Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Constantijn de Grote

.

Constantijn I de Grote ca. 280-337

Constantijn de Grote

Een portret van Constantijn I op een gouden medaille, die tijdens zijn bewind werd geslagen.

In het jaar 313 leidde Constantijn de Grote zijn leger in de richting van Rome. Volgens de legende zag hij tijdens die tocht ‘een lichtend kruis, scherp
afgetekend tegen de zon ’. Langs de hemel werden de woorden ‘In dit teken zult gij overwinnen’ geschreven.
Hij was diep onder de indruk. Hij beschouwde het als een boodschap van de god van de christenen. Hij gaf zijn troepen het bevel het teken op hun schilden en wapenuitrustingen te schilderen. In de volgende veldslag, bij de Pons Milvius (een brug ten noorden van Rome), wonnen ze van een grote overmacht. Met deze overwinning veroverde Constantijn de macht in het westelijk deel van het Romeinse keizerrijk.

6e klas Constantijn de GroteConstantijn I was de eerste Romeinse keizer, die tot het christendom werd bekeerd. Hij maakte een einde aan de vervolgingen van de christenen door de Romeinen, die 300 jaar hadden geduurd. Deze illustratie toont de heilige Petrus en Paulus, die in een droom aan Constantijn verschijnen. In die droom ziet hij ook een kruis met de tekst: ‘In dit teken zult gij overwinnen’. Volgens een andere versie van het verhaal zag Constantijn, toen hij zijn leger in de richting van Rome leidde, een kruis van licht afgetekend tegen de zon, met de woorden ‘In dit teken, overwin’.

Het was voor hem een enorme stap naar de alleenheerschappij, die hij later zou verwerven. Ook voor het christendom betekende het een ommekeer in de verstandhouding tot Rome. Constantijn moedigde het verbreiden van de door hem aangehangen christelijke godsdienst sterk aan. Constantijn was langs een lange en gevaarlijke weg bij de Pons Milvius aangekomen. Er gingen vele schermutselingen tussen de mede-keizers van Diocletianus en hun opvolgers aan vooraf. Constantijn was de zoon van Constantius, één van de caesares van Diocletianus. Hij werd grootgebracht aan het hof van Diocletianus in Nicome-dia. Zijn moeder, Helena, was door zijn vader verstoten. Dat had hij gedaan omdat hij een politiek gunstiger huwelijk kon sluiten. Nadat Diocletianus zich had teruggetrokken, werd Constantius een van de twee keizers. Hij regeerde de westelijke helft van het Romeinse Rijk. Hij voerde oorlog in Brittannië en liet Constantijn komen om hem daarbij te helpen. Constantius stierf, tijdens deze oorlog, in 306 v. Chr. Het leger riep Constantijn uit tot troonopvolger. Maar de jonge leider kon de macht niet onmiddellijk in handen nemen. Er waren anderen, die beweerden recht te hebben op zijn positie. Tussen hen brak een strijd uit, waarbij vele doden vielen. Constantijn rekende bij de Pons Milvius zelf af met de laatste van deze troonpretendenten.

Intussen had een andere heerser, Licinius, in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk de macht gegrepen. Hij probeerde al spoedig zijn heerschappij naar het westen uit te breiden. Zijn eerste aanval op Constantijn had geen succes. Er kwam een wankele wapenstilstand. De twee keizers regeerden negen jaar lang in betrekkelijke vrede ieder hun eigen deel van het rijk. In 324 viel Licinius weer aan. Constantijn bracht hem deze keer een beslissende nederlaag toe. Daardoor werd hij de absolute heerser van het Romeinse keizerrijk.

Toen Constantijn en Licinius samen het rijk regeerden, hadden ze in 313 het Edict van Milaan afgekondigd. Hierdoor kwam er een eind aan de vervolgingen van de christenen, die door Diocletianus waren begonnen. Alle godsdiensten werden van toen af toegelaten. Maar Constantijn ging nog veel verder, zowel als heerser in het westen als latere keizer van het hele rijk. Hij zag zichzelf als de dertiende apostel. Hij moedigde de verbreiding van het christendom aan waar hij maar kon. Er werden wetten uitgevaardigd, die christelijke gebruiken ondersteunden. Zo werd de zondag een officiële rustdag en kregen de kerk en de geestelijken bepaalde voorrechten. Keizerlijk land in Rome werd ter beschikking gesteld om een kathedraal te bouwen, de Basilica Constantiniana (tegenwoordig de St. Jan van Lateranen). Ook begon hij met de bouw van de St. Pieterskerk. Direct of indirect was Constantijn ook betrokken bij de bouw van kerken in Alexandrië, Nicomedia, Antiochië, Triëst en vele andere steden.

Wanneer het burgerlijke zaken betrof, was Constantijn minder fantasierijk. Hij deed niet veel meer dan het verbeteren en voortzetten van de bestuurlijke wettelijke, militaire en economische hervormingen, die door Diocletianus waren ingevoerd. Net als zijn voorganger regeerde Constantijn vanuit het oosten, waar hij was geboren. Vandaaruit waren alle delen van het enorme rijk eenvoudiger te bereiken dan vanuit Rome zelf. Op de plaats van het oude Byzantium begon hij in 324 met de bouw van Constantinopel. Hoewel Constantinopel een ‘tweede Rome’ werd genoemd, was het een christelijke stad. Onder de grote aantallen schitterende en belangrijke gebouwen waren veel kerken. In de tijd van Constantijn was Constantinopel de hoofdstad van het hele Romeinse Rijk. Toen het rijk in 395 in twee delen uiteenviel, werd het de hoofdstad van het nieuwe Oostromeinse of Byzantijnse Rijk. In tegenstelling tot het oude Romeinse Rijk werd het Byzantijnse Rijk geregeerd door een christelijke heersende klasse, die oorspronkelijk door Constantijn werd gevormd. Er maakten zowel kerkelijke als burgerlijke autoriteiten deel van uit. Die klasse streefde de groei van een nieuwe christelijke cultuur na, naast de bestaande klassieke cultuur. Het Byzantijnse Rijk bloeide nog lang nadat het West-Romeinse Rijk in handen van de barbaarse stammen was gevallen. Het bewaarde de cultuur en gaf die in de middeleeuwen aan het Westen door.

vertelstof: alle biografieën

6e klas: geschiedenis

1032-957

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Augustus

.

Augustus  

63 v. Chr.-14 na Chr.

Augustus

Dit beeldhouwwerk stelt de keizer Augustus als jonge man voor. Vele Romeinse beeldhouwwerken waren oorspronkelijk gekleurd om een levensechte indruk te geven. De verf is er in de loop van de eeuwen af gesleten.

In Rome brak een burgeroorlog uit, toen Julius Caesar de oude republikeinse regering vernietigde en zichzelf tot dictator uitriep. Maar hij droeg ook de oplossing aan voor het probleem dat hij in de wereld had geroepen. Julius Caesar benoemde zijn achterneef Gajus Octavius, die later Augustus of Gajus Augustus werd genoemd, tot zijn opvolger. Augustus maakte niet alleen een einde aan de oorlog, maar hij vestigde een nieuwe en sterkere regering en reorganiseerde het keizerrijk zo doeltreffend, dat het daarna nog 300 jaar bleef bestaan.

Caesar had zich ongetwijfeld een andere voorstelling gemaakt van de machtsoverdracht. Augustus was nog maar een jongen van 18 jaar, toen zijn oom werd vermoord. Hij ontving het bericht van Caesars dood terwijl hij op school was in Apollonia (tegenwoordig Albanië). Ook kreeg hij te horen, dat hij in het testament van Caesar was benoemd tot troonopvolger en erfgenaam en dat hij door Julius als zoon was geadopteerd. Hij zou verder Gajus Julius Caesar Octavianus heten. Tegen de raadgevingen van zijn familie in, besloot hij naar Rome terug te keren. Hij wilde het testament ten uitvoer laten brengen en daagde daarom Marcus Antonius, die na de dood van Caesar de macht had gegrepen, uit. De leden van de senaat, die dachten dat ze Augustus konden gebruiken om de macht weer bij hen terug te brengen, kozen Augustus tot senator. Het leger, dat Caesar trouw was gebleven, koos de kant van de jonge Augustus en de soldaten eisten dat hij tot consul benoemd zou worden. Augustus slaagde erin Marcus Antonius ervan te overtuigen samen met hem en Lepidus, de hogepriester onder Caesar, een driemanschap te vormen. In 43 v. Chr. schonk de senaat het driemanschap dictatoriale macht om de regering op te bouwen en weer controle over het rijk te verkrijgen. Aanvankelijk was Marcus Antonius de leider van het driemanschap. Hij versloeg Brutus en Cassius, de moordenaars van Caesar. Die waren naar het oosten uitgeweken en hadden in dat deel van het rijk de macht gegrepen. Augustus werd nooit een begenadigd militair leider. Hij leed een rampzalige nederlaag, toen hij een poging deed om in Sicilië de orde te herstellen. Maar vanaf 32 v. Chr. begonnen de zaken zich naar de wensen van Augustus te ontwikkelen. Met de steun van zijn oude vriend Agrippa won hij uiteindelijk in Sicilië. Hij maakte gebruik van schepen die door Antonius ter beschikking waren gesteld. Toen Lepidus zich tegen de groeiende macht van Augustus verzette, werd hij ontwapend en uit het driemanschap verstoten. De oude hogepriester trok zich uit de politiek terug, maar bleef tot aan zijn dood in 23 v. Chr. hogepriester. Daarna kreeg Augustus steeds meer macht over Antonius.

Rome keerde zich tegen Antonius, toen hij delen van het Romeinse gebied in het oosten van het rijk aan Cleopatra schonk. Augustus buitte deze situatie volledig uit. Hij verklaarde de Egyptische koningin de oorlog. Samen met Agrippa, die het bevel voerde over zijn vloot, versloeg hij de gezamenlijke zeestrijdkrachten van Cleopatra en Antonius. De twee geliefden pleegden zelfmoord. In 30 v. Chr. nam Augustus de macht in handen en legde beslag op de goedgevulde schatkist van Egypte. De overwinning van Augustus in Egypte maakte hem tot de enige Romeinse heerser. Hij kreeg de totale macht over al het gebied rond de Middellandse Zee. Daardoor verkreeg hij de reserves om zijn legers te betalen en kon hij beginnen met de taak het rijk te reorganiseren.

Deze taak werd door Augustus met veel geduld en een goed inzicht aangepakt. Hij deed het voorzichtig en tastend, stap na stap, langzaam maar zeker. Om de oplossing voor een probleem te vinden probeerde hij vele ideeën uit. Zijn voorzichtige aanpak resulteerde in veranderingen en het invoeren van nieuwigheden, die goed bleken te werken. Daarom werden ze aanvaard en bleven lange tijd gehandhaafd. Het omvatte een netwerk van wegen waardoor alle delen van het rijk met elkaar werden verbonden, een herziening van zowel de centrale regering als de plaatselijke besturen in de provincies, en het leggen van de basis voor een nieuw ambtenarenapparaat om ervoor te zorgen dat het systeem inderdaad zou werken.

Net als zijn oom Julius, had Augustus de allerhoogste macht. Maar hij was slim genoeg om daar niet de nadruk op te leggen in de gewone instituten van de republikeinse regering. Hij regeerde vele jaren lang als consul, maar had ook de . controle over de provincies, waarin het overgrote deel van zijn leger zich bevond. De senaat bleef het hoogste wetgevende en uitvoerende lichaam in Rome. De omvang van de senaat was echter afgenomen en de leden waren allemaal trouwe volgelingen van Augustus. De Romeinen waren het oorlogvoeren moe en aanvaardden zijn heerschappij, omdat die niet te overheersend was en de alom verlangde vrede en evenwicht verzekerde. De Romeinen waren in het bijzonder verguld met Augustus, toen de keizer besloot allerlei oude gebruiken weer in te voeren. Hij liet oude tempels herbouwen en stond de oude wereldlijke spelen weer toe. Hij moedigde schrijvers als Vergilius, Livius en Horatius aan, het verleden glorieus te beschrijven. Doordat hij de oude Latijnse cultuur trouw was, bleef het rijk in wezen Westers. Augustus regeerde ruim 40 jaar. Hij deed dit ondanks een ernstige slepende ziekte. Hij was zeer geliefd en werd tijdens zijn leven al aanbeden. Zijn lange heerschappij maakte het mogelijk dat de Romeinen met zijn hervormingen vertrouwd raakten. Het rijk bleef drie eeuwen lang bestaan in de vorm die het onder Augustus had gekregen. De rust en het uitstekende communicatiesysteem gaven klassieke ideeën, zowel Griekse als Romeinse, maar ook het christendom dat tijdens zijn regering was ontstaan, de kans om te bloeien, zich te verspreiden en zich te verbreiden. Wat ook de voordelen van het Romeinse Rijk voor de volgende generaties geweest zijn, deze moeten voor een groot deel worden toegeschreven aan de opvolger van Caesar, Augustus.

camee uit tijd AugustusCameeën waren in het oude Rome populair als decoratieve kunst. Deze camee heeft een afbeelding van keizer Augustus, die tot god wordt gekroond. Op de onderste helft van de camee staan soldaten, die nieuw gevangengenomen slaven aanvoeren. Augustus werd tijdens zijn bewind als een god aanbeden.

Vertelstof: alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle artikelen

1028-953

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

Julius Caesar ca. 100-44 v. Chr.

julius caesar 2Julius Caesar was een van de grootste veldheren en staatslieden van het oude Rome. Vrijwel zijn hele leven was hij aan gevaar blootgesteld. Als jonge man koos hij de zijde van een aantal hervormers in de Romeinse senaat tegen conservatieve leden en hun machtige leider Sulla. Hij werd gedwongen te vluchten om zijn leven te redden. Later werd hij, terwijl hij op weg was naar Rhodos om lessen te nemen in het houden van redevoeringen, door piraten gevangengenomen. Nog later, als generaal in Gallië, leidde hij zijn troepen in de strijd tegen de barbaarse stammen. Hij onderwierp het grootste deel van Europa aan Rome.

Caesar behoorde tot een voorname Romeinse patriciërs-familie. Al op jonge leeftijd nam hij de beslissing een loopbaan in de politiek te beginnen. Op 18-jarige leeftijd trouwde hij met de dochter van één van de leiders van de hervormers. Daarmee maakte hij zijn standpunt al bekend. Maar het begin van zijn carrière werd vertraagd toen hij door Sulla werd verbannen, omdat hij weigerde van haar te scheiden. Na de dood van Sulla in 78 v. Chr. keerde hij naar Rome terug. Hij begon de politieke ladder te beklimmen. In 62 v. Chr. was hij al tot praetor gekozen. Dit was het op één na hoogste ambt in de Romeinse regering. Het jaar daarna werd hij gouverneur in Andalusië en Portugal. Hij gebruikte zijn positie, net als de andere Romeinse gouverneurs, om militaire overwinningen te behalen en oorlogsbuit te veroveren. Deze buit maakte het voor hem mogelijk in 59 v. Chr. tot consul te worden gekozen.

Als consul won Caesar het vertrouwen van Pompejus, een populaire en succesvolle generaal die ooit aanhanger van Sulla was geweest. Caesar won zijn trouw, door de senaat te dwingen land te geven aan de gepensioneerde soldaten van de generaal. Daarna haalde Caesar Crassus over om zich bij hun verbond aan te sluiten. Daardoor werd het een driemanschap. Crassus, een oude tegenstander van Pompejus, was één van de leidende staatslieden en de rijkste man van Rome. Toen de termijn van één jaar van het consulschap van Caesar was verstreken, vertrouwde hij zijn politieke zaken in Rome toe aan zijn twee bondgenoten en vertrok naar Gallië, waar hij als stadhouder was aangesteld.

