Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (4)

.

De drie bloeddruppels in de sneeuw

Reeds eeuwen lang hebben de beelden uit het Parcivalepos de mensen geboeid. Eén speciaal beeld, dat van de bloeddruppels in de sneeuw, heeft ook schilders meermalen geïnspireerd. Geïmponeerd door de wijze waarop dit deel van het verhaal uitgewerkt is, heb ik mij afgevraagd wat zich in dit beeld onthult.

Op het ogenblik dat Parcival de Graalsburcht onvoorbereid voor het eerst betreedt, heeft hij al een heel aantal avonturen achter zich. Hij heeft zijn moeder verlaten, bij wie hij zijn jeugd doorgebracht heeft, hij heeft kennis gemaakt met het raadsel van de dood en kennis gemaakt met de ridders van het hof van Koning Arthur. Hij is daarop de wereld ingetrokken met zijn oude paard en zijn ongevaarlijke houten speer, omdat zijn moeder hem immers beschermen wilde voor ernstige avonturen. Hij raakt al spoedig in moeilijkheden verwikkeld, waarvan de eerste is de ontmoeting met Jeschute in de tent. Hij vindt hier een slapende jonkvrouw. Zijn moeder had hem verteld dat men van een jonkvrouw proberen moest een ring te ontvangen en haar daarvoor een kus moest geven. Hij trekt dus voorzichtig een ring van haar vinger, geeft haar een zoen en sluipt ongemerkt weg. Als de jonkvrouw daardoor ontwaakt, is zij zeer onthutst over hetgeen haar gebeurd is. Als haar man Orilus thuiskomt gelooft hij van haar hele verhaal niets en denkt dat zij hem ontrouw geweest is. Dit kleine avontuur is later van groot belang, zoals we zullen zien. We zouden het zo kunnen karakteriseren dat Parcival hier onschuldig schuldig is. Hij bedoelt het goed, maar richt toch onheil aan.

Daarna komt hij aan bij het hof van Koning Arthur, hij vecht met Ither, de rode ridder, die hij met meer geluk dan wijsheid doodt door zijn houten lansje door een oogspleet van het harnas naar binnen te steken en Ither zo de schedel te doorboren. Vervolgens begint zijn leertijd bij Gurnemanz, in welke tijd hij ook voor het eerst Kondwiramur, zijn toekomstige geliefde, zijn ‘minne’ ontmoet. Al deze dingen zijn hier kort weergegeven in de veronderstelling dat ze min of meer bekend zijn.

Tenslotte komt hij op zekere avond in de Graalsburcht, die zeer onverwachts voor hem opdoemt in een hoog gebergte. Hij ziet hoe zijn oom Amfortas binnengedragen wordt op een rustbed, omdat hij verwond is, hij ziet de bloedende lans die eveneens binnengedragen wordt. Daarna wordt de Graal zelf binnengedragen, tal van jonkvrouwen en ridders komen binnen, scharen zich om de Graal, hij maakt het hele ceremonieel mee, ziet hoe allen door de Graal gespijzigd worden, doch begrijpt er niets van. Dat hij niet vraagt wat dit alles betekent, is de bekende vraag die men wel de Parcivalvraag pleegt te noemen, dat wil zeggen, een vraag waar iets van afhangt, dat niet zal gebeuren als zij niet gesteld wordt.

Al deze dingen moet ik, zoals gezegd, als bekend veronderstellen. Als Koning Amfortas en de lans weggedragen worden, als alle jonkvrouwen en ridders de zaal verlaten hebben, als de Graal weggedragen is, wordt hij naar zijn eigen kamer geleid waar hij een onrustige nacht doorbrengt. In de vroege ochtend wordt hij wakker, hij vindt zijn wapenuitrusting naast zijn bed, hij kleedt zich aan, gaat naar de binnenplaats, ziet geen mens, doch wel dat zijn paard gezadeld klaar staat; hij stijgt op zijn paard, rijdt de slotbrug weer over die onmiddellijk daarna omhoog klapt, hij hoort nog een verwijtend woord dat hem nageroepen wordt, hij voelt ook heel duidelijk dat hij iets verzuimd heeft, maar hij weet eenvoudig niet wat.

Bij alle verhalen over Parcival moeten we goed begrijpen dat van zijn kant uit hij geen fout gemaakt heeft. Hij had geleerd dat het onbeleefd is om vragen te stellen; dat is een van de dingen die altijd aangehaald worden om hem te verontschuldigen. Het hele verhaal krijgt echter nog een ander aspect wanneer wij het volgende in ogenschouw gaan nemen.

Als Parcival verder rijdt, ziet hij aan de kant van de weg een jonkvrouw zitten met een dode ridder, Schionatulander, op haar schoot, die zij beweent; het is Sigune. Zij kent Parcival, spreekt hem aan, spreekt over haar eigen verwantschap met hem, zij vertelt hem over zijn moeder, enz. De hoofdzaak is dat wij het beeld, de jonkvrouw met de dode ridder op haar schoot, goed in onze herinnering moeten inprenten. Het betekent namelijk een keerpunt in Parcivals leven. Wanneer hij verder trekt komt hij Orilus en Jeschute weer tegen. Omdat Orilus nog steeds gelooft dat zijn vrouw hem ontrouw geweest is, mag zij niet naast doch slechts achter hem rijden, gehuld in bedelkleren, een beeld van schande.

Wat later komt hij op een grote besneeuwde vlakte, waarbij hij een roofvogel in de lucht ontdekt, die een gans met zich meesleurt die weliswaar weet te ontkomen, doch verwond is, zodat drie bloeddruppels op de sneeuw vallen. Als Parcival deze drie bloeddruppels ziet raakt hij helemaal in trance. Hij zit op zijn paard, staart naar het bloed op de sneeuw en vergeet alles wat om hem heen gebeurt.
Dicht in de buurt is het hof van Koning Arthur gelegen. Er zijn ridders die in de omgeving rondrijden, één van hen ontdekt Parcival, die hij kent. Hij spreekt hem aan en vermaant hem mee te gaan naar Koning Arthur, doch Parcival reageert helemaal niet. Enigszins verbaasd probeert de ridder thans Parcival min of meer uitdagend te benaderen door een soort van gevechtshouding aan te nemen. Daardoor ontwaakt Parcival een ogenblik uit zijn droomachtige toestand, hij neemt zijn lans, rent op de ander in, stoot hem uit het zadel en gaat weer naar zijn oude plaats terug, starend naar de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Om de geschiedenis niet te lang te maken is het voldoende om te zeggen dat het een andere ridder net zo vergaat, die zelfs nog ongelukkiger komt te vallen zodat hij een been en een arm breekt. Men zou kunnen zeggen dat de verontwaardiging onder de ridders van Koning Arthur steeds groter wordt, terwijl Parcival zich van alles niets aantrekt en slechts onafgebroken geheel verzonken blijft in het beeld van het bloed op de sneeuw.

Tenslotte verschijnt zijn vriend Gawan ten tonele. Hij kent Parcival goed, begrijpt wat er aan de hand is, neemt zijn mantel en bedekt daarmee de bloeddruppels. Nu pas kan Parcival ontwaken uit deze quasi hypnotische toestand, waarna hij met Gawan meegaat naar het hof van Koning Arthur.

Wat is de diepere achtergrond van deze scène met de drie bloeddruppels? Wolfram von Eschenbach geeft zelf een antwoord; hij zegt dat Parcival door deze bloeddruppels herinnerd wordt aan de blos op de koon van zijn geliefde. Hij wordt om zo te zeggen herinnerd aan zijn ‘minne’, dat wil zeggen het ideaal waarvoor hij ten strijde trekt. Ook Chréstien de Troyes geeft een soortgelijke verklaring.

Ik heb nooit helemaal begrepen hoe men bij het zien van bloed aan de kleur van de blos op iemands wangen kan denken, doch aan de andere kant komt dit beeld meer voor. Immers, bij het sprookje van Sneeuwwitje horen we ook dat haar moeder, toen zij voor het venster zat te naaien, zich in de vinger prikte en dat drie bloeddruppels op de sneeuw vielen. Bij de aanblik daarvan zegt de moeder dat ze hoopt een kind te krijgen met een huid zo wit als sneeuw en zo rood als bloed. In zoverre dekken deze twee verhalen elkaar. Doch er zijn nog meer voorbeelden van bloeddruppels die een andere taal spreken. Zo bijvoorbeeld de Ganzenhoedster, waar bloeddruppels op een wit zakdoekje gedruppeld worden door een moeder, die dit aan haar dochter meegeeft en erbij zegt: ‘bewaar het goed, je zult het op reis nodig hebben’.

Een derde voorbeeld van hetzelfde beeld is gegeven in het sprookje van ‘De drie oude mannetjes in het bos’. De overige inhoud daarvan is voor ons niet van belang. We hoeven slechts te vermelden hoe een jong meisje, in een papieren jurkje en slechts een korst brood als proviand door haar boze stiefmoeder midden in de winter, als alles besneeuwd is, het bos ingestuurd wordt om aardbeien te zoeken. Als ze bij een klein huisje komt ziet ze drie oude mannetjes uit het raam kijken, die haar vragen wat ze daar komt zoeken. ‘Ik moet van mijn moeder aardbeien zoeken in het bos’, zegt ze. ‘Maar kind’, antwoorden de drie mannetjes, ‘je kunt in de sneeuw toch geen aardbeien vinden!’. ‘Nee, dat weet ik, maar ik durf niet zonder thuis te komen’. Ze wordt daarop binnengelaten, ze mag zich warmen bij het vuur en de mannetjes vragen haar of ze iets van haar brood kunnen krijgen omdat ze honger hebben, waarop het meisje vanzelfsprekend haar brood met hen deelt. Hierop vraagt er een of ze hun nog een dienst zou willen bewijzen, waartoe ze graag bereid is. Ze geven haar een bezem en verzoeker haar de sneeuw voor de achterdeur weg te vegen. Als ze dat doet komen er van onder de sneeuw prachtige aardbeien te voorschijn.

De verdere geschiedenis hoeft, zoals reeds gezegd, niet vermeld te worden. Het gaat erom dat wij duidelijk hetzelfde beeld weer tegenkomen, een beeld dat ons onmiddellijk herinnert aan het bloed op de sneeuw.

Wij kunnen ons nu weer afvragen: wat kan dit beeld ons vertellen? Hiertoe moet men een aantal indrukken samennemen: Parcival komt uit de Graalsburcht met de vraag in zich wat dit alles te betekenen heeft. Hij ziet eerst Sigune met Schionatulander op haar schoot, dan Orilus en Jeschute. Pas daarna wordt hij geconfronteerd met het mysterie van de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Parcival staat gefascineerd naar het bloed te kijken, zo zegt men. Ik meen echter dat er nog een andere opvatting mogelijk is, die geheel nieuwe gedachten in ons kan opwekken. Wij zouden ons kunnen vragen: waar kijkt Parcival naar? Als wij dan vanzelfsprekend zeggen: naar het bloed, meen ik dat hier een eenzijdigheid dreigt. Zeker, hij ziet dat bloed, doch ik zou willen opmerken dat bloed voor Parcival niets bijzonders is. Hij heeft veel gevechten geleverd, veel mensen gedood; bloedige avonturen zijn hem overbekend. Ik ga nu zo ver door te zeggen dat Parcival in werkelijkheid niet naar het bloed kijkt. Hij kijkt naar de sneeuw, hij is verbijsterd door het licht! Om welk licht gaat het hier? – Juist dit ligt uitgedrukt in de opeenvolging der besproken beelden.

Orilus en Jeschute, een beeld van een onschuldige schuld, een beeld van de zondeval tengevolge van een verleiding waar de mens nog niet tegen bestand was.
Rudolf Steiner gebruikte eens de uitdrukking: ‘Von Anderen erschuldete Selbstheit Schuld’ om de zondeval te karakteriseren, wijzende op de bijzondere verhouding tussen mens en Lucifer. – Eerder had Parcival Sigune en Schionatulander ontmoet, waarin wij het beeld der ‘Piëta’, Maria met de Christus op haar schoot, kunnen herkennen. Michelangelo heeft dit in zijn plastiek – in de Sint Pieters Kerk in Rome — wel onnavolgbaar schoon uitgebeeld.

Daarna krijgen wij de scène met de bloeddruppels, waarvan ik zei dat het licht hetgene is wat Parcival zo fascineert. Voor mij betekent dit niets anders dan dat Parcival voor het eerst gewaar wordt dat het bloed veranderd is, dat wil zeggen dat het bloed niet meer het bloed is wat wij kennen uit de begrippen: bloedig, bloedwraak, bloedschande, enzovoort. Het bloed is veranderd sinds het Mysterie van Golgotha en op het ogenblik dat Parcival de bloeddruppels in de sneeuw ziet wordt hij er zich voor het eerst van bewust dat dit gebeuren een totale omwenteling betekent in de menselijke evolutie. Wat er gebeurd is op Golgotha is een ‘tegengebaar’ ten opzichte van de zondeval. Vandaar de opeenvolging van de beelden: Sigune-Schionatulander en Orilus-Jeschute.

Men zou nu zeggen dat het begrijpelijk wordt dat Parcival niet vraagt naar de dingen die hij in de Graalsburcht ziet. De verwonde Amfortas, de bloedende lans, het zijn alle beelden die hem volstrekt geen verwondering inboezemen, zij behoren tot zijn dagelijkse ervaring. – Van de Graal kan gezegd worden dat hij daar inderdaad niets van kent of begrijpt, doch wij hebben reeds gezien dat vragen daarnaar voor hem een ongepastheid geweest zou zijn. Van een werkelijke achtergrond bevroedt hij nog niets.

Is het niet wonderbaarlijk dat zich direct daarna de hele reeks gebeurtenissen afwikkelt die tot het dramatische hoogtepunt van het gebeuren op het sneeuwveld leiden?

Doch het wordt nog onthullender wanneer wij de sprookjesachtige beelden die daarna besproken zijn nog eens duidelijk beschouwen. Bloeddruppels in de sneeuw bij Parcival drukken uit dat iets nieuws, een lichtkracht zich met het bloed verbonden heeft. Dezelfde bloeddruppels in het verhaal van Sneeuwwitje worden in verband gebracht met een toekomstige geboorte in de mens. De bloeddruppels op het witte lapje in het sprookje van de Ganzenhoedster betekenen een hulp in de nood waarin de mens dreigt te gaan verkeren. Het rode op het witte in het sprookje van de Drie Mannetjes wijst op een eigenschap van goedheid en bescheidenheid die in de mens leeft.

Zo ontstaat langzamerhand een geheel, een geheel waarbij meer en meer naar voren komt wat zich in de loop der tijden met de menselijke ontwikkeling met ieder mens verbonden heeft, wat in ieder mens te vinden is als een nieuw begin, als een keerpunt in zijn verhouding tot de geestelijke wereld. Het beeld van Sigune met Schionatulander richt de geest van Parcival op het gebeuren op Golgotha, op het moment in de aarde-ontwikkeling waar het Christuswezen zich met de mensheid, dit wil zeggen ook met ieder mens op aarde, verbond. Sindsdien is het bloed veranderd.

