VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (5)

.
Daan Rot, Antroposofisch Magazine december 2019 nr. 16
.

Afsluiter van de reeks winterse lichtfeesten
.
VERLANGEN NAAR DE ZON MET MARIA-LICHTMIS
.

Als na de donkere dagen de lentekriebels weer beginnen op te borrelen, kijken we de bloembollen uit de grond. Her en der piepen er al groene sprietjes en sneeuwklokjes uit de donkere aarde.

Op 2 februari vieren we Maria-Lichtmis.
Ik kende het feest alleen van de processie die ’s morgens vroeg langs ons huis kwam, maar sinds de kinderen naar de vrijeschool gaan vieren we het ook thuis.

Vóór de christelijke viering van Maria-Lichtmis was 2 februari de dag van Vrouw Holle. Vrouw Holle komt voor het eerst voor in de Germaanse mythologie. Zij ontvangt de zielen van de gestorvenen en uit haar bron komen nieuwgeborenen voort.
Het christelijke verhaal vertelt dat Jezus, zoals gebruikelijk was in de Joodse traditie, veertig dagen na zijn geboorte in de tempel werd opgedragen aan God. Maria bracht daarbij een reinigingsoffer. Jezus werd bij deze gebeurtenis herkend als de Christus door de oude Simeon en Hanna. Toen Simeon baby Jezus in zijn armen nam, werd hij door licht omstraald.
In de katholieke kerk worden de kaarsen gezegend voor de mis, tijdens de processie ter ere van Maria worden de kaarsen aangestoken en blijven de hele mis branden, een heuse Lichtmis.

Licht naar buiten

Veertig dagen voor Kerst, met Sint-Maarten, brachten we het licht met onze lantaarns naar binnen. Met Maria-Lichtmis, veertig dagen na Kerst, brengen we het licht van binnen weer naar buiten. We hebben inmiddels weer één uur daglicht extra gewonnen. En kijk eens omhoog, want de hemel is in februari ook echt blauwer door de toegenomen zonnekracht.

Alle restjes van de kaarsen die we in de lichtfeestenperiode tussen Sint-Maarten en Maria-Lichtmis hebben gebrand, hebben we opgespaard. We smelten ze om en vullen walnootdoppen met de gesmolten was. De walnootkaarsjes doen we in een grote schaal met water waar ze in ronddobberen tijdens ons pannenkoekenmaal. Want Maria-Lichtmis is óók pannenkoekenfeest. Pannenkoeken zo rond en goudgeel als de zon waar we zo naar verlangen.

Reinigen

Maar voor we feest gaan vieren, is het tijd voor het grote opruimen van huis en haard.

Februari komt van het Latijnse februare, wat ‘reinigen’ betekent. Zo houden wij dus ook ons eigen reinigingsritueel, ieder ruimt zijn eigen kamer op, de dekens worden gewassen, de ramen gelapt, de haard leeggemaakt, oud papier weggebracht en als laatste een rondje door de tuin. Dan dekken we een feestelijke eettafel en komen alle kaarsen op tafel, met een grote berg pannenkoeken in het midden. Het laatste diner met kaarslicht van deze winter. Na het eten brengen we de kaarsjes naar de tuin voor wat extra warmte en kiemkracht. Het is weer tijd voor wortelen en groeien, plannen en bloeien.

Walnootkaarsjes maken

Nodig:

Restjes kaarsen
Walnoten
Leeg blik
Lont met aluminium voetje:
Hesje
Lege eierdoos

Maak de walnoten voorzichtig open. Als je met een scherp mesje in de achterkant van de walnoot prikt en voorzichtig wrikt, breekt de walnoot precies door de helft open.
Haal de nootjes eruit en bewaar ze voor bij de pannenkoeken.
Zet het lege blik met daarin de restjes kaars in een pan met kokend water en verwarm tot alles gesmolten is.
Zet de walnootdoppen vast in de lege eierdoos.
Doe een lont met aluminium voetje in een halve, lege walnootdop en giet het kaarsvet er voorzichtig in.
Laat het kaarsvet uitharden.

Als je echt veel restjes hebt, is het ook leuk om zelf kaarsjes te trekken. De zelfgetrokken kaarsjes zijn origineel als ‘bijna lente-cadeautje’, of je stopt ze in een mooi doosje met een strik om tegen Sint-Maarten weer open te maken.

Kaarsjes trekken

Nodig:

Oude pan
Hoog, waterdicht blik
Restjes kaars (eventueel aangevuld met bijenwaskorrels]
Lont

Vul de pan tot de helft met water en zet het blik met de restjes kaars erin. Verwarm de was tot deze helemaal gesmolten is.
Zorg dat alles goed stevig staat en blijf er te allen tijde bij. De was is heel heet.

Dompel de lont in de was en wacht tot de was droog is.
Trek de lont voorzichtig recht.
Dompel opnieuw in de was.
Doe dit niet te langzaam, want dan smelt de vorige laag.
Laat de laag weer drogen en herhaal dit tot het kaarsje dik genoeg is.
Snij de onderkant recht af.

Je kunt de kaarsjes extra mooi maken door ze te versieren met gekleurde bijenwas.

Pannenkoeken

Nodig:

250 gram bloem
500 ml melk
2 eieren
Snufje zout
Boter om in te bakken
Kaneel naar smaak

Met een speciale pannenkoekenpan zijn mislukte pannenkoeken verleden tijd.

Maak een luchtig en klontjesvrij beslag.
Zet het beslag, als het uitkomt, afgedekt met een theedoek voor een uurtje op kamertemperatuur weg. Zo breken de pannenkoeken minder snel en worden ze lekker soepel.
Laat de boter smelten en doe een schepje beslag in de pan.
Wacht tot het beslag overal droog is en keer op dat moment de pannenkoek.
Doe een wedstrijdje: wie kan ‘m het hoogst opgooien?
Bak pannenkoeken met appeltjes, rozijnen, spek, kaas enzovoort. 

Daan Rot en Lisa Wade schreven twee toegankelijke boeken over de jaarfeesten, getiteld Het hele jaar feesten
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3130-2943

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algebra en rekenen in de 7e en 8e klas (5)

.

algebra

In de leerplanbesprekingen van Steiner vinden we in GA 295 aanwijzingen voor de introductie van de algebra aan de hand van renteberekeningen.
In die context is er aan de 6e klas gedacht en ook Caroline von Heydebrand noemt het in haar leerplan ook voor de 6e klas.
In andere artikelen vinden we algebra beschreven voor klas 7 en 8.

Zelf weet ik ook nog heel goed hoe ik aanvankelijk de sprong van een concrete rekenbewerking naar ‘letterrekenen’ niet echt begreep: ik moest er a.h.w. naartoe groeien en ouder wordend verdwenen de moeilijkheden om tot begrip te komen. Je moet er dus ook ‘rijp’ voor zijn.

Over de vergelijking


Elisabeth Klein in ‘Der Elternbrief, nadere gegevens onbekend
.

In blauw heb ik toegevoegd, hier en daar heb ik iets uitvoeriger vertaald.

Eigenlijk kan ieder kind plezier beleven aan rekenen. Allesbepalend is echter de manier waarop ‘het nieuwe’ geïntroduceerd wordt: het kind zou er iets bij moeten ervaren en wel zo dat het voorbeeld, als een soort oer-voorbeeld voor het kind het licht doet opgaan.

Als het leren rekenen met breuken zo gedaan is, dat het blijvend is, komt de algebra dichterbij en daarmee de vergelijking.
Hierbij is een heel belangrijk aspect dat ‘iets’ van de ene kant (van het = gelijkteken) naar de andere kant wordt gebracht.

Om te voorkomen dat de kinderen meteen afhaken, is het belangrijk niet te snel met de letters te komen, maar eerst nog grondig allerlei vergelijkingen met cijfers te maken die de kinderen allemaal moeten beheersen, maar nu nog eens bewuster onder ogen gaan zien. Als iets niet met plezier gedaan gaat worden, heeft het een verlammende werking.
Je kan heel eenvoudig beginnen – in wezen zijn sommen vergelijkingen:

3  +  5  =  8;   3 = 8  –  5; of  5  = 8  –  3;
(Dit zijn sommen uit klas 1 die je daar zo vaak en zo gevarieerd moet hebben gedaan dat de kinderen de antwoorden a.h.w. kunnen dromen of m.a.w. simpelweg uit hun hoofd kennen. Hoofdrekenen i.p.v. veel te veel schriftelijke sommen uit rekenmethodes)

6 X 3 = 18; 18 = 3 X 6; of 18 : 6 = 3; 12 : 4 = 3. Maar 12 = 3 X 4.

Dan kan het uit de kinderen zelf komen: het = gelijkteken is een grens. Wat aan de ene kant en naar de andere gaat, wisselt van rekenteken: plus wordt min, min wordt plus, keer wordt gedeeld door en gedeeld door wordt keer.
Als je daar veel voorbeelden van hebt, kun je de samenvatting maken dat je voor al die verschillende cijfers/getallen simpelweg een letter kan zetten.
Dat weer oefenen: concreet, gevolgd door letters, als vanzelf volgt een keer:

uit bijv.  4 x 3 = 12    en  4 = 12 : 3       a X b = c     a = c : b 

Het is opvallende dat bijna alle kinderen een onbewuste angst hebben voor de bewerking waarbij het getal dat ze kunnen beleven, verwisseld wordt door een letter waarbij er geen beleving meer is. Een belangrijke overgang van een beleving naar een abstractie.
(Er zijn wellicht kinderen die Mr.X kennen; dan krijgt de letter weer meer inhoud en maakt tegelijkertijd duidelijk dat ‘de onbekende’ bestaat, en dat die toch een naam moet hebben)

Dus de introductie van de letters is een heel belangrijk ogenblik. In de vrijescholen gaat dat aan de hand van een concreet iets uit de praktijk van het leven: rekenen met procenten bij rente. 
Veel kinderen hebben moeite met procentberekeningen omdat ze het woord ‘pro cent’ niet goed kunnen duiden. Daarmee moeten ze eerst echt vertrouwd zijn. Je kan er niet genoeg op hameren dat pro  cent betekent ‘per 100’.
6% rente betekent: 100 euro geven 6 euro rente; 200: 12, want: 2 x 6.

Heel belangrijk is weer goed te oefenen hoe vaak 100 in een getal zit. Bij 4000 is dat 40, bij 700.000 is het 700 enz.
En dan: hoeveel rente bij 6% als je 4000 euro hebt. Nu, daar zitten 40 ‘honderden’ in    4000 = 40,  dus 40 x 6  = 240; 
                                100
Kan je het nu anders schrijven: 4000 X  6 =  240 X 100 of  6 = 240 X 100
                                                                                                       4000

Pas wanneer deze gang van zaken met overzichtelijke getallen vertrouwd is, zeg je: we gaan het nu simpeler doen, we gaan e.e.a., in een formule zetten.
We geven het kapitaal de letter K, de rente de letter R en de procenten de letter P.
En steeds geldt: K x P = R      
                               100
Het kan ook omgekeerd:  R = K x P
                                                  100

Dan vind je ook: K = R x 100     en P =  R x 100
                                    P                              K

Als dat dan allemaal duidelijk is, begint het denkproces.
Er zijn dus 3 basissommen waarmee je rente- en procentberekeningen kan maken.
1.Hoeveel rente brengt een kapitaal van 4000 euro op tegen een percentage van 6%:   4000 x 6 = 240
               100

2. Hoe groot is het kapitaal dat bij 6%  240 euro rente oplevert? Met de formule: 
K = 240 x 100 = 4000
               6
Het denkproces: zo vaak in 240  6% rente zit, zo vaak zit in het kapitaal 100 euro.
3. Een laatste vorm, hoewel die in de praktijk n iet vaak voorkomt: Tegen hoerveel procent brengt een kapitaal van 4000 euro 240 euro aan rente op?
Met de formule  P = 240 x 100 = 6
                                           4000
Eigenlijk is de opgave dus: hoeveel euro werd per 100 gegeven, als 4000 euro 240euro rente oplevert. In 4000 zitten 40 x 100, dus 240: 40 = 6 

Pas als ook deze berekeningen door het kind goed begrepen worden, kun je er met de fomules lustig op los rekenen. 
Maar zo eenvoudig als het klinkt: wanneer je hier een deel weglaat, heb je de zaak niet vol overzichtelijk opgebouwd en daar krijg je later altijd problemen mee.

Tekstvergelijkingen

In de algebra hebben de tekstvergelijkingen een grote magie om zich heen. Hier is het vooral belangrijk dat de tekstvergelijking met een voorbeeld overzichtelijk moet worden gemaakt en door de kinderen volledig begrepen.

Bij het rekenen met breuken is er een eerste kans dat kinderen daar tekortschieten. En rekenen is een bouwwerk dat instort als er een steen ontbreekt. De overstap van getal naar letter en de vergelijkingen zijn een tweede mogelijkheid waarop het mis kan gaan.

Elisabeth Klein slaat nu – ze zegt het zelf – een stap over, omdat ze niet alles aan de orde kan stellen en ze behandelt hier een vergelijking met 2 onbekenden.

Ze heeft gezocht naar zinvolle opgaven.
We kunnen ons herinnerd voelen aan opmerkingen van Steiner dat er in de rekenboekjes (van toen, maar nu vandaag de dag nog steeds) sommen gegeven worden die absoluut buiten het leven staan. Bijv. de sommen waarbij een gemiddelde leeftijd gevonden moet worden. 

Veel van de vergelijkingssommen die je via tekst moet oplossen, beschrijven situaties die eigenlijk niet voorkomen, soms niet kunnen voorkomen en in andere gevallen duidelijk opgevoerd worden ter wille van het abstracte denken.
In dit artikel bijv.:

Hans en Frits hoeden schapen. Hans zegt tegen Frits:  ‘Geef mij een van jouw schapen, dan heb ik er dubbel zoveel als jij.’ Frits zegt: ‘Nee, geef mij er liever een van jou, dan hebben we er allebei evenveel.’
Hoeveel schapen heeft elk of Hans of Frits.

Als ik zelf dit soort sommen moet oplossen, moet ik met veel aandacht lezen, het me goed voorstellen. Ik denk dat dit ook voor de meeste leerlingen geldt. Dus vóór je begint met rekenen, moet je eerst zeker weten of ieder kind de tekst ook snapt. 
Laat bijv. 2 kinderen voor de klas Hans en Frits zijn die – nadat de som door ieder is gelezen – de vragen aan elkaar stellen. Dan komt de probleemstelling dieper te zitten en zie je al meer.

Klein wijst erop dat duidelijk schrijven ook een voorwaarde is.

Dus: Hans heeft X schapen
Frits heeft Y schapen. 

Nu komt er voor de kinderen iets moeilijks, want ze moeten door getallen en letters iets tot uitdrukking brengen. Dat lukt beter naarmate je het probleem helder ziet. 
Frits zegt eigenlijk: zijn schapen + 1  staat gelijk aan de schapen van Hans – 1, dus
Y + 1 = X – 1

Bij Hans is het al moeilijker: geef mij 1 schaap, dan heb ik er 2x zoveel als jij, dus Frits – 1  is Y -1 en dat staat gelijk aan 2x wat Hans heeft, dus Hans heeft 2 keer Y-1

Dat moet duidelijk bij of onder elkaar staan:
verg. 1:   Y + 1 = X – 1 = 
verg. 2:   X + 1 = 2(Y + 1)

De leerlingen moeten al geleerd hebben hoe je zo’n vermenigvuldiging schrijft:  

Dan kun je schrijven:
X + 1 = 2Y + 2

In vergelijking 1 gaan we Y nader bepalen: = Y = X – 1 -1, dus Y = X -2 of 
X = Y + 2
Dat voegen we in vergelijking 2:
Y + 2 + 1 = 2Y – 2, omgekeerd: 2Y – 2 = Y + 3, of 2Y – Y = 3 + 2. 
Y = 5; X = Y + 2, X = 7

Hans heeft dus 7 schapen en Frits 5. Geeft Frits er een aan Hans: Hans 8, Frits 4; geeft Hans er een aan Frits: Hans 6, Frits 6. 

De kinderen begrijpen het pas, als ze zelf eenvoudige sommen kunnen bedenken! De vergelijking moet gevoeld worden en de overgang van vergelijking naar tekst moet inleefbaar zijn. 

We kunnen nooit helemaal uitsluiten dat bepaalde kinderen problemen hebben met rekenen en andere niet. Maar een groot deel van de problemen kan worden opgelost, als alle overgangen, vooral bij de breuken, en bij van cijfer naar letter, en de vergelijking, op een tastbare manier worden uitgevoerd aan de hand van een eenvoudig voorbeeld.
.

Algebra en rekenen: alle artikelen, waaronder meer die bovenstaand onderwerp behandelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

3129-2942

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-7)

.

HET IMPONDERABELE

Vlinder en ziel

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

Steiner:

GA 298      gedeeltelijk vertaald

Stuttgart, 07-09-1919

Ansprache Rudolf Steiners bei der Eröffnung der
Freien Waldorf schule
Toespraak bij de opening van de Waldorfschool

Blz. 30

Nur diejenige Erziehungs- und Unterrichtskunst aber kann fruchtbar sein, durch die der Lehrer von dem Momente an, wo er das Schulzimmer betritt, auf das Kind wirkt wie aus einem einheitlichen Empfinden heraus. Eins muß sein Kindesseele und Lehrerseele durch ein unterbewußtes geheimnisvolles Band, das vom Lehrergeist übergeht in den Kindergeist. Das gibt der Schule ihr soziales Gepräge. Dazu muß der Lehrer fähig sein, in das Kind sich wirklich
hineinzuversetzen. Was tun wir heute oftmals? Ja, wir bemühen uns, unser Denken in solche Formen zu bringen, daß wir dem Kinde etwas erklären können. Wir sagen vielleicht dem Kinde: Sieh einmal, hier hast

Maar alleen die kunst van het opvoeden en lesgeven kan vruchtbaar zijn, waardoor de leraar vanaf het ogenblijk waarop hij de klas binnenkomt, op het kind werkt als was zijn gevoel met dat van het kind één. De ziel van het kind en die van de leerkracht moet een eenheid zijn door een onderbewuste geheimzinnige band, die vanuit de mentale stemming overvloeit naar het kind. Dat geeft de school haar sociale gezicht. Daarvoor moet de leerkracht zich echt kunnen inleven in het kind. Wat doen we tegenwoordig vaak? Ja, we proberen ons denken in zulke vormen te gieten dat we iets aan het kind kunnen overbrengen. We zouden tegen het kind kunnen zeggen: Kijk, hier heb je

Blz. 31

du eine Puppe, aus der wird ein Schmetterling herauskommen. Man zeigt ihm vielleicht den Schmetterling und die Puppe, vielleicht auch, wie das eine sich aus dem anderen entwickelt. Dann sagt man ihm weiter vielleicht: Deine unsterbliche Seele ruht in deinem Leibe wie der Schmetterling in der Puppe. Und so wie der Schmetterling die Puppe verläßt, so wird deine unsterbliche Seele einmal den Leib verlassen, wenn du durch des Todes Pforte gehst. – Man hat sich ein Naturbild ausgedacht, um etwas an diesem Bilde dem Kinde klarzumachen; aber man ist sich bewußt, daß man nur einen Vergleich gebraucht hat, daß man die ganze Sache ja auf eine andere Art weiß. Man hat sich angestrengt, für das Kind etwas zurechtzurichten. Aber es gibt ein geheimnisvolles Gesetz, wonach man, wenn man so die Dinge zurechtrichtet, nichts richtig im Unterricht erreichen kann. Denn man kann wirklich nur das auf das Kind übertragen, woran man selbst glaubt aus tiefster Seele heraus. Erst wenn man sich dazu durchgerungen hat, zu empfinden, daß in dem Bilde von Puppe und Schmetterling nicht ein äußerlich zusammengeschusterter Vergleich gegeben ist, sondern ein solcher, den uns die göttlich-geistige Natur selber hinstellt,

een cocon, daar zal een vlinder uitkomen. Misschien laat je een vlinder en de cocon zien, misschien ook hoe het een uit het ander verschijnt. Dan zeg je verder misschien: je onsterfelijke ziel rust in je lichaam zoals de vlinder in de pop. En zoals de vlinder de pop verlaat, zo zal eenmaal je onsterfelijke ziel je lichaam verlaten, wanneer je door de poort van de dood gaat. 
Dan heb je een natuurbeeld bedacht om iets met dit beeld aan het kind uit te leggen; maar je bent je bewust dat je maar een vergelijking hebt gebruikt, dat je de hele gebeurtenis op een andere manier kent. Je hebt je best gedaan om voor het kind een en ander duidelijk te maken. 
Maar er is een mysterieuze wet die bepaalt, dat als je dingen op deze manier aankaart, in de klas niets goeds kan bereiken. Want alleen dat kan je echt op het kind overbrengen, waarin je zelf gelooft. Pas wanneer je jezelf zover gebracht hebt, dat je beleeft dat er in het beeld van de pop en de vlinder niet een uiterlijk bij elkaar geharkte vergelijking gegeven is, maar een die ons de goddelijk-geestelijke natuur zelf toont,

in dem Augenblick, wo wir glauben können an die Wahrheit des Bildes, wie das Kind daran glauben soll, in dem Augenblick erst gelingt es uns, lebendigen Geist auf das Kind zu übertragen. Wir müssen sprechen, wir müssen wirken können aus dem Geiste der Wahrheit heraus. Wir dürfen niemals aus dem heraus wirken, was heute in der Kulturentwickelung eine so große Rolle spielt: aus dem Geiste der Phrase heraus. Das können wir nur, wenn wir verbunden sind, innerlichst verbunden sind mit allem Menschlichen; wenn wir aufgehen können, noch wenn wir die allerweißesten Haare schon erlangt haben, in dem, was der werdende Mensch seinem Wesen nach ist. Innerlich müssen wir verstehen können den werdenden Menschen.

op het ogenblik waarop wij in de waarheid van het beeld kunnen geloven, zoals het kind erin moet geloven, op dat ogenblik lukt het ons pas, een levende geest op het kind over te brengen. We moeten kunnen spreken, kunnen werken vanuit de geest van de waarheid. Nooit mogen we werken vanuit wat in de ontwikkeling van de cultuur zo’n grote rol speelt: uit de geest van de frase. Dat kunnen we alleen, wanneer we verbonden zijn, innerlijk het diepst verbonden met al het menselijke; wanneer we kunnen opgaan, ook al zijn we zilverwit grijs geworden, in wat de wordende mens wat zijn wezen betreft, is. Innerlijk moeten we de wordende mens kunnen begrijpen.
GA 298/30-31
Niet vertaald

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3128-2941

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/3)

.

 

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten.

Ook in de vergaderingen met leraren (GA 300 A -C) komt Ahriman ter sprake.GA 300BGA 300C

GA 300A

Vergadering van 9 juni 1920

Blz. 130

X. fragt nach der Wesenheit Allahs.

Dr. Steiner: Es ist schwer, die übersinnlichen Wesen zu charakterisieren, indem man sie einregistriert.
Der Mohammedanismus ist die erste ahrimanische Manifestation, die
erste ahrimanische Offenbarung nach dem Mysterium von Golgatha.
Der Gott Mohammeds, Allah, Eloha, ist ein ahrimanischer Abklatsch oder Abglanz der elohistischen Wesenheiten, der Elohim, aber
monotheistisch erfaßt. Er bezeichnet sie immer in einer Einheit. Die
mohammedanische Kultur ist ahrimanisch, aber die Gemütsverfassung der Islamiten ist luziferisch.

X vraagt naar het wezen Allah

Steiner: Het is moeilijk om bovenzintuiglijke wezens te karakteriseren door ze ergens te willen indelen.
Het mohammedanisme is de eerste ahrimanische manifestatie, de eerste ahrimanische openbaring na het mysterie van Golgotha. De god van Mohammed, Allah, Eloha, is een ahrimanische [Duits heeft hier Abklatsch, dat een negatieve inhoud heeft, in de vorm van ‘slechte imitatie, surrogaat, wat dan nog eens klinkt met Abglanz, o.a. ‘armzalige rest’, weerspiegeling zoals het licht van de maan: geen echt licht, maar weerkaatst zonnelicht] van elohistische wezens [de Elohim], maar monotheïstisch opgevat. Het mohammedanisme ziet ze steeds als eenheid [In GA 122vertaald – zegt Steiner dat er in het Bijbelse scheppingsverhaal niet staat dat God de wereld schiep, maar de goden – dat zijn de 7 Elohim; een ervan ‘wordt’ later Jahve].
De mohammedaanse cultuur is ahrimanisch, maar de zielenconstellatie van de islamieten is luciferisch.

