Tagarchief: Kerstmis

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (17-1)

.

MUIS BAARDE STILLE NACHT

Stille Nacht, inmiddels uitgebracht in 300 vertalingen en gezongen door miljoenen, zou volkomen overdrachtelijk gebaard zijn door een muis.
Dat zit zo.
In de donkere nacht van 23 december 1818 deed een muis zich in het Oostenrijkse plaatsje Oberndorf (bij Salzburg) tegoed aan het leer van de blaasbalg van het orgel in de Sint-Nicolaaskerk.
Organist Franz Gruber kon er geen fatsoenlijk geluid meer uit krijgen. Tijd voor reparatie voor de kerstmis was er niet meer.

Muzikaal dreigde de Kerst te verpieteren voor de boeren in het dorp.

Kapelaan Jozef Mohr bedacht samen met Gruber een oplos­sing.
Mohr had twee jaar gele­den een gedicht op Kerstmis gemaakt en vroeg Gruber er een melodie bij te maken, waarbij een gitaar voor de be­geleiding zou kunnen zorgen.
Gruber componeerde twee solo’s voor tenor en bas en een kinderkoor voor de zes cou­pletten.
Hun Stille Nacht was een re­gionaal succes, tot orgelbou­wer Karl Mauracher het mee­nam naar Fügen in Tirol. Via de muziekuitgevers Rainer en Strasser maakte het een op­mars naar Leipzig en New York.

Mohr en Gruber maakten het wereldsucces niet meer mee: zij stierven respectievelijk in 1848 en 1853.
De Nicolaas­kerk raakte door overstromin­gen vervallen en werd afge­broken. Vlakbij staat een ka­pel met in glas en lood Gru­ber, de componist.
Jaarlijks bezoeken 150.000 toeristen de geboorteplaats van Stille Nacht, een oecumenische we­reldhit, die evenzeer door katholieken als protestanten wordt gezongen.

kerst gruber

(Jan Meulemeester, Brabants Dagblad, nadere gegevens onbekend

.

 

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

390-368

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (16)

.

DE TWEE KERSTKINDEREN: EEN THEOLOGISCH PROBLEEM

De komst van Christus op aarde valt samen met een belangrijke tijdenwende: het religieuze leven wordt losge­maakt van volks- en bloedverwant­schap. Wat is er toen eigenlijk ge­beurd?

In alle mysteriën van de oudheid was de epifanie van een god bekend. Een god vertoonde zich aan de ingewijde mens. Aan het begin van onze jaartel­ling gebeurt dat eveneens, maar nu niet aan ingewijden, maar aan ieder, die wilde waarnemen en bovendien niet als bovenzinnelijk schouwen, maar in een werkelijk met de zintuigen waar te nemen mensenlichaam.

‘En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’.

De vraag hoe dit gebeurde heeft de christenen steeds bezig ge­houden en heeft zeer verschillende beantwoordingen gekregen, variërend van het gezichtspunt dat er geen wer­kelijke menswording heeft plaatsge­vonden tot het omgekeerde, dat er zich geen goddelijk wezen geïncarneerd heeft.
Van de eerste eeuwen af is deze tegenstelling, met alle varian­ten ertussen, aanwezig. Het is geen theologisch-theoretische vraag waarom het hier gaat. Immers als een god mens geworden is, is daarmee de mogelijkheid gegeven dat mensen goden worden. Daarom is de vraag hoe een god mens werd een belangrijke vraag voor ieder, die niet zonder meer geloven kan, dus voor ieder, die, om te kunnen geloven, inzicht en kennis nodig heeft.

Rudolf Steiner heeft hier mededelin­gen gedaan, die niet zonder meer in de Bijbel terug te vinden zijn, maar die de bijbelverhalen niet weerspreken en ze in een samenhang plaatsen waar­door ze veel duidelijker en samenhangender worden. Een belangrijk punt is hier dat de ge­boorteverhalen van Jezus in de twee evangeliën, die ze vertellen, Mattheüs en Lucas, geheel verschillend zijn. En niet alleen verschillend, maar ze sluiten elkaar uit.

Het meest opvallende verschil ligt in de beide geslachtsregisters. Mattheüs brengt er direct een in zijn eerste hoofdstuk.
Het begint bij Abraham (ca. 1800 v. Chr.), gaat over David (ca. 1000 v.Chr.) en de Babylonische bal­lingschap (587 – 538 v.Chr.) naar Jozef, de vader van Jezus.
Lucas brengt eveneens een geslachts­register en wel na de doop in de Jordaan (3e hoofdstuk). Dit begint bij Jozef en gaat terug in de tijd naar David maar met volkomen andere namen en zelfs een ander aantal en dan verder van David naar Abraham met dezelfde namen als Mattheüs en dan nog verder terug tot Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.
Lucas stelt de geboorte van Jezus in een mensheidssamenhang en ziet
bo­vendien de lichamelijke afstamming als een afstamming van God.
Mattheüs brengt een volksamenhang en noemt in zijn geslachtsregister de koningen van Juda en legt zo de na­druk op de koninklijke afstamming. Verdere verschilpunten zijn: in Mat­theüs is Jozef de belangrijke persoon. Tot hem spreekt de engel.
In Lucas blijft Jozef op de achtergrond en is het Maria om wie alles draait.
In Mattheüs komen de magiërs uit het Oosten het kind vereren en treedt Herodes op met zijn kindermoord. De ouders vluchten met het kind naar Egypte. Als ze te­rugkomen na de dood van Herodes willen ze zich weer in Bethlehem ves­tigen, maar wijken uit naar Nazareth als ze merken dat Archelaos, de zoon van Herodes, koning is in Judea. Voor de geboorte is bij Mattheüs van Naza­reth geen sprake.
Lucas daarentegen situeert Jozef en Maria in Nazareth en gedwongen door een nieuw soort administratie vanwege Rome gaan ze naar Bethlehem, waar het kind geboren wordt. ‘Na de dagen van haar reiniging’ (volgens de wet van Mozes 40 dagen) gaan ze eerst naar de tempel in Jeruzalem en dan weer terug naar Nazareth.

Onverenigbaar
Hier ligt nu de absolute onverenigbaar­heid der beide verhalen. Al het andere kan men nog min of meer aan elkaar rijgen maar dit niet. Indien nl. de magiërs binnen deze 40 dagen naar Bethlehem zijn gekomen (en dat moet wel, want ze treffen het kind daar aan) en Herodes nog wat gewacht heeft op hun terugkeer, zijn er twee mogelijkheden. De ene is dat de 40 dagen nog niet voorbij waren toen de kindermoord plaats vond, maar dan zijn het kind en zijn ouders in Egypte en kunnen niet in de tempel in Jeruza­lem zijn geweest.

De andere mogelijkheid is dat Herodes na de veertig dagen kwam en het kind dus al weg was. Maar waarom dan de vlucht naar Egypte? Van hieruit kan men weer twee wegen gaan. De eerste is de weg die de theologie in de laatste eeuwen min of meer consequent is gegaan: tenminste één van de twee verhalen is onwaar, waarschijnlijk beide. Uiterste consequentie: wat moet ik met zulke verha­len anders beginnen dan ze als mythische beelden verstaan waaraan geen enkele historische werkelijkheid toe­komt en dus de gehele menswording van een god op losse schroeven komt te staan.

De andere weg is dat men voorlopig de verhalen in ernst neemt, hoewel men het niet begrijpt. Wie dit onbevangen doet kan alleen maar tot de conclusie komen dat er van twee verschillende kinderen sprake is.
De een stamt uit een koninklijk geslacht; magiërs komen om hem te aanbidden als de geboren koning der Joden. Herodes, koning bij de gratie van de keizer, niet door afstammingsrecht, krijgt angst voor de concurrent en wil hem doden. Het kind ontsnapt en na enige jaren van bezinking van de onrust, woont het in Nazareth.

Het andere kind stamt uit een priester­lijke stam. 2 Sam. 8,18 vertelt dat de zonen van David priester waren. Nathan treedt herhaaldelijk als tweede naast Salomo op, zelfs nog in veel la­tere tijd (Zacharia 12, 11 vlg.) Het is niet onwaarschijnlijk dat speciaal Nathan het priesterambt uitoefende als een recht van het koningshuis naast de priesterstam van de Levieten. Het gehele verhaal van Lucas past in deze priesterlijke tempel- en engelsfeer. Engelkoren maken de geboorte be­kend aan de herders (pastores!) Het kind wordt in de tempel gebracht waar een oude, wijze man, Simeon, een profetie over hem uitspreekt. Daarna woont het gezin weer in Naza­reth. Wie tot de nodige onbevangen­heid ten opzichte van de bijbelverha­len wil komen, moet wel eerst veel tra­ditioneel weten kritisch toetsen.
Een volgende stap is dan dat men het geheel eigen en verschillende karakter niet alleen van de beide kinderen, maar ook van de ouders in het oog vat. Het echtpaar van Mattheüs woont in Bethlehem. De magiërs treden daar het huis binnen. De profetieën, die de schriftgeleerden voor Herodes opzeg­gen, slaan op dit kind van bekende koninklijke afstamming.

Onaanzienlijk
Het gezin in Lucas is duidelijk arm: er is geen plaats voor hen in de herberg, ze brengen in de tempel het eenvou­digste offer. Ze zijn onaanzienlijk in de letterlijke zin van niet-opvallend. Een rustig leven met de resultaten van een onbevangen lezen van de evange­liën kan dan de ziel rijp maken voor wat Rudolf Steiner over deze beide kinderen zegt.

Hij schildert dat als volgt: de ene knaap, die uit Mattheüs, is een oude ziel, die grote aarde-ervaring en -wijs­heid meebrengt. Zijn ouders ontvan­gen hem als hun oudste zoon. Later komen er nog een aantal broers en zusters (Matth.  12,47; 13,55-56). Deze Jezus is een reïncarnatie van de stichter van de Perzische religie en cul­tuur, Zarathoestra. Deze Zarathoestra leefde ca 6000 v. Chr. De latere be­kende Zarathoestra (ca. 600 v.Chr.) – stond in dezelfde stroom. In zijn incarnatie als Jezus, geboren in Bethlehem, komen dan de magiërs hem vere­ren, omdat ze in hem de “ster* (Zoroaster) zagen. Hij droeg in zich de sa­menvatting van alle voorchristelijke wijsheid, ook van die wijsheid die cultuurvormend werkt. In de jaren in Egypte beleeft de ontvankelijke kin­derziel dan nog eens een deel van deze wereld van buiten.

De andere knaap, zo schildert Rudolf Steiner, is een ziel die nog nooit op aarde is geweest. Toen de mens zich met de aarde-stoffelijkheid ging ver­binden (wat in de Bijbel de zondeval wordt genoemd), werd een deel van de mensenziel ‘bewaard’ in hogere werel­den. In de legende heet dit deel Adam Kadmon. Men moet zich dit natuurlijk niet zozeer ruimtelijk als wel wezen­lijk denken. De ruimtelijke beelden zijn mythologie. Mythologie is echter noodzakelijk waar ons zintuigelijk voorstellingsvermogen tekort schiet. Dit deel van de mensenziel komt nu voor het eerst tot belichaming in het kind dat Lucas schildert. Het brengt geen aardeschuld mee, het heeft geen karma. Het is een lief kind. In vele Marialegenden komt dit kind voor als het uit stofresten levende bloemen maakt, uit de kelk van een winde een beker vormt om wijn uit te drinken, nadat het een zware wagen uit het vastgereden spoor laat trekken door sim­pelweg de teugels van de paarden in de hand te nemen, enz. Maar aarde-erva­ring en -wijsheid ontbreken. De geboorte van dit kind wordt overscha­duwd door het Nirmanakaya van Boeddha, d.i. de omhulling die een Boeddha in de geestwereld heeft na zijn laatste incarnatie. Daardoor
ver­bindt zich het edelste van het Boeddhisme met het kind dat Lucas schil­dert.

Deze twee kinderen ontmoeten elkaar in Nazareth waar ze gezamenlijk hun kinderjaren doorbrengen. Het was de gewoonte bij de Joden dat jongens van ongeveer twaalf jaar met Pasen in de tempel te Jeruzalem ge­bracht werden om daar door de wijze schriftgeleerden onderzocht te worden op hun kennis van de Wet. Een soort confirmatie vond plaats. Dat gebeurt nu ook als het Lucaskind twaalf jaar is. In de tempel raken de ouders hem kwijt en ze vinden hem pas na drie dagen weer terug en zij verbazen zich, evenals de schriftgeleerden, over de intelligentie waarmee hij vragen stelt en antwoordt.

Raadsel
Tot zover het verhaal uit de Bijbel, dat ons opnieuw met een raadsel laat zit­ten. Wat is daar gebeurd?
Rudolf Stei­ner schildert hoe beide jongens in de tempel aanwezig zijn. De oudste Zarathoestra wordt door een diep medegevoel met de jongste getroffen en offert nu zichzelf op. Zijn Ik verlaat het lichaam van de oudste Jezus en doordringt nu met alle ervaring en wijsheid van vele incarnaties de ziel die nog nooit op aarde was geweest. Deze oudste jongen kwijnt dan lang­zaam weg en de twee zijn tot één ge­worden. Liefde en wijsheid, reinheid en ervaring in het leven zo moeilijk verenigbaar, zijn nu verbonden in de Jezusgestalte, die later op zijn dertigste jaar de Christus in zich op zal ne­men.
Ook hier weer mededelingen die in niets in strijd zijn met het evangelie, maar die wel veel licht brengen in wat Lucas vertelt. De ouders en de leraren zijn verbaasd. Van dit kind verwachtte men geen ‘wetenschappelijk’ gesprek. Vlak voor dit verhaal staat een zin over het kind als de ouders met de on­geveer 50 dagen oude baby weer in Nazareth komen: ‘en het kind groeide en werd sterk, vervuld van wijsheid en het welgevallen van God was op hem’.
Als het verhaal van de twaalfjarige in de tempel is verteld, zegt het evange­lie: ‘en Jezus nam toe in wijsheid en leeftijd en welgevallen bij God en de mensen’. Zinnen die duidelijk met elkaar samenhangen.
Voor het gebeu­ren in de tempel is er wijsheid en god­delijke genade (welgevallen). De wijs­heid is de oerwijsheid, die we bij vele kleine kinderen ontmoeten. Het is mede dat wat bedoeld is met het worden als kinderen als het gaat om de vraag de hogere werelden te kunnen binnengaan.
Maar na de ge­beurtenissen in de tempel blijven wijs­heid en goddelijke welgevallen maar worden eraan toegevoegd ‘leeftijd’ en welgevallen bij de mensen. Toename in leeftijd is te vanzelfsprekend om vermeld te worden in zulk een context. Daarom kan alleen innerlijke leeftijd bedoeld zijn, rijpheid, en wordt hier dus uitgedrukt dat Jezus toenam in aarderijpheid en welgeval­len bij de mensen. Is hier niet precies uitgedrukt wat er gebeurde toen de Zarathoestra-individualiteit de jongere Jezus doordrong? Dat is niet op één ogenblik gebeurd. Het werd als het ware geïnaugureerd op dit moment maar kreeg dan 18 jaar lang de moge­lijkheid verder te werken.
In de beeldende kunst zowel als in de meer legendarische overleveringen is het thema steeds weer te vinden. Hier moge een van de bekendste afbeeldin­gen worden bijgevoegd, een schilderij van Borgognone (ca. 1 500), dat zich vroeger in de kerk Sant’Ambrosio in Milaan bevond en nu in het museum naast de kerk hangt. De gebaren en ge­zichten van de beide jongens spreken voor zichzelf. Deze afbeelding vindt men naast een 80-tal andere bij Hella Krause-Zimmer. Ook voor kritische opmerkingen en hun weerlegging moet naar dit zeer deskundige werk van een kunsthistorica verwezen worden. De legendenstof vindt men bij E.Bock.