In het bloed hebben we met een wonderbaarlijke substantie te maken. In Goethe’s ‘Faust’ zegt Mephistofeles, op het ogenblik dat Faust het verdrag van hem met zijn bloed zal ondertekenen: ‘Blut ist ein ganz besonderer Saft’. Mephistofeles maakt hiermede om zo te zeggen aanspraak op het bloed. De besproken beelden uit het Parcivalepos onthullen dat voor iemand wiens aandacht daarvoor gewekt is, een nieuw element — zij het voorlopig nog verborgen – in het bloed leeft.

Pas wanneer de mensheid zich bewust gaat worden van wat er in dit bloed veranderd is door het Mysterie van Golgotha, kan zij de weg ‘omhoog’ weer terug vinden.
Rudolf Steiner heeft hierover een aantal voordrachten gehouden die samengevat zijn onder de titel: ‘Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes’.*) Het is hier niet mogelijk daar verder op in te gaan, doch het komt er op neer dat het rode bloed de uitdrukking is van de menselijke begeerten en hartstochten, zoals ook in de meditatie van het Rozenkruis in ‘Geheimwissenschaft im Umriss’ **beschreven wordt. Door de komst van de Christus verschijnt ‘licht in de duisternis’, wordt het bloed doordrongen met een nieuwe impuls, die het begin van een opstanding betekent. De indruk die Parcival heeft van het sneeuwveld en het bloed kan ook op deze manier gezien worden.
.

L. F. C. Mees, in een mededelingenblad van de antroposofische ver. in Nederland, jaartal onbekend (maart 1981?)

.

*GA 134 – Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes. Hannover 1911/12.
**GA 13
vertaald

.

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1100-1021

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (21)

.

HERDERS; SCHAPEN; PAARDENSTAL

leven O.T. 841. Herder met stok en staf 
De stok (a) is gewoonlijk van eikenhout; ± 60 c.m. lang, met een knop ter grootte van een goed uitgegroeide sinaasappel. Met behulp van een band kan de stok aan de gordel bevestigd worden of hij hangt als een rijzweep aan de pols. De staf (b) meet van 4 tot 6 voet en is gewoonlijk gemaakt van een tak van een olijfboom, die geschild wordt. De staf dient de herder bij het beklimmen van de rotsen, om takjes en bladeren af te slaan, om treuzelende of vechtende geiten te bestraffen en eindelijk om erop te leunen, wanneer hij wacht houdt over zijn kudde. De herder draagt een lang onderkleed (c) een soort mantel (d) een hoofddoek (e) vastgehouden met een band (ƒ); over het onderkleed een gordel (g); in de rechterhand de slinger.
leven O.T. 852. Slinger
Deze is gewoonlijk gevlochten van wol en heeft in het midden een 5 a 6 c.m. breed extra gevlochten gedeelte, waarin de steen komt te liggen in het midden van de holligheid des slingers (1 Sam. 25 : 20). Als slingerstenen werden gebruikt de kleine „gladde stenen” (1 Sam. 17 : 40) die men ’s zomers in de droge beddingen van de uitgedroogde rivierlopen opzocht en dan in de „tas voor de slingerstenen” (vert. Prof. de Groot) opborg (Bruijel).
leven O.T. 863. Herdersknaap met slinger
Als men de steen in de slinger gedaan heeft, steekt men de middelvinger van de rechterhand door het oog van de ene lus, houdt het andere, iets langere en smallere eind met dezelfde hand en slingert nu de slinger boven het hoofd. De kunst is, het snoer op het goede ogenblik los te laten, zodat de steen het doel treft.

leven O.T. 874. Herdersknaap de fluit bespelend
Bij de herdersknapen is het een geliefkoosde bezigheid om de kudde te kalmeren door op een schalmei (a) te blazen. Zij maken deze van riet. Er zijn 6 openingen; de knaap gebruikt van beide handen daarom drie vingers om te bespelen. In de Bijbel wordt er gewag van gemaakt als men het fluiten der herders tussen de kudden hoort (Richt. 5 : 16).
leven O.T. 885. Schaapskooien
De schaapskooien dienen om de kudden in de zomernachten een verblijf te verlenen. Een muur van los opgestapelde stenen is feitelijk de beschutting. Deze kooien moeten dan beschermen tegen „dief en rover” (Joh, 10 : 1). In de muur is een opening „de deur in de schaapskooi” (a). Voor deze deur ligt de deurwachter, gewoonlijk een der herders, ’s Morgens doet de deurwachter de deur open en de herders roepen de schapen (Joh. 10 : 2, 3).
leven O.T. 896. Paardenstallen van Salomo in Megiddo
Van Salomo wordt gemeld, dat Salomo had „schatsteden, en wagensteden en steden der ruiteren” (1 Kon. 9 : 17—19). Salomo kocht paarden en wagens uit Egypte (1 Kon. 10 : 28) en voerde die naar het noorden, om te verkopen aan de koningen van de Hethieten en de Syriërs (1 Kon. 10 : 29). Het vervoer geschiedde over de handelsweg, waaraan Megiddo lag. Bij de opgravingen zijn hier gevonden de stallen van Salomo. De stallen hadden de vorm van een lange hal, met afdelingen voor de paarden aan weerszijden van de middengang. Het dak werd gedragen door 2 rijen stenen pilaren; tussen die pilaren stonden stenen kribben. In de pilaren waren gaten, waardoor men een touw kon halen om de dieren vast te binden.
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1096-1017

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-3)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 3

Parcival kan zijn weg alleen gaan als Gawan hem innerlijk begeleidt en alles doormaakt in de sfeer van het boze, wat aan Parcival bespaard wordt.

Laster en beproeving
Gawan maakt een wonderlijke ontwikkelingsweg door. Hij ontmoet eerst een gewonde ridder met zijn vriendin. Hij leert de vriendin hoe ze het bloed uit zijn vergiftigde wonde moet zuigen en gaat dan verder om de aanvaller te zoeken. Die zal hij ook vinden maar eerst ziet hij nu een krijgshaftige edelvrouw onder een boom zitten en ‘tegen minne is Gawan een weerloos man’. Hij biedt haar zijn diensten aan, die ze spottend afwijst. Maar als hij graag wil kan hij haar paard gaan halen uit een nabije boomgaard. In de boomgaard wordt Gawan gewaarschuwd voor deze vrouw maar hij gaat met het paard toch naar haar toe. Ze staat hem toe met haar mee te gaan, maar hij moet voorop rijden. Onderweg ziet hij een kruid waarvan de wortel de gewonde ridder genezen kan. Hij graaft die uit en de vrouw spot: ach mijn ridder is slechts een dokter. Gawan verdraagt dit en als ze nu de gewonde ridder opnieuw ontmoeten, legt hij hem de wortel op de wonde. Op haar verzoek helpt hij de vriendin op het paard en van die
gelegenheid maakt de gewonde man gebruik om snel op Gawans paard te springen. Terwijl ze samen wegrijden roept hij: weet je wie ik ben, Gawan? Ik ben Urjan. Urjan was een ridder, die door Arthur ter dood veroordeeld was en door voorspraak van Gawan dat gewijzigd kreeg in vier weken met de honden uit de hondebak eten. In hun gesprek valt een merkwaardig woord:

‘Wie een ander het leven redde, die zal dat door die ander nooit vergeven worden! ’

We zijn in een wereld beland waar de allerlaagste instinkten werken. Ook dat moet de graalzoeker leren kennen.
Sinds enige tijd rijdt met hen mee een dwerg, Malcreatuur. Hij is de dienaar van de hertogin en een broer van Kundrie. Hij beledigt Gawan en Gawan tuchtigt hem maar verwondt zijn handen aan het glasharde haar van de dwerg. De hertogin spot: eerst leek je een ridder, toen een dokter en nu ben je zelfs een voetknecht geworden. Hij neemt dan het kreupele rijdier van de dwerg.

Enige tijd later ontmoeten ze de ridder die voor de hertogin strijdt, Lischois Giwellius. De strijd is onvermijdelijk en Gawan overwint Lischois. Weer doet zich iets merkwaardigs voor: het kasteel Logrois dat aan Orgeluse behoort, is omgeven door een stroom, waarover een veerman overzet. De veerman komt nu en eist van Gawan het paard waarop Lischois reed, want zo is de zede hier: winst wordt verlies. Gawan constateerde tot zijn verwondering dat Lischois op zijn eigen (Gawans! ) paard reed en hij wil dus niet anders dan zijn eigendom terug. In het land van Klingsor echter gelden andere wetten dan die van het wakkere bewustzijn. Het is de spiegelwereld van de tegenstandersmachten van de mens: het boze lijkt goed en het goede doet zich als het boze voor. Op de weg naar de Ik-wording moet deze onzekerheid worden doorgemaakt.

Gawan mag bij de veerman overnachten en als hij de volgende morgen naar de burcht omhoog ziet, ziet hij vele vrouwengezichten voor de vensters. Hij vraagt de dochter van de veerman, Bene, uit, maar die begint te huilen. Als de veerman zelf gevraagd wordt, wil hij ook eerst niet antwoorden, maar tenslotte vertelt hij hoe daar vierhonderd vrouwen en vier koninginnen gevangen worden gehouden door Klingsor en dat degene die het avontuur op het lit merveille, het wondcrbed, kan doorstaan, de vrouwen verlossen kan. Maar hij raadt hem af dit te proberen.

Gawan is dus kennelijk op Chatel Merveil, het kasteel waarvan Kundrie sprak toen ze Parcival bij Arthur wegjoeg. In een later stadium zal hem worden verteld hoe het alles in elkaar zit. Eerst moet hij nu het avontuur op het wonderbed doorstaan. Als hij het kasteel betreedt, komt hij in een zaal waarvan de bodem bestaat uit edelstenen, die zo zijn gevoegd dat de vloer spiegelglad is. Hij springt op het bed dat op vier wielen van robijn heen en weer rolt en, zodra hij erop ligt, regent een hagel van stenen en pijlen op hem neer, geworpen en geschoten door vijfhonderd steenwerpers en vijfhonderd boogschutters. Hij loopt vele wonden op ondanks het harde schild dat de veerman hem gegeven heeft. Als dit alles ophoudt, treedt een reusachtige man binnen met een knots. Als die ziet dat Gawan nog leeft, laat hij een wilde leeuw op hem los. Gawan overwint ook de leeuw door hem te doden maar valt dan bewusteloos op het dier neer.

Eén der koninginnen, die alles heeft waargenomen, komt nu binnen om zijn wonden te verzorgen. Het is de oude koningin Arnive, de moeder van koning Arthur. Zij helpt hem met een zalf die Kundrie haar heeft gebracht en die ook de pijnen van Amfortas verzacht. Weer vinden we hier de samenhang met de graalsstroming, maar ook met de Arthurstroming. Ze komen steeds dichter bij elkaar. Ook Parcival was een dag voor Gawan bij de veerman maar hij versmaadde de tocht naar de burcht nadat hij wel Lischois Giwellius overwonnen had. Ook hier weer het beeld dat Gawan de gevaren van het boze doormaakt als plaatsvervanger voor Parcival.

Wat is er met deze avonturen aan de hand? We verkeren nog steeds in de wereld waar alles omgekeerd is. Het is de wereld van de levenskrachten, die zich wild chaotisch kunnen uiten en ook de basis van de fantasie zijn. Wilde vitaliteit is het waarin Klingsor zijn macht kan uitoefenen.

Opheldering
Gawan kan de slaap niet vatten door de gedachten aan Orgeluse, de hertogin van Logrois. Hij staat vroeg op en onderzoekt de burcht. Alles is nu zijn eigendom. Hij ziet in een bovenzaal een zuil, die de gehele omgeving weerspiegelt. Daar ziet hij Orgeluse naderen met weer een andere ridder, een Turk. Hij beschouwt dit als een uitdaging, wat het ook is. Hij steekt ook deze ridder neer, maar Orgeluse blijft hem honen. Ze belooft hem echter minne als hij voor haar een krans haalt van de boom, die door Gramoflanz wordt behoed.

Gawan maakt zich op weg en moet nu te paard over een gevaarlijke stroom springen. Hij redt het bijna maar het paard blijft nog juist haken en valt terug in de wilde stroom. Gawan zelf kon de oever bereiken en geleidt nu zijn paard naar een plaats waar het de oever bestijgen kan. Hier plukt hij een krans van de boom en als hij dat gedaan heeft verschijnt koning Gramoflanz ongewapend. Hij is niet gewend met slechts één ridder tegelijk te strijden, hij strijdt alleen met twee tegelijk. Hij zegt echter één uitzondering te willen maken, n.l. voor de zoon van koning Lot van Noorwegen omdat Lot zijn vader (die van Gramoflanz) zou hebben gedood. Als Gawan zich bekend maakt als de zoon van koning Lot spreken ze een tweekamp af op het veld van Joflanze in het bijzijn van het hof van Arthur. Tegelijk bekent Gramoflanz aan Gawan zijn liefde voor één van de koninginnen op Chatel merveil, Itonje, de dochter van Lot, Gawans zuster. Eens heeft Gramoflanz de echtgenoot van Orgeluse, Cidegast verslagen en sindsdien staat zij hem naar het leven. Orgeluse verandert nu van houding en bekent Gawan dat ze hem alleen maar op de proef heeft willen stellen. Gawan, de licht ontvlambare, moet tonen de verleidingen van het gebied van Klingsor te kunnen doormaken als overwinnaar. Dan komt hem de krans der deugden toe, die Gramoflanz behoedt. Ook valt hem dan de liefde van Orgeluse ten deel, die door Parcival was versmaad.

Gawan zendt nu een bode naar koning Arthur om hem uit te nodigen voor de tweekamp. De bode krijgt de opdracht tegenover iedereen te zwijgen over wie Gawan is en ook aan Arthur niet mee te delen dat Gawan heer is van Chatel merveil. Arnive tracht tevergeefs de schildknaap uit te horen en weet nog steeds niet wie hun bevrijder is.

Wie is Klingsor?
Gawan laat zich door Arnive vertellen wie Klingsor is. Hij was oorspronkelijk een hertog van Capua in Campanië en een neef van de tovenaar Virgilius in Napels. Hij beminde een vrouw van een ander en deze castreerde hem toen hij hem met zijn vrouw in bed verraste. Uit wraak leerde Klingsor de toverkunst en kreeg van de vader van Gramoflanz het gebied geschonken waarin hij dan Chatel merveil kon bouwen. Klingsor haat man en vrouw, ‘vooral wanneer ze goed en edel zijn’. Hij probeert ze een strik te spannen zodat hij ze in zijn macht krijgt. ‘Ook beheerst hij met geweld, alle geesten die men kent tussen aarde en firmament, of ze boos zijn dan wel goed, tenzij God ze behoedt’. Zo vertelt Arnive over Klingsor. Hij is de macht die er plezier in heeft de mens ten val te brengen als zich ergens een zwakheid toont. Deze wereld behoort nu aan Gawan. Hij kent de verleidingen en kan daardoor dit rijk ten goede wenden. Hier komt duidelijk een zeer bepaalde stroming in het christendom tot uiting, die zijn grootste historische openbaring vond in het Manicheïsme, waar het er om ging het boze door liefde in het goede te metamorfoseren.
De dichter Christiaan Morgenstern drukt het zo uit: Freunde, liebt dat Böse gut!

