Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (53)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

In Weleda Puur Kind verschenen recensies van verschillende kinderboeken, vaak met een thema zoals deze:

Patricia F.Wessels, Weleda Puur Kind lente 2006 nr. 17
.

Ontdekkingsreizen dichtbij en ver van huis

Wanneer het weer warmer wordt, trekken veel mensen erop uit, de natuur in en tijdens de vakanties zelfs de wijde wereld in. Voor het jonge kind zijn verre reizen niet echt nodig. De verkenningen in en om het huis zijn al ware ontdekkingsreizen. Achter het kleine zit vaak al een hele wereld verscholen. Een kind vindt spelend een fantasierijke invulling voor wat hij tegenkomt. Een holletje in een boom kun je bijvoorbeeld onderzoeken door er iets in te stoppen. Je kunt er dingen in laten verdwijnen, of met een stokje voelen hoe diep het is. Een iets ouder kind zal zo’n holletje ook betekenis geven; het kan een vogelschuilplaats zijn, een elfenhuisje of de bewaarplaats voor een zelf bedacht geheim. Als in het voorjaar de tuindeuren weer open gaan, breidt de wereld waarin van alles ervaren kan worden, zich voor jonge kinderen al enorm uit.

Een echte wereldreis maakt De gouden bal in het prentenboek zonder woorden van Nicole de Cock. Een meisje krijgt een gouden bal, maar raakt hem kwijt aan een hond. De bal maakt door een estafette van grappige toevalligheden een reis door alle werelddelen en belandt ten slotte weer bij het meisje. In het voorbijgaan toont zich de kleurrijke wereld met uiteenlopende natuur en culturen. Van giraffe tot kangoeroe en van Eskimo tot woestijnvolk. Veilig thuis, op mama’s schoot, kan reizen in een boek al spannend zijn. 

DE GOUDEN BAL

Nicole de Cock
Illustraties van de auteur

BOEK

Uitgegeven door Gottmer

Vanaf 5 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2430-2279

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (36)

.

Frank de Fremery

.

MADONNA

Door alle eeuwen heen van schilder- en beeldhouwkunst is de Madonna met het Kindeke Jezus een geliefkoosd onderwerp geweest. Bijna alle grote kunstenaars hebben hun talent daar enige malen aan gegeven. Geen wonder, want het beeld van de reine, jonge Moeder met het jonge, vaak speelse Kind spreken tot alle mensenharten.
De schilder kan hierin het fijnste van zijn compositiekunst en uitdrukkingsvermogen leggen. Reeds zogezien is het te begrijpen, dat dit onderwerp zo vaak gekozen werd, daar het hier echter de Moeder Gods betreft, met het Kind, dat als Christus later op aarde zou wandelen, dat maakt het zo boven vele anderen verheven.

Er is een oneindige verscheidenheid in de Madonna’s, die in de verschillende eeuwen, in de verschillende landen, door de verschillende schildersscholen, door de verschillende schilders geschilderd zijn, terwijl toch het onderwerp zo eenvoudig en begrensd is. Maar zoals de komst van ieder jong mensenkind altijd de volle belangstelling van zijn omgeving trekt, al is het een volkomen natuurlijke veelvuldig voorkomende gebeurtenis, zo zijn de schilders, ieder op hun beurt, ertoe gekomen de Madonna te schilderen, sommige schilders zelfs veie malen. En zoals de verschillende jonge mensenkinderen en hun moeders alle hun eigen individuele karakter hebben, zo hebben het ook de Madonna-schilderijen

Toch is het opvallend, dat de Madonna door alle tijden heen een bepaald karakter behouden heeft en niet of weinig beïnvloed is door de veranderingen in tijden en gewoonten. Steeds is de Madonna gehuld in een zwaar geplooide kleding, vaak gesluierd, de kleding paste zich maar weinig aan bij de tijdmode.

Eigenlijk past de Madonna niet in het verhaal van de Geboorte in de Stal van Bethlehem volgens Lukas. Wel vertonen zich vaak os en ezel, Jozef of engelen terzijde of op de achtergrond, soms herders als het tafereel uitgebreid wordt tot de aanbidding, of de Koningen met hun gevolg, maar in plaats van de eenvoud van het verhaal vinden we de grootste weelde en pracht in de kleding van Maria.

Ook de stal is vaak op zeer vreemde wijze gecomponeerd, veelal omgeven door ruïnes of de Madonna bevindt zich zelfs in een paleis of in het schip van een kathedraal.

Wat hebben de schilders tot uiting willen brengen in hun schilderijen van de Madonna?

Om dx- te begrijpen moeten wij ons meer verdiepen in de betekenis van de geboorte van Jezus. Dit is niet alleen een historisch feit, maar het is een gebeurtenis voor het gehele geestelijke leven van de mensheid. Deze geboorte had plaats toen de mensheid reeds een lange ontwikkeling had doorgemaakt. Vanuit een oudheid, waarin de mens leefde temidden van goden en halfgoden, in voortdurend contact met de goddelijke wereld was hij door de ontwikkeling van zijn zelfbewustzijn en zijn kennis steeds onafhankelijker van deze godenwereld geworden.
Ee mens onttrok zich aan de directe inwerking van geestelijke goddelijke machten, hij leefde steeds meer in de sfeer van de stoffelijke wereld, Het geestelijke kende hij alleen nog uit de van buiten opgelegde wet, de decaloog, uit de overgeërfde ritus.

Christus echter wekte in het individuele innerlijk van de mensen het bewustzijn van de verwantschap met de goddelijke wereldgrond. Door Christus vonden de mensen de weg terug naar de hemelse krachten en werd in hen tot leven  gebracht het vermogen in hun “IK” het geestelijk goddelijke te laten spreken.

Daartoe moet de mens echter zijn innerlijk zuiveren en openstellen. Deze loutering brengt zijn ziel in een toestand van ontvankelijkheid voor de inwerking van de heilige geest, waardoor in hem de Mensenzoon gewekt wordt. Zo kan zich in iedere mens het gebeuren van Bethlehem spiegelen en dit maakt het gebeuren van Bethlehem zo belangrijk voor iedere mens
Deze loutering betreft in de eerste plaats alles wat de mens aan het aardse bindt en hem van het geestelijke afhoudt, dus zijn begeerten en hartstochten, zijn hebzucht en egoïsme.

Dit zijn hem ingeboren eigenschappen, die door erfelijkheid in zijn bloed zijn overgebracht. 0verwint de mens deze karakterfouten, dan wordt juist zijn hart de drager van de liefdekrachten die nu zijn hele wezen doorstromen. Het is het rood van dit gelouterde bloed, dat we steeds vinden in het kleed -van de Madonna.
Dit kleed valt in zware plooien breed uit op de grond als herinnering aan de binding aan de aarde door de bloedsbanden waaruit de fijne Madonnafiguur oprijst.
Over het rode kleed, dat de innerlijke gesteldheid der Madonna tot uitdrukking brengt, ligt een blauw overkleed, soms overgaande in een blauwe sluier. Hierin komt het hemelse geestelijk goddelijke in het wezen der Madonna tot uiting, evenals in de kroon met twaalf sterren, die zij somtijds draagt. Dit alles wijst op de kosmische krachten welke de mens gaat ondervinden, wanneer zijn ziel zo ver gereinigd is, dat hij de sluier van het stoffelijk waarneembare kan oplichten om het geestelijke, dat in alles ligt en werkzaam is, te aanschouwen.

Vaak is de Madonna omringd door engelen die rode rozen en witte lelies dragen. De roos is de bloem die door haar geur terugstraalt wat zij door zich open te stellen voor de zonnestraling, ontving. Zo moet de mens de krachten die hij ontvangt, wanneer hij zich openstelt voor de geestelijke wereld, weer als liefde doen uitstralen in zijn omgeving.

Het Kind dat de Madonna op de knieën draagt, is bij de latere schilders een echte baby, hoewel soms de houding of het gebaar aangeeft, dat dit Kind een bijzondere rol te spelen heeft: het wijst op een boek, het heft reeds zegenend een handje op. Dikwijls speelt het met een gouden bal, symbool der volmaakte zuivere wijsheid en onaantastbare wereldmacht. Bij de oudste schilders is het echter niet een baby, maar een klein mensje dat de Madonna op haar schoot de mensen voorhoudt: de Mensenzoon! Dat is het tere begin van het beleven van het goddelijke in het menselijk bewustzijn, dat gekoesterd moet worden als een klein kindje, wil het zich kunnen ontplooien tot kracht en rijpheid. Het is de kiem waaruit nieuwe krachten in de mens kunnen opgroeien. Het brengt in en over het mensenleven een nieuwe glans, zoals van het jonge mensenkind je afstraalt de glans van de hoge machten die zijn ontstaan geleid hebben.

Dit begin is geboren uit de zuivere oergrond van het heelal, uit Maria. Het draagt in zich het verband van de mens met de kosmische machten. Maar teer en fijn is het. Alleen door veel liefde, warme zorg en voortdurende toewijding kan het worden tot de kern die de gehele mens doordringt met de bezieling van het volle bewustzijn van zijn ware wezen. Deze toegewijde liefde is het ontroerende dat uit de Madonna-schilderijen spreekt. De mensheid moet zich tot Maria maken om in zich het Christusprincipe met moederlijke liefde in reinheid te koesteren.

In de Griekse oudheid kende men de jonkvrouwelijke Pallas Athene, dochter van Zeus, de Heer van het de aarde, overstralende licht en Metis, de Godin, der Oerkennis. Zij bewaarde de mysteriewijsheid der oudheid, de Maja, de geestelijke afspiegeling der wereld. Maria, eveneens jonkvrouw, draagt ook de zuivere bovenzinnelijke wijsheid in haar hart, maar door de bevruchting door de kosmische liefdekracht van de Heilige Geest, wordt uit haar de Christus geboren, zoon der Maja als werkzame impuls in het menselijke aardeleven.

De omgeving waarin de Madonna geplaatst wordt, is vaak zeer karakteristiek: een troon van drie treden, waarvan de voorhang door engelen weggeslagen wordt, een troon in het koor ener kerk, een licht houten bouwsel temidden van antieke ruïnes, soms gezeten op een rots of in een grot. Dit alles wijst op het hemelse, dat door de Madonna geopenbaard wordt, de kerk die door de komst van Christus gevestigd wordt, de noodzaak van het breken met de oude antieke heidense cultuur om plaats te maken voor het Christusprincipe en op de vereniging van het hemelse met de aarde. Hierin wordt uitgedrukt de dorheid, de vergankelijkheid, de duisternis die heersen in de aarde-wereld totdat Licht en eeuwig leven door Christus worden gebracht.

Ai deze motieven zijn verwerkt in de Madonna-schilderijen en hun oneindige diepte en rijkdom verklaart de oneindige variaties en modulatie die in deze schilderijen te vinden zijn. Het zuiverste komt de idee tot uiting in de oudste schilderijen van Cimabue, Giotto, Fra Angelico en de oude meesters van de Hollandse en Vlaamse scholen van Eyck, Rogier van der Weyden, Memlinc, Geertgen van St. Jans.
In de latere schilderingen van Botticelli, Leonardo da Vinci, Raphael wordt de voorstelling vrijer, natuurlijker, minder symbolisch, maar in hoofdaak blijft het karakter van de compositie bewaard en zelfs bij de moderne schilders als Toorop blijft het gehandhaafd, Het Madonna-beeld is eeuwig, want de Madonna is de eeuwigheid.

Zo leidt deze beschouwing ertoe de Madonna op te vatten als de imaginatie van hetgeen in onze ziel voor en door de Christus-impuls zal moeten geschieden. De zin van het leven wordt erin weerspiegeld. De aanschouwing ervan loutert onze ziel en maakt ons ontvankelijk voor de inwerking van de Heilige Geest. Naast de hoge artistieke waarde hebben de Madonna-schilderijen dus een zeer hoge innerlijke geestelijke waarde.

Fra Angelico da Fiesole (1387-1455) De geboorte van Christus

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2423-2272

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking – illustraties

.
Pieter HA Witvliet

.

Om criteria te vinden om te kunnen aantonen dat een kinderboek ‘goed’ is, ‘geslaagd’, ‘verantwoord’ enz. zal je altijd te maken hebben met de opvattingen, de smaak enz. van degene die meent er iets zinnigs over te kunnen zeggen.

M.i. kan recenseren nooit objectief zijn: we krijgen dus ook altijd iemands mening te horen. En achter die mening liggen de criteria die de recensent – bewust of onbewust! – hanteert.

Iets dergelijks is ook van toepassing op de leeftijd waarvoor het boek dan geschikt zou zijn.

En dat geldt volgens mij ook voor de illustraties.
Welke zijn ‘mooi’ en waarom; welke dan minder mooi of zelfs lelijk.
Bij de beoordeling zal ook hier het ‘smaken verschillen’ – bewust of onbewust – meespelen.

Wanneer je een poosje nadenkt over ‘illustraties’ valt het op, dat ze nauwelijks te vinden zijn in romans voor volwassenen. Waarom zou dat zijn?
En waarom zouden ze dan in kinderboeken moeten staan?
Ja, als je een prentenboek hebt zonder illustraties heb je geen prentenboek, dus daar zijn illustraties onmisbaar.

Maar is dat voor oudere kinderen nodig?

We kennen vrijwel allemaal het verschijnsel dat de film van het boek dat we zelf gelezen hebben, vaak ‘tegenvalt’, d.w.z. de film beantwoordt niet aan de beelden die we zelf tijdens het lezen van het verhaal hebben gemaakt.

Omgekeerd doet het zich voor dat tijdens het lezen de filmbeelden zich steeds aan je opdringen – die laten je niet meer vrij.
Je kan je dus ook afvragen of boeken wel verfilmd moeten worden.

Een andere vraag die ontstaat is of je bijv.. sprookjes wel moet willen illustreren. Het gaat bij deze beelden toch om heel andere inhoud dan het zichtbaar maken van ‘figuren’ die in wezen niet de zichtbare figuren zijn die ze in het sprookje als beeld zijn.

Dat zijn zomaar wat vragen waarop niet zo makkelijk een antwoord is te geven.

En dan hebben we te maken met het gegeven feit, het voldongen feit dat vrijwel alle kinderboeken zijn geïllustreerd.
Je laat het kind dus niet alleen kennis maken met een verhaal, maar ook met illustraties. Met vorm en kleur.
Mag je, nee moet je, daar eisen aan stellen. En zo ja, welke dan. En gebeurt dan weer niet hetzelfde als bij het recenseren en het vaststellen van de geschikte leeftijd?

Ik heb het altijd belangrijk gevonden om onze eigen kinderen, maar ook de kinderen die ik in de klassen had, met kunstzinnig materiaal te omringen.
Met weer de vraag: wat is kunstzinnig.

Maken ‘schreeuwerige’ kleuren uit? Karikaturale vormen?

Ik ben zelf nogal gecharmeerd van ‘sfeervolle’ beelden’, zoals bijv. in dit boek van Loek Koopmans

Ook zo kan een vos worden verbeeld, maar ik vind die bij Koopmans mooier.

Uit ‘Klein vogelboek’ van Loes Botman:

Uitgeverij Christofoor heeft veel boeken met dit soort illustraties, hoewel weer niet allemaal. Deze vind ik dan weer minder:


De kleine spar:

Je hebt deze kabouter:

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is kabouter-thijm-2.jpg

En deze:

En ik zeg dan: gelukkig ook deze:

Op deze blog zijn kinderboeken gekozen met de gezichtspunten die uit bovenstaande woorden wel zijn op te maken.

.

Over de leeftijd

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.
2416-2265

.

.

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening – alle artikelen

.

[1] De kindertekening tot 7 jaar
Elly Bus over: de ontwikkeling van een kind tot het 7e jaar, weerspiegeld in de kindertekening. Kinderen tekenen niet wat ze zien, maar wat ze innerlijk weten; tekeningen als hulp om schoolrijpheid te bepalen; van grove motoriek naar verfijndere; indeling in fasen: tot 3 jr,,: ritmische beweging, oerkruis, spiraal, cirkel; 3e, 4e jr.: beweging binnen-buiten; ledematen, koppoters, vierkant; 5e jr.: illustratief, driehoek, kleur, van hoofd naar beneden; 5.e, 6e, 7e jr.: voorstellingen porden belangrijker.

[2] Over de kindertekening
Klara Hatterman over de m.n. fysieke ontwikkeling van het jonge kind; de dynamiek van het tekenen; zwart ontneemt de mogelijkheid zelf te beleven wat verduisteren met donkere tinten is; geboorte van het Ik-bewustzijn; symmetrie, ladders, kruisen, cirkels; kijken naar denken-voelen-willen; huizen en driehoeken; tandenwisseling.

