hebben aangedurfd die twee regels op elkaar te laten volgen.

Shakespeare leeft voort, doordat het laatste woord nog niet over hem is gezegd en ook wel niet gezegd zal worden. Zijn scheppingen zijn even ondoorgrondelijk als het leven zelf; zijn figuren blijven een onuitputtelijke bron van raadselen. Na Christus, Napoleon en Shakespeare zelf is er over Hamlet meer geschreven dan over wie ook. Toch is het enige wat met zekerheid valt te zeggen, dit: dat Hamlets leven tegelijk zijn eigen tragedie was, zoals het leven van ieder mens ieders eigen tragedie is. Elk tijdperk en elk mens in zijn “zeven levenstrappen” wordt weerkaatst in Shakespeares uni­versele spiegel. De hartstocht en de poëzie klinken na in de ruimten van de geest en zullen, waarachtiger dan “der trouwe kindsheid”, ten eeuwigen dage blijven voortklinken.
.

alle biografieën

 

W.F.Veltman: Shakespeare

.

503-465

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

.

Heil Caesar!

De piraten hadden er geen vermoeden van hoe gevaarlijk  hun gevangene was. Deze jonge Romein met zijn blanke huid, donkere ogen en volle lippen was duidelijk een edel­man en zij stelden de losprijs dus op twintig talenten (ongeveer 40 000 gulden).
Julius Caesar lachte hen openlijk uit. Hij was er vijftig waard, zei hij, en beloofde terug te zullen komen om hen stuk voor stuk aan de galg te brengen! De losprijs werd betaald en de jonge Caesar hield zich aan zijn woord. Op een vlootexpeditie nam hij zijn ontvoerders gevangen, stak de vijftig talenten weer in zijn zak en keek toe hoe de piraten werden opgehangen.

Dit gebeurde in 76 v. Chr., toen Caius Julius Caesar in de twintig was, maar toen al een rijp man. Opgeleid aan de beroem­de school van Rhodos, waar men de kunst van  het spreken en schrijven onderwees, was hij een der meest gecultiveerde mannen van zijn tijd, briljant causeur en uitmuntend redenaar. Deze eigenschappen en een nimmer aflatende ambitie zetten Julius Caesar ertoe aan zich in het openbare leven te storten. Hij schiep zich een reputatie door namens een aantal Griekse steden de Romeinse gouverneur te vervolgen wegens corruptie. In Rome wreef men zich de ogen uit toen men zag, hoe de meesters nu ter verantwoording werden geroepen wegens knevelarij van de overwonnenen en senator Cato, een van degenen die iedereen voortdurend van ondermijnende activiteiten verdachten, nam zich voor een onderzoek naar hem in te stellen.
Maar deze elegante aristocraat was tevens een slim politicus en het ene ambt na het andere viel hem toe. Om de schitterende partijen te kunnen geven, die daarbij hoorden, ging de roekeloze Caesar monsterachtige schulden aan, die hij slechts kon terug­betalen met leningen van zijn vriend Crassus, een miljonair. Bij het jagen naar macht bewoog hij zich onder de laagsten en de hoogst geplaatsten. Hij werd een fat en een genotzoeker. Hij liet zich van zijn tweede echtgenote, Pompeja, scheiden, omdat “Caesars vrouw boven elke verdenking verheven moet zijn” en zij dat niet was. Zo kwam de corruptie van het heidense Rome zijn briljante toekomst als een langzaam vergif ondermijnen.

Toen, na vele jaren verdaan te hebben, ontdeed Caesar zich van zijn ondeugden als van een stel vuile kleren. Hij aanvaardde een benoeming als gouverneur in West-Spanje en daar hardde hij zich door dagen en nachten in het zadel te blijven. Met zijn legioenen deelde hij honger en vermoeidheid. Van lichaam en wil smeedde hij stalen werktuigen. Zonder aflaten, in hitte en stof, storm en sneeuw, achtervolgde Caesar de bandieten die het land, dat onder zijn bestuur was gekomen, vergiftigden. Bij die expedi­ties bereikte hij de kusten van de Atlantische Oceaan en bracht dit gebied (het huidige Portugal) binnen het Romeinse rijk.

Na zijn terugkeer in Rome werd Caesar met algemene stemmen tot Romeins Consul gekozen. Als bestuurder van de staat stelde Caesar een wetsontwerp op, waarbij veteranen uit buitenlandse oorlogen land toegewezen zouden krijgen. Tot dusver had een ontslagen soldaat zich al gelukkig geprezen wanneer hij zijn ach­terstallige soldij uitbetaald kreeg, en land dat aan het rijk was toegevoegd, werd door de senatoren onmiddellijk in de wacht gesleept als speculatie-object.

De Senaat verzette zich als één man. Caesar ging toen met zijn wetsvoorstel naar het Forum, het grote marktplein in het hartje van Rome, en legde het daar ter stemming voor aan het plebs, het gewone volk. Deze handelwijze was in overeenstemming met de grondwet, maar Rome was verbaasd een Consul zo voor het volk te zien buigen. Caesar kreeg het zover, dat de afgod van de dag, Pompejus de Grote, hem op het rostrum (de stenen verhoging, die men in de ruïnes van het oude Rome nog altijd kan zien) bijstond. Het volk betuigde juichend zijn instemming en Caesar keerde terug naar de Senaat om bekend te maken dat het voor­stel nu kracht van wet had gekregen.

Daarna gaf Caesar bevel, dat de handelingen van de Senaat elke dag overal in de stad op muren moesten worden bekendge­maakt om de bevolking op de hoogte te houden. Hij liet een wet aannemen, waarbij de gouverneurs van veroverde provincies ertoe verplicht werden verantwoording van hun inkomsten af te leggen. Toen zijn ambtstermijn in 59 v. Chr. eindigde, stelde de Senaat hem prompt aan tot gouverneur van het Romeinse Gallië (nu Zuid-Frankrijk), een afgelegen provincie, voortdurend door wilde stammen bedreigd.

Julius Caesar schreef zelf het beroemde hoofdstuk van zijn leven dat nu zou volgen. Zijn “Oorlog in Gallië” (De Bello Gallico) is het meest gelezen van alle klassieke militaire werken, want in vele landen is het in het leerprogramma van de scholen opgenomen. Maar achter de stoffige Latijnse grammatica vinden de leerlingen het opwindende verhaal zelf— de suizende pijlen, de hete pek die vanaf belegerde muren op de aanvallers wordt gegoten, de
bagagetrein, die door ruiters in het water wordt verrast, het gillen van de wilde Gallische vrouwen.

Caesar was het type commandant dat door de soldaten veraf­good wordt, altijd bezorgd om rantsoenen en soldij voor de troe­pen, altijd erop uit de regimentstrots te versterken. Hij stelde zich aan gevaren bloot vóór ieder ander, zijn blinkende zwaard hoog geheven en zijn rode mantel achter zich aan fladderend in het heetst van de slag. Zo ging hij zijn legioenen voor in de botsing met de Helvetiërs, die uit hun Zwitserse valleien kwamen opzetten. Toen hij hen verslagen had, voorzag hij hen genadig van brood en graan, genoeg voor een jaar, en gaf hun zaaikoren mee naar huis.

Erger was de dreiging van de kant van de Germanen, die vanuit hun wouden de Elzas, in Oost-Frankrijk, waren komen binnenvallen. Daar vernietigde Caesar hen en naderhand, toen hij de eerste brug had laten aanleggen, die ooit over de Rijn was gebouwd (niet ver van het huidige Remagen) bestreed hij hen op hun eigen gebied. De Belgen versloeg hij aan de Marne, de Maas, de Sambre en de Somme. Op twee strafexpedities tegen de vijan­dige Britten stak hij het Kanaal over en behaalde een overwinning op de Britse vorst. Acht jaar lang trok hij op en neer, pacificeerde de woelige volken van Gallië en maakte er trouwe Romeinse onderdanen van, waarmee hij het gebied, dat thans geheel Frank­rijk en België omvat, vrede en eenheid bezorgde. Op die wijze werd Gallië een machtig bolwerk, dat het Romeinse Rijk nog gedurende 400 grootse jaren in tact zou laten. In Frankrijk zijn de wetgeving, de taal, de literatuur en de bouwkunst nog altijd evenzovele bewijzen van hetgeen Caesar daar tot stand heeft gebracht.

Caesars grote succes wekte ontsteltenis in de partij, die de Optimaten genoemd werd en de bevoorrechte adelstand vertegen­woordigde. Haar leider Pompejus was bitter jaloers op de nieuwe lauweren die Caesar vergaard had. Vandaar dat toen de terug­kerende Caesar met zijn overwinningslegioenen in de Povlakte ten noorden van Rome bleef liggen, de Senaat een onderzoek naar hem instelde, oude schandalen ophaalde en hem ten slotte bevel gaf zijn leger te ontbinden en zich naar Rome te begeven waar hij zou moeten terechtstaan. Caesar wist dat zijn legioenen hem overal zouden volgen. En niemand begreep beter dan hij, dat de eens zo glorierijke republiek in staat van verval verkeerde. De Senaat had de uitvoerende macht aan zich getrokken en Pompe­jus was daarvan het werktuig. Caesar trok onversaagd over de Rubicon, het riviertje dat de noordelijke grens vormde van het eigenlijke Rome. Hij was nu in oorlog met de Senaat.

Legioenen, die uitgezonden werden om Caesar tot staan te brengen, liepen naar hem over. Terwijl deze groeiende legermacht naar Rome optrok, vluchtte Pompejus naar Noord-Griekenland waar zijn hoofdleger zich bevond. Daar, op 9 augustus van het jaar 48 v. Chr., maten de twee militaire genieën van die tijd zich met elkaar op de vlakte van Pharsalus. Tegen de avond was Cae­sar meester van zijn wereld en Pompejus op de vlucht. Hij vluchtte naar Egypte om het tegen Rome op te zetten en Caesar achter­volgde hem. Maar de jonge koning daar, Ptolemaeus XII, liet Pompejus vermoorden en bood de van afgrijzen vervulde Caesar diens hoofd aan, verbaasd dat hij daarmee Caesars gunst niet had gewonnen. Ptolemaeus had zijn zuster Cleopatra van de troon verdreven, hoewel hun vader had bepaald dat zij samen zouden regeren. De koningin, nog maar een meisje, haalde Caesar binnen als haar beschermer. Weldra werd hij haar minnaar.

Voor haar en voor Rome dwong Caesar koning Ptolemaeus op de knieën. Cleopatra kreeg haar troon terug, onder Romeins protectoraat, en Caesar had daarmee het rijkste land ter wereld aan het Romeinse gebied toegevoegd.

Intussen hadden de volgelingen van Pompejus hun strijd­krachten opnieuw in Spanje en Noord-Afrika verzameld. Caesar trok dwars door Noord-Afrika naar Tunesië voor een treffen en kwam daar te staan tegenover tien legioenen onder Cato, versterkt door de snelle cavalerie en 120 oorlogsolifanten van de koning van Numidië. Aan de vooravond van de slag bij Thapsus werd Caesar belaagd door een oude vijand — vallende ziekte. Hij voelde de aanval aankomen, maar in alle kalmte sprak hij zijn vermoeide troepen moed in en deelde bevelen uit voor hij bewusteloos neer­viel. Toen hij weer bij zinnen was, bestonden Cato’s legioenen niet meer en had de koning van Numidië zijn troon verloren.

In triomf keerde Caesar, vergezeld van Cleopatra en hun zoon­tje Caesarion, naar Rome terug. Vier dagen lang was de overvolle stad het toneel van feesten, spelen en optochten. Standaarden en bloemenkransen dansten in de hete, heldere lucht. De bodem trilde onder de zware stap van soldaten, die de schitterende oor­logsbuit aan het volk toonden, de slepende tred van de gevangenen en de wielen van de strijdwagen, waarop de overwinnaar zelf stond, met opgeheven hoofd en een lauwerkrans om de slapen. Achter hem kwamen de legioenen, getekend in de strijd en ver­brand door de zon.

De Senaat kon nu niet onderdanig genoeg zijn jegens Caesar. Voor de duur van zijn leven gaf men hem een titel, die de soldaten hem lang tevoren uit aanhankelijkheid gegeven hadden — Imperator. Caesar nam dit op als een uitdaging om hervormingen aan te brengen in een bestel, dat eeuwen tevoren was ontworpen voor de behoeften van een kleine stadstaat, maar nu volkomen achterhaald was door een zich enorm uitbreidend rijk.

Caesar begon de beslotenheid van de aristocratische club, die de Senaat was, te doorbreken door er driehonderd leden aan toe te voegen, grotendeels voortkomend uit de tot dusver verachte koopmans- en werkmansstand, met vertegenwoordigers uit de veroverde landen. Hij gaf het Romeinse staatsburgerschap aan de zonen van slaven, die vrije mannen geworden waren en aan de Galliërs, met het voornemen het burgerschap uit te breiden tot alle vrije mannen in het gehele Rijk. Ook gaf hij de Joden, die vervolgd waren geweest, de vrijheid om hun eredienst uit te oefenen.