Parcivals terugkeer
Gawan verzamelt nu alle groepen op het veld van Joflanze: het leger van Arthur, de ridders van Klingsor, de manschap van Orgeluse. Gramoflanz wordt uitgenodigd tot de tweekamp.
Gawan rijdt in de vroege morgen uit en ontmoet een ridder, die een krans van de boom der deugden draagt. Hij houdt hem voor Gramoflanz en begint de strijd. Als hij bijna het onderspit moet delven komt Gramoflanz begeleid door de ridders van Gawan. De boden roepen zijn naam en de andere ridder werpt zijn wapens weg en maakt zich bekend als Parcival. Hij jammert dat opnieuw het onheil hem vervolgt en zegt: ‘Mijn eigen geluk heb ik bestreden, voor mijzelf de nederlaag geleden’. Gawan keert dit om en zegt: ‘Jezelf heb je overwonnen’. Zo nabij zijn de beide helden elkaar, dat ze als het ware verwisselbaar zijn, ze zijn één. Parcival is dan ook bereid voor Gawan met Gramoflanz te strijden, daar Gawan uitgeput is. Maar Gramoflanz weigert, hoewel Parcival immers ook een krans van zijn boom heeft geroofd. Ook Gawan weigert echter. Parcival wordt nu in de kring van de tafelronde opgenomen en als nu ook Itonje ervaart dat er gestreden moet worden tussen haar geliefde en haar broer, smeekt ze Arthur om bijstand. Arthur weet een verzoening tot stand te brengen en des avonds vindt een reeks bruiloften plaats: Gramoflanz en Itonje, Lischois met de andere zuster van Gawan, Kundrie (niet de bode van de graal), Arnive met de Turk en Orgeluse met Gawan.

Is dit het normale, ietwat platte ‘eind goed al goed’? De bruiloft is in de middeleeuwen altijd ook symbool van de verbinding van de ziel met de hogere wereld. Gawan en Parcival hebben elkaar gevonden en daarom kunnen de bruiloften plaatsvinden. Maar het is het einde niet. Parcival is onbevredigd. Hij rijdt weg. Het symbool is niet genoeg. Er moet nog meer gebeuren.

De ontmoeting van twee werelden
Als Parcival uitgereden is ontmoet hij een heidense ridder. De strijd ontbrandt en Parcival gaat door de knieën. De kracht van de ander wordt gesterkt doordat 
strijdkreet zijn geliefde aanroept: Sekundille. Parcival vertrouwde op God maar denkt nu ook aan Kondwiramur en heft de strijdkreet ‘Belrapeire’ aan. Hij weet de ander op de knieën te krijgen maar dan breekt zijn zwaard. De ander maakt daar grootmoedig geen gebruik van en is zelfs bereid als eerste zijn naam te noemen: Feirefisz, de Anschewein (heerser over Anschauwe). Parcival zegt verontwaardigd: Heer verzin iets anders, want de Anschewein ben ik. Na enig geharrewar ontdekken ze dat ze halfbroers zijn. Feirefisz is zwart en wit als een zebra. Hier komt het oermotief van het begin terug: zwart en wit tesamen. Niet het licht alleen maar ook de duisternis. Toch is dat niet de eindoplossing, zoals we nog zullen zien. Maar wel moet hier zich oost en west met elkaar verbinden, of liever ze zijn verbonden maar ze moeten deze verbondenheid inzien en waar maken.

De terugkeer op de graalsburcht
Ook Feirefisz wordt nu in de tafelronde opgenomen. De tafelronde wordt nu verrijkt met wereldwijdheid en de vereniging der tegenstellingen.

Nu verschijnt Kundrie, de bode van de graal, opnieuw en ze verkondigt dat de vloek over Parcival en de tafelronde is opgeheven. Parcival wordt tot de graal geroepen en hij mag één andere ridder meenemen. Hij kiest niet Gawan (die heeft andere taken) maar Feirefisz.

Op de graalsburcht aangekomen, vraagt Parcival aan Amfortas: ‘Oom, wat scheelt eraan? ’ En terstond wordt Amfortas gezond en jeugdig. Parcival wordt nu tot koning van de graal gekroond. Er komt een bode die meldt dat Kondwiramur met haar twee zoons onderweg is en reeds dichtbij. Parcival trekt haar tegemoet maar gaat eerst nog bij Trevrizent langs en vindt dan zijn vrouw na vijf jaar terug met een tweeling, Kardeis en Loherangrin. Kardeis wordt gekroond tot koning van de wereldlijke rijken van Parcival en Kondwiramur, terwijl Loherangrin tot opvolger van Parcival als graalkoning is bestemd.

Op de weg naar Monsalvatsch bezoekt Parcival nog de kluis van Sigune. Deze is nu gestorven. Haar taak als begeleider van Parcival op de kritieke momenten van zijn leven, telkens als hij een stap verder moest in zijn bewustzijnsontwikkeling, is nu voorbij.

Als de graal wordt binnengedragen op de burcht, ziet Feirefisz wel de draagster van de graal, Repanse de Schoie. Maar hij ziet niet de graal zelf. Hij vat een diepe liefde voor Repanse op en is bereid zich om harentwil te laten dopen. De graal zelf kan hij niet zien omdat hij niet gedoopt is. De graal is alleen te zien voor de voorbereide mensen. Maar hij heeft liefde voor wat op aarde zichtbaar is als de draagster van het hogere leven.
Als hij de volgende morgen wordt gedoopt, trouwt hij met Repanse, nadat hij ook de graal kon zien. Ze trekken naar Indiê waar hij het Christendom verbreidt. Ze krijgen ean zoon, die de naam priesterkoning Johames zal krijgen.

Nu eerst is alles voltooid. De eenheid der tegenstellingen is niet voldoende uit zichzelf. Ze moet doordrongen worden door de krachten van de graal, die de Christus op aarde vertegenwoordigt. De graal verbindt de tegenstellingen zo dat ze vruchtbaar kunnen worden. De zoon heet priesterkoning. Verbonden wordt de verhouding tot de geest (de priester) en het beheren van de uiterlijke wereld (de koning). Zijn naam is de naam van hem, die als enige de Christuskracht geheel in zich kon opnemen. Dit is echter een nieuw thema, dat hier slechts kan worden aangeduid.

J.Knijpenga, Jonas 18, 06-05-1977
.

Literatuur:
Wolfram von Eschenbach, Parcival, bew. door M. de Vries (Vrij geestesleven).
F.C.J. Los, Parcivals graaltocht (uitverkocht).
R. Meyer, Der Gral und seine Hüter (Urachhaus).
W.J. Stein, Weltgeschichte im Lichte des heiligen Gral (Stuttgart-Wien 1928).

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

.

1095-1016

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-2)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 2

Na het eerste stadium van de ‘tumbheit’ begint voor Parcival nu spoedig het stadium van de twijfel, de ‘zwifel’. Hij is nu niet naïef meer, maar toch laat hij zijn paard de vrije teugel, d.w.z. hij vertrouwt op zijn instinctieve intelligentie om hem de weg te wijzen. Er is nog nergens een bewuste beslissing. Na een lange rit bereikt hij een woud, waar hij een klein meer ziet. Twee vissers zitten daar in een boot. De één is rijk gekleed en op zijn vraag naar een onderdak antwoordt deze visser: dertig mijl hier in de omtrek is geen huis te vinden. Als ge wilt, zal ik echter graag uw gastheer zijn. Volg deze weg tot een zijweg en pas op dat ge die niet mist! Dan zult ge aan een burcht komen en men zal u welkom heten als ge zegt dat de visser u gestuurd heeft. Parcival vindt deze burcht en maakt er vele onbegrijpelijke dingen mee.

De gevolgen van een niet gestelde vraag
Hem wordt een plaats aangewezen in een grote zaal naast de visserkoning, die op een soort rustbed half ligt, half zit en kennelijk grote pijn lijdt. Er wordt een bloedende speer rondgedragen en iedereen, vooral de visserkoning, krimpt ineen. Daarna komen er vierentwintig jonkvrouwen binnen. Hun koningin, Repanse de Schoie, draagt de graal, die voeding geeft aan alle vierhonderd ridders die aanwezig zijn. Deze koningin, zuster van de visserkoning Amfortas, heeft ook reeds een mantel aan Parcival geschonken. De koning zelf schenkt hem een zeer bijzonder zwaard en duidt heel voorzichtig zijn lijden aan. Parcival vraagt niets, zoals hij van Gurnemanz heeft geleerd. Hij kan nog niet tot innerlijke zelfstandigheid komen.

De volgende morgen na een onrustige nacht, ziet hij niemand. Zijn paard staat aangebonden klaar op het voorplein. Hij ziet sporen van paardevoeten en besluit de ridders te gaan zoeken. Als zijn paard nog nauwelijks de achterbenen van de brug heeft wordt deze opgetrokken en een stem roept: ‘Gans, waarom heb je niets gevraagd?’

Het spoor gaat verloren in het struikgewas en Parcival hoort nu een klagende stem van een vrouw. Hij gaat erop af en vindt daar Sigune met haar dode vriend in haar schoot. Zij herkennen elkaar na enige tijd en Sigune vraagt of hij op de graalsburcht is geweest en de en de vraag heeft gesteld. Parcival zegt dat hii niets heeft gevraagd. Sigune scheldt hem uit voor een onmenselijk monster en wil niets meer met hem te maken hebben.

De graalskoning was ziek door een wonde aan het schaambeen, waarvan hij verlost kon worden als de naam van zijn opvolger op de graal verscheen. Maar deze opvolger moest dan wel de vraag stellen naar het leed van zijn gastheer zonder dat iemand hem daarop attent zou maken en ook moest die vraag meteen de eerste avond worden gesteld. Hier komt de volle geesteswakkerheid aan de orde die een zoeker naar hogere werelden moet hebben. Eigen initiatief is heilig. Hulp mag hem niet gegeven worden. Hij moet de tekenen zelf kunnen verstaan en op het juiste moment kunnen handelen.

Langzame bewustwording
Dit alles roept Sigune in hem wakker maar hij wordt nog niet helemaal bewust van wat hij heeft verzuimd. Hij besluit het weer goed te maken zonder te beseffen hoe lang de weg daartoe zal zijn. Eerst ontmoet hij nu nog een stuk vroegere schuld. Hij ziet een vrouw in lompen gehuld op een slecht paard rijden achter een zwarte ridder. Als hij haar aanspreekt waarschuwt ze hem dat haar echtgenoot hem doden zal. Hij herkent dan Jeschute, die hij in het ongeluk heeft gestort, want haar echtgenoot, Orilus de Lalander, kon niet anders denken dan dat ze hem ontrouw was geweest en liet haar als straf in lompen achter zich aanrijden. Parcival strijdt met Orilus, overwint hem en bezweert nu in een kluis in de nabijheid met de hand op een relikwie de onschuld van Jeschute. Hij neemt in een soort zinsverbijstering, waarin hij verkeert door al het gebeurde, een speer mee, de bonte speer van Taurian. Hij heeft iets goed gemaakt van zijn schuld en iets meer bewustzijn is in hem ontwaakt, maar hij blijft nog dromen. Sigune heeft hem hier belangrijk geholpen. Zij komt nog een keer terug in zijn leven om hem weer over een drempel heen te helpen.

Voorlopig vervolgt hij zijn weg weer door zich aan zijn paard over te geven. Het is vroeg in het voorjaar en het heeft gesneeuwd. In de vroege morgen wordt een gans door een valk verwond en enkele druppels bloed vallen in de sneeuw. Nog steeds in labiele toestand wordt Parcival hierdoor bedwelmd, want hij denkt nu aan Kondwiramurs mooie lichaam. In de nabijheid is het kamp van koning Arthur en de tafelronde is op zoek naar Parcival om hem in te lijven.

Arthur had zijn ridders laten zweren niet te strijden zonder zijn verlof. Nu ziet een schildknaap de rode ridder met opgeheven lans en hij slaat alarm. Segramors biedt aan met deze uitdagende ridder de strijd op nemen. Hij rijdt uit maar wordt smadelijk verslagen. Evenzo vergaat het Key. Dan rijdt Gawan uit, zonder wapens. Hij kent de macht van de liefde en hij begrijpt wat aan de hand is. Hij neemt een doekje en bedekt de drie bloeddruppels. Onmiddelijk komt Parcival tot bewustzijn. Gawan brengt hem nu bij Arthur.
Deze ontmoeting van Gawan met Parcival is beslissend voor de verdere ontwikkeling. Van nu af aan is hun lot steeds dichter met elkaar verweven.
De tafelronde viert feest omdat Parcival aangekomen. Maar Parcivals weg gaat niet naar Arthur, althans nu nog niet. Voor hem is een andere weg bestemd, maar zijn weg wordt van nu af verbonden met die van de tafelronde in de gestalte van Gawan.

Wakkerheid en twijfel
Er nadert een wonderlijke gestalte, Kundrie de la Sorziere. Ze wordt geschilderd als een lelijk schepsel met een hondeneus, slagtanden als een everzwijn, oren als een beer. Ze verkondigt aan de tafelronde dat deze een onwaardige in haar midden heeft opgenomen en vervloekt Parcival erger dan Sigune deed, omdat hij zijn taak bij de graal niet heeft begrepen. ‘Wee Montsalvatsch, dat uw leed niet werd opgeheven.’
Tevens vermeldt ze dat er nog steeds gewacht wordt op een ridder die Chatel Merveil, waar vier koningen en vierhonderd vrouwen gevangen worden gehouden door Klingschor, gaat bevrijden.
Als de ridderschap nog niet bekomen is van deze gebeurtenis nadert reeds een ander.
Deze keer een ridder, een vorst uit Askalon, Kingrimursel. Hij beschuldigt Gawan dat deze op laffe wijze koning Kingrisin heeft vermoord. Als hij zich onschuldig acht, moet hij dat bewijzen in een tweekamp, waarvoor hij zich binnen veertig dagen moet melden in Schampfanzun bij koning Vergulacht, de zoon van de vermoorde vorst.

Zo scheiden Parcival en Gawan beide van het hof van koning Arthur, de één om de graal te gaan zoeken, de ander om zijn onschuld te bewijzen. Maar hun wegen zullen steeds weer samenkomen zonder dat ze dat zoeken.

De twee-eenheid Gawan en Parcival
Gawan moet nu vele avonturen doormaken 
die alle een merkwaardig tintje hebben. Hij komt steeds in aanraking met het boze. Eerst ontmoet hij een jonge koning, die door strijd een huwelijk wil afdwingen met de dochter van zijn opvoeder en leenman. Gawan neemt de strijd op voor de leenman, omdat diens jongste dochter, een kind nog, Obilot, hem daarom smeekt. Maar als de strijd achter de rug is, blijkt Parcival aan de andere kant gestreden te hebben. Parcival aan de zijde van het onrecht?
Een merkwaardig raadsel treedt hier voor ons op. We moeten het voorlopig laten staan.
Gawan vervolgt zijn weg naar Schampfanzun en als hij daar in de buurt komt, ziet hij een jachtgezelschap in het moeras verdwaald. Hij helpt en blijkt zijn tegenstander, Vergulacht, uit het moeras geholpen te hebben. Vergulacht wil echter de jacht voortzetten en zendt hem naar Schampfanzun, waar zijn zuster, Antikonie, Gawan zal ontvangen. Vergulacht en zijn zuster zijn uit een elfengeslacht, een beetje licht. De licht ontvlambare Gawan wordt verliefd op Antikonie en juist als deze op zijn handtastelijkheden wil ingaan, komt een ridder binnen die alarm slaat, dat de moordenaar van zijn vorst nu ook diens dochter wil verkrachten. Antikonie sleept Gawan mee in een toren, waar zij zich met schaakstukken en een schaakbord als projectielen en schild verdedigen tegen de aanval van Vergulacht en de zijnen. De strijd wordt beëindigd door Kingrimursel, die aan Gawan een vrijgeleide heeft beloofd.
Gawan heeft het merkwaardige lot steeds voor iets te worden uitgemaakt wat toch niet helemaal zo is. Als hij in het vorige avontuur onder aan de burcht staat, zegt Obie, de oudste dochter van de burchtheer (om wie de strijd begonnen is) dat hij een marskramer is.
Hier bij Antikonie was het Antikonie zelf die er op inging.
Wat is er met Gawan? Waarom deze verdachtmakingen (hij heeft ook Kingrisin niet gedood)? Hij heeft toch een zekere binding met het boze. Gawan moet een zieleweg gaan. Parcival gaat de weg van een geestelijke ontwikkeling. In deze zin zijn Parcival en Gawan één. Gawan moet op zijn zieleweg alle verleidingen ontmoeten, die Parcival bespaard blijven, maar Parcival moet een veel zwaardere weg gaan.