Ahriman, ahrimanisch komt in de GA nog tweemaal voor:

In dezelfde vergadering als boven vraagt iemand naar ‘Bafomet’.
Dat is volgens Steiner een ahrimanisch wezen.
Deze mededeling heeft verder niets met het onderwijs te maken.
GA 300A/130
Niet vertaald

In de vergadering van 24-07-1920 houdt Steiner als inleiding min of meer een pedagogische voordracht – die zal op deze blog vertaald worden – nog niet oproepbaar. Daarin wordt het materialisme in verband gebracht net Ahriman.
GA 300A/162
Niet vertaald

In de vergadering van 22-11-1920 gaat Steiner langer in op de toestand van de maatschappij waarin de Waldorfschool dan functioneert. Het gaat dan ook over de driegeleding van het sociale leven. Steiner signaleert pogingen om de maatschappij te hervormen, maar noemt deze ahrimanisch.
GA 300A/ 251
Niet vertaald

GA 300B

Vergadering van 16-11-1921

Blz. 53

In deze vergadering wordt door iemand een vraag gesteld. De vraag zelf is niet afgedrukt, maar moet wel over stenografie zijn gegaan, want Steiner antwoordt:

Dr. Steiner: Stenographie sollte man lernen wie im Schlafe, ohne besondere Konzentration. Daß man überhaupt Stenographie lernt, ist im Grunde eine Barbarei, der Gipfel des Ahrimanismus. Daher wäre es ideal, Stenographie wie im Schlafe zu lernen. Da man das nicht kann, so ist es von großer Bedeutung, daß man es ganz verfuselt, wie wenn gar nicht darauf konzentriert würde, daß es gelernt würde. Weil es Unfug ist. Es ist ein Kulturunfug, daß stenographiert
wird.

Je zou stenografie moeten leren alsof je slaapt, zonder speciale concentratie. Het feit dat je überhaupt stenografie leert is in wezen barbarij, het toppunt van ahrimanisme. Daarom zou het ideaal zijn om steno te leren alsof je slaapt. Omdat dat dit niet kan, is het heel belangrijk dat je het helemaal vergeet, alsof je je er helemaal niet op concentreert om het te leren. Omdat het onzin is. Het is culturele onzin dat steno wordt gebruikt.
GA 300B/53
Niet vertaald

Tegen de achtergrond van wat Steiner over Ahriman opmerkte in GA 296, is nog wel te begrijpen dat steno, als een vorm van intelligente/intellectualistische tekstverwerking beschouwd kan worden. 
Een opmerkelijke gedachte zou kunnen zijn, dat wanneer Steiner dit werkelijk diep gemeend zou hebben, hij toch niet zou hebben toegelaten dat zijn voordrachten werden gestenografeerd!

GA 300C

Vergadering 05-02-1924

Steiner houdt in deze vergadering een lang betoog over de relatie Waldorfschool-Antroposofische Vereniging en dan komt het op zeker ogenblik over bepaalde tijdsfenomenen:

Blz. 113

Es ist ja wunderbar, wie wenig gedankenvoll die Menschheit heute ist, so daß sie die wichtigsten Symptome gedankenlos vorbeigehen läßt. Daß mit einer jahrhundertealten Tradition jetzt in England gebrochen worden ist durch das System Macdonald, das ist etwas so Einschneidendes, das ist wirklich etwas so Bedeutungsvolles, daß es ganz wunderbar ist, daß die Welt so etwas nicht bemerkt. Auf der anderen Seite sollte wiederum auf anthroposophischer Seite gut bemerkt werden, wie die äußeren Ereignisse deutlich zeigen, daß jenes Zeitalter aufgehört hat, dessen Geschichte bloß vom physischen Plan aus geschrieben werden kann. Wir müssen uns klar sein, daß die ahrimanischen Mächte überall immer mehr Einbruch halten in das geschichtliche Werden.

Het is wonderbaarlijk hoe weinig de mensen tegenwoordig diep nadenken, zo erg zelfs dat ze de belangrijkste symptomen voorbij laten gaan zonder na te denken. Het feit dat in Engeland nu een eeuwenoude traditie doorbroken is door het Macdonald-systeem is zo ingrijpend, werkelijk zo veelbetekenend dat het eigenlijk wonderbaarlijk is dat de wereld zoiets niet opmerkt. Aan de andere kant moet men aan de antroposofische kant goed opmerken hoe externe gebeurtenissen duidelijk aantonen dat het tijdperk waarvan de geschiedenis alleen vanuit het fysieke vlak kan worden geschreven, is geëindigd. Het moet duidelijk zijn dat de ahrimanische machten overal steeds meer ingrijpen in de historische ontwikkeling.

En uit het vervolg blijkt dat dit dan zo’n ingreep zou zijn geweest:

Zwei leitende Persönlichkeiten, Wilson und Lenin, sind unter den gleichen Krankheitssymptomen gestorben, beide an Paralyse, das heißt, beide boten ein Tor für die ahrimanischen Mächte. Diese Dinge zeigen doch, daß die Weltgeschichte aufhört, Erdengeschichte zu sein, sondern anfängt, eine kosmische Geschichte zu werden.

Twee leidende figuren, Wilson en Lenin, stierven met dezelfde symptomen, beiden door verlamming, dat wil zeggen, beiden boden een toegangspoort voor de ahrimanische machten. Deze dingen laten toch zien dat de wereldgeschiedenis ophoudt een aardse geschiedenis te zijn, maar begint een kosmische geschiedenis te worden.
GA 300C/113-114
Niet vertaald

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3127-2940

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 302/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’. O.a. in GA 294300A304307.
De stoel die wordt gemaakt, zou zo kunstzinnig moeten zijn dat deze tot zitten uitnodigt.
In GA 302 komt zoiets ter sprake voor een kussen om op te slapen.

Blz. 70 vert. 69/70

Denn gegenwärtig liegt es ein bißchen schon in der Artung, daß die Kinder im Handarbeitsunterricht vieles verkehrt machen. Man kann nach dieser Richtung hin ganz besonders günstig wirken. Ich habe es doch gleich bemerkt, wie die Kinder bei uns in Dornach Kissen gestickt haben, kleine Polster, auf die das und das darauf gemacht wird. Man müßte dafür sorgen, daß das wirklich Kissen werden. Es ist doch kein Kissen, wenn man auf ein Pölsterchen etwas Beliebiges darauf stickt. Man muß es dem darauf Gestickten ansehen, daß man sich darauf legen kann, daß sich ein Ohr darauf legen kann. Die Kinder scheinen ganz besonders solche Hauben, die man auf Tee- und Kaffeekannen setzt, gerne zu machen. Aber sie müssen das dann so machen, daß das auch darauf eingerichtet ist. Wenn ich es unten aufmache, so muß das, was ich mit den Händen ausführe, sich in der Zeichnung fortsetzen. Ich muß der Zeichnung ansehen, daß es da aufgemacht werden muß. Das Kind ist durch die Verhältnisse so verdorben, daß es da unten, wo es aufgemacht werden soll, eine Zeichnung hinmacht, die so geht:

Het zit een beetje in de aard van onze tijd dat de kinderen in het handwerkonderwijs* veel verkeerd doen. We kunnen in deze richting een bijzonder gunstige invloed uitoefenen. Het is me direct opgevallen hoe de kinderen bij ons in Dornach kussens genaaid hebben, kleine kussentjes, waarop dan dit of dat is aangebracht. Je moet er voor zorgen dat het werkelijk hoofdkussens worden. Als je op een kussentje iets willekeurigs naait, is het toch geen hoofdkussen. Aan wat erop genaaid is moet je kunnen zien dat je erop kunt gaan liggen, dat je er met een oor op liggen kunt. De kinderen blijken vooral graag koffie- of theemutsen te maken. Maar die moeten ze dan wel zo maken dat ze in overeenstemming zijn met het gebruik. Als ik hem van onderen geopend maak, dan moet zich dat wat ik met mijn handen uitvoer, in de tekening voortzetten. Ik moet aan de tekening zien dat het daar open gemaakt moet worden. De kinderen zijn in dit opzicht zó bedorven dat ze aan de onderkant, waar de opening zit, zo’n soort tekening maken:

Ja, das ist ja verkehrt. Man muß der Zeichnung ansehen, wo aufgemacht wird und wo zu ist, wo man nicht aufmachen kann. Ebenso ist es notwendig, daß das Kind wird unterscheiden lernen müssen, daß etwas, was um den Hals genommen wird, wenn es mit Bändchen benäht wird, so sein muß, daß das nach unten weiter wird und nach oben schmäler. Wenn ein Gürtel gemacht wird, so muß man es dem gleich ansehen, daß er sich nach beiden Seiten zugleich öffnet, daß in der

Dat is natuurlijk verkeerd. Aan het motief moet je kunnen zien waar je de muts opent en waar die dicht is, waar je die niet kunt openen.
Zo is het ook nodig dat de kinderen leren onderscheiden dat als iets wat je om je hals draagt, met band wordt versierd, het naar onderen toe breder en naar boven toe smaller moet worden. Als je een ceintuur maakt, dan moet je daar direct aan kunnen zien dat die naar twee kanten tegelijk open gaat doordat de tekening in het

Blz. 71  vert. 70/71

Mitte die Zeichnung am breitesten ist. Es ist so, daß die Kinder sich überall in die Formen hineinfinden sollen.
Gerade da kann ungeheuer viel bewirkt werden, und dabei erreichen Sie nur etwas, wenn Sie wirklich nicht auf das Auge hin arbeiten, sondern wenn Sie das im Gefühl erzeugen. Sie müssen das im Gefühl erzeugen, daß das Kind die Zeichnung so haben will, daß es gewissermaßen fühlt: es macht das unten auseinander und es drückt von oben, es strebt von oben nach unten. Man muß das ins Gefühl verwandeln; man muß in die Hand hineinbringen, was auch mit der Hand gearbeitet werden soll. Im Grund genommen ist der Mensch auch dabei durchaus ganz beteiligt mit seinem Wesen, und er denkt mit dem ganzen Leibe. Man muß also durchaus versuchen, daß da die Dinge gefühlt werden. Im Handarbeitsunterricht muß auf das Gefühl hingearbeitet werden. Es muß gewissermaßen das Kind, wenn es eine Ecke sticken soll, das Gefühl haben: Die Ecke muß so gestickt werden, daß ich, wenn ich dahinterfahre, nicht durch kann. – Wenn es anders ist, wenn man durch kann, dann muß dazu etwas gehören, dem man eben ansieht: da kann man durch. So muß es schon geniacht werden. Da kann der Handarbeitslehrer schon sagen: Ich mache die Sache so, indem ich gerade an der geistigen Betätigung des Kindes ganz besonders betätigt bin. Es braucht sich niemand durch irgendeine Partie des Unterrichtes zurückgesetzt fühlen.

midden het breedst is. Overal moeten de kinderen aan de vormen leren wennen.
Juist daarbij kan ongelooflijk veel worden bereikt. U bereikt echter pas iets als u niet alleen ‘op het oog’ werkt, maar als u dat in het gevoel van de kinderen laat ontstaan. U moet de kinderen stimuleren in het gevoel de tekening zó te willen hebben dat hij van onder uit elkaar gaat en van boven samengedrukt wordt, dat hij een beweging maakt van boven naar onder. Je moet dat omzetten in gevoel; je moet in de handen leggen wat met diezelfde handen moet worden gemaakt. In feite neemt de mens ook hieraan met zijn totale wezen deel en denkt hij met zijn hele lichaam. Dus moeten we er absoluut naar streven het gevoel bij de zaak te betrekken. Bij het handwerken moet het gevoel bij het werk betrokken worden. Als een kind een hoek moet naaien, moet het als het ware het gevoel hebben: die hoek moet zo zijn, als ik daar rijdt, dat ik er niet dóór kan. – Als het anders is, als je ergens wel dóór kunt, dan moet er iets zijn waaraan je kunt zien: daar kun je dóór. Zo moet het gemaakt worden. Dan kan de handwerkleerkracht zeggen: ik ga zó te werk omdat ik vooral sterk met de geestelijke activiteiten van de kinderen bezig ben. Niemand behoeft zich door zijn betreffende vakgebied achtergesteld te voelen.
GA 302/70-71
Vertaald/69-71

Ik heb nooit handwerken gegeven en me daarom ook nooit beziggehouden met Steiners aanwijzingen.
Nu ik zo zijn opmerkingen bij elkaar zet, rijzen er wel wat vragen, m.n. t.a.v. ‘het kunstzinnige’.

Want als hij ons stimuleert om bij de kinderen een bepaalde kunstzinnigheid te ontwikkelen, een kunstzinnig gevoel, zou ik, gelet op zijn opmerkingen over de theemuts hierboven, bijv. bij een fluitenzak wel kunnen denken aan: daar moet iets in, met een bepaalde beweging van boven naar beneden of eruit, omgekeerd.
Uiteraard heeft de zak al de vorm van de fluit. Die beweging van erin – naar de afgeslotenheid – of eruit: naar ‘het licht’, wordt hier – ik ben maar een leek – voor mijn gevoel mooi kunstzinnig verwerkt:

Met name de linker volgt dit motief heel mooi.

Dat vind ik bij de linker veel minder aanwezig; de rechter gaat ook van licht naar donker, maar de horizontale banden roepen niet het gevoel op dat daar iets in moet glijden.

Hier lijk je wel iets terug te zien van wat ik hierboven noem, individueel door de kinderen verwerkt.
Want dat is ook nog een vraag, denk ik, hoe voorkom je dat alles hetzelfde wordt, hoe krijg je de kinderen mee in wat dan kunstzinnigheid is, t.o. bijv. hun willekeurig gekozen kleuren. 

Dit tasje geeft door de versiering aan dat het boven open gaat – ik denk, in de zin die Steiner hierboven bedoelt.

Een motief individueel verwerkt.

Motief, nu geborduurd. (verzorgd uitgestald met de bijpassende ondergrond)

Hier ondersteunt de versiering niet de functie van de tas die boven opengaat.

En de muts – als naar boven afsluitends – benadrukt dit afsluiten hier door een donkerder kleur.

Het motief van de afbeelding hierboven lijkt mij hier niet gelden; maar welk motief dan om de onderrand ‘zwaar’ te maken?

En wat kan een motief voor sokken zijn?

*handwerkonderwijs: zie hiervoor
‘Künstlerische Handarbeiten nach Richtlinien und Entwürfen Rudolf Steiners’ von Luise van Blommestein, Dornach 1934; [geen gegevens kunnen vinden]
Handarbeit und Kunstgewerbe. Angaben von Rudolf Steiner’, samengesteld door Hedwig Hauck, uitgeverij Freies Geistesleben, Stuttgart 1969.

De verborgen kwaliteiten van handwerken -Conny de Heer

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3126-2939

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf (GA 88)

.

Uit de voordrachten
GA 34    GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57    GA 58    GA 59   GA 88
nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit
GA 34   GA 52    GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59
over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

In deze artikelen vind je opmerkingen over het astraallijf:
GA 34   GA 52   GA 53   GA 54   GA 55   GA 56   GA 57   GA 58   GA 59

Over de astrale wereld

In GA 88, voordracht 1, benadert Steiner de mens meer vanuit ‘de wereld’: voor het fysieke lichaam vanuit de fysieke wereld; voor het astraallijf vanuit de astrale wereld. Daar komen we weer de begrippen ‘lust’ en ‘onlust’ tegen, maar we weten inmiddels dat het om ook andere gevoelens gaat, zoals je hier verder uitgewerkt vindt, doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

We worden dus geconfronteerd met een wereld die in ons werkzaam is, maar ook een die zich, zoals de fysieke wereld, om ons heen bevindt, maar die wij – als niet begiftigd met vermogens om het bovenzinnelijke te kunnen waarnemen – niet kunnen zien.

Vaak haalt Steiner de filosoof Fichte aan, die de mens, die niet in de ‘andere’ werelden kan kijken, vergelijkt met iemand die blind is en dus de hem omringende wereld niet kan zien, maar die dat wél kan, nadat hij is geopereerd aan zijn ogen. De mensen die al konden zien, a.h.w. ‘zieners’ waren, konden aan deze blinde mededelingen doen over wat deze blinde mens zelf niet kon zien, maar wél begrijpen kon.
Zo geeft Steiner ons dus oefeningen om ook ‘ziende’ te kunnen worden in die wereld waarvoor we nu blind zijn en tegelijkertijd doet hij er zelf mededelingen over die wij kunnen begrijpen, of wellicht ook niet of niet zo makkelijk.
Zo bijv.  GA 10  Vertaald: De weg tot inzicht in hogere werelden‘   

Aan het begin van voordracht 1 maakt hij een andere vergelijking – wellicht ervaar je dat als enigszins kleinerend – d.w.z. ik voel me wel wat vergeleken met die slak:

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 19

Wenn eine Schnecke durch einen Saal kriechen würde, in dem Beethovens Neunte Symphonie gespielt wird, so vernähme die Schnecke wohl nichts von alle dem, wovon die Menschen, die in demselben Saale sich befinden, in die schönsten Empfindungen versetzt werden. Die Töne der Symphonie drücken sich in den Luftwellen des Saales aus, diese Luftwellen verbreiten sich nach allen Seiten; sie sind der äußere Ausdruck des herrlichen Tonzusammenzuhanges. Dieser Tonzusammenhang geht durch den Organismus der Schnecke ebenso wie durch den Organismus des Menschen. In den Menschen ruft er Empfindungen der höchsten Art hervor, die Schnecke bleibt davon unberührt. Sie ist in demselben Medium, in demselben schwingenden Tongewoge darin wie der Mensch, sie weiß aber nichts von dem, was um sie her vorgeht. Eine Welt ist um sie herum, und sie ist in dieser Welt, sie hat aber keine Ahnung von dieser Welt. Und dennoch, diese Welt des Tongewoges ist nicht an einem anderen Ort, an dem sich die Schnecke nicht befindet, sondern an demselben Ort, an dem auch alles dasjenige ist, was die Schnecke braucht.

Wanneer er een slak door een zaal zou kruipen waarin de 9e symfonie van Beethoven wordt gespeeld, dan zou de slak waarschijnlijk niets meekrijgen van alles wat de mensen die zich in diezelfde zaal bevinden met de fijnste gevoelens ondergaan. De klanken van de symfonie drukken zich uit in de luchtgolven in de zaal, ze gaan naar alle kanten; het is de uiterlijke uitdrukking van deze heerlijke klankharmonieën. Dat gaat ook door het organisme van de slak heen, net zo als bij de mens. In de mens roept het de meest intense gevoelens op – het raakt de slak niet. Die bevindt zich in hetzelfde medium, in dezelfde vibrerende geluidsgolven als de mens, maar de slak weet niets van wat er zich om hem heen afspeelt. Er bevindt zich een wereld om hem heen, hij is in die wereld, maar hij heeft er geen flauw vermoeden van. En ondanks dat, deze wereld van tonen bevindt zich niet op een plaats waar de slak niet is, maar op dezelfde plaats, waar zich ook alles bevindt wat de slak nodig heeft.

Der Raum, in dem die Schnecke sich befindet, ist also ausgefüllt von den Tatsachen, die die Schnecke wahrnehmen kann, er ist aber auch ausgefüllt von einer Summe von Tatsachen, die die Schnecke nicht wahrnehmen kann. Wir haben damit festgestellt, daß um ein Wesen herum Erscheinungen leben können, ohne daß das Wesen eine Ahnung davon hat, und wir können die Frage aufwerfen, ob wir Menschen nicht vielleicht auch in einer Welt leben, die angefüllt ist von Tatsachen und Erscheinungen, von denen wir zunächst nichts wahrnehmen, von solchen Tatsachen und Erscheinungen, die sich zu unserer Welt so verhalten wie das Tongewoge der Neunten Symphonie zu dem, was eine Schnecke wahrzunehmen vermag. Die Frage muß

De ruimte waarin de slak zich bevindt, is vol met dingen die de slak kan waarnemen, maar er bevindt zich ook van alles wat de slak niet kan waarnemen.
Daarmee hebben we vastgesteld dat er om een wezen verschijnselen kunnen zijn, zonder dat het wezen daar een flauw vermoeden van heeft. We kunnen nu de vraag stellen of wij mensen wellicht niet ook in een wereld leven die gevuld is met feiten en verschijnselen waarvan we ons aanvankelijk niet bewust zijn, van feiten en verschijnselen die zich op dezelfde manier tot de wereld verhouden als het geluid van de 9e symfonie tot wat een slak kan waarnemen. Het moet

Blz. 20

uns also berühren, ob dasjenige, was wir in einem Ruume, in dem wir sind, empfinden und wahrnehmen, alles ist, was in unserer Umgebung vorkommt. Es könnten ja Tatsachen in unserer Umgebung sein, die für uns einfach deshalb nicht da sind, weil wir die Organe für die Wahrnehmung dieser Tatsachen nicht ausgebildet haben. Es könnten ja Wesen in unserer Welt sich befinden oder wir Menschen selbst könnten durch Entwicklung uns zu Wesen ausbilden, die imstande sind, noch weitaus anderes wahrzunehmen als das, was in unserer Welt um uns ist. Es könnte vergleichsweise ein ähnliches Verhältnis bestehen zwischen mehr oder minder entwickelten Menschen, wie zwischen der Schnecke und den Menschen. Das ist die Frage, welche in uns Vermutung über Vermutung erwecken muß über die uns umgebenden unbekannten Welten, und das ist auch die Frage, welche durch die theosophische Bewegung beantwortet werden soll. Es ist im wesentlichen die Aufgabe der theosophischen Bewegung, uns bekanntzumachen mit Welten, die uns täglich und stündlich umgeben, mit Welten, innerhalb derer wir leben, von denen wir aber unter gewöhnlichen Verhältnissen nichts wissen.

er ons bij de vraag om gaan of dat, wat er in een ruimte waarin wij ons bevinden, ervaren en waarnemen, alles is, wat er in onze omgeving aanwezig is. Er zouden dingen in onze omgeving kunnen zijn die er voor ons simpelweg niet zijn, omdat we voor het kunnen waarnemen van deze dingen, geen organen hebben ontwikkeld. Er zouden zich in onze wereld dus wezens kunnen bevinden of wij mensen zelf zouden door ontwikkeling ons tot wezens kunnen ontwikkelen, die in staat zijn nog veel andere dingen waar te nemen dan wat er in onze wereld om ons heen is. Er zou als vergelijking net zo’n relatie kunnen bestaan tussen meer of minder ontwikkelde mensen, zoals tussen de slak en de mens.
Dat is de vraag die bij ons het ene vermoeden na het andere moet doen ontstaan over de werelden die ons omringen, maar ons onbekend zijn en dat is ook een vraag die door de antroposofische beweging beantwoord moet worden.
Steiner zegt hier theosofische, maar door zijn latere overgang naar antroposofie, heb ik hier (en elders) antroposofisch vertaald.
In wezen is het eigenlijk de opdracht van de antroposofie ons bekend te maken met werelden die ons elke dag en elk uur omringen, met werelden waarbinnen we leven, waarvan we, onder normale omstandigheden echter geen weet hebben.

Nicht mit Welten, die jenseits der unsrigen liegen, will uns die Theosophie bekanntmachen, nicht mit Welten, die an uns unzugänglichen Orten zu finden sind, sondern mit denjenigen Welten, die in unsere Welt fortwährend hereinragen, die uns immer umgeben, die uns aber unbekannt bleiben, weil unsere Organe dafür nicht aufgeschlossen sind. Zunächst können wir von diesen Welten nur sprechen. Wir können auf sie nur hindeuten und dazu auffordern, teilzunehmen an denjenigen Arbeiten, durch welche sich dem Menschen die Sinne erschließen zu diesen höheren Welten, so daß er diese höheren Welten wahrzunehmen vermag, so wie er heute nur die gewöhnliche Welt wahrzunehmen imstande ist. ( )
Sie wird sich uns zeigen als eine Welt, die nicht fern von uns ist, die überall ist, wo wir uns befinden. In dem Räume, in dem wir uns gegenwärtig befinden, ist

De antroposofie wil ons niet bekendmaken met werelden die buiten ons liggen, niet met werelden die te vinden zijn op plaatsen die voor ons ontoegankelijk zijn, maar met die werelden die zich voortdurend tot in de onze uitstrekken, die ons steeds omringen, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen er niet voor open staan. In eerste instantie kunnen we over deze werelden alleen maar spreken. We kunnen er alleen op wijzen en u uitnodigen deel te nemen aan die activiteiten waardoor de zintuigen voor die hogere werelden zich voor de mens openen, zodat hij deze hogere werelden kan gaan waarnemen, net zoals hij nu de gewone wereld kan waarnemen. De astrale wereld zal zich aan ons voordoen als een wereld die niet ver van ons vandaan is, die overal is, waar wij zijn.
In de ruimte waarin we ons in deze tijd bevinden, is ze

Blz. 21

sie geradeso wirklich wie die Welt, die Sie sehen. Die astrale Welt ist eine höhere Welt, welche mit ihren Erscheinungen die Welt, in der Sie sich befinden, genauso durchwogt und durchwellt, wie das Symphonie-Tongewoge die Welt der Schnecke durchwogt, von ihr aber nicht wahrgenommen wird. Also wir sprechen nicht von etwas, was außerhalb unserer Welt zu finden ist, sondern wir sprechen von etwas, was unsere Welt in jedem Punkte ihres Daseins durchsetzt. Die theosophische Anschauung lehrt uns verschiedene solcher Welten erkennen; sie lehrt uns zunächst diejenige Welt erkennen, welche uns aus dem alltäglichen Leben bekannt ist: die physische Welt – diejenige Welt also, welche jeder Mensch mit seinen Sinnesorganen zu empfinden imstande ist, die Welt, die wir sehen, hören, riechen, schmecken, greifen, die Welt, in der wir die Naturgegenstände, die Mineralien, die Pflanzen und die Tiere finden. Diese Welt wird durchsetzt, durchgeistigt, wenn ich mich so ausdrücken darf, von einer höheren Welt, von der sogenannten Astralwelt, die wir nun kennenlernen wollen.

net zo werkelijk als de wereld die wij zien. De astrale wereld is een hogere wereld die met zijn verschijningsvormen de wereld waarin we ons bevinden net zo vervult en doorstroomt als de golf van symfonische tonen die door de wereld van de slak heengaat, maar door deze niet wordt waargenomen. We hebben het dus niet over iets wat buiten onze wereld te vinden is, maar over iets dat onze wereld op elk punt van haar bestaan doordringt. De antroposofische opvatting leert ons verschillende van die werelden kennen; allereerst die wereld die we uit het dagelijkse leven kennen: de fysieke wereld – dus die wereld die ieder mens met zijn zintuigorganen kan ervaren, de wereld die wij zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, de wereld waarin we de natuurlijke voorwerpen, de mineralen, de planten en de dieren vinden. Deze wereld wordt doortrokken, met geest doortrokken als ik me zo mag uitdrukken, door een hogere wereld, door de zogenaamde astrale wereld die we nu willen leren kennen.

