VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (7)

.

In de 11e klas wordt de zgn. ‘Parcivalperiode’ gegeven.

Over het waarom, vind je in deze artikelen uit Vrije Opvoedkunst’ de nodige achtergronden.

Ook op deze blog staan er diverse artikelen over. Zie onder Parzival.

Het volgende artikel is eveneens bedoeld als verdieping om deze periode te kunnen geven.

Jelle v.d. Meulen, Motief nr. 274, 7/8 2023

De gewonde patriarch

 

Een terugkerend motief in de Graallegenden vormen de innige betrekkingen tussen vrouwen en mannen. Wij als moderne lezers zien daarbij in de eerste plaats romantische paren. Maar echt romantisch blijken de verhalen niet. Geliefden bereiken elkaar niet, blijven lang gescheiden of verliezen elkaar. Wat wij gemakkelijk over het hoofd zien is dat de relaties niet alleen van belang zijn voor de twee betrokkenen. Het verlossende einde, zoals bijvoorbeeld beschreven door Wolfram von Eschenbach in diens Parzival, betreft niet in de eerste plaats twee of vier of zes gelukkige individuen die elkaar hebben gevonden, maar een complete gemeenschap.

De schrijvers van de legenden uit de twaalfde en dertiende eeuw hadden een scherp oog voor wat we de sociale betekenis van een innige relatie kunnen noemen. Ons gesloten concept – met eigen kinderen, eigen huis en eigen pensioen – komt in geen van de vertellingen voor. Ervoor in de plaats ontvouwt zich in de legenden een open vlechtwerk van betrekkingen, waarin het lotgeval van de één resoneert met anderen. De mate van innigheid tussen twee mensen maakt daarbij de kracht van de missie van hun relatie uit. De missie van deze betrekking heeft in het mycelium van relaties een heel bepaalde betekenis, die als een specifieke vorm van liefde kan worden gekenmerkt. Deze vorm heeft een dragende en zelfs initiërende werking in het grote geheel.

Patriarchaat, matriarchaat

De legenden van de Graal zijn op te vatten als een poging tot zachtmoedige ontmanteling van het patriarchaat. Overal verschijnen kijkwijzen die van een andere levenshouding getuigen. Er wordt transformatie nagestreefd. De macht wordt omgevormd met zachte krachten. En met name bij Wolfram von Eschenbach valt op dat deze zachtmoedige benadering met pittige humor gepaard gaat. Met het patriarchaat gaat een bepaalde geschiedschrijving gepaard, die nagenoeg uitsluitend over mannen handelt. De archeologe Marija Gimbutas toont in haar studie The Living Goddess aan dat de opkomst van het patriarchaat op zijn minst tot zevenduizend jaar voor Christus teruggaat. Tal van opgravingen in Europa en Azië bewijzen dat er in die tijd overal gemeenschappen waren, waar eerst vrouwelijke godinnen werden vereerd en pas daarna mannelijke. In haar studie beschrijft Gimbutas het plotselinge verschijnen van agressieve, militaristisch georganiseerde volkeren, die de eerder matriarchaal ingerichte gemeenschappen verdrijven of zelfs vernietigen. Wat mij betreft behoort de opkomst van het patriarchaat tot de raadselachtigste aspecten van de door ons aangenomen geschiedenis. Onbegrijpelijk is in de eerste plaats dat het patriarchaat zo absoluut het heft in handen nam. Waarom is dit gebeurd?

Het duurde tot de twintigste eeuw voordat een algemeen onbehagen wakker werd over de curieuze uitsluiting van vrouwen. Het probleem van de ongelijke behandeling van vrouwen en mannen is inmiddels in onze cultuur aangekomen, ook in de academische en de politieke wereld. Maar het heeft een hardnekkige kern. Achter het verloop der dingen gaat een vraag schuil: Hoe begrijpen wij vandaag de dag onszelf in het licht van de historiserende uitsluiting van de helft van de mensheid, de vrouwen dus? Wat zegt ons de opkomst van het patriarchaat over ons als mens? Het is een vraag die met zelfkennis te maken heeft, en zij betreft ons allen, zowel vrouwen als mannen.

Parcival

In de legenden over de Graal wordt de dominantie van het patriarchaat mild, maar aanhoudend aan de orde gesteld. Het begint ermee dat de moeder van Parzival weduwe is, die alleen met haar zoon in een woud woont. Zij heet Herzeloyde, wat leed-van-het-hart betekent. De vader van Parzival is kort voor de geboorte van diens zoon op het slagveld gestorven. Daarom doet Herzeloyde alles om te voorkomen dat Parzival een ridder wordt. De bewust gekozen levenswijze van de moeder vertoont nadrukkelijk matriarchale kenmerken, maar is tegelijk een door nood gedwongen beschermende afzondering. En dit laatste past eigenlijk niet in het matriarchaat, want dat wil juist open zijn. De ongedurige Parzival wil de wereld in trekken. Hij is het tegendeel van een veelbelovende patriarch-in-opleiding, eerder een onnozele jongeling die zich thuis voelt in de natuur en bovendien meent dat ridders eigenlijk goddelijke wezens zijn. Zelfs zijn eigen naam kent hij niet. Hij heeft geen oordelen in zijn kop en denkt dus niet in termen van goed of slecht, mooi of lelijk, waar of onwaar. Want alles wat je met je ogen kunt zien is goed, mooi en waar. Parzival is lang kind gebleven, wat ook een matriarchaal kenmerk is.

Maar hij verlaat zijn moeder. Op het moment dat Parzival vertrekt om ridder te worden, wat voor hem dus hetzelfde is als god worden, sterft Herzeloyde. Hij merkt dit echter niet, want opgetogen heeft hij de eerste stappen in de wereld gezet, zonder om te kijken. Alles wat hem vervolgens tegemoetkomt, neemt hij monter en onbevangen in zich op. Alleen al dit begin van het epos plaats een opmerkelijke kanttekening bij het patriarchaat: het wordt niet als een onvermijdelijke status quo voorgesteld. Herzeloyde maakt een duidelijke keuze en zet die ook door. En Parzival zelf vertrouwt erop dat het leven hem brengen zal wat hij nodig heeft. De realistische patriarchale visie dat het leven vooral weerbarstig-want-schaars is, leeft niet in hem. Een cruciale rol speelt vervolgens de ontmoeting met de doorgewinterde patriarch Gurnemanz, die Parzival informeert over de regels in het hoofse leven. De jonge held – en hier stuiten wij op een paradox – neemt de raadgevingen van de landsman zonder enige reserve in zich op. Zijn matriarchale jeugd lijkt hem weerloos te maken. Eén van de leringen van Gurnemanz is dat Parzival nooit een vraag mag stellen, want dat is onbeleefd. Onbevangen als een jong kind verinnerlijkt Parzival deze raad, precies zoals hij ooit in het bos de eksters, vossen en reeën accepteerde zoals zij waren.

Uit het verloop van de gebeurtenissen blijkt dat uitgerekend de dood van zijn moeder – Parzival hoort er pas later van – zijn montere vreugde verjaagt. De antiheld begrijpt ineens dat zijn stap in de wereld ongemerkt een schaduw in het leven heeft geroepen, voortkomend uit het verdriet en het sterven van zijn moeder. Niet lang na de raad van Gurnemanz komt Parzival oog in oog te staan met het oerbeeld van de gewonde patriarch, de patriarch dus die geen patriarch meer kan zijn. Deze graalkoning Anfortas is – door eigen schuld – uitgerekend tussen zijn benen gewond geraakt en niet meer in staat de gemeenschap van de Heilige Graal te leiden. Als de naïeve Parzival voor Anfortas staat, is hij verwonderd, maar hij vraagt niet wat er met de gewonde koning aan de hand is. Dit feit bepaalt het verdere verloop van de gebeurtenissen. Er is sprake van een vraag die voor het wel en wee van de gemeenschap moet worden gesteld, niet alleen voor Anfortas. Die vraag blijft in de verwarde ziel van Parzival steken. Pas na een reeks dramatische gebeurtenissen komt Parzival een tweede keer voor Anfortas te staan. Hij is door de vele avonturengerijpt en vraagt Anfortas dan: “Wat deert u?” Daardoor wordt niet alleen Anfortas op een haast magische wijze verlost van zijn lijden, maar de hele gemeenschap om hem heen.

Sigune en Schionatulander

Tot de vele liefdesgeschiedenissen in de legenden over de Graal behoort ook die van Sigune en Schionatulander. Het gaat hierbij om een innige betrekking, die teruggaat tot de jeugd van beiden. Zij vormen een soort symbiose. Als zij later echt geliefden zijn, raakt hun relatie verwikkeld in voorvallen die tot de dood van Schionatulander leiden. Wolfram von Eschenbach was een meester van het detail. Een van de literaire principes die hij gebruikt is dat van de spiegeling. De geschiedenis van Sigune en Schionatulander wordt gespiegeld door die van Jeschute en Orilus.

Jeschute is een jonge vrouw, getrouwd met de ridder Orilus. De onnozele Parzival vindt haar aan het begin van zijn avonturen slapend in een tent en meent haar te moeten kussen, want zijn moeder had hem gezegd dat vrouwen worden gekust. Parzival kust dus Jeschute, die wakker wordt. Er vindt een worsteling plaats, want Parzival wil nog een tweede kus. Maar Jeschute verzet zich. Wat zich afspeelt is een heuse overweldiging en Jeschute voelt zich onteerd. Parzival steelt bovendien een ring die hij van haar vinger wringt en een speld van haar borst. Orilus, de man van Jeschute, bevindt zich op hetzelfde moment in een gevecht met Schionatulander, die een schildknaap is. Wolfram von Eschenbach benadrukt de gelijktijdigheid van de gebeurtenissen. De spiegeling is opvallend, doordat de strijd tussen Orilus en Schionatulander direct met Parzival samenhangt. Orilus denkt namelijk dat de schildknaap optreedt als een handlanger van Parzival, in een andere kwestie. Over deze kwestie – een twist over het bezit van landerijen – weet Parzival helemaal niets af, doordat zijn moeder hem er niet over heeft ingelicht. Terwijl Parzival met Jeschute worstelt, vecht zijn veronderstelde plaatsvervanger Schionatulander met Orilus. En Schionatulander sterft. Op het moment van diens sterven, waar hij dus geen weet van heeft, laat Parzival de vrouw met rust en vertrekt in het bezit van twee sieraden, die hem niet toebehoren.

De vervlechting van de gebeurtenissen spreekt voor zich. Om te beginnen gaat het om een ontmoeting tussen een vrouw en een man, die door de laatste in ongerede wordt gebracht. Verder betekent de dood van Schionatulander dat Parzival, zonder er weet van te hebben, aan de dood ontsnapt, want het liefste had Orilus hem omgebracht. Schionatulander fungeerde immers als zijn plaatsvervanger. En in beide gevallen is er een vraag over de rechtmatigheid van bezit, een typisch patriarchaal thema.

De vijfde in het spel is Sigune. De dood van Schionatulander brengt in haar een proces op gang, dat voor ons moderne lezers ongewoon is. Zij stort in een afgrond van droefenis. Zij houdt daarbij vast aan haar relatie tot haar gestorven geliefde, blijft in de buurt van diens lijk en treurt tot haar eigen dood over diens dood. Dit treuren biedt een beslissende opening in het verloop van de verdere gebeurtenissen. Kort na het voorval met Jeschute en de dood van Schionatulander vindt tussen Parzival en Sigune een eerste ontmoeting plaats. Op de schoot van Sigune ligt het dode lichaam van Schionatulander. Als Sigune en Parzival, met elkaar in gesprek raken, maakt zij zich bekend als zijn nicht; en zij vertelt hem dat hij Parzival heet. Later in het verhaal is het Sigune die Parzival vertelt over het sterven van zijn moeder, wat hem in vertwijfeling stort. Hij leert zijn schaduw kennen, die bestaat uit een knoop van schuldgevoelens, schaamte en heimwee. Bij een latere gelegenheid, kort na zijn smartelijke bezoek aan Anfortas, licht Sigune hem in over de gevolgen van diens verzuim om te vragen naar de oorzaak van het lijden van de koning. Sigune wekt in Parzival het begin van een inzicht, dat hem later mogelijk maakt de bevrijdende vraag wel te stellen.

De liefdesgeschiedenis tussen Sigune en Schionatulander wordt in het licht van een omvangrijk gebeuren voorgesteld. De spiegelende speling van het lot reikt veel verder dan het wel en wee van de twee. De liefde tussen beiden vibreert in een complexe gemeenschap. Elk lotgeval maakt deel uit van het grote geheel. Wat in dit verband de trouw van Sigune wordt genoemd, mag in onze moderne ogen overdreven lijken. Wij denken bij trouw aan vasthouden aan een afspraak. Maar van een afspraak, zoals wij die vandaag de dag maken als wij bijvoorbeeld trouwen, is geen sprake. Wat Sigune doet, is dat zij trouw blijft aan een verbinding die uiterlijk gezien niet meer bestaat. Je kunt ook zeggen: In het gescheiden zijn door de dood verzorgt zij in zichzelf de innige verbinding. Deze innerlijke activiteit is meer dan alleen maar treuren, want zij leidt tot wijsheid die Parzival verder helpt; en ze voert er bovendien toe dat Schionatulander tot het einde van het verhaal aanwezig blijft. Hij is weliswaar dood, maar toch levend. Hij wordt niet vergeten. Dit is een markante mystieke notie, die zich abstract zo laat beschrijven: Wat wij binnen in ons stil en oprecht behoeden, heeft een werking op de wereld buiten ons. Sigune praktiseert deze vorm van zwijgzame liefde, die een matriarchaal karakter heeft. Haar innerlijke activiteit heeft op een onzichtbare manier een perifere werking, die de gemeenschap van de Graal niet alleen draagt, maar uiteindelijk ook verlost.

Dualiteit en vriendschap

Mij lijkt dat in de legenden over de Graal de dualiteit tussen patriarchaat en matriarchaat in beweging wordt gebracht. Heersers, zoals Artus en Anfortas, hebben de wens zich overbodig te maken of tenminste hun macht te delen. Van dit laatste is de Ronde Tafel een oerbeeld. Andere patriarchen daarentegen, zoals Gurnemanz en Orilus, hebben deze wens niet. Binnen het patriarchaat ontstaat een dynamische spanning, die ook wij vandaag de dag goed kennen. Maar ook het matriarchaat vertoont een dubbele houding. Aan de ene kant handelt Herzeloyde, en ook Sigune, uit een innerlijke nood. Zij beschermen zich, sluiten zich op. Aan de andere kant hebben zij vanuit die afgeslotenheid een bevrijdende werking op de gehele gemeenschap. Het principe van de afsluiting is in feite patriarchaal, zie de Romeinen en de Roomse Kerk, maar het leidt in het geval van de twee heldinnen indirect juist tot een opening in het patriarchaat. Er vindt in de legenden, via de innige betrekkingen tussen vrouwen en mannen, een kruisbestuiving plaats, die licht werpt op hoe de dualiteit kennelijk minder scherp kan worden gemaakt.

Bijna duizend jaar later ben ik geneigd deze bestuiving vriendschap te noemen.

.

L.Beuger ‘Parzival’

Afbeeldingen op Wikipedia

11e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3471-3268

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (33)

.

Sint-Nicolaas – folkore
.

Het Sint-Nikolaasfeest is, evenals de Sint-Maartensviering, in tegenstelling met onze andere christelijke feestdagen, uit kerkelijk gebruik ontstaan, al namen beide feesten ook voorchristelijke elementen in zich op.

Sint-Nikolaas, zoals hij in de middeleeuwse legende voorkomt en tot in onze dagen voortleeft, is een samenvatting van twee Lycische bisschoppen, Nicolaas van Myra, die waarschijnlijk in de 4e eeuw leefde, en Nicolaas van Pinora, die in 564 stierf. Beiden zijn historische personen, doch verder is er niets van hen bekend: des te ruimer spel lieten zij aan de verbeelding. Uit deze twee is de heilige gestalte gegroeid van de wonderdoener, reeds sinds het einde van de 9e eeuw door de Grieks-katholieke kerk in alle rampen en gevaren aangeroepen. Toen Myra in de handen van de mohammedanen was gevallen, brachten Zuid- Italiaanse kooplieden in 1087 het gebeente van de heilige over naar Bari in Apulië en bouwden over zijn graf een prachtige kerk, die het middelpunt werd van de Nikolaasverering in de rooms-katholieke kerk. Bari, als havenstad veel belangrijker dan Myra, maakte de wonderdoener in het bijzonder tot redder op zee, en de Noormannen, die Bari toen in bezit hadden, brachten zijn verering als patroon van de zeelieden over naar Noord-Europa. Zijn aanroeping deed hun vorst, Willem de Veroveraar, toen een storm hem in het Kanaal overviel, veilig uit Normandië in Engeland landen (1066).

Er is ook nu nog geen Grieks schip, of het heeft de ‘icoon’ van Nikolaas aan boord!

De kustbewoners van Noord-Europa vonden in Sint-Nikolaas de beschermer in zeegevaar, die hun tot dusver had ontbroken. Langs de gehele Noordzee, tot IJsland toe, en aan de Oostzee wezen de torens van de talrijke Sint-Nikolaaskerken aan de schepelingen als het ware de weg. Hier hingen zij na hun redding hun doorweekte kleren als ex voto op en werden na hun dood missen voor hen gelezen.

Over Frankrijk en Vlaanderen heeft de Sint-Nikolaasverering zich naar onze gewesten verbreid. Als een krans liggen om de Zuiderzee de Sint-Nikolaaskerken van Staveren, Kuinre, Oldemarkt, Blankenham, Vollenhoven, Genemuiden, Kampen, Kamperveen, Elburg, Doornspijk, Harderwijk, Baarn, Weesp, Muiden. Monnikendam en Edam, alle stellig of waarschijnlijk uit de 13e eeuw, met als oudste die van Kuinre uit de 12e. Ook aan de rivieren verrezen zij, o.a. te Groningen, Deventer, Zutphen, Utrecht, Dordrecht, Leiden en Delft. Het volk sprak trouwhartig van de ‘Klaaskerk’ en noemde zich hier en daar met voorliefde ‘Sint-Niclaasmannen’.

Weldra vormden zich talrijke gilden van zeevaarders en kooplieden, die Sint-Nikolaas tot patroon kozen. Het koopmansgilde te Amsterdam bekostigde sinds 1476 een dienst in de Oude- of Sint-Nikolaas kerk, waar het beeld van de heilige stond in klinkklaar zilver; toen de stad in 1578 de zijde der Hervorming koos, liet zij er munt uit slaan.

De oudste sporen van de viering van Sint-Nikolaasdag als kinderfeest vinden wij in de stadsrekeningen van Dordrecht van 1360 en 1363. Uit deze blijkt dat de koorknapen op die dag vakantie kregen en wat geld om feest te vieren. Een van hen werd tot bisschop gekozen, onder de vespers kreeg hij de mijter op het hoofd en de kromstaf in de hand. Met deze kinderbisschop trokken de jongens in optocht langs de straat en vroegen aan de voorbijgangers een kleinigheid, het bisschops- of kaarsgeld: voor de ene helft kochten zij kaarsen, voor de andere maakten zij goede sier. De kaarsen zullen zij bij hun avondommegang hebben gebrand. Uit andere stadstarieven blijkt dat door ons hele land in de 15e en 16e eeuw een kinderbisschop werd gekozen; de geestelijke en de stedelijke overheid schonken dan geld, kleren, schoenen of lekkers. Als alle kinderommegangen ontaardde ook deze in bedelarij, zodat in de 17e eeuw het bedelen met mijter en kromstaf werd verboden, waarbij ook de hekel aan ‘roomse superstitiën’ een rol speelde.

Andere bijzonderheden van onze oudste Sint-Nikolaasviering in kerkelijk verband brengen de rekeningen van kerkmeesters van de Sint-Nikolaaskerk te Utrecht, die van 1427 af aanwezig zijn. Hierin komt van de aanvang af geregeld een post voor van drie of vier paar kleine kinderschoentjes met enig geld erin, die op 6 december om Godswille aan de armen werden geschonken. De kinderschoen met de daarin verborgen verrassing is te verklaren uit de bekende legende, dat Sint-Nikolaas aan drie zusters, die voor hun vader uit armoede de brede weg van de prostitutie zouden zijn opgestuurd, elk ’s nachts een bruidsschat in de schoen wierp, waardoor zij behouden bleven.

Hoe is Sint-Nikolaas zelf de brenger van de geschenken geworden?

Het feit dat de heilige ook van kloosterscholen de patroon was geworden, verklaart dit. Sint-Nikolaas beloonde de braven en vlijtigen, bestrafte de onoppassenden; zijn feestdag bood de gewenste gelegenheid tot een kleine dramatische voorstelling, bij de middeleeuwers zo geliefd. Dan zal een van de leraren of kloosterlingen zich hebben verkleed als Sint-Nikolaas, die de kinderen ondervroeg, lekkers uitdeelde aan de naarstigen, maar de luiaards tuchtigde met zijn roede, het onmisbare instrument bij de middeleeuwse opvoeding. Aldus treedt Sint-Nikolaas omstreeks 1200 op in een kloosterschool van Normandië, uitstralingspunt van dit gebruik, dat zich van de 13e tot de 15e eeuw over heel Noord-West- en Midden-Europa verbreidde. Want wat is de verschijning van Sint-Nikolaas in het huisgezin, het ketengerammel dat zijn komst aankondigt, zijn indrukwekkend voorkomen, zijn ondervragen en geschenken uitdelen, wat is dit alles anders dan een kleine dramatische vertoning, in het kader van een opbouwende pedagogie?

Nog groter trefkracht kreeg dit Sint-Nikolaasspel door het optreden van Zwarte Piet.
Zwarte Piet, Pieterman, Pietje Pek zijn volksbenamingen van de duivel. De ganse Middeleeuwen door was de in ketenen geboeide duivel een geliefde voorstelling. Aldus ontstond het volksgeloof, dat de heilige Nicolaas op zijn feestdag de duivel in de ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde. Dan moest de zwarte duivel (zwart van het roet van de hel) hem dienen, de geschenken doen glijden langs de wanden van de wijde schoorsteen, die de geestenwereld met die van de stervelingen verbond, en de stoute kinderen dreigen met de roe. Tenslotte is aan deze duivel nog een gans gevolg van boze geesten toegevoegd. Dit kan zijn gebeurd onder invloed van het geloof aan ‘de wilde jacht’, bij wijze van contaminatie. In de wolken die bij het spookachtig gedruis der najaarsstormen langs de hemel joegen, zag men een nachtelijk heir van wilde lagers met huilende honden: de vervloekte zielen die eeuwig moeten dolen. Hun aanvoerder was ‘Wode’, de woedende, een andere benaming van de duivel, hier als in dienst van Sint-Nikolaas straffer der bozen. Van belang lijkt ook het rondtrekken van als demonen toegetakelde personen in de donkere dagen van de winterwende – gestalten als de ‘Perchten’ in het Alpengebied. De middeleeuwers hielden van dramatisering en luidruchtige optochten: ook Sint-Nikolaas kreeg zijn gevolg van vermomde, geraasmakende schrikgestalten. In die woeste drom ging de heilige welhaast verloren, ja, Sint-Nikolaas zelf werd tot een duivelsgestalte en zijn naam op de duivel overgedragen. In Duitsland heet de duivel Niklo en Nickel, in Engeland Nick en Old Nick, in Vlaanderen werd Sint-Niklaai tot ‘Klaai den duivele’.

Van deze luidruchtige Nikolaasommegangen zijn in Europa talrijke overblijfselen bewaard gebleven over een gebied dat zich uitstrekt van Brittannië in het noordwesten tot aan de zuidoostelijke uitlopers van de Alpen. Friesland dat het langst aan het christendom heeft weerstand geboden en waarschijnlijk hierdoor zoveel heidense gebruiken, o.a. bij begrafenissen, heeft bewaard, vertoont van deze omgangen nog talrijke sporen.

In de Friese dorpen Bergum, Garijp en Oudega komt het ‘Sinte Klazejeijen’ (jeijen = jagen) in zoverre met onze viering overeen, dat Sinterklaas en Zwarte Piet er samen rondtrekken, maar verschilt daarvan, doordat men er wel vijfentwintig van deze paren ziet lopen, niet alleen op de avond van 5 december, maar in de gehele daaraan voorafgaande week. Als de schemer valt, trekken zij rond en vragen aan de deuren of zij mogen binnenkomen. Binnengelaten strooit ‘Kaije’ (Klaas) pepernoten en krijgt daarvoor een kleine beloning. Hij draagt een wit hemd of laken en een witte broek en heeft een masker voor. Pieter is geheel in het zwart en draagt een zwart masker, hij sleept aan zijn been een rammelende ketting of blinkende schel en torst een zak en een roe.

Ook in Drenthe hield de oudere jeugd zich vroeger bezig met ‘Sinterklaaslopen’. Verkleed en met een ‘kabulsekop’ (mombakkes) voor, ging men de huizen langs, zodat de kleine kinderen erg bang werden. Toen het feest ontaardde, stak de overheid er een stokje voor.

In Groningen was het al niet anders: de Sint-Niklazen waren daar jongens van een jaar of twaalf, die op Sint-Niklaasavond langs de huizen liepen, om een paar centen of wat lekkers. Vaak waren zij in het wit en zij hadden stro in de klompen en zij droegen een vlassen baard. Van een krant maakten zij een steek, die de mijter moest verbeelden. En zij rammelden met een ketting aan het been, om de kleine kinderen te verschrikken.

Het sterkst afwijkende Sinterklaasvieringen treft men nog altijd aan op de Waddeneilanden, op Texel, Terschelling, Schiermonnikoog. en vooral op Ameland.

Op Texel viert 4 december de gezamenlijke dorpsjeugd ‘Sunderklaas’ door verkleed en gemaskerd, zingend door de dorpen te trekken. De ouderen doen hetzelfde op 12 december, ‘oude Sunderklaas’, en maken in alle huizen hun opwachting. Op Terschelling is het rondgaan van de ‘Sunderums’ tot het Oosteind van het eiland beperkt. Van Hee en Oosterend af komen de als ‘Sunderums’ verklede mannen, soms ook wel eens een vrouw, naar Midsland. Zij hebben zich kostuums gemaakt van alles wat het eiland aan bruikbare naturaliën oplevert: heide en duinhelm, stro, schelpen en kippenveren. Onderweg leggen zij bij familie en kennissen bezoeken af, waarbij zij hun stem zo verdraaien, dat men hen niet herkent. Op Schiermonnikoog draven op de avonden vlak voor december jong en oud van beide geslachten, gemaskerd en wonderlijk toegetakeld, met wild rumoer deur in, deur uit, en laten zich zwijgend in het lamplicht bekijken. Het feest heet hier ‘Klozem’, een verbastering van Klaas-oom.

Het best is deze uitbundige Sint-Nikolaasviering bewaard gebleven op Ameland, vooral in Hollum, al gaat zij ook daar meer moderne carnavaleske vormen aannemen. Op 4 december treden de jongens van twaalf tot achttien jaar als ‘de kleine Sinterklazen’ op, op 5 december de mannen boven de achttien als de grote. Beide avonden worden precies eender gevierd. Voor geboren en getogen Amelanders zijn dit de heerlijkste avonden van het hele jaar.

Reeds weken tevoren oefenen allen zich in het toeteren op eeuwenoude buffelhorens en maken zij in alle geheimzinnigheid hun sinterklaaspak gereed. Op de avond van 5 december sluipen tegen de schemering de mannen uit de huizen, gehuld in beddenlakens en gewapend met buffelhorens en knuppels. Dit zijn de ‘baanvegers’, die onder vervaarlijk hoorngeloei meisjes en vrouwen en de jongens onder de achttien jaar het huis injagen. Zijn de straten leeg, dan gaan de baanvegers zich verkleden ‘in het pak’, bij voorkeur als vrouw: witte lappen met gaten voor neus, mond en ogen dienen hun tot masker. Spreken doen zij uitsluitend door buffelhoorns of toeters, die, evenals hun knuppels, geheel met papieren knipsels en bloemen zijn versierd. Aldus verschijnen om zeven uur de eerste Sinterklazen op straat, waar dan alle vaders en moeders met hun kinderen lopen; het feest speelt zich hoofdzakelijk op straat af. Doch ook enkele huizen laten ‘goed in’, d.i. die laten de Sinterklazen binnen; daar brandt dan als teken een licht in de gang, terwijl de andere huizen donker blijven. Hier mogen ook de meisjes, als zij de straat vrij zien, even binnenlopen om ,de mannen van alle kanten te bekijken, maar zij moeten dan ook voor hen dansen als dezen met hun stok voor de meisjes op de grond slaan; de onwilligen worden met de knuppel gevoelig op de tenen getikt. In de herbergen dansen de mannen samen, het kenmerk van een zeer oude feestviering.

Zeer plechtig zijn de Sinterklazen als zij elkander ontmoeten; zij blazen op hun horen en drukken elkander langdurig de hand. Steeds worden zij aangesproken met ‘ome’. Het mooiste succes voor hen is niet herkend te worden. Dan demaskeren zij niet en blijven tot laat in de nacht rondlopen. In Hollum doet men nog geen enkele concessie. Daar eindigt het feest zoals het begonnen is: met het verdwijnen van de niet herkende omes, aldus Hans Bakker in Ameland, van Hollum tot de Hon (Haren 1970).

Amelander Sinterklaasverschijningen. Naar een gekleurde tekening van Jkvr. J. van Eysinga, 1927. Uit: De Vrije Fries, XXIX (1929).

Dergelijke Sint-Nikolaasommegangen werden niet alleen in Friesland gehouden. Amsterdam kende nog in de 19e eeuw ‘de zwarte klazen’ met rammelende kettingen aan het been, die op ramen en deuren bonsden en bulderden: ‘Zijn der ook kwaje kijers?’ Nog niet lang geleden liepen te Tholen de jongens in de Sint-Nikolaastijd met mombakkesen voor. Ook in Vlaanderen kent men dergelijke restvormen; Renaat van der Linden, in zijn fraaie Ikonografie van Sint-Nikolaas in Vlaanderen (1972), signaleert ze voor het Maasdal, waar in oude plunjes geklede Sinterklazen de kleine kinderen bedreigen. Zij hebben een grote stok bij zich om jonge meisjes af te tuigen en dragen ook een mand, gevuld met noten en appelen. Zij kondigen zich aan op luidruchtige wijze, schreeuwend met luider stemme, met rammelende ketens aan de benen en rinkelend met hun bellen.

Doch afgezien van deze schrikgestalten is Sinterklaas thans een en al goedheid en vriendelijkheid, een lieve grootvader met witte baard, voor wie geen kind bang meer is. Ook Zwarte Piet heeft zich een plaats in de kinderharten veroverd; hij torst, als trouwe dienaar, de zware zak met geschenken en lekkers.

J.P. Heije, schrijver van Piet Hein, schreef ook een van onze meest bekende Sinterklaasliederen, op muziek van J. J. Viotta, evenals hijzelf arts van professie. Zijn Kinderliederen verschenen in1844 en 1845 en werden in 1861 tot één bundel verenigd. De tekening is van André Vlaanderen.

Deze benodigdheden kocht men eertijds op de Sint-Nikolaasmarkt, waar bakkers en kramers hun tenten opsloegen. Te Amsterdam werd deze gehouden op de Dam, zo dicht mogelijk aan de kant van de Oude Zijde met de Oude- of Sint-Nikolaas-kerk, onder bescherming van de heilige. Als zichtbaar teken hiervan werd zijn beeld in het begin van de 17e eeuw aangebracht op een gevelsteen in de zijmuur van het hoekhuis van Dam en Damrak. Hierop was de legende afgebeeld dat Sint-Nikolaas drie kinderen, door een boze slager gedood en in stukken gehakt, uit de tobbe in het leven terugroept.