[3] Uit het dagboek van de kleintjes
Helga Zumpfe over: de voorschoolse ontwikkeling van het jonge kind, weerspiegeld in de kindertekening; hoe jonger het kind, des te meer gaat het om het tekenen, niet om het resultaat; bij ‘duiding’ van de tekening belangrijk om kind te kennen; getekende oertaal; tekeningen over ‘hoe de ziel een huiselijk plekje inricht in de lichamelijke woning; indeling in fasen: 1e – pendel- en golfbewegingen; cirkel en kruis; Ik-ervaring; 2e: symmetrie, lichamelijke rijping, ladders, ribbenmannetjes; bomen – verschillende als metamorfose; 3e: veranderingen in de ontwikkeling, gezien in het tekenen van een boom; stuurwielmotieven, tandenwisseling; veranderingen weerspiegeld in het tekenen van een huis; 

[4] De universele taal van kindertekeningen
Peterke Boerboom over: de ontwikkeling van het jonge kind, weerspiegeld in de kindertekening; de incarnatie van het kind; over de 4 wezensdelen; schets van de ontwikkeling van het bewustzijn van de mensheid; beeld daarvan in de kindertekening; geïllustreerd met vele voorbeelden; wervelingen, spiralen, engelen, dichte cirkel, cirkel met stip, boom-mens-zuil, grond onder de voeten, ledematen, huis, driehoek,

[5] Vragen bij de kindertekening
Ulrike Staudenmaier over: kind zet zijn ontwikkeling, zijn belevingen op papier; symboolfunctie van de tekeningen; ‘koppoters’. de boom, het huis, de schoorsteen; groeiprocessen en orgaanontwikkeling ‘in beeld’; geïllustreerd aan allerlei voorbeelden; ‘de ledematen groeien vanuit het hoofd’ (verwijzingen naar Steiner), lijn, vierkant, trap, er wordt een drieledigheid getekend, rond de tandenwisseling,

[6] In zijn tekeningen vertelt het kind altijd de waarheid
Joyce Honing en Petra Weeda over: kindertekeningen laten zien hoe een kind zichzelf en de wereld om hem heen ervaart; hij tekent onwillekeurig niets anders dan zijn eigen beweging. Vanaf een jaar of 4: steeds meer ‘beeldentaal’; Tekeningen vormen een heel directe toegangspoort tot de belevingswereld van je kind; tekenen van de wereld; de koppoter; huizen.

.

Peuters en kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: de peuter-kleuterklas

.

2415-2264

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/9)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 304

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Niet vertaald

Verschillende steden van 23 februari 1921 t/m 16 september 1922

Voordracht 2, Den Haag 27 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts-, und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposphischer Geisteswissenschaft

Blz. 39

Ich möchte zunächst darauf hinweisen, wie wir nach ganz naturwis­senschaftlicher Gesinnung hinschauen können in das Werden des Men­schen. Da muß allerdings Geisteswissenschaft aus ihren Voraussetzun­gen heraus ins Auge fassen die allmähliche Entwicklung des Menschen durch verschiedene Lebensepochen hindurch. Wir haben eine solche Lebensepoche, von der Geburt angefangen bis zum Zahnwechsel, so um das siebente Lebensjahr herum. Es könnte leicht scheinen, als ob irgend­ein Hang zur Mystik dazu zwange, gerade um das siebente Jahr herum eine Art Sprung in der menschlichen Entwicklung anzuerkennen. Das ist aber nicht der Fall Ebensowenig wie es irgendeinem mystischen Drang entspringt, sieben Farbennuancen im Regenbogen anzuerkennen, ebensowenig entspringen die Dinge, die ich nun ausführen werde, irgendeinem mystischen Hang, sondern sie entspringen einer objektiven, unbefangenen wissenschaftlichen Beobachtung des Menschenwesens.

Opvoedings- onderwijs- en praktische levensvragen belicht vanuit de antroposofische geesteswetenschap

Ik zou er allereerst op willen wijzen hoe wij helemaal volgens de natuurwetenschappelijke opvattingen naar de ontwikkeling van de mens kunnen kijken. De geesteswetenschap moet dan wel vanuit haar uitgangspunten in aanmerking nemen dat de mens zich tijdens de verschillende leeftijdsfasen stap voor stap ontwikkelt. We hebben de leeftijdsfase die met de geboorte begint en doorloopt tot aan de tandenwisseling, zo rond het zevende jaar. Nu zou het er makkelijk de schijn van kunnen hebben dat een of ander mystiek verlangen er de oorzaak van is dat we juist rond het zevende jaar een soort sprong in de menselijke ontwikkeling menen te moeten zien. Daarvan is echter geen sprake. Net zo min als het uit een of andere mystieke dwang voortkomt om in de regenboog zeven kleuren te willen zien, komen de dingen die ik hier naar voren wil brengen evenmin uit een mystiek verlangen; ze zijn gebaseerd op een objectieve, onbevangen wetenschappelijke manier van waarnemen van de mens.  

Zunächst physisch, kann sich der Mensch sagen, geht eine gewaltige Veränderung vor, indem der Mensch so um das siebente Jahr herum etwas aus sich heraustreibt was später nicht mehr aus ihm herausgetrie­ben wird: die zweiten Zähne eine Art von Abschluß ist damit erreicht. Aber ganz klar wird die Sache, wenn wir unsere Beobachtungen nicht beschränken auf den äußeren, physischen Organismus, sondern wenn wir dasjenige beobachten was parallel geht diesem Entwicklungssta­dium im physischen Organismus. Da sehen wir, wenn wir überhaupt beobachten können, wie das ganze Seelenleben des Kindes in dieser Zeit langsam anders wird. Wir sehen, wie das Kind, während es vorher

In de eerste plaats, wat het fysieke betreft, kan je opmerken dat er zich een enorme verandering voordoet, wanneer de mens zo rond zijn zevende jaar iets uit zijn lichaam naar buiten perst, wat later nooit meer gebeurt: de blijvende tanden waarmee een soort afsluiting wordt gemarkeerd. Helemaal duidelijk wordt dit feit wanneer we onze waarnemingen niet beperken tot het uiterlijk fysieke organisme, maar dat we kijken naar wat er in dit ontwikkelingsstadium tegelijkertijd gebeurt. 
Dan zien we, vooropgesteld dat we goed kunnen waarnemen, hoe het hele zielenleven van het kind in deze tijd langzaam anders wordt. We zien hoe het kind, terwijl het daarvoor 

Blz. 40

verschwommene, verschwimmende Begriffe bildete, nachher allmählich übergeht, Begriffe mit schärferen Konturen zu bilden; wie überhaupt das Begriffebilden in diesem Lebensalter erst eintritt. Wir sehen ferner, wie das Kind eine ganz andere Art von Gedächtnis entwickelt. Es hat zwar oftmals vorher schon ein ausgezeichnetes Gedächtnis, aber das ist rein natürlich ausgebildet, ohne daß das Kind irgendwie eine Kraft aufzu­bringen braucht, um sich etwas zu merken. Jetzt muß es eine Kraft aufbringen, um sich die Dinge, die an es herantreten, wirklich zu merken, um sich an sie zu erinnern. Kurz, es zeigt sich, daß vom Zahnwechsel ab, um das siebente Jahr, dieses Kind dazu kommt, im Vorstellungsgemäßen, im Gedanklichen, im bewußt Willensgemäßen zu arbeiten. Was liegt da eigentlich vor? Sehen Sie, da liegt dieses vor: Dieselbe Kraft, die dann als geistig-seelische Kraft beobachtbar ist im Kinde, indem es Vorstellungen in scharfen Konturen bildet, indem es sich Gedanken bildet, diese Kraft, wo war sie denn vorher? Wenn der Physiker bei irgendeinem Vorgang sieht, wie Wärme entsteht, ohne daß man irgendwie eine Erwärmung vorgenommen hat, dann sagt er:

nog vage begrippen vormde die in elkaar overgingen, nu stap voor stap begrippen begint te vormen die scherper omlijnd zijn; eigenlijk begint de begripsvorming in deze levensfase pas goed op gang te komen. Ook zien we hoe het kind een heel ander soort geheugen gaat ontwikkelen. Voor deze tijd heeft het vaak al een buitengewoon goed geheugen, maar dat werd van nature gevormd, zonder dat het kind moeite moest doen om iets te onthouden. Nu moet het wel moeite gaan doen om de dingen waarmee het te maken krijgt, echt te onthouden, om ze zich te kunnen herinneren.
Kortom, het blijkt dat vanaf de tandenwisseling, rond het zevende jaar, het kind in staat raakt met voorstellingen, gedachten, bewust gewild, iets te gaan doen. Wat gebeurt daar dan? Waar zat die mentaal-psychische kracht die bij het kind waarneembaar is als het scherp omlijnde voorstellingen vormt, gedachten ontwikkelt, dan eerst? Wanneer de fysicus bij een of ander proces ziet dat er warmte vrijkomt zonder dat er van tevoren iets verwarmd is, zegt hij:

In dem Körper war vorher latente Wärme, dann wird die Wärme frei. Er sucht dasjenige, was als Wärme frei wird, zuerst im Inneren des Körpers. Diese Denkweise muß auch angewendet werden auf das Leben des Menschen. Dasjenige, was seelisch-geistig nach dem siebenten Jahr beim Kinde auftritt, wo war es vorher? Es war im kindlichen Or­ganismus latent; es war in dem organischen Wachsen, in der organi­schen Gliederung tätig bis zu dem Moment, wo gewissermaßen der Schlußpunkt dieser besonders in den ersten kindlichen Jahren auftreten­den Wachstumsperiode mit dem Heraustreiben der zweiten Zähne erreicht ist. Wir haben heute eine Seelenkunde, eine Psychologie, die ganz abstrakt ist. Die Leute denken nach, wie sich Leib und Seele zueinander verhal­ten. Sie kommen da zu den merkwürdigsten, phrasenhaftesten Hypothe­sen. Aus diesen phrasenhaften Hypothesen heraus kann man zu keiner pädagogischen Kunst kommen. Geisteswissenschaft zeigt, wie dasjenige, was wir nach dem siebenten Jahr seelisch an dem Kinde hervortreten sehen, vor dem siebenten Jahr, vor dem Zahnwechsel in dem Organismus drinnen tätig ist; wie das Seelische erst eine organische Kraft ist, die dann frei wird.

in dit voorwerp was al latente warme aanwezig, nu komt die warmte vrij. Allereerst zoekt hij de warmte die vrijkomt in het voorwerp. Deze manier van denken moet ook toegepast worden op het leven van de mens. Waar zat het mentaal-psychische dat zich na het zevende jaar bij het kind manifesteert, daarvoor? Dat was latent aanwezig in het kinderlijke organisme; het zat in de lichamelijke groei, was actief bij de lichamelijke opbouw, tot het ogenblik waarop dit ten einde liep. De afronding van deze actieve periode van groei die met name plaatsvindt in de eerste jaren van een kind wordt bereikt met het naar buiten drukken van de blijvende tanden. 
Tegenwoordig hebben we een psychologie die heel abstract is. Er wordt nagedacht over de relatie tussen lichaam en ziel. Men komt tot de merkwaardigste hypothesen, maar het zijn frasen. Maar daarmee kom je niet tot een pedagogische kunst. De geesteswetenschap laat zien hoe, wat we na het zevende jaar bij het psychisch zien verschijnen, vóór het zevende jaar, vóór de tandenwisseling in het organisme actief is; hoe het psychische eerst een organische kracht is die dan vrij komt.
GA 304/39-40
Niet vertaald

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921

Die pädagogische Bedeutung der Erkenntnis vom gesunden und kranken Menschen

Blz. 76/77

Der Zahnwechsel bedeutet, daß etwas was in dem Menschen lebt, bis die zweiten Zähne herauskommen, was in ihm organisch lebt, was am Leibe organisierend ist, daß das so, wie die latente Wärme in die äußerlich fühlbare Wärme übergeht, daß das, was als Geistig-Seelisches im Menschen organisierend ist. auch geistig-seelisch wird. Nachdem die zweiten Zähne heraus sind, braucht der Mensch eine gewisse Wachstumskraft eine gewisse innere durchorganisierende Kraft nicht mehr. Die wird jetzt frei wird geistig-seelisch, lebt sich in alledem aus, was wir im Alter, wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, verwenden können.

De pedagogische betekenis van de kennis over de gezonde en zieke mens

Tanden wisselen betekent dat er in de mens iets organisch leeft wat lichamelijk opbouwend werkzaam is, tot de blijvende tanden verschijnen; dat net zoals de latente warmte overgaat naar de uiterlijk voelbare warmte, dat wat mentaal-psychisch bij de mens opbouwend is, nu mentaal-psychisch wordt. Als de blijvende tanden tevoorschijn zijn gekomen, heeft de mens een bepaalde groeikracht, een kracht die innerlijk organiserend werkzaam is, niet meer nodig. Die komt vrij en wordt tot geestkracht en gevoel, komt tot volle ontplooiing, waarmee wij dan op de leeftijd dat het kind bij ons op school komt, kunnen werken. 

Wenn ich schematisch zeichnen soll, möchte ich sagen: Wenn dies hier der physische Organismus ist so haben wir diesen physischen Organis­mus durchzogen von ein Kraft die ihn durchorganisiert, die in ihm ihren Abschluß findet im Zahnwechsel, und später ist dasjenige, was da in ihm noch gewirkt hat im früheren Leben, während des schulpflichti­gen Lebens freigeworden, tritt im Geistig-Seelischen auf als veränderte Vorstellungskraft, als veränderte Erinnerungskraft und so weiter. Das heißt, innerlich erkennen den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen mit dem physisch-Leiblichen wenn man zum Beispiel weiß, daß dasjenige gerade, womit man es zu tun hat im kindlichen Volksschulalter, daß das wie freigewordene Wärme so freigewordenes Seelenwesen ist;

Wanneer ik dit schematisch zou willen tekenen, [er is bij mijn weten geen afbeelding van] moet ik zeggen: wanneer dit hier het fysieke organisme is, dan hebben we hier dit fysieke organisme dat doortrokken is van een kracht die het doorvormt, die daarin tot een afsluiting komt bij het wisselen van de tanden en later werkt, wat er in zijn eerdere leven, tijdens de basisschoolleeftijd vrij gekomen is, nu verder in geest en ziel als een omgevormde voorstellingskracht, als omgevormde geheugenkracht enz. Dat betekent dat je innerlijk weet hebt van wat de samenhang is van geest en ziel met het levend-lichamelijke; wanneer je bijv. weet dat dit waarmee je te maken hebt op de basisschool, vrijgekomen gevoelskwaliteit is, zoals de vrijgekomen warmte; dit aspect van de ziel werkte eerder aan het lichaam, nu is het vrijgekomen en kunnen we het voeden met wat een kind nu eenmaal in een bepaalde culturele fase moet leren, want we moeten rekening houden met de culturele toestand. 

während dieses Seelenwesen früher am Leibe beschäftigt war, haben wir es jetzt freigeworden, können es erfüllen mit demjenigen, was eben das Kind nach dem betreffenden Kulturzustand irgendeiner Epoche lernen muß, denn der Kulturzustand kommt ja doch in Betracht.
Da stehen wir vor dem Kinde so, daß wir uns sagen: In diesem Momente, wo du das Kind bekomst, da zieht sich etwas geistig-seelisch gewissermaßen heraus aus dem Leiblich-Physischen. Ein Teil der organisierenden Kraft wird geistig-seelisch, hat gewissermaßen noch die Nachformen des physisch-Leiblichen; der ist noch eingewöhnt, in seinem ganzen Bilden das physisch-Leibliche nachzubilden. Du tust dem Kinde nichts Gutes wenn du ihm jetzt etwas ganz Fremdes beibringst, wenn du zum Beispiel ihm jetzt beibringst die Buchstabenformen, die dem Kinde ganz fremd sind, die schon viele Veränderungen durchgemacht haben von der alten gemalten Schrift.
Deshalb führen wir einen künstlerisch aufgefaßten Unterricht von der Waldorfschule ein, lehren das Kind nicht einfach schreiben, sondern

Nu staan we voor het kind en dan moeten we zeggen: op het ogenblik waarop je dit kind in de klas krijgt, komt er op een bepaalde manier iets van de geest en de ziel uit het etherisch-fysieke naar buiten. Een deel van de opbouwende kracht wordt geest, ziel; het neemt nog iets mee van dat vormen van het fysiek-etherische; die kracht draagt het nog met zich mee in alles wat het vormen wil, na wil vormen wat fysiek-etherisch is. Je bewijst het kind helemaal geen dienst wanneer bijv. het nu de lettervormen aan wil leren die voor het kind totaal vreemd zijn, die al aan vele veranderingen onderhevig zijn geweest vanaf het oude getekende schrift. Daarom beginnen wij op de vrijeschool met een kunstzinnige opvatting van onderwijs, we leren het kind niet simpelweg schrijven, maar 