In Gallië kreeg Caesar de kans een leger op te bouwen en door middel van veroveringen grote rijkdommen en glorie te vergaren. Tegen 50 v. Chr had hij heel Gallië veroverd. Hij had er orde en vrede gesticht en het gebied volledig onder de controle van Rome gebracht. Zijn overwinningen werden door een samenhang van drie factoren tot stand gebracht. Voor een deel kwam dat voor rekening van de trouw van zijn leger, dat een groot respect had voor zijn moed en kunde. Voor een deel kwam het door zijn besluitvaardigheid en geïnspireerde tactieken, waardoor de tegenstander vaak volledig werd verrast. Voor een ander deel kwam het door een gebrek aan eenheid van de Gallische stammen. Hij trok naar Duitsland en Engeland (toen Germanië en Brittannië genoemd), maar hij had niet genoeg manschappen om ook deze landen aan het rijk toe te voegen.

Caesars overwinningen in Gallië maakten grote indruk op de Romeinen. Pompejus raakte er echter ongerust door, omdat hij de macht en het aanzien van Caesar ten koste van zichzelf zag toenemen. Ook Crassus was niet helemaal tevreden over de bestaande afspraken en ook hij werd ongerust. Maar Caesar overwon de geschillen tussen de drie mannen en hield het driemanschap in stand totdat hij zijn oorlogen in Gallië had beëindigd. Crassus sneuvelde tijdens de oorlog tegen de Parthen in het oosten.

Zowel Caesar als Pompejus hadden legers. Geen van beiden wilde die macht opgeven, zo lang de ander dat ook niet deed. Toen de senaat besloot Pompejus te steunen en Caesar het bevel gaf zijn opperbevel af te staan, weigerde deze. Hij deed de beroemde uitspraak ‘de teerling is geworpen’. Daarop leidde hij zijn troepen over het riviertje de Rubico*, dat de grens tussen Italië en Gallië aangaf. en marcheerde in de richting van Rome. Dit was het begin van een burgeroorlog tussen aan de ene kant de Romeinen die hém als heerser steunden. en aan de andere kant de Romeinen die de republikeinse regeringsvorm en de macht van de senaat bleven steunen. De troepen die de senaat steunden, stonden onder bevel van Pompejus. Ze trokken zich terug voor de opmars van Caesar en vluchtten uiteindelijk van Italië naar Griekenland. Caesar achtervolgde hen. In de eerste veldslag in Griekenland werd hij misleid. Maar Caesar hergroepeerde zijn strijdkrachten op een strategische plaats bij Pharsalus. Toen de troepen van Pompejus tot de aanval overgingen, werden ze vernietigend verslagen. Pompejus vluchtte weer, deze keer naar Egypte, waar hij werd vermoord. Maar zijn leger marcheerde verder naar Tunesië. Caesar, die hen nog steeds achtervolgde, bereikte Egypte. Daar ontmoette hij Cleopatra. Hij besloot eerst te rusten, voordat hij via Syrië en Pontus (in Klein-Azië) naar Rome terugkeerde. In die landen onderdrukte hij verschillende opstanden. Hij beschreef zijn overwinning in Pontus in drie woorden: ‘Veni Vidi Vici’ (‘Ik kwam, Ik zag, Ik overwon’).

Caesar keerde in 46 v. Chr. naar Rome terug. Hij was toen de absolute heerser. Hij begon allerlei plannen te maken. Sommige daarvan werden pas door zijn opvolgers uitgevoerd. Die plannen dienden om de regering in het rijk te reorganiseren. Maar hij werd twee keer weggeroepen om het rebellerende leger van Pompejus in Afrika en Spanje te bestrijden. Alles bij elkaar had hij minder dan een jaar om zijn plannen ten uitvoer te brengen. In 44 v. Chr. bereidde hij zich voor op een veldtocht tegen de Parthen om in het oosten meer gebied aan het rijk toe te voegen. Een groep van 60 tegenstanders zwoer tegen hem samen en vermoordde hem. Zijn toenemende arrogantie en dictatoriale beslissingen hadden hun wrevel opgewekt.

*Alea iacta est!

Toen Julius Caesar op een ochtend in januari met zijn leger het grensriviertje de Rubicon overstak, onder het uitspreken van de historische woorden ‘alea iacta est! oftewel de teerling (dobbelsteen) is geworpen, ontketende hij een van de beroemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis. In 2006 schreef de Britse historicus Tom Holland daarover een boek, simpelweg Rubicon getiteld. In dit uitstekend gedocumenteerde werk, dat bij Uitgeverij Athenaeum in Nederlandse vertaling verscheen, beschrijft Holland hoe onder Julius Caesar de Romeinse republiek in een keizerrijk transformeerde. Bovendien weet Holland van de hoofdrolspelers, zoals de generaals Sulla, Pompeius en Julius Caesar, de politicus Cato en de redenaar Cicero, mensen van vlees en bloed te maken. De vele afbeeldingen en kaarten maken Rubicon tot een regelrechte aanrader van liefhebbers van de Romeinse (en dus de Italiaanse) geschiedenis.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

1021-947

VRIJESCHOOL – 5e klas – vertelstof – Odysseus

.

De zwerftocht van Odysseus

Polyfemus, de éénogige reuzencycloop, was eindelijk in slaap gevallen na een uitgebreide maaltijd bestaande uit mensenvlees. Dit was het ogenblik waarop de gevangen Grieken hadden gewacht. De scherpe stam van een olijfboom was in het vuur gloeiend heet gemaakt. Met vereende krachten stootten de gevangenen de stam door het oog van de reus. Waanzinnig van pijn en woede brulde de cycloop: ‘Broeders, help…, help me toch…!’De cyclopen in de omgeving hoorden het hulpgeroep van Polyfemus en snelden naar zijn hol in de rotsen. Ze konden echter z’n hol niet binnen, want Polyfemus had een groot rotsblok voor de ingang gerold. Alleen Polyfemus had de kracht het rotsblok te verplaatsen. ‘Wat is er aan de hand?’ schreeuwden de toegesnelde reuzen. ’Niemand maakt mij dood…!’ antwoordde Polyfemus vanuit de grot. Verbaasd keken de cyclopen elkaar aan. ’Als niemand je dood maakt, dan heb je zeker een nachtmerrie. Moge Poseidon je daarvan bevrijden.’ Met die woorden draaiden de cyclopen zich om en gingen terug naar hun eigen holen.

De gevangen Grieken konden elkaar opgelucht aankijken. De kans dat ze uit handen van de reus zouden blijven was groter geworden. De list van hun aanvoerder was geslaagd. De cycloop had geloofd dat deze ’Niemand’ heette. Wie was die ’Niemand’? Het was Odysseus, één van de beroemdste helden uit de Griekse mythologie.

De blinde dichter Homerus
In het Oude Griekenland waren tal van verhalen over Odysseus in omloop. De Ilias en de Odyssee zijn de belangrijkste werken die de Griekse dichter Homerus heeft geschreven. Maar wie was eigenlijk Homerus? Waar leefde hij? De geschiedenis van het Oude Griekenland laat deze vragen onbeantwoord. Er wordt verteld dat Homerus blind was. Verschillende steden in Griekenland eisen de eer op dat Homerus op hun grond werd geboren. Sommige deskundigen menen dat de verhalen rond Odysseus van geslacht op geslacht zijn doorverteld. De verhalen werden steeds mooier, spannender en uitgebreider. In de 8e eeuw voor Chr. zou Homerus tenslotte deze verhalen op schrift hebben gesteld als de Ilias en Odyssee.

De held Odysseus
Homerus beschrijft in zijn heldendicht Ilias de avonturen, die Odysseus beleefde na de inname van de stad Troje. Deze stad werd tien jaar lang door de Grieken belegerd. Odysseus veroverde de stad tenslotte door een houten paard, met daarin Griekse soldaten verstopt, de stad binnen te brengen. Dankzij deze list kon Troje worden veroverd. De Griekse koningen keerden met schepen vol buitgemaakte goederen terug. Ook Odysseus en zijn mannen lichtten het anker en voeren terug naar het eiland Ithaca, waar Odysseus koning was. De god van de zee – Poseidon – was Odysseus echter niet gunstig gezind. Poseidon stuurde een verschrikkelijke storm, die de schepen van Odysseus naar vreemde en angstaanjagende stranden dreef. Odysseus was vastbesloten om naar zijn vrouw en zoon op Ithaca terug te keren. Dat gaf hem steeds weer de kracht om alle gevaren het hoofd te bieden, zoals we hierboven kunnen lezen in het avontuur met de cyclopen.

Na een zwerftocht van tien jaar keerde Odysseus eindelijk weer terug naar zijn vaderland. Het werd geen prettige thuiskomst. De edelen hadden van de afwezigheid van hun koning gebruik gemaakt om zijn paleis te bezetten. Eén van hen had zelfs het plan opgevat om met Odysseus’ vrouw Penelope te trouwen. De wraak van Odysseus was verschrikkelijk. Vermomd drong hij zijn eigen woning binnen en doodde alle edellieden. Na een zwerftocht van tien jaar was de held van Troje eindelijk weer heerser over Ithaca.

Een Franse geleerde, Victor Bérard, heeft getracht de reis van Odysseus in kaart te brengen.

Odysseus 1

Homerus heeft vele van de plaatsen die in de ‘Odysseus’ voorkomen, zó nauwkeurig beschreven, dat sommigen menen dat hij er zelf moet zijn geweest. Toch is het waarschijnlijker dat Homerus zijn inlichtingen heeft gekregen uit de verhalen van de zeelieden. Bérard heeft aan de hand van het boek “Odysseus’ het gehele Middellandse Zeegebied afgereisd om de vermelde plaatsen aandachtig te bestuderen. Hieronder zijn gereconstrueerde route.

Odysseus 2

1. Troje, de stad van Klein Azië, waar de zwerftochten van Odyssees begonnen.

2. Het land van de Kikonen, waar een aantal vrienden van Odyssees na een overvloedige maaltijd werd gedood.

3. Het land van de Lotuseters, het huidige Jerba in Tunesië (Noord-Afrika). Wie van de kostelijke lotusvrucht at, verloor alle herinnu ringen aan z’n vaderland.

4. Het land der cyclopen. Door een list slaagde Odysseus aan de mensetende reuzen te ontspannen.

5. Het rijk van Eolus, de god van de wind. Hier werd Odysseus vriendelijk ontvangen. De slimme Eolus gaf hem echter een zak vol storm als geschenk mee. Odysseus’ metgezellen, die dachten dat de zak kostbaarheden bevatte openden deze en een vliegende storm dreef de schepen in de richting van Sardinië.

6. Land der Laistrygonen. Zij waren mensetende reuzen. Een overhaaste vlucht onder een regen van rotsblokken bracht slechts enkelen redding. Alleen het schip van Odysseus bleef gespaard.

7. Het eiland van de tovenares Kirke. Kirke veranderde Odysseus’ kameraden in zwijnen. Gelukkig werd de betovering op aandrang van Odysseus verbroken.

8. De betoverende zangkust van de Sirenen kon worden weerstaan, omdat Odysseus zichzelf aan de mast vastbond en de oren van zijn mannen volstopte met was.

9. Twee verschrikkelijke monsters wachtten Odysseus op in de Straat van Messina. Skylla verzwolg matrozen van schepen die Charybdis in draaikolken schipbreuk liet lijden.

10. De overgebleven mannen van Odysseus werden in een woeste storm gedood, omdat zij zich hadden vergrepen aan de heilige runderen van de zonnegod Helios. Alleen Odysseus bleef gespaard.

11. Het eiland van de nimf Calypso. Negen dagen achtereen dreef Odysseus op zee en klemde zich vast aan een stuk wrakhout. De tiende dag spoelde hij aan op het eiland van de nimf Calypso. Hij zou er zeven jaar blijven.

12. Odysseus vergat zijn land niet. De goden droegen de nimf Calypso op Odysseus te laten vertrekken. Een vlot zou hem naar Ithaca voeren, maar door een storm verging zijn vlot. Zwemmend bereikte hij de kust van het eiland der Faïaken, waar hij door de koningsdochter Nausicaä werd ontvangen. De koning van de Faïaken zorgde ervoor dat Odysseus een schip kreeg. Eindelijk kon hij naar zijn vaderland terugkeren.

13.Vermomd drong Odysseus zijn paleis binnen, waar de edelen de macht over hadden genomen. Penelope, Odysseus’ vrouw, moest zelfs met één van hen trouwen. De pijlen van Odysseus tenslotte doodden alle edelen. Vanaf dat moment waren zijn zwerftochten ten einde. Odysseus was weer koning van Ithaca.

Odysseus 3

De sage van Odysseus
Zoals alle mythen, heeft het verhaal van Odysseus een diepere bedoeling. Met de dappere, ondernemende en slimme Odysseus wordt de ‘mens’ bedoeld. Net zoals de held uit het verhaal verlangt ieder mens ernaar het geheimzinnige te ervaren en te ontdekken. Door het verstand onderscheidt de mens zich van het dier en juist die eigenschap stelt hem in staat om moeilijkheden te overwinnen.

Drie dichters uit verschillende tijdvakken hebben de avonturen van Odysseus beschreven. In de allereerste plaats was dat natuurlijk Homerus, die de mondelinge overlevering op schrift heeft gesteld. Later beschreef de Romein Vergilius hoe Odysseus een houten paard, met daarin soldaten verstopt, gebruikte om de stad Troje te veroveren. Ten slotte beschreef de Italiaanse dichter Dante de reis van Odysseus.

Maar Dante nam de vrijheid de avonturen van Odysseus een ander eind te geven.

Een eind Odysseus waardig: Volgens Dante voer Odysseus tenslotte door de Zuilen van Hercules – de Straat van Gibraltar – om nieuwe werelden te ontdekken in onbekende oceanen. Voordat de grijze Odysseus vertrok, vermaande hij zijn reisgenoten: ‘Vergeet niet dat de mensen niet zijn bestemd om als dieren te leven, maar dat zij dienen te zoeken naar deugd en erkenning…

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas: alle beelden

1016-942

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Ptolemeus l

.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I 367-283 v. Chr.

Ptolemeus I was de zoon uit een onbekende Macedonische familie. Door zijn militaire loopbaan bereikte hij onverwacht een hoge positie. Hij diende als generaal onder Alexander de Grote. Hij maakte lange reizen, zelfs helemaal naar India. Hij kreeg veel lof toegezwaaid voor zijn militaire inzichten en werd daarvoor vele malen onderscheiden. Hij trouwde met een Perzische vrouw. Van 323-305 v. Chr. was hij satraap van Egypte en daarna nam hij de koningstitel aan. Hij bewees een kundig diplomaat en regeringsleider te zijn. Hij bouwde een bewonderenswaardig centrum van de Griekse cultuur, werd in Egypte als een god beschouwd en legde de grondslag voor een dynastie die in Egypte bijna driehonderd jaar aan de macht zou blijven.

Ptolemeus kwam na de dood van Alexander de Grote in Egypte aan het bewind. Zijn generaals hadden het enorme rijk onder elkaar verdeeld.
Het rijk bleef in naam bestaan en de generaals deden dienst als plaatselijke bestuurders. Maar in feite was er tussen hen vanaf het begin een strijd om de macht.
Ptolemeus koos binnen deze machtsstrijd voor een voorzichtige koers. Hij richtte zich voornamelijk op Egypte. Hij hechtte het meeste belang aan het veilig stellen van zijn positie. Maar hij aarzelde nooit nieuw gebied in te nemen, wanneer hij dacht dat het hem zou helpen te behouden wat hij al had.

In 321 v. Chr. trouwde hij met Eurydice, de dochter van de heerser over het Europese gedeelte van Macedonië. Hij nam in 317 een andere vrouw. Dit was Berenice, de kleindochter van Cassander, die uiteindelijk de heerser van Macedonië en Griekenland werd. In 305 v. Chr. lieten de ruziënde generaals alle schijn over de eenheid binnen het rijk varen en benoemden zichzelf in hun eigen gebied tot koning. Ptolemeus kroonde Berenice tot koningin en wees zijn eigen zoon aan om hem als Ptolemeus II op te volgen. Tijdens zijn regering was Ptolemeus voor het vormen van zijn leger afhankelijk van Griekse soldaten. Hij zorgde ervoor dat ze hem trouw bleven door hun in Egypte land en bijzondere voorrechten te geven. Andere Grieken werden ook aangemoedigd zich in Egypte te vestigen. Vele van hen kregen overal in Egypte hoge regeringsfuncties. In 332 v. Chr. had Alexander de Grote aan de monding van de Nijl een nieuwe stad gesticht, Alexandrië. Ptolemeus bouwde daar een nieuwe hoofdstad en stichtte er een museum en een bibliotheek. De stad werd het middelpunt van een nieuwe Griekse cultuur. Veel filosofen, geleerden, schrijvers en kunstenaars uit die tijd trokken er naar toe. De stad werd ook een centrum voor wetenschap en handel. De vuurtoren van de haven werd één van de wonderen van de Oudheid genoemd. Ptolemeus leefde er, omringd door de pracht en praal van een Griekse hofhouding, temidden van bevoorrechte immigranten. Dit waren niet alleen Grieken, maar ook Joden, Syriërs en Anatoliërs.