Gevelsteen van het vroegere huis ‘ De Bisschop’ op de hoek van Dam en Damrak te Amsterdam

Na afbraak van dit hoekhuis, De Bisschop geheten, is de gevelsteen bij de herbouw van 1934 opnieuw aangebracht boven de ingang van het tegenwoordige bijkantoor van de Incassobank, Dam 2A.
Tussen de Vismarkt, die werd gehouden op de overwelfde sluis, waardoor het water van Damrak en Rokin gemeenschap hield, en de Waag, toenmalig middelpunt van de Dam, stond de dubbele rij van koekkramen. Daarlangs golfde de stroom van poorters en poorteressen, die er hun korfjes vulden met Sinter Claescoeck, amandelbroot, honinctaert en massepeyn’; langs de huizen stonden de kruiwagens opgesteld, waar de kleine man de ‘slickerdemickjes’ voor zijn kroost kocht. In de tweede helft van de 17e eeuw hield de toeloop van kijkers en kopers aan tot middernacht, zodat ‘Myn Heeren van den Gerechte’ wegens de daaruit voortspruitende ‘disordren, confusiën en ongeregeldheden’ gelastten, dat de markt met het luiden van de poortklok moest eindigen. Doch dit verbod haalde weinig uit: de Sint-Nikolaasmarkt heeft te Amsterdam standgehouden tot 1836, toen zij plaats moest maken voor een houten hulpbeurs op de Dam.

Taaipop van Sinterklaas, rijdend over de daken

Nog wordt op een enkele plaats van ons land Sinterklaasmarkt gehouden, o.a. te
Ommen, op de dinsdag die het dichtst is gelegen bij 5 december. Dan verkoopt men een speciaal sinterklaasgebak, de ‘zute plassies’.
Evenmin slaagde de overheid met de verbodsbepalingen die zij, op aansporing van de calvinistische predikanten, tegen het Sint-Nikolaasgebak als ‘.Pauselyke superstitie’ uitvaardigde. Want zoals het toen heette, ‘dat gebruik van der Pausgezinden kinderen was veel te genoeglyk om daarvan geen navolgers te blijven’, zodat de bakkers rustig zijn doorgegaan met het bakken van poppen, wellicht speculaas (speculatio = weerspiegeling) genoemd, omdat zij van spiegelbeeldige vormen worden gebakken. Zij stoelen mogelijk op het oude gebruik dat de heidense Germanen hun goden in brood afbeeldden en deze broodvormen offerden. Ook de diervormen van de speculaas, de paarden, koeien en varkens, gaan kennelijk terug op oude offers, waarbij het schijnoffer van brood het bloedige dieroffer had vervangen. Toen de eerste geloofsverkondigers in onze streken dit volksgebruik niet konden uitroeien, gaven zij er een kerkelijke betekenis aan: het heidense offerbrood werd het gebak van de christelijke feestdagen.

Met hoeveel zorg werd dit bereid! Men bakte de speculaas door het deeg te drukken op planken, waarin de voorstelling in negatieve vorm was uitgesneden. De afdrukken, de zogenaamde prenten, werden op een plaat de oven ingeschoven. Hij uitbreiding van betekenis is de benaming prent overgedragen op de planken waarmee men ze maakte, en die een volkskunst bij uitnemendheid zijn geworden.

Wie waren de makers van deze prenten? Het waren de bakkersgezellen zelf, die zich hiermee op de lange winteravonden bezighielden; het waren prentsnijders die met hun waar de bakkers afreisden en ook wel bij hen ‘uit snijden’ gingen. Naast onbeholpen werk hebben zij vaak voortreffelijke proeven van houtsnijkunst geleverd. Hun namen zijn niet tot ons gekomen. Soms treffen wij op een plank een paar initialen aan, doch waarschijnlijk merkte de bakker daarmee zijn bezit, want men placht elkanders planken te lenen om wat meer verscheidenheid van afbeeldingen te hebben.
Waarschijnlijk is deze houtsnijkunst in het begin van de 17e eeuw opgekomen. Onze meeste prenten dagtekenen uit de 18e, maar vertonen nog vaak vormen van de 17e: raakte een plank versleten, dan nam men de voorstelling op nieuw hout over. Welk een rijkdom van onderwerpen! Hoe genoeglijk voor een kind een koekafbeelding te krijgen van Sinterklaas die over de daken rijdt. Hoeveel nieuwe verschijnselen die de aandacht vroegen werden op de prenten vastgelegd: de omnibus, de eerste stoomboot, de luchtballon en de fiets. Onze grote mannen, Rembrandt volgens zijn standbeeld, Vondel in lange jas en jabot van de 18e eeuw, Laurens Coster bij de viering van zijn eeuwfeest, zijn daar afgebeeld: het volk kent alleen de allergrootsten.

Speculaasprent met luchtballon. (Museum De Lakenhal, Leiden)
Taaitaaipop van Vondel in I8e-eeuws gewaad

Ook heel onze Bijbelse geschiedenis is er te vinden: Adam en Eva onder de appelboom, koning David spelende op de harp, de Jakobsladder, de Heilige Geboorte, de Aanbidding der koningen en de Kruisiging tussen de twee moordenaars. Dezelfde prent beeldt bovendien een deftig bruidspaar af, dat een kolossale trouwring vasthoudt.

Speculaasprent met Jakobsladder
Speculaasprent met bruidspaar en kruisiging. (Museum De Lakenhal, Leiden)

Al onze handwerkslieden en ambachtslui zijn op de prenten vertegenwoordigd: de vruchtenplukker met ladder, mandje en zak; de nachtwacht met zijn ratel; de slager naast het varken op de ladder. De huisvrouw zit aan het spinnenwiel; de boerin staat te karnen, het melkmeisje met haar juk komt vrolijk aanlopen. Heel ons volk, zoals het reilt en zeilt, is daar te zien. Zij rijden in bak- en arrensleden, op een boerenkar, in sjezen en speelwagens of kijken deftig uit het portier van een galakoets. Schepen, molens, huizen en kerken treffen wij op de planken aan naast voorwerpen uit het dagelijkse leven: de ouderwetse tenen wieg met het mooi gewerkte spreitje, de vuurmand, de rijk gebeeldhouwde kinderstoel, het ABC-bord.

Galakoets van taaitaai

De pronkstukken van elke bakker waren de vrijers en vrijsters, wier uiterlijk met de tijd wisselde. Nog worden deze gebakken met de ridderlijke emblemen: de edelman met de hond, de edelvrouw met de valk. De patriottentijd beeldde prins Willem V (met oranjesjerp en keeshond) als vrijer af, Wilhelmina (met goudsbloem) als vrijster.
Welk een grote plaats de speculaas in hartvorm besloeg, toont een plaatje van een koekwinkel uit de 18e eeuw. Geen wonder, want het geschenk van zulk een hart van een jonge man aan een meisje stond gelijk met een huwelijksaanzoek; aan de Zaan werden deze harten tot voor kort nog veel gebakken.

Zaanse speculaas in hartvorm

Zaans is ook het vruchtenmandje dat men in de Zaanstreek ook aantreft als versiering van het bovenlicht van de voordeur.

Zaans taaitaaigebak

Honderd jaar geleden was de speculaas nog in zijn glorietijd en behoorde het koek vergulden, het ‘plakken’, tot de traditionele wintergenoegens van de Truitjes en Toosjes der burgerkringen, zoals Hildebrand in zijn Camera Obscura verhaalt. Welk een rilling voer hem door de leden, toen er een grote majestueuze ‘dagbroer’ voor zijn eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd.

Dagbroer van speculaas

Doch voor tachtig jaren bracht de invoering van Engelse biscuits de bakkers op het denkbeeld het speculaasdeeg met metalen walsen in te drukken en af te snijden. Dit trof samen met de veranderde smaak van het publiek, dat boven de gekruide, vrij harde speculaas het broze botergebak verkoos. Doch dit verliest zijn vorm bij het bakken, de mooie oude prenten hadden nu geen reden van bestaan meer.
De meeste zijn toen in de bakkersoven verstookt. Doch een aantal is in onze musea en oudheidkamers ondergebracht, waar zij nu, in een tijd van nostalgie, een algemene belangstelling ondervinden.

Haagse Sinterklaasprent uit het eind van de 18e eeuw

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldSint- Nicolaas       jaartafels

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – gezichtspunten voor klas 5 t/m 10

.

Dit al tientallen jaren oude artikel gaat uit van de beschouwing dat de aarde een totaliteit is. De grote samenhang van het niet-levende en het levende.
De auteurs schetsen een overzicht van aardrijkskundige lesstof waarin deze samenhang tot uitdrukking komt.

De omstandigheden van de Hibernia school waren destijds anders dan de vrijescholen in Nederland die immers een duidelijke scheiding kennen in basisschool (klas 1 t/m 6) en middelbare school, klas 7 t/m 12: de bovenbouw, waarin klas 7 en/of 8 soms onderscheidend ‘middenbouw’ worden genoemd.

De klassenleerkracht die – ik maakte het in de jaren 1970 nog mee in Den Haag – tot en met 8 meeging met zijn klas, kon vanaf klas 5 al rekening houden met bepaalde onderdelen van de aardrijkskunde als een soort voorbereiding op wat nog ging komen in 6, 7 en 8. En ook de daarop voortbouwende aardrijkskunde vanaf klas 9. Ik herinner me werkbesprekingen van onder- en bovenbouwleerkrachten om de verschillende onderdelen op elkaar af te stemmen. Dat was veel makkelijker dan later: we zaten in hetzelfde gebouw.

Die afstemming is waarschijnlijk helemaal verdwenen. Nog in de hand gewerkt door het gebruik van methodes ‘van buitenaf’.

Desalniettemin levert het artikel talloze gezichtspunten op die je kan omzetten naar aardrijkskundige inhoud voor de klassen 4 -6 en uiteraard ook voor de hogere klassen.
Ook zie je ‘vakkenintegratie”: in klas 6 wordt bv. meetkunde gebruikt. 

Klas 3, 4 en 5, m.n. 6 <1>
Klas 7 <2
Klas 8 <3>
Klas 9 <4>
Klas 10 <5>

L. Gienapp / E. Heyder, Wanne-Eickel, Hibernia School Newsletter, 1968/69, nummer 2.

.

De aarde als geheel

I.

<1> In de 6e klas dagen we onze kinderen uit om iets nieuws te doen: we bekijken de aarde als geheel.
Tot dan toe hadden de kinderen met heemkunde (3e klas) en de eerste aardrijkskunde (4e klas) geleerd over hun directe omgeving, vervolgens over Nederland en in de 5e klas over Europa, in steeds grotere cirkels.
Aan de hand van levendige verhalen werden ze door vele landschappen geleid en ervoeren ze hoe mensen overal leven en werken – anders in de bergen dan aan zee, en weer anders in het bos of in de grote steden.

Nu wordt de hele aarde hun thuis. We gaan weer uit van hun eigen locatie en vatten nu wat de kinderen dagelijks meemaken samen tot nauwkeurige observaties: Wie van jullie heeft ooit een zonsondergang gezien? — De kinderen vertellen; sommigen zijn vast al eens aan zee geweest, anderen hebben misschien vanaf een berg de zon zien ondergaan. Maar ook wie niet op reis is geweest, heeft kunnen zien hoe de zon, vooral in de winter, bloedrood achter de daken van de huizen verdween. De kinderen vertellen veel mooie dingen die hen met vreugde vervullen; en met een nieuwe vraag vat de leerkracht de aandacht van de klas op een bepaald punt samen: Hoe lang duurt een zonsondergang? — Vermoedens en schattingen worden hardop uitgesproken. Een exacte berekening? Ja, dat is mogelijk: in 24 uur staat de zon op dezelfde plaats, ze heeft in die tijd een volledige cirkel doorlopen. We komen op de gradenmaat terecht; 360 graden vormen een volledige cirkel, dus de kwartcirkel van ons hoogste punt tot aan de horizon is 90 graden. Nu nemen we onze handen te hulp en stellen vast dat we met gestrekte arm negen handbreedtes boven elkaar moeten stapelen om deze 90 graden te bedekken, dat wil zeggen dat een handbreedte overeenkomt met 10 graden. Op het bord ontstaat de volgende berekening:

360 graden in 24 uur (of 1440 minuten)

10 graden in = 40 minuten

Dat betekent dat we met onze hand, als we die helemaal stil houden, met gestrekte arm veertig minuten lang de zon kunnen bedekken, of, nog verder gerekend, dat de zon acht minuten nodig heeft om bij zo’n poging achter een van onze vingers langs te gaan. Het is zo spannend dat je er zeker van kunt zijn dat de kinderen ’s avonds soortgelijke experimenten zullen doen. De volgende dag gaat men verder met de overige veranderingen in de stand van de zon en later worden ook de banen van de maan, de planeten en de vaste sterren meegenomen. Uit observaties en overwegingen ontstaat voor het kind geleidelijk aan het begrip van de ordening van het hemelgewelf, waaruit zich dan weer het idee van een aardbol in relatie tot de hemellichamen kan ontwikkelen. Zo wordt het gezichtsveld van de kinderen dit jaar aanzienlijk verbreed en naarmate de periode vordert, komt het gezicht van onze aarde steeds meer naar voren, continenten en oceanen vormen bepaalde figuren, de twee machtige bergketens in Amerika en Azië tekenen een groot kruis op de aarde – ijskappen, onbewoond door mensen, bedekken de polen – zeestromingen en handelsroutes verbinden steden en landen met elkaar. We prenten ons deze vorm in en leggen daarmee de basis voor veel overwegingen die ons de komende jaren bezig zullen houden. <1>

<2> Als de kinderen – zoals eerder beschreven – in de vierde klas leren zich los te maken van hun omgeving om tot het ‘beeld’ te komen, dan komt in de vragen van de zevende klas duidelijk de wens tot uiting om door het beeld heen tot begrip en inzicht te komen:

Waarom is het in Afrika warmer dan bij ons?

Is het waar dat de zon in Finland nooit ondergaat?

Waarom zijn de dagen in de zomer langer dan in de winter?

Is het in Afrika nooit winter?

Geldt in Moskou een andere tijd dan bij ons?

Wat is een datumgrens?

Wat betekent een schrikkeljaar?

Kinderen van deze leeftijd zoeken naar verbanden die ze kunnen doorgronden. Wat ze in hun directe omgeving zien, is niet meer voldoende. Observaties, die ze misschien al veel eerder hebben gedaan, willen nu worden verklaard, omdat kinderen aanvoelen dat mensen in staat zijn om ook datgene te onderzoeken en te begrijpen wat ze niet kunnen zien. Er gaat een groot gebied van nieuwe innerlijke ontdekkingen open! Dag na dag wordt deze kracht nu geoefend door nauwkeurig te observeren en de juiste verbanden te leggen om de antwoorden op de vragen te vinden: geldt in Moskou een andere tijd dan bij ons? Ja, hoe zit dat precies?

We stellen ons de aarde voor terwijl ze ronddraait. De ene helft wordt altijd door de zon beschenen, de andere helft ligt in het donker; sommige mensen hebben dag, andere nacht. Als het stukje aarde waarop we leven zich nu naar de zon toe draait, verschijnt de zon voor ons in het oosten boven de horizon, het is zonsopgang. ’s Middags zijn we het dichtst bij de zon, die hoog aan de hemel staat en fel en warm schijnt. Daarna verwijderen we ons langzaam van de zon, die voor ons in het westen ondergaat. Eerst wordt het schemerig, daarna donker. Als we het verst van de zon verwijderd zijn, is het voor ons middernacht. We richten onze tijd dus op de zon en als de Russen, de Engelsen, ja, alle mensen dat ook doen, moeten de klokken op aarde natuurlijk verschillende tijden aangeven!

Uit de observaties en beelden die we hebben gekoppeld, komt een wet naar voren die voor iedereen die aandachtig heeft gevolgd, duidelijk is. Het antwoord ligt duidelijk en helder voor ons innerlijke oog; en op dezelfde manier kunnen, onder begeleiding van de leraar, de antwoorden op vele andere vragen worden gezocht en gevonden.

Dan volgt een pauze van een heel jaar. De ideeën zakken weg, de krachten worden op andere gebieden verder getraind. <2> <3>En wanneer in het achtste schooljaar de aardrijkskundeperiode begint, kan men ervan uitgaan dat de leerlingen gewend zijn geraakt aan het zien van verbanden en het correct leggen van verbanden.

Als we nu weer uitgaan van het weer, dat ons allemaal aangaat, en de eigen observaties van de leerlingen samen doornemen en met elkaar in verband brengen, kunnen we laten zien dat de winden en zeestromingen zich volgens heel bepaalde wetmatigheden over de aarde verspreiden; de leerlingen zullen begrijpen waardoor bijvoorbeeld de woestijngordel van de aarde ontstaat, of hoe bepaalde omstandigheden moeten samenkomen om een onweer te veroorzaken. Zelfs wat ons zo grillig en toevallig lijkt, ons weer, wordt geregeld door wetten die overal op aarde gelden en die we kennen en grotendeels kunnen berekenen.

Juist op deze leeftijd, rond het veertiende jaar, wanneer de jongere de instinctieve en emotionele zekerheid van zijn kindertijd verliest, kan de hoop hem bemoedigen en inspireren dat hij door juist denken een kracht zal verwerven die hem de wereld opent en nieuwe zekerheid geeft. <3>

II.

<4> Als onze leerlingen in het zevende en achtste schooljaar de aarde als geheel hebben leren kennen, een levendig beeld hebben gekregen van hoe haar oppervlak wordt gevormd door oceanen en continenten, hoe wind en weer op haar inwerken, hoe de landschapsgordels zich om haar heen uitstrekken en hoe dieren en mensen op haar leven, dan richten we ons in de twee aardrijkskundeperiodes van het negende en tiende schooljaar op de vraag hoe dit grote aardse organisme zich ontwikkelt; hoe de aarde als geheel met al haar schepselen is ontstaan.

Eerst zoeken we in het negende leerjaar alle waarnemingen op die ons vertellen over veranderingen in het aanzien van de aarde. Dan horen we bijvoorbeeld dat bij Pozzuoli drie zuilen van een tempel zijn opgegraven, waarover al in 200 v. Chr. wordt bericht. Op de zuilen zijn sporen te vinden van boorwormen, dieren die alleen in zee leven. De tempel moet dus tussen 200 v. Chr. en nu lange tijd in zee hebben gestaan. De aarde moet daarvoor minstens zes meter zijn gezakt en daarna weer zijn gestegen, zodat de kust zich overeenkomstig kon verschuiven. Iets soortgelijks horen we uit Zweden, waar vissers nu gras maaien waar ze vroeger met hun boten visten. Vervolgens bespreken we dat ook het gebied waarin we leven in hoogte verandert en dat het terrein waarop onze school staat in de komende tien jaar al enkele meters ten opzichte van het zeeoppervlak zal dalen. Wat hier in onze regio te maken heeft met de nawerkingen van de mijnbouw, laat ons op kleine schaal zien wat er op grote schaal binnen de continenten gebeurt.

De verschijnselen zijn vergelijkbaar. Net zoals er in mijnbouwgebieden verzakkingen en breukzones kunnen ontstaan die vervolgens leiden tot mijnschade, vinden we in het aardoppervlak dergelijke grote breukzones, vinden we plooien en verzakkingen. We ontdekken dat overal waar deze breukzones zich bevinden, er in het bijzonder aardbevingen of vulkanisme heerst, en we vinden als oorzaak van deze veranderingen aan het aardoppervlak krachten die vanuit het binnenste van de aarde werken.

Bij verder onderzoek komen we andere krachten tegen. Wind en weer, hitte en vorst hebben van buitenaf een veranderend effect op het aardoppervlak. We zoeken alle sporen van erosie op, we zien hoe het water zijn sporen in het aardoppervlak graaft, we ontdekken hoe verschillend de valleien zijn gevormd, die door het water en die door ijs zijn ontstaan. Wat we kunnen waarnemen aan de kleine gletsjers in onze hoge bergen, voert ons terug naar vervlogen tijden, toen grote delen van ons continent bedekt waren met ijsmassa’s, wat we kunnen zien aan de van oost naar west stromende rivieren, in de zogenaamde oerstroomdalen, maar ook in de vruchtbare grond van het Münsterland of in de granieten zwerfkeien. Verder gaan we in op de opbouw van de aardkorst, en opnieuw komt alle ervaring uit de mijnbouw ons te hulp: we zien, hoe het aardoppervlak is opgebouwd uit lagen die uit heel verschillende materialen bestaan. We zoeken naar dergelijke dwarsdoorsneden door het aardoppervlak en horen hoe ingewikkeld het soms is als door plooien iets wat dieper ligt, naar boven wordt geworpen. Ten slotte horen we nog dat nauwkeurige metingen hebben aangetoond dat de continenten niet alleen op en neer gaan, maar ook in horizontale richting naar elkaar toe en van elkaar af bewegen, en dat als gevolg van deze continentale verschuiving het aanzien van de aarde in grote tijdsperioden volledig verandert. In de loop van het tijdperk rijst steeds meer de vraag of men iets te weten kan komen over de geschiedenis van de aarde, of men kan zeggen hoe zij er vroeger uitzag, en nog vroeger, en in heel oude tijden. Tegelijkertijd hebben de leerlingen ook geleerd dat men het aanzien van de aarde kan lezen als in een boek, dat men aan de vorm van een vallei kan zien waardoor deze is ontstaan, dat men kan verklaren waarom de gesteenten op een bepaalde manier over de aarde zijn verdeeld. <4>

<5> In het tiende schooljaar horen we nu hoe de wetenschap op een geweldige manier het boek van de aardlagen heeft ontcijferd en hoe zich uit de taal van de fossielen, uit het lezen van de aardlagen, beeld voor beeld het verleden van de aarde ontvouwt. Daarbij praten we niet alleen over hoe het aardoppervlak gevormd was, maar horen we tegelijkertijd welke planten en dieren er toen leefden.

We zien hoe er in de geschiedenis van de aarde lange tijdperken zijn geweest waarin planten, dieren en gesteenten samen zijn ontstaan en zich steeds opnieuw hebben veranderd. Elke laag van de aardkorst toont ons nieuwe vormen. We zien hoe uit eenvoudige, onopvallende levende wezens steeds hogere vormen ontstaan, hoe machtige vormen ontstaan die we vandaag de dag niet meer kennen; we leren dat niet alleen de levende wezens veranderingen hebben ondergaan, maar dat ook de gesteenten en mineralen steeds nieuwe bestaansvormen hebben aangenomen, dat ze pas geleidelijk zijn gestold tot het harde gesteente van de aarde, tot de heldere kristallen en tot de aders van de ertsen. We horen hoe gebergten die veelzijdig zijn, maar qua hoogte toch onopvallend, zoals bijvoorbeeld ons Sauerland, tot de heel oude formaties van deze aarde behoren en hoe andere, die vandaag de dag heel hoog oprijzen, zoals bijvoorbeeld de Alpen, in de zin van de aardgeschiedenis heel jong moeten worden genoemd.

Nu we de aardse tijdperken hebben leren kennen in hun karakteristieke verschijningsvormen en opeenvolging, houden we ons bezig met de vraag naar de wetmatigheid die daarin heerst. Deze vraag richt zich in het bijzonder op het ontstaan van levende wezens en de mens, waarvan de uiterlijke sporen pas helemaal aan het einde in de jongste aardlagen te vinden zijn. We maken kennis met de pogingen van de menselijke geest om de sporen van de schepping te ontrafelen, de grandioze pogingen van Darwin en Haeckel om het ontstaan van de soorten te verklaren. Maar we merken ook de grenzen van deze eerste pogingen tot verklaring, die voortkwamen uit enthousiasme, vooroordelen en misvattingen. Als het dan aan het einde van een dergelijk tijdperk op basis van alle eerder beschreven observaties en alle daarmee samenhangende overwegingen mogelijk wordt om aan te tonen hoe de opeenvolgende tijdperken van de aardgeschiedenis fasen zijn van een schepping die een gemeenschappelijk doel heeft: de schepping van de mens – hoe we al in de eenvoudigste vormen het oerbeeld van het menselijk lichaam kunnen herkennen, hoe dit oerbeeld steeds meer werkelijkheid wordt in de opkomende dierfiguren, dan doet de jonge mens de ervaring op die op deze leeftijd doorslaggevend is. Het zijn grote, wijze ordeningen die zich openbaren in de scheppingsgeschiedenis van de aarde en de mens en die hij geroepen is te ontrafelen om zich in hun dienst te stellen. <5>

.

Aardrijskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Aardrijkskunde klas 5 

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3470-3267

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (103)

.
(Tekst in blauw van mij phaw)

.

Succes voorspellen kan beter met de marshmallowtest

In Trouw van 03-05-2025 schreef columnist Iris Summer onder deze titel over een psychologisch onderzoek van een 4-jarige.
Die zit aan een tafeltje met een bord voor zich waarop een grote marshmallow ligt die in geuren en kleuren wordt beschreven.
De dame bij het onderzoek zegt hem dat hij die gerust mag opeten als ze zo dadelijk tien minuten weggaat. En, wanneer hij dat niet doet, hij er nóg een krijgt.

Uit het onderzoek dat hieraan ten grondslag ligt, blijkt datkinderen die de marshmallow kunnen weerstaan, doorgaans een betere toekomst tegemoet gaan dan kinderen die hem direct verorberen. Ze hebben minder kans op verslaving, op overgewicht, op een gevangenisstraf. Ze zullen meer opleiding genieten, meer verdienen, gelukkiger en langer getrouwd zijn en zelfs langer leven. Het vergt namelijk doorzettingsvermogen om een snelle beloning uit te stellen voor een groter doel in de toekomst.’

Voor mensen die vertrouwd zijn met Steiners achtergronden voor de vrijeschoolpedagogie zal het woord ‘doorzettingsvermogen‘ onmiddellijk geassocieerd worden met ‘opvoeding/ontwikkeling van de wil.
Dat is in zekere zin het omgekeerde van ‘intellectuele ontwikkeling.

En nu gaat de column verder met de kop:

Intelligentie zegt niet zoveel

Dan volgt het verhaal van docent Angela Lee Duckworth die concludeertdat slimme kinderen het niet per se goed doen op school, en domme kinderen niet per se slecht. Het gaat om doorzettingsvermogen, dat bepaalt de uitkomst. De lange adem, dat is doorslaggevend.

Summer merkt dan op dat het onderzoek al in de jaren 1980 gedaan is en dat we eigenlijk dus allang weten dat het om doorzettingsvermogen gaat. De intelligentie staat echter nog steeds – onverdiend – op een voetstuk.
Nog altijd wordt in de doorstroomtoets bv.  getest op taal, rekenen en optioneel wereldoriëntatie. En grote bedrijven selecteren vaak op basis van IQ-testen.
Nooit wordt er getest op ‘hoelang kun je van de marshmallow afblijven’.

‘Slimmerikjes kunnen vluchtige vlinders zijn, domoortjes taaie terriërs die zich vastbijten en nooit meer loslaten.’

Verwelkom mislukking en vind uw terriër

Dan wordt er een interessante vraag gesteld naar ‘hoe we doorzettingsvermogen kunnen koesteren’.
En de ‘tips’ blijken van psychologische aard te zijn:
Miskleunen zijn geen trauma, ze zijn de beste leerschool voor succes. Je hoeft slechts één keer vaker op te staan dan te vallen. Veeg het ijs niet te glad voor je nageslacht. En til ze niet over het paard.’

Dit veronderstelt een al aanwezig doorzettingsvermogen. 
Maar het artikel rept met geen woord over een pedagogisch-didactische en methodische aanpak om doorzettingsvermogen te ontwikkelen!

Ten tweede: besef dat je brein een wonderbaarlijk orgaan is, altijd in staat om nieuwe verbindingen te maken, om nieuwe kennis op te doen. Hoe slimmer je bent, hoe sneller je leert. Maar het geeft niks als je wat langer nodig hebt om nieuwe vaardigheden te beheersen. Neem die tijd. Ook mensen met gemiddelde of beneden-gemiddelde intelligentie kunnen vrijwel alles leren, mits ze bereid zijn er voldoende tijd en moeite in te steken.

Ook dit klopt in z’n algemeenheid, maar: door de achterdeur wordt toch de kennis weer binnengehaald.

Naast deze wat ‘open-deur-adviezen’ zou het belangrijkste zijn:

Een zak marshmallows, dat is wat je nodig heeft. 

Wat er écht nodig is, is een opvoeding, een ontwikkeling van de wil.
En die wordt o.a. ontwikkeld door herhaald oefenen van bepaalde lesstof:

bv. het vormtekenen:
telkens weer proberen of je de symmetrievorm mooier kan krijgen; of het je steeds beter gaat lukken de vlechtvorm tot stand te brengen.

handwerken/handenarbeid
net zo lang doorwerken tot je brei/haakwerk, je pantoffels af zijn; telkens verder gutsen aan je lepel: mislukt het: opnieuw beginnen; lukt het, nog eindeloos afwerken met schuren, enz.

touwtjespringen, hinkelen
en maar oefenen, oefenen, oefenen tot het eindelijk lukt!

Dit zijn slechts drie voorbeelden uit de vrijeschoolpedagogie wat betreft de oefeningen van de wil, de behendigheid.
Wat de ‘nieuwe hersenwindingen’ betreft: het is toch al bekend dat die vooral ontstaan door het bezig zijn met de ledematen, m.n. de handen.

Steiner zei in 1919 al:

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.
GA 295/38-39   
Vertaald/38

.

De originele marshmallowstudie uit 1989: Mischel W, Shoda Y, Rodriguez MI. Delay of gratification in children. [zie hieronder bij reacties]

Meer vrijeschool over het oefenen van de wil

Menskunde en pedagogie: over de wil: [10]   over handen en intelligentie  

Rudolf Steiner over: handen en intelligentie

Algemene menskunde: 2e voordracht over de wil [2-3]

Opspattend grind: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3469-3266

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (7)

.

Erika Buris, Wanne-Eickel, Hibernia Schule, nr.1, 1968

.

Er wordt een kaart getekend

Tussen hun negende en tiende levensjaar moeten onze kinderen een belangrijke drempel overschrijden; ze krijgen een heel nieuwe relatie met hun omgeving. Een heerlijk gevoel van geborgenheid en nabijheid tot alles wat om het kind heen gebeurde, gaat verloren; daarmee ook de kracht om te leren uit het directe meeleven, uit het nadoen. Een nieuw gevoel, dat zich in de voorgaande schooljaren al aankondigde, neemt de plaats in; onze kinderen kunnen nu met innerlijke rust waarnemen, zich een beeld vormen van wat ze beleven. Daarvoor is ‘afstand’ nodig, en die afstand tot de omgeving en de gebeurtenissen daarin winnen onze kinderen nu. Maar daarbij moeten ze, zoals bij alle ontwikkelingsfasen, geholpen worden.

Een belangrijke hulp bij dit proces van afstand nemen krijgen de kinderen bij het tekenen van kaarten. Ze kunnen nu voorzichtig zo worden begeleid dat ze van het beleefde landschap – waarin ze zelf nog helemaal staan – tot het kaartbeeld komen.

Dit moet natuurlijk grondig worden voorbereid. We zijn daarbij uitgegaan van het meest voor de hand liggende, het bekende, door eerst een plattegrond van het klaslokaal te tekenen. We moesten ons voorstellen dat we er niet meer in stonden, maar op enige afstand erboven stonden en er van bovenaf op neerkeken. Voordat we begonnen met het tekenen van de plattegrond, werd er veel gemeten met voet- en staplengtes, werd de lengte in verhouding tot de breedte bekeken en werden de verkregen maten vergeleken.