Blz. 78

lehren es zuerst zeichnend Malen, so daß es aus den Formen, wo es den ganzen Menschen in Bewegung bringt, dasjenige herausgestalten muß, was aus dem Zahnwechsel herausgestaltet ist; gewissermaßen in den ganzen Menschen in Gemäßheit seiner Leibesform verlegt wird, wo versucht wird, die Hände, die Finger in solche Bewegung zu bringen, indem sie zeichnen, indem sie malen, daß dasjenige, was in dem Seeli­schen gewebt hat, während das Seelische noch organisierend war, daß das weiter weben kann.

we leren het eerst tekenend schilderen, zodat het uit de vormen die de hele mens in beweging brengen, datgene vorm moeten geven wat vanuit de tandenwisseling gestalte heeft gekregen; in zekere zin krijgt dat een plaats in de totale mens, overeenkomstig zijn lichaamsvorm wanneer daarbij geprobeerd wordt de handen, de vingers die bewegingen te laten uitvoeren wanneer die tekenen, schilderen wat het psychische deed toen dit nog lichamelijk vormend bezig was; dat dit verder kan gaan.
GA 304/76-78
Niet vertaald

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule

Blz. 101/102

Solche Ereignisse, wie der Zahnwechsel um das siebente Jahr herum, werden von der heutigen Wissenschaft nicht in einer Weise, die tief genug ist, gewürdigt. Denn derjenige, der solche Beobachtungsgabe hat, wie sie anthroposophische Geisteswissenschaft in den Menschen heranerzieht, 
sieht, wie sich die seelischen Kräfte des Menschen durchaus umändern, wandeln, wenn der Mensch, das Kind, diesen Zahnwechsel durchmacht. Das Gedächtnis, die kindliche Denkfähigkeit, auch das kindliche Empfindungsvermögen, sie werden in diesen Jahren ganz andere, als sie vorher gewesen sind. Und eigendlich sieht man eine gewisse Konfiguration des Seelenlebens erst mit diesem siebenten Jahre, es ist approximativ natürlich, aus dem Kinde heraussprießen. Wo war denn dasjenige, das da aus dem Kinde heraussprießt, das wir in der Schule eigentlich erst behandeln, wo war das vorher?
Sehen Sie, die Denkweise der heutigen Wissenschaft ist auf dem unorganischen Gebiet durchaus auf einem richtigen Wege. Wenn ich irgendwo einen Körper habe und durch irgendwelchen Vorgang geht Wärme aus diesem Körper hervor, so studiere ich als heutiger Physiker, wie diese Wärme vorher in dem Körper schon enthalten war als latente, als verborgene Wärme, und wie sie durch einen gewissen Vorgang als freie Wärme aus dem Körper herausgetreten ist. Ich werde nicht sagen:

De pedagogische basis van de vrijeschool

Aan de gebeurtenissen zoals de tandenwisseling rond het zevende jaar wordt door de huidige wetenschap niet op een manier waarde toegekend die diep genoeg gaat. Want iemand die zo’n opmerkingsgave heeft zoals de antroposofische geesteswetenschap die bij een mens kan ontwikkelen, ziet hoe de zielenkrachten van de mens zich daadwerkelijk veranderen wanneer de mens, het kind zijn tanden wisselt. Het geheugen, het denkvermogen van het kind, ook het gevoelsvermogen worden in de jaren heel anders dan ze daarvoor waren. En feitelijk zie je pas met dit zevende jaar, bij benadering natuurlijk, een bepaalde vorm van gevoelsleven, van ziel vanuit het kind opbloeien. Waar zat datgene wat nu vanuit het kind opbloeit en waarmee we op school eigenlijk pas gaan werken, waar zat dat voordien? De manier van denken van de huidige wetenschap zit op het gebied van het anorganische zeer zeker op de juiste weg. Wanneer ik ergens een voorwerp heb en door de een of andere handeling komt daar warmte uit, dan bestudeer ik als modern natuurkundige hoe deze warmte al als latente, verborgen warmte in dit voorwerp aanwezig was en hoe dit door een bepaald proces als vrijkomende warmte uit dit voorwerp naar buiten is gekomen. Ik zou dan niet zeggen:

Diese Wärme ist dem Körper irgendwie angeflogen, sondern ich suche die Bedingungen, unter denen sie schon vorher in dem Körper drinnen war. Die Denkrichtung, welche die Wissenschaft in dieser Beziehung schon inauguriert hat, die kann auch übertragen werden auf die kompli­zierteren Verhältnisse, vor allen Dingen auf die menschlichen Lebens­verhältnisse selber.
Derjenige, der im anthroposophischen Sinne studiert, wie Gedächtnis, Denkvermögen, Willensvermögen des Kindes die eigentümliche Konfi­guration im siebenten Jahre annehmen, der kommt nach und nach darauf, daß dieses alles ja auch nicht dem Kinde angeflogen ist, sondern daß es sich aus dem Kinde selbst heraus entwickelt hat. Wo war es denn vorher? Es war in dem kindlichen Organismus. Und dasjenige, was ich dann in der Schule zu behandeln habe, das war vorher als eine latente, als eine verborgene Kraft in dem Inneren des Menschen; es ist frei gewor­den. Es war in dem Inneren des Menschen, so lange der Mensch jene Kraft brauchte, die dann ihren Schlußpunkt findet in dem Hervorstoßen der zweiten Zähne. Sind die zweiten Zähne hervorgestoßen, dann wird dieser Vorgang im Leben des Menschen nicht wiederholt. Dasjenige, was zuerst im Inneren des Menschen organisierend gewirkt hat, was seinen

Deze warmte is op de een of andere manier aan komen waaien, maar ik zou naar de voorwaarden zoeken waaronder die al eerder in het voorwerp zat. De denkrichting die de wetenschap wat dit betreft al geïnaugureerd heeft, kan ook toegepast worden op gecompliceerdere toestanden, vooral op de menselijke levensomstandigheden zelf. Wie in antroposofische zin bestudeert hoe geheugen, denk- en wilsvermogen van het kind in zijn zevende jaar hun specifieke vorm aannemen, komt er stap voor stap op dat dit ook bij het kind niet is komen aanwaaien, maar dat dit vanuit het kind zelf tot ontwikkeling is gekomen. Waar zat dat dan daarvoor? Het zat in het kinderlijke organisme. En waarmee ik dan op school moet werken, zat daarvoor als een latente, als een verborgen kracht in de mens zelf; die is vrij gekomen. Het zat binnen in de mens zolang de mens die kracht nodig had, wat dan tot een einde komt bij het tevoorschijn komen van het vaste gebit. Als die blijvende tanden naar buiten zijn gedrukt, wordt dit proces in het leven van de mens niet herhaald. Wat eerst binnen in de mens vormend werkte, 

Blz. 103

Abschluß gefunden hat mit dem Hervorstoßen der ersten Zähne, das wird frei, so wie aus gewissen Körpern die Wärme frei wird. Das tritt dann als seelisch-geistiges Vermögen, als die Fähigkeiten einem entge­gen, welche man in der Schule erziehend und unterrichtend zu behan­deln hat. Man lernt das Zusammenwirken von Seele und Leib nur kennen, wenn man ins Konkrete eingeht. Philosophisch-spekulativ kann man lange herumdenken: wie verhalten sich Seele und Leib. Man muß im Konkreten anschauen von der Geburt an bis zum siebenten Lebens­jahre, da haben die Kräfte, die ich nachher kennenlerne, nachher als Erziehender und Unterrichtender selber zu gestalten habe, die frei geworden sind, die haben im Organismus drinnen gewirkt, die sind aus dem Organismus hervorgetreten.
Und so ist es durch das ganze menschliche Leben hindurch. Alle Spekulationen, die man heute in Philosophie- oder Psychologiebüchern findet über das Verhältnis von Seele und Leib, die sind nutzlos, wenn nicht ein konkretes Anschauen nach wirklicher wissenschaftlicher Methode zugrunde gelegt wird.

wat tot een afronding is gekomen met het tevoorschijn drukken van de eerste blijvende tanden, komt vrij, zoals bij bepaalde voorwerpen warmte vrijkomt. Dat zie je dan terug als vermogen van de ziel en de geest, als de vermogens waar je op school opvoedend en onderwijzend mee van doen hebt. Je leert de samenwerking van ziel en lichaam alleen maar kennen, wanneer je op de concrete zaken ingaat. Filosofisch-speculatief kan je lang aan het denken blijven: hoe is de verhouding van de ziel met het lichaam. Je moet vanaf de geboorte tot aan het zevende jaar concreet waarnemen; toen hebben de krachten die ik daarna leer kennen, daarna als opvoeder en leerkracht zelf vorm moet geven, die vrij gekomen zijn, binnen in het organisme gewerkt; die zijn vanuit het organisme naar voren gekomen. En zo gaat het het hele mensenleven verder. Alle speculaties die men tegenwoordig in filosofie- of psychologieboeken leest over de relatie tussen lichaam en ziel, zijn nutteloos, wanneer er niet een concreet waarnemen volgens een echte wetenschappelijke methode aan ten grondslag gelegd wordt.

Beobachtet man dann so etwas weiter und weiß: dasjenige, was dir als Lehrer in dem Kinde entgegentritt, das ist dieselbe Kraft, die vorher in dem Organismus gewirkt hat, dann sagt man sich: jetzt muß sie eine andere Form annehmen, diese  Kraft; ich muß sie, indem ich zu unter­richten und zu erziehen habe in dieser anderen Form kennenlernen. Ich muß sie aber auch in ihren Urständen kennenlernen, wie sie vorher im Organismus drinnen gewirkt hat. Nun, darüber ließe sich vieles sagen. Ich will nur darauf aufmerksam machen: diese Kraft, die also in den Tiefen des Organismus drinnen lebenbetätigend wirkt, die ist es, die zunächst das Kind zum Nachahmer macht bis zum siebenten Lebens­jahre, und man muß schon hinschauen auf dieses nachahmende Vermö­gen in dem Kinde, wenn man das Kind vor dem schulpflichtigen Alter richtig verstehen will.

Bekijk je zoiets dan verder en als je weet: wat er jou als leerkracht uit het kind tegemoet komt, is dezelfde kracht die eerder in het organisme actief was, dan zeg je tegen jezelf: nu moet die kracht een andere vorm gaan aannemen, ik moet die, als ik wil lesgeven en opvoeden in deze andere vorm leren kennen zoals die voordien in het organisme werkend was. Daar zou veel over te zeggen zijn. Ik wil er alleen op wijzen: deze kracht die dus in de diepere lagen van het organisme levenwekkend werkzaam is, is dezelfde kracht die het kind tot zijn zevende jaar tot nabootser maakt en je moet dus naar dit nabootsend vermogen in het kind kijken, wanneer je het voordat het naar de basisschool gaat, goed wil begrijpen. 
GA 304/101-103
Niet vertaald

Voordracht 5, Oslo 23 november 1921

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Blz. 142

Wir sehen das Kind heranwachsen bis zum Zahnwechsel, können dann allerdings, wenn wir unbefangenen Sinn genug haben, sehen, wie gewisse Gaben und Denkfähigkeiten gerade mit dem Zahnwechsel erst sich entwickeln, wie da auch das Gedächtnis die Form annimmt, daß es erst wirkt durch deutlich konfigurierte Begriffe und so weiter. Wir können den inneren Seelenzusammenhang des Kindes in einer ganz anderen Weise sehen nach dem Zahnwechsel als vorher. Was ist denn da mit dem Kinde eigentlich geschehen? 
Wir bemerken, wenn wir das Kind wachsen sehen vom zartesten Alter an bis zum Zahnwechsel hin, wie ein Inneres immer mehr und mehr an die Oberfläche der körperlichen Organisation tritt. Wir können wissen, daß in diesen Jahren ganz besonders die Kopforganisation ihre Ausbildung erfährt.

Opvoedings- en onderwijsmethoden op basis van antroposofie

We zien het kind opgroeien tot aan de tandenwisseling en dan kunnen we als we onbevangen genoeg zijn, zien hoe bepaalde gaven en denkvermogens zich m.n. met de tandenwisseling pas gaan ontwikkelen; hoe het geheugen de vorm krijgt, dat dit dan actief is met duidelijk omlijnde begrippen enz. We kunnen wat de innerlijke samenhang van de ziel van het kind na de tandenwisseling is, op een heel andere manier bekijken dan ervoor. Wat is er toch met het kind gebeurd?
We merken wanneer we het kind zien groeien vanaf de prilste leeftijd tot aan de tandenwisseling, hoe het innerlijk steeds meer naar buiten komt, aan de buitenkant van de lichamelijke organisatie aan het licht treedt. We kunnen weten dat in deze jaren in het bijzonder de hoofdorganisatie zich aan het ontwikkelen is.  

Blz. 144

Und eine letzte Etappe ist dasjenige, was nun am wenigsten nach außen auftritt, was aber dadurch auftritt, daß der Mensch die zweiten Zähne an die Stelle der ersten setzt. Gewisse Kräfte, die bisher in seinem Organismus gespielt haben, die in seiner Organisation gelegen haben, finden ihren Abschluß, denn er bekommt keine weiteren Zähne mehr. Aber dajenige, was sich im Bekommen der zweiten Zähne ausdrückt, das sind die Kräfte, die im ganzen Organismus wirken, die nur in der Zahnbildung eine Art Abschluß haben. Und so wie wir mit dem Gehenlernen den Willen innerlich konstituiert sehen, wie wir innerlich konstituiert sehen das Gefühl mit dem Sprechenlernen, so sehen wir mit dem Zahnwechsel ungefähr um das siebente Lebensjahr hervortreten beim Kinde die nun mehr oder weniger individualisierte, nicht mehr so wie früher an den Gesamtleib gebundene Vorstellungskraft.

Een laatste fase is dat wat nu het minste naar buiten toe zich doet gelden, wat je echter kan zien aan het feit dat de mens zijn blijvende tanden op de plaats van de melktanden krijgt. Bepaalde krachten die tot dan toe aan zijn organisme hebben gewerkt, die in zijn organisme zaten, komen tot een afronding, want je krijgt niet nog een keer nieuwe tanden. Wat tot uitdrukking komt met het verschijnen van de blijvende tanden zijn de krachten die in het hele organisme werkzaam zijn, die alleen met de vorming van tanden een soort afsluiting hebben. En zoals we bij het leren lopen de wil zien die zich innerlijk vormt en hoe bij het leren spreken het gevoel zich vormt, zo zien we bij de tandenwisseling ongeveer rond het zevende jaar dat in het kind nu de min of meer geïndividualiseerde voorstellingen tot ontwikkeling komen die nu niet meer zo als eerder gebonden zijn aan het lichaam als geheel.

Blz. 150

Das erste Herausreißen aus dem Leben findet eben mit dem Zahnwechsel statt, wenn diejenigen Kräfte, die erst unten im Organismus gewirkt haben und die nach dem Erscheinen der zweiten Zähne nicht mehr zu gebrauchen sind, nun als geistig-seelische Kräfte im Kinde auftreten, wenn wir es mit diesen Kräften zu tun haben. Da tritt das Kind in seine zweite Lebensepoche, die mit dem Zahnwechsel beginnt und mit der Geschlechtsreife endet. In dieser Lebensepoche wird sozu­sagen das geistig-seelische Leben frei, wie unter Umständen Wärme, die vorher latent war, frei werden kann. Wir haben vorher das Geistig-Seelische in dem Inneren des Organismus, in dem organischen Gestalten des Organismus zu suchen.

De eerste keer in het leven dat krachten zich op een intense manier losmaken, vindt plaats bij de tandenwisseling, wanneer die krachten die eerst diep in het organisme werkzaam waren, na het verschijnen van de blijvende tanden daar niet meer te gebruiken zijn. Die manifesteren zich nu als krachten van geest en ziel en daarmee krijgen wíj te maken. 
Nu gaat het kind zijn tweede leeftijdsfase in die van de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid loopt. 
In deze leeftijdsfase komt wat geest-zielenleven is, vrij, zoals onder omstandigheden warmte vrij kan komen die daarvoor latent aanwezig was. Eerst huist wat geest en ziel is in het innerlijk van het organisme, we moeten het zoeken in het vormgeven van dit organisme.