Enige literatuur:
R.Steiner, de boeken over de evan­geliën. Vrij Geestesleven.
R. Steiner, Das fiïnfte Evangelium R.Steiner-Verlag, Dornach.
E.Bock, Kindheit und Jugend Jesu Urachhaus, Stuttgart  (één van de 7 delen)
H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart.

Borgognone 2 Jezuskinderen

kerst adam kadmon
(nadere gegevens onbekend)
,
(J.Knijpenga, Jonas 8/9/, 17-12-1976)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

388-366

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (13)

.

KERSTFEEST IN ZWEDEN

Keken we vorig jaar naar de viering van het kerstfeest in Engeland, nu richten we de blik meer naar het noorden: naar Zweden.

De Zweden worden in het buitenland vaak voor stijve en onge­naakbare mensen aangezien. Misschien terecht, maar éénmaal per jaar zeker onterecht. Dat is wanneer Kerstmis nadert. Er is geen land ter wereld waar men de Kerst zo intensief viert als Zweden. Vanaf de eerste advent hangt in de meeste Zweedse huizen een adventster voor het raam. Deze schijnt iedere avond, totdat de kersttijd voorbij is. Dit duurt in Zweden tot de 13e januari.
Dan is het Luciadag, op de 13e december. Genoemd naar de heilige martelares te Syracuse, die na martelingen op wonderbaarlijke wijze te hebben doorstaan, met een zwaard gedood werd. Haar feestdag viel tot de Gregoriaanse kalender­hervorming (1582) samen met de Midwinterdag en werd in geheel Europa met volksgebruiken gevierd.
Vroeg in de ochtend gaan de vrouwelijke leden van het huis rond en brengen koffie op bed. Eén van hen stelt Lucia voor, de lichtkoningin, met een licht­krans op het hoofd en het koffieblad in de hand. Na haar komen de anderen, allen gekleed in witte, lange hemden met kaarsen in de hand. Al rondgaand zingen zij het Lucialied. Ook is het een heel oude gewoonte dat er op deze dag peper­koekjes gebakken worden.

Op kerstavond (de avond voor de eerste Kerstdag) worden de kerstcadeaus uitgedeeld en eet men een maaltijd waarvan het menu elk jaar hetzelfde is. In elk huishouden is er een kerstham op tafel en verscheidene soorten haring en worst. Verder kunnen de tradities natuurlijk variëren in de verschillende gezinnen en in de verschillende delen van het land. Op de ochtend van de eerste Kerstdag gaan allen die kunnen naar de kerk. Een Zweed kan het hele jaar nóg zo onkerkelijk zijn, hij komt naar de vroege kerkdienst. De kerken zijn dan ook overvol en vaak moet men de vroege dienst herhalen, d.w.z. één dienst begint om 5 uur !s morgens en één om 7 uur.
Ook Driekoningen is een officiële zondag in Zweden. Tijdens de kersttijd worden er veel feesten gegeven voor vrienden en kennissen. Men danst en doet gezelschapsspelletjes voor kinderen en volwassenen.

De huizen zijn versierd met kerstkleden en massa’s kaarsen. In decoratieve kaarshouders en natuurlijk met de traditionele kerstboom. Alles ademt een kerst- en feestsfeer.

(bron onbekend)

.

385-363

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (12)

.

KERSTTIJD

De donkere dagen zijn begonnen.
Maar in de verte daagt het licht. En iedereen is bezig het licht een goede kans te geven. Waardoor? Door het binnenshuis aansteken van vele, vele kaarsen en kaarsjes.
Een merkwaardig ding is een kaars;  zijn stevig, vet lijf is verbonden met de ijle vlam door een pit. Men kan in een kaars het beeld van de mens zien. De vlam van de geest brandt op de pit van de ziel en wordt gevoed door het vet van het kaarslichaam.  Zelfs in zijn ontstaan heeft de kaars iets menselijks.
De pit komt van boven en wordt gedoopt in de vloeibare vetmassa. Zijn kaars en pit voldoende samengegroeid dan wordt de pit afgesneden,  zoals de mensenziel,  die in een fysiek lichaam gaat leven, van de geestwereld wordt afgesneden. Het uiteinde van de pit wordt hard en bros, wanneer de vlam eenmaal gebrand heeft. Die pit is gauw beschadigd en een te ruw behandelde pit kan de vlam van de geest niet of niet voldoende meer dragen.
Snuiten mag natuurlijk wel. Maar behandel de kaarsen met eerbied!

In de adventstijd – de vier weken tot Kerstmis – is het ook een goede gewoonte geworden om een “Kerststalletje” te maken. De kinderen zijn er dol op, maar oorspronkelijk was het een activiteit voor volwassenen. Volgens oude overleveringen zou Franciscus van Assisi de eerste kerststal hebben gemaakt, zo omstreeks het begin van de 13e eeuw. Sindsdien zijn er in Italië en daarna ook in Midden-Europese landen vele van deze kerststallen gemaakt. De beroemdste waren uit Napels. Vele kunstenaars werkten mee aan de figuren van de kerststal. Die vonden zich niet te min om een vette os of een slanke Maria te boetseren voor zo’n stal.

Wie zelf aan het werk gaat om met lapjes, was, klei of plasticine een kerststal te creëren,  zal er veel plezier aan beleven. Kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen. Het gaat fijn, al moet men zorgen, dat er in één groep geen twintig Maria’s en één kameel ontstaan.

Een rolverdeling is dan ook geen luxe. Als centrale figuren komen natuurlijk in de eerste plaats Jozef en Maria in aanmerking. Maria met een wikkelkindje in de arm staande of zittend bij een in elkaar geflanst kribje, met een vlokje wol erin. Jozef mag steunen op een dun twijgje als staf.
Het kindje kan beter een “rolletje” met een kopje zijn, dan zo’n bloot spartelend arm- en beenspektakel, wat bovendien razend lastig te boetseren is. Ook in het stalletje is eenvoud het kenmerk van het ware.
Dan komen de befaamde Os en ezel. Zo’n os is niet zo moeilijk te boetseren wanneer hij ligt. Toch blijft het voor veel kinderen een vraagstuk of de horens nu onder de oren moeten zitten of andersom. Nu, de oren hangen een beetje en wel uit de wangpartij achter het oog. De horens steken op naar boven en zijn ingeplant op het bovenste deel van de schedel.

De ezel is moeilijker. Die heeft een dik buikje, maar dunne, elegante pootjes met kleine hoefjes. Ach, hoe vaak zijn ezels­oren afgebroken! En er valt niet veel te lijmen aan kleiwerk.
Zo’n stal die zich geleidelijk vult, ten slotte met drie herders en vele, vele schapen, dat is gezellig; en dan wat kleine waxinelichtjes eromheen.

Voor kleine kinderen is niet boetseerklei, maar gekleurde bijenwas ideaal. Want pootjes, oortjes, horentjes blijven heel in was. Het is een wonder om te zien, hoe kleintjes met hun roze garnalenvingertjes duidelijk herkenbare, minuscule figuurtjes uit de bijenwas peuteren. Wat een vreugde, wanneer de stal is gelukt!
Bij de kersttijd horen ook mooie Verhalen, waarvan het grootste deel is geïnspireerd door het eenvoudige geboorte­verhaal uit het Lukasevangelie.
Ook nieuwere kerstverhalen mogen best traditioneel zijn geworden. Grote schrijvers hebben er hun krachten op beproefd. Het is niet eenvoudig om zowel bij het schrijven als het ver­tellen de klippen van de sentimentaliteit te omzeilen.

Een van de mooiste kerstvertellingen is afkomstig uit “Merry Old England”. Voor kleintjes niet zo geschikt, voor grote kinderen en volwassenen des te meer. Het verhaal is in wezen niet sentimenteel, wel ‘gevoelig’ hetgeen niet het­zelfde is. Een kerstverhaal mag waarachtig wel gevoelig zijn. Dat mag best. Velen kennen het bedoelde verhaal; ‘A Christmas carol’ van Charles Dickens. Een oude, hardvochtige vrek, Scrooge, vindt Kerstmis “onzin”. Hij krijgt echter bezoek van de geest van zijn overleden compagnon, die hem, voor zijn bestwil, aankondigt, dat hij drie geestverschijningen zal ontmoeten: de geesten van Kerstmis in Verleden, Heden en Toekomst. Door de ontmoeting met deze geesten die hem ware beelden tonen uit de realiteit van Verleden, Heden en Toekomst, komt Scrooge tot inkeer. Hij weet zijn negatieve houding ten opzichte van mens en wereld om te zetten in een positieve. Daardoor gaat hij heel anders handelen. Het verhaal maakt een diepe indruk, ook op de volwassene, niet in het minst door de meesterlijke beschrijving van een stukje burgermaatschappij in de vorige eeuw, de kostelijke humor en de diepe menselijkheid van de verteller.

De T.V. heeft zich onlangs van dit verhaal meester gemaakt. Niet onverdienstelijk op zichzelf, maar veel te snel voor kinderen; -T.V. is tenslotte niet pedagogisch, omdat er commercie in het spel is, die géén tijd heeft. Commercie is nooit peda­gogisch tot in het Departement van Onderwijs toe.

Neem voor uw kerstviering met kinderen ruim de tijd.
En komt u vooral bij onze Kerstspelen kijken, want daarvoor
nemen wij ook alle tijd.

Overigens wensen wij u namens de redactie een héél goede kersttijd toe voor u en de kinderen.

Mitsgaders een Voorspoedig Nieuwjaar

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

384-362

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (11)

.

RECEPTEN

Als het bijna Kerstfeest is, is het leuk om alvast met de kinderen wat te bakken: |
een tulband of koekjes,  bIJv. met behulp van vormpjes (sterren, boompjes, hartjes of ze zelf moie vormen laten maken. Ze kunnen dan weer versierd worden met nootjes of rozijnen of na het bakken met gekleurd glazuur

[5] anijskoekjes;   [1] borstplaat;  [8] borstplaat  [15] havermoutvlokkenmakronen [11] honingbrood   [10] Jan-in-de-zak  [14]kaneelsterren  [4] kruidkoek [2] kwarkdessert [13] pepperkakehus (Zweeds)  [3] peperkoekjes (Zweeds)  [6] stol
[7] ster: Lebkuchen  [12] volkorenkoek;

dranken:
[17] anijsmelk  [9] Glühwein  [16] warme wijn

1)borstplaat
250 gram suiker met 6 eetlepels water of melk op een lage vlam aan de kook brengen, zodat de suiker goed oplost, ongeveer 10 minuten zachtjes laten pruttelen. Halverwege er een scheutje room bij doen, roerend wat laten afkoelen en in de vorm gieten.

Hierbij kun je ook verschillende smaken maken,
bijv. 1 eetlepel water of melk vervangen door 1 lepel gemberstroop
of in plaats van water of melk koffie gebruiken.
Ook een beetje cacao erdoor is lekker en geeft een mooie kleur.
Allemaal heel zoet natuurlijk, maar wel lekker.

En dan is het eindelijk kerstavond en wordt de kerstboom versierd met allerlei mooie (zelfgemaakte) dingen, spannend om alles van het vorige jaar weer tevoorschijn te halen en weer te herkennen.

Een gedichtje van Rie Cramer:

Wij hebben een kerstboom,
wij hebben een boom
en wij mochten helpen versieren.
We hebben de zilveren sterren geplakt,
en slingers van gouden papieren.
We hebben appels en noten verguld
en dennenappels bij vrachten.
Vanavond steekt moeder de kaarsjes aan,
vanavond mogen wij binnen gaan,
ik kan haast zolang niet wachten!

Iedereen veel plezier en een heel goede kerstvakantie toegewenst!

(Bep Kroeze, nadere gegevens onbekend)

.

2)kwarkdessert
3 bakjes kwark a 250 gram,
3 eieren, 1 ci­troen (sap en schil),
6 ruime eetlepels suiker,
1 eetlepel orangeade,
1 eetlepel sukade,
1 eetlepel rozijnen,
een half kopje melk,
6 blad gelatine,
1/8 liter slagroom.

Gelatine meteen in ruim koud water — ieder blad apart erin — weken. Kwark, eigeel, citroen­sap en geraspte schil met een derde van de suiker krachtig roeren tot een homogeen ge­heel, daarna nog enkele minuten kloppen met de garde.

Gedroogde vruchten toevoegen.
Eiwit met de ene, slagroom met de andere helft van de resterende suiker stijfkloppen.
Melk goed heet laten worden, niet koken.
Pannetje van het vuur nemen en blad voor blad de gelatine uit het koude water halen, uitknijpen en onder voortdurend roeren in de melk laten glijden en oplossen.
Aan het einde van deze ceremonie zal de melk al behoorlijk zijn afgekoeld. Aan de an­dere kant lost gelatine alleen op in hete vloeistof — dus moet men nog even wachten alvorens het door de kwark te roeren.
Daarna het eiwit en als laatste de slagroom erdoorheen werken.
In kleine vormpjes doen en koud wegzetten.
Reken maar liefst 10 uur in de koelkast!

