VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

De serie ‘de wereld is waar…'[Algemene menskunde [9-5was tot nog toe vooral op de 7e, 8e klas gericht.

Maar wat kun je doen in bv. klas 11 of 12.

Ik ga even terug naar de jaren 1970 toen ik in Den Haag op de vrijeschool begon.
Het was toen de gewoonte dat er in de paasvakantie met de 12e klas een studiereis naar Stuttgart werd gemaakt. Ik werd een aantal keren meegevraagd.
In een kleine week maakten de leerlingen (en ik!) kennis met antroposofische werkgebieden: we brachten een bezoek aan de Weleda- en Walafabrieken; bezochten een biologisch-dynamische boerderij; een heilpedagogisch instituut en er kwamen mensen over hun werk vertellen, waaronder, herinner ik me de artsen Walther Bühler en Leen Mees.

De achterliggende gedachte was te laten zien dat er mooi werk was te doen in het zgn. ‘alternatieve circuit’, zoals dat toen nog heette.

Door hoe de wereld nu is, komen we er steeds meer achter dat het alternatieve van toen, eigenlijk de normale norm zou moeten zijn. Dat zou op het gebied van de landbouw m.n. Nederland een totaal ander aanzien hebben gegeven: geen stikstofcrisis, niet het verdwijnen van biodiversiteit, achteruitgang van waterkwaliteit enz.

Het zal nog wel even duren – de meeste mensen volharden liever in het oude dan radicaal, nu de nood aan de mens is, anders te gaan denken – voordat de gangbare methodes als een slecht alternatief worden beschouwd.

Je hoeft nu met een 11e, 12e klas niet meer naar Duitsland. Nederland heeft prachtige voorbeelden van wat als gevolg van anders-denken is ontstaan: de landbouwschool Warmonderhof, de Weledafabriek in Zoetermeer, diverse zorgboerderijen, akkerbouwbedrijven enz.

Ik weet niet hoe de praktijk op de bovenbouwen is. Bezoeken de leerlingen deze initiatieven, horen zij over de idealen die de wereld ‘meer waar maken’.
Zijn er leraren die deze idealen in het hart dragen en ze vandaar uitstralen naar de bijna volwassen mens?
Verlaat deze de school met ook andere inzichten?….

Hoe kom je aan die idealen als je ‘via, via’ eens op de vrijeschool aan het werk bent gegaan en ook in die hogere klassen les moet geven (onder examendruk?)

In de reeks ‘De wereld is waar…’ vind je al veel waar je enthousiast over kan worden.

In dit (studie)artikel vind je voor de landbouw ideeën uitgewerkt waarvan we nu – tegen de achtergrond van de huidige crisis – kunnen zeggen dat ‘de waarheid’ wel dichterbij is gekomen. 

Ik beschik helaas over te weinig in formatie om voorbeelden te kunnen geven van hoe bovenbouwleraren, bv. zij die economie of maatschappijleer geven, hun idealen behorend bij ‘de wereld is waar..’ in de lessen en gesprekken met de leerlingen kunnen verwoorden. 

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3388-3186

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…en de landbouwcrisis (1)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Manfred Klett in Driegonaal*

.

De productieomstandigheden in industrie en landbouw
.


Aan het begin van het proces waardoor in de industrie toegevoegde waarde wordt gecreëerd, staat de inventieve geest van de mens. Natuurwetten, stoffen en krachten van de levenloze natuur worden losgemaakt uit hun natuurlijk verband en door menselijke werkzaamheid met elkaar in wisselwerking gebracht. Dit resulteert in producten die in de geschapen natuur niet voorkomen, zoals machines, kunstmest of bestrijdingsmiddelen.

Deze producten vinden vervolgens als koopwaar ingang in de economische kringloop. De verwachting dat een uitvinding een succes wordt, geeft een bank aanleiding een krediet beschikbaar te stellen voor de inrichting van een fabriek. Dat wil zeggen, de geest van de mens – de idee – creëert kapitaal, en dit stolt door arbeid tot gebouwen, productiemiddelen, grondstoffen, energie enzovoorts. Max Weber – Duitse econoom en socioloog (1864-1920) – stelde vast: “Een levenloze machine is gestolde geest.”[1]

1 Max Weber: Wirtschaft und Gesellschaft, Tübingen 1980, p. 834.

De geest nu streeft verder naar de verwezenlijking van de uitvinding; hij zet aan tot arbeid. Pas door arbeid ontstaat de fabrieksinstallatie en daarin, in verschillende werkfasen, het uiteindelijke product. Kenmerk van het industriële productieproces is het creëren van waarde enkel doordat de inventieve geest het verloop van de menselijke arbeid bepaalt en deze op allerlei manieren modificeert. De uitwendige uitdrukking van deze geest moet in de gevarieerde constellaties van het kapitaal worden gezocht.[2]

2.Rudolf Steiner: Nationalökonomischer Kurs, GA 340, Dornach 2002, voordracht van 25 juli 1922, p. 33; in het Nederlands: Economie. De wereld als één economie, Nearchus 2016.

De natuur in de vorm van grondstoffen en energie verschuift daarbij verder naar de achtergrond naarmate meer menselijke intelligentie aan het productieproces te pas komt, dus naarmate een grotere arbeidsdeling optreedt. Door arbeidsdeling wordt bovendien de productie goedkoper, wat de expansiedrift van industrie en nijverheid verder in de hand werkt, totdat ook de laatste dienst gecommercialiseerd is. Kapitaal heeft enerzijds zijn ontstaan te danken aan de vindingrijkheid van de mens en aan de arbeidsdeling, anderzijds zorgt het ervoor dat de arbeidsdeling mateloos wordt doorgedreven. Hierdoor dreigt het industriële productieproces volledig van de natuur en, via de digitalisering, van de werkende mens losgekoppeld te worden. De industrie wordt zo tot oppermachtige tegenpool van de landbouw en dreigt de perken te buiten te gaan die het industriële proces van twee kanten zouden moeten beteugelen: de natuur en de rechtsorde.

Het productieproces eindigt met de voortbrenging van waren waar het basisidee van de uitvinder en de kennis en vaardigheden van een groot aantal mensen in een tegenwoordig wereldwijde arbeidsdeling aan hebben bijgedragen. De door het kapitaal, dat wil zeggen, de gestolde idee, aangestuurde arbeid heeft zich in het eindproduct gematerialiseerd en daar een waarde aan verleend. Bij de ruil van waarden op de markt wordt hier vervolgens een prijs op geplakt. Als je naar de waardescheppende factoren kijkt – uiteindelijk is dat de geestgeleide arbeid – valt de prijs niet te berekenen. Bij zijn totstandkoming spelen onweegbare factoren en drogbeelden mee die met name het gevolg zijn van het feit dat grond, kapitaal en menselijke arbeid als verhandelbare waar worden beschouwd en zodoende als kostenfactor in de prijsvorming worden opgenomen. Het lijkt echter alsof de prijzen – volledig afwijkend van de werkelijke waarde van de producten – berekend kunnen worden doordat alles wat betrokken is bij de productie, als koopwaar wordt voorgesteld en daarmee tot een kostenfactor wordt gemaakt die in geldwaarde uitgedrukt kan worden. Zo zijn in de prijs van een industrieel product alle productiekosten opgenomen, inclusief de arbeidskosten en een reserve, het afschrijvingspercentage, waardoor de verbruikte productiemiddelen (slijtage van machines en dergelijke) geherfinancierd en gemoderniseerd kunnen worden.

Voor de industrie geldt dat een productiemiddel zichzelf niet vernieuwt. De plaats waar het gemaakt wordt, is gescheiden van de plaats waar het wordt ingezet. In het industriële productieproces worden eindige hulpbronnen verbruikt in de vorm van grondstoffen en energie. Er wordt afval geproduceerd, en de productiemiddelen zelf zijn onderhevig aan slijtage en verval. Hierdoor ontstaat vuil dat zich als hypotheek op een verre toekomst op de aarde ophoopt, bijvoorbeeld kernafval. Dit vormt een belasting voor water en lucht en verstoort de warmtehuishouding, voor zover het niet tegen hoge kosten opnieuw in de energie- en grondstofkringloop opgenomen kan worden. De groei van de industriële productie heeft zijn grenzen; de energie- en grondstofbalans ervan is negatief. Hoe kleiner het aandeel van de natuur aan de industriële productie is, dus hoe sterker menselijke intelligentie het productieproces domineert, bijvoorbeeld in het geval van de productie van computerchips, des te verder gaat de arbeidsdeling en des te minder plaatsgebonden wordt de productie. Hoogtechnologische producten kunnen op een willekeurige plaats op aarde geproduceerd worden om van hieruit aan de wereldwijde vraag naar deze producten te voldoen.

De landbouw is, in tegenstelling tot de industrie, ingebed in de hele huishouding van de natuur, de oikos. De toegevoegde waarde wordt tot stand gebracht door de natuur. Uit de wederzijdse relatie tussen levenloze (fysische), levende en bezielde natuur en onder de invloed die de kosmos heeft op alle ritmische processen, ontstaat als voortbrengsel van de natuur de graankorrel, de wortel, de melk enzovoorts. Dat gebeurt strikt plaatsgebonden. De natuur is degene die produceert; de mens komt erbij en stuurt door zijn werk haar scheppende kracht. De productiemiddelen zijn niet de machines, de tractor, de maaidorser enzovoorts – deze vervangen en verhogen alleen de prestaties van de menselijke hand en de dierlijke trekkracht – maar de vruchtbare bodem, de vruchtvormende, voedsel voortbrengende planten en de huisdieren, die elk hun eigen bijdrage tot de productie leveren. In figuurlijke zin vormen deze het productie-kapitaal in de landbouw. Ze zijn productiever, kwantitatief en kwalitatief, naarmate ze op iedere bedrijfslocatie in een inniger, elkaar wederzijds versterkende relatie staan. Ze verenigen zich op natuurlijke wijze tot levensgemeenschappen, tot kleinere en grotere biotopen.

Het is aan de arbeid en aan de geestelijke inspanning van de mens voorbehouden om hetgeen door de natuur is aangelegd, tot een hoger geheel, tot een zo mogelijk in zich gesloten organisme te vormen – het landbouwbedrijf. Gezien de kosmisch-aardse productieomstandigheden in de landbouw kan het vormgevend principe alleen een veelzijdig gestructureerd organisme zijn. Dit vormt in zijn geheel het productiemiddel van de landbouw en staat daarmee lijnrecht tegenover het productiemiddel van de industrie, het mechanisme. Het mechanisme is op eenzijdigheid gebaseerd, het organisme op alzijdigheid.

Onderken je en erken je ten volle de betekenis van de polariteit van de productieomstandigheden in de industrie, die uit de geest van de mens voortkomen, en die in de landbouw, die door de natuur gegeven zijn, dan kan in de landbouw strikt genomen geen kapitaal worden gevormd. Want de arbeid die door de geestelijke kracht van de mens aan de natuur besteed wordt, stolt niet tot een productiemiddel dat zich zoals de machine naast de natuur plaatst; er worden geen grondstoffen, energieën en natuurwetten uit hun natuurlijk verband geïsoleerd en nieuw gecombineerd. Integendeel, het geestelijke werk bestaat erin het begrip van de geslotenheid van het organisme als geheel te doordenken, en het fysieke werk is erop gericht de in de natuur werkzame productieve krachten daarin hun plaats te geven en ze met elkaar in wisselwerking te brengen. Als een landbouwbedrijf vorm krijgt overeenkomstig zijn productieomstandigheden, is het een totaliteit die continu in wording is, die de handelende mens insluit en die zich in het productieproces zelf reproduceert. De kapitaalvorming in de landbouw, in figuurlijke zin gesproken, moeten we derhalve vooral zoeken in een proces in de tijd, namelijk in de instandhouding en ontwikkeling van de productiemiddelen – de cultuurbodems, de gewassen en de huisdieren – in de context van het hoger geheel van het bedrijfsorganisme.

Industrie en landbouw verhouden zich tot elkaar zoals technologie tot kunst. De puur technologische aanpak streeft naar regeltechniek, naar automatisering. De mens staat buiten het productieproces of maakt zichzelf helemaal overbodig. De landbouw is, naar zijn diepste wezen, een kunst juist doordat de werkende mens zichzelf als hele mens met al de kracht van zijn geestelijke ziel in dienst stelt van de productieve krachten van de natuur. De landbouw heeft de werkende hand nodig, vele handen zelfs. De industrie heeft de inventieve geest en het kapitaal nodig dat de menselijke werkkracht tot een arbeidsdeling dwingt of geheel overbodig maakt.

De landbouw brengt producten voort, met name levensmiddelen, waar iedere mens dagelijks behoefte aan heeft. Deze treden op de markt met de industrieproducten, dus onder arbeidsdeling geproduceerde waren, in een waardeverhouding die haar neerslag vindt in de prijzen. De prijs van het industrieproduct wordt door verdergaande arbeidsdeling steeds lager. De prijs van een landbouwproduct is alleen al door de wisselende milieuomstandigheden, het optreden van plagen enzovoorts niet te berekenen. Het proces van prijsvorming bij landbouwproducten blijft volledig in het duister. De voortbrengingskracht van elk agrarisch bedrijfsorganisme is immers verschillend. Zonder een prijscompensatie in het kader van economische samenwerkingsverbanden waarin “de waarde van de waren door hun wederzijdse verhouding wordt bepaald”, [3] zou dan elk bedrijf zijn eigen marktprijzen moeten hebben.

3 Zo liet Rudolf Steiner zich uit in de zogenaamde eerste Hochschulkurs op 10 oktober 1920. Geciteerd naar Roman Boos: Landwirtschaft und Industrie, Darmstadt 1957, p. 110-111.

In de CSA-beweging wordt dit inderdaad bij benadering in praktijk gebracht. [4]

4 CSA: community-supported agriculture, ook gemeenschapslandbouw of pergola-landbouw genoemd. Zie hierover onder andere: Trauger Groh, Steven Mc Fadden: Höfe der Zukunft, gemeinschaftsgetragene/solidarische Landwirtschaft (CSA), Darmstadt 2013,276 pp.

In beginsel geldt dat de landbouw vergeleken met een industrieel bedrijf noodzakelijkerwijs duurder produceert omdat het prijsdrukkende principe van de arbeidsdeling onverenigbaar is met de productieomstandigheden in de landbouw, die je zou kunnen omschrijven als ‘diversiteit in een totaliteit’. Men probeert de productiekosten te verlagen door over te gaan op een meer industriële manier van produceren. De heelheid van het bedrijfsorganisme wordt hiervoor verbroken, de onderdelen worden uit elkaar gehaald. Elk afzonderlijk deel wordt door een aanzienlijke inzet van kapitaal tot een eigen agro-industriële onderneming, die onder schijnbaar calculeerbare randvoorwaarden met een hooggespecialiseerde massaproductie zonder concurrentie op goedkope wijze de markt beheerst. Deze prijsverlaging is echter een illusie omdat de rekening voor de hieruit voortvloeiende kosten buiten de markt om bij de gemeenschap wordt gelegd. Hierbij gaat het om kosten die ontstaan door de vernieling van het milieu en door de vermindering van de voedingswaarde van de producten, en de kosten van de subsidies – het gesubsidieerde onbenul. Als deze verborgen kosten bij de producentenprijs van de industriële landbouw opgeteld zouden worden, zou deze zijn hegemonie op de markt verliezen. Het zou duidelijk worden dat de geproduceerde waarde slechts schijn is.

Hoe een prijs in de landbouw tot stand komt, is een enigszins verborgen verschijnsel. [er stond hier ‘occult’, maar dat lijkt me te zwaar aangezet]. Door initiatieven zoals fair trade of producenten- en consumentengemeenschappen begint er een beetje licht in te komen. Berekenen kun je de prijs van de primaire landbouwproductie als zodanig niet. De waardebepalende factoren voor deze prijzen zijn:

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de wisselwerkingen tussen de lokale factoren aarde, water, lucht en warmte en de geomorfologische landschapsvorm

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de scheppende krachten van de levende wezens in de natuur (planten, dieren enzovoorts) en hun activiteiten in de ritmes van het jaarverloop

• de door ideeën geleide arbeid van de mens

• de harmonische afstemming van alle organen van het bedrijf tot het geheel van het bedrijfsorganisme.