Dasjenige, was du vom siebenten bis zum vierzehntenJahre als seelisch-geistiges Leben im Kinde vor dir hast, das warenvorher Kräfte, welche im Organismus unten gewissermaßen latentwaren, verborgen waren, verborgen wirkten. Du mußt dasjenige, was im
Organismus von der Geburt bis zum Zahnwechsel wirkt, später, vomZahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, im Seelisch-Geistigen suchen,dann hast du etwas von dem Verhältnis zwischen Seele und Geist auf der

Wat je in het kind vanaf het zevende tot het veertiende jaar als geest-zielsleven voor je hebt, waren daarvoor krachten die diep latent verborgen waren, verborgen werkzaam waren in het organisme. Wat daar in het organisme vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit werkzaam is, moet je later bij de geest en de ziel zoeken, dan heb je iets in handen van de relatie die er bestaat tussen de ziel en de geest enerzijds 

Blz. 151

einen Seite und dem Körperlich-Leiblichen auf der anderen Seite. Beobachtest du die körperlichen Vorgänge bis zum Zahnwechsel, dann hastdu die Wirkung eines Seelisch-Geistigen; willst du dieses SeelischGeistige an sich beobachten, dann beobachte es vom Zahnwechsel biszur Geschlechtsreife. Also suche nicht so, daß du sagst: Hier ist derKörper, und da drinnen ist die Seele, nun will ich die Wirkung suchen.
Nein, gehe aus dem Räumlichen heraus, gehe in das Zeitliche über, dannwirst du ein reales, ein konkretes Verhältnis zwischen dem GeistSeelischen und dem Physisch-Leiblichen finden können; dann wirst duaber auch fruchtbarere Ideen für das Leben finden können.
Dann wirst du viel lernen – ich kann das jetzt nur prinzipiell andeuten zunächst -, dann wirst du lernen, wie du in einer gewissen Beziehung für diekindliche, physische Gesundheit vor dem Zahnwechsel zu sorgen hast,damit die seelisch-geistige Gesundheit im zweiten Lebensalter, vomZahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, in entsprechender Weise sichoffenbaren kann, so wie die Gesundheit des Magens in der Gesundheitdes Kopfes sich offenbart im zeitlichen Organismus, das heißt imätherischen Leib, im Bildekräfteleib des Menschen. Das ist es, worauf esankommt.

en het lichamelijk-levende anderzijds. Wanneer je naar de lichamelijke processen kijkt tot aan de tandenwisseling, dan zie je de werking van ziel en geest; wil je dit als iets op zichzelf staands bekijken, kijk dan in de tijd vanaf de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid. Zoek niet op een manier dat je zegt: hier is het lichaam en daarin zit de ziel en nu wil ik de werking zoeken. Nee, blijf niet in het ruimtelijke, maar richt je op het tijdsverloop, dan kan je een concrete relatie vinden tussen geest-ziel en lichaam-leven; dan zal je ook vruchtbare ideeën voor het leven kunnen vinden.
Dan kan je veel leren – ik kan het nu alleen maar als principe aangeven – en dan zal je leren hoe je op een bepaalde manier voor de lichamelijke gezondheid van het kind vóór de tandenwisseling moet zorgen zodat de gezondheid van geest en ziel in de tweede zevenjaarsfase vanaf de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid zich op een adequate manier kan manifesteren, zoals de gezondheid van de maag zich uitdrukt in de gezondheid van het hoofd in het ‘organisme van de tijd’, d.w.z. in het etherlijf, in het vormkrachtenlichaam van de mens. Daar komt het op aan.

Und wenn wir nun studieren wollen, wie das zu behandeln ist – wirkommen ja damit in eine wichtigste Lebensepoche des Kindes, in dasschulpflichtige Alter hinein -, was nun zwischen dem Zahnwechsel undder Geschlechtsreife gewissermaßen aus dem Organismus frei wird, sich
in freier Weise geistig-seelisch zeigt, dann müssen wir sagen, daß das zunächst die Bildekräfte sind, freigewordene Bildekräfte, Bildekräfte, dieplastisch und auch musikalisch gewirkt haben in dem Aufbau desmenschlichen Organismus. Wir müssen sie ebenso behandeln. Wir dürfen sie daher zunächst nicht intellektualistisch behandeln. Das ist dasjenige, was nun als eine Grundforderung anthroposophischer Pädagogikauftritt, daß man zunächst dasjenige, was die ersten Bildekräfte waren alsGeistig-Seelisches, auch wiederum nun nicht intellektualistisch, sondernkünstlerisch behandelt.
Darauf beruht es, daß die Waldorfschul-Pädagogik im weitestenUmfange – wenn ich mich des Ausdrucks bedienen darf – pädagogischeKunst ist, daß sie als Kunst ausgebildet wird, als Kunst der wirklichen

En wanneer we nu willen bestuderen wat we dan moeten doen – we zijn in de belangrijkste levensfase van het kind aangekomen, in de basisschoolleeftijd – met wat nu tussen de tandenwisseling en de puberteit vrij wordt van het organisme, zich op een vrije manier iets van geest en ziel vertoont, dan moeten we zeggen dat het in de eerste plaats vormkrachten zijn, vrij geworden vormkrachten, vormkrachten die plastisch en ook muzikaal meegewerkt hebben aan de opbouw van het menselijk organisme. Daar moeten we ook zo mee werken. Vandaar dat we daar niet zomaar intellectualistisch mee mogen werken. Het is simpelweg een basiseis van de antroposofische pedagogiek dat je in de eerste plaats de vormkrachten die eerst werkzaam waren, nu als geest-zielskrachten niet intellectualistisch, maar kunstzinnig behandelt.
Daarop berust dat de vrijeschoolpedagogie in de ruimste zin van het woord – als ik het zo zeggen mag – pedagogische kunst is, dat die als kunst vorm krijgt, als een kunstzinnig omgaan met 

Blz. 152

Kindesbehandlung. Der Lehrer, der Erzieher muß Künstler sein, denn er
muß ja diejenigen Kräfte, die vorher plastisch in der Ausgestaltung des
Organismus gewirkt haben, die muß er jetzt behandeln; sie stellen die
Anforderung, plastisch behandelt zu werden

het kind. De leraar, de opvoeder moet een kunstenaar zijn, want hij moet nu werken met de krachten die eerst plastisch aan de vorming van het organisme werkten; die vragen erom plastisch te worden behandeld. 
GA304/141-152
Niet vertaald

Voordracht 9, Dornach 16 september 1922

Op deze blog vertaald

Ein Vortrag über Pädagogik

Blz. 219

Man sehe auf das Kind hin. Es entwickelt um das siebente Lebensjahr herum seine zweiten Zähne. Diese Entwicklung ist nicht das Werk bloß des Zeitabschnittes um das siebente Jahr herum. Sie ist ein Geschehen, das mit der Embryonalentwicklung beginnt und im zweiten Zahnen nur den Abschluß findet. Es waren immer schon Kräfte in dem kindli­chen Organismus tätig, welche auf einer gewissen Stufe der Entwick­lung die zweiten Zähne zur Entwicklung bringen. Diese Kräfte offen­baren sich in dieser Art in den folgenden Lebensabschnitten nicht mehr. Weitere Zahnbildungen finden nicht statt. Aber die entsprechenden Kräfte haben sich nicht verloren; sie wirken weiter; sie haben sich bloß umgewandelt. Sie haben eine Metamorphose durchgemacht. Es finden sich noch andere Kräfte im kindlichen Organismus, die in ähnlicher Art eine Metamorphose durchmachen.
Betrachtet man in dieser Art den kindlichen Organismus in seiner Entfaltung, so kommt man darauf, daß die Kräfte, um die es sich da

Een voordracht over pedagogie

Kijk eens naar het kind. Rond zijn zevende komen de blijvende tanden tot ontwikkeling. Dat komt niet enkel door de tijd rondom het zevende jaar. Het is een proces dat in de embryonale ontwikkeling begint en dat bij het krijgen van de blijvende tanden alleen maar tot een afsluiting komt. Er waren steeds al krachten werkzaam in het organisme van het kind die in een bepaalde fase in de ontwikkeling de blijvende tanden tevoorschijn brengen. Deze krachten treden in de volgende levensfasen niet meer op deze manier naar buiten. Nieuwe tandenvorming vindt niet meer plaats. Maar de krachten die erbij horen, zijn niet verloren gegaan; die werken verder; ze zijn alleen anders geworden. Ze hebben een metamorfose doorgemaakt. Er bevinden zich in het organisme van het kind nog andere krachten die ook een metamorfose ondergaan.
Wanneer je op deze manier naar de ontplooiing van het kinderlijk wezen kijkt, kom je op de gedachte dat de krachten waarom het gaat

Blz. 220

handelt, vor dem Zahnwechsel in dem physischen Organismus tätig sind. Sie sind untergetaucht in die Ernährungs- und Wachstumsprozesse. Sie leben in ungetrennter Einheit mit dem Körperlichen. Um das sie­bente Lebensjahr herum machen sie sich von dem Körper unabhängig. Sie leben als seelische Kräfte weiter. Wir finden sie in dem älteren Kinde tätig im Fühlen, im Denken.
Die Anthroposophie zeigt, wie dem physischen Organismus des Menschen ein ätherischer eingegliedert ist. Dieser ätherische Organis­mus ist bis zum siebenten Lebensjahre in seiner ganzen Ausdehnung im physischen Organismus tätig. In diesem Lebensabschnitte wird ein Teil des ätherischen Organismus frei von der unmittelbaren Betätigung am physischen Organismus. Er erlangt eine gewisse Selbständigkeit. Mit dieser wird er auch ein selbständiger, von dem physischen Organismus relativ unabhängiger Träger des seelischen Lebens.
Da sich aber das seelische Erleben nur mit Hilfe dieses ätherischen Organismus im Erdendasein entfalten kann, so steckt das Seelische vor dem siebenten Lebensjahre ganz in dem Körperlichen darinnen. Soll in diesem Lebensalter Seelisches wirksam werden, so muß die Wirksamkeit körperlich sich offenbaren.

vóór de tandenwisseling aan het fysieke organisme werkzaam zijn geweest. Ze zijn ondergedoken in de processen van groei- en instandhouding. Die zijn niet zelfstandig, maar vormen een eenheid met het lichaam. Rondom het 7e jaar worden ze onafhankelijk van het lichaam. Ze leven als zielenkrachten verder. We vinden ze in het oudere kind terug in voelen en denken. De antroposofie toont aan hoe het fysieke organisme van de mens in zich een etherische component heeft. Dit etherorganisme is tot rond het 7e jaar als totaliteit in het fysieke actief. In deze leeftijdsfase wordt een deel van het etherische leven vrij van het directe werken aan het fysieke organisme. Het krijgt een zekere zelfstandigheid. Hiermee wordt het een meer op zichzelf staande, van het fysieke lichaam in een bepaald opzicht onafhankelijke drager van het gevoelsleven.
Echter, omdat het zielenleven alleen maar met behulp van het etherwezen zich in het leven kan ontplooien, bevindt zich het gevoelsleven vóór het 7e jaar helemaal in het lichamelijke.
Als het gevoelsleven zich op deze leeftijd wil manifesteren komt dit in het lichamelijke tot uitdrukking.

Das Kind kann nur mit der Außenwelt in ein Verhältnis kommen, wenn dieses Verhältnis einen Reiz darstellt, der körperlich sich ausleben kann. Das ist nur dann der Fall, wenn das Kind nachahmt. Vor dem Zahnwechsel ist das Kind ein rein nachahmendes Wesen im umfassendsten Sinne. Seine Erziehung kann nur darinnen bestehen, daß die Menschen seiner Umgebung ihm das vormachen, was es nachahmen soll.
Der Erzieher soll in sich selbst erleben, wie der menschliche physische Organismus ist, wenn dieser noch seinen ganzen ätherischen Organis­mus in sich hat. Das gibt die Menschenkenntnis des Kindes. Mit dem abstrakten Prinzip allein ist nichts anzufangen. Für die Erziehungspraxis ist notwendig, daß eine anthroposophische Erziehungskunst im einzel­nen entwickelt, wie sich der Mensch als Kind offenbart.
Zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife steckt nun im physischen und im ätherischen Organismus ein seelischer Organismus darinnen – der von der Anthroposophie astralisch genannte – wie bis zum Zähnwechsel der ätherische im physischen.

Het kind kan alleen met de buitenwereld in relatie treden, wanneer deze relatie uit een prikkel bestaat die lichamelijk tot uitdrukking kan komen. Dat is alleen dan het geval, wanneer het kan nabootsen. Vóór de tandenwisseling is het kind louter een nabootsend wezen, in de meest omvattende zin. Zijn opvoeding kan er alleen maar uit bestaan dat zijn omgeving hem voordoet, wat hij moet nadoen.
De opvoeder moet bij zichzelf beleven hoe het menselijk fysieke organisme is, wanneer dat nog een vol etherisch leven in zich draagt. Dat levert de menskunde van het kind op.
Met het abstracte principe valt niets te beginnen. Voor de praktijk van het opvoeden is het nodig, dat een antroposofische opvoedkunst gedetailleerd ontwikkelt, hoe de mens zich als kind uit.
Tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid zit er in het fysieke en het etherische organisme een gevoelsorganisme – dat door de antroposofie astraallijf wordt genoemd – zoals tot de tandenwisseling het etherische in het lichamelijke.
GA 304/219-221
Op deze blog vertaald/219-221

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2375-2226

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/4)

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE

Een deel van deze toespraken- en voordrachtenreeks is vertaald:

Beste ouders, lieve kinderen

GA 298

Voordracht Stuttgart, 1 juni 1924

Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik

Wenn das Kind in die Volksschule hereintritt, steht es im Zahnwechsel. Etwas zu früh werden die Kinder heute in die Schule hereingebracht; das wirkliche Volksschulalter beginnt eigentlich erst mit dem Zahnwechsel, aber darauf kommt es ja weniger an. Wenn das Kind nun in die Schule hereingeschickt wird, dem Lehrer übergeben wird, so muß er einen Teil der Erziehung übernehmen, der aber dadurch seinen besonderen Cha­rakter erhält, daß das ganze Seelenleben des Kindes, die ganze seelische und geistige Verfassung des Kindes auch mit dem Zahnwechsel sich wandelt. Das Kind ist fortan kein nachahmendes Wesen mehr, obwohl sich das Nachahmungsprinzip noch einige Jahre in die Volksschulzeit fortsetzt. Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesen mehr, sondern es ist ein Wesen, das nun gereizt wird, sozusagen angeregt wird durch dasjenige, was ihm im Bilde, ich möchte sagen, in entspre­chender künstlerischer Gestaltung desjenigen, was wir an das Kind heranbringen wollen, entgegenkommt.

Het contact van de leerkracht met de ouders, zoals de vrijeschool dat ziet

(Wanneer er in de tekst een gekleurd woord staat, is dit een woord waarnaar vanuit een ander artikel gelinkt werd.)

Wanneer het kind naar de basisschool gaat [dat is in deze tijd in Duitsland rond het 7e jaar] is het bezig zijn tanden te wisselen. De kinderen worden nu iets te vroeg naar school gebracht [er bestaan kleuterscholen]; de reële basisschoolleeftijd begint eigenlijk pas met de tandenwisseling, maar daarop komt het nu minder aan. Wanneer het kind nu naar school gebracht wordt, wordt het aan de leerkracht overgedragen en die moet dus een deel van de opvoeding op zich nemen, maar dat is een tijd met een bijzonder karakter, want heel het gevoelsleven van het kind, alles wat met de ziel en de geest van het kind heeft te maken, verandert met de tandenwisseling. Voortaan is het kind niet meer het nabootsende wezen, hoewel het principe van de nabootsing nog een paar jaar op de basisschool doorgaat. Maar in principe is het kind geen nabootser meer, maar een wezen dat nu gestimuleerd wordt, aangezet a.h.w. door hem beeldend, in een kunstzinnige vorm die innerlijk bij hem past, les te geven.
GA 298/211
Niet vertaald
.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2363-2215

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/11)

.

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over elementairwezens gaat, is het niet makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. Onze voorstellingen zijn meestal danig gekleurd door wat wij zelf ooit over hen vernamen.
Maar misschien gaan ze vanuit dit bezig-zijn hun eigen taal spreken; brengen ze je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een reus betekent dit, een dwerg betekent dat.

ELEMENTAIRWEZENS IN MENSELIJKE GESTALTE

Dwerg

In de op een mens lijkende gedaante komen in de sprookjesbeelden de dwergen voor. Zij zijn de imaginaties van dat elementaire geestelijke deel dat als aarde-verstand, als intelligentie van het aardse werkzaam is. Hun grote verstand vindt uitdrukking in hun grote hoofd, hun leeftijd in baard en gezicht.
Hun muts die ze meestal dragen wil zeggen dat zij zich naar boven afsluiten en dat dit verstand naar onder, op het aardse gericht blijft. Als elementairwezens houden ze zich op in het gesteente en in de metalen van de aarde, maar ook in het wortelstelsel van de plant die met de aarde in de stofwisseling verbonden is. Omdat de mens met zijn lichaam deel heeft aan de aardenatuur, komen de dwergen ook met de mens in aanraking.

Elf

De elfen zijn imaginaties van de in de plantenwereld werkende elementaire krachten.

Fee

De feeën daarentegen duiden meer op het luchtelement, zijn beelden van kosmische krachten.

Nix

Watergeest, waternimf zie: undine.

Reus

Reuzen zijn het beeld voor ongeremde, onbeheerste natuurkracht, die zich machtig, maar zinloos uiten. Daarom worden ze als groot en dom afgeschilderd. De ongetemde krachten van de lichaamsnatuur van de mens kunnen als reuzen ervaren worden. De ‘wilde man’ was honderden jaren het symbool van deze kant van de mens.

Undine (vrouwelijke watergeest)

Innerlijke, waar-droomachtige ervaring van de waterwereld, elementair wezen van het water.

Waterman/vrouw

Zie undine

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2358-2211

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel

.