Hij trachtte een oplossing te vinden voor de vele afgedankte soldaten en werklozen in het propvolle Rome door tachtigduizend kolonisten naar Sevilla, Arles, Corinthe en Carthago te laten overbrengen. Hij stelde duizenden te werk bij de landontginning en het verfraaien van de hoofdstad. Hij maakte een eind aan de misbruiken van belastinggaarders, die zich verrijkten ten koste van handel en landbouw in de provincies. Het geld werd weer waardevast doordat het opnieuw aan de gouden standaard ge­bonden werd. Hij zorgde er ook voor dat gouverneursposten niet meer vergeven konden worden door de Senaat.

Zelfs de kalender behoefde hervorming. De oude Romeinse maand was gebaseerd op de kringloop van de maan en duurde 28 dagen, maar op wens van de Romeinse consul werden er telkens extra dagen en zelfs maanden aan toegevoegd. De Ro­meinse kalender was zozeer uit de koers geraakt, dat de herfst nu in juli viel (een maand die herdoopt was ter ere van de grote Julius). Caesar liet een Grieks sterrenkundige uit Alexandrië komen en op zijn advies baseerde hij de kalender op een zonne­jaar van 365 dagen, met om de vier jaar een schrikkeljaar.

Maar hoezeer hij ook zijn stempel drukte op de tijd waarin hij leefde, Julius Caesars dagen waren nu geteld, want de Iden van maart (de 15de) van het jaar 44 v. Chr. naderden. Shakespeare’s beroemde stuk, gebaseerd op de biografie van Caesar door Plutarchus, is juist voor zover het de essentiële feiten betreft, maar de betekenis van de handeling is erin veranderd. De waarheid is, dat de samenzweerders, van wie de meesten niet alleen hun fortuin maar zelfs hun leven aan Caesar dankten, niet optraden om de vrijheden van het volk te verdedigen, maar om de af­brokkelende privileges van hun eigen klasse te beschermen.

De aanslag werd gepleegd in tegenwoordigheid van de gehele Senaat. Casca, die van achter op Caesar was toegeslopen, bracht de eerste slag toe, maar zijn wapen schampte af op diens sleutel­been. Caesar draaide zich bliksemsnel om en vocht terug met zijn enige wapen — een schrijfstift. De samenzweerders sloegen nu allen tegelijk toe en raakten hun slachtoffer drieëntwintig keer. Cassius stak zijn dolk in Caesars gelaat en door een mist van bloed, dat hem in de ogen vloeide, zag Caesar dat Brutus, die zijn zoon had kunnen zijn, zich op hem wierp en hem zijn zwaard in de lendenen stak.

De woorden, die hij toen sprak, waren zijn laatste en hij zei ze in het Grieks: Kai su teknon? (“Ook gij, mijn kind?”). Toen viel hij dood neer, voor het standbeeld van zijn oude vijand Pompejus.

Alle omstanders vluchtten nu. En hoewel de samenzweerders, zwaaiend met hun bebloede wapens “vrijheid” riepen, oogstten zij geen bijval, maar brachten slechts paniek teweeg. Terwijl het volk, opgezweept door de lijkrede van Marcus Antonius, uiting gaf aan zijn smart werd het bloedige lijk op het Forum plechtig verbrand. Maar al het goede dat hij verricht had ging niet met hem teloor. Hij had miljoenen ongelukkigen in het bekken van de Middellandse Zee het rechtvaardigste, mildste en verstandigste bestuur bezorgd, dat zij ooit gekend hadden. Hij had zich voor­gesteld een wereld van vrije mensen te scheppen, allen burgers van één grote gemeenschap, en hij was daar halverwege in ge­slaagd. Hij had het Romeinse Rijk geschapen, op welks stevig fundament onze westerse beschaving kon groeien.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

493-456

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Jeanne d’Arc

.

De maagd van Orléans

 

 

Voor de meesten onzer is Jeanne d’Arc een legende, de idylle van een heldhaftige schaapherderin, die bovennatuurlijke stemmen hoorde en op hun aansporing een volk van de ondergang redde. Maar die idylle is slechts een flauwe afscha­duwing van de werkelijkheid. Jeanne had niets bovennatuurlijks. Ze was een meisje van vlees en bloed, een boerendeern, zo aards als de zoete bodem van Frankrijk. En toen zij ten strijde trok met haar banier, waarop de onsterfelijke Franse fleurs de lis waren ge­borduurd, was het Franse volk nog niet een tot eenheid gegroei­de natie.

Er is een half millennium verstreken sinds Jeanne d’Arc te Rouaan in de vlammen omkwam. Hoe komt het, dat wij haar thans nog gedenken? Omdat haar levensgeschiedenis een deel vormt van het oeroude verhaal van de worsteling van goed en kwaad, een strijd, die van eeuw tot eeuw wordt voortgezet. En ieder van ons die in die kamp meestrijdt, zal beter vechten met het voorbeeld van de Maagd van Orléans voor ogen. Gevonnist wegens ketterij en zonde, is Jeanne ter dood gebracht. Zij zal echter altijd blijven voortleven als een heilige, overwinnares van de krachten van het kwaad, die haar om het leven brachten, een symbool van trouw en moed.

In 1412, het jaar waarin Jeanne in het Lotharingse dorp Domrémy ter wereld kwam, verkeerde Frankrijk in bloedige ver­warring. De Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland had toen al bijna 75 jaar geduurd. Engeland maakte aanspraak op de Franse troon. Een groot deel van Frankrijk werd geregeerd door de hertog van Bourgondië, een bondgenoot van de Engelsen; de rest was trouw aan de dauphin Karel, nog ongekroonde erfgenaam van de Franse troon.

Reeds als kind bemerkte Jeanne het nodige van deze woelingen, want langs de primitieve woning van haar ouders liep de oude Romeinse weg, die de Maas kruiste; troepen gewapende mannen kwamen geregeld voorbij marcheren of rondzwervende bedel­monniken bleven bij het huis rusten, deden trieste verhalen over moord en plundering en bejammerden de houding van de slappe dauphin, die zich niet als een waar vorst wilde gedragen, zodat het land zonder aanvoerder bleef en geen eensgezinde natie kon worden.

Op haar twaalfde jaar was Jeanne een flink gebouwd, donker, godvruchtig meisje, over wie niets bijzonders te vermelden viel. Maar toen zag ze op een dag in haar vaders tuin een helder licht om zich heen en een stem sprak haar toe. Verbijsterd van angst viel ze op de knieën. Toen ze de stem hoorde, zag ze ook twee glanzende vleugels en een gelaat, stralend van heerlijkheid. Ze begreep dat het de aartsengel Michaël moest zijn, de bescherm­heilige van de dauphin en vereerd door heel Frankrijk. Hij was niet alleen, vertelde ze later, maar “werd vergezeld door andere engelen des hemels. Hij zei me, dat de Heilige Catharina en de Heilige Margaretha me ook zouden verschijnen en dat ik moest doen, wat zij me zouden raden, want dat dit alles op last van Onze Lieve Heer gebeurde.”

In de loop van de volgende vier of vijf jaar spraken de heiligen haar dikwijls toe. Jeanne zei daar niemand iets van en deed kalm haar dagelijks werk, maar al die tijd was ze er zeker van, dat ze in contact stond mei God. In 1428 sloegen de Engelsen het beleg voor Orléans. Nu deelde de aartsengel de 16-jarige Jeanne als Gods wil mede, dat zij de dauphin te hulp moest snellen en de stad ontzetten. De stem “beval me naar Vaucouleurs te gaan, naar Robert de Baudricourt, de commandant van de stad; hij zou me manschappen geven om me te vergezellen.” Zonder iets aan haar ouders te zeggen, ging Jeanne naar Vaucouleurs, dat ongeveer 16 kilometer van Domrémy was gelegen. Tweemaal verscheen ze voor Baudricourt en zei hem, dat ze door God was aangewezen om de dauphin naar Reims te voeren, waar hij tot koning gekroond zou worden. Tweemaal stuurde hij haar kortaf weg. Zonder zich te laten afschrikken, kwam Jeanne terug. Dit­maal liet Robert zich overtuigen door haar bovenaards vertrou­wen. Ze kreeg het paard en de lijfwacht waarom ze verzocht had, ze kreeg de mannenkleding die ze had gevraagd, en ze liet haar haar kort knippen. “Ga moedig voorwaarts!” hoorde ze haar stemmen zeggen.

Met iedere hoefslag van haar paard reed ze verder weg van alle vertrouwde dingen in haar leven; ze reed nu haar bestemming tegemoet, bij nacht, door een land dat wemelde van vijanden. Ze hield halt voor Chinon, waar de dauphin vertoefde, en stuurde een bode naar het kasteel om haar komst aan te kondigen. Karel, de dauphin, was een jongeman zonder wilskracht of zelfvertrouwen. Hij liet Jeanne bij zich komen, maar om haar om de tuin te leiden, verborg hij zich in een bescheiden gewaad tussen de menigte. Jeanne schreed de grootse, door flambouwen verlichte zaal binnen waar de hovelingen zich verdrongen. Ze liep recht op de dauphin toe en knielde voor zijn voeten. Karel wees op een van de hove­lingen. “Dat is de koning,” zei hij.
Jeanne liet zich niet van haar stuk brengen. “In de naam van God, edele prins, gij zijt het en niemand anders!” zei ze. En ze deelde hem mede, dat zij door God gezonden was om hem en zijn koninkrijk te hulp te komen en ervoor te zorgen, dat hij in de kathedraal te Reims zou worden gezalfd.

De dauphin had een lang persoonlijk gesprek met haar, terwijl het hele hof zijn ogen uitkeek, en haar antwoorden deden zijn gelaat stralen. Toch weifelde hij nog, bang, dat ze misschien een werktuig van boze machten was. Hij liet haar te Poitiers onder­vragen door geleerde geestelijken en liet haar door hofdames on­derzoeken om er zeker van te zijn, dat ze maagd was, want volgens de toen gangbare mening gaf een vrouw die heks werd, zich eerst als minnares aan de duivel. Allen kwamen tot de plechtige ge­volgtrekking dat er niets dan goeds te zeggen was van dit boeren­meisje. Al dat uitstel maakte Jeanne ongeduldig. Toen Karel maar bleef treuzelen, klonk van haar lippen de opmerkelijk juiste voor­spelling: “Ik zal niet veel langer dan een jaar meer leven. In dat jaar moeten we veel goed werk verrichten.”

Karel verzamelde dus een leger. Hij gaf Jeanne een wapenrus­ting van gepolijst staal. Ze stuurde enige lieden naar een kapel, die aan de Heilige Catharina was gewijd met de opdracht achter het altaar naar een zwaard te zoeken, dat daar begraven moest liggen. Men bracht haar dat zwaard; het was met roest overdekt, maar weldra schitterde het in haar hand. Ze liet een witte, met zijden franje omzoomde banier maken, geborduurd met lelies: op die banier was een afbeelding van de Heer aangebracht met aan weerszijden een engel en de woorden Jezus Maria. Zo, met haar banier in de hand, verscheen ze voor de soldaten als “Dochter Gods”, zoals de aartsengel Michaël haar genoemd had.

Orléans, een tactisch steunpunt in de Engelse veldtocht voor het ontsluiten van het Loiredal, was nu al een halfjaar belegerd. De Engelsen hadden een stuk of tien bastions om de stad gebouwd. Elk van die bastions werd beschermd door een negen meter hoge, natuurstenen muur met sterke wachttorens. Toen ze voor zo’n bastion verscheen, dicteerde Jeanne een brief, liet die bevestigen aan een pijl en over de muur naar binnen schieten. De brief luidde: “De Koning des Hemels waarschuwt u door mij, Jeanne de Maagd, om uw vestingwerken te verlaten en terug te keren naar uw eigen land. Anders zal ik een krijgsgeschreeuw tegen u doen opgaan, dat nooit vergeten zal worden.”

Een middeleeuwse oorlog bestond nog uit gevechten van man tegen man met lans en zwaard, knots en strijdbijl, en Jeanne stortte zich in zo’n handgemeen om de belegerde stad te ontzetten. Zij en haar volgelingen deden een geslaagde stormaanval op een redoute en vielen twee dagen later het voornaamste fort aan. Toen ze op het punt stond een stormladder die tegen de muur stond, te beklimmen kwam er een pijl van een kruisboog aansnorren en trof haar boven haar borst. Ze werd uit het veld weggedragen en trok de pijl eigenhandig uit de wond. Trompetgeschal gaf het sein tot terugtrekken, maar zij verzamelde al haar krachten. Even later zagen de soldaten haar banier weer wapperen en hoorden zij haar roepen: “De overwinning is aan u — dringt binnen!” Ze zagen haar op de vestingwal toesnellen en er tegenop klimmen. Het bastion werd veroverd. Orléans was gered.

Jeanne reed door de straten onder het gelui der klokken. Ze liet haar wond verbinden en gebruikte wat voedsel — vijf sneden brood, gedoopt in wijn met water. Dat was het einde van die paar dagen waarin een meisje van 17 jaar het moreel van het Franse leger deed herleven en de Honderdjarige Oorlog een andere wending gaf.