Deze lekkernij smaakt ook heerlijk zonder slagroom, dat is natuurlijk beter voor de lijn, vooral als je het geregeld serveert.
Als de slagroom verstek laat gaan, de suiker meteen in het begin gebruiken.
Erg droge kwark met een kopje yoghurt aanlengen.

(Katja Lobbe, Jonas 8/9/, 19-12-1975)

.

3)Zweedse peperkoekjes  ca. 125 stuks
150 gram bruine basterdsuiker
1 ½ dl. stroop
½ theel. gemberpoeder
½ theel. kaneel
½ theel. kruidnagelen
150 gram boter
1  ei
2  theel. bakpoeder
650 gram bloem

Breng suiker, stroop en kruiden aan de kook.
Voeg bakpoeder toe en doe het mengsel over in een schaal over de boter.
Roer daarin tot de boter smelt.
Meng dan het ei en het meel erdoor.
Kneed het deeg daarna op het aanrecht.
Rol het uit met een deegrol en maak koekjes in ronde vorm.

Leg ze op goed beboterde bakplaten en bak ze gaar in een middelmatig (225º) warme oven.

(bron onbekend)
.

4)kerstkruidkoek
250 gr boter
250 gr suiker
250 gr rozijnen
250 gr  krenten
120 gr citroensnippers
120 gr sinaasappelsnippers
500 gr meel

beetje kaneel, nootmuskaat, kardamon, 1 pakje bakpoeder, 4 eieren, 1/8 l melk

Boter en suiker schuimig roeren,
eieren toevoegen,
dan de vruchten,
ten slotte het gezeefde meel met de bakpoeder.

Het deeg ca. 5 mm dik op het bakblik uitrollen.
Bij 200 gr 40 à 60 minuten bakken.
Nog warm met sinaaaappelglazuur bestrijken en in stukken snijden
.

(bron onbekend)
.

5)Anijskoekjes       (voor kleine kinderen).
3 eieren
200 gr aardappelmeel
200 gr suiker
1 pakje vanillesuiker
250 gr meel
1 lepel anijs (gemalen anijszaad), ei en suiker schuimig roeren, dan meel met vanillesuiker en anijs, doormengen tot het een zeer stevig deeg is.
Vormen uitsteken en bakken bij matige hitte.
.

(bron onbekend)
.

6) bakerkindje om op te eten
Terwijl ik naar de kale boomtoppen en de grijze lucht kijk, denk ik aan het baksel van Duitse origine, dat beneden in de berging ligt te wachten, om op kerstavond bij een kop koffie ‘aangesneden’ te worden:
de echte Dresdner Christstollen.

Laat mij meteen een misverstand opruimen: De ‘echte’ is geen krentenbrood en dient dus beslist niet met boter te worden besmeerd. Alles wat hij nodig heeft aan vet zit in zijn deeg verwerkt — zuivere roomboter en (zeer) veel gemalen amandelen. De echte stolle is derhalve heel erg zwaar en marsepeinachtig (in zijn geheel, niet alleen als er spijs in zit als concessie aan een buitenlandse gewoon­te). Zonder een sterk bakje koffie is hij nau­welijks te nuttigen.

‘Dresdner Christstollen’ is een van de oudste aan ons bekende baksels. De naam is ont­staan uit het oud-Hoogduitse woord ‘stollo’, dat betekent onder meer stijl en stal en is een heilig symbool voor het bakerkindje in de krib van Bethlehem.
Omstreeks 1300 heeft men voor het eerst stollen gebakken in Saksen, dat toen al be­kend stond om zijn exquisiete keuken.

Het waren vooral Saksische fijnproevers — vorsten en geestelijken voorop — aan wie de uitvinding te danken is.
Door de eeuwen heen is de stolle geraffi­neerder geworden. De internationaal be­faamde naam is te danken aan bakker Jeremias Kreutzkamm. Zijn beroemde ‘Konditorei-café’ aan de oude Markt in Dresden was al in 1825 een rendez-vous plaats van kunste­naars en vooraanstaande burgers. Bakker Kreutzkamm was hofleverancier van de ko­ning van Saksen en Polen, die met Kerstmis een sympatieke gewoonte toepaste: Hij liet aan vrienden en trouwe ambtenaren een ech­te Dresdner Kreutzkammstolle overhandigen.
Ik zou u graag nog een heleboel willen vertel­len over knusse oude tradities in Saksen, waar ik als kind bij mijn grootmama in Dresden de zalige sfeer proefde.
Zo’n ‘bakerkind­je’ moet een bepaalde tijd rusten, totdat de heerlijke ingrediënten zich volop kunnen ontplooien. Van te voren even snoepen is er beslist niet bij. Geen kind, dat dit in zijn hoofd zou hebben gehaald. Na de mis, onder het beieren van de klokken, liepen de fami­lies door de besneeuwde kerstnacht naar huis. En als later de geur van de versgezette koffie door de kamer zweefde en zich meng­de met het aroma van de bijenwaskaarsen aan de kerstboom, pas dan mocht de eerste plak van de reuzenstol gesneden worden. Dit deed traditiegetrouw de heer des huizes. Een echte stolle moet in Saksen namelijk 8 pond wegen! Er zijn speciale snijplanken van helder ahornhout met een kribvormig onder­stel, daar ligt het op, het bakerkindje. Als u er ooit een proeft, geniet dan met kleine hapjes, zodat de subtiele smaak ten volle tot zijn recht komt.

Ieder met enige bakervaring kan met dit re­cept van een echte Duitse stol, een behoor­lijk resultaat op tafel brengen.

1000 gr bloem,
100 gr zoete amandelen,
50 gr bittere amandelen,
100 gr fijn gesne­den sukade,
500 gr boter,
200 gr suiker,
500 gr rozijnen (goud-geel van kleur),
de ge­raspte schil en het sap van een citroen,
gist of bakpoeder.

Bij gebruik van gist wordt 3 dl melk toege­voegd, bij bakpoeder minder melk gebrui­ken.
Vorm van deze ingrediënten een stevig deeg en zet de stol op een ingevet bakblik in een goed voorverwarmde oven.
Baktijd en ovenstand als bij zwaar cakedeeg.
Om te bestrijken en bestrooien: Een pond roomboter smelten en met zachte kwast op de korst strijken, ca 100 gr witte suiker er over strooien, daarna bestuiven met poeder­suiker.
.

(Katja Lobbe, Jonas 7, 5-12-1975)
.

7) Lebkuchensterren
125 gram honing
150 gram suiker
20 gram boter
1 klein ei

samen tot een schuimige massa roeren.

Dan 1 voor 1 de volgende ingre­diënten erbij doen, roerend:

20 gram gemalen hazelnoten
20 gram lebkuchen (of koek) kruiden
mespunt nootmuskaat
¾ deciliter koffie
20 gram cacao
10 gram hertshoornzout*(Duits)
of 2 flinke theelepels bakpoeder
400 gram meel

*het hertshoornzout moet in de koffie worden opge­lost. Het gaat pas werken bij verhitting;
Bakpoeder begint al te werken als het nat wordt.
Als het deeg klaar is moet het een paar uur rusten. Dan uitrollen tot ongeveer een halve cm en er koeken uitsteken in alle mogelijke vormen.
Ongeveer 20 minuten bakken in een hete oven,  200º.
Daarna ze of, als ze nog warm zijn, bestrijken met citroenglazuur, of als ze afgekoeld zijn, met cho­colade glazuur.

citroenglazuur
100 gram poedersuiker zonder klontjes roeren met 1 eetlepel citroensap en 1 eetlepel hete melk of water.
De citroen kan ver­vangen worden door ander vocht!
Gedurende 5 minuten flink roeren.
Als je de koeken echt dekkend wilt glazuren moet je het wat dikker laten, anders iets verdunnen en dan krijg je een doorschijnend laagje.

Op de koude koeken kan

chocolade glazuur
100 gram poedersuiker met 3 eetlepels hete melk roeren.
Intussen 100 gram chocola boven een pan heet water smelten samen met een klein klontje boter.
Dit mengen met de suikermassa.
Over de koeken strijken en hard laten worden.
Eventueel kan je er taartversiersel in drukken, bv. zilveren balletjes.

Andere mogelijkheid is om ze te versieren met eiwitglazuur.

Eiwitglazuur:
klop 1 eiwit stijf en roer daar zo­veel poedersuiker door tot het nog maar heel traag van de lepel afloopt.
Nu kan je er figuren mee spuiten.
Ook kan je er alle mogelijke versiersels mee opplakken.
Het wordt heel hard.

Lebkuchen moeten een tijdje liggen; daar worden  ze lekkerder van.  Ze worden wel zacht(er) maar niet oudbakken. Daarom zijn ze zo geschikt om er versierde koeken mee te maken!

Kerstboompjes:
een aantal sterren van verschillen­de grootte op elkaar plakken met eiwitglazuur. Laat ze daarbij iets verspringen en zet de grootste onder en de kleinste boven.  Zo ontstaat de vorm van een sparrenboom. Eventueel met wat poedersui­ker bestrooien.
.

(bron onbekend)
.

8) kerstkransjes
150 gram bloem
100 gram boter .
75 gram basterdsuiker
1  mespunt zout
1  ei
100 gram amandelen
1 eetlepel suiker

Breek het ei in een kopje,
klop het los met een vork en doe de helft in een deegkom
Doe de bloem, de boter, de basterdsuiker en het zout erbij.
Snij met twee messen de boter in kleine stukjes en kneed daarna met één hand alles door elkaar tot een bal (niet te lang kneden)
Leg de amandelen een paar minuten in kokend water en pel de bruine velletjes eraf.
Snij de amandelen in dunne flinter­tjes

Strooi wat bloem op een droog aanrecht en rol het deeg tot een overal even dikke plak, ongeveer zo dik als een gulden.
Steek met een koekjesring of een omgekeerd glas rondjes uit het deeg en maak daarna met een appelboor of dop van een fles in het midden van de koekjes een gat.
Maak van de deegresten een nieuwe plak en snij daar nog meer kransjes uit.
Bestrijk de kransjes met het losgeklopte ei en bestrooi ze met de gesnipperde amandelen en de suiker.
Leg de kransjes op een beboterd bakblik dat je in het midden van een niet te hete oven schuift.
Bak de kransjes in onge­veer 1  kwartier bruin.

9) Glühwein
1 fles rode tafelwijn
1 fles water
1 kleine citroen of 2 sinaasappels
5-6 kruidnagels
stukje pijpkaneel
ca. 150 gr. suiker

Was de citroen of de sinaasappels schoon en steek er de kruidnagels in.
Wijn en water met de suiker en de citroen of sinaasappels en de pijpkaneel in een gesloten pan tegen de kook aan brengen en 2 uurtjes laten trekken.
.

10) Jan-in-de-zak
300 gr. bloem
150 gr. krenten,
rozijnen en
sukade
1 ei
20 gr. gist
2 dl. lauwe melk
½ theelepel zout
1 linnen zak

Doe de bloem in een kom.
Voeg ei en melk toe tot een beslag.
Vervolgens de krenten, rozijnen en sukade, het zout en de met lauwe melk aangemaakte gist.
Laat het beslag 3 kwartier rijzen op een lauwwarme plek.
Spoel de linnen zak met lauw water en bestrooi hem van binnen met bloem. Vorm een brood van het deeg en doe dit in de zak.
Bind de zak zo dicht dat het deeg nog verder kan rijzen.
Kook de pudding gedurende ca. 2 uur in een pan met kokend water.
Plaats een diep bord omgekeerd op de bodem van de pan, zodat de zak niet aan de bodem van de pan gaat kleven.
De pudding is gaar als een breinaald er droog uitkomt.
Laat de pudding zonder zak opdrogen en geef er stroop, boter en basterdsuiker bij.

11)honingbrood
1 kop melk
1 kop honing
¼ kop zachte boter
2 geklopte eieren
2½ kop volkoren meel of half wit, half volkoren
1 theelepel zout
1 eetlepel bakpoeder
½ kop walnoten

Voeg melk en honing samen. Roer het boven de vlam tot een mengsel. Klop boter, eieren , bloem, zout en bakpoeder erdoor tot alles goed vermengd is. Vouw de noten in. Doe het in een ingevette broodvorm. Bak het één uur bij 160º; laat het 15 min. in de vorm afkoelen. Snij het pas als het koud is.

12)volkorenkoek
150 gr boter
150 gr rietsuiker
rasp en schil van een halve citroen
2 eieren
250 gr tarwemeel
3 theelepels bakpapier
snufje zout
1 dl melk
150 gr rozijnen
De eerste drie ingrediënten losroeren, de eieren erdoor kloppen en daarna het meel met bakpoeder en zout. Dan de melk. Rozijnen er doorheen en alles in een beboterde boterkoekvorm. Gaar bakken (als er niets aan de breinaald blijft plakken) in 30 à 40 minuten bij 200 in een voorverwarmde oven

13) We maken een “pepperkakehus

In de Scandinavische landen is het een goede gewoonte om voor Kerstmis een huisje of kerkje van een soort speculaasdeeg te maken. Misschien ook eens een idee voor ons ? We proberen het – het geeft veel plezier en we komen helemaal in kerststemming.

We bedenken eerst wat voor huisje we gaan “bakken”, een eenvoudig vierkant huisje met schuin dak en schoorsteen of een ingewikkelde kerk.

Voor de eerste keer het huisje maar! We kunnen er een papiermodel van maken, de delen uitknippen – een soort bakpatroon dus.

Eerst het deeg. Niet helemaal ons speculaasdeeg, voor het huisje moet het harder zijn, het moet goed uit te rollen zijn, en te eten !

We hebben nodig:
3 dl suiker,
2 dl stroop,
125 gr margarine,
1 eetlepel kaneel,
1 eetlepel gemberpoeder,
1 theelepel kruidnagelpoeder (of speculaaskruiden)
½ eetlepel bicarbonaat (dubbele koolzuresoda),
3 dl water
17 dl meel – wit

1.Suiker en stroop gaan in een grote pan op het vuur, zacht pitje, en roeren totdat de suiker is opgelost – ongeveer 10-15 min. Het mengsel wordt nu dunner.

2.Kruiden en bicarbonaat in een kom mengen.

3.De margarine in de pan erbij totdat het smelt – daarna de kruiden en ten slotte het koude water. Vuur uit. Roeren totdat het afgekoeld is.