De oude Egyptische cultuur bleef naast de nieuwe Griekse beschaving bestaan. Hoewel de Egyptenaren niet veel macht meer hadden en ze het land met de Grieken moesten delen, behielden ze hun eigen taal, gewoonten en godsdienst. Ptolemeus won hun vertrouwen door de tempels die door vroegere indringers waren verwoest, weer op te rouwen. Hij offerde geschenken aan hun goden en steunde hun priesterstand. Ook vestigde hij in Memphis, de oude hoofdstad, een nieuwe religieuze cultus, die gebaseerd was op de aanbidding van een gezamenlijke Grieks-Egyptische god, Serapis. Ptolemeus werd na zijn dood door de Egyptenaren als god vereerd.
Ptolemeus werd opgevolgd door een lange lijn ztt troonopvolgers die allemaal Ptolemeus heetten. De laatste in die lijn was Cleopatra. Ze regeerde in Egypte, nadat dit land een vazalstaat van het groeiende Romeinse Rijk was geworden. Ze kreeg een kind van de Romeinse veldheer en politicus Julius Caesar. Later trouwde ze met Marcus Antonius. Misschien koesterde ze de hoop dat ze daardoor weer de volledige onafhankelijkheid van Egypte kon bewerkstelligen. Maar de Romeinen haatten en vreesden Cleopatra. In 31 v. Chr. stuurde Rome een vloot naar Alexandrië. Antonius en Cleopatra verzetten zich, maar toen ze inzagen dat ze onmogelijk konden winnen, pleegden ze allebei zelfmoord. Op die manier kwam er een einde aan de door Ptolemeus gestichte heerschappij.

Door de lange heerschappij van de Ptolemeeën werd de Griekse cultuur versterkt en verspreid. Nog belangrijker is, dat ze in Alexandrië een centrum voor de wetenschap stichtten, dat de hele wereld van de Oudheid beïnvloedde en verrijkte.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I, die opdracht geeft voor het bouwen van het museum in Alexandrië. Onder het bewind van Ptolemeus werd Alexandrië een centrum van de wetenschap, dat in de wereld van de Oudheid op eenzame hoogte stond. In de volgende eeuwen behield het deze status.

alle biografieën

5e klas geschiedenis

1012-938

VRIJESCHOOL – Vertelstof – mythen

Geen enkel onderwijstype heeft in zijn leerplan zoveel ‘cultureel erfgoed’ als de vrijeschool.
Sprookjes, fabels. legenden, verhalen uit het Oude Testament, volksverhalen en mythen.

Wie (klassen)leerkracht is, weet uit de ervaring, hoe de kinderen vrijwel allemaal opgaan in deze verhalen die rond een bepaalde leeftijd worden verteld.

Soms wordt er ‘op hoger niveau’ gediscussieerd over de waarde van of het gevaar van, of over ‘de ideologie van’ enz.

Lang geleden schreef Edith Boeke  n.a.v. zo’n vraagstelling een artikel, waarvan de inhoud niet achterhaald is – al zijn aanleiding en omstandigheden wel gedateerd.

DE OPKOMST VAN HET MYTHISCH DENKEN

Terug naar af?

In september vorig jaar* werd in Brussel een bijeenkomst gehouden onder de cryptische naam: Het Transpersonale Congres.
In Haagse Post schreef columniste Emma Brunt een week later: ‘Vertegenwoordigers van misdadige therapeutische stromingen, religieuze laaienlichters, alternatieve knollenkwekers met een medicinale kruidentuin en een ongezonde belangstelling voor De Heilige Grond, crypto-fascisten als Mellie Uyldert die wars zijn van ‘rasvermenging’, de Elfen van Findhorn, kortom het hele scala van obscurantistische warhoofden dat de afgelopen twintig jaar campagne heeft gevoerd tegen de rationaliteit in naam van een meer verlichte levenswijze, had zich daar verenigd onder leiding van ene mevrouw Ferguson die dit zootje ongeregeld wil drillen tot een internationale stoottroep, de Aquarian Conspiracy’.
Het feit dat deze ‘reïncarnatie van het bijgeloof’, opgekomen in de jaren zestig, gevestigd in de jaren zeventig, niet in de jaren tachtig is bezweken onder de druk van de economische recessie, zet haar aan het denken. ‘Waren de antroposofen, Baghwan, de Soefi’s, de Yoga-aanhangers, de Zenmeesters en hoe ze verder mogen heten, inmiddels aan het zieltogen, dan zou iedere socioloog vergenoegd opmerken dat hij het wel had zien aankomen, net als ik trouwens’, merkt Emma Brunt niet zonder spijt op. Maar het ‘magisch denken’ en de ‘pseudo-wetenschap’ houden stand en de columniste kan en wil haar ongenoegen daarover niet verhelen.

Deze citaten uit de Haagse Post vormen een topje van een publicitaire ijsberg. Er is het afgelopen jaar veelvuldig geschreven over het verschijnsel dat het ‘mythische denken van de jaren zestig’ kennelijk meer was (is) dan een hedonistisch en narcistisch modeverschijnsel, mogelijk gemaakt door economische groei en aanwas van vrije tijd.
In NRC-Handelsblad van 21 november 1984 stelt Andre Spoor de vraag: ‘Is het mystische denken onweerstaanbaar in opmars?’ Hij doet dat naar aanleiding van een conferentie in New York: The Presence of Myth in Contemporary Life. Spoor concludeert dat de opkomende belangstelling voor mythische elementen niet per se atavistische, reactionaire of obscurantistische trekken hoeft te hebben. Vaak is dat naar zijn mening echter wél het geval.

Vergelijkbare bedenkingen drijven mee in het kielzog van de aantijgingen tegen de antroposofie, als zou deze niet vrij zijn van racistische smetten. In een artikel van de heer Zondergeld, gepubliceerd in ’t Kan Anders, wordt Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, ‘mistige occulte prietpraat’ aangewreven, bijvoorbeeld over Atlantis. (‘een reeds lang en breed achterhaald bij geloof’). Eenzelfde teneur spreekt uit een recentelijk artikel in de Haagse Post, waarin ‘de opmars’ van de antroposofen wordt beschreven. Een laatste voorbeeld uit de vele publicaties over het mythische denken is een uitvoerig en kritisch artikel in een zaterdagbijlage van De Volkskrant door Johanneke van Slooten over de zogenaamde New Age-beweging. Een citaat: ‘De mythe is net een stofzuiger. Hij ruimt alle twijfels, alle problemen op, zodat er weer orde heerst’.

Marge
Wij zullen bij de beoordeling van elk tijdsverschijnsel – en zeker bij dat van de opkomst van het ‘mythische denken’ – steeds rekening moeten houden met het feit dat er altijd vanuit het verleden en vanuit de toekomst iets in de mensen bij elkaar komt. Die ene stroom vanuit het verleden draagt ons oude mythische beelden aan: als gymnasiast moesten we ons nog een Helleense Mythos aanschaffen, ‘een lusthof van bonte verhalen’, speels en grappig, karikaturaal dus, verlucht voor jonge lieden. De Griekse tragedies, voortgekomen uit de mysteriën, mochten eeuwenlang onverdacht literatuur, schilderkunst en muziek inspireren: van speelse wulpserieën van de klassieke Franse schilderkunst tot Sartre’s Les Mouches, Anouilhs Antigone, en talloze herscheppingen van Arthur Miller, Steinbeck, Kafka, Vestdijk, Nijhoff, enzovoort. In deze werken wordt vooral dat ‘tragische’ levensbesef uitgedrukt dat als dimensie ontbreekt aan de westers rationeel christelijke levensbeschouwing. Het vindt zijn weg in de kunst, en dus in de marge.

In toenemende mate zien wij de volgende schizofrenie optreden: er is een manier van denken, van leven en van maatschappelijke ordening die ‘erkend’ wordt: het is de geasfalteerde weg waarover we innerlijk en uiterlijk te lopen hebben; de weg is die van wat ooit het rationalisme is geweest, de natuurwetenschap en de staatserkenning: een patriarchaal hiërarchische ordening. Daardoor ontstaat er aan de kant van de officiële weg, in de marge, natuurlijk van allerlei: op smalle weggetjes, in bosjes en verborgen hoekjes speelt zich van alles af dat op de grote weg niet mag. Kunst is dan in zoverre ‘erkend’ dat zij de wegkant mag opsieren, maar echt meedoen is er niet bij. Kortom: er bestaan uitlaatkleppen te over voor de menselijke ziel, in allerlei alternatieven, die zeker als gemeenschappelijk uitgangspunt kritiek op de brede asfaltweg van een smalle rationaliteit en efficiency hebben. Het zou de rationalisten en materialisten tot zelfreflexie kunnen aansporen: wat schort er aan onze manier van doen en denken?

Hoopgevend in dit verband is dat kritiek op het rationalisme niet alleen uit ‘obscurantistische’ hoeken komt (en die obscure hoeken zijn er zeker; er wordt voortdurend en terecht op de ‘wetenschapskritiek’ van de nazi’s gewezen, op hun irrationaliteit en hun oneigenlijk gebruik van begrippen als instinct en intuïtie) – maar ook van de kant van door en door te goeder trouw zijnde denkers en schrijvers als de christen-marxist Garaudy en de humanistisch-socialist Erich Fromm bijvoorbeeld. De werkelijk zinvolle kritiek komt vooral van de kant van mensen die het politiek en levensbeschouwelijk onverenigbare in hun eigen ziel en denken tot een eenheid proberen te brengen. Zonder innerlijke strijd of zelfreflexie hebben wij geen nieuwe cultuurwaarden te verwachten.

Garaudy bijvoorbeeld streeft naar een volheid van bestaan, waarin plaats is voor het geloof waar Jezus van Nazareth van getuigde en dat Liefde als kern heeft. De traditionele rede kan geen antwoord geven op levensvragen. Jezus van Nazareth is voor de traditionele rede echter evenzeer een mythe als Zeus of Donar.

Erich Fromm bekritiseert de oppermachtige logica en vindt een paradoxale logica, niet alleen bij Hegel of Marx, maar ook bij Heraclites. Ook bij Fromm wordt de laatste werkelijkheid niet door het denken begrepen, maar in de beleving van de eenheid. Er is dus sprake van een zeer wezenlijke en gerechtvaardigde kritiek op de rationele, hiërarchisch-logische manier van denken die zich van de levende werkelijkheid heeft afgesneden en zich heeft prijsgegeven aan de technologie en tot een mechanisch denken is geworden. Deze kritiek wil een kwaliteitsdimensie aan leven, mens en milieu toevoegen; een kwaliteitsdimensie ook aan het eigen beleven.

Een dergelijke behoefte leeft onder een steeds  groter aantal mensen. De Mythe van Moedertje Staat en haar alles dirigerende en wetende Ambtenaren – de priesters van de Farao – voldoet niet meer. De Godin van de Rede is oud geworden, en een mensbeeld waarin het hart als pomp en de melk als motor functioneert, kan de dorst van de ziel niet lessen. Zo is het begrijpelijk dat er mensen zijn die terugkeren tot oude mythische voorstellingen. Begrijpelijk en ook gevaarlijk. Want voor we het weten is de mythe tot ideologie verheven, zoals ook de nazi’s hebben gedaan. Per definitie is de mythe geen ideologie. Maar wat is zij dan wel?

Beeldbewustzijn
Mythen vormen de neerslag van een totaal ander, in lang vervlogen tijden algemeen menselijk bewustzijn: het beeldbewustzijn. Daaruit stammen niet alleen de mythische voorstellingen, maar ook sagen en sprookjes. Om een indruk van dit oude bewustzijn te krijgen, moeten we naar de oude verhalen van heel veel verschillende volkeren kijken: van de Australische Aboriginals, de indianen, Egyptenaren, Babyloniërs, Perzen, Indiërs, Chinezen, de Slaven, Germanen, Grieken tot aan de Lappen en Eskimo’s toe. Totaal verschillende verhalen, totaal verschillende dimensies, maar één ding hebben zij gemeen, er is een sterke samenhang, een directe verbondenheid tussen natuur, cultuur en godsdienst. De inmenging van goden en geestelijke wezens, hoe verschillend ook, is existentieel. De hele natuur is doordrongen van goddelijk-geestelijke wezens van allerlei rangorden:  de hele natuur is terug te voeren op deze, voor het menselijk bewustzijn in oude tijden reëel zichtbare en beleefbare wezens, die in de aarde-natuur, in de kosmos en in de mens werkzaam zijn.

Het oude beeldbewustzijn bedient zich aanvankelijk helemaal niet van begrippen: taal is daar nog die puur magisch-cultische oorsprong van de poëzie (de ‘toverspreuk’). Er is dus in plaats van een begripsbewustzijn (door de westerse mens ontwikkeld tot de ontzagwekkende hoogte van abstractie bij Kant en Hegel), een bewustzijn dat de wereld in en buiten zich direct in beelden beleeft.

Een goed voorbeeld is hier het begrip tijd. Dat begrip is voor ons volledig geabstraheerd en vermaterialiseerd tot de tijdsindeling op een horloge en de uitspraak ‘time is money’. Zo niet voor het oude beeldbewustzijn, van de Grieken in dit geval. Het Griekse woord voor tijd is Chronos. Chronos wordt ook wel met ruimte vertaald. Alles wat in de ruimte bestaat, alles wat dus een materiële vorm heeft aangenomen, is onderhevig aan vertering, gaat ten onder, verslijt. Met andere woorden: tijd werd gezien in beeld als vuur, zelfs als een wezen vuur, wiens activiteit erin bestaat alles te verteren, te verbruiken van het leven van een ander wezen, namelijk Chtoon. In de natuur en mens verteert Chronos Chtoon. In de activiteit van het vuur heeft men tegelijkertijd een beeld van de tijd. Later wordt het wezen Chtoon tot het begrip materie. In de beeldspraak van de poëzie vinden we veel wat wezenlijk terugwijst op het oude beeldbewustzijn. Zo is het beeld bij ons begrip hoop, dat van een opstijgende leeuwerik, en voor die van een opkomende gedachte: een kiemend plantje.

Bloedsbanden
Het beeldbewustzijn was sterk gekoppeld aan bloedsbanden, aan mensengroepen die zich als de vingers aan de hand van hun volk, hun clan,  hun familie beleefden. In de Bhagavad Gita wordt het schokkende moment beschreven waarop Ardjuna door Krishna, de wagenmenner – die zich later als Godheid openbaart – wordt aangespoord de strijd tegen zijn familieleden aan te binden. Hij voelt zich alsof zijn linkerhand met zijn rechter moet strijden. Maar in de loop van het verhaal, dat eigenlijk is opgebouwd uit de leringen (de Yoga’s) van Krishna, komt hij tot een moderner soort bewustzijn: individueler en abstracter. Ardjuna is dan zijn tijd vooruit.
Bij een terugval op de mythologie, zoals bijvoorbeeld bij de nazi-ideoloog Rosenberg, wordt vaak aan deze bloedsbanden en rassen volkskenmerken geappelleerd. Maar die bloedsbanden vormen al lang geen wezenlijke kracht meer. Al bij de oude Grieken putten kunst, staatkunde en filosofie uit mysteriewijsheid uit het Europese noorden, het Aziatische oosten en het Egyptische zuiden. De bloedsbanden van de families werden vervangen door de nieuwe banden die de polis, de stadstaat, schiep.

