Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 13)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover
en in voordracht 4.

Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59 over staat.

Hoe het zit met het etherlijf en wat kunst en religie betekenen voor de cultivering daarvan.

In GA 13:

Wie der Mensch seinen Astralleib erobert dadurch, daβ er zu den verborgenen Kräften die hinter ihm stehen, vordringt, so geschieht das im Laufe der Entwicklung auch mit dem Ätherleib. Die Arbeit an diesem Ätherleib ist aber eine intensivere als die am Astralleibe, denn was sich in dem ersteren verbirgt, das ist in zwei, das Verborgene des Astralleibes jedoch nur in einen Schleier gehüllt.

Zoals de mens zijn astrale lichaam verovert doordat hij doordringt tot de verborgen krachten die erachter staan, zo doet hij dat in de loop van zijn ontwikkeling ook met het etherische lichaam. Het werken aan dit etherische lichaam is echter intensiever dan dat aan het astrale lichaam; want terwijl het verborgene bij het astrale lichaam slechts in één sluier is gehuld, is het bij het etherische met twee sluiers toegedekt.

Man kann sich einen Begriff von dem Unterschiede in der Arbeit an den
beiden Leibern bilden, indem man auf gewisse Veränderungen hinweist, die mit dem Menschen im Verlaufe seiner Entwicklung eintreten können. Man denke zunächst, wie gewisse Seeleneigenschaften des Menschen sich entwickeln, wenn
das Ich an der Seele arbeitet. Wie Lust und Begierden, Freude und Schmerz sich ändern können. Der Mensch braucht da nur zurückzudenken an die Zeit seiner Kindheit. Woran hat er da seine Freude gehabt; was hat ihm Leid verursacht?
Was hat er zu dem hinzugelernt, was er in der Kindheit gekonnt hat? Alles das aber ist nur ein Ausdruck davon, wie das Ich die Herrschaft erlangt hat über den Astralleib.
Denn dieser ist ja der Träger von Lust und Leid, von Freude und Schmerz. Und man vergleiche damit, wie wenig sich im Laufe der Zeit gewisse andere Eigenschaften des Menschen ändern, z. B. sein Temperament, die tieferen Eigentümlichkeiten seines Charakters usw.

We kunnen het onderscheid in het werken aan beide lichamen begrijpen door op bepaalde veranderingen te letten die bij de mens in de loop van zijn ontwikkeling kunnen optreden. Laten we ons indenken hoe bepaalde psychische eigenschappen zich bij de mens ontwikkelen wanneer het ik aan de ziel werkt; hoe genot en verlangen, vreugde en verdriet kunnen veranderen. We hoeven daarvoor slechts terug te denken aan onze kinderjaren. Waaraan beleefden we toen vreugde, wat deed ons verdriet? Wat hebben we sinds onze kindertijd geleerd dat we toen nog niet konden? Dat alles is echter slechts een uitdrukking van de mate waarin het ik meester is geworden over het astrale lichaam.
Want dit is immers de drager van genot en pijn, van vreugde en verdriet. En laten we daar eens naast stellen, hoe weinig bepaalde andere eigenschappen van de mens in de loop van de tijd veranderen, bijvoorbeeld zijn temperament, de dieper liggende eigenschappen van zijn karakter, enzovoort.

Ein Mensch, der als Kind jähzornig ist, wird gewisse Seiten des Jähzorns auch
für seine Entwicklung in das spätere Leben hinein oft beibehalten.
Die Sache ist so auffallend, daß es Denker gibt, welche die Möglichkeit ganz in Abrede stellen, daß der Grundcharakter eines Menschen sich ändern könne. Sie nehmen an, für seine Entwicklung in das spätere Leben hinein oft beibehalten.

Een mens die als kind driftig is, zal bepaalde aspecten van die opvliegendheid vaak ook in zijn latere leven nog bewaren. Dit valt zozeer op, dat er denkers zijn die volledig in twijfel trekken of de grondkleur van iemands karakter wel kan veranderen. Ze gaan ervan uit dat dit gedurende het hele leven hetzelfde blijft en dat het zich alleen op verschillende wijzen uit. Een dergelijk oordeel berust echter op een gebrekkige waarneming.

Blz. 73   vert. 41/42

daß dieser etwas durch das Leben hindurch Bleibendes sei, welches sich nur nach dieser oder jener Seite offenbare. Ein solches Urteil beruht aber nur auf einem Mangel in der Beobachtung. Wer den Sinn dafür hat, solche Dinge zu sehen, dem wird klar, daß sich auch Charakter und Temperament des Menschen unter dem Einflüsse seines Ich ändern. Allerdings ist diese Änderung im Verhältnis zur Änderung der vorhin gekennzeichneten Eigenschaften eine langsame. Man kann den Vergleich gebrauchen, daß das Verhältnis der
beiderlei Änderungen ist wie das Vorrücken des Stundenzeigers der Uhr im Verhältnis zum Minutenzeiger. Nun gehören die Kräfte, welche diese Änderung von Charakter oder Temperament bewirken, dem verborgenen Gebiet des
Ätherleibes an. Sie sind gleicher Art mit den Kräften, welche im Reiche des Lebens herrschen, also mit den Wachstums-, Ernährungskräften und denjenigen, welche der Fortpflanzung dienen. 

Wie oog heeft voor zulke dingen, ziet in dat ook karakter en temperament van de mens onder invloed van het ik veranderen. Deze verandering voltrekt zich echter langzaam in vergelijking met de verandering van de eerder genoemde eigenschappen. We kunnen om een beeld te gebruiken, zeggen dat de verhouding tussen deze beide veranderingsprocessen is als de beweging van de uurwijzer van een klok in verhouding tot de minutenwijzer. Nu behoren de krachten die deze verandering van karakter of temperament bewerkstelligen tot het verborgen gebied van het etherische lichaam. Ze zijn verwant met de krachten die in het rijk van het leven heersen, dus met de groei- en voedings-krachten en met de krachten die de voortplanting dienen.

Also nicht, wenn sich der Mensch bloß hingibt an Lust und Leid, an
Freude und Schmerz, arbeitet das Ich am Astralleib, sondern wenn sich die Eigentümlichkeiten dieser Seeleneigenschaften ändern. Und ebenso erstreckt sich die Arbeit auf den Ätherleib, wenn das Ich seine Tätigkeit an eine Änderung seiner Charaktereigenschaften, seiner Temperamente usw. wendet Auch an dieser letzteren Änderung arbeitet jeder Mensch: er mag sich dessen bewußt sein oder nicht.
Die stärksten Impulse, welche im gewöhnlichen Leben auf diese Änderung hinarbeiten, sind die religiösen. Wenn das Ich die Antriebe, die aus der Religion fließen, immer wieder und wieder auf sich wirken läßt, so bilden diese in ihm eine Macht, welche bis in den Ätherleib hineinwirkt und diesen

Het ik werkt dus niet aan het astrale lichaam wanneer de mens zich alleen maar overgeeft aan genot en pijn, aan vreugde en verdriet, maar juist wanneer de eigenaardigheden van deze zielseigenschappen veranderen. En zo wordt ook het etherische lichaam bewerkt wanneer het ik zijn activiteit richt op de verandering van karaktereigenschappen, van temperament, enzovoort. Ook aan deze verandering werkt ieder mens, of hij zich ervan bewust is of niet. De sterkste impulsen tot deze verandering komen in het gewone leven uit de religie voort. Wanneer het ik de drijfveren die uit de religie afkomstig zijn op zich laat inwerken, dan vormen die in hem een kracht die tot in het etherische lichaam doorwerkt en dit

Blz. 74 

ebenso wandelt, wie geringere Antriebe des Lebens die Verwandlung des Astralleibes bewirken. Diese geringeren Antriebe des Lebens, welche durch Lernen, Nachdenken, Veredelung der Gefühle usw. an den Menschen herankommen, unterliegen dem mannigfaltig wechselnden Dasein; die religiösen Empfindungen drücken aber allem Denken, Fühlen und Wollen etwas Einheitliches auf. Sie breiten gleichsam ein gemeinsames, einheitliches Licht über das ganze Seelenleben aus. Der Mensch denkt und fühlt heute dies,
morgen jenes. Dazu führen die verschiedensten Veranlassungen. Wer aber durch sein wie immer geartetes religiöses Empfinden etwas ahnt, das sich durch allen Wechsel hindurchzieht, der wird, was er heute denkt und fühlt, ebenso auf diese Grundempfindung beziehen wie die morgigen Erlebnisse seiner Seele. Das religiöse Bekenntnis hat dadurch etwas Durchgreifendes im Seelenleben; seine Einflüsse verstärken sich im Laufe der Zeit immer mehr, weil sie in fortdauernder Wiederholung wirken. Deshalb erlangen sie die Macht, auf den Ätherleib zu wirken. —

evenzeer verandert als kleinere impulsen uit het gewone leven dat met het astrale lichaam doen. Deze kleinere impulsen uit het gewone leven, die via leren, nadenken, veredeling van gevoelens enzovoort op de mens inwerken, zijn onderhevig aan de wisselvalligheid van het bestaan; de religieuze gevoelens echter brengen in al het denken, voelen en willen een bepaalde eenheid aan. Ze breiden als het ware een gemeenschappelijk, verbindend licht over het hele leven van de ziel uit. De mens denkt en voelt vandaag dit, morgen dat. De prikkels daartoe komen van alle kanten op hem af. Wie echter door zijn religieuze beleving, hoe die ook geaard is, een besef heeft van iets dat door alle wisselvalligheden heen gaat, die zal wat hij vandaag denkt en voelt op dezelfde wijze op dit basisgevoel betrekken als wat hij morgen in zijn ziel ervaart. De
religieuze overtuiging heeft daardoor een sterke greep op het leven van de ziel; haar invloeden worden in de loop der tijd steeds sterker, omdat ze in een voortdurende herhaling werken. Daaruit ontstaat hun kracht om op het etherische lichaam in te werken.

 In ähnlicher Art wirken die Einflüsse der wahren Kunst auf den Menschen. Wenn er durch die äußere Form, durch Farbe und Ton eines Kunstwerkes die geistigen Untergründe desselben mit Vorstellen und Gefühl durchdringt, dann wirken die Impulse, welche dadurch das Ich empfangt, in der Tat auch bis auf den Ätherleib. Wenn man diesen Gedanken zu Ende denkt, so kann man ermessen, welch ungeheure Bedeutung die Kunst für alle menschliche Entwicklung hat Nur auf einiges ist hiermit hingewiesen, was dem Ich die Antriebe liefert, auf den Ätherleib zu wirken. Es gibt viele dergleichen Einflüsse im Menschenleben, die dem beobachtenden Blick nicht so offen liegen wie die genannten. Aber schon

Op dezelfde wijze beïnvloedt echte kunst de mens. Wanneer hij via de ruimtelijke vorm, via kleur of klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingen en gevoelens doordringt, werken de impulsen die het ik daardoor ontvangt metterdaad ook op het etherische lichaam. Wanneer we deze gedachte doordenken, kunnen we beseffen welke onschatbare waarde de kunst heeft voor alle menselijke ontwikkeling. Hiermee is slechts op een paar dingen gewezen die het ik ertoe aanzetten op het etherische lichaam in te werken. Er zijn tal van dergelijke invloeden in het menselijk leven te vinden, die voor de waarnemende blik niet zo helder zijn als de bovengenoemde. Maar alleen al

Blz. 75

aus diesen ist ersichtlich, daß im Menschen ein weiteres Glied seiner Wesenheit verborgen ist, welches das Ich immer mehr und mehr herausarbeitet Man kann dieses Glied als das zweite des Geistes, und zwar als den Lebensgeist bezeichnen.
(Es ist dasselbe, was man mit Anlehnung an die morgenländische Weisheit «Buddhi» nennt.) Der Ausdruck «Lebensgeist» ist deshalb der entsprechende, weil in dem, was er bezeichnet, dieselben Kräfte wirksam sind wie in dem «Lebensleib»; nur ist in diesen Kräften, wenn sie als Lebensleib sich offenbaren, das menschliche Ich nicht tätig. Äußern sie sich aber als Lebensgeist, so sind sie von der Tätigkeit des Ich durchsetzt.

uit deze voorbeelden blijkt dat in de mens nog een ander deel van zijn wezen verborgen is, dat door het ik steeds meer aan het licht wordt gebracht. We kunnen dit deel als het tweede deel van de geest, en wel als de levensgeest aanduiden. (Dit is hetzelfde wat in de oosterse wijsheid boeddhi ° wordt genoemd.) De benaming ‘levensgeest’ is passend omdat in de sfeer die ermee wordt aangeduid dezelfde krachten werkzaam zijn als in het ‘levenslichaam’; alleen is in deze krachten, wanneer ze zich als levenslichaam openbaren, het menselijk ik niet werkzaam. Uiten die krachten zich echter als levensgeest, dan zijn ze met de werkzaamheid van het ik doortrokken.
GA 13/72-75
Vertaald/40-43

Wat de pedagogie betreft, zou je wellicht de conclusie mogen trekken, dat kunst en religie, gegeven aan het zich ontwikkelende kind, ook kiemen zijn voor een ‘verre toekomst’.

Und den ganzen Menschen stu­dieren, heißt, in ihm die Kräfte finden, die durchaus über das Erdenleben hinausreichen.

De hele mens bestuderen wil zeggen, in hem die krachten vinden die verdergaan dan het aardse leven.
GA 205/106
Niet vertaald

Over dit ‘verdergaan’: 2e vdr. Algemene menskunde

In jedem Lebensalter muβ eben durchaus darauf gesehen werden, daβ man nicht bloβ für dieses Lebensalter erzieht, sondern für das ganze irdische Menschenleben, ja noch darüber hinaus.

In iedere leeftijdsfase moet er dus volstrekt op gelet worden dat je niet alleen voor deze leeftijdsfase opvoedt, maar voor heel het aardse mensenleven, zelfs voor wat daar op volgt.
GA 309/80
Op deze blog vertaald/80

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3041-2856

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 9 en 34)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens en wel

in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover en in voordracht 4.
Hier worden de drie begrippen in verband gebruikt met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in die voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

 Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald 66

Als je iets ‘weinig’ kan waarnemen, is het meestal ook moeilijk je er een voorstelling van te maken.
Steiner gebruikt om het ons uit te leggen, bijv. ‘het vergelijken met’.

In GA 9 ziet die vergelijking er zo uit:

Wie nun die physische Welt dem Ich nur dadurch von sich Kunde geben kann, daß sie aus ihren Stoffen und Kräften einen Körper aufbaut, in dem die bewußte Seele leben kann und innerhalb dessen diese Organe besitzt, um das Körperliche außer sich wahrzunehmen, so baut auch die geistige Welt mit ihren Geistesstoffen und ihren Geisteskräften einen Geistkörper auf, in dem das Ich leben und durch Intuitionen das Geistige wahrnehmen kann. (Es ist einleuchtend, daß die Ausdrücke Geiststoff, Geistkörper dem Wortsinne nach einen Widerspruch enthalten. Sie sollen nur gebraucht werden, um den Gedanken auf dasjenige hinzulenken, was im Geistigen dem physischen Leibe des Menschen entspricht.)

Zoals de fysieke wereld zich aan het ik slechts kenbaar kan maken doordat zij uit haar stoffen en krachten een lichaam opbouwt waarin de bewuste ziel kan leven en waarbinnen de ziel over organen beschikt om het lichamelijke buiten zichzelf waar te nemen, zo bouwt ook de geestelijke wereld met haar geestelijke stoffen en haar geestelijke krachten een geesteslichaam op waarin het ik kan leven en door middel van intuïties het geestelijke kan waarnemen. (Het is duidelijk dat de uitdrukkingen ‘geestelijke stof ’, ‘geesteslichaam’, letterlijk genomen, een tegenspraak bevatten. Ze worden hier alleen gebruikt om de gedachten te richten op datgene wat in de geestelijke wereld met het fysieke lichaam van de mens overeenkomt.)

Und ebenso wie innerhalb der physischen Welt der einzelne menschliche Körper als eine abgesonderte Wesenheit aufgebaut wird, so innerhalb der Geisteswelt der Geistkörper. Es gibt in der Geisteswelt für den Menschen ebenso ein Innen und Außen wie in der physischen Welt. Wie der Mensch aus der physischen Umwelt die Stoffe aufnimmt und sie in seinem physischen Leib verarbeitet, so nimmt er aus der geistigen Umwelt das Geistige auf und macht es zu dem Seinigen. Das Geistige ist die ewige Nahrung des Menschen. Und wie der Mensch aus der physischen Welt geboren ist, so wird er aus dem Geiste durch die ewigen Gesetze des Wahren und Guten geboren. Er ist von der außer ihm befindlichen Geisteswelt abgetrennt, wie er von der gesamten physischen Welt als ein selbständiges Wesen abgetrennt ist. Diese selbständige geistige Wesenheit sei «Geistmensch» genannt.

En zoals in de fysieke wereld het afzonderlijke menselijke lichaam als een op zichzelf staand geheel wordt opgebouwd, zo ook in de geestelijke wereld het geesteslichaam. Er bestaat in de geestelijke wereld evenzeer een binnen en een buiten voor de mens als in de fysieke wereld. Evenals de mens uit zijn fysieke omgeving de stoffen opneemt en ze in zijn fysieke lichaam verwerkt, neemt hij ook uit zijn geestelijke omgeving het geestelijke op en maakt het tot het zijne. Het geestelijke is het eeuwige voedsel van de mens. En zoals de mens uit de fysieke wereld geboren is, zo wordt hij door de eeuwige wetten van het ware en het goede uit de geest geboren. Hij is gescheiden van de geesteswereld die zich buiten hem bevindt, zoals hij van de totale fysieke wereld als een zelfstandig wezen gescheiden is. Dit zelfstandige geestelijke wezen noemen we ‘geestesmens’.

Wenn wir den physischen Menschenkörper untersuchen, finden wir in ihm dieselben Stoffe und Kräfte, die außerhalb desselben in der übrigen physischen Welt vorhanden sind. So ist es auch mit dem Geistmenschen. In ihm pulsieren die Elemente der äußeren Geisteswelt, in ihm sind die Kräfte der übrigen Geisteswelt tätig. Wie in der physischen Haut ein Wesen in sich abgeschlossen wird, das lebend und empfindend ist, so auch in der Geisteswelt. Die geistige Haut, die den Geistmenschen von der einheitlichen Geisteswelt abschließt, ihn innerhalb derselben zu einem selbständigen Geisteswesen macht, das in sich lebt und intuitiv den Geistesinhalt der Welt wahrnimmt, –diese «geistige Haut» sei Geisteshülle (aurische Hülle) genannt. Nur muß festgehalten werden, daß diese «geistige Haut» sich fortdauernd mit der fortschreitenden menschlichen Entwicklung ausdehnt, so daß die geistige Individualität des Menschen (seine aurische Hülle) einer unbegrenzten Vergrößerung fähig ist.

Als we het fysieke lichaam van de mens onderzoeken, vinden we daarin dezelfde stoffen en krachten als daarbuiten in de overige fysieke wereld. Zo is het ook met de geestesmens. De elementen van de uiterlijke geesteswereld stromen door hem heen, de krachten van de overige geesteswereld zijn in hem werkzaam. Zoals een wezen dat leeft en gewaarwordingen heeft door zijn fysieke huid wordt omsloten en afgescheiden is, zo is dat ook in de geestelijke wereld het geval. De geestelijke huid die de geestesmens van de ene alomvattende geestelijke wereld afscheidt, hem in deze wereld tot een zelfstandig geestwezen maakt dat in zichzelf leeft en intuïtief de geestelijke inhoud van de wereld waarneemt – die ‘geestelijke huid’ noemen we geestesomhulsel (aurisch omhulsel). We moeten alleen wel beseffen dat deze ‘geestelijke huid’ door de verdergaande ontwikkeling van de mens voortdurend ruimer wordt, zodat de geestelijke individualiteit van de mens (zijn aurisch omhulsel) onbeperkt groter kan worden.

Zoals wij ons hier in de aardse omgeving vertonen, als fysieke mens, zo vertonen wij ons in de geestelijke wereld als ‘geestelijke mens’.
Onze fysieke mens wordt opgebouwd en voor verval behoed door het etherlijf; door het leven dat rondom ons is, de levenskracht. 
Zo heeft ook de geestmens een kracht nodig die hem opbouwt. In GA 9 noemt Steiner deze kracht ‘ethergeest’, i.t.t. ‘etherlijf’, ofwel ‘levenslichaam/lijf  i.t.t. levensgeest.

Innerhalb dieser Geisteshülle lebt der Geistesmensch. Dieser wird durch die geistige Lebenskraft in demselben Sinne auferbaut, wie der physische Leib durch die physische Lebenskraft. In ähnlicher Weise, wie man von einem Ätherleib spricht, muß man daher von einem Äthergeist in bezug auf den Geistesmenschen sprechen. Dieser Äthergeist sei Lebensgeist genannt. – In drei Teile gliedert sich also die geistige Wesenheit des Menschen: in den Geistmenschen, den Lebensgeist und das Geistselbst.

Binnen dit geestesomhulsel leeft de geestesmens. Hij wordt door de geestelijke levenskracht in dezelfde zin opgebouwd als het fysieke lichaam door de fysieke levenskracht. Op dezelfde wijze als van een etherisch lichaam gesproken wordt, moet daarom ten aanzien van de geestesmens van een etherische geest gesproken worden. Deze etherische geest noemen we levensgeest. – Uit drie delen bestaat dus de geest van de mens: uit de geestesmens, de levensgeesten het geesteszelf.
GA 9/23
Vertaald/47-48

In GA 34:

Und wie der physische Leib durch die physische Lebenskraft zum leiblichen Lebewesen, so wird der Geistesmensch durch die geistige Lebens­kraft zum Lebensgeist (in der theosophischen Literatur Buddhi genannt).

En zoals het fysueke lichaam door de fysieke levenskracht tot een ‘lijfelijk’ wezen wordt dat leeft, zo wordt de geestmens door de geestelijke levenskracht tot levensgeest. In de theosofische literatuur wordt dit buddhi genoemd.
GA 34/134
Niet vertaald

Buddhi vertaalt hij op blz. 135 metspiritueller Körper‘,  spritueel lichaam.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3039-2854

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling van het jonge kind

Loïs Eijgenraam*, Antroposofisch Magazinea, december 2019 nr 15
.

Weerbaarheid en zelfvertrouwen
.

“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan!” zei kinderboekenheldin Pippi Langkous.

Soms zou je als ouder deze kant van Pippi graag wat meer in je kind vertegenwoordigd zien wanneer het weinig zelfvertrouwen lijkt te hebben. Eigen ervaringen en voorbeelden van anderen kunnen je kind helpen om zich staande te houden en ‘te trouwen met zichzelf’.

“Ik zou willen dat mijn kind wat meer zou durven,” vertelt een moeder van een achtjarige zoon langs de lijn van het voetbalveld. “Mijn kind slaat gelukkig van zich af als iets wordt afgepakt. Je kunt er in deze wereld niet vroeg genoeg mee beginnen je kind weerbaar te maken,” aldus een moeder van een anderhalfjarige dreumesdame.

Of je je nu meer in de voetbalmoeder of in de dreumesmama herkent, vroeg of laat kom je de begrippen ‘weerbaarheid’ en ‘zelfvertrouwen’ tegen in je ouderschapsloopbaan. Hoe leren onze kinderen dit? Er is genoeg aanbod aan weerbaarheidscursussen voor kinderen, maar is dat wel de manier?

Trouwen met jezelf

Wat betekent weerbaarheid? Weer-baar-heid bestaat uit drie woorden. Weer betekent volgens het etymologisch woordenboek ‘weder’, terug of tegen. Baar ‘iets dat gedragen wordt’ en ‘heid’ geeft de toestand aan waarin iets verkeert. Ons kind laat dus zien of het zichzelf kan dragen als iets tegen hem of haar aankomt. Of als iets terugkomt naar ons kind. Een vriendje kan tegen je aanbotsen. Iemand kan iets terugzeggen dat je kind misschien niet verwachtte. Ons kind is dus blijkbaar weerbaar als het kan blijven staan en zichzelf kan blijven dragen bij tegen en terug.

Zelfvertrouwen en weerbaarheid worden vaak in één adem genoemd. Zelfvertrouwen, je-zelf-ver-trouwen. Trouwen met je verre zelf, mag ik het woord zo uit elkaar halen? Wat heb je als kind nodig om met jezelf te trouwen zodat je verre zelf dichtbij komt?

Vitamine F en W

Ooit hoorde ik een verhaal van iemand over de geboorte van een vlinder. De vlinder wurmde zich urenlang uit de cocon naar buiten toe. De toeschouwer vond de inspanning die de vlinder moest leveren zo groot dat hij de vlinder een beetje hielp. Voorzichtig peuterde hij de cocon open zodat de vlinder makkelijker tevoorschijn kon komen. Wat bleek? De vlinder kon niet vliegen. Vlinders hebben de weerstand, de tegenbeweging van de coconopening nodig om de vleugels te activeren om hun toekomstig werk te kunnen doen en te worden wie ze zijn: een vlinder.

Wat kan dit verhaaltje ons leren over zelfvertrouwen en weerbaarheid? Als kinderen worden geboren, begint de reis naar het trouwen met hun verre zelf. De navelstreng wordt doorgeknipt, de levensadem nemen ze in zich op. Ze oefenen zelf het drinken te verteren. Na de nodige darmkrampen lukt dit! Wat een mijlpaal; heeft het kind zelf gedaan! Kinderen die het gegund wordt op eigen kracht te gaan staan en lopen, stralen een enorme trots en zelfverzekerdheid uit! Met tweeëneenhalf à driejaar gaan ze ‘ik’ zeggen. Ze ervaren nu bewust: ik ben een zelf, een ik! Ondertussen hebben ze ook ervaren hoe heerlijk het is het eigen spel te spelen en zo de wereld te leren kennen. Niet alleen de buitenwereld, maar bovenal de eigen binnenwereld. Alles zelf doen is hun motto. Niet om ons als ouders dwars te zitten, maar om te ervaren wat doorzettingsvermogen is. Om te voelen hoe fijn het is steeds meer in de wereld te vinden waarmee jij en jezelf een verbinding aangaan. In je lichaam groeit een ruimte waar jij als kind dit trouwe zelf onderdak geeft. Je gaat zo op jezelf vertrouwen dat het een kostbare schat voor de rest van je leven blijkt te zijn. Wat hebben jouw ouders hiervoor gedaan? Ze hebben je zelf leren rollen, zitten en lopen. Jouw je eigen spel gegund. Op z’n tijd vitamine F van frustratie en W van weerstand geschonken. Frustratie over een knoop van je broek die niet dichtwilde. Weerstand omdat veters strikken zo moeilijk bleek te zijn maar op een dag toch lukte! In je binnenkamer jubelde jezelf-ver-trouwen mee! ‘Yes, dit kan ik!’ Wat kunnen wij als ouders nog meer doen om ons kind zelfvertrouwen en weerbaarheid mee te geven?

Nabootsen

Onze kinderen houden van een leven waarin voorspelbaarheid en gewoonten hen dragen. Hierdoor ervaren kinderen dat zij gedragen worden. Gedragen door afspraken en rituelen. Kinderen kijken ook hoe wij als ouders dit allemaal doen. Ons voorbeeld bootsen zij na. Hierdoor groeit in hen een begrip voor de wereld om hen heen. Dit resoneert in hun binnenkamer mee en wordt bewaard als een kostbaar goed. Deze innerlijke voorraadkamer met opgedane ervaringen en voorbeelden van anderen helpt het kind om in situaties tot handelen te komen. ‘Oh ja, zo doe je dat. Je zegt gewoon dat je meedoet met spelen’ of ‘Ik mag zeggen of ik iets wel of niet fijn vindt. En een ander mag dat ook tegen mij zeggen’. Door het grip krijgen op en kunnen handelen in situaties leert het kind zich te gedragen in het hier en het nu. Het is weer-baar. En die weerbaarheidstraining? Kan. Je mag ook geboren zijn om echt te zijn, niet om perfect te zijn.

*Loïs Eijgenraam werkt als adviseur bij BVS Schooladvies, gespecialiseerd in kinderen van nul tot zeven jaar. Daarnaast heeft ze haar eigen praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning, Ze is auteur van diverse publicaties over de opvoeding van [jonge] kinderen.

.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3037-2852

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over het Ik

.

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine nr. 14, juni 2019
.

Ik   Ik-kracht

Wat bedoelt een antroposoof als hij het over zijn ik-kracht heeft? Dat begrip is een stuk ongrijpbaarder dan spierkracht, wilskracht of overtuigingskracht. Je kunt het eigenlijk nog het best uitleggen door te omschrijven wat het niet is.

Mensen kunnen op allerlei manieren ‘krachtig’ zijn. Dat begint al op puur fysiek niveau: sommige mensen hebben veel spierkracht, van anderen zeggen we dat ze sterke botten hebben, of een krachtige bouw. En als je weer eens zo’n potje augurken moet opendraaien blijkt of je ook specifiek kracht in je handen hebt. Op een wat minder grof-stoffelijk niveau kun je ook spreken van mensen met veel levenskracht: die worden niet meteen ziek als ze eens een paar nachten te weinig slaap krijgen, slecht eten, of veel aan hun hoofd (of op hun bordje, of op hun lever] hebben. Levenskracht heeft met gezondheid en vitaliteit te maken.

Ook op innerlijk gebied kun je sterk of krachtig zijn, en dat kan op allerlei manieren zichtbaar worden. Je hebt bijvoorbeeld mensen die gewoonweg altijd krachtig aanwezig zijn. En je hebt mensen die juist helemaal niet opvallen. Dat kun je ook in de spraak bemerken: sommige mensen trekken meteen de aandacht als ze hun mond opendoen, terwijl bij anderen het stemgeluid lijkt op te gaan in het achtergrondgeruis.

Maar innerlijke kracht kan ook heel divers zijn. Sommige mensen hebben een heel sterk gevoelsleven, en dan bedoel ik niet dat ze emotioneel of labiel zijn, maar dat ze wat er zoal gebeurt heel intens, met de meest diverse gevoelsstemmingen, kunnen meebeleven. Anderen worden juist niet zo gemakkelijk ‘bewogen’. Op meer intellectueel gebied hebben sommigen heel sterke meningen, of een grote overredingskracht, terwijl anderen steeds twijfelen en snel van hun standpunt zijn af te brengen. En ook op het gebied van het handelen kun je krachtige mensen vinden, die altijd in actie komen als er iets gedaan moet worden, terwijl anderen eerder passief zijn. Of, om een andere vorm van wils-sterkte te noemen: er zijn mensen die altijd afmaken wat ze aan het doen zijn, terwijl anderen het een na het andere beginnen zonder ooit iets af te ronden.

Binnen dit hele landschap van manieren waarop je als mens krachtig en sterk kunt zijn spreken antroposofen dan ook nog van een ‘Ik-kracht’. Wat wordt daarmee bedoeld?

Vertel eens iets over jezelf

Ik herinner me ooit eens verrast te zijn door een scène in de (verder redelijk oppervlakkige] film Anger management, waarin Jack Nicholson als therapeut op een gegeven moment aan de hoofdpersoon Dave als openingsvraag stelt: “Vertel eens iets over jezelf.” Eerst begint Dave te vertellen over wat hij in het leven doet. De therapeut onderbreekt: “Nee, niet over je beroep, vertel over jezelf!” Dave begint opnieuw, vertelt over waar hij van houdt, wat hij in zijn vrije tijd doet. “Nee, nu vertel je over je hobby’s. Vertel over jezelf!” Derde poging: Dave vertelt over zijn karakter, dat hij wel een ‘nice guy’ is. Therapeut: “Nu vertel je over je persoonlijkheid. Ik wil graag dat je ons over jezelf vertelt!”

Tja. Wat moet je dan zeggen? Je merkt daaraan dat alles wat je ‘over jezelf’ kunt zeggen beschrijvingen zijn van uitingen, aspecten, kenmerken. En alle vormen van kracht die we eerder noemden zijn vormen van kracht op dat soort gebieden. Maar met Ik-kracht bedoelt een antroposoof dus precies niet dergelijke uitingen, aspecten, of kenmerken, maar de kracht van jezelf. En als je die wilt beschrijven, lijk je dus precies in verlegenheid te komen -net als die arme Dave in de film.

Maar gelukkig is het vrij eenvoudig om die verlegenheid te ontmaskeren. De vergissing is dat ‘iets over jezelf vertellen’ zou moeten bestaan in iets anders dan het noemen van uitingen, eigenschappen, aspecten, of dat nou op het gebied van het fysieke, van de vitaliteit, van het innerlijk, of van het sociale is. Want het is precies in die uitingen, eigenschappen, aspecten dat je ‘jezelf’ kunt zijn. Of, beter gezegd, dat doe je tot op zekere hoogte, in sommige van die uitingen en kenmerken meer, in andere minder. Ik-kracht is dan dus de mate waarin je doen en laten, je gedachten en gevoelens, je karakter, gewoontes, temperament, enzovoort, niet slechts ‘gegeven’ eigenschappen zijn, zoals bijvoorbeeld je haarkleur ‘gegeven’ is.

Eigenheid

Ik-kracht kun je dus niet vastmaken aan, bijvoorbeeld, of iemand een sterke wil heeft. Als je het puur uiterlijk, oppervlakkig bekijkt hebben ook mensen met een compulsieve stoornis een ‘sterke wil’. Het onderscheid tussen een sterke wil die uitdrukking is van Ik-kracht, en een sterke wil die dat juist niet is, kun je niet op uiterlijke gronden maken. Daarvoor moet je het vermogen ontwikkelen om achter de uitingen en eigenschappen te kijken.

Als je zo achter de uitingen en eigenschappen gaat kijken, dan kun je ontdekken dat Ik-kracht helemaal niet per se met ‘uiterlijk vertoon’ gepaard hoeft te gaan. Het kan zich ook daarin uiten dat iemand in een lastige situatie zichzelf juist helemaal terughoudt, zwijgt, om ruimte te geven aan de ontwikkeling van een ander. Maar net zo goed kan Ik-kracht werkzaam zijn in het inzetten van vrolijkheid om lucht in een sociaal benarde situatie te brengen. In je innerlijk, in je gedrag, in je gewoontes en neigingen, leef je dan niet meer slechts uit hoe je nou eenmaal bent. In plaats daarvan zet je jouw eigenheid op zo’n manier in, dat dat vruchtbaar is in de situatie waarin je jezelf vindt. En dat kan behoorlijk tegen je natuurlijke neigingen en gewoontes ingaan!

Met je Ik-kracht kun je zo je hele wezen langzaamaan omvormen en ontwikkelen. In onze opeenvolgende aardelevens kunnen we daar steeds weer nieuwe stappen in zetten. 

.

Over het Ik

Ik en reïncarnatie

Algemene menskunde voordracht 1: het Ik

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3031-2846

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (25-05-1923)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

Rudolf Steiner roert hier geen pedagogische onderwerpen aan. Wel spreekt hij indringend over de voorwaarden waaronder de vrijeschool kan groeien: ‘De vrijeschoolbeweging is alleen maar denkbaar in een vrij geestesleven’.
Zijn idee van een ‘wereldschoolvereniging’ ziet hij als faliekant mislukt. 
Door een gebrek aan wil.
Ook de relatie driegeledingsbeweging en vrijeschool komt niet van de grond.

Niet zoveel veranderd dus, in die 100 jaar!

.

GA 298

Blz. 174

Ansprache an der dritten ordentlichen Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»

Toespraak bij de derde gewone algemene ledenvergadering van de Vereniging ‘Vrije School’ Stuttgart.

Meine sehr verehrten Anwesenden, liebe Freunde! Es obliegt mir, die dritte ordentliche Mitgliederversammlung des Vereins für ein freies Schulwesen, des Waldorfschulvereins, hiermit zu eröffnen. Es ist mir eine tiefe Befriedigung, Sie bei dieser Gelegenheit im Namen des Vorstandes auf das herzlichste begrüßen zu können, und ich drücke Ihnen auch meine Freude darüber aus, daß Sie mit uns zusammen die weiteren Schicksale des Waldorfschulvereins beraten wollen. Bevor wir in die offizielle Tagesordnung eintreten, gestatten Sie mir, daß ich gewissermaßen als eine Art Einleitung zu dem Berichte des Gesamtvorstandes einiges voraussende über den Gang der Waldorfschul-Bewegung als solcher und über die Angelegenheiten der Waldorfschule, soweit Sie an diesem Gange beteiligt sind.

Zeer geachte aanwezigen, beste vrienden,

Het is aan mij om de derde gewone algemene ledenvergadering van de Vereniging voor een vrij schoolwezen, van de vrijeschoolvereniging, hierbij te openen.
Het doet me veel genoegen bij deze gelegenheid uit naam van het bestuur u van harte welkom te mogen heten en ik wil ook graag mijn genoegen uitspreken dat u met ons samen van gedachten wilt wisselen over het verdere lot van de vrijeschoolvereniging.
Voor dat we overgaan tot de officiële agenda sta mij dan toe dat ik als een soort inleiding bij het verslag van het bestuur iets vooraf laat gaan over de gang van  zaken van de vrijeschoolbeweging en over wat de vrijeschool betreft, voor zover deze met die zaken heeft te maken.