We klommen toen naar een nog hoger uitkijkpunt; de kinderen wisten meteen: daar kunnen we natuurlijk meer overzien! – en er werd een plattegrond van het hele schoolgebouw en het schoolterrein getekend. Bij het maken van deze tekeningen werd duidelijk rekening gehouden met de windrichtingen, die de kinderen al in een eerdere les over lokale geschiedenis hadden geleerd. Door naar het verloop van de dag te kijken, herkenden ze namelijk het gebied van de zonsopgang eerst als ‘ochtend’ en dat van de zonsondergang als ‘avond’; ook werden middag en middernacht in relatie tot de stand van de zon gezien. De kinderen kregen zo een levensecht verband met de hele ruimte en zijn richtingen.

Bij het tekenen van het schoolterrein kwam ook de ‘schaal’ ter sprake: dat niet alleen voor dergelijke tekeningen de juiste schaal moet worden gebruikt, maar dat het ook in het leven van ieder mens belangrijk is om voor zichzelf de juiste, namelijk een hoge schaal te vinden en toe te passen voor zijn eigen daden, gedachten en gevoelens.

Om de kinderen persoonlijk te laten ervaren hoe ze het natuurlijke landschap kunnen overzien en loslaten voor het tekenen van kaarten, hebben we in deze periode een excursie gemaakt. We hebben daarvoor een gebied gekozen waar je vanaf de top van een berg in een rivierdal kunt kijken. Dat hebben we ook met veel  plezier gedaan; we ontdekten dat ons bospad een heel eind langs de kronkelende rivier liep, zodat we zelf konden wandelen wat we eerder hadden gezien. De volgende dag werd daar samen een soort plattegrond van getekend; sommige kinderen merkten toen al op: dat lijkt bijna op een kaart!

En kort daarna waagden we ons echt aan het tekenen van de eerste kaart – eerst van het kleinere gebied tussen Lippe en Ruhr, maar daarna van het grotere gebied tussen Lippe-Ruhr-Wupper-Sieg en in het westen tot aan de Rijn, dus een groot deel van Noordrijn-Westfalen, nadat dit vanuit veel verschillende gezichtspunten grondig was besproken.

Daarmee is een derde, belangrijk punt in dit vak bereikt, namelijk dat de ervaring en het beeld samensmelten tot een teken en zo een ‘schrift’ worden dat je vervolgens ook weer kan lezen. Het is in feite dezelfde weg die al met de schoolbeginners wordt bewandeld bij het leren van de letters, die ook door middel van verhalen en beelden aan het kind worden bijgebracht.

Zo kan je in grote lijnen het traject zien dat met de kinderen moet worden afgelegd om hen geleidelijk aan de noodzakelijke abstractievaardigheid bij te brengen, maar dan wel een abstractie die de grond onder de voeten niet verliest, maar nog steeds de verbinding met de werkelijkheid en met het eigen gevoel en beleven in zich heeft.

Met deze zeer beknopte beschrijving mag duidelijk zijn geworden dat we bij dit vak drie belangrijke educatieve aspecten voor ogen hebben:

1. Afstand en overzicht krijgen,

2. Maten vinden,

3. De gebarentaal zelf vormgeven en als een schrift begrijpen.

In het vijfde leerjaar gaan we over van streekkunde naar aardrijkskunde; dit gaat verder dan wat we zelf eerder konden afleggen, opmeten en bewandelen. We moeten metgezellen zoeken die ‘namens’ ons door de landen trekken: dat zijn de rivieren. Door de loop van de rivieren te volgen, overbruggen we het verschil in hoogte tussen zeeën en bergen. Zo komen we bij het dynamisch kaarttekenen. Als een levendig, pulserend netwerk van aderen wordt een land doorkruist door rivieren, aan de oevers waarvan het menselijk leven en doen zich afspeelt, kleurrijk en veelzijdig, serieus en mooi.

De leerkracht begon hier ‘in het klein’, in de klas. 
Je kan ook het principe ‘van het geheel naar de delen’ wat grootser toepassen door eerst zo hoog mogelijk te gaan staan om vandaar naar beneden te kijken. En dat kan het beste vanaf een toren. Vanaf een heel hoge – ik had het geluk dat vanaf de Martinitoren in Groningen te kunnen doen – zie je beneden de platte grond al. 
Een (latere) leuke opdracht is ook de kinderen ‘de weg van huis naar school’ te laten tekenen  (of andere varianten)- voor zover de afstand dat toelaat. 

.

Tekenen en schilderen van kaarten: Schilderen in klas 6 – 8

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeldaardrijkskunde    klas  5

.

3468-3265

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie

.

Voor haar studie euritmiedocente schreef Philia de Vries deze scriptie:

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN?

– Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken. 

Hoofdstuk 2

2.1. Deze scriptie richt zich op het vak pedagogische euritmie

In het kader van deze scriptie richt ik me op de euritmie als pedagogisch vak, de ‘pedagogische euritmie’ genoemd’.

De pedagogische euritmie, bevat na de kleuterklassen 12 jaar leer- en ontwikkelingsstof van de lagere en middelbare school, oftewel middenbouw basisschool en het voortgezet onderwijs. In deze scriptie beperkte ik me tot de leeftijd van 4-12 jaar, omdat ik daarin dit vak vanuit mijn eigen ervaringen als leerkracht en euritmievakleerkracht kan onderbouwen.
Voor de middelbare school zou een uitbreiding van deze scriptie gewenst zijn om ook de waarde in deze klassen met dit vak te onderbouwen.

2.1.1 Wat is euritmie? 

Er zijn in  de loop der jaren meerdere vormen van euritmie ontstaan, naast de euritmie als kunstvorm. Allereerst de pedagogische euritmie, later de euritmietherapie en veel later ook de sociale euritmie die ingezet kan worden in verschillende werkvelden.
Alle vinden hun bron in de oorspronkelijke euritmie zoals deze vanaf de jaren 1912 tot 1924 met Rudolf Steiner gezamenlijk vanuit de deelnemende studenten en euritmisten ontwikkeld werd.

Euritmie als vakgerichte opleiding valt in Nederland (Hogeschool Leiden) onder de categorie ‘dans’, maar een betere omschrijving is ‘bewegingskunst’. [1]

De euritmie baseert zich op waarnemingen van Rudolf Steiner, die deze bewegingskunst op vraag van Lori Smits als studente ontwikkelde tot een danskunst waar allereerst de spraakklanken, vormen in de taal en ritmen ontwikkeld werden. [2]
Later werd de muziek, de ‘tooneuritmie’, aan deze danskunst toegevoegd. [3]

Over het ontstaan van de klankgebaren die met de armen gevormd worden zegt Rudolf Steiner het volgende:

Geradeso wie es Formungen gibt des Kehlkopfes und der anderen Sprachorgane […], so gibt es die entsprechenden Bewegungen, Bewegungsformen. Diese Bewegungsformen, sie sind daher diejenige Offenbarung des Willens, für die sonst die Offenbarungen des Gedankens und des Willens, im Sprechen und Singen bestehen. Das Gedankliche, das rein abstrakte Gedankliche, das in der Sprache ist, wird hier herausgenommen, und alles, was sich aussprechen will, in die Bewegung selbst hineinversetzt; so daß die Eurythmie im weitesten Sinne eine Bewegungskunst ist.

“Zoals er formaties zijn van het strottenhoofd en de andere spraakorganen […], zo zijn er overeenkomstige bewegingen, bewegingsvormen. Deze bewegingsvormen zijn (daarom) [4] de openbaring van de wil*. Andere openbaringen van het denken en de wil bestaan uit spreken en zingen. De gedachte, (in de inhoud en de vorm van bijvoorbeeld een tekst of gedicht -PdV), de zuiver abstracte gedachte, die in taal is, zich uitspreken wil, wordt door de euritmie zichtbaar gemaakt en omgezet in de bewegingsgebaren [5] zodat euritmie in de breedste zin een bewegingskunst is.” [6]

Euritmie wordt daarom ook wel ‘zichtbare spraak’ of ‘zichtbare zang’ genoemd.

Het woord ‘euritmie’ is een Grieks woord en betekent ‘goed ritme’ of ‘harmonieus ritme’.[7] Hiermee wordt nog een diepere laag van het vak aangeduid: De euritmie sluit direct aan bij onze levenskrachtenenergie. Ze maakt niet alleen de levenskracht in taal en muziek zichtbaar, maar versterkt door het beoefenen en het kijken ernaar ook onze eigen levenskrachten. Zo wordt haar benaming van ‘goed /harmonisch ritme’ beleefbaar!

De euritmie onderscheidt ze zich daarmee als dans/bewegingskunst van enkel expressie, of bewegingen waarbij niet direct inhoud van wetmatigheden in de taal en muziek zichtbaar wordt: Als kunstzinnige representatie druk ze uit wat als een geestelijke werkelijkheid verborgen ligt in taal en muziek. 

De fysieke bewegingen, gevoed vanuit onze levenskrachten worden tot stromende, krachtige en lichte gebaren, die de fysieke zwaarte van onze bewegingen als het ware ‘optillen’. [8] [9]

Daarmee onderscheidt zich de euritmie dan ook wezenlijk van andere bewegingsvormen en is de grondslag, waarop de meerwaarde van dit pedagogische vak berust!

[1] Inleiding in de nieuwe bewegingskunst
[2] Rudolf Steiner Eurythmie als sichtbare Sprache GA 279
[3] Rudolf Steiner Eurythmie als sichtbarer Gesang GA 278
[4] het betreft hier de bewegings/klankgebaren in de euritmie waarbij de beweging gekarakteriseerd wordt als uitdrukking van de wil)
[5] zoals muziek in de euritmie zichtbaar wordt door tonen en intervallen, ritme, maat en bewegingsstijl (-PdV)
[6] In de loop der jaren zijn er naast de oorspronkelijke kunstzinnige, therapeutische en pedagogische vormen van euritmie verschillende andere vormen ontstaan, zoals beroeps-, senioren-, vitale en hygiënische euritmie.
[7]‘Harmonisch ritme’. Euritmie als bewegingskunst is gerelateerd aan de ‘levenskrachten’ . (Schoorel 2013, p. 33-47): ‘Euritmische beweging’ probeert deze levenskrachten beleefbaar en zichtbaar te maken’.
[8] Rudolf Steiner over: Zichtbaar spreken en zingen in GA 301 blz. 251, 257, 259). Vertaald
[9] 14 Rudolf Steiner over: Euritmie als bewegingskunst  in GA 305.
Vertaald

2.1.2 Wat is pedagogische euritmie en welke plek heeft dit vak binnen het vrijeschoolonderwijs?  

Vanaf het begin bij het ontstaan van de vrijeschool (Stuttgart 1919), zijn er in het leerplan twee ‘bewegingsvakken’ opgenomen: gymnastiek/sport en euritmie.

Met gymnastiek op school – voor alle leerlingen, dus jongens en meisjes – was Rudolf Steiner in zijn tijd al vooruitstrevend. Euritmie is daarnaast een onbekend vak en heeft als ‘pedagogische euritmie’ sindsdien een heel eigen plek heeft binnen het vrijschoolonderwijs en scholen die werken met mensen met een beperking. Rudolf Steiner heeft indertijd in verschillende voordrachten het belang en verschil van beide vakken in het onderwijs toegelicht! [1]

[1] Rudolf Steiner over euritmie en gymnastiek

2.1.3 Leerstof van de pedagogische euritmielessen

Het vak euritmie gebruikt in de basis de leerstof uit het leerplan (curriculum) van de vrijeschool als materiaal. [1]

Middels verhalen, gedichten en muziek ondersteunt het vak de leerstof in de klas/leerjaar en daarmee ook om de processen van het opgroeiende kind in een kunstzinnig uiten en bewegen beleefbaar te maken, waarbij tevens concentratie, vaardigheid en motoriek worden bevorderd en zowel individueel als ook de sociale vermogens van een groep/klas gestimuleerd worden.

Het vak ondersteunt zo de bewegings- en innerlijke ontwikkeling van de kinderen door de gehele schooltijd heen: om de algemene ontwikkeling die het kind doormaakt, (gebaseerd op Steiners mensbeeld) dat aan het vrijeschoolonderwijs ten grondslag ligt te begeleiden. [2] 

Op de vrijeschool staat de leervraag centraal: Kan het kind wat het ziet, hoort en oefent als leerstof niet alleen cognitief integreren, maar dit met lichaam en ziel, als vaardigheid ook innerlijk verbinden en omzetten in praktisch vormgeven? In de euritmielessen wordt de wil vanuit het actief bewegend bezig zijn met de inhoud extra geactiveerd en verdiept, maar ook het gevoel voor vormen, taal/muziek, beweging en inzicht! bevorderd.

[1] Wat is de vrijeschool, van jaar tot jaar
[2]Leerplan euritmie vrijeschool Rotterdam West

2.2 Het gebruik van pedagogische euritmie en de neurologische en sensomotorische ontwikkeling van het kind en innerlijke ontwikkeling naast de fysiologische ontwikkeling

Pedagogische euritmie gaat uit van een gezonde ontwikkeling van het kind.

Het activeert de vitaliteit die het opgroeiende kind nodig heeft, om gezond het leren aan te kunnen! Als dusdanig is de pedagogische euritmie een leerstof overschrijdend vak!

Bij een kleuter werkt dit anders dan bij een schoolgaand kind of puber!

Bij een kind in de kleuterleeftijd werken de euritmiebewegingen direct door in de fysieke organen (inclusief de vorming van de hersenen) [1]

Bij schoolkinderen worden de levenskrachten (vitaliteit) en het begripsvermogen geactiveerd. Bij een puber (middelbare school) gaat het erom dat de leerling opnieuw het ‘groeiende en veranderende lichaam’ al bewegend met zijn levenskrachten kan doordringen en zowel de aardezwaarte, als het opheffen daarvan in de ziel tot innerlijke vaardigheid wordt. Als je naar dit gegeven kijkt, wordt duidelijk dat het vak euritmie extra bijdraagt aan de neurologische en sensomotorische ontwikkeling, maar ook de psyche ondersteunt!.

[1] Rudolf Steiner: GA 224/9:  Lopen, spreken en denkenmens in relatie tot de engelenwereld. . “Werken die bewegingen […] verder tot in de hersenen […] vormende werking uitoefent.” 

2.3 Het belang van euritmie op vrijescholen en hoe deze momenteel onder druk staat .

Hieronder wordt de Nederlandse situatie van het euritmie onderwijs op de vrijescholen kort toegelicht

Vanaf de jaren ’70 in de vorige eeuw zijn er veel nieuwe basisscholen en bovenbouwscholen in Nederland bijgekomen. Deze groei zet momenteel nog steeds door, ook in de alternatieve ‘staatsvrije scholen’! 
Dit staat in schril contrast met het feit dat de laatste jaren – ondanks de deeltijdopleiding – in Nederland [1] minder mensen zijn afgestudeerd als dans- euritmiedocent dan tot in de jaren ’90 van de vorige eeuw, met toen nog 20 à 25 studenten per jaar! Hierdoor zijn op dit moment te weinig docenten die dit vak nu en in de komende jaren kunnen geven, ondanks dat de opleiding van kunstzinnige naar een pedagogische vakopleiding is omgezet! Daarom hebben niet alle scholen euritmielessen; er zijn ook ideologische en financiële overwegingen  die ervoor zorgen dat er op bepaalde scholen geen euritmie gegeven wordt.

 Sinds 2017 is er echter een groep leerkrachten/dansdocenten, die dit vak een warm hart toedragen, van start gegaan! Onder leiding van Jiri Brummans (‘stichting Dynameis’) die een eigen leerlijn heeft neergezet binnen het euritmieonderwijs, startte hij met geïnteresseerden een eigen opleiding. 

Na zijn dood in 2021, heeft zijn vrouw Lara Brummans de opleiding onder het cursusaanbod van de BVS (Begeleidingsdienst voor vrijescholen) voortgezet en hebben ook andere euritmisten zich aan deze opleiding verbonden! Omdat deze ‘studenten’ niet de ‘euritmieopleiding’ hebben voltooid, zijn ze niet gekwalificeerd als euritmist. Maar zij scholen zich verder! En sommigen van hen zijn alsnog de opleiding begonnen om hun werk ‘euritmisch’ meer handen en voeten te geven! Hun enthousiasme is heel groot voor dit vak en zo proberen zij bij te dragen aan het euritmische gat van het tekort aan pedagogische euritmisten en noemen dit ter onderscheiding euritmisch bewegingsonderwijs.

De vraag “Waarom euritmie in het onderwijs?” heeft daarom een goede onderbouwing nodig om de euritmie als vak vanzelfsprekend binnen de school te erkennen, mede omdat het nog steeds een vak is dat niet bekend is in het openbare leven buiten de school. Men heeft (meestal ) geen referentiekader  [3]. Als ouders dan het signaal krijgen dat de kinderen niet geïnteresseerd zijn in het vak en euritmie ‘stom’ vinden, dan is dat ook voor de ouders niet echt motiverend om het vak te ondersteunen, daar het vaak betaald wordt uit de extra schoolgelden die de ouders betalen en het een duur vak is omdat ook een muzikant ter begeleiding betaald moet worden. 

Waar de genoemde ‘weerstand bij de kinderen’ ligt, heeft vaak een diepere oorzaak (zie punt 2.4.)

De noodzaak om dit onderwerp goed zichtbaar te maken in de ‘leercurve’ van de kinderen op school, heeft daarom een bijzondere betekenis om het voortbestaan van het vak op vrijescholen te rechtvaardigen. 

Dit werk wil een aanpak laten zien om de toegevoegde waarde van pedagogische euritmie zichtbaarder te maken: Het belang van euritmie voor de ontwikkeling van kinderen! 

Enkele middelen om dit te doen zijn bijvoorbeeld ‘open dagen’, proeflessen, presentaties, cursussen en artikelen in de schoolkrant, [4] [5] voorstellingen en vooral gesprekken waarin de ontwikkeling van het kind centraal staat. 

De boeken van Marijke van Vuure en Audrey McAllen die voor dit werk zijn bestudeerd, geven inzichten om het onderwerp euritmie op school beter te onderbouwen

[1] Hogeschool Leiden – docent dans-euritmie

[3] A. Ehrlich: “Dus ik denk […] dat je begrippen gebruikt die een ander begrijpt […]” blz.34 in :’ Stilstaan is geen optie‘.
[4] Euritmie in de kleuterklas
[5] Achtergronden euritmie en leerplan

2.4 Voorbeeld: uit de wereld van het werk: Hoe de euritmie op scholen haar plaats kan vinden

De Vrije School Utrecht (VSU) is een zogenaamde coöperatie waarbij de leraren mede-eigenaar van de school zijn. 

Binnen de school is in 2015-2016 met behulp van opiniepeilingen een werkgroep opgericht om te onderzoeken hoe het vak euritmie beter geïntegreerd kan worden in de leerstof.

Een van de doelen was dat het vak voor de kinderen een natuurlijk onderdeel van het leerplan zou worden en niet alleen gezien wordt als ‘dat ene uur per week in het euritmielokaal’, dat los staat van wat er in de klas wordt gedaan. 

Mogelijkheden werden bekeken en suggesties gedaan om dit verder te ontwikkelen. Vorig jaar vond een proefproject plaats, waarbij de vijfde en zesde klas in twee blokken werkten – met twee keer per week euritmie [1] en aan het eind gaven beide klassen elk een presentatie. 

Een natuurlijke houding voor dit vak vanuit de school en de leerkrachten kan de weerstand van de kinderen voor euritmielessen doorbreken. Dat betekent ook dat de leerkrachten doordrongen moeten zijn van de meerwaarde van dit vak als ondersteuning van hun werk en hier door aanwezigheid waar mogelijk, waardoor de leerlingen zich ‘gezien’ voelen, maar ook zelf actief of innerlijk het vak ‘mee te dragen’. Dat je dit vak ‘wilt’ voor je leerlingen, omdat ze er zoveel aan kunnen ontwikkelen en het jouw lessen ‘ondersteunt’ qua inhoud, maar ook concentratie en vaardigheden! Ook vanuit de vakleerkrachten kan deze eenheid ontstaan, hoe ieder daarin vanuit zijn vak bijdraagt!

Deze ‘omhulling en inbedding van het vak’ binnen de school, maakt dat de leerlingen ervaren aan de volwassen dat het beoefenen van dit vak ‘zin’ heeft en onderdeel is van de school. 

Dit is een belangrijk aspect, omdat veelal de kennis en begrip voor het vak niet altijd bij de leerkrachten en het college leeft. Heel logisch dat het onbegrip en ook de eigen ‘weerstand’ dan ook doorwerkt op de leerlingen. De euritmieleerkracht werkt heel hard, maar vaak is het daardoor ‘water naar zee dragen’, het beklijft niet in de school! Dan vindt men deze vakleerkracht onbekwaam. Wat een leerkracht en school zich daarbij niet realiseren is dat een euritmie-leerkracht niet alleen met zijn ik en ziel zijn lessen vormgeeft maar ook met zijn eigen ‘levenskrachten’. Gevolg dat men dan aantijgt dat deze leerkracht niet capabel is en onvoldoende didactisch werkt en dan ook nog vaak ziek wordt!

Het mag duidelijk zijn dat dit vak dan ook niet een ‘verfraaiing van het vrijeschoolonderwijs is’, maar een wezenlijk vak, dat binnen het college en de individuele leerkrachten ‘gewild’ moet worden, ook al heb je er zelf niet zoveel mee, of vind je het zelf ‘onaangenaam’. In feite is het een vak dat ‘geestelijke vleugels’ geeft aan het vrijeschoolonderwijs en is daarom ook ‘kwetsbaar’!

Hoe zit dat bij de kinderen?

Deze weerstand komt meestal voort uit het feit  dat dit vak een beroep doet op het kind om zijn ‘eigen innerlijke capaciteit en vitaliteitzichtbaar te maken in de oefeningen!

Een situatie waarin ze kwetsbaar zijn, vooral in deze tijd waarin het dagelijkse ritme verdwijnt uit de cultuur van leven en werk en de uiterlijke verschijning van dingen en mensen in het middelpunt staan.

Het feit dat de kinderen de concentratie- en behendigheidsoefeningen met plezier doen, helpt hen deze weerstand te overwinnen die ze hebben als ze zich goed zich innerlijk met hun lichaam moeten verbinden bij het oefenen. 

Het valt op dat de kinderen die behendig bewegen tijdens atletiek, capoeira of skateboarden vaak de grootste moeite hebben om zich innerlijk te verbinden. Hun bewegingsvermogen ligt in het beheersen van de spieren, maar daarbij komt niet altijd hun innerlijk gevoel mee. Hun houding is ook vaak wat koppig opdat ze hun innerlijk en het daarin niet vaardig zijn (maar zelfs onhandig zijn) niet hoeven te laten zien. Hun ‘vertrouwen’ moet zich op een andere manier opbouwen en dat doet (innerlijk) ‘pijn’!

Deze ‘pijn’ is een realiteit in de ervaring, maar soms moet je als volwassenen ook door die weerstand heen kijken en leerlingen kunnen dat soms bij elkaar ook!

Als een ouder uit de zesde klas ons vertelt dat hun kind net heeft gezegd dat hij of zij grappige dingen doet in de euritmieles (terwijl de werkhouding van het kind allesbehalve inspirerend is) omdat het altijd afleidt en daardoor storend is), dan moet je soms op een speciale manier kijken om te herkennen dat het kind zich ontwikkelt door het aangeboden materiaal.

Opvallend is altijd weer dat de aanwijzingen van Rudolf Steiner (vooral voor de zesde klas) altijd met rustige aandacht moeten worden uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn: de evolutievorm, de halleluja-kroonvorm en het octaafgebaar.

Het leren ‘doordringen’ van je eigen bewegingen is een leerschool op zich. Maar ook een uitdaging! Waar lukt het? Daar waar het lukt, zie je hoe de eigen wezenskern van het kind samenvalt met de bewegingen. Bij de kleuters noemen we dat hij/zij kan toveren’. Maar dat is ook reëel een magisch moment! Je houdt als het ware als je dit ziet even je ‘adem in’, maar leerlingen zelf kunnen dit ook ervaren! Het gaat er nooit en te nimmer om dat ze een ‘euritmist’ worden, maar een kunstenaar die even zijn eigen essentie weet te pakken door het middel van beweging! Hij mag het allemaal ook weer vergeten, of toch wegzetten als een vak dat moeizaam is en niet leuk, maar dat is omdat het ook meer dan welk vak je confronteert met je eigenheid. Mogelijk dat later in het leven in het innerlijk dit als krachtbron helpt om het leven vorm te geven of in een verandering te vertrouwen op de eigen kern!

Dit is de essentie van het vak en vraagt om nieuwe impulsen en moedige leerkrachten die met hun leerlingen ‘in beweging durven te komen’ en al meeluisterend weten wat zijn moeten inzetten om de leerling(en) te begeleiden op hun ontwikkelingsweg! 

Helaas is het vak de laatste 50 jaar soms zo op scholen gegeven dat de leerlingen een zekere ‘vormdwang’ ervoeren in de euritmie. Dat heeft er toe geleid dat velen naderhand nog steeds als volwassenen het vak maar ‘stom’ vinden. De euritmisten waren er m.i. onvoldoende van doordrongen dat juist bij dit vak niet het gekund zijn voorop staat, maar bij het kunnen de ‘eigen wil ‘ gewekt moet worden. Dat kan alleen vanuit een zekere ‘vrijheid’ waarbij ook de leerkracht zelf zijn ‘bevlogenheid’ voor het vak uitstraalt!

Een versterkende factor om de euritmieleerkracht ook anders beleefbaar te maken voor de leerlingen, was een aanwijzing van Rudolf Steiner (?) dat deze leerkracht ook nog een ander vak in de school gaf. Tot in de jaren ’80 van de vorige eeuw was dit een ‘logische traditie’, waardoor de euritmist in de school een bredere basis had! Het vak euritmie kwam daarmee niet in een ‘eenzijdigheid’ als waar het nu vaak in terecht is gekomen! Aan de scholen, colleges en leerkrachten de opdracht om binnen hun school een vorm te vinden waarin de euritmie kan ‘gedijen’ en daarmee ook als vak in het curriculum, want het vak heeft ook naar de toekomst toe ‘veel te bieden’ wat de vrijeschool tot een echte ‘vrijeschool’ maakt.
In Duitsland kreeg de vrijeschool bij de oprichting in 1919 de naam Waldorf, de naam van de fabriek van de oorspronkelijke initiator, de directeur Emil Molt, van de Waldorf Astoria Fabriek te Stuttgart. Steiner noemde de school Freie Waldorfschule met een verwijzing in ‘Freie’ naar wat de school, als onderdeel van het vrije geestesleven zou moeten zijn: vrij van iedere staatsbemoeienis. Alleen dat is een voorwaarde dat leerlingen kunnen ‘opgroeien tot een vrij mens’, d.w.z. dat de leerling vertrouwen heeft in zijn eigen autonomie en al zoekende in het leven daar ‘vorm’ aan leert geven! 

Het vak euritmie binnen de school kan daar wel beschouwd juist fundamenteel aan bijdragen! Daarom de ijver van Rudolf Steiner om middels voordrachten, ouders en leerkrachten te overtuigen van de ‘kwaliteit ‘van dit vak op de Waldorf/vrijeschool! Deze scriptie wil er een pleidooi voor zijn, de ogen te openen voor dit ‘bijzondere vak’. [2]

{1] In Nederland is het niet op alle scholen gebruikelijk om vanaf leerjaar 4 twee keer per week euritmie te geven. Het ritme van 2x per week is dynamischer, waardoor de euritmie beter in het levenskrachtenorganisme van de leerling werkzaam kan zijn.

[2] Francoise Verhagen beschreef en onderzocht de situatie van het euritmieonderwijs bij het Noord-Hollandse ‘Ithaka’: een samenwerkingsverband van vrijescholen. Stilstaan is geen optie_Francoise Verhagen) (17-8-2017). 

.

Euritmie: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: handen en intelligentie

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmische klankfiguren

.

3467-3264

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – ………………………

.

auschwitz

.

gaza

Ik plaatste deze afbeeldingen ook op Facebook. Daar werden ze onder de noemer ‘aanstootgevend’ verwijderd!

Rudolf Steiner: Het kind met eerbied ontvangen, in liefde opvoeden, tot het in vrijheid zijn weg kan gaan.

.

3487-3282

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – Geschiedenis – Egypte (2-3/3)

.

Om de geschiedenis van een cultuur boeiend te kunnen brengen, moet je als leerkracht veel lezen. Je weet dat je daar maar een deel van kan gebruiken.
Het gaat er met dit artikel ook niet om dat je met de leerlingen ‘de vraagstukken’ doorneemt. Veel meer om de verwondering te wekken voor – hier de piramide van Cheops – de bedoeling en uitdrukking van zo’n bouwwerk.
.

Mark Mastenbroek, Jonas, nadere gegevens onbekend
.

Een drama van kosmische afmetingen
.

Vormen de piramiden een afspiegeling van de hemel op aarde, zoals onderzoekers ons willen doen geloven? De nieuwe theorie over de functie van de zogenaamde ‘ventilatie-schachten’ in de piramide van Cheops past in ieder geval wonderwel in dit beeld.

Piramiden zijn anders dan je denkt. Wie verwacht te worden verpletterd door hun formaat, zal bij zijn eerste bezoek aan Gizeh, de voorstad van Cairo waar de drie grootste piramiden te vinden zijn, wellicht teleurgesteld raken door die ogenschijnlijk heel gewone bergen van steen. Ze lijken soms eerder een natuurverschijnsel dan mensenwerk. Een ander zal, wanneer hij tussen de grijs-bestofte palmen van het laagland opeens hun silhouet ontwaart, maar één behoefte voelen: zich ter aarde te storten. Niet alleen vanwege hun ontzagwekkende formaat, maar misschien nog wel eerder vanwege iets in hun vorm en uitstraling, waar eigenlijk geen woorden voor te vinden zijn. Kortom, de eerste monumentale bouwwerken die de mensheid rond 2500 voor Christus schiep, onttrekken zich voortdurend aan ons voorstellingsvermogen. De ene keer moet je moeite doen om je te realiseren dat de piramide van Cheops wel degelijk honderdvijftig meter hoog is, de andere keer zijn de 2,5 miljoen stenen van Cheops met een gemiddeld gewicht van 2,6 ton (waarmee je een flinke muur om heel Frankrijk zou kunnen bouwen) niet genoeg om de ware dimensie recht te doen, die je in de nabijheid van dit wereldwonder ervaart.

Daar komt nog bij dat de reuzen van Gizeh de onderzoekers bij voortduring voor raadsels plaatsen. Het is namelijk onmogelijk dat men met de toen geldende technische middelen dergelijke complexen kan hebben gerealiseerd. Bovendien staat een piramide nooit op zichzelf, maar torent majesteitelijk uit boven een ommuurd complex met aanlegsteigers, verhoogde wegen, vele tempels, in de grond neergelaten schepen, talloze grafmonumenten, een reusachtige sfinx en een aantal bijpiramiden. Zelfs in ons tijdperk van hoogontwikkelde technologie zou zoiets een megaproject zijn. Niet alleen op het gebied van planning en organisatie, maar ook op het gebied van technische precisie en verfijning. Stenen van meer dan vijftien ton per stuk, uitgehouwen in een steengroeve op 700 kilometer afstand aan de overzijde van de Nijl, zijn hoog in de piramide geplaatst met een precisie waar letterlijk geen speld tussen te steken valt. Hoe doe je dat?