Het blijkt nu dat de strijd tussen Gawan en Vergulacht niet kan plaatsvinden omdat Gawan moe is. Men zit aan tafel en Vergulacht vertelt hoe hij een ridder, die hem verslagen heeft moest beloven de graal te zoeken of zijn diensten aan te bieden aan de koningin van Belrapeire. Weer Parcival op de achtergrond en nu wordt overeengekomen dat Gawan in plaats van de tweekamp met Vergulacht nu het zoeken van de graal van hem zal overnemen.

Zo gaan nu Parcival en Gawan op weg naar hetzelfde doel. Vaak lijken hun avonturen op elkaar, maar Gawan zal niet de graalsburcht vinden maar het luciferische toverkasteel van de zwarte magiër Klingschor.

Het innerlijke keerpunt
Intussen dwaalt Parcival rond, zich van dag noch tijd bewust. Hij wanhoopt aan God, de twijfel heeft zijn dieptepunt bereikt. Hij ontmoet een oude ridder, die hem verwijt op deze dag rond te dolen in volle wapenrusting. Als Parcival zegt niet te weten welke dag het is, openbaart de ridder hem dat het de sterfdag van Christus is en de wijze oude man bedenkt hoe zwaar het leed van een mens moet zijn die zo rondzwerft zonder weet van de heilige tijden.
Hij raadt hem aan naar een oude kluizenaar te gaan, die hem helpen kan. Maar Parcival gelooft daar niet in en rijdt verder. Dan komt hij opnieuw bij Sigune, die nu een kluis bewoont waar zij bidt bij het graf van Schionatulander. Zij zegt hem nu vergeven te hebben en deelt hem mee dat Kundrie haar elke vrijdagavond voedsel brengt. Ze is er zo juist geweest en als hij de sporen van haar muildier volgt, zal hij bij de graalsburcht komen. Maar Parcival raakt het spoor bijster en komt nu toch bij de kluizenaar.

In lange gesprekken bekent nu Parcival dat hij bij de graal is geweest. De kluizenaar, Trevrizent vermoedt het omdat Parcival op een graalspaard rijdt. Hij heeft namelijk voor hij de oude ridder op goede vrijdag ontmoette strijd geleverd met een graalsridder (hij was er dus weer in de buurt) en diens paard veroverd nadat het zijne in de afgrond was gestort.
Het gesprek is een levensbiecht van Parcival en de oude Trevrizent, die een broer is van Amfortas brengt hem nu tot een zo vol bewustzijn dat hij rijp wordt om de graal terug te kunnen vinden. Trevrizent vertelt hem alles over de graal.
Eens viel een steen uit de kroon van Lucifer toen die uit de hemel verdreven werd. Uit deze steen is de graal gemaakt, die nu aan het geslacht van Titurel is toevertrouwd om heilsdrager voor de aarde te zijn.
Een wet voor de graalkoningen is dat ze slechts die vrouw mogen trouwen, die door de graal voor hen bestemd is. Daartegen heeft Amfortas gezondigd en zo heeft hij zijn dodelijke wonde opgelopen. Hij kan echter niet sterven zolang bij de graal ziet. Eens verscheen de naam van zijn opvolger op de graal en alle hoop was op Parcival gevestigd toen hij er kwam. Maar Parcival faalde en alle leed dat hij door moest maken, moest hem rijp maken voor zijn taak, die hij nu mag gaan vervullen.

Parcival komt door eigen daden telkens in de juiste omgeving waar hij dan geholpen wordt.

J.Knijpenga, Jonas 17 22-04-1977

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1094-1015

.

.

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-1)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 1

Wolfram von Eschenbach begint zijn Parcivalverhaal met een diepzinnige gelijkenis: wie twijfel aan zijn hart voelt knagen, kent geen zielenrust meer. Onzuiverheid en mannelijke eer leven naast elkaar als zwart en wit bij de ekster. Dit strekt de mens echter tot heil want hij weet van de hemel èn van het hellegat. Een tweede categorie mensen kent alleen de duisternis en is aan de zwarte machten overgegeven, terwijl een derde alleen het licht kent met heldere gedachten.

Daarna schildert hij het leven van een jongeman, kind eigenlijk nog in het begin, die in een paradijselijke wereld opgroeit. Maar deze paradijselijke wereld heeft een donkere achtergrond: de dood van zijn vader in het nabije Oosten. Hij wordt door zijn moeder zo opgevoed dat hij er nooit naar zal verlangen ridder te worden. Daarvoor laat ze haar koninkrijken in de steek en trekt zich met hem terug in het eenzame bos Soltane om hem daar als een ‘reine dwaas’ te laten opgroeien. Ze weet dat kennis de behoefte op zal roepen de wereld in te trekken. Maar ze weet niet dat er in de ziel van het kind, als bij ieder mens, de drang naar vragen leeft. En zo komt ook haar zoon tot vragen als hij merkt dat de vogels plotseling zwijgen wanneer hij met zijn pijl en boog er één heeft afgeschoten. De vragen gaan verder en als hij wat verder van huis afdwaalt ziet hij ridders. Uit een gesprek met hen komt bij hem het verlangen om ridder te worden en daartoe naar koning Arthur te gaan.

Tumbheit — zwifel — saelde
Dit eerste stadium van het verhaal wordt geheel en al gekenmerkt door wat Wolfram in de eerste verzen tumbheit noemt, naïeve onbevangenheid. Dat is een oorspronkelijke lichtwereld, die verbroken wordt als de mens de zwifel, de twijfel, leert kennen (als bij de ekster, zwart en wit). Dan gaat hij de duisternis in. Daarop kan echter een derde stadium volgen, de saelde, geestelijke zekerheid. Zodra Parcival zijn moeder verlaat begint eigenlijk al de twijfel, maar nog niet bewust. De tumbheit gaat langzamerhand over in de zwifel.

De duisternis komt op
Parcivals moeder, Herzeloyde, ziet dat ze hem niet kan verhinderen zijn innerlijke drang te volgen. Ze doet echter een laatste poging hem te behouden in de paradijswereld. Ze kleedt hem als een nar en geeft hem een kreupel paardje en een kinderspeertje.

Overal is hier al de duisternis op de achtergrond: de ridders zoeken een roofridder, die een jonkvrouw heeft ontvoerd, de moeder sterft als haar zoon blij wegrijdt. Maar hij zelf is zich van niets bewust. In kinderlijke onbevangenheid gaat hij zijn weg. Op die weg laat hij een spoor van ongelukken na met zware gevolgen, omdat hij de raad van zijn moeder verkeerd begrijpt. Ook hier ligt een duidelijk duisternismotief: verduistering van het bewustzijn. Hij bemerkt niet dat hij geleid wordt door onbekende en onbeheerste driften in plaats van door de wens van zijn moeder. Hij meent steeds te doen wat zijn moeder hem opdroeg. Zo wordt hij er de oorzaak van dat Jeschute door haar man, hertog Orilus, van ontrouw wordt verdacht. Want zijn moeder had hem gezegd dat hij van iedere vrouw een kus moest zien te verwerven en een sieraad. Hij vat dat zo op dat hij beide in letterlijke zin aan de edelvrouw ontworstelt. Orilus rijdt uit om de man te zoeken, die zijn vrouw bezocht heeft en doodt de eerste ridder die hij ontmoet maar die onschuldig is, Schionatulander. Schionatulander wordt plaatsvervangend gedood voor Parcival, die dan zijn nicht Sigune ontmoet, die haar dode vriend in de schoot draagt. Maar noch Parcival, noch Sigune kennen de werkelijke toedracht van de gebeurtenissen. Sigune openbaart hem zijn naam: ‘per-ce-val’, ‘door de duisternis heen’, maar de realiteit van die naam is nog voorbehouden aan een toekomstig weten van hen allebei. Parcival gaat dan op weg naar koning Arthur. Hij is nog steeds kinderlijk en volgt gehoorzaam de drie geboden op, die zijn moeder hem meegaf: iedereen te groeten, van vrouwen een sieraad en een kus te verwerven en van oude mannen een goede raad aan te nemen. Hij stelt steeds onnodige naïeve vragen en zegt bij alles: dit leerde mijn moeder mij.
Hij leeft nog geheel vanuit het voorgeboortelijke, is een moederskind zonder enige zelfstandigheid. Hij gaat daarbij met een zuivere instinctmatigheid zijn weg. Hij is een gedrevene, die door geen enkel dreigend kwaad wordt geschaad. Hij ziet de gevaren niet eens. Ook van zijn edele geboorte is hij zich niet bewust. Hij volgt eenvoudig zijn drang.

De ‘reine dwaas’ wordt schuldig
Zo komt de ‘dwaas’ bij het hof van koning Arthur te Nantes. Hier komen we in een tweede wereld van het verhaal. Koningin Herzeloyde en dus ook Parcival stammen uit een geslacht, dat de graal moet beheren op de graalsburcht. De graal heeft te maken met de werking van Christuskrachten in het bewuste voelen. We komen daar later op terug. Koning Arthur en zijn kring waken voor moraliteit in het ridderwezen. Recht en orde te handhaven door ridderlijke daden is hun taak. Christuskrachten werken hier in de wil. Later zullen we nog een derde wereld leren kennen waarmee Parcival te maken heeft, de wereld van de Arabieren en Perzen. Wolfram duidt in het begin de samenhangen daarmee reeds aan. Parcivals vader, Gahmuret, was reeds eerder getrouwd met een ‘moorse’ koningin, Belakane, en heeft bij haar ook een zoon.

Parcival ontmoet voor de poorten van Nantes een rode ridder, die er prat op gaat de beker van de tafel van de koningin te hebben geroofd omdat de koning hem zijn recht onthoudt. Het maakt diepe indruk op hem dat iemand zo over koning Arthur kan spreken.

Parcival rijdt in zijn narrepak op zijn kreupel paard de zaal binnen tot naast de troon van de koning. De terneergeslagen stemming, die ontstaan is door de daad van de rode ridder, Ither van Gaheviez, brengt Parcival tot het aanbod de beker terug te gaan halen. De wapenrustingen, die men hem aanpast, bevallen hem niet. Hij wil zijn wapenuitrusting zelf veroveren en vraagt aan de koning die van Ither ten geschenke…
Zo gaat hij terug, de poort uit, en bindt de strijd met de rode ridder aan zoals hij is, a.h.w. uit zijn moeders handen. Zij gaf hem de korte speer waarmee hij, na een naïeve woordenwisseling, de rode ridder doodt. Met behulp van een toegesnelde schildknaap ontdoet hij Ither van zijn wapenrusling, trekt die zelf aan, springt op het paard van zijn tegenstander en trekt weg als rode ridder zonder zich een ogenblik te bekommeren om de orde van het hof.

Wet en orde, maat en tucht
Volgens de orde van het hof kon alleen koning Arthur hem tot ridder slaan. Parcival onttrekt zich, nog steeds onbewust handelend, aan deze orde. Hij zal altijd gast zijn in de tafelronde van Arthur, hij zal er nooit toe behoren. Het zou te vroeg voor hem zijn geweest om zich te binden aan een kring, waar hij wel mee te maken heeft, maar waar hij niet toe behoort. Ook dit is een kenmerk van de moderne mens: verband te hebben met meerdere kringen, maar eerst langzaam de eigen kring te vinden. Bij Parcival gaat dit door een diepe eenzaamheid heen. Zijn zuivere instinkt bewaart hem voor een te vroege binding. Later zal echter blijken hoe intiem en sterk zijn verhouding tot de ridders van de ronde tafel is. Zij komen telkens in zijn leven als hij voor een beslissend moment staat.

Hij rijdt nu eerst verder, een wilde, onbeteugelde, rode ridder. En hij bereikt een burcht, waar een oude burchtheer aan de poort zit. Schild en speer draagt hij duidelijk zo dat iedere ‘deskundige’, iedere ridder, meteen ziet dat hij ‘ongeschoold’ is. Hij past niet in het schema. Als hij het voorplein van de burcht oprijdt, ontwapenen hem de schildknapen. Ze staan verbaasd als onder de uitrusting van een ridder het narrepak tevoorschijn komt. De gastheer, Gurnemanz, is een wijze oude man, die de edele gestalte weet te onderkennen verborgen in het boerse pak.

In de burcht eet en slaapt Parcival goed, onbewust van de dingen, die hij heeft aangericht. Want ook aan het hof van Arthur waren merkwaardige dingen gebeurd: een jonkvrouw, Kunneware, die beloofd had niet te zullen lachen voor de grootste held zou verschijnen, schoot in de lach toen ze Parcival zag vertrekken om de rode ridder te bestrijden. Ze werd door de hofmaarschalk, bestraft. Een ridder, Antanor, had beloofd niet te zullen spreken voor Kunneware zou lachen en nu spreekt hij woorden van kritiek tegen de hofmaarschalk. Deze woorden zijn bovendien profetisch: eens zal Key leed ervaren door Parcival. Parcival brengt de tafelronde in verlegenheid en onrust, maar hijzelf is nog steeds de naïve dwaas.

Gurnemanz besluit van hem een ridder te maken, zoals de tijd dat verlangde. Hij leert hem niet altijd over zijn moeder te spreken. Zijn belangrijkste raad is dat Parcival geen onnodige vragen mag stellen. Gurnemanz is een raadselachtige figuur. Hij vertegenwoordigt de traditie waar Parcival nu binnengeleid wordt. Hij wordt gevormd tot een ridder die weet hoe het hoort. Deze traditie berust op oeroude wetten, die zeer wezenlijk zijn. Gurnemanz leert hem maat en tucht. Het zijn alles vormkrachten, die van buiten af zo werken dat het Ik van de jonge mens wordt versterkt. Het harnas, dat van buiten beschermt en steunt, wordt hier tot beeld. Parcival is nog erg jong. De jonge mens kan zulke vormkrachten van buiten gebruiken om innerlijk sterk te worden. Deze innerlijke kracht uit zich in het zwijgen. In het terughouden van het woord wordt een kracht geoefend, die voor iets anders vrijkomt. De kracht wordt dan niet verzwetst. Bovendien uit zich in dit geen vragen stellen eerbied voor de privé-sfeer van de ander, die slechts dat hoeft te uiten wat hij kwijt wil. Weer een versterking van het Ik.