Door het samenwerken van deze factoren ontstaat, tegengesteld aan de waardevorming in de industrie, een objectieve waarde van de producten, zoals die van tarwe, melk, brood, kaas enzovoorts. De prijs zou rechtvaardig zijn als hij met deze objectieve waarde zou overeenkomen of er tenminste in de buurt zou komen. Maar hoe kun je deze prijs bepalen?

Daarnaast wordt de waardevorming van de primaire landbouwproductie door twee kenmerken bepaald: ten eerste, het vermogen om in het productieproces zichzelf te reproduceren, en ten tweede, de mogelijkheid om tot voedingsmiddel voor mens en dier te worden. De tarwekorrel bijvoorbeeld is samen met de bodem waarin hij gezaaid wordt, productiemiddel voor de volgende oogst, maar hij is ook broodgraan. De koe reproduceert zichzelf in het kalf, en verbonden met dit proces heef ze het vermogen om meer melk te geven dan voor het grootbrengen van het kalf nodig is. De productiemiddelen in de landbouw hebben de eigenschap dat ze in het productieproces zichzelf kunnen voortbrengen en tegelijk tot voedingsmiddel voor mens en dier kunnen worden. De taak van de boer bestaat erin de omstandigheden van plantenteelt en veehouderij zodanig vorm te geven dat beide vermogens in het productieproces op een hoog niveau duurzaam met elkaar in evenwicht zijn. Dat wil zeggen, hij moet hier en nu de tarwe zo verbouwen, de koe zo houden, voeren, verzorgen en fokken dat deze levende productiemiddelen tot in de verre toekomst hun bijzondere eigenschappen kunnen behouden of zelfs nieuwe eigenschappen kunnen verkrijgen naarmate de voedingsbehoeften van de mens veranderen.

Het is met name dit feit dat ten grondslag ligt aan de principiële tegenstelling in de manier van produceren tussen industrie en landbouw. Deze komt ook tot uitdrukking in het gegeven dat de agrarische productiemiddelen – bodem, planten, dieren – dankzij hun vermogen tot zelfvernieuwing niet afgeschreven hoeven te worden. Wat de afschrijving als kapitaalreserve in de industrie is, is in de landbouw de waarde-behoudende en -ontwikkelende kracht van het bedrijfsorganisme als geheel. De vervanging van menselijke werkkracht en dierlijke trekkracht door machines heeft voor de landbouw evenwel hoge afschrijvingen met zich meegebracht, die echter geen betrekking hebben op het productiemiddel als zodanig. Het is niet de maaidorser die het graan voortbrengt, en niet de melkmachine die de melk produceert, maar het leven, de verbanden scheppende krachtenwereld die in plant en dier werkzaam is. De prijs van landbouwproducten zou dan ook pas redelijk zijn als hij overeen zou komen met hun objectieve waarde. Een criterium hiervoor zou kunnen zijn of de prijsstructuur van de primaire productie van het agrarisch bedrijfsorganisme – dus zonder verdere verwerking – de bedrijfskosten en het levensonderhoud van alle medewerkers en hun families van een oogstperiode tot de volgende dekt. [5]

5 Rudolf Steiner formuleerde voor deze prijsbepaling de volgende gedachte: de prijsstelling moet zodanig zijn “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.” (Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23, Dornach 1976, p. 132; in het Nederlands: De kernpunten van het sociale vraagstuk, Steinervertalingen 2004, p. 107).

Hiervoor zijn marktstructuren vereist waarbij landbouwers, verwerkers, groot- en detailhandelaren en ook consumenten die hier mee gestalte aan willen geven, in een regionale kring bij elkaar komen. In tegenstelling tot de industrie is de landbouw op een regionale economie georiënteerd. Afhankelijk van de productieomstandigheden vindt landbouwproductie in alle verscheidenheid overal plaats waar mensen leven en waar de vereiste omstandigheden gegeven zijn. Het is alleen maar logisch dat de kortste weg van de producent naar de consument de goedkoopste is, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit het beste behouden blijft.

Ook de landbouw produceert in de loop van het kosmisch-aardse productieproces afval, maar geen vuil. Het afval is afkomstig uit de levende en bezielde natuur. Het zijn plantaardige en dierlijke resten die in de schoot van de natuur terugkeren en zich omvormen tot humus, de vruchtbaarheidsdrager van de bodem. In een bedrijf dat beheerd wordt in overeenstemming met het organisme-principe, regenereert de stof- en krachtenhuishouding zich grotendeels zelf. Tegenover het verbruik van energie en grondstoffen in de industrie staat de opbouw door de zelf geproduceerde mest en de nieuwvorming van humus. De zuivere primaire landbouwproductie heeft, als je rekening houdt met alle bodemopbouwende maatregelen (bemesting, vruchtwisseling, grondbewerking), een positieve energiebalans. Dit gegeven wordt tegenwoordig door het hoge kapitaalgebruik in de vorm van stikstofmeststoffen, bestrijdingsmiddelen, van buiten aangevoerde voedermiddelen en energie in zijn tegendeel veranderd. Ook het verlies van bodem door erosie moet hier worden genoemd, dat in de industriële landbouw al op licht hellende terreinen optreedt, met name bij verbouw van maïs. Met het oog op de gehele economie en op de toekomst van de aarde heeft de landbouw echter de taak om de negatieve energiebalans van de industrie te compenseren.

Het is duidelijk dat we de polariteit van industrie en landbouw radicaal moeten doordenken en de consequenties hiervan voor onze hele cultuur rigoureus moeten overwegen. Zonder een overbrugging van dit geweldige spanningsveld kunnen we niet tot een gezond economisch leven komen. Eerst moeten de prijzen van de agrarische producten worden vastgesteld, en wel in het regionale kader van de markt en van de samenwerkingsverbanden met verwerking en handel. Deze kunnen vervolgens als oriëntatie dienen voor de prijsvorming in de op arbeidsdeling gebaseerde economie. De proportionaliteit van de prijzen in industrie en nijverheid moet in de toekomst worden bepaald aan de hand van de primaire landbouwproductie.

Je hoeft alleen maar naar de ongelijkheid in productieomstandigheden in industrie en landbouw te kijken om te beseffen dat het vormgevende principe voor het creëren van toegevoegde waarde dat bij het wezen van de landbouw past, in eerste instantie het organisme is. Het organismeprincipe behoorde altijd onlosmakelijk bij de ontwikkeling van de landbouw, zij het onder steeds wisselende culturele omstandigheden. Wat nu een wetenschappelijk gefundeerd, bewust inzicht moet worden, was in vroegere tijden het resultaat van een uit het volksinstinct voortkomende, wijsheidsvolle handelwijze. De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid en daarmee de geschiedenis van de landbouw weerspiegelen zich in grote lijnen in de manier waarop de mensen  vanuit een steeds bewustere beleving van hun eigen fysiek organisme het in de natuur werkzame organismeprincipe geleidelijk aan tot het fundament van een ware landbouwkunst hebben gemaakt.

De biologisch-dynamische landbouw wordt toegepast in 58 landen, op 268.000 hectare.
In Nederland zijn er 50 gecertificeerde BD-boeren die samen 10.000 hectare bewerken (dat is 0,4% van het landbouwareaal).

Uit langlopend onderzoek blijkt dat biologische en biologische landlandbouw in verhouding tot de gangbare landbouw enerzijds minder opbrengst per hectare realiseren (85% maar anderzijds aanmerkelijk minder kosten met zich meebrengen: 8% van de kosten van gewasbescherming; 57% van de kosten van bemesting; 62% van de kosten van energie.

Uit hetzelfde onderzoek blijkt: ten opzichte van de gangbare landbouw scoort de BD-landbouw beter op verschillende landbouwkundige aspecten, zoals de bodemvruchtbaarheid, gemeten in humus (+18%); bodemactiviteit (+83%); mineralendynamiek (+37%). Het onderzoek toont ook aan dat het gebruik van BD-preparaten een positief effect heeft op de bodem en op de voedingswaarde van de gewassen.

Deze tekst is afkomstig uit:

Manfred Klett: Van agro-industrie naar landbouwkunst.
Karaktertrekken van de biologisch-dynamische landbouw. Een landbouw voor de toekomst.
Nearchus / Kolisko ISBN 9789492326935

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3387-3185

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/2)

.
Over het waarom van deze berichten.

Krantenbericht ‘De Gelderlander’, 01-11-1995*
.

SPOREN VAN CONTACT
.

Het Leo Kannerhuis in Oosterbeek opent vrijdag* een trainings-en therapiecentrum voor autische jongeren, het eerste in zijn soort in Nederland. Het Leo Kannerhuis is het enige in autisme gespecialiseerde kinder-en jeugdpsychiatrisch ziekenhuis van ons land. Van elke tienduizend kinderen in ons land zijn er naar schatting 25 autistisch of hebben een aan autisme verwante contactstoornis. Een jongere moet gemiddeld zes jaar wachten op opname.
[de wachttijd is naar weken teruggebracht]
[Inmiddels uiteenlopende cijfers over de jaren]

De film Rain Man, waarin Dustin Hoffman een autist speelt, heeft de ogen van veel mensen geopend voor autisme. Niet die van de autisten zelf. Die staan erbij en kijken ernaar, alsof het hun helemaal niet aangaat. Ze herkennen de zich eindeloos herhalende bizarre spelletjes met voorwerpen, maar betrekken deze niet op zichzelf.
„Ze lijken zich buiten hen af te spelen”, zegt directeur ir. E.J. Borgmeijer van het Leo Kannerhuis in Oosterbeek. De film wordt overigens – als een mogelijk teken van herkenning- nog regelmatig ‘in huis’ gedraaid.

Autisten tonen een beeld van totaal in zichzelf opgesloten zitten. Oogcontact met anderen hebben ze niet. Bij hen krijg je eerder het idee van een muur, waar je doorheen moet. Ze hebben de neiging om veel meer houvast te hebben aan steeds terugkerende dingen dan aan mensen. Als je hier tenminste al van houvast zou kunnen spreken.
Volgens het Geneeskundig woordenboek van Hilfman is autismus ‘een ziekelijke geestestoestand, waarbij de patiënt een sterk afwerende en afsluitende houding aanneemt ten opzichte van de realiteit van de omgeving’.
Autisme, afgeleid van het Griekse woord autos (‘zelf), zou een aangeboren defect in de hersenen zijn waardoor een kind van jongs af aan niet in staat is om nieuwe, ingewikkelde gewaarwordingen te verwerken.

Contact maken met anderen is in die zin dan ook niet of nauwelijks mogelijk. Een autist sluit zich als het ware in zichzelf op als in een fort, waardoor hij de boze buitenwereld buitenhoudt. De omgeving kan daardoor regelmatig voor verrassingen komen te staan. Zo kwam Borgmeyer er op een gegeven dag tot zijn verbazing achter dat een van ‘zijn’ autisten op het punt stond zijn motorrijbewijs te halen. Niemand in huis had er ooit van geweten dat de betreffende autist met rijles bezig was.

Als de autist dan niet uit zijn schulp wil of kan kruipen, dan kruipt het Leo Kannerhuis maar in de huid van de autist. Zo ongeveer moet gedacht zijn met betrekking tot het inrichten van een gespecialiseerd trainings- en therapiecentrum, dat jonge autisten zover wil brengen dat ze – zij het onder begeleiding- op een gegeven moment weer aardig op eigen benen kunnen staan. In Oosterbeek kwamen ze erachter dat autisten wat hebben met treinen. Meer dan met auto’s. Dat bleek eind vorig jaar tijdens een expositie. Daar bleken jonge autisten heel knap treinen te tekenen en te schilderen. Daarop inhakend is het trainings- en therapiecentrum ‘de Wissel’ gedoopt. Het lestijdenschema heet er geen rooster, maar spoorboekje.

Voor het centrum staat sinds maandag een heuse treinwissel, een cadeautje van de Nederlandse Spoorwegen. De autisten konden niet langer wachten en hebben het centrum al dagen voor de officiële opening in gebruik genomen met een soort houseparty. Groepsleiders en groepsleidsters moesten er verschijnen in de kleren van treinconducteur of treinconductrice en het lichtspel bij de dansvloer had alles weg van een seinlichtinstallatie langs de spoorbaan.

Maar ook op zo’n dag pleegt niet elke autist het spelletje mee te spelen. En zo trekt er zich eentje van de hele feestelijkheid niets aan en laat met opgestroopte mouw aan iedereen, die het wel of niet wil, zijn spierballen zien. Een ander staat, alsof er om hem heen geen orkaan van lawaai is, gefascineerd naar een groot schoolbord aan de wand van deze vroegere lagere school te staren.

Volgens de medische definitie is autistisch denken een ernstig gestoord denken met allerlei vreemde, irreële, vaak magische en paranoïde gedachtegangen. Een autist kan vanwege zijn gebrek aan zelfinzicht en een gezonde sociale intelligentie dan ook heel vreemd uit de hoek komen.

Zo krijgt een therapeut in Oosterbeek op zijn vraag hoe de autist denkt dat zijn leven er in de toekomst zal uitzien, als antwoord: ‘Ik ga zelfstandig wonen in een bolwoning. Dat zal wel lukken want ik kan al alleen macaroni en Mexicaanse pannenkoeken maken’.

In het werkmodel van het ruim twintig jaar bestaande Leo Kannerhuis, genoemd naar de Amerikaan die het syndroom een naam – autistic aloneness – gaf, neemt de leefgroep een centrale plaats in. In de leefgroepen zitten steeds vijf à zes pupillen tussen de 14 en 21 jaar van hetzelfde sociaal niveau bijen. Ze mogen hooguit vijf jaar blijven. Er zijn ‘betere’ en ‘slechtere’ groepen. Dat is met opzet gedaan omdat autisten overgevoelig reageren op een omgeving die niet vormvast en strak omlijnd is. Een autist die goed zijn best doet kan op een gegeven moment wel van een lagere naar een hogere leefgroep verhuizen.

In zo’n leefgroep wordt zeer streng de hand gehouden aan roosters en gebruiken. Elke leefgroep heeft een eigen woonruimte met een eigen plekje voor elke pupil. Bij de behandeling voeren zoveel mogelijk vaste mensen vaste functietrainingsprogramma’s op vaste tijden uit. Dank zij de relatief homogene opbouw kunnen in de meeste gevallen alle pupillen binnen de leefgroep aan dezelfde behandelprogramma’s meedoen. Die programma’s behelzen onder meer trainingen in communicatie, sociale vaardigheden en zelfredzaamheid. Omdat bij autisten vaak ook houdingsproblemen voorkomen en haperingen in de motoriek, maken handenarbeid, gymnastiek en motore functietraining deel uit van het standaard behandelingspakket. Ook sport en spel horen erbij. Daarvoor gaan de jongeren wekelijks naar het Nationaal Sportcentrum Papendal.

Deze gezamenlijke en doelgerichte programma-activiteiten zijn zeer gewenst om autisten uit hun isolement te halen. Sommigen zijn zo zwaar contactgestoord dat ze niet of nauwelijks praten. Anderen hebben zich wel een zekere taalvaardigheid eigen gemaakt en stellen zich in bescheiden mate open voor toenaderingspogingen. Maar er zijn er ook die zich tamelijk goed kunnen redden op een school of bij een werkgever.
Hoewel.

Psycholoog dr. H. Berger, die net een nota over de behandeling van autisten heeft afgerond: „Na een twee uur durend ‘gesprek’ met een autist over diens toekomst, bleek dat hij op een totaal andere golflengte zat. Zijn enige vraag bij het afscheid was: ‘Hoe gaat het eigenlijk met de provincie Gelderland?’
.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3386-3184

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (101)

.
(Tekst in blauw van mij; zwart uit artikel)
.

Van juf Maxe de Rijke gaf ik al eerder een stukje onderwijsvisie weer, waar ik me als oud-vrijeschoolleerkracht volledig in kan vinden.

Ook haar onderstaande mening deel ik van harte: 

In Trouw van 8 januari 2025 schrijft ze o.a.:

De doorstroomtoets meet niet wat je in je mars hebt

.