Nun liegt ja hinter uns vor ganz kurzer Zeit die so außerordentlich erfreulich verlaufene pädagogisch-künstlerische Tagung, in der ja dasjenige, was erstrebt wird mit der Waldorfschul-Bewegung, und was erstrebt werden kann überhaupt mit einer pädagogischen Bewegung, die den Anforderungen der Gegenwart und der nächsten Zukunft gerecht wird, in so anschaulicher Weise vor wahrscheinlich Sie alle und viele andere Interessenten hingetreten ist. Es braucht also zunächst, wenn über den augenblicklichen Stand der Waldorfschul-Bewegung gesprochen wird, eigentlich nur auf dasjenige hingewiesen zu werden, was bei dieser pädagogisch-künstlerischen Tagung eben zutage getreten ist. Ich möchte mir aber doch gestatten, heute einiges vielleicht gerade als Grundton für diese Versammlung Wichtige noch zu betonen. Wir haben ja unsere letzte Versammlung hier gehabt in einem Zeitpunkte, in dem ich darauf aufmerksam machen durfte, wie das Wollen unserer Waldorfschul-Bewegung seine Bewährung und Verbreitung dadurch hat zeigen können, daß ja an mich selbst damals die Einladung herangegangen war,

Achter ons ligt nog maar de kortgeleden gehouden pedagogisch-kunstzinnige conferentie* die zo prettig is verlopen waarin wat met de vrijeschoolbeweging wordt nagestreefd en wat uiteindelijk nagestreefd kan worden met een pedagogische beweging die voldoet aan de eisen van de huidige tijd en die van de nabije toekomst, die waarschijnlijk voor u allen en vele andere geïnteresseerden op een zo duidelijke manier voor het voetlicht trad. Er hoeft dus eerst wanneer we over de huidige stand van zaken van de vrijeschoolbeweging spreken, eigenlijk alleen maar gewezen te worden op wat bij deze pedagogisch-kunstzinnige conferentie aan het licht trad.
Ik zou me zelf willen toestaan vandaag een paar dingen te zeggen, wellicht om als een basisgedachte voor het belang van deze vergadering te benadrukken. Onze laatste vergadering vond plaats in een tijd waarop ik de aandacht kon vestigen op hoe de wil van onze vrijeschoolbeweging doorzettingsvermogen toonde en zich uitbreidde, toen ik zelf destijds de uitnodiging kreeg

Pedagogisch-kunstzinnge conferentie in Stuttgart van 25- 29 maart 1923.
Rudolf Steiner «Pädagogik und Kunst, Pädagogik und Moral» GA 304A
Vertaald

Blz. 175

über das Wesen dieser Waldorfschul-Bewegung gelegentlich des Shakespeare-Festes in Stratford im Jahre 1922 zu sprechen. Und ich durfte
dazumal darauf hinweisen, daß es ja ein Ergebnis des Umstandes war,
daß man dazumal bekanntgeworden ist in England mit der Waldorfschul-Bewegung, und daß dann für jene Sommerzeit 1922 die Einladung ür den Oxforder Ferienkurs erfolgte, durch welchen ich in die Lage
versetzt worden bin, in ausführlicher Weise in England sprechen zu
können über dasjenige, was die Waldorfschule eigentlich will. Und ein
Ergebnis dieser Oxforder Vorträge war ja die Begründung eines englischen Schulvereins, der ins Auge faßt, zunächst die Kings Langley Schule umzuwandeln in eine Art Waldorfschule und überhaupt für die
Ausbreitung des Waldorfschul-Gedankens in England zu wirken. Damit
aber hat sich überhaupt gezeigt, daß die Ideen und die Impule, welche in der Waldorfschul-Bewegung liegen, in ganz intensiver Weise das Interesse der Gegenwart in Anspruch nehmen. Und wiederum konnte man ja
auch hier selber sehen, wie stark dieses Interesse gerade in England Platz
gegriffen hat dadurch, daß eine Anzahl englischer Lehrer und Lehrerinnen eben die Waldorfschule durch längere Zeit hindurch besuchten im
Beginne dieses Jahres.

om over de aard van deze vrijeschoolbeweging te spreken op het Shakespeare-festival in Stratford in 1922*. En ik mocht er toen op wijzen, dat het een gevolg van de omstandigheden was dat men toen in Engeland de vrijeschoolbeweging leerde kennen en dat toen in die zomer van 1922 de uitnodiging volgde voor de vakantieconferentie in Oxford**, waardoor ik de gelegenheid kreeg om in Engeland uitvoerig te kunnen spreken over wat de vrijeschool eigenlijk beoogt.
En het resultaat van de voordrachten in Oxford was de oprichting van een Engelse schoolvereniging die van plan is als eerste de King Langley*** school in een soort vrijeschool te veranderen en natuurlijk te werken aan de verbreiding van de vrijeschoolgedachte in Engeland. Daarmee is natuurlijk ook duidelijk geworden dat de ideeën en de impulsen die eigen zijn aan de vrijeschoolbeweging, op een heel intensieve manier dat wat er in deze tijd leeft, onder ogen ziet. En ook hier kon je zelf zien hoe men in Engeland geïnteresseerd raakte doordat een aantal Engelse leerkrachten aan het begin van het jaar zelfs een langere tijd op de vrijeschool op bezoek waren.

*Festiviteit in Stratford: Bij Shakespeares geboortedag. Rudolf Steiner sprak op uitnodiging op 19, 21 en 23 april 1922 op de vergadering van de vereniging ‘Nieuwe idealen in de opvoeding’ over ‘Het drama in de opvoeding’ [op deze blog vertaald] en ‘Shakespeare en de nieuwe idealen’ [op deze blog vertaald] 
in “Opvoed- en onderwijs methoden vanuit de antroposofie’ GA 304, op deze blog vertaald – zie inhoudsopgave.

**Bijeenkomst in Oxford: Het internationale congres over «Spiritual Values in
Education and Social Life», Spirituele waarden in opvoeding en maatschappij’, waarvoor Rudolf Steiner was uitgenodigd om te spreken, stond onder de bescherming van de Engelse minister van Onderwijs en andere personen die in het openbare leven van Engeland stonden.
Rudolf Steiner sprak van 16-25 augustus 1922 über «Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst» (12 voordrachten, Oxford 1922), GA 305vertaald; en op 26., 28., 29. augustus 1922 over de «Sociale vraag». (Wel in GA 305, niet in de vertaling

***Kings-Langly werd later ‘New School, Kings Langley .
Door allerlei problemen, deels het gevolg van strenge Engelse onderwijscontrole, sloot de school enige jaren geleden. Er schijnen weer heropeningsplannen te bestaan.

Eine weitere Folge dann der Ausbreitung des Waldorfschul-Gedankens ist ja der Kursus, den ich erst vor ganz kurzer Zeit in Dornach
selbst zu halten hatte vor einer Anzahl von schweizerischen Lehrern,
Schulmännern, die den Kursus zunächst veranstaltet haben. An diesem
Kursus haben aber teilgenommen außer den Schweizer Lehrern siebzehn
tschechische Lehrer. Und es hat sich gerade bei diesem Kursus gezeigt,
wie selbstverständlich es eigentlich den Herzen gerade pädagogischer
Persönlichkeiten erscheint, daß so etwas sich vollzöge, wie es versucht
wird mit unserer Schulbewegung. Man konnte bei alledem, was man
hören konnte bei diesem in Dornach abgehaltenen Kursus, wirklich
ersehen, wie eine tiefe Sehnsucht gerade bei den fachlichen Pädagogen vorhanden ist, irgend etwas in die pädagogische Kunst hineinzubekommen, was nach einer Vergeistigung auf der einen Seite und nach einem
wirklichen Praktischwerden der pädagogischen Kunst auf der anderen
Seite intensiv hinzielt.
Und es ist ja nun einmal sehr begreiflich, daß eine ganz bestimmte

Een verder gevolg van de verbreiding van de vrijeschoolgedachte was dan de cursus die ik zelf nog maar kort geleden in Dornach* moest houden voor een groep van Zwitserse leerkrachten die de cursus in eerste instantie zelf georganiseerd hadden.
Naast de Zwitserse leerkrachten namen er ook nog zeventien leerkrachten uit Tsjechië aan deel. En juist bij deze cursus bleek, hoe vanzelfsprekend eigenlijk het voor de harten van de pedagogen is, dat er zich zoiets als onze schoolbeweging voltrekt, hoe dat met onze schoolbeweging wordt geprobeerd. Je kon aan alles wat je bij deze cursus die in Dornach gehouden werd, echt zien hoe er met name bij de beroepspedagogen een diep verlangen leeft om iets in de pedagogische kunst te kunnen opnemen wat aan de ene kant diep naar een spirituele en aan de andere kant diep toewerkt naar een echt praktisch worden van de pedagogische kunst.
En het is zeker zeer begrijpelijk dat een heel bepaalde

*Van 15 – 22 april 1923.  Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis» GA 306.
Op deze blog vertaald

Blz. 176

Empfindung, ein ganz bestimmtes Gefühl gerade von seiten pädagogischer Persönlichkeiten anläßlich dieses letzten schweizerischen Kursus
zum Ausdruck gekommen ist. Das ist das, daß gerade eigentlich derjenige, dem tief am Herzen liegt, was durch einen solchen Kursus gewollt
wird, daß der gerade in einer gewissen Weise bestürzt wird durch einen solchen Kursus. Ich erzähle nur, was zum Ausdruck gekommen ist: es
sagte jemand anläßlich des Dornacher Kursus, der dazumal die Anschauung von vielen der Versammelten zum Ausdruck brachte, daß die
Ernstgesinnten gerade bestürzt würden dadurch, daß sie sehen, wie
wenig sie in der Lage sind, alles das, was im Verlaufe von wenigen Tagen
an pädagogischen notwendigen Impulsen auf sie einstürmt, mit der
eigenen Seele zu bewältigen.
Nun sehen Sie, ich war dann genötigt, auf diesen Einwand, der mir durchaus berechtigt erschien, auch zu antworten. Es drückt sich ja in einem solchen Gedanken sehr deutlich aus, was für viele Menschen der Gegenwart da ist. Viele Menschen der Gegenwart wissen ganz genau: Es muß etwas ganz Einschneidendes, Eingreifendes kommen, wenn unser
Schulwesen seinen sozialen Anforderungen genügen und herauskommen
soll aus den Zuständen, in die es einmal hineingeraten ist.

gewaarwording, een bepaald gevoel m.n. van pedagogen n.a.v. deze laatste Zwitserse cursus tot uitdrukking is gekomen. En wel zo: dat nu eigenlijk juist  degenen bij wie zo na aan het hart ligt wat door zo’n cursus gewild wordt, dat die nu juist op een bepaalde manier schrikken van zo’n cursus. Ik vertel alleen maar wat tot uitdrukking kwam: n.a.v. de cursus in Dornach toen bij veel aanwezigen bleek dat ze ernstig gestemd waren, juist schrokken omdat ze zagen hoe weinig ze in staat waren om alles wat in verloop van een paar dagen aan pedagogisch noodzakelijke impulsen op hen afstormde met hun eigen gevoel te verwerken. Welnu, ik zag me wel genoodzaakt op deze bedenkingen, die me zeker gerechtvaardigd leken, ook een antwoord te geven. In dergelijke gedachten komt zeer duidelijk aan het licht wat voor veel mensen van nu leeft. Veel mensen van nu weten heel precies: Er moet iets drastisch, iets ingrijpends gebeuren, wil ons schoolsysteem voldoen aan de sociale eisen en uit de toestand komen waarin het terecht is gekomen.

Man gibt sich wirklich nicht sehr häufig Rechenschaft, wie notwendig ein einschneidendes Reformieren der Erziehungsimpulse ist. Aber wenn man nachdenkt, findet man bei Eltern, Lehrern überall im Grunde der Seele die halb oder ganz bewußte Überzeugung, daß solche einschneidende,Impulse in das Unterrichtswesen hineinkommen müssen Dann hören die Menschen dasjenige, was wir zu sagen haben, und es ist so, daß es beider künstlerisch-pädagogischen Tagung vielen so gegangen ist, sie haben gesagt: Das alles soll nun getan werden? Wie kommen wir überhaupt zurecht damit? In ein paar Tagen ergießt sich eine solche Fülle von Forderungen über uns – ja, verzeihen Sie, daß ich es so ausdrücken muß, es ist das eine Empfindung, die ich oft gehört habe -, nun kommt man her in der besten Absicht, und geht fort wie ein mit Idealwasser ganz übergossener Pudel, der, ja – zunächst abschütteln möchte dasjenige, was sich über ihn ergossen hat.
Wie gesagt, es ist das tatäschlich gerade bei der letzten Dornacher
Tagung vielfach zum Ausdruck gebracht worden. Und ich habe darauf

Men geeft zich vaak echt geen rekenschap van hoe noodzakelijk een ingrijpend vernieuwen van de opvoedingsimpuls is. Maar als men nadenkt, vindt men bij ouders, leerkrachten overal basaal in het gevoel de half of geheel bewuste overtuiging, dat er dergelijke ingrijpende impulsen in het schoolsysteem moeten ontstaan. Dan horen de mensen wat wij te zeggen hebben en het is zo dat het op beide pedagogische cursussen voor velen zo is gegaan, dat ze zeiden: Moet dit allemaal gedaan worden? Hoe moet dat voor elkaar komen, dan? In een paar dagen tijd wordt er zo’n hoeveelheid eisen over ons uitgestort – maar neemt u mij niet kwalijk, dat ik het zo zeggen moet, het is een gevoel dat ik vaak gehoord heb – men komt hier met de beste bedoelingen en men vertrekt als een poedel die helemaal met ideaalwater overgoten is, en die meteen van zich af zou willen schudden wat erover hem uitgegoten is.
Zoals gezegd, dat is op de laatste bijeenkomst in Dornach nog al eens tot uitdrukking gebracht. En ik heb daarop

Blz. 177

erwidert: Ja, das ist durchaus einzusehen, aber es ist notwendig, dabei
das Folgende zu bedenken. Für dasjenige, was man heute pädagogisch
übt, was heute überall in den Schulen ausgeübt wird, gibt es lange Zeiten,
in die sich die Menschen hineingewöhnen. Da kann man gemächlich hineinwachsen. – Wir sind genötigt, weil die Leute uns nur immer die
wenigen Tage zuwenden können, die sie für Fortschrittsimpulse zur
Verfügung haben, das, was wir zu sagen haben den Leuten, immer in
wenigen Tagen zu sagen. Es ist ganz begreiflich, daß sich da die Leute in
dieser Weise Übergossen fühlen. Aber wenn das eintreten könnte, was
dennoch notwendig ist, daß immer weitere und weitere Kreise durch die
Anregungen, die ja doch immer gegeben werden, immer weitere und weitere Kreise gewonnen würden, um Interesse zu schöpfen für dasjenige, worum es sich handelt, dann würden wir auch in die Lage kommen, die Dinge in langsamerem Tempo zu sagen, die wir zu sagen haben. Dann brauchten sich die Leute nicht übergössen fühlen.
Das ist ein Beweis dafür, daß in ganz intensiver Weise gearbeitet
werden müßte, um uns die Möglichkeit zu bieten, eben nicht, ich möchte
sagen, im Handumdrehen den Leuten lästig zu fallen mit unseren Ideen,
sondern um tatsächlich das Tempo einhalten zu können, das für das
Auffassen der Ideen den meisten notwendig erscheint. So daß ich darauf
hinweisen muß:

geantwoord: dat kun je zeker zo zien, maar het is nodig daar het volgende nog bij te denken. Voor wat men nu pedagogisch oefent, wat nu overal in de scholen gedaan wordt, heeft de mens veel tijd nodig om daaraan gewend te raken. Daar kun je op je gemak naartoe groeien. We zijn genoodzaakt, omdat de mensen voor ons altijd maar een paar dagen hebben, die hen voor de vooruitgangsimpulsen ter beschikking staan, om wat wij we tegen de mensen willen zeggen, dat altijd in die paar dagen moeten doen. Het is heel begrijpelijk dat de mensen zich op deze manier overspoeld voelen. Maar als zou kunnen gebeuren, wat toch noodzakelijk is, dat steeds bredere kringen bereikt worden die interesse krijgen voor waar het omgaat, ook door de aanwijzingen die toch altijd gegeven worden, dan zouden wij ook in de positie komen de dingen die we moeten zeggen, in een langzamer tempo te brengen. Dan hoefden de mensen zich niet overdonderd te voelen. Het is er wel een bewijs voor dat we heel intensief moeten werken om ons de mogelijkheid te geven nu niet in een handomdraai de mensen lastig te vallen met onze ideeën, maar om daadwerkelijk het tempo aan te kunnen houden dat voor het begrijpen van de ideeën voor de meesten noodzakelijk lijkt. Zodat ik erop moet wijzen:

Wenn von dieser Einsicht ausgegangen wird, dann würde man uns Gelegenheit geben, daß wir uns irgendwie genauer aussprechen, langsamer aussprechen könnten. Es hängt also alles von dem ab, daß in immer weiteren und weiteren Kreisen ein wirkliches Interesse für unsere Sache entsteht. Denn es ist ja einmal ganz merkwürdig, wie die Dinge eigentlich stehen. Sehen Sie, man muß so den inneren Gang der Waldorfschul-Bewegung seit den vier Jahren, seit die Waldorfschul-Bewegung besteht, einmal ins Auge fassen. Die Tatsachen müssen ja natürlich in der richtigen Weise bewertet werden. Wir haben heute rund siebenhundert Schüler in der Waldorfschule und gegen vierzig Lehrer. Ja, wir sind ausgegangen vor Jahren von einem Status, der weniger Lehrer umfaßte und nicht zweihundertfünfzig Schüler. Nun, diese zwei Zahlen, die damalige, zweihundert oder zweihundertfünfzig Schüler, und die jetzige, siebenhundert Schüler, diese zwei Zahlen bedeuten aber innerlich

Wanneer er van dit inzicht uitgegaan wordt, dan zou men ons de gelegenheid geven dat we op de een of andere manier langzamer uiteen zetten wat we willen vertellen. Alles hangt er dus vanaf of er in steeds bredere kring een echte belangstelling voor onze zaak ontstaat. Want eigenlijk is het heel merkwaardig, hoe de dingen ervoor staan.
Kijk, je zou zo eens de interne gang van de vrijeschoolbeweging moeten bekijken sinds de vier jaar dat deze bestaat. De feiten moeten natuurlijk op de juiste wijze beoordeeld worden. We hebben op de vrijeschool nu zo’n zevenhonderd kinderen en tegen de veertig leerkrachten. We zijn jaren geleden uitgegaan van minder leerkrachten en geen tweehonderdvijftig leerlingen. Deze twee cijfers, die tweehonderd of tweehonderdvijftig van toen en de zevenhonderd leerlingen van nu, betekenen intern

Blz. 178

etwas für die Waldorfschul-Bewegung außerordentlich Charakteristisches. Sehen Sie, sie bedeuten nämlich nicht pädagogisch-didaktisch, aber kulturell-sozial ein vollständiges Umstülpen der WaldorfschulBewegung, ein richtiges Umstülpen. Ein – ja, je nach dem Geschmack, den einer hat, kann man sagen: ein auf die Füße stellen oder ein auf den Kopf stellen; das ist mir gleichgültig. Ich meine nämlich das Folgende: Als die Waldorfschule begründet worden ist, war der Gedanke zunächst ein sozialer bei unseren Freunden. Eine Art Einheitsschule sollte begründet werden, eine Schule, die den damals herrschenden sozialen Impulsen, die 1919 ja an die Oberfläche des sozialen Denkens und sozialen Empfindens der Leute traten, entsprach. Eine solche Schule sollte begründet werden. Aus den sozialen Verhältnissen heraus war der Waldorfschul-Gedanke gedacht. Und es kann jetzt eine gewagte Hypothese sein, aber weder Herr Molt noch Sie nehmen es übel, wenn ich – natürlich ist das mit dem bekannten grano salis zu nehmen -, wenn ich in einer Weise, wie man es eben klar zum Ausdruck bringen kann, sage, wie die Umstülpung sich vollzogen hat.

voor de vrijeschoolbeweging iets buitengewoons karakteristieks. Namelijk, geen pedagogisch-didactische, maar een cultureel-sociale ommekeer, echt een ommekeer. Een ommkeer – al naar gelang van iemands opvatting – kan je zeggen met de voeten op de grond of op z’n kop staand; dat is om ’t even.
Ik bedoel het volgende: toen de vrijeschool werd opgericht, was de allereerste gedachte bij onze vrienden iets sociaals. Een soort scholengemeenschap zou er moeten komen, een school die overeen kwam met de toen heersende sociale impulsen die in 1919 manifest werden in het sociale denken en sociale voelen van de mensen. Zo’n school zou er gesticht moeten worden. De vrijeschool was vanuit sociale verhoudingen gedacht. En het kan nu een gewaagde veronderstelling zijn, maar noch de heer Molt of u nemen het me kwalijk als ik zeg – natuurlijk met een korrel zout te nemen – wanneer ik op een bepaalde manier zeg om het helder te verwoorden, hoe die ommekeer zich heeft voltrokken.

Nehmen Sie an, Herr Molt wäre damals nicht Anthroposoph gewesen,
sondern – nicht wahr, da er es nicht gewesen ist, kann man das sagen -,
sondern ein philanthropischer Fabrikdirektor, wie es viele in der damaligen Zeit gegeben hat, so würde der eben auch aus den sozialen Verhältnissen heraus einen solchen Gedanken der Begründung einer Schule gefaßt haben. Aber die Waldorfschule, wie sie heute ist, wäre sicher nicht entstanden. Die Waldorfschule, wie sie heute ist, ist lediglich dadurch entstanden, daß sie aus dem Anthroposophischen herausgeboren ist, also durch den Umstand, daß eben nicht nur ein philanthropischer Fabrikant, sondern Herr Emil Molt, der Anthroposoph, den Gedanken gefaßt hat, und daß er die Anthroposophie für die Methodik und Didaktik zu Hilfe gerufen hat.
So, nun haben wir dasjenige, was wir eigentlich als das Kulturhistorisch-Soziale anführen müssen. Wir haben dieses, daß ein Zeitgedanke
verwirklicht worden ist mit Hilfe der Anthroposophie, die die Methodik
und die Didaktik hergeben sollte.
Nun sehen Sie, im Laufe der Zeit hat sich eben das als Umstülpung
vollzogen, daß die große Anzahl von Schülern, die wir heute haben, also

Laten we eens aannemen dat mijnheer Molt toen geen antroposoof was geweest, maar – omdat dit niet zo was, kunnen we het zeggen – een filantropische industrieel zoals er toen zovelen waren, dan zou die ook vanuit de sociale verhoudingen zo’n gedachte over de oprichting van een school hebben gekregen. Maar de vrijeschool, zoals die nu is, zou er zeker niet zijn gekomen. Want de vrijeschool zoals die nu is, is er enkel en alleen omdat ze vanuit de antroposofie is ontstaan, dus door de omstandigheid dat niet alleen een filantropische industrieel, maar de Heer Molt, de antroposoof, die gedachte opvatte en dat hij   voor de methodiek en didactiek de antroposofie als steun erbij haalde. En zo hebben we dus wat we als het cultuurhistorisch sociale moeten benoemen. We hebben nu dat een tijdsgedachte verwezenlijkt is geworden met behulp van de antroposofie die de methodiek en de didactiek moest geven.
Maar in de loop van de tijd kwam de ommekeer door het grote aantal leerlingen dat we nu hebben, dus

Blz. 179

diese Ausbreitung des Waldorfschul-Gedankens in der Waldorfschule selber, daß sich diese Ausbreitung doch vollzogen hat lediglich wegen der Pädagogik und Didaktik, die in der Waldorfschule gepflegt wird. So daß also die ursprüngliche Idee umgestülpt ist. Die ursprüngliche Idee zog die hier gepflegte Pädagogik und Didaktik heran. Aber die Waldorfschule ist – wie es auch richtig gewesen ist – dasjenige, was sie geworden ist, durch die Pädagogik und Didaktik geworden. Und heute suchen die Eltern, die ihre Kinder in späteren Zeiten eben hereingebracht haben, die Waldorfschule im wesentlichen eben wegen dieser Pädagogik und Didaktik auf. So daß also im Laufe dieser vier Jahre sich diese wichtige Entwicklung vollzogen hat, daß sich innerhalb der Waldorfschule die aus Anthroposophie herausgeborene Pädagogik und Didaktik zur Geltung gebracht hat.
Und diese Pädagogik und Didaktik war es nun, die in England interessiert hat, die den Kursus in Dornach hervorgerufen hat und so weiter. Es ist ein spezifisch pädagogischer Gedanke, der sich durch die Waldorfschule realisiert, und das ist auch dasjenige, was ich im Laufe der letzten Zeit immer mehr und mehr betonen mußte.

deze groei van de vrijeschoolgedachte in de vrijeschool zelf, dat deze groei zich voltrokken heeft alleen maar door de pedagogiek en de didactiek die in de vrijeschool gehanteerd wordt. Zodat het oorspronkelijke idee eigenlijk binnenstebuiten is gekeerd. En nu zoeken de ouders die hun kinderen nu eenmaal later gebracht hebben, de vrijeschoolpedagogiek in de kern vanwege deze pedagogiek en didactiek. Zodat in de loop van deze vier jaar zich deze belangrijke ontwikkeling voltrok, dat zich binnen de vrijeschool de uit de antroposofie geboren pedagogiek en didactiek tot hun recht zijn gekomen. En deze pedagogiek en didactiek was het die in Engeland interesse wekte, die voor de cursus in Dornach zorgde enz. Door de vrijeschool wordt een specifiek pedagogische gedachte gerealiseerd en daar moet ik de laatste tijd steeds vaker op wijzen.

Also die siebenhundert Schüler und überhaupt die Vergrößerung der Waldorfschule hat die in der Waldorfschule gepflegte Pädagogik und Didaktik gebracht. Und Bestrebungen, die heute oftmals zutage treten, Schulen zu begründen nach dem Muster der Waldorfschule, die beweisen das auch.
Sehen Sie, für mich war natürlich das, was sich da realisiert hat, von Anfang an das Gültige. Ich habe vom Anfange an die Aufgabe der
Waldorfschule so gefaßt, daß ich sie als eine rein pädagogisch-didaktische angesehen habe, und im Laufe der Zeit hat sich auch durchaus herausgestellt, daß überall, wo man sich interessierte für den Waldorfschul-Gedanken, es war wegen dieser Pädagogik und Didaktik.
Nun ist das Interesse durch die verschiedenen Kurse ganz entschieden
bei Lehrern, bei Pädagogen bewiesen, aber ich möchte sagen, es ist auch
bewiesen in den Sehnsuchten der Eltern. Sehen Sie, vorgestern kamen
gleich wieder eine Anzahl von Eltern in Berlin zu mir und sagten mir: Ja,
wie machen wir das, jetzt haben wir kleine Schulgruppen gebildet,
Unterricht gegeben, und versuchen dabei, die Waldorfschul-Prinzipien
anzuwenden. Aber nun kommt die Regierung und läßt das nicht zu; wir

Dus die zevenhonderd leerlingen en welbeschouwd dus de groei van de vrijeschool, bracht de pedagogiek en didactiek met zich mee die in de vrijeschool gebruikt wordt. En de ambitie om scholen naar dit model op te richten die vandaag de dag dikwijls blijkt, die bewijzen dat ook.
Voor mij was het natuurlijk zo dat wat vanaf het begin gerealiseerd werd, waar het omging. Ik heb vanaf het begin de opdracht van de vrijeschool opgevat als een puur pedagogisch-didactische en gaandeweg de tijd is duidelijk gebleken dat overal waar er interesse ontstond voor de vrijeschoolgedachte, het om deze pedagogiek en didactiek ging. Door de verschillende cursussen is de belangstelling bij leerkrachten, bij pedagogen duidelijk bewezen, maar dat moet ook gezegd worden: ook door de wensen van de ouders. Eergisteren kwamen in Berlijn meteen weer een paar ouders naar me toe en ze zeiden: Ja, hoe doen we dat, we hebben nu kleine schoolgroepen gevormd, les gegeven en we proberen daarbij de vrijeschoolprincipes te gebruiken. Maar nu komt de overheid en die geeft geen toestemming; wij

Blz. 180

müssen nun unsere Kinder in die Grundschule hineingeben. Könnte man nicht vielleicht dadurch ein Auskunftsmittel schaffen, daß hier eine Filiale der Waldorf schule gegründet würde? – Die Leute dachten, weil in der Waldorfschule das noch immer geht, daß die Regierung nicht kommt, daß da noch liberalere Handhabung vorhanden ist, so ginge es auch vielleicht in wenn man eine Filiale der Waldorfschule errichtete. Ich sagte: Das geht natürlich nicht, und man muß an diesem Beispiel sehen, daß überhaupt die Durchführung des Waldorfschul-Gedankens nicht möglich ist ohne ein im weitesten Kreise Umsichgreifen des Gedankens, ein Anerkennen desjenigen, was eigentlich im Grunde genommen Tausende und aber Tausende, ja viel mehr als Tausende und aber Tausende unbewußt wollen. Die Leute wollen ja im Grunde genommen dasjenige, was hier gewollt wird, und getrauen es sich nur nicht zu gestehen, daß sie es wollen. Und ich halte noch immer fest, daß es richtig war, daß ich die Forderung nach dem Weltschulverein gestellt
habe, nachdem ein Muster da ist; daß es nicht die Aufgabe ist, alle möglichen anderen Versuche zu machen, die eigentlich überall so auftauchen wie, ich möchte sagen, auf dem Gebiete der Medizin die Kurpfuscherei – natürlich nicht die wirkliche Kurpfuscherei, sondern die als Kurpfuscherei gestempelte Kurpfuscherei;

moeten nu onze kinderen naar de gewone basisschool sturen. Zou er misschien een oplossing gevonden kunnen worden door hier een dependance van de vrijeschool neer te zetten? De mensen dachten, omdat het op de vrijeschool nog steeds zo is dat de regering niet komt, dat er nog een liberalere handhaving bestaat, dat het in Berlijn dan misschien ook wel zal lukken als daar een dependance komt. Ik zei dat dat natuurlijk niet ging en aan dit voorbeeld kan je zien, dat het doorvoeren van de vrijeschoolgedachte eigenlijk niet mogelijk is zonder dat de gedachte in de breedste kringen ingang heeft gevonden, een erkenning van wat in de aard van de zaak duizenden mensen, ja meer, onbewust willen. Kortom, de mensen willen wat hier gewild wordt, ze geven het alleen niet toe dat ze het willen. En ik houd het nog steeds voor juist, dat ik de eis stelde van de wereldschoolvereniging omdat er een model voor bestaat; dat het niet de opgave is alle mogelijke andere pogingen te doen die eigenlijk overal zo opduiken als op het gebied van de medicijnen, de kwakzalverij – natuurlijk niet de echte kwakzalverij, maar die als zodanig bestempeld wordt;

daß es wichtiger ist, als diese Sache zu machen, immer weiter und weiter das Verständnis, das wirkliche reale Verständnis für die Waldorfschul-Pädagogik zu verbreiten. Immer weiter und weiter muß es verbreitet werden. Dann wird das andere schon kommen.
Denn sehen Sie, in der pädagogischen Entwicklung selber und in dem
Verhältnis der pädagogischen Entwicklung zu den großen Kultur- und
sozialen Gedanken liegt eigentlich die Forderung der Waldorfschule.
Sehen Sie, vielleicht erscheint es Ihnen doch von einigem Interesse, wenn
ich Sie so auf den Umschwung der menschlichen Empfindungen, denen
die Gedanken noch nicht gefolgt sind, über einen längeren Zeitraum hin
aufmerksam mache. Im März 1792 gab es einen Reichskanzler in Mitteleuropa, der faßte die Aufgabe des Volkspädagogischen nur in die folgenden Worte zusammen: «Es obliegt den Regierungen selbstverständlich die Ausbreitung

dat het belangrijker is dan zoiets te doen, om het begrip, het echte begrip voor de vrijeschoolpedagogiek te verspreiden. Dat moet steeds meer gebeuren. Dan komt het andere wel. In de pedagogische ontwikkeling zelf en in de relatie van deze ontwikkeling tot de grote cultuur- en sociale gedachte ligt de uiteindelijke vraag van de vrijeschool. Misschien stelt u er toch wel belang in, wanneer ik u dan wijs op de verandering in de menselijke gevoelens over een langere tijd, wat nog geen andere gedachten tot gevolg had. In maart 1792 was er in Midden-Europa een rijkskanselier die de opgave van de volkspedagogie zo opvatte: Het is de vanzelfsprekende plicht van de regeringen de rijkdommen

Blz. 181

der Reichtümer des Geistes, und es haben die Regierungen für diese
Ausbreitung der Reichtümer des Geistes ebenso wie für den Genuß der
anderen Gesellschaftsangelegenheiten der Menschen eine Art Staatspolizei zu bilden.» Das war gesprochen aus einem um die pädagogischen
Angelegenheiten besorgten Menschengemüte aus der Zeit vom Ende des 8. Jahrhunderts; in der Zeit gesprochen, wo man eben dachte: Die
Menschen müssen von oben herunter Direktiven bekommen für allen
Genuß von gesellschaftlichen, sozialen, menschlichen Angelegenheiten,
vor allen Dingen Direktiven für die Führung des Pädagogisch-Didaktischen.
Und im 19. Jahrhundert gab es einen jungen Mann, Fröbel, der sagte schon als dreiundzwanzigjähriger junger Mensch: «Mir erscheinen eigentlich alle Versuche auf pädagogischem Gebiete, selbst der Pestalozzische nicht ausgenommen» – so sagte Fröbel -, «als etwas Rohes und bloß Empirisches. Denn notwendig wäre, daß man zu exakten Prinzipien des Unterrichtens komme, wie die Naturwissenschaft exakte Prinzipien hat.» Das sagte Fröbel.

van de geest te verspreiden en de regeringen moeten daarvoor, net zoals voor het plezier van de mensen bij andere maatschappijaangelegenheden, een staatspolitie vormen.’ Dat kwam uit de ziel van iemand die zich zorgen maakte over pedagogische aangelegenheden in de tijd op het einde van de 18e eeuw; gesproken in een tijd waarin men dacht: de mensen moeten van bovenaf richtlijnen krijgen voor elk genot van maatschappelijke, sociale en menselijke aangelegenheden, vooral richtlijnen voor pedagogisch-didactisch leiding geven. En in de 19e eeuw was er een jonge man, Fröbel*, die zei al als drieëntwintigjarige: mij lijken eigenlijk alle pogingen op pedagogisch gebied, zelfs die van Pestallozzi niet uitgezonderd, dat zei Fröbel, als iets grofs en louter empirisch. Want het is nodig tot exacte onderwijsprincipes te komen zoals de natuurwetenschap exacte principes heeft’, aldus Fröbel.

*Friedrich Fröbel, 1782-1852.

Mit diesen zwei Dingen, mit dem Ausspruch des Reichskanzlers
Rottenhahn 1792 und mit der Briefstelle des jungen Fröbel aus einem
Schreiben, das er an seinen Freund Krause gerichtet hat, kann man
ungefähr das charakterisieren, was damals lebte, und was heute überwunden werden muß. Denn es lebte die Meinung – und sie lebt vielfach noch und muß überwunden werden -, es lebte die Meinung: Ja, über solche Angelegenheiten, wie es die pädagogisch-didaktischen sind, macht man sich nicht weiter Ideen; das ist selbstverständlich, daß man das dem Staate überläßt. Und die andere Idee ist diese: Die Naturwissenschaften sind souverän. Wer sie studiert, wer von ihnen ausgeht, muß auch die richtige Pädagogik finden.
Innerhalb beider Strömungen, innerhalb der bevormundenden und
innerhalb der naturwissenschaftlichen Strömung hat sich eben gerade auf
pädagogischem Gebiete gezeigt, daß man in eine Sackgasse hineingeraten
ist. Man wollte selbstverständlich das Allerallerbeste, als man sagte, es sei
auch im pädagogischen Gebiet eine Art Staatspolizei zu begründen; man
wollte selbstverständlich das Allerbeste, aber es ist eben alles dasjenige
entstanden, wovon die Leute empfinden, daß es anders werden muß.

Met deze twee dingen, de uitspraak van rijkskanselier Rottenhahn* 1792 en de briefpassage van de jonge Fröbel die hij aan zijn vriend Krause schreef, kan je ongeveer karakteriseren, wat er toen leefde en wat nu overwonnen moet worden. Want de mening heerste en die komt nog veelvuldig voor, en die moet overwonnen worden, dat er over zulke aangelegenheden als de pedagogisch-didactische, verder geen ideeën ontwikkeld hoeven te worden; vanzelfsprekend wordt dat aan de staat overgelaten. En het andere idee is: de natuurwetenschappen zijn overtuigend. Wie ze studeert, wie ervan uitgaat, zal ook de juiste pedagogiek wel vinden.
Binnen beide stromingen, binnen de betuttelende en binnen de wetenschappelijke is m.n. op pedagogisch gebied wel gebleken dat men op een dood spoor is beland. Vanzelfsprekend wilde men het allerbeste, toen men zei, dat er ook op het gebied van de pedagogie een soort staatspolitie gevormd moest gaan worden; men wilde vanzelfsprekend het allerbeste, maar er is van alles ontstaan waarvan de mensen vinden dat het anders moet worden.

*Rottenhahn, 1792: geen gegevens. Deze?

Blz. 182

Die Pädagogen seufzen danach: Wir wissen eigentlich nicht, wie wir
Menschen behandeln sollen; wir haben geglaubt, durch einen – wie soll
ich sagen, Kuddelmuddel darf ich ja nicht sagen, es hätten auch die
Anhänger der exakten Naturwissenschaft nicht so gesagt -, sagen wir,
eine Synthese – damit man ein anderes Wort gebraucht -, durch eine
Synthese von Anthropologie, Psychologie, Völkerkunde, neuerdings sagt man sogar Psychiatrie, müsse man dasjenige, was Menschenbehandlungskunst ist, zusammenbringen. Die Zeit hat gezeigt, daß so etwas nicht geht, wie Fröbel es wollte aus einem tiefen pädagogischen Sinn heraus. Und heute stehen die Leute so da – das hat sich bei all den Leuten gezeigt, die bei den Kursen waren, das zeigt sich aus einem solchen Wunsch wie dem nach einer Filiale der Waldorfschule in Berlin -, die Leute stehen so da, daß sie sagen: Wir wissen ganz gewiß, es muß etwas kommen. Aber wenn dann die Leute von der Waldorfschule zu uns reden über die Dinge, dann sind wir so wie ein mit Idealwasser übergossener Pudel. In ein paar Tagen geht es nicht hinein in unsere Köpfe, aber wir wissen, es muß etwas kommen.