In de ridderlijke strijd leert Parcival nog wat anders. Ither van Gaheviez had hij gedood in een woede-aanval. Hij was beledigd door wat Ither hem spottend toevoegde. Nu moet hij leren doelgericht te strijden, niet uit emoties maar uit de wil. Hij moet zijn wapens leren hanteren zoals dit wapen dat zelf verlangt, speer om er mee te stoten naar een precies punt, het zwaard om er mee te slaan en bewust te splijten. Het zwaard van de geest is het oordeel, dat het volledige in delen splitst om het te kunnen begrijpen.

Maar dit sterk gevormde, dat Parcival zich nu verovert, heeft ook zijn negatieve kant. De spontaniteit van zijn wezen gaat verloren en dat zal hem heel spoedig in moeilijkheden brengen en niet alleen hemzelf.

Gurnemanz wil een sterkere binding dan Parcival kan aangaan. Hij heeft drie zonen door de dood op het slagveld verloren. Nu hoopt hij Parcival als plaatsvervanger te gewinnen door hem met zijn dochter Liase te laten trouwen. Gurnemanz klaagt ook zijn nood in dit opzicht aan Parcival, maar Parcival vindt zichzelf niet rijp genoeg en belooft terug te komen om met Liase te trouwen als hij roem en eer verworven heeft.

Nog één keer leidt hem zijn juiste instinkt. Hij moet weg. Maar hij is nu een ander geworden. Hij heeft het ‘vormsel’ ontvangen. En zo trekt hij nu verder op avontuur.

Roos en lelie
Denkend aan Liase laat hij zijn paard de vrije teugel en dit voert hem in één dag naar Pelrapeire, waarin de koningin Kondwiramur belegerd wordt door koning Klamide, die haar wil trouwen. Als Parcival aan een klein poortje komt, wordt hij binnengelaten en als hij tegenover de jonge koningin zit, zwijgt hij. Maar nog wordt de te sterke vorm hem niet noodlottig. Kondwiramur zoekt hem ‘s nachts op en klaagt hem haar nood. Het is een nachtelijk beleven, niet in het volle wakkere bewustzijn. Kondwiramur (conduire à l’amour — die tot liefde geleidt) heet in de Franse versie van de sage Blanchefleur (Blanke Bloem) en zo zien we in dit nachtelijk samentreffen van de rode ridder en de blanke bloem eenzelfde gebeuren als in het verhaal van Floris en Blanchefleur. Roos en lelie vinden elkaar. Dit samentreffen van roos en lelie is in de middeleeuwen een diep symbool. De sterke roos, die steeds moet worden gesnoeid, vorm moet krijgen, maar ook hard en stekelig is, geeft zijn vele bloemen op verkwistende wijze weg. De roos offert zonder bedenken, schenkt alles, kleur geur; gezonde vruchten. Maar hij is hard en weerbarstig, hij steekt degene die op onjuiste wijze hem nadert. De lelie is een heel ander wezen. Terwijl de roos zich ondergronds met onverwoestbare levenskracht door zijn wortels voortplant, is de lelie als bolgewas éénjarig. De plant heeft weinig houvast in de aarde, groeit op met een kwetsbare stengel en een nog kwetsbaarder bloem. De bloem is van een zeldzame schoonheid, maar zodra het aardse vergaansproces haar heeft aangeraakt, stinkt ze. Terwijl een roos in zijn vergaan de heerlijkste geuren afgeeft.
Twee tegengestelde krachten: aardse offerkracht en rein hemels leven. In Parcival en Kondwiramur vinden deze twee elkaar. Het reine hemelse moet bij hem gaan vervangen als bewustzijnskracht wat eens oorspronkelijke reinheid van de moeder was maar plaats had gegeven aan wilde instinkten, maar reiner en langzamerhand tot bewustzijn rijpend.

Voordat dit gebeuren kan, gaat Parcival de stad bevrijden door eerst het leger van Klamides maarschalk te verslaan en later in een tweegevecht Klamide zelf. De maarschalk en Klamide worden naar het hof van koning Arthur gezonden om getuigen te zijn van Parcivals eer en roem en om Kunneware te dienen die terwille van hem geslagen werd. Na de overwinning op de vijanden voltrekt Parcival in de derde nacht het huwelijk met Kondwiramur. De liefde wordt nu de kracht die hem verder geleiden zal, maar voorlopig nog zo dat Paricval door heel veel moeilijkheden heen moet.

Hij wil zijn moeder gaan opzoeken ( hij weet niet van haar dood) en vraagt zijn vrouw verlof om dit te gaan doen.
De tijd waarin alles ‘vanzelf’ ging is voorbij. Het stadium van de tumbheit, de kinderlijke naïviteit, kan niet verder werken. Het heeft zijn taak volbracht. De tijd van de zwifel nadert.

J.Knijpenga, Jonas 16, 08-04-1977
.

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg  [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1093-1014

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (20)

.

WIJNGAARDEN; OLIJVENPERS

leven O.T. 77 - 00041. Wachthut in de wijngaard
In de vruchttuinen (bijv. in de komkommerhof Jes. 1 : 8) en de wijngaarden heeft men in de tijd van het rijp zijn en de oogst priëelachtige gebouwtjes: een takkendak op palen. Het is de wachthut (b) op de wachttoren (a) die in de wijngaard voorkomt (Jesaja 6 : 2) waar vaak de gehele familie ten tijde van de oogst in de hut woont: het hutje in de wijngaard (Jesaja 1:8). De hut komt in de Bijbel ook voor als zinnebeeld van bescherming (Ps. 27 : 5). Een hut kan instorten en vervallen; daarop doelt de belofte in Amos 9 : 11.

leven O.T. 802. Druivenoogst; druiventreden (Egyptische voorstelling).
Rechts is een priëel van wijngaardranken (a); daaronder staan de plukkers (b) die de druiventrossen (c) afsnijden. Links is de wijnpersbak (d) waarin de mannen staande de druiven treden (e). Beneden loopt de wijn uit de wijnpersbak in een kuip (ƒ); de wijn werd dan later in de kruiken (g) gebotteld.

leven O.T. 813. Treden in de druivenpers.
In de oudheid was bekend „persen treden” (Neh. 13 : 15) en beroemd is de uitdrukking in het sehone visioen van Jesaja: Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad? en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden (Jes. 63 : 2, 3).
Behalve de wijnpersbak (a) is er ook een wijnbak (b) (Jes. 5 : 2) de trog, waarin de getreden most of wijn vloeit; in de Statenvert. ook wel genoemd kuipen (Jer. 48 : 33). Het druivenpersen kan gebeuren doordat men een zwaar voorwerp door middel van een hefboom op de druiven drukt; of doordat mensen met blote voeten in de wijnpersbak treden (a). Uit de wijnpersbak vloeit de getreden wijn in een lagere trog of kuip, (b) die als een goot hier voor de wijnpersbak loopt.

leven O.T. 824. 5. Olijvenpers
De olijfolie in de dienst Gods werd gebruikt
1. als „olie tot de luchter”;
2. als „olie der heilige zalving”;
3. als onderdeel van het spijsoffer.

De olie tot de luchter en de zalfolie wordt omschreven als „zuivere gestoten olijfolie”;
voor het spijsoffer als „gestoten olie” (Ex. 27 : 20; 29 : 40; Lev. 24 : 2; Num. 28 : 5).
Om deze olie te verkrijgen werden de allerfijnste olijven uitgezocht. Deze werden dan in een stenen mortier gekneusd tot een brijachtige massa en daarna in een korf gedaan. De olie, die dan uit de korf druppelt, en dank zij de voorzichtige bewerking, in het geheel niet vermengd is met bestanddelen van het vruchtvlees of van de pit is de „zuivere gestoten olie”. Deze is blank en walmt bij de verbranding niet. Door nu de inhoud van de korf met stenen te bezwaren of onder de balk te plaatsen, verkrijgt men een tweede, ook nog uitnemende kwaliteit, de „gestoten olie”.
Om olie voor dagelijks gebruik te verkrijgen werd de olijvenbrij verder uitgeperst, waarbij ook de pitten verbrijzeld werden. Zo leverde de olijf al de olie af, die echter nu vermengd was met bestanddelen van vruchtvlees en pitten, dus veel minder zuiver was.
Dit geschiedde in een olijvenpers (a). Een rond zwaar stenen onderstuk was uitgehold, zodat er een cirkelvormige goot in was, waarin een zware ronde steen (b) door middel van een hefboom (c) gewenteld kon worden.
In de Bijbel is over dit olijvenpersen niets te vinden dan een verwiizing in Job 24 : 11 „tusschen hun muren persen zij olie uit”. [Bruijel],

leven O.T. 83

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1091-1012

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – alle artikelen

.

Leven in het Oude Testament

[13] aardewerk
[45] afgoderij
[29] Assyrische strijders
[35] bomen
[46] borstlap/borstschild van hogepriester Aäron
[5] broodbakken
[10] burchten, torens en huizen
[37] dieren
[43] gebedsriem
[32] gevangenen
[33] gevangenis, Romeins soldaat
[34] graf – graven
[39] grote verzoendag
[15] handwerk
[40] heilige (der heiligen)
[43] heilige personen
[28] herberg
[21] herders, schapen, paardenstal
[42] Herodes’ tempel
[39] hogepriester
[46] hogepriester – borstschild Aäron
[1] houwelen, zagen, spaden
[8] huizen
[9] huis in Ur uit de dagen van Abraham
[6] jacht en visserij
[44] Kapernaüm synagoge
[28] karavanserai
[26] kleding
[2] landbouw
[17] maaltijden
[14] melk en water
[4] meten en malen
[3]  meten, wannen, zeven,
[19] muziekinstrumenten
[20] olijf- en wijnpers
[21] paardenstal, herders, schapen
[36] planten
[43] priesters
[33] Romeins soldaat, gevangenis
[25] schepen
[22] schrift (1)
[23] schrift (2)
[18] sieraden
[33] Romeins soldaat, gevangenis
[1] spaden, houwelen, zagen
[12] de stad en de muren
[11] gezicht op de stad Megiddo
[30] strijdmiddelen
[44] synagoge van Kapernaüm
[38] tabernakel
[42] tempel van Herodes
[41] tempel -voorhof
[16] tent; gebruiksvoorwerpen
[10] torens, burchten en huizen
[24] vaartuigen
[27] vervoermiddelen
[6] visserij en jacht
[41] voorhof van de tempel
[3] wannen, zeven, meten
[31] wapens
[14] water en melk
[7] werktuigen
[20] wijn- en olijfpers
[1] zagen, spaden, houwelen
[3] zeven, meten, wannen,

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1090-1011

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (2)

.

Het netwerk van Parcival

Het middeleeuwse Parcivalverhaal van Wolfram von Eschenbach kan worden gezien als een spiegel van de mens en een leerschool voor het leven.

Maar: de werkelijkheid van het leven kan nooit een exacte kopie van een middeleeuws lot zijn.

In een Arabisch land zag ik enkele malen een echte ‘graalmaan’. De ragdunne, op deze zuidelijk gelegen breedtegraad horizontaal liggende maansikkel ontving als het ware de ‘hostie’. Met dat laatste wordt de vrijwel ronde schijf van het maanoppervlak vergeleken, die niet is belicht. Je hoeft niet eens zo goed te kijken om te zien dat dat laatste niet helemaal het geval is. Dat donkere maanoppervlak wordt namelijk beschenen door de aarde. Vanaf de maan gezien is het dan vrijwel ‘volle aarde’. Daardoor licht boven de schaalvormige maansikkel de door de aarde verlichte schijf op in een zachtrode gloed. Het lijkt wel alsof de Arabische nachtelijke hemelstreken bij uitstek geschikt zijn om dit occulte teken zo indringend boven de werkelijkheid te plaatsen. In deze landen, onder dit teken, streed ook Parcivals vader, de ridder Gahmuret, vermoedelijk voor de Kalief van Baghdad. En hier werd Parcivals halfbroeder geboren, de ‘als een ekster zwart en wit gevlekte’ Feireftz.

De spil van het verhaal van Parcival wordt gevormd door de Graal. Maar, zoals de maan boven Arabië, is ook de Graal niet in één beeld te vatten. Laat staan dat je zomaar
koning wordt van de Graalburcht, gelegen op een plek, ‘zo ver, dat een vogel moeite zou hebben gehad dat helemaal te vliegen’. Behalve als maansikkel wordt de Graal beschreven als een magische steen, als een kostbare schaal, als de scheppende kracht van het woord en als een ‘zijnstoestand’. De koning van de Graalburcht heerst over ‘al wat binnen de baan der planeten valt en door hun schijnsel wordt bestreken’.

Een eenvoudige karakterisering van het verhaal van Parcival is niet te geven. Om te beginnen bestaan er meer versies. De meest uitgebreide en complete is die van Wolfram von Eschenbach uit het begin van de dertiende eeuw. Wolfram noemt op zijn beurt als bron een zekere meester Kyot, die in Toledo geheime boeken zou hebben gevonden, waarin oude joodse wijsheid te vinden was. Wolfram geeft mogelijk ook een verhulde verwijzing naar een onbekend Arabisch boek – het Felek Thani– dat het ontstaan van de wereld zou beschrijven. Richard Wagner maakte er in de vorige eeuw een bewerking van.

Wolfram formuleert de complexe structuur van zijn versie als volgt: ‘Dit verhaal zal er nimmer voor terugschrikken zowel te vluchten als op te jagen, nu eens te ontwijken en dan weer terug te keren, te honen zowel als te loven. Wie iets aan kan vangen met al deze wisselvalligheden is wel bedeeld door het verstand en zal zijn tijd niet verzitten of laten verlopen, maar zal een en ander goed verstaan.’

Dubbele bodem
Als Parcival voor de eerste maal de wereld intrekt, is hij gekleed als nar en rijdt hij op een scharminkelig muildier. Die uitrusting heeft hij te danken aan zijn moeder Herzeloyde.
Zij had hem het liefst in het stille woud Soltane willen houden, ver van de wereld, ver van de strijd tussen ridders. Haar gemaal Gahmuret was in de Oriënt gevallen. Niet alleen wilde zij haar zoon een dergelijk lot besparen, ook voor haarzelf zou een tweede verlies niet te dragen zijn.

Als Parcival uiteindelijk natuurlijk toch onstuitbaar als ridder de wereld tegemoet wil treden, hoopt Herzeloyde dat hij, aldus uitgedost, zonder zijn potsierlijke staat te beseffen en voorzien van verkeerde raadgevingen, snel op zijn schreden zal terugkeren. Maar dat gebeurt niet. Al sticht hij aanvankelijk het nodige onheil, toch overwint deze nar, geheel onverwacht, de gevreesde Rode Ridder Ither, beklimt diens paard, leert alle gevechtstactieken en ridderdeugden van een zekere slotheer Gurnemanz en maakt schone vrouwen het hof. Vervolgens komt hij op de burcht van Koning Arthur en zijn tafelronde aan.