Ze geeft een stukje gesprek weer met een kind dat graag wil weten ‘welk advies eigenlijk goed is.’

En haar antwoord: ‘Elk advies is goed dat bij je past.’

Een leerling zegt: “Jullie kunnen wel zeggen dat elk advies goed is, maar als ik een hogere score op mijn doorstroomtoets haal, haal ik een hoger advies. Het is gewoon net als in het echte leven: hoger is beter. En ik scoor altijd laag, dus ik ben slecht.”

Dan verzucht juf: ‘Daar zit je dan. Met je idealen.’

Dat lijkt me best frustrerend!

Maar erger vind ik dat er ‘ergens’ mensen zijn die voor kinderen iets bedenken, wat een negatief zelfbeeld oproept. Die dus een soort anti-pedagogie creëren.

Met de doorstroomtoets in groep 8 is het gewoon zo dat de leerlingen de onderdelen begrijpend lezen, rekenen en taalverzorging krijgen. En uiteraard:  Hoe meer antwoorden goed, hoe ‘hoger’ je score en hoe hoger de waardering in de samenleving. En, zegt juf: ‘leerlingen die laag scoren gaan echt niet zeggen: ‘Yes, dit past bij mij!’

Ze signaleert – terecht – nog een probleem, nl. dat de toets alleen meet wat je tot nog toe hebt geleerd.
De leerlingen van deze juf hebben van alles al in hun leven meegemaakt. Daar houdt de toets geen rekening mee. En ook niet, met wat de leerlingen nog aan mogelijkheden in zich hebben. En om dat eruit te krijgen, is simpelweg meer tijd nodig. 

Maxe hoopt op betere tijden: ‘Maar wie weet staan we wel aan de vooravond van een nieuwe revolutie. Opdat de toets niet meer als doel heeft de samenleving zo efficiënt mogelijk te verdelen. Maar onderwijs een middel wordt om ieder kind te helpen bij een route die past, met extra leertijd waar nodig én waardering voor alle talenten.
Ik laat mijn leerlingen vast weten dat het mogelijk is.

Juf Maxe werkt niet op een vrijeschool.

Rudolf Steiner:

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
GA 293/73
Vertaald/75

Dit moet de belangrijkste eis worden van de moderne opvoeding: handelen vanuit een wetenschap die oog heeft voor de totale mens.

GA297/32-33
Op deze blog vertaald/33

Meer in wegwijzers

.

Meer over toetsen in deze rubriek: [4]   [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92]  [96]

Toetsen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Opspattend grind: alle artikelen

.

3385-3183

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/1)

.

Toen ik in de jaren 1960 voor onderwijzer studeerde, was er niet zo’n aandacht voor een pedagogie of didactiek voor het kind met ‘problemen’.

Ik ging me er in de loop van de jaren wel meer mee bezighouden, in de hoop die kinderen – mocht ik ze al kunnen waarnemen – te kunnen helpen.

Naast het bestuderen van de vrijeschoolpedagogie en het voorbereiden voor het klassenwerk, kwam er van ‘studeren’ op dit onderwerp niet veel terecht.
Ik behielp me aanvankelijk met het lezen van artikelen.

Ik heb die artikelen nog en ga ze nu opruimen door ze op deze blog te plaatsen.

Dat betekent dat hier niet ‘de laatste stand van zaken’ wordt weergegeven. Wel dat je een soort ontwikkeling ziet van wat er destijds werd gedacht en gedaan.
Veel zal weer veranderd zijn, achterhaald wellicht, maar er zullen toch ook aspecten zijn die nog steeds gelden. Misschien nog gezichtspunten waarmee de leerkracht rekening kan houden.

.

Op 19-12-1989 verscheen in ‘De Gelderlander’ dit artikeltje:

.

Doorbraak in behandeling autisme
.

Proeven en ruiken verdringen de zintuigen zien en horen

.

Bij autistische kinderen is de voorrang tussen de zintuigen gestoord. Bij autisten hebben zogenaamde nabijheidszintuigen als ruiken en proeven verre de overhand boven verte-zintuigen als zien en horen.

Op basis van deze verklaring voor het merkwaardige, ziekelijke gedrag van kinderen die nauwelijks contact maken met hun omgeving, niet reageren op mensen en dwangmatig handelingen herhalen heeft de Groningse psycholoog drs. M.H.G. van Soest een nieuwe behandeling ontworpen. Zeven inmiddels in behandeling genomen autistische kinderen zijn belangrijk vooruit gegaan.

In zijn proefschrift toont Van Soest aan, dat de behandeling van de sinds 1943 bekende autisme-aandoening niet langer uitzichtloos hoeft te zijn. De nieuwe behandeling van Van Soest is erop gericht de voorkeur die autisten hebben voor zintuigen als proeven en ruiken te doorbreken ten gunste van zien en horen, en daarmee ook van kijken en luisteren. Dat gebeurt door het gericht stimuleren van het horen en zien

Volgens Van Soest is het belangrijk dat de ontwikkeling van de zintuigen van kinderen al op het consultatiebureau door een psycholoog of orthopedagoog nauwkeurig worden gevolgd. Autisme moet naar zijn mening zo vroeg mogelijk ontdekt worden en zo snel mogelijk behandeld.
Ook na de behandeling dient het kind optimaal opgevangen te worden door een kindgerichte aanpak. Op die manier kunnen er grote bedragen in de gezondheidszorg bespaard worden, omdat autisten voor het grootste deel tot nu toe als onbehandelbaar gelden en levenslang verpleegd dienen te worden in psychiatrische inrichtingen.

Van Soest beschrijft in zijn studie de experimentele behandeling van zeven niet-sprekende autistische jongetjes met een zeer laag ontwikkelingsniveau. Na afloop van de behandeling bleken de kinderen zich te kunnen uiten in zinnetjes van twee of drie woorden. Van Soest wist met de kinderen ook de stap van baby- naar kleuterniveau te zetten, waarmee zij rijp werden voor opvoeding en ontwikkeling door ouders en leerkrachten.

Volgens van Soest is een van de belangrijkste kenmerken van autisme dat er een breuk is in de ontwikkeling van de zintuiglijke waarneming van kinderen. Bij normale kinderen ruimt het proeven en ruiken bij het ouder worden als vanzelf het veld voor zien en horen. Die stap is cruciaal voor de verdere ontwikkelingen van het kind, omdat je meer leert door luisteren en kijken dan door proeven en ruiken. Omdat autistische kinderen die stap niet zetten, kunnen zij lichamelijk, emotioneel, sociaal en communicatief niet verder groeien.
.

Een paar dagen later, op 23-12-1989 stond in de Volkskracht dit artikel:

.

Een omstreden behandeling van autisten

.

Dat een therapie effect heeft op autisme, zegt nog niets over de oorzaak. De psycholoog Van Soest slaagt erin autistische kinderen aan ’t praten te krijgen in korte zinnen. Hij is deze week op zijn onderzoek gepromoveerd. Maar tegenstanders blijven hun twijfels behouden.

IEDEREEN die wel eens autisten heeft meegemaakt, weet dat ze vaak ruiken, likken en voelen aan dingen en mensen. Vooral autisten die op een laag niveau functioneren, onderzoeken hun omgeving op deze manier, dus met behulp van de zogenaamde nabijheidszintuigen: smaak, reuk en tastzin. Op grond van deze waarneming heeft de psycholoog dr. M. van Soest een theorie opgebouwd die ervan uitgaat dat de oorzaak van autisme gelegen is in een foutieve hiërarchie van de zintuigen. Deze week promoveerde hij in Groningen op het proefschrift „Autisme als gevolg van een dysfunctionele zintuigenhiërarchie; de behandeling van autisme volgens de Van Soest-therapie”.

Een kind dat zich normaal ontwikkelt, stapt reeds als baby over van die nabijheidszintuigen op de vertezintuigen als zien en horen, stelt Van Soest, maar autisten maken die stap niet. Over de oorzaken daarvan blijft hij vaag. Alle afwijkende gedragingen die die groep verder kenmerken — zoals hun onvermogen oogcontact te maken, hun gestoorde cognitieve ontwikkeling, de moeite die ze hebben met taal en communicatie, hun verzet tegen veranderingen, hun stereotiepe handelingen als met de handen fladderen of wiegen — moeten worden verklaard uit deze overheersing van de nabijheidszintuigen, denkt Van Soest.

Hij maakte kennis met het verschijnsel autisme toen hij in 1973 de tienjarige Achim ontmoette in het psychiatrisch ziekenhuis in West-Duitsland waar hij werkte. Achim (in het proefschrift aangeduid als Guido) deed niets anders dan heen en weer schommelen en zich in het gezicht slaan. Van Soest kreeg te horen dat Achim autistisch was en dus een hopeloos geval. Hij legde zich daar niet bij neer; hij nam Achim onder zijn hoede en toen hij later van werkkring veranderde, nam hij hem bij zich thuis op. Achim genas van zijn autisme, zegt Van Soest. Hoger functionerende autisten kwalificeert hij eenvoudig als niet-autistisch.

Op dit punt vindt hij het overgrote deel van de wetenschappelijke wereld tegenover zich. Algemeen wordt aangenomen dat autisme niet over gaat; wel is het mogelijk autisten zo te helpen dat zijzelf en hun omgeving minder last hebben van de symptomen. Van Soest houdt zich uitdrukkelijk niet bezig met de oorzaak. Hij heeft altijd geschamperd op de bevinding van anderen dat die organisch van aard is. Toch zijn daarvoor zeer sterke aanwijzingen. Dat blijkt onder meer uit het onderzoek van H. van Engeland van de universiteit van Utrecht.

Deze houdt zich ook bezig met het waarnemingsvermogen van autisten, maar hij is aan de andere kant begonnen: hij trekt zijn conclusies niet op grond van het gedrag, maar op grond van de fysiologie. Hij heeft vastgesteld dat de reactie in de hersenen op prikkels van buitenaf bij autisten — globaal gezegd — langer op zich laat wachten dan gemiddeld. Met de verwerking van (vooral, inderdaad, visuele en auditieve) prikkels is iets mis. „Vooral de interpretatie van die prikkels blijkt een groot probleem”, aldus Van Engeland. „Die stelling over de nabijheidszintuigen is een oud standpunt. Maar de literatuur is er niet eenduidig over en onderzoek heeft het nooit bevestigd.” Hij kent het onderzoek van Van Soest overigens niet.

De „Van Soest-therapie” bestaat, kort gezegd, hieruit dat hij de „gedragsomgeving” van autisten kunstmatig vergroot. Doordat ze zich bijna uitsluitend bedienen van reuk, smaak en tastzin is het stukje wereld waarop ze zich richten erg klein. Van Soest dwingt hen dat uit te breiden door het gebruik van ogen en oren te stimuleren.

In Engagement, het maandblad van de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA), beschreef Van Soest in 1976 hoe hij dat in de experimentele periode aanpakte, bij de behandeling van zijn eerste pupillen Achim en Susanne. Hij onderscheidt een eerste fase, waarin het gedrag van het kind wordt gestructureerd. Hij geeft het kind een opdracht en houdt het „met harde, korte stem” bij de les. „We laten het kind geen enkel initiatief.” Hij werkt op regelmatige tijden en is zelf uiterst consequent. Een dergelijke aanpak is overigens ook elders gebleken goed te werken bij autisten, voor wie de wereld een onbegrijpelijke chaos is. Hoe meer duidelijkheid, hoe beter.

Van Soest onthoudt autisten in die fase soms bewust prikkels. „Ik sluit bijvoorbeeld lange tijd de tastzin af (ik heb Susanne bijvoorbeeld bokshandschoenen aangedaan). Dan wordt het kind zeer onrustig en deze onrust gebruik ik om een opdracht in hoog tempo door te voeren.” Met een balspelletje is de gedragsomgeving steeds groter te maken.

In de tweede, begeleidingsfase gaat Van Soest soepeler met zijn pupillen om. Hij biedt dan ook meer materiaal aan. Pas als het kind een groter stuk van de wereld bestrijkt, kan een begin worden gemaakt met het aanleren van gewenst gedrag. Zo leerde Susanne het in deze fase af op haar tenen te lopen. Van Soest trok haar daartoe stijve, hoge schoenen aan waarop ze elke dag een stuk moest wandelen.

Na deze experimenten werkte Van Soest zijn methode uit. In zijn proefschrift beschrijft hij de behandeling van zeven laag functionerende, niet sprekende autisten die sinds 1982 in zijn praktijk kwamen. Alle zeven zijn zij nu in staat zich te uiten in twee- en drie-woordzinnen. Zij zijn, zegt Van Soest, nu „rijp voor opvoeding en ontwikkeling door ouders en leerkrachten. Ik krijg ze nu in vier- tot vijfhonderd uur aan het praten. Destijds werd mijn methode uitgelegd als een keiharde. Maar dat is helemaal niet waar. De ouders zijn er altijd bij. Er waren zelfs ouders die zo blij waren dat ik hun kind aan de praat had gekregen, dat ze 45 kilometer te voet aflegden naar Kevelaar, om Maria te bedanken.”

In Engagement van november 1982 haalt de ontwikkelingspsycholoog (inmiddels dr.) H. Baartman van de VU de Amerikaanse deskundige Rutter aan: „The cure is not the cause.” Dat wil zeggen: uit het feit dat een bepaalde geneesmethode of hulpmethode werkt, kan men niet automatisch afleiden wat de oorzaak is. (…) Het is zeer wel mogelijk dat Van Soest effect heeft met wat hij doet, maar dat rechtvaardigt op zich nog niet zijn theorie van de foutieve zintuigenhiërarchie!”

Bij de NVA, de belangenvereniging van ouders en deskundigen, is men niet enthousiast over de werkwijze van Van Soest. C. Hellingman zegt dat de NVA klachten bereiken van ouders die met hun kind naar de praktijk van Van Soest in Kleef gingen. Het zijn er „geen tientallen”, maar de berichten zijn volgens haar overwegend negatief, vooral omdat de behandeling veel tijd vergt en dus duur is.

De behandeling van de psycholoog wordt niet betaald door het ziekenfonds. „Terwijl bij de gevestigde autisme-teams de ervaringen voor 98 procent positief zijn. De enkele klacht betreft daar nu juist het gebrek aan tijd”, aldus Hellingman. De houding van de NVA is dan ook samen te vatten als: met zo’n zak vol tijd en geld zouden wij ook wel raad weten.

Van Soest heeft jaren gestreden voor erkenning, en zich over het gebrek daaraan herhaaldelijk verbitterd uitgelaten. In Engagement van november 1982 schrijft hij: „Ondanks herhaaldelijk verzoek van Van Soest om naar zijn resultaten te komen kijken en tot een gesprek te komen, geeft het ministerie niet thuis. Koelbloedig verlangt het ministerie dat Van Soest zijn behandelingsmethode door een objectief onderzoek laat analyseren. Wie zou daar nu bij gebaat zijn? Alsof je van het papier de praktijk kunt beoordelen.”

Van Soest nu: „Ouders hebben aan theorieën niets. Die vragen: kun je mijn kind helpen? Je kunt heel veel weten, maar zelf met de bal spelen is een heel andere aangelegenheid”’.

Met zijn dissertatie doet Van Soest een concessie aan „het papier”, maar door te promoveren heeft hij tegelijk zijn gram gehaald. „Ik vind het een hele eer dat ik na zoveel jaren eindelijk die wetenschappelijke erkenning heb gekregen.” 

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3384-3182

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 300A)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl <1>
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. <2>


RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 300A

In de vergaderingen met de leerkrachten gaat het regelmatig over ‘geschiedenis’. Leerkrachten hebben vragen en Steiner geeft antwoord.

Vergadering van 25 september 1919

Blz. 82

X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

<1> X.: Waar moet je beginnen met geschiedenis?