Genauso, wie sich eine Flüssigkeit mit einer anderen, feineren Flüssigkeit mischt, so daß die eine Flüssigkeit die andere in allen Teilen durchsetzt, so durchsetzt die astrale Welt unsere Welt des Physischen; und diese astrale Welt ist wiederum durchsetzt von einer noch höheren Welt, welche wir die mentale Welt nennen, das ist die eigentliche geistige Welt. So sind drei Welten ineinandergefügt, die eine immer die andere durchsetzend, von denen der Mensch mit seinen gegenwärtigen Organen aber nur die physische Welt wahrnimmt. Allmählich den Sinn aufzuschließen für die unsichtbaren und unter gewöhnlichen Umständen unhörbaren Welten, das ist die Aufgabe der Theosophie. Was ist die astrale Welt? Wenn wir von der astralen Welt sprechen, so kommen wir am schnellsten dadurch zum Verständnis, wenn wir innerhalb all der Weltanschauungen, die außer dem Physischen noch ein Geistiges erkannt haben, diejenigen aufsuchen, in welchen von der Astralwelt und ihrer Beziehung zum Menschen gesprochen wurde. Auch die christliche Weltanschauung kennt diese Astralwelt. In den ersten Jahrhunderten des Christentums hat man

Net zoals een vloeistof zich vermengt met een andere fijnere vloeistof, zodat de ene vloeistof de andere in al zijn delen doordringt, zo doordringt de astrale wereld onze fysieke wereld; en deze astrale wereld is op zijn beurt weer doortrokken door een nog hogere wereld die wij de mentale wereld noemen, dat is de eigenlijke geestelijke wereld.
Zo zijn drie werelden met elkaar verbonden, waarbij de een de ander steeds versterkt, waarvan de mens met zijn huidige organen alleen de fysieke wereld waarneemt.
De taak van de antroposofie is om geleidelijk het gevoel van de onzichtbare en onder normale omstandigheden ook onhoorbare werelden te ontsluiten.
Wat is de astrale wereld?
Wanneer we over de astrale wereld spreken, komen we het snelst tot begrip wanneer we binnen alle wereldbeschouwingen die behalve het fysieke ook het geestelijke kennen, op te zoeken bij welke over de astrale wereld en de relatie met de mens wordt gesproken.
Ook de christelijke wereldbeschouwing kent de astrale wereld. In de eerste eeuwen van het christendom heeft men

Blz. 22

bei dem Menschen nicht bloß zwei Naturen unterschieden, wie später und oberflächerlicher: Körper und Seele, sondern man unterschied drei: Körper, Seele und Geist. Seele und Geist hat man in allen tieferen Weltanschauungen seit Urzeiten immer als die Bestandteile des Menschen angesehen. ( )
Die körperliche Natur ist bekannt. Unter der seelischen Natur verstand man in allen tieferen Religionen und Weltanschauungen das, was wir in der theosophischen Weltanschauung das Astrale nennen. Unter dem Ausdruck «Geist» verstand man das eigentlich Ewige der Natur des Menschen. Körper, Seele und Geist machen die dreifache Natur des Menschen aus.

bij de mens niet alleen maar twee naturen onderscheiden, zoals later en oppervlakkiger: lichaam en ziel, maar men onderscheidde er drie: lichaam, ziel en geest. Sinds de oudheid zijn ziel en geest in alle diepere wereldbeschouwingen altijd gezien als wezensdelen van de mens. ( )
De lichamelijke natuur is bekend. Onder de zielennatuur verstond men in alle diepere religies en wereldbeschouwingen dat wat wij in de antroposofische wereldbeschouwing het astrale noemen. Onder de uitdrukking ‘geest’ verstond men het eigenlijk eeuwige van de mensennatuur. :Lichaam, ziel en geest vormen de drievoudige natuur van de mens.

Steiner heeft vaak het Concilie van Constantinopel genoemd waarop in 869 de geest werd afgeschaft, o.a. in GA 293: voordracht 3, op deze blog gesproken.

Nadat Steiner uitvoerig over het fysieke lichaam heeft gesproken,. vervolgt hij over de astrale wereld:

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dit brengt ons ertoe te zien dat dit fysiek en chemisch geconstrueerde lichaam, omdat het alleen in fysieke en chemische termen een onmogelijkheid is, [zonder leven is het nl. een lijk!] doorleefd en doorstroomd moet worden door een hoger principe dat het lagere grondig organiseert, bezielt en doet leven. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd.
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

 Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘lust en onlust’: zie1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt.

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.

Blz. 25

Im Raume ist nicht nur Luft, die das körperliche physische Leben unterhält, sondern der Raum ist auch durchsetzt von einer astralen Welt, an der wir Menschen ebenso teilnehmen, wie wir an der äußeren physischen Welt teilnehmen. Und so, wie wir nicht leben könnten als physische Wesen, ohne daß wir die physische Kraft durch unseren Organismus fließen lassen, ebensowenig könnten wir als Lust- und Unlustwesen, als astrale Wesen leben, ohne daß wir an dem teilnehmen, was in der astralen Welt vorgeht, was in ihr lebt und webt und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt. So, wie wir in der physischen Welt durch unsere Haut abgegrenzt und dadurch individualisiert sind, so sind wir auch in der allgemeinen astralen Welt abgeschlossen. Wir sind innerhalb derselben als einzelne astrale Wesenheiten individualisiert und nehmen teil an dieser astralen Welt um uns herum. Wir haben nun auf eine Welt hingedeutet, welche unsere physische Welt durchsetzt und durchzieht und durchwogt, wie die Tonwelt der Neunten Symphonie die Welt durchwogt, in welcher auch die Schnecke lebt.

In de kamer is er niet alleen lucht die het fysieke leven in stand houdt, maar de kamer is ook doordrongen van een astrale wereld waaraan wij mensen deelnemen, net zoals we deelnemen aan de fysieke buitenwereld. En net zoals we niet als fysieke wezens zouden kunnen leven zonder fysieke kracht door ons organisme te laten stromen, net zo min zouden we kunnen leven als wezens met lust en onlust, als astrale wezens, zonder deel te nemen aan wat er in de astrale wereld gebeurt, wat erin leeft en weeft en wat ons voortdurend doordringt en vergeestelijkt. Net zoals we in de fysieke wereld door onze huid worden begrensd en daardoor geïndividualiseerd, zijn we ook in de algemene astrale wereld afgesloten. Wij zijn daarin geïndividualiseerd als individuele astrale entiteiten en nemen deel aan de astrale wereld om ons heen. We hebben nu gewezen op een wereld die onze fysieke wereld doordringt en doorgolft, net zoals de tonale wereld van de Negende Symfonie de wereld doordringt waarin ook de slak leeft.

Im gewöhnlichen Leben nimmt der Mensch die Welt durch seine Sinne wahr, aber er ist nicht imstande, jene Welt wahrzunehmen, die ihn selbst durchgeistigt und durchwebt und seinen eigenen Astralorganismus ausmacht. Der Umstand, daß wir eine Welt nicht wahrnehmen, ist nun aber kein Grund zu sagen, daß diese Welt nicht da ist. Warum nehmen Sie jeden anderen hier sitzenden Menschen als physisches Wesen wahr? Weil Ihre Augen darauf eingerichtet sind, die physischen Lichtstrahlen durch Ihre Augen wahrzunehmen. Ihre Augen können die physischen Körper der anderen Menschen um Sie herum wahrnehmen. Diese physischen Körper sind für Sie wirklich. Sie wären für Sie nicht da, wenn Ihre Augen nicht da wären, sie zu sehen. Ebenso ist in jedem dieser anderen Menschen Lust und Unlust in unzähligen Nuancen vorhanden. Eine ebenso reiche Welt wie die, welche Sie mit Augen sehen, ist in jedem von Ihnen; es ist eine reiche Welt von Lust und Unlust. Und ebenso wirklich wie Ihr physischer Körper, ist ein zweiter Körper, der den physischen Körper durchsetzt, von dem dieser physische Körper ganz durchdrungen ist. Sie dürfen nicht

In het gewone leven neemt de mens de wereld waar via zijn zintuigen, maar hij is niet in staat die wereld waar te nemen die door hem heen vergeestelijkt en weeft en zijn eigen astrale organisme vormt. Het feit dat wij een wereld niet waarnemen is geen reden om te zeggen dat deze wereld er niet is. Waarom zie je iedere andere persoon die hier zit als een fysiek wezen? Omdat je ogen zijn ontworpen om de fysieke lichtstralen door je ogen waar te nemen. Je ogen kunnen de fysieke lichamen van andere mensen om je heen waarnemen. Deze fysieke lichamen zijn reëel voor je. Ze zouden er niet voor je zijn als je ogen er niet waren om ze te zien. Op dezelfde manier zijn plezier en ongenoegen in talloze nuances aanwezig bij elk van deze andere mensen. Een wereld zo rijk als wat je met je ogen ziet, zit in ieder van ons; het is een rijke wereld van plezier en pijn. En net zo werkelijk als je fysieke lichaam is een tweede lichaam dat het fysieke lichaam doordringt, waarmee dit fysieke lichaam volledig doordrongen is. Je mag niet

Blz. 26

sagen, daß nur das wirklich ist, was Sie sehen, was Sie physisch wahrnehmen können, denn jeder von Ihnen weiß, daß eine Welt von Lust und Unlust in ihm ebenso wirklich lebt, wie Muskelfleisch und Nervenfasern in ihm leben. Nur weil die geistigen Augen nicht aufgeschlossen sind, deshalb sehen Sie diese Wirklichkeiten nicht. Wären Ihre Augen dafür aufgeschlossen, dann würden Sie bei jedem anderen Menschen, ebenso wie Sie seine Hautfarbe und seine Kleider wahrnehmen, ihn auch wahrnehmen können durchströmt von Kräften und Substantialitäten, von Wesenheiten, die wirklich sind, die wir als Lust- und Unlustwesen bezeichnen können. Für denjenigen, dessen Sinn aufgeschlossen ist für diese Wirklichkeiten, ist diese Welt ebenso wirklich wie die körperliche Welt. In jedem Menschen ist so außer dem physischen Körper noch der astrale Körper, der so genannt wird, weil er für den Seher in einem hellen Lichte erglänzt, das ein Ausdruck ist für sein ganzes Lust- und Unlustleben, für alles, was als Gefühl in ihm lebt.

zeggen dat alleen wat je ziet, wat je fysiek kunt waarnemen reëel is, omdat jullie allemaal weten dat er een wereld van lust en onlust in je leeft, net zo reëel als spiervlees en zenuwvezels. Alleen omdat de spirituele ogen niet open zijn, zie je deze realiteiten niet. Als je ogen hiervoor open zouden zijn, zou je iedere andere persoon kunnen waarnemen, net zoals je hun huidskleur en hun kleding waarneemt, doorstroomd door krachten en substanties, van wezens die echt zijn, die we kunnen omschrijven als wezens van plezier en pijn . Voor degene wiens geest openstaat voor deze realiteiten, is deze wereld net zo reëel als de fysieke wereld. In ieder mens bevindt zich naast het fysieke lichaam ook het astrale lichaam, dat zo wordt genoemd omdat het voor de ziener straalt met een helder licht, dat een uitdrukking is van al zijn lust en onlustgevoelens, van alles wat als gevoel in hem leeft. 

Hier geeft Steiner een nieuwe karakteristiek over het woord ‘astraal’. (Zie hierboven in cursief)

Nu volgt er een passage waarin Steiner over zijn eigen helderziende waarnemingen vertelt. Ik heb die niet, dus enerzijds klinkt dit voor mij heel apart, anderzijds vind ik het daardoor niet meteen ‘onzin’.

So wie nicht nur Sie selbst wissen, daß Sie aus Fleisch und Blut bestehen, sondern die anderen Menschen dies auch wahrnehmen können, so sind die Lust- und Unlustgefühle nur solange für Sie allein da, als nicht ein anderer sie wahrnimmt. Etwas größer als Ihr physischer Körper ist Ihr astraler Organismus, etwas herausragend über denselben. Denken Sie sich einen Saal, in dem eine Versammlung abgehalten wird und in dem die verschiedenen Redner sprechen. Wenn ein Hellseher mit seinen Seheraugen den Saal durchschaut, nimmt er nicht nur die Worte wahr, die gesprochen werden, nicht nur die funkelnden Augen und die sprechenden Physiognomien, er sieht noch etwas anderes: er sieht, wie von dem Redner zu den anderen Menschen die Leidenschaften herüberspielen, er sieht, wie die Empfindungen und Gefühle in dem Redner aufleuchten, er sieht, ob ein Redner zum Beispiel aus Rache oder aus Enthusiasmus spricht. Bei dem Enthusiasten sieht er das Feuer des Astralkörpers ausströmen, und bei der großen Menge der Menschen sieht er eine Fülle von Strahlen; diese rufen wiederum in dem Redner Lust oder Unlust hervor. Da ist eine Wechselwirkung der

Net zoals jij niet alleen weet dat je van vlees en bloed bent, maar andere mensen dit ook kunnen waarnemen, zo zijn de gevoelens van lust en onlust er alleen voor jou zolang als niemand anders ze waarneemt. Iets groter dan je fysieke lichaam is je astrale organisme, iets daarbuiten uitstekend. Stel je een zaal voor waarin vergaderd wordt en waarin de verschillende sprekers aan het woord komen. Wanneer een helderziende met zijn zienerogen door de zaal kijkt, neemt hij niet alleen de woorden waar die worden gesproken, niet alleen de sprankelende ogen en de sprekende gezichtsuitdrukkingen, hij ziet nog iets anders: hij ziet hoe van de spreker naar de andere mensen diens gevoelens overgaan, hij ziet hoe de sensaties en gevoelens in de spreker oplichten, hij ziet of een spreker bijvoorbeeld uit wraak of enthousiasme spreekt. Bij wie enthousiast is, ziet hij het vuur van het astrale lichaam uitstromen, en in de grote menigte mensen ziet hij een overvloed aan stralen; deze roepen op hun beurt weer plezier of ongenoegen op in de spreker. Er is een wisselwerking van de 

Blz. 27

Temperamente, die offen und klar vor dem Seher sich abspielt. Das ist eine ebenso wirkliche Welt, von der wir ein Teil sind, wie die äußere Welt, in der wir leben. Nicht umsonst, nicht zwecklos hat die theosophische Bewegung den Menschen hingewiesen auf diese unsichtbaren Welten, von denen die Menschen ein Teil sind, in die wir fortwährend unsere Wirkungen hineinsenden. Sie können kein Wort sprechen, keinen Gedanken fassen, ohne daß Gefühle in den Raum hinauswirken. Wie unsere Handlungen in den Raum hinauswirken, so wirken auch die Gefühle; sie durchsetzen den Raum und beeinflussen die Menschen und die ganze astrale Welt. Der Mensch ist unter gewöhnlichen Verhältnissen sich nicht bewußt, daß ein Strom von Wirkungen von ihm ausgeht, daß er eine Ursache ist, deren Wirkungen überall in der Welt wahrzunehmen sind. Er ist sich nicht bewußt, daß er dadurch auch Unheil anrichten kann, daß er Ströme von Lust und Unlust, von Leidenschaften und Trieben in die Welt hinaussendet, die auf andere Menschen auf die schädlichste Weise wirken können.

temperamenten dat zich helder en open afspeelt voor de ziener. Dit is net zo’n reële wereld waarvan wij deel uitmaken als de buitenwereld waarin wij leven. Het is niet voor niets en niet zonder doel dat de antroposofische beweging de aandacht van mensen heeft gevestigd op deze onzichtbare werelden, waar mensen deel van uitmaken, waar wij voortdurend naartoe sturen wat ervan ons uitgaat. Je kunt geen woord spreken of een gedachte vormen zonder dat er gevoelens de kamer in stromen. Net zoals onze acties de ruimte beïnvloeden, geldt dat ook voor onze gevoelens; ze doordringen de ruimte en beïnvloeden mensen en de hele astrale wereld. Onder normale omstandigheden is de mens zich er niet van bewust dat er een stroom van invloeden van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de gevolgen overal ter wereld waarneembaar zijn. Hij is zich er niet van bewust dat hij ook schade kan aanrichten door stromen van plezier en pijn, van hartstochten en driften de wereld in te sturen, wat de meest schadelijke gevolgen voor andere mensen kan hebben.

Er ist sich nicht bewußt, was er mit seinem Gefühlsleben bewirkt. Unser Wissen ist nicht zu einem zwecklosen Dasein bestimmt; es ist nicht dazu da, um bloß zu erkennen, nicht um seiner selbst willen ist es da. Es ist eine schöne Phrase der abendländischen Gelehrsamkeit geworden, das Wissen sei um seiner selbst willen da. Wer sich in die morgenländische Weisheit vertieft, der findet noch etwas anderes als das Wissen um seiner selbst willen. Er weiß, daß es sich beim Wissen darum handelt, sich im Sinne dieses Wissens in der Welt zu betätigen. Wir lernen die physische Welt kennen, um in der physischen Natur nicht wie in einem Chaos zu wirtschaften. Und wir lernen die höhere Natur kennen, um in dieser höheren Natur in bewußter Weise zu wirken. Wer diese höhere Natur erkennt und beherrscht, lernt, in ihr bewußt zu wirken; er lernt, seine Gedanken zu beherrschen und sie nicht zufällig wirken zu lassen, sie auch nicht zufällig loszulassen, sondern sie im Zaume zu halten; er lernt, sein Innenleben zu beherrschen, sein Innenleben zu regeln, so daß es im idealsten Sinne auf die Umwelt veredelnd wirkt. 

Hij is zich niet bewust van wat hij met zijn emotionele leven teweeg brengt. Onze kennis is niet bestemd voor een doelloos bestaan; het is er niet alleen maar om te weten, het is er niet omwille van zichzelf. In de westerse wetenschap is het een mooie frase geworden dat kennis bestaat omwille van zichzelf. Iedereen die zich verdiept in de oosterse wijsheid zal iets anders vinden dan kennis omwille van de kennis. Hij weet dat kennis gaat over actief zijn in de wereld in de geest van deze kennis. We leren de fysieke wereld kennen, om niet in de fysieke natuur als in een chaos te handelen.  En we leren de hogere natuur kennen om bewust in deze hogere natuur te kunnen werken. Iedereen die deze hogere natuur kent en beheerst, leert er bewust in te werken; hij leert zijn gedachten te beheersen en ze niet willekeurig te laten werken, noch die zomaar te laten gaan, maar ze onder controle te houden; hij leert zijn gevoelsleven te beheersen, zijn gevoelsleven zo te reguleren dat het in de meest ideale zin een veredelende werking heeft op de omgeving.

Blz. 28

Dadurch erlangen die höheren Welten, die – lassen Sie mich das betonen – ebenso wirklich sind wie unsere physische Welt, ja noch wirklicher, eine immense Bedeutung für die physische Welt. Wer weiß, daß das, was in der astralen Welt vorgeht, viel wichtiger ist für den Weltprozeß als das, was Sie in der physischen Welt zu sehen und zu tun vermögen, der wird diese Welt auch richtig in ihrer Bedeutung einschätzen. Wenn Sie noch weiter hinaufsteigen, würden Sie Welten finden, die noch wichtiger sind als die astrale Welt. Davon spricht auch die christliche Religion. Was diese als «Seele» bezeichnet, ist die astrale Welt, was sie als «Geist» bezeichnet, ist das, was Sie in der Theosophie als «Mentalebene» kennen. Warum ist die höhere, die astrale Welt so unendlich viel wichtiger als die physische Welt? Weil die physische Welt nichts anderes ist als der Ausdruck dieser astralen Welt, als die Wirkung der astralen Welt. Ich möchte Ihnen als Erläuterung eine Erscheinung anführen, die Ihnen zeigen wird, wie unendlich viel bedeutsamer das ist, was in der astralen Welt vorgeht, als das, was in der physischen Welt sich abspielt.

Als gevolg hiervan krijgen de hogere werelden, die – laat ik dit benadrukken – net zo reëel als onze fysieke wereld, zelfs nog reëler, een enorme betekenis voor de fysieke wereld. Iedereen die weet dat wat er in de astrale wereld gebeurt veel belangrijker is voor het wereldproces dan wat je in de fysieke wereld kunt zien en doen, zal ook het belang van deze wereld correct inschatten. Als je nog hoger komt, zul je werelden vinden die nog belangrijker zijn dan de astrale wereld. Ook de christelijke religie spreekt hierover. Wat zij de ‘ziel’ noemt, is de astrale wereld; wat zij de ‘geest’ noemt, is wat u in de antroposofie kent als het ‘mentale gebied’. Waarom is de hogere, de astrale wereld zo oneindig veel belangrijker dan de fysieke wereld? Omdat de fysieke wereld niets anders is dan de uitdrukking van deze astrale wereld, als de uitwerking van de astrale wereld.

( )
Antroposofie en wetenschap

Nu houdt Steiner de (materialistische) wetenschapper nog een soort spiegel voor:

Ja, unbescheiden sind heute die Menschen in Bezug auf die Erkenntnis, unbescheiden deshalb, weil sie ablehnend sind gegenüber allem, was ihre Sinne und ihr Verstand nicht begreifen. Denken Sie sich, wenn die Schnecke sich

Ja, de mensen zijn vandaag de dag, als het om kennis gaat, onbescheiden omdat ze alles afwijzen wat hun zintuigen en hun verstand niet begrijpen. Denk je eens in dat de slak

Blz. 29

unterfinge zu sagen, hier im Saal sei nichts anderes als das, was sie wahrnehme -, müßten wir nicht von dieser Schnecke sagen, sie habe in Bezug auf die Erkenntnis eine große Unbescheidenheit? Täuschen Sie sich nicht. Im schlimmsten Sinne des Wortes ist es ebenso mit dem Menschen, wenn er sagt: Was mein Verstand nicht wahrnehmen und nicht begreifen kann, das gibt es nicht in dieser Welt.

durfde te zeggen dat er niets anders in de kamer is dan wat hij waarneemt – zouden we dan niet van deze slak moeten zeggen dat hij een grote onbescheidenheid aan de dag legt, als het om kennis gaat? Vergis je niet. In de slechtste zin van het woord is het hetzelfde met de mens als hij zegt: wat mijn verstand niet kan waarnemen en begrijpen, bestaat niet in deze wereld.

Was will der gewöhnliche Wissenschaftler, der stolz ist auf seine Kultur und unbescheiden ist in Bezug auf sein gewöhnliches Erkennen? Er will alles das, was er wahrnehmen und erkennen kann, weiter verfolgen, und er will seine Erkenntnisse auf unzählige Sachen verbreiten. Das ist so, wie wenn die Schnecke nach allen Seiten herumkriecht und wahrnimmt, was sie wahrnehmen kann – sie würde nichts wahrnehmen als das, was ihre Schneckenorgane wahrnehmen können. So ist es auch bei den Menschen.

Wat wil de gewone wetenschapper die trots is op zijn cultuur en onbescheiden is over zijn gewone kennis? Hij wil alles wat hij kan waarnemen en herkennen verder volgen, en hij wil zijn bevindingen over talloze onderwerpen uitbreiden. Het is alsof de slak in alle richtingen rondkruipt en waarneemt wat hij kan waarnemen; hij zou niets anders waarnemen dan wat zijn slakkenorganen kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor mensen.