Wat moeten we beginnen met zo’n ridderverhaal uit de gotiek, waarin de personages weliswaar dramatische belevenissen meemaken, maar toch schematisch blijven in hun hoofse etiquette en gestileerde uitweidingen over details? We kunnen ons verwonderen over de nobele en tegelijkertijd niets verhullende opvattingen over liefde en seksualiteit in de cultuur van de hoofse minne. Met enig heimwee kunnen we dit verhaal bezien als een tijdsbeeld waarin het goede, het schone en het ware nog herkenbaar waren aan fraaie gelaatstrekken, sierlijk gebouwde lichamen en nobele witte paarden. We kunnen ons verbazen over het internationale karakter van deze vertelling, die zich niet alleen over grote delen van Midden- en Zuid-Europa uitstrekt, maar ook vertakkingen heeft tot in Arabië, China en Noorwegen. Maar dan?

Naar aanleiding van enkele concrete aanwijzingen van Rudolf Steiner, heeft de historicus Walter Johannes Stein door middel van een minutieus onderzoek aannemelijk gemaakt, dat dit hoofse ridderverhaal niet op fantasie berust. De historische werkelijkheid van Parcival en de zijnen, situeert zich namelijk in een tijd die zo’n vierhonderd jaar vóór de tijd ligt, waarin het werd opgeschreven. Het betreft bepaalde lotgevallen van vooraanstaande persoonlijkheden uit het Europa van de negende eeuw. Geschiedenissen uit de dagen van Karel de Grote en de tijd daarna zijn dus door Wolfram en anderen naverteld, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van andere namen en het verhaal hebben gekleed in de hoofse etiquette van rond het jaar 1200.

Zo’n historische dubbele bodem maakt het verhaal fascinerender, maar je moet wel een uitgesproken interesse voor geschiedenis hebben om aan de complexe netwerken van dit ‘wie-is-wie’ iets te beleven. Er zullen niet veel mensen zijn die bij het horen van namen als Hugo van Tours, Karel de Dikke of Charibert van Laon uit hun stoel opveren. De middeleeuwen zijn voor ons in mist gehuld.

Sinistere zwarte magiër
Parcival zou zonder meer in de kring van Koning Arthur en diens ridders en jonkvrouwen zijn opgenomen, als de vervloeking van een tovenares niet had ingegrepen. Cundrie la Sorcière – ‘haar ruig gelaat was niet zoals de minne het van een geliefde verlangt’ – ontmaskert Parcival in het openbaar. Tijdens zijn omzwervingen was Parcival namelijk, zonder dit ten volle te beseffen, op de Graalburcht ontvangen. Gedurende die ontvangst was hij ooggetuige geweest van een hartverscheurend ritueel. Daarbij werd een processie rond de duidelijk zwaar lijdende Graalkoning Anfortas gevoerd. De Graal zelf werd door een schone jonkvrouw gedragen. Niet alleen de Graal, maar ook een bebloede speer, die temidden van dit zwijgende gezelschap kennelijk de smart nog opvoerde, ging aan zijn oog voorbij.

Parcival, die juist geleerd had van zijn opvoeder Gurnemanz dat het niet netjes was om teveel nieuwsgierige vragen te stellen, hield in dat gezelschap dus zijn mond. En uitgerekend dit zwijgen wordt hem nu voor de voeten geworpen en zal hem met schande overladen, God doen afzweren en tot eindeloos lijkende omzwervingen en beproevingen leiden.
Er komt zelfs een andere ridder aan te pas, Gawan geheten, die zich juist onderscheidt doordat hij voortdurend vragen stelt. Hij zal het fantastische kasteel Schastel marveile verlossen van de toverkracht van Clinschor, de meest sinistere zwarte magiër die de wereld kent.

Er zijn nog vele verwikkelingen nodig voordat Parcival tenslotte, samen met zijn gevlekte halfbroeder Feirefiz, opnieuw de Graalburcht betreedt. Hij komt daar ook ditmaal onverwacht, want de Graal ‘kan men niet najagen’. Maar nu is hij rijp genoeg en voldoende door medelijden met de lijdende koning bewogen om de vraag te stellen die hij eerder verzuimde.

Binnen die hoofse ridderroman met haar historische dubbele bodem, doemt geleidelijk een laag op waarin de werkelijkheid nog een andere dimensie blijkt te bezitten. Het ‘Land Anjou’ is dan niet alleen de geografisch bepaalde streek in Frankrijk waaruit het geslacht van Parcival stamt, maar tevens de aanduiding van een bovenzinnelijk waarnemingsorgaan. Vandaar dat ‘Anjou’ evengoed vertaald kan worden met ‘aanschouwen’. Heel het verhaal wemelt van dit soort symbolieken en getalswetmatigheden. Bovendien blijkt dat diverse lotgevallen in een gemetamorfoseerde herhaling terugkomen. Daarmee worden al die ontmoetingen en beproevingen opeens herkenbaar als ‘opdrachten’. Die opdrachten zijn op hun beurt weer te beschouwen als stadia in een reeks. Wolfram schrijft, ietwat cryptisch: ‘Ook heb ik nooit een man gekend zo wijs dat hij niet gaarne zou vernemen in welke richting dit verhaal streeft en welke goede leer het biedt.’ De ‘goede leer’ die het verhaal wil aanreiken, is een algemene. Daarmee is die derde laag van het Parcivalverhaal de meest interessante en actuele. Die laag onthult iets over de menselijke levensloop en over hoe ver de vermogens van de mens uiteindelijk reiken. De mens ontwikkelt zich van een nar die niet ziet hoe potsierlijk hij is, tot het kosmische koningschap. Hoewel die richting dus is bepaald, is de gewezen weg toch ook een vrije. De werkelijkheid van het leven kan nooit een exacte kopie van een middeleeuws lot zijn en elke gebeurtenis vraagt om een nieuw soort inzicht, een nieuw soort handeling. Medelijden werkt niet, als je dankzij Parcival uit het hoofd hebt geleerd dat dat belangrijk is. Een echte vraag naar een ander die met een probleem worstelt, kan alleen verlossend zijn als die vraag ook uit het hart komt. In die zin kan de ‘goede leer’ van belang zijn als een wonderbaarlijk hulpmiddel, als oriëntatiepunt, al is het alleen maar om te beseffen hoezeer je in je eigen leven nog aan het begin staat.

Mark Mastenbroek, Jonas 1 07-09-1990

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1089-1011

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (19)

.

MUZIEKINSTRUMENTEN

leven O.T.  17

1. Harp uit Ur
Deze harp is een instrument met 11 snaren (a), schuin gespannen boven een rijkversierde klankbodem (b). De harp wordt met de hand bespeeld (1 Sam. 16 : 16, „dat hij met zijn hand spele”). In Israël werd het instrument lopende bespeeld; het werd dus gedragen en kon daarom niet groot zijn (1 Sam. 10 : 5; 2 Sam. 6:5). Het klankwerk is versierd met mozaïek en het einde is versierd met een ramskop.

leven O.T.  18

2. Joodse gevangenen die de lier bespelen
De gevangenen, waarschijnlijk mannen van Juda uit Lachis, trekken door een bergwoud, onder bewaking en toezicht van een soldaat, die een knots (b) in de hand en een boogtas (d) op de rug heeft. De gevangenen dragen een hemdrok en zijn barrevoets; een van hen gaat blootshoofds; de anderen hebben een kap met hoofdband. Typisch voor hen is het Joodse gelaat, de haarlokken, de korte volle baard. Zij moesten op hun tocht op hun lier (c) spelen (als zij, die ons gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, Ps. 137 : 3). De soldaat draagt laarzen (a); deze Assyrische soldatenlaarzen worden vermeld in Jes. 9 : 4.

leven O.T.  19

3. Assyrische cymbalist
De cymbaal bestond uit twee koperen bekkens (a) („hel klinkende cymbalen”, Ps. 150 : 5) die tegen elkander geslagen werden, en diende niet om de melodie te leiden, maar om de maat te doen uitkomen. Zij werden gebruikt bij de orkesten (1 Kron. 25 : 1; 2 Kron. 5 : 12; Ezra 3 : 10) bij optochten (2 Sam. 6:5).

leven O.T.  20

4. Assyrische pauk
In de tempels speelde men op manshoge pauken of keteltrommels: de doffe toon was ver hoorbaar. Verder had men draagbare exemplaren van cylinder- of kegelvorm. Met de knokkels of de vingers werd de trom geslagen. In Israël werd de handtrommel of tamboerijn vaak door vrouwen bespeeld (Exod. 15 : 20); deze trom was het geliefkoosde instrument bij volksfeesten en optochten, bij vrolijke gelegenheden en gaf bij het gezang, vooral als het met reidansen gepaard ging, de maat aan (Richt. 11 : 34).

leven O.T.  21

5. Assyrische dubbele fluit
De fluit werd oorspronkelijk (en nog wel) uit een riet vervaardigd; later ook uit brons. Veel werd de fluit gebruikt; fluitspel begeleidde de klaagzangen (Jer. 48 : 36; Matth. 9 : 23) en de vreugdeliederen.

leven O.T.  22

6. Egyptisch meisje dat de luit bespeelt
Het meisje heeft om haar haar een haarband (a) met een versiering van bloemen. Zij bespeelt de luit (b) met een plektron of plectrum. De luit is een
tokkelinstrument met peervormig achtervlak; een plectrum is een klein ivoren, houten, schildpadden of metalen plaatje, waarmee de snaarinstrumenten van de ouden bespeeld werden. In Israël lieten de aanzienlijken de luit van tandelhout maken (1 Kon. 10 : 12).

leven O.T.  23

7. Reidans met muziekinstrumenten (Egyptische voorstelling).
De vrouwen met palmtakken (a), handtrommels (b) en lieren (c) begeleiden de dans met muziek, terwijl een naakt kind een tak in de hand houdt. Dansen bij godsdienstige feesten met muziek kwamen ook in Israël voor („de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen,” Richt. 21 : 21; in het midden de trommelende maagden, Ps. 68 : 26).
.
Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1085-1007

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips de Goede

.

Filips de Goede

Filips de Goede, hertog van Bourgondië  1396-1467

De kern van het tegenwoordige België en Nedeeland vindt zijn oorsprong in het bewind van Filips de Goede, de hertog van Bourgondië. Voor hem hadden gebieden als Holland, Zeeland, Brabant en Vlaanderen gemeenschappelijke belangen. Maar die gebieden waren verdeeld onder een groot aantal heersers, die elkaar bestreden. Filips verenigde hen door een volhardende politiek van huwelijken, veroveringen en aankopen. Het leek mogelijk, dat er tussen de Rijn, de Seine en de Rhône een nieuwe staat zou ontstaan. Dit vooruitzicht stierf met Karel de Stoute, de zoon van Filips, tijdens de Slag om Nancy in 1476. Maar de Bourgondische gebieden in de Lage Landen, die werden geërfd door Filips’ dochter Maria van Bourgondië, waren van groot belang voor de daarna volgende Europese geschiedenis.

De Bourgondische staat en de bemoeienis in de Lage Landen, waren begonnen met de grootvader van Filips, hertog Filips de Stoute (1404), uit de Franse koninklijke familie Valois, hertog van Bourgondië en door zijn huwelijk graaf van Vlaanderen. Hij was een van de toonaangevende figuren in de Franse politiek. Zijn zoon, hertog Jan zonder Vrees, zette die traditie voort. Hij betwistte de volgelingen van de dauphin (kroonprins) de macht over de krankzinnige koning Karel VI. Door de grote overwinning van de Engelse koning Hendrik V bij Agincourt in 1415, was Noord-Frankrijk blootgelegd voor verovering door de Britten. Uiteindelijk werd er een ontmoeting gearrangeerd tussen de aanhangers van de dauphin en de Bourgondiërs. Dat was in Montreux op 10 september 1419.

Maar er kwam geen verzoening. In plaats daarvan werd Jan zonder Vrees op verraderlijke wijze vermoord. Filips sloot een bondgenootschap met de Engelsen en erkende het recht van de Engelse koning Hendrik V op de troon van Frankrijk. De Engelsen betaalden Filips jaarlijks een groot bedrag en ‘schonken’ hem verscheidene Franse gebieden, zoals Macon en Ponthieu. Zijn zuster Anne trouwde met hertog Jan van Bedford, de Engelse regent in Normandië. Het was een Bourgondisch garnizoen, dat Jeanne d’Arc tot overgave aan de Engelsen dwong. Maar Jeanne had de Fransen weer tot vaderlandsliefde geïnspireerd. Frankrijk knoopte ook banden aan met Duitse heersers aan de oostgrens van Bourgondië. Een tijdgenoot schreef: ‘Naarmate de tijd verstreek, kreeg hertog Filips steeds meer de behoefte zijn Franse hart te tonen’. In 1435 vergaderde het Congres van Arras (Atrecht) om Frankrijk en Engeland met elkaar te verzoenen. Daar ruilde Filips de Goede op dramatische wijze zijn bondgenootschap met Engeland voor een hernieuwde band met Frankrijk. Niettemin behield hij de landen die hem door de Engelsen waren geschonken, en uitgebreide grensgebieden langs de rivier de Somme.

De Bourgondische banden in het zuiden steunden op een overeenkomst van Filips de Goede met hertog Amadeus VII van Savoye en de hertog van Bourbon. Hij zocht in de moeizame politiek van Karel VII van Frankrijk naar voordelen voor Bourgondië. Hij steunde de oppositie van de edelen, de Praguerie, en bood asiel aan de opstandige Franse koningszoon, de toekomstige Lodewijk XI. Maar zijn belangrijkste wapenfeit was het behouden van de Bourgondische macht in de Lage Landen.

In het Verdrag van Delft van 1428 werd het recht van Filips de Goede op de troonsopvolging in Holland erkend. Dit gold ook voor Zeeland en Henegouwen. In 1430 werd hij in Brabant als hertog aanvaard. Namen werd aangekocht en Luxemburg veroverd. Hij verwierf Friesland, Limburg en Kamerijk en breidde de invloed van zijn familie uit in de bisdommen van Luik en Utrecht. Ondanks deze aanzienlijke gebiedsuitbreidingen slaagde Filips de Goede er niet in, de politieke problemen die werden veroorzaakt door de rijke en machtige steden, op te lossen. En op die rijke steden steunde de Bourgondische macht. Er kwamen opstanden in Brugge, Amsterdam, Rotterdam en Leiden. Toen, in 1447, kondigde de regering aan dat er een belasting op zout geheven zou worden. Dit betekende het begin van een langdurige strijd tegen de stad Gent. Deze stad was ‘de machtigste stad in de gebiedsdelen van de hertog’. Gent had een leidende rol gespeeld in het Vlaamse verzet tegen de grootvader van Filips de Goede. Dat verzet werd neergeslagen in de Slag bij Roosebeeck in 1382. De stad en de gemeenteraad van Gent hadden veel macht op het omringende platteland. Hun greep werd versterkt door de niet in de stad wonende burgers, de zogenoemde ‘hagepoorters’. Maar tijdens het conflict met de regering van de hertog werd het bestuur in de stad uitgeoefend door een revolutionaire raad. Het leger van de stad Gent werd in juli 1453 in de Slag bij Gavere verslagen. Daaraan was een strijd voorafgegaan, die de Bourgondische staat bedreigde en die de economie van Vlaanderen veel schade berokkende.

De tradities van de gebieden van de hertog werden weerspiegeld in het regeringssysteem. Het innen van de belastingen gebeurde plaatselijk, bijvoorbeeld in Den Haag, Brussel, Lille en Dijon. De stadhouders (provinciale bestuurders) werden de permanente bestuurders.