De pedagogen verzuchten achteraf: we weten eigenblijk niet wat we met de mensen moeten doen; we geloofden, door een – hoe zeg ik dat – een heksenketel mag ik niet zeggen, de aanhangers van de exacte natuurwetenschap zouden het ook niet zo gezegd hebben – maar laten we zeggen door een synthese van antropologie, psychologie, volkenkunde, de laatste tijd zegt men zelfs van psychiatrie, zou men bij elkaar moeten brengen voor wat de kunst is van het behandelen van de mens. De tijd heeft geleerd dat niet gaat wat Fröbel wilde vanuit een diep pedagogische stemming. En nu staan de mensen er zo in – dat kon je aan de mensen zien die bij de cursussen waren, dat kun je zien aan zo’n wens naar een dependance van de vrijeschool in Berlijn – ze staan er zo in dat ze zeggen: we weten zeker dat er iets moet komen. Maar als de vrijeschoolmensen ons dan over die dingen vertellen, dan zijn we net poedels die met ideaalwater zijn overgoten. In een paar dagen gaat dat niet in onze hoofden zitten, maar we weten dat er iets moet komen.

Das ist das, was wir uns ganz klar vor Augen halten müssen: Unsere
Bestrebungen entsprechen den Sehnsuchten von Tausenden und aber
Tausenden von Menschen, und wir müssen alles daran setzen, den
Waldorfschul-Gedanken mit allen seinen Impulsen immer populärer
und populärer zu machen, so daß er etwas wird, was als eine Zeitforderung den Menschen erscheint. Dazu braucht es nämlich nicht einmal
etwas anderes, als daß viele Menschen den Mut geweckt bekommen für
das, was sie in den Tiefen ihrer Seele in unbestimmter Weise längst
empfinden. – Das ist dasjenige, was ich immer noch neuerdings in die
Gemüter der Freunde des Waldorfschul-Gedankens, die bei solchen
Versammlungen erscheinen, hineinströmen lassen möchte. Denn das ist
doch das allerwichtigste, was wir brauchen: Verbreitung des Interesses,
Verbreitung der Bemühung um die Popularisierung der Waldorfschule.
Das ist es, was wir brauchen. Und sehen Sie, in bezug auf den inneren Fortgang unserer Methode ist auch etwas Ähnliches notwendig. Als wir vor vier Jahren die Waldorfschule begründeten, acht Schulklassen hatten, ja, da war es uns durchaus klar: Es muß aus dem heraus geschaffen werden, wonach gestrebt wird

Dat moeten we wel duidelijk voor ogen hebben. Wat wij nastreven beantwoordt aan de verlangens van duizenden mensen en wij moeten alles in het werk stellen de vrijeschoolgedachte met alle impulsen steeds populairder te maken, zodat er iets wordt gedaan wat voor de mensen als een eis van de tijd verschijnt. Dan is er namelijk gewoon niets anders nodig dan dat er bij veel mensen de moed gewekt wordt voor iets wat zij in de diepere lagen van hun ziel op een onduidelijke manier allang voelen. Dit zou ik steeds graag, laatst nog bij de vrienden van de vrijeschoolgedachte die bij dit soort bijeenkomsten aanwezig zijn, in de gemoederen laten binnenstromen. Want verspreiding van de belangstelling, uitbreiding van de inzet om de vrijeschool populairder te maken, is toch het allerbelangrijkste wat we nodig hebben.
Dat hebben we nodig.
En wat de interne ontwikkeling van onze methode betreft, is er ook zo iets nodig. Toen we vier jaar geleden de vrijeschool stichtten, toen we acht klassen hadden, toen was het voor ons heel duidelijk: we moeten werken vanuit hetgeen waar onbewust

Blz. 183

unbewußt von solchen Leuten wie Fröbel oder dergleichen; es muß
geschaffen werden aus echter Menschenerkenntnis Lehrplan, Lehrziel;
alles aus echter Menschenerkenntnis, wie sie sich nur auf dem Boden der
Anthroposophie ergibt. Da bekommt man auch eine allgemein menschliche Schule, keine Weltanschauungsschule, keine Sektenschule, sondern
wirklich eine allgemein menschliche Schule. Was allen als Ideal vorschwebte, schon seit Jahrzehnten, das war uns
damals klar: Man kann nur versuchen – weil man eben Rücksicht
nehmen muß auf die übrigen Verhältnisse -, so weit den Kompromiß zu
treiben, daß man sagt: für die ersten drei Schuljahre muß die Sache so
verlaufen, daß da nur maßgebend ist, was die Menschennatur lehrt, für Lehrziel und Lehrplan. Mit der vollendeten sechsten Klasse (zwölftes
Lebensjahr) und vollendeten achten Klasse (vierzehntes Lebensjahr)
wollten wir die Kinder so weit haben, daß sie auch in eine andere Schule
übertreten können. Wir wollten die Möglichkeit schaffen, auf der einen
Seite durch möglichst lange Zeit den Waldorfschul-Gedanken zu verwirklichen und dennoch den Kindern die Möglichkeit bieten, überzutreten.

naar gestreefd wordt door mensen als Fröbel enzo; er moet vanuit echte menskunde aan een leerplan, leerdoel gewerkt worden, alles vanuit echte menskunde die er alleen is op basis van de antroposofie. Dan krijg je ook een algemeen menselijke school, geen wereldbeschouwelijke, geen sekteschool, maar een echte algemeen menselijke school. Wat al tientallen jaren bij allen als ideaal voor ogen zweeft, was ons toen wel duidelijk. Je kan alleen proberen – omdat je nu eenmaal rekening moet houden met de overige verhoudingen – in zoverre een compromis te sluiten dat je zegt: voor de eerste drie schooljaren moet het zo gaan dat daar alleen maatgevend is voor het leerplan en het leerdoel wat de natuur van de mens ons voorhoudt. Aan het einde van de zesde klas (leeftijd twaalf jaar) en het eind van de achtste (leeftijd veertien jaar) willen we de kinderen zo ver hebben dat ze ook naar een andere school kunnen overstappen. We wilden de mogelijkheid creëren om aan de ene kant door een zo lang mogelijke tijd de vrijeschoolgedachte te verwezenlijken, en de kinderen toch de mogelijkheid geven, over te stappen.

Das ist etwas, was sich eigentlich für die acht Volksschulklassen leichter durchführen läßt als für jene Erweiterung, die auch als eine Notwendigkeit sich herausgestellt hat, für jene Erweiterung, die sich durch die neunte, zehnte, elfte, zwölfte Klasse ergeben hat, wo Gymnasial- und Realschulbildung angesetzt wird an die Volksschul- und Bürgerschul-Bildung. Wo ja, jetzt sagt man die jungen Damen, jungen Herren so weit gebracht werden müssen, daß sie ihr Abiturium ablegen müssen und in eine Hochschule kommen können. Wenn auch bei einzelnen Menschen der gute Wille hervorgetreten ist, eine Hochschule
zu begründen, so sind das vorläufig noch Riesenillusionen; die Dinge, die wir pflegen, sollten immer auf einen ganz realen Boden aufgestellt werden. Nun, die Schwierigkeiten, die liegen natürlich darin, daß wir schon genötigt sind, die jungen Damen und jungen Herren so zu entlassen, daß sie das Abiturium machen können, um dann eine Hochschule besuchen zu können, aus der heraus sie eben Zeugnisse bekommen für dasjenige, was man heute das praktische Leben nennt, um eben in dieses Leben

Voor de acht jaren basisschool kan dit eigenlijk makkelijker doorgevoerd worden dan voor de uitbreiding die noodzakelijk bleek te zijn voor de negende, tiende, elfde en twaalfde klas, waarbij dan aansluitend aan de basisschool de vormen van middelbaar onderwijs bij moeten aansluiten. Waarbij dan, nu zeggen we de jonge dames en heren, zo ver gekomen moeten zijn dat ze eindexamen kunnen doen en naar de universiteit of hogeschool kunnen gaan. Ook al is bij een paar mensen de goede wil gebleken om een hogeschool te stichten, zijn dat voorlopig nog reuzenillusies; de dingen die we goed willen doen, moeten altijd op een heel reëel fundament gebouwd worden. De moeilijkheden bestaan er natuurlijk uit dat we nu al gedwongen worden de jonge dames en heren zo te laten gaan dat ze het eindexamen kunnen doen om dan naar de universiteit te kunnen gaan, dat ze een rapport krijgen voor wat men tegenwoordige het praktische leven noemt, om dus in het leven

Blz. 184

eintreten zu können. Da stellt sich sofort bei diesen höheren Klassen
heraus, wieviel schwieriger es ist, zurecht zu kommen mit der idealen
Waldorfschul-Forderung, den Lehrplan, das Lehrziel von der Menschennatur abzulesen, auf der anderen Seite den Zufallslehrplänen
gerecht zu werden, die gar nichts von dem haben, was eben die Menschennatur fordert.
Wenn das vierzehnte, fünfzehnte, sechzehnte Jahr erreicht ist, dann
müßte man die jungen Damen und jungen Herren einführen in das
wirkliche praktische Leben, das heißt, sie sollten etwas verstehen von
dem, was nun im wirklichen praktischen Leben geschieht. Statt dessen
kommt der Lehrer des Lateinischen und des Griechischen, wirft einem an den Kopf, wenn man die realen Forderungen aus Menschenerkenntnis realisieren will, wenn da Schulstunden sind in chemisch-technologischen Dingen, in Weberei, in Spinnerei, kurz Dingen, die man im Leben
kennen soll – dann kommt der Lateinlehrer und sagt: Dann habe ich nur
so viel Lateinstunden, daß ich nichts vorbereiten kann für das Abiturium.

hun intrede te kunnen doen. Dan blijkt bij deze klassen al meteen hoeveel moeilijker het is, de ideale vrijeschooleis, het leerplan, het leerdoel af te lezen aan de natuur van de mens, te laten slagen; en aan de andere uit te komen met de toevalsleerplannen uit te komen die helemaal niets hebben van wat de menselijke natuur nu eenmaal vraagt. Wanneer het veertiende, vijftiende, zestiende jaar bereikt is, dan zou je de jonge dames en heren  daadwerkelijke het praktische leven in willen laten gaan, d.w.z. dat ze echt iets begrijpen van wat er in het echte praktische leven gebeurt. In plaats daarvan komt de leraar Latijn en/of Grieks, en die werpt je voor de voeten – wanneer je de echte vragen vanuit de menskunde wil verwezenlijken, als er uren zijn met chemisch-technische lesstof, met weven, spinnen, kortom met dingen die je in het leven moet kennen – dat hij maar een paar uur Latijn kan geven en dat hij geen tijd heeft om iets voor het eindexamen voor te bereiden.

Und so kommen dann jene unlöslichen Konflikte heraus dadurch, daß man auf der einen Seite immer bestrebt ist, in der reinsten, schönsten Weise den Waldorfschul-Gedanken zu verwirklichen, auf der anderen Seite ihn zu unterbrechen durch alle möglichen Kompromisse, die naturgemäß gegeben sind dadurch, daß man den jungen Menschen eben aus dem, verzeihen Sie, sogenannten praktischen Leben nicht herausreißen darf. Nicht wahr, wir stellen ihn zwar in das Leben so hinein, wie er hineingestellt sein sollte, aber das sogenannte praktische Leben stößt ihn dann zurück, und er wird zum Bohemien. – Das Wort habe ich auch neulich beim schweizerischen Kursus gebraucht und gleich entschuldigen müssen, weil da Anwesende aus Böhmen waren. – Aber es ist schon so, daß wirklich das durchgreifend eingesehen werden muß, daß wir nicht nach dem Ideal der Boheme hinstreben, sondern nach einem wirklich praktischen Leben, nach einem solchen Erziehen und Unterrichten, das die Menschen wirklich ins praktische Leben hineinstellt. Aber da muß erst im weitesten Umfange ein Verstehen desjenigen, was nun das menschliche Wesen eigentlich enthält und fordert, eintreten.

En op deze manier ontstaan de onoplosbare conflicten doordat men aan de ene kant er steeds naar streeft op de meest pure, waardevolle manier de vrijeschoolgedachte te realiseren, aan de andere kant moet deze doorbroken worden door alle mogelijke compromissen die vanzelf tot stand komen omdat de jonge mens, neem me niet kwalijk, niet losgerukt kan worden uit het zgn. praktische leven. We laten hem wel het praktische leven ingaan, zoals hij daar zijn plaats zou moeten innemen, maar het zgn. praktische leven stoot hem dan terug en hij wordt burgerlijk. [Steiner gebruikt ‘Bohemien’] Dit woord heb ik laatst ook op de cursus in Zwitserland gebruikt en me meteen moeten verontschuldigen, omdat er mensen uit Bohemen bij waren. Maar het is wel zo dat echt fundamenteel moet worden begrepen, dat wij het ideaal van de Bohemien niet natreven, maar een echt praktisch leven, zo’n opvoeding en onderwijs die de mens werkelijk zijn plaats in het leven geeft. Maar daarvoor moet in een grootse omvang ontstaan het begrip van wat een mensenwezen nu eigenlijk is en vraagt,

Blz. 185

Und so wird man nicht den Waldorfschul-Gedanken populär machen, ohne daß man sich entschließt, dasjenige verständlich zu machen, was ich heute andeutete. In weiten Kreisen wird man nicht den Waldorfschul-Gedanken populär machen, wenn man nur in abstrakten Dingen redet, daß die Kinder bequem unterrichtet werden, daß das Lernen spielend geschieht und so weiter. Wenn man mit allen diesen trivialen Gedanken kommt, mit denen alle anderen auch auftreten, wenn man nicht eingeht auf die konkreten Dinge, die nun eben wirklich in den Herzen der Menschen unbewußt liegen, so wird man den WaldorfschulGedanken nicht populär machen. Und wir stehen heute vor der schweren Aufgabe, daß wir eben genötigt sind, irgend etwas zu tun, damit wir in der Zukunft nicht in bezug auf das Finanzielle der Waldorfschule von der Hand in den Mund leben. Man weiß niemals aus den vorhandenen Finanzen, ob man die Waldorfschule drei bis vier Monate wird halten können; man ist immerfort angewiesen, ins Unbestimmte hinein zu wirtschaften. Nun, gewiß, der Waldorfschul-Gedanke ist etwas, worauf man so fest stehen kann, daß man schon den Enthusiasmus auch aufbringt, ins Unbestimmte hinein zu wollen.

En de vrijeschoolgedachte zul je niet populair maken, zonder je voor te nemen duidelijk te maken wat ik nu aangegeven heb. In bredere kring zul je de vrijeschoolgedachte niet populair maken, wanneer je abstract vertelt dat de kinderen op een prettige manier les krijgen, dat het leren spelend gaat, enz.
Wanneer je met al die triviale gedachten aankomt, waarmee anderen ook aan komen zetten, als je niet ingaat op de concrete dingen die echt onbewust in de harten van de mensen liggen, maak je de idee van de vrijeschool niet populair.  En vandaag staan we voor de zware taak dat we genoopt zijn iets te moeten doen om ervoor te zorgen dat we in de toekomst niet van de hand in de tand hoeven leven als het gaat om de financiën van de vrijeschool. Je weet met de beschikbare financiën nooit of je de vrijeschool drie of vier maanden open kan houden, je bent er steeds op aangewezen om in onzekerheid te handelen. Maar zeker, de idee van de vrijeschool is wel iets waarop je kan bouwen, zodat je ook het enthousiasme opbrengt om het onzekere aan te willen gaan.

Aber auf der anderen Seite treten Verantwortlichkeiten zutage, und eigentlich ist die Anstellung eines jeden neuen Lehrers eine solche Verantwortlichkeit, so daß es schon einmal ausgesprochen werden muß: Es müßte die ganze Finanzierung der Waldorfschule als des Ausgangspunktes der Waldorfschul-Bewegung, als des ersten pädagogischen Beispieles, wie man in dieser Methode erzieht und unterrichtet, es müßte die finanzielle Fundierung der Waldorfschule doch auf solche Grundlagen gestützt werden, die eine gewisse Stabilität garantieren.
Das ist dasjenige, was ich Ihnen, ich möchte sagen, als eine notwendige Konsequenz aus dem eben Dargelegten heraus noch sagen möchte. Es müßte alles aufgewendet werden von der verehrten Versammlung, was aufgewendet werden kann, um zu Entschlüssen zu kommen, die eine Stabilisierung der Waldorfschul-Finanzierung so möglich machen, daß man eben weiß: Man kann die Verantwortung tragen, es kann nicht so weit kommen, daß nach ein paar Monaten die ganze Sache reißt. –
Man sieht, wo die Faktoren sind, die die Sache finanziell in die Welt führen wollen. Dann würde auch der äußere Rahmen da sein.

Maar aan de andere kant zijn er verantwoordelijkheden en in feite is de aanstelling van een nieuwe leraar zo’n verantwoordelijkheid, zodat het wel een keer gezegd moet worden: de hele financiering van de vrijeschool zou als uitgangspunt van de vrijeschoolbeweging, als het eerste pedagogische voorbeeld van hoe er met deze methode opgevoed wordt en les gegeven, de financiële basis van de vrijeschool zou toch op dergelijke fundamenten moeten rusten die een bepaalde stabiliteit garanderen.
Dat wilde ik u nog zeggen als de noodzakelijke consequentie van wat ik uiteen heb gezet. De geachte vergadering zou alles moeten uitgeven wat te besteden is om tot beslissingen te komen die het mogelijk maken de financiering van de vrijeschool zodanig te stabiliseren dat je weet: we kunnen de verantwoordelijkheid dragen, het kan niet zo ver komen dat na een paar maanden de hele zaak op de fles gaat. Je ziet waar de factoren liggen die de zaak financieel in de wereld willen zetten. Daarmee heb je dan ook het uiterlijke kader.

Blz. 186

Denn dessen kann ich Sie versichern, meine sehr verehrten Anwesenden und liebe Freunde: Die Dinge, die man erlebt bei Kursen, die gehalten werden, bei meinem Oxforder und meinem Schweizer Kursus, das, was man erlebt als die Sehnsuchten der Lehrer und auch der Eltern, das zeigt, daß die Waldorfschul- Bewegung etwas ist, was tief in unserer Zivilisationsentwicklung als Forderung sitzt. Das ist heute praktisch erwiesen durch alles das, was vorgegangen ist. Auf der anderen Seite zeigt die Art und Weise, wie in der Waldorfschule gearbeitet wird, wie in der Waldorfschule tatsächlich im Lehrerkollegium etwas enthalten ist, etwas, wovon ausstrahlt der ganze Waldorfschul-Impuls, wie da aus dem reinsten Enthusiasmus doch eben ein starkes Wollen sich in die Welt setzt, wie es Ihnen vielleicht hat am besten zutage treten können bei der letzten künstlerisch-pädagogischen Tagung. Nach diesen zwei Seiten hin steht die Sache, ich möchte sagen, auf gesunder Basis.

Want, geachte aanwezigen en beste vrienden, dit kan ik u verzekeren: wat je beleeft in de cursussen die werden gehouden, in Oxford en Zwitserland, als je  de verlangens van de leerkrachten en ook van de ouders beleef, laat dat zien dat de vrijeschoolbeweging iets is, dat als vraag diep in onze ontwikkeling van de beschaving zit. Vandaag is dat in de praktijk bewezen door alles wat er aan vooraf is gegaan. Aan de andere kant laat de manier hoe er op de vrijeschool gewerkt wordt,  hoe er op de vrijeschool in de lerarengroep daadwerkelijk iets leeft, wat de hele vrijeschoolimpuls uitstraalt zien, hoe er vanuit het puurste enthousiasme toch ook een sterke wil in de wereld wordt gezet, die u misschien het beste had kunnen zien bij de laatste kunstzinnige pedagogische cursus. Wat deze twee zaken betreft, is de zaak gezond.

Verzeihen Sie, wenn ich Sie bitte, etws zu beraten darüber, wie zu diesen zwei Säulen,die ich besonders charakterisieren wollte, zu dieser ersten Säule: Zeitforderung von seiten der Eltern und Lehrer, auf der anderen Seite dasjenige, was als ein heiliger, sachgemäßer und fachgemäßer Enthusiasmus in der Waldorfschule lebt, etwas zu beraten darüber, wie die dritte Säule hinzugefügt werden könnte: die Stabilisierung des finanziellen Fundamentes.
Es ist ja traurig, daß man auch über das sprechen muß. Allein, es ist schon einmal so in der Gegenwart, daß zu allem Geld, viel Geld nötig ist.
Und es ist sicher, wenn man die Wege findet, Verständnis für den
Waldorfschul-Impuls hervorzurufen, dann kommt man auch zu den nötigen finanziellen Mitteln. Es ist darum schon so, daß man den Weg finden muß von dem ersten Teil desjenigen, was ich eben auseinandergesetzt habe, zu dem, was ich in aller Unbescheidenheit – so muß es schon in diesem Falle genannt werden – am Schlüsse dieser Auseinandersetzungen als Forderung hinsetzte.

Neem mij niet kwalijk als ik u vraag iets te bespreken over hoe u deze twee pijlers die ik in het bijzonder wilde karakteriseren, deze eerste pijler: de tijdsinspanning van de ouders en leerkrachten en aan de andere kant wat er aan een heilig, adequaat en professioneel enthousiasme in de vrijeschool leeft, gekoppeld kan worden aan de derde pijler: die van de stabilisering van de financiële basis.
Het is treurig dat we het daar ook over moeten hebben. Alleen, in deze tijd is het wel zo dat er voor alles geld, veel geld nodig is. En zeker is, dat als je wegen vindt om voor de vrijeschoolimpuls begrip te wekken, je ook aan de nodige financiële middelen komt.
En daarom is het zo dat je de weg moet vinden van het eerste deel dat ik uiteen heb gezet tot wat ik in alle onbescheidenheid – zo moet ik het in dit geval noemen – aan het eind van deze uiteenzettingen als eis neerzette.

(Daarna kwam het zakelijke deel aan de beurt.)

.

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3028-2843

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 58

.

De toelichtingen bij GA 34 en GA 53 helpen mee het ‘geestzelf’ te begrijpen. In GA 55 en GA 56 vinden we over het geestzelf weer een paar karakteristieken, nadat Steiner over het Ik iets heeft verteld en in GA 57 gaat Steiner van denken, voelen en willen uit. Het Ik werkend aan het denken.
In GA 58 verbindt Steiner de ontwikkeling van het Ik aan de idee van reïncarnatie.

GA 58

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

Voordracht 2, München 5 december 1909

Die Mission des Zornes «Der gefesselte Prometheus»

De missie van de toorn De gekluisterde Prometheus

Blz. 54  vert. 17-18

Das Ich des Menschen geht von Leben zu Leben, und so, indem es von Leben zu Leben geht, vollzieht es die Entwickelung. Wie geschieht diese Entwickelung? Dadurch geschieht diese Entwickelung, daß die drei niederen Glieder der
menschlichen Wesenheit von dem Ich aus bearbeitet werden. Da haben wir den astralischen Leib, den Träger von Lust und Leid, von Freude und Schmerz, von Trieb, Begierde und Leidenschaft. Betrachten wir einen auf niedriger Stufe stehenden Menschen, dessen Ich noch wenig gearbeitet hat zur Reinigung des astralischen Leibes: er folgt mit seinem Ich als ein Sklave den Trieben,
Begierden und Leidenschaften. Vergleichen wir einen solchen Menschen mit einem andern, höherstehenden, dessen Ich so gearbeitet hat am astralischen Leib, daß es umgewandelt hat die niederen Triebe, Begierden und Leidenschaften in sittliche Ideale, in ethische Urteile, dann haben wir zunächst ein Anfangsbild von der Arbeit des Ich an dem astralischen Leib des Menschen.
So sehen wir das Ich von innen heraus arbeiten an den Hüllen des Menschen, zunächst an der astralischen Hül-

Dit ik van de mens gaat van leven tot leven, en daardoor bewerkstelligt het zijn ontwikkeling. Hoe vindt deze ontwikkeling plaats? Dat gebeurt doordat de drie lagere delen van de menselijke natuur van het ik uit bewerkt worden. Daar is bijvoorbeeld het astrale lichaam, de drager van vreugde en verdriet, van lust en onlust, van driften, begeerten en hartstochten. Wanneer we nu een mens bekijken die op een vrij laag niveau van ontwikkeling staat, wiens ik nog maar weinig gewerkt heeft aan het zuiveren van het astrale lichaam, dan zien we dat hij met zijn ik als een slaaf zijn driften, begeerten en hartstochten volgt. Vergelijken we zo’n mens met een ander, die op een hoger niveau van ontwikkeling staat, wiens ik zo gewerkt heeft aan het astrale lichaam dat het de lagere aandriften, begeerten en hartstochten heeft getransformeerd in morele idealen en ethische oordelen, dan krijgen we een eerste indruk van de werkzaamheid van het ik aan het astrale lichaam. Zo zien we hoe het ik van binnenuit aan de ‘omhulsels’ van de mens werkt, in de eerste plaats aan het astrale omhulsel, 

Blz. 55

le, an der Bewußtseinshülle. Wir können also sagen: An jedem Menschen, der heute vor uns steht, können wir unterscheiden dasjenige, was sozusagen ohne seine Arbeit ihm mitgegeben ist im Dasein – denjenigen Teil des astralischen Leibes, an dem das Ich noch nicht gearbeitet hat, und denjenigen Teil, den das Ich bewußt schon umgearbeitet hat. Denjenigen Teil des astralischen Leibes, den das Ich schon verwandelt hat, den bezeichnen wir mit Geistselbst oder Manas.

het bewustzijnsomhulsel. We kunnen dus zeggen: bij ieder mens die voor ons staat kunnen we onderscheid maken tussen wat hem zogezegd zonder zijn toedoen is meegegeven in het leven, namelijk het deel van het astrale lichaam waaraan zijn ik nog niet gewerkt heeft, en het deel dat het ik al bewust getransformeerd heeft. Het deel van het astrale lichaam dat het ik al heeft omgewerkt, noemen wij ‘geestzelf ’ of ‘manas’
GA 58/54-55
Vertaald/20-21

Voordracht 3, Berlijn 22 oktober,1909

Die Mission der Wahrheit (Goethes «Pandora» in geisteswissenschaftlicher Beleuchtung)

De missie van de waarheid

Blz. 77   vert. 39

Seinen physischen Leib hat der Mensch gemeinsam mit den Mineralien, Pflanzen und Tieren, den Ätherleib nur mit den Pflanzen und Tieren, den Astralleib endlich nur mit den Tieren. Durch das Ich kann der Mensch erst eigentlich Mensch sein, kann er sich von Stufe zu Stufe weiterentwickeln.

Zijn fysieke lichaam heeft de mens immers gemeen met mineralen, planten en dieren, zijn etherlichaam alleen met planten en dieren, zijn astrale lichaam ten slotte met de dieren. Door het ik kan de mens eigenlijk pas mens zijn, kan hij zich stap voor stap verder ontwikkelen.

Dieses Ich arbeitet an seinen übrigen Gliedern, läutert und reinigt die Triebe, Neigungen, Begierden und Leidenschaften des Astralleibes und wird den ätherischen und physischen Leib auf immer höhere und höhere Stufen führen. Aber gerade wenn man dieses

Dit ik werkt aan de andere wezensdelen: het loutert en zuivert de driften, neigingen, begeerten en hartstochten van het astrale lichaam en het zal het etherische en het fysieke lichaam tot steeds hogere niveaus van ontwikkeling brengen. Maar als wij dit

Blz. 78  vert. 40

Ich ins Auge faßt, dann zeigt sich, daß dieses menschliche Ich, dieses hohe und würdige Glied der menschlichen Wesenheit, wie eingeklemmt ist zwischen zwei
Extremen. Der Mensch soll durch das Ich immer mehr und mehr ein Wesen werden, das seinen Mittelpunkt in sich selber hat. Aus dem Ich heraus müssen die Gedanken, Gefühle und Willensimpulse entspringen. Je mehr der Mensch den festen und inhaltsvollen Mittelpunkt in sich hat, desto mehr strahlt aus von seiner Wesenheit, desto mehr vermag er der Welt zu geben, desto inhaltsvoller und stärker wird sein Wirken und alles, was von ihm ausgeht. Falls der Mensch nicht in der Lage ist, diesen Mittelpunkt in sich zu finden, ist er der Gefahr
ausgesetzt, sich zu verlieren in einer falsch verstandenen Betätigung seines Ich. Er würde zerfließen in der Welt und wirkungslos durch das Leben gehen.

ik nu nader bekijken, dan zien we dat dit hoogstaande en waardige deel van ons wezen als het ware ingeklemd is tussen twee extremen. Het ik heeft de taak de mens steeds meer een wezen te laten worden dat zijn middelpunt in zichzelf heeft. Uit het ik moeten zijn gedachten, gevoelens en wilsimpulsen ontspringen. Hoe sterker en voller in een mens dit middelpunt wordt, des te meer kan er van zijn wezen uitstralen, des te meer heeft hij de wereld te geven en des te krachtiger en zinvoller zal alles zijn wat hij doet en wat van hem uitgaat. Is de mens niet in staat dit middelpunt in zichzelf te vinden, dan loopt hij het gevaar zich te verliezen in een verkeerd begrepen activiteit van zijn ik. Hij zou uitvloeien in de wereld en onwerkzaam door het leven gaan.

Auf der anderen Seite kann er einem andern Extrem verfallen. So wie der Mensch sich auf der einen Seite verlieren kann, wenn er nicht alles tut, um sein Ich inhaltsvoller und kräftiger zu machen, so kann er, wenn er nur bestrebt ist, das Ich zu erhöhen, diesem Ich immer mehr und mehr zuzuführen, so kann er in das andere verderbliche Extrem verfallen, das in die von aller menschlichen Gemeinsamkeit abführende Selbstsucht führt. Auf der andern Seite steht also die Selbstsucht, der in sich verhärtende und verschließende Egoismus, der das Ich vom Wege seiner Entwickelung abbringen kann. In diese zwei Dinge ist das Ich eingeschlossen.

Aan de andere kant kan hij in een ander extreem vervallen. Zoals de mens aan de ene kant zichzelf kan verliezen, wanneer hij niet alles doet om zijn ik voller en sterker te maken, zo kan hij, wanneer hij er alleen maar op uit is zijn ik te verheffen en steeds meer te vullen, in het andere schadelijke extreem vervallen: namelijk het egoïsme, dat hem wegvoert van alle menselijke gemeenschap. Hier is het dus de zelfzucht, het verhardende egoïsme dat zich in zichzelf opsluit, waardoor het ik van zijn ontwikkelingsweg af kan raken. Tussen deze twee posities bevindt zich het ik.
GA 58/77-78
Vertaald/39-40

Voordracht 7, Berlijn 25 november 1909

Das Wesen des Egoismus
Het wezen van het egoïsme

Blz. 224  vert. 124

Im geisteswissenschaftlichen Sinne betrachten wir den Menschen nicht bloß als einen physischen Leib, den ja der Mensch gemeinschaftlich hat mit der ganzen mineralischen Natur, sondern wir sprechen davon, daß der Mensch in sich trägt als ein höheres Glied seiner Wesenheit zunächst den Ätherleib oder Lebensleib, den er mit allem Lebenden gemeinschaftlich hat; daß er sodann mit dem gesamten Tierreich gemeinsam hat den Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz, den wir den astralischen Leib oder den Bewußtseinsleib nennen und wir sprechen davon, daß innerhalb dieser drei Glieder des Menschen sein eigentlicher Wesenskern lebt, das Ich. Dieses Ich müssen wir auch als den Träger des Egoismus im berechtigten und unberechtigten Sinne ansehen.

In de geesteswetenschap zien wij de mens niet alleen als een wezen met een fysiek lichaam, dat hij immers gemeen heeft met de hele minerale natuur, maar zeggen wij dat de mens ook hogere wezensdelen in zich draagt. Allereerst is daar het etherlichaam of levens-lichaam, dat hij gemeen heeft met alles wat leeft; dat wat hij dan de drager van zin en leed, vreugde en verdriet samen heeft met het totale dierenrijk, noemen wij dan het astrale lijf of het bewustzijnslijf. En wij zeggen dan dat binnen deze drie delen van de mens zijn eigenlijke wezenskern leeft, het ik. Dit ik moeten we ook als de drager zien van het egoïsme in gerechtvaardigde en ongerechtvaardigde zin.

Dieses Ich müssen wir auch als den Träger des Egoismus im berechtigten und unberechtigten Sinne ansehen. Nun besteht alle Entwickelung des Menschen darin, daß er von seinem Ich aus die drei übrigen Glieder seiner

Dit ik moeten we ook als de drager zien van het egoïsme in gerechtvaardigde en ongerechtvaardigde zin. Nu houdt alle ontwikkeling van de mens in dat hij vanuit zijn ik de drie andere delen van zijn wezen

Blz. 225  vert. 124-125

Wesenheit umgestaltet. Auf einer unvollkommenen Stufe des Daseins ist das Ich der Sklave der drei unteren Glieder, des physischen Leibes, des Ätherleibes und des astralischen Leibes. Wenn wir nun den astralischen Leib betrachten, können wir sagen: der Mensch folgt auf einer untergeordneten Stufe seines Daseins allen Trieben, Begierden und Leidenschaften. Aber je höher er sich entwickelt, desto mehr läutert er seinen astralischen Leib, das heißt, er verwandelt dasjenige, dessen Sklave er ist, in etwas, was von seiner höheren Natur, von seinem
Ich aus beherrscht wird, so daß das Ich immer mehr und mehr Herrscher und Läuterer wird der übrigen Glieder der menschlichen Wesenheit. Und auch das ist schon invorhergehenden Vorträgen angeführt worden, daß der Mensch heute mitten in dieser Entwickelung drinnen steht und einer Zukunft entgegengeht, in welcher das Ich immer mehr Herrscher geworden sein wird über alle drei Glieder der menschlichen Natur. Denn indem der Mensch den astralischen Leib umwandelt, erzeugt er indemselben dasjenige, was wir das «Geistselbst» nennen, oder mit einem Ausdruck der orientalischen Philosophie «Manas».
Wie der Mensch heute lebt, hat er einen Teil seines astralischen Leibes umgewandelt in Manas.

omwerkt. Zolang de mens nog op een lager ontwikkelingsniveau staat, is zijn ik de slaaf van de drie lagere lichamen, van het fysieke, het etherische en het astrale lichaam. Als wij nu het astrale lichaam bezien, kunnen we zeggen: in een lager ontwikkelingsstadium volgt de mens al zijn driften, begeerten en hartstochten. Maar hoe meer hij opklimt in zijn ontwikkeling, des te meer loutert hij zijn astrale lichaam, dat wil zeggen, hij verandert datgene waarvan hij de slaaf is, in iets wat door zijn ik, door zijn hogere natuur beheerst wordt. Zo wordt het ik steeds meer heerser en louteraar van de andere delen van de menselijke natuur. En ook dit is al in eerdere voordrachten vermeld, dat de mens tegenwoordig midden in deze ontwikkeling staat en een toekomst tegemoet gaat waarin het ik steeds meer de heerser zal zijn over de drie delen van de menselijke natuur. Want naarmate de mens zijn astrale lichaam omwerkt, schept hij daarin wat wij het ‘geest-zelf ’ noemen of, met een term uit de oosterse filosofie, ‘manas’. Zoals de mens tegenwoordig is, heeft hij een deel van zijn astrale lichaam omgewerkt tot manas.
GA 58/224-225
Vertaald/124-125

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3025-2840

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 57

.

De toelichtingen bij GA 34 en GA 53 helpen mee het ‘geestzelf’ te begrijpen. In GA 55 en GA 56 vinden we over het geestzelf weer een paar karakteristieken, nadat Steiner over het Ik iets heeft verteld en in GA 57 gaat Steiner van denken, voelen en willen uit. Het Ik werkend aan het denken.

GA 57

Wo und wie findet man den Geist?

Waar en hoe vind je de geest?

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten

De Europese mysteriën en hun ingewijden

Blz. 434

Alle Einweihung beruht ja darauf, daß der Mensch sich erhebt zu einem höheren Anschauen, zu einer höheren Entwickelung der Seele. Bevor er sich so erhebt, hat er drei Fähigkeiten in seiner Seele: Denken, Fühlen und Wollen.
Diese drei Seelenkräfte hat er in sich. So, wie er gewöhnlich lebt in der heutigen Welt, sind diese drei Seelenkräfte in einer innigen Verbindung. Mit seinem Ich ist er hineinverwoben in Denken, Fühlen und Wollen, weil der Mensch, bevor er durch die Einweihung aufsteigt, noch nicht vom Ich aus an der Entwicklung der höheren Leiber gearbeitet hat. Zunächst wird das, was im astralischen Leibe ist, das, was der Mensch an Gefühlen und Empfindungen, an Trieben und Begierden hat, geläutert und gereinigt. Dadurch entsteht das Geistselbst oder «Manas»

Elke inwijding berust op het feit dat de mens zich opwerkt tot een hogere manier van waarnemen, tot een hogere ontwikkeling van zijn ziel. Voor hij zich opwerkt heeft hij drie vermogens in zijn ziel: denken, voelen en willen. Deze drie zielenkrachten heeft hij in zich. In zijn gewone leven in de wereld van nu zijn deze drie zielenkrachten innig met elkaar verbonden. Met zijn Ik is hij vervlochten met het denken, voelen en willen, omdat de mens, vóór hij door de inwijding opklimt niet niet vanuit zijn Ik aan de ontwikkeling van de hogere wezensdelen heeft gewerkt. Allereerst wordt wat in het astraallijf zit, wat de men aan gevoelens en gewaarwordingen, aan driften en begeerten heeft, gelouterd en gezuiverd. Daardoor ontstaat het geestzelf of manas.