Schijnwerkelijkheid
Bij de oude Grieken vinden we ook op allerlei manieren de overgang van het oude beeldbewustzijn naar die ons zo vertrouwde van het rationele denken. Het geeft hun verhalen iets herkenbaars, terwijl voor veel westerse mensen de verhalen uit de nog oudere culturen en van de natuurvolken eerder bizar en verheven overkomen.

Zo zien we de Achaeische helden rond koning Agamemnon bij de belegering van Troje: wanneer hun kamp met Gods wraak door pest wordt geteisterd, worden niet alleen zoenoffers gebracht aan de toornige Zeus, maar ook heel rationeel het kamp met zeewater ontsmet. En we zien de priester-arts Hippokrates van Kos zijn patiënten niet alleen in een heilzaam werkende tempelslaap brengen, maar ook notitie nemen van het klimaat waarin de patiënten woonden, de voedingsgewoonten, polsslag en ademhaling.

De grootste historische figuur in wiens werk de overgang van beeld naar rationeel bewustzijn zichtbaar wordt is Plato. Algemeen bekend is zijn ideeënleer. Om deze leer te brengen maakt Plato gebruik yan een beeld: de beroemde allegorie van de grot. De mensen zijn eigenlijk gevangen in de grot. Daarvan zijn zij zich niet bewust. Als enige realiteit ervaren ze de schaduwbeelden van wat zich buiten in het heldere licht van de zon afspeelt. Buiten de grot zijn de wezenlijke dingen; binnen ziet men niets dan hun schaduw. De grot stelt het aardse leven van mensen voor, en wat wij voor wezenlijk houden is schijnwerkelijkheid. Buiten is het licht van de zon (de geestelijke werkelijkheid)  leven de ideeën van alle dingen, dat is zoveel als hun wezen: de hoogste idee en oorzaak van alles is de zon als idee van het goede.

Wanneer we nu kijken naar het Griekse woord idee, dan staat daar eidos of idea. (Ons woord idee is daar dus rechtstreeks van afgeleid.) Nu betekenen deze woorden in de eerste plaats (zie gewoon woordenboek) gezichtsbeeld, gestalte, uiterlijk. Pas daarna volgt als betekenis totaalindruk, denkbeeld, idee. Dit laatste als bijzonderheid bij Plato: ‘Idee, als voorstelling van de formule die de veelzijdige werkelijkheid aan algemene normen bindt’. Deze explicatie is duidelijk al een interpretatie. Voor Plato hadden zijn ideeën nog een gezicht, een gestalte; voor hem manifesteerde het wezen der dingen zich in de idee.

Verbrokkeling
Als moderne mensen, zeker de ‘idealisten’ onder ons, kunnen we dit abstracte wezen van alle dingen, deze ideeën en idealen, misschien beter benaderen, wanneer we er de functie, de functionaliteit voor nemen. Het wezen van de verschillende dingen is datgene waardoor iets functioneert. Een werkelijk ideaal kan niet anders dan werkelijk functioneren. Bij Aristoteles wordt het begripsmateriaal verder uitgewerkt en gesystematiseerd in categorieën, zoals deze filosoof ook de dierenwereld in verschillende soorten onderbracht.

We kunnen in de loop van de geschiedenis waarnemen hoe steeds meer verschijnselen zich als het ware ontvouwen, ontwikkelen en verzelfstandigen vanuit een oorspronkelijke eenheid. Wanneer ziel en natuur en geest, wanneer religie, wetenschap en kunst uit elkaar gaan liggen, ontstaat de ons omringende wereld in steeds fijnere vertakkingen onderdelen en specialismen, onderwerp van onze waarneming, en buiten onze innerlijke belevingswereld geplaatst. Een voortdurend verder analyseren en differentiëren; de eenheid is zoek, de verbrokkeling totaal.

Wild Man
Geen wonder dus als men op congressen (behalve de genoemde te Brussel en New York ook een op Kreta, en wel over ‘Mythos, yesterday en today’) op zoek gaat naar de eenheid, en de mythisch-logische reconstructie van de mens. ‘Misschien kom ik over een week wel herboren uit dit congres te voorschijn en start ik mijn nieuwe leven met een nieuwe mythe, wordt opgemerkt (journaliste Johanneke van Slooten van de Haagse Post maakte het congres op Kreta mee en schreef er een -wellicht terecht – zeer kritische beschouwing over). Ook de aanwezige Duitse schrijver Günter Kunert merkt op dat het ‘zoeken naar de mythe de zucht is naar een nieuwe religiositeit, naar een geloven en niet naar nieuwe kennis of inzichten’. Op dat niveau ligt ook de ideologie-vorming.

De nieuwe ideologieën concentreren zich tijdens dit congres dan vooral rond neo-matriarchale verheerlijking van het oorspronkelijk-vrouwelijke, en de daar natuurlijk direct bij aansluitende mythe van de Dionysische ‘Wild Man’. In een rationele, koude en verburgerlijkte samenleving is de erotiek uiteraard in de marge geschoven, wat zich dan wreekt met de harde seks-en porno business. Wanneer we de mythologieën al te letterlijk nemen, en dus niet meer als beeld, valt er niet alleen op het gebied van de erotiek veel te halen, maar worden de sluizen open getrokken voor anachronismen van allerlei soort.
Iemand die daar rijkelijk uit put is Mellie Uyldert. In een betrekkelijk recent  verleden werden bloedsband-theorieën van de Nationaal Socialisten en het Derde Rijk direct op de oude Germaanse mythologieën geënt: daar liggen de gevaarlijke interpretaties, waar men de historische dimensie van de mythe wil terug halen. Dan roepen de Italianen om hun Romeinse Caesaren, en Duitsers om niet meer bestaande bloedsbanden.

Reactionair
Behalve de sensus historicus (al die verhalen hebben zich ooit eens ergens gedurende de mensheidsontwikkeling op de een of andere manier afgespeeld), kunnen de mythe en het sprookje ook als beeld in hun allegorische betekenis worden begrepen. Het beeld werkt sterk op de ziel (sensus moralis), want het werkt met archetypen zo men wil; met duidelijke beelden van goed en kwaad, met de diepste problemen van dood en leven, met thema’s als opstanding en loutering. Niet voor niets werkten de Griekse tragedies als een loutering van de ziel, een catharsis; en in feite moet iedere werkelijke kunst een dergelijke doorleving mogelijk maken. In die zin gebruiken psychotherapeuten in navolging van Jung en Marie-Louise von Franz de beelden ook als genezingsmiddel.

Tenslotte is er nog een sensus eschatologicus aan ieder verhaal: een interpretatielaag die zich tot in de toekomst uitstrekt. Zo vinden we in de Griekse mythologie veel eschatologie in de zin van een waarschuwend bedacht zijn op de scheiding van het mannelijke en vrouwelijke, als kwaliteit begrepen: het vrouwelijke gevoel dat het mannelijke rationele denken bijstaat in het verhaal van Ariadne en Theseus; het vrouwelijke dat geofferd wordt aan het mannelijke (het offer van Iphigeneia). Verschillende, zowel negatieve als positieve aspecten van het vrouwelijke en mannelijke zijn in deze verhalen herkenbaar voor de menselijke ziel, in wie al deze krachten in verschillende verhoudingen leven.

Zo kunnen we van de mythologieën als beeld veel leren, over onze eigen ziel, en over onze eigen ‘beschaving’. We kunnen er echter geen ideologie aan ontlenen; terug naar het Oude Eenheidsbeleven, de natuur en de bloedsbanden die niet meer bestaan, gaat nu eenmaal niet. Overal waar het verleden onveranderd in het heden wordt geprojecteerd, ontstaat het reactionaire, conservatieve, retarderende kwaad.

Nieuwe imaginaties
En dan is daar met betrekking tot de hernieuwde belangstelling voor mythen en sprookjes, ook de stroom die de mensen uit de toekomst tegemoet komt: de stroom die doet verlangen naar de ontwikkeling van een nieuw beeldend (‘imaginatief’) bewustzijn. Dit imaginatieve bewustzijn kan niet voortborduren op oude beelden; integendeel. Het zal geheel opnieuw in mensen zelf moeten worden ontwikkeld en aangeleerd.

In deze zin – het is goed daar eens duidelijk op te wijzen – onderscheidt de antroposofie zich zeer in het bijzonder van de andere alternatieven: het geeft stap voor stap een bewuste, denkende weg tot dat nieuwe bewustzijn aan. De nieuwe ‘imaginaties’ kunnen denkend begrepen worden; het zijn werkelijke denkbeelden in de zin van totaalbeelden, die niet illustratief, maar levend-
groeiend zijn en voor steeds verdere uitwerking en toepassing vatbaar. Zo ontwikkelde Goethe zo’n eerste imaginatie, toen hij aan de hand van
plantenstudies – niet in de zin van determineren, maar juist van relateren van de verschillende groeifasen tot zijn beeld van de oerplant kwam: het wezen dat aan alle planten ten grondslag ligt, de functie die in alle planten werkzaam is.

Nieuwe imaginaties zullen functionele denkbeelden zijn; geen abstracties of theorieën die de werkelijkheid onrecht doen, maar bruikbare en in de levende werkelijkheid wortelende voorstellingen.

Een belangrijke imaginatie heeft Rudolf Steiner ontwikkeld in de vorm van het beeld van de drieledige mens: de mens die met een zenuw-zintuigstelsel, een ademhalingsstelsel, en een stofwisselingsgebied het belangrijkste middelpunt voor het denken in het hoofd heeft, voor het voelen in het ‘ritmische’ middengebied, en voor het willen in de onderpool van het stofwisselingsstelsel. Aan dit beeld geeft hij een zowel fysiologische als psychologische grondslag, die het uitgangspunt vormen voor een geheel nieuwe, intussen in talrijke scholen gepraktiseerde pedagogie.

Hiermee samenhangend – hoewel zeker niet analoog – is een andere belangrijke imaginatie gegeven: die van de driegeleding van het sociale organisme. Waar alle maatschappelijke, economische en politieke problematiek zich uiteindelijk concentreert rond de vragen van individu en collectiviteit, van vrijheid, gelijkheid en broederschap, wordt door de driegeleding van het sociale organisme (en dat is net zomin een driedeling als dat mensen uit een losse kop, een losse borst en een los onderlijf bestaan) deze problematiek in haar juiste verhoudingen gezien: wij zijn vrij, en optimaal individueel binnen het gebied van het geestesleven, wij zijn volstrekt gelijk aan alle anderen voor het politieke rechtsleven, en wij hebben in allerlei verhoudingen van broederlijkheid en zusterlijkheid met elkaar te maken in het economisch leven.

In zo’n maatschappij krijgt de menselijke beleving die kwalitatieve aanvulling waar zo naar wordt gezocht. Vanuit een creatief, want vrij, geestelijk-cultureel leven, kan de menselijke redelijkheid zich werkelijk in een politiek-actief rechtsleven oefenen, en kan ‘de leer van Jezus van Nazareth, waarvan de kern liefde is’, door ieder van ons in het economische leven worden gepraktiseerd.

Een ‘nieuwe mythe’ zou die van een organische, rechtvaardige, broederlijke wereldeconomie kunnen zijn: de grootste algemeen menselijke band die er bestaat. Dat is meer dan een verhaal. Dat is een functioneel idee.

Edith Boeke†, Jonas 13, *15-02-1985

vertelstof: alle artikelen

drieledige mens

1010-936

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof Germaanse (1-1) mythologie

.

G.Reyngoud, nadere gegevens onbekend
.

germaanse mythologie in de 4e klas

In de vierde klas worden de verhalen verteld van de Germaanse mythologie. In die verhalen vindt men ontzaglijk veel Goden en helden, die een ontwikkelingsweg gaan die vol van dramatiek is.
Ook in andere mythologieën kent men die verschijnselen.
In de Germaanse verhaalstof vindt men echter ook nog een ander aspect en dat maakt deze verhalen juist zo geschikt voor de vierde klas.

De Germaanse Goden strijden tegen de verkilling en verharding brengende reuzen. Zij doen dat aanvankelijk met veel succes, doch dat blijft niet zo.
Zo langzamerhand moeten de Goden steeds meer prijs geven van hun onbezorgdheid, hun optimisme, hun jeugd, hun alom aanwezige gunstige invloeden. De Goden beseffen dat de confrontatie met het “boze” zal gaan komen. Zij begrijpen ook dat de strijd niet zonder kleerscheuren voor het “goede” zal verlopen. Alle Goden weten dat er een zg. “Godenschemering” komt. Alle Goden bereiden zich op die strijd op eigen wijze voor.
De alvader Odin doet dat heel anders dan de felle strijder Tyr en die weer anders dan de krachtige dondergod Thor. De strijd tegen de koude ijsreuzen, die met hun verkillende invloeden de lente in het rijk der mensen onmogelijk trachten te maken, zal de ondergang van de Goden betekenen.

Ondanks het feit dat de Goden dit weten, is hun inzet in de strijd tegen de reuzen er niet minder om.

In de kinderontwikkeling vindt men in de vierde klas een dergelijke dramatiek terug. Definitief wordt de gouden kindertijd vaarwel gezegd, ieder kind moet de confrontatie met de aardewereld nu gaan geloven. Het besef van iets te kunnen of juist niet te kunnen grijpt in de psyche van een kind veel dieper in dan ooit daarvoor. In de leerstof van de vierde klas vindt men twee heel duidelijke voorbeelden van die confrontatie met de wereld en daarmee gepaard gaand het teruggeworpen worden op zich zelf nl:

Bij het rekenen zijn daar de breuken die het tot dan toe, in zich volkomen harmonische probleemloze hele getal, plotseling door elkaar beginnen te rammelen en te breken in talloze moeilijk uitspreekbare onhanteerbare kleine deeltjes die bewerkt kunnen worden volgens wetmatigheden waarvan het kind al snel inziet dat er de eerstkomende jaren rekenkundig nog wel wat te verhapstukken valt.

Bij de Nederlandse taal worden de tijden van het werkwoord behandeld. Plotseling kan bij het kind het besef ontstaan zelf als persoon in de tijdstroom te staan. Dit zijn voor het kind momenten van grote dramatiek, want het betekent dat het kind beseft dat het alleen is. Ook het gevoel van vrijheid groeit gelijk met het gevoel van eenzaamheid.
Als leraar sta je toch steeds weer verrast wanneer je het ene kind na het andere die stap ziet maken. Het ene kind doet het rustig en aandachtig, het andere vol angsten en onzekerheden. Kinderen kunnen zichzelf als het ware gaan verbergen in een quasi kleinkindergedrag anderen doen reuze flink en maken en extra veel kabaal.

Ook zijn er die met grote religieuze vragen op je afkomen, anderen zijn er die aan de lopende band leugentjes en uitvluchten verzinnen. Aangezien je al deze verschijnselen in de derde klas nog niet opmerkte, althans ze drongen zich niet aan je op, val je als leraar in de vierde klas vaak van de ene verbazing in de andere en al te vaak moet je stevig de zaak in de hand houden willen er geen grote emoties van hevige sympathieën en antipathieën in de klas ontstaan.
Ook ouders laten zich vaak door de vierdeklassers verrassen en menige ouder moet oppassen niet door de onstuimige heertjes en dametjes onder de voet gelopen te worden. Voor de leraar is het van belang te wachten met de “psychische” leerstof totdat hij vindt dat de klas eraan toe is.

De Germaanse God Thor heeft eens een tocht gemaakt naar het rijk van de ijsreus “Utgard Loki”. Hij ging daarheen om de reuzen te waarschuwen het voortdurend zenden van koude winden naar het mensenrijk te staken.

Utgard wil dan met Thor en zijn metgezellen een wedstrijd aangaan.

In deze wedstrijd presteert Thor vrijwel het onmogelijke. Hij verlost bijna al de mensen van hun egoïsme, hij overwint bijna de ouderdom enz. Dit prachtige, spannende, maar diep religieuze verhaal wordt door de kinderen ademloos aangehoord.