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwickelung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schuljahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn. Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

In bijna iedere klas zal je met geschiedenis weer bij het begin moeten beginnen. Beperk gewoon de lessen naar behoefte. Als je bijvoorbeeld gedwongen wordt in klas 8 vanaf het begin te beginnen, neem dan gewoon een beetje, maar probeer dan toch een overzicht te geven van de gehele ontwikkeling van de mensheid, alleen korter. Je zou dus in klas 8 de hele wereldgeschiedenis in onze opvatting moeten doorlopen. Dit geldt ook voor de natuurkunde. Bij biologie is het heel makkelijk om wat de kinderen geleerd hebben, te laten gebruiken en te verlevendigen. Het zullen alleen de vakken zijn waarbij dit tekort optreedt, vakken waarvan we zeggen dat ze na het twaalfde jaar moeten beginnen, wanneer de oordeelskracht ontstaat. Je zult een aantal dingen kunnen gebruiken in beschrijvende vorm wat de kinderen hebben geleerd, zij het op een ingewikkelde manier .

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kulturgeschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen; die Perserkriege zum Beispiel.

X.: In de Griekse geschiedenis kun je je waarschijnlijk meer concentreren op de culturele geschiedenis en de legenden en de politieke zaken achterwege laten; de Perzische oorlogen bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegenwart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

De Perzische oorlogen kunnen op zo’n manier worden behandeld dat je ze cultuurhistorisch brengt. In oudere tijden kan je de oorlogen nog vanuit een cultuurhistorisch perspectief behandelen; tot in onze huidige tijd zijn ze steeds onverdragelijker geworden. Je kunt de Perzische oorlogen zien als een symptoom van de cultuurgeschiedkundige aard.

Blz.83

X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X.: Binnenlandse politiek is minder belangrijk, toch?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.  

Jawel, maar hoe het geld er kwam, bijvoorbeeld.

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X.: De grondwetten kunnen waarschijnlijk kort worden behandeld?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Ja, maar de geest van de Lycurgische grondwet moet je zo beschrijven, dat bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta duidelijk wordt.

X.: Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehrbüchern.

X.: Het constitutionele systeem van de Romeinen wordt in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte auswendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große Anzahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daß jeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

In de leerboeken is het uitgebreid en vaak heel verkeerd behandeld. De Romein kende geen grondwet, maar hij kende niet alleen de Twaalf Tafelwetten uit zijn hoofd, maar ook een groot aantal juridische boeken. Je krijgt het verkeerde idee over Rome als je met de kinderen niet doorneemt dat de Romein een man van het recht was en dat men het kende. Het wordt op een saaie manier gepresenteerd in de leerboeken, maar voor Rome moet je al wel de voorstelling wekken dat iedere Romein voor het recht ging en op z’n duimpje de wetten kende. De Twaalf Tafelwetten werden daar zo aangeleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging.
GA 300A/82
Vertaald/82

Vergadering van 23 december 1919

Blz. 115

X. berichtet über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse, die er seit dem Herbst übernommen hat.

X rapporteert over de humanistische vakken in de 7e en 8e klas, die hij sinds het najaar overgenomen heeft.

Dr. Steiner: Römische Geschichte, da muß man die Hauptlinien entwickeln und dann erst, vom Hauptcharakter ausgehend, die Einzelheiten. Es liegt gar kein besonderer Grund vor, alles zu behandeln, zum Beispiel die Geschichte von der Lukretia. Es geschah in Rom viel mehr, als überliefert ist, und es hat keinen Sinn, die zufällig überlieferten Einzelheiten alle zu erzählen.

In de Romeinse geschiedenis moet je de hoofdlijnen uitwerken en vervolgens, beginnend bij de hoofdpersoon, de details. Er is geen specifieke reden om alles te behandelen, bijvoorbeeld het verhaal van Lucretia. Er gebeurde in Rome veel meer dan er overgeleverd werd en het heeft geen zin om de toevallig overgeleverde details te vertellen.

X.: Was sind die Etrusker?

X.: Wat zijn de Etrusken?

Dr. Steiner: Die Etrusker sind ein südliches keltisches Element, ein nach Süden verpflanzter Zweig der Kelten.

De Etrusken zijn een Zuid-Keltisch element, een tak van de Kelten die naar het zuiden kwam.

X. fragt nach kulturhistorischen Schriften zur orientalischen Geschichte.

X. vraagt ​​naar cultuurhistorische geschriften over de oosterse geschiedenis.

Dr. Steiner weist hin auf die Abschnitte über Geschichte Babyloniens und Assyriens von Stahl und Hugo Winkler und auf die Schriften von Friedrich Delitzsch. In Helmolts „Weltgeschichte”. Zum Beispiel „Geschichte Babyloniens und Assyriens”. Stuttgart, 3. Auflage 1891.

Dr. Steiner verwijst naar de hoofdstukken over de geschiedenis van Babylonië en Assyrië door Stahl en Hugo Winkler en naar de geschriften van Friedrich Delitzsch. In Helmolts “Wereldgeschiedenis”. Bijvoorbeeld ‘Geschiedenis van Babylonië en Assyrië’ Stuttgart, 3e editie 1891.

X.: Was ist Baal?

X: Wat is Baäl?

Dr. Steiner: Baal ist ursprünglich eine Sonnengottheit.

Baal is van oorsprong een zonnegod. 
GA 300A/115
Vertaald/115

Vergadering van 1 januari 1920

Blz. 118

X.: Wie weit soll ich die Geschichte weiterfuhren, ehe ich zu etwas anderem übergehe? Ich bin in der 7. Klasse mit der römischen Geschichte bis zum Ende der Königszeit und in der 8. bis zu den punischen Kriegen gekommen.
X.: Hoe ver moet ik doorgaan met geschiedenis voordat ik verder ga met iets anders? Ik ben in klas 7 met Romeinse geschiedenis tot en met het einde van de koningentijd gekomen en in de 8e eeuw tot de Punische oorlogen.

Met een grote boog tot het christendom komen en daarna twee maanden Duits; [bedoeld wordt geschiedenis, denk ik] Goethe en Schiller in de 8e klas. <1>
GA 300A/118
Vertaald/118

Vergadering van 26 juni 1921

Blz. 280

Het gaat ervoor over aardrijkskunde. Daar wijst Steiner naar het belang van grote verbanden.
De vraag werd gesteld n.a.v. ‘het geheugen, wat onthouden de kinderen. Steiner was waarschijnlijk op bezoek in die klas:

Die Kinder waren interessiert. Sie haben alles verstanden, waren enthusiasmiert. Sie haben sich aber
nichts gemerkt, weil er die Dinge heraushob und nicht größere Zusammenhänge gab. Größere Zusammenhänge herstellen, das ist eine gute Art von Gedächtnispflege.
Das gilt in der verschiedensten Weise für verschiedene Unterrichtszweige. Es gilt vor allem für solche Dinge wie Geographie, es gilt auch für gewisse naturgeschichtliche Dinge. Für Geschichte, natürlich, da
gilt es ganz besonders. Bei der Geschichte ist es wichtig, daß auf jede mögliche Weise gesucht werden muß, den Kindern konkrete Vorstellungen zu geben.
Wenn man so etwas bespricht wie die Perserkriege, würde ich niemals versäumen, wenigstens wo wichtige Knotenpunkte sind, irgend jemand herauszuheben. Heute haben Sie den athenischen Läufer
gehabt: ich würde niemals versäumen, den Kindern eine recht anschauliche Vorstellung zu verschaffen, wie lange es her ist, daß ein solcher Mensch gelebt hat, zum Beispiel die Generationen nachrechnen zu lassen: Großvater und Sohn und so weiter. Ich würde die Reihe konstruieren bis herauf zum athenischen Läufer. Es würden sich ergeben 55 bis 56 hintereinanderstehende Menschen. Die Kinder bekommen dadurch eine Vorstellung, wie lange die Zeitlinie hinaufgeht. Ich würde fragen, welcher ist Zeitgenosse des Mysteriums von Golgatha? Solche Vorstellungen zu Hilfe nehmen, und darauf ruhen lassen die Kinder. Man redet von Ägypten und will ihnen beibringen, wie sie von Stuttgart nach Ägypten kommen. Man
hält in Venedig, dann versucht man ein bißchen abzurücken vom

<2>De kinderen waren geïnteresseerd. Ze begrepen alles en waren enthousiast. Maar ze hebben niet iets opgemerkt omdat hij (de leerkracht) dingen benadrukte en niet het grotere plaatje schetste. Grotere verbanden leggen is een goede manier om het geheugen te verzorgen.
Dit geldt op verschillende manieren voor verschillende vakken. Dat geldt vooral voor onderwerpen als geografie, maar ook voor bepaalde aspecten van de biologie. En m.n. bij geschiedenis is het belangrijk.
Bij geschiedenis is het belangrijk dat op alle mogelijke manieren gezocht wordt om de kinderen concrete voorstellingen te geven.
Wanneer bv. de Perzische oorlogen besproken worden, zou ik nooit achterwege laten om bij belangrijke knooppunten, iemand extra aandacht te geven. Nu waren bv. de Atheense lopers aan de beurt. Hier zou ik nooit achterwege laten om bv. de kinderen een heel concrete voorstelling te geven van hoe lang het is geleden dat zo iemand leefde, bv. door de generaties na te tellen: vader en zoon enz. Die rij zou ik samenstellen tot aan de Atheense lopers.  Er zou uitkomen 55 of 56 achter elkaar staande mensen.
Zo krijgen de kinderen een idee van hoe lang de tijdlijn oploopt. Ik zou willen vragen: wie is een tijdgenoot van het Mysterie van Golgotha? Gebruik zulke ideeën en laat de kinderen erover nadenken. Je vertelt over Egypte en wil ze leren hoe ze van Stuttgart naar Egypte kunnen reizen. Je stopt in Venetië, dan probeer je een beetje afstand te nemen van het

Blz. 281

Thema und einen Witz zu machen, was auf Venedig Bezug hat. Es muß Humor in den Unterricht hinein, sonst leidet auch das Gedächtnis.

van het thema en een grap te vertellen die over Venetië gaat. Er moet humor in de les zitten, anders lijdt het geheugen daaronder. <2>

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3383-3181

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, deze bv. rangschikt ze onder ‘Spelen van dood en de andere wereld’
w.o.:

HIER IS ’T GROEN

De kinderen staan in een kring. Een of twee kinderen lopen binnen in de kring zoekend langs de anderen. Daarbij maken ze de gebaren die in de tekst van het liedje voorkomen.

Bij: Draai je eens om! blijven de twee staan voor het kind waar ze juist aan toe gekomen zijn, maken een gebaar van draaien met de hand, terwijl het stilstaande kind zich omdraait, en kijken geïnteresseerd of zij het is.

Bij: Nee, nee! maken ze een afwijzend gebaar en gaan verder.
Het volgende kind dat zich omdraait, blijkt het wél te zijn, en bij de regel: En boven op de bergen’ pakken zij elkaar kruiselings bij de handen en dansen samen rechtsom, terwijl de kinderen van de kring op de maat in de handen klappen.

Variatie: de paren gaan binnen in de kring dansen en de kringkinderen huppelen achter elkaar aan met handen klappen. Bij de herhaling dansen en huppelen de kinderen naar de andere kant, dus links om.

Hier is ’t groen, daar is ’t groen, onder mijne voeten,
’k heb verloren m’n beste vriend,
’k zal hem zoeken moeten!
Zoek ik hier, zoek ik daar,
onder jullie allen
is er zeker toch wel een,
die mij zal bevallen!
Draai je ’s om, want ik ken je niet,
ben je het wel of ben je ’t niet?
Nee, nee, je bent het niet!
Keer je maar om, want ik ken je niet!
Draai je eens om, want ik ken je niet,
ben je ’t wel, of ben je ’t niet?
Ja, ja! Ik zie het goed,
dat jij met me dansen moet!

Dit 2x:

En – boven op de bergen,
simperdesim sim sim,
dansen alle dwergen,
simperdesim sim sim! 

De muziek

Dit spelletje is ook, als Twentse boerendans, bekend met een andere tekst:

Wat is ’t nat! Wat is ’t nat! onder mijne voeten,
uitverkoren, uitverkoren, waar zal ik je zoeken?
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal.
Nee, nee, je bent het niet,
draai je maar om, want ik ken je niet!
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal!
draai je maar om, wan ik ken je wel!
draai je om, ik ken je wel!
Hier m’n lieve vrouwtje, ik geef de hand aan jou!
Je zal me niet verlaten, en daarom kies ik jou!

De eerste tekst, waaraan wij persoonlijk de voorkeur geven, lijkt meer op de overeenkomstige Duitse. (Hier ist grün!)

Verklaring

Voor Uyldert is degene die binnen de kring loopt een levende ziel die in het dodenrijk afdaalt om er de geliefde te zoeken die door de dood verloren is gegaan. Hij gaat over het groen der graver en hij waadt – wat is ’t nat! – door de rivier der vergetelheid, of hij steekt die over, gebruik makend van de haardunne brug Bifrost – waarbij hij zelf zijn doel bijna vergeet. Maar zijn verlangen drijft hem voort.
Hier citeert ze: 

Aegidius, waar bestu bleven?
Mi langt naar di, geselle mijn!

En ze noemt Orpheus die Euridyce zoekt onder de schimmen. Is zij al een schim of is zij in Vrouw Holle’s rijk slechts verdwaald? Schimmen zijn van achteren hol, en hij laat elk meisje zich omdraaien, om te zien of zij de echte is!

Of is de geliefde enkel onder de dwergen terecht gekomen? Dan bevindt zij zich in het etherische rijk; daar wordt de mensenwereld vergeten. Is hij haar daar gaan verlossen – waarop de dwergen vrolijk in de maneschijn meedansen?

In het tweede versje danst het paar in de groene wei van Vrouw Holle. Is het de gestalte van de verloren geliefde, waar men mee danst – of is het de gedaante van de eigen ziel, die in de droomtoestand van het bewustzijn na de dood wordt ontmoet?

Zie hier

En hier voor een andere uitleg.
.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3382-3180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner over geschiedenis – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over geschiedenis. Toevoegingen in blauw zijn van mij. 

GA 294    vertaling: Opvoedkunst
8e voordracht        vertaling op deze blog    
Overgang leeftijd kind van 12 naar 13jr; dan open voor historische verbanden; noodzaak voor leerkracht om zich kennis van de historische impulsen eigen te maken.

GA 295    vertaling: Praktijk van het lesgeven
Artikel met de betreffende passages
Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden; iets over achtergrondliteratuur uit die tijd voor ons niet meer interessant; over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; de tijd: lang geleden; over steden; met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen; iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie; vakken met elkaar verbinden; volksverhuizing; Karel de Grote; Germanen en christendom.

GA 300A     (nog) niet vertaald
Artikel met de betreffende passages
Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. 

GA 301    op deze blog vertaald
Artikel met betreffende passages
Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. Idem: het belang van de plantkunde. Hoe zit het met causaliteit? Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt. Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom); het geheel en de delen; het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht; over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo, Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen; causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie.

in opbouw

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3381-3179

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Handwerken (5-4)

.
Een oud artikel, maar het had ook recent geschreven kunnen worden.
Een vergelijking tussen handwerken en handenarbeid.
.

Hedwig Hauck, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 3e jrg. nr. 3-4 sept.  1929

.

Over de opvoedkundige waarde van het maken van stoffen dieren
.

Steiner noemde handenarbeid en handwerken graag ‘hard’ en ‘zacht’ handwerk.
Hij wees op een belangrijk verschil tussen de twee werkgebieden, waarvan we ons pas geleidelijk in de volle omvang bewust werden. Niet alleen worden op de twee genoemde gebieden verschillende soorten materiaal gebruikt, maar bij de verwerking van hetzelfde worden zeer verschillende soorten zielskrachten van het kind gewekt en aangesproken. De educatieve waarde van het ene en het andere werkveld ligt waarschijnlijk in afzonderlijke gebieden, die elkaar echter op een mooie manier aanvullen, en vaak in elkaar overgaan of in de diversiteit van het werk, dat zowel met de ‘zachte’ als met de ‘harde’ handarbeid kan worden vervaardigd, elkaar overlappen.

Hierna worden echter alleen de verschillen aangegeven. Als voorbeeld nemen we het dier, hoe het van hout in de harde handenarbeid gemaakt wordt en vervolgens van stof in het zachte handwerken. Eerst wordt het plat aan elkaar genaaid en vervolgens door het opvullen in vorm gebracht.

Bij handenarbeid moet het hout bewerkt worden; er wordt gehamerd, geschaafd, gesneden, enz. — het is de krachtige wil die, door direct gebruik te maken van de met leven gevulde ledematen van het kind, creatief ingrijpt in de buitenwereld.