Blz. 435

(  ) So wandelt der Mensch um sein Denken (  ) und damit seinen Astralleib zu Manas oder Geistselbst

(   )  Zo verandert de mens zijn denken (  ) en daarmee zijn astraallijf tot manas of geestzelf.
GA 57/434-435
Niet vertaald

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3022-2838

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 56

.

De toelichtingen bij GA 34 en GA 53 helpen mee het ‘geestzelf’ te begrijpen. In GA 55 vinden we over het geestzelf weer een paar karakteristieken, nadat Steiner over het Ik iets heeft verteld en in GA 56 gaat Steiner iets verder over de ontwikkeling door het Ik van de wezensdelen. 

GA 56

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 3, Berlijn, 24. oktober 1907

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Blz. 76

Und nun, wenn wir diese viergliedrige Wesenheit betrachten – physischer Leib, Ätherleib, Astralleib und Ich -, so müssen wir sagen: Mit diesen vier Gliedern, die kein anderes Wesen auf der Erde hat als der Mensch, steht ein jeder, der ungebildete Wilde und der höchstentwickelte Geistesmensch, vor uns. Wodurch unterscheiden sich aber die einzelnen Menschen auf der Erde, wenn alle vier Glieder haben? Dadurch, daß der eine mehr, der andere weniger von
seinem Ich aus an seinen drei Gliedern gearbeitet hat. Vergleichen wir den noch ganz wilden Menschen, der jedem Trieb, jeder Begierde, jeder Leidenschaft folgt, mit einem hochsinnigen Moralisten, der reine, heilige moralische Begriffe hat und diesen folgt, der nur dasjenige gelten läßt von seinen Trieben und Leidenschaften, wozu der Geist «ja» zu sagen vermag.

En als we nu naar dit vierledige wezen kijken – fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik – dan moeten we zeggen: met deze vier wezensdelen, die geen ander wezen op aarde heeft dan de mens, staat ieder, de primitieve en de hoogst spirituele mens, voor ons. Waardoor verschillen dan de individuele mensen op aarde, wanneer ze allemaal vier wezensdelen hebben? Door het feit dat de ene meer, de andere minder vanuit zijn Ik aan zijn drie wezensdelen gewerkt heeft. Als we de nog heel primitieve mens, die iedere drift, iedere begeerte, iedere hartstocht volgt, vergelijken met een moreel hoogstaand mens, die zuivere, vererenswaardige begrippen hanteert en naar deze leeft, die alleen van zijn driften en hartstochten toelaat, waar de geest ‘ja’ tegen kan zeggen.

Wodurch unterscheiden sich beide? Dadurch, daß der hochsinnige Geistesmensch von seinem Ich aus gearbeitet hat an seinem astralischen Leibe. Der ungebildete Wilde hat an seinem astralischen Leibe wenig gearbeitet, hat ihn noch fast so, wie er ihn von der Natur, von den göttlichen Mächten empfangen hat. Der hochsinnige Moralist und Idealist hat ihn umgearbeitet, geläutert, gereinigt. Em astralischer Leib besteht aus zwei Gliedern; aus dem einen Glied, das der Mensch ohne sein Zutun hat, und dem anderen, das er bearbeitet hat, das die Arbeit seines Ich ist. Menschen, die auf einer solchen Höhe stehen wie zum Beispiel Franz von Assisi – Sie mögen sonst über ihn denken wie Sie wollen —, haben fast ihren ganzen astralischen Leib unter die Herrschaft des Ich gestellt, so daß nichts in

Waardoor verschillen ze van elkaar? Doordat de hoogstaande spirituele mens vanuit zijn Ik aan zijn astraallijf heeft gewerkt. De primitieve mens heeft weinig aan zijn astraallijf gewerkt, heeft dit nog bijna net zo, als hij het door de natuur, door de goddelijke krachten, heeft gekregen. De hoogstaande morele en idealistische mens heeft dit omgewerkt, gelouterd, gezuiverd. 
Een astraallijf bestaat uit twee delen: uit het deel dat de mens zonder zijn toedoen heeft en het andere waaraan hij gewerkt heeft, dat het werk van zijn Ik is. Mensen die zo hoog staan als b.v. een Franciscus van Assisi – je mag over hem denken wat je wil – hebben bijna hun hele astraallijf onder de leiding van het Ik geplaatst, zodat er niets in

Blz. 77

ihrem astralischen Leibe geschieht, was nicht durch das Ich beherrscht ist. Wie unterscheidet sich ein solcher Mensch von dem Wilden? Im Wilden geschieht alles durch das, was das Ich nichts angeht; im hochsinnigen Menschen geschieht alles durch das, was er aus seinem astralischen Leibe gemacht hat. So viel von dem astralischen Leibe umgestaltet worden ist durch das Ich, so viel ist im Menschen Geistselbst oder Manas vorhanden.

hun astraallijf gebeurt, wat niet door het Ik beheerst wordt. Wat is het verschil van zo’n mens met een primitieveling? In de laatste gebeurt van alles wat het Ik niet interesseert; in de hoogstaande mens gebeurt alles door wat hij van zijn astraallijf heeft gemaakt. Zoveel als van het astraallijf door het Ik omgewerkt is, is in de mens aanwezig als geestzelf of manas.

Da haben wir fünf Glieder der menschlichen Wesenheit: Physischer Leib, ätherischer Leib, astralisdier Leib, Ich und Geistselbst. Und dann haben wir die Möglichkeit, als Menschen nicht nur unseren astralischen Leib, nicht nur die
Summe unserer Begierden, Triebe und Instinkte umzuwandeln, zu läutern und zu veredeln, sondern wir haben auch die größere Fähigkeit, unseren Ätherleib umzuwandeln. Im gewöhnlichen Leben arbeiten die Menschen in der Geistesentwicklung daran, nach und nach ihren Astralleib zu veredeln, schon durch die gewöhnlichen Impulse des Lebens, die moralischen Begriffe, die intellektuellen Vorstellungen. Alles, was wir lernen, gestaltet den Astralleib um.
Wenn wir uns einen Begriff machen wollen von dem Gegensatz der Umgestaltung des Astralleibes und der Umgestaltung des Ätherleibes durch das Ich, so müssen wir uns einmal erinnern, wie wir als achtjährige Kinder waren.
Da haben wir manches nicht gewußt, was wir heute wissen.
Vieles haben wir gelernt. Unter den Empfindungen, die wir so aufgenommen haben, hat sich der Astralleib umgewandelt, hat er sich Geistselbst oder Manas eingegliedert.
Alles aber, was, als wir ein achtjähriges Kind waren, unser Temperament, unsere Neigungen und so weiter ausgemacht hat, das hat sich nicht in der gleichen Weise umgestaltet. 

Nu hebben we vijf delen van het wezen mens: het fysieke, het etherlijf, astraallijf, Ik en geestzelf. 
En we hebben als mens niet alleen de mogelijkheid om ons astraallijf, niet alleen de optelsom van begeerten, driften en instincten te louteren en te veredelen, we hebben ook het grotere vermogen om ons etherlijf om te werken.
In het dagelijks leven werken de mensen in hun ontwikkeling van de geest stap voor stap om hun astraallijf te veredelen, alleen al door de gewone impulsen in het leven, de morele begrippen, de intellectuele voorstellingen. 
Alles wat we leren vormt het astraallijf om. 
Wanneer we een begrip willen ontwikkelen van de tegenstelling tussen de omwerking van het astraallijf en het etherlijf door het Ik, zouden we ons moeten proberen te herinneren hoe we als achtjarige kinderen waren.
Toen wisten we veel niet van wat we nu wel weten.
We hebben er veel bijgeleerd. 
Onder de gewaarwordingen die we zo in ons hebben opgenomen, is het astraallijf veranderd, is het deel geworden van het geestzelf of manas. 
GA 56/76-77      
Niet vertaald

Voordracht 10, München 5 december 1907, i.p.v. Berlijn 27 februari 1908

Das Gesundheitsfieber im Lichte der Geisteswissenschaft

Koortsachtig streven naar gezondheid in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 213

Das Ich verändert die drei Leiber durch Entwickelung aus dem Mittelpunkt heraus. Betrachten wir einen ungebildeten Wilden, einen Durchschnittsmenschen und einen hochgebildeten Idealisten. Der Wilde ist noch der Sklave seiner Leidenschaften. Der Durchschnittsmensch läutert seine Triebe. Er versagt sich, gewissen Trieben nachzugeben und setzt an ihre Stelle das Recht oder hohe religiöse Ideale. Das heißt, daß er vom Ich aus seinen astralischen

Het Ik verandert de drie andere wezensdelen door ontwikkeling vanuit het middelpunt.
Laten we eens naar een onontwikkeld primitief mens kijken, naar een doorsneemens en naar een hoogontwikkelde idealist. De primitieve mens is nog de slaaf van zijn hartstochten. De doorsneemens loutert zijn driften. Hij ziet ervan af om aan bepaalde driften gehoor te geven en daarvoor in de plaats verbindt hij zich met het recht of met hoge religieuze idealen. D.w.z. dat hij vanuit zijn Ik zijn astraallijf

Blz. 214

Leib umarbeitet. Dadurch hat dieser jetzt zwei Glieder. Das
eine hat noch die Gestalt, wie sie beim Wilden ist, der andere Teil aber ist umgestaltet zum Geistselbst oder Manas.

omwerkt. Daardoor krijgt deze nu twee delen. Het ene heeft de vorm nog, zoals bij de primitieve mens, het andere deel echter is omgevormd tot geestzelf of manas.
GA 56/213   
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3021-2837

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 55

.

De toelichtingen bij GA 34 en GA 53 helpen mee het ‘geestzelf’ te begrijpen.

In GA 55 vinden we over het geestzelf weer een paar karakteristieken, nadat Steiner over het Ik iets heeft verteld:

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu

Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906

Blut ist ein ganz besonderer Saft

Bloed is een heel bijzondere vloeistof

Blz. 50

In diesem Wort [Ich] drückt sich das vierte Glied der menschlichen Wesenheit aus, das der Mensch im Umkreis seines irdischen Daseins für sich allein hat. Dieses Ich umschließt wiederum und bildet in sich aus die Keime zu höheren Stufen des Menschentums.

In dat woord Ik wordt het vierde wezensdeel van de mens tot uitdrukking gebracht dat de mens in zijn aardse bestaan alleen voor zichzelf heeft. Dit ‘Ik’ op zijn beurt omsluit en vormt op zich de kiemen naar hogere niveaus van mens-zijn.

Nur hingewiesen soll darauf werden, was in der menschlichen Entwicklung durch dieses vierte Glied in Zukunft zum Dasein gebracht werden wird, hingewiesen soll werden darauf, daß der Mensch aus dem physischen Leib, dem
Ätherleib, dem Astralleib und dem Ich oder dem eigentlichen inneren Leben besteht, und daß in diesem inneren Leben die Keime zu drei weiteren Stufen der Entwicklung vorhanden sind, die aus dem Blute erstehen werden, nämlich Manas, Buddhi und Atma, oder mit deutschen Worten: Manas = Geistselbst im Gegensatz zum Körperselbst, Buddhi = Lebensgeist, Atma = Geistmensch, der eigentliche, wahre Geistmensch, der heute dem Menschen nur als Ideal vorschwebt, der als kleiner Keim im Innern veranlagt ist und in ferner Zukunft seine Vollendung erreichen wird.

Ik wil er alleen op wijzen wat in de ontwikkeling van de mens door dit vierde wezensdeel in de toekomst in het bestaan geroepen zal worden; ik moet erop wijzen dat de mens uit het fysieke lichaam, het ether- en astraallijf en het Ik of het eigenlijke innerlijke leven bestaat en dat in dit innerlijke leven nog drie ontwikkelingsfasen aanwezig zijn die vanuit het bloed zullen ontstaan; namelijk manas, buddhi en atman of : manas = geestzelf; buddhi = levensgeest, atma = geestmens, de werkelijke geestmens die nu de mens alleen nog maar als ideaal voor ogen zweeft, die als een tere kiem in het innerlijk in aanleg aanwezig is en in een verdere toekomst zijn vervolmaking zal bereiken.
GA 55/49
Niet vertaald

Nieuw is hetdie vanuit het bloed zullen ontstaan‘.
Steiner gaat in deze voordracht heel diep in op ‘bloed’.
Voor een groot deel is dit vertaald in: ‘Bloed is een heel bizonder sap‘.

In de ‘rondwandeling door de Algemene menskunde’ zal er nader op worden teruggekomen bij voordracht 2. 

Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906

Der Ursprung des Leides

De oorsprong van het lijden

Blz. 73

Diejenigen,die sich tiefer mit Theosophie beschäftigt haben, wissen, daß
dieses Ich aus sich selber herausarbeitet, was wir das Geistselbst oder Manas, den Lebensgeist oder Buddhi und den eigentlichen Geistmenschen oder Atma nennen.

Degenen die intensiever met theosofie [antroposofie] hebben beziggehouden, weten dat dit Ik vanuit zichzelf ontwikkelt wat we het geestzelf of manas noemen en de levensgeest of buddhi en de eigenlijke geestmens of atma.
GA 55/73
Vertaald

Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906

Wie begreift man Krankheit und Tod?

Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?

Al vaak heeft Steiner gesproken over ‘de geboorte van ether- en astraallijf en Ik”. Met ge geslachtsrijpheid wordt het astraallijf geboren, d.w.z. het wordt vrij.
En nu kan het Ik eraan werken. 
Logischerwijs zou ik zeggen, dat dit in de puberteit nog niet kan, omdat het Ik nog niet geboren is, dat gebeurt rond het 21e.
In deze voordracht behandelt Steiner hetzelfde onderwerp als in
GA 54, blz. 124,
maar toch met net weer iets nieuws.

Blz. 109

Da ist der Astralleib, die Umhüllung des Ich frei, und das Ich arbeitet nun am Astralleib.
Der europäische Kulturmensch folgt nicht bloß seinen Trieben und Begierden; er hat sie geläutert und umgewandelt in moralische Empfindungen und ethische Ideale.
Vergleichen wir nun einen Wilden mit einem europäischen Durchschnittsmenschen oder gar mit einem Schiller oder Franz von Assisi, so können wir sagen, daß diese ihre Triebe vom Ich aus umgestaltet, geläutert haben. So können wir uns sagen, daß dieser Astralleib stets zwei Teile enthält:
einen, der aus der ursprünglichen Anlage herrührt, und einen, den das Ich selbst geboren hat. Nun verstehen wir die Arbeit des Ich nur dann, wenn wir uns klarmachen, daß der Mensch einer Wiederverkörperung – wiederholten Erdenleben — unterliegt; daß der Mensch, wenn er geboren wird, gleichsam in vier voneinander geteilten Leibern sich die Früchte und Ergebnisse früherer Erdenleben mitbringt, die als ein Maß für die Energie und Kraft seines Lebens da sind.

Dan [met de geslachtsrijpheid] is het astraallijf, de omhulling van het Ik, vrij en het Ik werkt nu aan het astraallijf.
De Europese cultuurmens volgt niet alleen maar zijn driften en begeerten, hij heeft die gelouterd en omgewerkt tot morele gevoelens en ethische idealen.
Als we een primitief mens met een Europese doorsneemens vergelijken of zelfs met een Schiller of Franciscus van Assisi, dan kunnen we zeggen dat deze zij hun driften vanuit het Ik omgevormd, gelouterd hebben. 
We kunnen dus zeggen dat dit astraallijf steeds uit twee delen bestaat: een deel dat stamt van de oorspronkelijke aanleg en een deel dat door het Ik is ontstaan.
We begrijpen de werkzaamheid van het Ik alleen, als we onszelf duidelijk maken dat de mens een reïncarnatie – herhaalde aardelevens – moet doormaken; dat de mens, wanneer hij wordt geboren, a.h.w. in vier van de te onderscheiden lichamen de vruchten en gevolgen van eerdere aardelevens meebrengt, die aanwezig zijn als een hoeveelheid energie en kracht in zijn leven. 

Der eine Mensch wird geboren, weil er es früher dazu gebracht hat, mit viel Lebensenergie, mit starken Kräften seinen Astralleib umzugestalten. Der andere wird darin bald erlahmen. Wenn man hellsehend untersuchen kann, wie das Ich beginnt, an dem Astralleibe frei zu arbeiten, die Begierden, Triebe und Leidenschaften vom Ich aus zu beherrschen, dann könnte man, wenn man das Maß von Energie, das das Ich sich mitgebracht hat, anzugeben vermag, sagen: dieses Maß ist so groß, daß das Ich so und so lange an seiner Umgestaltung an sich arbeiten wird und nicht mehr. Und nach der Zeit der Geschlechtsreife gibt es für jeden Menschen ein solches Maß, durch das man messen kann und angeben könnte, bis wann er alles aus seinem Astralkörper herausgearbeitet hat nach den ihm in diesem Leben zugeteilten Pfunden, Was der Mensch so in seinem

De ene mens wordt geboren met veel levensenergie, met sterke kracht omdat hij het er eerder toebracht om zijn astraallijf om te werken. De andere zal snel verslappen. Wanneer je helderziend kan onderzoeken, hoe het Ik begint om aan het astraallijf vrij te werken, de begeerten, driften en hartstochten vanuit het Ik te beheersen, dan zou je, wanneer je de hoeveelheid energie die het Ik meegebracht heeft, kunnen aangeven, zeggen: deze hoeveelheid is zo groot dat het Ik zo en zo lang aan zijn verandering zal werken en niet langer. En na de tijd van de geslachtsrijpheid is er voor de mens zo’n hoeveelheid waardoor je zou kunnen meten en aangeven tot wanneer hij alles vanuit zijn astraallichaam verwerkt heeft volgens de talenten die hij in dit leven gekregen heeft en niet langer.
GA 55/110
Niet vertaald 

Der Irrsinn* vom Standpunkt der Geisteswissenschaft

De waanzin vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.

Voordracht 8, Berlijn 31 januari 1907

Blz. 141

Das Ich arbeitet an den drei übrigen Gliedern der menschlichen Wesenheit. Vor allem veredelt und läutert es den Astralleib, indem es ihn zwingt, nicht blind seinen Trieben zu folgen. Aber das Ich arbeitet auch in den Lebensleib hinein, und zwar durch die großen Impulse des Lebens, namentlich durch die künstlerischen Impulse. Wie im Astralleib durch die Arbeit des Ich zwei Teile entstehen, ein geläuterterer und ungeläuterterer, so wird nun auch der Lebensleib zweigeteilt.

Het Ik werkt aan de drie andere wezensdelen van de mens. Allereerst veredelt en loutert het het astraallijf als het dit dwingt niet blind zijn driften te volgen. Maar het Ik werkt ook aan/in het etherlijf en dat door de grote impulsen van het leven, namelijk door de kunst. Zoals in het astraallijf door het werk van het Ik twee delen ontstaan, een gelouterd en een ongelouterd deel, zo wordt ook het etherlijf in twee delen verdeeld.
GA 55/141
Niet vertaald

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3020-2836

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 54

.

De toelichtingen bij GA 34 en GA 53 helpen mee het ‘geestzelf’ te begrijpen.

In GA 54 zegt Steiner er het volgende over, nadat hij eerst over de andere wezensdelen heeft gesproken, met als laatste het IK.
Was er bv. in GA 9 sprake van ‘de verandering van de bewustzijnsziel’, in deze voordracht noemt Steiner die niet, maar aangezien we weten dat het astraallijf de bewustzijnsdrager in ons is, en wanneer hij hier spreekt over een hoger en en lager astraallijf, gaat het dus over dat bewustzijnsdeel. 

Die Welträtsel und die Anthroposophie

De wereldvragen en de antroposofie

Voordracht 5, Hamburg, 17 november 1906

Die Frauenfrage

Het vrouwenvraagstuk

Blz. 124

Das Ich ist das vierte Glied im Menschen, womit seine äußere Natur endet und seine Göttlichkeit beginnt. Und nun haben wir gesehen, wie der Mensch gleichsam von äußeren Kräften geführt ist bis zum Ich hinauf. Da steht er,
und von da beginnt er dann in sich zu wirken. Dieses Ich arbeitet hinunter in die drei andern Teile der menschlichen Wesenheit. Machen Sie sich den Unterschied zwischen den Menschen von diesem Standpunkte aus klar. Vergleichen Sie einen Wilden mit einem europäischen Durchschnittsmenschen, mit einem edlen Idealisten, etwa Schiller oder Franz von Assisi.

Het Ik is het vierde deel in de mens waarmee zijn uiterlijke natuur eindigt en zijn goddelijke natuur begint. We hebben nu gezien hoe de mens a.h.w. door uiterlijke krachten geleid werd, tot aan zijn Ik. Daar staat hij dan en nu begint hij in zijn innerlijk te werken. Dit Ik werkt door tot in de drie andere delen van het mensenwezen.
Probeer het verschil duidelijk te gaan zien vanaf dit standpunt en vergelijk eens een primitief levende mens in de jungle met een doorsnee Europeaan, met een edele idealist, bv. een Schiller of een Franciscus van Assisi.

Wenn der astralische Leib der Träger von Begierde und Leidenschaft ist, so müssen Sie sagen: Der astralische Leib des Wilden ist ganz und gar umgeben von den Naturmächten, der europäische Durchschnittsmensch hat aber etwas
hineingearbeitet in seinen astralischen Leib. Von gewissen Leidenschaften und Trieben sagt er sich: Denen darfst du nicht folgen. – Er hat seinen Astralleib umgestaltet. Noch mehr hat ihn umgestaltet eine solche Persönlichkeit wie
Schiller, noch mehr eine solche Persönlichkeit, die in gar keiner Beziehung zu den Leidenschaften steht wie Franz von Assisi, die ganz und gar geläutert war und in diesem Astralleib Herr ist über alle Triebe und Begierden. So kann man
denn von einem Menschen, der an sich gearbeitet hat, sagen: Sein Astralleib besteht aus zwei Teilen. Der eine Teil ist das, was von der Natur, von göttlichen Machten gegeben ist, derandere Teil ist das, was er selbst darinnen erzeugt hat.
Diesen zweiten, vom Ich umgestalteten Teil, nennen wir geistiges Selbst oder Manas.

Wanneer het astraallijf de drager van begeerte en hartstocht is, dan moet je zeggen: het astraallijf van de primitief levende mens is nog helemaal omringd door de natuurkrachten, de Europose doorsneemens heeft in zijn astraallijf iets ontwikkeld. Van bepaalde hartstochten en driften zegt hij: daar mag je niet aan toegeven. Hij heeft zijn astraallijf omgevormd. Nog verder heeft zo iemand als Schiller het omgewerkt en nog meer heeft Franciscus dit gedaan die niet vastzat aan zijn hartstochten, die volkomen gelouterd was en in zijn astraallijf meester over al zijn driften en begeerten.
En dan kan je over een mens die op deze manier aan zichzelf heeft gewerkt, zeggen: zijn astraallijf bestaat uit twee delen. Het ene deel is dat wat door de natuur, door de goddelijke machten, geschonken is, het andere deel is wat hij daar zelf van heeft gemaakt. Dit tweede deel dat door het Ik omgewerkt is, noemen wij het geestelijke zelf of manas.

Ook nu weer gebruikt Steiner het Sanskriet voor de termen die in de theosofische verenigingen toen gangbaar waren.

In 1906, het jaar van deze voordrachten, was het verschil tussen de primitieve mens die af en toe in de oerwouden werd ontdekt en de mens in wat we de beschaafde wereld noemen, groot.
Hoewel er nog primitief levende stammen bestaan, hoef je het verschil beschaafd of niet, dan wel minder beschaafd, niet zo ver van huis te zoeken.
In onze maatschappij geven o.a. ‘de relschoppers’ genoeg aanknopingspunten om deze verschillen te zien.

In deze voordracht wordt Steiner nog iets concreter over ‘waarmee het ik dan aan een wezensdeel werkt’.
In de inleiding en bij GA 9 heb ik daar al iets over aangegeven en het kwam vooral aan op het opnemen van gedachte-inhoud die zo min mogelijk het ‘hier en nu’ betreft, maar juist dat wat gisteren, vandaag en morgen zo zal zijn – ‘waar’ zal zijn.

Blz. 125 

Solange Sie mit bloßen moralischen oder Rechtsgrundsätzen, mit logischen Grundsätzen Ihre Laster zügeln, so lange arbeiten Sie an Ihrem Astralleib.

Zolang je je ondeugden beteugelt met louter morele of logische principes of rechtsbeginselen, werk je aan je astraallijf.

Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes.

Denk eens na over wat je allemaal geleerd hebt sinds je achtste jaar; dat is ontzettend veel. Denk eens na over de inhoud van je gevoel: principes, voorstellingen enz. Dat zijn veranderingen, metamorfosen van je astraallijf. 
GA 54/124-125  
Niet vertaald

Vanuit een bepaald standpunt belicht Steiner de drie delen van de geest – dat hoeft hier niet aan de orde te komen – waarbij hij voor het geestzelf opmerkt, wat we zouden kunnen noemen:

Steiner over wijsheid

Voordracht 23, Berlijn 15 februari 1906

Wiederverkörperung und Karma

Reïncarnatie en karma

Blz. 290/291

Die dritte Kraft der Seele ist diejenige, durch die wir die Welt begreifen, die Welt auffassen. Es wäre im höchsten Grade töricht, zu glauben, daß man Wasser aus einem Gefäß herausholen könnte, wenn kein Wasser darin ist. So töricht sind aber diejenigen, welche sagen, daß sie Weisheit aus der Welt holen können, wenn keine darin ist. Der Astronom sucht die Weisheit in der Welt zu berechnen und zu begreifen. Nur durch die Weisheit ist die Welt zu begreifen. Wäre es nicht die größte Torheit, Weisheit schöpfen zu wollen aus der Welt, wenn nicht Weisheit darinnen wäre?
Wenn nicht die Weisheit gegeben wäre, nimmermehr könnten wir die Weisheit da holen. Durch dieselbe Weisheit, mit der wir die Welt begreifen wollen, ist die Welt gemacht. Das ist das dritte Element, das alle Welt durchflutet. Das ist das
Manas. Ins Deutsche wird es am besten übersetzt, indem man sagt: Die Weisheit wird herausgeboren aus der Welt. –

Door de derde kracht in de ziel begrijpen we de wereld, kunnen we de wereld in ons opnemen. 
Nu zou het hoogst dwaas zijn om te geloven dat je water uit een vat kan holen, als er geen water inzit. Maar zo dwaas zijn wel de mensen die beweren dat zij uit de wereld wijsheid kunnen halen ook al is die er niet. De astronoom zoekt de wijsheid in de wereld en probeert die uit te rekenen en te begrijpen. Alleen door de wijsheid is de wereld te begrijpen. Zou het niet de grootste dwaasheid zijn om wijsheid uit de wereld te putten, als die er niet in zou zitten?
Als de wijsheid niet gegeven zou zijn, zouden we deze nooit en te nimmer eruit kunnen halen. Door dezelfde wijsheid waarmee we de wereld willen begrijpen, is deze wereld opgebouwd. Dat is het derde element dat door de hele wereld stroomt. Dat is ‘manas’. Dat wordt het beste vertaald met: de wijsheid wordt vanuit de wereld geboren.

Unser Geistselbst ist dieses dritte Element. Wenn Sie diese drei Dinge: Atma, Buddhi, Manas nehmen, dann haben Sie den tiefsten Wesenskern des Menschen, dann haben Sie das, was von Wiederverkörperung zu Wiederverkörperung geht, das, was von dem Wilden, wo diese Dreiheit auch vorhanden ist auf niederen Stufen, nur unvollkommen gestaltet wird, bis herauf, wo wir es beim jetzigen normalen Menschen, bis herauf, wo wir es beim großen Führer der Menschheit sehen. Von Wiederverkörperung zu Wiederverkörperung geht der Mensch, vom geistig Gebildeten bis zum geistig nicht nur idealen, sondern heiligen Führer der Menschheit, bis zu Franz von Assisi, Bernhard oder andern. 

Ons geestzelf is het derde element. Wanneer je deze drie dingen neemt: atma (geestmens), buddhi (levensgeest), manas (geestzelf) heb je de diepste wezenskern van de mens, dan heb je dat wat van wedergeboorte naar wedergeboorte gaat, dat wat door de primitieve mens, bij wie deze drieheid ook aanwezig is op een lager niveau, slechts onvolkomen gevormd wordt, wat hoger, gaat, zoals we dat bij de huidige doorsneemens zien, en hoger, zoals we dit bij de grote (geestelijke) leiders van de mensheid zien. Van incarnatie tot incarnatie gaat de mens, van een geestelijk ontwikkeld, tot niet alleen een geestelijk ideële, maar heilige leider van de mensheid, tot een Franciscus, een Bernard of anderen. 
GA 54/290
Niet vertaald

Voordracht 26, Berlijn 8 maart 1906

 Germanische und indische Geheimlehre

Germaanse en Indische verborgen leer

Blz. 363

Der Mensch hat außerdem ein viertes Glied, um innerhalb dieser Welt zu leben, welches ihm ermöglicht, zu sich selbst «Ich» zu sagen. Nun ist dieses Ich das Endglied, der Schlußpunkt der Entwickelung der drei andern eben genannten Leiber, zu dem sie alle seit Urzeiten hingestrebt haben. Dieses Ich ist zugleich der Ausgangspunkt einer neuen göttlichen Entwickelung. Dieses Ich, das in den drei Hüllen wohnt, die es aber nicht wie Zwiebelschalen umgeben, sondern die gesetzmäßig ineinander wirken, kraftvoll sich durchdringen und sich gestalten, ist zu gleicher Zeit der Träger desjenigen, was heute nur als Anlage in der Mehrzahl der Menschen enthalten ist, der Träger einer höheren dreigliedrigen Natur, die wir deutsch am besten bezeichnen mit den Ausdrücken: Geistselbst, Lebensgeist und Geistesmensch. Das Geistselbst des Menschen wird mit einem der morgenländischen Mystik entlehnten Wort bezeichnet als Manas.

De mens heeft, naast drie andere, ook een vierde wezensdeel om in deze wereld te kunnen leven en wat hem mogelijk maakt tot zichzelf ‘Ik’ te zeggen. Het Ik is  het laatste deel, het einde van de ontwikkeling van de drie andere wezensdelen, daar streefde de ontwikkeling sinds oertijden naar. 
Dit Ik is tegelijkertijd ook het uitgangspunt van een nieuwe goddelijke ontwikkeling. Dit Ik dat in deze drie omhulsels woont, die er niet als uienschillen omheen zitten, maar die wetmatig in elkaar doorwerken, elkaar krachtig doordringen en zich vormen, is tegelijkertijd de drager van wat in deze tijd alleen maar als aanleg bij de meerderheid van de mensen aanwezig is, de drager van een hogere drieledige natuur, die we het beste kunnen bestempelen met de uitdrukkingen: geest(es)zelf, levensgeest en geest(es)mens. 
Het geestzelf wordt met een woord dat ontleend is aan de mystiek van het Morgenland, manas genoemd. 
GA 54/ 362  
Niet vertaald

Die Theosophen des 19. Jahrhunderts

De theosofen van de 19e eeuw

Voordracht 27. Berlijn, 15 maart 1906

Blz. 399

Wir haben im Grunde genommen vier menschliche Hüllen, die aber nicht etwa wie Zwiebelschalen vorzustellen sind: den physischen Leib, den Ätherleib, den
Astralleib und darinnen dasjenige, was sich der Mensch selbst erarbeitet, seinen veredelten Astralleib, das, woran das Ich des Menschen schon gearbeitet hat. Diese vier Hüllen haben wir. Darin steckt aber erst der unvergängliche ewige Wesenskern des Menschen, die sogenannte geistige Dreiheit: Manas, Buddhi, Atma—Geistselbst, Lebensgeist und Geistesmensch. Diese gehen von Erdenleben zu Erdenleben und gehen dann zu höheren Daseinsstufen hinauf.

We hebben als basisprincipe vier menselijke omhulsels die echter niet als uienschillen voorgesteld moeten worden: het fysieke lichaam, het etherlijf, het astraallijf en daarbinnen wat de mens van zichzelf maakt, zijn veredeld astraallijf, dat waaraan het Ik al heeft gewerkt. Deze vier omhulsels hebben we. Daarin zit echter pas de onvergankelijke eeuwige wezenskern van de mens, de zogenaamde geestelijke drieheid: manas, buddhi, atma – geestzelf, levensgeest en geestmens. Die gaan van aardeleven tot aardeleven en dan gaan ze over naar een hogere bestaansvorm.
GA 54/399
Niet vertaald
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3018-2834

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (20-06-1922)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

Rudolf Steiner roert hier geen pedagogische onderwerpen aan. Wel spreekt hij indringend over de voorwaarden waaronder de vrijeschool kan groeien: ‘De vrijeschoolbeweging is alleen maar denkbaar in een vrij geestesleven’.
Zijn idee van een ‘wereldschoolvereniging’ ziet hij als faliekant mislukt. 
Door een gebrek aan wil.
Ook de relatie driegeledingsbeweging en vrijeschool komt niet van de grond.

Niet zoveel veranderd dus, in die 100 jaar!

.

GA 298

Blz. 152

Ansprache an der zweiten ordentlichen Mitgliederversammlung des Vereins ‘Freie Waldorfschule’

Toespraak bij de tweede gewone algemene ledenvergadering van de Vereniging ‘Vrije School’ Stuttgart.

Nach den geschäftlichen Verhandlungen ergreift Rudolf Steiner das Wort:

Im ganzen darf ausgesprochen werden, daß manches, was aus unseren
Zielen hervorgegangen ist, doch eigentlich eine Einzelerscheinung ist
innerhalb eines großen Tatsachenkomplexes. Da gestatten Sie mir, daß ich selbst einiges bemerke und namentlich über das, was als Erfahrung vorliegt seit der Zeit, seit wir die Waldorfschule begründet haben.
Wir haben ja die Waldorfschule begründet als einen Teil der Auswirkung, welche hervorgehen sollte aus der Geistesbewegung, die mehr als zwei Jahrzehnte alt ist. Ohne diese Geistesbewegung ist auch die Waldorfschule nicht zu denken. Im besonderen ging der Plan zur Begründung der Waldorfschule von unserem lieben Freunde Emil Molt aus in der Zeit, in der für die großen Menschheitsfragen aus der Not der Zeit heraus ein gewisses Interesse vorhanden war.

Na het zakelijke deel neemt Rudolf Steiner het woord:

Over het algemeen mag gezegd worden dat sommige van onze doelstellingen op zich staan binnen een groter complex van feiten.
Sta mij toe toe dat ik zelf een paar opmerkingen maak en wel over wat er als ervaring bestaat sinds het tijdstip waarop wij de vrijeschool hebben opgericht.
We hebben de vrijeschool opgericht als een deel van wat het gevolg zou moeten zijn van de spirituele beweging die meer dan twee decennia oud is. Zonder deze spirituele beweging is ook de vrijeschool ondenkbaar. Het plan om de vrijeschool op te richten ging in zonderheid uit van onze beste vriend Emil Molt in een tijd waarin voor de grote vragen van de mensheid vanuit de behoefte van de tijd een zekere interesse aanwezig was.