DOORVERWIJZING:

(via de link onder:)

vrijeschool in beeld            

Over posters, affiches, foto’s

De vijf- en zesster

Kerstspel: alle artikelen

.

2355-2208

.

.

.

VRIJESCHOOL – Lopen, spreken, denken (2)

.

In de ‘Algemene menskunde’, GA 293, vertaald, spreekt Rudolf Steiner – zij het summier – over de 3 ontwikkelingsfasen:

Van 0 -7; van 7 -14; en van 14 – 21 jaar.

De opmerkingen die hij in andere, m.n. de pedagogische voordrachten – GA 293 – 311 over deze ontwikkelingsfasen maakt, zijn wat betreft de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar op deze blog weergegeven: Algemene menskunde [9-1-1-1/volgnr]

Om het overzicht te bewaren heb ik ze in 3 rubrieken onderverdeeld:

Rudolf Steiner over spel
Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken vanaf [9-1-1-2/volgnr
Rudolf Steiner over de ontwikkeling van het kind in deze tijd, met o.a. de nabootsing
.vanaf
[9-1-1-1/volgnr]

Over al deze facetten is in de afgelopen 100 jaar veel geschreven. Ook daarvan zijn voorbeelden op deze blog te vinden.  [Menskunde en pedagogie]

Alain Denjean, Erziehungskunst september 2013

.

metamorfosen van lopen, spreken en denken

Voor de mens in de loop van zijn derde levensjaar zichzelf  ‘Ik’ gaat noemen, heeft hij met veel krachtsinspanning intuïtief drie vermogens tot ontwikkeling gebracht die voor het hele verdere leven van betekenis zijn. Het zijn lopen, spreken en denken.

Een driejarig kind dat pas begint te denken, kan je geen passage voorleggen uit de filosofie van Hegel – dat moge duidelijk zijn. 
Maar vanaf wanneer kan je bij het kleine kind met verklaringen over de wereld aankomen en hoe doe je dat? 
Klaarblijkelijk ontwikkelt het denken zich trapsgewijs. En dat is ook zo met het praten en zelfs met het lopen. 
We ervaren ons leven als een doorlopende lijn van dagen, weken en maanden. Maar uit de chronobiologie weten we dat met name alles wat ritmisch is, voor het leven bepalend is. 
De metamorfosen en de fasen van lopen, spreken en denken begrijp je het best, wanneer je ze cyclisch denkt.

De antropologie laat zien dat de hoofdcyclus voor de ontwikkeling van het lopen de eerste zeven jaar is. Leren lopen is voornamelijk een uiteenzetting met de zwaartekracht en een zaak van het fysieke lichaam zolang de vormkrachten in het lichaam bezig zijn de botten, de spieren en delen van het brein te modelleren. 
De belangrijkste fase voor het leren spreken is de fase van de tweede zeven jaar, de tijd waarin de vormkrachten voor een deel niet meer aan het lichaam hoeven te werken en nu beschikbaar zijn voor gevoelsactiviteit. De omgevormde krachten die nu aan de ziel ter beschikking staan, worden op school aangesproken.
Nu is er geen sprake meer van nabootsing maar van autoriteit die met het gesprek, dus met het spreken en het luisteren samenhangt en die in deze leeftijdsfase de basiskracht is van de opvoeding. In deze tijd bloeit het spreken op dat al in de eerste fase is ontstaan. 
En wanneer de vrije oordeelskracht van de volwassen wordende kinderen beoefend  en ontwikkeld wordt, ontplooit het denken zich.

Hoewel het denken ook al eerder gebruikt wordt, komt het pas in de derde zevenjaarsfase tot ontplooiing en bereikt daarin het eigenlijke vermogen zich uit te drukken.
Maar iedere cyclus – dat is de menskundige ontdekking van Rudolf Steiner – bestaat uit drie kleinere fasen waarin de twee andere vermogens groeien.

Tot aan school

Zo gauw het kind is gaan staan, heeft het de eerste zeven jaar tot zijn beschikking om het lopen, het vrije bewegen en de motoriek te ontwikkelen. Gelijktijdig lopen andere processen daar parallel aan die daarmee direct zijn verbonden. Het kind dat kan staan en zich vrijer bewegen kan nu, anders dan daarvoor, de gebaren, bewegingen, houdingen van zijn omgeving innerlijk nadoen. Door het innerlijk nabootsen van de stemming, van een menselijke stem worden de klinkers, uit de nabootsing van de gebaren, die a.h.w. gestold zijn in voorwerpen, worden de medeklinkers gevormd: het spreken volgt het leren lopen. Daar komt het eerste denken snel bij.

In het tweede derde deel van de eerste zeven jaar differentieert het vermogen tot spreken zich, maar blijft op deze leeftijd nog in een proces. De klanken, de articulatie, de gebarenkracht van de woorden, dus het beeldende van de taal staan op de voorgrond. Spreken is in hoge mate een spieractiviteit die zich steeds meer concentreert naar het strottenhoofd. Neemt het kind de processen die zich rondom hem afspelen niet waar, dan verarmt zijn spreken. Wanneer de moderne technische en mediawereld op deze leeftijd een te grote rol speelt, dan verkommert het proces van spraakvorming en dan ontstaat de eerste taalachterstand en daarmee ook een achterblijven van het gevoelsleven dat dan weer door taalachterstandsprogramma’s (met subsidie) verbeterd moet worden.
Taal en spreken worden gevormd door wat de ouders spreken (niet de sprookjes-CD’s) bij taalspelletjes, kleine versjes, liedjes, vingerspelletjes, poppenkast en spelletjes waarbij je moet praten.

In de volgende fase, tot aan het eind van het zevende jaar verfijnt het kind zijn motorische vaardigheden en leert de taal innerlijk en uiterlijk navormend verder. Het denken speelt een bepaalde rol wanneer er bij het spelen duidelijke voorstellingen ontstaan. 
Het oudere kind in de kleuterklas speelt anders dan het vierjarige. Het jongere kind komt zonder vaste bedoelingen naar de kleuterklas en vindt in de dingen om hem heen stimulansen om te spelen. Een rechthoekige tak wordt een hamer en het kind speelt nu een ‘beroep’. Het oudere kind komt ’s morgens in de klas met het doel vandaag eens ‘treintje met een station’ te spelen en zoekt de dingen op die het daarvoor nodig heeft. Vaak speelt het terwijl het praat met zichzelf, in fantasiebeelden die steeds sterkere voorstellingen worden. Ook deze gevoelige fase van het beginnende denken kan door een vervroegde verstandsopvoeding grover worden, wat verveling tot gevolg kan hebben of het wegebben van de fantasiekrachten. 
Door het spelen werkt de motorische activiteit daarvan door tot in de hersenen.

De schooltijd: lagere en hogere klassen

De tijd van de tweede zeven jaar is de fase waarin de spraak echt tot ontplooiing komt. Op school wordt het schrijven en lezen aangeleerd – bijna al het leren gaat met taal gepaard.
In het eerste derde deel van deze tijd waarin de daadkrachtige wil nog de boventoon voert, kan de leerkracht voor de taalontwikkeling bij deze motoriek en de nabootsing aanknopen.
Eerst wordt het schrijven (motorisch) geleerd en dan pas het lezen (cognitief). Bij de niet-Nederlandse talen gaat alles eerst nog mondeling, met veel lopen, springen, klappen, dansen. Aan de andere kant wordt sport als gymnastiek met veel spel gegeven: de aard van de spelletjes knoopt aan bij de vertelstof van het hoofdonderwijs en nu worden de leerlingen die misschien nog onzeker zijn in het lichaam, via de taal bij de motoriek gebracht. Vandaag de dag is het voor veel stadskinderen bijna therapie wanneer hun motoriek door de taal verfijnd wordt. De euritmie doet de kinderen bewegen door klanken en hun beeldkarakter: ‘W’ van wind, ‘G’ van de gans en ‘S’ van de slang. Het plezier bij het bewegen wordt innerlijk beleefd en verrijkt op deze manier het gevoelsleven. Rudolf Steiner wijst erop dat in de loop van de tweede zevenjaarsfase het spreken van de kinderen zich metamorfoseert van een natuurlijk, organisch lichamelijk proces tot een gevoelsproces. 
In de vierde klas is de beweging van de lippen bij het spreken nog een natuurlijke, organische activiteit. 
Bij een achtsteklasser daarentegen doet het gevoel mee en de wil. 
Een aantal taal- en neurowetenschappers hebben het er daarom over dat de kinderen hun moedertaal voor de tweede keer leren, deze keer als een taal uit een ander land.

In het tweede derde deel van de tweede zevenjaarsfase begint het spreken zich te ontwikkelen tussen de motoriek en het denken. De kunstzinnige omgang met het gebied van de spraak neemt een tussenruimte in tussen de motoriek die innerlijker wordt en wat er aan gedachteleven ontstaat. De grammatica is als vormleer overwegend taal, maar in de syntax – de leer van de zinsbouw – komt tot uitdrukking wat er in het spreken aan levende gedachten leeft. Ga je te snel naar de intellectuele vormleer van de taal, dan haken sommige kinderen af die voor de grote verandering van de tweede zevenjaarsfase lang het kunstzinnig bezigzijn met taal en spreken nodig hebben. Dat je ook het gewone leven met je gedachten doordringen moet, is vanzelfsprekend, maar dergelijke gedachten werken in vergelijking met poëzie bij het opgroeiende kind niet gevoelsvormend. Juist school heeft de opdracht deze kunstzinnige tussenruimte tussen het concrete en abstracte te verzorgen. 

Het aspect van het denken komt in het laatste derde deel van de tweede zevenjaarsfase aan bod. Een aantal ouders haalt nu opgelucht adem. Natuurwetenschappelijke vakken als natuur- en scheikunde komen erbij. Het kind is in zijn gevoelsleven nu meegaand genoeg om met het cognitieve om te gaan. Het denken leidt eerst tot een teruggang van de taal die op zich steeds overvloedig aanwezig is (zie de sprookjestaal van de gebroeders Grimm). 
Ook het enkel na elkaar opsommen wordt langzamerhand weer vervangen door complexere samenhangen. Het kind zegt niet meer: ‘De reiziger heeft dit of dat gedaan, toen dat en dat…’, maar ‘Nadat de reiziger dit gedaan had, ging hij…’Het element van het denken van de derde zevenjaarsfase kondigt zich hier al aan in de tijdruimte van de volheid van de taal.
De woorden en klanken worden steeds meer ‘tekens voor iets’ en verliezen hun beeldkarakter. Dat zie je in de 6e klas bij algebra, wanneer de letters a, x, y…puur wiskundige tekens worden. Nu zijn afkortingen op z’n plaats: A.L. kan in de context van Abraham Lincoln gebruikt worden, terwijl je bij een achtjarige Gelukkige Hans nooit zou afkorten tot G.H. De uitdaging van deze tijd is de kinderen die nu opgroeien niet tot hersenmachines te maken, maar tot mensen die de volheid en diepte van de gevoelswereld onderzoeken. Hoogbegaafde kinderen verliezen door hun op zich waardevolle aanleg vaak deze gevoelsdiepten. Op deze leeftijd ligt het gevaar op de loer van stompzinnigheid bij de jongens en bij de meisjes de kletszucht. Aan de ene kant blijft taal steken vóór het stompzinnige, in het andere geval komt die niet meer aan bod.

De tijd van de bovenbouw en de jeugdige leeftijd

In de derde zevenjaarsfase komen er bij de jeugdige mens nog allerlei activiteiten bij die verder reiken dan de schooltijd en waarbij lopen, spreken en denken zich nog verder ontwikkelen.

Wanneer je te maken krijgt met verdovende middelen, kan je ervaren hoe een tweede verinnerlijking van het lopen gaat. Waar leiden je voeten je heen, wat grijpen je handen. Terwijl het lopen in de tweede zevenjaarsfase verder ging in een eerste verinnerlijking van het gevoelsleven van de taal, wordt nu in het gaan een morele kwaliteit zichtbaar. Hoe worden de ‘stappen’ van de jeugdige: automatisch, aangepast, rebels? Leiden ze naar onderzoek, naar kunstzinnig werk, naar zelfgenot? De school kan de mogelijkheid van een nieuwe verinnerlijking benutten door de jonge mensen te leren een boog te spannen tussen realiteit en ideaal en stappen te ontwikkelen die je dan een methode noemt om het gewenste doel te bereiken.

De taal ontwikkelt zich verder in het bewustzijn en in het gevoel van de jonge mens als die leert wetmatigheden op te zoeken en deze toe te passen. Poëtica is niet de rest van een ouderwets vormingsideaal, maar een veld van zelfervaring en zelfverdieping d.m.v. taal die aanzienlijk bijdraagt aan de vorming van de eigen identiteit. Literatuur is een reis naar het ervaren van het eigen zelf en de wereld door het kunstzinnige van de taal. Bij al deze activiteiten wordt de steeds aanwezige denkactiviteit dieper en ruimer. Die komt losser van het subjectieve denken van de puber die alleen maar zijn eigen standpunt kan zien en gaat langzamerhand over naar het filosofische en natuurwetenschappelijke objectieve denken dat van het individu een wereldburger maakt.
Op de vrijeschool biedt het einde van de schooltijd de mogelijkheid om op een goetheanistische manier de natuur opnieuw te beschouwen – maar nu op het niveau van het denken, niet meer die van het gevoel – het objectieve met het subjectieve te verbinden. [1]

Drie stammen, één boom

Met de volwassenheid, tegen het 18e, 19e, 20e levensjaar zijn de drie zaden van het lopen, spreken en denken drie in elkaar gestrengelde stammen van één boom geworden waarbij het zich uitstrekkende bladerdak een gezond leven naar lichaam, ziel en geest mogelijk maakt. 
Een verdere fase van ontwikkeling van deze zielenboom kan je vermoeden in de puur geestelijke fenomenen van de intuïtie, inspiratie en imaginatie.

.

[1] Dat gebeurde in de laatste klas, de 12e. Gebeurde, want sinds deze klas voor het grootste deel examenklas is, is het afhankelijk van de school of deze visie nog wordt meegegeven.

.

Lopen, spreken, denken (1)

Rudolf Steiner over: lopen, spreken, denken

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2340-2196

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël, drieledigheid en sociale driegeleding

.
In het volgende artikel wordt de gedachte van de driegeleding benaderd vanuit een antroposofisch perspectief.

H.P. van Manen, mededelingenblad Antroposofische Vereniging, 29 sept. 1973
.

Michael als genius van de drieledigheid

Het drieledige beeld van de mens is een van de belangrijkste ontdekkingen van Rudolf Steiner. Het is het kernstuk van zijn geesteswetenschap in die zin, dat het op de allerdirectste wijze beantwoordt aan de naam Anthropo-Sophia: het bewuste inzicht in het ware wezen van de mens.

Deze ontdekking van 1916 komt – het is overbekend – kort geformuleerd op het volgende neer. De op aarde levende mens heeft een drievoudige ontplooiïngswijze van de ziel in denken, voelen, willen; deze is weer verankerd in de drie elkaar tot een eenheid doordringende, onderling echter zeer verschillend geaarde orgaanstelsels van het fysieke lichaam:

het zenuw-zintuigstelsel met het hoofd als centrum,
het ritmische systeem – ademhaling en bloedsomloop – dat in de romp zijn voornaamste organen heeft,
en de ledematen-stofwisselingsmens die, meer centrifugaal, vooral in onderlichaam en benen, armen en handen verschijnt.

Wie als leraar, arts of heilpedagoog dagelijks met dit mensbeeld probeert te werken, vindt het zoiets natuurlijks en vanzelfsprekends, dat hij makkelijk twee dingen vergeet. Ten eerste het feit, dat de huidige cultuur het nog allerminst heeft opgenomen. En in de tweede plaats hebben wij vaak slechts een vaag besef van de herkomst en de wordingsgeschiedenis. Waar komt dit ware beeld van de mens vandaan? De hier volgende beschouwing is een poging tot beantwoording van deze vraag.

Het ware beeld van de mens.. . Het eerste oplichten van deze oer-imaginatie in de kosmos wordt aangeduid door het scheppingswoord in Genesis: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld’. Dit is het woord dat klonk in de hiërarchie der elohim en dat vanuit hun zonnemiddelpunt de andere hiërarchieën in beweging zette. ‘Ons beeld’ is natuurlijk te zien als het beeld van de allerhoogste godheid, dat wil dus zeggen van de goddelijke drieëenheid.

Dit scheppingsoerbeeld is sindsdien in zeer hoge regionen van de geestelijke wereld bewaard gebleven. Iedere mensenindividualiteit ontmoet het, bewust of onbewust, in de ‘wereldmiddernacht’, dat is het hoogste punt van onze ontwikkeling na de dood.[1] Dan laten de goddelijke machten ons als het ware terug- en omlaagzien naar de aarde. Dan schouwen wij daar echter niet de aarde maar het scheppingsideaal van de goden; het beeld van de mens. Dit is de schoonste en meest verheven belevenis in ons leven tussen dood en nieuwe geboorte. Het vervult ons met de wil om terug te keren naar de aarde om daar te kunnen meewerken aan de verwerkelijking van dit godenideaal.