Bij handwerken gaan de stoffen zorgvuldig door de handen. Kleurrijke materialen strelen het hart en de zintuigen en worden met liefdevol begrip bij elkaar gebracht. Hier zijn de zielskrachten van het gevoel werkzaam, die niet tot de ledematen behoren, maar tot de borststreek van de mens, die in het bloed en de adem stromen en die daarom de handen slechts indirect gebruiken om datgene wat innerlijk wordt gevoeld, uiterlijk te laten verschijnen.

Zoals een levende waterstroom de steen van buitenaf vormt en verandert, zo is het de levende wil die het werk aan het hout van buitenaf uitvoert en het kunstwerkje, het dier, vanuit de levenskrachten vormgeeft.

Levenskrachten komen van buitenaf uit de kosmos naar de mens, zielskrachten werken innerlijk aan hem aan en vormen zijn fysieke gestalte van binnenuit.

Zoals ziel en geest in de mens zelf scheppend werken, wanneer het tussen het zevende en veertiende jaar het fysieke lichaam en zijn organen van binnenuit vormgeeft en bezielt, zo schept het kind door zijn werk aan het dier dat het van binnen opvult om vorm te geven aan de buitenkant. Daarom wordt zo’n dier als het ware ook door het kind bezield. Het is vaak verrassend om te zien hoe het temperament van het kind, zijn eigen wezen, tot uiting komt in het dier dat hij heeft gemaakt. Het gaat bijvoorbeeld niet altijd om cholerische leeuwen, maar soms duikt er ook een nogal flegmatisch of melancholisch roofdier op. De dieren zijn vaak grappig, humoristisch, die vaak al tijdens het werk het lievelingsspeeltje van het kind worden.

Tot het hier besproken gebied behoren ook de poppen. “Laat maar lachende poppen maken, poppen die de ziel uitdrukken,” zei Steiner ons ooit. De meisjes maken met grote toewijding poppen en dieren, terwijl de jongens over het algemeen de voorkeur geven aan dieren.
Van het negende tot het tiende levensjaar, wanneer in het hoofdonderwijs met de plaats van de mens in de natuur begonnen wordt, wordt het voor de kinderen mogelijk om hun dier- en poppenvormen op een meer bewuste manier te maken. Bij jongere kinderen komen dier- en poppenvormen volledig uit het onbewust-psychische tevoorschijn.

Zoals bij het zachte handwerken een zielvol dier ontstaat, zo ontstaat bij de harde handenarbeid een levendig dier. Het dier kan puur uiterlijk bewegen en door zijn bewegingen zijn ze vaak heel grappig en humoristisch waardoor ook emotionele aspecten tot uiting komen.

De stoffen dieren, met hun directe gevoelsuitdrukking en vaak onnavolgbare humor, hebben meestal geen uiterlijke beweeglijkheid. Maar ze leven van binnenuit toch. Als een kind bijvoorbeeld een aanstormende olifant met zijn slurf omhoog maakt, dan rent de olifant daadwerkelijk en in de verbeelding van het kind zwaait hij hard met zijn slurf. heen en weer. Het kind wordt door zo’n speeltje gestimuleerd tot steeds nieuwe fantasierijke activiteiten, waarvan het zeker het idee heeft dat het leeft. Dit heeft een vormend en structurerend effect op de hersenen. Het kind krijgt via dergelijk speelgoed een heel andere ontwikkelingskans dan via veel ‘mooi’ modern speelgoed, waarbij de fantasie, omdat het niets meer heeft om aan te vullen, moet afhaken en de hersenen verkommeren.

Er wordt over het algemeen veel te weinig aandacht besteed aan de ontzettend belangrijke educatieve waarde van poppen en dieren die kinderen zelf maken. Daarnaast is er nog iets anders belangrijks. Zo biedt een pop met dergelijke kleding de beste voorbereiding op het naaien van bijpassende kledingstukken die het kind – als het wat ouder is – voor zichzelf en anderen moet maken.

Op deze manier wordt het kind van spel naar zinvol werk geleid – en ook naar morele impulsen. Poppen en dieren worden door de kinderen altijd met liefde verzorgd. Door hen worden de kinderen tot die onbaatzuchtige liefde voor dieren en mensen aangezet – waaruit op latere leeftijd de mooiste sociale impulsen kunnen bloeien. —

Het zijn de vermogens van het gevoel, de vermogens van de liefde, die in het kind worden gewekt door het zachte handwerken, en vooral de wilskracht die wordt ontwikkeld door de harde handenarbeid. —

In de vrijeschool zijn euritmie en gymnastiek op een vergelijkbare manier met elkaar verbonden als de twee hierboven genoemde werkgebieden. In deze school, zoals uit vele andere voorbeelden kan blijken, ervaren gevoel en wil hun overeenkomstige, gelijke steun en vorming naast al het intellectuele, zodat de gehele mens, niet alleen de intellectuele, zich kan ontwikkelen. —

Zowel het zachte als het harde handwerk hebben beide kunstzinnig beleven en vormgeving als doel. Door kunstzinnig ervaren, door het plezier voor het mooie, wordt de ziel van het kind tot ontwikkeling gebracht en het gevoel voor waarheid, het gevoel voor morele goedheid in het kind aangelegd.

Een woord van Rudolf Steiner kan deze overweging wellicht afsluiten:

‘ Voor het gehele verdere leven is een vruchtbare bodem gelegd, waaruit vreugde, levensblijheid en werkkracht kunnen opbloeien, wanneer het gevoel voor schoonheid en kunst in de jeugd ontwikkeld is. En de verhouding van mens tot mens, hoeveel edeler en zuiverder wordt deze niet door de zin voor het schone.
De moraliteit, die in deze jaren ook ontwikkeld wordt door de beelden van de wereld en het leven, door het voorbeeld van de opvoeder, die als autoriteit aanvaard wordt, krijgt vastheid, wanneer door de schoonheidszin al het goede tevens als schoon, al het slechte als lelijk wordt aangevoeld.’
GA 34/340
Vertaald: De opvoeding van het kind

De zwart-wit foto’s zijn uit het artikel van Hauck, de andere via Pinterest, van veel recentere datum:

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3380-3179

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 295)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden  <1>
Iets over achtergrondliteratuur uit die tijd  <2>  en  <4>   <9> voor ons niet meer interessant
Over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen <7>, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; <3>
De tijd: lang geleden <5>  en  <7>
Over steden <6>
Met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen <8>
Iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie <10>
Vakken met elkaar verbinden <11>
Volksverhuizing <12>
Karel de Grote <13>
Germanen en christendom <14>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 295  

.

Werkbespreking 7, Stuttgart 28 augustus 1919

In deze werkbespreking behandelt Steiner o.a. ‘cultuurgeschiedenis’. Het is interessant dat hij het over ‘meningen’ heeft. Standpunten.
Al vele jaren is er in de didactiek van de geschiedenis de tendens om geschiedkundige gebeurtenissen niet alleen te bespreken vanuit het gezichtspunt van – in geval van oorlog bv. – de overwinnaar, maar ook ‘in de huid te kruipen’ van de overwonnenen.
De geschiedenis bekeken vanuit ‘Europa’ werd als te eenzijdig gezien. Dit ‘eurocentrisme’ moet niet de leidraad zijn bij geschiedenisbeschouwing.

Steiner:

Blz. 74  vert. 69

So möchte ich mit Ihnen besprechen, was mit der Kulturentwickelung Europas, so vom 11. bis 17. Jahrhundert, zusammenhängt. Sie werden nicht aus den Augen verlieren dürfen, daß das Durchnehmen geschichtlicher Dinge mit Kindern, und auch schließlich mehr oder weniger mit Erwachsenen, immer ein subjektives Element in sich haben muß. Man hat leicht sagen, man soll bei Geschichtsdarstellungen nicht Meinungen und subjektive Ideen in die Geschichte hineintragen. Verlangen kann man es, aber erfüllt werden kann es nicht. Denn nehmen Sie irgendeine Partie der Geschichte auf irgendeinem Gebiete; Sie werden mindestens die Tatsachen gruppieren müssen, entweder
selbst, oder wenn die Tatsachen weiter zurückliegen, so sind sie schon
gruppiert, dann haben andere sie gruppiert.

<1>Zo zou ik allerlei dingen met u willen bespreken die verband houden met de culturele ontwikkeling van Europa, ongeveer van de elfde tot de zeventiende eeuw. U moet goed voor ogen houden dat de behandeling van historische dingen voor kinderen, en voor volwassenen uiteindelijk in meerdere of mindere mate ook, altijd een subjectief element in zich moet hebben. Het is wel heel gemakkelijk om te zeggen dat men bij historische beschrijvingen geen meningen en subjectieve ideeën in de geschiedenis mag leggen. Eisen kan men het wel, maar vervuld kan het niet worden. Want neemt u maar een of ander gedeelte van de geschiedenis, op wat voor gebied dan ook; u zult op zijn minst de feiten moeten ordenen. Of u doet het zelf, of de feiten liggen verder terug en zijn al geordend, dan hebben anderen dat gedaan. <1>

<2> Nu volgen er voorbeelden van schrijvers die destijds zeker achtergronden vormden voor de leerkrachten van toen, in Duitsland.
Welke boeken gebruikten de leerkrachten van de eerste vrijescholen in Nederland? Daar heb ik geen zicht op. 
En welke gebruikte ik zelf in 1975, 1976 toen ik voor het eerst geschiedenis gaf in klas 5 en 6. Om gedegen monografieën te lezen, van bv. Le Goff e.a. ontbrak simpelweg de tijd. Waar ik uit putte, staat voor een groot gedeelte bij de artikelen over geschiedenis klas 5 en 6.
Als voorbeeld hoe dat in Steiners tijd toeging, geef ik wel zijn woorden uit deze werkbespreking weer:

Nehmen Sie an, Sie schildern den Geist der alten Germanen, so werden Sie die «Germania» des Tacitus heranziehen. Aber der Tacitus war gar sehr ein subjektiver Geist; er hat das, was er herangebracht hat, schon gar sehr gruppiert. Sie dürfen nicht hoffen, daß Sie anders zurechtkommen, als eine subjektive Gruppierung von Tatsachen entweder selbst aufzustellen oder von anderen zu übernehmen.
Sie brauchen sich ja das nur an Beispielen klarzulegen. Sehen Sie einige Literaturbeispiele an:
Treitschke hat eine mehrbändige «Deutsche Geschichte des 19. Jahrhunderts» geschrieben. Sie hat das Entzücken Herman Grimms, der doch auch ein fähiger Beobachter war, hervorgerufen; sie hat das Entsetzen hervorgerufen vieler Angehöriger der Entente. Aber wenn Sie Treitschke durchlesen, so werden Sie gleich das Gefühl haben, daß gerade seine Vorzüge auf seiner stark subjektiven Färbung in der Grup-

Neemt u eens aan, u schetst de cultuur van de oude Germanen, dan zult u de Germania van Tacitus raadplegen.* Maar Tacitus was een uiterst subjectieve geest. Hij heeft zijn materiaal op een wel heel eigen wijze geordend. U mag niet hopen dat er een andere mogelijkheid is dan een subjectieve ordening – hetzij van uzelf, hetzij overgenomen van anderen. Dat wordt aan de hand van een paar voorbeelden onmiddellijk duidelijk. Kijkt u eens naar een paar voorbeelden uit de literatuur.

*Publius Cornelius Tacitus, ca. 55-120, Romeins geschiedschrijver. Schreef o.a. Germania.

 Treitschke heeft een ‘Duitse geschiedenis van de negentiende eeuw’ geschreven.*

*Heinrich von Treitschke, 1834-1896, schreef een Deutsche Geschichle im 19. Jahrhundert in 5 delen. 

 Hermann Grimm, die zelf toch ook een getalenteerd waarnemer was, was er zeer over te spreken, maar vele leden van de Entente waren ontzet. Als u Treitschke echter doorleest, zult u onmiddellijk het gevoel hebben dat juist zijn sterke kanten liggen in een heel subjectieve hand in de ordening van de feiten.

Blz. 75  vert. 70

pierung der Tatsachen beruhen. Es kommt ja in der Geschichte darauf an, daß man ein Urteil hat über die in der Geschichte treibenden Kräfte und Mächte. Nun handelt es sich darum, daß bei dem einen das Urteil reifer, beim anderen weniger reif ist, und der also gar nichts urteilen sollte, weil er gar nichts versteht von den treibenden Kräften. Der andere wird gerade, wenn er gute subjektive Urteile hat, den geschichtlichen Fortgang sehr gut schildern.
Herman Grimm hat Friedrich den Großen geschildert, Macaulay hat auch Friedrich den Großen geschildert. Aber man bekommt ein vollständig verändertes Bild von Friedrich dem Großen durch Macaulay. Herman Grimm hat seinen Artikel sogar als eine Art Rezension des Macaulayschen Artikels verfaßt und hat von seinem Gesichtspunkte aus gesagt: Der Friedrich der Große des Macaulay «ist ein verzwicktes englisches Lordsgesicht mit Schnupftabak an der Nase.»
Der Unterschied ist nur der, daß Herman Grimm ein Deutscher des 19. Jahrhunderts ist, und Macaulay ein Engländer des 19. Jahrhunderts. Und derjenige, der als Dritter beides beurteilt, würde eigentlich sehr engherzig sein, wenn er das eine richtig, das andere falsch findet.

In de geschiedenis gaat het erom dat men een oordeel heeft over de drijvende krachten en machten in de geschiedenis. En nu is het zo dat het oordeel bij de een rijper is en bij de ander minder rijp – die dan ook geen oordeel zou moeten vellen, omdat hij volstrekt niets begrijpt van de drijvende krachten. De eerste zal juist wanneer hij goede subjectieve oordelen heeft de loop van de geschiedenis heel goed beschrijven.
Hermann Grimm heeft een beeld gegeven van Frederik de Grote, en ook Macaulay heeft dat gedaan.*

*Hermann Grimm, 1828-1901: ‘Friedrich der Grosse und Macaulay’ in Fünfzehn Essays. Erste Folge, 3e druk Berlijn 1884.
Lord Thomas Babington Macaulay, 1800-1859.

Maar door Macaulay krijgt men een volstrekt ander beeld van Frederik de Grote. Hermann Grimm heeft zijn artikel zelfs als een soort recensie over het artikel van Macaulay geschreven. Vanuit zijn gezichtspunt zei hij: de Frederik de Grote van Macaulay ‘is een gecompliceerde Engelse lord met snuiftabak aan zijn neus.’ Maar het enige verschil is dat Hermann Grimm een Duitser van de negentiende eeuw is en Macaulay een Engelsman van de negentiende eeuw. En degene die als derde beiden beoordeelt, zou eigenlijk heel bekrompen zijn wanneer hij het ene beeld als juist en het andere als fout zou beoordelen. 

So konnte man noch viel drastischere Beispiele auswählen. Viele von Ihnen kennen die Schilderung Martin Luthers aus den gewöhnlichen Geschichtsbüchern. Machen Sie nur einmal das Experiment und lesen Sie dasselbe in katholischen Geschichtsbüchern durch, da werden Sie einen Martin Luther kennenlernen, den Sie bisher noch nicht gekannt haben! Wenn Sie es durchgelesen haben, da werden Sie in Verlegenheit sein, zu sagen, daß der Unterschied ein anderer ist, als der, der sich aus verschiedenen Gesichtspunkten ergibt. Nun werden solche Gesichtspunkte, wie sie aus dem Nationalen oder aus dem Konfessionellen stammen, eben gerade von der Lehrerschaft der Zukunft überwunden werden müssen. Deshalb muß man so sehr anstreben, die Lehrerschaft weitherzig zu bekommen, die Lehrerschaft auf den Standpunkt zu stellen, eine weitherzige Weltanschauung zu haben. Von diesem Gesichtspunkte aus wird sich auch ein freier Ausblick bieten über die geschichtlichen Tatsachen, und man wird sie so gruppieren, daß man dem Schüler die Geheimnisse des Menschheitswerdens überträgt.