Hoewel Karei aan niets anders kon denken dan aan Jeannes droom van zijn kroning, bleef hij talmen. “Edele dauphin,” smeekte ze, “beraadslaag toch niet zo dikwijls en zo lang, maar ga zo spoedig als ge kunt mee naar Reims en ontvang de kroon.” Want zij zag wel in, dat alleen op deze wijze een eendrachtig Frankrijk gegrondvest en de Engelse aanspraak op de kroon ver­ijdeld kon worden. De weg naar Reims voerde door steden, die de vijand bezet hield, maar Jeanne kende geen vrees. Waar het hevigst werd gevochten, daar kon men haar banier zien wapperen. Gedurende de hele veldtocht riep ze de troepen toe: “Zet dapper door; alles zal slagen!” Maar in een zwak ogenblik vertrouwde ze iemand uit haar geboortedorp toe: “Ik ben alleen maar bang voor verraad.”

Maar op dat ogenblik stond alles in het teken van de zege. Reims maakte haastig toebereidselen om de dauphin te ontvangen, En op een stralende zomermorgen, de 17de juli 1429, reed Karel met een schitterende stoet naar zijn kroning. Jeanne stond in de kathedraal naast zijn troon. Het was nog geen vijf maanden geleden, dat ze haar ouderlijk huis in Domrémy had verlaten, ten einde aan haar stemmen te gehoorzamen.

Toen Karel VII eindelijk gekroond was, vond hij dat hij het nu wel zonder Jeanne kon stellen. Hij sloeg geen acht op haar smeekbeden om onmiddellijk door te marcheren naar Parijs, maar luisterde naar raadslieden die afgunstig waren op de Maagd. Toch werd zijn veldtocht ten langen leste traag voortgezet. Jeanne voerde de Franse troepen aan en veroverde de ene stad na de andere. Maar een aanval op een Parijs fort mislukte en Jeanne liep een pijlwond in haar dij op.
In de Paasweek van 1430 gaven Jeannes stemmen haar de sombere waarschuwing dat ze in handen van de vijand zou vallen. Toch reed ze onversaagd naar voren tot in het drukste strijdgewoel, totdat ze bij een gevecht om de ophaalbrug van Compiègne klem raakte tussen de Engelsen en de Bourgondiërs, die haar grepen. Jeanne de Maagd was een gevangene. De man, die zij koning van Frankrijk had gemaakt, durfde blijkbaar geen hand uit te steken om haar te redden. In plaats daarvan werd ze opgesloten in het kasteel van een Bourgondische edelman. Daar hoorde ze, dat er onderhandelingen gaande waren om haar aan de Engelsen te verkopen en in een wanhopige poging te ontsnappen wierp ze zich van de hoge kasteeltoren omlaag. Ze viel niet dood. Vol berouw bad ze om vergeving. Er werd een valstrik voor haar gespannen in brieven van geleerden der Bourgondisch gezinde Parijse universiteit aan de hertog van Bourgondië. Die strik sloeg dicht toen een grote som gelds ter hand gesteld werd aan haar bewaker, die haar daarop overleverde aan de bisschop van Beauvais.

Deze hoge dignitaris, Pierre Cauchon, was omgekocht door de Engelsen. Hij was een listig en eerzuchtig man en als Jeanne moest terechtstaan wegens ketterij, zou dat voordelig zijn voor hemzelf en voor de Engelsen, die officieel hun handen in onschuld wilden wasscn. Het zou dus een godsdienstige en geen politieke terecht­zitting worden in Rouaan en Cauchon koos zijn rechters met grote deskundigheid. Niemand werd aangewezen om Jeanne te ver­dedigen; geen enkele getuige à decharge werd opgeroepen. (Cauchon was zo machtig, dat niemand zijn leven
durfde wagen om een gunstige verklaring voor haar af te leggen.
En zo staat dat onontwikkelde, 19-jarige boerenmeisje daar alleen, door allen verlaten, voor de grote schare van haar geleerde, priesterlijke rechters en voert haar eigen verdediging. Iedere vraag en ieder antwoord zijn opgetekend; we kunnen haar stem na zo­veel eeuwen nog horen klinken. “Ge zegt, dat ge mijn rechter zijt. Bedenk wel, wat ge doet, want ik ben waarlijk van God gezonden en ge brengt uzelf in groot gevaar.”
In antwoord op dringende vragen vertelde ze vrijuit de geschiedenis van haar korte, vreemde loopbaan. Ze erkende geen schuld aan enige ketterij. Ze hield steeds vol, dat ze gehandeld had volgens Gods wil. De aanblik van de martelwerktuigen, die men haar dreigend toonde, bracht haar niet aan het wankelen. “Waarlijk, al zoudt ge mijn lichaam vaneenrijten, dan zou ik niet anders verklaren.” Men bedreigde haar met de brandstapel en ze ant­woordde:  “Al zag ik het vuur branden, dan nog zou ik volhouden wat ik heb gezegd.” (“Een voortreffelijk antwoord!” heeft de griffier, die het verslag van de zitting schreef, in de marge aan­getekend.)
Ze kwelden haar met strikvragen en dreigementen en geen enkele maal liet ze zich de zekerheid ontnemen, die haar leven be­heerste. “Ik heb een goede meester — de Heer zelf. Op Hem houd ik mijn blik gericht en op niemand anders.”
Maar de intrigerende Cauchon wilde haar lot niet laten bepalen door haar standvastige antwoorden op de vragen van haar rechters. In plaats daarvan liet hij haar verklaringen, waaruit de waarheid ieder tegenstraalde, verminken tot twaalf onpersoonlijke en verdraaide artikelen en legde die aan de rechters voor als basis voor hun beraadslagingen. En deze eminente mannen Gods, die allen de bisschop onderdanig waren, gaven hem het vonnis, dat hij verlangde.
En zo werd op een mooie dag in het laatst van mei haar vermagerde, jeugdige, jongensachtige, in het zwart gehulde gestalte voor de rechters geleid. Ze knipperde tegen het felle zonlicht, in afwachting van het vonnis dat over haar zou worden uitgesproken. En zo zien we haar staan op de begraafplaats van het lieflijke kerkje van Sint Ouen, te midden van een grote schare burgers van Rouaan en honende Engelse soldaten. Gelaten hoorde ze de lange boetpredikatie aan. Maar toen men haar nadrukkelijk te kennen gaf dat zij haar woorden diende te herroepen, weigerde ze heel beslist. Ooggetuigen hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wat er daarna gebeurd is. Het is zeker, dat men een document voor de dag heeft gehaald en het heeft voorgelezen aan dat meisje, “dat geen A van een B kon onderscheiden.” Daarna zeiden ze tegen haar: “Onderteken dat, anders word je verbrand.” Met een vreemd glimlachje tekende ze met een kruisje. Jeanne dacht, dat ze nu in veiligheid verkeerde. Vol vertrouwen in de Kerk, die zij liefhad, zei ze: “Priesters, brengt me nu naar uw gevangenis en laat me niet langer in de handen van de Engelsen.”
Het moet een bittere teleurstelling voor haar geweest zijn, dat ze naar dezelfde donkere cel werd teruggevoerd. Toen men haar beloofde, dat ze de mis zou mogen bijwonen, stemde ze erin toe vrouwenkleren te dragen, want een der ernstigste tegen haar in gebrachte beschuldigingen was, dat ze zich kleedde als een man. Maar terwijl ze sliep, haalden de bewakers het vrouwengewaad weg, zodat ze genoodzaakt was uit haar cel te komen in haar haveloze jongensplunje.
Vanwege die “zonde” werd ze in het vonnis aangeduid als een “in ketterij teruggevallene”, het gruwelijkste dat iemand verweten kon worden. Om haar lot met dubbele zekerheid te bezegelen, vroeg Cauchon haar, of ze haar stemmen soms nog had gehoord Jeanne zei hem, dat ze haar hadden berispt voor het ondertekenen van dat document, wat dat dan ook zijn mocht. “Alles wat ik heb verklaard en herroepen, heb ik gezegd uit angst voor de brandstapel.” (“Een noodlottig antwoord!” tekende de griffier in de marge van zijn verslag aan.)
Toch bezweek haar moed niet. “Door Gods genade zal ik van avond in het Paradijs zijn,” zei ze en ze verzocht om ter communie te mogen gaan. Merkwaardig genoeg, heeft Cauchon dat laatste verzoek ingewilligd. Besefte de bisschop dat zijn slachtoffer onschuldig was? Zij was in ieder geval overtuigd van zijn schuld. “Monseigneur, ik sterf door uw toedoen!” was het verwijt, dat ze hem toeslingerde.
Gehuld in een wijde mantel, met kaalgeknipt hoofd, werd ze in de ochtend van de 30ste mei 1431 naar het marktplein van Rouaan gevoerd. Een dichte menigte verdrong zich op de hobbelige keien en op alle daken. Nadat Cauchon het vonnis had voorgelezen, werd haar een papieren mijter op het hoofd geplaatst, waarop met grote letters geschreven stond: “Ketterse, in haar zonden teruggevallene, afvallige, afgodiste.” Ze vroeg om een kruis. Een Engelse boogschutter maakte er haastig een van een paar takjes en dat borg ze in haar boezem, terwijl een andere man naar de aan het plein gelegen kerk rende om een crucifix te halen.
Dat kuste ze. Toen beklom ze de hoge brandstapel met haar blik gericht op het crucifix, dat voor haar omhoog werd gehouden. De vlammen laaiden op en onttrokken haar aan het gezicht. De zwijgend toeziende mensenmassa hoorde nog slechts haar stem: ze bad, ze kreunde en liet ten slotte een doordringende gil horen, vol pijn en vol liefde: “Jezus!”
Naar men zegt, holde een Engelsman als een bezetene heen en weer door de menigte, en schreeuw­de: “We zijn verloren! We hebben een heilige verbrand!”

Ongeveer een kwarteeuw na haar martelaarsdood nam Karel 7  maatregelen om haar goede naam, die door de Kerk was besmeurd, door de Kerk te laten zuiveren. Met de daarbij passende plechtigheden verklaarde de Kerk, waaraan Jeanne altijd trouw was gebleven en die haar veroordeeld had, dat zij onschuldig was.
Ten slotte werd ze in 1920 in de Sint-Pieter te Rome heilig verklaard. Maar 500 jaar eerder waren er al mensen geweest die beseften dat er een heilige in levenden lijve onder hen rond­wandelde. En dat maakt de geschiedenis pas tot een werkelijk, volledig mirakel..
.

alle biografieën

.

7e klas geschiedenis: alle artikelen

.

Rudolf Steiner heeft Jeanne d’Arc verschillende keren genoemd:
GA 73; GA 126; GA 149GA 154; GA 161; GA 168; GA 174B

.

490-453

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Columbus

.

HIJ WIST DAT DE AARDE ROND WAS

 

 

 

Christoffel Columbus was een lange, knappe man met een haakneus, die achtereenvolgens het bedrijf van wolkaarder, cartograaf, boekverkoper, suikerinkoper en zeeman uit­oefende.
Hij had hoge jukbeenderen, een lang gelaat, blauwe ogen, rossig haar, sproeten en een aangename glimlach — maar hij had geen gevoel voor humor. Hij was rad van tong en een snoever; een fatsoenlijk man die echter ook wel streken had. Zijn ontdekking van Amerika is een van de grootste staaltjes van moed in de geschiedenis.

Niet alles wat over Columbus wordt beweerd, is waar; bijvoor­beeld de mythe dat hij als enige meende dat de aarde rond was. Elkeen met een grein verstand geloofde dat! Men onderwees het op de scholen en universiteiten, en er waren zelfs, tegen een flinke prijs, globes te koop die weinig afweken van de globes van tegen­woordig. Bovendien bepaalde Columbus, in tegenstelling tot de schilderijen waarop hij in die dagen werd afgebeeld, nimmer de hoogte van de zon met behulp van een astrolabium. Hij voer op een gegist bestek en koerste daarmee recht op zijn haven van bestemming aan.
De tocht van Columbus naar het westen was een grote gok, doch geen volslagen sprong in het duister. In de havensteden van Euro­pa wemelde het van verhalen over mannen die zulk een reis geheel of gedeeltelijk hadden volbracht.
Naar verluidde was de koningin van Scheba voorbij Spanje en tot aan Japan over de oceaan naar het westen gevaren. Zeven Portugese bisschoppen, zo heette het, waren om aan vervolging te ontkomen, naar een eiland niet ver van Cuba gevlucht, dat ze “Antilla” noemden. En dan had na­tuurlijk Leif Ericson zijn Noormannen veilig aan land gebracht in het tegenwoordige New England.

Ook bestond er een kaart die geacht werd degelijk en betrouw­baar te zijn, getekend door een Italiaanse dokter en sterrenkundige genaamd Toscanelli, waarop Japan stond aangegeven waar in werkelijkheid ongeveer Amerika ligt. En men had eigenaardige boomstammen en planten die niet uit Afrika afkomstig konden zijn, uit zee gevist. Het was daarom wel duidelijk, dat ginds land was dat wachtte op de koene zeeman die het zou ontdekken en in bezit nemen. Uit geschreven documenten is van zulke pogingen echter niet gebleken — totdat Columbus zijn denkbeeld opvatte.