Hieronder volgt een korte weergave van het verhaal:

Thor nu wilde zijn kracht tonen door gewichten op te tillen. Utgard Loki daagde Thor toen uit het poesje van de reus op te tillen. Thor nam deze kans te baat, trok zijn gordel vast aan en deed zijn best. Helaas! Slechts één pootje tilde hij even van de grond.
Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei, dat Thor misschien wel dorst had. Thor bevestigde dat en hij kreeg een beker van de reus met de opdracht die in drie teugen te ledigen. Thor zette nu zijn lippen aan de rand, maar ofschoon hij zo’n diepe teug nam, dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog tot bijna aan de rand toen hij het hoofd ophief. Een tweede en derde poging om de beker te ledigen, bleek al even weinig succes te hebben.

Een laatste poging deed Thor om de reuzen te verslaan door te gaan worstelen met de oude voedster van Utgard-Loki, de enige partij die de reus de nietige God Thor waardig keurde. Het eindigde al even ongelukkig en toen de Goden erkenden, de strijd verloren te hebben, werden ze door de reuzen onthaald.
Thor en zijn metgezellen begrepen niet waar zij deze egards aan te danken hadden en besloten op alles voorbereid te zijn en te blijven.

De volgende morgen werden zij begeleid tot de grenzen van het reuzenrijk, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij hem nooit meer zouden uitdagen daar hij genoodzaakt was geweest tovermacht tegen hen te gebruiken.
Hij vertelde dat hun krachten zelfs met de tovermachten nauwelijks te beteugelen waren geweest. Thor had nl. niet een beker leeg gedronken, maar bijna de hele oceaan, waarmee de beker verbonden was.
Voortaan zou de eb telkens weer aan dat feit herinneren.
Thor had niet de kat van Utgard-Loki opgetild, maar de Midgardslang, een slangachtig wezen, gekronkeld om de aarde en gevoed door het egoïsme van de mensen. Bijna was het Thor gelukt deze slang van het mensenrijk weg te trekken, doch met magische spreuken wist de reus het te voorkomen.
De oude voedster waar Thor tegen worstelde was de ouderdom zelf en bijna was het Thor gelukt deze te verslaan. Daarmee zouden de jeugdkrachten voortdurend kunnen blijven toestromen naar het rijk der mensen.
Ook Thors metgezellen kregen dergelijke verhalen te horen. En Thor draaide zich vertoornd om om de reus en zijn kasteel te vernietigen met zijn hamer, doch het kasteel werd in nevelen gehuld en Thor was genoodzaakt terug te keren naar Asgard, het Godenrijk, zonder zijn heilzame les aan de reuzen gegeven te hebben.

toneel
Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde –

Vertelstof:
de Edda – achtergronden; verklarende namen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

1009-935

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Solon

.

Solon     638-559 v. Chr.

Solon

  De grote Atheense dichter en staatsman Solon. Hij wordt door velen nog steeds beschouwd als de ‘vader van de democratie’.
.
Solon was een Atheens dichter. Hij gebruikte zijn kunst om zijn politieke ideeën op de mensen over te brengen. In 594 v. Chr. werd hij gekozen tot archont, hoofd van de Atheense regering. Hij gaf de stoot tot het doorvoeren van hervormingen, die een einde maakten aan de macht van de aristocratie, aan de armoede en aan de onmenselijke wetgeving. Hij was de grondlegger van de Atheense democratie.
Solon was van adel en lid van de heersende klasse. Hij kwam aan de macht, toen Athene in grote moeilijkheden verkeerde. In alle delen van de samenleving heerste grote onrust en dit dreigde uit te groeien tot een revolutie. Veel boeren gingen gebukt onder zware schulden. Sommigen hadden zich garant gesteld voor leningen en werden slaaf, wanneer ze niet konden terugbetalen. De meeste boeren waren overigens ook niet veel meer dan lijfeigenen. Elk jaar moesten ze een deel van de opbrengst van hun land aan de rijke landheren afstaan om hun schulden te betalen. Die ruilden hun oogsten liever in vreemde landen voor luxe artikelen dan dat ze de groeiende stadsbevolking van voedsel voorzagen.

Solon nam een aantal dappere maatregelen. Daardoor werden de economische problemen van Athene in korte tijd opgelost. Hij schonk de vrijheid aan iedereen die door schuld slaaf was geworden. Hij gaf alle landerijen waarvoor huur betaald moest worden, terug en stelde het strafbaar een lening te sluiten met de vrijheid van de persoon als garantie. De uitvoer van alle voedsel werd verboden. Een uitzondering maakte hij voor olijfolie, waar een overvloed van was.

Het duurde heel wat langer om de politieke problemen op te lossen. Solon begon met het opstellen van een nieuwe grondwet. Daarin werd politieke macht niet verkregen door geboorte, maar bepaald aan de hand van de rijkdom. De bevolking werd verdeeld in vier groepen. Dit gebeurde naar de waarde van de producten die ze voortbrachten. Alle burgers kregen een bepaalde politieke invloed. De rijkste groepen behielden de grootste macht. Alle vrije burgers konden zitting nemen in de volksvergadering. Die vergadering nam wetten aan, koos ambtenaren en behandelde bezwaarschriften van de rechtbanken. Uit de drie hoogste groepen werd de Raad van Vierhonderd gekozen. Deze raad zorgde voor de voorbereidingen van het werk in de volksvergadering en maakte de agenda. Alleen de leden van de twee rijkste groepen konden tot archont worden gekozen of de hoogste ambten bekleden.

Vele nieuwe wetten controleerden de macht van de nieuwe regering. De oude wetten waren afgekondigd door de vroegere archont Draco. Die waren zo streng en onmenselijk, dat ze naar hem draconisch werden genoemd. Solon schafte vrijwel de hele door Draco ingevoerde wetgeving af. Er kwamen gematigde en menselijker wetten voor in de plaats. De wetten werden in houten tabletten gegraveerd en in het openbaar tentoongesteld. Iedere burger moest zweren, dat hij de wetten zou gehoorzamen en eerbiedigen.

Solon gebruikte gedichten om zijn hervormingen te verklaren en te rechtvaardigen. Dit had hij al gedaan om op veranderingen aan te dringen, voordat hij aan de macht kwam. Veel mensen in Athene waren echter niet tevreden over zijn menselijke benadering en zijn leer van de matiging. Boeren klaagden erover dat hij het land niet had herverdeeld. De adel was nog steeds verbolgen over de nieuwe grondwet, waardoor ze hun politieke macht moesten delen met gewone burgers. Solon besloot de Atheners de tijd te geven aan zijn hervormingen te wennen. Hij vertrok uit de stad en maakte gedurende tien jaar lange reizen. Bij zijn terugkeer trof hij een verdeeld volk aan, dat rijp leek voor de tirannie.
Na de dood van Solon begon er een periode van tirannie. De democratie werd echter vijftig jaar later, 510 v. Chr., hersteld. In de Gouden Eeuw van de Atheense democratie die daarna volgde, maakten Griekse filosofen ieder een lijst van de wijsgeren die hen het meest hadden beïnvloed. Solon stond op alle lijsten. Zelfs tegenwoordig wordt deze Atheense staatsman-dichter vaak de ‘vader van de democratie’ genoemd.
.
6e klas Griekse vaas
In het Athene van Solons tijd, werd vaak door middel van versieringen op huishoudelijke spullen een klein verhaal verteld. Op deze waterkruik staat de afbeelding van een olijfboom, die wordt geschud om de vruchten op de grond te laten vallen, waar ze door een hulpje worden opgeraapt.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
998-925

.

VRIJESCHOOL – Kleuters: Ik, Jan Klaassen

Poppenkast, bij wie roept dit woord geen goede herinneringen op, wie denkt daarbij niet onmiddellijk aan Jan Klaassen, aan zijn Katrijntje, aan de meestal barse veldwachter, aan de duivel en aan de koning? Is poppenkast zonder Jan Klaassen niet ondenkbaar? Toch worden er hoe langer hoe meer poppenkastvoorstellingen gehouden waar Jan Klaassen niet meer op de speellijst verschijnt of hoogstens alleen maar gastheer is die het spel introduceert. Heeft Jan Klaassen zijn tijd gehad?
“Jan Klaassen en de poppenkast’ is een boekje voor ‘leken’, dat wil zeggen, het richt zich tot de beginnende speler en in de praktijk zal dat meestal een ouder zijn die voor zijn kinderen speelt. Impliciet heeft het de gezinssituatie voor ogen. In het eerste deel maken we kennis met Jan Klaassen en de figuren die bij hem horen. Hoe komt het dat hij zich zo’n eigen plaats veroverd heeft in het Nederlands taalgebied? Wat maakt hem zo herkenbaar en onvergetelijk? Wat vraagt hij van de speler die hem ter hand neemt, want niet ieder spel waar Jan Klaassen zijn neus laat zien, is daarom een echt Janklaassenspel. En wat schenkt hij de speler die hem waardig ter hand neemt? Is Jan Klaassen een opvoeder? Hij heeft er zelf geen weet van, maar de speler kan erachter komen mits hij er niet over spreekt. Want Jan Klaassen doet domme en dappere dingen en kan de kinderen laten lachen. Opvoeden, hij? Hij wordt zelf opgevoed, door Katrijn, door de veldwachter, door alles wat hem overkomt!
In het tweede deel zijn tien heel korte Jan-Klaassenspelletjes opgenomen, voornamelijk bedoeld als inspiratie tot het zelf verzinnen ervan. Het derde deel gaat uitvoerig in op het maken van poppen en poppenkast.
.
Een fantastische opvoeder
Op een avond ga ik naar Kraaybeek in Driebergen om een gesprek te hebben met mevrouw Weissenberg over dit boekje. Kraaybeek is een ‘buiten’, waar appartementen gebouwd zijn voor oudere mensen; de prachtige oude bomen zijn er omheen blijven staan.
Jan Klaassen heeft me in zijn ban en ik ben teveel volwassene om niet te vragen naar de eigenaar van de hand die hem tot leven brengt. Een grootmoeder doet open, ze zou kunnen lijken op Jan Klaassens grootmoeder, zoals ze die beschrijft in het boekje. Nergens een spoor van Jan Klaassen zelf, geen poppenkast, geen poppen. Wel levendige handen; duim, wijs- en middelvinger van de linkerhand voeren herhaaldelijk een onzichtbare Jan Klaassen ten tonele. Ik kijk dan naar die hand en niet naar haar gezicht.

Hoe hebt u Jan Klaassen ontmoet?
‘Dat is heel merkwaardig gegaan. Direct na de tweede wereldoorlog werd ik door het Engelse Rode Kruis verzocht – omdat ik verpleegster geweest ben – om naar Duitsland te gaan en de Duitse jeugd een beetje uiteen te zetten wat zich hier in Nederland eigenlijk afgespeeld heeft in de oorlog. Zodoende kwam ik in een grote jeugdherberg terecht en daar was een opleidingscursus voor poppenkast spelen aan de gang. Daar kon ik gratis aan meedoen, ’s Ochtends, ’s avonds, ’s middags, altijd hadden we poppenkast, en als we ’s avonds bij elkaar zaten, moest ik me van mijn plicht kwijten en over het Hollandse land vertellen.
Er was daar een groep, de Hohenheimers, die zich gespecialiseerd hadden in het Kasparlespel, dat is de Duitse Jan Klaassen.
.
Wie is Jan Klaassen eigenlijk?
‘Jan Klaassen, – nu ja, als je een rij poppetjes neerlegt en een kind, pakweg tussen vier en vijf jaar, vraagt: ‘Nou, wat wil je nu zijn?’ Tien tegen één zegt het kindje dan: ‘Ik ben Jan Klaassen’. En dat is zo. Jan Klaassen is dé mens, van vallen en opstaan. Katrijntje is de huisbakken kant, Jan Klaassen is de hupsakee kant. Samen vertegenwoordigen ze de mens: ‘zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust, nietwaar?’

Jan Klaassen is ‘het Ik’ in de mens. ‘Wie heeft dat gedaan?’ vraagt de veldwachter, ’lk. Jan Klaassen’. Het is haast vanzelfsprekend dat

ieder volk daar zijn eigen versie van heeft.
De Duitse Kasparlefiguur is meer wat wij zouden noemen een brave Hendrik. Kasparle heeft geen Katrijn aan zijn zijde, hij heeft een kameraad. De Hollandse Jan Klaassen heeft meer iets Jan Steen-achtigs. Maar alle Europese volkeren hebben een Jan Klaassen. dat komt omdat Jan Klaassen de ik-ontwikkeling spiegelt.
Jan Klaassen is de enige pop die benen heeft, duidelijk zichtbaar met witte kuiten en zwarte schoenen. Hij is de mens ten voeten uit. De eigenschappen die we allemaal hebben, en die bij een kind nog zo onverbloemd naar buiten komen, laat hij argeloos zien. En de kinderen vinden het zalig. Ze zien zichzelf en daarom voelen ze zich zo verbonden met hem. Wat Jan Klaassen beleeft, zijn ook hun belevenissen en daarom is het heel belangrijk dat in een Jan Klaassenspel goed goed is en slecht slecht. Geen grijzige schakeringen; jonge kinderen hoeven niet zelf tot een juist oordeel te komen, zij moeten nog de kracht van hun oordeel ontwikkelen.
Jan Klaassen moet ook goed kunnen vechten. Als hij bijvoorbeeld met de draak vecht, dan is het heel belangrijk dat zoiets goed uitgespeeld wordt. Je moet er de tijd voor nemen zo, nu is de kop dood. Pats, en nu de buik. En nu de staart nog, ja, gelukt. Nu is hij helemaal dood. De fout van de televisie is dat het te vlug gaat. Een kind heeft tijd nodig. En herhalingen.
Doordat het kind zich zo met hem kan verbinden en van hem houdt, kan Jan Klaassen ook een fantastisch pedagoog zijn. Allerlei huiselijke problemen kunnen via hem opgelost worden. Als je bijvoorbeeld dat probleem van weglopen neemt, dat ieder kind wel heeft, dan kan dat tamelijk dramatisch gebracht worden, Jan Klaassen is weggelopen en komt terug met een groot verband om zijn hoofd. Hij is onder een auto gekomen. Het mag rustig een beetje bloederig zijn, want dat vinden ze heerlijk; het moet niet gruwelijk zijn, maar ook niet te kleinzerig. En dan wil Jan Klaassen het wéér en moet Katrijntje hem op het zeurderige af waarschuwen. Tenslotte kan aan het publiek gevraagd worden wanneer je dan wél kunt oversteken, en dan geven de kinderen het antwoord. Zo kan je enorm veel problemen oplossen’.
.
Geen gooi- en smijtfilmfiguur

Kinderen tussen vijf en acht jaar vinden het ook heerlijk om sprookjes te horen. Als een van de initiatiefneemsters tot het maken van een getrouwe en volledige vertaling van de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm, heeft mevrouw Weissenberg zeer geijverd voor een herwaardering van de volkssprookjes in de begeleiding van het jonge kind. Op vele vrijescholen en ook door sommige poppenspelgezelschappen worden sprookjes in de poppenkast opgevoerd.

.
Wat is het verschil in uitwerking tussen een sprookje of een Jan Klaassenspel in de poppenkast?
‘Sprookjes horen niet in de poppenkast thuis. Sprookjesbeelden zijn tweedimensionaal. Het zijn imaginatieve beelden van grote schoonheid. Je kunt het in de poppenkast nooit zo mooi maken als het in je voorstelling door het vertellen van het sprookje opgeroepen wordt. De beelden van het sprookje moeten tweedimensionaal blijven, anders boeten ze aan kracht in. Ze hebben een heel andere werking op het kind dan Jan Klaassen. Het Jan Klaassenspel is driedimensionaal. Zie je, als je de pop op je hand hebt, is het driedimensionaal hè?’