4. Nu het meel er beetje bij beetje door kneden. Als het deeg goed kneedbaar wordt, uit de pan halen en op de aanrecht of tafel verder kneden.

5.Het deeg uitrollen tot ongeveer 4 mm dik. De papieren patroondelen erop leggen en uitsnijden. Op de bakplaat leggen. Tussen de huisdelen wel ruimte laten voor het eventueel toch wat uitlopen van de koekdelen.

Kleine stukken samen op een plaat, baktijd ca 5 min.

Grote stukken samen, baktijd ca 9 min.

Ovenstand op 225°.

Zijn de delen toch wat rafelig uitgelopen, dan bijsnijden als het nog warm is.

Nu af laten koelen.

Om het huis in elkaar te zetten smelten we suiker in een pannetje op een plaatje op een zacht pitje. Het moet vloeibaar worden en warm gehouden worden, anders wordt het hard.

Dan de huisdelen aan elkaar “lijmen” met de vloeibare suiker. Gebruik een mes hiervoor, en pas op de vingers. Houdt de stukken vast totdat de suiker hard geworden is.

Als ondergrond kunnen we ook een groot stuk koek gebruiken.

Als alles er op en er aan zit, kan ons huis versierd worden.

We kunnen er ramen en deuren op “tekenen” met een mengseltje van eitwit met poedersuiker of water met poedersuiker (een heel klein beetje water voor heel veel poedersuiker). Poedersuiker eroverheen strooien als sneeuw staat heel echt.

Hebben we nog deeg over dan kunnen we bomen om ons huis maken of zomaar figuren die we versieren en ophangen aan een rood lint aan de kerstboom of voor het raam.

Ons “pepperkakehus” krijgt een plaats op de kersttafel, een kaarsje erbij en wij kunnen Kerstmis vieren. Veel succes !|.

Gonnie Kok, nadere gegevens ontbreken
.

14)kaneelsterren
9 eiwitten
500 gr. poedersuiker
sap van 1 citroen
500 gr. gemalen amandelen
125 gr. suiker om uit te rollen

Eiwitten tot stevige sneeuw slaan, de suiker ermee vermengen. Van deze massa ca. 10 eetlepels afnemen. In de rest van de sneeuw de andere ingrediënten doen en 20 min. laten rusten.
Van de massa steeds kleine delen op besuikerd blad 1 cm. dik uitrollen, sterren uitsteken op bakblik overbrengen dat goed ingevet en met meel is bestrooid. Twee uur goed laten drogen, dan de resterende eiwitmassa in een spuitzak doen mét een klein gat en dun op de sterren spuiten.
20 min. bakken bij 180°C.
.
15)havermoutvlokkenmakronen
 350 gr. havermoutvlokken
250 gr. suiker
3 eieren
50 gr. boter
1/16 l. melk
1 pakje bakpoeder
sap van 1 sinaasappel en 1 citroen
50 gr. citroensnippers
ronde ouwel
Suiker en eieren schuimig roeren,
boter en andere ingrediënten toevoegen,
dan beetje bij beetje de havermoutvlokken.
De massa met een koffielepel op kleine ronde, stukjes ouwel verdelen en bij 180 C. ca. 20 min. bakken.
.
 16)warme wijn
1 fles rode wijn
1 fles water
1 citroen
enige kruidnagelen
een stukje pijpkaneel
ca. 75 gr. suiker
De wijn met 1 fles water verdunnen. De kruidnagelen in de citroen steken en deze met de pijpkaneel een half uur of langer in de wijn laten trekken.
Zorgen dat de wijn niet kookt. De kruiden uit de wijn nemen en deze afmaken met suiker.
.
17)anijsmelk
1 liter melk
2 lepels anijszaad
40 gr. suiker
De melk aan de kook brengen. het zaad in een gaasje binden en in de melk laten aftrekken, een half uur of langer. Het aftreksel zo nodig zeven en de suiker er doorroeren
.
 Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

 383-361

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

.

DE BIJENSTAAT EN HET KERSTGEBEUREN

In de insectenwereld nemen de zoge­naamd sociaal levende insecten (bijen, hommels, wespen, mieren en termie­ten) als groep een heel bijzondere plaats in.

Elk individu vormt een deel van een samenlevingsvorm, die slechts als geheel kan bestaan. Binnen deze groep nemen de bijen wel een héél bijzondere plaats in. Hun samenleving is strikt gebonden aan een streng wetmatige drieledig­heid: een koningin, duizenden werk­sters (50 – 60.000) en enkele honderden darren.

Het bijenvolk, zoals wij het heden ten dage kennen, is de vrucht van eeuwen lange domesticering. De bijenteelt werd al 5000 jaar geleden door de Egyptenaren beoefend. Gedurende de middel­eeuwen stond zij in hoog aanzien in West-Europa.

Immers, honing was het enige zoetmiddel. Zowel de kerkelijke als de wereld­lijke heren hadden altijd meerdere im­kers in dienst, om kerkruimten en burchtzalen van kaarsen te voorzien. Heden ten dage is de imkerij als beroep nagenoeg verdwenen, maar de interesse in deze boeiende samenleving zeker niet.

Volgen we dit wonderbaarlijke bijenorganisme in zijn activiteiten door de vier jaargetijden heen, dan zien we in het vroege voorjaar, wanneer de lente de eerste lover en bloemenpracht tot ontwikkeling laat komen, een grote bedrijvigheid voor een kast of korf. De bijen zijn met hun reinigingsvlucht be­zig en brengen al de eerste stuifmeelkorrels (bijvoorbeeld van wilg, krokus) en wat nectar naar hun woning. De koningin begint, na haar winterrustperiode weer aan de vernieuwing en op­bouw van haar volk, bijgestaan door de werksters die haar de winter door trouw gebleven zijn. Eitje voor eitje wordt in de zeshoekige cellen gedepo­neerd en bij een temperatuur van 35° C opgekweekt. Na 21 dagen lopen de nieuwe werksters uit en zullen de oude gaan vervangen, die nu hun taak volbracht hebben en sterven.
Langzaam neemt de grootte, en daar­mee ook de activiteit van het volk toe. Tussen de werksters die zich vlijtig over hun raten bewegen, neemt men hier en daar ook darren waar. Deze on­beholpen, bedelende, dikke nietsnut­ten krijgen aan het begin van de zomer hun enige taak toegewezen: ze be­vruchten de jonge koninginnen, die elk voorjaar door het volk worden ge­kweekt ter vervanging van de oude. Deze oude koningin vliegt met een deel van het volk weg en zoekt een andere woning.

De nieuwe koningin zet het werk van de oude voort. Ze legt in het
hoogsei­zoen gemiddeld 2000 eieren per dag. Vlijtig vliegen de werksters in de zo­mermaanden op de zogenaamde drachtplanten en verzamelen de nectar en het stuifmeel voor broedsel en eigen ge­bruik. Gedurende deze tijd wordt te­vens een wintervoorraad aangelegd. Deze bestaat uit honing, die in een ein­deloos proces uit nectar  en kliersecreet bereid wordt.

Langzaam worden de dagen korter en koeler. De eerste najaarsstormen hui­len over de bijenbehuizing en het volk trekt zich uit de periferie (buitenwe­reld) in het centrum (behuizing) terug. De koningin legt nu bijna geen eitjes meer en het broednest verdwijnt. De darren, die hun taak gedurende de zo­mermaanden volbracht hebben wor­den nu onverbiddelijk uit het volk ge­stoten en sterven voor de kast. De eerste sneeuw daalt op aarde neer en bedekt alles met een glinsterend wit kleed. Dicht opeengedrongen, zacht pulserend gaat het bijenvolk de winter in.

Aanschouwen we het beeld van dit or­ganisme binnen de wanden van de be­huizing, dan valt het op dat de konin­gin altijd omgeven is door een aantal werksters, die haar gedienstig zijn. Het aantal is in het mooiste geval twaalf, nooit meer.

In de bedrijvige zomermaanden, wan­neer de koningin over de raten loopt, is deze hofhouding ongeordend om haar heen gegroepeerd. In het najaar neemt de activiteit van het hele bijen­organisme langzaam af en komt aan het begin van de winter tot rust. Was rond de Johannestijd het volk als totaliteit in een open, ontvangend gebaar naar de buitenwereld toe gericht, nu tegen de herfsttijd is het gebaar omhullend, van de buitenwereld afgekeerd. In het centrum van deze ronde vorm bevindt zich de koningin, die nu een regelmati­ge twaalfstralige ster van werksters om zich heen heeft staan. Het gevaar van naar buiten gericht leven in de zomer en naar binnen gekeerde rust in de winter, krijgt bij het waarnemen van dit stervormige beeld opeens meer inhoud. Men beleeft bij zichzelf niet al­leen deze zelfde beweging, maar wordt tevens bij het aanschouwen van deze twaalfstralige ster op een innerlijke houding gewezen: namelijk een hou­ding van naar binnen gekeerde rust. Een rust die nodig is om een inwen­dige ster, ontstaan door een uitwendig liefdevol benaderen van de wereld gedurende de lente-, zomer- en herfstmaanden, als een inwendige kracht in zichzelf te laten rijpen.

kerst bijen

(Gerard Copijn, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

382-360

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (9)

.

HET KERSTFEEST

Wat is het kerstfeest eigenlijk voor een feest? Is het een feest van herdenking? Een feest, waarbij wij willen terug­denken aan een gebeurtenis die bijna 2000 jaar geleden heeft plaatsgevonden en die vele mensen zo belangrijk vinden, dat zij hem graag  ieder jaar opnieuw in hun herinnering terugroepen om hem in eerbied, vreugde en dankbaarheid te gedenken? Natuurlijk is het kerstfeest eigenlijk het feest aller feesten, omdat er bovendien bij ieder mens die dat zou willen zoeken, iets gebeuren kan omdat er in hem zich iets voltrekken kan, waardoor hij niet meer helemaal dezelfde is die hij tevoren was, maar rijker is geworden?

In het Paradijsspel zien wij Adam staan tegenover God-vader. Hij beleeft de wereld van het goddelijke buiten zich, maar is er tegelijk zo in thuis, dat hij met God-vader kan spreken. En zo kan hij ook de goddelijke wil vernemen.

Maar dan komt de verdrijving uit het Paradijs en daardoor is Adam en met hem de mensheid, niet meer thuis in de wereld van God-vader en heeft hij de mogelijkheid om met God te spreken, verloren.

Alle voor-christelijke volkeren hebben de goddelijke wereld buiten zich beleefd, in de wonderen van de schepping en van de natuur. Zij beleefden het goddelijke in de sterrenhemel, in de afzonderlijke sterrenbeelden, de tekenen van de dierenriem of de planeten. Anderen beleefden het in de elementen: het water, de lucht, het vuur of de aarde. Weer anderen in de bossen of in de zee, in de meren of op de bergen. Of ook wel in bepaalde dieren of in bomen of planten.

Maar hoe groot die verscheidenheid ook geweest moge zijn, steeds was het in de wereld buiten hen, dat zij de ontmoeting met de goddelijke wereld zochten te vinden. En steeds ook beleefden zij in de loop der eeuwen, dat het moeilijker en moeilijker werd die goddelijke wereld te vinden en vandaaruit de stem te vernemen, die aan de mensen op aarde de goddelijke wil en de goddelijke leiding kon openbaren. Het was zeker niet zo, dat alle mensen de goddelijke stem konden horen. En op de duur waren het slechts weinigen, en hun aantal werd steeds kleiner in de loop van de eeuwen, die de goddelijke wil aan de mensen door konden geven. En deze koningen, pilas­ters of profeten hadden een langdurige en veelomvattende scholing doorgemaakt, voordat het hun mogelijk gemaakt was de stem uit de goddelijke wereld te vernemen.
En zo beleefden al deze volkeren steeds sterker, en bij ieder van hen heeft dat op hun wijze zijn neerslag gevonden in hun mythen, dat de wereld van de goden zich meer en meer van de mensen terugtrok, zich voor hen afsloot en ontoegankelijk dreigde te worden; dat ‘Adam uit het paradijs verdreven was’‘.
Deze Götterämmerung’ moest hen op de duur met angst en wanhoop vervullen. Maar al deze volkeren beleefden ook, ieder van hen weer op hun wijze, dat er voor een verre, maar toch langzaam naderbij komende toekomst een straal van hoop verkondigd werd.

Dit was de alomvattende verwachting, dat eens de Messias zou komen, als wij ons willen uitdrukken in de vorm, waarin deze toekomstbelofte bij het Joodse volk leefde. Maar daar dus niet alleen, ook bij alle voor-christelijke volkeren.
De ver­wachting dat, nadat de mensheid zijn verbinding met de god­delijke wereld steeds meer verloren had zien gaan, er een goddelijk wezen zou zijn, dat door zijn onmetelijke offerkracht de goddelijke wereld naar de mensen toe zou brengen. Daardoor zou de onverbiddellijk voortgaande ontwikkeling, die tenslotte tot het totaal verloren gaan van iedere ver­binding van de mensen met de goddelijke wereld zou leiden, omgebogen kunnen worden, waardoor aan de mensheid een nieuw toekomstperspectief geschonken zou zijn.

Deze “komst van de Messias” nu voltrok zich aan het begin van onze jaartelling. Het is de ver boven alle andere historische feiten uitstekende, alles beheersende gebeurtenis die het eenmalige middelpunt van de mensheidsgeschiedenis als geheel vormt. Het is eigenlijk een reeks van gebeur­tenissen, die staan als mijlpalen langs de weg van een onbeschrijfelijk groots proces: de geboorte van Jezus van Nazareth, de doop in de Jordaan, de kruisiging op Golgotha, de Opstanding op de morgen van het Paasfeest, de Hemelvaart en het Pinkstergebeuren, om de voornaamste ervan te noemen. Maar de geboorte van het Jezuskind in Bethlehem is de eerste daarvan; het teken, dat dat proces zijn aanvang heeft genomen en zich voltrekken zal; het teken, dat de verwachting veler volkeren nu begonnen is in vervulling te gaan.

Wijze mensen wisten dit ook. Mensen als de heilige Drie Koningen uit het Morgenland; maar ook de oude wijze herder uit het kerstspel, die het zo uitspreekt:

Hij quam hier op ter aerden erm
opdat hij onser hem ontferm
en maek’ ons in sijnen hemelrijck
even selfs d’enghelen gelijck.