Christoffel Columbus werd in 1451 als de oudste zoon van een gemoedelijke wolwever en herbergier te Genua geboren. Van hetgeen hij uitvoerde tussen zijn geboorte en zijn 23ste jaar is weinig meer bekend dan dat hij wol kaardde, aan een weefgetouw zat, en vaak naar zee ging. De stadstaat Genua, met haar van schepen overvolle haven, bood een jongeman met een goed stel hersenen gelegenheid te over om zeevaartkunde en cartografie te leren.

Er bestaan aantekeningen van een aantal reizen die Columbus maakte, waaronder één naar IJsland, maar zijn gelukkigste reis was wel die, welke hem in Portugal aan deed spoelen. Hij voer op een schip dat door een Frans smaldeel werd aangevallen en tot zinken gebracht. Hoewel hij gewond was, sprong Columbus over­boord en zwom naar het strand bij Lagos. Later kwam hij in Lissabon terecht. Het jaar was 1476. Lissabon was een goede stad voor een man die van grote zeereizen droomde, want hier vonden de meest wilde voorstellen tot verkenning financiële steun. Het was eveneens een stad waar men wiskunde, sterrenkunde, en het bouwen en tuigen van schepen kon leren — allemaal kennis die een gezagvoerder nodig had. Columbus en zijn broer Bartolomeüs begonnen een winkel in zeekaarten en deden goede zaken.
Christoffel huwde een dochter van rijke familie, en zij deed haar best een degelijk, aan huis en haard verknocht lid der gemeen­schap van hem te maken.
Maar Columbus hield vast aan zijn denkbeeld — de tergende, knagende idee dat hij het Oosten kon bereiken door naar het westen te zeilen. Het obsedeerde hem en liet hem geen rust. Dat was het verschil tussen Columbus en de meesten zijner tijdgeno­ten. Hij was overtuigd. Hij wist. Hij popelde om te gaan. Hij moest echter lang geduld hebben eer men hem schepen gaf. Intussen vertelde hij aan een ieder die maar horen wilde van zijn denkbeeld.

Juan II, de koning van Portugal, had er belangstelling voor en liet het denkbeeld van Columbus door zijn commissie van deskun­digen onderzoeken; deze wees het af. De koning hield Columbus echter aan het lijntje totdat Bartolomeüs Dias, een Portugees, om kaap de Goede Hoop was gezeild, en daarmee de oostelijke zeeweg naar de rijkdommen van Azië had geopend. Daarna had Juan II geen belang meer bij de westelijke zeeweg.

Toen de vrouw van Columbus stierf, besteedde hij het meren­deel van zijn spaargeld aan een statige begrafenis, en vertrok daar­op naar Spanje. Koning Ferdinand en koningin Isabella waren verwikkeld in een kostbare oorlog tegen de Moren. Ze luisterden derhalve slechts met een half oor naar hem. Columbus viel even­wel terstond bij de koningin in de smaak, zodat ze hem een soort toelage toekende, in afwachting van het oordeel van haar eigen commissie van onderzoek.

De toelage was niet groot, maar behoedde Columbus voor ar­moede, totdat ze na een jaar of twee werd ingetrokken. In af­wachting van het einde van de oorlog tegen de Moren, moest hij drie en een halfjaar lang in zijn eigen onderhoud voorzien en vond een karig bestaan met het verkopen van boeken en het teke­nen van zeekaarten. Zijn rosse haar werd wit en hij kreeg jicht; zijn mantel en zijn schoenen geraakten zo vol gaten dat hij op regenachtige dagen niet naar buiten kon. Hij bleef echter wachten en praten — altijd maar praten over zijn droom.

In 1491 gaf hij de hoop in Spanje steun te vinden op en besloot zijn geluk te beproeven in Frankrijk. Hij onderbrak zijn reis in een klooster bij de zeehaven Palos de la Frontera, en kwam in gesprek met zijn oude vriend, de prior. Deze kwam onder de indruk van het verhaal van Columbus en zorgde voor een nieuwe audiëntie bij de koningin.
Hoewel Isabella’s geleerden het voorstel van Columbus eerder hadden afgekeurd, liet de koningin hem uit­spreken en zei toen, dat zijn denkbeeld haar wel aanstond. Ze vond echter de beloning die hij voor de ontdekking eiste, wel erg hoog: zij moest hem maken tot Admiraal van de Oceaan-Zee, en tot onderkoning over alle landen die hij zou ontdekken; en hem één tiende schenken van alle handel onder zijn admiraalsschap. Toen Isabella op die voorwaarden niet wilde ingaan, dankte hij haar voor haar aandacht, besteeg zijn muilezel en begaf zich we­derom op weg naar Frankrijk. Hij was niet van zins te sjacheren.

Intussen deed Luis Santangel, beheerder van het persoonlijk vermogen des konings, aan Isabella ongeveer dit voorstel: “Ik zal uit eigen middelen het bedrag lenen dat u tekort komt. Wat kunt u verliezen? En denkt u eens in wat u daarentegen zou kunnen winnen: duizenden bekeerlingen, glorie voor Spanje — en goud.” Terstond zond de koningin koeriers uit om Columbus terug te halen.

De eerste reis van Columbus kostte Isabella en Santangel ongeveer dertigduizend gulden, en Columbus, die zijn deel moest lenen, bracht vijfduizend gulden in. Bij de totale kosten van deze grote reis, die Spanje twee continenten opleverde, lijkt de prijs van 84 gulden die de Hollanders voor het eiland Manhattan betaalden, exorbitant. De drie schepen van Columbus — de Pinta, de Nina en de Santa Maria — waren stevige kleine karvelen die bij goed weer gemiddeld zeven knopen haalden, en die bij windstilte met lange riemen konden worden geroeid. Op elk schip was een kajuit voor de gezagvoerder, maar het scheepsvolk sliep aan dek. Eenmaal per dag werd er in een open vuurbak mid­scheeps een vuur aangelegd, waarop bij de aflossing van de wacht een sterk met knoflook gekruide warme maaltijd werd toebereid. De tijd werd gemeten met zandlopers die om het halve uur door de scheepsjongens werden omgekeerd.

De drie karvelen telden ongeveer 87 koppen, waaronder drie heelmeesters, een hofmeester, een tolk en een man die de koningin had meegestuurd om aantekening te houden van het goud en de edelstenen die aan boord zouden worden genomen. In tegenstel­ling tot de meeste verhalen bestond de bemanning niet uit ge­vangenisboeven, al waren er drie schepelingen die met de wet overhoop lagen omdat ze een moordenaar geholpen hadden uit de kerker te ontvluchten. De meeste opvarenden waren gewone, frisse jongens, die hadden leren zeilen door naar zee te gaan wanneer ze maar de kans kregen.
De nautische kennis van Columbus heeft bij allen die na hem kwamen bewondering gewekt. De Portugezen, die bij hun pogin­gen om Amerika te vinden ver in het noorden begonnen en daar­door in de razende westerstormen terechtkwamen, hadden ge­faald. Columbus evenwel begon ver in het zuiden, waardoor hij de goede oostenwinden kon benutten die hem rechtstreeks over de Atlantische Oceaan bliezen. Na precies 33 dagen kreeg hij land in zicht. Toen hij in de van wier wemelende Sargasso Zee verzeild raakte, smeekten zijn kapiteins hem, af te buigen om naar eilanden te zoeken. Columbus weigerde hieraan te voldoen en bleef naar het westen zeilen. Éénmaal boog hij inderdaad af naar het zuid­westen, maar dat was om een vlucht vogels te volgen die, naar hij terecht oordeelde, op weg was naar land. Als hij die beslissing niet had genomen, dan was hij tussen de eilanden voor de kust van Florida terechtgekomen.

Toen de bemanning, die nooit tevoren zó lang buiten het gezicht van land gevaren had, oproerig werd, riep Columbus hen op 10 oktober tezamen en sprak: “Als wij niet binnen twee dagen land in zicht krijgen, keer ik om.” Zijn zekerheid ontleende hij aan die vlucht vogels en aan het zien van een bessenstruik in het water.

Op 12 oktober landden ze op het eiland San Salvador (thans Watlingseiland in de Bahama’s) dat door Columbus zo werd ge­noemd. Daar knielde hij neer, dankte God en nam met veel for­maliteiten in naam van Hunne Katholieke Majesteiten Ferdinand en Isabella bezit van het eiland. De ceremonie werd oplettend door de inboorlingen gadegeslagen, die naakt, argeloos en vriendelijk bleken.

“Zo gul en vrijgevig zijn zij met hetgeen zij bezitten,” schreef Columbus, “dat iemand die het niet zelf gezien heeft het niet zou geloven; nimmer zullen zij weigeren te geven van hetgeen zij bezitten; zelfs nodigen ze uit het met hen te delen in vriendschap, en zij zijn tevreden met elke kleinigheid die men hun geeft.” Men heeft vastgesteld dat dit het volk der Taino’s was, een thans reeds lang uitgestorven ras.

Over die eerste dagen op de vreemde kust schrijft dr. Morison in zijn levensbeschrijving van Columbus:

“En zo eindigden 48 uur van de heerlijkste belevenis die enig zeeman ooit ten deel viel. Dit vlakke, zandige eiland was waarlijk geen opzienbarende ontdekking. Maar het was hier dat de oceaan de “ketenen der natuur verbrak”, zoals Seneca voorspeld had, en onthulde wat het geheim was dat de Europeanen geplaagd had sedert zij begonnen waren zich af te vragen wat er achter de wes­telijke horizon lag. Het eiland San Salvador, dat na 33 dagen westwaarts zeilen uit zee oprees, brak radicaal met alle ervaringen van het verleden. Elke boom, elke plant was de Spanjaarden vreemd, en de inboorlingen waren niet slechts een onbekend ras — ze hadden zelfs zulke mensen niet verwacht; ze spraken een on­bekende taal en leken op geen enkel ras waarvan zelfs de meest be­lezen reizigers in de verhalen van ontdekkers, van Herodotus tot aan Marco Polo, ooit hadden gelezen. Geen sterveling zal ooit opnieuw de verbazing kennen van die oktoberdagen van 1492.”

Vanuit San Salvador voer Columbus naar het zuiden en ont­dekte nog meer eilanden, waaronder Cuba, waar de mannen sigaren rookten door een eind in hun neusgat te steken en diep te inhaleren. Ten slotte kwam hij aan bij Hispaniola — het eiland waarop thans Haïti en de Dominicaanse Republiek liggen. Hier liep de Santa Maria zo vast aan de grond dat ze niet meer vlot kon komen, weshalve hij besloot, een kolonie van 40 man achter te laten in een nederzetting die hij La Navidad noemde, op de noord­kust van het eiland. Nooit zag hij de kolonisten weer, en, naar wordt aangenomen, werden ze alle 40 door de inboorlingen ver­moord. Columbus zette koers naar het noorden, wist in de weste­lijke winden te geraken, en kwam ten langen leste in Spanje terug.

Met het verslag van zijn reis verwekte de ontdekkingsreiziger een sensatie. De parade door de straten der Spaanse steden, met zijn gouden souvenirs, de papegaaien en de Indianen die hij uit de Nieuwe Wereld ontvoerd had, was het hoogtepunt van zijn loop­baan. Maar toen hij neerknielde voor koning Ferdinand en ko­ningin Isabella en zij hem verzochten, naast hen plaats te nemen, kende zijn geluk geen grenzen meer. Al hetgeen ze hem beloofd hadden te zullen geven, gaven ze hem, en ze drongen er bij hem op aan, dat hij zich opmaakte voor de volgende reis, ditmaal vergezeld van monniken, soldaten en ambachtslieden om de door hem ontdekte gebieden te consolideren en uit te breiden. De tweede reis van Columbus, in 1493, droeg in zekere zin bij tot zijn ondergang, omdat daarbij de ernstige vergissing, die hij had ge­maakt door de veertig kolonisten achter te laten, aan het licht kwam. Ook werd duidelijk, dat hij tegen insubordinatie niet was opgewassen, nu eens te lankmoedig, dan weer te hardvochtig.

Op zijn derde reis, vijf jaar later, kreeg hij voor het eerst Zuid-Amerika in zicht. Na zijn terugkeer in Hispaniola, in 1500, werd hij door een rechter van onderzoek die door de Spaanse mo­narchen naar Haïti was gezonden, schuldig bevonden aan ver­scheidene misdaden, wreedheden en onrechtvaardigheid, en in ketenen naar Spanje teruggezonden. Toen de koningin dit vernam, ontstak ze in woede en liet hem in aller ijl in vrijheid stellen. Zodra Columbus echter het hem beloofde tiende deel opeiste, bleken Hunne Katholieke Majesteiten hardnekkig in hun weigering. Het overzeese westelijke deel van het Spaanse Rijk leverde steeds meer rijkdommen op, en als ze hem de overeengekomen som had­den gegeven, zou hij onvoorstelbaar rijk zijn geweest.