Met bonzend hart zwoeg ik omhoog door de zogenaamde Grote Galerij van Cheops, die even plotseling begint als eindigt, en kijk terloops even naar mijn handen. Veel meer dan de eigen spierkracht en zachte bronzen beitels hadden de Egyptenaren niet tot hun beschikking. Er was geen staal, geen ijzer, geen katrol en geen wiel. Om nog te zwijgen van de gecomputeriseerde diamantzagen en lasers die voor ons onontbeerlijk zouden zijn om stenen zo glad te maken. Boven je torent de ruimte als in een kathedraal. Eén ding is zeker. Dit bouwwerk maakt korte metten met onze logica. Het getuigt van een principieel ander systeem van natuurwetten, zekerheden en mogelijkheden dan het onze. In tegenstelling tot wat sommige populair-wetenschappelijke boekjes met tekeningen van het bouwproces ons willen doen geloven, staan we oog in oog met een wonder.

Djedefra

Op de een of andere manier lijkt het wel alsof heel de mensheid betrokken is bij het geheim van de piramiden. Alsof ieder van ons stilletjes zit te wachten op de onthulling van een mysterie dat hem persoonlijk aangaat. Vandaar wellicht de commotie die al enige tijd op mondiale schaal gaande is over de publicatie van Robert Bauval en Adrian Gilbert. Van dit boek is onlangs een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Het Orion Mysterie. Gilbert en Bauval hebben in veel opzichten baanbrekend werk verricht. Om te beginnen is het hen gelukt om in hun onderzoek naar de piramide van Cheops en zijn tijdgenoten een aantal wetenschappelijke disciplines te verenigen, die doorgaans gescheiden van elkaar opereren. Egyptologen houden astronomen op gepaste afstand omdat zij geen zin hebben om zich met sterren bezig te houden. Archeologen vinden egyptologen weer snel onwetenschappelijk en taalwetenschappers vormen op hun beurt een wereld apart, net als de technocraten die laser-gestuurde minivoertuigjes door smalle schachten laten rijden.

Het boek, dat als een wetenschappelijke verhandeling te lezen valt, maar ook de kwaliteit van een detectiveroman bezit, is vooral gebaseerd op teksten uit Egypte zelf. Dat lijkt nogal voor de hand liggend. Maar al snel ontdekten de auteurs in hun aanvankelijke, amateuristische gedrevenheid dat zij in dit onderzoek voor een muur stonden, die bijna even ondoordringbaar was ais de piramiden zelf. Want de meest eminente egyptoloog die deze eeuw heeft voortgebracht -professor Breasted-heeft hieromtrent reeds in 1912 een barrière opgeworpen, die in de wetenschappelijke praktijk nauwelijks te nemen valt zonder gezichtsverlies. Hij omschreef de piramideteksten steeds als “bijgelovige bezweringsformules, meer niet”. Dankzij zijn Bijbelse oriëntatie kon men volgens Breasted pas bij de teksten van de ketterse farao Echnaton (ca. 1350 voor Christus), in wiens Aton-religie hij een voorloper van het christendom zag, spreken van een coherente inhoud. Vanuit de overtuiging dat een cultuur die bouwwerken als de piramiden weet te realiseren, misschien toch ook teksten produceert die op zijn minst ergens op slaan, kwamen Bauval en Gilbert tot de ontdekking dat de Egyptenaren zelf hun piramiden steeds weer in samenhang brachten met sterren.

De reusachtige piramiden van de vierde dynastie (ca. 2500 voor Christus) zoals Cheops, zijn echter ‘stom’. We vinden pas teksten in grafkamers van de kleinere piramiden uit de vijfde dynastie, zoals die van Ounas (Jonas) te Sakkara. Al snel bleek dat Gilbert en Bauval niet de enigen waren die stonden te dringen voor de barrière van Breasted. Diverse egyptologen en taalwetenschappers hadden reeds in alle voorzichtigheid geopperd dat de teksten uit de latere piramiden van de vijfde dynastie een inhoud weergaven die op veel oudere originelen teruggreep. Er wordt in diverse papyri geciteerd uit bronnen van eerder datum. Daarbij komen ook bestaande piramiden ter sprake, zoals die van de farao’s Nebka en Djedefra uit de vierde dynastie. We lezen bijvoorbeeld: “(De piramide van farao) Nebka is een ster.” Of: “Djedefra is een Sehetoe-ster.” Sehetoe betekende: ster van de Doeat, ofwel het nachtelijk uitspansel waarin de dode zielen tot sterren waren geworden. In een papyrusfragment dat bekend staat als Spreuk 600 lezen we een opdracht voor een nieuwe koning. Iedere farao werd tijdens zijn leven beschouwd als de verpersoonlijking van de god Horus op aarde. Horus was de op wonderbaarlijke wijze verwekte zoon van de god Osiris en zijn gemalin Isis. In Spreuk 600 wordt een nieuw gekozen farao opgeroepen om naar de piramidevelden te gaan. Er staat: “O Horus, de (gestorven) koning is Osiris, deze piramide is Osiris, dit bouwwerk van hem is Osiris, begeef u daarheen. ’’ De piramiden werden dus beschouwd ais sterren, maar ook verpersoonlijkten zij Osiris. Deze centrale god van de Egyptische mythologie was na zijn tragische dood door moordenaarshand de heer van het dodenrijk geworden. Heel de Egyptische cultuur was sindsdien gericht op de dodencultus. Elke farao die tijdens zijn leven de titel Horus droeg, werd na de dood één met de geliefde Osiris. Kennelijk vervulde de piramide -die immers ook Osiris genoemd werd- een centrale rol bij die eenwording.

Verpletterend schouwspel

Aan de rand van de woestijn, op een plek waar even geen straatverlichting of ander neon in de omgeving is, kan je er nog een vermoeden van krijgen hoe verpletterend het schouwspel van de nachtelijke sterrenhemel hier in de oudheid geweest moet zijn. Wanneer je je een beetje in het verleden probeert te verplaatsen, dan doemen er in oud-Egypte enkele monumentale karakteristieken op die het bestaan bepalen. Het land biedt 2000 kilometer lang hetzelfde beeld: de Nijl, geflankeerd door een smalle strook vruchtbare grond en daarbuiten de woestijn onder de kraakheldere lucht. Een woestijn die het land ook grondig isoleert van de rest van de wereld. Hier maakt het een formidabel verschil of het dag is of nacht. Het leven speelt zich tussen die twee realiteiten af. De wereld is te onderscheiden in hemel en aarde. Voor de mens zijn er slechts twee vormen van bestaan: leven en dood. Het is in een land als Egypte ook haast vanzelfsprekend dat men in de Melkweg, die de inktzwarte hemel met al die flonkerende sterren als een rivier doorsnijdt, de hemelse Nijl herkent. Zo boven, zo beneden, ‘s Nachts staan we oog in oog met de majesteit van de doden, die in de Doeat leven aan de oevers van de hemelse Nijl als sterren. En uiteindelijk rest natuurlijk de vraag: hoe maak je de grote sprong van hier naar ginds? Hoe word je een Osiris? Volgens Bauval en Gilbert gebeurde dat in Egypte door een afspiegeling van de hemel op aarde te realiseren. Zij ontdekten dat de plaatsing van de piramiden uit de vierde dynastie exact overeenkomt met de toenmalige configuratie van de sterren van het sterrebeeid Orion. Orion werd in de Egyptische inwijdingsplaatsen beschouwd als het oord waar Osiris vertoefde. Ook de grootte van de diverse piramiden komt precies overeen met de lichtintensiteit van de sterren uit Orion waarmee ze corresponderen.

Die ontdekking is revolutionair, maar vanuit de Egyptische dodencultuur heel aannemelijk. Het betekent bovendien dat de piramiden met hun bijgebouwen geen afzonderlijke monumenten waren, maar onderdeel vormden van een masterplan. Een reusachtig plan om Orion als het ware te herscheppen op aarde. Zonder de hulp van telescopen, satellieten of een computerprogramma als Skyglobe dat het ons nu mogelijk maakt om de toenmalige configuratie van Orion in beeld te brengen. Want niet alleen veranderen sterren op eigen gelegenheid geleidelijk van plaats, ook de ritmische schommelingen in de stand van de aardas zorgen voor variaties in de hoogte die sterren in de loop van de eeuwen aan de hemel kunnen bereiken. Ook de Egyptenaren waren trouwens op de hoogte van deze minimale veranderingen aan de sterrenhemel die zich over eeuwen uitstrekken.

Ventilatiekanalen

Minstens even spectaculair is de suggestie van Gilbert en Bauval dat de smalle schachten in de piramide van Cheops, die lange tijd als ventilatiekanalen werden beschouwd, een rol hebben gespeeld bij het ceremonieel dat zich daar voltrok. De belangrijkste ‘kamers’ in de piramide van Cheops zijn de zogenaamde koninginnenkamer en de koningskamer waarin men de (lege) sarcofaag aantrof. Vanuit beide ‘kamers’ lopen kanalen schuin omhoog. Het op afstand bestuurbare robotachtige voertuigje Oepoeaut 2, dat in 1993 met een camera door de smalle schachten omhoogsnorde, nam hier de laatste twijfels weg. De schachten bleken rond het jaar 2450 voor Christus exact georiënteerd op Orion (Osiris) en Sirius (Isis). De noordelijke kanalen stonden gericht op de ster uit het circumpolaire gebied die toen de Poolster was: Alpha Draconis. Kennelijk werd de ziel van de dode via deze doorgangen op de een of andere manier geleid naar de Doeat. De Poolster en het gebied daaromheen was vanouds het rijk van Thoëris, de god die een paal of dukdalf aan de hemel had geslagen als een houvast, opdat de ziel niet zijn oriëntatie zou verliezen. Het is niet ondenkbaar, dat de mummie van de farao voor die schacht werd geplaatst om de ziel een eerste oriëntatie te bieden op de wereld van de sterren. Op een vooraf bepaald moment in het sterrenjaar zou de mummie vervolgens verplaatst kunnen zijn en naar het zuiden gericht. In Orion werd de gestorven farao dan tot een sterrenziel .tijdens het ritueel van de mondopening dat zich wellicht voor de betreffende schacht voltrok. Een rituele tekst roept de gestorvene toe tijdens de mondopening: “Uw gelaat is gewassen, uw tranen zijn afgeveegd, uw mond is opengesneden met ijzeren vingers.” In de Doeat kreeg de farao als een nieuwe Osiris aldus zijn stem terug om de magische spreuken ten gehore te kunnen brengen die hem zijn rechtmatige plaats tussen de gestorvenen konden doen innemen. Maar eenmaal tot een Osiris geworden, had de dode farao nog een missie waar heel de voortgang van de Egyptische cultuur van afhing. Hij moest een nieuwe Horus verwekken, die op aarde zijn rechtmatige taak zou voortzetten en die als bij Osiris zijn dood zou wreken op de machten van het kwaad. Voor de schacht die naar Sirius wees zou, getrouw aan de mythologie heel goed een ritueel hebben kunnen plaatsvinden, dat te omschrijven valt als een onbevlekte ontvangenis. Zoals dat eens volgens de mythologie met de dode Osiris was gebeurd, werd de gestorvene met een kunstmatige fallus getooid en bevruchtte zo langs magische weg zijn gemalin in de sterren. Negen maanden later ‘wezen’ de sterren dan de nieuwe Horus aan, die ais het ware incarneerde in zijn opvolger.

Nog steeds heeft het toerisme in Egypte zich niet hersteld van de angst voor aanslagen van fundamentalisten. Het is januari 1995 en ik sta, temidden van vrijwel verlaten piramidevelden, alleen in de kalkstenen koninginnenkamer van Cheops. De schachten, waarvan de uiteinden er nu een beetje onooglijk uitzien. liepen oorspronkelijk niet door tot in dé ‘kamer’ zelf, maar hielden enkele centimeters vóór deze ruimte halt. Onderzoekers uit de vorige eeuw hebben de toegangen ontdekt en opengehakt. Toch kun je ook nu niet door die kanalen van 20 x 20 centimeter direct naar de sterren kijken. Eerst lopen ze een stukje horizontaal, en dan pas schieten ze in de richting van hun toenmalige doel. Bovendien eindigen niet alle schachten in de open lucht. Het robotwagentje dat gebruikt werd bij het onderzoek van de gangen, stuitte in één van die kanalen op een valdeur met twee koperen handgreepjes. Dit was de meest sensationele vondst van heel het onderzoek. Bevindt zich achter die kleine deur een geheime kamer? Kennelijk, want het robotkarretje zond laserstralen uit die onderaan de valdeur uit het zicht verdwenen in een kier. Er bevindt zich daarachter dus op zijn minst een open ruimte. En wat is daar te vinden? Staat er een Ka-beeld van de farao naar de sterren te turen of zit er een piramidevormig stuk meteorietijzer in? Ook dat laatste is niet ondenkbaar. Dergelijke brokken meteorietijzer, die de Egyptenaren ais het sperma van de goden beschouwden, werden Benben genoemd, wat zoveel betekent als ‘lichtuitwerper’. Het mystieke beeld van de Phoenix, de vuurvogel die herrijst uit zijn eigen as, is vermoedelijk aan deze voorwerpen ontleend. Het meest heilige object uit de prehistorische tijd van Egypte, de Benben van de zonnetempel te Heliopolis, was in de periode van Cheops reeds zoek. Staat die soms hier? Speculeren is verleidelijk. Ook Bauval en Gilbert ontkomen er niet aan, maar vergeten in hun boek te vermelden waar vooronderstellingen in het spel zijn en waar niet.

Nieuwe vragen

In de koninginnenkamer van Cheops staande, is er niets dat houvast biedt omtrent het verleden. Wat zich hier werkelijk voltrokken heeft lijkt allang weggevlucht naar sterren die wij zelfs met een telescoop niet meer kunnen traceren. De ontdekkingen van Bauval en Gilbert roepen nieuwe vragen op, die zich voegen bij de veie onopgeloste kwesties die er rond de piramiden wel altijd zullen blijven. De enige nieuwe gedachte die zich opdringt is, dat we hier misschien wel oog in oog staan met een vreselijke mislukking. Zijn de ontzagwekkende piramiden soms de getuigen van een drama van kosmische afmetingen?

Wanneer men ooit met behulp van piramiden een afspiegeling van de hemel op aarde wilde maken, had Egypte eigenlijk bezaaid moeten zijn met piramiden. Maar dat is slechts zeer ten dele gebeurd. Voortgaande onderzoekingen van Bauval en Gilbert tonen aan dat de posities van latere piramiden, evenals de enkele piramiden uit de derde dynastie, overeenkomen met hemellichamen van andere sterrenbeelden. Maar zelfs binnen de vierde dynastie is het Cheops en zijn directe opvolgers niet gelukt om het sterrenbeeld Orion compleet te maken. In dat geval hadden er twee piramiden moeten worden toegevoegd aan de vijf’ die er nu staan. Zijn die resterende twee soms vernietigd? Het zou een interessant studieobject zijn, want we weten dankzij Skyglobe precies waar ze zich zouden moeten bevinden. Of is men daar niet aan toegekomen? De vijfde dynastie, die op Cheops en zijn tijdgenoten volgde, plaatste wel degelijk nieuwe piramiden, maar die tonen in vergelijking met hun illustere voorgangers een smadelijk verval. Technisch kunnen zij niet aan hun voorlopers tippen, je moet een piramide waanzinnig nauwkeurig in elkaar zetten, wil hij na 4500 jaar nog overeind staan. Dat is in de derde en vierde dynastie dan ook op wonderbaarlijke wijze gebeurd. En je zou mogen verwachten dat er na de eerste monumentale bouwwerken die de mensheid oprichtte, een opgaande lijn zou ontstaan. Al die nakomelingen zijn momenteel echter niet meer dan ruïneuze zandhopen in de woestijn. En met de zesde dynastie is het einde in zicht. Hoe en waarom ging die kennis verloren? Welke worm knaagde aan dit verheven concept? Is het al te gewaagd om te veronderstellen dat de wereld er anders zou hebben uitgezien wanneer het grote wonder van de vierde dynastie was voltooid en in volgende generaties nog tot nieuwe hoogtepunten had geleid? Waren de toverkunsten volgens welke deze bouwwerken zijn ontstaan, dan blijvend op aarde gevestigd? Was de muur tussen levenden en doden transparant gebleven?

De koningskamer van Cheops is van zwart graniet. Ook hier sta ik alleen en pijnig mijn voorstellingsvermogen om te bevatten wat niet te bevatten is. Maar ditmaal word ik toch gestoord. Al zijn er dan geen toeristen in de buurt, in dit geval neemt de Egyptische jeugd hun plaats in. Met denderend lawaai komt een groepje tieners uit de voorstad van Cairo door de nauwe gang de heilige ruimte binnengeschoten. Explosieve jongens van een jaar of dertien met stijf gefixeerde schouders als kwamen zij juist uit de boksring, lopen zinloos van de ene hoek naar de andere. Temidden van het quasi-stoere geschreeuw wordt een rotje afgestoken. De knal kaatst duizendvoudig door de zwarte ruimte waar Cheops tot een ster werd herschapen. 

Het Orion Mysterie Robert Bauval en Adrian Gilbert. Uitg. Fibula

.

5e klas geschiedenisalle artikelen     

5e klasalle artikelen 

Geschiedenisalle artikelen 

Vrijeschool in beeld5e klas geschiedenis

.

3466-3263

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 96 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

In deze voordracht:
Antroposofie en materialisme <1> <7>
Drie leeftijdsfasen <2>
Vierledige mens <3>
1e leeftijdsfase <4>
2e <5>
3e <6>
Noodzaak antroposofie <7>
.

RUDOLF STEINER:

GA 96

Grundimpulse der Theosophie

Fundamentele impulsen van de antroposofie

Steiner noemde later wat hij als ‘theosofie’ had gebracht: antroposofie.
Waar in deze voordracht ‘theosofie’ staat, heb ik dat vertaald als ‘antroposofie’.
De kopjes zijn door mij aangebracht.
.

Blz. 60     niet vertaald

Voordracht 4, Berlijn 14 mei 1906

Erziehungspraxis auf der Grundlage spiritueller Erkenntnis

De praktijk van het opvoeden op basis van spiritueel inzicht

Öfter schon habe ich hier die Gelegenheit ergriffen, das Vorurteil zurückzuweisen, als ob die theosophische Weltanschauung der Praxis des Lebens völlig fern stehe. Wir haben im Gegenteil oft Veranlas­sung gehabt, darauf hinzuweisen, wie die Theosophie in das praktische Leben tief hineinführen soll, weil sie die Gesetze dessen kennen lehrt, was fortwährend das Leben um uns gestaltet. Wer nur das kennt, was die Gesetze des äußeren Lebens sind, dem ist nur ein kleiner Teil des Lebens bekannt. Der weitaus größte Teil gehört nämlich zu den verborgenen Dingen des Lebens, verborgen für die äußeren Sinne. Nun wird gewiß in nicht gar zu ferner Zukunft die Menschheit immer mehr einsehen, daß man die verborgenen Welten studieren muß, um mit dem Leben zurechtzukommen, denn die materialistische Gesinnung würde zu einer Krisis auf allen Gebieten führen, vor allem auf gesundheitlichem Gebiet wie auch im Erzie­hungssystem, wo sich die Frage erhebt: Wie sollen die Menschen die zukünftige Generation heranbilden? – Und nicht zuletzt in allen gesellschaftlichen, politischen und Kulturfragen würde der Materia­lismus eine Krisis herbeiführen:

Inleiding

<1> Ik heb hier vaker van de gelegenheid gebruik gemaakt om het vooroordeel te verwerpen dat de antroposofische wereldbeschouwing volledig losstaat van de praktijk van het leven. Integendeel, we hebben vaak de gelegenheid gehad om erop te wijzen hoe antroposofie ons diep in het praktische leven zou moeten brengen, omdat zij ons leert de wetten te kennen van wat het leven om ons heen voortdurend vormt. Wie alleen de wetten van het uiterlijke leven kent, kent slechts een klein deel van het leven. Verreweg het grootste deel behoort tot de verborgen dingen van het leven, verborgen voor de uiterlijke zintuigen. Nu, in de niet al te verre toekomst, zal de mensheid zich zeker steeds meer realiseren dat je de verborgen werelden moet bestuderen om zich in het leven te kunnen oriënteren, want de materialistische houding zou leiden tot een crisis op alle gebieden, vooral op het gebied van gezondheid en in het onderwijssysteem, waar de vraag rijst: Hoe moet je de toekomstige generatie opvoeden? – En last but not least zou materialisme een crisis veroorzaken in alle sociale, politieke en culturele vraagstukken:

Das Leben würde sich so gestalten, daß man eines Tages nicht mehr wissen würde, wie man sich noch helfen soll. Zur Erläuterung dessen, was ich meine, möchte ich einiges über Erziehungsfragen sagen, die wenigstens jeden interessieren müssen.
Wer sich vom materialistischen Standpunkt mit der Erziehungsfrage befaßt, wird sehr leicht zu den allerverkehrtesten Maßregeln kommen. Denn er wird nie bedenken, wie streng gesetzmäßig das ganze Leben verläuft, und er berücksichtigt daher nicht, daß es ins Leben tief eingreifende Zeitabschnitte gibt. Man kann sich einfach nicht denken, warum zum Beispiel die Epoche der Kindheit, die mit dem sechsten bis achten Jahre abläuft, sich so grundwesentlich unterscheidet von der des Mädchen- und Knabenalters, also der Zeit vom siebenten oder achten Jahre ungefähr bis zur Geschlechtsreife.

Het leven zou zich zo ontwikkelen dat je op een dag niet meer weet hoe je jezelf moet helpen. Om uit te leggen wat ik bedoel, wil ik een paar dingen zeggen over onderwijsvragen die op zijn minst iedereen moeten interesseren. <1>

Drie leeftijdsfasen

<2> Wie de onderwijsvraagstukken vanuit een materialistisch standpunt benadert, zal heel gemakkelijk tot de meest foute maatregelen komen. Want hij zal nooit overwegen hoe strikt wetmatig de hele levensloop is, en hij zal er dus geen rekening mee houden dat er perioden zijn die een diepgaande invloed op het leven hebben. Men kan zich eenvoudigweg niet voorstellen waarom bijvoorbeeld die fase van de kindertijd, die loopt van het zesde tot het achtste jaar, zo fundamenteel verschilt van die van de meisjes- en jongensjaren, dat wil zeggen de periode vanaf het zevende of achtste jaar ongeveer, tot aan de seksuele volwassenheid.

Blz. 61

Wer aber keine Ahnung hat, was in dieser Zeit mit dem Menschen geschieht, kann sich auch nicht vorstellen, wie wichtig es ist, diese Zeitabschnitte genau zu beobachten. Es ist nicht gleichgültig, ob man weiß, was der Mensch in diesen drei Epochen ist: in der ersten, die bis zum sechsten bis achten Jahre geht, in der zweiten, die bis zum vierzehnten oder fünfzehnten Jahre reicht, und dann wieder in der folgenden Zeit, die nächsten sieben bis acht Jahre hindurch. Das sind drei Altersstufen im Leben des Menschen, die ganz genau studiert werden müssen, nicht nur im äußeren Sinne, sondern vom Standpunkt des Okkultismus aus, der sich mit den für die äußeren Sinne verborgenen Welten befaßt. – Sie wissen, daß der Mensch nicht nur aus diesem physischen Leibe besteht, sondern aus dem physischen Leibe, dem Ätherleibe, der dem physischen zugrunde liegt und ihm ähnlich gestaltet ist, und dann dem Astralleib, der sich für den Hell­seher als eine Wolke ausnimmt, in der die beiden erstgenannten Kör­per eingebettet sind. In diesen eingehüllt haben wir den Ich-Träger. Diese drei Körper wollen wir einmal beim werdenden Menschen betrachten.

Maar wie geen idee heeft wat er in deze tijd met een mens gebeurt, kan zich niet voorstellen hoe belangrijk het is om deze perioden nauwlettend in de gaten te houden. Het is niet onbelangrijk of je weet wat de mens in deze drie fasen is:
in de eerste, die loopt tot het zesde à achtste jaar,
in de tweede, die loopt tot het veertiende of vijftiende jaar,
en dan weer in de volgende tijd, door de volgende zeven tot acht jaar.
Dit zijn drie leeftijdsfasen in het leven van de mens, die heel zorgvuldig bestudeerd moeten worden, niet alleen in uiterlijke zin, maar ook vanuit het standpunt van de geesteswetenschap, die zich bezighoudt met de werelden die verborgen zijn voor de uiterlijke zintuigen. –
<3> Je weet dat het menselijk wezen niet alleen maar bestaat uit dit fysieke lichaam, maar uit het fysieke lichaam, het etherlijf [1], dat aan het fysieke lichaam ten grondslag ligt en de vorm ervan heeft, en dan het astraallijf, dat voor de helderziende verschijnt als een wolk waarin de eerste twee lichamen zijn ingebed. Door deze twee omhuld, vinden we de Ik-drager [2]. Laten we eens kijken naar deze drie lichamen in de zich ontwikkelende mens.

Wenn Sie sich eine richtige Vorstellung davon bilden wollen, so müssen Sie sich klarmachen, daß vor den Zeitabschnitten, in denen der Mensch äußerlich gesehen werden kann, noch der Zeitabschnitt vor der Geburt liegt, wo der Mensch im Leibe der Mutter lebt. Sie müssen rein physisch unterscheiden zwischen dem Leben vor der Geburt und den folgenden Zeiträumen und sich klarrnachen, daß der Mensch nicht leben könnte, wenn er zu früh geboren würde, zu früh in die äußere sichtbare Welt treten würde. Er könnte in der äußeren Welt nicht leben, weil seine Sinnesorgane, mit denen er mit der äußeren Welt in Verkehr tritt, noch nicht genügend ausgebildet sind. Während der Mensch bis zu seiner Geburt vom Mutterleib umschlossen ist, werden seine Organe, Augen, Ohren, und alles was er braucht, um in der physischen Welt zu leben, ausgebildet. Bevor seine Organe innerhalb der schützenden Hülle eines anderen physischen Körpers genügend vorbereitet sind, kann der Mensch nicht mit der physischen Welt in Berührung treten. Die Geburt ist der Zeitpunkt, in welchem der Mensch soweit reif ist, daß er ohne

Als je je daar een juist beeld van wil vormen, moet je beseffen dat vóór de perioden waarin de mens uiterlijk zichtbaar is, er nog de periode van voor de geboorte is, waarin de mens in de moederschoot leeft. Je moet een puur fysisch onderscheid maken tussen het leven voor de geboorte en de daaropvolgende periodes en beseffen dat de mens niet zou kunnen leven als hij te vroeg geboren werd, als hij te vroeg de uiterlijke zichtbare wereld zou betreden. Hij zou niet in de uiterlijke wereld kunnen leven omdat zijn zintuigen, waarmee hij in contact komt met de uiterlijke wereld, nog niet voldoende ontwikkeld zijn. Terwijl de mens tot zijn geboorte in de baarmoeder van zijn moeder omgesloten zit, worden zijn organen, ogen, oren en alles wat hij nodig heeft om in de fysieke wereld te leven, gevormd. Totdat zijn organen voldoende zijn voorbereid in het beschermende omhulsel van een ander fysiek lichaam, kan de mens niet in contact komen met de fysieke wereld. Geboorte is het moment waarop de mens zo ver is om zonder

Blz. 62

eine schützende Hülle mit der Umwelt in Berührung treten kann. Dasselbe ist dann aber noch lange nicht mit dem Ätherleib und Astralleib der Fall. Sie sind noch nicht so weit, daß sie ebenfalls mit der Umwelt in unmittelbare Berührung treten können. Ein ganz ähn­licher Prozeß, wie er vor der Geburt des Menschen mit dem phy­sischen Leibe vor sich geht, geht mit dem Ätherleib in dem Zeitraum von der Geburt bis ungefähr zum siebenten Jahre vor sich. Erst dann, kann man sagen, wird der Ätherleib geboren. Und erst mit dem vier­zehnten bis fünfzehnten Jahre wird der Astralleib geboren, der als­dann eine freie, selbständige Tätigkeit gegenüber der Umwelt entfal­ten kann.
Sie müssen sich also klar darüber sein, daß bis zum siebenten Jahre an den Ätherleib, und bis zum vierzehnten Jahre an den Astral­leib keine besonderen Anforderungen gestellt werden dürfen. Wenn man den Ätherleib eines Kindes der brutalen Umwelt aussetzen würde, so wäre das gerade so, als ob man ein Kind im fünften Monat des Embryonalzustandes der Außenwelt übergeben würde, obwohl es nicht mit der gleichen Vehemenz zutage treten würde. Entspre­chendes gilt für den Fall, daß Sie vor dem vierzehnten Jahre den Astralleib der Umwelt aussetzen. Darüber müssen Sie sich klar sein:

een beschermende omhulling in contact kan komen met de omgeving. Hetzelfde is echter nog niet het geval met het etherische en astrale lichaam. Zij hebben nog niet het stadium bereikt waarin ook zij in direct contact kunnen komen met de omgeving. Een zeer vergelijkbaar proces als dat wat plaatsvindt met het fysieke lichaam voor de geboorte van de mens, vindt plaats met het etherlijf in de periode vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar. Pas dan, kan je zeggen, wordt het etherlijf geboren. En pas op de leeftijd van veertien tot vijftien jaar wordt het astraallijf geboren, dat dan een vrije, onafhankelijke activiteit kan ontwikkelen in relatie tot de omgeving.
Je moet je dus realiseren dat er tot het zevende jaar geen speciale eisen gesteld kunnen worden aan het etherlijf, en tot het veertiende jaar aan het astraallijf. Als je het etherlijf van een kind zou blootstellen aan de harde buitenwereld, zou dat net zo zijn als wanneer je een kind in de vijfde maand van de embryonale toestand in de buitenwereld zou brengen, hoewel het niet met dezelfde heftigheid aan het licht zou komen.
Hetzelfde geldt als je het astraallijf voor het veertiende aan de omgeving uitlevert. Je moet je dit realiseren:
<3>

Bis zum siebenten Jahre ist erst der physische Körper so weit gebo­ren, daß die Umwelt einen vollen Einfluß auf ihn ausüben darf. Der Ätherkörper ist bis zum siebenten Jahre so sehr mit sich selbst be­schäftigt, daß man ihn schädigen würde, wenn man auf ihn beson­ders einwirken würde. Bis zu diesem Zeitpunkt sollte also nur auf den physischen Leib eingewirkt werden. Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden, und erst vom fünfzehnten Jahre ab kann man auf den Astralleib von außen durch die Erziehung wirken.
Auf den physischen Leib des Menschen einwirken, heißt, dem Kinde äußere Eindrücke zu vermitteln. Durch die äußeren Eindrücke wird der physische Leib herangebildet. Daher ist auch das, was bis zum siebenten Jahre versäumt worden ist, später kaum noch nach­zuholen. Bis zum siebenten Jahre ist der physische Leib in einem sol­chen Stadium begriffen, daß er durch äußere sinnliche Eindrücke

De eerste fase

<4> Tot het zevende jaar heeft het fysieke lichaam pas het stadium bereikt waarin de omgeving er een volledige invloed op kan uitoefenen. Tot het zevende jaar is het etherlijf zo met zichzelf bezig dat je het tekort zou doen zou, als je er op een bepaalde manier op zou willen inwerken. Tot dit tijdstip moet daarom alleen op het fysieke lichaam worden ingewerkt. Van het zevende tot het veertiende jaar kan de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen en pas vanaf het vijftiende jaar kan het astraallijf van buitenaf door opvoeding worden beïnvloed. Het fysieke lichaam van de mens beïnvloeden, betekent het kind indrukken van buitenaf geven. Het fysieke lichaam wordt gevormd door indrukken van buitenaf. Daarom kan wat tot de leeftijd van zeven jaar is verwaarloosd, later nauwelijks worden goedgemaakt. Tot het zevende jaar is het fysieke lichaam in zo’n stadium dat het gevormd wordt door externe zintuiglijke indrukken.