Ik zie het. Jan Klaassen staat, zoals de mens, driedimensionaal met zijn voeten op de aarde. De drie vingers die hem vasthouden kunnen in drie richtingen kleine bewegingen maken. Als je dan naar de uitwerking daarvan kinderen vraagt, dan moet je denken aan de heileuritmie (mevrouw Weissenberg is ook heileuritmiste geweest):
‘Als je bij verlamde mensen aan bed bent, dan maak je soms hele kleine euritmiebewegingen met je vingers, en dat heeft een enorme uitwerking op de wilskracht van de patiënt. De kleine bewegingen die Jan Klaassen kan maken – want je hebt nu eenmaal geen grotere vingers – dat zijn eigenlijk euritmiebewegingen. Een kind dat in de zaal zit en dat ziet, maakt deze zaak in het groot mee. Het verlengt om zo te zeggen de beweging iedere keer en dat activeert enorm. Waardoor je natuurlijk ook dat enorme tumult krijgt dat in zo’n zaal kan ontstaan. Dat is de activering van het wilsleven van het kind en deze wilsactiviteit moet een uitlaatklep vinden en dat is het vragen en antwoorden dat zo helemaal bij het Jan Klaassenspel hoort. Als je iets anders in de poppenkast brengt, dan wordt het kind wel geactiveerd, maar het krijgt geen gelegenheid om zich te uiten,het kind kan soms ook angstig worden als de spanning van het verhaal te groot is, zonder dat het zich handelend, vanuit de wil, teweer kan stellen. Je bent bang voor die dingen waar je niets aan dóen kan. Maar Jan Klaassen mag je helpen: ‘Pas op, achter je!’
Je kunt zelf meehelpen de dreiging af te wenden. Als het tumult al te groot wordt, ja, dan zwijgt Jan Klaassen eenvoudig tot de kinderen stil zijn. Eén hand op de lippen en misschien ook half afgewend, met zijn oor naar het publiek om het direct te kunnen horen als ze stil zijn.
.
Jan Klaassen speelt zijn spel, de kinderen spiegelen zich al lachend aan hem, maar wat wordt er van de speler gevraagd?
‘Enorm veel, een enorme tegenwoordigheid van geest en vooral ook humor. En wat is eigenlijk tegenwoordigheid van geest en humor? Dat zijn de kwaliteiten van het ik. Bij het kind wordt het ‘ik’ opgeroepen, maar degene die speelt moet ook honderd procent aanwezig zijn, anders is er niets aan, aan zo’n spel. Maar nu komt natuurlijk de inhoud, die staat om zo te zeggen daar tussen in. Ik heb niets tegen zomaar wat, maar het moet toch ook een beetje zinvol zijn, niet alleen maar kletsboem’.
Het spelterrein moet enigszins afgepaald worden, daarbinnen kan nog heel wat onverwachts gebeuren.
Al is in elke speelgoedwinkel wel een set Jan-Klaassenpoppen te koop en is ook de poppenkast een favoriet cadeau, toch wordt in weinig gezinnen het poppenkastspelen beschouwd als iets wat er net zo bij hoort als voorlezen. Een dergelijk pedagogisch hulpmiddel zou – trouwens ook als bron van plezier – wel degelijk zo’n plaats verdienen.
.
Mevrouw Weissenberg, hoopt u met uw boekje het Jan Klaassenspel in de gezinskul-tuur te introduceren?
‘Ja, ik heb jarenlang mijn tijd aan de sprookjes gegeven, maar daarnaast ook veel aan Jan Klaassen gedaan. Natuurlijk niet zo uitvoerig, omdat ik niet met een poppenkast rond kan trekken. Want al zijn de sprookjes in hun tweedimensionale schoonheid ongelooflijk en onovertroffen, de figuur van Jan Klaassen, driedimensionaal als hij is, spreekt hele andere zieleregionen van het kind aan, die in deze tijd veel te kort komen. Deze kwaliteiten moeten weer opgeroepen worden, maar dan wel op een manier dat het niet een gooi- en smijtfilmfiguur wordt. Het kind moet kunnen beleven: ik ben Jan Klaassen. Daarom heb ik mij op die spelletjes geconcentreerd (het tweede deel van het boekje, L.C.) en er af en toe ook wel in kleine kring over gesproken.
Hoe een Jan-Klaassenspel in de huiselijke sfeer tot stand kan komen, dat heb ik in het boekje beschreven. Je kunt haast om zo te zeggen over je arm heenspelen.’
En Jan Klaasen kijkt inderdaad over haar rechterarm heen. Niets lijkt gemakkelijker. Toch weet ik uit ervaring dat de drempelvrees groot is.
Mevrouw Weissenberg: ‘Je maakt het jezelf veel te moeilijk; het moet werkelijk zo eenvoudig mogelijk. Van de Hohenheimers heb ik geleerd dat je hoofdzakelijk met kleuren kunt werken. Als iets in de nacht speelt, neem je een donkerblauwe doek. Is het de hel? Zwart. Is het een koningsslot, nou dan kan je misschien een goudbrokaat ophangen. Meer is niet nodig. Het kind ziet alles. Die vrijheid moet je het kind ook laten. De activiteit van het aanvullen mag je het kind niet ontnemen, met zoveel tierelantijntjes en coulissen en zo. En als je echt iets erbij nodig hebt, een sleutel bijvoorbeeld, dan moet die levensgroot zijn, veel groter dan gewoon. Werkelijk een knoert van een sleutel.’
Behalve een drempel bestaat er ook een reëel onvermogen. Er is geen gewone ouder die een tweeweekse cursus poppenspelen gedaan heeft. Het is moeilijk langzaam en duidelijk te spreken – geen woord teveel en geen woord te weinig. Ze vertelt hoe ze in een
Jan Klaassenwerkgroepje de deelnemers de opdracht gaf zelf een spel te bedenken en hoe de meesten niet verder kwamen dan steeds maar weer een verse verjaardagstaart. Kan je het leren? En hoe dan?

‘Ja, ik kan alleen maar zeggen: dóen. Doe het. Het publiek waarvoor je begint is meestal tamelijk klein en als je je nu een paar van die dingen inprent: duidelijk, langzaam en gezellig – zelf moet je er ook plezier in hebben – dan leer je aan je eigen fouten. Een poppenkast heb je niet nodig. In de posten van een deur twee kleine spijkertjes, een stok, met aan de uiteinden een lusje er aangebonden, in de deuropening hangen, een doek erover en klaar is Kees. Van de Hohenheimers heb ik geleerd staande te spelen. Dan kan je met je poppen lopen en dansen. Fantasie moet je ook oefenen’.

Ze demonstreert me een gesprekje tussen haar linkerhand – Jan Klaassen – en een leeg theekopje dat op tafel staat.
Juist omdat van de speler de volle aanwezigheid gevraagd wordt – hoewel je in het duister achter de pop blijft – moet je je gezicht laten zien, dat is in het begin ‘eng’. In bestaande gespreksgroepen voor ouders zou best een half uur ingeruimd kunnen worden om zoiets samen te oefenen, als kunstzinnige activiteit en ook als sociale oefening.
Tot slot praten we over iets dat me, terwijl ik het boekje las, steeds sterker ging bezighouden.
Naast zich heeft Jan Klaassen zijn trouwe, zorgzame, al te zorgzame en soms zelfs kijverige Katrijntje. Er is de laatste jaren wel onderzoek gedaan naar het beeld van de vrouw en moeder, zoals zij in kinderboeken naar voren komt. Wat daarbij, in het licht van de emancipatie van de vrouw, aan de kaak werd gesteld, wordt voor een groot deel vertegenwoordigd door de pannenkoekbakkende Katrijn. Ik citeer het boekje, bladzijde 31: ‘Katrijn is het beeld voor de dagelijkse omgeving: altijd gedoe en gezeur, maar ja, je moet ermee leren leven; teleurstellingen en tegenslagen zijn er om sterker te worden, en niet om moedeloos het hoofd in de schoot te leggen’.
Het is geen geweldig beeld van het vrouwelijk wezen dat hier naar voren komt, al zou je kunnen verdedigen dat ze niet van emancipatoire trekken ontbloot is: als haar iets niet naar de zin is, zal ze het er niet bij laten zitten.
Mevrouw Weissenberg is een beetje verontwaardigd: ‘Kinderen zijn toch geen feministen. Kinderen zijn goddank nog normaal. Jan Klaassen en Katrijntje zijn samen de mens. Ze vertegenwoordigen twee facetten van de mens. Het is de ziel van de mens, die aan de ene kant enorm de daden kan verrichten en opschepperig kan zijn en Katrijntje is de andere kant in de mens die meer de huisbakken kant is, dat wil zeggen alles wat ons meer of minder aan het dagelijkse bindt. Wie heeft die vuile poten op mijn mooi gepoetste zeil gezet? We hebben allemaal beide kanten in ons, maar in zo’n spel moet je die zaak een beetje uit elkaar leggen. Dat is ook het amusante van het spel. Jan Klaassen moppert trouwens ook: ‘God, wat is ze vervelend’. Jan Klaassen is de actieve kant, Katrijntje meer de passieve kant. Dat hoeft niet direct een waardering in te houden. Jan Klaassens activiteit brengt hem ook iedere keer in twijfelachtige situaties, terwijl Katrijntje iedere keer de trouw opbrengt om het dagelijkse te onderhouden. Ieder mens heeft beide kanten in zich en al wordt het in het spel uit elkaar gelegd, het kind beleeft beide figuren als een zieleneenheid. Het is de volwassene die de polariteit niet meer als eenheid ervaart. Jan Klaassen en Katrijntje samen zijn de mens, één mens. Het kind beleeft zichzelf daarin.
Alles bij elkaar maakt, dat je met een zekere lach en een klein beetje schaamtegevoel naar het spel kijkt. Die innerlijke, iets verlegen lach, dat is zo ongelooflijk gezond.’
.
Lili Chavannes, Jonas 5 sept.1980

.
Jan Klaassen en de poppenkast’, geschreven door mevrouw A. Weissenberg-Seebohm, C. Taudin-Chabot en Christja Mees-Henny.
Uitgeverij Christofoor

.

Ook:
.
.
997-924

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Alexander de Grote

Alexander de Grote

Alexander de Grote  356-323 v. Chr.

Alexander de Grote stierf al op zijn 33e jaar tijdens een koortsaanval. Hij liet meer dan 70 nieuwe steden na. Ze lagen overal verspreid, van het huidige Egypte, Perzië, Centraal-Azië, Afghanistan tot in India toe. Deze steden, die allemaal Alexandrië heetten, markeerden de route die deze opmerkelijke jonge
Romeinse kopie van een beeld
van Lysioous
Macedonische koning aflegde. Hij drong diep in Azië door en veroverde alles op zijn weg. Het is nog belangrijker, dat de door hem gebouwde steden centrums voor de Griekse cultuur werden en op die manier alle delen van de bekende wereld beïnvloedden. Het werden vrije en openbare steden waar iedereen elkaar kon ontmoeten en waar men handel kon drijven.
Alexander de Grote verkreeg zijn positie in Griekenland zowel door zijn afkomst als door zijn opvoeding. Hij was de zoon van koning Philippus II van Macedonië en zijn Griekse koningin Olympias. Zijn leraar was de Griekse filosoof Aristoteles. Deze onderwees hem in wijsbegeerte, wetenschap en geschiedenis. Alexander las over de Griekse helden en fantaseerde, dat hij hun opvolger was. Ook leerde hij hoe de Perzen 150 jaar daarvoor Griekenland hadden aangevallen. Samen met zijn vader smeedde hij het plan voor een Macedonische wraakoefening.

Philippus werd in 336 v. Chr. vermoord. Al op 20-jarige leeftijd werd Alexander koning van Macedonië. Griekenland was een deel van zijn rijk. Hij maakte al snel duidelijk dat het zijn bedoeling was dat zo te houden. Terwijl hij in het noorden en oosten oorlog voerde om die delen van zijn rijk onder controle te houden, ontving hij het bericht dat de Griekse stad-staat Thebe in opstand was gekomen. Hij ging met zijn leger naar Griekenland terug, Thebe werd in korte tijd met de grond gelijk gemaakt. Duizenden inwoners sneuvelden en de rest werd als slaaf verkocht. De Grieken kwamen daarna niet meer tegen de heerschappij van Alexander in opstand. Ze gaven hem zelfs het opperbevel over een Grieks-Macedonisch leger, dat volgens de plannen van zijn vader de strijd met het Perzische Rijk zou gaan aanbinden.

In minder dan vier jaar nadat hij in 334 v. Chr. de Dardanellen was overgestoken en Azië was binnengetrokken, had hij heel Klein-Azië veroverd en de Griekse steden aldaar bevrijd. Hij had een bres geslagen in de als onneembaar bekend staande verdedigingswallen van de eiland-staat Tyrus. Toen hij Egypte binnentrok, werd hij daar als farao vereerd. Hij stichtte aan de monding van de Nijl, het eerste Alexandrië. Bij Gaugamela versloeg hij het Perzische leger. Hij nam de macht over in Babylonië, Elam, Medië en Perzië. Toen Perzië in 331 v. Chr. aan zijn voeten lag, had Alexander bereikt waar hij oorspronkelijk

voor op weg was gegaan.
Maar hij ging verder, om een meer persoonlijke oorlog te voeren. Hij marcheerde verder naar het oosten waar hij Bactrië (nu Afghanistan) veroverde en daarna Sogdiana (in Centraal-Azië), waar hij een soort guerrilla-oorlog voerde. Hier trouwde hij met Roxane, de dochter van een plaatselijk stamhoofd.
In 327 v. Chr. trok hij op tegen India. Hij versloeg de koningen Taxala en Poros en bereidde zich voor op de volgende veldslag tegen de Nanda-koning van Magadha. Maar zijn troepen weigerden verder te gaan. Alexander legde zich bij hun besluit neer. Hij trok naar het zuiden en volgde de loop van de rivier de Indus tot aan de monding. Daar splitste hij zijn strijdmacht in tweeën. De helft ervan werd overzee teruggestuurd en met de andere helft trok hij over land door Beluchistan. De overlevenden van deze twee gevaarlijke reizen ontmoetten elkaar in zuidelijk Perzië, waarna ze gezamenlijk naar Susa marcheerden. Het duurde nog tot 324 v. Chr. voordat ze daar aankwamen.
6e  klas Alexander de Grote
Voor Alexander betekenden zijn veldtochten en reizen meer dan alleen een uitdaging voor zijn militaire vaardigheden. Hij beschouwde zijn reizen als ontdekkingen en niet als veroveringen. Alexander had vooral veel waardering voor de Perzen. Na verloop van tijd begon hij hen meer als bondgenoten dan als onderdanen te beschouwen. Hij plaatste Perzen op hoge posten binnen de regering en nam hen op in alle takken van zijn leger, waaronder het elitekorps van de koninklijke lijfwacht-cavalerie. Alexander moedigde zijn landgenoten aan om Perzische vrouwen te huwen. Zo’n 80 van zijn officieren en 10.000 van zijn manschappen deden dit. Hij begon zich naar Perzisch gebruik te kleden en verlangde zelfs van zijn eigen onderdanen dat ze zich voor hem ter aarde zouden werpen, zoals de Perzen dat voor hun heersers hadden gedaan. Zijn pogingen om de Macedoniërs en de Perzen tot één volk te versmelten, zetten kwaad bloed bij de Macedonische troepen. Dit leidde uiteindelijk tot een openlijke opstand. Alexander drukte deze rebellie de kop in door al zijn Macedonische troepen te ontslaan en hen door Perzen te vervangen. Er kwam een verzoening, maar Alexanders neiging om zich steeds eigenzinniger te gaan gedragen, ondervond steeds meer weerstand bij zijn officieren. Degenen die hij niet vertrouwde, werden vermoord. Toen Alexander later begon te geloven dat hij een god was, waren de meesten dat uit angst met hem eens. Ambassadeurs begonnen uit alle windrichtingen, zelfs helemaal uit Libië en Italië, te arriveren. Ze waren allemaal voor die gelegenheid in bloemenkransen gekleed, als gepaste hulde aan de nieuwe goddelijkheid van Alexander. Tussen de plechtigheden door hield hij zich nog bezig met een groot aantal andere zaken. Hij had plannen om de Kaspische Zee te onderzoeken, zich op de kusten van de Perzische Golf te vestigen en te zorgen voor een open verbinding over zee met India.
Maar Alexander werd na een groot drinkgelag ernstig ziek. Hij stierf aan malaria, tien dagen daarna, op 13 juni 323 v. Chr. Zijn lichaam werd naar Alexandrië in Egypte vervoerd.
Alexander was al tijdens zijn leven legendarisch geworden. Verhalen over zijn wapenfeiten verspreidden zich van het ene deel van zijn rijk naar het andere. De legendes bleven tot in onze tijd bestaan. Maar de geschiedkundigen kennen hem op een andere manier. Door de Griekse taal en cultuur te verbreiden, schiep hij een basis waarop Rome later het Romeinse Rijk kon bouwen en in stand kon houden.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
992-919

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Salomo

Salomo

|

Salomo en Sheba, zoals ze zijn afgeheeld door de 15e eeuwse Italiaanse schilder Piero della Francesca. Door de eeuwen heen zijn Salomo en de koningin van Sheba favoriete onderwerpen voor de kunstenaars geweest. Er bestaan maar weinig aanwijzingen over hoe ze er hebben uitgezien. In dit voorbeeld draagt Salomo de hoofdtooi, die typerend was voor de Semitische mannen in de 15e
eeuw.