Man darf sagen, als wir, rechnend auf dieses Interesse, im Jahr 1919 damit begonnen haben, in den verschiedensten Richtungen in die Gebiete des öffentlichen Lebens von anthroposphischen Gesichtspunkten aus wirken zu wollen, wir dürfen sagen, daß seit jener Zeit wirklich recht reichliche Erfahrungen gemacht werden konnten nach einer bestimmten Richtung hin. Zunächst traf man auf ein bestimmtes Interesse, das versprach, weitere Kreise zu umfassen. Es war ein großes Interesse unter der Menschheit 1919, nach dieser oder jener Richtung so zu wirken, daß an die Stelle der Niedergangskräfte Aufgangskräfte treten könnten. Man sieht auch heute noch, daß nicht bloß in Mitteleuropa, sondern in der ganzen Welt für die Erziehungsfragen das allgemeinste Interesse vorhanden ist. Es ist doch eine auffällige Tatsache, daß in diesem Jahr das Shakespeare-Geburtstagsfest in Stratford eigentlich im Zeichen von Erziehungsfragen abgehalten worden ist. Sie wissen, ich habe damals bei diesem Fest selbst

Je mag wel zeggen toen wij, rekenend op deze belangstelling, in het jaar 1919 begonnen zijn, in de meest uiteenlopende richtingen op het gebied van het openbare leven, vanuit de antroposofische gezichtspunten te willen werken;  mogen we wel zeggen dat sinds die tijd echt rijke ervaringen opgedaan konden worden in een bepaalde richting.
Aanvankelijk kwam je een bepaalde interesse tegen die de belofte inhield dat het grotere kringen betrof. Er was onder de mensen in 1919 een grote interesse om in deze of gene richting zo te werken dat er in plaats van de neergaande krachten, opbouwende zouden komen. Je ziet ook nu nog dat er niet alleen maar in Midden-Europa, maar over de hele wereld voor de opvoedingsvraagstukken een buitengewone belangtelling bestaat. Het is toch ook een opvallend feit dat in dit jaar het herdenkingsfestiviteiten van de geboorte van Shakespeare in Stratford eigenlijk in het teken gehouden werd van opvoedingsvraagstukken.
U weet dat ik toen zelf bij deze festiviteiten

Blz. 153

Vorträge zu halten gehabt, und die Veranstaltung stand durchaus im
Zeichen der Erziehungsfragen; es war ja auch ein Komitee für die neuen
Erziehungsideale, welches diese Veranstaltung besorgte. Im Sommer
werden wir wieder Gelegenheit haben, in Oxford eine Veranstaltung zu
haben, und von zwölf Vorträgen werden neun im engeren Sinne die
Erziehungsfragen behandeln. Das zeigt, daß immerhin für die Erziehungsfragen heute ein Interesse vorhanden ist.
Dieses Interesse findet man auch sonst überall. Man findet heute schon durchaus, daß im weitesten Kreise die Erziehungsfragen für die
allerwichtigsten Fragen gehalten werden. Man findet zahlreiche Menschen, welche den richtigen Glauben haben, daß alles Reden über soziale Fragen doch keinen rechten Boden hat, wenn nicht von Erziehungsfragen ausgegangen wird. Man ist sich klar geworden, daß das Chaos, in welches die Menschheit hineingeraten ist und immer weiter hineingeraten wird, daß dieses Chaos im wesentlichen herbeigeführt worden ist dadurch, daß man auch auf die geistigen Fragen der Menschheitsentwikkelung nicht den rechten Wert gelegt hat.
Das Interesse ist aber, wenn ich es so ausdrücken möchte, ein Gedankeninteresse. Die Art und Weise, wie dieses Interesse sich darlebt, zeigt so recht, daß es sich um eine Art Gedankeninteresse handelt. Man
veranstaltet – wie man auch sonst heute Kongresse veranstaltet -, man
veranstaltet auch Erziehungskongresse. 

voordrachten moest houden en het evenement stond geheel en al in het teken van opv0oedingsvragen; er was zelfs een comité voor de nieuwe opvoedingsidealen die dit evenement organiseerde. Deze zomer hebben we nog een gelegenheid om in Oxford* bijeen te komen en van de twaalf voordrachten zullen er negen speciaal over opvoedingsvragen gaan. Dat laat zien dat er voor opvoedingsvragen welbeschouwd heden ten dage interesse bestaat.
Deze belangstelling vind je anderzijds overal. Je vindt tegenwoordig zeer zeker dat in de breedste kringen de opvoedingsvragen als de allerbelangrijkste beschouwd worden. Je vindt talloze mensen die er echt in geloven dat al het gepraat over sociale vragen geen echte basis heeft wanneer er niet wordt uitgegaan van de opvoedvraagstukken. Het is voor de mensen duidelijk geworden dat de chaos waarin de mensheid terecht is gekomen en steeds verder zal raken, in wezen ontstaan is doordat men ook aan de spirituele vragen van de mensheidsontwikkeling niet het juiste belang hechtte. De belangstelling is echter, als ik het zo mag zeggen, een interesse in gedachten. De manier waarop deze belangstelling zich uit, laat zo duidelijk zien dat het om een soort gedachtebelangstelling gaat. Men organiseert – zoals men ook anders tegenwoordig congressen organiseert – congressen over opvoeding.

*Bijeenkomst in Oxford: Het internationale congres over «Spiritual Values in
Education and Social Life», Spirituele waarden in opvoeding en maatschappij’, waarvoor Rudolf Steiner was uitgenodigd om te spreken, stond onder de bescherming van de Engelse minister van Onderwijs en andere personen die in het openbare leven van Engeland stonden.
Rudolf Steiner sprak van 16-25 augustus 1922 über «Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst» (12 voordrachten, Oxford 1922), GA 305, vertaald; en op 26., 28., 29. augustus 1922 over de «Sociale vraag». (Wel in GA 305, niet in de vertaling)

Man kommt zusammen und redet über Erziehungsfragen, und es ist nicht zu leugnen, daß bei solchen Versammlungen außerordentlich gescheite Dinge geredet werden. Es wird heute mit außerordentlicher Gescheitheit geredet. Gescheit ist ein großer Teil der Menschheit, und dann liegt auch das vor, daß unter den ganz gescheiten Menschen der größte Teil sich heute selbst gerne reden hört. Dadurch sind die denkbar besten Vorbedingungen geschaffen, um Kongresse abzuhalten, um da zu beraten, wie man die Wege finden kann aus den chaotischen Zuständen. Wenn es von solchen Kongressen abhängen würde, würden wir auf dem besten Wege sein. Das, meine verehrten Anwesenden, sollten wir doch sehr in acht nehmen. Ich habe es öfter ausgesprochen, ich bin überzeugt davon, wenn heute sich zwölf oder eine andere Zahl von Menschen zusammenfindet, die ein Programm aufzustellen sich vor-

Men komt bij elkaar en spreekt over opvoedingsvragen en je kan niet ontkennen dat er bij zulke samenkomsten buitengewoon verstandige dingen worden gesproken. Er wordt tegenwoordig buitengewoon vindingrijk gesproken. Een groot deel van de mensheid is vernuftig en dan is het ook nog zo dat onder de heel knappe mensen het grootste deel zich tegenwoordig zelf graag hoort praten.
En daarmee zijn de best denkbare voorwaarden geschapen om congressen te houden om zich daar te beraden op hoe men wegen kan vinden om uit de chaotische toestanden te komen. Als het van die congressen zou afhangen, zouden we op de beste weg zijn. Maar daarmee, beste aanwezigen, moeten we zeer voorzichtig zijn. Ik heb het al eens vaker gezegd: ik ben ervan overtuigd dat als er twaalf mensen of een ander aantal, elkaar vinden die een programma opstellen

Blz. 154

nimmt, wie man in der besten Weise Kinder erziehen soll, so wird das
Allergescheiteste zustande kommen. Ich meine es im vollen Ernst. –
Programmpunkte, die in der schönsten Weise dasjenige aufstellen, was
die besten pädagogischen Grundsätze sind für die Behandlung des
Kindes und so weiter, in dieser Richtung gibt es heute eine ausgezeichnete Literatur. Literatur reden die Leute auf den Kongressen. Es kommt
darauf an, daß die Arbeit, die zu leisten ist, aus dem vollen Leben
geleistet wird. Man hat es niemals mit dem wirklichen Leben zu tun,
wenn man Programme aufstellt. Man hat es im wirklichen Leben mit
einer Anzahl von Schülern zu tun und mit einer Anzahl von Lehrern.
Mit Menschen hat man es zu tun. Diese Menschen werden das leisten,
was zu leisten ist, was sie leisten können.
Dazu aber, daß dies, was geleistet werden kann, geleistet wird, dazu
kommt es darauf an, daß man die Hände frei hat, um aus dem Menschlichen heraus zu wirken. Da kommen wir dazu, daß es wirklich heute viel weniger darauf ankommt, daß Gedankeninteresse vorhanden ist für die großen Fragen des Daseins, sondern daß der Wille dazu vorhanden sei, wirklich die Bedingungen herbeizuführen, unter denen ein solches Erziehungswesen möglich ist.

hoe je op de beste manier kinderen moet opvoeden, dan komt het aller knapste eruit. Dan bedoel ik heel serieus. – Er bestaat tegenwoordig in deze richting een uitgebreide literatuur met programmapunten die op de beste manier zijn opgesteld voor wat de beste pedagogische beginselen zijn voor de behandeling van kinderen enz. De mensen op de congressen spreken literatuur. Maar het komt erop aan dat het werk dat moet worden gedaan, vanuit het volle leven gedaan wordt. Nooit heb je met het volle leven van doen als je programmapunten opstelt. In het echte leven heb je met een aantal leerlingen te maken en met een aantal leerkrachten. Je hebt te maken met mensen. Die mensen moeten voor elkaar krijgen wat er gedaan moet worden, wat ze voor elkaar kúnnen krijgen.
Om te doen wat er gedaan moet worden, komt het erop aan dat je je handen vrij hebt om vanuit de mens te werken. Dan zien we dat het er vandaag echt minder op aankomt, dat er een gedachte-interesse aanwezig is voor de grote vragen van het bestaan, maar dat de wil aanwezig is daadwerkelijk de voorwaarden te scheppen waaronder zo’n opvoeding mogelijk is.

Da liegt das Merkwürdige vor, währenddem wirklich das weitgehendste Interesse vorhanden ist im Gedanken, in der Empfindung, daß das oder jenes sein müßte -, es liegt das Merkwürdige vor, daß zu diesem Gedankeninteresse kein wirkliches Willensinteresse dazukommt. Sehen Sie, daß dieses Willensinteresse nicht dazukommt, das ist der Grund, warum ich sagte, dasjenige, was auf unseren Kongressen verhandelt wird, ist eigentlich Literatur, ist nicht dasjenige, was sich in die Tat umsetzt.
Eine der wichtigsten Tatsachen in bezug auf dasjenige, wovon auch
diese Waldorfschule ausgegangen ist, ist die, daß wir in der Lage waren,
die anthroposophische Bewegung zu einer verhältnismäßig sehr großen
zu machen. Die anthroposophische Bewegung ist eine große geworden.
Das zeigt sich darinnen, daß schwer geschriebene Bücher höchste Auflagenzahlen sich erringen. Überall springt das Interesse hervor, das das Gedankeninteresse ist, das sogar insoweit über das Gedankeninteresse hinausgeht, daß sich diejenigen Menschen finden in der anthroposophischen Bewegung, die auch ein Empfindungs- und Herzensinteresse

Nu is het zo merkwaardig dat, terwijl werkelijk een heel groot interesse in de gedachten leeft, in de gevoelens, dat het zus of zo zou moeten zijn – dat is dus het merkwaardige, dat er bij de gedachtebelangstelling geen wilsinteresse komt. Maar dat deze wilsinteresse er niet bij komt, is nu juist de reden waarom ik zei, dat wat op onze congressen aan de orde komt, eigenlijk literatuur is, niet wat in  daden wordt omgezet.
Een van de belangrijkste feiten met betrekking tot waar de vrijeschool vanuit gegaan is, is dat wij in de positie waren de antroposofische beweging relatief zeer groot te maken. Deze beweging is groot geworden.
Dat kun je zien aan de hoge oplagecijfers van boeken met een pittige inhoud.* Overal valt de interesse op, die vooral gedachte-interesse is, die zelfs in zoverre verdergaat dan gedachte-interesse, dat mensen zich thuis voelen in de antroposofische beweging die ook een gevoelsinteresse, een belangstelling met het hart

*o.a. GA 4, vertaald;   GA 9, vertaald; GA 10, vertaald; GA 13, vertaald

Blz. 155

haben. In all unseren gegenwärtigen Bewegungen finden sich Menschen
zusammen, die unter Umständen ein bloßes Gedankeninteresse haben,
das bei denjenigen, die etwas rührig sind, in ein Redeinteresse übergeht.
In der anthroposophischen Bewegung sind diejenigen Menschen versammelt, welche intensives menschliches Bedürfnis haben, die für ihre Seele etwas notwendig haben, die weiterkommen möchten in bezug auf den Gehalt der menschlichen Wesenheit. So ist es, wenn man das mehr theoretische, das Erkenntnisinteresse, Empfindungsinteresse, wenn man das mehr theoretisch betrachtet. Es gibt heute sehr viele Menschen, die sagen sich: Da gibt es etwas, wo man sich seine geistigen Interessen befriedigen kann. – So ist es heute. Ich hoffe, es hat alle Garantien des Wachstums in sich, trotz der skandalösen Gegnerschaft.
Dasjenige, was uns fehlt, das sind Menschen, die nicht bloß Interesse haben, daß die anthroposophische Bewegung so groß als möglich sei, daß sie so viel als möglich geistigen Inhalt hervorbringt, sondern Menschen, die ein Interesse daran haben, daß diese anthroposophische Bewegung auch gemacht wird, die Mitarbeiter sind am Zustandekommen der anthroposophischen Bewegung.

hebben. In al onze tegenwoordige bewegingen komen mensen samen die onder omstandigheden alleen geïnteresseerd zijn in denkbeelden, dat bij degenen die wat actief zijn, overgaat in een interesse voor redevoeringen.
In de antroposofische beweging komen die mensen samen die een sterk menselijk verlangen hebben, voor hun ziel iets nodig hebben, die verder willen komen wat betreft de inhoud van hun mens-zijn. Zo zit het, als je meer het theoretische, de interesse voor het weten, de gevoelsmatige interesse, meer het theoretische bekijkt. Er zijn tegenwoordig heel veel mensen die zeggen: er bestaat iets waarmee je je geestelijke interesse bevredigen kan. Zo is het vandaag de dag. Ik hoop dat er alle garantie is dat het kan groeien, ondanks de schandalige tegenstand.
Wat er bij ons ontbreekt, zijn mensen die er niet alleen interesse in hebben dat de antroposofische beweging zo groot mogelijk is, dat die zoveel mogelijk geestelijke inhoud brengt, maar mensen die erin geïnteresseerd zijn dat deze antroposofische beweging ook opgebouwd wordt, dat ze meewerken bij het tot stand komen van de antroposofische beweging.

Die sind außerordentlich wenig. Wir haben sehr viel hörende Menschen, Menschen, welche für sich etwas haben wollen, aber wir haben außerordentlich wenig Menschen, die im vollen Sinne des Wortes Mitarbeiter sind.
Sehen Sie, als unser Wiener Kongreß veranstaltet worden ist, der ja nicht in einem solchen Sinne ein Kongreß war wie andere Kongresse – unsere Kongresse gehen davon aus, daß sich Menschen versammeln, die etwas entgegenehmen können, was sie nach Hause tragen sollen, während die anderen solche sind, daß ein jeder, was er zuhause hat, abladen will -, als dieser Kongreß veranstaltet worden ist, da handelte es sich darum, daß Arbeiter da sein mußten, die ihn vorbereiteten und ihn zustande brachten, daß Redner da sein mußten. Da ist es immer wieder eine kleine Anzahl von Freunden, die sich tatächlich ihre Beine fast auslaufen müssen, die sich ihre Finger wund schreiben müssen, die ihr Portemonnaie ausleeren müssen. Dann ist es eine kleine Anzahl von Freunden, es sind die Waldorflehrer und eine andere kleine Anzahl, die unter diesen Mitwirkungen sich fast alle Monate einmal gründlich
überarbeiten, die eigentlich immer furchtbar überarbeitet sind.

Dat zijn er buitengewoon weinig. We hebben heel veel luisterende mensen, mensen die voor zichzelf iets willen hebben, maar we hebben buitengewoon weinig mensen die in de volledige zin van het woord medewerkers zijn.
Toen ons congres in Wenen* werd georganiseerd, dat niet zo’n congres was als andere congressen – onze congressen gaan ervan uit dat mensen samenkomen die iets kunnen aannemen, iets wat ze met zich meenemen naar huis, terwijl de andere congressen zo zijn dat iedereen dat wat hij thuis heeft, even wil vergeten – toen dit congres werd georganiseerd, ging het erom dat er medewerkers moesten zijn die het voorbereidden en realiseerden, dat er sprekers uitgenodigd werden. Steeds meer is er een klein groepje vrienden dat zich bijna werkelijk de benen uit hun lijf moeten lopen, die hun vingers blauw moeten schrijven, die hun portemonnee om moeten keren. Dan is er een klein groepje vrienden, dat zijn de vrijeschoolleerkrachten en nog een paar, die met deze medewerking zich bijna alle maanden ernstig overwerken, die eigenlijk steeds al vreselijk overwerkt zijn.

*Wener congres van de antroposofische beweging  van 1.-11 juni 1922. Zie
Rudolf Steiner «Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit» (De tegenstellingen van de wereld in het Westen en Oosten). (10 voordrachten, GA 83, niet vertaald.

Blz. 156

Aber wenn dann ein solcher Kongreß zu Ende gegangen ist, dann ist
wiederum ein Stück Erfahrung nach der Richtung gemacht – auch wenn
die Sache so erfolgreich war, wie es der Kongreß in Wien ist -, dann tritt
doch das ein, daß man sagen muß: Ja, alle Bedingungen sind geschaffen,
um so etwas, wie etwa auch unser Waldorfschulwesen weiter auszubreiten. Aber die Bedingungen sind so geschaffen, daß für die geringe Anzahl der mitarbeitenden Persönlichkeiten die Sache über den Kopf wächst. Immer wieder muß Ausschau gehalten werden, wo man neue Mitarbeiter finden kann. Ich möchte da – vielleicht werden nicht alle übereinstimmen -, ich möchte da meine Erfahrung ganz offen aussprechen. Es ist heute so, daß ich glauben muß, daß die Möglichkeit bestünde, immer mehr Mitglieder in reichlicher Zahl zu gewinnen. Ich habe in Wien den Eindruck bekommen, Menschen sind genug da,
welche heranzuziehen wären, Mitarbeiter im besten Sinne des Wortes zu
werden.

Maar als zo’n congres dan weer afgesloten is, is er in deze richting weer een stuk ervaring opgedaan – ook als de zaak zo succesvol was, als het congres in Wenen – dan komt toch weer dat je moet zeggen: ja, aan alle voorwaarden is voldaan om zoiets als onze vrijescholen verder uit te breiden.
Maar de voorwaarden zijn toch zo dat het het kleine aantal medewerkers boven het hoofd groeit. Steeds weer moet er gekeken worden, waar we nieuwe medewerkers vandaan halen.
Ik wil mijn ervaringen – misschien is niet iedereen het ermee eens – heel open uitspreken. Tegenwoordig is het zo dat ik moet aannemen, dat de mogelijkheid toch bestaan moet, aanzienlijk meer leden te werven. Ik heb in Wenen de indruk gekregen, dat er genoeg mensen zijn die erbij betrokken kunnen worden, die in de beste zin van het woord medewerkers kunnen worden.

Aber – und da schließt sich dasjenige, was unsere allgemeine Sorge ist,
mit der Sorge für die Waldorfschule zusammen – da tritt das entgegen,
daß es nicht möglich ist, irgendwie den Kreis der Mitarbeiter zu vergrößern, aus dem Grunde, weil wir kein Geld haben. Überall haben die Leute die Möglichkeit, ihre Mitarbeiter zu halten. Wir haben diese Möglichkeit in einer sehr mangelhaften Weise. Die Hauptfrage ist immer diese: Wie bieten wir den Leuten eine Existenzmöglichkeit, wenn sie sich aus ihren bisherigen Existenzmöglichkeiten herausreißen. – Das ist der Fall. Wir brauchen heute, wenn wir weiterkommen wollen, eine große Anzahl von Mitarbeitern. Es reicht unsere Mitarbeiterschaft dafür nicht aus. So kann einfach dasjenige, was besorgt wird, nur mit Aufreibung der einzelnen Kräfte besorgt werden, und das, was mit einer großen Aufreibung der Kräfte besorgt wird, das ist höchstens ein Zehntel von dem, was heute schon nach den Bedingungen, die vorhanden sind, geleistet werden könnte; was geleistet werden könnte, wenn wir in entsprechender Weise mit einer vollen Mitarbeiterschaft rechnen
könnten. Insbesondere nach dem Wiener Kongreß, wo man sehen konnte, daß das als Erfahrung hervorquillt, was ich ausgesprochen habe. Natürlich handelt es sich nicht darum, daß man einen gewöhnlichen Appell richtet an die Börsen derer, welche schon Mitglieder sind. Darum

Maar – en daarbij sluit onze algemene zorg aan bij de zorg om de vrijeschool – we maken toch mee dat het niet mogelijk is de kring van medewerkers op de een of andere manier te vergroten, om de reden dat we geen geld hebben. Overal hebben de mensen de mogelijkheid hun medewerker te behouden. Wij hebben deze mogelijkheid maar op een zeer gebrekkige manier. De belangrijkste vraag is steeds: hoe bieden we de mensen een bestaansmogelijkheid wanneer ze zich losmaken van hun huidige bestaansmogelijkheden. Dat is er aan de hand. Nu hebben we, willen we verder komen, een groot aantal medewerkers nodig. De groep van nu is ontoereikend.
Simpelweg kan, wat er gedaan wordt, slechts gedaan worden met het uitputten van de individuele krachten en dit dan is hoogstens nog maar een tiende van wat vandaag met de vragen van nu, gedaan zou kunnen worden; wanneer we op een adequate manier op het totale aantal medewerkers zouden kunnen rekenen. In het bijzonder na het congres in Wenen waar je kon zien dat wat ik uitgesproken heb, als ervaring eruit springt.
Natuurlijk gaat het er niet om dat je weer een beroep doet op de portemonnee van degenen die al lid zijn. Daar

Blz. 157

handelt es sich nicht, sondern nur darum, um es einmal ganz stark
auszusprechen, daß eben immer dann, wenn gerade in der letzten Zeit
ein Appell gerichtet worden ist an den Willen, die Sache versagte.
Schließlich hängt die Waldorfschul-Bewegung mit der Dreigliederungsbewegung zusammen. Die Waldorfschul-Bewegung ist nur denkbar in einem freien Geistesleben. Dasjenige, was wir zuerst gefunden haben an einem Gedankeninteresse, ist nicht übergegangen in ein Wülensinteresse. Als dann versucht worden ist das einzige Mittel, über
Mitteleuropa hinauszugehen, die Begründung des Weltschulvereins in
die Tat umzusetzen, da scheiterte die Begründung des Weltschulvereins,
der die ganze zivilisierte Welt umfassen sollte. Der Versuch, dasjenige,
was unter den Leuten ist an Glauben, daß das Erziehungswesen ein
anderes sein müßte, aufzurütteln, dasjenige, was da angestrebt worden
ist als Weltschulverein, hat kläglich Fiasko gemacht. Man fühlt sich so
entsetzlich zurückgestoßen, wenn man an den Willen appelliert. Ich sage
nicht, ich appelliere ans Geld in diesem Falle jetzt. An Geld fehlt es uns,
aber viel mehr fehlt es uns an dem Willen. Es ist das Interesse kein
gründlich tiefgehendes, sonst würde sich das Interesse auf die richtigen
Gebiete erstrecken

gaat het niet om, maar wel om eens duidelijk te zeggen, dat iedere keer als er de laatste tijd een beroep gedaan werd op de wil, dat mislukte. Het is uiteindelijk wel zo dat de vrijeschoolbeweging met de beweging voor de driegeleding samenhangt. De vrijeschoolbeweging is alleen maar denkbaar in een vrij geestesleven. Wat we daarstraks gevonden hebben als interesse voor de gedachtewereld, leidde niet tot een interesse om iets te willen. Toen geprobeerd werd om de enige manier om verder te komen dan Midden-Europa, de oprichting van de wereldschoolvereniging* in de daad om te zetten, toen mislukte de oprichting van deze wereldschoolvereniging die de hele beschaafde wereld zou moeten omvatten. De poging om wat onder de mensen leeft aan geloof dat opvoeding anders moet, verder wakker te maken, wat als wereldschoolvereniging nagestreefd moet worden, is jammerlijk mislukt. Je voelt zo’n ontzettende weerwil. als je aan de wil appelleert. Ik zeg niet dit ik in dit geval appelleer aan het gevoel voor geld. We hebben er gebrek aan, maar we hebben veel meer gebrek aan wil. De belangstelling is niet diepgaand fundamenteel, anders zou de interesse er voor die juiste gebieden zijn.

* Rudolf Steiner beschouwde het op een bepaalde tijdstip – in de zomer van 1920 – als vanzelfsprekend dat er een ‘wereldschoolvereniging’ opgericht zou worden.   Deze zou in zo breed mogelijke kring het begrip voor een vrij geestesleven moeten wekken en zo snel mogelijk over middelen te beschikken om overal, zolang de wetgeving in de landen het nog mogelijk maakten scholen op te richten vrij van staatsbemoeienis. Toen men het later wilde realiseren, zei Rudolf Steiner dat het tijdstip waarop een begin van een vrij geestesleven gemaakt had kunnen worden, gepasseerd was. 

Wir konnten die Waldorf schule begründen. Herr Stockmeyer hat den
Erlaß vorgelesen, der doch darauf hinausläuft, daß wir an Ostern 1925
die erste Klasse und so nach und nach die vier unteren Klassen verlieren.
Woanders hätten wir sie kaum errichten können. Mit der Begründung
der Waldorfschule ist der richtige Zeitpunkt erfaßt worden, in dem es
möglich war, so etwas zu tun. – Immer tritt uns das entgegen, daß man
auf so etwas hinweisen kann als auf stark wirkende Niedergangskräfte, wenn das Unterrichtswesen einem allgemeinen Schematismus ausgeliefert wird. Immer wieder kann man darauf hinweisen, wie da, wo das auf der letzten Phase angekommen ist, was da in der Verfassung der Grundschule gegeben ist, man kann daraufhinweisen: im Lunatscharskyschen Schulsystem in Sowjetrußland, da ist es durchgeführt! Da denken die Leute so, wie sie bei uns denken werden, wenn man das bis zu seinen vollen Konsequenzen durchführt. Das Elend im Osten von Europa ist dasjenige, was herauskommt, wenn eine solche Denkweise von unfreien Schulen die Wege in die Praxis findet..

Wij konden de vrijeschool oprichten. De heer Stockmeyer* heeft het arrest** voorgelezen waarin staat dat wij met Pasen 1925 de eerste klas en dan na elkaar de vier laagste klassen kwijtraken.
Maar elders hadden we haar nauwelijks kunnen oprichten. Met de stichting van de vrijeschool is het juiste tijdstip benut waarop het mogelijk was, zoiets te doen. Telkens weer komt op onze weg iets wat je zou kunnen noemen als sterk werkende krachten van verval, wanneer het onderwijs uitgeleverd wordt aan iets algemeen schematisch. Steeds weer kan je erop wijzen dat we in de laatste fase zijn beland van de Wet op de basisschool en hoe je daar aangekomen bent bij het schoolsysteem van Lunatscharsky in de Sowjet-Unie, daar is het doorgevoerd! Daar denken de mensen zo, als ze bij ons gaan denken, wanneer je dat in z’n volle consequenties navolgt. De ellende in het oosten van Europa is het gevolg van wanneer zo’n manier van denken over onvrije scholen zijn weg vindt in de praktijk.

*Stockmeyer: leraar aan de vrijeschool Stuttgart.

**Op grond van een besluit over het grondwettelijke schoolbesluit moest de vrijeschool in de herfst van 1920 opnieuw naar goedkeuring zoeken. Daarin stond al dat de school net zo als andere particuliere scholen vanaf schooljaar 1922/23 geen nieuwe eerste klas mocht openen en dat het leerlingenaantal van de eerste vier klassen afgebouwd moest worden. Niettegenstaande dat de vrijeschool als proefschool een langere termijn in het vooruitzicht was gesteld. Het besluit werd later ingetrokken.

Blz. 158

Mit solchen Reden heute Begeisterung zu erwecken, daß die Leute in ihren Seelen das geistige Blut rieseln fühlen, und fühlen: da muß eine große Anzahl von Menschen, die das einsehen, sich einsetzen, da muß eine öffentliche Meinung verbreitet werden – mit solchen Reden, ich muß sagen, wenn ich gerade immer vom Verbreiten der geistigen Idee übergehen konnte in den letzten zwanzig Jahren dazu, eine solche Sprache zu führen, die nicht bloß an die Herzen in theoretischem Sinne, sondern an die Herzen auch als Willensorgane appellierte -, ich fühlte mich in der Anthroposophischen Gesellschaft, später auch in anderenGesellschaften so, daß ich mir dachte: Haben denn die Leute keine Ohren? – Es scheint, als ob man dasjenige nicht hören konnte, was von dem Wort in die Tat gehen sollte. Es war etwas, was zur Verzweiflung führen konnte, was am Fiasko des Weltschulvereins zu erleben war.
Die Zahlen des Schuletats sprechen für sich; aber dasjenige, was weit über das Zahlensprechen hinausgeht, das ist das, was betont werden müßte: das ungeheure Leid, das man heute empfindet, wenn man an die Interesselosigkeit stößt, die in weitesten Kreisen vorhanden ist.

Met dergelijke voordrachten nu enthousiasme te wekken, zodat de mensen in hun ziel het geestelijke bloed voelen stromen en voelen: een groot aantal mensen die dit inzien, moeten zich inzetten, er moet openlijk een standpunt verspreid worden – met dergelijke voordrachten, moet ik zeggen, wanneer ik er de laatste twintig jaar steeds maar toe kon overgaan om voor het verspreiden van de spirituele ideeën een bepaalde taal te bezigen die niet alleen appelleerde aan het hart op een theoretische manier, maar aan het hart juist ook als wilsorgaan – voelde ik mij in de antroposofische beweging en later ook in andere bewegingen zodanig dat ik bij mezelf dacht: hebben de mensen dan geen oren? Het lijkt erop alsof men niet kan horen wat van het woord in de daad moet overgaan. Het mislukken van de wereldschoolvereniging is iets wat tot vertwijfeling aanleiding zou kunnen geven: de ongelooflijke pijn die je nu ervaart als je tegen de interesseloosheid aanloopt die in de breedste kringen heerst.

Da müssen wir uns sagen: Gewiß, das Interesse ist in diesen Kreisen vorhanden für so etwas wie die Waldorfschule, aber es muß auch das Interesse für die Grundlagen, die der Waldorfschule gegeben wordensind, das muß in viel intensiverer Weise sich ausbreiten, als das sich irgendwie heute zeigt.
Wie denkt man, wenn so etwas wie dieser Erlaß vorgelesen wird? Man denkt: Ja, vielleicht werden sich Mittel und Wege finden, um nun doch so ein paar Jahre die unteren Klassen durchzudrücken. Selbst in engeren Kreisen kommt nicht viel anderes heraus, als daß man denkt: Vielleicht werden wir doch ein paar Jährchen die Möglichkeit haben, das durchzuführen. Aber darum handelt es sich, daß sich heute ein jeder dahintersetzt. Es muß das Schulwesen sich in freier Weise entwickeln, wie es seit dem Jahre 1919 betont worden ist. Das kann natürlich nicht anders sich verwirklichen, als wenn wir zu den Mitgliedern unserer verschiedenenVereine, die ganz einverstanden sind, daß so etwas da ist, daß man dasjenige, was sie bieten wollen, empfängt, daß sich zu ihnen hin immer mehr finden, welche tätig mittuende Mitglieder werden. Zuerst muß der Wille entstehen!

We moeten zeggen: zeker, in deze kringen is de belangstelling voor zoiets als de vrijeschool aanwezig; maar ook de belangstelling voor de basisideeën die aan de vrijeschool ten grondslag liggen, moeten op een veel intensievere manier verspreid worden dan nu op de een of andere manier zichtbaar is.
Wat denk je, als zoiets als dit arrest wordt voorgelezen? We denken, ja misschien kunnen er middelen en wegen gevonden om de onderste klassen er toch nog een paar jaar door te drukken. Zelfs in kleinere kring komt er niet veel meer uit dan dat men denkt: misschien hebben we nog een paar jaartjes de mogelijkheid dat voor elkaar te krijgen.
Maar het gaat erom dat iedereen daarachter staat. Wat school is, moet zich op een vrije manier kunnen ontwikkelen, zoals dat sinds het jaar 1919 benadrukt wordt. Dat kan natuurlijk niet anders verwezenlijkt worden dan wanneer we naast de leden van onze verschillende verenigingen die het ermee eens zijn, dat er zoiets is, dat wat zij te bieden hebben, accepteren, en dat er naast hen steeds meer komen die actief meewerkende leden worden. Eerst moet de wil ontstaan!

Blz. 159

Ich möchte sagen, meine Rechnung geht so: Wenn die Zahlen sprechen, so können wir sagen, wir haben kein Geld. Dann wird wiederum durch Geldsammeln mit Ach und Krach ein Loch ausgefüllt. Aber auch in der Methode kommen wir nicht weiter. Wir kommen nur mit der Methode vorwärts, die in Aussicht genommen war, wie vom Weltschulverein gesprochen worden ist. Wir müssen einen tatkräftigen Glauben haben, daß dasjenige, was getan wird, wirklich ein Bestandteil der Öffentlichen Meinung wird. Wir brauchen, um die Waldorf schule zu halten, und um Schulen weiter zu begründen, wir brauchen eine öffentliche Meinung, die immer großer wird, die dahin geht, daß es im Sinne des alten Schulwesens nur zu Niedergangskräften in der Menschheit führt.
Das brauchen wir. Wenn wir uns dazu durchringen können, nicht bloß immer da und dort so eine Schnakerlschule zu begründen, um eine Art pädagogischer Kurpfuscherei durchzuführen, wenn wir uns dazu entschließen, unsere Erziehungsgrundsätze in die Öffentlichkeit hineinzutragen, so daß sie innere Überzeugung von Eltern und Nichteltern werden, nur dann kommen wir vorwärts!

Mijn berekening ziet er zo uit: wanneer de getallen voor zich spreken, dan kunnen we zeggen, dat we geen geld hebben. Dan wordt er weer door het ophalen van geld met pijn en moeite een gat gevuld. Maar op deze manier komen we ook niet verder. We komen alleen op die manier verder die we op het oog hadden, toen we over een wereldschoolvereniging spraken. We moeten een standvastig geloof hebben dat wat er gedaan wordt, werkelijk een deel van de publieke opinie wordt. We hebben, om de vrijeschool te behouden en om verder scholen te stichten, een publieke opinie nodig die steeds sterker wordt, die gaat beseffen, dat het doorgaan in de geest van het oude schoolwezen alleen maar tot vervalkrachten in de mensheid leidt. Dat hebben we nodig. Als we ons daar sterk voor kunnen maken – niet alleen steeds hier en daar een school alsof we de hik hebben, om een soort kwakzalverspedagogie door te voeren -= als we het besluit nemen onze opvoedingsprincipes in de openbaarheid te brengen, zodat dit een innerlijke overtuiging wordt van ouders en niet-ouders, pas dan komen we verder!

Jetzt verzeihen Sie, wenn ich gewissermaßen wirklich nicht vermeide, zu sagen: Ich weiß, daß viele das, was ich jetzt gesagt habe, als richtig anerkennen werden, es ganz richtig finden werden, aber man erkennt es erst als richtig an, wenn man etwas tut! Wenn man etwas tut! Deshalb müßte vor allem darauf gesehen werden, daß wir nicht nur aus dem Kreis der Mittel heraus, die wir schon haben, aus unseren Zweigen heraus und den schon geleerten Börsen Schulen begründen, so gut es geht; wir müssen uns bemühen, für die Ideen zu wirken, so daß die Ideen in eine immer größere Anzahl von Menschen hineinkommen.
In dieser Beziehung haben wir die gegenteilige Erfahrung gemacht.
Die gegenwärtige Nummer der Dreigliederungszeitung kündet an,
daß sie in Zukunft eine Zeitschrift sein wird für die Anthroposophie. Warum? Weil die vielversprechenden Anfänge in der Erkenntnis der Dreigliederung im Sande verlaufen sind. Weil wir im Grunde genommen zurückkehren müssen zu dem, was wir damals schon im Duktus hatten vor der Dreigliederungsbewegung. Trotzdem über Dreigliederung viel gesprochen wird, ist es wiederum so, daß man in Verzweiflung gerät, wenn man mit den Menschen redet. Daß das etwas

En neem me niet kwalijk dat ik zeker niet vermijd te zeggen: ik weet dat velen wat ik nu gezegd heb, als juist zien, het heel prima vinden; maar het gebeurt pas, als je iets doet.
Als je iets doet!
Daarom moet er allereerst gekeken worden naar dat wij niet alleen uit de kring van de fondsen die we al hebben, uit onze afdelingen en de al leeggemaakte portemonnees, scholen stichten, zo goed als dat gaat; we moeten proberen voor de ideeën te werken, zodat deze tot een steeds groter aantal mensen doordringen.
Dat is de ervaring die we wat dit betreft hebben opgedaan.
Het huidige nummer van de Driegeledingskrant kondigt aan dat deze in de toekomst een tijdschrift zal zijn voor de antroposofie. Waarom? Omdat het veel belovende begin van het bekend worden van de driegeleding verzand is. Omdat we in de aard van de zaak, terug moeten naar wat we toen al voor de driegeledingsbeweging geformuleerd hebben. Ondanks dat er veel gesproken wordt over de driegeleding, is het wel weer zo dat je vertwijfeld raakt als je met de mensen praat. Dat het iets

Blz. 160

werden soll, was öffentliche Meinung werden sollte, das brauchen wir vor allen Dingen, wenn wir mit der Waldorfschule vorwärtskommen wollen.
Ich muß sagen, ich spreche das seit längerer Zeit aus. Aber alles findet eher Anklang, als das, was ich heute gesagt habe. Ich möchte sagen, wenn ich als Glauben nur ansehe, was im Willen der Menschen lebt – kein Mensch glaubt, daß man mit dem Glauben etwas erreichen könnte, daß aus dem freien pädagogischen Wesen heraus allein der Menschheit
geholfen werden könnte. Das würde uns dann erst dazu führen, daß die Menschen, die es noch tun können, auch uns in pekuniärer Weise
entgegenkommen würden, daß wir nicht immerfort gegenüber anderen
Bewegungen das Nachsehen haben.
Die anthroposophische Bewegung, sie ist dasjenige, auf das die Waldorfschul-Bewegung gebaut ist. Wenn sie auch durch solche skandalösen Dinge zurückgedrängt werden kann, sie hat innerliche Lebendsbedingungen in sich. Es werden viele Verbindungen gegründet mit reichlichen Geldmitteln, die keine Lebensbedingungen in sich haben. Es werden immer wieder Verbindungen gegründet, man hat für sie Geld. Sie gehen zugrunde. Wenn man alles dasjenige, was die Menschheit heute für unnötige Verbindungen ausgibt, wenn man das könnte alles in unsere Kanäle hineinleiten, dann würden die Berichte anders ausschauen. Dann würde Herr Leinhas sagen müssen, unser Reservefonds ist so groß, daß wir suchen müssen, ihn fruchtbringend anzulegen.

zou moeten worden wat de publieke mening zou moeten worden, dat hebben we vooral nodig, als we met de vrijeschool verder willen komen.
Dat zeg ik al langere tijd. Maar alles wordt eerder aanvaard dan wat ik vandaag heb gezegd. Als ik, wat in de wil van de mensen leeft, als geloof beschouw, dan gelooft geen mens dat je met je geloof iets bereikt. Alleen vanuit de vrije pedagogie is de mensheid geholpen. Dat zou er dan pas toe leiden dat de mensen die het nog doen kunnen, ons ook op financiële manier zouden kunnen helpen, dat wij niet steeds tegenover andere bewegingen het nakijken hebben. De vrijeschoolbeweging is gebouwd op de antroposofische beweging. Ook al kan ze door schandalige* dingen tegengewerkt worden, innerlijk bezit ze de voorwaarden tot leven. Er worden wel andere samenwerkingsverbanden gevormd met rijkelijke geldmiddelen die niet levensvatbaar zijn. Er worden steeds weer samenwerkingsverbanden gevormd, daar heeft men geld voor. Wanneer je alles wat de mensheid nu uitgeeft aan onnodige samenwerkingsverbanden, als we dat allemaal naar onze kanalen zouden kunnen doorsluizen, zouden de berichten er heel anders uitzien. Dan zou de heer Leinhas** moeten zeggen dat ons reservefonds zo groot is, dat we moeten gaan zoeken om het vruchtbaar in te zetten.