Het hof van Filips de Goede was het schitterendste van zijn tijdperk. Het werd gefinancierd door de schatrijke Nederlandse en Vlaamse steden. De schilders Jan van Eyck en Rogier van der Weyden en de musici Guillaume Dufay, Gilles Binchois en Johannes Ockeghem behoorden tot de grootste kunstenaars van de Lage Landen tijdens de regeringsperiode van Filips de Goede. Het was een ‘gouden eeuw’ voor de Europese cultuur.

alle biografieën

1083-1005

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (18)

SIERAAD

leven O.T. 1

1. Snoer uit Ras Sjamra
Bij de opgravingen van Oegarit (Ras Sjamra) werd o. m. dit snoer gevonden, dat blijkens de ligging dateert uit de 14e eeuw vóór Christus. Het snoer bestaat uit kralen van goud en zilver, kornalijn en barnsteen en parelen; buitendien is het versierd met enkele hangertjes (a).
Zulke snoeren waren in de oudheid zeer geliefd; men droeg ze in Oud-Israël („spanselen” Ex. 35 : 22; ketenen aan uwe hals; Spr. 1:9; halssieraad van het fijnste goud; Spr. 25 : 12; parelsnoeren; Hoogl. 1 : 10). Als hangertjes dienden halve maantjes en reukflesjes (Jes. 3 : 18 en 19).

leven O.T. 2

2. Spiegel (Egyptische zilverspiegel uit Byblos in Syrië).
De handspiegel bestond uit gegoten, convex geslepen metaal, vaak van zilver (daarom spreekt Elihu van de hemelen, die vast zijn als een gegoten spiegel, Job 37 : 18). Soms ook van andere metalen („hij maakte het koperen wasvat met zijn koperen voet van de spiegels der te hoop komende vrouwen, Exodus 38 : 8).

leven O.T. 3

3. Egyptische vrouw,
bezig zich te schminken, en een spiegel (a) in de linkerhand. „Zo blankette zij haar aangezicht en versierde haar hoofd” (2 Kon. 9 : 30).
Bij voorkeur werd gebruikt loodglans of stibium; het werd met een stift gesmeerd op de wenkbrauwen en wimpers om het oogwit sterker te doen uitkomen en de ogen groter te doen schijnen („al schuurdet gij uw ogen met blanketsel, Jer. 4 : 30; uw ogen beschilderd, Ezech. 23 : 40).

leven O.T. 4

4. Instrument voor het fijnwrijven van schminkpoeder
(Teleitat Ghas-soel). Het stibium werd met olie of zalf uitgewreven om als schminkpoeder gebruikt te worden. Het werd dan bewaard in schminkpaletten (als bij de opgraving van Sichem zijn gevonden); de naam van de jongste dochter van Job, Keren happûch kan betekenen: schminkhorentje of schminkdoosje (Job 42 : 14).

leven O.T. 5

5. Oorring uit Megiddo,
Oorringen („oorsierselen”, Statenvert. Gen. 35 : 4, oorring Num. 31 : 50) werden door vrouwen gedragen en door kinderen (de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, en uwer zonen, en uwer dochteren zijn; Ex. 32 : 2).

leven O.T. 6

6. Zegelring uit Jericho
Reeds in de tijd der aartsvaders was de zegelring bekend (Gen. 38 : 18): de zegelring dient als „ondertekening”.
De zegelring werd door de Israëlieten wel aan een snoer om de hals gedragen (Gen. 38 : 18), door de Egyptenaren aan de vinger (Gen. 41 : 42); later door de Israëlieten eveneens (zegelring aan Mijne rechterhand”; Jer. 22 : 24).

leven O.T. 7

7. Zegel van „Sjema,
dienaar van Jerobeam” uit Megiddo.
In het midden van het zegel is een brullende leeuw afgebeeld; er is op te lezen: „Sjema dienaar van Jerobeam”.
Met Jerobeam kan bedoeld zijn de tweede koning van die naam, die in Samaria regeerde van 783—743 voor Christus, terwijl Sjema dan zijn beambte was.
Het zegel is van jaspis en doet duidelijk uitkomen, hoe hoog de graveerkunst stond.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1082-1004

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Diocletianus

.

Diocletianus 243-305

Diocletianus

Een borstbeeld van de keizer Diocletianus, dat tijdens zijn regering werd gebeeldhouwd.

In de tijd dat Diocletianus opgroeide in een dorpje in wat nu Joegoslavië is, raakte het eeuwenoude Romeinse Rijk in verval. De noordelijke provincies werden bedreigd door Barbaren, die in Europa woonden en in het oosten groeide de macht van Perzië. Generaals die geacht werden de provincies aan de grenzen te verdedigen, grepen vaak zelf de macht en riepen zich tot plaatselijk heerser uit. Velen, voornamelijk militairen, streden om de troon van de keizer.

In het begin leek het alsof Diocletianus niet veel anders was. Hij maakte carrière in het leger. Door zijn troepen werd hij tot keizer uitgeroepen, waarop hij de strijd aanbond met de regerende keizer, Carinus. Niet lang daarna werd Carinus vermoord. Diocletianus werd toen tot keizer gekroond. Maar hij wilde meer dan alleen de macht. Hij wilde het keizerrijk in zijn vroegere glorie herstellen. Tegen de tijd dat hij, in 305, afstand deed van de troon, had hij bij alle grenzen vrede gesticht en het leger een nieuw aanzien gegeven. Het leger had echter geen macht meer. Ook had Diocletianus de binnenlandse politieke structuur van het rijk gereorganiseerd. Hij was begonnen met de laatste totale vervolging van de christenen in het Romeinse Rijk. Zijn grote fout was waarschijnlijk het invoeren van een nieuw regeringssysteem, waardoor het rijk uiteindelijk in twee delen uiteenviel.

Naar de mening van Diocletianus was het rijk te groot om door één man geregeerd en bij elkaar gehouden te worden. Volgens hem moest de keizer, vanuit Rome, naar de verafgelegen provincies reizen om zich daar te verzekeren van de trouw van zijn troepen. En hij moest die troepen indien nodig aanvoeren in de strijd. Ook moest hij de doeltreffendheid van de plaatselijke besturen kunnen controleren. Eén man kon niet gelijktijdig in alle provincies zijn of ze zelfs maar regelmatig bezoeken. Daarom koos Diocletianus een medekeizer, Maximianus, om hem te helpen in het westen de orde te handhaven, terwijl hij dat zelf in het oosten zou doen. Net als Diocletianus droeg Maximianus, een vroegere militaire collega, de titel Augustus (mede-keizer). Om de macht zo goed mogelijk te handhaven, koos Diocletianus nog twee assistenten. Die droegen de titel Caesar (mede-bestuurder). Het waren Galerius voor het oosten en Constantius voor het westen. Door middel van het huwelijk werden de twee caesares aan hun augusti (keizers) gebonden. Galerius trouwde met Valeria, de dochter van Diocletianus en Constantius met Theodora, de stiefdochter van Maximianus. Op die manier werd het keizerrijk in vier gebieden verdeeld. Elk deel had een eigen hoofdstad en een eigen keizer.

Het systeem werkte goed. Na verloop van tijd waren de vier keizerlijke leiders in staat de indringers te verdrijven en in het hele rijk de orde te herstellen. In de tussentijd concentreerde Diocletianus zich op de binnenlandse problemen van het rijk. Hij begon de structuur van de centrale regering te veranderen. Hij deed dit op een manier, die waarborgde dat hij alle touwtjes in handen hield. Wanneer dat nodig was, kon hij onmiddellijk tot actie overgaan. Veel van de instellingen van de oude Romeinse regering bleven bestaan, maar sommige kregen een andere functie.

Net als het politieke bestuur was ook de economische situatie in het rijk, na jaren van oorlog, niet al te rooskleurig. Diocletianus probeerde dit te herstellen door de landbouw te stimuleren en een bouwprogramma te laten uitvoeren. Om de handel te bevorderen, gaf hij een betrouwbare munt uit. Er kwamen nieuwe gouden en zilveren munten in omloop. Ook kwamen er kleinere munten om de alledaagse aankopen te vergemakkelijken. Er werden nieuwe wetten afgekondigd die het bezit van eigenaren beschermden, alsmede het recht van schuldeisers en de geldigheid van contracten. Er waren ook minder populaire economische hervormingen, zoals de belastingen op bebouwbaar land en op personen en het beroemde Edict van Diocletianus. Hiermee controleerde hij vanaf 301 de lonen en de prijzen. De bedoeling van het Edict was, de inflatie af te remmen en de uitbuiting van de consumenten te voorkomen. Maar voor de boeren en de handelaren bleek het rampzalig te zijn. Overal werd het Edict genegeerd en ten slotte schafte men het af.

Tegen het einde van zijn regering, in de jaren 303 en 304, liet Diocletianus vier Edicten afkondigen, die waren ontworpen om het christendom te onderdrukken. Maar de vervolging maakte geen einde aan het christendom. Integendeel, het geloof werd enorm versterkt doordat vele martelaren als heiligen werden aanbeden.

In het jaar 305 besloot de oude en zieke Diocletianus afstand te doen van zijn keizerschap. Hij haalde zijn mede-keizer Maximianus over om samen met hem af te treden. Ze wezen hun twee caesares (mede-bestuurders) als hun opvolgers aan. Deze werden toen de augusti (keizers). Op hun beurt benoemden ze twee caesares. Diocletianus trok zich terug op zijn schitterende kasteel bij Salona (in het huidige Split in Joegoslavië). Daar hield hij zich bezig met tuinieren totdat hij acht jaar later stierf.

Door zijn hervormingen en reorganisatie hield Diocletianus het Romeinse Rijk nog zo’n honderd jaar in stand. Maar door het in een westelijk en oostelijk rijk te verdelen, veroorzaakte hij een scheuring, waardoor het rijk later in tweeën zou splitsen. Dit leidde tot de vernietiging van het westelijk deel, waaronder de Eeuwige Stad, Rome.

6e klas Diocletianus rijkHet verdeelde rijk van Diocletianus. Hij regeerde vanuit Byzantium, terwijl Maximianus Rome als hoofstad had.

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle biografieën

1078-1000

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Elizabeth 1

.

Elizabeth 1

Elizabeth I  1533-1603

Een portret van Elizabeth I. Het werd in 1585 geschilderd door Nicholas Hilliard. Hilliard was waarschijnlijk ook de maker van het Armada-juweel van 1588. Elizabeth stond toen op het hoogtepunt van haar macht. Aan het eind van de regeringsperiode van de ‘Virgin Queen’ was Engeland als wereldmacht naar voren gekomen.

Elizabeth I was een dochter van Hendrik VIII uit zijn tweede huwelijk, met Anna Boleyn. Hendrik VIII werd in 1547 opgevolgd door zijn zoon Eduard VI uit zijn derde huwelijk, met Jane Seymour. In 1553 kwam Maria (de Katholieke) aan het bewind, een halfzuster van Eduard VI, een dochter uit het huwelijk van Hendrik VIII en Catharina van Aragon. Hoe haar regering was, blijkt wel uit de bijnaam die ze kreeg, ‘Bloody Mary’ ofwel Maria de Bloedige. Toen Elizabeth betrokken raakte bij een mislukte opstand, werd ze door haar halfzuster opgesloten in de Tower van Londen. De 21-jarige prinses liet zich echter niet uit haar evenwicht brengen. Ze ging niet in op de beschuldigingen van haar ondervragers. Elizabeth was intelligent en bekwaam. Ze beheerste zeven vreemde talen. Maar bovendien bezat ze, wat voor iemand in haar positie onontbeerlijk was, de gave om zich te handhaven. In de gevaarlijke jaren die volgden, zou haar behoedzame gedrag haar in leven houden. Mogelijk kwam het daardoor, dat ‘Bloody Mary’ het niet aandurfde, haar halfzuster ter dood te laten brengen.

Toen Elizabeth als Elizabeth I koningin was geworden, kreeg ze met nog meer gevaar te kampen. Maar ze was gelukkig in de keus van haar ministers. Hun vooruitziende blik en trouw beschermden haar tegen haar vijanden.

Aan het hoofd van deze ministers stond William Cecil, de latere Lord Burghley. Evenals Elizabeth was Cecil van mening, dat welvaart alleen maar mogelijk was door het voeren van een voorzichtige financiële politiek en het vermijden van oorlog. Engeland kwam tot bloei. De industrie profiteerde van de stroom vakbekwame immigranten die naar Engeland vluchtten vanwege de godsdienstoorlogen op het vasteland van Europa. In 1571 opende Elizabeth de Koninklijke Beurs, gebouwd door de financier Sir Thomas Gresham. Een jaar tevoren was de protestantse Elizabeth door paus Pius V formeel in de ban gedaan. De pauselijke bul hield in, dat de Engelse katholieken hun koningin niet trouw hoefden te zijn. Erger nog: hij riep zelfs op tot ongehoorzaamheid. Deze passage zou overigens tien jaar later worden herroepen. Van dat ogenblik af was iedere katholiek voor wat de regering betrof een mogelijke verrader. Aanvankelijk had Elizabeths betrekkelijk verdraagzame politiek de katholieken (de helft van de bevolking) in staat gesteld hun geloof althans binnenskamers te belijden. Nu werden de wetten vervangen door strengere. Toen de jezuïeten in 1580 heimelijk het land begonnen binnen te komen, liet de regering van Elizabeth hen tot in hun verste schuilhoeken achtervolgen.

De ergste bedreiging voor de koningin was de aanwezigheid van haar nicht, Maria Stuart. Nadat de opstandige adel haar had gedwongen afstand van de Schotse troon te doen, was Maria Stuart naar Engeland gevlucht, in de hoop steun te krijgen van Elizabeth. Ze bleef er voortdurend bij de koningin op aandringen, haar tot haar opvolgster te benoemen. Daarbij was ze tactloos genoeg om te beweren dat zij – en niet Elizabeth – de rechtmatige koningin van Engeland was. Elizabeth liet haar onwelkome koninklijke bezoekster in verschillende kastelen opsluiten. Intussen werden zowel in Engeland als daarbuiten plannen beraamd om de katholieke Maria Stuart op de Engelse troon te krijgen.

Toen een aantal van deze samenzweringen aan het licht was gekomen, liet Elizabeth de samenzweerders terechtstellen. Haar ministers smeekten haar, zich ook van Maria te ontdoen, maar Elizabeth aarzelde om een gekroonde koningin te laten terechtstellen. Toen echter het bewijs werd geleverd dat Maria betrokken was geweest bij een samenzwering met als doel Elizabeth te doden, liet ze haar toch voor de rechter brengen. Zelf tekende ze Maria’s doodvonnis, maar toen het werd uitgevoerd, werd de koningin hysterisch en probeerde ze haar ministers de schuld te geven.