Zo zou men nog veel sprekender voorbeelden kunnen uitkiezen. Velen van u kennen het beeld van Maarten Luther uit de gewone geschiedenisboeken. Maar neemt u eens de proef op de som en leest u hetzelfde in katholieke geschiedenisboeken, dan zult u een Maarten Luther leren kennen zoals u hem tot nu toe niet kende! Als u dat gelezen hebt, dan zult u wel moeten zeggen dat het verschil niets anders is dan het resultaat van verschillende gezichtspunten. Maar zulke gezichtspunten die ontstaan vanuit een nationale of confessionele benadering, zullen nu juist door de leraren van de toekomst overwonnen moeten worden.

Wat veel later m.n. in Europa een gedachte werd voor het geschiedenisonderwijs, spreekt Steiner hier in 1919 al uit. En als we met ‘de leraren van de toekomst’ alle leerkrachten ter wereld bedoelen, zijn er nog veel gebieden (totalitaire staten bv.) waar deze gedachte niet welkom is, laat staan praktijk!

Daarom moet men werkelijk proberen te bereiken dat de leraren ruimdenkende mensen zijn, dat de leraren een standpunt vinden dat tot een ruimdenkende wereldbeschouwing leidt. Van dit gezichtspunt uit is het ook mogelijk een vrije blik te werpen op de historische feiten en we zullen deze zo ordenen dat we aan de leerlingen de geheimen van de ontwikkeling van de mensheid overbrengen. <2>

Blz. 76  vert. 71

Wenn Sie nun etwas über die Kultur vom 11. bis 17. Jahrhundert an Ihre Schüler übertragen sollten, so würden Sie da in erster Linie schildern, was zu den Kreuzzügen geführt hat. Sie würden schildern den Verlauf des ersten, zweiten, dritten Kreuzzuges. Wie die Kreuzzüge allmählich versumpft sind und nicht dasjenige erreicht haben, was durch sie hätte erreicht werden sollen. Sie würden schildern den Geist der Askese, der dazumal durch einen großen Teil von Europa ging; wie überall aus der Verweltlichung der Kirche, oder doch im Zusammenhang mit dieser Kirchenverweltlichung, Naturen hervorgingen wie
Bernhard von Clairvaux, die voll inniger Frömmigkeit waren, von einer solchen Frömmigkeit, daß sie den Eindruck von Wunderwirkern auf ihre Umgebung machten. Sie würden versuchen, aus einem Handbuch solche Gestalten biographisch kennenzulernen und sie lebendig vor Ihre Schüler hinzustellen, und würden versuchen, solchen lebendigen Geist aufwirbeln zu lassen, aus dem sich die für die damalige Zeit mächtigen Züge nach dem Orient entwickelt haben. Sie würden zu schildern haben, wie damals die Züge zustande gekommen sind durch Peter von Amiens und Walter von Habenichts; dann der Zug von Gottfried von Bouillon und einigen anderen.

<3>Moet u de leerlingen nu iets vertellen over de cultuur van de elfde tot de zeventiende eeuw, dan zou u in eerste instantie beschrijven hoe de kruistochten tot stand zijn gekomen. U zou het verloop schetsen van de eerste, de tweede en de derde kruistocht. Hoe de kruistochten geleidelijk aan in het slop raakten en niet datgene bereikten wat erdoor bereikt moest worden. U zou de geest van ascese schetsen die toentertijd door een groot gedeelte van Europa voer; hoe overal vanuit de verwereldlijking van de kerk of althans in verband met deze verwereldlijking figuren als Bernard van Clairvaux opstonden, die een innig geloof hadden. Ze hadden zo’n krachtig geloof dat ze op hun omgeving de indruk maakten wonderen te kunnen verrichten. U zou proberen om via een handboek de biografieën van zulke figuren te leren kennen en ze zo levendig te beschrijven dat de leerlingen ze helemaal voor zich zouden zien. U zou proberen net zo’n levendige geest te laten opbruisen als die waaruit de voor die tijd machtige tochten naar het Oosten zijn voortgesproten. U zou moeten beschrijven hoe toentertijd de tochten door Peter van Amiens en Walter von Habenichts tot stand zijn gekomen, en verder de tocht van Godfried van Bouillon en enkele anderen. 

Sie werden dann schildern, wie diese Züge sich nach dem Orient inBewegung gesetzt haben und wie ungeheure Mengen von Menschen umgekommen sind, oftmals ehe sie den Orient erreicht haben. Sie werden durchaus dreizehn- bis vierzehnjährigen Jungen und Mädchen schildern können, wie diese Züge sich zusammensetzten, wie sie sich in Bewegung setzten und sich ungeordnet nach dem Orient zu bewegten, und wie durch die Ungunst der Verhältnisse, aber auch im Durchdrängen durch fremde Völker viele Menschen zugrunde gingen.
Sie werden dann auch zu schildern haben, wie diejenigen, die im Orient ankommen, erst ein Weniges erreichen. Sie werden die Erfolge des Gottfried von Bouillon schildern, werden dann aber zeigen, wie sich ein Gegensatz ergibt zwischen den Kreuzfahrern der folgenden Kreuzzüge und der griechischen Politik. Wie die griechischen Völker eifersüchtig werden auf die Taten der Kreuzfahrer und den Gegensatz fühlen zwischen dem, was diese wollten, und dem, was die Griechen vorhatten mit dem Orient; wie die Griechen im Grunde genommen

Dan zult u schetsen dat men naar het Oosten trok en dat er ontzettende massa’s mensen omkwamen, vaak nog voor ze het Oosten bereikten. U zult voor jongens en meisjes van dertien, veertien jaar heel goed kunnen beschrijven wie er deel uitmaakten van die kruistochten, hoe ze in beweging kwamen en ongeordend richting Oosten trokken, en hoe er velen zijn omgekomen door ongunstige omstandigheden, maar ook doordat men zich door vreemde volkeren een weg moest banen.
Dan moet u beschrijven dat degenen die in het Oosten aankomen eerst maar weinig bereiken. U zult de successen van Godfried van Bouillon beschrijven, maar dan zult u ook vertellen dat er een tegenstelling ontstaat tussen de kruisvaarders van de volgende kruistochten en de Griekse politiek. Dat de Griekse volkeren jaloers worden op de daden van de kruisvaarders en de tegenstelling voelen tussen wat deze willen en wat de Grieken zelf van plan zijn met het Oosten; dat de Grieken in feite de oriëntaalse belangen net zozeer

Blz. 77   vert. 72

ebenso die orientalischen Interessen einbeziehen wollten in ihre Interessensphäre wie die Kreuzfahrer in die ihrige. Ich würde Sie bitten»
recht anschaulich zu schildern, wie der Gegensatz der Griechen aufgerufen wird gegen das Wollen der Kreuzfahrer.
Dann würde ich meinen, daß Sie schildern sollten, wie im Orient die kämpfenden Kreuzfahrer, statt die orientalischen Völker in Westasien zu bekämpfen, sich untereinander bekämpfen; wie die europäischen Völker selber sich aufeinanderhetzen, wie namentlich die Franken und ihre Nachbarvölker durch die Ansprüche, die sie erheben an das, was erobert worden war, wiederum hintereinanderkommen und sich untereinander bekämpfen. Die Kreuzzüge sind aus feurigem Enthusiasmus zustande gekommen, aber der Geist der Zwietracht ergriff die Teilnehmer der Kreuzzüge, und dann kam auch noch der Gegensatz zwischen Griechen und Kreuzfahrern herauf.

in hun belangensfeer willen inlijven als de kruisvaarders. Ik zou u willen vragen er een heel aanschouwelijk beeld van te geven hoe deze tegenstelling is ontstaan tussen de Grieken en het streven van de kruisvaarders.
Dan, zou ik denken, schetst u hoe de strijdende kruisvaarders, in plaats van de oosterse volkeren in Klein-Azië te bestrijden, elkaar onderling bestrijden; dat de Europese volkeren elkaar ophitsen en met name de Franken en de naburige volkeren hun recht doen gelden op de gebieden die veroverd zijn en dat zij elkaar daarom weer in de haren vliegen en onderling bestrijden. De kruistochten zijn ontstaan uit een vurig enthousiasme, maar de geest van de tweedracht maakte zich van de kruisvaarders meester. Daarbij kwam dan de tegenstelling tussen de Grieken en de kruisvaarders. 

Zu alldem kam dazu der Gegensatz, der sich immer mehr und mehr geltend machte, zwischen der Kirche und den weltlichen Mächten, gerade im Zeitalter der Kreuzzüge. Und es ist vielleicht nicht unnötig, schon den Kindern etwas zum Bewußtsein zu bringen, was wahr ist, was aber durch die tendenziöse Geschichtsschreibung in allen wesentlichen Punkten verhüllt worden ist. Gottfried von Bouillon, der Führer des ersten Kreuzzuges, hatte eigentlich die Absicht, Jerusalem aus dem Grunde zu erobern, um ein Gegengewicht gegen Rom aufzurichten. Das sagten er und seine Begleiter den anderen nicht öffentlich; aber im Herzen trugen sie den Kampfruf: «Jerusalem gegen Rom!» Sie sagten sich: Bringen wir Jerusalem in die Höhe, damit es werden könne
der Mittelpunkt des Christentums, damit nicht mehr Rom das sei. –
Sie werden den Kindern diese Grundstimmung der ersten führenden
Kreuzfahrer in taktvoller Weise übertragen, das wird wichtig sein.
Große Aufgaben waren es, die die Kreuzfahrer sich gestellt hatten, und auch diejenigen Aufgaben waren große, die sich nach und nach aus den Verhältnissen selber herausstellten für die Kreuzfahrer. Und die Menschen waren nach und nach zu klein, um diese Aufgaben ohne Schaden auf sich geladen zu sehen. Dadurch kam es, daß unter den Kreuzfahrern während der heftigsten Kämpfe allmählich Sittenlosigkeit und Unmoralität ausbrach.

Bovendien kwam daar juist in de tijd van de kruistochten ook nog de tegenstelling bij tussen de kerk en de wereldlijke machten, die steeds nadrukkelijker werd. En het is misschien niet nutteloos om de kinderen al iets te vertellen van iets wat waar is maar door een tendentieuze geschiedschrijving op alle essentiële punten verborgen is gehouden. Godfried van Bouillon, de aanvoerder van de eerste kruistocht, had eigenlijk de bedoeling Jeruzalem te veroveren om een tegenwicht te vormen tegen Rome. Dat zeiden hij en zijn metgezellen niet openlijk, maar in hun hart droegen ze de strijdkreet Jeruzalem tegen Rome!’ Ze zeiden bij zichzelf: laten we Jeruzalem sterk maken, opdat het het middelpunt kan worden van het christendom en Rome dat niet meer is. U zult de kinderen deze grondstemming van de eerste belangrijke kruisvaarders op tactvolle wijze overbrengen, dat zal belangrijk zijn. Het waren grote opdrachten die de kruisvaarders zich gesteld hadden, en ook de taken die geleidelijk aan uit de omstandigheden voor de kruisvaarders ontstonden waren groot. En langzamerhand bleken de mensen te klein om die taken zonder schade op hun schouders te nemen. Daardoor kwam het dat onder de kruisvaarders tijdens de hevigste gevechten langzamerhand zedeloosheid en immoraliteit ontstond. 

Blz. 78  vert. 73

Nehmen Sie irgendein Handbuch, damit Sie die Tatsachen wie illustrierend in diesen allgemeinen Gang der Ereignisse hineinstellen können. Sie werden bemerken, daß ich heute, indem ich gruppiere, wahrhaft nicht tendenziös schildere. Und auch weiterhin werde ich versuchen, rein kulturhistorisch zu schildern, was sich vom 11. bis 17. Jahrhundert in Europa zutrug.
Nehmen wir einmal an – was ja eine Hypothese ist, aber manchmal kann man sich gerade durch Hypothesen den Gang der Geschichte klarmachen -, die Franken hätten Syrien erobert und hätten in Syrien eine fränkische Herrschaft aufgerichtet, hätten sich mit den Griechen verständigt, hätten den Griechen Raum gelassen und ihnen mehr die Herrschaft im vorderen Teil von Kleinasien überlassen. Dann hätten sich alte Traditionen der Griechen erfüllt und Nordafrika wäre griechisch geworden. Ein Gegengewicht wäre geschaffen gewesen gegen dasjenige, was nachher geschah. Es hätten die Griechen eine Herrschaft ausgeübt über Nordafrika, die Franken über Syrien. So wären sie nicht alle untereinander in Streit gekommen und dadurch verlustig gegangen dieser Herrschaft.

Dan neemt u een handboek, onverschillig welk, om de feiten als het ware ter illustratie in te voegen in deze globale loop van de gebeurtenissen. U zult merken dat ik vandaag werkelijk niet tendentieus ben in mijn ordening en beschrijving van de feiten. En ook verder zal ik zuiver cultuurhistorisch proberen te schetsen wat er in Europa van de elfde tot de zeventiende eeuw gebeurde.
Laten we er eens van uitgaan — het is een hypothese, maar soms kan men juist door hypothesen de loop van de geschiedenis gaan begrijpen – dat de Franken Syrië veroverd hadden en onder Frankische heerschappij hadden gebracht; dat ze met de Grieken tot een overeenkomst waren gekomen en aan hen meer de heerschappij over het voorste deel van Klein-Azië hadden overgelaten. Dan zouden oude tradities van de Grieken in vervulling zijn gegaan en was Noord-Afrika Grieks geworden. Er zou een tegenwicht zijn gecreëerd tegen de latere gebeurtenissen. De Grieken zouden de heerschappij hebben gehad in Noord-Afrika en de Franken in Syrië. Dan waren ze niet allemaal met elkaar slaags geraakt en hadden ze die heerschappij niet verloren.

Dann wäre verhindert worden, daß gerade vorgebrochen wären die schlimmsten asiatischen Völker, die Mongolen, die Mamelucken und die türkischen Osmanen. Durch das Unmoralischsein und dadurch, daß zuletzt die Kreuzfahrer ihren Aufgaben nicht gewachsen waren, kam es, daß sich die Mongolen, Mamelucken und Osmanen gerade auf den Gebieten ausgebreitet haben, welche die Kreuzfahrer versuchten zu europäisieren. Und so sehen wir, wie auf den großen, weite Volksgebiete umfassenden Enthusiasmus, der zu den Kreuzzügen geführt hat, der Gegenstoß von der anderen Seite kommt:
der muselmanisch-mongolische Vorstoß, der Militärdespotien errichtet und der durch lange Zeit der Schrecken Europas und der dunkle Schatten der Kreuzzugszeit bleibt.
Sehen Sie, während Sie solche Dinge schildern, indem Sie sich aus den Handbüchern die Bilder verschaffen, die Sie dazu brauchen, erwecken Sie in den Kindern selber Bilder über die Kulturentwickelung, die bleibend sind. Und daß die Kinder Bilder bekommen, das ist das Wichtige. Die Bilder werden sie bekommen zunächst durch anschauliche Schilderung. Können Sie dann dahin kommen, irgendwie beträcht-

Dan zou verhinderd zijn dat juist de meest geduchte Aziatische volkeren, de Mongolen, de Mamelukken en de Turkse Osmanen, waren opgerukt. Door de immoraliteit van de kruisvaarders en doordat ze tenslotte niet meer tegen hun taken waren opgewassen, kwam het dat de Mongolen, de Mamelukken en de Osmanen zich juist over die gebieden verspreidden die de kruisvaarders Europees hadden willen maken. En zo zien we hoe na het grote, volkeren omvattende enthousiasme dat tot de kruistochten leidde, de tegenaanval van de andere kant komt: de opmars van de muzelmannen en Mongolen, die militaire dictaturen doen ontstaan en die lange tijd de schrik van Europa en de donkere schaduwkant van de kruistochten blijven.
Ziet u, als u de beelden die u nodig heeft uit handboeken haalt en zulke dingen aan de leerlingen vertelt, dan wekt u in hen beelden over de culturele ontwikkeling die blijvend zijn. En dat de kinderen beelden krijgen, dat is zo belangrijk. Beelden zullen ze in eerste instantie krijgen door aanschouwelijke beschrijvingen. Kunt u er verder toe komen om

Blz. 79 vert. 74

liche malerische Darstellungen aus dieser Zeit auch als Kunstwerke darzubieten, so werden Sie das gesprochene Wort gern durch so etwas unterstützen.
Nun haben Sie den Kindern klargemacht zunächst dasjenige, was in den Kreuzzügen geschehen war. Und Sie haben die Kinder dazu gebracht, innerlich Bilder davon aufzunehmen. Jetzt wird es gut sein, daß Sie zu dem Schattenbild des mongolisch-mohammedanischen Schreckens hinzufügen das Gegenbild, das Gute, das sich entwickelt hat.
Schildern Sie anschaulich, wie die Pilger, die nach dem Orient gezogen sind, noch ganz anderes, viel Neues kennengelernt haben. In Europa war die Landwirtschaft damals noch sehr weit zurück. Im Orient konnte man eine sehr viel bessere Bewirtschaftung der Ländereien kennenlernen. Die Pilger, die nach dem Orient gekommen sind und nachher wieder nach Europa zurückkehrten – es kamen ja noch viele zurück -, die haben eine ausgebildete Kenntnis landwirtschaftlichen Betriebswesens mitgebracht, und es kam wirklich ein Aufschwung der landwirtschaftlichen Produktion. Den verdankt man in Europa den Erfahrungen, welche die Pilger nach Europa mitbrachten.

op een of andere wijze belangrijke schilderijen uit die tijd ook als kunstwerken te presenteren, dan zult u het gesproken woord graag door zoiets ondersteunen.
Nu heeft u de kinderen allereerst duidelijk gemaakt wat er tijdens de kruistochten gebeurd is. En u heeft de kinderen ertoe gebracht om beelden daarvan in zich op te nemen. Dan is het goed om naast het schaduwbeeld van de Mongools-mohammedaanse schrik ook het positieve beeld te geven, het goede dat zich heeft ontwikkeld.
Schetst u aanschouwelijk dat de pelgrims die naar het Oosten zijn getrokken ook heel wat anders, ook nieuwe dingen hebben leren kennen. In Europa was de landbouw in die tijd nog een achtergebleven gebied. In het Oosten kon men zeer veel betere landbouwmethoden leren kennen. De pelgrims die naar het Oosten gingen en later weer naar Europa terugkeerden — velen kwamen immers nog terug — brachten een omvangrijke kennis van landbouwtechnieken mee terug en de landbouwproductie nam werkelijk een hoge vlucht. Dat heeft men in Europa te danken aan de ervaringen die de pelgrims meebrachten naar Europa. 