*De hetze tegen Rudolf Steiner en het Goetheanum
** Leinhas: penningmeester van de vereniging.

Ich glaube gar nicht daran, daß es heute in der Hauptsache daran fehlt, daß wir nicht Geld haben könnten. Es fehlt daran, daß wir gar nicht versuchen in Wirklichkeit uns geltend zu machen mit dem Willen, unser als richtig erkanntes Stück des geistigen Lebens geltend zu machen innerhalb der Welt. Was würde es nützen, wenn ich auseinandergesetzt hätte, daß es in einer gewissen befriedigenden Weise war, wie wir im vorigen Jahre gewirkt haben? Aber hier, wenn es sich um eine Mitgliederversammlung handelt, da ist es notwendig, daß man aus einer solchen Ecke heraus spricht. Ich bin doch ganz davon überzeugt, je besser unsere Waldorfschule wird – wenn wir nicht die Möglichkeit finden, unsere Erziehungsimpulse in die öffentliche Meinung hineinzutragen, dann helfen uns alle unsere Rechenkünste nichts.

Ik geloof er niet helemaal in, dat het er nu hoofdzakelijk aan ontbreekt dat we geen geld zouden kunnen hebben. Het ontbreekt eraan dat we helemaal niet proberen met onze wil ons te laten gelden, het deel van het geestelijke leven dat we als juist erkennen in de wereld te laten gelden. Wat heeft het voor zin als ik uiteen zou hebben gezet dat we vorig jaar op een zekere tevredenstellende manier gewerkt hebben? Maar hier – het gaat om een ledenvergadering – is het nodig om vanuit deze hoek te spreken. Ik ben er toch helemaal van overtuigd dat hoe beter onze vrijeschool wordt – als we niet de mogelijkheid vinden onze opvoedingsimpulsen in de publieke opinie te brengen, dan helpen al onze rekenkunsten niets.

Blz. 161

Der Wille muß da sein in einer immer größer werdenden Anzahl von
Menschen, alle zu überzeugen. Neben dem muß die Meinung verbreitet
werden, daß es zum Heile der Menschheit notwendig ist, daß so etwas,
wie es in der Waldorfschule keimhaft veranlagt ist, immer weiter und
weiter wachse.
Das ist dasjenige, was ich in den Teil der Herzen hineingesprochen haben möchte, in denen der Willensimpuls liegt. Man kann recht weit kommen, wenn man nur einmal sich darauf besinnt, worauf es ankommt: daß es darauf ankommt, daß wir wirklich die öffentliche Meinung durch unseren Willen dahin bringen, wo sie sein soll. –
Das ist dasjenige, was ich zu sagen habe.

De wil moet in een steeds groter aantal mensen aanwezig zijn om allen te overtuigen. Daarnaast moet de mening vermenigvuldigd worden dat het voor het welzijn van de mensheid hoog nodig is, dat zoiets wat in de vrijeschool als kiem aanwezig is, steeds verder groeit. 
Dat wilde ik graag voor dat deel van het hart uitspreken waarin de wilsimpuls ligt. Je kan een heel eind komen, wanneer je je er maar op bezint waar het op aankomt: dat we daadwerkelijk de publieke opinie door onze wil zover brengen waar deze moet zijn.
Dat moest ik zeggen.

.

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3017-2833

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 53

.

Over Ik, bewustzijnsiel en geest(es)zelf

GA 53

Om het begrip ‘geestzelf’ te verduidelijken, gebruikt Steiner ook weer zijn ‘methode’ om de dingen in hun tegenstellingen te bekijken; van verschillende kanten te benaderen.
Hier vergelijkt hij de ‘boodschappen’ die wij ‘binnen krijgen’ enerzijds vanuit de aardse wereld en anderzijds vanuit de geestelijke wereld. 

Om met de aardse wereld in contact te komen, kunnen we niet zonder de zintuigen. Kleuren, geuren, geluiden: we zouden ze niet kunnen waarnemen zonder de daarbij horende zintuigen. 

Van de lichamelijke kant uit bekeken, spreken we dan over ‘gewaarwordingen’ en omdat wij hier een stukje van de buitenwereld tot eigen wereld maken, hebben we daarvoor ‘de ziel’ nodig. Dit stukje ziel omschrijft Steiner als gewaarwordingsziel.

Nu kan je ook gewaarwordingen hebben van iets geestelijks. Die zijn niet zo duidelijk als bv. heldere kleuren die ‘op ons netvlies vallen’. 
Toch spreken we daar ook over ‘aan’- ‘in’voelen. 
Die geestelijke gewaarwording noemt Steiner ‘intuïtie‘.

En zoals de lichamelijke gewaarwordingen beleefd worden in de gewaarwordingsziel, d.m.v. de zintuigen, zo de geestelijke gewaarwordingen in de geestmens. d.m.v. de intuïtie.

We kennen nu de indeling van de ziel in drieën en die van de geest, ook in drieën.
We zagen hier en hier al dat we onze bewustzijnsziel kunnen verrijken.
Dit deel van de ziel wordt a.h.w. steeds vervulder, voller van geestelijke realiteit.
Ik-zelf heb meer aandeel aan deze geestelijke wereld. Mijn geest-zelf is in ontwikkeling.

We hebben hier te maken met een persoonlijke ontwikkeling.
Maar ook de mensen als mensheid maken een ontwikkeling door.
Het betreft hier eigenlijk een bewustzijnsontwikkeling.
Van deze bewustzijnsontwikkeling zegt Steiner bv. ook: 

Denn des Menschen Entwicklung besteht darin, daß er von Bewußtseinsstufe zu Bewußtseinsstufe sich entwickelt.

De ontwikkeling van de mens is een ontwikkeling van de ene bewustzijnsfase naar de andere bewustzijnsfase.
GA 54/372
Niet vertaald

En wat de pedagogie betreft: in de ontwikkeling van het kind naar volwassene, maakt ook het individuele kind een bewustzijnsontwikkeling door. 
Dit gegeven vind je terug in het leerplan van de vrijeschool.  

Het roept ook een bepaalde gedachte op over ‘het excuses aanbieden over zaken uit het verleden’.  
We gaan een puber niet kwalijk nemen dat hij ooit een soort ‘magisch’ bewustzijn (JeannPiaget) had. Hij hoeft daarvoor zeker geen excuses aan te bieden.
Kan het ons nu – die in een andere bewustzijnsfase zijn gekomen – we spreken niet voor niets over ‘met de kennis van nu’ of duidend op ontwikkeling: vanuit ‘voortschrijdend inzicht’- kwalijk worden genomen dat we ‘eens’ zo dachten als in de gewraakte perioden en kunnen we daar eigenlijk wel excuses voor aanbieden? 

In de eerste voordracht van de ‘Algemene menskunde’ merkt Steiner al meteen op:

De ontwikkelingsperiode waarin wij ons nu bevinden is omstreeks het midden van de vijftiende eeuw begonnen. In onze tijd komt – als het ware vanuit geestelijke diepten – het inzicht, wat in deze periode waarin wij leven gedaan moet worden, met name wat de opvoeding betreft.
GA 293/18-19
Vertaling/19

Wat de opvoeding betreft’, daarover doet Steiner vele uitspraken. Zie bv. deze, met verdere verwijzingen.

Mensen krijgen steeds meer het vermogen om ‘in te zien’, dit inzicht te verwerven. 
Bij de een is dat vermogen al groter, bij anderen minder of lijkt het alsof het nog totaal ontbreekt.

In GA 53 zegt Steiner van dit ‘inzichtdeel’:

Ursprung und Ziel des Menschen
Grundbegriffe der Geisteswissenschaft

Oorsprong en bestemming van de mens
Basisbegrippen van de geesteswetenschap

Voordracht 2, Berlijn, 13 oktober 1904 


Die menschliche Wesenheit

Het wezen mens

Blz. 60

Der unterste Teil der Geist-Manas-ist in der Anlage bei dem heutigen denkenden Menschen entwickelt. Es ist diese Manas ebenso fest verbunden mit dem höchsten Gliede der Seele, wie die Empfindungsseele mit dem Seelenleib, so daβ wieder das Höchste der Seele und das Niederste des Geistes ein Ganzes bilden, weil man sie nicht unterscheiden kann.
(  )
Der Geist ist heute bei der Menschheit bis zum Manas entwickelt.

Het onderste deel van de geest [hij gebruikt hier ook het Sanskriet] manas is in aanleg bij de denkende mens van nu [1904] ontwikkeld. Dit manasdeel is met het hoogste deel van de ziel vast verbonden, net zoals de gewaarwordingsziel met het zielenlijf, zodat het hoogste van de ziel weer met het laagste van de geest een eenheid vormt, je kan ze niet onderscheiden.
(  ) De geest heeft zich nu bij de mensheid tot aan manas ontwikkeld.
GA 53/60    
Niet vertaald

In GA 34 kwam de vergelijking van het geestzelf en de bewustzijnsziel met de gewaarwordingsziel en het gewaarwordingslijf ook al aan de orde.

Voordracht 10, Berlijn 9 februari 1905

Ursprung und Ziel des Menschen

Oorsprong en bestemming van de mens

Blz. 210

Wenn man den Menschen hinsichtlich seines Ursprunges erkennen will, so muß man sich klar darüber sein, was das Wesen des Menschen ist. Der, welcher auf dem Standpunkte steht, daß der Mensch nur der Zusammenhang dieser physischen Organe ist: Hände, Füße, Lunge, Herz und so weiter bis hinauf zum Gehirn, der wird kein anderes Bedürfnis haben, als aus materiellen Kräften den Ursprung des Menschen zu erklären. Dadurch wird für ihn die Frage eine andere werden als für denjenigen, der den Menschen als eine Ganzheit betrachtet. Er wird den Menschen als ein Wesen ansehen, welches nicht nur aus Leiblichem, sondern auch aus Seele und Geist besteht. Inwiefern sich der Mensch aus den drei Gliedern Leib, Seele und Geist zusammensetzt, das haben wir schon gesehen. Leib, Seele und Geist, das sind die Glieder, aus welchen der Mensch zusammengesetzt ist

Wanneer je de mens wat zijn oorsprong betreft, wil leren kennen, dan moet het duidelijk zijn voor je, wat het wezen van de mens is. Wie op het standpunt staat dat de mens alleen maar de samenhang van zijn fysieke organen is: handen, voeten, longen, hart enz., tot en met het brein, zal geen andere behoefte hebben dan de oorsprong van de mens te verklaren vanuit stoffelijke krachten. Daardoor zal de vraag voor hem anders worden dan voor iemand die de mens als een totaliteit ziet. Die zal de mens zien als een wezen dat niet alleen uit het levend-lichamelijke bestaat, maar ook uit ziel en geest. Lichaam, ziel en geest zijn de wezensdelen waaruit de mens samengesteld is. 

Das was man Seelisches und Geistiges nennt, ist von der modernen Psychologie zusammengefaßt worden in einem einzigen Begriff, in dem Begriff der Seele. Darin besteht die Verwirrung der modernen Seelenlehre, daß sie nicht unterscheidet zwischen Seele und Geist. Das ist das, worauf die Theosophie immer wieder hinweisen muß. Das was von der einen Seite Seelenwesen ist, was fühlt und vorstellt und sich Gedanken macht über die alltäglichen Dinge, das alles ist für uns Theosophen auch Seele. Der Geist beginnt erst da, wo wir das sogenannte Ewige im Menschen gewahr werden, das

Wat men ziel en geest noemt, wordt door de moderne psychologie samengevat in één begrip, het begrip ‘ziel’. Dat is de verwarring in de moderne psychologie: er wordt geen onderscheid gemaakt tussen ziel en geest. Daarop moet de theosofie voortdurend wijzen. Wat aan de ene kant zielenwezen is, wat voelt, zich voorstelt en gedachten vormt over de alledaagse dingen, is voor ons theosofen ook ziel. De geest begint pas daar waar wij het zogenaamde eeuwige in de mens gewaar worden, dat

Blz. 211

Unvergängliche, das, wovon Plato gesagt hat, daß es sich von geistiger Nahrung nährt. Erst der Gedanke, der frei ist von dem sinnlichen Inhalt, der sich erhebt zu dem Charakter der Ewigkeit, der vom Geist erschaut wird, wenn der Geist nicht mehr durch die Tore der Sinne nach außen sieht, sondern in sein Inneres blickt, dieser Gedanke ist es erst, der den Inhalt des Geistes ausmacht. Der abendländische Forscher kennt diesen Gedanken nur auf einem einzigen Gebiet, auf dem Gebiet der Mathematik, der Geometrie und Algebra. Da sind Gedanken, die uns nicht von der Außenwelt zufließen, die der Mensch nur von innen her, intuitiv schafft. Niemand könnte einen mathematischen Lehrsatz bloß aus der Anschauung gewinnen. Niemals könnten wir aus der Anschauung erkennen, daß die drei Winkel eines Dreiecks zusammen 180 Grad ausmachen

onvergankelijke, waarvan Plato heeft gezegd dat het zich voedt met geestelijk voedsel. Pas de gedachte die vrij is van zintuiglijke inhoud, die zich verheft tot de toestand van de eeuwigheid, die door de geest waargenomen wordt wanneer de geest niet meer door de poorten van de zintuigen naar buiten kijkt, maar in zijn eigen innerlijk, pas deze gedachte vormt de inhoud van de geest.
De onderzoekers uit het Avondland kennen deze gedachte maar op één enkel gebied, op het gebied van de wiskunde: de meetkunde en de algebra. Daar hebben we gedachten die niet vanuit de buitenwereld naar ons komen, maar die de mens alleen van binnenuit, intuïtief schept. Niemand kan een wiskundige leerstelling alleen maar halen uit een uiterlijke waarneming. Nooit kunnen we vanuit het waarnemen inzien, dat de drie hoeken van een driehoek samen 180º zijn.

Steiner zal in andere voordrachten, maar bv. ook in zijn boekDe weg tot hoger inzicht’  uitleg en aanwijzingen geven hoe we tot dit ‘zintuigvrije’ denken kunnen komen als voorwaarde om onze geest meer in geestelijke richting te scholen. 

.Blz. 212

Da haben Sie dasjenige, was der Mensch mit seinem Verstand in der Alltäglichkeit tut, dies verständige Auffassen der unmittelbaren zeitlichen und vergänglichen Wirklichkeit, auf ein höheres Gebiet erhoben, in die reine Gedankenwelt. Und Sie können da in sich etwas erleben, wenn Sie sich zum reinen Gedanken erheben, wenn Sie von den sinnlichkeitserfüllten
Gedanken abstrahieren können, was zum Ewigen gehört.
Die Theosophie nennt dieses erste Element des Geistes auch Manas. Ich habe versucht, in meiner «Theosophie» diesen Ausdruck mit «Geistselbst» zu übersetzen. Es ist das höhere Selbst, das sich herauslöst aus dem, was nur auf die irdische Welt beschränkt ist.

Dan krijg je, wat de mens met zijn verstand in het alledaagse leven doet, het met het verstand begrijpen wat nu de tijdelijke en vergankelijke werkelijkheid is, op een hoger niveau geplaatst, in de wereld van de pure gedachten. En als je dat doet, kan je in jezelf iets beleven van wat tot het eeuwige behoort, als je dus van de gedachten die door de zintuigen gevuld zijn, weg kan komen. 
De theosofie noemt dit eerste element van de geest ook manas. Ik heb geprobeerd in mijn boekTheosofie’ deze uitdrukking te vertalen met ‘geestzelf’. Het is het hogere zelf dat zich losmaakt van wat alleen maar beperkt is tot de aardse wereld. 
GA 53/210-212   
Niet vertaald

In deze gehele GA 53 gaat Steiner vanuit allerlei gezichtspunten nog verder in op ‘manas’.
Ik wil dit niet allemaal toevoegen. het gaat erom dat we op een elementaire manier leren begrijpen wat Steiner met ‘geestzelf’ bedoelt.
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3015-2831

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 – geestzelf, levensgeest, geestmens

.

Op blz. 23/24 van de Algemene menskunde geeft Steiner een kleine schets van het 7-ledig mensbeeld.
Dat is in dit artikel wat nader uitgewerkt.

In dit artikel ben ik er iets dieper op ingegaan.

Voor het fysieke lichaam heb ik hier karakteriseringen gegeven zoals die te vinden zijn in andere voordrachten.

Ook voor het etherlijf   astraallijf   en Ik.

Doordat wij Ik-wezens zijn, hebben we het vermogen om onszelf  ‘bij te scholen’.
Je neemt je eigen verdere ontwikkeling zelf ter hand.
Dat kan op allerlei gebied: de essentie hiervan is echter dat je ‘iets’ wat in de wereld is, naar jezelf toehaalt: je verdiept je bv. in literatuur, natuur, je gaat muziek beoefenen, er valt nog een heleboel op te sommen.

Maar wij mensen hebben ook het vermogen aan onszelf te werken waar het bv. gaat om ons gedachteleven, ons karakter, hoe we zijn, hoe we reageren, kortom we kunnen aan ons denken, voelen en willen werken.
We kunnen onszelf – voorzichtig gezegd – enigszins veranderen,

Dat is niet eenvoudig.

Voor Steiner is het de voorwaarde om ‘achter de dingen’ te leren waarnemen.
Hij zegt dat in ieder mens die vermogens aanwezig zijn. 
Bij velen van ons in slapende of sluimerende hoedanigheid.
En zoals hij voor het slapend-dromerige kind zegt dat we geduld moeten hebben, omdat alles wat slaapt ook de eigenschap heeft wakker te worden – wij moeten het voorzichtig wekken – zo kunnen we ook in ons die sluimerende vermogens wakker(der) maken.

Daarvoor geeft Steiner allerlei hoger inzichtoefeningen. O.a. in GA 10De weg tot inzicht in hogere werelden‘.
Ook al leiden die oefeningen niet tot hoger inzicht, ze geven je wel een andere kijk op jezelf (en anderen). Gedachtecontrole, innerlijke rust en meer. 
Er zijn ook de zgn. ‘Nebenübungen‘ [GA 266C]
Zij heten ‘Nebenübungen’ omdat Steiner aanbeveelt ze naast meditaties, waarnemingsoefeningen en dergelijke te blijven doen. [1]

Zo kan ‘gedachtecontrole en innerlijke rust’ ertoe leiden dat je je steeds afvraagt – wanneer je vindt dat je iets moet zeggen – moet ik het wel zeggen en moet het nu?
Neem het voorbeeld van ‘vlak voor de lessen beginnen, in de lerarenkamer’. Nog snel een vraag aan deze, nog gauw een opmerking voor de ander. Wat kunnen die ermee? Nemen ze dat als ‘onrust’ mee hun klas in? 
Moest je dat écht zeggen en moest het op dat ogenblik? Vaak blijkt dat het aan het einde van de dag al niet meer opgaat; het was dus overbodig – ook die gevolgde onnodige onrust.
Moet het wel gezegd worden: tast het ogenblik af; is er werkelijk de rust om het te zeggen zodat die ander het ook echt hoort.

Er kan ook een soort ‘hygiënisch’ denken ontstaan.
Een collega is ziek, maar je moet toch nodig iets weten. Je voelt dat je eigenlijk moet vragen hoe het ermee is en je informeert. Dan zeg je: ‘Nu ik je toch spreek,….en dan komt de eigenlijke reden van je telefoontje: dat was niet in eerste instantie het werkelijk begaan zijn met de toestand van je collega.
Ik weet uit ervaring hoe de zieke collega dat kan gaan ervaren. 
Er zijn veel voorbeelden te geven. 

Ik ben door de oefeningen geen helderziende geworden, maar ik heb er wel mooie dingen door (ver)ge)kregen.

Als vervolg op de korte omschrijvingen van de 4 wezensdelen, hierboven beschreven, zal ik nu in een reeks artikelen de opmerkingen van Steiner weergeven over de activiteit van het Ik in relatie tot geestzelf, levensgeest en geestmens.

.

[1] De ‘Nebenübungen’ in het sociale leven  

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

3008-2824

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (09-05-1922)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Omdat er sprake is van ‘het vrije onderwijs, op een vrije school (met spatie) en er ook sprake is van de Stuttgarter vrijeschool (zonder spatie) heb ik, om misverstanden uit te sluiten, deze keer vrijeschool vertaald met waldorfschool (off. spelling geen hoofdletter)

Blz. 122

Ansprache am Elternabend

Toespraak op de ouderavond

Meine sehr verehrten Anwesenden! Es ist nicht eigentlich ein Vortrag,
den ich bei dieser Gelegenheit halten möchte, sondern ich möchte
Veranlassung geben zu einer möglichst weitgehenden Verständigung der
an der Führung und an dem Wirken der Waldorfschule Beteiligten und
der Elternschaft unserer Schule. Das ist aus dem Grunde, weil ich tatsächlich diese Verständigung, dieses Zusammenwirken der Lehrer
und anderer Persönlichkeiten, die an der Führung der Waldorfschule
beteiligt sind, und der Eltern für etwas außerordentlich Notwendiges
und Bedeutungsvolles halte. Gestatten Sie mir, daß ich dabei von einem Erlebnis ausgehe, das ich erst jüngst hatte, um an diesem Erlebnis zu veranschaulichen, wie wichtig die Frage ist, auf die ich hingedeutet habe. Ich habe ja in den letzten Wochen die Aufgabe gehabt, mitzuwirken bei der zum Geburtstag von Shakespeare veranstalteten Feier in Stratford on Avon in England. Und diese Shakespeare-Festlichkeit war eigentlich eine solche, die ganz unter dem Eindruck und Einfluß stand von Erziehungsfragen. Sie
war veranstaltet von Persönlichkeiten, die an Kinder- und Volkserziehung tief interessiert sind. Man kann auch sagen, bei dieser ganzen
Festlichkeit stand gewissermaßen die Welt der Shakespeareschen Kunst
nur im Hintergrund, denn dasjenige, was verhandelt worden ist, waren
Erziehungsfragen der Gegenwart. Bei dieser Gelegenheit zeigte sich
auch eine der kleinen, oder vielleicht einmal sogar großen Auswirkungen
jenes pädagogischen Kurses, den ich zu Weihnachten an unserem
Goetheanum in Dornach gehalten habe, und an dem gerade Persönlichkeiten teilnahmen, die mitzuwirken hatten an dieser Shakespeare-Festlichkeit.
Nun gibt es da in der Nahe von London ein Erziehungsinternat. Es hat noch keine besondere Größe, aber dieses Erziehungsinternat wird
geleitet von einer Persönlichkeit, die bei dem Dornacher Kurs anwesend
war und von dort her die Anregung mitgenommen hat, in dieses

Zeer geachte aanwezigen! Bij deze gelegenheid wil ik eigenlijk geen voordracht houden, maar ik zou een aanleiding willen geven om een zo groot mogelijk begrip te wekken voor de mensen die deelhebben aan het beheer en het werk van de waldorfschool en voor de ouders van onze school. Dat komt omdat ik werkelijk dit wederzijdse begrip, dit samenwerken van de leerkrachten en andere personen die betrokken zijn bij de gang van zaken van de waldorfschool en de ouders, voor iets zeer noodzakelijks en belangrijks houd.
Mag ik van een ervaring uitgaan die ik niet zo lang geleden had om daarmee duidelijk te maken hoe belangrijk de vraag is waarop ik zinspeelde. De afgelopen weken had ik namelijk de opdracht, mee te werken aan een een festiviteit bij de geboortedag van Shakespeare in Stratford on Avon* in Engeland. En deze Shakespeare-festiviteit stond eigenlijk geheel in het teken van opvoedingsvraagstukken. Deze was georganiseerd door personen die diep geïnteresseerd zijn in de opvoeding van de kinderen en de mensen. Je zou ook kunnen zeggen dat bij deze feestelijkheden de kunst van Shakespeare alleen maar de achtergrond vormde, want waar het over ging waren de opvoedingsvraagstukken van deze tijd. Bij deze gelegenheid zag je ook de kleine of misschien ook wel de grote gevolgen van de pedagogische cursus** die ik met Kerstmis in ons Goetheanum heb gegeven en waaraan juist die personen meededen die mee moesten werken aan deze Shakespeare-festiviteiten.
In de omgeving van Londen staat een opvoedingsinternaat***. Het is nog niet zo groot, maar het wordt geleid door iemand die bij de cursus in Dornach aanwezig was en vandaar de impuls had meegenomen naar dit

*Feier in Stratford: Zu Shakespeares Geburtstag. Rudolf Steiner sprach auf Einladung hin am 19., 21. und 23. April 1922 innerhalb der Konferenz der Vereinigung «Neue Ideale in der Erziehung» über «Das Drama und seine Beziehung zur Erziehung» und «Shakespeare und die neuen Ideale», in «Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage» (9 Vorträge in verschiedenen Städten 1921/22), Bibl.-Nr. 304, GA 1979.
.
Festiviteit in Stratford: Bij Shakespeares geboortedag. Rudolf Steiner sprak op uitnodiging op 19, 21 en 23 april 1922 op de vergadering van de vereniging ‘Nieuwe idealen in de opvoeding’ over ‘Het drama in de opvoeding’ [op deze blog vertaald] en ‘Shakespeare en de nieuwe idealen’ [op deze blog vertaald] 
in “Opvoed- en onderwijs methoden vanuit de antroposofie’ GA 304, op deze blog vertaald – zie inhoudsopgave.
.
**Pädagogischer Kurs zu Weihnachten in Domach: Siehe «Die gesunde Entwickelung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen» (16 Vorträge, Dornach 1921/22), Bibl.-Nr. 303, GA 1978.
.
Pedagogische cursus met Kerstmis in Dornach. ‘Gezondmakend onderwijs’ GA 303; vertaald,
.
***in der Nähe von London ein Erziehungsinternat: Damals «Priory School», jetzt «New School» in Kings-Langley.
.
In de buurt van Londen een opvoedingsinternaat. Toen ‘Priory School’, nu Nieuwe School’ in Kings-Langley. (De laatste jaren kampend met veel problemen, voortbestaan onzeker)
.

Blz. 123

Erziehungsinternat, vielleicht sogar bei einer Vergrößerung desselben,
dasjenige, was wir jetzt nennen dürfen die Waldorfpädagogik, das
Waldorf-Erziehungswesen einzuführen. Wir wurden eingeladen, diese
Erziehungsanstalt anzusehen. Dabei kamen die verschiedenen Fragen
zur Sprache, die die gegenwärtige Leitung betreffen, und dasjenige, was
getan werden könnte, um den Geist des hier in der Waldorfschule
gepflegten Erziehungswesens dorthin zu übertragen. Es kam eine Frage ganz besonders zur Besprechung, und das war diese, daß die leitenden Persönlichkeiten sagten: Ja, mit den Kindern würden wir eigentlich recht gut fertig; wir bekommen jedes Jahr die kleine Anzahl von Kindern herein, welche uns auch zu halten möglich ist bei der Größe unserer Anstalt. Aber das Schwierigste ist das Zusammenwirken mit den Eltern. Schwierig aus dem Grunde, weil nun einmal in der älteren Generation überall – das ist durchaus eine internationale Angelegenheit – heute ganz bestimmte Ansichten vorhanden sind, so und so muß die Erziehung verlaufen. Es gibt manche Veranlassung dazu, daß die Eltern ihre Kinder in diese oder jene Anstalt geben.

opvoedingsinternaat, om wellicht wanneer het groter zou worden te beginnen met wat wij nu de waldorfschoolpedagogie mogen noemen, de opvoedingsopvattingen van de waldorfschool. Eén vraag werd vooral besproken en wel omdat de leidinggevende mensen zeiden: Ja, met de kinderen kunnen we het wel klaarspelen; er komen ieder jaar een klein aantal kinderen naar ons toe die we, gezien de grootte van het gebouw, wel kunnen huisvesten. Maar het moeilijkste is de samenwerking met de ouders. Moeilijk omdat in de oudere generatie nu eenmaal overal – dat is internationaal – bepaalde gezichtspunten bestaan dat opvoeding zus en zo moet verlopen. Er zijn vele aanleidingen waarom ouders hun kinderen naar dit of dat internaat sturen.

Wenn es sich wirklich darum handelt, daß ein wenig abgewichen werden soll von dem, in was man sich eingelebt hat, dann entsteht sehr leicht die Uneinigkeit der Schule mit den Eltern. Und das ist etwas, was gerade in einem freien Schulwesen wirklich nicht zu ertragen ist. Nun liegen dort in dem Schulinternat, von dem ich spreche, ganz besondere Schwierigkeiten nach dieser Richtung vor. Ich will jetzt weder Kritik anlegen, noch will
ich etwas empfehlen. Ich will einfach von den Tatsachen sprechen. In
diesem Schulinternat gibt es, trotzdem es ein Internat ist, gar keine
Bediensteten. Die Schule wird ganz allein von den Kindern und Lehrern
versorgt, so daß also von diesen Schülern und Lehrern die Diele gewaschen werden muß, die Teller abgewaschen werden müssen, das Gemüse gepflanzt werden muß, die Hühner versorgt werden müssen, damit sie Eier liefern – ich könnte eine lange Liste aufzählen. Daneben werden alle möglichen Arbeiten von den Kindern gezeigt, so daß man schon den Eindruck hat, da geht es doch anders zu als in manchen anderen Erziehungsinternaten. Die Kinder müssen auch kochen, also alles machen, vom frühen Morgen bis zum späten Abend. Und daß die Lehrer und Erzieher dabei in einer kräftigen Weise mitwirken, das sieht man der

Wanneer het erom gaat dat er wat afgeweken moet worden van wat men zo gewend geraakt is, ontstaan er erg makkelijk problemen met de ouders. En dat is in een vrij schoolsysteem echt niet te verdragen. En in dit schoolinternaat waarover ik nu spreek, zijn er heel bepaalde moeilijkheden wat dit betreft. Ik wil geen kritiek leveren of goede raad geven. Ik wil alleen de feiten geven. In dit schoolinternaat, hoewel het dus een internaat is, is helemaal geen menselijke hulp. De school wordt helemaal gedragen door de kinderen en de leerkrachten, zodat de kinderen en de leerkrachten de hal moeten schrobben, de afwas doen, groente planten, de kippen verzorgen zodat die eieren geven, ik zou een hele lijst kunnen opsommen.
Daarnaast legden de kinderen nog alle mogelijke werkzaamheden aan de dag, zodat je de indruk kreeg dat het daar toch heel anders toeging dan in sommige andere internaten. De kinderen moesten ook koken, dus van alles van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. En dat de leerkrachten-opvoeders daar flink bij hielpen,

Blz. 124

Sache schon an. Nun, ich will das weder empfehlen noch irgendwelche
Kritik anlegen. Ich will das nur hinstellen. Dann kommt es vor, wenn die
Kinder in den Ferien nach Hause kommen und sagen, was sie tun
müssen, daß die Eltern die Ansicht haben, das hätten sie sich nicht
vorgestellt, das könnten sie nicht begreifen. Deshalb ist es in diesem Falle
recht schwierig, die Eintracht mit den Eltern zu erhalten. – Ich führe den Fall nur an, um auf die Empfindung hinzudeuten, die man hat, wenn es
sich um das Ernstnehmen des Erziehungs- und Unterrichtswesens handelt, auf die Empfindung, daß es notwendig ist, in vollem Einklang mit
der Elternschaft der Kinder zu wirken und zu arbeiten. Nun, wir sind selbstverständlich in der Waldorfschule in einer anderen Lage. Wir haben kein Internat, wir haben eine Schule und haben den Unterricht zu erteilen und während des Unterrichtserteilens selbstverständlich das erzieherische Prinzip ins Auge zu fassen. Aber dennoch, dessen können Sie versichert sein: als ein Grundelement für alles, was wir in der Waldorfschule als unsere Aufgabe betrachten, müssen wir ansehen das Zusammenarbeiten mit der Elternschaft.

kun je wel zien. Welnu, ik beveel het noch aan, noch dat ik er kritiek op heb. Ik wil het alleen vertellen. En dan gebeurt het, wanneer de kinderen in de vakantie naar huis komen en zeggen wat ze moeten doen, de ouders dan van mening zijn dat ze zich dat niet hadden voorgesteld, dat begrijpen ze niet. In dit geval is het echt lastig om met de ouders op goede voet te blijven. Ik breng dit geval naar voren om op de ervaring te wijzen die je opdoet wanneer het erom gaat opvoeding en onderwijs serieus te nemen, op de ervaring dat het noodzakelijk is, in goede harmonie met de ouders van de kinderen samen te werken. Op de waldorfschool is het vanzelfsprekend anders. Wij zijn geen internaat, we zijn een school en wij moeten onderwijs geven en uiteraard tijdens het lesgeven het opvoedkundige in ogenschouw nemen.
Maar dan, daarvan kan u verzekerd zijn: als een basiselement voor alles wat wij op de waldorfschool als onze opgave zien, moeten wij letten op de samenwerking met de ouders.

Es ergeben sich fortwährend im Laufe der Schulführung unzählige Fragen mit Bezug auf das Wohl und Wehe, auf den guten Fortgang und auf die Gesundheit, die leibliche und seelische Gesundheit, es ergeben sich fortwährend unzählige Fragen, die nur im Verein mit den Eltern zu lösen sind. Deshalb müßte es eigentlich – und es wird ja den Verhältnissen Rechnung getragen werden müssen – immer nötiger und nötiger werden, diese Elternabende auszubauen und zu einer öfteren Erscheinung in unserer Schulführung zu machen.
Unsere Waldorfschule soll ja nicht nur ihrem Titel nach, sondern
ihrem ganzen Wesen nach eine freie Schule sein, und gerade weil sie eine
solche freie Schule sein soll, sind wir auf die Hilfe der Elternschaft in
einem ganz außerordentlich hohen Grade angewiesen.  Es ist meine Überzeugung, daß es eigentlich bei allen Eltern nur eben die tiefste
Befriedigung wird hervorrufen können, wenn in uns das Verlangen nach
dem Zusammenwirken mit der Elternschaft besteht.
Eine freie Schule ist die Waldorfschule. Sehen Sie, meine sehr verehrten Anwesenden, was eigentlich eine freie Schule bedeuten soll, das ist ja
etwas, was immer wieder und wieder gesagt werden muß, und was gar

Voortdurend zijn er tijdens het reilen en zeilen op school talloze vragen wat betreft het wel en wee van de kinderen, over de goede vooruitgang en over de gezondheid, zowel lichamelijk als psychisch, er zijn steeds talloze vragen die alleen maar samen met de ouders opgelost kunnen worden. Daarom wordt het eigenlijk – rekening houdend met de omstandigheden – steeds noodzakelijker  deze ouderavonden belangrijker te maken en dat ze in ons schoolleven vaker plaatsvinden.
Onze waldorfschool moet niet alleen maar in naam, maar inherent aan haar hele wezen een vrije school zijn en omdat ze dat moet zijn, is zij in extreme mate op de hulp van de ouders aangewezen.
Ik ben ervan overtuigd dat het bij de ouders juist het diepste gevoel van tevredenheid op kan roepen, wanneer er bij ons het verlangen bestaat om met de ouders samen te werken.
De waldorfschool is een vrije school. En, beste aanwezigen, wat een vrije school moet betekenen, is iets wat steeds weer en opnieuw moet worden gezegd en wat zelfs

Blz. 125

nicht stark genug gesagt werden kann, aus dem einfachen Grunde, weil
kaum heute es in weiteren Kreisen möglich ist, das völlige Bedürfnis
nach einer solchen freien Schule zu haben. Wir haben das Vorurteil von
Jahrhunderten gegen uns, namentlich in der folgenden Weise:
Man braucht nicht weit zurückzuschauen in der Entwicklung der
Menschheit, da war bis zu einem recht hohen Grade das Schulwesen,
namentlich das Volksschulwesen, sehr frei. Aber die damalige Freiheit dieses Schulwesens hatte dazu geführt, daß es sehr viele Analphabeten gab, daß eine Schulerziehung nur von einzelnen Menschen gesucht worden ist. Nun kam im Laufe der Menschheitsentwicklung in den zivilisierten Gebieten immer mehr das Verlangen herauf, eine gewisse Bildungsgrundlage für das soziale Leben zu fordern. Ich kann jetzt nicht ausführen, wodurch es gekommen ist, daß das Verlangen auftauchte, eine gewisse Bildungsgrundlage zu fordern für das soziale Leben; aber dieses Verlangen kam in einer Zeit herauf, in der die Menschen ihrer Hinneigung zu den alten Göttern abgeschworen hatten und nun von einem Gotte allen Segen und alles Gute für die Entwickelung der
Menschheit erwarteten, von dem Gotte Staat.

niet duidelijk genoeg gezegd kan worden om de doodeenvoudige reden dat het in andere kringen nauwelijks mogelijk is, dat we een grote behoefte hebben aan zo’n vrije school. We hebben het vooroordeel van eeuwen tegen ons en wel zo:
je hoeft niet zover terug te kijken in de ontwikkeling van de mensheid om te zien dat het schoolwezen in zeer hoge mate, vooral de basisschool, zeer vrij was.
Maar die vrijheid van toen heeft ertoe geleid dat er zeer veel analfabeten waren, dat er maar een paar mensen een opvoeding op school zochten. In de loop van de mensheidsontwikkeling ontstond er in de beschaafde gebieden steeds meer de wens een bepaalde basis te eisen voor de vorming van het sociale leven. Ik kan nu niet in detail treden waarom dat verlangen naar een bepaalde ontwikkelingsbasis voor het sociale ontstond, maar het ontstond in de tijd dat de mensen hun overgave aan de oude goden afgelegd hadden en dat ze al hun heil en zegen voor de ontwikkeling van de mensheid gingen verwachten van een god, van de staat als god.