Nu de mogelijkheid van een weg uit de diepte omhoog hierdoor voor de mensheid geschapen was, betekent dit niet, dat eens een toestand, zoals die in het Paradijs bestond, weer terug zal keren. Ten koste van de verjaging uit het Paradijs had de mens zich een vrijheid verworven en deze vrijheid moet behouden blijven. Niet meer zal de mens de goddelijke wereld buiten zich kunnen ontmoeten. Het offer van het hoge Christuswezen, dat om de mensheid te redden als goddelijk wezen in vrijheid het mensenlot van de dood heeft willen ondergaan, bracht tot stand dat ieder mens, wanneer hij dat wil en deze wil tot een daad wil maken, de Christus kan ontmoeten binnen in zich, in zijn eigen hart. Daarmee is de ontmoeting van de mens met de goddelijke wereld een fundamenteel andere geworden. En men hoeft geen christen in de gangbare betekenis van het woord te zijn om dit te mogen beleven.

De buitengewone betekenis van het kerstfeest is nu, dat deze heilige feesttijd meer dan welke andere dag of tijd van het jaar het voor de mensen mogelijk maakt de kiem voor deze ontmoeting met de Christus te ontvangen. Men kan in alle realiteit zeggen, dat in de kersttijd het Chistuskind elk jaar opnieuw geboren wil worden in de harten van al die mensen die het daar ontvangen willen. En zo kan het kerstfeest dus nog oneindig veel meer zijn dan een feest van herdenking.

Toen in een ver verleden, na de zondvloed, God met Noah en­ het Joodse volk zijn verbond sloot, schonk hij de mensheid ten teken daarvan het wonder van de aan de hemel verschijnende regenboog. Wanneer in een verre toekomst de mensheid de tocht omhoog, waartoe de mogelijkheid met het mysterie van Golgotha geschonken werd, misschien een groot eind weegs gegaan zal zijn, wat zal er dan, zo kan men zich vragen, langzamerhand met de kleurenboog gaan gebeuren?

Die zal dan ongetwijfeld, een andere vorm, een metamorfose gaan vinden. Wellicht kan men daar reeds nu met Kerstmis iets van beleven. Misschien kan men een herinnering aan de kleurenboog terugvinden in de glanzende ogen van de kleine kinderen. Zij immers kunnen het heilige kerstfeest, het feest van de geboorte van het Kind, nog zo in overgave en in werkelijkheid beleven, als het nu in onze tijd buiten hen nog aan vrijwel niemand mogelijk is.
.

(C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, geen verdere gegevens)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

381-359

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-1)

.

HET KERSTFEEST, SYMBOOL VAN HET LEVEN

De zomer is arm aan feestdagen, terwijl de winter er rijk mee gezegend is. De primitieve volken leefden in het algemeen van landbouw en zij hadden het te druk met maaien en oogsten om aan feestvieren te denken. ’s Winters echter ais vele arbeid rustte, haalden zij hun schade in: zij vierden het Midwinterfeest.
De vraag rijst wat onze feestdagen, die veelal een christe­lijk karakter dragen, te maken hebben met die heiden­se gedenkdagen. Het antwoord hierop is: de christe­nen verboden bij het brengen van hun evangelie, niet direct alle heidense gebruiken en gewoonten. Zij gaven aan die feesten alleen een christelijke betekenis.
Zo werd het grote Midwinterfeest gesymboliseerd tot het grootste van de christenheid: de geboorte van Gods zoon in Bethlehemsstal.

Door de kerstening van die oude feesten, vinden we nog in onze tijd overblijfselen van heidense gebruiken in de tegenwoordige feesten terug.

Herinneringen aan het verleden
Vele oude gewoonten leven ook thans nog op het platteland voort.
In de meeste steden, waar de techniek hoogtij viert, verdween al spoedig het geloof aan heksen en wonde­ren, aan geheimzinnige gebeurtenissen en aan oude legenden. Wanneer we dan toch nog hier en daar een oud gebruik tegenkomen, is dat een herinnering aan het verleden.

Het kerstfeest was ook vroeger al een feest met een eigenaardig huiselijk karakter. Wafels en pannenkoeken vormen ongetwijfeld het oudste gebak, dat door onze voorvaderen op feestdagen als Kerstmis werd geprefereerd.
’s Avonds voor de grote feestdag houdt men zich bezig met „koeken bakken” en „wafelgebak”. In de middeleeuwen waren reeds wafels en varkens­vlees bij de kerstviering vooral in Vlaanderen, onaf­scheidelijk, wat op menig Vlaamse miniatuur verdui­delijkt wordt. De wafel heeft zich als huiselijk gebak alleen voor Kerstmis en Nieuwjaar gehandhaafd. In de provincie Groningen (niet alleen in de stad) worden ronde Nieuwjaarswafels of z.g. „Piepertjes” aan de gelukwenser gegeven, meestal kinderen, die een kussensloop bij zich hebben om al de verzamelde lekkernijen in te bergen.

Het zou te veel plaatsruimte vragen om tot in de finessses na te gaan waarvan die gebruiken afkomstig zijn. We volstaan met te vertellen dat ze van Germaanse oorsprong zijn. De Germanen slachtten omstreeks het einde van het jaar dieren en offerden deze. Later werden diervormen van brood gemaakt en deze werden bij een gemeenschappelijke offermaaltijd ge­nuttigd. Doch los van alle offermaaltijden heeft zich het gebruik om op christelijke feestdagen dergelijke koeken te bakken en te eten, in het geloof aan wonder­dadige kracht gehandhaafd.

Heidense gebruiken, die volgens de christelijke ziens­wijze onschadelijk waren, heeft men laten voortbe­staan. Zo bakte men tot in het midden van de 19e eeuw op Allerzielen in Vlaanderen en Zuid-Limburg steeds zogenaamde „zieltjeskoeken”. In de buurt van Oudenaarde moet nog het gebruik in zwang zijn op Kerstmis de eerste pannenkoek te verbranden. Geloof en bijgeloof hebben steeds een grote rol ge­speeld bij de gebruiken op bepaalde feestdagen en niet in het minst op Kerstmis en Nieuwjaar. Er zijn in Vlaanderen verschillende bedevaartsplaatsen, waar men brood laat wijden om het als voorbehoedsmiddel tegen ziekte aan te wenden. In onze zuidelijke provincies geschiedt dit nog elk jaar op 3 november, Sint-Hubertusdag. Daar wijdt men broden die door mens en dier genuttigd worden om stuipen tegen te gaan; de honden worden daardoor tegen hondsdolheid behoed.

Een zeer bijzonder kerstbroodje is dat van Geleen. Op Kerstdag werpt de koster dat uit de toren en de jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel vecht er jaarlijks om. Wie de meeste broodjes machtig wordt, is de broodjeskoning. De koster mag in eik huis een brood halen, het zogenaamde korsbrood dat onder de behoeftigen wordt uitgedeeld.

In de duivekater of deuvekater bezitten we in ons land het merkwaardigste offerbrood. De duivekater gaat op de oudste vorm van het offer terug, tot de eerste tijd van de akkerbouw. Toen riepen de mensen de vruchtbaarheidsdemon aan en deze dacht men steeds als een haas, bok, zwijn of kat. Bij ons schijnt de kater het meest als Vruchtbaarheids­geest vereerd te zijn, aan wie men – na het bloedige offer – tenslotte het broodoffer bracht. zie Sinterklaas 23

Vuren in de kerstnacht
Bij het kerstvuur ontbrak vroeger nooit het kerstblok. Zo’n blok dat soms zeven dagen brandde, werd weken van te voren uitgezocht en klaar gelegd. Als de jongens in de omgeving van Hasselt (O.) het kerstblok binnen brachten zongen ze:

„Kerstavondje, Kerstavondje
Dan kookt mijn moeder rijstebrij
Mijn vader is naar Hasselt toe
En haalt er pekelhering bij.”

In Friesland was het „achteraanblok” bekend; dit blok diende als achterwand van het grote hout- of turfvuur en het werd vaak jaren achtereen gebruikt. Dit ge­beurde ook in andere delen van het land. Wat de bete­kenis van dit houtvuur betreft, verdient het wel de aandacht, dat juist in de geheimzinnigste periode der twaalf nachten (van Kerstmis tot Driekoningen) en met het later gekerstende Joelfeest dit vuur werd gestookt. Mythologen hebben verklaard, dat het sto­ken van vuren in die tijd terug te brengen is op het geloof der heidenen, dat de zon op het kritieke mo­ment, als haar kracht het zwakst is, kan worden ge­holpen door de magische handeling van vuren branden op aarde. Later dacht men dat deze aardse vuren de boze geesten konden verdrijven.

Dat eerste, de zon willen helpen, vinden we ook terug in het houden van „ommetochten”, die vroeger heel veel en nu nog een enkele maal in de midwintertijd op het platteland worden gehouden.

Vaak speelt het paard daarbij een rol. De Sint-Stephanus- of Steffensritten op de 2e Kerstdag (in Groningen en de Achterhoek) zijn nog het meest bekend. Men beschrijft met zo’n tocht een kring rond een dorp, of een groep dorpen, gelijk aan de kring die de zon be­schrijft. Paarden waren heilige dieren en werden ge­bruikt voor het brengen van offers en ook in het ver­haal van de zonnewagen komen zij voor. Door de ver­meende zonbeweging na te bootsen trachtte men de zon te helpen.

In de kerstnacht werd men ingelicht over de gebeur­tenissen, die in het nieuwe jaar zouden plaatsvinden. Voor het naar bed gaan legde menige Friese boer twaalf vers gesneden uienschijfjes op een rij naast elkaar en op ieder een klein hoopje zout. Zij stelden de twaalf maanden voor. De volgende morgen kon men zien, welke maand van het a.s. jaar droog of nat weer zouden zijn. Iets van die zegenbrengende kracht schijnt ook de kerst- of midwinterhoorn te bezitten, waarop de Twentse boer van de eerste adventszondag (vier weken vóór kerstfeest) af tot Driekoningen boven de waterput blaast. Een boer uit Weerselo zei mij eens: „ik blaas op mijn hoorn om de kracht, die nodig is voor leven en sterven”.

De boom des levens
We kunnen ons thans het kerstfeest niet meer voor­stellen zonder dat eenvoudige symbool: de kerstboom, en toch is het nog geen eeuw* geleden, dat in Neder­land de kerstbomen geheel onbekend waren. Dat een dergelijk symbool heden ten dage eigenlijk door heel Europa zo dankbaar wordt aanvaard, is een van de treffendste bewijzen van de universaliteit van dit decemberfeest. Nooit is die universaliteit duidelijker gebleken dan in de laatste wereldoorlog, toen de vrede tussen de mensen van deze aarde verder verwijderd scheen dan ooit, doch de soldaten voor een enkel etmaal de vijandelijkheden staakten, voor zover dat mogelijk was, om ook in de loopgraven nog iets van een kerststemming te beleven.

Vrij algemeen is onder het volk de mening verbreid, dat de gewoonte om met Kerstmis een kerstboom te versieren, stamt van een heidens gebruik om bomen te vereren. Deze mening is ongegrond en historisch onaanvaardbaar.

Deskundigen beschouwen de kerstboom als een stammeling van de middeleeuwse „boom des leven”, die de toenmalige kerkbezoekers in portaal of voor­plein der kerk, aantroffen. Deze „boom des levens” werd nagebootst in het woonhuis, maar dan aanvan­kelijk niet als kerstboom; eerst de later eraan ge­hechte symboliek van christusboom deed hem regel­matig met Kerstmis terugkeren, waardoor hij „kerst”-boom werd en tevens zijn versiering met sterretjes, klokjes en blinkende snuisterijen kreeg. Om meer dan één reden laat zich vermoeden, waarom juist de den werd uitverkoren als de feestboom. In het koude, sombere jaargetij, waarin alle leven uit de natuur gebannen schijnt, staat de den als de eeuwig groene, altijd levende boom. Hierom hechtte men aan de den al gauw een symbolische waarde. Symbool van het leven en na de kerstening teken van het nieuwe leven.

Om praktische redenen heeft de den het gewonnen van de ook wel altijd groenende maar spichtige en stekelige hulststruik, die later wel fragmentarisch als mistletoe en als kersttafelversiering werd aangewend. Reeds de oude Germanen zagen blijkbaar in de den een bijzonderheid.
De runentekens en de ornamenten op urnen uit die tijd vertonen vaak de dennentakfiguur. De denneboom zal de geliefde boom voor Kerstmis blijven, nu de traditie en de christelijke symboliek hem hebben aanvaard als de kerstboom bij uitstek.

(J. H. Kruizinga, Vacature, *08-12-1977)

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

.

379-357

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (7)

.

OS EN EZEL

Het kind in de kribbe en daarnaast Maria en Jozef en twee dieren. Twee domme dieren! – os en ezel. Een merkwaardig beeld: het hoogste mensenwezen, omge­ven door dieren, die bepaald niet bijdra­gen aan de verhevenheid van het geheel. Doen ze een beroep op ons sentiment? Daarvoor zijn de beelden te oud. Al heel vroeg worden ze bij de kribbe geschilderd. Is het de armoe van de stal die ermee wordt geaccentueerd? Russische legenden laten Maria, de gods­moeder, de dieren zegenen vanwege hun zware arbeidsleven. Komen we er zo iets dichter bij?
De ezel en de os waren in elk geval voor de boer onmisbare werkkrach­ten. Ze moesten het zware werk doen: lasten dragen, de ploeg trekken. Slechts voor latere geslachten, die paarden en machines kenden, was het ezeltje aan­doenlijk, de os dom. In oudere tijden waren zij voor de boer goedkope werk­krachten, niet al te gewillig, maar bruik­baar.

Ieder weet nog hoe Franciscus van Assisi (1182-1226) zijn lichaam betitelde als zijn broeder ezel, die weinig eten en veel slaag moest hebben. Franciscus had een grote liefde voor het kerstfeest en in 1224, toen hij tweeënveertig jaar oud was, liet hij een kribbe maken voor de Kerstmis met een levende os en ezel er­naast. Hij wilde alles ‘met lichamelijke ogen zo duidelijk mogelijk voor zich zien’.

Franciscus verachtte broeder ezel niet. De dieren waren voor hem schepselen die hij met liefde tegemoet trad. Wat een merk­aardige verhouding tot het lichaam: liefde ervoor te hebben en het tegelijkertijd weinig eten en veel slaag geven! Komt broeder ezel daardoor niet tot de hoogste prestaties? Hij voelt het als je van hem houdt, maar als je hem in de watten legt, wordt hij lui!