Blz. 63

herangebildet werden sollte. Wenn das Auge des Kindes bis zum siebenten Jahre nur Schönes sieht, bildet es sich so heran, daß es das ganze Leben hindurch ein Empfinden für das Schöne behält. Später kann der Schönheitssinn nicht mehr auf die gleiche Weise entwickelt werden. Was Sie dem Kinde im ersten Jahrsiebent sagen oder was Sie tun, ist viel weniger wichtig, als die Art, wie man seine Umge­bung gestaltet und was das Kind sieht und hört. Die inneren Wachs­tumskräfte müssen bis dahin durch die äußeren Eindrücke herangefördert werden. Der frei gestaltende Geist des Kindes formt aus einem Stück Holz, das ein paar Punkte und Striche für Augen, Nase und Mund hat, eine menschliche Figur. Wenn das Kind aber eine möglichst schön geformte Puppe bekommt, so hat es etwas, woran es gebunden ist; daher haftet dann die innere Geisteskraft an dem, was schon da ist und wird nicht zur eigenen Tätigkeit herausgefor­dert – sie ist gebunden -, und damit geht die gestaltende Phantasiekraft für das spätere Leben überhaupt fast verloren.
So ist es weitgehend mit allen Eindrücken der Sinneswelt.

Als het oog van een kind tot zijn zevende jaar alleen maar mooie dingen ziet, ontwikkelt het zich zodanig dat het zijn hele leven lang een gevoel voor schoonheid behoudt. Later kan het gevoel voor schoonheid niet meer op dezelfde manier ontwikkeld worden. Wat je in het eerste jaar tegen het kind zegt of wat je doet, is veel minder belangrijk dan de manier waarop je de omgeving organiseert en wat het kind ziet en hoort. De innerlijke groeikrachten moeten tot die tijd gevoed worden door indrukken van buitenaf. De vrije creatieve geest van het kind maakt een menselijke figuur van een stuk hout met een paar stippen en lijnen voor ogen, neus en mond. Als het kind echter een pop krijgt die zo mooi mogelijk gevormd is, heeft het iets waaraan het gebonden is; de innerlijke mentale kracht houdt zich dus vast aan wat er al is en wordt niet uitgedaagd tot zijn eigen activiteit – het is gebonden – en zo gaat de creatieve verbeeldingskracht bijna verloren voor het latere leven. [3]
Dit is grotendeels het geval met alle indrukken van de zintuiglijke wereld.

Was Sie selbst in der Umgebung des Kindes sind, was das Kind unmittelbar sieht oder hört, darauf kommt es an. Es wird ein guter Mensch, wenn es um sich gute Menschen sieht. Es ahmt die Dinge, die es um sich herum wahrnimmt, nach. Gerade auf die Nachahmungskraft, auf die Wirkung des Beispiels muß man den allergrößten Wert legen. Daher wird das richtige sein: möglichst viel vormachen, damit das Kind möglichst viel nachmachen kann. In diesem Sinne muß also auf die Pflege des physischen Leibes in der Zeit vom ersten bis siebenten Jahre der Hauptwert gelegt werden. Auf die höheren Leiber kann man in diesem Alter noch nicht durch Erziehungsmaßnahmen wirken, über­haupt nicht durch bewußte Erziehung, sondern auf diese Leiber wir­ken Sie, solange sie noch ganz mit sich selbst beschäftigt sind, durch das, was Sie eben sind. Ein kluger Mensch wird durch seine Klugheit in dem Kinde selbst die Klugheit zum Wirken bringen. Im übrigen hat sich der Erzieher zu bemühen, in der Umgebung eines Kindes ein möglichst geschlossener Mensch zu sein, möglichst hohe und gute Gedanken zu haben – wie ein gesunder Leib der Mutter gesund auf den Körper des Kindes wirkt.

Wat je zelf bent in de omgeving van het kind, wat het kind direct ziet of hoort, daar gaat het om. Het wordt een goed mens als het goede mensen om zich heen ziet. Het bootst de dingen die het om zich heen ziet na. Juist aan de kracht van nabootsing, de werking van het voorbeeld, moet je de grootste waarde hechten. [4] Daarom is het beste om zoveel mogelijk voor te doen, zodat het kind zoveel mogelijk kan nabootsen. In die zin moet de meeste nadruk worden gelegd op de verzorging van het fysieke lichaam in de periode van het eerste tot het zevende jaar. Op deze leeftijd is het nog niet mogelijk om de hogere lichamen door opvoedkundige maatregelen te beïnvloeden, helemaal niet door bewuste opvoeding, maar je beïnvloedt deze lichamen, zolang ze nog volledig met zichzelf bezig zijn, door wat je bent. Een slim persoon zal slimheid in het kind zelf teweegbrengen door zijn slimheid. Wat de rest betreft moet de opvoeder ernaar streven in de omgeving van het kind een zo evenwichtig mogelijk persoon te zijn met de hoogst mogelijke en beste gedachten  – net zoals het lichaam van een gezonde moeder een gezond effect heeft op het lichaam van het kind. <4>

Blz. 64

 Mit dem siebenten Jahre beginnt die Zeit, wo Sie den Ätherleib durch vorsätzliche Maßnahmen erziehen können. Dabei kommen zwei Dinge in Betracht: Gewohnheiten und Gedächtnis, die mit der Ent­wickelung des Ätherleibes zusammenhängen. Je nachdem der Mensch diese oder jene Gewohnheiten hat oder das eine oder andere in sein Gedächtnis aufnimmt, bildet er seinen Ätherleib. Daher soll man ver­suchen, dem heranwachsenden Menschen eine feste Lebensgrundlage zu geben, die in guten Gewohnheiten wurzelt. Wer jeden Tag etwas anderes tut, nicht eine sichere Basis für seine Handlungen hat, der wird ein charakterloser Mensch werden. Einen Grundstock von Gewohnheiten herauszubilden, ist daher der Zeit vom siebenten bis vierzehnten Jahre vorbehalten. Auch auf das Gedächtnis muß in die­ser Zeit eingewirkt werden. Es ist also erforderlich, daß das Kind gediegene Gewohnheiten und einen Schatz von gedächtnismäßigem Wissen erhält. Tatsächlich ist es nur ein Fehler der materialistischen Zeit, zu glauben, daß das Kind möglichst früh zu eigenem Urteil angehalten werden müsse. Man sollte im Gegenteil alles tun, um das Kind davor zu schützen.

De tweede fase

<5> Het zevende jaar is de tijd waarin je het etherlijf kunt opvoeden door middel van bewuste maatregelen. Twee dingen komen hier aan de orde: gewoonten en geheugen, die verbonden zijn met de ontwikkeling van het etherlijf. Al naar gelang de mens deze of die gewoonte heeft, of wel dit of dat in zijn geheugen opneemt, vormt hij zijn etherlijf. Daarom moet je ernaar streven om de opgroeiende mens een stevige basis in het leven te geven die geworteld is in goede gewoonten. Iemand die elke dag iets anders doet en geen stevige basis voor zijn handelingen heeft, wordt een persoon zonder karakter. Het vormen van een basis van gewoonten is daarom voorbehouden aan de periode van zeven tot veertien jaar. In deze periode moet ook aan het geheugen worden gewerkt. Het is daarom noodzakelijk dat het kind degelijke gewoonten aanleert en een schat aan kennis uit het hoofd leert. In feite is het slechts een vergissing van het materialistische tijdperk om te geloven dat het kind moet worden aangemoedigd om zo vroeg mogelijk zijn eigen oordelen te vormen. Integendeel, alles moet worden gedaan om het kind hiertegen te beschermen.

In dieser Zeit soll sich das Kind die Dinge noch auf Autorität hin aneignen. Die Menschen, die um ein Kind herum sind, sollen in dessen zweitem Jahrsiebent nicht lediglich durch Beispiel, sondern direkt durch die Unterweisung auf das Kind ein­wirken. Nicht immer mit dem «warum» und «weil», sondern dadurch, daß alles auf Autorität gebaut ist, werden starke Gedächtnisschätze ausgebildet. Daher muß das Kind von Menschen umgeben sein, auf die es bauen kann, zu denen es Vertrauen hat und die in dem Kinde den guten Glauben an die eigene Autorität wachrufen. Erst nach diesem Lebensabschnitt soll das Kind zur Urteilskraft und zur selb­ständigen Erkenntnis geführt werden. Durch das vorzeitige Frei­machen von der Autorität nehmen Sie dem Ätherleib die Möglich­keit zu gründlicher Ausbildung. Daher ist es am besten, wenn man dem Kind im zweiten Jahrsiebent nicht Beweise und Urteile, sondern Beispiele und Gleichnisse vermittelt. Urteile wirken nur auf den Astralleib, und dieser ist dafür noch nicht frei. Man sollte dem Kinde möglichst viel von großen Persönlichkeiten erzählen. Die An­schauung solcher historischer Persönlichkeiten soll auf das Kind einfach

In deze periode moet het kind nog steeds dingen leren op gezag. In de tweede zevenjaarsfase van het kind moeten de mensen om het kind heen, het niet alleen beïnvloeden door het goede voorbeeld te geven, maar direct door instructie. Niet altijd met het “waarom” en “omdat”, maar doordat alles op autoriteit is gebouwd, worden sterke geheugenschatten gevormd. Daarom moet het kind omringd worden door mensen op wie het kan vertrouwen, in wie het vertrouwen heeft en die bij het kind een goed vertrouwen in zijn eigen autoriteit wekken. [5] Pas na deze levensfase moet het kind geleid worden naar het vermogen om te oordelen en onafhankelijke kennis te verwerven. Door het kind voortijdig vrij te laten wat de autoriteit betreft, ontneem je het etherlijf de kans op een grondige vorming. Het is daarom het beste als het kind in de tweede fase voorbeelden en gelijkenissen gegeven worden in plaats van bewijzen en oordelen. Oordelen hebben alleen invloed op het astraallijf en dat is daar nog niet vrij voor. Het kind moet zoveel mogelijk over grote persoonlijkheden worden verteld. Het inleven in zulke historische persoonlijkheden moet eenvoudigweg

Blz. 65

so wirken, daß es diesen Gestalten nacheifert. Auch die Frage nach dem Tode und der Geburt ist viel besser durch das Beispiel zu beantworten. Wer die Natur heranzuziehen vermag, wird sehen, was er gerade damit bewirken kann. Man führt dem Kind etwa die Raupe vor Augen und zeigt ihm, wie sie sich zur Puppe einspinnt und wie sich aus dieser Puppe schließlich der Schmetterling entfaltet – das ist ein wunderschönes Beispiel für die Entstehung des Kindes aus der Mutter heraus. So kann viel erreicht werden, wenn der Natur selbst Vergleiche entlehnt werden.
Ebenso wichtig ist es, dem Kinde nicht sittliche Grundsätze, son­dern sittliche Gleichnisse einzuschärfen. Deutlich zeigen das einige Aussprüche des Pythagoras. Statt zu deklamieren: Du sollst, wenn du irgend etwas unternehmen willst, dich nicht mit Dingen befassen, deren Erfolglosigkeit du von vornherein absehen kannst! – sagte Pythagoras kurz und bündig: Schlage nicht mit dem Schwert ins Feuer! – Das ist ein besonders gutes Beispiel dafür. Und für die Unterweisung: Du sollst dich nicht in das hineinmischen, wofür du noch nicht reif bist! – wandte er den Satz an: Enthalte dich der Bohnen!

op zo’n manier werken dat het ook zo zou willen zijn. De vraag over dood en geboorte wordt ook veel beter beantwoord aan de hand van een voorbeeld. Wie uit de natuur kan putten, zal zien wat hij daarmee kan bereiken. Je kunt het kind bijvoorbeeld de rups laten zien en hoe deze zichzelf tot een pop spint en hoe de vlinder zich uiteindelijk uit deze pop ontvouwt – dit is een prachtig voorbeeld van het ontstaan van het kind uit de moeder. Er kan zoveel bereikt worden door vergelijkingen aan de natuur zelf te ontlenen. [6]
Het is net zo belangrijk om het kind geen morele principes bij te brengen, maar morele parabels. Dit wordt duidelijk geïllustreerd door sommige uitspraken van Pythagoras. In plaats van te zeggen: Als je iets wilt doen, moet je je niet bezighouden met dingen waarvan je van te voren al ziet dat die geen succes zullen hebben – zei Pythagoras kort en bondig: Sla geen vuur met een zwaard! – Dat is een bijzonder goed voorbeeld. En voor het laten zien: Je moet je niet bemoeien met iets waar je nog niet klaar voor bent! – paste hij de zin toe: Laat die bonen maar!

Das hatte neben der rein physischen auch eine moralische Anwendung. Wenn man im alten Griechenland über irgend etwas entscheiden wollte, verteilte man schwarze und weiße Bohnen und zählte dann ab, wieviel Bohnen von der einen und der anderen Farbe abgegeben wurden. Auf diese Weise wurden auch Wahlen vorgenom­men. In diesem Sinne sagte Pythagoras statt: Ihr seid noch nicht reif, euch in öffentliche Angelegenheiten zu mischen! – einfach: Enthaltet euch der Bohnen!
An die bildende Kraft der Phantasie wird auf diese Weise appelliert, und nicht an die Kraft des Verstandes. Je mehr Sie sich des Bildlichen bedienen, desto mehr wirken Sie auf das Kind. Nichts Schöneres konnte daher die Mutter Goethes tun, als ihrem Sohne schöne mora­lische Erzählungen zu erzählen. Niemals hielt sie ihm Moralpredig­ten. Manchmal wurde sie mit ihrer Erzählung nicht fertig; dann dichtete er sich selbst das Ende dazu.
Besonders nachteilig ist es für den werdenden Menschen, wenn er vor dem vierzehnten Jahre dazu gedrängt wird zu kritisieren, auf

Dit had zowel een morele als een puur fysieke toepassing. Als mensen in het oude Griekenland over iets wilden beslissen, deelden ze zwarte en witte bonen uit en telden dan hoeveel bonen van de ene kleur ze kregen en hoeveel van de andere kleur. Op deze manier werden er ook verkiezingen gehouden. In deze zin zei Pythagoras in plaats van: Je bent nog niet rijp om je met publieke zaken te bemoeien! – Eenvoudig: Laat die bonen maar! [7]
Dit doet een beroep op de creatieve kracht van de verbeelding in plaats van op de kracht van het verstand. Hoe meer je beeldspraak gebruikt, hoe meer effect je op het kind hebt. Goethes moeder* kon daarom niets beters doen dan haar zoon mooie morele verhalen vertellen. Ze hield nooit zedenpreken tegen hem. Soms kon ze haar verhaal niet afmaken; dan verzon hij zelf het einde.

*Goethe’s Mutter

Het is bijzonder nadelig voor de mens in ontwikkeling als hij voor zijn veertiende wordt aangespoord om kritiek te leveren, op

Blz. 66

das eigene Urteil zu bauen, wenn er die wohltätige Macht der um ihn herum weilenden Autoritäten verliert. Es ist sehr schlimm für ihn, wenn keine Persönlichkeiten da sind, zu denen er aufblicken kann. Der Ätherleib verkümmert, wird schwach und siech, wenn er sich nicht an großen Beispielen heraufranken kann. Und dann wirkt es ganz besonders schlimm, wenn er sich vor der Zeit ein eigenes Glaubensbekenntnis aneignet und über die Welt urteilen will. Dazu ist er erst reif, wenn sich sein Astralkörper frei entfaltet. Je mehr man ihn davor behüten kann, vorzeitig zu urteilen und zu kritisieren, desto besser ist es für ihn. Der Erzieher handelt daher klug, wenn er versucht, vor dem Freiwerden des Astralleibes die Wirklichkeit an den Geschehnissen selbst begreiflich zu machen, und den jungen Men­schen nicht zu einem festgelegten Bekenntnis auffordert, wie dies durch die materialistische Bildung immer mehr geschieht. Das Chaos unter den Glaubensbekenntnissen würde schnell verschwinden, wenn dies innegehalten würde.

zijn eigen beoordelingsvermogen op te bouwen wanneer hij de weldadige kracht van de autoriteiten om hem heen verliest. Het is heel slecht voor hem als er geen persoonlijkheden zijn naar wie hij kan opkijken. Het etherlijf verkommert, wordt zwak en ongeschikter als het geen inspiratie kan putten uit grote voorbeelden. En dan heeft het een bijzonder slecht effect als het een soort eigen overtuiging over de wereld ontwikkelt en een oordeel over de wereld wil vellen. Hij is hier pas volwassen genoeg voor als zijn astrale lichaam zich vrij ontvouwt. Hoe meer je kunt voorkomen dat hij voortijdig oordeelt en bekritiseert, hoe beter het voor hem is. De opvoeder handelt daarom verstandig als hij probeert de werkelijkheid begrijpelijk te maken door de gebeurtenissen zelf, voordat het astraallijf vrij wordt en de jonge mens niet vraagt een vaste overtuiging te hebben, zoals steeds meer gebeurt door de materialistische opvoeding. De chaos onder de geloofsovertuigingen zou snel verdwijnen als hier een einde aan werd gemaakt. <5>

Die Urteilskraft, der Verstand sollen möglichst spät herangezogen werden, erst dann, wenn der Sinn für das Individuelle erwacht, mit dem Herauskommen des Astralleibes. Vor­her soll sich der Mensch nicht für das Individuelle entscheiden; da soll es eine Gegebenheit sein, an wen er glaubt. Aber in den Jahren, die jetzt kommen, findet das Individuelle seinen stärksten Ausdruck in der Beziehung der beiden Geschlechter zueinander, wenn das eine Individuum zu dem anderen sich hingezogen fühlt.
So sehen Sie: wenn man die drei Leiber des Menschen richtig studiert, bekommt man in der Tat die allerpraktischste Grundlage für eine richtige Erziehung und Entwickelung des Menschen. Die Geisteswissenschaft ist also nichts Unpraktisches, nichts in den Wol­ken Schwebendes, sondern etwas, das uns die beste Anleitung gibt, ins Leben einzugreifen.
Das ist es gerade, was die heutige geisteswissenschaftliche Vertie­fung so notwendig macht, weil die Menschen sonst in eine Sackgasse geraten würden. Man tadelt heute die früheren Zeiten, weil die Kinder nicht frühzeitig aufgerufen wurden, um über Gott und die Welt zu entscheiden. Das war aber nur ein ganz gesunder Instinkt. Heute muß man das wieder mehr und mehr bewußt erreichen. Das instinktive

Derde fase

<6> Het beoordelingsvermogen en het intellect moeten zo laat mogelijk gebruikt worden, pas wanneer het gevoel voor het individuele ontwaakt, met de ontwikkeling van het astraallijf. [8] Voor die tijd moet de mens niet oordelen over het individuele; daar moeten het de feiten zijn waarin hij gelooft. Maar in de jaren die nu komen, vindt het individuele zijn sterkste uitdrukking in de relatie tussen de twee seksen, wanneer het ene individu zich aangetrokken voelt tot het andere. <6>

De noodzaak van antroposofie

<7> Dus je ziet, als je de drie lichamen van de mens op de juiste manier bestudeert, krijg je in feite de meest praktische basis voor een juiste opvoeding en ontwikkeling van de mens. Spirituele wetenschap is dus niets onpraktisch, niets dat in de wolken zweeft, maar iets dat ons de beste leidraad geeft om in het leven doelbewust te handelen.
Dit is precies wat de hedendaagse geesteswetenschappelijke verdieping  zo noodzakelijk maakt, omdat mensen anders op een dood spoor zouden belanden. Mensen bekritiseren tegenwoordig vroegere tijden omdat kinderen niet op jonge leeftijd werden opgeroepen om te oordelen over God en de wereld. Maar dat was juist een heel gezond instinct. Vandaag de dag moet dat steeds bewuster gebeuren. Het instinctieve

Blz. 67

Erkennen von früher ist verschwunden, damit aber auch eine gewisse Sicherheit für einzelne Dinge des Lebens. Nun darf das Menschen­geschlecht jedoch nicht plötzlich zugrunde gerichtet werden. Wenn man auf dem Erziehungsgebiet, in der Medizin, Rechtswissenschaft und so weiter radikal den Grundsätzen des Materialismus gefolgt wäre, dann würde unsere menschliche Ordnung wohl schon längst in die Brüche gegangen sein. Man konnte aber nicht alles zerstören: ein Teil von früher ist geblieben. Weil der Materialismus die Menschen notwendig in eine Sackgasse hineinführen würde, darum ist die geisteswissenschaftliche Bewegung notwendig.
Lehrer, die wirklich noch eine Empfindung für die Kindesseele haben, ersticken einfach unter dem Schulschematismus und den Vor­schriften, die eine Karikatur dessen sind, was in Wirklichkeit da sein sollte, und die herausgeboren sind aus dem Aberglauben, daß man es nur mit dem physischen Leibe zu tun hätte. Davor schützt auch nicht religiöse Gläubigkeit. Es kommt vielmehr darauf an, daß die Men­schen für das Spirituelle einen Sinn bekommen, für das, was über das Sinnesleben wirklich hinausgeht.

weten in het verleden is verdwenen, maar daarmee ook een bepaalde zekerheid voor sommige dingen in het leven. Het menselijk ras mag echter niet plotseling vernietigd worden. Als de principes van het materialisme radicaal zouden zijn gevolgd op het gebied van onderwijs, geneeskunde, recht enzovoort, dan zou onze menselijke orde waarschijnlijk allang zijn ingestort. Maar niet alles kon vernietigd worden: een deel van het verleden is gebleven. Omdat materialisme mensen noodzakelijkerwijs naar een doodlopende weg zou leiden, is de spiritueel-wetenschappelijke beweging noodzakelijk.
Leraren die echt nog gevoel hebben voor de ziel van het kind, stikken gewoon onder het schoolschematisme en de leefregels, die een karikatuur zijn van wat er werkelijk zou moeten zijn, en die voortkomen uit het bijgeloof dat men zich alleen met het fysieke lichaam bezig hoeft te houden. Religieus geloof beschermt hier niet tegen. Het is veeleer belangrijk dat mensen gevoel krijgen voor het spirituele, voor dat wat het zintuiglijke leven werkelijk overstijgt.

Deshalb werden auch nicht die Leute das Richtige finden können, die sich in Bezug auf die Erzie­hungsgrundsätze an äußere Formeln halten. Sie klammern sich an das traditionelle kirchliche Dogma, wollen aber nichts von der Ent­wickelung des Geistes wissen. Damit haben wir es vor allem zu tun. Was heute not tut, das muß aus spirituellen Welten kommen. Denn was der Materialismus gezeitigt hat, ist nur geeignet, die Menschen am physischen Leibe und den höheren Leibern krank zu machen. Eine schwere Krisis wäre unausbleiblich, wenn nicht eine geistige Vertiefung der Menschheit Platz greifen würde. Es gibt manches, das wie mit Fingern auf die wichtigen Entscheidungen, die sich heute innerhalb unserer Menschheit vollziehen, hindeutet. Man muß die Dinge innerlich betrachten, äußere Formen machen es nicht aus. Die Sehnsucht und das Hinneigen nach dem Geiste läßt sich bei den Men­schen nicht töten. Einem Teil der Menschen, die eine solche Sehnsucht haben, kam der Spiritismus entgegen. Da will man den Geist auf eine materielle Art beweisen. Bemerkenswert ist nun, wie sich die katho­lische Kirche dazu verhält, die es doch eigentlich nur mit Spirituellem

Daarom zullen mensen die vasthouden aan uiterlijke formules als het gaat om opvoedingsprincipes niet in staat zijn om het juiste te vinden. Ze houden vast aan traditionele kerkelijke dogma’s, maar willen niets weten van de ontwikkeling van de geest. Daar hebben we vooral mee te maken hebben. Wat vandaag nodig is, moet uit geestelijke werelden komen. Want wat het materialisme heeft voortgebracht is alleen in staat om mensen ziek te maken in het fysieke lichaam en de hogere lichamen. Een ernstige crisis zou onvermijdelijk zijn als er geen spirituele verdieping van de mensheid zou plaatsvinden. Er zijn veel dingen die verwijzen naar de belangrijke beslissingen die vandaag de dag binnen onze mensheid plaatsvinden. Je moet de dingen innerlijk bekijken, uiterlijke vormen maken het verschil niet. Het verlangen en de neiging naar de geest kan niet gedood worden in mensen. Sommige mensen die zo’n verlangen hebben, worden bediend door het spiritisme. Zij willen de geest op een materiële manier bewijzen. Opmerkelijk is nu hoe de katholieke kerk, die eigenlijk alleen met het spirituele bezig zou moeten zijn, zich hier tegenover opstelt:

Blz. 68

zu tun haben sollte: eine jede äußere Handlung ist hier die Abspiege­lung von etwas Spirituellem. Aber es ist merkwürdig, was sich gerade jetzt zugetragen hat: daß nämlich in kirchlichen Kreisen jemand nach einem äußeren Beweis für das Geistige sucht. Jetzt ist ein Buch von Lapporn; dem Leibarzt des Papstes erschienen, der darin geradezu für den Spiritismus eintritt. Das ist deshalb so sonderbar, weil die Men­schen, an die sich diese Publikation wendet, offensichtlich gar nicht mehr spirituell gesinnt sind; sie brauchen einen handgreiflichen Be­weis für das Vorhandensein einer geistigen Welt. Es ist schon des Nachdenkens wert, wenn der Leibarzt des Papstes für den Spiritismus eintritt. Da ist die Sehnsucht nach der geistigen Welt vorhanden, aber kein Verständnis für die eigene Lehre von der geistigen Welt.
So schleicht sich der Materialismus in die Religionen hinein, die im Grunde ganz und gar nicht materialistisch sein sollten. Daher können Sie sehen, wie bedeutsam eine Bewegung ist, die an die wirkliche Er­kenntnis des Geistes im Menschen appelliert, die dem Leben indessen nicht asketisch und fremd gegenübersteht, sondern jeden Augenblick die praktische Bedeutung dieses Geistigen erst recht begreiflich macht.
Aber nun sollen wir auch nicht fragen:

Elke uiterlijke handeling is hier de weerspiegeling van iets geestelijks. Maar het is vreemd wat er zojuist is gebeurd: namelijk dat iemand in kerkelijke kringen op zoek is naar extern bewijs van het spirituele. Nu is er een boek verschenen van Lapponi*, de persoonlijke arts van de paus, die daarin m.n. voor het spiritisme pleit. Dit is zo vreemd omdat de mensen tot wie deze publicatie is gericht, duidelijk niet meer spiritueel zijn ingesteld; zij hebben behoefte aan tastbaar bewijs van het bestaan van een geestelijke wereld. Het is het overdenken waard wanneer de persoonlijke arts van de paus het spiritualisme bepleit. Er is een verlangen naar de spirituele wereld, maar geen begrip van de doctrine van de spirituele wereld.

*Het stenogram is hier niet volledig; het boek was t.t.v. de voordracht nog niet vertaald.

Zo sluipt materialisme religies binnen die helemaal niet materialistisch zouden moeten zijn. Daarom kun je zien hoe belangrijk een beweging is die appelleert aan de werkelijke kennis van de geest in de mens, die echter niet ascetisch is en  van het leven vervreemd, maar juist de praktische betekenis van deze spiritualiteit op elk moment pas echt begrijpelijker maakt.

Maar nu moeten we niet vragen:

Wie kann ich in mir schnell alle möglichen okkulten Kräfte ausbilden? – oder: Wie kann ich mich einspinnen, um nur mit der Wirklichkeit nicht in Berührung zu kom­men? – Wer so fragt, ist ein Egoist und nichts anderes als ein geistiger Feinschmecker. Wenn man alles nur genießen will, was einem geistig gefällt, so verhält man sich nur etwas raffinierter als ein anderer, der mit dem Feinschmecken beim Frühstück anfängt Wem der leibliche Geschmack verdorben ist, der kommt manchmal zu den raffiniertesten geistigen Gerichten. Der ist im richtigen Sinne Theosoph, der sich bemüht, das Leben zu begreifen und dem Leben zu dienen, und die Eltern sind theosophisch gesinnt, die ihre Aufgabe darin sehen, das Kind bei jedem Schritt, den es tut, in seiner Entwickelung zu för­dern. Sagen Sie nicht: Wie können wir das in unserer Zeit? – Da muß man wiederum wissen: Es kommt darauf an, bewußt festzuhalten, daß die Seele das Ewige ist. Der Mensch ist bereit, an ein ewiges Leben zu glauben, in das er nach seinem Tode möglichst sofort ein­gehen möchte. Wer aber wirklich davon überzeugt ist, daß die Seele

Hoe kan ik snel allerlei bovenzinnelijke krachten in mezelf ontwikkelen? – Of: Hoe kan ik mezelf zo terugtrekken dat ik niet in contact kom met de werkelijkheid? – Wie zulke vragen stelt, is een egoïst en niets meer dan een spirituele fijnproever. Als je alleen maar wilt genieten van alles wat je spiritueel behaagt, dan gedraag je je alleen maar iets geraffineerder dan iemand anders die bij het ontbijt eerste de lekkere dingen pakt. Degene wiens lichamelijke smaak bedorven is, komt soms tot de meest geraffineerde spirituele gerechten. Een antroposoof in de juiste zin van het woord ben je als je ernaar streeft het leven te begrijpen en het leven te dienen, en ouders zijn antroposofisch ingesteld als ze het als hun taak zien om het kind bij elke stap die het zet aan te moedigen in zijn ontwikkeling. Zeg niet: Hoe kunnen we dat doen in onze tijd? – Nogmaals, je moet weten: Het is belangrijk om te beseffen dat de ziel eeuwig is. De mens is bereid te geloven in een eeuwig leven, waar hij na zijn dood zo snel mogelijk wil zijn. Maar voor wie er echt van overtuigd is dat de ziel

Blz. 69

ein Ewiges ist, für den bedeutet die Zeit vom zweiten bis achtzigsten Jahre nur einen Unterschied von achtundsiebzig Jahren, und was ist das gegen die Ewigkeit? Dann glaubt man an die Ewigkeit des Da­seins, und das muß man auch fühlen und Geduld haben. Wir müssen uns angewöhnen, im Dienst der ganzen Menschheit zu wirken. Es kommt daher gar nicht darauf an, ob wir das, was wir uns aneignen, wirklich gleich anwenden können; sondern vor allem müssen wir im­mer danach streben, es anzuwenden, und irgendein kleines Feld dafür findet schließlich jeder. Wenn aber jeder nur herumkritisiert, so wird niemals etwas zustande kommen. Besser ist es, ein ganz klein wenig zu tun und uns nicht zu beklagen, daß wir das Gelernte nicht an­wenden können, anstatt überhaupt nichts zu tun. Das ist das, was wir uns als praktisches Gesetz in die Seele schreiben sollten. Unser Leben wird ganz von selbst anders, wenn wir uns so in die Geisteswissen­schaft hineinarbeiten, und ohne daß der Mensch etwas merkt, gestaltet er die Welt um, wenn er Theosoph wird. Die Hauptsache und das Klügste, was wir tun können, ist, die Geisteswissenschaft erst einmal in ihrem Wesenskern erfassen und dann möglichst intensiv danach zu leben. Dann führen wir sie ins Leben ein; das andere wird sich schon von selbst gestalten.

eeuwig is, is de tijd van het tweede tot het tachtigste jaar slechts een verschil van achtenzeventig jaar, en wat is dat vergeleken met de eeuwigheid? Dan geloof je in de eeuwigheid van het bestaan, en dat moet je ook voelen en geduld hebben. We moeten er een gewoonte van maken om in dienst van de hele mensheid te werken. Het is daarom helemaal niet belangrijk of we wat we geleerd hebben meteen echt kunnen toepassen, maar we moeten er vooral altijd naar streven om het toe te passen, en iedereen zal daar uiteindelijk een klein werkveld voor vinden. Maar als iedereen alleen maar kritiek heeft, komt er nooit iets van terecht. Het is beter om een klein beetje te doen en niet te klagen dat we het geleerde niet kunnen toepassen dan om helemaal niets te doen. Dit zouden we in onze ziel moeten schrijven als een praktische wet. Ons leven wordt vanzelf anders als we ons op deze manier in de spirituele wetenschap inwerken, en zonder het te beseffen verandert iemand de wereld als hij antroposoof wordt. Het belangrijkste en verstandigste wat we kunnen doen is eerst de essentie van de spirituele wetenschap te begrijpen en er dan zo intensief mogelijk naar te leven. Dan introduceren we het in het leven; de rest zal voor zichzelf zorgen.