So anschaulich, daß es das Kind förmlich sieht, schildern Sie, wie der Weizen und das Korn schlechter gewachsen sind vor den Kreuzzügen, wie sie niedriger waren, wie sie schütterer waren, weniger voll waren, und wie sie nach den Kreuzzügen voller waren – das alles in Bildern! Dann schildern Sie, wie die Pilger wirklich auch kennengelernt haben, was der Orient damals hatte an Industriellem, was Europa damals noch nicht hatte. Es war der Okzident um vieles hinter dem Orient zurück. Was sich dann so schön herausbildet an industrieller Tätigkeit in den Städten Italiens, auch in den mehr nördlich gelegenen Städten, das ward den Kreuzzügen verdankt. Und auch Künstlerisches wird den Kreuzzügen verdankt. Da können Sie also Bilder hervorrufen von dem geistigen Kulturfortschritt in dieser Zeit.
Aber Sie können den Kindern auch schildern und sagen: «Seht ihr, Kinder, da haben die Europäer zuerst die Griechen kennengelernt; die sind schon im ersten Jahrtausend abgefallen von Rom, sind aber Christen geblieben. In allen westlichen Gegenden hat man geglaubt, daß

Zo aanschouwelijk dat het kind het werkelijk voor zich ziet, schetst u dat de tarwe en de rogge slechter groeiden voor de kruistochten, dat ze korter waren, dat niet al het zaad opkwam, dat de aren minder vol waren en dat ze na de kruistochten voller waren – alles in beelden! En dan beschrijft u dat de pelgrims werkelijk ook de industriële mogelijkheden hebben leren kennen die het Oosten toen had en die in Europa nog niet bestonden. Het Westen was in vele opzichten achter bij het Oosten. De industriële activiteit die zich zo fraai in de steden van Italië ontplooide, ook in de wat noordelijker gelegen steden, die was te danken aan de kruistochten. En ook kunstzinnige impulsen zijn te danken aan de kruistochten. U kunt dus beelden oproepen van de geestelijke en culturele vooruitgang in deze tijd.
Maar u kunt de kinderen ook iets anders schetsen: ‘Kijk, toen hebben de mensen uit Europa voor het eerst de Grieken leren kennen; die zijn al in de eerste duizend jaar afgevallen van Rome, maar ze zijn wel christelijk gebleven. In alle westelijke gebieden

Blz. 80 vert. 75

man überhaupt kein Christ sein kann, ohne zu dem Papst als oberstem Haupt der Kirche emporzuschauen.» Jetzt mache man den Kindern klar, wie die Kreuzfahrer kennengelernt haben, zu ihrer großen Überraschung und Belehrung, daß es auch Christen gibt, die nicht den römischen Papst anerkennen. Dieses Loslösen der geistigen Seite des Christentums von der weltlichen Kircheneinrichtung, das war etwas ganz Neues damals. Das mache man den Kindern klar.
Dann, daß unter den Muselmanen, die ja wenig erfreuliche Erdenbürger waren, es aber doch auch edle, freigebige, tapfere Menschen gab.
Und dadurch haben die Pilger Menschen kennengelernt, die sogar tapfer und freigebig sein konnten, ohne Christen zu sein. Man konnte also sogar ein guter, tapferer Mensch sein, ohne Christ zu sein. Das war eine große Lehre, die für die damaligen Menschen Europas durch die Kreuzfahrer nach Europa zurückgebracht worden ist.
Also eine ganze Menge haben die Kreuzfahrer sich erobert im Orient,
was sie für die geistige Kultur nach Europa gebracht haben.

heeft men geloofd dat men op geen enkele manier christen kan zijn zonder de paus als hoogste autoriteit van de kerk te eerbiedigen.’ En dan maakt men de kinderen duidelijk dat de kruisvaarders tot hun grote verbazing moesten leren dat er ook christenen bestaan die niet de Roomse paus erkennen. Dit scheiden van de geestelijke kant van het christendom en de wereldlijke organisatie van de kerk, dat was toen iets heel nieuws. Dat moet men de kinderen duidelijk maken.
En dan dat er onder de muzelmannen, die immers niet zulke aangename aardeburgers waren, toch ook edele, vrijgevige, moedige mensen bestonden. Daardoor hebben de pelgrims mensen ontmoet die zelfs dapper en vrijgevig konden zijn zonder christen te zijn. Het was dus zelfs mogelijk om een goed en dapper mens te zijn zonder christen te zijn. Dat was een grote les die de kruisvaarders voor de Europeanen van toen meebrachten naar Europa.
De kruisvaarders hebben dus een heleboel veroverd in het Oosten wat ze voor de geestelijke cultuur naar Europa hebben gebracht. 

Man macht den Kindern klar: «Seht, die Europäer, sie hätten nicht einmal Kattun, ja sie hatten nicht einmal ein Wort dafür. Sie hätten kein Musselin, auch das ist ein orientalisches Wort. Sie könnten sich nicht niederlegen, zurückräkeln auf ein Sofa, denn das Sofa haben die Kreuzfahrer, mit dem Ausdruck Sofa, erst mitgebracht. Sie hatten auch keine Matratze, auch Matratze ist ein orientalisches Wort. Auch der Bazar gehört hierher, was gleich auf eine ganze Gesinnung gegenüber dem öffentlichen Schaustellen von Erzeugnissen hinweist, was Schaustellungen im großen produziert. Bazare haben die Orientalen nach ihrer Gesinnung im weiten Umfange gemacht. In Europa gab es früher nicht etwas Ähnliches, bevor die Europäer die Kreuzzüge unternommen haben. Sogar das Wort Magazin ist kein europäisches, so sehr es mit Handeln und so weiter zusammenhängt. Diese Art, Magazine zu brauchen wegen des Umfangreichen des Handelns, das haben die Europäer erst von den Orientalen gelernt. – Man kann sich vorstellen», sagt man zu den Kindern, «wie eingeschränkt das Leben in Europa war, daß sie nicht einmal Magazine gebraucht haben. Auch das Wort Arsenal gehört hierher. Aber seht, etwas anderes haben die Europäer auch gelernt bei den Orientalen; das haben sie sich mitgebracht in dem Wort

Men vertelt de kinderen: ‘Kijk, de Europeanen hadden niet eens katoen, ja, ze hadden niet eens een woord daarvoor. Ze hadden geen mousseline, ook dat is een oosters woord. Ze konden niet gaan liggen, zich neervlijen op een sofa, want de sofa – en ook het woord sofa -hebben de kruisvaarders pas meegebracht. Ze hadden ook geen matras. Ook matras is een oosters woord. Hetzelfde geldt voor de bazar.’ De bazar wijst ons direct op een heel andere instelling tegenover het publiekelijk uitstallen van produkten, waardoor uitstallingen in het groot worden opgezet. De oosterlingen hielden vanuit hun instelling op grote schaal bazars, markten. In Europa bestond zoiets vroeger niet, althans niet voor de kruistochten. Zelfs het woord magazijn is niet Europees, hoezeer het ook samenhangt met handel en dergelijke. Die aanpak die magazijnen nodig heeft wegens de omvang van de handel, die hebben de Europeanen pas geleerd van de oosterse volkeren. ‘Je kunt je wel voorstellen,’ zegt men tegen de kinderen, ‘hoe beperkt het leven in Europa was, dat ze niet eens magazijnen nodig hadden. Ook het woord arsenaal hoort hier thuis. Maar er is ook iets anders wat de Europeanen geleerd hebben van de oosterlingen; dat hebben ze meegebracht in het woord tarief.

Blz. 81  vert. 76

Tarif. Steuerzahlen, das kannten die europäischen Völker bis zum 13.
Jahrhundert sehr wenig. Aber tarifmäßig Steuer bezahlen, allerlei Abgaben bezahlen, das wurde erst eingeführt in Europa, als die Kreuzfahrer es bei den Orientalen kennenlernten.»
Also man sieht schon, es ist vieles, vieles anders geworden in Europa durch die Kreuzzüge. Von dem hat sich nicht viel erfüllt, was die Kreuzfahrer gewollt haben. Es hat sich aber anderes, Vielfaches an Umgestaltung von Europa vollzogen durch das, was man im Orient kennengelernt hatte. Das alles verband sich dann noch mit der Anschauung der orientalischen Staatswesen, denn das Staatswesen hat sich im Orient schon viel früher ausgebildet als in Europa. In Europa waren die Gebilde der Verwaltung viel loser vor den Kreuzzügen, als sie nach den Kreuzzügen waren. Daß man dann weite Territorien unter staatlichen Gesichtspunkten zusammenfaßte, das ist schließlich auch erst durch die Kreuzzüge gekommen.

Belastingen kenden de Europese volkeren tot de dertiende eeuw zeer weinig. Maar belastingen betalen volgens tarieven, allerlei heffingen betalen, dat werd pas in Europa ingevoerd nadat de kruisvaarders het bij de oosterse volkeren hadden leren kennen.’
Men ziet wel dat er door de kruistochten heel veel veranderd is in Europa. Van wat de kruisvaarders wilden is niet veel in vervulling gegaan. Maar er zijn andere dingen gebeurd: talloze veranderingen zijn in Europa tot stand gekomen door de dingen die men in het Oosten had leren kennen. Daar kwam nog bij dat men kennis maakte met de staatsinrichting in het Oosten. Want het besturen van een staat was in het Oosten al veel vroeger ontwikkeld dan in Europa. In Europa waren de vormen van bestuur vóór de kruistochten veel losser dan daarna. Dat men toen grote gebieden als één staat ging beschouwen, is uiteindelijk ook pas door de kruistochten gekomen. 

Nun kann man aber auch – ich setze immer voraus, daß die Kinder das Alter haben, das ich angedeutet habe – sie mit folgendem bekanntmachen: «Seht, Kinder, ihr habt früher durch geschichtliche Erzählung erfahren, daß die Römer früher einmal ihre Herrschaft ausgebreitet haben. Damals, als die Römer ihre Herrschaft ausgebreitet haben im Beginne der christlichen Zeitrechnung, da wurde Europa sehr arm, immer ärmer. Wodurch kam dieses Arm werden? Man mußte sein Geld hergeben an andere. Mitteleuropa wird jetzt auch wieder arm werden, weil es sein Geld abgeben muß an andere. Damals mußten die Europäer ihr Geld an die Asiaten abgeben. An die Grenzen des Römerreiches wanderten die Geldmassen. Dadurch kam immer mehr die Naturalwirtschaft auf. Das ist etwas, was wieder passieren könnte, so traurig es wäre, wenn die Menschen sich nicht zum Geistigen aufraffen. Allerdings, in dieser Armut, da entwickelte sich der asketische, hingebungsvolle Geist der Kreuzzüge.
Jetzt aber lernten die Europäer durch die Kreuzzüge in Asien drüben allerlei Neues kennen, industrielles Produzieren, Landwirtschaft.
Dadurch konnten sie wiederum Dinge hervorbringen, die ihnen die Asiaten abkaufen konnten. Das Geld wanderte wieder zurück. Europa wurde immer reicher, gerade während der Kreuzzüge. Diese Bereiche-

Maar nu kan men ze ook – ik ga er nog steeds van uit dat de kinderen dertien, veertien jaar oud zijn — het volgende vertellen: ‘Jullie hebben vroeger in de geschiedenisles geleerd dat de Romeinen ooit hun heerschappij over grote gebieden hebben uitgebreid. In die tijd, toen de Romeinen in het begin van de christelijke jaartelling hun heerschappij uitbreidden, toen werd Europa heel arm, steeds armer. Hoe kwam dat? Men moest zijn geld aan anderen afgeven. Midden-Europa zal nu ook weer arm worden omdat het zijn geld aan anderen moet geven.*

* Het is de tijd direct na de eerste wereldoorlog. 

In die tijd moesten de Europeanen hun geld aan de Aziaten afdragen. Aan de grenzen van het Romeinse rijk rolden massa’s geld. Daardoor beperkte men zich steeds meer tot ruilhandel. Dat zou weer kunnen gebeuren, hoe treurig het ook zou zijn, als de mensen zich niet tot een spirituele leefwijze zouden zetten. Maar hoe het ook zij, in deze armoede ontwikkelde zich de ascetische, toegewijde geest van de kruistochten. 

Maar nu leerden de Europeanen door de kruistochten ginds in Azië allerlei nieuwe dingen kennen: industriële productie, landbouwmethoden. En daardoor konden zij weer dingen produceren die de Aziaten van hen konden kopen. Het geld rolde weer terug. Europa werd steeds rijker, juist tijdens de kruistochten. Dat Europa steeds rijker werd,

Blz. 82  vert. 77

rung Europas kam dadurch, daß es seine eigene Produktion erhöhte.
Das ist eine weitere Folge. Die Kreuzzüge sind wahre Völkerwanderungen nach Asien. Nach Europa kam wieder zurück ein gewisses Können. Nur durch dieses Können ist Florenz möglich und zu dem geworden, was es eben nachher war. Nur dadurch konnten sich Gestalten entwickeln wie Dante und änderte.»
Sehen Sie, es wäre notwendig, daß man die geschichtliche Darstellung von solchen Impulsen durchzogen sein ließe. Wenn heute gesagt wird, man soll mehr Kulturgeschichte treiben, dann denken die Leute, sie müssen recht trocken schildern, wie das eine aus dem anderen folgt.
Geschichte sollte aber auch schon auf diesen unteren Schulstufen so geschildert werden, daß man subjektiv dabei ist, daß man Bilder entwickelt, daß die Zeit wirklich aufersteht. Daß aufersteht das arme, nur mit schwachbesetzten Feldern überdeckte Europa, wo keine Städte waren, wo die Leute ihre Landwirtschaft betrieben, die aber spärlich war. Wie aber gerade aus diesem armen Europa hervorgeht die Begeisterung für die Kreuzzüge. Wie dann die Leute ihrer Aufgabe doch nicht gewachsen sind, wie sie in Streit kommen, wie Unmoral um sich greift, wie sie dann in Europa selber in Streit geraten.

kwam doordat het zijn eigen productie verhoogde. Dat is ook een gevolg. De-kruistochten zijn ware volksverhuizingen naar Azië. Naar Europa terug kwam een zeker kunnen. Alleen door dit kunnen was het mogelijk dat Florence ontstond en werd tot wat het later is geworden. Alleen daardoor konden figuren als Dante opstaan.’
Ziet u, het is eigenlijk noodzakelijk dat men zulke impulsen vervlecht in de historische beschrijving. Als er tegenwoordig gezegd wordt dat men meer aan cultuurgeschiedenis moet doen, dan denken de mensen dat ze heel droog moeten beschrijven hoe het een uit het ander volgt. Maar geschiedenis moet ook al in deze lagere klassen zo beschreven worden dat men subjectief is, dat men beelden oproept, dat de tijd werkelijk weer gaat leven. Dat het arme Europa weer gaat leven: bedekt met karige velden, zonder steden, waar de mensen hun schamele landbouw bedreven. Maar dan ontstaat juist in dit arme Europa het enthousiasme voor de kruistochten. En dan zijn de mensen toch niet opgewassen tegen hun opdracht, ze raken in strijd verwikkeld, zedeloosheid grijpt om zich heen. En dan raken ze zelfs in Europa slaags met elkaar.