Und insbesondere in Mitteleuropa war ja die Gegend, in der man ganz besonders stark darauf erpicht war, in diesem Gotte Staat nun nicht nur alles mögliche andere Heilsame zu sehen, sondern auch das Heilsame für die Kindererziehung.
Man ging einmal von dem wie selbstverständlich angesehenen Grundsatze aus: Parlament, große Ratsversammlung und so weiter, das sind Veranstaltungen, wo die Genialität blüht. Auch dann, wenn die einzelnen, die beteiligt sind an dieser Parlamentsversammlung, einem nicht so als außerordentlich erleuchtet vorkamen. Man hatte die Meinung, wenn die Leute beisammen sind, dann werden sie gescheit. Und dann werden sie über alle Angelegenheiten das Richtige bestimmen können. Einzelne Menschen zwar, die auch eine recht gute, tiefe Kenntnis hatten, wie zum Beispiel der Dichter Rosegger, die hatten – verzeihen Sie, daß ich solch ein Wort erwähne – eine andere Meinung. Rosegger hat den Spruch geprägt: «Oaner is a Mensch; mehrere san Leit; vüle, dös san Viecher.»
Das ist ein bißchen radikal ausgedrückt, aber jedenfalls widerspricht es
der Meinung, die sich gerade in den letzten Jahrhunderten herausgebil-

En vooral Midden-Europa was de streek waarin men er heel sterk op gericht was in deze staat god niet alleen al het andere mogelijke heil te zien, maar ook het heil voor de opvoeding van de kinderen.
Men ging uit van de als vanzelfsprekend beschouwde overtuiging: het parlement, de grote raadsvergaderingen enz, dat zijn de instellingen waar de genialiteit hoogtij viert. Ook dan als de afzonderlijke mensen die deel uitmaakten van deze parlementsvergaderingen, voor iemand toch niet zo buitengewoon verlicht bleken te zijn. Men was van mening dat als de mensen samen zijn, ze dan verstandig worden. En dat ze dan over alle aangelegenheden het juiste kunnen bepalen. Een paar mensen maar, die ook over een heel goede, gedegen kennis beschikten zoals bijv. de dichter Rosegger*, hadden – excuus dat ik dit aanhaal – een andere mening. Rosegger had het zo bestempeld: ‘Eén is een mens; meerderen zijn lieden; velen, dat is vee.’
Dat is wel wat radicaal uitgedrukt, maar het spreekt wel de opvatting tegen dat m.n. de laatste eeuwen

*Peter Rosegger, 1843-1918, österreichischer volkstümlicher Erzähler.

.

P.R. Oostenrijks volksverteller

.

Blz. 126

det hat, daß man in all dem, was staatsähnlich ist, das finden könne, was
das Richtige in bezug auf Kindererziehung feststellen könnte. Und so ist
schon unser Schulwesen einfach im Glauben nach und nach herangewachsen, daß es gar nicht anders sein könne, als daß von der staatlichen Gemeinschaft aus alles für das Schulwesen eben auch bestimmt würde. Nun, eine freie Schule ist diejenige, welche den Lehrenden und Erziehenden alles dasjenige ermöglicht, was sie aus ihrer Menschenerkenntnis heraus, aus ihrer Welterkenntnis heraus, aus ihrer Kinderliebe heraus unmittelbar für das Wesentliche halten, was hineingetragen werden soll ins Erziehungswesen. – Eine unfreie Schule ist diejenige, wo der Lehrer fragen muß: Was ist vorgeschrieben für die erste Klasse, was ist vorgeschrieben für die zweite Klasse, wie muß die Stunde eingeordnet werden nach dem Gesetz?
Eine freie Schule ist eine solche, wo die Lehrer eine ganz bestimmte,
ihrem Wirken zugrunde liegende Erkenntnis haben von dem, wie ein
Kind heranwächst, welche körperlichen und seelischen Kräfte in ihm
liegen, welche körperlichen und seelischen Kräfte in dem Kinde entwikkelt werden müssen;

je in alles wat van de staat komt, zou kunnen vinden wat het juiste is voor de opvoeding van het kind. En zo is dus het onderwijs steeds meer gaan geloven dat het echt niet anders kan, dan dat van de staat uit, alles voor het onderwijs bepaald moet worden.
Maar een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden;

wo der Lehrer das, was er jeden Tag und jede Stunde machen muß, aus dieser Menschenerkenntnis und aus seiner Kinderliebe heraus einrichten kann. Man hat nicht ein sehr starkes Gefühl davon, wie grundverschieden die unfreie Schule von der freien Schule ist. Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule. Weil man gegenwärtig von diesen Dingen eigentlich gar nicht eine wirkliche Empfindung hat, deshalb ist es so schwer, mit dem freien und befreiten Schulwesen wieder weiter zu dringen. Man darf sich gar nicht irgendwelchen Illusionen hingeben. Wenige Stunden, bevor ich hierher gereist bin, bekam ich einen Brief, der mir mitteilt, nachdem lange Zeit gearbeitet worden ist, um in einer anderen Stadt Deutschlands eine ähnliche Schule wie diese Waldorfschule zu errichten, daß diese abgewiesen worden ist. Wir haben darin ein deutliches Zeichen, daß die weitere Entwickelung der Zeit nicht dahin geht, das freie Schulwesen zu fordern. Daher müssen wir – und das ist dasjenige, was ich den Eltern unserer lieben Schulkinder ganz besonders ans Herz legen möchte -, darum müssen wir diese Waldorfschule, die wir jetzt haben, die wir uns

waarin de leerkracht dat wat hij iedere dag en ieder uur moet doen, vanuit deze menskunde en uit zijn liefde voor het kind kan organiseren. Men heeft er geen erg groot gevoel voor hoe fundamenteel anders een onvrije school verschilt van een vrije. Want de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije school.
Omdat men daar tegenwoordig eigenlijk helemaal geen gevoel voor heeft, is het zo moeilijk om met de vrije of een bevrijde school weer verder te komen. Daarover moet je je geen enkele illusie maken. Een paar uur voor ik hier naartoe reisde, kreeg ik een brief waarin mij wordt meegedeeld, nadat er lang gewerkt is om in een andere stad van Duitsland zo’n zelfde waldorfschool als deze waldorfschool op te richten, dat dit afgewezen is. Daar hebben we een duidelijk teken dat het met de verdere ontwikkeling van de tijd niet zo zal gaan dat het vrije schoolonderwijs geëist kan worden. En daarom moeten wij – en dat wil ik de ouders van onze lieve schoolkinderen heel bijzonder op het hart binden – deze waldorfschool die we nu voor elkaar hebben

Blz. 127

errungen haben, in der wirklich aus der freien Kraft der Lehrerschaft
heraus die Kinder zu allseitig tüchtigen und gesunden Menschen
gemacht werden sollen, wir müssen diese Waldorfschule hegen und
pflegen. Wir müssen uns bewußt werden, daß es nicht leicht sein wird,
gegenüber den Vorurteilen der Gegenwart irgend etwas zweites Ähnliches zu haben wie diese Waldorfschule. Und dabei dürfen wir schon darauf hinweisen, daß diese Waldorfschule, nachdem sie noch nicht drei Jahre besteht, etwas ist, was gegenwärtig, wir dürfen es sagen, in der ganzen zivilisierten Welt besprochen wird. Denn sehen Sie, es ist immerhin von einer gewissen Bedeutung – denken Sie an dasjenige, was ich über diese Schule in der Nähe von London gesagt habe -, daß sich einige Leute gefunden haben, um dort eine Waldorfschule ins Leben zu rufen.

gekregen, waarin werkelijk vanuit de vrije kracht van de leraren de kinderen in alle opzichten tot gezonde mensen gemaakt zullen worden die het leven aan kunnen, wij moeten deze waldorfschool koesteren en verzorgen. We moeten ons ervan bewust worden dat het niet makkelijk zal zijn, om tegen de vooroordelen van de huidige tijd in, voor de tweede keer zoiets als deze waldorfschool te hebben. En we mogen er daarbij wel op wijzen dat deze waldorfschool, ook al bestaat ze nog geen drie jaar, iets is waarover in deze tijd, we mogen wel zeggen, in de hele beschaafde wereld gesproken wordt. Want kijk, het heeft altijd wel een bepaalde betekenis – denk even aan wat ik over die school in de buurt van Londen heb gezegd – als een paar menen elkaar vinden om daar een waldorfschool in het leven te roepen.

Wir können diese Frage auch von einem viel weiteren Gesichtspunkte betrachten. Dieser Gesichtspunkt ist der, daß wir ja nun immerhin in der Notwendigkeit sind, etwas zu tun dazu, daß das deutsche Wesen in der Welt wiederum seine Stellung bekommt. Deutsches Wesen wird aber, das können Sie versichert sein, seine Bedeutung nur dann bekommen, wenn der geistige Inhalt dieses deutschen Wesens vor allen Dingen zu seiner Geltung in der Welt gebracht wird. Und nach dem wird man, wenn er in der richtigen Weise vor die Welt hingestellt wird, nach dem wird man Verlangen tragen. Man wird sich bewußt werden, daß man ihn braucht.
Dazu ist notwendig, daß wir wirklich in die vollen Tiefen dieses
deutschen Wesens hineindringen und aus ihnen heraus schaffen. Und das zeigt sich gerade an einer so vehementen, manchmal tumultuarischen
Erziehungsbewegung wie derjenigen, die bei dem Shakespeare-Fest
erlebt werden konnte. Da zeigt sich, daß in der ganzen Welt das
Bedürfnis vorhanden ist: dem Erziehungswesen müssen neue Impulse eröffnet werden. Das ist eine Angelegenheit der zivilisierten Menschheit,
daß es mit den alten Formen nicht mehr weiter geht.
Es ist so: mit den Dingen, die in der Waldorfschule gepflegt werden,
hat man etwas zu sagen auf die Fragen, die in der ganzen Welt in bezug
auf das Erziehungs- und Unterrichtswesen aufgeworfen werden. Nur
hat man eben auch fast alle Vorurteile der ganzen Welt gegen sich, und
immer mehr geht es auf das hinaus, daß wenigstens die untersten Klassen

We kunnen deze vragen ook vanuit een veel ruimer perspectief bekijken. Het is tenslotte zo dat de noodzaak bestaat iets te doen zodat de Duitse geest in de wereld weer een plaats krijgt. De Duitse geest zal echter, daar kan u van verzekerd zijn, alleen maar betekenis krijgen, wanneer de geestelijke inhoud van deze Duitse geest als allereerste zijn waarde in de wereld gaat krijgen. En wanneer deze op de juiste manier aan de wereld getoond wordt, zal men ernaar gaan verlangen. Men zal zich ervan bewust worden, dat deze nodig is.
[Steiner noemt nu niets concreets over deze ‘Duitse geest’, in andere gevallen noemt hij Goethe, Schiller, Herder, Fichte e.a. wiens denkwijzen van positieve invloed kunnen zijn voor de ontwikkeling van Midden-Europa]

Daarvoor is het nodig dat we echt kunnen doordringen in de volle diepte van dit wezenlijke en vandaar uit opbouwen. En dit nu kun je zien aan zo’n hevige, soms wel wat tumultueuze opvoedingsbeweging zoals je die kon ervaren bij de Shakespearefestiviteiten.
Dan blijkt in de hele wereld de behoefte te bestaan: voor de opvoeding moeten nieuwe impulsen een kans krijgen. Het is een zaak van een beschaafde mensheid dat het met de oude vormen niet meer verder gaat. Het is zo: met de dingen die in de waldorfschool verzorgd worden, heb je wat te zeggen op de vragen die in de hele wereld opgeworpen worden t.a.v. opvoeding en onderwijs. Alleen heb je dan wel bijna alle vooroordelen van de hele wereld tegen je en steeds meer gaat het ernaar toe dat op z’n minst de laagste klassen

Blz. 128

des Volksschulwesens der Freiheit entzogen werden sollen. Es ist außerordentlich schwierig, gegen diese Voruteile anzukämpfen. Die Waldorfschule kann nur dadurch ankämpfen, daß sie wirklich aus der freien Kraft der Lehrerschaft aus den Kindern dasjenige macht, was eben nur aus einer solchen freien Kraft heraus gemacht werden kann.
Dazu aber bedürfen wir des innigen, des einträchtigen Zusammenwirkens mit der Elternschaft. Und bei einer der Elternversammlungen, bei der ich schon anwesend sein konnte, habe ich schon darauf hingewiesen,
daß wir deshalb, weil wir ein freies Schulwesen anstreben, darauf
angewiesen sind, Verständnis, tiefes Verständnis bei der Elternschaft zu
finden. Wenn wir dieses Verständnis finden, dann werden wir richtig
arbeiten können. Und dann werden wir andererseits vielleicht doch
dasjenige, was mit der Waldorfschule gemeint ist, zur Geltung bringen
können. Ich habe dazumal betont, wie es unser Bestreben sein muß, wirklich aus der Erkenntnis der kindlichen Wesenheit und kindlichen Körperheit alles dasjenige herauszuholen, was zum Gegenstand des Unterrichts und der Erziehung gemacht werden soll.

van de basisschool de vrijheid zal worden ontnomen. Het is buitengewoon moeilijk tegen deze vooroordelen te strijden. De waldorfschool kan er alleen maar tegen opboksen door daadwerkelijk vanuit de vrije krachten van de lerarengroep uit de kinderen te halen wat er dus vanuit dergelijke krachten ontstaan kan.
Maar daarvoor hebben we de intense, eensgezinde samenwerking nodig met de ouders. En bij een van de oudervergaderingen waar ik al bij kon zijn, heb ik er reeds op gewezen dat wij. omdat we streven naar een vrij schoolwezen, erop aangewezen zijn bij de ouders begrip, een diep begrip te vinden. Wanneer we dat aantreffen, kunnen we op een goede manier werken. En aan de andere kant kunnen we dan misschien dat wat we bedoelen met de waldorfschool, realiseren.  Ik heb toen benadrukt hoe het ons streven moet zijn, daadwerkelijk van de kennis van het kinderwezen, ook van het fysieke uit, alles te halen wat tot onderwerp van opvoeding en onderwijs gemaakt moet worden.

Eine solche Kinderbeobachtung, weil sie ja eine Menschenbeobachtung ist, eine solche Kinderbeobachtung ist nur möglich, wenn man eine Erkenntnis des ganzen Menschen anstrebt, wie sie angestrebt wird durch die Anthroposophie. Immer wieder müssen wir sagen: Es ist uns gar nicht darum zu tun, etwa Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Darüber werden sich die Eltern nicht zu beklagen haben, daß wir Anthroposophie als Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen. Aber gerade so, wie wir es vermeiden, Weltanschauung, Anthroposophie in die Schule hineinzutragen, möchten wir es anstreben, diejenige pädagogische Geschicklichkeit, die nur kommen kann aus anthroposophischer Durchbildung, in der Handhabung des Unterrichts, in der Behandlung des Kindes geltend zu machen. – Wir haben die katholischen Kinder dem katholischen Pfarrer zur Verfügung gestellt, die evangelischen Kinder dem evangelischen Pfarrer, und wir haben den freien Religionsunterricht nur für diejenigen, deren Eltern ihn eben suchen. Auch das ist vollständig freigestellt; er ist eingerichtet nur für die Kinder, die wahrscheinlich in der Mehrzahl sonst überhaupt an keinem Religionsunterricht teilnehmen

Een dergelijk waarnemen van het kind, omdat dat het waarnemen van een mens is, is alleen mogelijk wanneer je streeft naar inzicht in de hele mens, zoals die door de antroposofie wordt nagestreefd. Steeds opnieuw moeten we zeggen: het gaat ons er helemaal niet om, om zo’n beetje de antroposofie de school in te halen. De ouders zullen zich er niet over te beklagen hebben dat wij antroposofie als wereldbeschouwing op school willen brengen. Maar net zoals we vermeiden wereldbeschouwing, antroposofie in de school te halen, willen we er graag naar streven de pedagogische vaardigheden die alleen uit een gedegen antroposofische studie kunnen ontstaan, bij het lesgeven, bij hoe we met het kind omgaan, toe te passen. Voor de katholieke kinderen kunnen de katholieke pastoors komen, voor de evangelische kinderen de dominees en we hebben het vrije godsdienstonderwijs alleen voor de kinderen van wie de ouders dit zoeken. Ook dat is helemaal vrij; het is alleen voor de kinderen georganiseerd die waarschijnlijk als grootste groep helemaal aan geen enkel godsdienstonderwijs zouden deelnemen.

Blz. 129

würden. Also darauf legen wir nicht das Hauptgewicht. Dasjenige, was
wir in bezug auf die Weltanschauung zu sagen haben, das ist für
Erwachsene.
Aber dasjenige, was, ich mochte sagen, bis in die Geschicklichkeit der
Fingerspitzen hinein Anthroposophie aus einem Menschen machen
kann, das macht sie insbesondere gerade aus einem Lehrer, aus einem
Erzieher. Und die Behandlung der Kinder, die Behandlung des Lehr-und Erziehungsinhaltes, das ist es, was so erstrebt werden soll, daß die
Kinder überall sich wie selbstverständlich hineinfinden in das, was in der
Schule vor diese Kinder hingebracht wird. Überall soll sorgfältig erwogen werden: was ist das Richtige für ein bestimmtes kindliches Alter?
Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir
mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst
dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit innerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit,
künstlerischem Formensinn. Unsere Kinder kommen dadurch etwas später dazu, Schreiben und Lesen zu lernen, weil ja, wenn man
die Natur des Kindes berücksichtigt, das Lesen nach dem Schreiben
kommen muß.

Dus dat weegt voor ons niet het zwaarst. Wat we over de wereldbeschouwing hebben te zeggen, is voor de volwassenen.
Maar de vaardigheden die de antroposofie uit de mens kan halen tot in z’n vingertoppen, die haalt ze m.n. uit de leerkracht, uit de opvoeder. En het omgaan met de kinderen, met de leerstof en de opvoeding, daar moet naar gestreefd worden, zodat de kinderen als vanzelfsprekend zich thuis voelen in wat de school aan deze kinderen geeft. Bij alles moet zorgvuldig afgewogen worden: wat is het juiste voor een bepaalde leeftijd?
U weet, we beginnen niet met leren lezen en schrijven, zoals dat tegenwoordig veelal gaat. Als we met schrijven beginnen, met de letters, die voor de kinderen vreemde dingen zijn, ontwikkelen we uit wat het kind innerlijk graag wil, vanuit een kunstzinnig bezig zijn, een kunstzinnige zin voor vorm. Onze kinderen zijn daarom wat later toe aan schrijven en lezen, omdat als je naar de natuur van het kind kijkt, het lezen na het schrijven moet komen.

Nun wenden sich die, die in die alten Anschauungen eingewöhnt sind,
dagegen und sagen: da lernen die Kinder viel später Lesen und Schreiben
als in anderen Schulen. – Warum lernt das Kind in der anderen Schule
früher Lesen und Schreiben? Weil man nicht weiß, welches Lebensalter
gut ist dazu, um Lesen und Schreiben zu können. Erst legen wir uns die Frage vor, ob es überhaupt berechtigt ist, zu verlangen, daß das Kind
schon im achten Jahr mit einer gewissen Fertigkeit lesen können,
schreiben können soll.
Wenn man diese Anschauungen weiter ausdehnt, dann entwickeln
sich solche weitergehenden Ansichten, wie wir sie in einer merkwürdigen Weise erfahren können. Wer Goethe genau kennt, der kann auch
wissen: Wenn man mit dem, was für einen zwölfjährigen Jungen heute
schulmäßige Anforderungen sind, an Goethe herangeht und sich fragt,
hat Goethe das wirklich so gekonnt? – wird man sehen, er hat es nicht
einmal mit sechzehn Jahren gekonnt und ist doch der Goethe geworden.

Nu gaan de mensen die gewend zijn aan de oude opvattingen daar wat van zeggen: daar leren de kinderen veel later lezen en schrijven dan op andere scholen –
Waarom leert het kind op de andere school eerder lezen en schrijven? Omdat men niet weet wat de goede leeftijd is om te kunnen lezen en schrijven. Eerst stellen we ons de vraag of het eigenlijk wel terecht is om te eisen dat het kind al op z’n achtste jaar zover is dat het moet kunnen lezen, schrijven.
Wanneer je deze gezichtspunten verder denkt, ontwikkelen ze zich verdergaand tot opvattingen die we op een bijzondere manier kunnen ervaren. Wie Goethe goed genoeg kent, kan weten: wanneer je Goethe zou benaderen met wat van een twaalfjarige jongen op school verlangd mag worden en zich zou afvragen, zou Goethe dit echt gekund hebben? – zou gezien hebben dat hij dat nog niet eens op z’n zestiende kon en hij is toch dé Goethe geworden.

Blz. 130

Österreich hatte einen bedeutenden Dichter, Robert Hamerling. Er
hat natürlich in seiner Jugend sich nicht vorgenommen, ein Dichter zu
werden, das machte sein Genie, aber er wollte Mittelschullehrer werden.
Er hatte eine Lehramtsprüfung abgelegt. In seinem Zeugnis steht, daß er
im Lateinischen und Griechischen ganz außerordentlich gute Kenntnisse
aufgewiesen habe, daß er aber nicht fähig sei, die deutsche Sprache zu
handhaben, sondern daß er nur für die unterste Klasse zum Unterricht
tauge. Aber er wurde der bedeutendste neuere Dichter Österreichs. Er
hat in der deutschen Sprache und nicht in der slowakischen Sprache
geschrieben.
An dem Leben müssen eben die pädagogischen Impulse gemessen
werden. Und das ist das Wesentliche unserer Pädagogik, daß wir das
ganze Leben des Kindes im Auge haben und daß wir wissen: wenn wir
dem Kinde etwas im siebenten, achten Lebensjahr beibringen, so muß es
so beigebracht werden, daß es mit dem Kinde heranwächst, daß das Kind
das noch im dreißigsten, vierzigsten Jahre hat, daß man das ganze Leben
etwas hat davon. 

Oostenrijk had een belangrijk dichter, Robert Hamerling*. Hij was natuurlijk in zijn jeugd niet van plan dichter te worden, dat kwam door zijn begaafdheid, maar hij wilde leraar op een middelbare school worden. Hij deed zijn onderwijzersexamen. In zijn rapport staat dat hij een buitengewoon goede kennis heeft van Latijn en ‘Grieks, maar dat hij niet in staat is Duits te geven, en alleen geschikt is voor het onderwijs in de laagste klas. Maar hij werd wel de belangrijkste nieuwere dichter van Oostenrijk. En hij heeft in het Duits geschreven en niet in het Slowaaks.
De pedagogische impulsen moeten nu eenmaal afgemeten worden aan het leven. En het wezenlijke van onze pedagogiek is, dat wij oog hebben voor het hele leven van het kind en dat wij weten: wanneer we het kind op z’n zevende, achtste jaar iets bijbrengen, dan moet dat zo worden bijgebracht, dat het met het kind meegroeien kan, dat het kind op z’n dertigste, veertigste jaar daar nog iets van bijgebleven is, dat er het hele leven iets van bij blijft.

*130 Robert Hamerling, 1830-1889.

Sehen Sie, da ist es so, daß gerade diejenigen Kinder, die
mit acht Jahren perfekt lesen und schreiben können, daß die mit Bezug
auf gewisse innere seelische Gesundheitsimpulse verkümmern. Ja, richtig verkümmern. Es ist ein großes Glück, wenn man mit acht Jahren
noch nicht so lesen und schreiben kann, wie es heute verlangt wird. Es ist
ein großes Glück für die leibliche und seelische Gesundheit.
Was gepflegt werden muß, es muß hervorgeholt werden aus den Bedürfnissen der menschlichen Natur. Man muß dafür ein feines Verständnis haben, nicht nur für dasjenige, was richtig ist. Es ist leicht, sich vor eine Klasse hinzustellen und in einer Weise herauszubekommen:
Der sagt etwas Richtiges, der etwas Falsches! – und dann zu korrigieren
das Falsche ins Richtige; aber eine eigentlich erzieherische Tätigkeit wird dabei nicht ausgeübt. Es ist ganz unwesentlich für die menschliche
Entwickelung des Kindes, wenn man das Kind Aufsätze und Schularbeiten machen läßt und sie korrigiert, und das Kind sich überzeugt, daß es
Fehler gemacht hat. Das Wesentliche ist, daß man einen feinen Sinn hat
für die Fehler, welche die Kinder machen. Fehler machen die Kinder auf
hunderterlei Weise. Jedes Kind macht anders seine Fehler, und wenn
man einen feinen Sinn hat dafür, wie verschieden sich die Kinder 

Ziet u, het is zo dat juist die kinderen die met acht jaar perfect kunnen lezen en schrijven, met betrekking tot bepaalde psychische gezondheidsimpulsen tekort komen. Ja, echt verkommeren. Het is een grote weldaad wanneer je op je achtste nog niet zo kan lezen en schrijven als men tegenwoordig eist. Een grote weldaad voor je vitale en psychische gezondheid.
Wat verzorgd moet worden, het moet gehaald worden uit wat de menselijke natuur vraagt. Daar moet je een fijngevoelig begrip voor hebben, niet alleen maar voor wat juist is. Het is makkelijk voor een klas te gaan staan en op een of andere manier eruit krijgen: die zegt het goed, die verkeerd! en dan het foute te verbeteren naar het juiste, maar daarbij wordt geen opvoedkundige activiteit aan de dag gelegd. Voor de menselijke ontwikkeling van het kind is het totaal niet wezenlijk dat je het kind opstellen laat schrijven en huiswerk laat maken; dat dan nakijkt en dat het kind dan tot de slotsom komt dat het fouten heeft gemaakt. Het wezenlijke is dat je een verfijnd zintuig hebt voor de fouten die de kinderen maken. Fouten maken de kinderen op honderd-en-een manier. Ieder kind maakt zijn eigen fouten en als je er een fijn gevoel voor hebt

Blz. 131

verhalten mit Bezug auf die Fehler, dann kriegt man heraus, was man zu
tun hat, um die Kinder weiter zu bringen.
Nicht wahr, mit Bezug auf das Leben sind die Gesichtspunkte, die
man hat, verschieden. Der Arzt hat nicht dieselben Gesichtspunkte
bezüglich der Krankheit wie der Patient. Vom Patienten kann man nicht
verlangen, daß er in ganz bestimmte Krankheiten verliebt ist. Vom Arzt
kann man sagen, daß er dann ein richtiger Arzt ist, wenn er die Krankheit liebt. So handelt es sich darum, daß man eine gewisse Verliebtheit hat in die interessanten Fehler, welche die Kinder machen.
Dadurch lernt man erst die menschliche Natur kennen. Verzeihen Sie,
wenn ich mich radikal ausdrücke. Man muß sich radikal ausdrücken. Für
den Lehrer ist es interessanter, die Fehler zu verfolgen, als dasjenige, was
die Kinder richtig machen. Von den Fehlern lernt der Lehrer außerordentlich viel.

hoe verschillend de kinderen met hun fouten omgaan, dan vind je wat je moet doen om de kinderen verder te brengen.
Wat het leven betreft, zijn de gezichtspunten die je hebt, verschillend. De dokter heeft niet dezelfde gezichtspunten over de ziekte als de patiënt. Van de patiënt kan je niet verlangen, dat hij van bepaalde ziekten gecharmeerd is. Over de dokter kan je zeggen dat hij een goede arts is, als hij wél zeer betrokken is op de ziekte.
En nu gaat het erom dat je een bepaalde affiniteit hebt voor die interessante fouten die de kinderen maken.
Daardoor pas leer je de menselijke natuur kennen. Neem me niet kwalijk dat ik me radicaal uitdruk. Dat moet wel. Voor de leerkracht is het interessanter de fouten te volgen dan wat de kinderen goed doen. Van de fouten leert de leerkracht buitengewoon veel.

Aber was braucht man zu alldem? Zu alldem braucht man jene innere
tatkräftige Menschen- und Kinderliebe, die für den Lehrer ganz unerläßlich ist. Und da treten dann die unzähligen Fragen auf. Man ist besorgt um die leibliche und seelische Gesundheit dieses und jenes Kindes. Man hat das Kind ein paar Stunden des Tages; man muß für die übrige Zeit das Vertrauen, das volle Vertrauen der Eltern des Kindes haben. Und deshalb ist es, warum die Lehrer und Erzieher unserer Waldorfschule immer an dieses Vertrauen appellieren, und warum sie so gerne alles im Einklang mit den Eltern für das Wohl und Wehe der Kinder zustande bringen möchten. Das ist eben bei einer unfreien Schule in der Regel gar nicht in dem Maße angestrebt. Denn da hält man sich daran, die Vorschrift zu beobachten, und daher findet man sogar für den Begriff
des Freien im Schulwesen manchmal recht wenig Verständnis.
Es gibt Länder, wenn man da vom freien Schulwesen redet, so
antwortet man einem: Ja, das mag in Deutschland so sein, daß man da
nötig hat, freie Schulen zu gründen. Bei uns ist es nicht so; da ist der
Lehrer frei. Das antworten einem Lehrer selbst. Man ist nur erstaunt
darüber, daß so etwas geantwortet wird. Man ist erstaunt darüber aus
dem Grunde, weil man sieht: Diejenigen, die das antworten, haben keine
Ahnung mehr davon, daß sie sich unfrei fühlen könnten. Sie tun das, was
ihnen befohlen wird. Da es ihnen nicht einfällt, daß etwas anderes

Maar wat heb je voor dit alles nodig? Je hebt er die warme wilskrachtige liefde voor mens en kind voor nodig, die is voor de leerkracht onontbeerlijk.
En dan komen de ontelbare vragen. Je maakt je zorgen om de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het een of andere kind. Je hebt het kind maar een paar uur per dag; voor de rest van de tijd moet je het vertrouwen hebben, het volle vertrouwen van de ouders van het kind. En daarom moeten de leerkrachten en opvoeders van onze waldorfschool steeds een beroep doen op dit vertrouwen en waarom ze alles zo graag in samenspraak met de ouders voor het wel en wee van de kinderen tot stand willen brengen. Dat wordt dus bij een onvrije school als regel niet zo in die mate nagestreefd. Want daar houdt men zich aan het in acht nemen van de voorschriften en vandaar dat men dan voor wat de waldorfschool is, soms maar heel weinig begrip kan opbrengen.
Er zijn landen, als je daar over vrije scholen spreekt, dat je als antwoord krijgt: het mag dan in Duitsland zo nodig geacht worden om vrije scholen op te richten, bij ons is dat niet zo. Daar zijn de leraren vrij. Dat geven de leraren zelf als antwoord. Daar kan je nogal verbaasd over zijn omdat je ziet: degenen die zo’n antwoord geven, hebben er geen notie meer van dat ze zich onvrij zouden kunnen voelen. Ze doen wat hen wordt opgedragen. Omdat het niet bij hen opkomt dat er iets anders

Blz. 132

geschehen könnte, so fühlen sie gar nicht, daß die Dinge auch anders sein
könnten. Bedenken Sie einmal, in welch anderer Lage Sie sind, gerade gegenüber der Auffassung des Waldorfschulwesens, als andere Leute. Andere Menschen müssen sich anstrengen, wenn wir ihnen sagen, so und so wollen wir es machen, weil wir das für das einzig Richtige halten; sie müssen sich anstrengen, das erst einzusehen. Ich glaube, gerade die
Eltern der Waldorfschulkinder können unmittelbar an ihren eigenen
lieben Wesen sehen, was da in der Waldorfschule getan wird, wie das
Verhältnis der ganzen Schule zum Kinde aufgefaßt wird. Man möchte,
daß einmal eine Zeit kommt, wo die Eltern gegenüber dem freien
Schulwesen sich damit begnügen können, einfach befriedigt zu sein mit
dem, was innerhalb des freien Schulwesens geleistet wird. Heute müßte
jeder, der an seinem eigenen Fleisch und Blut sieht, wie diese Waldorfschule arbeiten will, zu einem tatkräftigen Verteidiger und Verbreiter des Waldorfschulwesens werden.

zou kunnen gebeuren, voelen zij ook helemaal niet dat de dingen ook anders zouden kunnen zijn.
Bedenk eens in welke andere positie u bent wat de opvatting over de waldorfschool betreft, dan andere mensen. Andere mensen moeten moeite doen in te zien als we tegen hen zeggen dat we de dingen zus en zo willen doen omdat we dat voor het enig juiste houden; ze moeten hun best doen om dat te begrijpen. Ik geloof dat juist de waldorfschoolouders direct aan hun eigen lievelingen kunnen zien, wat er op de waldorfschool wordt gedaan, hoe de totale omgang van de school met het kind gezien wordt.
Je zou willen dat er eens een tijd komt waarin (alle) ouders wat het vrije onderwijs betreft, blij zouden kunnen zijn, simpelweg tevreden met wat er binnen het vrije onderwijs gedaan wordt.
In deze tijd moet iedereen die aan zijn eigen vlees en bloed ziet hoe deze waldorfschool wil werken, een felle verdediger en verspreider van het waldorfschoolonderwijs worden.

Wir haben ja außerdem mancherlei Schwierigkeiten. Sehen Sie, würden wir unsere Ideale erfüllen wollen, so würden wir sagen: Nach
unserer Einsicht verhält es sich so: im sechsten, siebenten, achten Jahre
soll man dies tun, im neunten, zehnten, elften, zwölften dies und so
weiter. Da würde auch das Allerbeste herauskommen, wenn wir das tun könnten. Wir können es nicht tun, wir müssen in gewisser Beziehung
eine Art Kompromiß schließen; denn wir können ja den Kindern, der
aufwachsenden Menschheit nicht die Möglichkeit nehmen, im Leben
darin zu stehen.
So haben wir uns vorgenommen, daß wir die Kinder, von dem Alter,
wo sie in die Volksschule hineinkommen, bis zum neunten Lebensjahr
frei erziehen, aber zu gleicher Zeit, trotzdem wir dasjenige hineinnehmen, was die menschliche Natur erfordert, die Kinder auch so fördern,
daß sie in eine andere Schule übertreten können. Ebenso im zwölften
und im vierzehnten, fünfzehnten Jahre. Und wenn wir das Glück haben,
die weiteren Klassen draufzusetzen, müssen wir sogar dafür sorgen, daß
dann diejenigen jungen Herren und Damen, die dann diese Klassen
absolvieren werden, in die Lage gebracht werden können, an die Universitäten und technischen Hochschulen überzugehen. Wir müssen dafür

Bovendien hebben we nog allerlei problemen. Want als we onze idealen willen vervullen, dan zouden we moeten zeggen: zoals wij ernaar kijken, zit het zo: in het zesde, zevende, achtste jaar moeten we dit doen, in het negende, tiende, elfde, twaalfde dat, enz. Dan zou er, als we dit doen, het allerbeste uit kunnen komen.
We kunnen het niet, omdat we in zeker opzicht een soort compromis moeten sluiten; want we kunnen de kinderen, de opgroeiende mensheid niet de mogelijkheid ontnemen dat ze in het leven staan. Dus hebben we ons voorgenomen dat wij de kinderen, vanaf de leeftijd dat ze op school komen, tot aan het negende jaar, vrij op te voeden, maar tegelijkertijd, ondanks dat we serieus nemen wat de menselijke natuur van ons vraagt, de kinderen ook zo te ontwikkelen dat ze over kunnen stappen naar een andere school. En dat ook als ze twaalf en veertien, vijftien zijn. En als we het geluk hebben de hogere klassen nog toe te voegen, dat dan de jonge dames en heren die dan deze klassen afsluiten de gelegenheid krijgen naar de universiteit en technische hogeschool te gaan. We moeten ervoor zorgen

Blz. 133

sorgen, daß die Kinder an diese Anstalten übergehen können. Ich glaube,
noch lange Zeit wird man uns nicht die Möglichkeit geben können, etwa
zum Beispiel Doktoren zu fabrizieren, gültige Zeugnisse an unseren
Hochschulen zu machen. Dann würden wir viel mehr erreichen. Wir
können zunächst nichts anderes tun, als erst die Kinder und dann die jungen Herren und Damen so weit zu bringen, daß sie sich, ohne daß
ihnen der größte Schaden passiert, auch das aneignen können, was man
im öffentlichen Leben braucht.
Wir sind da in ganz erhebliche Schwierigkeiten hineinversetzt. Sehen
Sie, wer nach der menschlichen Natur urteilt, nach dem, was dem
Menschen gut ist, damit er im späteren Leben ein brauchbarer Mensch
wird, der sagt sich: das ist einfach schrecklich, wenn so im vierzehnten,
fünfzehnten, sechzehnten, siebzehnten Jahre die jungen Herren und
Damen an den heutigen Gymnasien und Realschulen sind. Sie werden
allem Leben entfremdet. Wir müssen das Notwendigste tun, was getan
werden kann, daß wenigstens auch die Körperlichkeit bis zu einer
einigermaßen lebensfähigen Geschicklichkeit kommt.

dat de kinderen naar deze instellingen toe kunnen gaan. Ik geloof dat men ons nog een lange tijd niet de mogelijkheid kan geven om bv. doctoren te vormen, geldige rapporten aan onze hogescholen te ontwerpen. Dan zouden we veel meer bereiken. Nu kunnen we niets anders doen dan eerst de kinderen en dan de jongeren zo ver te brengen dat zij zich, zonder dat ze daarbij al te veel schade oplopen, eigen kunnen maken wat je in het publieke leven nodig hebt.
We lopen daar tegen aanzienlijke problemen aan. Wie naar de menselijke natuur oordeelt, naar wat voor de mens goed is zodat deze in het latere leven een bruikbaar mens wordt, zegt tegen zichzelf: eigenlijk is het vreselijk dat de jonge mensen zo rond hun veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende jaar op het huidige gymnasium of voortgezet onderwijs zitten. Ze vervreemden van het hele leven. We moeten het meest noodzakelijke doen wat gedaan kan worden, zodat op zijn minst ook de lichamelijke mens een bepaalde vaardigheid krijgt die nog enigszins levensvatbaar is.