In dit verband begrijpen wij dan ook het trefzekere woord van Novalis; Der Mensch ist die Religion der Götter. Immers, zoals in de tempels der mensen de goden en hun beelden doel en middelpunt waren, zo is in de werkzaamheid der goden de mens het centrale doel.

Nu zijn er in de godsdiensten der mensen altijd priesters geweest, die het godenbeeld verzorgden en voorgingen in de cultus. Zo is er ook onder de hiërarchische wezens een, die te zien is als de voorganger in deze religie der goden’, namelijk Michael. Het is bekend dat deze naam een vraag is in het Hebreeuws: Wie is als God? – Quis ut Deus? zoals het Latijnse bijschrift bij sommige middeleeuwse afbeeldingen van de aartsengel luidt. Men kan deze vraag die van Michaels wezen uitgaat ook zo formuleren: Waar in de kosmos leeft en kiemt een wezen, dat het beeld van de Triniteit weerspiegelt?

Wat deze naamvraag uitdrukt is het palstaan voor het onvolmaakte, vooreerst nog duistere deel van de kosmos, waarin deze kiem leeft, namelijk de aarde en de mensheid. Men leze in dit verband in de Prolog im Himmel van Goethe’s Faust de woorden die Michael in de lofzang der aartsengelen spreekt. Tussen de stormachtige vernietigende ontwikkelingen op de aardeplaneet vindt teer maar onweerstaanbaar een nieuwe fase van het scheppingsproces plaats. Dat hiermee de rijping van de mens wordt bedoeld, blijkt uit de verdere inhoud van de Prolog en uit het hele verdere Faustdrama. – Rudolf Steiner beschrijft in de brief ‘Michaels Erfahrungen und Erlebnisse während der Erfüllung seiner kosmischen Mission’ zeer precies deze functie. In de alleroudste tijden is het hele kosmische gebeuren nog uitsluitend een in elkaar spelen van goden en goddelijke daden. Nur in einer Ecke im Felde dieses Götterhandelns ist etwas wie die Menschheit bemerkbar. Sie ist ein Teil in dem Götterhandeln. – Die geistige Wesenheit aber, die von Anfang an ihren Bliek auf die Menschheit gelenkt hat, ist Michael. Er gliedert gewissermassen das göttliche Handeln so, dass in einer kosmischen Ecke die Menschheit bestehen kann.’

Er was natuurlijk nog een ander, nog hoger wezen, dat ook zijn blik en zijn hele werkzaamheid op de mens gericht heeft, – de Christus. Men kan dan ook zeggen, dat Michael steeds in dienst van de Christus heeft gestaan. Nu vindt in deze op de mens gerichte en door Michael geleide religie der goden een eenmalig offer plaats. De Christus verlaat de sfeer van de zon, vanwaaruit ook Michael werkt, en daalt af naar de aarde om het ware beeld van de mens te redden en te verwezenlijken. Dit tekent zich al af in de jeugd van het kind Jezus. Wij vinden het zelfs in zijn drieledigheid aangeduid, heel teer maar heel treffend, in het Lucasevangelie (2 : 40): ‘Het kind nam toe aan kracht en aan wijsheid en de genade van de allerhoogste was met hem’. Men kan zonder moeite herkennen: de kracht duidt op wat in de wil leeft, de wijsheid leeft in het hoofd. Maar hoe moeten wij in concreto de genade van de allerhoogste zien in dit groeiproces? Kennelijk zo, dat het ritmische systeem van het opgroeiende kind helemaal was ingebed in de beschermende, levenschenkende stroom van het Christuswezen, het geestelijke hart van de kosmos. Dit was ‘met hem’, het was nog niet volledig in hem. Pas met de doop in de Jordaan is deze kracht helemaal in hem ingedaald. Zo zien wij het afgebeeld in Rudolf Steiners
‘Menschheitsreprasentant’, die zoals bekend de Christus uitbeeldt zoals Hij in het heilige land gestalte had aangenomen. De stroom van genade is zichtbaar in het gewaad. ‘Das Gewand sollte stromende Liebe sein’, zei Rudolf Steiner zelf. [2]
Tussen het diepernstige gelaat en het ordenende, scheppende gebaar zien we deze stroom het sterkst om de romp en het hart. – Zo werd het hoge ideaal der goden op aarde verwezenlijkt. Het zou nog lang duren voordat in de mensheid een bewustzijn van dit feit zou ontstaan. Het inzicht dat in Christus het oerbeeld van de mens hersteld en gerealiseerd was, leefde al bij Paulus. Het ontstaan echter van een bewust inzicht in de drieledige natuur van dit oerbeeld was een aparte ontwikkeling, die ook weer in fasen van de geestelijke wereld naar de mensheid toe verliep.

In verschillende voordrachtscycli wijst Rudolf Steiner erop, hoe pas 300 jaar na het Mysterie van Golgotha die mensenzielen, die op aarde met Christus verbonden waren geweest, in het leven na de dood tot een werkelijk bewustzijn kwamen van wat zich in Palestina had afgespeeld. [3] Zo konden de tot bewustzijn gerijpte zielen der apostelen de in de 4e eeuw op aarde levende kerkvaders inspireren. Wel was het zo, dat het begripsvermogen van de toenmalige leiders der christenheid nog maar gebrekkig in staat was deze inspiraties op een adequate manier op te vangen. Zo ontstonden verscheurende theologische disputen, die dan door concilies beslist moesten worden. Men denkt dan in de eerste plaats aan het allereerste concilie, dat in 325 door de toen zelf nog heidense keizer Constantijn de Grote in Nicea belegd werd. Hier was de inzet het geschil tussen de twee Alexandrijnse theologen, Arius en Athanasius, over de drieëenheid. Het was Athanasius, die de formule had gebracht van de goddelijke drieëenheid: de ene ondeelbare godheid, die zich in drie gedaanten openbaart als Vader, als Zoon en als Heilige Geest.
Arius maakte daarentegen een duidelijk onderscheid, in wezen en naar niveau, tussen Vader, Zoon en Geest.
Rudolf Steiner heeft er meer dan eens op gewezen, hoe de meer nuancerende visie van Arius de geestelijke werkelijkheid concreter en levender weergaf dan de abstracte formule van Athanasius, die tot kerkelijk dogma werd verheven. Arius, wiens leer dus ketters werd verklaard, heeft dan ook alle recht op onze sympathie. En toch moet erkend worden, dat het hooggegrepen triniteitsdogma van Athanasius op een zeer belangrijke inspiratie berustte. Het werd niet ten onrechte het kernleerstuk van de middeleeuwse katholieke theologie. (- Dat het allengs tot een dode letter is geworden heeft twee redenen. De eerste is, dat de christelijke dogmatiek zich te streng en te lang heeft gehouden aan het tweede mozaïsche gebod: Gij zult geen beelden maken! Wat beeldend denken was, kwam al gauw in de reuk van ketterij te staan. Nu in de 20e eeuw een honger naar beelden is opgestoken, staan de kerken met lege handen.
De tweede reden hangt samen met het door Rudolf Steiner in zijn wereldhistorisch belang ontdekte concilie van 869 in Constantinopel. Hier werd de mogelijkheid om het mensenwezen in drieën geleed te zien afgesneden. Daarmee verviel een mogelijkheid om de mens te zien als onderdeel en evenbeeld van een drievoudig geordende kosmos. Het ligt echter buiten het kader van deze beschouwing om het verband te bespreken tussen enerzijds de driedeling geest-ziel-lichaam en anderzijds de drieledigheid van de lichamelijke mens.)

Waar kwam de inspiratie van de drieëenheidsgedachte vandaan? Een indirect antwoord op deze vraag vinden wij mijns inziens in de voordrachtscyclus van 1909 ’Der Oriënt im Lichte des Okzidents’. In de laatste voordracht daarvan wordt gewezen op een ontwikkeling die ook in de 4e eeuw en in de geestelijke wereld plaats vond, nu echter niet zozeer in de kring der apostelen als wel in de kring van de grote ingewijden.
Er vond een soort intiem concilie plaats. Drie zeer hoge ingewijden, Boeddha, [4] Zarathoestra en Skythianos, kwamen bijeen en werden onderwezen door een vierde, die dus in deze constellatie een hoogste positie innam. Deze vierde was Manes, de stichter van het manicheïsme, die in 276 in Babylonië de marteldood was gestorven. Zijn leer is te zien als een zeer koene en grootse poging om het christendom te verbinden met de geestelijke rijkdommen van het heidendom. Verder is in dit verband belangrijk een nog ouder gegeven uit het werk van Rudolf Steiner, dat namelijk Manes in de toekomst, dat wil zeggen in de middeleeuwen, de leider van de graalmysteriën zou worden. De inhoud van deze bovenzinnelijke leer was volgens Rudolf Steiner datgene wat later als rozenkruizerwijsheid op aarde zou verschijnen. Dit is een mededeling die veel vragen oproept.
In de eerste plaats de vraag: wat wordt hier met rozenkruizerwijsheid bedoeld? Het merkwaardige is, dat op deze vraag een vrij eenvoudig antwoord te geven is. Wanneer men bestudeert wat naderhand over het rozenkruizerdom bekend is geworden uit de 17e eeuwse geschriften van Johan Valentin Andreae en anderen, aangevuld met de desbetreffende beschrijvingen van Rudolf Steiner, kan men tot de volgende samenvattende conclusie komen. Het was en is het streven van Christian Rosenkreuz en de zijnen om in alle rijken der schepping het beeld van de goddelijke drieëenheid te herkennen en tot zijn recht te doen komen, in de kosmos, in de natuur en in de mens. Men neme de tria principia der alchemie: zout, kwikzilver en zwavel. Of de drievoudige Latijnse rozenkruizerspreuk, waarin de hele wijsheid van deze stroming als in drie graankorrels is samengevat. [5]

Van hieruit terugredenerend kan men tot een zeer helder vermoeden komen van wat toen, in de 4e eeuw, in de geestelijke wereld gebeurd moet zijn. Toen, drie eeuwen na het mysterie van Golgotha, openbaarde zich aan de verst ontwikkelde mensenzielen, de hoge ingewijden en de apostelen, het drievoudige beeld van de hoogste godheid, dat, zoals wij zagen, tegelijk het oerbeeld is van de mens.

Een in dit verband moeilijker te beantwoorden vraag is, welke plaats in dit alles de toekomstige leider van het rozenkruizerdom innam, de individualiteit van Johannes-Lazarus, ‘de leerling dien Jezus liefhad’.[6] Het valt op dat Rudolf Steiner hem niet noemt in verband met het bovenaardse beraad van Zarathoestra, Boeddha en Skythianos onder leiding van Manes. Mijn persoonlijke vermoeden is, dat de ziel van de leerling, die aan het hart van Jezus lag bij het avondmaal, nu als een schaal datgene opving wat in het samenzijn der vier hoge ingewijden ontstond. Uit drie geestelijke wereldrichtingen brachten drie grote individualiteiten, die door de duizenden jaren langs verschillende wegen grote delen van de mensheid hadden geleid, hun wijsheid bijeen, die door de grote samenvatter Manes tot een eenheid werd samengevoegd. Zodanig, dat deze wijsheid een stralend kleed van het drievoudige beeld van de hoogste godheid kon zijn. Nam de Johannesziel deze inhoud op zoals hij bij het avondmaal de afscheidswoorden van Christus in zijn hart had opgenomen?

Van de 15e tot de 19e eeuw werkte op aarde, in Europa, het rozenkruizerdom in zijn oorspronkelijke vorm. De rozenkruizers werkten niet voor het front van de cultuur en toch ook niet in afzondering en eenzaamheid, maar op een totaal onopvallende manier in de wereld levend. Voor deze stroming bijna geheel terugtrad – om nog wel vanuit en via de geestelijke wereld te werken -, werd in de 18e eeuw nog een poging ondernomen door de Graaf van Saint-Germain om begrip te winnen in vorstelijke en adellijke kringen voor noodzakelijke veranderingen in de samenleving. Aan een kleine elite werd gegeven wat in wezen al de leer van de sociale drieledigheid was. De drie meditatiewoorden Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, die eerst niet au sérieux genomen en later als slogan misbruikt werden, zijn de geconcentreerde samenvatting van deze leer. Weer herkennen wij het rozenkruizer-streven: ook in de menselijke samenleving moet het beeld van de drieëenheid leven.
En Michael? In dezelfde tijd, dat Christian Rosenkreuz en de zijnen op aarde hun pionierswerk verrichtten, bereidde Michael in de geestelijke wereld de toekomst voor. Alle met hem verbonden wezens, zoals vele mensenzielen die zich in het leven tussen dood en nieuwe geboorte bevonden, vele hiërarchische wezens en ook groepen natuurgeesten, verzamelde hij om zich heen in de ‘Michaelsschool’, die in de karmavoordrachten van 1924 beschreven is. Het hoogtepunt daarvan was de kosmische cultus aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw, een gebeuren dat zich in grootse ‘glorieuze’ imaginaties voltrok.

Over de inhoud van deze kosmische imaginaties heeft Rudolf Steiner weinig gezegd. Maar dat weinige wijst een duidelijke richting. In deze grootse beelden werd de toekomst onthuld. En een directe weerspiegeling in miniatuur bezitten wij in het toen, eind 18e eeuw ontstane sprookje van Goethe.

In dit sprookje is alles imaginatief. Dat wil zeggen, het is een bewegelijk spel, waarin op speelse en tegelijk streng wetmatige wijze beelden tot gebeurtenissen worden, die weer afgelost worden door nieuwe taferelen, om tenslotte geheel veranderd weer terug te keren. Twee van deze imaginatieve taferelen, die onderling sterk samenhangen en een centrale plaats in de vertelling innemen, zijn de beide tempelscènes. In de eerste tempelscène verschijnt de door de opgegeten goudstukken lichtgevend geworden groene slang in de onderaardse rotonde waar drie beeldzuilen zijn, een gouden koning, een zilveren koning en een koning uit erts, alle drie in zittende houding. Dan staat er nog een vierde, gemengde koning, die niet harmonisch aandoet maar wel duidelijk de heersende is. Het gesprek tussen de koningen en de slang en de later binnentredende man met de lamp gaat, zoals het hele sprookje, om drie geheimen waar nog een nieuwe vierde wijsheid bij moet komen.

Nu kan men, met een zeker recht, de vraag stellen wat zo’n beeld betekent. Zo’n vraag is ook te beantwoorden. Maar de kunst is om met het antwoord niet het leven van het beeld te doden. Dat vermijdt men enigszins, als men in gedachten houdt, dat een echte imaginatie nooit alleen maar één betekenis heeft maar een sleutel is die op verschillende situaties past. Zo ook met deze drie koningen en de vierde. Men kan er zonder moeite de drie soevereine gebieden in herkennen, geestesleven, rechtsleven en economie, waarin de menselijke samenleving zichzelf bewust zou moeten ordenen; een ordening die nog wordt tegengehouden door de onharmonische, zwaarlijvige mengvorm van de eenheidsstaat. – Dit is een zeer overtuigende samenhang met de werkelijkheid, een waaraan Goethe zelf vermoedelijk niet gedacht heeft. Men kan er echter met evenveel recht de drie zielekrachten in herkennen, zoals zij zich in het inwijdingsproces van elkaar emanciperen om dan door het ontwaakte Ik tot een nieuwe eenheid in de drieheid te worden gecoördineerd. Deze ontwikkeling van denken, voelen en willen is vooral in de tweede tempelscène duidelijk zichtbaar. Door een reeks van gebeurtenissen en vooral door het offer van de groene slang is de onderaardse tempel omhooggekomen in het heldere daglicht. De drie koningen verrijzen van hun zetels, waarbij de man met de lamp hun namen roept: ’. . . die Weisheit, der Schein und die Gewalt’ (wijsheid, schoonheid en kracht). De vierde koning zinkt tot een vormeloze klomp ineen. Dan wordt de jongeling, die uit zijn bijna dodelijke slaap al wel tot leven maar nog niet tot bewustzijn gekomen is, door de man met de lamp langs de koningen geleid. Van de ertsen koning ontvangt hij het zwaard waarmee hij zich omgordt. ‘Das Schwert an der Linken, die Rechte frei! rief der gewaltige König. Sie gingen darauf zum silbernen, der sein Szepter gegen den Jüngling neigte. Dieser ergriff es mit der linken Hand, und der König sagte mit gefalliger Stimme: Weide die Schafe! Als sie zum goldenen König kamen, drückte er mit vaterlich segnender Geharde dem Jüngling den Eichenkranz aufs Haupt und sprach: Erkenne das Höchste!’