Eindelijk kreeg hij in 1502 vier schepen, waarmee hij zijn vierde en laatste reis begon. Hij navigeerde ditmaal langs de kust van Midden-Amerika, maar omdat hij alleen maar gebrand was op het vinden van een doorvaart naar de Grote Oceaan, ontgingen hem twee dingen — de parelvisserij aan de kust van Honduras, en een der rijkste goudmijnen ter wereld. Bovendien sloegen zijn schepelingen aan het muiten, en het scheelde weinig of ze hadden hem gedood. Jicht kluisterde hem aan zijn sponde, zijn schepen waren verrot — in Jamaica moest hij wachten op schepen die hem terug naar Spanje konden brengen.

Intussen was de hem toegenegen Isabella gestorven, en Ferdinand, die hem niet zeer welgezind was, negeerde zijn verzoeken om geld om zijn schepelingen uit te betalen. Hij begaf zich, krom van de jicht, op een muilezel naar de koning. Deze bood hem, in ruil voor zijn titel van, en privileges als Admiraal van de Oceaan-Zee, een lucratieve hertogstitel. Columbus weigerde. Hij meende dat hij de Oost-Indiën had ontdekt, en tot het einde toe was hij er­van overtuigd dat het paleis van de Grote Khan van Cathay (China) ergens in Costa Rica lag. Hij joeg niet slechts op rijkdom, maar wilde de doorvaart vinden die hem zou voeren naar de plaatsen die Marco Polo beschreven had: daar waar alle zalig­heden, alle rijkdom en weelde van de beschaving zich bevonden.

Dit is in het kort de geschiedenis van de man die Spanje de heerschappij gaf over meer land dan zijn monarchen zich ooit hadden voorgesteld, en wiens ontdekking de blik van Europa naar het westen richtte. Columbus stierf op 55-jarige leeftijd, arm en onbeweend. Met het verstrijken der eeuwen rijst zijn heroïsche gestalte echter steeds hoger op.

 

Dr. Samuel Eliot Morison, hoogleraar in de geschiedenis aan de Harvard-universiteit, leidde een expeditie “in het kielzog van Columbus” met twee zeilschepen van ongeveer dezelfde afmetingen als die in welke de ontdekker zijn reizen ondernam. Zijn boek Admiral of the Ocean Sea, (dat werd uit­gegeven in 1942, is een levensbeschrijving van de gecompliceerde, fascine­rende man die tot dit wetenschappelijk avontuur inspireerde. Het boek werd bekroond met de Pulitzer-prijs.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 .

Rudolf Steiner over Columbus in GA 350

.
489-452

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (8)

.
MEESTER, MEESTER, KOM’S! DEZE HEEFT HET ÓÓÓÓK!

Het is mij een keer overkomen dat ik met deze kreet naar een plaats werd geroepen waar een aantal kinderen over ‘iets’ gebogen stond. Gezien hun opwinding was ik er niet helemaal gerust op wat daar te zien zou zijn.
‘Kijk, kijk’, wezen een aantal vingers en toen ik goed keek – het duurde  even – zag ik een kruisspin in zijn web zitten. ‘Deze heeft het óók’, bevestigden ze nogmaals.

Het was al weer enige weken na een heemkundeperiode in een tweede klas. Ik had daarin een aantal zgn. Marialegenden verteld. Prachtige, korte verhaaltjes over hoe planten en dieren aan datgene gekomen waren, wat hen zo typeert.

Steiner gebruikte een aantal keren de uitdrukking ‘sinnige Geschichte’. Vertellingen met een bijzonder karakter:  ze hebben iets ‘sinnigs’ – er zit een bepaalde zingeving in – op een bepaalde zinnige manier maken ze iets duidelijk. Er gaat ook een morele werking vanuit: ze roepen vertedering op, een begrijpen op een ‘dromerige’ manier. Ze roepen iets op van ‘verbonden-zijn’, van sympathie, van eerbied.

Ze hoeven voor deze leeftijd, 7 à 8 jaar, niet historisch of biologisch ‘waar’ te zijn. Op de een of andere manier zijn ze toch ‘waar’. (Of hadden het kunnen zijn).

Laatst sprak ik een oud-leerling van me. Ze vroeg naar ‘het’ boek met deze verhaaltjes. Die moest haar kind per se horen…….

==Wanneer de heilige familie een goed heenkomen zoekt in een grot, weeft een spin voor de ingang een web. Wanneer een soldaat van Herodes de grot binnen wil gaan om te zoeken, ziet hij het web en trekt de conclusie dat daar dus niemand kan zitten, ‘anders was dat web niet heel geweest’.

Als het gevaar is geweken, bedankt de kleine Jezus de spin en raakt hem even aan, met een kruisbeweging die zich aftekent op de rug van de spin en daar sindsdien zit.==

De kinderen herkenden het: ‘Meester, meester, kom’s! Deze heeft het óóóók!’

Een gouden ogenblik in je loopbaan als vrijeschoolleerkracht.
Een ogenblik ook om heel even dankbaar te zijn voor de ‘ontmoeting’ met Steiners diepere inzichten in het wezen van het kind.

.

Pieter HA Witvliet

.

Vertelstof: alle artikelen

Jakob StreitImmanuel

.

487-450

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Mozart

.

MOZART, HET WONDERKIND DER MUZIEK

 

Mozart

Onherroepelijk laatste concert ! . . . De jongen, die nog geen zeven jaar oud is, zal het cembalo bespelen, hij zal een vioolconcert voordragen, en bij de uitvoering der symfonieën de continuo-partij vertolken op het klavier, waarvan de toetsen met een doek zijn bedekt; hij kan dan even goed spelen als wanneer hij de toetsen kon zien. Hij zal alle noten opnoemen die hem worden voorgespeeld, afzonderlijk of in akkoorden, en hij is genegen op het cembalo en op het orgel te improviseren zo lang men wenst. Toegangsbe­wijzen een halve thaler.

Met dit bericht, als gold het een buitenissige kermisat­tractie, kondigde in 1763 een Duitse krant het optreden aan van het meest universele muzikale genie dat de we­reld ooit heeft leren kennen, Wolfgang Amadeus Mozart.
Onder het publiek bevond zich die avond nog een andere jongen, de 14-jarige Goethe, wiens naam eveneens bestemd was om onsterfe­lijk te worden. Vele jaren later herinnerde deze zich nog de frisse verschijning van het vrolijk kijkende muzikantje, dat naar de bank voor het cembalo huppelde, gekleed in zijn bespottelijke maar dure pakje van lila satijn, met zijn gepoederde pruik en zijn miniatuurdegentje, en dat zich vervolgens met hart en ziel aan de muziek overgaf.
De gaven die Mozart bij zijn geboorte had meegekregen waren van een onbegrijpelijke volledigheid. Hij had niet alleen een absoluut gehoor en een feilloos gevoel voor ritme, maar ook een sterk instinct voor harmonie. Zo komt het dat hij als kind van vier jaar al op het spinet kon leren spelen*, op zijn vijfde met viool beginnen kon, en er toen al in slaagde om van het blad lezend, zich samen met zijn vader en diens vriend door een reeks trio’s heen te worstelen. Dit kind kon al noten lezen en opschrijven voordat het aan de letters toe was. En zelfs in de stukjes die hij op zijn zesde jaar schreef, merkt men al bij de eerste maten dat Mozart ze moet hebben gemaakt en niemand anders. In de be­zielde, zelfverzekerde componeertrant en de gracieuze stijl ver­raadt zich onmiskenbaar het jeugdige genie.

Zijn handen waren even merkwaardig ontwikkeld als zijn hersenen. Op zijn tiende jaar verbaasde hij de Nederlanders met een voortreffelijke demonstratie op het grootste en meest gecom­pliceerde kerkorgel ter wereld. Hij was veertien jaar toen hij in Rome gelegenheid kreeg het koor van de Sixtijnse kapel te horen in een miserere. Dit was een lang, vrij ingewikkeld, negenstemmig motet en de partituur werd zorgvuldig geheim gehouden — het was de zangers zelfs op straffe van excommunicatie verboden de muziek te kopiëren. De jongen nam de klank zo intens in zich op, dat hij thuisgekomen het hele stuk uit het geheugen opschreef. Toen hij het voor de tweede keer hoorde zingen merkte hij tot zijn verdriet dat hij bij het noteren drie foutjes gemaakt had. De paus excommuniceerde hem niet maar benoemde hem tot Ridder van de Gulden Spoor, een onderscheiding die vóór hem ook Orlando di Lasso en Gluck ten deel was gevallen.

De vader van dit fenomeen was Leopold Mozart, een middel­matige violist maar een voortreffelijk pedagoog, in Salzburg. Hij had ontzag voor het genie van zijn zoon, maar dat nam niet weg dat hij het exploiteerde. Samen met Wolfgangs zusje Nannerl, een begaafde kleine pianiste, sleepte hij de jongen heel Europa door. De kinderen speelden zelfs voor de gekroonde hoofden van Engeland en Frankrijk en voor de Oostenrijkse keizerlijke familie. Bij die laatste gelegenheid gleed Wolfgang uit op de paleisvloer waarbij hij lelijk kwam te vallen. Een klein meisje hielp hem overeind en troostte hem, waarop Wolfgang uit erkentelijkheid aanbood om met haar te trouwen als hij groot was. Maar de toekomst had voor Marie Antoinette een ander lot in petto.

Hotsende reiswagens en slechte wegen, vunze herbergen en urenlang hard werken hadden geen uitwerking op het vrolijke humeur en de energie van de jongen. Dikwijls wisten de verrukte toehoorders van geen weggaan, en om hen te plezieren bleef het kind steeds maar doorspelen als onder de ban ener betovering; de melodieën rolden uit zijn vingers, de noten van het ene wijsje speelden krijgertje met het andere en dansten als meidruppels op een bloemperk. Totdat papa Mozart dan een eind aan de zaak maakte en de deftige dames en heren het ventje met toejuichingen en liefkozingen begonnen te overladen, wat gelukkig de natuur­lijke frisheid van zijn karakter nooit heeft bedorven.

Een andere leermeester dan zijn vader heeft Wolfgang nooit gehad. Hij is ook nooit op school geweest, maar wierp zich graag op allerlei problemen en vakken, als er iets te leren viel. Speciaal rekenkunde boeide hem en hij kalkte muren en tafels vol met reken­sommen; hij was verrukt over de wetenschap die als geen andere in staat was op een vraagstuk het enig juiste antwoord te geven. Hier ligt misschien een sleutel tot de vraag waarom Mozarts muziek zo exact en evenwichtig van vorm is. Maar Mozart is ook poëtisch, innig en vrolijk. Hij is even hartveroverend als ge­makkelijk om naar te luisteren.

In Mozarts tijd vond men sommige van zijn composities te “modern”, te “geavanceerd.” Terwijl in onze oren een stuk van Mozart dat wij voor het eerst beluisteren, overbekend en ver­trouwd aandoet. De reden is dat Mozart een sterke invloed heeft gehad op de muziek die na hem kwam. Beethoven bestudeerde zijn werken voortdurend, en zo Haydn zijn 24 jaar jongere vriend soms imiteerde, dan was dat een blijk van oprechte hulde. Chopin was diep doordrongen van de geniale geest van Mozart, en zelfs de trotse Wagner boog voor hem het hoofd. Veel van de schoonheid in de vrolijke Strausswalsen of in de prachtige liederen van Schubert kan men terugbrengen tot Wolfgang Amadeus Mozart.

Hij was muzikaal tot in de toppen van zijn vingers. Hij kon een hele poos met een verrukt gezicht in de schokkende reiskoets zitten, met zijn vingers op zijn knie trommelend, tot hij eindelijk een thema in gedachten had uitgewerkt en hij het later zó op een stukje papier kon krabbelen. Op zijn veertiende jaar dirigeerde hij te Milaan zelf zijn nieuwste opera (Mitridate) met het destijds grootste orkest van Europa. Toen hij 15 was had hij veertien symfonieën en zes korte opera’s op zijn naam.
In de jaren tussen zijn vijftiende en eenentwintigste begaf hij zich op alle denkbare gebieden van de ingewikkeldste compositie­techniek, en uiteraard ligt een vergelijking voor de hand met de prestaties van vroegere componisten, die ieder voor zich meester waren op hun speciale terrein. Maar Mozart doorstaat die verge­lijking met glans, hij toont zich de meester van hen allen, en het is duidelijk dat zijn gaven zich met elk jaar stralender ontplooien, zoals een komeet ons verblindt naarmate hij de aarde nadert. Naar recht en billijkheid had hij in de muziekwereld de aller­hoogste post moeten bekleden die zijn vorst, keizer Joseph II, hem had kunnen verlenen. In plaats daarvan werd hij door de keizer op een tamelijk onheuse manier genegeerd; er waren er in de hofkliek genoeg die angstig jaloers waren op Mozarts wonder­baarlijke begaafdheid. Zijn concurrenten verhinderden de uit­voering van zijn werken, of als dat niet lukte werden de spelers omgekocht om de muziek zo handig mogelijk te verknoeien. Auteursrecht om de componisten te beschermen bestond er in die dagen niet; was een muziekstuk eenmaal bekend dan was iedereen vrij om het uit te voeren — zelfs mocht een ander het omwerken en in zijn eigen composities gebruiken. Voor een componist be­stond alleen veiligheid wanneer hij in dienst werd genomen door een kunstbeschermer, hetzij door een vermogend particulier, of aan een hof. De beschermer bij wie Mozart emplooi vond — tegen een jaargeld van ruim 250 gulden! — was de aartsbisschop van Salzburg. Daar moest Mozart zijn maaltijden samen met het personeel gebruiken, en de bisschop meende dat zijn hoforganist zich des te onderdaniger zou betonen naarmate hij meer werd af­gesnauwd. Nadat Mozart in juni 1781 ontslag had genomen, vestigde hij zich als onafhankelijk kunstenaar in Wenen.