Het lichaam is er niet om ervan te genie­ten, maar om het te gebruiken — zoals de boer zijn ezel gebruikt. Het is een goed instrument, onder de schepselen het hoogste. Wat primitieve kunst vanaf de vierde eeuw in de aanwezigheid van de ezel uitdrukt, kan met moderne middelen worden begrepen.
Het lichaam van de mens is het hoogst ontwikkelde natuurlijke organisme. Alle organen ervan zijn bij de dieren ook te vinden.
De menselijke handen bijvoor­beeld, maar die zijn dan grijp- of klimorganen, vleugels of vinnen of voorpoten, instrumenten om de aarde te betreden of om te woelen. De menselijke handen zijn voor geen van deze taken volledig bere­kend, maar ze zijn het eigenlijke schep­pende orgaan van de mens. Met de han­den worden we ‘makers’; de Grieken noemden dat ‘potiètès’, poëet, dichter. Verdichten kan de mens ideeën door zijn lichamelijke orgaan. Zo is ons hele lichaam instrument voor de geest. Zou men er dan geen eerbied voor hebben? Maar dan toch een ezel? Ja, want het is eigenzinnig, wil om zich zelf verzorgd worden. Elk ogenblik dat het lichaam geen lastdier meer is voor de geest, gaat het doel op zich zelf worden. Daarom is de ezel een voortdurend ideaal-beeld: ‘Broeder ezel’.

De os is in de beeldende kunst even oud als de ezel, en komt steeds samen met hem voor bij de kribbe. Eveneens een merkwaardig beest — eigenlijk een stier. De stier is de uitdrukking van vruchtbaar­heid, van uitbundige levenskracht, maar ook agressief. De os is de tot rust geko­men stier, van zijn voortplantingskrachten beroofd. De voortplantingskracht heeft zich omgezet in werkkracht.
Mensen hebben deze kracht ook in zich. Het lichaam wordt tot leven gewekt, het plant zich voort, het geneest van ziekten – dit is allemaal stierkracht.
Deze scheppen­de kracht is bij de stier in dienst van het lichaam gesteld. Ook daarvoor heeft de mens organen. Ze behoren tot die, die het meeste gelijken op de overeenkomstige organen bij de hogere dieren. Maar een oude sterrenwijsheid deelde deze organen niet in bij het sterrenbeeld van de Stier. Men zag het hele lichaam als uitwerking van de krachten van de Dierenriem. Daarbij kwam het strottenhoofd bij de Stier: het orgaan waarmee wij het woord voe­ren.

Eens was het woord Schepperwoord. Maar het Woord heeft nooit iets stoffe­lijks geschapen – het Woord schept levens­vormen, voor ons uiterlijk oog onzicht­baar. De levensvormen, tesamen het zoge­naamde ether- of levenslichaam vormend, zijn bewegelijk, zoals ideeën bewegelijk zijn, zoals het woord er ‘is’ en dan weer voorbij is. Maar misschien heeft het zich ergens afgedrukt in de ziel en werkt daar verder. Zo werkt ons levenslichaam vor­mend, maar is zelf in eeuwige beweging en metamorfose.

De Stierkrachten kunnen bij de mens af­zakken. Ze kunnen uitsluitend in dienst worden gesteld van het nuttige, het prak­tische. Dan zijn ze een os geworden, dom­me krachten. Het grootse geweld is weg, het is domme trekkracht geworden. De os bij de kribbe? Is het ons vreemd? Als het woord dienstbaar wordt, zijn
ma­gische kracht opgeeft om te dienen tot onderling verstaan, als het woord ook stil en luisterend wordt, is het dan niet als de os, die met zijn adem warmte geeft aan het kind? Het grootse, machtige is weg, het kan gewoon, burgerlijk worden, maar het kan ook dienend warmte geven. Warmte geven de dieren door hun adem aan het kind in de kribbe. Wat de mens door erfelijkheid krijgt: zijn fysiek- en levenslichaam, zij vormen de warme dienstbaarheid voor wat van boven komt. Middeleeuwse beelden uit de tijd van de vierde tot de dertiende eeuw, maar ver­taald in onze tijd toch reëel beleefbaar.

(J.Knijpenga, Jonas 08-12-1971)

DE OS EN DE EZEL

In deze dagen voor Kerstmis verschijnen in en nabij ker­ken fraaie kerststallen. Franciscus van Assisi kreeg van paus Honorius III in 1223 toe­stemming om de geboorte van Jezus via kerststallen uit te beelden. Deze dierenvriend bouwde zijn eerste stal in een bos bij het Italiaanse Greccio. Bijzonder was de kerststal thuis. Voor de inrichting van de stal gingen we naar het bos om mos te halen. Daar
ver­dween deze illegaal verworven buit in de bruine fietstas. Een­maal thuis haalden we de kerststal van zolder en het feest kon beginnen. De stal werd op de drie koningen na ingericht. De engel kreeg een plek boven in de nok. Onder de gipsen beeldjes van schapen, honden en herders waren de namen van ons negen tellende gezin geschreven. Omdat de drie koningen met hun kameel pas op zes januari aan konden komen, maakten zij eerst een reis door ons huis. Dat wilde zeggen dat de konin­gen Melchior, Balthasar en de zwarte Kaspar nog even geduld moesten hebben. Ondertussen liepen ze trappen op, slaapka­mers in en via de zolder weer naar beneden. Na hun reis door het huis kwamen zij ver­moeid op zes januari bij de stal aan.
Een bijzondere positie in de kerststal namen de Os en de Ezel in. Een romantische ge­dachte, het kindje Jezus rillend van de kou in de kribbe op het
stro. Jezus wordt warm gehou­den door de adem van de os en de ezel. Het is een beetje te­leurstellend dat in geen van de Evangeliën überhaupt over de os en de ezel bij de kribbe wordt geschreven. Voor de oudste afbeelding van de os en de ezel in relatie tot Kerstmis gaan we terug naar het jaar 343. Op een marmeren sarco­faag staan een os en een ezel met het kindje Jezus afgebeeld.
In Spanje en Italië mag in een kerststal een ‘Caganer’ niet ontbreken. Het is een poepend mannetje dat in de achttiende eeuw door de Napolitanen in de kerststal werd geïntrodu­ceerd. Hij staat door de be­vruchting van de grond sym­bool als geluksbrenger.
.

(Hans van Eeden in een dagblad, nadere gegevens onbekend)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

378-356

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (6-1)

.

DE DAG VOOR KERSTMIS

Het is koud als we buiten komen. We gaan op weg naar het bos om te zien wat we nog kunnen vinden aan padde­nstoelen en zwammen. Het is al zo laat in het jaar. We lopen onder de kale bo­men en merken hoe licht het bos is. Ij­verig speuren we tussen de natte brui­ne bladeren. We vinden er meer dan we dachten. De kinderen zien ze vaak eerder dan ik, paddenstoelen met een forse hoed, maar ook zo klein als een speldenknop. Op een bemoste stronk zelfs een hele zwerm stuifzwammen. In een blikje verzamelen we omgeval­len paddenstoelen, losgeraakte stukjes mos en een eikenblad met galappels. Ik ben iedere keer weer verrast met hoe­veel plezier de kinderen zo’n opdracht uitvoeren. Ze willen weten, ze willen de aarde leren kennen, en het is heer­lijk om door hun ogen de aarde steeds weer nieuw te zien.

Er stonden twee bomen in het para­dijs: de boom des levens en de boom der kennis. De eerste mensen aten van de verboden vrucht en hun ogen wer­den geopend, voor de aarde en voor hun eigen lichaam. Zij werden zich be­wust van goed en kwaad en met dat bewustzijn haalden zij de dood binnen. Het menselijk bestaan werd ein­dig. Maar niet alleen het einde, ook het begin kreeg duidelijk gestalte. Na­dat Adam en Eva verdreven waren uit het Paradijs, werden hen twee kinde­ren geboren, Kain en Abel, en later nog een derde zoon Seth. Toen de mens een sterfelijk wezen werd en het leven op aarde begrensd en gebannen tussen geboorte en dood – toen kreeg de vrouw haar naam: Eva, moeder van alle levenden.

In vroeger eeuwen werden Adam en Eva meestal afgebeeld, staande zoals God hen gemaakt had, naast de boom, ‘die in het midden staat’, elk aan een kant. De slang die Eva verleidde, slin­gert zich om de stam van de boom. Hoewel zij geen christelijke heiligen zijn in de eigenlijke zin van het woord, zijn zij toch opgenomen in de oude kerkelijke kalender en wel op een heel bijzondere dag: 24 december, de dag voor Kerstmis, is aan hen gewijd. Zo wordt een grote boog gespannen, een regenboog van belofte en hoop, over de hele mensheid vanaf de eerste schepping tot aan het begin van een nieuwe tijd.

Tot Adam wordt gezegd: ‘In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten’. De aarde wordt om zijnentwil ver­vloekt en zal alleen verlost kunnen worden door het werk van zijn han­den, door zijn liefde en belangstelling voor de grond die hem draagt. Vele van de geheimen van de aarde zijn ons zo bekend en vertrouwd, dat we de verwondering daarover verloren heb­ben. Maar het is niet vanzelfsprekend dat uit het zaad dat in de omgeploeg­de akker wordt uitgestrooid, straks goudgele korenaren opgroeien. En het is elke keer een wonder dat de onoog­lijke bloemen van de druivenranken vrucht zetten, zodat in de herfst de zware trossen geoogst kunnen worden. Het eten van de verboden vrucht is van verleiding tot opdracht geworden.

Met Eva is het anders gesteld. Tot haar werd gezegd: ‘Met smart zult gij voort­aan kinderen baren’. In het Paradijs had zij onbewust gegeten van de vruchten van de levensboom, de mo­gelijkheid om leven verder te dragen heeft zij behouden, toen de engel met het vlammende zwaard de weg terug afsloot. Iets van het Paradijs is in haar bewaard gebleven, maar ook op haar rust de vloek van de zondeval: leven schenken, ruimte maken voor nieuw leven, voor nieuwe vormen is een smartelijke ervaring geworden, een proces van bewustwording. Zo zou je Adam en Eva kunnen zien als de twee polen waartussen de mens zich voort­durend beweegt. De lange weg van lij­den, ervaringen en schuld maakt de mens pas werkelijk tot mens. Wat ons dan uiteindelijk de mogelijk­heid geeft om door te gaan en steeds weer opnieuw te beginnen – dat wordt uitgedrukt door de wijze waarop de Russische kerk Pasen beleeft. Niet het opengebroken graf zien we op de ikonen, een beeld dat we hier in het wes­ten zo goed kennen. We vinden de af­beelding van Stille Zaterdag, de zoge­naamde ‘Nederdaling ter Helle’. In het Grieks worden deze schilderingen aangeduid met ‘anastasis’, dat wil zeggen ‘opstanding’. Het is voor de Russische mens dé uitbeelding van Pasen. In een wervelende beweging verschijnt de lichtend witte gestalte van Christus voor de gestorvenen, de gebroken poorten van de hel onder zijn voeten tredend. Hij draagt het kruis in de ene hand en met de andere grijpt Hij Adam vast, niet bij de hand maar bij de pols, waar het leven klopt, en Hij laat hem opstaan. Eva ligt geknield aan de andere kant tot ook zij mag op­staan en verdergaan.

Op de avond voor de nacht waarin de Verlosser van de wereld wordt gebo­ren, worden we in gedachten terugge­voerd naar de geestelijke oorsprong van ons aardse bestaan: een stukje pa­radijselijke vrede daalt neer, niet van­zelfsprekend voor ieder voelbaar en herkenbaar, – alleen als wij het werke­lijk van harte willen.

kerst nederdaling ter helle
nadere gegevens onbekend

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

377-355

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten Kerstmis (5)

.

HET FEEST VAN DE GEBOORTE

Er is in de laatste jaren*, binnen kerke­lijke kringen, wel eens overwogen het kerstfeest in tweeën te splitsen. Men wil dit doen uit verontrusting over de verregaande veruiterlijking, waarin het de laatste tijd is geraakt. Van de vie­ring op 25 en 26 december – zo zegt men – is toch niets meer te redden. Laat het dan maar blijven voortbe­staan waarin het langzamerhand is ontaard: het feest van de Horeca, van de relatiegeschenken – voor f. 150 miljoen per jaar – van de kerstkaarten – voor meer dan f. 60 miljoen per jaar – van de ‘happenings’ met popmuziek in de kerken. In plaats daarvan wil men het feest verschuiven van 25 – 26 de­cember naar Driekoningen op 6 janua­ri. ‘Laat dit voortaan het feest zijn van het Licht, in plaats van het feest van de lichtreclame’. Zo kan het, als feest van de Geboorte, worden beschermd tegen alle veruiterlijking. Met deze ver­plaatsing kan dan op 25 december weer zoiets als het oude Saturnaliafeest van de Romeinen worden ge­vierd, waarop de viering van Kerstmis tegenwoordig is gaan lijken.

Historisch gezien, is dit niet eens zo’n ingrijpende verandering. In de eerste twee en een halve eeuw na Christus werd Kerstmis niet gevierd op 25 december, maar op 6 januari, Epifanie, waarop niet de geboorte van Jezus werd gevierd maar de ‘Verschijning’ van Christus bij de Johannesdoop in de Jordaan. (Het Griekse woord Epifa­nie betekent verschijning.) Tevens is dit het feest van de Drie Koningen. Natuurlijk zullen er voor zo’n ver­schuiving over de drempel heen van de jaarwisseling, veel weerstanden moe­ten worden overwonnen. Niet alleen weerstanden op commercieel gebied maar ook op kerkelijk gebied. Het kerstfeest zal dan niet zozeer het feest van de Geboorte van het Jezuskind in de stal, of in de grot van Bethlehem zijn, maar van het verschijnen van het Christuswezen, als een geboorte. Min­der naar het verleden gericht en meer naar de toekomst gericht. Men kan daarbij denken aan de laatste woorden uit het Mattheüsevangelie: ‘En zie, Ik­zelf ben met u al de dagen, tot de vol­einding der wereld’. Natuurlijk zou dat een verlies zijn.