( )

So unterscheidet sich die Gesinnung des Theosophen von der des gewöhnlichen Wissenschaftlers dadurch, daß er sich entwickeln will, daß er ehrlich und rechtschaffen an die Entwicklung seiner Fähigkeiten glaubt und sich bemüht, an
sich selbst zu arbeiten. Das, verehrte Anwesende, ist theosophische Gesinnung: an sich zu arbeiten, damit uns höhere Organe aufgehen, damit wir in die Lage kommen, in dem, was uns umgibt, Bedeutungsvolles, Wichtiges wahrzunehmen. Das muß immer mehr und mehr abendländische Gesinnung werden, wenn die
abendländische Menschheit nicht ganz in der materialistischen

De houding van de antroposofen is t.o.v. de gewone wetenschapper in die zin verschillend dat de eerste zich verder wil ontwikkelen, dat hij eerlijk en oprecht in die ontwikkeling van zijn vermogens gelooft en er moeite voor doet om aan zichzelf te werken. Dat nu, geachte aanwezigen, is de antroposofische houding: werken aan jezelf, zodat je hogere organen ontsluit, zodat we in wat er om ons heen is, waar gaan nemen wat daarvan belangrijk ius, betekenis heeft. Dat zal steeds meer de houding moeten worden van het Avondland, als de westerse mensheid tenminste niet helemaal in de materialistische

Blz. 30

Strömung aufgehen will. Wenn diese theosophische Gesinnung sich immer mehr und mehr verbreitet, dann wird man einsehen, daß alles dasjenige, was äußere physische Tatsachen und Erscheinungen sind, die Folgen, die Wirkungen tieferliegender Ursachen sind, die in der astralen Welt oder in noch höheren Welten liegen.
Gewöhnlich ist die abendländische Wissenschaft damit zufrieden, den Körper in allen seinen Bestandteilen zu erforschen. Aber die theosophische Gesinnung fragt: Hat dieser Körper sich selbst zusammengefügt? Wo könnte der Grund dafür sein? Können wir glauben, daß die Kräfte draußen in der Natur das Bedürfnis fühlen, sich zum Menschen zusammenzufügen? Nein. Wer in der höheren Welt zu sehen vermag, der weiß, daß der Mensch, bevor er im physischen Organismus lebt, vor seiner Geburt in einem astralen Dasein lebte. So wahr wir vor unserem physischen Dasein, vor der Geburt, ein astrales Dasein hatten, so wahr haben wir ein astrales Dasein auch nach unserer Geburt, und dieses reicht weiter als unser physischer Körper. Alles das ist eingeschlossen in dem, was wir das Mysterium von Geburt und Tod nennen.

stroom wil opgaan. Als deze antroposofische houding zich steeds verder uitbreidt, zal ingezien worden dat alles wat uiterlijke fysieke feiten en verschijnselen zijn, de gevolgen zijn, de uitwerkingen van dieper liggende oorzaken die in de astrale wereld of in zelfs hogere werelden liggen. De westerse wetenschap is er doorgaans tevreden mee om het lichaam in al zijn componenten te onderzoeken. Maar de antroposofische manier van denken vraagt: heeft dit lichaam zichzelf samengesteld? Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn? Kunnen we geloven dat de krachten buiten in de natuur de behoefte voelen een mens samen te stellen? Nee. Wie in staat is om in de hogere wereld waar te nemen, weet dat de mens vóór die in een fysiek organisme leeft, voor zijn geboorte in een astraal bestaan leefde. Zo waar het is dat we vóór onze geboorte een astraal bestaan hadden, zo waar is het ook dat we na onze geboorte een astraal bestaan hebben en dit strekt zich verder uit dan ons fysieke lichaam. Dat zit allemaal besloten in wat we het mysterie van geboorte en dood noemen.
GA 88/22-30
Niet vertaald

Voordracht 2, Berlijn 4 november 1903

Die höheren Welten und der Anteil des Menschen an ihnen
De hogere werelden en het aandeel van de mens daarin

 Blz. 35

Wir Menschen gehören der astralen Welt ebenso an, wie wir der physischen Welt angehören. Wir gehören auch noch anderen Welten an, aber das Dasein dieser Welten verstehen wir erst, wenn wir sehen, was für Kräfte aus dem höheren Dasein hereinspielen. Demjenigen, dessen Augen für die astrale Welt geöffnet werden, geht ein neues Dasein auf: die Welt, in der wir alle Triebe und Instinkte, alle Leidenschaften und Temperamente so vor uns sehen, wie wir die Dinge um uns herum in der physischen Welt sehen. Diese 88/36 astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.

Wij mensen behoren tot de astrale wereld, net zoals we tot de fysieke wereld behoren. Wij behoren ook tot andere werelden, maar we begrijpen het bestaan ​​van deze werelden pas als we zien welke krachten vanuit het hogere bestaan ​​een rol spelen. Voor degenen wier ogen zijn geopend voor de astrale wereld, gaat er een nieuw bestaan ​​open: de wereld waarin we alle driften en instincten, alle hartstochten en temperamenten voor ons zien, net zoals we de dingen om ons heen zien in de fysieke wereld. Maar deze

Blz. 36

astrale Welt ist aber nicht die höchste. Sie ist diejenige, welche um eine Stufe höher liegt als unsere physische Welt, sie ist eine feinere Welt, die unsere ganze Welt durchdringt. Dann ist unsere Welt auch durchdrungen von einer noch höheren Welt, der eigentlichen geistigen Welt, die wir in der Theosophie die devachanische oder die mentale Welt nennen und die, wenn wir den Blick dafür geöffnet haben, es uns möglich macht, die Gedanken, welche nicht von Gefühlen und Wünschen durchzogen sind, die also reine Gedanken sind, wie Dinge zu sehen.
Das sind die drei Welten, welchen der Mensch angehört, das sind die drei Welten, welche er durchläuft in seinen Leben von Verkörperung zu Verkörperung. Also nicht die höchste Welt ist es, mit der wir es bei der Astralwelt zu tun haben.

astrale wereld is niet de hoogste. Het is de wereld die één niveau hoger staat dan onze fysieke wereld, het is een subtielere wereld die onze hele wereld doordringt. Dan wordt onze wereld ook doordrongen van een nog hogere wereld, de werkelijke geestelijke wereld, die we in de antroposofie de devachanische of mentale wereld noemen en die, wanneer we onze ogen ervoor hebben geopend, het voor ons mogelijk maakt de gedachten die  niet zijn doordrongen van gevoelens en verlangens, die pure gedachten zijn, als dingen te zien.
Dat zijn de drie werelden waartoe de mens behoort, dat zijn de drie werelden waar hij in zijn leven van incarnatie naar incarnatie doorheen gaat. Bij de astraalwereld hebben we dus niet mede hoogste wereld te maken. 

Wir betrachten nun also diese Zwischenwelt, die aber, weil sie unserer physischen Welt zunächstliegt, für uns von ganz besonderer Wichtigkeit ist. Demjenigen, dessen Auge geöffnet ist für diese Sphäre, sprechen wir ein sogenanntes psychisches Sehen zu. Es erscheinen ihm nicht nur physische Dinge, sondern es erscheint ihm auch alles, was in den Menschen als Triebe, Wünsche und Leidenschaften lebt, als Dinge. Diese astrale Welt ist abgestuft. Sie ist so großartig, daß sich unsere physische Welt nicht damit vergleichen läßt. Nur eine skizzenhafte Schilderung kann ich davon geben. Wer das Auge dafür geöffnet hat, der sieht Dinge, die der gewöhnliche Mensch zwar wahrnimmt, die er aber sich noch nicht enträtseln kann. Das ist psychisches Sehen.

We beschouwen deze tussenwereld die echter, omdat deze het dichtst bij onze fysieke wereld staat, dus als een wereld die voor ons van groot belang is. Van degene die in deze wereld kan schouwen, zeggen we dat deze een zogeheten psychisch zien heeft. Er verschijnen aan hem niet alleen maar fysieke dingen, maar ook alles wat in de mens als drift, wens en hartstocht leeft, verschijnt aan hem als dingen. Deze astrale wereld verschijnt in niveaus. Deze is zo groots, dat je die niet kan vergelijken met de fysieke wereld. Ik kan er alleen maar een schets van geven. Wie er een open oog voor heeft, ziet dingen die de gewone mens weliswaar waarneemt, maar die hij nog niet ontraadselen kan. Dat is psychisch zien.
GA 88/35-36
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3125-2938

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (40)

.

Op deze blog vind je onder ‘Jaarfeesten – Kerstmis’ ook artikelen over de historie van dit feest. In wezen resultaten van onderzoek. De uitkomsten verschillen soms. 

In ‘Van Sinterklaas tot Sint-Maarten geeft  de schrijfster* ook een soort samenvatting:

Kerstfeest, vroeger en nu
.

Het kerstfeest werd het eerst gevierd in de Oosterse (Griekse) kerken, zonder dat er een vaste datum voor gold. In de tijd van keizer Julius de Eerste liet de bisschop van Jeruzalem een onderzoek instellen naar de juiste geboortedatum. Oosterse en Westerse theologen gingen aan het werk en de uitslag luidde: 25 december. Van toen af aan hield men het op die datum en het feest duurde vier dagen. Later vierde men het alleen op de 25ste en werd de 26ste gewijd aan St.- Stefanus, de eerste christelijke martelaar. Zo werd in de Westerse kerken vanaf de vierde eeuw het kerstfeest op de 25ste december gevierd, de dag waarop ook het heidense Julfeest begon. Het Julfeest is een oud Germaans feest. ‘Jul’ betekent ‘wiel’ en daarmee wordt de zon bedoeld, als een vurig rad. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten. Geen spinnewiel mocht snorren, geen wapen worden opgeheven, het vee was veilig in de stal en de wintervoorraad geborgen. Het Jul-offer werd geslacht en het Jul-vuur ontstoken.

De kerstboom

Maarten Luther schijnt een der eersten geweest te zijn, die voor zijn kinderen een kerstboom plantte. Men vertelt: hij wandelde eens door een uitgestrekt, eenzaam woud, op de avond vóór Kerstmis. Aan de hemel twinkelden ontelbare sterren. Peinzend keek hij om zich heen en raakte diep onder de indruk van de statige dennen en sparren, wier kruinen, zo het leek, reikten tot in de hemel. Een hemel vol licht van de glanzende sterren. Hij kon de verleiding niet weerstaan iets mee te nemen naar huis. Een klein dennetje hakte hij om en, thuisgekomen, versierde hij het voor zijn kinderen en legde er kleine geschenken onder. En hij vertelde hun een prachtig verhaal over ‘het licht der wereld’ . . .

Omstreeks het jaar 1850 verscheen de kerstboom in Nederland. Eerst in de kerken en zondagsscholen, later ook in het gezin. De dichter Goethe kende hem al eerder. In een levensbeschrijving vinden we dat hij ‘op Kerstmis 1765 blij verrast zijn eerste kerstboom zag binnendragen’.

In een oude legende

wordt verteld hoe de Germaan Winfried, een der eerste predikers van het evangelie, in het jaar 725 onder de Saksers zijn werk deed. Maar het had niet veel zin. Men blééf geloven in de Dondergod. En trouw hield men de bijeenkomsten onder de ‘heilige eik’ die aan Donar gewijd was.
Winfried gaf het echter niet op. Dagelijks bad hij tot God of deze zijn werk wilde zegenen.
In een koude winternacht dwaalde hij door het woud en onverwacht stond hij voor de heilige, grote eik! Vlakbij hoorde hij een hevig tumult en hij zag hoe een aantal woestuitziende mannen bezig waren met iets op de grond . . . Zijn aandacht werd getrokken door een klein kind, dat, zo begreep hij, geofferd zou worden aan God Donar! In eerlijke verontwaardiging sprong hij naar voren, nam het kind in zijn armen en bracht het in veiligheid. Toen greep hij een bijl. Ontzet weken de mannen achteruit. Als deze brutale priester waarachtig hun heilige eik wilde vellen, zou Donar zijn boom wel onmiddellijk door de bliksem laten treffen. Maar vreemd – er gebeurde niets. Urenlang keken de mannen bevreesd toe. Eindelijk, eindelijk stortte de enorme boom ter aarde. En toen begrepen de mannen dat daar een mens stond die geen angst voelde voor hun oppergod en die niét gestraft werd daarvoor. En zij hadden plotseling eerbied voor de eenzame prediker.

Nu stond er vlak achter de gevelde boom een kleine, jonge spar. En onverwachts bereikte een manestraal het boompje en zette alle fijne naalden in een geheimzinnige zilverwitte glans!

De mannen zagen het en deinsden onwillekeurig terug. Dit was een wonder, een vreemd teken, dachten zij. Maar Winfried liep erheen en, naast het sparretje staande, zei hij: ‘Van nu af aan zal de spar Uw heilige boom zijn. Hij is de boom van de vrede, want van zijn hout worden Uw woningen gemaakt. En hij is het teken van de onsterfelijkheid, want hij blijft altijd groen. En hij is de boom van het Christuskind, want zijn takken wijzen naar de hemel!

Mistletoe

Vogellijm of maretak is de Nederlandse naam. Een woekerplant die niet op de grond groeit, maar met zijn wortels diep in de schors van een boom dringt. En zich dus voedt met de sappen van die boom.

Maretak – maren = boze geesten! Die zetten zich ’s nachts op de borst van een mens, belemmeren zijn ademhaling en bezorgen hem een boze droom. Wie zou hieraan denken als hij met Kerstmis de mooie, witte mistletoe-bloemetjes koopt? En hoe komen deze verhalen eigenlijk in de wereld? Om dit te weten moeten wij weer terug naar de oude Germanen en hun goden.
Baldur was de brenger van het licht en de grote strijder tegen de duisternis. Maar er was voorspeld dat hij ten val gebracht zou worden!

In allerijl liet zijn moeder, de godin Frigga, al wat bestond (dieren, planten, stenen, water, vuur, licht) een eed doen dat haar zoon geen kwaad zou overkomen. Maar … zij vergat de mistletoe, die zijn wortels immers niet in de aarde heeft. En daarbij diep in het verborgene leeft.

De boze god Loki maakte daarvan een slim gebruik. Baldur had nl. een blinde broeder en aan hem beval Loki, met een pijl gemaakt van het hout van de mistletoe, te schieten op zijn broer.
Dodelijk gewond stortte Baldur ter aarde. En de voorspelling was waarheid geworden! Het kwaad (de duisternis) had het licht overwonnen. Maar, dachten de Germanen, de mistletoe wordt toch gevonden op heilige plaatsen en gewijde bomen! Natuurlijk hebben de goden deze plantjes naar de aarde gebracht tot heil van de mens. En zo gebruikten zij de mistletoe als geneesmiddel tegen allerlei kwalen. En . . . als gelukbrenger.

Als bij de Kelten, in de oudheid, de priester in december de zegenbrengende mistletoe van de eiken sneed, was hij in het wit gekleed en gebruikte hij een gouden sikkel!

Nog steeds wordt de Maretak als een heilbrengende plant beschouwd.

Het kerstfeest

werd, in de middeleeuwen en ook nog daarna, door allen gevierd in de kerk. Zelfs de (vorige) Utrechtse Domkerk was hiervoor nauwelijks groot genoeg. Poorters, edelen, dorpers, allen verzamelden zich in de enorme ruimte en brachten de kerstnacht door met zang en muziek. Een hoogtepunt was: als priesters en koorknapen het kerstgebeuren vertelden, in beurtzang! Maar zij zongen Latijn en natuurlijk begrepen de meeste mensen daar bitter weinig van. Daarom werd het aanschouwelijk voorgesteld. Op het koor werd een kribbe geplaatst met een beeld van het Christuskind. Er kwamen herders en koningen bij en steeds werd de voorstelling uitgebreid. Op het laatst zongen zij zelfs de liederen in hun eigen taal! Zo ontwikkelde zich langzaam maar zeker uit die eenvoudige handeling in de kerk het toneelspel.

In de oudste spelen vinden we vooral de grote tegenstelling: de hevige vreugde van Maria over de geboorte van het Christuskind en het verdriet (geween) van de moeders na het vreselijke bevel van koning Herodes.

Het hoogtepunt was meestal: de gelukkige Maria tegenover de schreiende Rachel.

Het toneel was vaak verdeeld in drie verdiepingen: de hel – de aarde – de hemel.

Eerst werd op aarde de zondeval gespeeld – en alle ellende die daaruit volgde. Dan, in de hel, werden de profeten en aartsvaders gepijnigd door duivels! Brandend pek en gloeiende tangen waren hierbij heel gewoon. Ten slotte volgde ‘het pleidooi in de hemel’. Dit was soms een heel plastische voorstelling. Midden in de ellende van de tweede verdieping boort onverwachts een schone jonkvrouw (‘Gebed des mensen’ geheten) een gat in de vloer van de bovenste verdieping. Zij stijgt naar boven om God te verzoeken allen tot zich te nemen. Een heel mooie scène! Wij zien dan God, met vóór zich vier jonkvrouwen (Goedertierenheid, Gerechtigheid, Waarheid en onze ‘Gebed des mensen’). En ziet, op de tweede verdieping verschijnt de engel Gabriël aan Maria en nu volgen allerlei taferelen uit het kerstevangelie.

Maar de meeste kleine kerstspelen handelden alleen op aarde. En dan waren de voor ons zo bekende figuren te zien: Jozef, Maria, de herders en de koningen … En natuurlijk het Kind in de kribbe.

Over het onstaan van lekespelen ook in Rudolf Steiner ‘Toespraken bij de kerstspelen uit Oberufer 

*Van Sinterklaas tot Sint-Maarten – Marijke van Raephorst

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen       Over de kerstboom

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel

.

3124-2937

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 88

.

HET FYSIEKE LICHAAM
.

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis.
‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is.

Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen.
Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.

In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.
In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven.
Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.

In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens.
Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. 
Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.

Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft. 

Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. 
Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

GA 88

Über die astrale Welt und das Devachan
Over de astrale en de mentale wereld

Voordracht 1, Berlijn 28 oktober 1903

Das Mysterium von Geburt und Tod
Het mysterieuze van de geboorte en de dood

Blz. 22

Den Körper hat die moderne Naturwissenschaft ziemlich genau studiert. Durch ihn stehen wir mit allem, was um uns herum ist, in Verbindung. Wir sind nicht einzelne, abgeschlossene Wesen. Wir könnten nicht körperlich leben, wenn unsere Umgebung eine andere wäre. Denken Sie sich die Temperatur der physischen Welt um zehn bis zwanzig Grad höher, als die Temperatur unseres Luftkreises ist, so könnte der Mensch darin nicht leben. Nicht allein davon hängt unser Leben ab, was innerhalb unserer Hautbegrenzung vorgeht, sondern auch von dem Leben der Erscheinungen in der Natur um uns herum. In gewisser Beziehung sind wir nur ein Ergebnis dessen, was rings um uns herum vorgeht. Wären keine Pflanzen in der Welt, wir könnten uns nicht ernähren. Nur dadurch, daß wir den physischen Stoffwechsel unterhalten können, sind wir imstande, körperlich zu leben. Ganz abhängig ist der Mensch von seiner physischen Umgebung, das heißt, er ist ein physisches Wesen innerhalb der ganzen physischen Natur, er gehört zu dieser physischen Natur. Die Materialisten des 19. Jahrhunderts haben das mit Recht so gesehen. Unser Körper ist die Wirkung der physischen Umgebung. Wir leben in der physischen Welt mit der physischen Welt.

De moderne natuurwetenschap heeft het lichaam tamelijk precies bestudeerd. Hiermee staan wij met alles wat er om ons heen is, in verbinding. We zijn geen op zich staande, afgesloten wezens. We zouden lichamelijk niet kunnen leven als onze omgeving anders zou zijn. Denk je eens in dat de temperaturen van de natuurkundige wereld tien tot twintig graden hoger zouden zijn dan de temperatuur van onze atmosfeer, dan zouden we daarin niet kunnen leven. Ons leven hangt niet alleen maar af van wat er binnen de begrenzing van onze huid zich afspeelt, maar ook van het leven van de verschijnselen van de ons omringende natuur. 
In zekere zin zijn we een resultaat van wat er om ons heen zich afspeelt. Als er geen planten in de wereld zouden zijn, zouden we ons niet kunnen voeden. Alleen omdat wij de fysieke stofwisseling in stand kunnen houden, zijn we in staat lichamelijk te leven. De mens is volkomen afhankelijk van zijn fysieke omgeving, d.w.z. hij is een fysiek wezen binnen de hele fysieke natuur, hij hoort bij deze fysieke natuur. Dat hebben de materialisten van de 19e eeuw heel goed gezien. Ons lichaam is het resultaat van de fysieke omgeving. We leven in de fysieke wereld mét de fysieke wereld.

Blz. 23

Nun wissen Sie, daß für diesen Körper ein ganz bestimmter Augenblick eintritt, in dem er denjenigen Gesetzen nicht mehr gehorcht, denen er unter den gewöhnlichen Lebensverhältnissen gehorcht hat, das ist der Moment des Todes. Im Augenblick des Todes gehorcht der Körper, der uns angehört, nicht mehr denselben Gesetzen, denen er das ganze Leben hindurch gehorcht hat; und dennoch sind es Naturgesetze, denen er gehorcht. Wenn wir gestorben sind, kehrt unser körperlicher Organismus zu den Naturstoffen zurück, die während unseres Lebens in diesem Körper wirkten. Chemische und physikalische Kräfte wirken während unseres Lebens in unserem physischen Körper. Unsere Verdauung ist ein physischer Prozeß, unsere Atmung ist ein physischer Prozeß. Auch was beim Sehen in unserem Auge vorgeht, ist ein physischer Prozeß; es ist etwas ganz Ähnliches wie der Prozeß auf der photographischen Platte, wenn Sie sich photographieren lassen.

Nu weet u dat er voor dit lichaam een bepaald tijdstip komt, waarop het niet meer naar de wetten luistert zoals het dat deed onder de normale levensomstandigheden, dat is het moment van de dood.
Op het ogenblijk van de dood gehoorzaamt het lichaam dat van ons is, niet meer aan dezelfde wetmatigheden waaraan het het hele leven lang gehoorzaamd heeft; en toch zijn het natuurwetten waaraan het gehoorzaamt. Wanneer we gestorven zijn, keert onze lichamelijke organisatie terug naar de stoffen in de natuur die tijdens ons leven in dit lichaam werkzaam waren. Chemische en fysische krachten zijn gedurende ons leven in ons lichaam actief. Ons verteringsproces is een fysiek proces, onze adem een fysiek proces. Ook wat er in ons oog gebeurt, wanneer we zien, het is een fysiek proces; net zoiets als het proces op de fotografische plaat, als u zich laat fotograferen. [in die tijd, uiteraard]

Wir sind körperlich ein Zusammenfluß von physikalischen und chemischen Kräften, aber wir hören auf, ein Zusammenfluß von chemischen und physikalischen Kräften zu sein, wenn wir dem Tode anheimfallen. Dieser Körper hält dann nicht mehr zusammen; er fließt über in den Strom der allgemeinen physischen Erscheinungen. Der menschliche Körper als solcher ist aber unmöglich nur eine chemische und physikalische Zusammensetzung, denn in demselben Augenblick, in dem die chemischen und physikalischen Kräfte sich selbst überlassen sind, gehen sie ganz andere Bahnen, sie fügen sich in den Strom der allgemeinen chemischen und physikalischen Prozesse ein. Sie erzeugen nicht mehr die Seh-, Hör- und Denkprozesse, sondern sie gehen ganz andere Prozesse ein. Es muß also etwas dagewesen sein, was sie dazu aufgerufen hat, während unseres Lebens einen Organismus aufzustellen. Dieser Organismus ist eine Stunde vor dem Tode von keinen anderen Stoffen zusammengesetzt als eine Stunde nach dem Tode. Die physische Zusammensetzung ist genau dieselbe; es ist aber das Lebenselement nicht mehr da. Es ist das nicht mehr da, was diese physischen Stoffe aufruft zu einem mächtigen Wirken, wie sie niemals wirken würden, wenn sie sich selbst überlassen blieben.

Lichamelijk zijn we een samenloop van fysische en chemische krachten, maar dit samenvloeisel van chemische en fysische krachten in ons houdt op te bestaan, wanneer we de dood deelachtig worden. Dit lichaam houdt het dan niet meer bij elkaar; het gaat over in de stroom van de algemene fysieke verschijnselen. 
Het menselijk lichaam als zodanig kan onmogelijk louter een chemische en fysische samenstelling zijn, want op hetzelfde ogenblijk waarop de chemische en fysische krachten aan zichzelf overgelaten worden, volgen ze heel andere wegen, zij voegen zich in de stroom van de algemene chemische en fysische processen. Ze brengen de processen van zien, horen en denken niet meer tevoorschijn, maar gaan over tot heel andere processen.Er moet dus iets geweest zijn wat veroorzaakt heeft dat ze tijdens ons leven een organisme vormden. 
Dit organisme is een uur voor de dood niet van een andere samenstelling dan een uur erna. De fysieke samenstelling is precies hetzelfde; echter wat er niet meer is, is het levenselement. Niet meer aanwezig is dat wat deze fysieke stoffen opwekt tot een krachtige werkzaamheid, die ze nooit zou hebben als ze aan zichzelf overgelaten zouden zijn.