Eine Mutter, ein Lehrer, die Theosophen sind, werden ganz von selbst anders handeln, als ein Mensch, der davon keine Ahnung hat. Wer da weiß, was für ein Gebilde der Mensch ist, der wird auch ganz instinktiv das verschiedenartige Werden beim sich entwickelnden Menschen beobachten. Vor allem würde durch echte theosophische Vertiefung eine solche Heuchelei aufhören, daß die Großen erst alles mögliche Allotria treiben und dann mit todernsten Grundsätzen in die Kinderstube treten. Das kommt eben daher, daß die Menschen keinen Glauben an den Geist haben.
So haben wir wieder einen Einblick gewonnen, daß Geisteswissen­schaft etwas ist, was der Lebenspraxis angehört, und daß es eines der unsinnigsten Vorurteile ist, wenn Gegner sagen, sie bringe vom Le­ben ab. In Wahrheit führt sie ins Leben hinein. Heute fühlt sich noch jeder, der ein braver Spießbürger ist, erhaben, wenn er über die Theosophie reden kann, aber es wird eine Zeit kommen, in der man

Een moeder, een leraar die antroposoof is, zal uit zichzelf anders handelen dan iemand die er geen idee van heeft. Wie weet wat voor wezen een mens is, zal ook instinctief de verschillende soorten ontwikkeling in de evoluerende mens waarnemen. Bovenal zou door echte antroposofische verdieping een einde komen aan zulke hypocrisie dat de groten zich eerst bezighouden met allerlei soorten onbenulligheden en dan de kinderkamer ingaan met bloedserieuze principes. Dit komt juist omdat mensen geen vertrouwen hebben in de geest.
Zo hebben we weer inzicht gekregen in het feit dat spirituele wetenschap iets is dat bij de praktijk van het leven hoort, en dat het een van de meest absurde vooroordelen is als tegenstanders zeggen dat het van het leven wegleidt. In werkelijkheid leidt het naar het leven. Vandaag de dag voelt iedereen die een brave burger is zich nog steeds verheven als hij over antroposofie kan praten, maar er zal een tijd komen waarin

Blz. 70

anders urteilen wird. Man wird einmal einsehen, wo die wahre Lebens­freudigkeit liegt. Die Zukunft wird kommen, wo man sagen wird:
Das waren die großen Reaktionäre, die es mit einer unmöglich in die Zukunft hineinführenden Zeitströmung hielten, die nichts wissen wollten von der großen Praxis des Lebens, welche den Menschen neue Erkenntnisse des Geistes ankündigt, wie sie uns durch die theo­sophische Weltanschauung gegeben werden, Erkenntnisse, die sich in uns befestigen und immer praktischer werden sollen durch die an­gefachte und in uns lebendig wirkende theosophische Gesinnung.

men anders zal oordelen. Op een dag zullen mensen beseffen waar de ware vreugde van het leven ligt. De toekomst zal komen dat mensen zullen zeggen:
Dat waren de grote reactionairen die vasthielden aan een stroming van de tijd die onmogelijk naar de toekomst kon leiden, die niets wilden weten van de grote praktijk van het leven, die de mensheid nieuwe inzichten van de geest aankondigt, zoals ze ons worden gegeven door het antroposofische wereldbeeld, inzichten die stevig in ons verankerd moeten raken en steeds praktischer worden door de antroposofische houding die in ons is aangewakkerd en levend is. <7>
GA 96/60

[1] Over de naamgeving etherlichaam of etherlijf
[2] Over het Ik
[3] Over spel
[4] Over nabootsing
[5] Over autoriteit
[6] Over vlinder en ziel
[7] Over deze uitspraken van Pythagoras
In het oude Griekenland werden lagere ambtenaren gekozen door één witte boon met een lading zwarte bonen in een “bonenmachine” te doen. Wie de witte boon pakte, kreeg de baan. [bron]
[8] Over oordelen

.

Rudolf Steiner over pedagogiek: alle artikelen op deze blog

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3465-3262

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen (5-5)

.

De Zwitserse vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser schreef in de jaren o.a. 1970 artikelen over vormtekenen in het pedagogisch vrijeschooltijdschrift ‘De mensenschool’.
Ze werden in een boekje samengebracht.

In het laatste hoofdstuk geeft hij nog een kleine samenvatting en neemt daarna een artikel op van Hermann Koepke   die een bepaalde visie heeft op de m.n. symmetrieoefeningen en de vorming van het gebit.

Belangrijke menskundige toevoeging

In een vorig deel is erop gewezen dat er drie niveaus moeten worden onderscheiden en in aanmerking genomen in de methodologische structuur van het vormtekenen:

De vormen van de 1e klas moeten gebaseerd zijn op de eenvoudige verticale symmetrieas.

In de 2e klas moet de horizontale symmetrieas geïntroduceerd worden als een nieuwe en dan overgaan op axiale symmetrie.

In een derde stap (rond de leeftijd van 8 of 9 jaar) kunnen vrije vormen worden overwogen die de nadruk leggen op binnen-buiten, centrum en omtrek; asymmetrische symmetrieën, zoals Rudolf Steiner ze noemt.

Hermann Koepke, leraar aan de Rudolf Steiner School Birseck in Dornach, heeft nu aangetoond dat deze drie stadia precies overeenkomen met het proces van tandvorming en de symmetrie of asymmetrie ervan weerspiegelen.

Over de vormen van symmetrie

Kinderen houden op een speciale manier van vormen tekenen. Zodra de schriften en kleurdozen op tafel liggen, breidt zich een heerlijke werksfeer uit met een gevoel van welbehagen.

Ik vind een schrift geen goed idee. Vellen papier, waarop naar hartenlust geoefend kan worden, opnieuw en opnieuw. Een schrift vraagt toch om ‘iets moois’ en dat is nu net wat de vormtekening pas op het allerlaatst van het oefenproces mag (niet moet) zijn. Natuurlijk, als het kind de vorm goed beheerst, er eigenlijk niets meer aan te oefenen heeft, is een neerslag in een schrift zeker een mooi afronding.

Het is alsof je een reis naar het dwergenrijk kunt maken, waar het werk wordt gedaan en gevormd in de organische, levende wereld.

Koepke refereert hier waarschijnlijk (als kenner?) aan de elementairwereld.

Dan valt je nog iets op, namelijk dat de ‘dwergen’ in de tweede klas veel open plaatsen tussen hun tanden hebben. Ze werken dus ook ijverig aan de vorm.

De vorming van tanden op deze leeftijd volgt de wet van ‘symmetrie’, zowel rechts-links als boven-beneden. Werkt het kind aan de symmetrievormen?

Als het kind aan de symmetrieoefeningen werkt, doet het dat met dezelfde vormende krachten die optreden bij tandvorming. 

Voor de leerkracht is het niet vreemd als moeilijkheden met symmetrische vormen hand in hand kunnen gaan met een problematische stand van de tanden, net zoals aan de andere kant de hulp bij het tekenen van vormen de tandvorming ten goede komt.

Het leerplan van Rudolf Steiner volgt de ontwikkeling van het fysieke verrassend gedetailleerd. De leerkracht moet bijvoorbeeld eerst de symmetrie van rechts en links in ogenschouw nemen en pas daarna de kinderen kennis laten maken met de symmetrie van boven en onder.
Deze twee opeenvolgende stappen kunnen ook worden waargenomen bij de vorming van tanden: In de regel begint het bij zesjarigen met de achterste kiezen, die nu pas groeien, vervolgens worden er vier tanden overgeslagen en de voorste, de snijtanden, worden op zevenjarige leeftijd gewisseld. Het is een beweging van buiten naar het midden, een verhouding van rechts en links. Pas in de tweede klas krijgt de relatie tussen boven- en onderkant, die er vanaf het begin is, een heel speciale betekenis. De achtjarige heeft in de boven- en onderkaak evenveel melktanden als blijvende tanden, wat betekent dat de verhouding boven-onder in evenwicht is. Nu is het begrijpelijk dat vormen waarin de rechts-links symmetrie, maar ook de boven-onder symmetrie (axiaal kruis) een rol spelen, voor de tweede klassers op het lijf geschreven.

Als we de kinderen in de tweede klas vertellen over de heiligen, komt het kruis weer ter sprake. Deze vorm wordt ervaren als een gebaar van houvast in de strijd tussen licht en donker. Beatus verslaat de draak door hem het kruis voor te houden.

Maar terug naar het tekenen van vormen. Hoe geeft elk individueel kind vorm aan het snijpunt in zijn symmetrische vorm? Veel kinderen hebben aanvankelijk geen vaste referentie naar het middelpunt. Het is zelfs wenselijk dat dit proces langzaam groeit en rijpt. Want pas als de kinderen in de derde klas het vermogen tot imitatie grotendeels hebben verloren, ervaren ze zichzelf, los van hun omgeving, als een middelpunt dat in zichzelf rust. Hier en daar echter, tegen het einde van de tweede klas, komt de nadruk op de middelpunten naar voren en dit zijn belangrijke voorbodes.

We kunnen nu de tandpatronen en symmetrievormen op de volgende manier analyseren  (Arabische cijfers = blijvende tanden, Romeinse cijfers = melktanden):

Eerste klas

De zessen worden gevormd op zesjarige leeftijd, de enen worden gewisseld op zevenjarige leeftijd in de eerste klas. Het gebaar van buiten naar het midden is ook de basis van de symmetrievorm:

 

Tweede klasse

Volledige getalharmonie van boven en onder, rechts en links, hetzelfde aantal blijvende tanden als melktanden. Er ontwikkelt zich kruissymmetrie (aanvankelijk zonder vaste verwijzing naar het midden).

 

Derde klas

De zuivere symmetrie in tandvorming wordt doorbroken. Nu zijn vormen mogelijk die ten opzichte van het centrum op een volledig vrije manier gevormd worden, maar niet langer een starre symmetrie volgen. Voor deze ontwikkelingsfase beschrijft Rudolf Steiner vormen die “asymmetrische symmetrieën” bevatten, spanningen tussen binnen en buiten, centrum en periferie. (Zie zijn suggesties in de cursussen Ilkley 1923 en Torquay 1924.) Op deze leeftijd kan ook het gebonden schrift worden geïntroduceerd.

Dat wil niet zeggen dat je nu pas zou kunnen beginnen met gebonden schrift. Al in klas 1 zijn er veel vormtekeningen die tegelijk al iets van ‘verbinden’ in zich hebben; dat geldt nog meer voor de 2e klas. Wel lijkt mij dat in de 3e klas alle kinderen verzorgd schuin moeten kunnen (gaan) schrijven.

.

Deel 1    deel 2    deel 3     deel 4

Vormtekenenalle artikelen

Rudolf Steiner over vormtekenen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden.

.

3464-3261

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (4)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

4. Schuljahr: 20 juni 1922 bis etwa 24 maart 1923
4e Schooljaar 20 juni 1922 tot ongeveer 24 maart 1923

Blz. 53

Auch hier sind die beiden ersten Zahlen nicht genau festzustellen:

19 Klassen
37 Lehrer
640 Schüler

Gleich zu Beginn des Schuljahres, noch ehe der Unterricht beginnt,
ziehen sich die Wolken zum ersten Male dicht zusammen und entladen sich, wie auch dann im Lauf des Jahres, Schlag auf Schlag.
Rudolf Steiner gebraucht immer wieder empörte, tadelnde Worte,
bis hin zum Februar 1923.
Aber in die dadurch entstandene finster lastende Stimmung der Lehrer hinein stellt er im letzten Vierteljahr, eine nach der anderen,
sieben geschlossene Sonderdarstellungen, die jeweils ein wichtiges

Ook hier zijn de beide eerste cijfers niet nauwkeurig aan te geven:

19 klassen
37 leerkrachten
640 leerlingen

Direct aan het begin van het schooljaar, nog voor het begin van de lessen, pakken de wolken zich voor het eerst dik samen en ontladen zich, zoals in de loop van het jaar, slag op slag volgt.
Rudolf Steiner gebruikt herhaaldelijk verontwaardigde, berispende woorden,
tot en met februari 1923.
Maar in de daardoor ontstane sombere beklemmende stemming van de leraren, geeft hij in het laatste kwartaal van het jaar, zeven afzonderlijke bijzondere uiteenzettingen die op dat ogenblik een belangrijk

Blz. 54

Gebiet der Pädagogik erhellen. Sie umfassen manchmal eine ganze
Konferenz. Es wird so gleichsam das, was abzusinken droht, mit
Riesenkraft wieder in die Höhe gehoben.

van de pedagogie belichten, in de sombere stemming van de leraren die daardoor is ontstaan. Soms omvatten ze een hele vergadering. Op deze manier wordt wat dreigt weg te zinken weer opgetild met enorme kracht.

Das erste Unwetter grollt gleich am Abend nach der Schuleröffnung 1922. Nach kurzer Ansprache wird in einigen der wichtigsten Fächer ein Austausch der Lehrer vorgenommen. Rudolf Steiner war dem, was die Schüler der 10. Klasse ihm im Gespräch vorgebracht hatten, selbst gründlich beobachtend nachgegangen (2/93) und hatte den Eindruck bekommen, daß ,,die Waldorfschule (mit diesen Kindern) nicht eigentlich fertig geworden wäre” (2/93). Ein schwerer Vorwurf folgt dem anderen. (Es werden nur einige angeführt.) Statt des „innigen Verbundenseins” mit der Klasse sei eine „gewisse . . . Entfremdung eingetreten”. Es sei zu einem „Zerflattern” der Klasse gekommen, nicht zum „richtigen Zusammenwirken”. Statt „Begeisterung” habe sich „negative, skeptische Stimmung .. . in den Unterricht hineingeschlichen” (2/95, 96).
Der Unmut Rudolf Steiners ist so tief, daß er am nächsten Abend die Konferenz schroff abbricht und im Zorn hinausgeht, als es sich zeigt, daß bei den Zeugnissen „ein Mangel an Ernst”, „eine unerhörte Schlamperei” vorgekommen sei (2/110). Erst die Konferenz am dritten Tag (22. Juni 1922) verläuft in gewohnter Weise.
Ganz besonders schlimm wird es, als im Herbst 1922 bei einer Gruppe von Schülern der 9. bis 11. Klasse Ausschreitungen vorgekommen waren, in denen sich eine moralische „Verwilderung” offenbarte.

De eerste storm woedde meteen op de avond na de opening van de school
in 1922. Na een korte toespraak was voor een van de belangrijkste vakken een uitwisseling tussen de leraren gedacht. Rudolf Steiner had zelf grondig onderzocht wat de leerlingen van de 10e klas hem in een gesprek hadden verteld (2/93) en had de indruk gekregen dat “de vrijeschool (met deze kinderen)
eigenlijk niet in het reine was gekomen”. (2/93). De ene ernstige beschuldiging volgt op de andere. (Er worden er maar een paar genoemd.) In plaats van de
“intieme band” met de klas, is een “zekere . . . vervreemding opgetreden”. Een vorm van ‘uit elkaar vallen van de klas’, er is geen “goede samenwerking” ontstaan. In plaats van “enthousiasme” is er een “negatieve, sceptische stemming . . in de lessen geslopen” (2/95, 96).
Het ongenoegen van Rudolf Steiner is zo groot dat hij de volgende avond de vergadering abrupt onderbreekt en woedend vertrekt toen bleek dat er sprake was van “een gebrek aan ernst”, “een ongehoorde slordigheid” bij de getuigschriften. (2/110).
Pas de vergadering op de derde dag (22 juni 1922) verloopt zoals gewoonlijk.
Het ging er bijzonder slecht aan toe toen in de herfst van 1922 toen een groep leerlingen van de 9e tot 11e klas betrokken was geraakt bij het verstoren van de orde die een morele “verwildering” aan het licht bracht.

Die gründliche Besprechung darüber nimmt zwei ganze Konferenzen (2/120—137) und darüber in Anspruch.
Mehrere Schüler müssen von der Schule ausgeschlossen werden, und es gibt einigen Wirbel in den Klassen und bei den Menschen um die Schuleherum.
Rudolf Steiner gebraucht auch dieses Mal gegenüber den Lehrern wieder harte Worte, und er wiederholt manche auch in anderen Konferenzen dieses Jahres. (Auch hier wird nicht auf alles hingewiesen.) Er spricht von „gewöhnlichem Schulschlendrian” (2/205), von „innerer Bequemlichkeit” (2/225). „Die Waldorfschul-Methodik ist nicht überall angewendet” (2/205), „die Praxis ist noch nicht da” (2/108). „Das Dozieren ist nicht überwunden worden” (2/174). Es bestehe nicht genug „Interesse und Verständnis für das Echo, das aus der Klasse entgegenkommt” (2/173); „die Kinder arbeiten nicht mehr innerlich seelisch mit” (2/173). So ist „der Kontakt verloren mit den Kindern” (2/204). „Selbstdisziplinierung” ist nötig (2/224).

De grondige bespreking hiervan neemt twee hele vergaderingen in beslag (2/120-137) en meer.
Verschillende leerlingen moeten van school gestuurd worden, en er is wat commotie in de klassen en onder de mensen rondom de school.
Rudolf Steiner gebruikt weer harde woorden tegen de leraren en herhaalt sommige daarvan ook in andere vergaderingen dit jaar. (Ook hier wordt niet alles genoemd.)
Hij spreekt van “gewone sleur op school” (2/205), van “innerlijke gemakzucht” (2/225). “De vrijeschoolmethodiek wordt niet overal toegepast” (2/205), “de praktijk is er nog niet” (2/108). “Het doceren is nog niet overwonnen” (2/174). Er is niet genoeg “interesse en begrip voor de echo die uit de klas komt” (2/173); “de kinderen werken innerlijk niet mee” (2/173). Het gevolg is dat “het contact
met de kinderen verloren gaat” (2/204). “Zelfdiscipline” is noodzakelijk (2/224).

Blz. 55

Frische, . . . Wurf, Schneid gehört in unsere Unterrichtstätigkeit” (2/206). „Wir müssen Feuer hineinbringen” (2/179). Vor allem aber: ,,Es muß Humor hinein!” (2/108). Gerade dies wird mehrfach auch an anderen Stellen wiederholt. „Die Stimmung ist hier eine so gespannte” (2/224). „Ein harmonisches Zusammenarbeiten müßte geboren werden” (2/225).
Es kommen noch Schwierigkeiten anderer Art hinzu. In über drei
Konferenzen wird endlos verhandelt über die richtige Gestaltung des
Stundenplans (28. Oktober, 24. November, 5. und 9. Dezember 1922). Der Eindruck ist, daß Rudolf Steiner zuletzt resignieren muß, weil er kein Verständnis findet.
Und endlich zeigt es sich als nötig, daß Rudolf Steiner die Schulverwaltung auf eine neue Grundlage stellt. Er schlägt vor, daß neben dem, der im Schulhause wohnt und deshalb gewisse laufende Verwaltungsdinge zu führen hat (2/235), nun für alles übrige ein „kleines Kollegium”, ein drei- bis vierköpfiger Verwaltungsrat gebildet wird (2/235). Dies läßt sich aber erst in mühsamen und langwierigen Verhandlungen erreichen, bei denen Rudolf Steiner mit seinen tadelnden Äußerungen nicht hinter dem Berge hält (23. und 31. Januar 1923).

frisheid, … prestaties, daadkracht horen thuis in onze onderwijsactiviteiten”
(2/206). “We moeten er vuur in brengen” (2/179). Maar vooral: “We moeten er humor inbrengen!” (2/108). Dit wordt ook op andere plaatsen meermaals herhaald. “De sfeer is hier zo gespannen” (2/224). “Een harmonieuze samenwerking zou geboren moeten worden” (2/225).
Daar komen nog andere moeilijkheden bij. In meer dan drie vergaderingen wordt eindeloos onderhandeld over de juiste opzet van het rooster (28 oktober, 24 november, 5 en 9 december 1922). De indruk bestaat dat Rudolf Steiner zich uiteindelijk moet terugtrekken, omdat hij geen begrip vindt.
Tenslotte blijkt dat Rudolf Steiner de schoolleiding op een nieuwe leest moet schoeien. Hij stelt voor om naast degene die in het schoolhuis woont en dus bepaalde dagelijkse administratieve zaken moet regelen (2/235), nu ook een “klein college”, een drie- tot vierkoppig bestuur, te vormen voor al het andere
(2/235). Dit kon echter alleen worden bereikt door moeizame en langdurige onderhandelingen, waarbij Rudolf Steiner zich niet inhield met zijn verwijtende opmerkingen (23 en 31 januari 1923).

Während dieser schweren Monate wird aber dennoch der Ausbau der Schule fortgeführt. Für die neue 11. Klasse wird ein ausführlicher Lehrplan gegeben (2/97-99, 102-106, 109), und es sollen neue Lehrer berufen werden (2/151, 184). Durch neue Parallelklassen können nun die Volksschulklassen alle doppelzügig geführt werden.
Vor allem aber tut Rudolf Steiner etwas tief Eingreifendes. Gerade in dieser Zeit (Januar bis März 1923), als auch in der Anthroposophischen Gesellschaft große Schwierigkeiten zu überwinden sind, wirkt Rudolf Steiner durch das Einfließenlassen neuer spiritueller Kräfte der niederdrückenden Stimmung entgegen.
Er spricht erstens über den Bildschmuck in den Räumen der Schule (2/228—231, 240, 241); zweitens darüber, wie sich der Lehrer fruchtbar vorbereiten kann (2/232—235). Es folgt als drittes das über die Schulhygiene Gesagte (2/257—267), und viertens ein ausführliches Gespräch über die Stellung des französischen Unterrichts in der Schule (2/276—284). Als fünftes schließen sich an Ernährungsfragen (2/284—289) und sechstens die Grundlegung desTurnunterrichts (2/218—220, 292—301). Schließlich als siebtes werden
für Lehrer und einige besonders interessierte Musikfreunde im März noch zwei große Vorträge gehalten über Wesen und Entwicklung der Musik (Zeittafel; Liste Nr. 24)

Tijdens deze moeilijke maanden gaat de uitbreiding van de school echter door. Er wordt een gedetailleerd leerplan gegeven voor de nieuwe 11e klas (2/97-99, 102-106, 109) en er worden nieuwe leraren aangesteld (2/151, 184). Dankzij nieuwe parallelle klassen kunnen de klassen van de basisschool nu allemaal als dubbele klassen worden geleid.
Maar bovenal doet Rudolf Steiner iets behoorlijk ingrijpends. Vooral in deze tijd (januari tot maart 1923), waarin ook in de Antroposofische Vereniging grote moeilijkheden overwonnen moesten worden, gaat Rudolf Steiner de beklemmende stemming tegen door nieuwe geestelijke krachten binnen te laten stromen.
Ten eerste spreekt hij over de beelddecoratie in de ruimtes van de school
(2/228-231, 240, 241); ten tweede over hoe de leraar zich vruchtbaar kan voorbereiden (2/232-235). Dit wordt ten derde gevolgd door wat hij heeft gezegd over hygiëne op school (2/257-267), en ten vierde door een gedetailleerde bespreking van de plaats van het Franse in het onderwijs in de school (2/276-284). Ten vijfde zijn er vragen over voeding (2/284-289) en ten zesde, de fundamenten van lichamelijke opvoeding (2/218-220, 292-301). Ten slotte, ten zevende, houdt hij  in maart twee grote lezingen over de aard en de ontwikkeling van muziek voor leraren en enkele bijzonder geïnteresseerde muziekliefhebbers.
GA 283 voordracht 7 en 8 maart 1923  
Niet vertaald

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3463-3260

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (2-1-8)

.

In Duitsland bestond geruime tijd het tijdschriftje ‘Der Elternbrief’ – brief voor ouders – waarin m.n. vrijeschoolleerkrachten schreven en uiteraard: de ouders.

Elisabeth Klein, in die tijd een bekende leerkracht die veel publiceerde, geeft een beknopte samenvatting van de essenties van het dierkunde-onderwijs in de 4e klas.
Aansluitend: over een lesvoorbereiding.
.

Elisabeth Klein, Der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

Een levendige lesperiode over dierkunde is van groot belang voor de relatie tussen de mens en de wereld op latere leeftijd. Wat kunnen ouders doen? Wat kan de school doen?

Dierkunde is geliefd bij alle kinderen. Kinderen observeren veel beter dan volwassenen, ze kunnen nog met en in het dier leven, dus je moet je afvragen: kunnen wij hier niet veel meer van het kind leren dan het kind van ons leert? De waarheid is dat dit net als met sprookjes en mythen is. Kinderen hebben deze beelden absoluut nodig, luisteren er vol overgave naar, maar kunnen ze zelf niet leren; ouders en leerkrachten moeten ze hen geven.

De eerste ervaring van het kind met dieren is bijzonder elementair, net zoals de kleine driejarige die voor het eerst een olifant ziet, die hem langzaam van achteren naar voren nadert in zijn grote verblijf, vol bewondering uitroept: “Hij – is niet bang – voor mij!”.

De volwassene moet tot zulke elementaire ervaringen komen als hij gelooft dat hij zinvol met het kind over dieren kan praten. Dan ontstaan samenvattende ervaringen in de volwassene. Vergelijkingen, terwijl het kind altijd het individu op het moment zelf ziet. Dus proberen we de koe als herkauwer, de leeuw als roofdier en de eekhoorn als knaagdier te ervaren alsof we ze nooit eerder hebben gezien. Wij, de volwassenen, hebben nog steeds een sleutel in handen: de mens in het centrum van het dierenrijk. Want elk dier is een puzzel die zijn oplossing alleen vindt in vergelijking met de mens. Dierstudies moeten daarom beginnen met een eenvoudige basisstudie van de mens.

Het hoofd wordt ervaren als een bal die comfortabel op de romp zit en daardoor wordt meegedragen. En in het hoofd zitten de vele zenuwen en zintuigen waarmee we de wereld ervaren.

De romp met de wervelkolom en de ribben is daarentegen geen bol, maar een schelp die naar voren open is, als een halve maan van opzij gezien. En de menselijke ledematen zijn als stralen, ze zijn recht. In de borstkas bevinden zich niet de ogen en oren, niet de zintuigen, maar alle organen, die hebben een ritme, vooral het hart met zijn hartslag en de longen met hun ademhaling.

De kinderen kunnen ook waarnemen dat de soort ledematen, of ze nu fijn of beweeglijk zijn, of grover, te maken heeft met het soort voedsel dat de dieren eten en hun stofwisseling. De koe, die altijd honger heeft en veel eet, heeft zeer logge ledematen, terwijl het hert, dat een fijnproever is, zeer fijne ledematen heeft.

Maar er is nog een groot verschil: het dier heeft vier bijna identieke ledematen, maar de mens heeft twee handen en twee voeten. De handen zijn heel licht en de mens kan ermee werken. De voeten zijn heel zwaar en daarmee kan de mens stevig over de aarde lopen. Met zijn handen kan de mens goed doen en werken, de velden bewerken, kerken en huizen bouwen, een viool enz.
Ooit riep een kind: “Ik kan het duidelijk zien: wat daar binnen schijnt (wijzend naar het hoofd) schijnt daar buiten (wijzend naar de handen)!”

Wat is het verschil tussen mensen en dieren? Deze vraag interesseert de kinderen enorm. “Dieren kunnen niet uit porseleinen kopjes drinken, ze kunnen niet in schone bedden liggen. Ze kunnen geen kathedraal bouwen of een orgel. Ze kunnen niet fatsoenlijk praten.” “Maar,” zegt een kind, “dieren kunnen veel dingen veel beter dan wij: vissen kunnen beter zwemmen dan wij, vogels kunnen beter vliegen dan wij. Hoe zit dat?” “Ja,” zegt de een, “elk dier kan iets veel beter dan mensen, vliegen of zwemmen of muizen vangen. Maar elk dier kan maar één ding, en dat heel goed. Mensen kunnen alles leren, zwemmen en vliegen en zelfs muizen vangen in een muizenval!” – 

In een volgend artikel – niet in mijn bezit – wordt nader op de dieren ingegaan.
Dat is op deze blog al op veel andere manieren weergegeven.

In Vlaanderen heeft de ex-vrijeschoolleraar Luc Cielen een uitgebreide website met alle mogelijke vrijeschoollesstof, achtergronden en gezichtspunten.

Hij schreef een aantal kritische artikelen over ‘te veel antroposofie in het vrijeschoolonderwijs’.

Onderstaand verslag is een uitwisseling met een stagiair over te geven dierkunde.
Daarin komen we wel iets tegen van de terughoudenheid t.o.v. hoofd, romp en ledematen, maar tegelijkertijd een aantal didactische opvattingen die de moeite van het bestuderen waar d zijn.

Cursief: antwoorden van L.C.

(Opmerkingen op voorbereiding dierkundeperiode, 2011)

i.v.m. dierkunde 
 
Ik wil even aftoetsen wat er kan en moet en dan zal ik op basis daarvan weer 
proberen een schema te maken. 
 Ik heb even gekeken naar jouw site.
Het grootste verschil met de gewoonte bij ons op school: 
Jij laat de leerlingen zelf verslag schrijven van hetgeen je hebt verteld en hetgeen ze zelf lezen aan informatie?
Het lijkt me zinvol om dat ook zo te proberen (ik heb altijd braaf met bordteksten gewerkt, spannend!!)  

In feite mag je nooit bordteksten laten overschrijven, behalve gedichten en liedteksten en spreuken in verband met je onderwerp. De kinderen schrijven altijd eigen teksten of krijgen de tekst gedicteerd (dat kan een visueel dictee zijn, waarbij jij tegelijk met de kinderen de tekst op het bord schrijft. Je dicteert dan ook sneller, namelijk aan de snelheid die jij hanteert bij het schrijven of je zet de tekst op voorhand op het bord en dicteert dan. Ook hier is de dicteersnelheid hoger dan bij een gewoon dictee). Gedichten, liederen kun je ook kopiëren op tekenpapier en die laten invoegen in hun werkboek (of je verzamelt ze in een map). Of je kopieert op gewoon papier en laat dit kleven in hun periodeschrift (is iets minder mooi).
 

Alleen even dan praktisch bekijken. Laat ik mijn sterke spellers een eerste nazicht doen ofzo… wat met de moeilijke beginners etc?

Je moet zeker proberen de teksten te laten nazien door kinderen die goed zijn in spelling. Moeilijke beginners kun jij op gang helpen, of naast iemand laten plaatsnemen die gemakkelijker schrijft. Dan kunnen ze samen de tekst maken of tenminste het begin ervan. Lukt het echt niet, dan laat je het kind een tekst van iemand anders overschrijven of je geeft het jouw tekst om over te schrijven (maar dit laatste alleen als het echt niet anders kan). Kinderen met dyslexie mochten van mij hun teksten met een tekstverwerker schrijven en daarna uitprinten.  

overzicht:
 
Eerst beginnen met MENSKUNDE. 
(3 dagen) Wat zou je geven over menskunde?