Toen de beroemde Christoph von Gluck overleed, kreeg hij diens post als kamercomponist aan het keizerlijk hof, tegen nauwe­lijks meer dan de helft van wat Gluck had ontvangen, een salarisje van 800 gulden. Toch was Mozart ook hiermee al in zijn schik, hij was jong en ietwat impulsief getrouwd en de kleintjes lieten niet op zich wachten. Zijn vrouw Constanze was een van de vier knappe dochters van het gezin Weber, waar ze allemaal muzikaal waren. Constanze was nog een dertienjarige giechel toen hij haar voor het eerst zag, of liever hij zag haar helemaal niet, hij had alleen oog voor haar oudere zusje Aloysia, vijftien jaar, met een prachtige stem en dito figuurtje. Aloysia beloofde op hem te zullen wachten in de tijd dat hij naar Parijs ging om zijn fortuin te maken. Toen hij met lege handen terugkeerde, was zij al een ge­vierde operaster. Jaren later vroeg men haar eens waarom zij Mozart de bons had gegeven. “Ik vond hem zo’n kleine man.”

Constanze lijmde de stukken van zijn gebroken hart aan elkaar en in augustus 1784 trouwden zij, wat een onherstelbare breuk met papa Mozart ten gevolge had. “Stanzi” was een snaaks blondje, een ideale gezellin voor picknicks in het Wiener Wald, maar voor huisvrouw miste zij alle capaciteiten. Mozart vond het pijnlijk te moeten aanzien hoe die opgewekte, naar plezier snakken­de natuur te kampen had met alle nasleep van armoede en kraam­bed. Zodat “Wolfi” dikwijls te veel geld spendeerde aan luxedingen om op haar gezicht die kinderlijk verrukte glimlach terug te toveren, waarom hij haar getrouwd had. Erger was, dat haar ge­zondheid veel te wensen overliet, het baren was een marteling ge­weest en vijf van haar zeven kinderen vonden een voortijdig graf.

De moeilijkheden waarmee Mozart te kampen had waren voor iedere andere componist ruimschoots voldoende geweest er één lange klaagzang over te schrijven, maar Mozart spuide zijn ver­driet over vernederingen en smerigheden nooit in zijn muziek. Hoe moeilijker hij het had, des te meer getuigde Mozarts kunst van zijn levensmoed die echter geen grimmige vastberadenheid is, maar blijgeestig als de zang van de leeuwerik.

Om de slager te betalen, en zelfs om de deurwaarder af te kun­nen poeieren (die maar al te vaak verscheen om een stuk van het meubilair mee te nemen), speelde Mozart het ene concert na het andere. Voor elk hiervan schreef hij een nieuw werk, dat meestal pas op het laatste nippertje gereed kwam; sommige van zijn mees­terwerken zijn in enkele dagen tot stand gekomen. Tijdens de vochtige winters waarom Wenen zo berucht is, was het voor Mozart vaak een probleem hoe hij voldoende kon stoken om er­bij te kunnen werken. Er kwam eens een bezoeker die Wolfi en Stanzi al ronddansende in de kamer aantrof, en men heeft deze anekdote wel eens zo voorgesteld alsof het echtpaar louter een grapje maakte. In werkelijkheid waren ze die dag stijf van de kou, en deden ze wanhopig hun best om in beweging te blijven. De bezoeker rende naar buiten om hun brandstof te laten sturen.

Maar de vriend aan wie de wereld het meest te danken heeft was een zekere Puchberg, een zakenman, die Mozart herhaalde­lijk wat geld bezorgde als de nood hoog was gestegen. Wanneer wij de brieven lezen waarin Mozart bij zijn vriend op hulp aan­drong, zieden wij van verontwaardiging dat dit stralende genie eens heeft moeten bedelen.

Maar daar was in ieder geval de stad Praag, die hem al tijdens zijn leven heeft begrepen, en waar hij op de handen werd gedragen. Toen hij was uitgenodigd om daar zijn komische opera De Bruiloft van Figaro te dirigeren, die in Wenen koel ontvangen was, merkte hij dat er in de straten van Praag niets anders dan Figaro werd geneuried. Tijdens zijn verblijf aldaar schreef hij de prachtige “Praagse” symfonie en dadelijk daarna vertrok hij om een opera voor te bereiden die hij speciaal voor deze dankbare muziekstad wilde schrijven. Het waren heerlijke dagen in het leven van Wolf­gang en Constanze toen zij de bergen overtrokken op weg naar de joviale Boheemse hoofdstad, waar Mozart ging werken aan zijn Don Giovanni, die vaak de “volmaakte” opera genoemd wordt. Da Ponte, de dichter van het libretto, was een vrolijke Frans; hij woonde tegenover de Mozarts in dezelfde nauwe steeg en van tijd tot tijd kon men hen elkaar over straat horen roepen om te komen luisteren, als er weer een paar bladzijden af waren. Of een ander maal sjouwden zij samen de stad in voor een feestelijke fles wijn.

Er kwamen zoveel uitnodigingen van bewonderaars dat Mozart tijd te kort kwam. Eén dag voor de première moest de ouverture nog worden geschreven. Het licht in de zaal was al aan, toen de muziek inderhaast op de lessenaars werd uitgedeeld en de or­kestleden moesten het adembenemende muziekstuk van het blad spelen.

Nooit eerder was een komisch onderwerp zó elegant en treffend in muzieknoten weergegeven. Maar de Don Giovanni is ook een treurspel, en bewijst onmiskenbaar Mozarts dramatische, ja demonische talent. De toejuichingen en het bisseren meegerekend duurde de première zes uur in plaats van drie. Er was aan de kas­sa genoeg ontvangen om de schouwburgdirecteur van een faillis­sement te redden, maar de componist kwam er bekaaid af.

Naarmate het kortstondig lichtschijnsel van Mozarts aards be­staan zijn einde naderde, scheen het aan snelheid te winnen en steeds feller te stralen. Zijn laatste negen symfonieën, waarvan er verscheidene nooit tijdens zijn leven zijn uitgevoerd, zijn die van een Beethoven waardig. Maar al te dikwijls meent men Mozart af te kunnen doen met de kwalificatie “sierlijk”, en men kent dan hoogstens de eenvoudige sonatines en menuetten die kinderen op pianoles krijgen. Maar wie zijn gehele oeuvre heeft gehoord kan niet anders dan aangegrepen zijn door de diepe schoonheid van zijn werk.

In het 35ste jaar van zijn leven, toen hij al ernstig ziek was, schreef hij in Wenen zijn beroemde sprookjesopera De Toverfluit die vol is van de wonderlijkste melodieën. De opera, die Mozart had gemaakt om zijn vriend de toneeldirecteur Schikaneder voor een bankroet te bewaren, ging in een oud, vervallen theater. Het nieuwtje verspreidde zich snel en heel Wenen kwam in de zaal. Schikaneder kreeg genoeg geld binnen voor een nieuwe schouwburg, maar Mozart was te ziek om de uitvoeringen bij te wonen, hij lag in bed op de klok te kijken, en zei dan: “Nu gaat het doek op,” of: “Nu lopen ze ongedeerd door de vlammen,” en: “Nu horen ze de toverfluit.”

Een paar maanden daarvoor had Mozart bezoek gekregen van een vreemdeling die, naar hij zei, namens zijn meester aan Mozart de opdracht kwam geven om een Requiem te schrijven voor ge­mengd koor, ter nagedachtenis van de overleden echtgenote van zijn meester. Diens naam wilde de boodschapper niet noemen. Wij weten nu dat de opdracht kwam van een adellijk dilettant, graaf Walsegg, die in het geheim muziekwerken placht te be­stellen om ze dan onder eigen naam te laten uitvoeren. Er waren tal van moeilijkheden die de aflevering van het werk vertraagden en herhaaldelijk kwam de boodschapper tot spoed manen. In zijn delirium meende Mozart dat het een afgezant uit een andere wereld was, en dat de duivel hem had opgedragen zijn eigen doodsmis te schrijven; hij werkte er koortsachtig aan. Indruk­wekkend en angstaanjagend zijn de klanken die het Requiem op­roept uit de grondeloze diepten van smart en berouw; maar ook serene en troostende akkoorden zijn er, sprekend van ’s mensen hoop op het Leven hierna. Op zijn sterfbed, omringd door de weinige trouwe vrienden, trachtten Mozarts lippen nog het trom­petthema van de Oordeelsdag te vormen, dat het Requiem be­heerst.

Enkele vrienden waren in het vale licht van een naderend on­weer bijeen om bij Mozarts kist de korte mis te horen lezen. Toen zij op weg gingen naar het kerkhof weerlichtte het, en wind­stoten striemden hun de regen in het gezicht. Ze keerden terug en lieten de lijkwagen alleen verder rijden. In een massagraf, tussen de stoffelijke resten van zwervers en prostituees, verdween het tere hulsel dat de ongeëvenaarde Genius der Muziek had gehuisvest.

Mozart zegevierde over onrecht, ziekte, schuld, zelfs over de Dood. Op alles wat onedel en onwaardig was heeft hij een ant­woord gegeven, dat natrilt met de harteklop van het Leven zelf.

*Het spinet en de meestal grotere klavecimbels (cembalo, virginaal, harpsichord, Kielflügel) waren uitgerust met pennetjes in plaats van hamers. Het waren de voorlopers van onze moderne piano’s.

.

Biografieën: alle artikelen

.

482-445

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Schweizer

.

De wijsgeer van het oerwoud

Het dorp Lambarene ligt aan de rivier de Ogowe, vieren­zestig kilometer ten zuiden van de evenaar in Gabon, het voormalige Frans Equatoriaal Afrika. De streek weerspiegelt ’s werelds begin — wolken, rivier en woud voegen zich er samen tot een oerlandschap, dat er onwaarschijnlijk antiek uitziet. Het grootste deel van het jaar gelijkt de lucht op stoom, oprijzend uit een waas van groen. Dat is het decor voor een van de beroemdste zendingsinitiatieven ter wereld — het veelbesproken oerwoudziekenhuis van dr. Albert Schweitzer.

Schweitzer was onbetwistbaar een groot man — een van de grootste van deze en van alle tijden. Hij had vier verschillende loopbanen: in de wijsbegeerte, medicijnen, theologie en muziek. Hij schreef doorwrochte boeken over Bach, over Jezus en over de geschiedenis der beschaving, en hij was de grootste autoriteit ter wereld op het gebied van de orgelbouw en eveneens een vermaard organist.
Ook wist dr. Schweitzer bijzonder veel — meer dan velen die hun leven aan deze speciale vakken gewijd hebben — van schoonheidsleer, tropische dierkunde, antropologie en landbouw; verder was hij een bekwaam timmerman, metselaar, dierenarts, botenbouwer, tandarts, tekenaar, monteur, apotheker en tuinman.

Schweizer

Albert Schweitzer, geboren in 1875 te Kaysersberg in de Elzas, was een ziekelijk kind, wat men de sterke, gezonde man van later niet zou aanzien. Hij was ook — en dat is nog vreemder — laat met lezen schrijven, en hij kon slecht leren. Daarom dwong hij zichzelf, toen hij opgroeide, om juist die onderwerpen te leren beheersen, die hem moeilijk afgingen, zoals Hebreeuws. In de muziek was hij een wonderkind. Hij componeerde een psalm toen hij zeven was, begon orgel te spelen op zijn achtste, toen zijn benen nog maar net tot aan de pedalen reikten, en als jongen van negen viel hij in voor de organist tijdens een kerkdienst.

Hij studeerde wijsbegeerte aan de universiteit van Straatsburg en een proefschrift over Kant bezorgde hem zijn eerste doctors­graad. Hij studeerde theologie en werd in 1900, dus op zijn vijf­entwintigste, hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk in Straats­burg. Hij studeerde muziekleer en begon zijn loopbaan als con­certorganist. Toen hij zesentwintig jaar was, bezat hij doctorstitels in de wijsbegeerte, de theologie en de muziek. Intussen begon een stroom van boeken van zijn hand het licht te zien, die nooit op­gehouden is. Toen, op zijn dertigste, liet hij plotseling zijn drie loopbanen varen om geneesheer te worden en voorgoed naar Lambarene te trekken als zendingsarts.

Waarom geneeskunde? Omdat hij genoeg had van woorden en iets wilde gaan doen. Waarom Lambarene? Omdat het een van de ontoegankelijkste en primitiefste plekken van heel Afrika is, een van de gevaarlijkste ook, en omdat daar geen arts was. Familie en vrienden trachtten hem ervan af te brengen, maar hij zei dat hij voelde “iets te moeten terugdoen” voor het geluk, dat hem ten deel was gevallen. Hij gehoorzaamde letterlijk aan het gebod van Jezus: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven zal verliezen om mijnentwil . . . die zal het behouden.”