Voor veel mensen zijn juist de herin­neringen aan Kerstmis zoals jaar in jaar uit, in de familiekring werd gevierd, een kracht gebleven waaruit zij nog verder kunnen leven. Toch is vooral voor een moderne gene­ratie, een kerstviering tegenwoordig niet veel meer dan een ‘idylle’ bij het stalletje en de kerstboom, geheel ver­vreemd van de wereld waarin zij leeft, en waartegen eventueel zo hard moge­lijk geschopt moet worden. Maar of een verplaatsing naar een an­dere dag daarin enige verandering zal brengen?

Bovendien, de viering van het kerst­feest is niet een aangelegenheid van één of twee feestdagen. Het is het feest van de Geboorte, in de vier adventsweken voorbereid, zich voortzet­tend in de ‘twaalf heilige nachten’ – tussen 24 december en 6 januari – en uitlopend in het Epifaniefeest.

Waar het op aankomt is het beleven van deze continuïteit.

Dat is belang­rijker dan het kerstfeest ‘veilig te stel­len’ door het naar een andere dag te verplaatsen.
Kerstmis en Driekoningen vullen elkaar aan. Het feest waarop wij de aan­bidding van de herders gedenken en het feest waarop wij de verering van de koningen gedenken. De herders, die aan het Kind enkele gaven van de aarde offeren. De konin­gen die, geleid door sterrenwijsheid, vanuit het Oosten de weg naar het Je­zuskind in Bethlehem hebben gevon­den, en daar hun geheimzinnige offers, goud, wierook en mirre, schenken. Dat zijn de twee aspecten van het Ge­boortefeest die niet los van elkaar kunnen worden gezien, evenals het Lucasevangelie, waarin de komst van de herders wordt beschreven, niet kan worden losgemaakt van het
Mattheüs­evangelie, waarin de komst van de ko­ningen wordt beschreven. Herders en koningen staan niet op zichzelf. In de geschiedenis van Euro­pa hebben zij de sporen van tweeërlei ontwikkeling getrokken: de weg van de liefde en de weg van de wijsheid.
In de schilderkunst herkent men deze sporen: in de innige vroomheid en verstilde aandacht waarmee bijvoorbeeld een Vlaamse schilder zoals Hugo van der Goes het geboorteverhaal uit het Lucasevangelie heeft uitgebeeld, naast de feestelijke rijkdom van het wonder van knielende koningen, waarmee schilders zoals Gentile da Fabriano en Benozzo Gozzoli in Florence het ver­haal uit Mattheüs hebben afgebeeld. In de voorstelling die iets later Leonardo da Vinci hiervan geeft, krijgt de uitbeelding een haast apocalyptisch karakter. De Wijzen uit het Oosten brengen hun offers, maar in de donke­re schaduwen waaruit zij naar voren komen, speelt zich de tragiek af van al diegenen die de aanblik van het Kind, van ‘het Licht dat schijnt in de duis­ternis’, nauwelijks kunnen verdragen. ‘De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, verandert uw gezindheid’.

Door dit schilderij van Leonardo ruist het woord van Johannes de Doper als stormwind, oproepend, ergens in een ver perspectief, visioenen van
ruï­nes, stijgerende paarden en strijdge­woel. Temidden daarvan het – kind, spelend met de geschenken der oude wijze koningen. Het beeld van de herders is innig en koesterend, maar in het beeld van de koningen wordt iets weerspiegeld van de impulsen die de loop van de ge­schiedenis beheersen…

Het Droomlied van Olaf Asteson
Daarmee is ook de overgang naar het Epifaniefeest aangeduid: de doop in de Jordaan met het ‘incarnatus est’ van de Christus op aarde.
‘Het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen, veran­dert uw gezindheid’.

Hemelse wijsheid op aarde neergedaald om in mensenzielen te ontkiemen. Tegenover deze Verschijning, naar de toekomst gericht, wijkt iedere idylle, van een viering van het geboortefeest in de vertrouwde familiesfeer. Op dit contrast wijst een ander groot kunstwerk: het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Enkele jaren geleden – 1975 – heeft in een kerstaflevering van Jonas hiervan een vertaling gestaan. Ik verwijs hierbij naar deze tekst. [niet op deze blog]

Dit lied werd in 1850 ontdekt door een predikant in Telemarken in een eenzaam dal in de bergen van Noorwe­gen. De naam Olaf Asteson is sterk met het verleden verbonden. Olaf be­tekent erfgenaam. Hij die van zijn voorouders geestelijk leven geërfd heeft. Aste is liefde, die zich door de bloedsbanden voortplant. Van genera­tie tot generatie.

Oeroud verleden. Duisternis in mid­wintertijd. Ruisend water. Sparren, sneeuwbergen.

Daaruit maakt zich het droomland van Olaf Asteson los. Hij is ingeslapen bij de kerkdeur op 24 december. Hij ont­waakt na de twaalfde dag. Hetgeen hij heeft beleefd, staat helder voor zijn geest: Wat de gestorvenen beleven, wanneer zij door de poort van de dood zijn gegaan. Het ontwaken na de dood. Maar Olaf Asteson is niet dood. Hij wordt wakker op aarde. Een initia­tie. Het woord komt van het latijnse ‘initium’ dat begin betekent. Dat heeft niets meer te maken met de geboorte­stroom vanuit de bloedsbanden, maar met het begin van een geestelijk ont­waken.

Drie beelden
Over wat hij heeft beleefd, geeft hij wéér in drie beelden, in drie episoden van zijn tocht door het hiernamaals.

Het eerste beeld speelt zich af, hoog in de wolken en in de diepte van de zee:
Ik ben geweest als de wolken zo hoog en dieper nog dan de zee… wie volgen wil het spoor van mijn voet vergaat er het lachen alree.

Dan komt hij voor de Gjallarbrug:
Die hangt daar heel hoog in de wind. Drie wachters bewaken de toegang: Een kwade slang en een bijtende hond in het midden een dreigende stier. Daarna komt de beproeving in de we­reld van de elementen; de duizeling­wekkende hoogte boven de afgrond, de diepte van het moeras, waar de grond onder je voeten wegzakt.

Het tweede beeld beschrijft ‘Broksvalin’, het land waar de zielen staan voor het wereldgericht. Waar iedere daad. die men vroeger gedaan heeft weer op je terugslaat. Een jonge man die een kind heeft vermoord moet dit in alle eeuwigheid op zijn armen dragen. De gierigaard moet rondwaren in een mantel van lood omdat hij in tijden van duurte enghartig was voor wie iets vroeg. Zijn loden ziel, zwaar van hebzucht, is hem nu tot een mantel geworden.

Ten slotte het derde beeld. Wie op aar­de ‘aan de armen schoenen heeft ge­geven, behoeft op de boze doornige heide geen doornen te vrezen’. ‘Wie brood heeft uitgedeeld, hem doet de hond op de Gjallarbrug geen kwaad. Wie koren heeft uitgedeeld, hij be­hoeft de hoorn van de stier niet te vre­zen. Wie armen kleren heeft gegeven, Hij hoeft niet te vrezen het rijk van de geest als het blauwende ijsveld wenkt.’

Apokalypse

Het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Het lied van slapen en waken. Van slapen op aarde, van het ontwaken in de geestelijke wereld. Het is het lied van de twaalf heilige nachten tussen Kerstmis en Driekonin­gen, tussen Kerstmis en Epifanie. Een ander beeld dan dat van de idylle bij de kerstboom. Biedt deze tijd mis­schien een surrogaatbeeld daartegen­over? Men kan hierbij denken aan de film ‘Apocalypse now’, waarin de jeugd het vagevuur van een oorlog in het Verre Oosten, of.. .de hel van een andere oorlog die ons in de toekomst bedreigt, kan ondergaan. Dat alles, na de televisiebeelden van de Holocaust, zes maanden geleden, met de ver­schrikkingen van het tot het verleden behorende Derde Rijk van Hitler.

Apocalypse betekent letterlijk ‘onthul­ling’. Holocaust betekent brandoffer. Twee woorden die, losgemaakt van hun bijbelse achtergrond als namen van filmprojecten, die vele miljoenen dollars hebben gekost, vanuit Amerika over de wereld worden verspreid. Heb­ben zij misschien toch iets te maken met een ontwaken in een ‘apocalyp­tisch’ tijdperk, zoals de komende 21 jaar wel eens worden genoemd?
Met het overschrijden van een drempel tus­sen de 20e en de 21e eeuw? Of, het moge nog eens worden herhaald, met de woorden van Johannes de Doper: ‘Verandert uw gezindheid’?

Wie zich niet afsluit in het eigen gezin, binnen de eigen wereldbeschouwing, binnen de eigen politieke partij, bin­nen de eigen vakorganisatie, is zich van dit alles wel wat bewust. Bewust ook van de anonieme machten waar­achter de mens verborgen is geraakt. Bewust van de vele sluiers waarmee tegenwoordig menselijke verhoudin­gen worden toegedekt: de sluiers van een ‘vrije marktorde’, de sluiers van ‘het geld’.

Wat zou er niet allemaal ‘onthuld’ kunnen worden, om van achter al die sluiers de mens weer tot verschijning te brengen…?

Daarover zal in het komende jaar in Jonas nog veel kunnen worden ge­schreven, opdat zichtbaar wordt, niet alleen de mens maar vooral ook zijn onderlinge verbondenheid en weder­zijdse afhankelijkheid in de mensheid.

‘Wir sind auf einer Mission. Zur Bildung der Erde sind wir berufen.’

Woorden van Novalis, die twee eeu­wen geleden zijn geschreven en mis­schien pas over twee eeuwen ten volle zullen worden begrepen.

‘Bildung der Erde.’ Gestalte geven aan de leefbaarheid op aarde. Dat zag No­valis als een christelijke opgave. Daarin lag voor hem de betekenis van het Geboortefeest en de zin van de komst van Christus op aarde.

(Arnold Henny, Jonas 8/9, *14-12-1979)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

375-354

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (4)

.

KERSTMIS

Een nachtgebeuren vol tegenstellingen

De kersttijd is, ondanks het ideaal van rust en vrede, bij uitstek een tijd van haast en prikkelbaarheid. Het is niet de enige tegenstelling waar­mee Kerstmis ons confronteert. ‘Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’.

Zoals een geboorte niet mogelijk is zonder voorafgaande conceptie en zwangerschap, zo is Kerstmis – bij uitstek het ‘geboortefeest’  -niet denkbaar zonder de voorafgaande ‘ver-wachtings-tijd’ van advent. En zoals op een geboorte de doop kan vol­gen of op zijn minst de naamgeving als een bevestiging van de incarnatie, zo volgt – van­uit dezelfde harmonische wetmatigheid – aansluitend aan de kersttijd het feest van de epifanie (verschijning van boven) ook wel driekoningentijd genoemd. Op de zesde ja­nuari, wanneer dit feestgetijde begint, wordt de doop van Jezus in de Jordaan herdacht, waar hij in zekere zin zijn eigenlijke naam en wezen ontvangt, namelijk Christus. Aan het begin van het christelijke jaar, (daar­over schreef ik in Jonas van 1 april 1983 uit­voeriger in het artikel ‘Wanneer is het jaar ja­rig?’) staat dus een drieheid van feesten, die innerlijk zodanig met elkaar samenhangen, dat we zelfs van een drieëenheid kunnen spreken. Dat deze wat overmoedige woord­keuze wellicht toch gerechtvaardigd is, blijkt hopelijk uit het navolgende.

Avond

De schepping van de wereld, zoals deze in het eerste boek van Mozes (Genesis) is be­schreven, wordt voltrokken gedurende zes, respectievelijk zeven dagen. Hoewel we ons uiteraard van een dergelijke dag niet de voor­stelling van een etmaal van 24 uur moeten maken, heeft deze tijdspanne kennelijk toch het karakter van een dag: ‘En het was avond geweest, en ochtend geweest: een wereld­dag’.

Hoe groot en lang een dergelijke goddelijke werelddag ook is, zij gaat – zoals iedere dag – ten einde en wordt door een andere gevolgd. De avondschemering, het einde van een wereldomvattende tijdspanne zien wij bij­voorbeeld in verschillende voorchristelijke culturen, waar het licht van de godenwereld voor de mensen verduisterd werd. Of het nu in Egypte de ‘versluierde Isis ‘werd genoemd of in Griekenland ‘de grote Pan is dood’ of dat in de Germaanse mythologie sprake is van de ‘godenscheme­ring’, overal klinkt eenzelfde stemming van ondergang van het licht, van avondscheme­ring, van zonsondergang. Maar tegelijkertijd groeit in al deze culturen de verwachting van de komst van het godde­lijke licht op aarde. Om die reden spreekt men wel van ‘adventsculturen’. Over advent heerst de stemming van het ein­de van de dag, avondschemering. In dit ver­band is het tekenend dat bij de adventscultuur bij uitstek, het jodendom, de tempel zodanig is gebouwd, dat het allerheiligste in het westen is gelegen. Het religieuze leven is naar het westen, naar de zonsondergang ge­keerd.
Het is ook opvallend, hoe niet zozeer de zon, maar  juist de maan zo’n grote rol speelt in de joodse godsdienst. De volle maan werd als symbool gezien zowel van de hogepriester als ook van het volledig vervuld zijn van heilza­me wijsheid. Nog belangrijker is de nieuwe maan (n.b. juist in het westen te zien, even nadat de zon is ondergegaan!) omdat bij de nieuwe-maanbijeenkomsten aan de profeten de gelegenheid werd gegeven tot het volk te spreken. Meerdere malen lezen wij bij de profeet Ezechiël: ‘En het gebeurde op de eerste der maand (letterlijk, dus maan­maand), dat het woord van de Heer tot mij geschiedde, zeggende…’ Kennelijk heeft het wezen en de verschijning van de God der joden, Jahve, te maken met dat hemellichaam, dat door zijn schijngestalten aan de avondhemel een wassen, een wor­ding, dus ook een verwachting uitspreekt. Met advent – zo kunnen we zeggen – is onze innerlijke blik naar het westen gericht; avondstemming, einde van de dag. De wassende maan spreekt (of sprak?) een profe­tische taal van verwachting, van wording.

Nacht

Zoals op de avond de nacht volgt, zo volgt Kerstmis op advent, want is het kerstfeest niet inderdaad bij uitstek een gebeuren van de nacht?