Blz. 24

Das führt uns dahin einzusehen, daß dieser physikalisch und chemisch aufgebaute Körper, weil er in nur physikalischer und chemischer Beziehung eine Unmöglichkeit ist, durchlebt und durchströmt sein muß von einem höheren Prinzip, welches das niedere durchorganisiert, durchseelt und durchlebt. Das nächste Prinzip, das unseren Körper durchseelt und durchlebt, ist das, was bewirkt, daß seine Teile nicht schon bei Lebzeiten auseinanderfallen; und das, was das bewirkt, nennen wir das astrale Element im Menschen.

Dat brengt ons ertoe dat we moeten inzien dat dit fysisch en chemisch opgebouwde lichaam, omdat het wat het fysische en chemische betreft een onmogelijkheid is, doorleefd en doorstroomd moet zijn door een hoger principe dat ons lichaam bezielt en doorleeft. Het volgend fundamentele dat ons lichaam doorzielt en doorleeft, is wat als werking heeft dat de delen niet al tijdens het leven uit elkaar vallen; en wat daarvoor zorgt, noemen wij het astrale element in de mens.

Wanneer je dit leest, schrik je even, want we hadden nu net gezien dat dat ‘volgend fundamentele’ door Steiner ‘etherlijf wordt genoemd. 
Dat komt omdat deze voordracht vooral gaat over lichaam, ziel en geest; Steiner stapt hier van lichaam naar ziel, wat zal blijken.

Wir können ganz genau sagen, was das astrale Element im Menschen ist. Es ist das, was alle Menschen, die ein solches Element in sich haben, dazu veranlaßt, in sich etwas geschehen zu lassen, was wir im weitesten Sinne mit Lust und Unlust bezeichnen. Lust und Unlust ist etwas, was in unserem Körper und in den Körpern, welche in astraler Beziehung uns ähnlich sind, auftritt und was nicht bewirkt werden kann durch die chemischen und physikalischen Stoffe.

We kunnen vrij precies zeggen wat het astrale element in de mens is. Het zorg ervoor dat bij alle mensen die dit wezenlijke deel in zich hebben er iets gebeurt wat wij in de ruimste zin als lust en onlust kunnen bestempelen. [In de artikelen ‘Rudolf Steiner over het astraallijf’ vind je veel meer karakteriseringen bij ‘,lust en onlust’: zie: 1-7-2/4-2

Nehmen Sie einen Kristall oder irgendeine andere aus chemischen Stoffen zusammengesetzte physische Substanz. Alles kann mit ihm vorgehen, was sonst im Physischen vorgeht, nicht aber Lust und Unlust. Das ist nur im Menschen selbst zu finden und in denjenigen Wesen, die so wie der Mensch organisiert sind. Diese Wesen sind durchsetzt von einem Elemente, welches Lust und Unlust empfinden kann. Wenn Sie einen Stein stoßen, so wird er weiterfliegen oder irgendwo auffallen und einen Eindruck machen. Wenn Sie ein solches Naturobjekt in dieser oder in einer anderen Weise beeindrucken, so können Sie das von außen sehen; sie können es sogar einem Vorgang unterwerfen, der es zerstört, aber es wird nie Lust oder Unlust empfinden. Lust und Unlust reichen so weit, wie die astrale Welt reicht. Und genauso, wie ich durch die in mir sich vollziehenden Prozesse chemischer und physikalischer Art der äußeren Welt angehöre, so habe ich wirklich und real alle die verschiedenen Nuancen von Lust und Unlust in mir, und durch diese verschiedenen Nuancen und Erscheinungen von Lust und Unlust gehöre ich einer Welt an, die unsere körperliche Welt durchsetzt und durchseelt und die ebenso außer mir ist und was uns fortwährend durchzieht und durchgeistigt 

Neem eens een kristal of een of ander uit chemische stoffen samengestelde fysieke substantie. Daar kan van alles mee gebeuren wat normaliter in de fysieke wereld voorvalt, maar er is geen lust en onlust. Die zijn alleen in de mens zelf te vinden en in de wezens die zoals de mens hun organisatie hebben. Deze wezens zijn doortrokken door een element dat lust en onlust kan ervaren. Wanneer je tegen een steen stoot, zal deze verder rollen of ergens vanaf vallen en een afdruk maken. Wanneer je op zo’n natuurvoorwerp druk uitoefent, kan je dat vanbuiten zien; je kan er zo mee omgaan dat je het vernielt, maar het zal nooit lust of onlust ervaren. Lust en onlust zijn er zo veel als de astrale wereld reikt. En net zoals ik door de processen in mij die van chemische en fysische aard zijn, bij de uiterlijke wereld hoor, heb ik echt en werkelijk al de verschillende nuances van lust en onlust in mij en door deze verschillende nuances en verschijnselen van lust en onlust behoor ik tot een wereld die onze fysieke wereld doordringt en bezielt en die net zo buiten mij is als in mij.
GA 88/22-24
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3123-2936

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jargon

.
Als we ons verdiepen in de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie krijgen we te maken met het woordgebruik van Steiner. Telkens zal hij benadrukken dat de inhouden van de geestelijke wereld net zo exact beschreven moeten worden als de natuurwetenschap haar inhouden beschrijft. Daar horen nu eenmaal bepaalde woorden bij. Hoe hanteer je die.
Jesse Mulder heeft er interessante gezichtspunten over.
.

Jesse Mulder, Motief nr. 259, februari 2022
.

Mooie woorden jargon, en levende inhoud

In de antroposofische beweging (in brede zin) kun je allerlei mooie woorden tegenkomen. Zoals ‘hoofd, hart, en handen’, of ‘vitale voeding van een vruchtbare bodem’, of ‘antroposofie middenin de samenleving’. Daarnaast zijn daar ook moeilijke woorden te vinden, bijvoorbeeld ‘kamaloka’, ‘Oude Saturnus’, ‘pralaya’, of ‘maankarma’.

Menigeen stoort zich aan dergelijke moeilijke woorden, aan het antroposofisch ‘jargon’: dat schrikt af, en roept misschien zelfs wel het afschrikwekkende beeld van de wereldvreemde GA-kenner op! Is het niet veel beter om al dat jargon te schrappen, en de antroposofische inzichten om te zetten in mooie woorden, woorden waar mensen toegang toe hebben, woorden die niet meteen een belemmering vormen, woorden waar een veel bredere groep van mensen onmiddellijk blij van kan worden?

Mooie woorden kun je natuurlijk gebruiken om mensen aan te spreken op iets dat ze, meer of minder bewust, zoeken. Bijvoorbeeld een geneeskunde die niet uitsluitend materialistisch-technisch denkt, of een pedagogiek die verder gaat dan het aanleren van intellectuele vaardigheden en kennis.

Rudolf Steiner gebruikte zelf geregeld mooie woorden voor de titels van zijn openbare voordrachten, waarin mensen kennis konden maken met antroposofie. Woorden die de mensen konden aanspreken op vragen waar ze, meer of minder bewust, mee leven. Zoals “Geest en stof, leven en dood”, of “De eeuwige krachten van de mensenziel”, of “De verborgen diepten van het zielenleven”. [1] Rudolf Steiner bezigde in dergelijke openbare voordrachten ook niet zomaar het antroposofische ‘jargon’, maar introduceerde onbekende termen altijd zorgvuldig, aansluitend bij zijn publiek, niet in droge, abstracte definities, maar in levendige kenschetsen.

Zo kunnen mooie woorden inderdaad een belangrijke functie hebben ‘aan de poort’. Dat mensen aangesproken werden door Rudolf Steiners voordrachtstitels wil natuurlijk niet zeggen dat ze vervolgens ook iets met de inhoud van die voordrachten konden. Wie dat wel kon, ontdekte daarmee dat antroposofie hem verder kon helpen met de innerlijke vragen die door die mooie woorden waren aangesproken. Zo kan een verhouding tot antroposofie ontstaan en groeien. Wie dat niet kon, kon dan de antroposofie als irrelevant terzijde schuiven. Even goede vrienden, zou je kunnen zeggen.

Maar met het gebruik van mooie woorden komt ook een gevaar mee. Je kunt het gemakkelijk eens worden met anderen als je mooie woorden gebruikt. Je kunt zo de schijn oproepen van een inhoudelijke en gevoelsmatige overeenstemming.

Positief mensbeeld

Zo kun je ook spreken over het antroposofische mensbeeld als een ‘positief mensbeeld’, dat de spirituele kant van de mens volledig erkent, en ieder mens als een uniek, in wezen goed en sociaal individu ziet dat je niet kunt terugvoeren tot een of andere optelsom van nature en nurture. Strooi daar nog wat ‘persoonlijk leiderschap’, ‘innerlijke groei’, en ‘ontwikkelingspotentieel’ overheen, en je kunt er bij een heel breed publiek, en bij een breed scala aan maatschappelijke stromingen, mee aankomen. “Kijk”, zo kun je dan zeggen, “we liggen met ons antroposofische mensbeeld helemaal niet zo ver van al die bredere maatschappelijke stromingen af!” Zo lijkt het eerdere beeld zich te bevestigen: “antroposofen zijn te veel tot stoffige, wereldvreemde boekengeleerden geworden, en ja, dat schept afstand, maar als we ‘antroposofie doen’, de wereld in gaan, de juiste woorden zoeken om verbinding met de mensen te leggen, ja, dan zie je maar weer dat de wereld ons omarmt!”

Mooie woorden kunnen echter uitstekend maskeren waar het eigenlijk om gaat. Zij zijn eigenlijk niets meer dan frasen, waar iedereen zich fijn bij voelt, maar die eigenlijk geen levende inhoud hebben. Als iemand uitsluitend door mooie woorden in aanraking komt met antroposofie, dan kan het al gauw gebeuren dat de daadwerkelijke inhoud ervan ineens vreselijk afschrikt.

En – zeg nu zelf, wat heeft de wereld eigenlijk aan antroposofie, als die zich uiteindelijk alleen maar wil conformeren aan wat mensen toch al denken en voelen? [2] Is het niet juist de impuls van de antroposofie om “het leven van de wereld in zijn fundamenten te vernieuwen” zoals Rudolf Steiner het in een toespraak voor jongeren in Arnhem ooit kernachtig en daadkrachtig samenvatte?[3]  

Vier wezensdelen

Welke woorden ‘mooi’ zijn is afhankelijk van de context, en als dat een wetenschappelijke context is dan kunnen mooie woorden ook juist de vorm krijgen van een ander ‘jargon’, namelijk dat van de huidige wetenschap (in brede zin). Zo kun je, om de antroposofische ‘leer’ van de vier wezensdelen in een wetenschappelijke context te plaatsen, niet zonder meer gaan spreken van fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en ik. Maar je kunt, ogenschijnlijk, best een eind komen door in plaats daarvan te gaan spreken over ‘niveaus van organisatie’. Er is niet alleen fysieke organisatie, zo zeggen we dan, maar levende wezens doen ook aan zelforganisatie (biologische organisatie), en verder is er bij dieren sprake van het niveau van bewustzijn, dat je de organisatie van zintuigindrukken, lust en leed, en impulsen of instinct kunt noemen. En tot slot is er het reflectieve niveau van organisatie waar wij mensen als zelfbewuste wezens over beschikken. Met dergelijke fraseringen kun je algauw goede vrienden worden met een breed scala aan wetenschappers die zich op een of andere manier tegen het heersende materialistische paradigma willen verzetten. Het punt is alleen dat je ook hier dan weer hoogstens een schijnovereenstemming bereikt – in ieder geval doorgaans. Want (en hier spreek ik uit enige ervaring) dergelijke wetenschappers willen weliswaar weg van het materialisme en reductionisme, maar ze willen doorgaans eigenlijk vasthouden aan het beeld van wetenschap en wetenschappelijkheid dat nu heersend is. En in dat beeld past geen bovenzinnelijke wereld. Door die dan een ‘niveau van organisatie’ te noemen creëer je een rookgordijn: zo’n ‘niveau van organisatie’ klinkt geheel wetenschappelijk acceptabel, terwijl wat je onder die term verstaat resoluut afgewezen zal worden.

Mooie woorden zijn als het cadeaupapier waar je datgene waar het om gaat – de inhoud – in verpakt. Een mooi cadeaupapier kan veel mensen aanspreken. Maar de wezenlijke vraag is of ze dat wat ingepakt zit serieus willen nemen. “Antroposofie moet wachten”, zo schreef Rudolf Steiner eens, “of er iemand komt, die haar wil opnemen. Een dwang, of zelfs slechts de wil om de ander te overtuigen, mag hier geen rol spelen.” [4] En dat is wat hier eigenlijk aan de hand is: het is in wezen een poging om een ongewenst cadeau toch op het verjaardagsfeest naar binnen te smokkelen door het in een fleurig papiertje te verpakken en van een mooie strik te voorzien.

Zonder cadeaupapier

Wat dat betreft is het eigenlijk veel vruchtbaarder om ‘met de deur in huis te vallen’, als je benieuwd bent of je gesprekspartner misschien interesse heeft in concrete geesteswetenschap. Als je wilt weten of diegene echt openstaat voor antroposofie, levert een openhartige benadering, dus zonder cadeaupapier, meteen duidelijkheid. Is dat de insteek die je kiest, dan is de vier-ledigheid van de mens misschien juist niet de meest geschikte ingang. Dat lijkt misschien zo, precies omdat je die in algemeen acceptabele termen, zonder antroposofisch jargon, om lijkt te kunnen zetten. Maar als je met de deur in huis wilt vallen, kun je eigenlijk veel beter beginnen bij, bijvoorbeeld, reïncarnatie. Interessant genoeg laat de reïncarnatiegedachte zich namelijk helemaal niet zo gemakkelijk ‘mooi praten’ in termen van organisatieniveaus of iets dergelijks. Dat komt doordat je dan toch echt niet ontkomt aan de concrete voorstelling van de mens als een niet-fysiek maar toch concreet-individueel geestelijk wezen, dat zich na de dood ‘ergens’ in het niet-fysieke – de geestelijke wereld – moet ophouden, om dan later weer opnieuw te incarneren. En daarmee heb je ook meteen de gedachte op tafel gelegd van een concrete, geestelijke werkelijkheid die ingrijpt in de zichtbare, fysieke werkelijkheid – in ieder geval daar waar een mensenkind geboren wordt.

Voor de duidelijkheid: net zoals ik geen vlammend betoog wil houden voor stoffige boekengeleerdheid en wereldvreemdheid, wil ik ook geen vurig pleidooi leveren voor het ongebreideld hanteren van antroposofisch jargon. Want er is niets bekrompeners dan een misplaatst gebruik van jargon. Daar kun je hoogstens mee imponeren, of afschrikken, of pronken – maar niemand schiet er iets mee op, en de antroposofie zelf allerminst. Rudolf Steiner zelf was daar ook niet van gediend. Hij vond het al zeer bedenkelijk dat mensen steeds maar weer hun uitspraken vooraf lieten gaan door fraseringen als “Volgens de antroposofie …” [5] Liever wilde hij dat het woord ‘antroposofie’ überhaupt niet zo veel gebezigd werd.

Dat was alleen geen uitnodiging om in plaats daarvan ‘mooie woorden’ te gaan gebruiken. Het was een uitnodiging tot openhartigheid, een uitnodiging om je direct uit spreken, en je niet te verschuilen achter de kwalificatie “Volgens de antroposofie …” alsof je ‘alleen maar’ weergeeft wat de mening van ‘de antroposofie’ zou zijn. En het was vooral ook een uitnodiging om direct te zeggen waar het je om gaat, en niet in holle frasen te vervallen. “Alleen wie eigenlijk niet echt thuis is in de inhoud, is gebonden aan een of andere terminologie”, merkte Steiner in dit verband verderop. [6] Als je houvast in de woorden ligt, en niet in de inhoud, dan worden de woorden tot ‘jargon’ in de bedenkelijke zin van het woord, tot holle frasen. Als je houvast in de inhoud zelf ligt, dan kun je de woorden kiezen zoals je wilt, omdat je dan steeds kunt zorgen dat het wezenlijke daarin tot uitdrukking komt.

Zo vertelt Rudolf Steiner eens: “Wat denkt u, hoeveel welwillende mensen niet naar mij toe zijn gekomen om te zeggen: ‘ach, dat woord, etherlichaam, dat schrikt de mensen af! Kunnen we niet zeggen: het functionele in het menselijk organisme?’ – Nu heeft dat alleen geen enkele inhoud. Met de frase ‘het functionele in het menselijk organisme’ is helemaal niets gezegd. Terwijl als je spreekt van het etherlichaam, het onderscheid hierin bestaat: voor het fysieke lichaam zijn uiteindelijk alle krachten terug te voeren op krachten die de richting van de zwaartekracht hebben [dus richting de aarde], terwijl in het etherlichaam alle krachten terug te voeren zijn op de periferie [dus richting de kosmos]… Daar heeft u het onderscheid. Maar onder ‘het functionele in het menselijke organisme’ zal niemand dit fundamentele onderscheid verstaan.” [7]

Krachten uit de periferie

‘Het functionele in het menselijk organisme’ heeft, net als het ‘biologische niveau van organisatie’, vrijwel geen inhoud. Het zijn mooie woorden, van de wetenschappelijke variant. Het is uitermate interessant wat Rudolf Steiner in dit citaat als alternatief geeft: “krachten die terug te voeren zijn op de periferie”. Want het ligt erg voor de hand om daarbij te denken: “nou, aan die zinsnede heb ik toch eigenlijk ook niet zo veel!” En zo is het ook: wat met de term ‘etherlichaam’ bedoeld wordt is een inhoud die we vanuit ons zintuiglijke aardebewustzijn helemaal niet zomaar beschikbaar hebben – we nemen immers geen etherlichamen waar. Daarin onderscheiden antroposofische begrippen zich nu juist van de begrippen die we gewend zijn. Het kost moeite om je zulke begrippen eigen te maken. Voor zover dat lukt, kunnen we ons iets gaan voorstellen onder deze ‘krachten die terug te voeren zijn op de periferie’. Wat we ons daar kunnen gaan voorstellen, kunnen we dan ook met het woord ‘etherlichaam’ verbinden. En zodra we dat kunnen, kunnen we vrijelijk het jargon van het ‘etherlichaam’ gebruiken, of niet gebruiken, afhankelijk van de context – zonder dat we het wezenlijke, de inhoud die we ons met moeite verworven hebben, uit het oog verliezen.

Antroposofisch jargon vervangen door mooie woorden heeft geen waarde. Jargon ontstaat omdat woorden nodig zijn die een bepaalde inhoud omvatten. Waar het om moeilijke, gecompliceerde, of ongebruikelijke inhoud gaat, is er al snel het gevaar dat het jargon als holle frase gehanteerd wordt, dus zonder dat daarmee de bedoelde inhoud aan het licht komt. Dat is een kwalijke zaak, en het is zeker waar dat antroposofen zich daar geregeld schuldig aan maken. Datzelfde geldt overigens ook voor andere vormen van jargon, zoals wetenschappelijk jargon – het is bijvoorbeeld opvallend hoe vaak mensen ‘aan de haal gaan’ met neurowetenschappelijk jargon, of met terminologie uit de kwantumfysica. Daar is de antroposofie dus zeker niet uniek in. Het is een hele kunst om antroposofische inhoud in woorden te gieten, en natuurlijk is die inhoud niet essentieel afhankelijk van de ene of andere term, zoals ‘etherlichaam’. Ook dat geldt voor andere vormen van jargon: zo spreekt de atoomfysicus van ‘quarks’, een term die hij natuurlijk zou kunnen weglaten en omschrijven. Het is alleen wel erg handig om aan te sluiten bij het bestaande jargon, zodat mensen de nodige verbanden kunnen leggen, en zich niet onnodig hoeven af te vragen: “heeft hij het nou over quarks …?” Door jargon angstvallig te ontwijken kun je zo ook veel verwarring stichten. En mooie woorden kunnen die verwarring dan hoogstens verdoezelen.

Woorden, of ze nu mooi zijn of lelijk, krijgen hun leven niet vanzelf: het is onze levende mensenziel die de woorden tot levende uitdrukking van de geest kan maken – en dat geldt voor zowel spreker als luisteraar, voor zowel schrijver als lezer.

1 Dit zijn titels van voordrachten op respectievelijk 15 februari 1917 (in GA 66), 3 december 1915 (in GA 65), en 23 november 1911 (in GA 61). Ik kwam hierop door op goed geluk een aantal GA’s met openbare voordrachten open te slaan.

2 Of, zoals Steiner het zelf formuleert: “Als je voor de mensen de antroposofie gaat inkleden in ‘wat de pastoor ook zegt’, dan weten de mensen helemaal niet meer, wat je nu eigenlijk van ze wil.” (GA 260, p.90). De pastoor speelt intussen uiteraard niet meer de rol die deze in Steiners tijd en context speelde. Maar het principe is hetzelfde.

3 Deze uitspraak deed Steiner in een toespraak voor jonge mensen in Arnhem, op 20 juli 1924. In GA 217a (p.183).

4 GA 260a, p.42. “An die Mitglieder! II. Das rechte Verhältnis der Gesellschaft zur Anthroposophie”, in het Nachrichtenblatt, 27 januari 1924.

5 In dit verband vertelt Rudolf Steiner eens dat hij bij wijze van experiment in geen van zijn voordrachten tijdens het grote West-Oost-congres in Wenen in 1922 het woord ‘antroposofie’ gebruikt heeft (zie GA 257, p.136).

6 GA 260, p.89. Bij een vergadering van bestuur en secretarissen-generaal tijdens de Kerstbijeenkomst op 25 december 1923.

7 GA 260, p.90.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3122-2935

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (91)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

DE KINDERKARAVAAN

De schrijfster las een krantenartikel over een groep kinderen die rond 1844 in de pioniersfase van het Wilde Westen een ongelofelijke trektocht hadden gemaakt. Zij ging op onderzoek uit en verzamelde meer feiten. Hiermee schreef ze haar ‘Kinderkaravaan’. 
Tijdens de ‘oversteek’ naar een toekomstig land sterven vader en moeder van het gezin van wie John de oudste is. Hij besluit verder te gaan. Een beslissing die bijna de dood wordt van zijn andere broer en zusjes, waaronder een baby.
De gevaren zijn groot: vijandige indianen, wilde beren, een ruige, soms ontoegankelijke natuur, wilde stromen en de winter met kou en sneeuw. En de vermoeidheid, de honger, de angst.
Hoe overleven ze dat allemaal. An Rutgers van der Loeff neemt je mee op deze spannende tocht en met haar schrijfstijl houdt ze je stevig in de greep van deze barre reis. 

An Rutgers van der Loeff
Ill. Carl Hollander

Boek

Uitgeverij Ploegsma

ca 11jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3121-2934

.

.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 300B)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

In de vergaderingen met de leerkrachten worden aan Steiner allerlei vragen gesteld. Voor mij zijn niet alle antwoorden duidelijk.
Vaak krijg ik de indruk dat een preciezere context ontbreekt of dat niet alles op een duidelijke manier in aantekeningen terecht is gekomen.
M.a.w. de antwoorden roepen weer nieuwe vragen op.
Ook wordt dat nog versterkt doordat ik niet weet wat sommige begrippen van toen, nu daadwerkelijk inhouden.

GA 300B

Blz. 27    vergadering van 17-06-1921

Nun muß der Handfertigkeitsunterricht hinübergezogen werden nach dem wirklich Künstlerischen. Das haben Sie schon getan mit dem Modellieren. Das kann man abwechseln lassen mit Malen; daß Sie mit denen, die geschickt dazu sind, malen. Bei denjenigen, die jetzt in die 10. Klasse kommen, kann man Rücksicht nehmen, daß wir sie haben werden wie am Gymnasium; durch das können wir ins Künstlerische und Kunstgewerbliche hinüberkommen. Ich meine, daß wir da noch etwas wie eine Art Ästhetisches brauchen, und da könnte der Dr. Schwebsch eintreten, daß er die ästhetische Verbin­dung herstellt zwischen dem Plastisch-Malerischen und dem Musikalischen

Nu moet het handvaardigheidsonderwijs op het niveau komen van het echt kunstzinnige. Dat hebt u al gedaan met het boetseren. Dat kun je afwisselen met schilderen; dat u met degenen kan doen die dat kunnen. Bij degenen die nu in de 10e klas komen, kunnen we er rekening mee houden dat we ze hebben tot aan het gymnasium; daardoor kunnen we tot het kunstzinnige en het ambachtelijke komen. Ik ben van mening dat we daar nog iets esthetisch bij kunnen gebruiken en daar zou Dr. Schwebsch kunnen beginnen om de esthetische verbinding te leggen tussen het plastisch-schilderende en het muzikale.