Ich erwähne es öfter, daß man heute erwachsene Männer findet, die nicht in der Lage sind, wenn ihnen ein Knopf abgerissen ist, ihn selbst anzunähen. Das sage ich nur beispielsweise. Andere Dinge ähnlicher Art kann man ja auch nicht. Vor allen Dingen versteht man ja nichts von der Welt. Der Mensch muß mit offenen Augen in der Welt stehen, damit er auch freie Hände haben kann, die überall angreifen. Sehen Sie, deshalb müßte in einem bestimmten Lebensalter so etwas in einer elementaren Weise eingeführt werden wie Spinnen und Weben. Ja, nun müssen wir aber – wenn nun an den gewöhnlichen Anstalten die Schüler die Matura
machen, werden sie nicht im Weben und Spinnen oder in anderen
nützlichen Lebenskünsten geprüft -, wir müssen außerdem allerlei von
dem treiben, was man verlangt nach der Richtung des Examens hin.
Dazu ist notwendig, daß wir unseren Unterricht in der ökonomischsten
Weise einrichten. Das ist eine besondere Kunst im Erziehen und Unterrichten.
Ich darf ein Beispiel, das mir selbst passiert ist, anführen. Es ist jetzt
lange her – es wurde mir mit anderen Geschwistern einer Familie
zusammen ein elfjähriges Kind zum Erziehen und Unterrichten zuge

Ik noem het wel vaker, dat je tegenwoordige volwassen mannen vindt die niet in staat zijn om een knoop aan te naaien als die ergens af is. Dat noem ik maar als voorbeeld. Andere dergelijke dingen kan men ook niet. Hoofdzakelijk begrijpt men van de wereld niets. De mens  moet met een wakkere blik in de wereld staan, zodat hij ook zijn handen vrij kan hebben om overal aan te pakken. Daarom zou op een bepaalde leeftijd op een elementaire manier zoiets ingevoerd moeten worden als spinnen en weven. En nu moeten wij echter  – als in de gewone instellingen de leerlingen eindexamen doen, worden ze niet geëxamineerd in weven en spinnen of in andere nuttige levensvaardigheden – ook nog allerlei doen wat geëist wordt voor het examen. Daarom is het nodig dat wij ons onderwijs zo economisch mogelijk inrichten. Dat is bij opvoeding en onderwijs een bijzondere kunst. Ik zal een voorbeeld geven dat ik zelf heb meegemaakt.
Het is al lang geleden – samen met andere broertjes en zusjes van een gezin kreeg ik een elfjarig kind, voor wie men het opgegeven had het op te voeden en te onderwijzen, onder mijn hoede om het op te voeden en les te geven.

Blz. 134

führt, das aufgegeben war für alles Unterrichten und Erziehen. Elf Jahre
war der Junge alt, und um mich zu informieren, hat man mir ein
Zeichenheft gezeigt, worin der Junge seine Zeichenkunst entfaltet hat.
Dieses Heft hatte in der Mitte auf der ersten Seite ein riesiges Loch. Er
hatte nur radiert. Es war das alles, was er konnte. Er hatte auch einmal eine Prüfung für eine erste Volksschulklasse gemacht, er konnte gar
nichts. In bezug auf die andere Haltung war er so, daß er oftmals nicht
bei Tische aß, sondern in die Küche ging und die Kartoffelschalen aß.
Nach den verschiedensten Richtungen war es schwierig. Ich will es nicht
genau beschreiben. – Es handelte sich darum, in der möglichst kurzen
Zeit möglichst viel zu erreichen. Ich selbst mußte manchmal drei Stunden arbeiten, um den Lehrstoff so zusammenzuarbeiten, daß ich dann
dasjenige, was dem Jungen beizubringen war, in einer Viertelstunde
beibringen konnte. Nach dem zweiten Jahr war der Junge wo weit, daß
er ins Gymnasium gehen konnte. Er hatte einen riesigen Wasserkopf, der immer kleiner wurde.

De jongen was elf jaar oud en men had mij ter informatie een tekenschrift laten zien waarin de jongen zijn tekenkunst had gedemonstreerd. Dit schrift had in het midden van de eerste bladzij een heel groot gat. Hij had alleen maar weggegumd. Dat was alles wat hij kon. Hij had ook eens een toets in de eerste klas van de basisschool gemaakt, hij kon echter helemaal niets. Wat betreft zijn andere gedrag was het zo dat hij dikwijls niet aan tafel at, maar naar de keuken ging om de aardappelschillen op te eten. In alle opzichten was het moeilijk. Ik zal het niet in detail beschrijven. Het ging erom in een zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk te bereiken. Ik moest zelf soms drie uur werken om de leerstof zo voor elkaar te krijgen dat ik dan wat ik de jongen wilde leren, hem in een kwartier kon bijbrengen. Na twee jaar was de jongen zover dat hij naar het gymnasium kon. Hij had een heel groot waterhoofd, dat steeds kleiner werd.

Ich will diesen Fall anführen, weil er zeigt, was ich meine mit
Ökonomie des Unterrichts. Ökonomie des Unterrichts heißt, eben
niemals mehr Zeit für etwas zu verwenden bei den Kindern, als nach den
leiblichen und seelischen Gesundheitsbedingungen notwendig ist. Solche
Ökonomie des Unterrichts muß heute besonders geübt werden, weil das
Leben so viel verlangt. Die Lehrkräfte zum Beispiel für das Lateinische und Griechische haben einen schwierigen Standpunkt, weil wir viel
weniger Zeit haben, diese Dinge zu pflegen, und weil sie dennoch so
gepflegt werden müssen, wie es den berechtigten Ansprüchen des
Geisteslebens entspricht. Die Kunst müssen wir auf allen Gebieten
suchen, nirgends das Kind zu überlasten. In all diesen Dingen, ich muß
es sagen, brauchen wir das verständnisvolle Entgegenkommen der
Elternschaft, brauchen wir ein einträchtiges Zusammenwirken mit der
Elternschaft.
Wirklich, die eigentlichen Erfolge, die für das Leben die große Bedeutung haben, liegen nicht darinnen, daß für den einen oder anderen
begabten Schüler etwas Staunenswertes erreicht wird. Die eigentlichen
Erfolge liegen in der Lebenskraft. Und da ist es für mich immer tief
befriedigend, wenn so etwas vorkommt, daß man sagt, irgendein Kind

Ik wil dit geval aanhalen, omdat het laat zien wat ik bedoel met economie van het onderwijs. Dat betekent, bij de kinderen nooit méér tijd voor iets gebruiken dan noodzakelijk is, gemeten naar lichamelijke en psychische gezondheidsvoorwaarden. Zo’n economie van het onderwijs moet vandaag de dag speciaal beoefend worden, omdat het leven zoveel vraagt. Bv. de leerkrachten voor Latijn en Grieks hebben een moeilijke positie omdat wij veel minder tijd hebben deze dingen goed te verzorgen en omdat dit toch moet gebeuren zoals dat bij de terechte eisen van het geestesleven hoort. We moeten op elk gebied de kunst zoeken om het kind niet te overbelasten. Bij al deze dingen hebben we nodig dat de ouders daar begripsvol tegenover staan, we hebben een eensgezinde samenwerking met de ouders nodig. Echt, de eigenlijke resultaten die voor het leven van grote betekenis zijn, zijn niet die dat we voor de een of andere begaafde leerling iets verbazingwekkends hebben bereikt. De eigenlijke resultaten liggen in de levenskracht. En dan is het voor mij altijd diep bevredigend wanneer zoiets voorkomt dat er wordt gezegd dat een of ander kind

Blz. 135

soll, weil da dies oder jenes erreicht werden soll, aus der einen Klasse in
eine andere versetzt werden. Da kämpft der Lehrer um jedes einzelne
Kind zuweilen. Das sind wirkliche Erfolge im liebevollen Zusammenleben der Lehrerschaft mit der Kinderschaft. Aus dem wird etwas; daneben verschwinden diejenigen Dinge, auf die so ein Wert gelegt wird, ob
die Kinder ein bißchen weiter oder ein bißchen weniger weit sind.
Wir stehen schon vor der Tatsache, daß wir ja – ich möchte es wiederum radikal ausdrücken – unmöglicherweise gelobt werden können von denen, die aus den Meinungen über das heutige Schulwesen heraus kommen und diese Meinung haben. Es ist immer etwas falsch, wenn man glaubt, daß damit etwas erreicht würde, wenn die Menschen, die so denken, uns loben würden. Wenn die Sache so stünde, daß man von den heutigen Schulbehörden gelobt würde, oder von denen, die glauben, daß die heutigen Schulbehörden das Richtige haben, dann hätten wir die Waldorfschule gar nicht zu errichten gebraucht.

omdat dit of dat bereikt moet worden, van de ene klas in een andere klas geplaatst moet worden. En dan springt de leerkracht af en toe voor elk individueel kind in de bres. Dat zijn de echte resultaten bij het liefdevol samenzijn van leraren en kinderen. Daar komt iets uit; daarnaast verdwijnen de dingen waaraan zo’n grote waarde wordt gehecht, of de kinderen een beetje verder of wat minder ver zijn.
Wij hebben te maken met het feit, dat wij – ik moet het weer radicaal zeggen – onmogelijk geprezen kunnen worden door mensen die zelf uit die opvattingensfeer over het onderwijs komen en die meningen hebben. Het is altijd verkeerd als je gelooft dat er iets bereikt wordt als de mensen die zo denken ons zouden prijzen. Als de zaken zo stonden dat je door de huidige schoolautoriteiten geprezen zou worden of door degenen die geloven dat deze schoolautoriteiten de juiste opvattingen hebben, dan hadden wij de waldorfschool helemaal niet hoeven op te richten.

Auf die Art, wie man heute vielfach denkt, werden die sozialen Fragen
nicht gelöst, sondern dadurch, daß die richtigen Menschen ins soziale
Leben hineingestellt werden. Die werden nur hineingestellt werden,
wenn die Menschen richtig an Leib und Seele gesund aufwachsen
können. An demjenigen, was einem Menschen ganz spezifisch ist, was
ein Mensch seinen besonderen Fähigkeiten nach lernen kann, können wir furchtbar wenig machen. Denn, nicht wahr, wenn wir irgendwelche
Verdienste haben können, den Menschen so zu erziehen, zu unterrichten, daß er das Höchste wird, was er werden kann, so müßte man, wenn
wir einen Goethe erziehen müßten, als Lehrer mindestens ein Goethe
sein. Zu dem, was ein Mensch durch seine Natur wird, können wir
nichts tun; das wird er durch andere Veranlassungen. Was wir können,
das ist, die Hindernisse wegräumen, daß der Mensch die Kräfte in sich
findet zu dem, was in ihm veranlagt ist. Das können wir, wenn wir
rechte Pädagogen werden, und wenn wir von der Zeitgenossenschaft
unterstützt werden.

Op de manier waarop tegenwoordig gedacht wordt, worden de sociale vragen niet opgelost, maar wel doordat de juiste mensen in het sociale leven hun plaats krijgen. Die krijgen alleen hun plaats wanneer de mensen naar lichaam en ziel op een juiste manier kunnen opgroeien.
Met dat wat heel specifiek is voor een mens, wat een mens kan leren door zijn speciale aanleg, kunnen we ontzettend weinig beginnen. Want wanneer we er een of andere baat bij kunnen hebben de mens zo op te voeden, te onderwijzen dat hij het hoogste wordt, wat hij worden kan, dan zou je als je een Goethe op zou moeten voeden, als leerkracht een Goethe moeten zijn.
Aan wat de mens door zijn aard wordt, kunnen wij niets doen; dat heeft een andere aanleiding. Wat we kunnen doen is de belemmeringen opruimen, zodat de mens de krachten in hemzelf vindt, wat hem eigen is. Dat kunnen we, als we goede pedagogen worden en wanneer wij door de tijdgenoten ondersteund worden.

Blz. 136

In erster Linie können wir unterstützt werden von der Elternschaft.
Wir haben eine verständnisvolle Elternschaft gefunden. Und dasjenige,
was ich zu sagen habe, ist zugleich durchaus mit einer Dankesempfindung erfüllt. Und von tiefer Befriedigung bin ich erfüllt davon, daß Sie
so zahlreich erschienen sind. Ich hoffe, wir werden uns über einzelnes in
der folgenden Aussprache unterhalten können; unsere Lehrer werden
bereit sein, alle gestellten Fragen zu beantworten. Aber auf gewisse
Charaktereigenschaften möchte ich noch hinweisen. Wir haben auch in der letzten Zeit, die Waldorf-Lehrerschaft mit mir zusammen, einen Hochschulkurs in Holland gehalten. Eine Persönlichkeit der Waldorfschule, Fräulein von Heydebrand, hat jenen Nachmittag
zu leiten gehabt, der über pädagogische Fragen zu handeln hatte. Es war
einer der interessantesten Nachmittage, weil man sah: die Erziehungsfragen sind heute solche, die überall die ganze Welt beschäftigen. – Wir wissen zwar, daß wir kein Recht haben, darauf zu pochen, wie wir es so herrlich weit gebracht haben, daß wir nicht betonen wollen, wie wir es so herrlich weit gebracht haben.

In eerste instantie kunnen we gesteund worden door de ouders. Wij hebben een begripsvolle oudergroep gevonden. En wat ik te zeggen heb, is tegelijkertijd zeker met een gevoel van dankbaarheid vervuld. En ik ben met diepe tevredenheid vervuld voor dat u met zovelen bent gekomen. Ik hoop dat we over afzonderlijke zaken in een volgende discussie kunnen spreken; onze leerkrachten zijn bereid alle gestelde vragen te beantwoorden. Ik zou nog willen wijzen op een paar wezenstrekken.
De afgelopen tijd hebben wij, de waldorfschoolleraren en ik een cursus in Nederland gehouden. Iemand van de waldorfschool, Mevrouw von Heydebrand moest een middag leiden die over pedagogische vragen moest gaan. Het was een van de meest interessante middagen, omdat je kon zien: de opvoedingsvragen zijn nu zo dat men er overal in de wereld mee bezig is. We weten wel dat we geen recht hebben erover op te scheppen dat wij al zo geweldig ver zijn.

Nun steht die Sache so, daß viele Leute heute das Impulsierende
unserer Schule einsehen; was aber noch fehlt, das ist das tatkräftige Zuuns-Stehen, damit die Sache weitere Stütze und weitere Verbreitung
gewinnen kann. Es ist durchaus einzusehen, daß Eltern zunächst das
Beste für ihre Kinder möchten. Aber so wie heute die Dinge liegen,
sollten die Eltern auch uns helfen. Für uns wird es schwer, durchzudringen. Wir brauchen Hilfe in jeder Beziehung, denn wir brauchen einen
sich immer mehr und mehr vergrößernden Kreis, damit wir die Vorurteile gegenüber unserer Pädagogik überwinden können. Und vor allen
Dingen sage ich das Folgende unter einer bestimmten Voraussetzung
und Reserve, daß ich durchaus mich überzeugt halten will, diejenigen,
die hier sitzen, haben in pekuniärer Beziehung das getan, was sie tun
können. Diese Hypothese sei vorausgesetzt, damit niemand glaubt, ich
will ihm zu nahe treten. Aber dabei bleibt doch die andere Tatsache
bestehen: Wenn wir weiterkommen wollen, brauchen wir Geld!
Ja, Geld brauchen wir! Nun sagen die Leute: Das ist aber kein
Idealismus. Ihr Anthroposophen, was macht ihr uns da von Idealismus
vor, da ihr doch sagt, Geld braucht ihr.

Nu is het zo dat velen tegenwoordig het impulserende van onze school inzien; wat er nog ontbreekt, is het samen sterk staan zodat de zaak verdere steun en verdere verbreiding kan vinden. En natuurlijk kun je inzien dat ouders in de eerste plaats het beste voor hun kinderen willen. Maar zoals nu de zaken ervoor staan, moeten de ouders ons ook helpen. Voor ons is het moeilijk een voet aan de grond te krijgen. In elk opzicht hebben we hulp nodig, we hebben een steeds grotere kring om ons heen nodig zodat we de vooroordelen wat onze pedagogie aangaat, kunnen overwinnen. En het volgende zeg ik vooral onder een bepaalde voorwaarde en met reserve, dat ik er echt van overtuigd wil zijn dat degene die hier zitten in geldelijk opzicht hebben gedaan wat ze kunnen. Deze aanname zet ik voorop zodat niemand hoeft te geloven dat ik hem te na kom. Maar het andere feit blijft toch bestaan: wanneer we verder willen komen, hebben we geld nodig! Ja, we hebben geld nodig! Nu zeggen de mensen: Dat is geen idealisme. Jullie antroposofen, wat spiegelen jullie ons nu voor idealisme voor als je zegt, jullie hebben geld nodig.

Blz. 137

Meine sehr verehrten Anwesenden! Sehen Sie, der Idealismus ist halt
doch auf schwachen Füßen stehend, der große, ungeheure Worte macht
und sagt: Ich bin Idealist, aber weil ich Idealist bin, verachte ich meine
Geldbörse; deshalb will ich meine Finger nicht beschmutzen, ich bin ein
viel zu großer Idealist! Insbesondere werden sich kaum Ideale erfüllen, wenn die Leute zu große Idealisten sind, um sich ihre Finger zu stark zu beschmutzen beim pekuniären Opferbringen. Wir müssen doch schon auch den Ton finden gegenüber der Welt, welcher es den Leuten nahelegt, uns nach dieser Richtung einige Unterstützung zukommen zu lassen, was ja jetzt noch immer unsere große, furchtbare Sorge ausmacht. Denn schließlich, die Waldorfschule ist als einzelne Schule groß; sie hat genügend Schüler. Sie ist fast gar nicht mehr zu übersehen. Das ist eine Sorge, die sehr ernst genommen wird. Und gewiß, wir wollen sie nicht mehr gegenüber dem jetzigen Stande vergrößern; wir wollen uns dem Ausbau unterziehen. Aber auch da vergrößert sich die Schülerzahl damit, vergrößert sich die Lehrerzahl. Da nun die Lehrer nicht von der Luft leben können, verlangt das nach Mitteln.

Zeer geachte aanwezigen! Idealisme staat nu eenmaal op zwakke benen als die grote, reusachtige woorden gebruikt en zegt: Ik ben idealist, maar omdat ik idealist ben, veracht ik mijn portemonnee; daarom wil ik mijn handen niet vuilmaken, ik ben een veel te grote idealist. In het bijzonder zullen nauwelijks idealen vervuld worden, wanneer de mensen te grote idealisten zijn om hun handen al te zeer vuil te maken als ze geldelijke offers moeten brengen. We moeten tegenover de wereld toch ook de toon vinden die de mensen duidelijk maakt ons in deze richting enige ondersteuning te geven, wat voor ons nog steeds een grote, ernstige zorg is.
Want tenslotte, de waldorfschool is als aparte school groot; er zijn genoeg leerlingen. Je kan haar niet meer negeren. Het is een zorg die zeer serieus genomen wordt. En zeker is dat wij die zorg t.o.v. de huidige stand van zaken niet groter willen maken; de uitbouw willen we wagen. Maar ook dan wordt het aantal leerlingen groter, en wordt ook het aantal leerkrachten groter. En omdat de leerkrachten niet van de lucht kunnen leven, hebben we middelen nodig.

Und da müssen Sie sich schon, meine sehr verehrten Anwesenden –
ich setze voraus, jeder hat das Seinige schon getan; es handelt sich
darum, die Idee weiter hinauszutragen, damit auch draußen die Idealisten gefunden werden -, da muß man sich dazu entschließen, gerade auf
Seiten der Elternschaft, nach der Richtung der materiellen Grundlage,
der Waldorfschule zu helfen, sonst fürchte ich, kommt es dazu, daß wir uns nächstens, wenn wir die Dinge weiter gut pflegen wollen, vor Sorgen
das Schlafen werden abgewöhnen müssen. Und dann weiß ich auch
nicht, ob Sie die nötige Lehrerschaft immer in der Schule haben, wenn
sich die Lehrerschaft das Schlafen wird abgewöhnen müssen.
Ich wollte heute manche Dinge mit Worten andeuten, von denen
vielleicht manche das Gefühl haben, sie sind zu radikal gewählt. Aber ich
hoffe doch, daß ich über manches verstanden worden bin. Am meisten
liegt mir daran, daß ich nicht über das einzelne bloß verstanden werde.
Ich möchte in dem Durchgreifenden verstanden werden, daß für uns, für
unser Wirken in der Waldorfschule ein herzliches Einvernehmen mit der
Elternschaft notwendig ist. Auf die Notwendigkeit dieses herzlichen

En dan moet u wel, geachte aanwezigen – ik stel voorop dat ieder het zijne al heeft gedaan; het gaat erom, de idee uit te dragen zodat ook buiten de idealisten worden gevonden – dan moet je het besluit nemen, juist als ouders, in de richting van de materiële basis van de waldorfschool te helpen, anders vrees ik, komt het zover dat wij, als we dingen verder goed willen verzorgen, door de zorgen niet meer kunnen slapen. En dan weet ik ook niet of u steeds de nodige leerkrachten op school zal hebben, als die daarvan wakker liggen.
Ik wilde vandaag sommige dingen met woorden aangeven waarvan misschien sommigen het gevoel hebben dat die te radicaal gekozen zijn. Maar toch hoop ik dat er veel begrepen is. Het liefst heb ik dat ik over bepaalde dingen niet alleen begrepen word. Ik wil op die radicale manier begrepen worden, dat voor ons, voor ons werk op de waldorfschool, een warme verstandhouding met de ouders nodig is. Op de noodzaak van deze hartelijke

Blz. 138

Einvernehmens wollte ich hinweisen, gerade deshalb, weil es in so
hohem Maße wirklich vorhanden ist, und weil man am besten die
Möglichkeit finden wird, auf diesem Gebiete vorzudringen, wenn schon
heute Unterlagen geschaffen sind. Möchte daher durch alles dasjenige, was wir im einzelnen erstreben wollen – und darüber kann die folgende Diskussion sich aussprechen -, möchte durch alles dieses einzelne hindurch bei solchen Elternversammlungen der Impuls mitgenommen werden zu dem herzlichen Einvernehmen, das besteht zwischen den Erziehern, zwischen der Lehrerschaft und der Elternschaft, die ja ganz gewiß das tiefste Interesse haben wird, daß diese Eintracht besteht, weil die Elternschaft das Teuerste, was sie hat, der Lehrerschaft anvertraut hat.

verstandhouding wilde ik wijzen, juist omdat die in zo’n hoge mate werkelijk aanwezig is en omdat je het beste de mogelijkheid zal vinden op dit gebied verder te komen, wanneer nu al de basis wordt gelegd. Moge daarom door alles wat we tot in detail willen nastreven  – en in de volgende discussie kan dit besproken  worden – moge door al deze details bij zulke ouderavonden de impuls meegenomen kunnen worden in de hartelijke eensgezindheid die er bestaat tussen opvoeders, onderwijsgevenden en de ouders die er heel zeker de diepste interesse in hebben, dat deze eensgezindheid bestaat, omdat zij het meest kostbare wat ze hebben, aan de leerkrachten hebben toevertrouwd.

Aus diesem Bewußtsein heraus und aus dem Bewußtsein der Verantwortlichkeit der Lehrerschaft gegenüber diesem Teuersten der mit ihr verbündeten Elternschaft, aus diesem Zusammenarbeiten möchte derjenige Geist immer weiter erblühen, welcher sich in der Waldorfschule in einem befriedigenden Maße gezeigt hat. Er wird um so mehr wachsen nd gedeihen, je mehr diese Einigkeit gedeihen wird. Je mehr das der
Fall sein wird, desto mehr wird das andere erzielt werden, das schönste
Ziel zu erreichen für das menschliche Wesen: die der Waldorf schule
anvertraute Jugend zu erziehen für das menschliche Zusammenleben. Da
wird der Mensch zu stehen haben gegenüber den Stürmen des Lebens.
Wenn er dasteht im sozialen Leben, um in der richtigen Weise die Wege
zu finden zum Zusammenarbeiten mit den anderen Menschen, da werden sich die einzelnen menschlichen und sozialen Fragen lösen können.

Met dit bewustzijn en met het bewustzijn van de verantwoordelijkheid van de leraren wat dit kostbaarste betreft van de met hen verbonden ouders, moge dan vanuit deze samenwerking die geest verder opbloeien die zich op de waldorfschool  in zo’n tevredenstellende mate heeft getoond. Die zal des te meer groeien en gedijen naar mate deze saamhorigheid gedijen zal. Hoe meer dat het geval zal zijn, des te meer zal het andere worden bereikt, het hoogste doel dat er voor het mensenwezen is te bereiken: de jeugd die aan de waldorfschool is toevertrouwd op te voeden voor de menselijke samenleving. Daar zal de mens het hoofd moeten bieden aan de storm des levens.
Wanneer hij in het sociale leven staat om op een goede manier de wegen te vinden voor het samenwerken met andere mensen, dan kunnen de individuele menselijke en sociale vragen opgelost worden.

.

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3007-2823

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Worden wie je bent….

.

Evenals een karakterisering van het vrijeschoolonderwijs zoals deze:  ‘Onderwijs met hoofd, hart en hand’,  kan deze ‘Worden wie je bent’ makkelijk een frase worden.
Hoe geef je inhoud aan die woorden om er het wezenlijke duidelijk van te maken.

In het blad ‘Vrije Opvoedkunst’ ontstond in 2012 de rubriek ‘Ben je geworden wie je bent?’
Oud-leerlingen werd gevraagd hoe ze in het leven staan en of ze iets hebben ervaren van een onderwijs dat ernaar streeft je te laten ontplooien wat je in je hebt.
.

Jan Alfrink, Vrije Opvoedkunst jrg.75 nr 5/6 2012

In deze editie van Vrije Opvoedkunst starten we met een nieuwe rubriek: ‘Geworden wie je bent…?’. Dit is een reeds lang gekoesterde wens waar we regelmatig over spraken en die we nu gaan vervullen.

We laten ‘oud’-vrijeschoolleerlingen aan het woord die al een flink stuk afgelegd hebben op hun levensweg en min of meer ‘gesetteld’ zijn in de maatschappij. We stellen hen de vraag of ze aansporingsmomenten of inspiraties herkennen, terugkijkend op hun vrijeschooltijd. We willen de ‘wereld’ laten zien dat vrijeschoolleerlingen geen ‘softies’ zijn, maar vaak goed en zinvol terechtkomen en hun levensopdracht vervullen.
[  ]

Eerst maar eens taalkundig. Wat een rare titel! Je kunt kennelijk iets worden dat je al bent…? Hoe moet ik dat begrijpen?

Veel vrijescholen hebben op hun website of in hun schoolgids deze term staan. Dat je op hun school mag ‘worden wie je bent’. Vanuit de vrijeschoolgedachte is dit heel goed uit te leggen. Het antroposofische mensbeeld benadert dit vraagstuk helder.

Rudolf Steiner heeft met de vrijescholen vanaf het allereerste begin opvoeden en onderwijzen willen combineren. Het gaat er in het onderwijs natuurlijk niet alleen maar om dat je leert dat Arnhem de hoofdstad van Gelderland is. Of dat je leert dat zeven keer acht zesenvijftig is.

Hij wilde de leraren erop wijzen dat de kinderen, die uit de geestelijke wereld, uit het voorgeboortelijke, tot ons komen, een stadium van ontwikkeling hebben gekend. Geen aardse weliswaar, maar wel een ontwikkeling. Er was dus leven vóór de geboorte.

Bij overlijden van mensen spreken we steeds makkelijker over het leven na de dood. ‘Postexistentie’ is een term die ook al in de tijd van Steiner bestond.

Pre-existentie is een begrip dat verdwenen is. Waar bestond de mens toen hij nog niet op aarde was verschenen? Het voert te ver om hier alle fasen van de indalingsweg te gaan beschrijven, maar de antroposofische wijze van beschouwen is dat een kind uit de geestelijke wereld naar de aardse wereld afdaalt.

In die afdaling neem je je dingen voor. Daar ontwikkel je plannen, daar bouw je al aan je talenten, je competenties, je ideeën. Eigenlijk bereid je een deel van je eigen karma voor. Dat is niet alleen van Steiner. In oude culturen was dit gemeengoed. Maar niet alleen toen. Er zijn ook nu nog prachtige joodse vertellingen die dit illustreren.

In het boekje Vonk van Harry Mulisch laat de schrijver een gesprek ontstaan tussen een engel en een ongeborene. Dit gesprek speelt zich af op de weg die beiden gaan vanuit het paradijs naar de aarde. De engel toont de aarde aan de ongeborene ter voorbereiding op de geboorte. Hij legt aardse wetten uit. Vertelt wat deze ziel te wachten staat. Want heel veel ligt al vast.

Ik ken joodse verhalen waarbij het kindje dat naast de engel loopt, een brandende kaars op het hoofd draagt. Bij het licht van die kaars ziet het kind de weg die hij straks op aarde zal gaan. Alle joodse wetten zijn hem daarbij al onderwezen. De hele Thora kent hij uit het hoofd. Maar als de engel het kind loslaat, om geboren te kunnen worden, doet hij het kaarsje uit. Dan weet je niets meer. Je weet niet meer wie je bent.

Heel af en toe zijn er op aarde momenten, waarop je kunt denken: “Hé, had ik daar al niet eens eerder van gehoord?” “Had ik deze plek al niet eens eerder gezien?” We spreken dan ook eigenlijk terecht van een ‘déja-vu-moment’. Al eens gezien.

Terug naar de antroposofische kijk op geboren worden.

Als de ziel gaat incarneren, als de wezenskern van de mens zich opnieuw met een aards bestaan gaat verbinden, dan werkt die geestkiem samen met hoge hiërarchische wezens aan de voorbereiding van het fysieke lichaam. Die vorm van samenwerken eindigt eigenlijk bij de conceptie. Als de ontwikkeling aards wordt, trekt de hemel zich terug. Vanuit deze visie is het standpunt te verdedigen, dat het menselijk leven niet bij de conceptie begint. Het menselijk leven metamorfoseert bij de conceptie, van hemels naar aards.

Steiner noemt het de sociale taak van de antroposofie: het opkomen voor de gedachte van de pre-existentie. De sociale taak van de antroposofie is uitleg geven aan de gedachte van karma en reïncarnatie. Niet voor niets wijst Rudolf Steiner leraren en ouders erop, dat ze het werk van de engelen voortzetten. Het ontvangen en begeleiden van een kind kun je als opvoeder met eerbied vervullen. Dat is de glanskant. De immense vreugde.

Maar het komt natuurlijk ook voor, dat ouders en leraren zich afvragen: “Wat ben jij er voor één?” Of: “Wat moet ik met jou beginnen?” Dat is de vraagkant, in het gunstige geval. De wanhoopskant als het nog erger wordt. Maar het wijst dikwijls op het gegeven, dat het kind met ideeën op aarde is gekomen. Fantasieën heeft, een eigen wil, tegendraads is, noem het maar op. Het heeft kort gezegd: een eigen koers.

Enerzijds is het aan opvoeders om grenzen te geven aan die koers. Om de kennismaking met de wereld op een veilige en zo harmonisch mogelijke wijze te laten plaatsvinden. Volwassenen kennen de wereld, vertegenwoordigen de zekerheden, de veiligheid, de normen. Het kind is primair onbevangen, nieuwsgierig, ongeremd. Opvoeders bieden dus kaders, maar willen ook ruimte maken voor de originaliteit die het kind laat zien. Fantasie is eigen, inventiviteit wordt op prijs gesteld, talenten moeten getoond en verder ontwikkeld kunnen worden. Het kind is uniek! Zo eentje hadden we er nog niet! Bij die verdere ontwikkeling heeft het kind hulp nodig. En daar zijn opvoeders voor.

Opvoedvraagstukken zijn altijd terug te brengen tot drie vragen. Of je nu kleuterleidster bent, leraar wiskunde bij pubers, vader, moeder, pedagogisch medewerker in een kinderdagverblijf, je staat voor het kind en vraagt:

“Kind, wie ben je?” “Wat kom je doen?” “Hoe kan ik je helpen?”

De eerste vraag richt zich eigenlijk op het vertrekpunt uit het paradijs. De oorsprong. Het unieke wezen is, aanvankelijk nog als zielskern, op weg gegaan naar een nieuwe incarnatie. Wie ben je? Waar is de uniciteit zichtbaar?

De tweede vraag is gekoppeld aan de indalingsweg, de momenten waarop voornemens worden gemaakt. De momenten waarop competenties en talenten in kiem worden aangelegd. En natuurlijk komt hier op een laat moment ook de verbinding met de ouders bij, die het genetisch nog een richting geven. Wat kom je doen?

De derde vraag is eigenlijk niet aan het kind gesteld, maar die heeft met mij te maken. Wat kan ik voor je doen? Hierbij mag je ervan uitgaan, dat deze ontmoeting ook niet vrijblijvend is. We hebben iets met elkaar. We hebben elkaar opgezocht.
Het heeft mij als vader, maar ook als vrijeschoolleraar, soms steun geboden en gesterkt als ik kon overdenken “we hebben elkaar gezocht”, samen. Het betekent in dit geval, dat ik als volwassene niet altijd alle antwoorden op alle vragen weet. Maar ook niet hoef te weten.
Opvoeders, ouders en leraren, stellen zich beschikbaar om kinderen te ontvangen, ze de wereld te tonen en ze daarin wegwijs te maken. Maar ook willen opvoeders kijken wie ze vóór zich hebben. Ze zijn benieuwd wat hun kind meebrengt en hoe het zich gaat ontwikkelen. Wat kan de wereld van dit meisje, van deze jongen allemaal nog verwachten?

In de gedachte van de Driegeleding heeft Rudolf Steiner de vrijescholen in 1919 een belangrijk visieaspect meegegeven. Vrij vertaald (J.A.) komt dat hierop neer: “Er moet niet worden gevraagd wat jonge mensen moeten kunnen en weten om de maatschappij te kunnen betreden en dienen; er moet worden gevraagd wat in de jonge mensen leeft aan kwaliteiten, hoe die kunnen worden aangesproken en ontwikkeld, zodat de maatschappij hiermee haar voordeel kan doen.”

Dus als kinderen mogen worden wie ze zijn, wordt daarmee bedoeld, dat de opvoeding vooral waarneemt en stimuleert. Dat vaders en moeders, begeleiders en leraren zoeken naar diepere intenties die meegebracht zijn. Voornemens, plannen, aanleg, talenten, maar ook hobbels en drempels die een kind tegenkomt, horen bij die ene unieke verschijning van deze nieuwe mens.
Welke doelen had je je gesteld toen je hier kwam? Wat is ervoor nodig om die te bereiken? Is dat een geplaveide weg of is dat juist een drempel die opgeworpen is? Heel veel ouders kennen de waarneming waarbij een kind juist niet logisch handelt in leermomenten. Een omweg lijkt te nemen. Een omweg is echter vaak alleen maar een eigen weg.

Vaak wordt in het spelbeeld dat kinderen laten zien een vooruitblik gegeven van een vaardigheid, een affiniteit, ja zelfs een beroepskeuze. Terugkijkend is de 37-jarige civiel-technicus, de ontwerper van viaducten en taluds, te koppelen aan het jongetje dat in de zandbak ‘onderdoortjes’ en ‘overheentjes’ ontwierp voor zijn jongere broertje. En is de ondernemer-manager te herkennen in het kind dat markt speelt en andere kinderen daarbij betrekt en aan het werk zet.

Maar in de eenentwintigste-eeuwse, hectische maatschappijbeelden en jachtige school- en opleidingstrajecten is het juist de kunst om vooruitkijkend ruimte te maken voor wat er in een kind leeft en zich voordoet. Dat opvoeders de tijd nemen. Waarnemen en soms juist niet druk zetten of ergens bovenop zitten. Maar een stapje terug doen en zichzelf de vraag stellen wat een kind wil laten zien. Zodat het kind tot zijn recht komt. Dat hij kan gaan doen, wat hij van plan was. Dat hij kan worden wie hij is. 

.

Artikel verscheen in 2012 in het tijdschrift Vrije Opvoedkunst

Nog geen abonnee?

U kunt op elk moment lid worden of zich abonneren op het tijdschrift Vrije Opvoedkunst door respectievelijk € 39,50 (lid) of € 27,50 (abonnee) voor Nederland, of € 56,- of € 44,- voor het buitenland over te maken naar rekeningnummer NL38 INGB 0000 6039 37 of NL70 TRIO 0197 7631 54 ten name van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst o.v.v. ‘nieuw lid’ of ‘nieuwe abonnee’ én uw naam, adres, postcode en woonplaats.
Zodra dit bedrag op onze rekening staat, bent u lid of abonnee geworden en krijgt u het tijdschrift Vrije Opvoedkunst thuis gestuurd.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

3004-2820

.

.

.