De koude en de duisternis in deze tijd (al­thans op het noordelijk halfrond) drukken uit dat we ons in de ‘nacht van het jaar’ bevin­den. Kerstmis is het enige christelijke feest dat te middernacht wordt gevierd, hetgeen ook in het Duitse woord Weihnachten tot uitdrukking komt. Het is in dit verband nau­welijks een toeval te noemen, dat midden in deze tijd van de ’13 heilige nachten’ onze jaarwisseling valt: ook weer een midder-nachtsgebeuren.

Kortom, zoals advent avondkarakter heeft, zo is Kerstmis een nachtgebeuren. Tevens kunnen we ieder jaar waarnemen, dat het een feesttijd vol tegenstellingen is. Tegenover de duisternis en de koude wordt – meer dan welke tijd ook – licht en warmte beleefd. Het is zeer de vraag of dat van het vele kaars­licht komt, of dat juist het ontsteken van kaarsen een uitdrukking, een gevolg is van dit innerlijk beleefde licht. Ook andere tegenstellingen nemen we waar: ondanks het ideaal van de rust en de vrede van Kerstmis, is er nauwelijks een tijd te be­denken waarin zo veel gehaast wordt, zo prikkelbaar en gespannen nog van alles gere­geld moet worden.

Tegenover de vele goede wensen over en weer, zowel mondeling als schriftelijk als blijkt dat we aan elkaar denken, staat het feit dat er juist met Kerstmis zoveel bittere een­zaamheid wordt geleden. Kerstmis lijkt een feest van tegenstellingen te zijn, het geboor­teuur van het Christendom, dat wel ‘de gods­dienst van de paradoxen’ wordt genoemd. Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’. ‘Wanneer de nood het hoogst is, is de redd­ing nabij’. Dit is eenvoudig uitgedrukt (en zo bekend dat het als gemeenplaats klinkt) wat in werkelijkheid een machtig en heilig gebeuren is: het innerlijke, goddelijke licht wordt veelal pas zichtbaar in een tijd van nood, van ontbering, van duisternis. Bij bepaalde inwijdingmethoden wordt een belangrijke graad van ontwikkeling geken­merkt door deze paradox, namelijk het bele­ven van het goddelijke licht in de grootste duisternis. Om die reden wordt deze mijlpaal op de weg naar inwijding ook wel ‘het schou­wen van de zon te middernacht’ genoemd. Kerstmis vraagt een waakzaamheid in een tijd waarin wij normaal slapen, opdat het in­tieme,  ‘onzichtbare’ gebeuren toch ‘zicht­baar’ wordt, namelijk de geboorte van het licht in de duisternis, de zon te middernacht.

Dageraad

Op de dertien heilige nachten van de kersttijd volgt het feest van de epifanie (verschijning van boven). Wij kunnen deze overgang beleven als een dageraad, als een eerste ochtendgloren na de stille nacht.
In het Noorse epos ‘Het droomlied van Olav Asteson (oorspronkelijk reeds circa 400 n.C. ontstaan) wordt bezongen hoe Olav de heilige kerstnacht door een diepe slaap wordt bevangen en dan door de belevenis van een wonderlijke droom een inwijdingsweg gaat. ‘Hij ontwaakte eerst op de dertien­de dag, toen het volk reeds ter kerke ging’. Het lied waarin Asteson zijn middernachte­lijk schouwen – bij het licht van de dageraad – vertelt, eindigt met de woorden: ‘Sta op nu, gij Olav Asteson, lang hebt ge geslapen!’
Deze woorden doen me herinneren – temeer daar ze op driekoningendag zijn uitgespro­ken – aan een reliëf op een kapiteel in de kerk van Autun (Frankrijk) waarop de ‘drie wijzen uit het Morgenland’ slapend zijn afgebeeld, waarbij een engelgestalte met de ene hand hen behoedzaam maar duidelijk wekt en met de andere hand in de richting wijst waar de ster verscheen. Epifanie gaat met een ontwaken gepaard, een opstaan en een op weg gaan, de nieuwe dag tegemoet.

Het element van de ster zou ons weliswaar juist weer aan de nacht herinneren, maar bij nader inzien blijkt deze ster juist het karak­ter te hebben van de vroege morgen, van het ochtendgloren.

Het Mattheüsevangelie beschrijft hoe de ko­ningen of priesterwijzen uit het Oosten ko­men, dus uit het Morgenland, waar zij ‘Zijn ster hebben zien opgaan’. Het is ook begrij­pelijk dat na de allesoverheersende goden­schemering en de daaropvolgende nacht de geboorte van God op aarde wordt aangekon­digd in het teken van een nieuwe dag, in het opkomende licht van een ‘scheppingsdag’. De ster is sinds mensenheugenis het teken ge­weest van de individualiteit van de mens, zijn eigenlijke wezen, zijn ik. In het oude spijker­schrift van de Syriërs betekent het symbool de engel,

kerst Syrisch symbool

de genius die de mens leidt. De priesterwijzen uit het Oosten hebben ‘Zijn ster zien opgaan’, die ster namelijk waarmee Christus zijn eigen wezen tot uit­drukking brengt wanneer hij ons dat open­baart met de woorden: Tk ben de wortel en de stam van David, de blinkende Morgenster’ (Openbaringen 22).

Het wezen van Christus komt tot uitdruk­king bij de overgang van de nacht naar de dag, waar het eerste morgenrood de dag aan­kondigt en de zon in het oosten opkomt. Zo­als het allerheiligste van de joodse tempel in het westen is gelegen, aan de avondkant van zonsondergang, zo staat het altaar van de christelijke kerk naar het oosten gericht. Het altaar staat daarmee letterlijk en figuurlijk in het teken van Pasen, van dood en opstan­ding: ‘En zeer vroeg in de morgen van de eer­ste dag van de week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’ (Marcus 16).

Mythe van de 20e eeuw

De drieëenheid van advent, Kerstmis en epi­fanie, die weerspiegeld is in avond, nacht en ochtend krijgt nog een bijzondere glans door het licht, dat van maan, zon en sterren daar­op schijnt.

In de zogenaamde kleine apocalypse, zoals deze onder andere in het Lucasevangelie is opgenomen en die volgens christelijke tradi­tie in de adventtijd wordt gelezen, wordt beschreven dat er ‘tekenen zullen verschijnen in zon, maan en sterren’ en hoe de mensen ‘in die tijd zullen schouwen de Zoon des Mensen’.
In de ‘grote’ apocalypse, de Openbaring van Johannes, wordt ook een teken beschreven, waar zon, maan en sterren een belangrijke rol spelen. Aan dat beeld wordt hier herinnerd omdat het tevens in het teken staat van de geboorte, dus van het kerstgebeuren. Johannes beschrijft daar:
‘En een groot teken werd zichtbaar in de hemel: een vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; en zij was zwanger en riep in de weeën en pijnen der baring’.

Tegenover dit beeld van de vrouw die gehuld is in drievoudig hemellicht, verschijnt ‘een ander teken…: zie een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoofden zeven diademen; zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze in de aarde’.
Hoewel een dergelijke beschrijving voor ons nuchtere 20ste-eeuwers meer van een sprookje weg heeft dan van de realiteit, mogen we anderzijds zeggen, dat het wellicht bij uitstek de mythe van de 20-ste eeuw genoemd mag worden.
Zelden heeft het denken van de mens zo’n eenzijdig intellectualistisch en verstard ka­rakter gehad als in deze tijd, zodat een man als Albert Einstein waarschuwend zegt: ‘Wanneer ons denken niet verandert, zijn de dagen van de geciviliseerde mensheid geteld’.
Ook de tegenoverliggende pool in ons zielenleven, de wil, leeft zich in vele opzichten eenzijdig en onbeheersd uit. De draak wordt beschreven met deze beide polen in hun ex­treem: de zeven koppen en de staart. Het harmoniserende, evenwichtscheppende mid­den ontbreekt daar volledig. De extreme een­zijdigheden bedreigen de verwerkelijking van grote idealen.

De grootste en belangrijkste impulsen kun­nen juist hun verwerkelijking vinden, kunnen ‘geboren’ worden wanneer dat ‘andere den­ken’ (om met Einstein te spreken) de veelzij­digheid en de helderheid heeft als een kroon van twaalf sterren. Wanneer de krachten, die vaak zo onbewust in ons wilsleven rumoeren souverein kunnen worden beheerst, dat we ze in handen krijgen, of ook ‘onder de voe­ten’, en wanneer ten slotte de krachten van het midden, die met het hart te maken heb­ben (en die juist bij het dreigende beeld van de draak ontbreken), groot en allesomvat­tend worden als een warme, stralende zon die ons omhult.

De volgorde van christelijke feesten blijkt onderworpen te zijn, of – beter gezegd -blijkt de uitdrukking te zijn van een wijs­heidsvolle orde: in de Michaëlstijd wordt met het zwaard en de weegschaal de draak bestreden en bedwongen. In de mate waarin dit laatste is gelukt, kan ook het geesteskind dat in onze ziel groeit, geboren worden.

Dit is Kerstmis

(Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9/, 16-12-1983)

 .

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

373-352

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (2)

.

KOSMISCH BEELD VAN DE WINTER

KERSTMIS ALS KEERPUNT VAN ZON EN MAAN

Zoals de ritmen van de natuur in verband ge­bracht kunnen worden met de grote jaarfees­ten, zo kan men ook een samenhang zien tussen de verschijnselen aan de sterrenhemel en het kerstfeest.
De onderlinge standen van zon en maan spelen daarbij een belangrijke rol.
Doordat die verschijnselen elk jaar weer optreden in deze tijd, geven ze steeds op­nieuw de mogelijkheid de verbintenis tot stand te brengen met bepaalde geestelijke werkelijkheden.
De jaargetijden worden in de natuur vooral gekenmerkt door de wijze waarop de plan­tenwereld zich in haar cyclus van ontkiemen, opbloeien, zaaddragen en afsterven manifes­teert. Deze cyclus is in haar jaarritme in sterke mate afhankelijk van de invloeden die zij uit de kosmos ontvangt. De zon levert daartoe een belangrijke bijdrage door haar wisselende lichtstroom. Het zonnejaar hangt samen met de beweging van de zon door de twaalf tekens van de dierenriem:
Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok, Waterman en Vissen.
Sommige van deze tekens, overigens niet te verwarren met de beelden die dezelfde naam dragen — de beelden en de tekens van de die­renriem zijn in de loop van 2000 jaar één plaats ten opzichte van elkaar verschoven —, sommige van deze tekens kunnen zich hoog boven de horizon verheffen. De Kreeft spant hierbij de kroon. Andere beschrijven maar een heel klein boogje boven de horizon, zoals de Steenbok. Eind december- begin ja­nuari doorloopt de zon het teken Steenbok. De dagen zijn kort, de nachten lang. Een paar dagen na het moment van de zonne­wende (22 december) valt het kerstfeest.
In de huiskamers branden de kaarsen. De lichtwereld is te ervaren als binnenwereld, de bui­tenwereld is donker en koud. Ook de aarde heeft zich, tenminste op het noordelijk halfrond, geheel in zichzelf terug­getrokken. In haar jaarlijkse lichtademritme beleeft de aarde het moment van diepe in­ademing. Niet de uiterlijke kosmische zon overstraalt het aardeleven; het is een naar binnen genomen zonlicht waardoor de aarde innerlijk doorlicht wordt.

In deze tijd van het jaar heeft de aarde zich geheel van de kosmos afgesloten. De mens kan dat mee beleven. Niet de wijde ruimte roept de aandacht van de zintuigen, het is de innerlijke aardewereld, waarmee de mens zich verbonden kan voelen.

Twee wegen
De herders uit het Lucasevangelie was het mogelijk om vanuit hun oude aardeverbondenheid inspiratief de verandering van de aardekwaliteiten te beleven ten tijde van het kerstgebeuren.
In deze tijd kan men vanuit het moderne bewustzijn weer een toegang zoeken naar datgene wat men ‘aardegeest’ zou kunnen noemen. Herders hoorden engelenstemmen die de geboorte verkondigden. De wereld van de geest sprak zich uit in de sfeer der elementen.
In het Mattheüsevangelie vinden we de ge­beurtenissen rond de geboorte van Jezus heel anders beschreven. Wijze koningen uit het Oosten lezen aan de sterrenhemel af dat een belangrijke geboorte op aarde heeft plaatsgevonden. Imaginatief wordt door hen een uiterlijke constellatie van Jupiter en Saturnus begrepen als een kosmisch teken.
Langs twee wegen vinden aankondigingen van een geboorte plaats, door twee poorten wordt een wezen zichtbaar dat hemel en aar­de verenigt.
Tot het kosmisch beeld van de kersttijd be­hoort ook de maan. In de bijbel staat be­schreven hoe de god Jahve de komst van het Christuswezen op aarde voorbereidde.
Het Christuslicht kon in de tijd van voorberei­ding nog niet direct door de mens ervaren worden. Indirect, als door een spiegel, wordt dit licht zichtbaar gemaakt door de oudtesta­mentische god van Mozes: Zoals de maan het zonlicht zichtbaar maakt. Ten tijde van de Kerst vindt ten aanzien van zon en maan een keer­punt plaats: na de kortste dag (22 december) zal de zon in kracht toenemen, de volle maan die in deze tijd zijn hoogste stand be­reikt, zal hierna elke maand lager aan de he­mel staan. Dit kosmisch fenomeen van het maan-zonkeerpunt in de wintertijd is te ver­staan als beeld voor het aanbreken van het tijdperk van het zonnewezen Christus, waar­mee de voorbereidende taak van Jahve ten einde is. Op welke wijze kan het dierenriemteken Steenbok, het teken waarin de zon in de kersttijd staat, iets zeggen over de kwalitei­ten van de kerstdagen en de twaalf heilige nachten daarna?

Das Künftige ruhe auf Vergangenem
Vergangenes erfühle Künftiges
Zu kraftigem Gegenwartsein’,
Zo begint de spreuk waarin Rudolf Steiner het teken Steenbok karakteriseert.
Steenbok, keerpunt der zon, keerpunt der tijden. Eerbied voor het verleden, de tijden der voorbereiding, strevend naar de toe­komst, bewust staan in het heden.

Kerst — jaarwisseling — heilige nachten van uiterlijke verstilling, vol innerlijk leven.

‘Das Künftige ruhe auf Vergangenem.
Vergangenes erfühle Künftiges . . . .’

Deze woorden klinken in de kersttijd van de etherische dierenriem.
.

Rinke Visser, Jonas 8/9, 19-12-1975

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

370-349

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.