Schweitzer werkte van 1905 tot 1912 aan zijn medische studie en op achtendertigjarige leeftijd werd hij arts. Deze jaren waren de moeilijkste en ook de vermoeiendste van zijn leven. Een me­dische opleiding is op zichzelf al afmattend genoeg; toch speelde hij het klaar om wijsbegeerte te blijven doceren, om zijn werk­zaamheden als hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk voort te zetten, om een begin te maken met de definitieve uitgave van Bachs orgelmuziek, en om al die jaren geregeld orgelconcerten te geven!

Hij trouwde in 1912. Zijn vrouw, dochter van een bekende historicus te Straatsburg, volgde een verpleegstersopleiding om hem in Afrika te kunnen helpen. Toen zij in 1913 in Lambarene aankwamen, bleken de omstandigheden geducht moeilijk — wat ze trouwens nog zijn. Elke meter bouwgrond in dat gebied moet uitgekrabd worden in het onmetelijke oerwoud, dat dicht bevolkt is met allerlei onvriendelijke dieren als pythons en gorilla’s, terwijl de rivieren vol krokodillen zitten.
Albert Schweitzer bouwde zijn hospitaal uit het niets op, vrijwel met zijn blote handen. Eenmaal moest hij de hele nederzetting afbreken en verhuizen, omdat de oude hutten te klein waren geworden om zijn groeiende praktijk te herbergen. Afrikaanse patiënten, lijdende aan alle soorten ziekten, van lepra tot elefantiasis, waren niet altijd gemakkelijk te behandelen.
Een van de levensbeschrijvingen van Schweitzer vermeldt, dat ze soms de zalf opaten die hij voorgeschreven had voor een huidaandoening, in één teug een fles medicijn opdronken, waarmee ze enige weken hadden moeten toekomen, of dat ze probeerden andere patiënten te vergiftigen. Na de dood van een van zijn patiënten, die te laat bij hem was gekomen om nog gered te kunnen worden, verdachten ze een tijd lang Schweitzer ervan een vermomde luipaard te zijn die met opzet mensen doodde.

In 1954 brachten mijn vrouw en ik een bezoek aan dr. Schweitzer. Op het vliegveld werden we afgehaald door juffrouw Emma Hausknecht, een verpleegster uit de Elzas, die Schweitzer sedert 1925 had bijgestaan. Ze was een soort algemeen bedrijfsleidster van de hele nederzetting en trad op als Frans-Engelse of Duits-Engelse tolk voor de dokter. Toen wij ons onderdak bezichtigd hadden, ging juffrouw Haussknecht ons voor langs een modderpad tussen de struiken en vruchtbomen naar het nieuwe leprozendorp, dat Schweitzer aan het bouwen was. Ten slotte kwam, dichtbij een open plek, de dokter zelf te voorschijn. Hij had een grote arendsneus, een grijze hangsnor en ogen, die werkelijk door je heen keken. Hij was krachtig gebouwd en hij droeg die dag een zonnehelm, een open wit overhemd, een versleten broek en zware, zwarte schoenen.
Schweitzer bracht ons naar het leprozendorp, waar de ernstigste leprapatiënten woonden. Hier begon de oude dokter onmiddellijk een ploeg werklui achter de vodden te zitten. Zelf nam hij een schop en zong een soort deun op de maat van het graafwerk: “Allez-vous OPP! Allez-vous OPP-upp-OPP ! ! Hupp, upp, OPP!” Bezoekers verbaasden zich soms over het hospitaal omdat het eruit zag als wat het is — een inboorlingendorp. De patiënten kwamen van heinde en ver en brachten soms hun hele gezin mee.
Er waren geen geplaveide paden of wegen. Er was geen stromend water, geen elektriciteit, behalve voor de operatiekamer.

Er leken meer dieren dan mensen rond te lopen. Het ziekenhuis had ongeveer honderdvijftig geiten en er waren allerlei andere beesten, zoals parkieten en een jonge mandril. Dicht bij de eet­zaal zat een wild zwijn achter gaas en een aap met een touw aan een boom. Vier gracieuze antilopen stonden in een ruwe, met ijzerdraad omgeven hertenkamp en werden elke avond na het eten door de dokter gevoerd.

De hoofdafdeling van het ziekenhuis was ondergebracht in een lang gebouw zonder verdieping, verdeeld in smalle, donkere kamertjes die alle op een binnenplaats uitkwamen. De patiënten lagen op houten, met vlechtwerk overtrokken britsen. Buiten elke deur brandde een rokerig vuurtje: daar kookte het gezin van de patiënt. Als een man geen familie had en te ziek was om zelf te koken, vormde hij een ernstig probleem. De meeste patiënten wilden namelijk geen voedsel aannemen van iemand buiten hun stam uit angst voor vergiftiging.

Er was, voor zover ik kon zien, geen apparaat om verband onder hoge druk te steriliseren; water moest gekookt worden in ketels boven open houtvuren. Jarenlang waren de medicijnen en verbandmiddelen schaars. Iedere veiligheidsspeld was kost­baar. Dingen die in de meeste ziekenhuizen heel gewoon zijn, wer­den hier met eerbied behandeld — als ze er tenminste waren. Iemand vertelde me dat Schweitzer niet van ingewikkelde, moderne hulpmiddelen hield. Ten eerste is het onderhoud lastig in een tropisch klimaat. Wat heb je aan rubberkruiken, als ze binnen een week wegrotten? Ten tweede wilde hij dat de Afrikanen zich prettig voelden, in omstandigheden die hen aan thuis deden denken.

Op een ochtend keken we de operatiekamer binnen; we schrok­ken eigenlijk wel even, dat dit zomaar vanaf de binnenplaats mogelijk was. Op de tafel lag een ontklede patiënt, zijn buik droop van de mercurochroom. De arts die de operatie had ver­richt — een normale breuk — kwam een uur later aan de koffie­tafel. Hij had nog geen tijd gehad zich grondig te wassen en ging in zijn hemdsmouwen aan tafel, terwijl zijn armen nog vuurrood van de mercurochroom waren.

Een druk gebruikte open ruimte dicht bij de eetzaal vormde het middelpunt van het ziekenhuisleven. Afrikanen kwamen en gingen met producten uit de tuin in hun onbeholpen kruiwagens. Vrouwen zaten gehurkt op de grond en bonden palmbladeren bij­een voor de dakbedekking; anderen waren druk in de weer met naaimachines op een veranda boven, en weer anderen streken de was met primitieve strijkijzers, gevuld met houtskool. Tussen deze ordelijke bedrijvigheid door liep de dokter en zag toe dat iedereen werkte. De drukte en het geraas deden denken aan een pionierskamp.
Ten tijde van ons bezoek was de eerste geneesheer in Lambarene (Schweizer was toen 79 en in het medische werk niet meer zo actief ) een Hongaar; een der andere artsen was een neef van de oude baas. De verpleegsters, allen Europese vrouwen, leken ons zo teruggetrokken, zo vroom en zo onwerelds als nonnen.
Bij de maaltijden zat Schweitzer aan het midden van een lange tafel, en eventuele eregasten er tegenover. Vlak voor elke maaltijd zei hij een kort gebed in het Frans; direct na het avondeten (geen enkele maaltijd duurde langer dan een half uur) kondigde hij met stentorstem een psalm af en er werden gezangboeken doorgegeven. Hij stapte naar een blikkige piano aan het eind van de zaal en speelde zonder franje maar krachtig en precies de begeleiding, terwijl het gezelschap zong. Dan liep hij naar zijn plaats terug, keek in de lijst van bijbelteksten, klapte een bijbel open en las een paar regels.

Wij vonden Schweitzer een bijzonder gezaghebbende, waakzame en scherpzinnige prater, maar aan tafel sprak hij zelden. De verklaring, die heel aannemelijk lijkt, is dat hij te moe was. Toen hij de eetzaal uitging, vulde hij zijn zakken met etensrestjes om aan de antilopen te geven.
Wanneer de avondrust over de rest van het kamp was gekomen, zat Schweitzer nog tot middernacht of later te werken, brieven te schrijven of post te beantwoorden.
Het is een keer voorgekomen, dat hij tot verbazing van de douane-ambtenaren in Bordeaux aan boord ging met zijn onbeantwoorde post – vier aardappelzakken vol.

Toen hij naar Afrika vertrok, dacht Schweitzer dat hij voorgoed opgaf wat hem het naast aan het hart lag — de kunst en het leraarschap. Maar hij heeft altijd een piano bij zich gehad in Afrika en heeft zo zijn muziek kunnen bijhouden.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zijn orgelvertolkingen van Bach, op grammofoonplaten vastgelegd toen hij met vakantie in Europa was, grote artistieke waardering gevonden. Hij hield overal lezingen als hij in de beschaving terugkeerde en is door talloze universiteiten geëerd. Bovendien is hij er, door ’s nachts te werken, in geslaagd geregeld nieuwe boeken te doen verschijnen.
In 1952 werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

Hij heeft altijd een scherp gevoel gehad voor wat belangrijk is en wat niet, en hij bezat een fijn, ironisch gevoel voor humor. In 1949, toen hij voor de eerste (en enige) keer in de Verenigde Staten was om het Goethe-Festival in Aspen, in Colorado, bij te wonen, toonde hij zich bijzonder gestreeld door de aandacht, die de pers­fotografen aan hem besteedden. “Lieve help,” riep hij uit, “ik geloof waarachtig, dat jullie me net zo belangrijk vinden als een bokskampioen!”

Op onze laatste avond in het ziekenhuis werden we na het eten uitgenodigd om met Schweitzer mee te gaan naar zijn kamers. Hij had een kleine slaapkamer en een kantoortje ernaast. Het was daar een warwinkel van boeken, papieren, voorraden, gereed­schappen — er lag een zaag dwars over een stapel manuscripten — lege blikjes, stapels muziek en timmermanswerkstukken. Als hij een hoofdstuk voor een boek klaar had, haalde hij een touwtje door de bladzijden en hing ze achter zijn schrijftafel — “Net een trofee van de fazantenjacht.” (Metalen klemmen zijn onbruikbaar in Lambarene: ze roesten dadelijk.)

Schweitzer bracht ons naar zijn beroemde piano met de orgel­pedalen, een geschenk van de Parijse Bachvereniging. Het in­strument was met zink bekleed tegen het vocht en tegen de witte mieren, en woog drie ton. Het was geweldig ontstemd. Schweitzer, mijn vrouw en ik zaten met ons drieën op de kleine houten bank — er was trouwens geen andere zitplaats — en hij speelde wat Bach. De volgende dag deed hij ons uitgeleide, maar dit korte, nachte­lijke concert was de laatste aanraking, een afscheidsplechtigheid, die Schweitzer typeerde. Het is dit beeld van hem, zittend aan dat gehavende oude wrak van een piano in het hart van het stille, sluipende oerwoud, dat ik mij het liefst voor de geest zal halen.
.

Albert Schweizer
.

alle biografieën

.

470-436

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cleopatra

.

DE LEGENDARISCHE KONINGIN

Cleopatra wordt veelal gezien als een Egyptische sirene, die zelfmoord pleegde uit liefde voor de Romeinse veldheer Marcus Antonius. Ten onrechte. Hoewel Cleopatra als vorstin heerste over dat oude koninkrijk, had zij geen druppel Egyptisch bloed.
Zij was van Macedonisch-Griekse afkomst; haar hoofdstad, Alexandrië, was een Griekse stad en de taal die aan haar hof werd gesproken was Grieks. Haar dynastie was gevestigd door Ptolemaeus, een Macedonische veldheer van Alexander de Grote, die zich na diens dood van Egypte meester maakte en zichzelf tot koning uitriep.
Er is geen spoor van bewijs dat in het leven van Cleopatra enige man een rol zou hebben gespeeld behalve dan Julius Caesar en, drie jaar na zijn dood, Marcus Antonius. En dit waren geen frivole liaisons, maar verbintenissen, goedgekeurd door haar priesters en in Egypte als huwelijken erkend. De veronderstelling dat zij een wellustige vrouw was, die al haar kunstgrepen in het vuur bracht om deze mannen te veroveren is absurd. Toch heeft die legende 2000 jaar hardnekkig standgehouden, voornamelijk omdat dichters en toneelschrijvers, Shakespeare incluis, meer de nadruk hebben gelegd op haar fysieke bekoorlijkheden en hartstochten dan op haar verstand en moed. Haar daden bewijzen echter dat zij een briljante, schrandere vrouw was, die haar leven lang heeft gevochten om haar land ervoor te behoeden dat het door de Romeinen werd opgeslokt.
Cleopatra

Cleopatra werd in 68 of 69 v. Chr. geboren, en zij groeide op te midden van hofintriges en geweld. Haar vader, Ptolemaeus XI, stierf toen Cleopatra 18 was, en zij werd toen koningin, waarbij zij de troon moest delen met haar tienjarige broer Ptolemaeus XII. Twee jaar later verbande de jeugdige Ptolemaeus, die geheel werd overheerst door een drietal hofintriganten, zijn zuster naar Syrië. Cleopatra echter, die al dadelijk de moed toonde die haar hele leven zou kenmerken, bracht onmiddellijk een leger op de been en rukte weldra dwars door de woestijn op naar Alexandrië om de strijd om haar troon aan te binden. Het was deze Cleopatra, die Caesar in de herfst van het jaar 48 v. Chr. ontmoette. Hij was naar Egypte gekomen om de Romeinse veldheer Pompeius, zijn tegenstander in een strijd om politieke macht — het soort strijd die Rome bijna een eeuw lang in beroering zou houden, te achtervolgen.