Men ziet hoe hier de drieledigheid doorheenschemert, niet alleen van de drie ziele-functies maar ook van de menselijke gestalte. Dat wordt nog duidelijker in de aansluitende woorden, die het hier beschrevene als het ware bevestigen:

‘Der Alte (d.i. de man met de lamp) hatte wahrend dieses Umgangs den Jüngling genau bemerkt. Nach umgürtetem Schwert hob sich seine Brust, seine Arme regten sich, und seine Füsse traten fester auf; indem er das Szepter in die Hand nahm, schien sich die Kraft zu mildern und durch einen unaussprechlichen Reiz noch machtiger zu werden; als aber der Eichenkranz seine Locken zierte, belebten sich seine Gesichtszüge, sein Auge glanzte von unaussprechlichem Geist.’

De belangrijkste vraag die hier gesteld kan worden is: hoe kunnen wij door deze sprookjesbeelden heen zien wat zich toen, in de bovenaardse cultus, aan beelden ontvouwde? Wat gebeurde hier eigenlijk? In de eerste plaats krijgt men de indruk dat de man met de lamp, die de geheimen der drieheid door en door kent, de rol die de wijsheid der rozenkruizers in deze cultus speelde zichtbaar maakt. Hiermee kon Michael, die zelf in het sprookje onzichtbaar blijft, het beeld van de mens en tegelijk het ideaal van de toekomstige menselijke samenleving zo tot openbaring brengen, dat het de Drieëenheid duidelijker en fonkelender dan ooit te voren weerspiegelde. Daarmee voerde Michael de ‘religie der goden’ in een nieuw stadium. Het was een stralend bovenaards morgenrood, de voorbode dus van het licht dat in de 20e eeuw op aarde zou moeten opgaan.

Dat verklaart ook het opmerkelijke feit, dat in het hier geciteerde tafereel van Goethe’s sprookje de drieledigheid van de menselijke gestalte er weliswaar op een schone manier doorheen schemert, maar toch nog niet in alle concrete duidelijkheid te voorschijn komt. Dat laatste had men toch eigenlijk wel van Goethe mogen verwachten! Immers, het waarnemen van de drieledigheid is een geestelijke waarneming via onze lichamelijke zintuigen. Van deze vorm van waarneming was Goethe de eerste en onbetwiste meester! Wat betekent anders goetheanistisch waarnemen? Waarom, zo moeten wij vragen, bleef deze goetheanistische ontdekking van de drieheid in de menselijke lichamelijke organisatie voorbehouden aan Rudolf Steiner? Eenvoudig omdat het toen nog niet ‘an der Zeit’ was. Pas toen in 1879 Michael weer het directe toezicht op de mensheidscultuur had gekregen en nadat in 1899 het ‘donkere tijdperk’ ten einde was gegaan, zodat weer nieuwe mysteriecontacten tussen mensen en goden gelegd konden worden, was het mogelijk om het drieledige mensbeeld op aarde te brengen. Want deze schijnbaar eenvoudige ontdekking moest inderdaad uit de geestelijke wereld gehaald worden. Pas in 1916 was Rudolf Steiner, die aanknoopte bij het rozenkruizerdom en werkte volgens de methode van Goethe, hiertoe in staat. Daar was een worsteling van tientallen jaren aan voorafgegaan. Zeven jaar later werd dit geboorteproces bezegeld bij de geestelijke grondsteenlegging van de antroposofische vereniging aan het begin van de Weihnachtstagung. Zelf zei hij toen, direct nadat hij de drievoudige spreuk al gedeeltelijk had doen klinken: ‘Wenn ich heute zurückschaue geradc auf dasjenige, was geholt werden konnte aus den Geisteswelten, wahrend die furchtbaren Kriegsstürme die Welt durchwogten, so muss dieses paradigmatisch zusammengefasst werden in dieser Dreiheit von Sprüchen, die eben an euer Ohr getönthaben. – Wahrgenommen konnte jene Dreigliederung werden, . . . seit Jahrzehnten. Ich selber konnte sie erst zur Reife bringen im letzten Jahrzehnt wahrend der kriegerischen Stürme.’

Deze zeven jaar tussen de conceptie van het drieledige mensbeeld in 1916 en de grondsteenlegging van 1923 zijn ook de tijd waarin de sociale driegeledingsbeweging opkwam en weer terugebde. Natuurlijk is er een diepgaande samenhang tussen de drieledigheid van het menselijke en die van het sociale organisme. Dit verband werd in het voorafgaande al twee keer aangestipt. Het zou echter een aparte en zeer uitvoerige beschouwing vereisen om deze samenhang op een verantwoorde manier zichtbaar te maken. Wel is in dit verband nog van belang een opmerking van Rudolf Steiner begin 1923, dat de toenmalige driegeledingsbeweging nooit de kunst had verstaan ‘sich auf anthroposophischen Boden zu stellen’.[7 ]Mijns inziens bedoelde hij hiermee, dat het de Dreigliederungsbewegung ontbroken had aan een spiritueel meditatief fundament. Dit fundament werd echter zichtbaar en meer nog hoorbaar in de grondsteen, die op eerste kerstdag 1923 in woordvorm gelegd werd in de zieleruimte van die mensengemeenschap, die een totaal nieuw sociaal bouwwerk moest worden.

Bij deze grondsteenlegging werd de tweede tempelscène uit Goethe’s sprookje tot werkelijkheid: de mensenziel wordt langs drie beeldzuilen gevoerd en door deze drievoudig tot ontwaken geroepen. Hij wordt aangesproken in ledematen, ritmisch systeem en in het hoofd om zich zo te scholen, dat hij door zijn denken, voelen en willen in een werkelijke communie met de wereld kan treden. Dit gebeurt onder aanroeping van de drie maal drie engelkoren en van de goddelijke drieëenheid. Dit alles bezegeld door de drievoudige zinspreuk van Christian Rosenkreuz. – Het vierde deel van de grondsteen, waarvan het correlaat ook in Goethe’s sprookje te vinden is – waar het zelfs als het vierde en onuitspreekbare geheim de beslissende rol speelt -, verbindt dit neerdalen van het scheppingsoerbeeld van de mens in het mensheids-bewustzijn met het wezen dat de aarde als kosmische offer- en kiemplaats koos. Het drieledige mensbeeld moet het bewegelijke, levende omhulsel worden voor de Christus om in het denkende voorstellen van de mensen te kunnen leven. Als een metamorfose daarvan zal de wereldsamenleving zich in drieën moeten geleden. Zoals het ‘ik’ van de mens in willen, voelen en denken en de ziel in ledematen, romp en hoofd leeft, zo moet het Mensheids-Ik zich kunnen ontplooien in de cultuur, de rechtsorde en de economie.

Wij zagen hoe het oerbeeld van de mens als evenbeeld van de Triniteit aan het begin der schepping verschijnt. Wij zagen hoe het in Christus tot een unieke aardse verwezenlijking kwam. Wij zagen verder hoe het daarna pas etappegewijs uit de geestelijke wereld naar het bewustzijn van de mensheid toekwam: via het bovenaardse beraad der hoge ingewijden in de 4e eeuw leefde het in kiemvorm en als streven bij de rozenkruizers. Het moest daarna in de geestelijke wereld terugkeren om in de imaginatieve cultus door Michael tot een vernieuwing te worden gevoerd. Schijnbaar van zijn beeldkarakter ontdaan, geheel samengetrokken tot een woordkristal, verscheen het kerstmis 1923 in de geestelijke sfeer van de aarde. In deze grondsteenwoorden en in het beeld dat daaruit kan oprijzen vinden wij, voorzover dat op ons bestaansniveau mogelijk is, het antwoord op de vraag: Quis ut Deus –

Wie is als God?

.

Sociale driegeledingalle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Michaël – alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël

.

2334-2190

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-10)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang: ‘Zingen in een vreemde* taal’.


.
Mark Peterson, exacte bron en datum onbekend*

De in. Basel (Zwitserland) geboren Engelsman Mark Peterson was jongenssopraan in het koor van de Guildford Cathedral onder leiding van Barry Rose. Zijn carrière als beroepszanger bracht hem, na enkele jaren doorgebracht te hebben in Londen bij onder andere het St. Paul’s Cathedral Choir, de BBC Singers, The Sixteen en Covent Garden Opera Chorus, naar een vaste baan in het Groot Omroepkoor. Hieruit is in februari 1998 het Omroep Jongenskoor ontstaan.
Mark Peterson is oprichter en dirigent van het OJK, dat in korte tijd een behoorlijke reputatie opgebouwd heeft als een jongenskoor op beroepsniveau. Het koor is in het bijzonder bekend om zijn ‘Engelse’ klank. De ervaringen van de leden van het OJK met het zingen in het Engels worden in dit artikel meegenomen. Deze kunnen nuttig zijn voor alle Nederlandse zangers en koristen, die hun Engelse uitspraak willen verbeteren.

ENGELS

De Amerikaan Mark Twain schreef ooit: “Foreigners always spell better than they pronounce”. Hiermee wierp hij wat licht (ook al was dat niet zijn bedoeling) op het grootste probleem van de Engelse taal: de spelling. Die spelling loopt immers een paar eeuwen achter de feiten aan, hetgeen de nodige moeilijkheden oplevert. Erger nog, gezongen Engels is niet altijd hetzelfde als gesproken Engels. In dit artikel wordt een aantal probleemgevallen, gehoord of meegemaakt in de praktijk, onder de loep genomen. Hopelijk kan een koor, dat zijn Engelse uitspraak wil verbeteren, hiermee uit de voeten.

Een van de grootste slordigheden – ook bij Engelse koren trouwens – is de stemhebbende ‘d’. Wanneer deze als een ‘t’ uitgesproken wordt, verandert een onschuldig zinnetje zoals “and he heard” (en hij hoorde) heel snel in “ant he hurt” (letterlijk: mier hij pijn deed). De mieren kan men voorgoed verbannen door aan de ‘d’ een duidelijke stem te geven.

Van de medeklinker th’ zijn er twee soorten: de stemhebbende (bijv. “then”) en de stemloze (bijv. “think”). Op de stemhebbende th’ moet je eigenlijk kunnen zingen, op de stemloze niet.

De Engelse ‘v‘ wordt in slechts één versie geleverd: de stemhebbende. Een stemloze ‘v’ bestaat niet, dat zou een’f’ zijn. Desondanks hoor je vaak van een leuke veerboot (“ferry nice”) of zelfs een aardige fee (“fairy nice”). De ‘v’ moet een duidelijke stem hebben, net als de ‘d’.

De ‘f’ is makkelijk, op één uitzondering na: het Engelse woord ‘of’, hetgeen bijna altijd uitgesproken wordt als “off (met stemloze f). In dit geval moet de f toch wel een stem hebben: een klein puntje maar wel storend als dit niet goed uitgevoerd wordt. Denk aan het verschil tussen “he went of course” (hij ging uiteraard] en “he went off course” (hij verdwaalde).

De ‘r‘ heeft twee functies. Als eerste letter van een woord of lettergreep wordt hij met de punt van de tong gerold – helemaal vooraan, niet achter in de keel. Stevig gerold ook, én op de toon die vervolgens moet worden  gezongen. Komt de ‘r aan het eind van een woord of lettergreep dan wordt hij (in het Engels tenminste) niet uitgesproken: zijn functie is enkel om invloed uit te oefenen op de voorafgaande vocaal. Denk aan het verschil tussen ham (ham) en “harm” (kwaad), bij die tweede wordt er een onhoorbare ‘h’ vóór de ‘m’ geplaatst. De ‘r’ verlengt en verdiept de ‘a’ vocaal. In het Amerikaans is deze ‘r’ wel stemhebbend en wordt hij in de mond geproduceerd, zoals de meeste Nederlanders al goed kunnen. Maar let op: zo’n ‘r’ hoort niet thuis in een Engels stuk zoals The Messiah of The Crucifixion.

Wat betreft de klinkers valt het eigenlijk best wel mee. Een van de grootste misverstanden betreft de slotlettergreep ‘-ed’. Eeuwen geleden had deze lettergreep zijn eigen metrische waarde en de klank van de ‘ed’ in pedaal. Dat is in een paar gevallen nog steeds zo, bijvoorbeeld bij “comforted” (getroost] Wel hoor je in gesproken Engels “comfort-id” maar in gezongen Engels moet dat “comfort-ed” zijn. Het woord “blessed” (gezegend) kan twee uitspraken hebben: óf “blest” óf “bless-ed”. Die tweede wordt soms voor alle zekerheid geschreven als blessèd, maar hij mag nooit “bless-id” worden Het woord “promised” (beloofd] is inmiddels “prom-isd” geworden, doch nooit “prom-usd”.

De klinker waarmee de meeste Nederlandse koren de mist ingaan, is de schwa. Deze ‘stomme’ vocaal, (de “ij” van koninklijk) komt vaker voor in het Engels dan men denkt. Een eenvoudig woord zoals “father” (vader) heeft ook een eenvoudige uitspraak: fa(h)-thë (de ‘ë’ is de schwa). Een schwa blijft bijna altijd openstaan en mag niet worden afgesloten met een ‘r. Hieronder enkele voorbeelden, de onderstreepte letters zijn de schwa:

fa-ther               world

mo-ther             Sa-viour

si-ster               hurt

bro-ther            an-ger

bird                  su-per

heard               su-pe-ri-or

word                ge-ne-rous

Nogmaals, de ‘r‘ wordt niet uitgesproken behalve in ‘generous’, alwaar hij een andere functie heeft als de beginletter van de derde lettergreep.

In een woord zoals “Lord” (Heer), zorgt de ‘r’ voor de verkleuring van de ‘o’ vocaal. Er zijn trucjes om dit goed te laten uitspreken. Zing bijvoorbeeld “law” (wet) in plaats van “Lord” en laat daarna een duidelijke ‘d’ horen. “Law” + ‘d’ = “Lord”, maar er is toch geen Y te horen.

De ‘l‘ van calm” en “palm” is net als de verkleurende ‘r’ boven. Hij oefent invloed uit op de vocaal, waardoor je kahm en bahm krijgt. Maar in het Amerikaans wordt deze ‘l’ wel uitgesproken, zij het zachtjes. Je moet dus weten in welke taal je zingt.
(Aan héle gekke woorden zoals “psalm” geven Engelstaligen er toch wel de brui aan. De “p” vervalt dan helemaal, net als de “k” van “knee”, “knight” en “know”)

Van het woord ‘the” zijn er twee uitspraken mogelijk: de’e’ is een schwa als het volgende woord met een medeklinker begint, zo niet dan wordt de ‘e’ als Nederlandse ie uitgesproken.

Het woord “worship” (aanbidden) is een ieuke: vaak spreekt men dit uit als “warship” (oorlogsschip), hetgeen een totaal nieuwe betekenis geeft aan de zin “Lord, accept our humble worship”. In dezelfde hoek zitten “wonder” (wonder] en “wander” (rondzwerven], de verwarring gezaaid door de spelling.
De ‘won-’ van “wonder is een open klank, gelijk aan de ‘u’ van “cup” (zie beneden). De ‘o’ van het Nederlandse donder moet je juist bij “wander gebruiken. 

Het Engelse “all” moet men niet verwarren met het Nederlandse al. De woorden “all”, “ball”, “hall” en “fall” hebben allemaal dezelfde klank: lang en diep met een duidelijke ‘l’ (met de tong) aan het eind. Juist geen al, bal, hal en val. Ook de ‘al-‘ van “although” en “always” heeft dezelfde klank als “ball” en “hall”. Uitzonderingen zijn o.a. “shall” “pall” “mail” en “valley”, hier hoort de “-all” van rallentando te klinken.

Woorden zoals “can” en “crash” gaan dikwijls fout ze worden uitgesproken als ken en crèche, alsof Inspector Clouseau ingehuurd werd als taalcoach
De ‘a’ van “can” en “crash” is dichter bij de Franse ‘a’ van avion, zoals Inspector Clouseau zou moeten weten.

De open ‘u’ van “cup”, “up”, “cut”, “but” e.a. is relatief nieuw in het Engels, in het noorden van Engeland is hij nog steeds niet doorgedrongen. Deze klank kan men het beste inbeelden als de ‘a’ van kat — niet de ‘u’ van mus. Met deze duimregel kan men het woord “cutthroat” weer rustig gaan zingen zonder de indruk te wekken, dat men aan het vloeken is.

Ter afronding, een paar zinnetjes om thuis te oefenen. leder Engels kind kent deze.- “Around the ru-ged rocks the ragged rascal ran” – goed voor de tong-r. Minder bekend, voornamelijk omdat het voor dit artikel verzonnen is, maar toch goed voor de algemene ontwikkeling, is: “Therefore they thought these three things through thoroughly” Veel succes daarmee!

Als laatste een reëel voorbeeld; in dit geval uit Händels Israël in Egypt:

‘The horse and his rider; the horse and his rider, the horse and his rider hath he thrown into the sea”
Oftewel – zoals ooit in een concert te Amsterdam ten gehore gebracht – zuh-oiss-ent-iss-raai-duh, zuh-olss-ent-iss-raai-duh, zuh-oiss-ent-iss-raai-duh, ass-less-roon-in-zuh-zuh-sie.