Salomo   1015-977 v. Chr.

Veel van de heuvels, meren, bronnen en andere natuurlijke kenmerken van het huidige Israël zouden de oude Israëlieten nog heel bekend voorkomen. Archeologen hebben steden opgegraven, die dateren uit de bijbelse tijd. De voor de inwoners van Israël meest heilige van al deze overblijfselen is de Klaagmuur in de Oude Stad van Jeruzalem. Deze muur grenst aan de rotsachtige heuvel, waarop koning Salomo in de 10e eeuw v. Chr. zijn schitterende tempel liet bouwen. Onder zijn regering bereikte het oude Israël een hoogtepunt, zowel van macht, aanzien als van economische voorspoed.
Salomo volgde zijn vader David als koning op. David was zijn leven begonnen als herder en tot het koningschap opgeklommen. Hij heerste over een rijk dat zich uitstrekte van Egypte tot aan de Eufraat. Salomo was niet de oudste zoon van David. Zijn moeder, Batsheba, drong er echter bij David op aan om Salomo nog tijdens zijn leven als zijn opvolger te kiezen, zodat over de troonopvolging geen meningsverschil zou ontstaan. Na de dood van David liet Salomo zijn rivalen en vijanden vermoorden, omdat hij er zeker van wilde zijn dat zijn gezag door niemand zou worden aangetast.

Door middel van huwelijken werden er verbonden gesloten met de buurstaten. Hij liet op strategische punten garnizoenssteden bouwen, waar hij troepen, paarden en strijdwagens legerde. Verafgelegen gebieden werden door de Israëlieten gekoloniseerd om de belangen van de regering en de handelslieden te beschermen. Israël werd verdeeld in 12 districten. De grenzen liepen dwars door de oude stamgrenzen, om samenzweringen te voorkomen. Elk district moest de koninklijke hofhouding van ongeveer 5000 mensen een maand van het jaar van voedsel voorzien.

De basis voor de economie in het rijk werd voornamelijk gevormd door de handel. De strategische ligging langs de belangrijkste handelswegen tussen Afrika, Azië en het Middellandse Zeegebied werd ten volle uitgebuit. Salomo liet alle karavanen die door zijn gebied kwamen, belasting betalen. Hij verkocht hen voorraden en kocht hun goederen, om ze elders met winst te verkopen. Hij ruilde ook Israëlische produkten, zoals koper, voor de produkten die in zijn eigen land schaars waren. Het is mogelijk, dat hij handel dreef met de koningin van Sheba. Sheba lag aan de Rode Zee, in Zuid-Arabië of in Oost-Afrika. De koningin van Sheba controleerde de scheepvaartroutes naar het oosten en dreef handel in goederen als goud, specerijen en edelstenen. Volgens de legende waren Salomo en de koningin van Sheba geliefden en kregen ze een zoon, die het koninklijk huis van Ethiopië stichtte. Salomo gebruikte de opbrengsten uit de handel om een enorm bouwprogramma te laten uitvoeren. Dit omvatte steden, forten en huizen voor een aantal van zijn vrouwen en buitenlandse kooplieden en gezanten. Maar het grootste deel van het geld werd besteed aan de bouw van een paleis, de beroemde Klaagmuur en een schitterende tempel in de hoofdstad Jeruzalem. De bouw van de tempel duurde zeven jaar. De tempel werd weelderig versierd met gebeeldhouwd cederhout, dat was bedekt met goud en edelstenen. Koning Hiram van Tyrus, een bondgenoot van Salomo, leverde het goud en het cederhout. Ook de bouwmeesters en ambachtslieden kwamen uit Tyrus. Na de voltooiing van de tempel plaatste men daar de Arke des Verbonds. Deze bevatte de tabletten, de stenen tafelen, met de Tien Geboden. Salomo wijdde de tempel zelf in. Duizenden schapen en ossen werden geofferd. Mensen uit alle delen van het rijk waren naar Jeruzalem gekomen om deel te nemen aan het feest, dat zeven dagen duurde. Uiteindelijk eisten het grote bouwprogramma en de koninklijke levensstijl van Salomo toch hun tol. De mensen gingen gebukt onder de hoge belastingen en de dwangarbeid, en werden rusteloos. De oude conflicten tussen de stammen kwamen weer naar boven. Salomo werd ervan beschuldigd zijn God te verloochenen voor de goden van zijn uitheemse vrouwen. Ook de door Salomo onderworpen staten zorgden voor moeilijkheden. Salomo hield het rijk voor de duur van de rest van zijn leven bijeen. Maar zijn zoon Rehabeam die hem opvolgde, was niet zo krachtig en kundig als zijn vader. De tien noordelijke stammen van Israël scheidden zich van het land af. Dit werd daardoor verdeeld in twee landen, Israël en Judea.

De tempel van Salomo bleef bijna 400 jaar staan. De tempel maakte Jeruzalem tot de godsdienstige zo niet politieke hoofdstad van de kinderen Israëls. Nadat de tempel van Salomo in 586 v. Chr. door de Babyloniërs was verwoest, werd hij later weer opgebouwd door de Romeinse heerser Herodes. Daarmee werd in 20 v. Chr. begonnen. De Romeinse keizer Titus vernietigde de tempel van Herodes in 70 na Chr. en verdreef de Israëlieten uit Jeruzalem. De tempel van Salomo werd nooit meer herbouwd. Slechts de westelijke muur van het platform waarop deze tempel stond, is er nog van over. Deze muur, de Klaagmuur, bleef een bron van inspiratie voor de Israëlieten van nu.
.
Salomo behoort ook tot de vertelstof van het Oude Testament in klas 3.
Jakob Streit heeft de bijbelse verhalen naverteld – een voorbeeld van wat beeldend vertellen is – in zijn ‘En het werd licht’
.
vertelstof: alle artikelen
.
988-915

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Mozes

mozes

Mozes

Er bestaan geen historische gegevens die aanwijzingen geven over hoe Mozes eruitzag. Toch hebben veel kunstenaars geprobeerd hem te portretteren. Het door de Italiaan Michelangelo gemaakte beeld van Mozes, is een van de bekendste voorbeelden. Dit werk uit de zestiende eeuw is te bezichtigen in de kerk van St.-Pieter in Ketenen in Rome.

In het Oude Testament wordt verteld, dat Jehova of Jahwe aan Mozes verscheen en hem vertelde, dat het zijn taak zou zijn om zijn volk te redden. ‘Wie ben ik, ’ protesteerde Mozes. Maar God hield aan en Mozes gaf uiteindelijk toe. Mozes leek niet de beste keus om het volk van Israël uit de Egyptische ballingschap naar het beloofde land te leiden. Hij stotterde en dit spraakgebrek maakte het voor hem moeilijk, de mensen toe te spreken. Hij had in het verleden een Egyptische bewaker vermoord om een andere Israëliet het leven te redden.
Na de aangrijpende ontsnapping uit Egypte zwierven de Israëlieten 40 jaar door de Sinaïwoestijn. Hun moreel leed daar natuurlijk zeer onder. Ze klaagden en Mozes kreeg overal de schuld van. Er waren er zelfs, die hem smeekten naar Egypte terug te keren. Mozes raakte ook zelf ontmoedigd. Maar hij bleef hopen op de hulp van God. Mozes wist de discipline bij zijn volk te herstellen en schonk hun het gevoel, dat ze een uitverkoren volk waren. Uiteindelijk bereikten ze veilig het beloofde land. Ze veroverden het en begonnen hun natie op te bouwen.

De Israëlieten, die door Mozes naar Kanaan werden geleid, haalden hun inspiratie en wilskracht uit de wetten, die door God aan Mozes waren doorgegeven. Op zijn beurt leerde Mozes deze geboden tijdens de 40 jaar durende exodus (uittocht) aan zijn volk. Het verhaal wil, dat Mozes de meeste van deze wetten tijdens de derde maand in de woestijn te horen kreeg. God gaf Mozes de opdracht de berg Sinaï te beklimmen. Daar openbaarde Hij hem de burgerlijke, strafrechtelijke en religieuze wetten. De Israëlieten moesten voortaan volgens die wetten leven. Mozes bracht bij zijn terugkeer twee tabletten (van gebakken klei) mee, waarop de belangrijkste wetten waren ge

schreven. Daarop stonden de Tien Geboden.
3 klas vertelstof Mozes
een paginagrote afbeelding uit de Grandval Bijbel uit de 9e eeuw. Mozes heeft van God, Yahweh, Jehova) de ‘Tafelen van de Wet’ gekregen en toont ze aan het volk Israel.

Mozes trok zelf niet met zijn volk het beloofde land binnen. Zijn werk was ten einde toen ze de grens hadden bereikt. Hij klom naar de top van de berg Nebo om een glimp van Kanaän te kunnen opvangen. Maar hij kwam nooit in Kanaän zelf. Hij stierf zoals hij was geboren, in een vreemd land.

De juiste bijzonderheden over de dood en de begrafenis van Mozes zijn niet bekend. Zijn geboorte is echter in een beroemd verhaal vastgelegd. Hij kwam, waarschijnlijk aan het eind van de 14e eeuw v. Chr., in Egypte ter wereld. De Israëlieten waren ongeveer 400 jaar eerder uit Kanaän, waar hongersnood heerste, weggevlucht en hadden zich in Egypte gevestigd. Het grootste deel van de tijd hadden ze daar in vrede en voorspoed geleefd. Hun aantal was gegroeid. De farao Ramses II was bang dat hun macht te groot zou worden. Hij onderwierp hen aan de slavernij. Toen de slavernij hun aantal niet deed afnemen, gaf de farao het bevel, dat alle nieuwgeboren zonen gedood moesten worden.

Mozes overleefde zijn kindertijd, omdat zijn moeder hem direct na zijn geboorte verborg. Toen hij een paar maanden oud was, zette zijn moeder hem in een mand in het riet langs de oever van de Nijl. Hij werd door niemand minder dan de dochter van de farao gevonden. Die adopteerde hem en voedde hem op als een lid van de koninklijke hofhouding.

Als volwassene ontdekte Mozes het lot van zijn volk en probeerde hen te helpen. De farao kreeg dit te horen en dreigde hem te laten vermoorden. Mozes vluchtte. Hij vestigde zich in het land

Midian in Noordwest-Arabië. Daar trouwde hij met de dochter van Jetro, de hoofdman van een stam uit Midian. Mozes hoedde de schaapskudden van Jetro en maakte lange tochten op zoek naar grasland. Op een dag, in de buurt van de berg Sinaï, kwam hij bij een brandend struikgewas, dat evenwel niet door de vlammen werd verteerd. Toen sprak God tot Mozes en gaf hem de opdracht zijn levenstaak te verrichten. Hij keerde naar Egypte terug en begon met de moeilijke taak de mensen ervan te overtuigen dat God tot hem had gesproken en hen zou helpen uit Egypte te vluchten. Hij werd daarbij geholpen door zijn broer Aäron, die welbespraakter was dan Mozes. De farao was niet zo snel overtuigd. Hij was niet geneigd de bevelen van een onbekende God te aanvaarden en nog minder was hij bereid een groot aantal van zijn slaven de vrijheid te geven. Maar Egypte werd door een groot aantal plagen getroffen. Het water van de Nijl werd bloedrood. Kikkers, luizen, vliegen en sprinkhanen teisterden het land. Uiteindelijk, toen elk eerstgeboren kind van elk Egyptisch gezin stierf, veranderde de farao enigszins van gedachten.
De Israëlieten werden voor deze plaag behoed. God had hun de opdracht gegeven een lam te offeren en het bloed ervan op de deuren van hun huizen te smeren, zodat ze zouden worden overgeslagen. De farao liet zich vermurwen. Hij was wanhopig over het verlies van zijn eigen zoon en de rampspoed die het land had getroffen. De Israëlieten slaagden erin te ontvluchten. Ze werden achtervolgd door Egyptische troepen, die hen bij de Rode Zee in het nauw dreven. Er stak een storm op, die het water van de Rode Zee opzij blies. Ze konden veilig de overkant bereiken. De Egyptenaren joegen achter hen aan, maar de wind begon plotseling uit een andere richting te waaien, waardoor de Egyptenaren allemaal verdronken. Volgens het Oude Testament was het God zelf, die zorgde voor de wonderbaarlijke ontsnapping van de Israëlieten uit Egypte. Hij bleef hen helpen bij alle beproevingen en moeilijkheden die daarna volgden. Mozes was Zijn woordvoerder. Door Mozes leerden de Israëlieten zich te zien als het uitverkoren volk en over hun opdracht om naar het ‘beloofde land’ terug te keren. Voornamelijk dankzij hem slaagden ze daarin.
.
biografieën: alle biografieën
vertelstof: alle artikelen
klas 3: alle artikelen
.
983-910

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Abraham

 

abraham

AbrahamPortret door de 17e eeuwse schilder Guercino uit Bologna. Er bestaat geen enkel verslag over hoe Abraham er in werkelijkheid uitzag, dus maakte de schilder gebruik van zijn fantasie.

De geschiedenis van twee volkeren en drie gods­diensten begint ongeveer 1800 v. Chr. bij Abra­ham. Hij werd toen nog Abram genoemd. Hij was een eenvoudige herder, die in de omgeving van de stad Ur zijn kudden hoedde. Het Oude Testament stelt, dat Abram door God werd uit­verkoren om naar een nieuw land te reizen, Kanaän. Daar ontstonden volgens de overlevering uit zijn zoon Izaäk het joodse volk, het jodendom en het christendom, en uit zijn zoon Ismaël het Arabische volk en de islam.

Ur was één van de vele steden in de vruchtbare laagvlakte tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris, in het huidige Irak, toen bekend als Mesopotamië. Het was één van de twee gebieden in het Midden-Oosten waar de mensen zich het eerst vestigden en waar beschavingen ontstonden. Egypte, in het dal van de Nijl, was het andere ge­bied. De boog van bevloeid land die hen verbond, werd de vruchtbare maansikkel genoemd. De meeste mensen in Mesopotamië waren Soemeriërs. Maar Abraham behoorde tot de stam van de Arameeën, die veehoudende nomaden waren. Oorspronkelijk kwamen de Arameeën waarschijnlijk van het Arabisch schiereiland en waren ze naar de bevloeide gebieden rond de steden getrokken om water en voedsel voor hun kudden te vinden.

Babylon 8

Niemand weet, waarom Abrahams vader Terah het besluit nam om uit Ur te vertrekken en naar Haran in het noorden te verhuizen. Hij zocht misschien beter grasland en koos Haran, omdat het een vriendelijke stad was, waarvan de inwoners dezelfde goden aanbaden als in Ur. Terah stierf in Haran en Abraham werd het hoofd van de familie. Volgens de legende sprak er in dezelfde tijd een tot dan onbekende God tot Abraham. Hij vertelde dat hij zijn vrouw Sara en zijn neef Lot moest meenemen naar een nieuw land. Abraham volgde de bevelen op en ging met Sara en Lot op reis. Hij trok dwars door de vruchtbare maansikkel, tot hij bij Kanaän kwam. Dat was een heuvelachtig gebied ten westen van de rivier de Jordaan. Daar verscheen God weer aan Abraham en zei: ‘Ik zal dit land aan uw nageslacht schenken.’ Abraham zette zijn tenten op, bouwde een altaar voor God, en liet zijn schapen grazen. In de jaren daarna maakte hij lange zwerftochten, soms helemaal tot in Egypte. Maar hij keerde altijd terug naar Kanaän, het land dat door God aan zijn nakomelingen was beloofd.