Het gevaar is hier niet denkbeeldig dat je antroposofie gaat verkondigen (denk aan dat mensbeeld met zon-maan en sterren). Probeer zo dicht mogelijk bij de natuur van de mens te blijven zodat je daarna vergelijkingspunten hebt met de dieren. Ik denk dan bijvoorbeeld aan hoofd, romp, ledematen: geef een zuiver natuurkundige beschrijving en laat hen vooral experimenteren (doen): met hun zintuigen, hun armen en handen, hun  benen (stappen, lopen, springen). De kinderen kunnen daardoor een zekere wakkerheid voor hun lichaam krijgen. Ik heb op een bepaald moment beslist om de menskunde in een aparte periode onder te brengen in de zesde klas en het in de vierde (en vijfde) klas alleen nog over de dieren zelf te hebben, waarbij vergelijkingen met de mens natuurlijk wel nog aan bod kwamen, maar waarbij de klemtoon toch veel meer op het dier zelf kwam te liggen. 

en dan telkens 2 a drie dagen per beest? 

Dat is goed. Ik hanteerde volgende regel: de eerste dag bracht ik mijn verhaal (met tekening) over het dier: een levendige beschrijving van de levenswijze van het dier (geboorte, groei, voortplanting, voeding, milieu enz) met daarbij de tekst (dictee of eigen tekst van de kinderen). Tweede dag gaf ik nog een korte inleiding en bracht een gedicht of een lied in verband met dat dier (kunstzinnige aspect). Dit werd dan overgenomen en al enkele keren geoefend, waarna dat de volgende dagen verder geoefend werd. Ook oefende ik dan het tekenen van het dier: korte schetsen van zithouding, lighouding, en andere houdingen. Of we schilderden (maar het schilderen hield ik liever voor de schilderles, dan kon ik nog een herhaling brengen). De derde dag mochten de kinderen over het dier vertellen, tenminste als ze enige ervaring met dat dier hadden. Of ze mochten iets vertellen over een verwant dier. Bijvoorbeeld: ik had op maandag over de leeuw verteld, dan mochten zij daarna op woensdag over de kat of … vertellen). Ieder kind mocht kort iets vertellen, waarbij de anderen luisterden. We spraken de dag ervoor af wie aan de beurt kwam om iets te vertellen. Dit was geen spreekbeurt, maar een kort verhaal binnen een gesprekskring (we maakten daarvoor steeds een kring, en na elk kind kwam er een korte gezamenlijke bespreking). Na dat gesprek bracht ik nog een verwant dier met verhaal en tekening, soms met een leuk gedicht (bijvoorbeeld van Annie M.G.Schmidt). Niet elk dier kreeg 3 dagen. Meestal deelde ik het zo op: 1 dier uitgebreid over drie dagen, 1 dier korter over 2 dagen. maar ook dit kwam voor: 2 dagen over een dier, 2 volgende dagen over een dier dat zeer in contrast stond met het vorige, 1 dag over een willekeurig ander dier.

Ik liet nooit dieren mee naar school brengen.    

Ik dacht aan volgende dieren, omdat die me interessant lijken. Is de afwisseling oké?

Dit kan, maar je hebt 5 zoogdieren en 1 vogel. Dat is een beetje eenzijdig. Je hebt 3 dieren die op het land leven, 2 in de lucht en 1 in het water: van dit standpunt uit is er iets meer variatie. Koe en olifant zijn vegetariërs, leeuw als vleeseter vormt met hen een contrast. Leeuw, dolfijn en arend komen dan weer overeen als predatoren. In een tweede periode zou je dan bijvoorbeeld vissen en reptielen en insecten kunnen behandelen. Veel hangt af van hoe levendig je over elk dier vertelt en welke opgaven je per dier voorziet: daar kun je ook voldoende afwisseling in brengen. Het ene dier schilderen, het andere schetsen, nog een ander boetseren enz.  

leeuw 
koe
arend
olifant
vleermuis 
dolfijn
 
dan wou ik ook nog een groepswerk doen rond waterdieren. Ik zou dan de dieren evt. opgeven (murene, rog, potvis, zeepaardje,…)
Dit wil ik bij aanvang van de periode toelichten zodat de leerlingen in groepjes aan hun dier kunnen werken en dingen opzoeken, bv. telkens het laatste kwartier van de les? Of beter enkele dagen intensief? 

Dit samenwerkingsproject is een goed idee. Ik zou er dan voor kiezen om ze een tweetal dagen intensief daaraan te laten werken in de klas. Je moet dan wel zorgen voor voldoende materiaal in de klas voor opzoekingswerk en afbeeldingen en zo meer. De kinderen kunnen natuurlijk veel zelf meebrengen. Dit is voor jou een gelegenheid om het sociale aspect van de kinderen te observeren en daarover een en ander te noteren; Dat kun je dan later gebruiken voor een ouderavond en voor de getuigschriften. De keuze van de dieren zou ik bepalen na een kringgesprek daarover. Bijvoorbeeld op deze manier: eerst één dier (bijvoorbeeld de leeuw) drie dagen behandelen. De vierde dag kun je dan je kringgesprek houden en de keuze bepalen. Zo hebben de kinderen voldoende tijd om er thuis al mee bezig te zijn. Het kan ook anders, je ziet wel.  

en dan de spreekbeurten nog. In de taaluurtjes die volgen op de periode?

Spreekbeurten heb ik de loop der jaren laten wegvallen, behalve in een aardrijkskundeperiode waarin kinderen (alleen of in groepjes) kwamen vertellen over een land (en ook dingen meebrachten of thuis iets klaarmaakten i.v.m. dat land, ook eten). Als kinderen in WO-periodes zoals dierkunde, plantkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, maar ook taalperiode voldoende gelegenheid krijgen om te spreken, kunnen spreekbeurten niet veel bijdragen aan de ontwikkeling van het kind. Ik maakte wel uitzondering voor kinderen die erop stonden een spreekbeurt te houden over iets dat hen hevig boeide en waar ze ook al lang intens mee bezig waren. Dan was het hun initiatief en meestal kregen we dan ook een boeiende en vlotte spreekbeurt. Maar lang niet iedereen gaf een spreekbeurt. In de taaluren na de dierkundeperiode kun je wel thema’s over dieren opgeven als onderwerp voor creatief schrijven (opstel). In feite is dat het meest voor de hand liggend: kinderen zijn geboeid door dieren en willen er dan ook graag over schrijven. Vele kinderen hebben thuis wel een of meer knuffels in diervorm. Aan de hand daarvan kun je opdrachten geven om over het echte dier wat op te zoeken en te schrijven.  

.

Dierkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over dierkunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas dierkunde
.

Algemene menskunde: alle artikelen

.

3462-3259
.
.
.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen (5-4)

.

De Zwitserse vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser schreef in de jaren o.a. 1970 artikelen over vormtekenen in het pedagogisch vrijeschooltijdschrift ‘De mensenschool’.
Ze werden in een boekje samengebracht.

.

vormtekenen

Een pedagogisch-kunstzinnige impuls van Rudolf Steiner

.

Nog een paar bijbehorende opmerkingen en aanwijzingen

Rudolf Steiners opmerkingen in Ilkley laten zien dat vormtekenen een stimulerend en versterkend effect heeft op het menselijke etherische lichaam, en daardoor harmoniserend en verkwikkend uitstraalt tot in de fysieke organisatie. In een tijd waarin intellectualisme in menselijke relaties, cultuur en technologie steeds meer de overhand krijgt, biedt vormtekenen – samen met euritmie – een zeer bijzonder therapeutisch hulpmiddel om de afleidend onritmische, vroegtijdig verhardende, zelfs sclerotische invloeden waaraan opgroeiende kinderen worden blootgesteld, gunstig tegen te gaan.

Vormtekenen biedt ons echter ook een uniek middel om de zintuigen positief te ontwikkelen. Het activeert in de eerste plaats de wilszintuigen, de zintuigen die anders het grootste risico lopen te atrofiëren door het eenzijdige streven naar intellectuele ontwikkeling. Deze worden met name tot activiteit gestimuleerd door het tekenen van de verschillende symmetrieoefeningen. Dit zijn vooral het gevoel voor beweging en het evenwichtsgevoel; bij het innerlijk afwegen en schatten van afstanden is ook de tastzin subtiel betrokken, en bij de eerste gewaarwording van imperfectie, bij de daaropvolgende tevredenheid met wat voltooid is, bij de ervaring van harmonie, klinkt subtiel de resonantie van de levenszin mee.

Deze oefeningen spreken echter ook de mens in zijn diepste wezen aan. Stel je voor dat je een verticale lijn tekent: alleen in mezelf vind ik de kracht en het evenwicht om hem te tekenen. Als je deze oefening groot op het bord tekent, kun je bijzonder goed voelen hoe de inspanning die nodig is om deze taak uit te voeren, tot in je tenen doorwerkt. Door al deze oefeningen, vooral de eenvoudigste, wordt het Ik op een gezonde manier versterkt en verkwikt. Door deze door en door artistieke manier van vormtekenen wordt de mens geholpen om harmonieus in zijn lichaam te incarneren.

In zowel de cursus die Rudolf Steiner in 1920 in Bazel [1] gaf als in Torquay [2], sprak hij nadrukkelijk over de ontwikkeling van het intellect. Het intellect moet niet rechtstreeks ontwikkeld worden, maar eerder door de wilskrachtige activiteit van het visuele element, zodat het intellect ontstaat “als een gevolg van de gehele mens”, zoals Rudolf Steiner het beschrijft.

Er bestaat nauwelijks een geschikter middel om het denken op een nieuwe manier te ontwikkelen dan het tekenen van vormen.

Iets over dit aspect werd al aangestipt in Deel III, aan de hand van het voorbeeld van meetkunde. Ten eerste hebben we de verbazingwekkende middelen, juist in de eenvoudigste oefeningen van de eerste klassen, om de behendigheid van de handen werkelijk te ontwikkelen door middel van vormtekenen. De hoge eisen aan intelligentie, die steeds meer verweven raken met een symmetrie-oefening, wordt door het kind niet via het hoofd vervuld, maar via een delicate balans en gevoelsoefening, via de oefening van de ledematen. Wat later naar voren komt als het denkvermogen, geëmancipeerd van het fysieke en wilskrachtige, is hier nog steeds een tactiele activiteit. Bij het oplossen van het symmetrieprobleem oefent het kind intelligentie uit op het gebied van de wil. En wat zich later in de vormoefeningen van de volgende klassen ontwikkelt als levendig, beeldend denken, komt rond de puberteit naar voren als het vermogen tot intellectueel denken – een denken dat feitelijk voortkomt uit de gehele persoon. Kenmerkend voor dit type denken is dat het, als waarnemend denken en doordachte beschouwing, de verbinding met de werkelijkheid niet verliest. Bovendien bezit het een mobiliteit en flexibiliteit als resultaat van de beschreven formele oefeningen.

Rudolf Steiner beschrijft een effect van vormtekenen, met name symmetrie-oefeningen, als het in staat stellen van kinderen om een ​​correct concept van de werkelijkheid te ontwikkelen. Denk aan de neiging die het kind door symmetrie-oefeningen in zijn ziel opneemt, om iets wat onvoltooid is af te maken, te perfectioneren. Op een ander niveau vinden we deze voltooiing van perfectie als een fundamenteel kenmerk en een wezenlijk nieuw motief in Rudolf Steiners kennistheorie. Deze is volledig gericht op het feit dat mensen, als bereidwillige entiteiten, actief moeten deelnemen om kennis te verwerven: de waarneembare werkelijkheid, het gegevene, is niet het geheel, is imperfect en vereist aanvulling met wat we actief als concepten toevoegen. Alleen door deze aanvulling ontstaat het volledige beeld van de werkelijkheid. [3]

Maar, niet minder belangrijk voor het vermogen om de werkelijkheid correct voor te stellen, trainen deze symmetrieoefeningen ook het precieze zicht, de waarneming in de bredere zin van het woord. Eerst moet je met meerdere zintuigen subtiel vatten hoe een vorm stroomt, en vervolgens moet je die getrouw in spiegelbeeld weergeven. Deze reproductie van de “werkelijkheid”, van het gegevene, is niet slechts een kopie; wat bijvoorbeeld in de ene vorm naar links uitpuilt, moet in een levendige, actieve activiteit gereproduceerd worden in de spiegelvorm die naar rechts uitpuilt en tegelijkertijd creatief herschapen worden. Alleen al in dit ogenschijnlijk eenvoudige feit en deze activiteit van waarnemen en reproduceren liggen subtiele en diepgaande menselijke geheimen verborgen.

Een ander aspect van deze correctere opvatting van de werkelijkheid moet worden benadrukt: Er schuilt iets belangrijks in de eenvoudige suggestie om de kinderen aan te moedigen de te tekenen vormen eerst meerdere keren in de lucht uit te voeren en dan, bijvoorbeeld vanuit de cirkelbeweging van de arm, het potlood lichtjes op het blad te laten zakken zodat de lijn uit de beweging tevoorschijn komt. Dus niet angstig lijn na lijn tekenen, gewapend met een gum, maar de te tekenen vorm creëren vanuit de eerder ervaren heelheid, vanuit de zwaaiende beweging. In dit eenvoudige tekenproces kan het kind een wereldprincipe ervaren – het hoeft er niet bewust van gemaakt te worden: alle vorm is beweging die tot rust is gekomen. Dit gaat heel ver. Als je vorm kunt ervaren als het resultaat van actieve krachten, dan heb je een startpunt voor een levendig begrip van natuur en kunst, voor een wereldbeeld dat meer van waarheid is vervuld.  Elk plantenblad, elke formatie en zelfs misvorming in de natuur is in zijn vorm het resultaat van het kalmerende effect van de scheppende en vormende krachten.

Deze eenvoudige oefening kan ook het uitgangspunt zijn voor een levendige ervaring en observatie van kunst. De kunstzinnige aanzet van Rudolf Steiner, vooral in de architectonische vormen en schilderingen van het eerste Goetheanum, maar ook in zijn zegelvormen, die voor de voorbereiding van de leraar op het vormtekenen bijzonder stimulerend zijn, kunnen alleen begrepen worden als alles wat vorm geworden is, als resultaat van werkende krachten ervaren kan worden. Er kan gezegd worden dat deze vormoefeningen, vooral die in Ilkley en Torquay, de waarnemingsorganen voorbereiden op een beschouwing van de wereld die de werkende, scheppende geest grijpt.

Nog een kant. Als je naar de volgende symmetrische vorm kijkt, kan hij als zodanig worden waargenomen als voltooid en toch lijkt hij leeg. Kinderen in de 3e en 4e klas vinden dit gemakkelijk. Nu is het een stimulerende taak om deze oefening te voltooien zodat ze niet langer leeg lijkt. De klas zal er met vreugdevol enthousiasme aan beginnen en de meest uiteenlopende oplossingen zullen worden gevonden.

Figuur 39

Door ze te bespreken wordt duidelijk welke oplossingen het best passen bij de gegeven vorm en welke vreemde, willekeurige, niet-formele elementen bevatten. Dergelijke oefeningen stimuleren de verbeelding van de kinderen op een levendige manier. Vormtekenen is een prachtig middel om de verbeeldingskracht te cultiveren; een verbeelding die zich niet willekeurig uitbreidt en neigt naar wilde, niet-gerelateerde fantasie, maar die zich laat stimuleren door de gegeven elementen en deze creatief en speels ontwikkelt of transformeert. In een oefening zoals hierboven ervaren kinderen ook de noodzaak van het gegeven, dat ze moeten volgen, maar dat – en daarin ligt de artistieke aard van vormtekenen – hen niet dwingt door slechts één oplossing toe te staan, maar juist vrijheid en creatieve diversiteit omarmt. Opnieuw een belangrijk wereldprincipe dat door de kinderen als actief creatief wordt ervaren.

De oefening hierboven (figuur 29) laat nog iets anders zien. Als je deze aanvullende oefening wilt oplossen zoals de vorm zelf vraagt, dan moet – als we het nu in morele kwaliteiten zeggen – alle egoïstische willekeur tot op zekere hoogte overboord; je moet je met een fijn gevoel voor tact een weg banen in de gegeven situatie en de oplossing uitsluitend zoeken in de wetmatigheid van de gegeven vorm. Het wonderbaarlijke is opnieuw te ervaren dat er niet slechts één oplossing is, maar dat creatieve vrijheid verschillende oplossingen mogelijk maakt, die allemaal juist en goed zijn in termen van leven. Je zou wat ontwikkeld wordt door zulke oefeningen in symmetrie kunnen omschrijven als gevoeligheid voor het leven, tact, empathie en toewijding. Deze sociale en morele krachten worden het best ontwikkeld wanneer ze als het ware onder de hand gebeurd en in eenvoud worden gecultiveerd. Het zou het educatieve effect verstoren als de aandacht van het kind op dit proces zou worden gevestigd.

Met dit ene voorbeeld uit het tekenen van vormen hebben we laten zien hoe de morele krachten ook op een geheel nieuwe manier worden gecultiveerd in de zin van Rudolf Steiners opvoedingskunst. Morele krachten kunnen niet gevormd worden door tegen de kinderen te praten of ze morele geboden en richtlijnen te geven, maar ze worden gecultiveerd door bepaalde dingen bewust met de kinderen te doen en ze steeds opnieuw te doen, en door rekening te houden met de metamorfose van de zielskrachten, volgens welke datgene wat in de wil van de de kinderen die opgroeien aanwezig is, gecultiveerd kan worden, Wat in de wil van de kinderen zit, groeit en verandert en zal zich als moreel gevoel, als moreel voorstellingsvermogen en later ook als nieuw moreel bewustzijn openbaren, dat, tenminste volgens de neiging tot streven, in vrijheid en uit liefde doet wat noodzaak en plicht eisen.

Laten we dan eens kijken naar de weg: vormtekenen, zoals geïnspireerd door Rudolf Steiner, wordt als zodanig gecultiveerd tot en met de 5e klas. [Sinds het bestaan van de cursus ‘vlechtvormen tekenen’ van Kutzli zou je –  in moeilijkheidsgraad opklimmend, m.i. tot in de 12e klas kunnen doorgaan. Hier o.a. voorbeelden te downloaden]
Daarna differentieert dit vorm-levend, vorm-vormend tekenen zich: we vinden één stroom die leidt naar meetkunde als het tekenen van planimetrische vormen en stereometrische vaste lichamen uit de vrije hand; later met instrumenten.

De andere stroom staat volledig in dienst van het echte onderwijs, vooral biologie: door ervaringsgericht tekenen worden plantvormen, bladmetamorfoses en meer op een levendige manier onthuld. In de natuurkunde bereidt dit tekenen ons op een heel andere manier voor op het begrijpen van de vormen van druipend, stromend water of de schoonheid van de klankfiguren van Chladni, de sneeuwkristallen. Dit zijn een paar aanwijzingen over hoe we het tekenen uit de vrije hand in een getransformeerde vorm kunnen blijven cultiveren in hogere klassen.

We hebben nu over het vormtekenen de loftrompet gestoken. Maar het zou onvolledig zijn als we er niet op zijn minst op zouden wijzen hoe dit levendige vormtekenen vooral voortkomt uit het feit dat de kinderen ook euritmisch bewegen gedurende hun hele schooltijd, dat vanuit dezelfde zin en geest als het vormtekenen hetzelfde geldt voor tekenen, rekenen, natuurkunde en de andere vakken. De vaardigheid die de kinderen laten zien in vormtekenen is te danken aan het totale effect van alle andere lessen, en vormtekenen heeft ook een vitaliserend en stimulerend effect op alle andere vakken.

In vormtekenen, dat Rudolf Steiner als een nieuwe impuls heeft gegeven, hebben we een opvoedingsinstrument van de meest diepgaande en verreikende werking en betekenis.

Niederhäuser spreekt nog zijn hoop uit dat de aanwijzingen van Steiner de leerkrachten zal blijven inspireren tot eigen creativiteit. Dat doet hij (ca. 1975!) ook uit zorg*, omdat hij kennelijk constateert dat ook andere vormen de school binnenkomen die eigenlijk een andere context hebben, die zeker gerechtvaardigd kan zijn – maar  ze mogen de formele impulsen van eenvoudige spiegeling, asymmetrische symmetrie, metamorfose en doordringing, die Rudolf Steiner speciaal voor vrijescholen gaf, niet verdringen. Hij gaf ze ook in wezen als een middel om het intellect te voeden en te trainen in overeenstemming met de menselijke natuur. Op 16 augustus 1919 sprak Rudolf Steiner in Dornach in de vijfde voordracht van de cyclus: ‘Het opvoedingsvraagstuk als sociaal vraagstuk’, in ernstige bewoordingen over deze noodzaak van de juiste vorming van het intellect, als diepe zorg van de vrijeschool, vlak voordat hij naar Stuttgart afreisde voor de oprichtingsbijeenkomsten. [4]

[1] GA 301  op deze blog vertaald
[2] GA 311 op deze blog vertaald
[3] GA 2  niet vertaald
GA 4  vertaald

*Is het alles goud wat er blinkt?

.

Deel 1    deel 2    deel 3    deel 5

.

Vormtekenenalle artikelen

Rudolf Steiner over vormtekenen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden.

.
3461-3258

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 juni 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

De wenselijkheid van een kamertje te hebben waar kinderen na kleine ongelukjes kunnen worden behandeld. <1>
De noodzaak om met psychologisch inzicht met de leerlingen om te gaan.<2>
Hoe kan antroposofie in het onderwijs de levenskrachten van de kinderen sterker maken, o.a. over ritme<3>
Eindejaarsafsluiting <4>
Wat te doen bij heel warm weer.<5>
(Summier) over opvang kleinere kinderen. <6>
Te laat komen, disciplinaire maatregelen, over straf, wel of niet en hoe. <7>
Over een kind waarmee men geen raad weet (concreet voorbeeld) <8>
Aan het eind: losse opmerkingen zonder verdere uitleg:

Slechte tanden, oorzaak in de ziel en geest. Verbinding tussen euritmie en tandvorming.
Handenarbeid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden
vaardig door te breien.

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

 

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 155

Vergadering van woensdag 23 juni 1920, 14.45 – 17  uur

Es wird gefragt, ob man eine öffentliche Unfallstation in der Schule einrichten soll, weil man dann die Verbandstoffe und so weiter billiger bekomme.

<1>De vraag is of er een openbare spoedeisende hulp* op school moet komen, omdat verbandmiddelen en dergelijke dan goedkoper zouden zijn.
*Later werd door dokter Kolisko een schoolartsenkamer ingericht.

Dn Steiner: Ich glaube, daß wir die Sachen selbst en gros kaufen
müssen. Dies wäre zweifellos wünschenswert, daß ein Raum da wäre,
wo man ein Kind hinbringen kann. Dagegen ist es nicht sehr
wünschenswert, daß diese ganze Sache mit Einmischung von außen
besorgt wird. Es sollte darauf ein besonderer Wert gelegt werden.
Deshalb ist es gut, daß Dr. Kolisko da ist; es sollte schon vom Lehrerkollegium besorgt werden. Es kann doch nicht jeden Tag ein paarmal
vorkommen. Gewiß, kleine Sachen werden vorkommen, wenn dreihundert Kinder da sind; Fälle, wo man einen Verbandsraum braucht,
in dem man sterilisieren und desinfizieren kann. Es ist doch so, daß
vielleicht jede Woche etwas vorkommt. Es würde genügen, wenn ein
Raum da wäre. Mir lag viel daran, daß ein Arzt da ist unter dem
Lehrerkollegium. Je mehr wir uns abschließen von der Außenwelt,
desto besser ist es. Angestrebt muß werden, daß man billige Verbandstoffe bekommt.

Ik denk dat we de benodigdheden zelf in het groot moeten inkopen. Het is ongetwijfeld wenselijk om een ​​kamer te hebben waar een kind naartoe gebracht kan worden. Aan de andere kant is het niet erg wenselijk dat deze hele kwestie met inmenging van buitenaf wordt afgehandeld. Hier moet speciale aandacht aan worden besteed.
Daarom is het goed dat Dr. Kolisko hier is; het moet door het onderwijzend personeel worden afgehandeld. Het kan niet een paar keer per dag gebeuren. Natuurlijk zullen er kleine incidenten plaatsvinden met 300 kinderen; gevallen waarin een EHBO-ruimte nodig is om te steriliseren en te desinfecteren. Feit is dat er misschien elke week wel iets gebeurt. Het zou voldoende zijn als er één kamer beschikbaar was. Het was voor mij erg belangrijk om een ​​arts onder het onderwijzend personeel te hebben. Hoe meer we ons voor de buitenwereld afsluiten, hoe beter.* Het doel moet zijn om goedkope verbandmiddelen te verkrijgen.<1>

*Deze zin is wel door critici gebruikt om aan te geven dat de vrijeschool niet openstaat voor de buitenwereld. Dat er toch iets sektarisch plaatsvindt. Als dat ooit zo geweest zou zijn – het tegendeel blijkt uit bv. de leerplanaanwijzingen e.d. dan geldt dat voor de vrijeschool van nu zeker niet.
Het woord ‘abschliessen’ heeft tevens nog de de kleur van ‘het zelf tot een einde brengen’, hier dus ‘het zelf oplossen.’

Nicht wahr, ich habe mir gedacht, daß manche Fragen gestellt werden könnten. Ich habe schon erwähnt, im ganzen sind wirkliche Fortschritte gemacht worden. Im ersten Jahr war offenbar nach meinen Apercus ein Kampf mit dem Lehrstoff vorhanden. Fortschritte sind gemacht worden auf allen Gebieten. Es handelt sich nur immer darum, was fortschreitet, das wird in den nächsten Jahren mehr den Ideen entsprechen, die mit der Waldorfschule verbunden sind. Nun, Fortschritte liegen, glaube ich, sowohl darin, daß immerhin die Schülerschaft etwas aufgenommen hat, als darin, daß die Lehrer sich nach und nach hineingefunden haben in die Behandlung der Schüler. Alles ist fortgeschritten, auch die Lausbübereien. Die Lausbuben sind schon starke Lausbuben, das schadet aber nichts.
Das ist eine Nebenwirkung. Manche sind sogar gesitteter, kultivierter, intellektueller geworden. Das ist ganz gut, das schadet nichts.
Was ich meine, das ist das: wir müssen in der Zukunft immer noch
mehr Wert legen auf Psychologie. In Psychologie wirken! Das ist nicht so abstrakt, theoretisch aufzufassen, wie es scheinen könnte.
Sehen Sie, es schaut so aus, als ob man die Kinder analysieren wollte.
Wenn man sich gewöhnt, sich recht zu bestreben, die Kinder kennenzulernen psychologisch, dann bekommt man allmählich ein anderes

<2>Er zouden nu wat vragen gesteld kunnen worden. Ik heb al gezegd dat er over het algemeen echt vooruitgang is geboekt. In het eerste jaar, naar mijn inzicht, was er duidelijk sprake van een worsteling met de leerstof. Er is op alle vlakken vooruitgang geboekt. Het gaat er nu om dat de vooruitgang die in de komende jaren wordt geboekt, meer aansluit bij de ideeën die bij de vrijeschool horen. Nou, vooruitgang, geloof ik, zit hem zowel in het feit dat de leerlingen in ieder geval iets hebben opgenomen, als in het feit dat de leraren zich geleidelijk meer op hun gemak voelen bij de manier waarop ze met de leerlingen omgaan. Alles is vooruitgegaan, inclusief het kattenkwaad. De kwajongens zijn al behoorlijke kwajongens, maar dat kan geen kwaad. Dat is een bijwerking. Sommigen zijn zelfs welgemanierd, beschaafder, intellectueler geworden. Dat is best goed, dat kan geen kwaad. Wat ik bedoel is dit: we moeten in de toekomst nog meer nadruk leggen op psychologie. Werk aan de psychologie! Dit is niet zo abstract en theoretisch als het misschien lijkt. Zie je, het lijkt wel alsof men de kinderen wil analyseren. Als je eraan went om echt moeite te doen om kinderen psychologisch te leren kennen, krijg je geleidelijk een andere

Blz. 156

Verhältnis zu ihnen, ganz rein durch das Ergebnis der Sache selbst.
Dieses Kennenlernen bleibt nicht bloß ein Erkennen der Kinder; es wird zu einem anderen Verhältnis zu den Kindern, wenn man sich bemüht, sie kennenzulernen. Da ist natürlich noch manches nachzuholen im Herstellen eines richtigen Erkenntnisverhältnisses zu den Kindern. Man müßte sich klar sein darüber, daß, wo so vieles so sehr auf Persönlichem beruht wie hier, daß da in intensivster Weise ein analysierendes Erkennenlernen der Kinder notwendig ist. Dann werden gewisse Dinge, die vorgekommen sind, in der Zukunft nicht vorkommen.
Es ist schwer, den einzelnen Fall zu charakterisieren, das ist auch nicht nötig. In Psychologie wirken! Wenn Sie nachdenken darüber, werden Sie finden, was ich darunter verstehe. Nicht so sehr die Idee haben, die Kinder müssen dies oder jenes erreichen, sondern sich fragen, was können die Kinder nach ihrer psychologischen Beschaffenheit erreichen? Ganz aus den Kindern heraus arbeiten! Das kann man im einzelnen sich nur angewöhnen, wenn man ein richtig reales Bestreben hat, das Kind in seinen verschiedenen Varianten kennenzulernen. Jedes Kind ist interessant.

verhouding met hen, volledig door  het resultaat van de zaak zelf.
Dit leren kennen blijft niet alleen een kennen van de kinderen; het leidt tot
een andere relatie met de kinderen wanneer men zich inspant om hen te leren kennen. Natuurlijk valt er nog veel te winnen in het opbouwen van een goede relatie waarin je de kinderen goed kent. Het moet duidelijk zijn dat waar zoveel op het persoonlijke gebaseerd is zoals hier, een intensief, analytisch leren kennen van de kinderen noodzakelijk is. Dan zullen bepaalde dingen die in het verleden zijn gebeurd, zich in de toekomst niet meer voordoen.
Het is moeilijk om het individuele geval te karakteriseren, en dat is ook niet nodig. Werken met de psychologie! Als je erover nadenkt, begrijp je wat ik daarmee bedoel. Niet zozeer het idee dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar eerder de vraag: wat kunnen de kinderen bereiken gezien hun psychologische gesteldheid? Werk volledig vanuit de kinderen zelf! Je kunt hier alleen individueel aan wennen als je een oprechte wens hebt om het kind in al zijn of haar verschillende vormen te leren kennen. Elk kind is interessant.

Fräulein Lang hat mir einen weiblichen Lausbuben B. N. vorgeführt. Sie hat furchtbar geflennt. Heute hat sie wieder geschwänzt gehabt. Aber es ist interessant, man muß sie studieren. Ich kann nicht versprechen, daß sie ihr Wort hält: es wird vielleicht Jahre dauern. Das kann ich mir denken, daß sie bei den Seiltänzern war, aber das erhöht das Interesse an dem Kinde, nicht wahr?
Wenn man Forderungen aufstellt, wie ein Kind sein soll, kann man das leicht definieren. Wie die Kinder wirklich sind, das psychologisch zu erkennen, muß man sich mit schwerem Studium erringen. Dies ist eines, wovon ich meine, daß wir es nach dem ersten Jahre als eine Hauptsache betrachten: Verstehenlernen der Kinder. Sich gar nichts vornehmen, sie müssen so oder so sein. Dann ist da etwas, was mir fast in allen Klassen stark vor die Seele
getreten ist. Wir sollten recht sehr uns bestreben — was sehr belebend auf alle Kräfte des Kindes wirkt —, Anthroposophie organisch in den Unterricht hineinzubringen. So auf die Art, wie Sie es gemacht haben, Fräulein Dr. von Heydebrand, in der Anthropologie, und Sie, Dr. Stein, in der Geschichte. Bei manchem ist es von selbst vorhanden. Die Eurythmie kann man nicht ohne Anthroposophie machen. Man muß sich bemühen, möglichst ohne daß man theoretisch Anthroposophie lehrt, sie so hineinzubringen, daß sie eben
darinnensteckt.