Zo’n lastig zinnetje had Sir Winston Churchill kunnen bedoelen toen hij schreef: ‘This is the sort of English up with which I will not put” Maar ja, hij kon dan ook geen Nederlands spreken.

*Ik heb ‘vreemde’ taal vervangen door ‘andere’ taal. Ik ben van mening dat we een ons niet-vertrouwde taal niet ‘vreemd’ moeten noemen, alsof deze ‘raar’ zou zijn. Het is een andere taal, gelijkwaardig aan de onze – het Nederlands.

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2324-2180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (46)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

Lianne en Luuk doen in de zomer allerlei ontdekkingen. Ze doen mee aan een wedstrijd wie de hoogste zonnebloem kan kweken. Maar o, wat moet er veel gebeuren om zo’n bloem ook werkelijk mooi te laten bloeien. Ze stellen veel vragen en leren daardoor van alles.
Naast de voorleesverhaaltjes staan er ook leuke knutselideetjes in en recepten.
En kleurige illustraties die – gelukkig – niets karikaturaals hebben, maarecht mooi zijn om naar te kijken.

‘T IS ZOMER

Jolanda Dijkmeijer
Omslag- en binnenillustraties: Marijke Duffhauss

BOEK

tot 6 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2320-2176

.

.

..

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/3)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

3.KLEDING, OPSMUK, WAPENS

Edelsteen

Daar de steen in zijn hardheid de uitdrukking is van de materie, wijst de edelsteen naar het veredelde materiële. Hij wordt uit de aarde gewonnen, staat daarom voor edele aardesubstantie.

Hemd

Het hemd is de omhulling van ons lichaam dat ons het eerst wordt aangetrokken. Mythen en sprookjes schetsen het geheel aan elementaire levenskrachten die door het fysieke lichaam stromen – wat Aristoteles de vegetatieve ziel noemt – als een hemd. Het draagt ons onderbewuste gedachteweven en -leven. Het is belangrijk van welk materiaal dit hemd is gemaakt: linnen duidt op ‘gedachten’, zijde ‘de getuige van een lange metamorfose’ wijst op omvormingskracht.

Hoed

De hoed bedekt het hoofd. Hij drukt het denken met het hoofd uit. Zoals de hoed ons afsluit naar boven, zo doet ons hersendenken dat naar de algemene geestelijke wereld. In het Duitse spreekwoord ‘man muss etwas auf seine Kappe nehmen’, wordt op de persoonlijke verantwoordelijkheid van het bewuste denkvermogen gewezen. 
In gewoonten, profane en religieus-cultische gebruiken vinden we een spiegeling van dit proces.

Jas

Dit kledingstuk. over de borst gedragen, wijst op de belevingen van de ziel. Duits heeft: ‘Die Jacke ist ihm zu eng’.

Jurk 

Over het hemd, als een tweede omhulsel wordt in het sprookje de jurk tot beeld van een tweede omhulling. Die staat voor het totaal aan gewaarwordingen, gevoelens, hartstochten, dus voor het innerlijk leven van de gevoelens.
Duits heeft hier ‘Kleid’ dat meer betekenissen heeft.
Dit totale zielenleven hebben de middeleeuwse schilders van heiligenbeelden als aura gezien en weergegeven. Aan de helderziende verschijnt deze in talrijke kleuren, ook als eivormige goudstralende mandorla en met regenboogkleuren. In de sprookjes zijn de kleurengegevens niet zomaar, ze zijn een uitrdrukking van te onderscheiden zielentoestanden. Is het innerlijk leven nog heel driftmatig en verwant aan dat van het dier, dan verschijnt de mens in het sprookje met een dierenhuid.

Kap = hoed

Kroon

De kroon heeft bij de kroning en zalving van een heerser cultische betekenis. De gouden kroon is het zichtbare teken van verlichting en wijsheid die de heerser in de aura van zijn hoofd moet uitstralen. De ijzeren kroon duidt op de aanwezigheid van het Ik en de ijzeren wil.

Mantel

De zielenomhulling van de mens en van wie bij hem horen. In het beeld van de koning of de koningszoon verschijnt de mantel als een omhulling.
De symboolwaarde van de mantel is nog duidelijker voor ons bij de priester in de cultus, in de toga van de rechter, want in deze samenhang is de mantel heel duidelijk symbool, geen kledingstuk.
De rode kleur van de mantel zegt ons dat de taak van de koning is de behoeder te zijn van het bloed van zijn volk.

Parel

Door water omspoeld groeit de parel in de schelp; het tere glazuur herinnert daar nog aan. Een parelketting verliest haar glans, wanneer deze lange tijd niet wortdt gedragen. Als symbool wijst de ‘in het water geborene’ op de zielenwereld. Ze is tegengesteld aan de edelsteen die ons wijst op de tegenovergestelde wereld van het aardse.

Ring

De in zich gesloten cirkel is het teken van de verbinding, van het ‘samen’. Zo kan ook het op zichzelf staande (gesloten) bewustzijn door het symbool van de ring vertegenwoordigd worden.

Rok

Over het onderlijf gedragen, duidt de rok op de bewegingen van de wil.

Schoen

Met de schoenen sta je op aarde. Als beeld drukt het onze relatie tot het aardse uit; dat is echter de relatie met het leven, tot onze opdracht(en) en mogelijkheden. Wie maar één schoen draagt, staat niet vol meer in het leven; wie schoenen heeft met gaten, heeft vaardigheden verloren en wordt ongeschikt voor de levensloop; afgetrapte schoenen duiden erop dat een levensweg ten einde is.
De witte schoen zegt dat de drager ervan kan leven uit reine, onaardse krachten, heeft de aarde nog niet helemaal betreden of heeft zich daarvan weer losgemaakt.
De rode schoen heeft de kleur van het bloed: gezond rood bloed helpt ons aan een goed Ik-bewustzijn en laat ons een daadkrachtig leven leiden. Er moet een goed onderscheid worden gemaakt wat de vossen- of vlammend rode schoen betreft die op egoïsme duidt.
De gouden schoen: wijsheid en lichtkracht in de levensloop.

Vel = zie bij jurk

Vest

Over de borst gedragen duidt het op het gevoelsleven. zie ook de andere kledingstukken. Duits: ‘er hat eine weisse Weste’, = hij heeft een zuiver geweten.

Wapen = zwaard

Zwaard

De kracht van het woord, is de kracht van het zwaard; het zwaard helpt en beschermt, verwondt en doodt echter ook. Het is tweesnijdend – ook het woord.
In de hand van de strijder, betekent ‘zwaard’: eigen, persoonlijke macht van het woord.
Waar ook in het sprookje wapens, zoals pijl, boog, buks, (jacht)geweer, genoemd worden, wordt gewezen op doelgericht en trefzeker handelen.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2319-2175

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-9)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

Max van Egmond, exacte bron en datum onbekend*

.

DUITS

Max van Egmond bespreekt de uitspraak van het Duits. Max van Egmond (63 jaar*) debuteerde in 1959. Daarna volgde een carrière van veertig jaren als bariton-solist op internationale podia met talloze opnamen op lp en cd. Aan het Sweelinck Conservatorium (nu Conservatorium van Amsterdam) doceerde Van Egmond hoofdvak zang. Daarnaast had hij er een speciale onderwijsopdracht voor de dictie van vreemde talen. Tegenwoordig* is Max van Egmond privédocent zang en leraar uitspraakverbetering.

Nederlanders die klassieke muziek zingen moeten veelzijdig zijn. In de moedertaal zingen we zelden; en met één andere** taal zijn we nog niet klaar. De redactie heeft me gevraagd, mij tot het Duits te beperken. Andere talen zal ik dan ook alleen noemen ter vergelijking.

Het gaat hier om het Hochdeutsch en daarin om de Bühnensprache. Dat laatste betekent, dat alleen de tongpunt-r wordt gebruikt en niet de huig-r, zoals in de spreektaal.***

Onze onderwerpen zijn: klinkers, medeklinkers (waaronder ich-Laut en ach-Laut), binding of niet-binding, dubbele of enkele medeklinkers.

Klinkers

In het algemeen zuiver, helder, niet dof en niet gemengd . Uitleg van ‘gemengd’: Nederlanders neigen tot een dubbelklank (diftong): Ga je mee klinkt als mee-ie; zozo klinkt als zozo-oe. Doe dat niet in het Duits. Am See wordt geen zee-ie; loben wordt geen loo-oeben.

De A

Kan lang zijn.- Vater, Abend, Ahnung. Kan kort lijken en toch lang klinken: er bat, sie ass (= hij verzocht, zij at) klinken als baat en aas.

Kan kort zijn: Er stand am Anfang; maar dan minder dof als Ned. varken of land; dus iets neigend naar aa.

Ä (gefährlig, Mädchen) klinkt niet als ee in Ned. zee, maar als è in ver of in het Franse trés.

Au is vergelijkbaar met het Nederlandse blauw of mouw, maar het Duits neigt meer naar aa en het Nederlands meer naar o (als in vol).

De E

Kan ‘gesloten’ zijn (die Seele, das Leben) of ’open’ (herzlich, sternen). De gesloten versie is daadwerkelijk nauwer dan het Nederlands, dus bijna neigend naar ie.

Enkele valkuilen zijn: den (als Ned. leem) en denn (als Ned. held); weg (als Ned. spek) en Weg (als Ned. leep); hin und her (als Ned. speer).

NB: In de (zuid-)Duitse spreektaal hoort men der erste wel eens met de open è van spek. Dat is geen Hochdeutsch.

De I

Kan lang zijn als in Ihnen of kort als in Himmel. ‘Kort’ betekent iets neigend naar de i van stip. ie als in Liebe is vergelijkbaar met het Nederlands.

De O

Kan lang zijn als in loben of kort zoals in Holz. De lange versie moet tamelijk gesloten zijn: bijna neigend naar onze oe. Een valkuil: Was ist los (Zeg loos.)

Ö klinkt ongeveer als het Ned. heus, maar heeft subtiele kleurverschillen. B.v. schön is als kleuter; hört is als deur; völlig is als stuk.

De U

Kan lang zijn als in Blume en zur of kort als in schlummern en Hund. ’Kort’ wil zeggen iets neigend naar de o van Ned. los (maar heel weinig!).

Ü Ook hiervan is een lange versie: Frühling, süsser en een korte: Glück, dürr (neigend naar de u in stuk.)

De Y

Klinkt als de uu in stuur: typisch wordt tuupiesj; lyrisch wordt luuriesj.

Medeklinkers

De B en de D

Als in het Nederlands. Aan het eind van een woord zijn ze stemloos, in tegenstelling tot het Engels.

De C

Klinkt in het algemeen als ts: Cellophan, Cis, Caesar Maar ook wel als k: Café, Chor, Code, chaotisch; of als sj: Chance, Chocolade. Klinkt nooit als s.

Speciale aandacht verdient de ch aan het einde van een woord. Men spreekt van ‘ach-Laut als het als harde g wordt uitgesproken. DIT GEBEURT ALLEEN NA A, O EN U ZONDER UMLAUT: Bach, Buch, Loch. Men spreekt van ‘ich-Laut als het als zachte ch wordt uitgesproken. DIT GEBEURT IN ALLE ANDERE GEVALLEN. Dat wil zeggen na de a, o en u MET UMLAUT: Büchlein, Bücher, Löcher. Ook na de andere klinkers: sicher, frech. Ook na alle medeklinkers: Milch, Mädchen (zeg niet meetsjenl), solche, horch, München (zeg niet muunsjenl), ein Bisschen (zeg vooral niet biesjenl).

De F,H, J, M, N, W, X

Overeenkomend met het Nederlands. (NB: de slot-n altijd hoorbaar zingen: einen Mann.)

De K, P, T

Zoals in het Nederlands, maar met een neiging tot aspiratie (d.w.z. gevolgd door een lichte h): ich kom-me klinkt als khomme; passen klinkt als phassen; tanzen als thantsen. NB: In het Engels treffen we precies hetzelfde, maar in het Frans en Italiaans is het taboe.

De G

In het algemeen hard (als in het Eng. goal): gut, Gott, Glieder, grausam. Soms als k: Berg, Weg, arg. Na de i meestal als als zachte ch: ewig, König. NB: Dit verandert bij toevoeging van -lich: ewiglich wordt ee-wiek-liech; Königlich wordt keu-niek-liech.

De L

Als in het Nederlands, maar beslist slanker (met een spitser tong-gevoel). Vergelijk: de Engelse I is het dikste, de Nederlandse iets minder dik en de Franse en Duitse I is het slankste.

De Q

Komt vrijwel alleen voor in combinatie met de u en klinkt dan als kW; niet als koe. Dus Qual is kwaal; kreuz-und-quer (=schots-en-scheef) wordt kweer.

De R

Zoals in de inleiding gezegd: alleen de tongpunt-r komt in aanmerking. In de spreektaal wordt de slot-r vaak bijna onhoorbaar: liebe(r) Vate(r). Doe dat niet in de kunstzang.
***In de spraakoefeningen op de vrijeschool wordt altijd gestreefd naar het aanleren/bevorderen van de tongpunt-r. Zie: alle spraakoefeningen

De S

Aan het begin van een woord als z uitspreken: im Sommer, wir singen, sowieso, Salome, selig. Aan het eind van een woord uiteraard stemloos: das, los, ist.

Ss en sz kinken ook als s.

De s voor een p of t klinkt als sj: Spannung, Streit. Maar voor de k blijft het een s: Sklaverei.

Sch klinkt niet als het Nederlandse school of Schiphol, maar als sj: schlummern, schwung.

De V

Aan het begin van een woord beslist als f uitspreken: Vater, von, Vogel, verbrennen, vier. In woorden van andere** oorsprong wordt evenwel de stemhebbende klank gehandhaafd (en wel zo vol dat het bijna een w lijkt): die Violine, das Vibrato.

De Z

Klinkt altijd als ts.- zahlreich, zuwieder, Zoll.

Binding of niet-binding

De ene taal heeft een meer legato-karakter dan de andere. Het Frans wordt het meest legato gesproken: woorden worden aan elkaar gelijmd. Het Duits heeft deze neiging het minste: dikwijls scheidt een minuscule opening de woorden van elkaar. Daarom: am Abend klinkt niet als am-maabent, maar als am / aabent; das offene Feuer wordt niet dassoffene, maar das / offene.

Evenzo: die ewige Liebe wordt niet diejeewiege, maar die / eewiege. Dit betekent dat een lichte ’glottis-aanzet’ mag klinken waar hierboven een / staat.

Deze gewoonte van niet-binden heeft ook gevolgen voor clusters van medeklinkers. In het Nederlands mag ’met dat’ klinken als mettat of meddat. In het Duits moeten de t en d achter elkaar hoorbaar blijven in mit dem. In het Nederlands wordt ‘als zodanig’ gezegd als alssodanig. In het Duits blijven s en z beide te horen in als Sie kamen. Zo blijft het verschil te horen tussen muss ich en muss sich.

Een andere consequentie betreft de assimilatie van medeklinkers. In het Nederlands gebeurt aanpassing van stemloze aan stemhebbende medeklinkers (en andersom): ‘Was daar iemand’ wordt wazdaariemand; ‘als voorbeeld’ wordt alsfoorbeelt. Ook dit is in het Duits taboe: das bunte Haus wordt niet dazboente. Oefening: zing es schleichen die Wellen zonder dat es ontaardt in esj.

Dubbele en enkele medeklinkers

In het Frans worden dubbel geschreven medeklinkers niet dubbel uitgesproken: la femme, massive. In het Italiaans wel: fatto, spesso, fiamma. In het Duits ook. Dit heeft niet alleen consequenties voor de betreffende medeklinkers, maar ook voor de voorafgaande klinker. Luister b.v. naar bitten en ihnen, naar Blume en schlummern, naar früher en schmücken. Telkens hebben gelijk ogende klinkers een iets andere klankkleur: i van stip tegen ie van stief, oe van stoer tegen ietsje o van stof, uu van stuur tegen u van stuk.

**ik heb ‘vreemde’ taal vervangen door ‘andere’ taal. Ik ben van mening dat we een ons niet-vertrouwde taal niet ‘vreemd’ moeten noemen, alsof deze ‘raar’ zou zijn. Het is een andere taal, gelijkwaardig aan de onze – het Nederlands.

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2317-2173

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (2-3/1)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boekDie Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Lenz maakt een indeling met deze onderwerpen:

1.Landschap

2. Ambt en beroep

3.Kleding, opsmuk en wapens

4.Planten

5.Voeding

6.Voorwerpen

7.Fabelwezens

8.Iets over de ‘wreedheden

9.Dieren 
veld- en bosdieren, huisdieren, waterdieren; 

10.Vogels
luchtvogels, watervogels

11.Elementairwezens in menselijke gedaante

12.De mens

De besproken beelden staan ook in alfabetische volgorde

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2312-2168

.

.

.