Elizabeth was onvermurwbaar wat een ander belangrijk punt betrof: haar huwelijk. Als kind had ze zich reeds voorgenomen, nooit te zullen trouwen. Mogelijk kwam haar angst voor het huwelijk voort uit het feit dat ze het met de dood in verband bracht. Gezien het lot van haar moeder, Anna Boleyn, en dat van haar vaders vijfde vrouw, Catherine Howard, was dat niet verwonderlijk. Een tweede factor die een rol speelde bij haar tegenzin aangaande het huwelijk was, dat zij er niets voor voelde haar macht met een eventuele echtgenoot te delen. Haar minnaars, die ze zelfs tot op middelbare leeftijd had, heeft ze waarschijnlijk nooit serieus genomen. Ze had hen vanwege hun strategische waarde. Zo bleef ze de hertog van Anjou bijvoorbeeld drie jaar lang aan het lijntje houden door hem een verbond met Frankrijk in het vooruitzicht te stellen. Op die manier zou de agressieve politiek van Filips II van Spanje binnen de perken kunnen worden gehouden. Filips ergerde zich aan de Engelse piraterij die door Elizabeth oogluikend werd toegestaan. Bovendien was hij van mening, dat hij recht had op de Engelse kroon, die Maria Stuart hem had nagelaten. In 1588 stuurde hij zijn Onoverwinnelijke Vloot, de Armada, naar het noorden. Elizabeth bleef er tot op het allerlaatst van overtuigd, dat het niet tot een werkelijke oorlog zou komen. Ze weigerde daarom, haar strijdkrachten van voldoende voorraden te voorzien. Toch slaagde de Engelse zeemacht (grotendeels een schepping van Elizabeth) erin, de Spanjaarden te verdrijven. Door deze overwinning groeide de nationale trots van de Engelsen en de genegenheid voor hun koningin nam toe. Gedurende de laatste vijftien jaar van haar regering werd Elizabeth bijna als een godin verheerlijkt. Vele dichters maakten lofzangen op haar verdiensten. Het toegenomen nationaal bewustzijn kwam tot uitdrukking in een golf van culturele activiteit. Daarvan werd het hoogtepunt wel gevormd door de toneelstukken van William Shakespeare (1564-1616). De oude vorstin, zwaar opgemaakt, voorzien van een pruik en gehuld in de meest fantastische kostuums, diende als levend symbool van de nieuwe grootheid van Engeland. Onder al die uiterlijke opschik ging een scherpzinnige vrouw schuil, die pas op haar sterfbed bekendmaakte wie haar opvolger zou worden: Jacobus VI van Schotland, Maria Stuarts zoon.

Elizabeth 1

Elizabeth I wordt op het hoogtepunt van haar regeringsperiode door haar hovelingen in een draagstoel gedragen. Ze eiste van haar hof totale trouw. Toen haar favoriet, Sir Walter Raleigh, in het geheim in het huwelijk trad, beschouwde Elizabeth dit als een belediging voor haar als vorstin en als vrouw. Dit schilderij wordt toegeschreven aan Robert Peake de Oudere.

7e klas geschiedenis: alle artikelen

alle biografieën

1057-980

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cortez

.

Cortez

Een portret van Hernan Cortez te paard. Het is afkomstig uit een boek van de Tlaxcalan-indianen, dat handelt over zijn verovering van Mexico. De Indiaanse kunstenaar beeldde Cortez af met een hoed, zoals die werd gedragen door hun god Quetzalcoatl. De verschijning van Cortez was voor de Indianen zeer vreemd. Het versterkte hun overtuiging, dat Cortez een god was, die uit ballingschap terugkeerde

HERNÀN CORTEZ  1485-1547

Hoe Hernàn Cortez erin slaagde om met niet meer dan 500 soldaten een rijk met verscheidene miljoenen inwoners te veroveren, zal wel altijd een raadsel blijven.

Hernàn Cortez was afkomstig uit de arme Spaanse provincie Estremadura, waar zijn ouders tot de lagere Castiliaanse adel behoorden. Hij nam deel aan de verovering van Cuba en was al op negentienjarige leeftijd een vooraanstaand lid van de koloniale samenleving daar. In 1517 kreeg hij van gouverneur-generaal Velazquez van Cuba opdracht, naar het westen te varen om gegevens te verzamelen over nieuwe gebieden. Cortez vertrok met 500 manschappen, 16 paarden, 10 kleine kanonnen en 48 geweren. Toen Velazquez, die spijt had gekregen van zijn opdracht, hem terug wilde roepen, waren Cortez en zijn mannen al op weg. Voor de kust van Yucatan werden ze verwelkomd door de plaatselijke Maya-bevolking. Eén van de vrouwen sprak een Azteekse taal en samen met een Spanjaard, die slaaf bij de Maya’s was geweest en die hun taal sprak, trad ze voor Cortez op als tolk. In april 1519 landden de Spanjaarden bij Cempoalla aan de Mexicaanse kust.

Nog geen honderd jaar tevoren hadden de Azteken enkele wrede oorlogen gevoerd, waarbij ze schatting, slaven en mensenoffers van de Maya’s geëist hadden. Het verslagen volk was ervan overtuigd, dat hun god Quetzalcoatl eens zou terugkeren om de vijand te verslaan. Toen Cortez met zijn ‘gevleugelde kano’s met hun donderstemmen’ (de kanonnen) aankwam, meende men dan ook dat de dag van de bevrijding was gekomen.

Voor velen was hij de god, wiens komst was voorspeld, de god van de winden, de goedheid en het licht.

Vlakbij Cempoalla bouwde Cortez een versterking, die hij Vera Cruz noemde. Vervolgens stuurde hij een van zijn schepen terug naar Spanje met een verslag over de gebeurtenissen, op de vijand veroverde voorwerpen en een geschilderd boek over de legende van Quetzalcoatl.

Het was augustus 1519, toen hij met 400 van zijn mannen, duizenden inlandse dragers en 7 kanonnen landinwaarts trok om zich te voegen bij de Tlaxcala, een bergvolk dat in oorlog was met de Azteken. De grote hoofdstad Tenochtitlan telde bijna een miljoen inwoners. Deze stad was gebouwd op een aantal eilanden in een meer dat was omgeven door bergen en vulkanen. Montezuma, de Azteekse keizer, die er niet in slaagde Cortez tegen te houden of hem uit de weg te ruimen, schonk hem een paleis binnen de stad.

Intussen waren in Vera Cruz manschappen vanuit Cuba aangekomen, met de opdracht van de jaloerse gouverneur-generaal, Cortez gevangen te nemen. Razendsnel keerde Cortez terug naar de kust, waar hij zijn tegenstanders versloeg en de overlevenden overhaalde, zich bij hem aan te sluiten.

In Tenochtitlan hadden de achtergebleven mannen inmiddels een groot aantal burgers vermoord, uit angst overvallen te worden. Toen Cortez terugkwam, begonnen de Azteken een beleg. Tijdens de gevechten die volgden werd Montezuma gedood, maar de Spanjaarden werden op de vlucht gedreven. Op de terugweg, die via een
verbindingsdam leidde, vonden vele Spanjaarden de dood in het meer.

Ondanks het grote verlies dat ze hadden geleden, wisten Cortez en zijn mannen een groot Azteeks leger bij Otumba te verslaan. Samen met de Tlaxcala en duizenden Azteekse opstandelingen, vereerden ze Tenochtitlan. Het beleg duurde drie maanden en na afloop stond er vrijwel geen gebouw meer overeind. De Spaanse soldaten maakten zich schuldig aan afschuwelijke wreedheden, hoewel een dergelijk gedrag bepaald niet paste bij Cortez’ godsdienstige opvattingen.

Hoewel er verschillende theorieën over bestaan, zal het waarschijnlijk altijd een raadsel blijven, hoe de 500 conquistadores (veroveraars) van Cortez erin slaagden een miljoenenvolk te verslaan. Sommige deskundigen menen dat er sprake moet zijn geweest van een ziekte die, meegebracht door de Europeanen, onder de Azteken een epidemie veroorzaakte. De ontevredenheid onder de bevolking die herhaaldelijk tot opstanden leidde, zal wellicht ook een rol hebben gespeeld. Cortez, die van de Spaanse regering de titel ‘Marquis de Valle des Oaxaca’ kreeg, zag zijn grootste wens, gouverneur van de nieuwe provincie te worden, niet in vervulling gaan. Hij ondervond voortdurend tegenstand van de koloniale regering en de onderkoning en hij stierf in 1547 als een verbitterd man.

Cortez

Cortez met de Indiaanse prinses Malinche, die zijn tolk werd. Zij vertaalt de woorden van een Azteek om Cortez van dienst te zijn.

alle biografieën

7e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL in beeld:  7e klas alle beelden

1054-977

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem de Veroveraar

.

Willem de Veroveraar

Het linkerprofiel van Willem de Veroveraar op een zilveren penny. De munt werd waarschijnlijk in 1068 geslagen. Het ontwerp is toegeschreven aan Theodoric.

Willem, hertog van Normandië, was een van de veroveraars die in de 11e eeuw de kaart van Europa drastisch wijzigde. De Normandiërs waren de afstammelingen van de Vikingen, die aan het begin van de 10e eeuw het hertogdom hadden gesticht. Tegen 1100 hadden ze Zuid-Italië op de vroegere Longobardische en Byzantijnse overheersers veroverd. Ze begonnen na de Eerste Kruistocht al nieuwe staten te stichten in Syrië en Palestina.

Deze harde en oorlogszuchtige mannen hadden een groot talent voor regeren. Na de slag bij Hastings in 1066 werd Willem heer en meester van één van de best bestuurde koninkrijken in Europa. Hij bouwde op deze basis verder. Toen hij stierf, liet hij een voor die tijd op unieke wijze georganiseerde staat na.

Willem was de onwettige zoon van Robert I van Normandië en Herleva, de dochter van een rijke inwoner van Falaise. Hertog Robert stierf toen zijn zoon nog maar acht jaar was. Onmiddellijk ontstond er rond de jongen een golf van geweld en intrige. Drie van zijn raadslieden werden vermoord en aan datzelfde lot kon de jonge Willem ternauwernood ontsnappen.

Op zijn zestiende jaar kreeg de jonge hertog Willem al te maken met een algemene opstand. Het was duidelijk, dat hij op militair gebied zeer begaafd was. Maar toch moest hij de hulp inroepen van koning Hendrik I van Frankrijk. Tijdens de vijf jaar daarna kwam Willem naar voren als een kundig leider.

In plaats van met een dankbare trouwe vazal, zag Hendrik zich geconfronteerd met een machtige buur. Zijn pogingen om de Normandische staat te ontmantelen faalden. Na de dood van de Franse koning Hendrik I in 1060 breidde Willem zijn gebied uit met het aangrenzende graafschap Maine. Hij had bewezen, dat hij de meester was in het roerigste gebied van Frankrijk. Zijn Engelse avontuur stond op het punt te beginnen.

Engeland werd geregeerd door Eduard de Belijder. Deze koning was kinderloos. Tijdens de regering van Kanoet had Eduard als banneling in Normandie geleefd. Toen hij koning werd, had hij Normandiërs als raadsheren aangesteld. In 1051 wees hij Willem officieel als zijn troonopvolger aan. In 1053 trouwde Willem met Matilda, die afstamde van Alfred de Grote van Engeland. Maar er waren in Engeland allerlei ontwikkelingen waardoor Harold Godwinson op de voorgrond kwam. In de 60-er jaren van de elfde eeuw had hij een goede kans, door middel van verkiezingen tot koning te worden gekozen. Toen leed Harold in 1064 voor de kust van Normandië schipbreuk. Hij werd als ‘gast’ meegenomen naar het hof van Willem. Volgens zeggen werd hij daar door een list overgehaald om te zweren, dat hij Willems aanspraken op de Engelse troon zou steunen. Koning Eduard stierf en in januari 1066 werd Harold tot koning gekozen.

Ondanks de tegenstand van zijn eigen raadgevers begon Willem op grote schaal voorbereidingen te treffen voor de invasie van Engeland. Hij bouwde een vloot om zijn manschappen te vervoeren. Hij rekruteerde huursoldaten uit Bretagne, Vlaanderen en uit andere streken. Hij kreeg voor zijn oorlog tegen een ‘meineed-plegende overweldiger’ de pauselijke zegen. Door de harde tegenwind werden zijn troepen gedwongen om de hele zomer van 1066 in Normandië te blijven.

Intussen had Harold langs de hele Engelse Kanaalkust mannen en schepen geposteerd. In september kreeg hij het bericht dat Noorse troepen in het noorden aan land waren gegaan. Hij marcheerde met zijn leger zo snel noordwaarts, dat hij de Noren en hun bondgenoten kon verrassen. Hij vernietigde hen op 25 september 1066 in de slag van Stamford Bridge. Maar in het zuiden was de wind gedraaid. Willem kon zonder tegenstand bij Pevensey aan land gaan.

Harold en zijn keurtroepen haastten zich terug naar Londen. Op 13 oktober 1066 sloegen ze hun kamp op bovenop een heuvel in de buurt van de tegenwoordige stad Battle. Daar hadden ze moeten wachten op versterkingen die onderweg waren. Harolds mannen waren eigenlijk ook te moe om direct weer ten strijde te trekken. Maar Harold besloot, de volgende ochtend om negen uur het gevecht met de indringers aan te gaan. De Engelsen hielden de hele dag stand. Tegen het vallen van de avond deden de legers van Willem alsof ze op de vlucht sloegen. De Engelsen verlieten hun slagorde om hen te achtervolgen. Maar de troepen van Willem verzamelden zich weer. De list slaagde. De Engelsen werden overwonnen en Harold sneuvelde.

De veertigjarige overwinnaar was wreed, hebzuchtig, meedogenloos en mateloos ambitieus. Maar hij was ook een dapper en vindingrijk leider. Hij werd één van Engelands grootste koningen. Vanaf Hastings rukte hij op naar Londen. In de zuidelijke streken liet hij een spoor van verwoesting en dood achter. Hij werd op Kerstdag 1066 in de Abdij van Westminster tot koning gekroond. Er volgden opstanden in 1069, 1072 en 1075, die allemaal werden neergeslagen. Midden-Engeland en het noorden werden door Willem de Veroveraar zo verwoest, dat het land 50 jaar nodig had om zich weer enigszins te herstellen. Willem verdeelde het land en de bezittingen van de verslagen Engelse adel onder zijn volgelingen. Maar de nieuwe Normandische machthebbers kregen maar heel kleine leengoeden, waardoor het voor hen heel moeilijk werd machtsblokken te vormen. Er werden kastelen gebouwd om vandaaruit het vijandige land in bedwang te houden. De grootste van die kastelen waren dat van de koning in Windsor en de Tower van Londen. Aan het eind van zijn regering gaf Willem het bevel om overal landmetingen te verrichten en daarvan aantekeningen te maken. Dit werd bij de Engelsen bekend als het Domesday Book. Het was een omvangrijk en uniek document. Het had zonder het bestuurlijk apparaat dat Willem van zijn voorgangers erfde, nooit tot stand kunnen komen. Willem sneuvelde terwijl hij zijn vijanden in Normandië bestreed. Tijdens zijn regering had de Engelse samenleving een nieuwe vorm gekregen.

Bayeux

Een deel van het beroemde wandkleed van Bayeux. Het toont de Normandiërs die op weg zijn naar de zuidkust van Engeland, enige tijd voor de Slag bij Hastings. Na de nederlaag van de Engelsen en de dood van koning Harold bij Hastings, trokken de troepen van Willem de Veroveraar een spoor van dood en verwoesting door Zuid-Engeland. Daarna werd Londen veroverd. Het wandkleed van Bayeux werd waarschijnlijk aan het eind van de 11e eeuw door Engelse naaisters geweven in opdracht van Odo, de bisschop van Bayeux en halfbroer van Willem de Veroveraar.

alle biografieën

1048-971