Blz. 28

Mit dem Musikalischen hat er sich viel beschäftigt. In der Musikästhetik – was in den Elementen auftreten müßte -, da müßten Sie zusammen eine Art Subkollegium bilden: Handfertig­keitsunterricht, der ins Kunstgewerbliche hinübergeht und dann ins Musikalische, daß das Ästhetische, nicht das Musiktheoretische gepflegt wird. Ich würde doch meinen, daß man möglichst früh den Kindern den Begriff beibringt, wann ein Sessel schön ist, wann ein Tisch schön ist. Daß Sie es so machen, daß der Unfug aufhört, daß ein Stuhl schön sein soll für das Auge. Der Stuhl, man will ihn fühlen, wenn man sich darauf setzt, will seine Schönheit fühlen. Geradeso wie ich es gestern im Handarbeitsunterricht gesagt habe, daß die Kinder fühlen sollen, daß, wenn etwas aufgemacht wird nach der einen Seite, daß das auch in der Stickerei empfunden wird. Ich glaube überhaupt, es werden jetzt die Dinge etwas zusammenwach­sen. Sie werden etwas zusammenwachsen: Handarbeitsunterricht, Handfertigkeitsunterricht, das künstlerische Empfinden und Musik. Das muß natürlich ordentlich gemacht werden, daß man diese Dinge überwindet.

Hij is veel bezig geweest met het muzikale. Voor het esthetische in de muziek – wat in de wezenlijke onderdelen moet aanwezig moet zijn – zou u een soort deelcollege kunnen vormen: handvaardigheid die in het ambachtelijke overgaat en dan in het muzikale; dat het esthetische verzorgd wordt, niet het muziektheoretische. Ik bedoel toch dat je de kinderen zo mogelijk al snel het begrip bijbrengt wanneer een stoel mooi is, wanneer een tafel mooi is. Dat je het zo doet, dat de onzin verdwijnt dat een stoel mooi moet zijn voor het oog. Een stoel wil je voelen als je erop gaat zitten, je wil de schoonheid voelen. Net zo als ik gisteren in de handarbeidles heb gezegd dat de kinderen moeten voelen dat als je naar de ene kind een opening maakt, dat ook bij het borduren wordt ervaren. Ik geloof wel dat de dingen nu samenkomen. Ze zullen wel samenkomen: handarbeid, handvaardigheid, het kunstzinnige beleven en muziek. Dat moet natuurlijk op een goede manier gedaan worden, zodat deze dingen overwonnen worden. 
GA 300B/27-28
Niet vertaald

Blz. 51   vergadering van 16-1-1921

In een vergadering kunnen vragen (en antwoorden) door elkaar heen lopen. Wanneer Steiner hier antwoord geeft op onderdelen van het schilderen, noemt hij ook iets voor het handwerken.

Ein gründliches Farbenvertie­fen kommt dann heraus, wenn das Kind eine Farbe verändern muß und alles andere danach richten muß, zum Beispiel auf einer Tasche oder irgend etwas anderem, dieses dann ausnäht und ausstickt, so daß das Betreffende gerade am rechten Fleck sitzt.

Er ontstaat een grondige (belevings)verdieping van de kleur wanneer het kind een kleur moet veranderen en al het andere daarop moet richten, bijv. op een tasje of iets anders, dit dan naaiend of bordurend uitwerkt, zodat waar het om gaat op de juiste plaats zit. 
GA 300B/51
Niet vertaald

Blz. 290   vergadering 14-02-1923

X: Die Kinder haben oft gefragt, was der tiefere Sinn wäre des Spinnen-lernens.

De kinderen hebben al dikwijls gevraagd wat de diepere zin is van het leren spinnen.

Dr. Steiner: Das fügt sich in ihr Seelenleben ganz ausgezeichnet ein, und sie lernen dadurch das praktische Leben wirklich kennen. Man lernt nicht das praktische Leben wirklich kennen, wenn man sich eine Sache bloß anschaut, sondern wenn man es so ausführt, wie es in Wirklichkeit ausgeführt wird. Die Kinder sollen bloß bemerken: ein Paar Stiefel machen lernen kann man auch in acht Tagen, aber Schusterlehrling müßte man drei Jahre sein.

Dr.Steiner: dat past heel goed bij hun gevoelsleven en daardoor leren ze het praktische leven echt kennen. Dat leer je niet als je alleen maar naar de dingen kijkt, wél als je het zo doet als het in het echt gebeurt. De kinderen hoeven alleen maar te ervaren: een paar laarzen leren maken kan je ook in acht dagen, maar schoenmakersleerling moet je wel drie jaar zijn.
GA 300B/270
Niet vertaald

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3120-2933

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/2-1)

.
In het artikel ‘Ahriman in het onderwijs’ (7-3/2) gaf ik de gezichtspunten van Steiner weer uit GA 296.
Hij merkt daarin op dat het tegenwicht tegen het ‘boos worden van de intelligentie’ is om ‘de Christus in je op te nemen’.

Voor mij – en voor velen met mij – is dat geen eenvoudige opgave. Hoe doe je dat.

Lezend in het tijdschrift ‘Motief’ van de Antroposofische Vereniging in Nederland kwam ik een boekbespreking tegen van het boek ‘Op weg naar priesterlijk handelen’ van wijlen de antroposofische arts Albert Smit.

De recensent zet het in een kader dat direct te maken heeft met de AViN, maar hij noemt ook andere aspecten die passen bij de vraagstelling n.a.v. GA 296:
.

Wim van Gorcum, Motief 261, april 2022
.

Die Mission der Geisteswissenschaft in unserer Zeit ist, zu eröffnen die Tore zu dem lebendigen Christus.

“Het is de missie (in de zin van opdracht) van de antroposofische geesteswetenschap om in onze tijd de deuren naar de levende Christus te openen.”
GA 152/166 –
Niet vertaald.

Van Gorcum: ‘Deze uitspraak is, hoe mooi ook, enigszins cryptisch. Want hoe doe je dat, je deuren openen naar de levende Christus? In dat licht is het zeer verheugend dat er recentelijk een boekje verschenen is dat poogt een antwoord op deze vraag te geven. De titel luidt: Op weg naar priesterlijk handelen. Het is geschreven door – de inmiddels overleden – Albert Smit die antroposofisch arts was, counselor en leraar menskunde aan een aantal (antroposofische) beroepsopleidingen.

Albert begint zijn boekje met uit te leggen dat wij mensen na het mysterie van Golgotha stap voor stap overgaan van de oude verticaal georiënteerde God-Vader wereld naar de nieuwe God-Zoon wereld, waarin de Christus-impuls vanuit het Ik van ieder individueel mens werkt. De basis van de Christus-impuls is wijsheid en liefde. Met die liefde en wijsheid kunnen we elkaar herkennen, bijstaan, aanvullen en adviseren om op weg te gaan naar het gemeenschappelijk doel: (naar) een nieuwe mensheid. Maar deze overgang kan niet zonder slag of stoot plaatsvinden. Zo ervaren wij mensen in deze tijd – die ook wel de tijd van transformatie genoemd wordt – een grote leegte (Godverlatenheid) die ons op zijn beurt veel zielsnood bezorgt. Om dat het hoofd te bieden, stelt Albert voor om te gaan oefenen met het ontwikkelen van een vorm van sociale kunst, waarin we het Goddelijke in de ander zoeken, zien, opwekken en tot bewustzijn brengen. Albert noemt dit ‘priesterlijk handelen’; een vorm van omgaan met elkaar waarmee we de intermenselijke ruimte met spirituele substantie vullen. Dit is nodig om te voorkomen dat de tegenmachten bezit van die ruimte nemen, hetgeen verarming van moraliteit en menselijkheid tot gevolg heeft. Albert noemt dit ‘Christusdrager’ worden, om zo tot middelaar te worden tussen de geestelijke en de aardewereld. Daarmee maak je jezelf dienstbaar aan het
mensheidsdoel en de ontwikkelingsweg van de ander. Anders gezegd, word je tot een ‘gevende’ in plaats van een ‘nemende’. Daartoe moet je wel de gerichtheid op jezelf in vrijheid offeren.

Voor de mensen van deze tijd lijkt het voorgaande een vrijwel onmogelijke opgave, maar Rudolf Steiner vraagt ons om nu reeds te beginnen met wat wél mogelijk is. Bijvoorbeeld door, heel eenvoudig, oogcontact met de ander te maken met de intentie de ander werkelijk te zien. Albert noemt dat ‘priesterlijk handelen’. Met die intentie kun je ook met de ander in gesprek gaan. Zorg dan datje gesprekspartner zich veilig voelt en laat merken datje zijn of haar Godverlatenheid begrijpt en meevoelt. Luister zodanig dat de ander zich bewust kan worden van zijn levensmotief, gaat inzien dat zijn leven zin heeft en dat hij er, ondanks zijn mislukkingen, mag zijn. Door met je hart te luisteren kun je de ander, die (nog) gevangen zit in de greep van de tegenmachten, helpen. Zo maken we van een onbewuste, mechanische handeling, een heilige.

Op die manier kan de ontmoeting met de ander tot een religieuze handeling worden, de eigenschappen van een sacrament verkrijgen. Wanneer we zo met onze medemensen omgaan zal de Christus-impuls in ons, ons de kracht schenken om elkaar te dragen. Daarmee wordt het karma niet langer alleen een privé-aangelegenheid, maar ook een sociaal-gemeenschappelijke. Een dergelijke priesterlijke manier van omgaan met elkaar ziet Albert als voorwaarde voor de toekomst van de antroposofische beweging en de mensheid.

Tot slot nog een advies. Om de inhoud van dit boekje goed tot je door te kunnen laten dringen, is het aan te raden om het langzaam, bijna meditatief te lezen. Ik kan dit boekje van harte aanbevelen.

Albert Smit, Op weg naar priesterlijk handelen.
Hardcover 119 blz. € 15.
ISBN 9789492326706. Uitgeverij Nearchus / Adventum

.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3119-2932

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-6)

.

HET IMPONDERABELE

Vlinder en ziel

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

Steiner:

GA 297A   op deze blog vertaald

Erziehung zum Leben
Opvoeding voor het leven

Voordracht 1, Utrecht 24 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts- und praktische lebensfragen vom Gesichtspunkte antrhoroposophischer Geisteswissenschaft.

Opvoedings-, onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het standpunt van antroposofische geesteswetenschap

Blz. 23   vert. 23

Man kommt allerdings durch diese Dinge darauf, in welcher, man kann sagen übersinnlichen Art von einer solchen autoritativen Persönlichkeit gewirkt wird. Dafür ein Beispiel. Man könnte sich ausdenken ein Bild – und in Bildern soll man vorzugsweise zu den Kindern vom siebenten bis zum vierzehnten Jahr, namentlich aber bis zum zehnten Jahr sprechen. Nehmen wir irgendein Bild, durch das wir dem Kinde eine Vorstellung, eine Empfindung beibringen wollen über die Unsterblichkeit der Seele. Man kann sich dieses Bild ausdenken. Man kann aber auch das Kind hinweisen auf die Schmetterlingspuppe, wie der Schmetterling auskriecht aus der Puppe. Und man sagt dem Kind: Wie die Puppe ist der menschliche Leib. Der Schmetterling fliegt aus der Puppe heraus. Wenn der Mensch durch den Tod geht, geht die unsterbliche Seele aus dem Leib heraus wie der Schmetterling aus der Schmetterlingspuppe. Sie geht in die geistige Welt über. – Aus einem solchen Bild ist viel zu gewinnen. Aber eine wirkliche Empfindung von der Unsterblich­keit der Seele wird man einem Kind durch ein solches Bild nur unter ganz bestimmten Voraussetzungen beibringen. – Sehen Sie, wenn man sich als Lehrer etwa denkt: Ich bin gescheit, das Kind ist dumm, es muß erst gescheit werden – und man denkt so etwas aus, um dem Kind etwas begreiflich zu machen -, so wird man vielleicht einiges erreichen, aber was das Kind wirklich zur Empfindung der Unsterblichkeit bringt, das erreicht man ganz sicher nicht. Denn nur das wirkt auf das Kind, was man selber glaubt, in dem man selber ganz drinnen steht. Anthroposophisch orientierte Geistes­wissenschaft gibt einem die Möglichkeit, zu sagen: Ich glaube selbst

Je komt door deze dingen op wat op bovenzintuiglijke manier van zo’n persoonlijkheid als autoriteit uitgaat. Daartoe een voorbeeld. Je zou een beeld kunnen bedenken – want je moet een kind van zeven tot veertien, met name tot het tiende jaar voornamelijk in beelden een voorstelling, een gevoel voor iets willen bijbrengen over de onsterfelijkheid van de ziel. Je zou op dit beeld kunnen komen. Je kan het kind ook wijzen op de vlindercocon, hoe de vlinder uit de cocon kruipt. En dan tegen het kind zeggen: de menselijke ziel is als de pop.
De vlinder vliegt uit de pop. Wanneer de mens sterft, verlaat de onsterfelijke ziel het lichaam zoals de vlinder de cocon. Die gaat naar de geestelijke wereld.
Uit zo’n beeld is veel te halen. Maar een echt gevoel voor de onsterfelijkheid van de ziel kan je een kind door zo’n beeld alleen maar onder heel bepaalde voorwaarden meegeven. Wanneer je als leerkracht denkt: ik ben intelligent, het kind onnozel, dat moet nog intelligent worden – en je denkt zo iets uit om het kind iets begrijpelijk te maken – dan zul je misschien wel wat bereiken, maar waardoor een kind werkelijk een gevoel krijgt voor de onsterfelijkheid bereik je er niet mee. Want op een kind werkt alleen waaraan je zelf gelooft, wat helemaal van jou is. Antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap geeft iemand de mogelijkheid om te zeggen: ik geloof zelf

Blz. 24   vert. 24

an dieses Bild; für mich ist dieses Auskriechen des Schmetterlings aus der Puppe durchaus dasjenige, was nicht ich mir ausgedacht habe, sondern was die Natur selber auf einer niedrigeren Stufe hin­stellt für dieselbe Tatsache, die auf einer höheren Stufe das Hervor­gehen der unsterblichen Seele aus dem Leibe ist. Glaube ich selber an das Bild, stehe ich in dem Inhalt des Bildes drinnen, dann wirkt mein Glaube glaubens-, vorstellungs- und empfindungsweckend auf das Kind. Diese Dinge sind durchaus imponderabel.  

in dit beeld; voor mij is de vlinder die uit de cocon kruipt, nu juist niet iets wat ik zelf uitgedacht heb, maar wat door de natuur zelf op een lager niveau is geplaatst voor hetzelfde feit dat op een hoger niveau, het loskomen van de onsterfelijke ziel uit het lichaam is. Wanneer ik zelf in dit beeld geloof, leef ik in de inhoud van het beeld, dan werkt mijn geloof daarin zo dat het bij het kind ook het geloof wekt, de voorstelling en het gevoel. Dit zijn de dingen die zo onweegbaar zijn.
GA 297A/23-24
Op deze blog vertaald/23-24 

Fragenbeantwortungen am pädagogisdche Abend, Darmstadt 28 Juli 1921

Vragenbeantwoording bij de pedagogische avond Darmstadt, 28 juli 1921

Blz. 74/75  vert. 74/75

Ich gebrauche sehr häufig ein solches Beispiel wie dieses: Neh­men wir an, wir wollen dem Kinde beibringen einen Begriff – man kann das rein aus der Erkenntnis der Psychologie des Kindes heraus in einem bestimmten Lebensalter -: den Begriff der Unsterblichkeit. Man kann das versinnlichen an Naturvorgängen, zum Beispiel an dem Schmetterling in der Puppe. Man kann sagen: So steckt die unsterbliche Seele im Menschen darinnen, wie der Schmetterling in er Puppe, nur daß sie sich in eine geistige Welt hinein entwickelt, wie sich der Schmetterling aus der Puppe entwickelt. – Das ist ein Bild. Man wird dieses Bild dem Kinde beibringen können auf zwei verschiedene Weisen. Die erste ist diese, daß man sich denkt: Ich bin der Lehrer, ich bin ungeheuer gescheit; das Kind ist jung und furchtbar dumm. Ich werde dem Kinde also dieses Symbolum hin­stellen für diesen Begriff. Ich bin selbstverständlich über die Sache längst hinaus, aber das Kind soll auf diese Weise die Unsterblichkeit der Seele begreifen. Nun expliziere ich das in intellektualistischer Weise. – Das ist die Weise, durch die das Kind nichts lernt; nicht weil das Vorgebrachte falsch wäre, sondern weil man nicht in der richtigen Weise eingestellt ist auf das Kind. Wenn ich mich in an­throposophische Geisteswissenschaft einlebe, so ist das nicht ein Bild, durch das ich mich gescheiter fühle als das Kind, sondern eine Wahrheit. Die Natur selber hat auf einer niedrigeren Stufe den Schmetterling, der sich aus der Puppe entwickelt, hingestellt, auf einer höheren Stufe den Durchgang durch die Pforte des Todes. Bringe ich das, was in mir so lebendig lebt, zum Kinde, dann hat das Kind etwas davon.
Man kann nicht bloß sagen, man solle das so oder so machen, sondern auf Imponderabilien kommt es an, auf eine gewisse Seelen-verfassung, die man selber hat als Lehrer – die ist das Wichtige.

Ik gebruik heel vaak dit beeld: laten we eens aannemen dat we het kind  – dat kan je zuiver kinderpsychologisch gezien op een bepaalde leeftijd doen – een begrip bij willen brengen van de onsterfelijkheid. Dat kan je in een beeld uit de natuur kleden, bv. in dat van de vlinder en de cocon. Je kan zeggen: ‘De onsterfelijke ziel zit net zo in de mens als de vlinder in cocon, zij het dat die zich in een geestelijke wereld ontwikkelt, zoals de vlinder zich vanuit de cocon ontwikkelt. Dat is een beeld. Je kan dit beeld op twee verschillende manieren aan een kind geven. De eerste is deze: je denkt dan: ‘Ik ben de leerkracht, ik ben heel intelligent, het kind is jong en vreselijk onnozel. Ik zal het kind dan dus maar dit symbool voorleggen voor dit begrip. Ik ben vanzelfsprekend al veel verder dan zoiets, maar het kind moet op deze manier de onsterfelijkheid van de ziel dan maar begrijpen.’ Ik leg het intellectualistisch uit.
Dat is een manier waardoor het kind niets leert, niet omdat het onderwerp verkeerd is, maar omdat de instelling naar het kind niet juist is. Wanneer ik mij inleef in de antroposofische geesteswetenschap, is dit geen beeld waarmee ik me slimmer voel dan het kind, maar een waarheid. De natuur zelf heeft de vlinder die zich uit de cocon ontwikkelt, op een lager niveau gezet; op een hoger niveau het door de poort van de dood gaan. Wanneer ik iets wat in mij zo leeft, overbreng aan een kind, dan neemt een kind daarvan iets op.
Je kan niet simpelweg zeggen dit of dat moet je zus of zo doen, maar het gaat om het imponderabele, om een bepaalde zielenstemming die je als leraar hebt, die is het belangrijkste.
GA 297A/74-75
Op deze blog vertaald/74-75

Voordracht 5, Den Haag 4 november 1922

Die religiöse und sittliche Erziehung im Lichte der Anthroposophie
Het morele en religieuze in de opvoeding

Blz. 150/151   vert.

Ich möchte Ihnen wiederum durch ein Beispiel illustrieren, was ich sagen will. Nehmen wir einmal an, ein Lehrer hätte die Aufgabe, einem Kinde in kindlicher, einfacher Form etwas beizubringen über die Unsterblichkeit der Menschenseele. Das muß man dem Kinde, das zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife vorzugs­weise auf die Entgegennahme von Bildern – noch nicht von abstrak­ten Begriffen – eingestellt ist und das alles auf selbstverständliche Autorität hinnehmen will, eben durch ein Bild beibringen.
Nun kann man dieses Bild in einer zweifachen Weise an das Kind herantreten lassen. Man kann sagen: Ich, der Lehrer, bin furchtbar gescheit. Das Kind ist noch furchtbar töricht. Ich habe es zu unterrichten über die Unsterblichkeit der Seele. Ich werde ein Bild gebrauchen. Ich werde dem Kinde sagen: Sieh dir einmal die Schmetterlingspuppe an, da kriecht der Schmetterling heraus. Der kriecht als ein sichtbares Wesen heraus. Ebenso, wie der Schmetter­ling als ein sichtbares Wesen aus der Schmetterlingspuppe her­auskriecht, so löst sich deine Seele im Tode von dem physischen Leib wie aus dem Puppenzustande, fliegt in die geistige Welt.
Ich sage selbstverständlich nicht, daß das ein philosophischer Beweis ist. Das ist er ganz gewiß nicht. Aber eine Anschauung kann man dadurch dem Kinde beibringen. Ich kann das – wie gesagt – so machen, wie ich es eben beschrieben habe. Ich sage, ich weiß das alles gut, denn ich bin gescheit, das Kind ist dumm. Ich bringe das dem Kinde bei. Es ist ein törichter Vergleich, aber das Kind soll daran glauben.
Nun, meine verehrten Anwesenden, man wird nichts erreichen, wenn man in dieser Weise an das Kind herankommt, denn das Kind wird sich vielleicht gedächtnismäßig das merken; aber dasjenige, was man erreichen soll, Hebung des Seelenniveaus, Erfüllung der Seele mit einem lebenskräftigen Inhalte, das kann man auf diese Weise nicht. Aber man kann es auf andere Weise, wenn man sich jetzt nicht sagt: Du bist gescheit als Lehrer, das Kind ist töricht, sondern wenn man sich sagt – verzeihen Sie, wenn ich so paradox spreche -: Vielleicht ist das Kind sogar in den unterbewußten Tie­fen seiner Seele viel gescheiter als du bist. Vielleicht bist du der Tö­richte, und das Kind ist gescheiter. – In gewisser Beziehung stimmt das ja, denn wer weiß, wie die noch unausgebildeten inneren Orga­ne, namentlich das Gehirn, von der noch unbewußten Seele, träu­menden Seele des Kindes gestaltet werden, wie da eine ungeheuer bedeutsame Weisheit gerade in den frühesten Kindesjahren gestal­tet. Wer eine Einschätzung für solche Dinge hat, wer nicht ein plumper Philister ist und für solche Dinge keine Schätzung haben kann, der sagt sich dennoch: Alle unsere Weisheit, die wir uns im

Ik wil u weer door een voorbeeld laten zien, wat ik wil zeggen. Laten we eens aannemen dat een leerkracht de taak heeft om een kind op het niveau van een kind, op een eenvoudige manier, iets te leren over de onsterfelijkheid van de mensenziel. Dat moet aan het kind dat tussen de tandenwisseling en de puberteit voornamelijk ingesteld is op het opnemen van beelden – nog niet van abstracte begrippen – en dat alles wil aannemen op gezag van een vanzelfsprekende autoriteit, dus door een beeld gegeven worden.
Nu kun je op tweeërlei manier met een beeld bij het kind aankomen. Je kan zeggen: ik, de leerkracht, ik ben ontzettend intelligent. Het kind is nog ontzettend onnozel. Ik moet het wat bijbrengen over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik zal een beeld gebruiken. Ik ga tegen het kind zeggen: Kijk eens naar de pop van een vlinder, daar kruipt een vlinder uit. 
Die komt eruit en die is zichtbaar. Net zoals de vlinder als een zichtbaar iets uit de pop kruipt, zo maakt je ziel zich los van je lichaam als je doodgaat, net als uit een toestand van de pop, en vliegt de geestelijke wereld in. 
Vanzelfsprekend zeg ik niet dat het een filosofisch bewijs is. Dat is het zeker niet. Maar je kan het kind er wel een weergave van geven. Dat kan ik – zoals gezegd – zo doen, als ik net heb beschreven. Ik zeg, dat ik dit allemaal goed weet, want ik ben knap, het kind is dom. Ik leer dit aan het kind. Het is een stomme vergelijking, maar het kind moet het wel geloven. 
Nu, beste aanwezigen, je zal niets bereiken wanneer je je zo naar het kind richt, misschien dat het kind het nog onthoudt, maar wat je moet bereiken, de ziel op een hoger plan brengen, de ziel vervullen met inhoud die levenskracht in zich bergt, dat gaat op deze manier niet. Maar het kan wél op een andere manier. Dan moet je niet zeggen: jij bent als leraar knap, het kind is dom, maar dan moet je zeggen – neem me niet kwalijk dat ik zo paradoxaal spreek – het kind zou in de onderbewuste diepte van zijn ziel nog weleens veel knapper kunnen zijn dan jij. Misschien ben jij de dommerik wel en is het kind knapper. 
Op een bepaalde manier is dat ook zo, want wie weet heeft hoe hoe de inwendige organen die nog niet gevormd zijn, m.n. de hersenen, door de onbewuste, dromende ziel van het kind gevormd worden, hoe daar een ontzaglijk betekenisvolle wijsheid juist in de eerste kinderjaren vormend werkt. Wie deze dingen naar waarde kan schatten, wie geen droge schoolfrik is en voor deze dingen geen ontzag kan hebben, zegt juist: al onze wijsheid die wij in ons

Blz. 152

Leben erwerben, mag sie noch so schöne Maschinen erzeugen, sie ist noch nicht so weit, wie die unbewußte Weisheit des Kindes ist.
Wer als Lehrer auf anthroposophischem Boden steht, der glaubt nämlich selber an das Ausschlüpfen des Schmetterlings aus der Pup­pe, denn er sagt sich: Nicht ich mache diesen Vergleich, sondern die Natur selber macht diesen Vergleich. Was auf einer höheren Stufe das Auslösen, das Loslösen der unsterblichen Seele vom Leibe ist, das hat die Gottheit selber in der Natur in dem aus der Puppe aus­kriechenden Schmetterling vorgebildet. Durchdringe ich mit dem eigenen Gefühle, was ich als Bild dem Kinde vorhalte, dann gebe ich dem Kinde das Rechte, dann gebe ich ihm Lebenskraft damit. Nichts, an das ich nicht selber mit aller Gewalt glaube, wirkt auf das Kind im rechten Sinne. Das sind die Imponderabilien, die zwischen dem Unterrichtenden, Lehrenden und dem Kinde wirken sollen, das Unausgesprochene, dasjenige, was nur im Gefühlsaustausch liegt, das Übersinnliche im Unterrichten. Ist das nicht da, dann wirkt, ich möchte sagen nur das Grobgewichtige, nicht das Impon­derabile, dann geben wir dem Menschen nicht das Rechte auf den Lebensweg mit.

leven verwerven, ook al komen daar de bewonderingswaardige machines mee tot stand, is nog niet zo ver als de onbewuste wijsheid van het kind.
Wie als leerkracht de antroposofie als basis heeft, gelooft namelijk zelf in de vlinder die uit de cocon tevoorschijn komt, want hij zegt: ik maak deze vergelijking niet, maar de natuur zelf. Wat op een hoger niveau het losraken van de onsterfelijke ziel van het lichaam veroorzaakt, heeft het goddelijke zelf in de natuur in de vlinder die uit de pop komt, als voorbeeld gegeven. Als ik met mijn eigen gevoel verdiep, wat ik als beeld aan het kind geef, geef ik het kind het juiste, dan geef ik het daarmee levenskracht. Niets werkt op het kind op de juiste manier door, wanneer ik daar zelf niet intens in geloof. Dat zijn de onweegbare krachten die tussen de leerkracht en het kind moeten werken, dat, wat niet uitgesproken wordt, dat wat alleen in de wisselende werking van de gevoelens aanwezig is, het bovenzintuiglijke in het onderwijs. Als dat er niet is, dan werkt, ik zou willen zeggen, alleen maar het triviale, niet het imponderabele, dan geven we de mens op zijn levensweg niet het juiste mee. (Eigen vertaling.)
GA 297A/150-152
Vertaald: Het morele en religieuze in de opvoeding

.