Mevrouw Lang stelde me voor aan een vrouwelijke deugniet, B.N*.
Ze huilde vreselijk. Vandaag spijbelde ze weer. Maar ze is interessant; je moet haar bestuderen. Ik kan niet beloven dat ze haar woord houdt: het kan misschien wel jaren duren. Ik kan me voorstellen dat ze bij de koorddansers [het Duits heeft hier Seiltänzer – letterlijk dus koorddanser, maar betekent dit hier dat ze wel of niet kan blijven, op het vinkentouw zit o.i.d.?] zat, maar dat vergroot de interesse in het kind, toch? Als je eisen stelt aan hoe een kind zou moeten zijn, kun je dat gemakkelijk definiëren. Om te weten hoe kinderen psychologisch gezien echt zijn, is grondige studie nodig. Dit is iets wat we volgens mij na het eerste jaar als een belangrijk punt beschouwen: kinderen leren begrijpen. Niet met het voornemen: ze moeten zus of zo zijn.<2>
*In oktober 1920 kon het kind niet langer op school worden toegelaten

<3> Dan is er nog iets dat me in bijna alle klassen sterk is opgevallen. We moeten er heel hard naar streven – wat een zeer stimulerend effect heeft op de levenskracht van alle kinderen – om antroposofie op een organische manier in de lessen te integreren. Net zoals u, mevrouw dr. von Heydebrand, deed in de antropologie, en u, dr. Stein, de geschiedenis. Voor sommigen is het van nature aanwezig. Euritmie kan niet zonder antroposofie worden beoefend. Men moet ernaar streven, indien mogelijk zonder antroposofie theoretisch te onderwijzen, het zo te integreren dat het inherent is aan de lessen.*

*Ook dit wordt door critici gebruikt om aan te tonen dat de vrijeschool een verborgen agenda heeft: de kinderen indoctrineren met antroposofie. Wie echter met open vizier meer bestudeert ziet in velerlei uitspraken wat Steiner bedoelt met antroposofie in het onderwijs. De opmerking hier verwijs al naar ‘niet-theoretisch’ – als leer – maar als middel om de levenskrachten te versterken, dus geheel in dienst van de gezondheid van het kind!]

Blz. 157

Ja, ich denke mir, viel Anthroposophie ist darinnen, wenn Sie versuchen — das ist ein Ideal —, dasjenige, was man Rhythmus nennt, in die Arbeit hineinzubringen; wenn Sie versuchen, den musikalischgesanglich-eurythmischen Unterricht mit dem Handfertigkeitsunterricht in Zusammenhang zu bringen. Es wirkt auf die Kinder außerordentlich gut. Ich empfehle Ihnen dazu ,,Arbeit und Rhythmus” von Karl Bücher. Dies Buch sollte da sein. Alles Arbeiten ging aus vom musikalischen Arbeiten, nicht wahr, beim Dreschen, Schmieden, Pflastern, Heute hören Sie es fast nicht mehr. Gingen Sie aber früher auf das Land hinaus und hörten dreschen, der Dreschflegel wurde im Rhythmus geführt. Ich meine, das können wir wiederum hineinkriegen. Ich meine das, wenn ich sage, daß wiederum Geist in die Sache hineinkomme. Das Prinzip finden Sie, wenn auch recht gelehrt und pedantisch, in ,,Arbeit und Rhythmus”.
Dann natürlich habe ich ein bißchen den Gedanken, wie wird es werden mit dem Schulende, mit der Schulschlußfeier? Nicht wahr, das müßte doch mit einer gewissen Festlichkeit begangen werden. Es ist heute der 23., ich werde nicht kommen können; es wird nicht gehen, obwohl ich gerne anwesend wäre. Die Ferien müssen zur rechten Zeit beginnen.

Ja, ik denk dat er veel antroposofie in zit – dit is een ideaal – om wat ritme heet in het werk te brengen; wanneer je muziek-zang-euritmie-instructie probeert te verbinden met handvaardigheden. Het heeft een buitengewoon goed effect op de kinderen. Ik raad “Werk en Ritme” van Karl Bücher* aan. Dit boek zou er moeten zijn. Al het werk is toch voortgekomen uit muzikaal werk? Bij het dorsen, smeden, bestraten. Tegenwoordig hoor je het bijna niet meer. Maar als je vroeger naar het land ging en dorsen hoorde, werd de dorsvlegel ritmisch bewogen. Ik denk dat we dat weer terug kunnen brengen. Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat de geest weer terugkomt in de zaak. Je vindt het principe, zij het nogal wetenschappelijk en pedant, terug in “Werk en Ritme”.<3>
<4> En dan maak ik me natuurlijk ook een beetje zorgen over wat er met het einde van het schooljaar zal gebeuren, met de eindeschoolviering? Dat zou toch met een feest gevierd moeten worden? Het is vandaag de 23e en ik kan er niet bij zijn; het is onmogelijk, ook al zou ik er graag bij zijn. De vakantie moet op het juiste moment beginnen.

*Karl Bücher, econoom, 1847-1930.

Ich finde, daß die Lehrer jetzt gerade genug haben, sonst brechen sie zusammen. Ich wäre natürlich furchtbar gerne bei diesem Schulschluß da. Sonst müßte es in der Form sein, daß jeder Lehrer eine Ansprache hält. Vielleicht ist Herr Baumann so gut und besorgt etwas Musikalisches. Dichten Sie doch etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt. Nicht eine gewöhnliche Eurythmievorführung, sondern etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt. Es wäre doch wunderschön, wenn so etwas gemacht würde. Es beginnt eurythmisch; etwas, das musikalisch begleitet ist. Dann geht es über ins bloß Musikalische, und dann schließt es eurythmisch. Das meine ich nur par exemple, daß es mehr eine Art zum Schulschluß komponierte Sache wäre. Es kann ja Fräulein Röhrle mit zwei von den größten Mädchen — es können auch drei sein — etwas machen. Dann müßte irgend etwas — das ist etwas, was mir furchtbar aufliegen würde —, es müßte natürlich eine Art von Rede sein, die wie eine Lebensrede ist, zum Entlassen und Wiederkommen. So irgend etwas, was auf den Tag und das Entlassen und Wiederkommen Bezug hat.

Ik denk dat het voor de leraren nu wel genoeg is, anders storten ze in. Natuurlijk zou ik dolgraag bij deze eindviering aanwezig zijn. Bovendien moet het in de vorm dat elke leraar een toespraakje houdt. Misschien zou meneer Baumann zo vriendelijk willen zijn om iets muzikaals te doen. Waarom dicht u niet iets dat het einde van het schooljaar euritmisch weergeeft? Geen gewone euritmievoorstelling, maar iets dat het einde van de school euritmisch weergeeft. Het zou geweldig zijn als zoiets zou gebeuren. Het begint euritmisch; iets met muzikale begeleiding. Dan gaat het over in alleen muziek en dan eindigt het euritmisch. Ik bedoel dat alleen maar als voorbeeld, dat het meer een stuk zou zijn dat gecomponeerd is voor het einde van het schooljaar. Mevrouw Röhrle zou iets kunnen doen met twee van de oudere meisjes – het zouden er ook drie kunnen zijn. Dan moet er iets gezegd worden – dit zou iets zijn wat ik vreselijk moeilijk zou vinden – het zou natuurlijk een soort toespraak moeten zijn, een levenstoespraak, over weggaan en terugkomen. Iets dat te maken heeft met de dag en het weggaan en terugkomen.<4>

Auf einer Wandtafel hatte gestanden: „Der Himmel ist blau, das Wetter ist
schön, Herr Lehrer, wir wollen spazieren gehn.” — Dr. Steiner war sehr ärgerlich darüber.

<5> Op een schoolbord stond geschreven: “De lucht is blauw, het is mooi weer, mijnheer [de leerkracht] laten we gaan wandelen.” Dr. Steiner was hier erg geïrriteerd over.

Blz. 158

Dr. Steiner: Nun ja, haben Sie es noch nicht gesehen? Nicht wahr, Sie könnten ja im allgemeinen manchmal, wenn es allzu heiß ist, die Kinder weggehen lassen; früher schließen meine ich nicht, daß es richtig wäre. Ich bin nicht dafür, daß man die Kinder aus der Hand gibt, solange man sie in der Hand haben kann. Man gibt die Kinder früher aus der Hand, als man es eigentlich sollte. Man kann es natürlich den Kindern erleichtern. Höchstens, wenn es allzuwarm ist. Fast ist es besser, man behält sie und führt sie irgendwohin und ist dabei.
Nicht wahr, es ist doch besser, wenn Sie die Kinder im Kindergarten haben. Je länger man sie hat, desto besser. Sie können so doch immer die Kinder aufnehmen, die noch nicht in die Schule kommen. Wir nehmen die Kinder bis jetzt im wesentlichen so auf, wie man sie in die Volksschule hineinkriegt. Wenn das Nachahmungszeitalter beendet ist, können wir anfangen. Es wäre sehr schön, wenn man einiges in die ersten sieben Jahre der kindlichen Erziehung hineinbringen könnte. Schließlich müßten wir schon nach unten hin etwas haben; oben ist es weit weniger wichtig.
Sie wollen ja auch sonst Schulbaracken aufführen. Ich möchte sagen, die genauen Besprechungen können am Schulende gemacht werden.

Hebt u het nog niet gezien? Je zou, over het algemeen, soms, als het te warm is, de kinderen weg kunnen laten gaan; ik denk niet dat het juist is om de school eerder te sluiten. Ik ben er geen voorstander van om kinderen weg te laten gaan zolang ze kunnen blijven. Je laat ze eerder weggaan dan nodig is. Natuurlijk kun je het de kinderen wel makkelijker maken. Hooguit als het te warm is. Het is bijna beter om ze te houden en ergens heen te brengen en erbij te zijn.<5>

<6> Is het niet beter als je de kinderen in de kleuterschool hebt? Hoe langer je ze hebt, hoe beter. Zo kun je altijd de kinderen opnemen die nog niet naar school gaan. Tot nu toe hebben we kinderen in principe op dezelfde manier opgevangen als we in  de basisschool doen. Als de tijd van imitatie voorbij is, kunnen we beginnen. Het zou heel mooi zijn als we dit in de eerste zeven jaar van de opvoeding van een kind zouden kunnen doen. We moeten tenslotte iets aan de onderkant hebben; Aan de bovenkant is het veel minder belangrijk.<6>

U wilt toch ook schoolbarakken neerzetten. Ik zou zeggen: de gedetailleerde gesprekken kunnen aan het einde van het schooljaar plaatsvinden.

Im wesentlichen ist es gegeben. Aber es wird eine Besprechung notwendig sein. Es werden Dinge notwendig sein, die nicht geordnet werden können, wenn man sie erst am Schulanfang besprechen würde. Die Gesangsklasse muß eine Erweiterung erfahren, es muß ein Gesangslehrer kommen. Das ist notwendig. In manch anderer Hinsicht wird es notwendig sein, daß zu verhandeln sein wird, falls wir eine nächste Klasse darauf setzen können. Dann ist ja auch das zu überlegen, schwer zu überlegen, wer die 1. Klasse bekommt. Daß Ihre Tätigkeit, Stockmeyer und Stein, aufhört, ist nicht anzunehmen. Das muß zeitig genug besprochen werden. Aus diesen Gründen wäre es notwendig, daß ich am Schulschluß da wäre, äußeres wären dringende Verhinderungen. Ich brauche ja vielleicht nur vier oder sechs Tage da zu sein. Heute ist es verfrüht.
Wie behandeln wir diese Kinder, die zu spät kommen? Ich wurde heute aufgehalten, als ich in die Schule ging. Da gingen drei Schülerinnen. Sie gingen einfach, sie waren nicht betrübt, daß sie zu spät gingen, sie gingen sehr gelassen. Die Persönlichkeit, die-mit mir ging, sagte: „Denen wird es recht sein, wenn sie zu spät kommen. ” Nun, wie verhalten wir uns zu den Kindern, die zu spät kommen?

In principe is er overeenstemming over. Maar er zal overleg nodig zijn. Er zullen dingen nodig zijn die niet geregeld kunnen worden als ze alleen aan het begin van het schooljaar besproken worden. De zangklas moet worden uitgebreid; er moet een zangdocent worden aangenomen. Dat is noodzakelijk. In sommige andere opzichten zal er onderhandeld moeten worden of we een volgende klas kunnen toevoegen. Dan zal ook daarover nagedacht moeten worden, en het is moeilijk te bedenken wie er in de 1e klas komt. Het is niet aannemelijk dat uw werk, Stockmeyer en Stein, stopt. Dat moet vroeg genoeg besproken worden. Om deze redenen zou het nodig zijn dat ik er aan het einde van het schooljaar bij ben; anders zou ik dringend verhinderd zijn. Ik hoef er misschien maar vier of zes dagen te zijn. Vandaag is te vroeg.
<7> Hoe gaan we om met de kinderen die te laat komen? Ik werd vandaag opgehouden toen ik naar school liep. Er liepen drie leerlingen. Ze liepen gewoon; ze zaten er niet over in dat ze te laat kwamen; ze gingen heel bedaagd. Degene die met me meeliep, zei: “Ze vinden het prima om te laat te komen.” Hoe gaan we om met kinderen die te laat komen?

X.: Sie eine Viertelstunde früher kommen lassen!

Een leraar: Laat ze een kwartier eerder komen!

Dr. Steiner: Da setzt man sich der Gefahr aus, daß sie nicht kommen.

Dan loop je het risico dat ze niet komen.

Blz. 159

Es muß unter allen Umständen vermieden werden, irgendeine Strafe
zu geben, wobei man nachgeben muß. Man darf in einer disziplinarischen Maßregel absolut nicht nachzugeben brauchen. Wenn man sagt, ein Kind muß früher kommen, so muß es eingehalten werden, daß man ihm befiehlt, früher zu kommen. Es waren die in der 8. oder 7. Klasse. Da ist man unten durch, sobald man durch die Finger schauen muß. Dann ist das eine schiefe Ebene, auf der man immer weiter hinunterrollt. Man darf bei einer Strafe nicht nachgeben, lieber unterlasse man sie. Das kann unter Umständen auch zum Gegenteil führen. Dann entsteht ein Verein unter den Kindern, sie machen ab, heute bin ich zu spät gekommen, morgen kommst du. Ich weiß nicht, ob das geht. Es würde uns ein bißchen ins Lächerliche ziehen. Es ist natürlich Bummelei. Früher kommen lassen ist nicht so gut, lieber eine Viertelstunde länger da lassen. Das ist etwas, was den Kindern unsympathisch ist.

Het moet koste wat kost vermeden worden om straffen te geven waarbij je zelf moet zwichten. Je mag absoluut niet toegeven in een disciplinaire maatregel. Als je zegt dat een kind vroeg moet komen, dan moet je je ook aan de regel houden om vroeg te komen. Dat was in groep 8 of 7. Je bent de mindere zodra je een oogje dichtknijpt. Dan is het een hellend vlak waar je steeds verder vanaf glijdt. Bij straf moet je niet toegeven; dan is het beter om geen straf te geven. Onder bepaalde omstandigheden kan dit zelfs tot het tegenovergestelde leiden. Dan ontstaat er een clubje onder de kinderen en ze spreken af: “Ik was vandaag te laat, morgen jij.” Ik weet niet of dat kan. Het zou ons een beetje belachelijk maken. Het is duidelijk laksheid. Ze vroeg laten komen is niet zo goed; het is beter om ze een kwartier langer na te laten blijven. Dat vinden de kinderen niet leuk.

Haben Sie ausprobiert, ob dies wirkt? Ein Kind kommt zehn Minuten zu spät; man läßt es dreißig Minuten stehen. Wenn sie dreimal so lange stehen müssen, dann überlegen sie sich doch jede Minute. Sie recht unbequem stehen lassen! Ihr Junge, der reibt sich den Hinterkopf an der Wand, er amüsiert sich mit allerlei Zeug. Ich glaube, man kann mit solchen Dingen, wenn irgend die Strafe mit dem Verbrechen zusammenhängt, gut wirken, wenn man sie stehen läßt an
irgendeiner besonders unbequemen Stelle. Die Großen werden sich dann hüten, daß sie zu spät kommen. Man könnte eine Anzahl von kleinen Stockerln kaufen, dann werden sie auch nicht zu sechst zu spät kommen. Unter Umständen bekommen sie einen kleinen Krampf in den Beinen. Die Stockerln, die kann man auch im Handfertigkeitsunterricht machen.

Uit ‘dat ze wat zouden afspreken’ blijkt dat ze bewust te laat komen. Gewoon te lang onderweg? Langzaam lopen, spelen o.i.d.? 
De meeste kinderen die te laat komen, doen dat eigenlijk buiten hun schuld. De ouders zijn dan meestal te laat. Dan moet je volgens mij helemaal niet straffen, maar met de ouders praten!

Heb je al eens geprobeerd of dit werkt? Een kind komt tien minuten te laat; je laat het dertig minuten staan. Als het drie keer zo lang moet staan, denkt het daar elke minuut aan. Het staan moet ongemakkelijk zijn! De jongen bij u wrijft met zijn achterhoofd tegen de muur; hij vermaakt zich met van alles en nog wat. Ik denk dat je met zulke dingen een goed effect kunt hebben, als de straf op de een of andere manier verband houdt met wat misdaan is, door het op een bijzonder ongemakkelijke plek te laten staan. De ouderen zullen er dan op letten dat ze niet te laat komen. Je zou een paar kleine krukjes kunnen kopen, dan komen er geen zes te laat. Onder bepaalde omstandigheden kunnen ze een lichte kramp in hun benen krijgen. De krukjes kunnen ook gemaakt worden tijdens handvaardigheidslessen.

X.: Was soll geschehen, wenn Lehrer zu spät kommen?

X: Wat moet er gebeuren als leraren te laat komen?

Dr. Steiner: Dann wird man die Schüler veranlassen, daß sie die Lehrer auf die Stockerln stellen. — Wichtig ist es auch, daß man in solchen Dingen differenziert. Ich würde es im Winter weniger streng
ahnden als im Sommer. Im Augenblick, wo die Kinder merken, daß
in den disziplinaren Maßregeln Vernunft ist, sehen sie es ein. Im
Winter könnte man es weniger intensiv bestrafen und sie nur zweimal so lange stehen lassen. Sie stören; es sind solche, die auch selbst
unaufmerksam sind. Die Fleißigen werden kaum zu spät kommen.

Dan laat je de leerlingen de leraren op de kruk zetten. — Het is ook belangrijk om in zulke zaken te differentiëren. Ik zou in de winter minder streng straffen dan in de zomer. Zodra de kinderen beseffen dat er een reden achter de disciplinaire maatregelen zit, zullen ze het begrijpen. In de winter zou je minder streng kunnen straffen en ze slechts twee keer zo lang laten staan. Ze storen; zij zijn het die zelf ook onoplettend zijn. De hardwerkende kinderen komen waarschijnlijk niet te laat.<7>

Es wird eine Frage gestellt wegen der Fenster.

Er wordt een vraag gesteld over de ramen.

Dr. Steiner: Man bekommt selbst Lust, wenn man da vorbeigeht,

Dr. Steiner: Je krijgt zelfs de neiging als je er langs loopt,

Blz. 160

hineinzusteigen. Man müßte etwas wie Gitter anbringen, daß sie
nicht hineinkommen.

om erin te klimmen. Er zouden spijlen aangebracht moeten worden om te voorkomen dat ze naar binnen kunnen.

Über F. R. in der 4. Klasse.

<8> Over F.R. klas 4.

Dr. Steiner: Es ist ein sehr schwieriger Fall: wenn er aus der Schule weg geht, ist es ein Kasus der Schule. Nicht gerade wünschenswert.
Auf der anderen Seite darf das Kind nicht darunter leiden. Die Schule sollte auch nicht das gefundene Fressen werden derjenigen, zu denen er kommen wird. Da werden solche Gymnasiallehrer sein, die werden es mit großer Befriedigung empfinden, wenn jemand kommt, der sagt, er hat es hier nicht ausgehalten. Ich muß morgen noch etwas sehen, was man da tut. Sehr schwer lösbar.
Es ist die Frage diese, man könnte es sonst mit einer Parallelklasse probieren. Hier kommt aber kaum etwas anderes in Betracht, als daß er in die vorhergehende oder nachfolgende Klasse kommt. In die vorhergehende Klasse möchte ich ihn auf keinen Fall tun. Dann würde er in Ihre Klasse kommen, in die höhere Klasse. Ich glaube nicht, daß es eine andere Lösung gibt. Das macht viel Aufsehen unter den Kindern. Man wird es tun müssen, so daß es als eine Ausnahme erscheint. Da wird man erst nachdenken müssen, wie man es tut. Es
ist eine zuwidere Geschichte, wenn man bekanntgeben soll, daß es aus persönlichen Gründen ist.

Het is een heel lastig geval: als hij van school gaat, is dat een schoolgerelateerde aangelegenheid. Niet bepaald wenselijk.
Aan de andere kant mag het kind er niet onder lijden. De school mag geen geschenk uit de hemel worden voor degenen die hem krijgen. Er zullen leraren van het gymnasium zijn die heel blij zullen zijn als er iemand langskomt die zegt dat hij het hier niet uithoudt. Ik moet morgen nog eens kijken wat eraan te doen is. Heel moeilijk op te lossen.
De vraag is deze: anders zou je het met een parallelklas kunnen proberen.
Maar hier komt er nauwelijks iets anders in aanmerking dan dat hij in de vorige of volgende klas wordt geplaatst. Ik wil hem absoluut niet in de vorige klas. Dan zou hij in uw klas worden geplaatst, de hogere klas. Ik denk niet dat er een andere oplossing is. Het zal veel commotie onder de kinderen veroorzaken. Je zult het zo moeten doen dat het een uitzondering lijkt. Je zult moeten nadenken over hoe je het doet. Het is onwelgevallige zaak om aan te kondigen dat het om persoonlijke redenen is.

Natürlich ist die Gefahr diese, daß sie sagen: Na, jetzt hat er es erreicht; das können wir auch anstreben. —
Aber was soll man machen mit solch einem Jungen, wenn man ihn nicht wegschicken will? Vielleicht komme ich morgen zu der Klasse.
Das, was schlimm ist, ist nicht er selbst. Es ist eine vererbte Sache, und das wirkt fortwährend auf ihn. Es liegt in der Familie. Es wäre schon wünschenswert, daß man den Jungen über eine Klippe hinwegführt. Vielleicht wird es gerade ein tüchtiger Mensch. Er ist ganz begeistert für Eurythmie und Gesang, er will den Klassenunterricht nicht haben. Er findet ihn ganz abscheulich. Das sind andere Dinge, die man zu wichtig nimmt; er hat fünf Mark genommen. Das ist ein Spaß. Er ist sehr zugänglich, sehr zugänglich. Der Junge braucht eine gewisse objektive Behandlung, weil er zu Hause recht subjektiv behandelt wird. Das haben wir alle auch getan. Der Vater ist von der Art jenes Lehrers, der, wenn der Schüler sich aufgeregt benimmt, sagt: „Ich werde dich lehren, was Gelassenheit ist; ich werde dir beibringen, was Gelassenheit ist”, so ist der Vater. Ihn in der 4. Klasse zu lassen, das geht nicht. Wir setzen uns der Gefahr aus, daß er ins Wasser springt. Das wäre natürlich nicht angenehm. Ich erinnere mich noch mit rechtem Entsetzen — ich war auf

Het gevaar is natuurlijk dat ze zullen zeggen: Nou, nu heeft hij het bereikt; daar kunnen we ook naar streven. Maar wat moet je met zo’n jongen als je hem niet weg wilt sturen? Misschien kom ik morgen wel naar de les. Wat er mis is, is niet hijzelf. Het is een erfelijke eigenschap en het heeft een constante invloed op hem. Het zit in de familie. Het zou wenselijk zijn om met de jongen de klippen te omzeilen. Misschien wordt hij wel een capabel mens. Hij is nogal enthousiast over euritmie en zingen; hij wil geen les. Hij vindt het ronduit afschuwelijk. Dat zijn andere dingen die mensen te serieus nemen; hij heeft vijf mark weggepakt. Dat is een kwajongensstreek. Hij is heel benaderbaar, heel benaderbaar. De jongen heeft een zekere objectieve behandeling nodig, omdat hij thuis nogal subjectief wordt behandeld. Dat hebben we ook allemaal gedaan. De vader is het type leraar dat, wanneer een leerling zich geagiteerd gedraagt, zegt: “Ik zal je leren wat bedaren is; ik zal je leren wat bedaren is.” Zo is de vader. Hem in klas 4 laten zitten, is geen optie. We stellen onszelf bloot aan het gevaar dat hij in het water springt. Dat zou natuurlijk niet prettig zijn. Ik herinner me nog met grote afschuw – ik was op

Blz. 161

einer Schule mit einer Maschinenbauschule. Dort war der Sohn des
Schuldieners, der war ehrgeizig. Ein Lehrer, Professor, der jähzornig war, der nahm den Laffen und haute ihm eine herunter. Der verließ die Klasse; er hat nämlich gewußt durch seinen Vater, wo Zyankali ist, hat es genommen und sich vergiftet. Seit der Zeit wurden die Lehrer immer rot, wenn jemand herausging während der Stunden,
(Zu Fräulein Dr. von Heydebrand:) Ich wollte es nur jetzt besprechen, weil er zu Ihnen in die 5. Klasse hinkommt. Er gehört nicht in die 4. Das ist ein Fehler, der gemacht worden ist.
In Psychologie wirken! Die Kindergemüter müssen studiert werden!

een school met een opleiding werktuigbouwkunde. De zoon van de conciërge was daar, en hij was ambitieus. Een leraar, een professor, die opvliegend was, pakte de ??  en sloeg hem. [Het Duits heeft Laffen, daar wordt geen vertaling voor gegeven: waarschijnlijk heeft de jongen de professor op de zenuwen gewerkt en die sloeg hem] Hij verliet de klas; hij wist van zijn vader waar cyanide was, nam het en vergiftigde zichzelf. Sindsdien bloosden de leraren altijd als iemand tijdens de les wegliep.
(Aan mevrouw Dr. von Heydebrand:) Ik wilde het er nu even over hebben,
omdat hij naar uw vijfde klas gaat. Hij hoort niet in de vierde.
Dat is een fout die gemaakt is.
Werk met psychologie! De ziel van het kind moet bestudeerd worden!<8>

X. fragt wegen Spitzenklöppeln und Nadelarbeit.

X. vraagt ​​naar kantklossen en handwerken.

Dr. Steiner: Das ist eine furchtbar zeitraubende Arbeit. Immer unter den entsetzlichsten äußeren Verhältnissen wurden diese Dinge gemacht. Es ist so, daß die Leute alle krank geworden sind. Es sind Parias dazu verwendet worden. Brüsseler Spitzenarbeit ist eine schreckliche Sache. Ich würde das nicht einführen.
Die Arbeiten, die Sie jetzt machen, sind sehr schön. Beim Handarbeiten müssen wir ein bißchen recht exakt sein. Ich habe heute ein Mädchen bemerkt, das ohne Fingerhut nähte.

Dr. Steiner: Het is een vreselijk tijdrovend werk Deze dingen werden altijd gedaan onder de meest verschrikkelijke externe omstandigheden. Mensen zijn allemaal ziek geworden. Ze gebruikten hiervoor paria’s. Brussels kantklossen is een verschrikkelijk iets. Ik zou het niet willen invoeren.
Het werk dat u nu doet is heel mooi. We moeten een beetje precies zijn met ons naaiwerk. Ik zag vandaag een meisje dat naaide zonder vingerhoed.

X.: Soll am Peter- und Paulstag schulfrei sein?

X.: Is Petrus en Paulusdag een vrije dag?

Dr. Steiner: Man kann freigeben. „Peter und Paul ist immer sehr
faul.”

Je kan vrijgeven: “Petrus en Paulus is altijd erg lui.”

Zu dieser Konferenz finden sich noch folgende kurze Notizen:
Schlechte Zähne, Ursache im Seelisch-Geistigen. Zusammenhang
zwischen Eurythmie und Zahnbildung.
Handarbeit: Stricken entwickelt gute Zähne. Die Kinder werden
geschickt durch Stricken.

Bij deze vergadering horen nog korte aantekeningen:
Slechte tanden, oorzaak in de ziel en geest. Verbinding tussen euritmie en tandvorming.
Handenarbeid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden
vaardig door te breien.

.

GA 300A  inhoudsopgave

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 3460-3257

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Voor de aarde, voor de toekomst, voor onze kinderen

.

 Nieuwsbrief Samen voor Grond

We kregen de grootste donatie in onze geschiedenis: grond voor ruim 4,2 miljoen euro van Jeroen van Steen. En dat is enorm bijzonder!

Jeroen, vroeger was hij gangbaar melkveehouder, die waarschijnlijk tegen zijn versie van vandaag zou zeggen: ‘Die is gek’. Toch voelt Jeroen zich vandaag de dag vrijer dan ooit, dat maakte dat hij 19 hectare grond aan BD Grondbeheer doneert. Want, stelt Jeroen; ‘Deze grond verkreeg ik omdat ik geluk heb gehad in het leven. Dat geluk wil ik delen.’ 

Jeroen maakt de grond vrij, hij verandert het systeem door het anders te doen. Dat doet hij voor ons allemaal! 
Elke 100 euro haalt 1.400 euro uit het systeem
Een donatie aan Thuishaven is er een met een enorm rendement. Niet alleen bescherm je de natuur, de grond en de natuurvriendelijke boer maar ook haal je enorm veel geld uit het systeem. 

Reken maar uit, voor €4,2 miljoen aan grond hebben we €3 ton nodig. Dat betekent dus dat elke €100 ruim 14x keer meer waard is!
Doneer 100 euro
 
De grootste donatie in onze geschiedenis!
Op zaterdag 21 juni, de eerste dag van de zomer, heeft Jeroen van Steen 19 hectare landbouwgrond in Zeewolde officieel aan BD Grondbeheer overgedragen. BD Grondbeheer garandeert dat de grond nooit meer verkocht wordt en eeuwigdurend in handen blijft van biodynamische boeren. De grond heeft een waarde van 4,2 miljoen euro. Het is daarmee de grootste donatie die BD Grondbeheer in haar bestaan (anno 1978) heeft ontvangen.

Gek genoeg zijn we er nog niet, we moeten nog wel een sommetje af rekenen bij de fiscus: namelijk € 300.000,-. Daarom zijn we in actie, in actie om dit bedrag op te halen!

Henry Mentink als inspiratiebron
Wat als grond geen eigendom meer is, maar van ons allemaal? Activist Henry Mentink zet zich in voor vrije grond als basis voor een rechtvaardige en betaalbare wereld. 

Zijn gedachtegoed inspireerde boer Jeroen van Steen om 19 hectare landbouwgrond te schenken aan BD Grondbeheer. Samen laten ze zien hoe je met een daad verschil maakt: voor de Aarde, voor toekomstige boeren, en voor wereldvrede.

www.aardpeer.nl
http://www.bdgrondbeheer.nl

.

Algemene menskundede wereld is waar

Sociale driegeledingalle artikelen

7e klas: voedingsleer

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3461-3258

.

.

.

.