Hoe zag Cleopatra eruit? De enige aanwijzingen die wij bezit­ten, zijn een paar munten waarop haar profiel staat afgebeeld, en een buste die zo’n 1800 jaar na haar dood bij opgravingen in een Romeinse ruïne werd gevonden. Zij vertonen een adelaarsneus en een mooi gevormde mond met fijn besneden lippen. Een aantal historici uit de oudheid hebben haar “verrukkelijke schoonheid” vermeld, maar deze mannen hadden haar niet zelf gezien. De betrouwbaarste beschrijving is misschien die van Plutarchus, wiens grootvader verhalen over Cleopatra had gehoord van een dokter die een van de koks uit de koninklijke hofhouding kende. Plutar­chus wist te vertellen dat haar feitelijke schoonheid “op zichzelf niet zo opmerkelijk was dat zij elke andere vrouw in de schaduw stelde”.

Alle vroege geschiedschrijvers waren het echter eens over haar “boeiende” conversatie, haar welluidende stem, haar “behendig en geraffineerd taalgebruik”. Zij sprak zes talen, was goed thuis in de Griekse geschiedenis, literatuur en filosofie, toonde zich een sluw onderhandelaarster en was klaarblijkelijk een bekwaam stratege. Zij had ook veel gevoel voor dramatische effecten. Toen Caesar haar sommeerde om haar troepen te verlaten en naar het koninklijk paleis in Alexandrië te komen, waar hij na het te be­zetten zijn intrek had genomen, glipte Cleopatra onder dekking van de avondschemering de stad binnen, liet zichzelf in een tapijt rollen en werd zo, voor ieders oog verborgen, op de rug van een vertrouwde dienaar door de poort tot in Caesars vertrekken ge­dragen.

Of deze list nu bedoeld was om te ontsnappen aan door haar broer gehuurde sluipmoordenaars of om indruk op Caesar te ma­ken, het was stellig een indrukwekkende entree, die in de wereldgeschiedenis nauwelijks haar weerga heeft. Haar moed en haar bekoorlijkheid deden de rest om Caesar te overtuigen dat hij er goed aan zou doen haar weer op de troon te zetten.

Het daaropvolgende voorjaar organiseerde Cleopatra een groots opgezette expeditie, waarbij zij een eindweegs de Nijl opvoeren. Wekenlang dreven zij en Caesar voort op een statieschip met kolossale afmetingen, begeleid door 400 andere vaartuigen, die troepen en voorraden meevoerden. Kort daarna, in juni, bracht Cleopatra een zoon ter wereld, Caesarion – wat in het Grieks Kleine Caesar betekent. Het kind, de enige zoon van zijn vader, schijnt de basis geweest te zijn voor een ambitieus plan van Caesar en Cleopatra om Rome en Egypte samen te smelten tot één ge­weldig rijk, dat door hen en hun nakomelingen zou worden gere­geerd. Meteen na de geboorte van de jongen vertrok Caesar uit Alexandrië ten einde krijgstochten te ondernemen in Klein-Azië en Noord-Afrika, waarbij hij alle tegenstand die hij ondervond snel de kop indrukte. Binnen een jaar keerde hij als overwinnaar naar Rome terug — de onbetwiste dictator. En daar waren ook Cleopatra en Caesarion, die door Caesar in een schitterende villa werden geïnstalleerd.

Als koningin met een koninklijke hofhouding begon Cleopatra op het leven der Romeinen invloed uit te oefenen. Zij liet munters uit Alexandrië overkomen om de Romeinse munt te verbeteren, en financiers om Caesars belastingprogramma op te stellen. Haar sterrenkundigen ontwierpen een kalenderhervorming, en zo kwam de Juliaanse kalender tot stand, waarop onze huidige tijdrekening nog steeds is gebaseerd. Caesar liet haar beeld plaatsen in een nieuwe tempel die hij had laten bouwen voor de eredienst van Venus en hij liet een munt slaan, waarop Venus en Amor herken­baar waren als Cleopatra met Caesarion in haar armen. Zijn macht scheen absoluut. Toen plotseling, 20 maanden nadat Cleo­patra naar Rome was gekomen, was Julius Caesar dood — ver­moord op de Idus van maart, 44 v. Chr. Was Cleopatra door smart overmand? Niemand weet het. Een maand nadien scheepte zij zich in en voer naar Egypte terug.

De geschiedschrijvers vermel­den geen feiten over de drie volgende jaren van haar regering, be­halve dat de mededingers in de strijd om de macht die Rome nu in een burgeroorlog stortte, haar steun zochten. Klaarblijkelijk volgde zij een politiek van waakzaam afwachten wie de opvolger van Caesar zou worden.

Toen Marcus Antonius uit de strijd te voorschijn kwam als de sterke man van het Oosten, ontbood hij Cleopatra naar Tarsus in Klein-Azië voor een ontmoeting met hem. Een tijdlang negeerde zij zijn oproep; toen zeilde zij uit met een schitterende vloot, waar­op zij goud, slaven, paarden en juwelen meevoerde. Ter rede van Tarsus aangekomen liet Cleopatra zich niet als smekelinge aan land brengen; ze bleef rustig aan boord van een der voor anker liggende schepen. Nadat ze de situatie listig had omgedraaid, waardoor niet Cleopatra, maar Antonius als gast ten tonele ver­scheen, vergastte ze hem op een verblindend schouwspel: de met zilver beslagen roeiriemen van haar galei bewogen op de maat van de muziek van fluiten en harpen, bespeeld door mooie, als nereïden en gratiën geklede slavinnen; wierookbranders verspreidden een exotische geur. Achterovergeleund op een rustbed onder een gou­den troonhemel lag daar Cleopatra, uitgedost als Venus, terwijl knaapjes als cupidootjes haar koelte toewuifden.

Na afloop van het daaropvolgend banket bood Cleopatra Antonius de gouden schotels, de prachtig bewerkte drinkbekers, de weelderige ligbanken en de geborduurde tapijten ten geschenke aan. De volgende avond onthaalde zij Antonius en zijn gevolg op soortgelijke wijze, terwijl ze hen bij hun vertrek wederom met geschenken overlaadde. Het was er haar niet om te doen, An­tonius’ genegenheid te winnen — ze wilde hem doordringen van de grenzeloze rijkdom van Egypte dat bijgevolg een machtig bondgenoot beloofde te zijn.

Drie maanden later kwam Antonius naar Alexandrië, waar hij de winter doorbracht. Hij vertrok weer in de lente, zes maanden voordat Cleopatra hun tweeling ter wereld bracht, en er gingen bijna vier jaar voorbij voor hij haar terugzag. In die tussentijd versterkte Cleopatra de verdediging van haar land, breidde haar vloot uit en vergaarde zoveel mogelijk goud en voorraden. Toen Antonius, in de hoop zijn macht in het Oosten uit te breiden, haar vroeg hem in Syrië te ontmoeten, ging ze met de vaste bedoeling bij de onderhandelingen het maximum te bedingen. Ze wist te bereiken dat Egypte alle uitgestrekte gebieden zou krijgen die de farao’s 1400 jaar tevoren hadden bezeten, maar die nu Romeinse provincies waren. Antonius stemde ook toe in een wettig huwelijk, en ter gelegenheid van die gebeurtenis werden er munten met hun beider beeltenis geslagen. Daarmee werd een nieuwe fase van Cleopatra’s regering ingeluid. Ze was nu drieëndertig en trok met Antonius ten oorlog tegen de Perzen, maar bij de Eufraat moest zij de veldtocht staken. Ze was weer in verwachting. Het kind werd in de herfst geboren, en die winter deed Antonius een wan­hopig beroep op haar: zijn leger was gedecimeerd en het uitge­putte, gehavende overschot had maar amper de Syrische kust kunnen bereiken. Cleopatra ging scheep met geld, voorraden en wapens, en zeilde naar hem toe om hem hulp te gaan bieden.

Het jaar daarop, 35 v. Chr., moest zij al haar listigheid aan­wenden om Antonius — een drankmisbruik van jaren had zijn geestvermogens zeer verzwakt — ervan te weerhouden voor de tweede maal een inval in Perzië te gaan doen. In het besef dat Octavianus, Caesars neef en erfgenaam, die van Rome uit het Westen beheerste, hun werkelijke vijand was, drong zij er bij Antonius op aan dat hij alles in het werk zou stellen om die ten val te brengen. In 32 v. Chr. verhaastte zij het uitbreken van de oor­log met Octavianus doordien zij Antonius tot twee dingen wist te overreden: een formele brief aan zijn andere vrouw, Octavia (de mooie zuster van Octavianus) te zenden, waarin hij haar te ken­nen gaf dat hij haar niet langer als zijn echtgenote beschouwde, en het zenden van troepen over de Aegeïsche Zee naar Griekenland. Cleopatra stond nu op het hoogtepunt van haar macht: vazallen uit het Nabije Oosten kwamen haar hulde brengen en de Atheners overlaadden haar met eerbewijzen, verafgoodden haar als Afrodite en plaatsten haar beeld in de Akropolis.

Maar zie, laat in de middag van de 2de september in het jaar 31 v. Chr. stortte alles bij het plaatsje Actium aan de westkust van Griekenland ineen. Over deze beslissende slag lopen de me­ningen van de geschiedschrijvers sterk uiteen: zoals bijvoorbeeld over de vraag waarom Antonius, die toch een voortreffelijk leger had, het tot een zeeslag liet komen; of waarom Cleopatra, toen het zeegevecht op zijn hevigst was en de afloop nog onbeslist, de zeilen liet hijsen en met haar 60 oorlogsschepen voor de wind naar Egypte vluchtte; of waarom Antonius zijn enorme leger in de steek liet, zich aan boord van haar schip begaf en met haar wegzeilde.

Na haar terugkeer in Egypte, waar het nieuws van de ramp zich als een lopend vuurtje verspreidde, begon Cleopatra meteen al het ontevreden gemor de kop in te drukken. Ze trachtte de banden met de buurlanden nauwer aan te halen. Ook begon ze oorlogsschepen van de Middellandse Zee over te brengen naar de Rode Zee — hetgeen betekende dat die vele kilometers door de woestijn moesten worden gesleept — op zichzelf al een gigantische onderneming.

Ook nadat Egypte’s grensversterkingen Octavianus’ troepen in handen waren gevallen, bleef Cleopatra in Alexandrië, gereed om met Octavianus te onderhandelen of hem te bestrijden. Maar toen het binnenvallende leger naderbij kwam, gingen haar vloot en ruiterij aan de haal. Daarop benam Antonius zich het leven. Cleopatra, die de Romeinen levend in handen viel, werd onder bewaking gesteld en gewaarschuwd dat als zij de hand aan zich­zelf sloeg, haar kinderen zouden worden gedood.

Hoewel Octavianus beloofde genadig te zullen zijn, vreesde Cleopatra dat haar hetzelfde lot te wachten stond als honderden andere gevangenen van koninklijken bloede hadden ondergaan: in ketenen door de straten van Rome gevoerd en daarna ter dood gebracht. Vindingrijk en moedig als ze tot het einde was, deed ze het voorkomen of ze elke gedachte aan zelfmoord had opgegeven. Daarop kreeg ze toestemming om Antonius’ graf te bezoeken, en tijdens die tocht door de straten, gezeten in haar draagstoel, heeft ze klaarblijkelijk kans gezien enkele trouwe aanhangers in de arm te nemen. Ze keerde terug naar haar vertrekken in het paleis, nam een bad, gebruikte de maaltijd en liet zich door haar diena­ressen als Venus kleden. Van wat er daarna is voorgevallen, weten we alleen dit: Romeinse officieren, die zich met geweld toegang tot haar vertrekken verschaften, troffen Cleopatra dood aan. De legende wil dat de koningin zich had laten bijten door een aspis-adder, die in een mandje vijgen was binnengesmokkeld.

Bij de viering in Rome van Octavianus’ verovering van Egypte werd een beeld van Cleopatra, met om haar ene arm een aspis-adder gewonden, door de straten meegevoerd. Haar drie kinderen van Antonius — Caesarion was reeds eerder ter dood gebracht — werden gedwongen in de beschamende stoet mee te lopen. En bij die gelegenheid hebben Romeinse dichters, ten einde bij de over­winnaar in het gevlij te komen, de legende in de wereld gebracht als zou Cleopatra een verdorven en losbandige Egyptische konin­gin zijn geweest — een legende die tot op de huidige dag voort­leeft.
.

alle biografieën

 

460-426

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.