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3118-2931

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/24)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Wanneer Rudolf Steiner in deze 9e voordracht over ontwikkelingsfasen van het kind’ spreekt, is dat niet voor de eerste keer.
Al in 1907 schrijft hij erover in een artikel in het tijdschrift Lucifer-Gnosis nr.34 1907.: ‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft”. [4] 
Oorspronkelijk heette het artikel…vom Gesichtspunkte der Theosophie,  – inmiddels was het artikel als boekje verschenen – maar Steiner veranderde ‘theosofie’ (na zijn breuk met de theosofische beweging in 1909) in ‘geesteswetenschap’

In GA 59:

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

in voordracht 16, Berlijn 28 maart 1910

Irrtum und Irresein

Van het pad af en de weg kwijt

verwijst Steiner naar zijn artikel in GA 34: ‘De opvoeding van het kind’ en heeft het dan m.n. over de nabootsing en het autoriteitsprincipe.
Al vaker heeft hij gewezen op een samenhang tussen opvoeding en latere lichamelijke klachten en in deze voordracht doet hij met de ziekte die hij hier dementia praecox noemt.
In de loop van de tijd tussen 1910 en nu heeft het begrip betekenisveranderingen ondergaan. 
Ik kan het hier alleen maar als mededeling weergeven.

Blz. 232

Nehmen wir eines, was immer betont worden ist, und was Sie nachlesen können in der kleinen Schrift «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft». Da ist gesagt worden, daß das Kind bis zum siebenten Jahre bei allem, was es tut, vorzugsweise den Impuls fühlt, es unter Nachahmung zu verrichten; daß es dann in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife in der Entwickelung unter dem Zeichen dessen steht, was man

Nehmen wir eines, was immer betont worden ist, und was Sie nachlesen können in der kleinen Schrift «Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft». Da ist gesagt worden, daß das Kind bis zum siebenten Jahre bei allem, was es tut, vorzugsweise den Impuls fühlt, es unter Nachahmung zu verrichten; daß es dann in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife in der Entwicklung unter dem Zeichen dessen steht, was man

Laten we iets nemen waar steeds de nadruk op gelegd is en wat u kan nalezen in mijn kleine artikel ‘De opvoeding van het kind’. Daarin wordt gezegd dat het kind tot aan zijn zevende jaar bij alles wat het doet, vooral de impuls voelt het na te bootsen; en dat het tussen de tijd van tandenwisseling tot aan de puberteit in zijn ontwikkeling onder het teken staat van wat we zouden kunnen noemen: een zich richten op een autoriteit of een zich richten op wat door de levenshouding van een ander mens indruk op ons maakt. Laten we aannemen dat daar geen aandacht aan geschonken wordt, dat deze impuls van de ziel – tot aan het zevende jaar ingesteld op nabootsing en in de tijd van de tandenwisseling tot aan de puberteit op het zich overgeven aan een autoriteit -verkeerd beoordeeld wordt

nennen könnte: Sich-Richten nach einer Autorität oder Richten nach dem, was durch das Darleben eines andern Menschen Eindruck auf uns macht. Nehmen wir an, es wird dem keine Beachtung geschenkt; es wird dagegen gesündigt, daß der Impuls der Seele bis zum siebenten Jahre auf Nachahmung eingestellt ist und in der Zeit vom siebenten Jahre bis zur Geschlechtsreife auf Autoritätsunterwerfung. Wird dem keine Rechnung getragen, so wird die äußere Körperlichkeit, anstatt sich zu einem normalen Instrument für die Seele zu entwickeln, sich in Unregelmäßigkeit entwickeln, und es wird dann die Seele in den folgenden Epochen der menschlichen Entwicklung nicht mehr die Möglichkeit haben, auf ein unregelmäßiges Äußeres in der richtigen Weise zu wirken und damit in Wechselwirkung zu treten. Dann sehen wir, wenn der Mensch in Wendepunkten des menschlichen Lebens in ein neues Stadium tritt, daß in einem gewissen Grade ein Glied des

Als dat niet serieus wordt genomen dan wordt de uiterlijke lichamelijkheid in plaats dat deze zich tot een normaal instrument voor de ziel kan ontwikkelen, onregelmatig ontwikkeld en de ziel zal dan in een volgende fase van de menselijke ontwikkeling niet meer de mogelijkheid hebben op een goede manier in te werken op deze uiterlijke onregelmatigheden en daarmee een interactie aan te gaan. Dan zien we wanneer de mens op kenteringsmomenten in zijn leven een nieuwe fase binnengaat, dat op een bepaalde manier een deel van de

Blz. 232

Menschen zurückgeblieben sein kann, wenn diese Regel nicht beobachtet wird. Und man würde leicht finden, daß nichts anderes demjenigen zugrunde liegt, was gewöhnlich als Jugendblödsinn, Dementia praecox, auftritt, als das Unterlassen der Beobachtung dieser Gesetze. Durch das Außerachtlassen der richtigen Vorschriften in früheren Epochen tritt dann in dem Zusammenwirken zwischen äußerem und innerem Menschen als Disharmonie dasjenige auf, was als Jugendblödsinn, Dementia praecox, bekannt ist, als Symptom für eine verspätete Nachahmung.

mens achtergebleven kan zijn, als hiermee geen rekening wordt gehouden. En dan zal je vinden dat er niets anders ten grondslag ligt aan wat gewoonlijk als zwakte*, dementia praecox, optreedt, dan het nalaten om deze wetmatigheden serieus te nemen. Door het verwaarlozen van die juiste principes in die voorafgaande fasen, treedt dan in het samengaan tussen de uiterlijke en innerlijke mens als disharmonie op, wat we onder jeugdzwakte*, dementia praecox verstaan, als symptoom van een verlate nabootsing.
GA 59/232
Niet vertaald

*het Duits heeft ‘Jugendblödsinn’ waarbij ‘blödsinn’ een ruimere betekenis heeft dan we nu in het woordenboek vinden. 

Meer over dementia praecox.
Als voetnoot bij ‘dementia preacox’ in GA 96:
Met deze uitdrukking werd in de tijd waarin deze voordrachten werden gehouden, een complex van ziekteverschijnselen benoemd die we nu (1989) schizofrenie noemen.

Steiner noemt het nog in GA 297, als er een vraag wordt gesteld of je met kinderen geestelijke scholingsoefeningen kan doen. 

Ook in GA 348 – niet vertaald – komt het ter sprake op blz. 172, weer in een ander verband: nu met voeding.  

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 34
Die Erziehung des Kindes
De opvoeding van het kind

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3117-2930

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/2)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten. 

Op 21 augustus 1919 begint Steiner in Stuttgart met de cursus voor de eerste leerkrachten van de eerste Waldorfschool.
Op 1 augustus 1919 sluit hij een voordrachtenreeks in Dornach af die – wellicht verrassend – al over de Waldorfschool gaat:

   Die spirituellen, kulturgeschichtlichen und sozialen Hintergründe                                    der Waldorfschul-Pädagogik

Ook bekend onder de titel:
Die Erziehungsfrage als soziale Frage

Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

6 voordrachten in Dornach van 9 t/m 17 augustus 1919

De opmerkingen die ik (in blauw) n.a.v. deze voordracht maak, moet je in samenhang met de totale tekst zien. Daarom is deze als vertaling onder aan het artikel weergegeven. Die zou je eigenlijk eerst moeten lezen.

Het lijkt erop of Steiner hier over het dagelijkse werk in de klas een machtige boog wil spannen, met aan de ene kant het (verre) verleden en aan de andere kant de (verre) toekomst.

In de 5e voordracht komt de intelligentie ter sprake, eveneens in een wijds verband:

Die Metamorphosen der menschlichen Intelligenz. Der Ägypter erfaßte das Kosmische durch seine Intelligenz; der Grieche das Tote. In der Gegenwart hat die Intelligenz die Neigung, sich mit dem Bösen zu verbinden. Verwandlung der Intelligenzkräfte durch das Christus-Mysterium.

De metamorfose van de menselijke intelligentie. De Egyptenaar begreep het kosmische door zijn intelligentie; de Griek de dood. In deze tijd heeft de intelligentie de neiging zich met het kwaad te verbinden. Omwerking van de intelligentiekrachten door het mysterie van Christus.

Door deze overkoepelende blik krijgen we een indruk hoe het met de ontwikkeling van de intelligentie is gegaan. En zoals ‘bewustzijn’ voor Steiner niet het bewustzijn is zoals we daar nu over spreken, maar een bewustzijn dat voortdurend in ontwikkeling is, zo spreekt hij ook over de intelligentie.

Voordracht 5, Dornach 16 augustus 1919

Blz. 85/86  vert. 97/98

Wenn man gegenwärtig von Intelligenz spricht, dann hat man eben eine Seelenkraft im Auge, die man sich in einer bestimmten Weise vorstellt, und von der man nur denkt, daß sie so sein könne und sein müsse, wie man
gewohnt worden ist, sie sich vorzustellen. Nun, es haben Intelligenz, wenn auch Intelligenz von anderer Form, auch gehabt die Menschen früherer Entwicklungsepochen, und will man die Bedeutung der sogenannten Intelligenz für den Menschen der Gegenwart voll kennenlernen, dann muß man schon die
Frage auf werfen: Wie sah die Intelligenz der Menschen früherer
Entwicklungsepochen aus und wie hat sich diese Intelligenz der Menschheit von früheren Zeiten bis in unsere Zeiten herein allmählich verändert?

Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?

[ ]wenn man denkt, Intelligenz ist einmal Intelligenz, ist nur auf eine Art möglich; wer unsere Intelligenz hat, ist eben intelligent, wer unsere Intelligenz nicht hat, ist eben unintelligent. Das ist nicht richtig. Die Intelligenz geht Metamorphosen durch, die Intelligenz verwandelt sich.

wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert.

Steiner schetst dan de intelligentie van de Chaldeeuwse en Egyptische mens, hoe zijn intelligentie kosmisch georiënteerd was. Daarmee a.h.w. het leven, het scheppende leven, begreep. I.t.t. de Griekse mens die met zijn intelligentie de dood ging begrijpen. 

Durch das Nachdenken, durch die Intelligenz wußte er, lernte er nur kennen diejenigen Gesetzmäßigkeiten, diejenigen Regeln, welche zugrunde liegen all dem, was auf der Erde dem Tode unterliegt, was stirbt. Will ich das Lebendige verstehen, muß ich schauen – so sagten sich die Plato-Schüler; indem
ich nur nachdenke, begreife ich bloß das Tote.

Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode. 

In de Algemene menskunde is dit nader uiteengezet in voordracht 2.

Als we in onze tijd aankomen zegt Steiner over de ontwikkeling van de intelligentie: 

Blz. 89  vert. 101

Aber wiederum mit dem Übergänge durch die Mitte des 15. Jahrhunderts verändert sich neuerdings die Intelligenz, und wir stehen im Anfange dieser Veränderung, dieser Umwandlung der Intelligenz.
Unsere Intelligenz geht einen gewissen Weg; heute sind wir noch sehr stark in einer solchen Entwickelung der Intelligenz darinnen, wie sie die Griechen hatten. Wir begreifen durch unsere Intelligenz dasjenige, was dem Tode unterliegt. Aber auch diese Art von Intelligenz, die das Tote begreif t, verwandelt sich. Und in den nächsten Jahrhunderten und Jahrtausenden wird diese Intelligenz etwas anderes, etwas weit weit anderes werden. Sie hat heute schon eine gewisse Anlage, unsere Intelligenz. Wir werden als Menschheit einlaufen in eine Entwickelung der Intelligenz so, daß die Intelligenz wird die Neigung haben, nur das Falsche, den Irrtum, die Täuschung zu begreifen und auszudenken nur das Böse

Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken. 

Die Menschheit ist heute in diesem Übergänge. Wir können sagen: Gerade noch gelingt es den Menschen, wenn sie ihre Intelligenz anstrengen und nicht in sich ganz besonders wilde Instinkte tragen, nach dem Lichte des Guten etwas hinzuschauen. Aber diese menschliche Intelligenz wird immer mehr und mehr die Neigung bekommen, das Böse auszudenken und das Böse dem Menschen einzufügen im Moralischen, das Böse in der Erkenntnis, den Irrtum.

De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.

Wie alle artikelen over ‘Ahriman en het onderwijs‘ heeft gelezen, voorvoelt al uit deze woorden, dat het over ‘de leugengeest’ gaat.

Blz. 90  vert. 102

Und würde der Mensch nichts anderes ausbilden als seine Intelligenz, dann würde er auf der Erde ein böses Wesen werden. Wir dürfen nicht rechnen, wenn wir mit der Zukunft der Menschheit rechnen und diese Zukunft uns als heilsam denken wollen, wir dürfen nicht rechnen auf die einseitige Ausbildung
der Intelligenz.

Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie.

Het antwoord op de vraag hoe wij ons kunnen beschermen tegen deze eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie is niet makkelijk te begrijpen.
Het antwoord is nl. niet gevonden d.m.v. de intelligentie, maar door het schouwen in de geestelijke wereld, uiteraard door Steiner. 
De mensen zouden al veel meer tot het kwaad zijn vervallen als zich niet een gebeurtenis in de wereld had voltrokken, die Steiner veelal het mysterie van Golgotha noemt. Voor hem is die gebeurtenis iets objectiefs:

Aber ein Objektives ist dazu notwendig. Und hier tritt man vor ein tiefes Geheimnis gerade der christlich-esoterischen Entwickelung.
Wäre das Mysterium von Golgatha nicht im Laufe der Erdenentwickelung geschehen, dann wäre es unvermeidlich, daß die Menschen nach und nach durch ihre Intelligenz böse und in den Irrtum verfallende Wesen werden müßten. Sie wissen ja, mit dem Mysterium von Golgatha ist nicht nur eine Lehre, eine Theorie, eine Weltanschauung, eine Religion in die Entwicklung der Menschheit eingeflossen, sondern mit dem Mysterium von Golgatha ist etwas Tatsächliches geschehen.
In dem Menschen Jesus von Nazareth hat gewohnt das außerirdische Wesen, der Christus. Dadurch, daß der Christus in dem Jesus von Nazareth gewohnt hat, der Jesus von Nazareth gestorben ist, ist das Christus-Wesen übergegangen in die irdische Entwicklung, da ist das Christus-Wesen darinnen. Wir müssen uns nur bewußt sein, daß

Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een

Blz. 91  vert. 103

das eine objektive Tatsache ist, daß das eine Tatsache ist, die mit dem, was wir subjektiv erkennen, was wir subjektiv empfinden, als solches nichts zu tun hat. Wir müssen es erkennen um unseres Erkennens willen. Wir müssen es aufnehmen in unser Ethos, um dieses unseres Ethos willen. Aber der Christus ist ausgeflossen in die Menschheitsentwickelung, da ist er seitdem darinnen – was man die Auferstehung nennt – und er ist vor allen Dingen in unseren eigenen Seelenkräften.
Fassen Sie nur einmal diese Tatsache in ihrer ganzen Tiefe auf!

objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien dat noemen we de Opstanding en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!

Nu houdt Steiner ons voor dat we de schadelijke kant van de boosaardige wordende intelligentie alleen kunnen weerstaan wanneer we Christus in ons leven opnemen.

Blz. 92  vert. 104

Er kann den Funken des Christus in sich selber finden, wenn er sich anstrengt durch sein Leben.
Und in dieser Wiedergeburt, in diesem Finden des ChristusFunkens in sich, in diesem aufrichtigen und ehrlichen Sich-sagenKönnen: «Nicht ich, sondern der Christus in mir», liegt die Möglichkeit, den Intellekt nicht in Täuschung und in das Böse verfallen zu lassen. Und das ist im esoterisch-christlichen Sinne der höhere Begriff der Erlösung.

Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant. En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen.

Wir müssen unsere Intelligenz ausbilden, denn wir können ja nicht unintelligent werden; aber wir stehen, indem wir anstreben unsere Intelligenz auszubilden, vor der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen. Wir können der Versuchung, dem Irrtum und dem Bösen zu verfallen, nur entgehen, wenn wir uns aneignen die Empfindung von dem, was das Mysterium von Golgatha in die Menschheitsentwickelung hineingebracht hat.

We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.

Es ist schon so, daß der Mensch in dem Christus-Bewußtsein, in dem Vereinigtsein mit dem Christus findet die Möglichkeit, dem Bösen, dem Irrtum zu entrinnen.

Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen.

Vragen die opkomen en waarop ik geen antwoord heb, zijn voor mij bijv.

Kan dit alleen door ‘in Christus te leven’ – hoe leef je dan, wat moet er dan in je plaatsvinden?
Kan het door anderen? Kan het als je atheïst bent, agnost, moslim, boeddhist?
(Over de atheïst en agnost zegt hij in deze voordracht ook iets – zie de totale vertaling onder aan het artikel.)

Is dit dan de enige richting?:

Ganz und gar ahrimanisch würde die Intelligenz der Menschen,
wenn das Christus-Prinzip die Seelen der Menschen nicht durchdränge.

De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.

Nu zouden we dit allemaal nog voor ons persoonlijk leven kunnen laten gelden, maar Steiner trekt het ook door naar het (vrijeschool)onderwijs.

Das ist auch etwas, wovon ein Bewußtsein entwickelt werden muß bei denjenigen Menschen, die für die Menschenzukunft Erzieher und Unterrichter werden. Die Kinder sind heute anders, als sie waren vor Jahrzehnten. Das ergibt sich schon einer oberflächlichen Betrachtung sehr deutlich. Man muß sie anders erziehen und anders unterrichten, als man sie vor Jahrzehnten unterrichtet hat. Man muß mit dem Bewußtsein unterrichten, daß man eigentlich bei jedem Kinde eine Rettung zu vollziehen hat, daß man jedes Kind dahin bringen muß, im Lauf des Lebens den Christus-Impuls in sich zu finden, eine Wiedergeburt in sich zu finden.

Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.

Solche Dinge, sie lebt man da, wo man sie zum Beispiel nötig hat als Lehrer, als Erzieher, nicht aus, wenn man sie einfach nur theoretisch kennt; sie lebt man nur aus, man führt sie nur ein in die Erziehung, in das Unterrichten, wenn man in der Seele stark erfaßt ist von diesen Dingen. Von der Lehrerschaft insbesondere muß es gefordert werden, daß sie in ihrer Seele stark erfaßt wird von diesem Sorgenvollen für die Menschheit, welche Versuchung der Intellekt mit sich bringt! Der Stolz, den die gegenwärtige Menschheit auf den Intellekt entwickelt, dieser Stolz, er könnte sich schwer rächen an der Menschheit, wenn er nicht durch dasjenige abgelähmt würde, was ich eben auseinandergesetzt habe, wenn er nicht abgelähmt würde durch ein starkes, energisches Bewußtsein: das Beste in mir als Mensch dieser

Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind. 

Zou Steiner alleen ‘opvoeder’ hebben gezegd, dan hadden we het nog als iets voor ‘thuis’ kunnen zien, maar hij gebruikt bewust ook ‘onderwijzer’.
En dat roept weer nieuwe vragen op. Hoe vaak heeft Steiner niet gezegd dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn. Nu krijg je de indruk dat de vrijeschool een christelijke school moet zijn. Niet in de traditionele zin van christelijk:

Blz. 95  vert. 107/108

Nun muß man sich klar sein darüber, daß dieser Christus-Impuls nicht sein darf die Dogmatik irgendeiner Religionsgemeinschaft. Die Religionsgemeinschaften haben seit der Mitte des 15. Jahrhunderts in ihrer Entwicklung mehr beigetragen, den Christus-Impuls von der Menschheit zu entfernen, als ihn der Menschheit nahe zu bringen. Die Religionsgemeinschaften machen den Menschen allerlei vor; aber indem sie ihnen dies oder jenes vormachen, bringen sie sie dem Christus-Impuls nicht nahe. Notwendig ist, daß der Mensch fühlt,
daß alles dasjenige, was sich ihm eröffnen und offenbaren kann in seinem Innern nach dem Mysterium von Golgatha hin, zusammenhängt mit dem, was für die Erde durch das Mysterium von Golgatha geworden ist. Empfindet man den Sinn der Erde in dem Mysterium von Golgatha, kann man sich aufraffen dazu, sich zu sagen: Die Entwicklung der Erde wäre sinnlos, wenn die Menschen durch ihre Intelligenz dem Bösen, dem Irrtum verfallen würden. Empfindet
man so den Sinn des Mysteriums von Golgatha, dann empfindet man
als sinnlos die Erdenentwickelung ohne das Mysterium von Golgatha.

Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.

Het betekent dus dat wij dit innerlijk, met ons hele wezen, denk ik, zouden moeten kunnen ervaren, zo dat het volledig ons besef is of wordt.
Dat wordt nogmaals benadrukt:

Damit muß man sich stark, sehr stark durchdringen, wenn man heute und in der Zukunft etwas tun will, um den Menschen zu erziehen, den Menschen zu unterrichten. Diese großen Gesichtspunkte müssen eingenommen werden.

Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken.
GA 296/v.a. 85
Vertaald/v.a. 97

Het past bij de beschouwingen van deze dagen dat we steeds dieper ingaan op de nieuwste geschiedenis, door na te gaan hoe de wereldkrachten zich invoegen in de ontwikkelingsstroom van onze tijd en hoe ze de grondslagen vormen voor het menselijk leven. Uit de uiteenzetting van gisteren heeft u kunnen opmaken dat het steeds noodzakelijker wordt om de starre, abstracte begrippen waaraan de moderne mens gewend is, te veranderen in vloeiende, beweeglijke, levende begrippen, wanneer de mensheid verder wil komen. Een nadere beschouwing van het menselijke zielenvermogen dat we intelligentie noemen, werpt een bijzonder licht op de feiten, die in dit verband relevant zijn. U weet dat de moderne mens bijzonder trots is op zijn intelligentie. Hij beschouwt zijn intelligentie als iets zeer uitzonderlijks dat hij zich in de loop der tijd met moeite verworven heeft.
Wanneer de moderne mens terugkijkt naar vroegere tijden en ziet hoe de mensen in het verleden zich van alles in beelden voorstelden en door mythen en legenden probeerden door te dringen in dat wat de moderne mens nu, door zijn intelligentie en door de wetenschap, werkelijk meent te kennen, dan noemt de moderne mens deze vroegere geestes- en zielengesteldheid kinderlijk. Hij kijkt dan terug op kinderlijke fasen in de ontwikkeling en voelt zich heel wat omdat hij het zover gebracht heeft, zeker in de ontwikkeling van de intelligentie. De uiteenzetting van vandaag zullen we wijden aan de eigenaardigheid van de menselijke intelligentie en we zullen deze innerlijke kracht, waarop de moderne mens zo trots is, eens nader beschouwen. Wanneer men het tegenwoordig over intelligentie heeft, dan wordt daarmee een innerlijke kracht bedoeld, die men zich op een bepaalde manier voorstelt en waarvan men
97 

 denkt dat die alleen zo kan en moet zijn, zoals men gewend is zich die voor te stellen.
Maar ook de mensen uit vroegere ontwikkelingsstadia bezaten intelligentie, al was het een andere vorm van intelligentie. Wanneer men de betekenis van wat de moderne mens intelligentie noemt ten volle wil leren kennen, dan moet men de vraag stellen: hoe zag de intelligentie van mensen uit vroegere ontwikkelingstijdperken eruit en hoe is deze intelligentie van de mensheid uit vroegere tijden geleidelijk veranderd?
We zullen vandaag niet verder teruggaan dan tot de tijd, die wij gewoonlijk de derde na-Atlantische cultuurperiode noemen; de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd, waarop de Grieks-Latijnse tijd en vervolgens onze tijd volgde. Wij zullen de bijzondere kenmerken van de intelligentie bij de oude Egyptenaren en Chaldeeërs in ogenschouw nemen, dan die van de Grieken en Romeinen en vervolgens richten we de blik op de specifieke vorm van intelligentie die de mens van het vijfde na-Atlantische tijdperk eigen is. U hoort wel dat ik ervan uitga dat het niet juist is – en het is ook niet juist -, wanneer men denkt dat intelligentie gewoon intelligentie is en maar in één vorm bestaat; wie onze intelligentie bezit is intelligent, wie onze intelligentie niet bezit is onintelligent. Dat klopt niet. De intelligentie ondergaat metamorfosen, ze verandert. De intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was anders dan die van onze tijd. Van de andersoortige intelligentie van de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd kan men zich het beste een voorstelling vormen wanneer men beseft dat de oude Egyptenaar, zoals ook de oude Chaldeeër, door zijn intelligentie instinctief de verwantschap voelde, de verwantschap begreep van zijn eigen menselijk wezen met de hele kosmos.
Over dat waarover de moderne mens met behulp van zijn intelligentie nadenkt, dachten de Egyptisch-Chaldeeuwse mensen niet of nauwelijks na. Want deze vorm van intelligentie was hun vreemd. Wanneer zij dachten, wanneer zij hun intel-
98 

intelligentie in beweging brachten, dan leefde in deze intelligentie hun verbondenheid met de kosmos. De oude Egyptenaar of Chaldeeër wist hoe hij met het ene of het andere dierenriemteken in verbinding stond. Hij wist welke invloed de maan, de zon en de planeten op zijn innerlijke en lichamelijke gesteldheid uitoefenden. Hij wist hoe de opeenvolging van de jaargetijden op het menselijk wezen werkte. Dat nam hij allemaal in zich op door zijn intelligentie. Door zijn intelligentie kreeg hij een volledig innerlijk beeld van zijn verwantschap met de kosmos.
Deze intelligentie veranderde toen de Egyptisch-Chaldeeuwse mensheidsperiode in de 8e eeuw vóór de stichting van het Christendom afliep. Geleidelijk werd de intelligentie iets geheel anders dan het in de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was. In de intelligentie drong het begrip van de verbinding met de kosmos niet meer volledig binnen, zoals dat vóór de 8e eeuw voor Christus nog wel het geval was. Men wist nog wel van deze verbinding met de kosmos maar dat was meer als een soort naklank, een soort herinnering aan dat wat men hierover vroeger wist. In de Griekse tijd begon de mens meer over zichzelf te denken, over de mens als aardebewoner en minder over de samenhang van mens en kosmos. De Griek had echter een duidelijk gevoel, een duidelijke gewaarwording, juist wanneer hij zijn intelligentie gebruikte; dan begreep hij met name het aardse element dat aan de dood onderhevig is.
Dit gevoel is weer verloren gegaan door de ontwikkeling van de intelligentie sinds het midden van de 15e eeuw, sinds de vijfde na-Atlantische cultuurperiode. De Griek wist dat hij zich, wanneer hij het bovenzintuiglijke wilde begrijpen, moest richten op het schouwen1 dat in de voor-Christelijke tijd nog min of meer atavistisch aanwezig was. Hij wist dat hij door het nadenken, door de intelligentie, alleen de wetmatigheden, de regels leerde kennen die ten grondslag liggen aan alles wat
99 

op aarde aan de dood onderhevig is, alles wat sterft. Wanneer ik het leven wil begrijpen, zo wisten de leerlingen van Plato, dan moet ik schouwen; wanneer ik nadenk, begrijp ik alleen het dode.
In de Griekse esoterische scholen werden over deze samenhang heel bepaalde dingen verteld. De leerlingen van deze scholen kregen ongeveer het volgende te horen: alles is geestelijk, ook het schijnbaar materiële is onderworpen aan geestelijke wetmatigheden. Dat wat zich als aards-materieel aan je voordoet, wordt in wezen ook door geestelijke wetten beheerst. Er zijn geestelijke wetten waaraan je onderworpen bent voor zover je lichamelijk bent. Voor zover je lichamelijk bent en door de poort van de dood gaat, is je lichaam onderworpen aan de materiële krachten en stoffen van de aarde. Maar deze zijn slechts schijnbaar materieel. Ook zij zijn in wezen geestelijk, maar ze zijn doordrongen met geestelijke kracht, die zich aan jou voordoet als de dood. Wanneer je met je intelligentie bepaalde wetten begrijpt, dan zijn het de wetten van het dode. Het zijn de wetten van dat wat de graven bevatten, die de lichamen in zich opnemen. Het werd de overtuiging van vele Griekse leerlingen van de esoterische scholen, dat de menselijke intelligentie alleen kan begrijpen, wat de graven, die de lichamen in zich opnemen, bevatten. Wanneer je wilt weten -zo zei de leraar tot de leerling van de esoterische school -, in welke geestelijke werelden je leeft wanneer je hier op aarde bent, of wanneer je ziel vrij is van het lichaam tussen de dood en een nieuwe geboorte, dan moet je dat wat “geschouwd” is als overtuiging in je opnemen. Wanneer je dat niet doet en alleen met je intelligentie begrippen en ideeën ontwikkelt, dan begrijp je alleen de geest van de materie, waaruit je lichaam is opgebouwd.
Terwijl de Egyptisch-Chaldeeuwse mens in zijn intelligentie zijn verwantschap met de kosmos voelde en waarnam, nam de Griekse mens door zijn intelligentie dat waar, wat de graven beheerst. Ook wij nemen door onze intelligentie slechts dat waar, wat de gra-
100 

graven beheerst, alleen zijn we ons daarvan niet bewust. Daarom gaan we – althans diegenen onder ons die dat moeten leren – naar de snijzaal, onderzoeken het lijk en houden de wetmatigheid van het lijk, die we door onze intelligentie begrijpen, voor de wetmatigheid van de mens. Maar het is slechts de wetmatigheid van het graf; zoals ook dat wat onze intelligentie begrijpt, de wetmatigheid van het graf is.
Met de overgang in het midden van de 15e eeuw verandert de intelligentie opnieuw, en we staan aan het begin van deze verandering, deze metamorfose van de intelligentie. Onze intelligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intelligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeuwen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders worden. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelligentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken.
De leerlingen van de esoterische scholen, en met name de ingewijden, wisten vanaf een bepaalde tijd dat de menselijke intelligentie een ontwikkeling naar het kwade doormaakt en dat het steeds moeilijker zal worden alleen door intelligentie het goede te herkennen. De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitengewoon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te denken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.
101 

Dat was een van de redenen waarom de ingewijden zich de mannen van zorg noemden, omdat de ontwikkeling van de mensheid in de eenzijdigheid, zoals ik die zojuist uiteengezet heb, inderdaad zorgen baart; zorgen juist om de ontwikkeling van de intelligentie. Het is tenslotte niet voor niets dat de intelligentie de moderne mens zozeer met trots en hoogmoed vervult. Dat is, zo zou ik het willen noemen, een voorproefje 90 voor het kwaad-worden van de intelligentie in de vijfde na-Atlantische periode, waarin wij nog maar aan het begin staan. Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intelligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wanneer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst willen zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. In de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was deze intelligentie nog iets goeds, maar daarna is zij tot iets geworden dat verwant is met de krachten van de dood. Deze intelligentie zal een verbinding aangaan met de krachten van bedrog, van dwaling en van het boze.
Hierover zou de mensheid zich vooral geen illusies moeten maken. We moeten er in alle openheid rekening mee houden dat we ons moeten beschermen tegen de eenzijdige ontwikkeling van de intelligentie. Niet voor niets zal er juist door de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap iets anders kunnen komen: namelijk het opnemen van dat wat door een vernieuwd schouwen uit de geestelijke wereld kan worden verworven, wat niet door intelligentie begrepen kan worden maar pas begrepen kan worden wanneer men accepteert wat de wetenschap van de inwijding door middel van het schouwen uit de geestelijke wereld haalt.
Maar daarvoor is iets objectiefs noodzakelijk. En daarmee staan we dan voor een diep geheim van de christelijk-esoterische ontwikkeling. Wanneer het Mysterie van Golgotha niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou het onvermijdelijk zijn
102 

geweest dat de mensen door hun intelligentie langzaam maar zeker tot boze en in dwaling verkerende wezens moesten worden. U weet dat met het Mysterie van Golgotha niet slechts een leer, een theorie, een wereldbeschouwing of een godsdienst in de ontwikkeling van de mensheid binnenstroomde, maar dat met het Mysterie van Golgotha een concrete gebeurtenis plaatsvond. In de mens Jezus van Nazareth2 leefde het wezen dat niet van de aarde afkomstig was, de Christus. Doordat de Christus in Jezus van Nazareth leefde, en Jezus van Nazareth is gestorven, is het Christus-wezen overgegaan in de aardse ontwikkeling, daarin is het Christus-wezen3 binnengegaan. Wij moeten ons er echter bewust van zijn dat dit een objectief feit is, dat dit een feit is dat met ons subjectieve begrijpen, met ons subjectieve beleven helemaal niets te maken heeft. We moeten het begrijpen, ter wille van ons inzicht. We moeten het opnemen in onze levenshouding, ter wille van onze levenshouding. De Christus is uitgestroomd in de mensheidsontwikkeling, daar bevindt Hij zich sindsdien – dat noemen we de Opstanding – en Hij is bovenal in onze eigen innerlijke kracht. Neemt u dit feit maar eens diep in uw innerlijk op!
Kijkt u eens naar het verschil tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde, en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde. Natuurlijk zijn het dezelfde mensen, want de zielen gaan immers door een reeks van aarde-levens heen. Maar wanneer we de mens als aarde-mens beschouwen, moeten we onderscheid maken tussen de mens die vóór het Mysterie van Golgotha leefde en de mens die na het Mysterie van Golgotha leefde.
Wanneer men tot een algemeen Godsbegrip komt, dan is dit algemene Godsbegrip niet het Christus-begrip. Men kan tot een algemeen Godsbegrip komen door de natuur in haar verschijningen te volgen, door het menselijke fysieke wezen, voor zover dat uiterlijk te bestuderen is, te volgen. Het Christus-wezen is zodanig dat het alleen te benaderen is wanneer
103 

men in de loop van het aardeleven iets in zichzelf ontdekt. Het algemene Godsbegrip kan men vinden, wanneer men tegen zichzelf zegt: vanuit de krachten van de wereld ben je ontstaan. Het Christus-begrip kan men in zichzelf vinden, wanneer men verder komt dan de natuur je laat komen. Vindt de mens die in de wereld leeft het godsbegrip niet, dan is dit een vorm van ziekte. Een gezond mens is nooit werkelijk atheïstisch. In dat geval moet men lichamelijk of innerlijk ziek zijn. Deze ziekte uit zich vaak door niets anders dan dat men atheïst is.
Wanneer men Christus niet kent, is dat niet een ziekte maar een ongeluk, het is een gemiste kans in het leven. Door zich te bezinnen op het feit dat de mens uit de natuur en de krachten van de natuur geboren wordt, kan men, wanneer men dit geboorteproces met een gezonde ziel volgt, tot een Godsbegrip komen. Wanneer men in de loop van het leven iets als een wedergeboorte beleeft, kan men tot een Christus-begrip komen. De geboorte leidt tot God, de wedergeboorte tot Christus. Tot deze wedergeboorte, waardoor de Christus als werkelijkheid in de mens ervaren kan worden, kon de mens vóór het Mysterie van Golgotha niet komen. En dit is het verschil waarop ik uw aandacht wil richten: vóór het Mysterie van Golgotha kon de mens deze wedergeboorte niet beleven. Hij kon niet beseffen dat de Christus in hem leeft omdat het Christus-wezen nog niet was uitgestroomd in de mensheid. Na het Mysterie van Golgotha kan de mens dat wel. Hij kan de vonk van de Christus in zichzelf vinden, wanneer hij zich daarvoor inspant.
En in deze wedergeboorte, in het vinden van de Christus-vonk in zichzelf, wanneer men oprecht en eerlijk tegen zichzelf kan zeggen: “Niet ik, maar de Christus in mij”4, ligt de mogelijkheid het intellect niet in dwaling en in het boze te laten vervallen. In Christelijk-esoterische zin is dat het hogere begrip van de verlossing. We moeten onze intelligentie ontwikkelen, want we kunnen niet onintelligent worden. Maar
104
Maar wanneer we ernaar streven onze intelligentie te ontwikkelen, staan we voor de verleiding in dwaling en in het kwade te vervallen. Deze verleiding kunnen we alleen weerstaan wanneer we in onszelf kunnen beleven wat het Mysterie van Golgotha in de mensheidsontwikkeling gebracht heeft.
Het is namelijk zo, dat de mens in het Christus-bewustzijn, in het verenigd zijn met de Christus, de mogelijkheid vindt om aan het kwade, aan de dwaling te ontkomen. De Egyptisch-Chaldeeuwse mens had de wedergeboorte in Christus niet nodig, omdat hij door zijn natuurlijke intelligentie nog de verwantschap met de kosmos beleefde. De Griek had in wezen de ernst van de dood voor zich, wanneer hij zich aan zijn intelligentie overgaf. En nu staat de mens aan het begin van een tijdperk waarin de intelligentie in het kwade zal verkeren, wanneer de menselijke ziel zich niet met de Christus-kracht zal doordringen. Probeert u zich eens voor te stellen hoe ernstig dit is. Het laat zien hoe men bepaalde dingen, die zich in onze tijd reeds aankondigen, moet opvatten, hoe men moet bedenken dat in onze tijd de mensen de neiging tot het kwade krijgen, juist omdat hun intelligentie zich verder ontwikkelt. Het zou natuurlijk volstrekt onjuist zijn om te denken dat de intelligentie onderdrukt zou moeten worden. De intelligentie mag niet onderdrukt worden maar de mensen met inzicht in de toekomst hebben een zekere moed nodig om zich aan hun intelligentie over te geven, omdat de intelligentie tot het kwade en de dwaling verleidt, terwijl we in het doordringen van deze intelligentie met het Christus-principe de mogelijkheid moeten vinden de intelligentie om te vormen. De menselijke intelligentie zal volledig ahrimanisch5 worden wanneer het Christusprincipe de zielen van de mensen niet zal doordringen.
U weet hoeveel er juist in deze tijd al duidelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van de mensheid, waaraan mensen met inzicht kunnen aflezen dat de dingen zullen gaan zoals ik zojuist geschetst heb. Bedenkt u maar eens wat er door het
105 

derde van de ontwikkelingsperspectieven, die door het materialisme de mensheid bedreigen, nu al over de mensen wordt uitgestort. Wanneer u bedenkt met hoeveel wreedheden de huidige cultuurontwikkeling al doortrokken is, die zich nauwelijks laten vergelijken met de wreedheden uit de barbaarse tijden, dan zult u er nauwelijks aan kunnen twijfelen dat het begin van de val van de intelligentie al duidelijk zichtbaar is. Men moet de zogenaamde cultuurverschijnselen van onze tijd niet oppervlakkig bekijken, men moet er waarachtig niet aan twijfelen dat de mensen van nu zich moeten inspannen om de Christus-impuls werkelijk te begrijpen, wanneer zij een vruchtbare toekomst tegemoet willen gaan. Twee dingen zijn nu al duidelijk merkbaar: mensen die zeer intelligent zijn en die een duidelijke neiging naar het boze hebben; en anderzijds is te merken dat veel mensen deze hang naar het boze onderdrukken, en niet bestrijden, door hun intelligentie te laten slapen. Slaperigheid van de zielen, of bij wakkere zielen een sterke hang naar het boze en de dwaling, dat is tegenwoordig al duidelijk waarneembaar.
Denkt u nog eens terug aan een avond voor mijn laatste vertrek7, toen ik hier uiteengezet heb hoe sinds vijf, zes, zeven, acht jaar de kinderen die worden geboren er anders uitzien, men zou kunnen zeggen, met een zweem van melancholie in hun gezicht, duidelijk zichtbaar voor degene die dit soort dingen kan waarnemen. En ik heb verteld dat dat komt omdat de zielen in deze tijd niet graag afdalen in onze van materialisme vervulde wereld. Men zou kunnen zeggen dat de zielen vóór hun geboorte een zekere vrees en angst voelen om de wereld te betreden, waarin de intelligentie de hang, de neiging tot het boze heeft en in een neerdalende ontwikkeling terecht gekomen is.
Ook hiervoor moeten de mensen die opvoeder en onderwijzer voor de menselijke toekomst willen worden, een bewustzijn ontwikkelen. De kinderen van nu zijn anders dan die van
106 

tientallen jaren geleden, dat is zelfs met een oppervlakkige waarneming al duidelijk vast te stellen. Zij moeten anders opgevoed en onderwezen worden dan tot nog toe gebeurde. Men moet onderwijzen in het bewustzijn dat men eigenlijk bij elk kind een redding moet volbrengen, dat men elk kind zover moet brengen dat het in de loop van zijn leven de Christusimpuls in zich vindt, dat het in zichzelf een wedergeboorte beleeft.
Dergelijke dingen kan men, als leraar of opvoeder niet verwerkelijken waar dat nodig is, wanneer men ze slechts als theorie kent. Alleen wanneer de ziel sterk betrokken is bij deze dingen, kunnen ze ook verwerkelijkt en toegepast worden in opvoeding en onderwijs. Juist van de leraren moet verlangd worden dat ze in hun ziel de bezorgdheid beleven voor de mensheid, die staat voor de verleiding die het intellect met zich meebrengt. De trots die de moderne mensheid aan zijn intellect ontleent, kan de mensheid duur komen te staan wanneer die trots niet wordt afgezwakt door een sterk en energiek besef: het beste in mij als mens in deze en volgende incarnaties is wat ik in mijzelf als de Christus-impuls vind.
Nu moet het duidelijk zijn dat deze Christus-impuls niet de dogmatiek van een of andere religieuze gemeenschap kan zijn. Vanaf het midden van de 1 5e eeuw hebben religieuze gemeenschappen er in hun ontwikkeling meer toe bijgedragen de Christus-impuls van de mensen te vervreemden, dan hem dichterbij te brengen. Zij maken de mensen van alles wijs, maar brengen de Christus-impuls daarmee niet dichterbij. Het is noodzakelijk dat de mens beseft dat alles waardoor hij innerlijk open kan staan voor wat het Mysterie van Golgotha hem kan openbaren, samenhangt met wat het Mysterie van Golgotha voor de aarde betekent. Ervaart men dat de betekenis van de aarde in het Mysterie van Golgotha ligt, dan kan men er toe komen om tegen zichzelf te zeggen: de ontwikkeling van de aarde zou zinloos zijn wanneer de mens door zijn intelligentie tot het
107 

boze, de dwaling vervalt. Wanneer men de betekenis van het Mysterie van Golgotha zo ervaart, dan ervaart men de aarde-ontwikkeling zonder het Mysterie van Golgotha als zinloos.
Dit besef moet men zeer diep tot zich door laten dringen wanneer men nu en in de toekomst iets wil doen om de mens op te voeden en te onderwijzen. Men moet zich deze grote gezichtspunten eigen maken. Maar u weet hoe ver de moderne mens hiervan verwijderd is. Het is daarom niet alleen noodzakelijk om steeds weer te wijzen op het belang van de geesteswetenschap, het is ook noodzakelijk om te wijzen op de ernst die zich van de ziel meester moet maken wanneer we de betreffende feiten in de ontwikkeling van de mensheid door de geesteswetenschap leren kennen. Want niet alleen onze kennis maar ons hele leven moet door de geesteswetenschap een impuls krijgen; zonder dat men deze ernst voelt is men niet werkelijk een geesteswetenschapper.
En ik vraag u om aan deze bijzondere openbaring vanuit de geesteswetenschap zeer zorgvuldig aandacht te schenken. De menselijke intelligentie zal, wanneer zij aan zichzelf wordt overgelaten, de weg van het ahrimanische inslaan en zal alleen naar het goede kunnen tenderen door de ware Christus-impuls in zich op te nemen. Ik geloof dat degene die het volle gewicht van deze waarheid tot zich door laat dringen, deze ernst ook zal laten meespreken in de verhouding die hij zal ontwikkelen tot de verschillende wereldbeschouwingen en wereldbeschouwelijke stromingen van deze tijd. Want daar is nog heel veel te doen.
Zo vertellen mensen die nu uit verschillende gebieden van Oost-Europa komen met verbijstering over een feit dat niet bepaald op het voortschrijden op de weg naar een bijzondere beschaving wijst; ik doel op het bestaan van de zogenaamde ‘geweervrouwen’. Dit is een heel aparte mensenklasse die zich in het oosten van Europa ontwikkelt, Oost-Europese vrouwen die daar worden ingezet door de huidige revolutionaire
108 

bewegingen, waar steeds diegene die niet tot de regerende partij behoort in de gevangenis belandt of na enige tijd gedood wordt…, in elk geval steeds in levensgevaar verkeert. In bepaalde gebieden in het oosten, worden vooral jongere vrouwen uitverkoren, zij worden uitgerust met uit de oorlog overgebleven geweren en hebben de taak de mensen die tegenstanders zijn van de nieuwe regering neer te schieten. Deze geweervrouwen lopen rond in gestolen kleding, versierd met opsmuk en snuisterijen en ze beleven er voldoening aan om het geweer te dragen en om mensen neer te schieten. Ze vinden het goed te verenigen met de moderne menselijkheid er prat op te gaan dat zij er geleidelijk een gevoel voor ontwikkelen hoe het bloed van jonge mensen vloeit en hoe het bloed van oudere mensen eruit ziet. Zo leren we heel speciale uitingen van onze moderne beschaving kennen! En het instituut ‘geweervrouwen’ is tenslotte een verworvenheid van de moderne tijd.
Het is nodig dat er op dergelijke verschijnselen wordt gewezen. Zij zijn er om in zekere zin de keerzijde, de andere kant van de ernst van onze tijd waar te kunnen nemen. Natuurlijk is het niet per se nodig om deze verschrikkelijke uitwassen van onze zogenaamde hoogontwikkelde cultuur te kennen, om werkelijk de ernst te ervaren, waaraan men zich in deze tijd moet wijden. Uit het inzicht in de ontwikkeling van de mensheid zelf zou ons deze ernst moeten blijken. Men zou wensen dat de slaap die de moderne mensheid geleidelijk in zijn greep heeft, overgaat in een ontwaken. Dit zo noodzakelijke ontwaken kan er alleen uit bestaan dat de mens gegrepen wordt door de ernst van de opgave die hem als mens van deze tijd wacht, en de verwijzing naar het gevaar van het eenzijdig aan zichzelf overgelaten, in het ahrimanische terechtkomende intellect. Dat moet de impuls zijn die ons met deze ernst vervult.
109 

 Meer over Allah uit antroposofische bronnen.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3116-2929

.

.

.