Abraham had nog steeds een probleem. Hij had geen kinderen. Sara was onvruchtbaar. Ze stelde voor, dat Abraham bij een andere vrouw een kind moest nemen. Dat was niet in strijd met de gewoonten van die tijd. Ze koos zelf een vrouw voor hem uit, haar Egyptische slavin Hagar. Niet lang daarna werd Hagar zwanger van Abraham. Maar Sara reageerde daarop door haar de woestijn in te jagen. God verscheen aan Hagar. Hij vertelde haar, dat ze een zoon zou baren, die ze Ismaël moest noemen. Hij zou de aartsvader worden van een eigen volk. Hagar keerde terug naar Abraham en bracht na enige tijd een zoon ter wereld. Later-werd ze weer naar de woestijn verdreven. God behoedde haar en haar kind.

Haar kind, Ismaël, groeide op en trouwde met een Egyptische, die hem twaalf zonen schonk. Deze zonen, hun vader en hun grootvader (Abraham) worden door de Arabieren beschouwd als de stichters van hun natie. Ismaël bleef niet Abrahams enige zoon. Volgens de legende verscheen God met een lijst geboden en openbaringen. Hij gaf Abraham opdracht zijn naam van Abram te veranderen in Abraham: de ‘vader der volkeren’. God onthulde dat Sara een zoon zou baren, die Izaäk moest gaan heten. Zowel Abraham als Sara lachten toen ze dat hoorden, want Sara was 90 jaar en Abraham 100. Maar binnen een jaar baarde Sara een zoon.

In het Oude Testament wordt verteld over de smart van Abraham, toen hij van God de opdracht kreeg zijn 12-jarige zoon Izaäk te offeren. Toch bereidde hij zich voor om Gods wil ten uitvoer te brengen. Hij bond brandhout op de schouders van zijn zoon. Samen beklommen ze de berg Moriah, waar het offer moest plaatsvinden. Abraham bond Izaäk vast en zette hem bovenop het hout. Toen hij op het punt stond om de jongen met zijn mes te doorsteken, weerhield God hem daarvan. Abraham had zijn geloof bewezen. De redding van Izaäk leek Abraham van nageslacht te verzekeren, maar zijn werk was nog niet voltooid. Er moest voor Izaäk een vrouw worden gevonden. Abraham wilde niet dat zijn zoon een van de vrouwen uit Kanaän zou trouwen. Zo’n bruid zou niet in zijn God geloven. Daarom stuurde hij één van zijn trouwste bedienden naar Haran om onder zijn eigen volk een vrouw te kiezen. De bediende vond Rebecca, de kleindochter van Abrahams broer Nahor.

In het begin leek het of Rebecca, net als Sara, onvruchtbaar was. Maar uiteindelijk baarde ze twee zonen, een tweeling: Ezau en Jakob. Ezau, de eerstgeborene, verkocht voor voedsel zijn recht van eerstgeborene aan Jakob. Het verhaal wil, dat de 12 zonen van Jakob de stichters waren van de 12 stammen van de kinderen Israëls.

Er gingen honderden jaren voorbij, voordat de afstammelingen van Abraham en Jakob een natie vormden en Kanaän als hun vaderland regeerden. Zij heersten er niet lang. Ze werden in alle windrichtingen uiteengejaagd.

Maar nooit vergaten ze Abraham en wat God had beloofd. Meer dan 2000 jaar later keerden ze terug om – in het land waar Abraham ooit zijn schapen liet grazen – de moderne staat Israël te stichten.

Zeer beeldend wordt over Abraham verteld in:
Jakob Streit: ‘En het werd licht’

alle biografieën

vertelstof: alle artikelen

977-904

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem van Oranje

 

Willem de Zwijger  1533-1584

Willem van Oranje

Een portret van Willem van Oranje. Het werd geschilderd door de Hollandse schilder Michiel van Mierevelt.

Toen de elfjarige Willem van zijn neef René van Chalon het prinsdom Oranje en de uitgestrekte bezittingen van Nassau erfde, werd hij daardoor een van de rijkste edelen van Europa. Zijn vader, graaf Willem de Rijke van Nassau-Dillenburg, die zijn zoon volgens de lutheraanse gedachten wilde opvoeden, was er niet erg gelukkig mee. Het betekende namelijk, dat de jonge Willem aan het hof te Brussel zou moeten gaan wonen. Keizer Karel V wilde dat Willem verder zou worden opgevoed door de landvoogdes Maria van Hongarije, die trouw rooms-katholiek was.

Willem was een zelfbewuste vriendelijke jongeman, die bij keizer Karel V in de smaak viel. Zijn bijnaam ‘de Zwijger’ dankte hij aan het feit, dat hij zijn gevoelens zo goed wist te verbergen. Als jongeman leidde hij een werelds bestaan, op het genotzuchtige af.

Toen Filips II van Spanje in 1555 het beheer over de Nederlanden kreeg, werd zijn kijk op het leven ernstiger. Willem was stadhouder voor Filips van de provincies Holland, Zeeland, Utrecht en Bourgondië. Trouw te zijn aan zijn vorst beschouwde hij als zijn eerste plicht. Willem, en met hem andere leden van de heersende klasse, begonnen tot het besef te komen dat Filips II van plan was hun macht ernstig te beknotten, zo niet geheel te laten verdwijnen. Filips II had zich voorgenomen, de ketterij in de Nederlanden ten koste van alles uit te roeien.

Ten gevolge van deze politiek, die op meedogenloze wijze in praktijk werd gebracht door de afgevaardigden van Filips II, verlieten veel van zijn onderdanen het land. Willem en de andere edelen – katholieke zowel als protestantse – verzochten Filips II via een Smeekschrift, een wat toegeeflijker houding aan te nemen. Het antwoord van Filips II kwam in de vorm van de hertog van Alva en enkele duizenden soldaten. Het buitengewone gerechtshof van Alva, de Raad van Beroerten (bekender als ‘de Bloedraad’), maakte al snel duidelijk dat het niet alleen de ketters waren die zouden worden gestraft. Bezittingen van lastige edelen werden in beslag genomen, de eigenaars werden gevangengezet en in sommige gevallen ter dood gebracht. Willem en zijn familieleden vluchtten naar Duitsland. In de vijf jaar dat zijn ballingschap duurde, bracht Willem van Oranje een leger op de been.

Voor Willem had de strijd tegen Spanje voornamelijk politieke betekenis. Maar al kwam voor hem in dit geval de godsdienst op de tweede plaats, toch werd hij gedwongen zich aan te sluiten bij de protestanten. Dankzij de strijdvaardigheid van zijn soldaten, kreeg hij de beschikking over een leger dat een gericht doel voor ogen stond. Langzamerhand begon Willem steeds meer voor het calvinisme te voelen. Maar hij zou blijven werken aan de vereniging van de Nederlanden, waar volledige vrijheid van godsdienst mogelijk moest zijn.

In 1572 rukte Willem met een leger van 20.000 man de Nederlanden binnen. Aan het eind van dat jaar had hij éénderde van Holland en gedeelten van Zeeland en Friesland in handen. Dat was nog maar het begin van de oorlog. De Spanjaarden sloegen terug. In het voorjaar van 1574 belegerden ze Leiden. Het heldhaftige opheffen van het beleg, door het omliggende platteland onder water te zetten en de stad met behulp van boten te bevrijden, betekende de redding van Holland.

Een belangrijke stap voorwaarts bij de totstandkoming van de eenheid was de Pacificatie van Gent van 1576. Hierdoor werden Holland en Zeeland verenigd, terwijl aan Willem van Oranje uitgebreide militaire bevoegdheden werden verleend. In het zuiden nam het verzet tegen de Spanjaarden toe. Men riep Willem te hulp om de opstand te leiden. Maar al snel begon de kloof tussen het calvinistische noorden en het katholieke zuiden breder te worden. Enkele zuidelijke provincies (Artois, Henegouwen en de stad Douai) sloten zich middels de Unie van Atrecht, in januari 1579 aaneen. Nog geen drie weken later kwam de Unie van Utrecht tot stand, een verbond tussen Noord- Nederlandse gewesten en Brabantse en Vlaamse steden. Daarmee kwam een eind aan het vooruitzicht het gebied van de Nederlanden tot één geheel te verenigen.

Dit schilderij werd in 1832 gemaakt door Cornelis Kruseman. Het is een voorstelling van Willem de Zwijger, die in 1559 in Vlissingen door Filips II van Spanje werd beschuldigd van trouweloosheid. Filips II staat op het punt uit de Nederlanden te vertrekken. Willems trouw aan Filips II bracht hem in een innerlijk conflict met zijn sympathie voor het volk der Nederlanden. Hij besefte, dat Filips II de bedoeling had, de Nederlanden met geweld te onderdrukken.

Willem van Oranje

In het jaar daarop (1580) verscheen de Apologie van Willem. In dit verweerschrift rechtvaardigde hij zijn opstandigheid. Het was ook de eerste keer dat hij Filips II ervan beschuldigde, de trouw van zijn onderdanen niet waard te zijn. Op 26 juli 1581 tekenden de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden de Akte van Afzwering. Daarbij verklaarden ze Filips II van de heerschappij over de Nederlanden vervallen, terwijl ze de Prins van Oranje, de ‘Vader des Vaderlands’, tot tijdelijk regeringshoofd kozen.

Maar Filips II had een prijs gezet op het hoofd van Willem van Oranje. De eerste moordaanslag mislukte. Enkele jaren later, op 10 juli 1584, werd hij doodgeschoten door Balthasar Gerards, een schrijnwerkersleerling. Het wapen waarmee deze de aanslag pleegde, had hij betaald met geld dat hij van Willem van Oranje zelf had geleend.

Willem van Oranje 2

Deze prent is een afbeelding van Willem de Zwijger, die door Balthasar Gerards werd doodgeschoten. Het moordwapen werd met het geld van het slachtoffer gekocht.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

971-898

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips ll

Filips ll

Filips II 1527-1598

Filips II was, evenals zijn vader Karel V, de machtigste vorst van zijn tijd. Maar ondanks de internationale positie die hij innam, bekeek Filips II de wereld uitsluitend vanuit Spaans oogpunt. Hij sprak geen vreemde talen en in tegenstelling tot zijn vader hield hij niet van reizen.

Hoewel de kroon van het Heilige Roomse Rijk na de dood van Karel V naar diens broer Ferdinand was gegaan, bleef er toch een aanzienlijke erfenis over voor Filips: Spanje met zijn bezittingen in de Nieuwe Wereld, de 17 provincies van de Nederlanden, Bourgondië, Napels en verscheidene andere bezittingen in het Middellandse zeegebied. Door zijn huwelijk met Maria Tudor werd hij in naam koning van Engeland. In 1578 erfde hij Portugal met zijn bezittingen. De militaire ondernemingen van Filips II tegen de Turken, de Fransen, de Nederlanders en de Engelsen werden bekostigd met geld uit de Nieuwe Wereld. Filips II was reeds op 27-jarige leeftijd weduwnaar. Overeenkomstig de wens van zijn vader hertrouwde hij in 1554 met de koningin van Engeland, Maria Tudor, die elf jaar ouder was dan hij. Het huwelijk was een mislukking. Tweemaal verkeerde Maria in de veronderstelling dat ze zwanger was. Tweemaal bleken het symptomen van waterzucht te zijn. De erfgenaam die Engeland en de Nederlanden met elkaar zou moeten verbinden, werd niet geboren.

Filips’ grootste streven was, de positie van de rooms-katholieke kerk in heel Europa te herstellen. Maar met de vervolgingen van de protestanten in Engeland onder ‘Bloody Mary’ kon hij zich niet bemoeien. Hij had zich namelijk verplicht, zich niet in Engelse aangelegenheden te mengen. Ook had hij toegezegd, Engeland niet te betrekken bij de oorlogen van Spanje. Toen hij echter in 1557 in oorlog raakte met Frankrijk, deed hij een beroep op Maria en haar Geheime Raad om hem met manschappen en geld te steunen. Het leger van Filips II bracht de Fransen een verschrikkelijke nederlaag toe bij St. Quentin, in het noorden van Frankrijk. Maar de Fransen wisten de slecht verdedigde haven Calais te veroveren.

Maria Tudor stierf in 1558. Haar dood bracht Elizabeth I op de troon. Zij zou later een geduchte tegenstandster worden van Filips II, maar voorlopig waren de Nederlanden zijn grootste zorg. Deze provincies waren weliswaar onafhankelijk van elkaar, maar er begon zich langzamerhand een gevoel van saamhorigheid te ontwikkelen. Streng, vroom en sober als Filips II was, voelde hij zich niet aangetrokken tot de Nederlanders. Hij begreep niet, wat Karel V zo goed had ingezien, dat ze zich zouden verzetten tegen Spaanse overheersing. De adellijke Nederlandse families hadden een afkeer van de landvoogd die Filips had gestuurd om hen te regeren. In 1566 bood een groep protestantse en katholieke edelen hem een smeekschrift aan, waarin hem dringend werd verzocht de Spaanse inquisitie niet naar de Nederlanden te laten komen. Het verzoek werd verworpen. Horden woedende calvinisten vernielden heiligenbeelden en voorwerpen van de eredienst in talloze katholieke kerken en kloosters. In antwoord op deze ‘beeldenstorm’ stuurde Filips II niet alleen de inquisitie om de ketters op te sporen en te bestraffen, maar bovendien duizenden soldaten onder de hertog van Alva. Deze werd de nieuwe landvoogd en trad de opstandelingen met uiterste wreedheid tegemoet. Maar de geest van de opstand was aangewakkerd en er begon een lange bittere strijd.

Een latere landvoogd, de hertog van Parma, slaagde erin de zuidelijke provincies te onderwerpen, maar in 1581 verklaarden de noordelijke provincies zich onafhankelijk. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg steun van de Engelsen, die Spaanse schepen aanvielen en plunderden. Besluitvaardigheid was niet het sterkste punt van Filips II. Maar hij nam zich toch voor, de Engelsen een lesje te leren, Elizabeth I van de troon te stoten en het land in bezit te nemen ten gunste van het katholieke geloof.

Hij gaf opdracht tot het bouwen van 130 schepen, de grootste vloot die de wereld ooit had aanschouwd, de Armada. Met 30.000 man aan boord zette de Armada in juli 1588 koers naar het noorden, terwijl het leger onder bevel van de hertog van Parma vanuit de Nederlanden oprukte. In Het Kanaal zette de Engelse vloot de achtervolging van de Spaanse schepen in, verjoeg de schepen en bracht de Armada, Onoverwinnelijke Vloot, ernstige schade toe. Hevige storm dreef de geteisterde Spaanse schepen de Noordzee op. Na een verschrikkelijke tocht langs de kust van Engeland keerde slechts de helft van de vloot met één derde van de bemanning in Spanje terug.

Kunst en cultuur waren inmiddels in het moederland tot grote bloei gekomen. Dankzij mannen als de schrijver Cervantes en de schilder El Greco kon men terecht spreken van een ‘Gouden Eeuw’. Maar de voornaamste bezittingen van Filips II, de rijke landen overzee, waren er oorzaak van dat het verval zich begon in te zetten. De stroom goud die Spanje vanuit Amerika binnenvloeide, bracht er een ernstige inflatie teweeg. Maar Filips II was evenmin als zijn raadslieden in staat de hand over hand toenemende waardevermindering van het Spaanse geld aan banden te leggen. Bovendien hadden de rijkdommen van het buitenland een duidelijke lokroep laten horen. Grote delen van de bevolking waren vertrokken, om hun geluk daar te gaan beproeven. Het gevolg was dat de industrie in het eigen land begon weg te kwijnen. Koning Filips II was oud en ziek. In het
Escoriaal, het grote paleis dat hij bij Madrid had laten bouwen, wijdde Filips II zich meer en meer aan het geestelijk leven, teleurgesteld over de wereld.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

966-894