Wie gerade dasjenige nicht erreicht wird, was durch die Kreuzzüge angestrebt
wird, sondern im Gegenteil, wie Boden geschaffen wird für die Muselmanen. Wie aber der Europäer vieles lernte im Orient; wie Städte, blühende Städte entstehen und in den Städten eine reiche geistige Kultur. Aber auch wie die Landwirtschaft sich hebt, wie die Felder fruchtbarer werden, wie die Industrie aufblüht, wie auch die geistige Kultur sich hebt.
Das alles versuche man in anschaulichen Bildern vor die Kinder hinzustellen und ihnen klarzumachen, wie sich die Menschen vor den Kreuzzügen nicht hingeräkelt haben auf Sofas, wie sich Spießbürgerlichkeit noch nicht geltend machen konnte in den Familien auf Sofas in den guten Stuben. Versuchen Sie anschaulich diese Geschichte zu schildern, dann werden Sie eine wahrere Geschichte geben. Zeigen Sie, wie Europa arm geworden ist bis zur Naturalwirtschaft und wieder reich geworden ist durch das, was man gelernt hat. Das wird die Geschichte beleben!

U vertelt dat datgene wat beoogd wordt met de kruistochten juist niet wordt bereikt, in tegendeel, dat het bedje gespreid wordt voor de muzelmannen. Maar dat de Europeanen veel in het Oosten leren; dat er steden, bloeiende steden ontstaan en in de steden een rijke geestelijke cultuur. Maar dat ook de landbouw een opbloei kent, dat de velden vruchtbaarder worden, de industrie opbloeit en ook de geestelijke cultuur tot bloei komt.
Dat probeert men allemaal in aanschouwelijke beelden weer te geven en men legt de kinderen uit dat de mensen zich vóór de kruistochten niet op sofa’s neervlijden en dat er nog geen burgerlijke behaaglijkheid kon ontstaan bij de families op hun sofa’s in de mooie kamer. Probeer deze geschiedenis beeldend te vertellen, dan zal het waarheidsgehalte groter zijn. Laat zien dat Europa arm werd en over moest gaan op ruilhandel, en weer rijk is geworden door datgene wat men geleerd had. Dan gaat de geschiedenis leven!
<3>

<4> Na deze uitgebreide schets over de kruistochten gaat het weer even over de achtergrondliteratuur (van toen):

Man wird oftmals heute gefragt: Was soll man lesen, welche Geschichtsdarstellung ist die beste? – Man kann immer nur sagen: schließlich ist jede die beste und jede die schlechteste; es ist schon einerlei, welchen geschichtlichen Autor man zur Hand nimmt. Lesen Sie nicht in den Zeilen, sondern zwischen den Zeilen. Suchen Sie sich erahnend inspirieren zu lassen, den wahren Gang der Handlung kennenzulernen.
Suchen Sie sich ein Gefühl dafür zu verschaffen, was geschichtliche Darstellung ist. An der Art werden Sie erkennen, welcher Geschichtsschreiber in die Wirklichkeit eingedrungen ist, welcher nicht.
Sie werden das eine oder andere bei Ranke lesen. Wenn Sie Ihre Geschichtslektüre bei Ranke mit dem durchdringen, was wir hier von Wirklichkeitsgeist in uns lebendig machen, werden Sie sagen: Ranke ist sehr fleißig, aber er schildert die Charaktere so, daß sie nur Schatten sind. Man kann überall durchgreifen; sie sind nicht Fleisch und Blut. Und Sie können sagen: Ich mag ja die Geschichte nicht nur als Schattenspiel haben.

Vaak vragen mensen tegenwoordig: wat moet ik lezen, welke geschiedschrijving is het beste? Het antwoord kan alleen maar luiden: uiteindelijk is elk boek het beste en elk boek het slechtste. Het doet er werkelijk niet toe welke historicus men raadpleegt. Maar lees niet de regels, lees tussen de regels. Probeer dingen aan te voelen en u te laten inspireren om de ware loop van de handeling te weten te komen. Probeer er een gevoel voor te krijgen wat historische beschrijving is. Aan de manier van vertellen zult u herkennen welke historicus tot de werkelijkheid is doorgedrongen en welke niet. U zult wel eens iets van Ranke lezen.*

*Leopold von Ranke, 1795-1886, vooraanstaand Duits historicus die veel heeft gepubliceerd. Zie over hem Renate Riemeck, Op zoek naar Midden-Europa, Zeist 1988.

Wanneer u Rankes historische beschrijvingen doordringt met de werkelijkheidszin die wij hier in ons oproepen, dan zult u zeggen: Ranke is heel ijverig, maar hij beschrijft de karakters zo dat het maar schimmen zijn. Je prikt er zo doorheen, ze zijn niet van vlees en bloed. En u kunt dan zeggen: ik wil de geschiedenis niet als een schimmenspel voor me zien.

Einer der Kursteilnehmer rät zu Lamprecht.

Een van de deelnemers raadt Lamprecht aan. 

Rudolf Steiner: Aber man kann da schon das Gefühl haben, Lamprecht schildert Kulturgeschichte, nicht Menschen, sondern angestrichene Pappfiguren, die er nur mit möglichst vollen Tönen anstreicht. Es sind nicht Menschen; sie schauen aus wie körperliche Menschen, sind aber nur angestrichene Pappendeckelfiguren. Da muß man schon sagen: Treitschke mag tendenziös sein, aber die Treitschke-Persönlichkeiten, die stehen doch auf ihren Beinen! Er stellt die Menschen doch auf die Beine, und sie haben Fleisch und Blut. Sie sind nicht Pappendeckel wie bei Lamprecht, und sie sind nicht bloß Schattenfiguren wie bei Ranke.
Leider gibt es von Treitschke nur die Geschichte des 19. Jahrhunderts.
Wollen Sie sich ein Gefühl aneignen von wirklich guter Geschichtsschreibung und für den Geist eines Geschichtserzählers, dann lesen Sie den Tacitus. Wenn Sie den Tacitus lesen, dann wird alles bis ins Wort hinein ganz lebendig. Dann steht die Zeit und die Menschen und die Menschengruppen, die der Tacitus schildert, die stehen, wenn Sie das alles auf Ihren Wirklichkeitssinn wirken lassen, da wie das Leben selber! Von da aus versuchen Sie, darauf zu kommen, wie man sich in eine andere Darstellung hineinlebt.

Maar bij Lamprecht kan men het gevoel hebben dat hij cultuurgeschiedenis beschrijft — geen mensen, maar alleen beschilderde kartonnen poppen, weliswaar met zo vol mogelijke kleuren beschilderd.*

*Karl Lamprecht, 1856-1915, schreef een Deutsche Geschichte in 19 delen. 

 Het zijn geen mensen, ze zien eruit als lijfelijke mensen, maar het zijn maar beschilderde poppen. En dan kan men niet anders zeggen dan dat Treitschke dan misschien wel tendentieus is, maar dat zijn persoonlijkheden stevig op hun benen staan. Zijn mensen staan en ze zijn van vlees en bloed. Het zijn geen papieren poppen als bij Lamprecht en niet enkel schimmen als bij Ranke. Jammer genoeg is er van Treitschke alleen een geschiedenis van de negentiende eeuw.
Wilt u een gevoel krijgen voor werkelijk goede geschiedschrijving en voor de geest van een geschiedenisverteller, leest u dan Tacitus. Bij Tacitus wordt alles levendig – tot in het woord. Als u alles wat Tacitus beschrijft laat inwerken op uw gevoel voor realiteit, dan staat de tijd en staan de mensen voor u als het leven zelf! Van daaruit probeert u te ontdekken hoe men zich kan inleven in een andere weergave. 

Blz. 84  vert. 78

Ganz Veraltetes kann man doch nicht lesen, sonst würde der feurige Rotteck noch immer etwas sehr Gutes sein. Aber er ist veraltet, nicht nur den Tatsachen nach, sondern der Gesinnung nach. Denn er betrachtet als Evangelium die damalige badische Staatsverfassung und den Liberalismus, er interpretiert sie hinein schon in das persische und ägyptische und griechische Leben. Aber alles mit Feuer, so daß man wünschen möchte, daß es auch in unserer Zeit noch viele solche Geschichtsdarsteller gäbe wie Rotteck.
Wenn Sie nun versuchen, die gebräuchlichen Darstellungen zu lesen, und sich anstrengen, Ihr Augenmerk zu richten auf das, was dort oftmals fallengelassen wurde, dann werden Sie sich geeignet machen, lebendige Bilder über die Geschichtsentwickelung vom 11. bis 17. Jahrhundert hinzustellen. Und Sie werden Ihrerseits fallenlassen vieles, was da erzählt wird über Friedrich Barbarossa, über Richard Löwenherz, über Friedrich IL Es ist ja manches interessant, aber für die wirkliche Erkenntnis der Geschichte nicht besonders wichtig. Viel wichtiger ist es, den Kindern die großen Impulse der Geschichte zu vermitteln.

Werkelijk verouderde dingen kan men echt niet lezen, anders zou de vurige Rotteck altijd nog heel goed zijn.*

*Karl von Rotteck, 1775-1840, schreef een 9-delige Allgemeine Geschichte en een 4-delige Allgemeine Welt geschichte

Maar hij is verouderd, niet wat de feiten betreft, maar wat zijn instelling betreft. Want hij beschouwt de grondwet van Baden en het liberalisme als een soort evangelie en hij meent dat hij ze al in het Perzische, Egyptische en Griekse leven aantreft. Maar alles met vuur, zodat men mocht wensen dat er ook in onze tijd nog veel van zulke historici als Rotteck zouden zijn.
Wanneer u nu de gebruikelijke beschrijvingen probeert te lezen en u zich inspant om uw aandacht te richten op wat daar dikwijls achterwege is gelaten, dan zult u het vermogen ontwikkelen om levende beelden van de historische ontwikkeling van de elfde tot de zeventiende eeuw te geven. En van uw kant zult u veel achterwege laten van wat er wordt verteld over Frederik Barbarossa, Richard Leeuwenhart en Frederik de Tweede. Er zijn heel veel interessante dingen over te melden, maar voor het werkelijk inzicht in de geschiedenis zijn ze niet bijzonder belangrijk. Veel belangrijker is het om de kinderen de grote impulsen van de geschiedenis over te dragen.
<4>
GA 295/74-84
Praktijk van het lesgeven/69-78

Werkbespreking 14, Stuttgart 5 september 1919

Blz. 147 vert. 136

<5> Er is sprake van ‘hoe leg je aan een kind het begrip ‘tijd’ uit. Voor de geschiedenis: ‘lang geleden’.
In dit artikel vind je de opmerkingen uit GA 295. <5>

Daarna gaat het in de werkbespreking verder met een opmerking van een deelnemer:

Blz. 148  vert. 136

E. schildert weiter, wie Heinrich aus der Erkenntnis heraus, daß er in dem befestigten Goslar den Magyaren habe widerstehen können, den Entschluß zur Gründung befestigter Städte gefaßt habe, und daß es auf diese Weise zu zahlreichen Städtegründungen gekommen sei.

<6> E. vertelt verder dat Hendrik, vanuit de wetenschap dat hij in het versterkte Goslar de Magyaren heeft kunnen weerstaan, besluit om versterkte steden te stichten en dat het op die manier is gekomen tot talrijke stichtingen van steden.

Rudolf Steiner: Könnten Sie diese Darstellung nicht noch einmal
kulturhistorisch bringen? Denn das ist etwas monarchisch auffrisierte
Geschichtslegende, daß Heinrich diese Städte gegründet habe. Alle diese
Städte des 10. Jahrhunderts waren ja in ihrer Grundanlage, in den Märkten, schon da. Sie wurden nur in ihrem Ausbau dadurch gefördert, daß Leute, die in der Nachbarschaft dieser Städte wohnten, sich anschlössen, um eine leichtere Verteidigungsmöglichkeit zu gewinnen gegen die anstürmenden Magyaren, und so diese Orte stärkten. Es waren mehr wirtschaftliche Gründe, die da wirkten und die zur Städtebildung führten. Heinrich hat nicht gar viel dazu getan.

 Zou u dit betoog niet nog een keer cultuurhistorisch kunnen brengen? Want dat Hendrik deze steden gesticht zou hebben, dat is een ietwat monarchaal gekleurde historische legende. Al die steden van de tiende eeuw waren immers in aanzet al aanwezig in de markten. Alleen werd de verdere uitbouw ervan bevorderd doordat mensen die in de omgeving van deze steden woonden, zich aaneensloten om een betere mogelijkheid tot verdediging te vinden tegen de aanstormende Magyaren. Zij versterkten deze plaatsen. Het waren meer economische redenen die doorslaggevend waren en die leidden tot de vorming van de steden. Hendrik heeft er niet zo heel veel toe bijgedragen. <6>

Ich würde Sie nur bitten, recht anschaulich das alles zu bringen, recht lebendig zu verfahren, damit die Kinder innerlich anschauliche Bilder bekommen, so daß die Kinder förmlich alles greifen können.
Sie müssen die Phantasie in Anspruch nehmen und solche Dinge benützen, wie ich sie Ihnen gezeigt habe bei dem Konkretmachen der Zeit. Man hat tatsächlich nichts davon, zu wissen, in welchem Jahre zum Beispiel die Schlacht bei Zama gewesen ist und so weiter, aber wenn man sich vorstellt, wenn man weiß, daß Karl der Große zum dreißigsten Vorfahren hinaufreicht, wenn man sich durch die Generationen hindurch die Hände reichen würde, dann erhält man dadurch
eine anschauliche, konkrete Vorstellung von der Zeit. Da rückt diese Zeit viel näher – ja freilich, sie rückt viel näher! -, wenn man weiß, daß Karl der Große bis zum dreißigsten Vorfahren hinauf zu finden ist.

<7> Ik zou u wel willen vragen om alles heel aanschouwelijk te vertellen, om heel levendig te werk te gaan, opdat de kinderen innerlijk aanschouwelijke beelden krijgen en ze alles als het ware tastbaar voor zich zien. U moet fantasie gebruiken en van die dingen gebruik maken die ik heb laten zien bij het concreet maken van de tijd. Men heeft er werkelijk niets aan om te weten in welk jaar de slag bij Zama is geweest enzovoort, maar als men zich voorstelt, als men weet dat Karel de Grote de dertigste voorouder is wanneer ze allemaal in een rij zouden staan en elkaar de hand zouden geven, dan krijgt men daardoor een aanschouwelijk, concreet idee van de tijd. Die tijd komt dan veel dichterbij – ja zeker, ze komt dichterbij! – wanneer men weet dat Karel de Grote te vinden is in de tijd van de dertigste voorouder. <7>

T.: Wäre es nicht gut, bei solchen Kulturbeschreibungen auch auf das ganz andere Denken und Fühlen der Menschen in diesen Perioden hinzuweisen?

<8>T.: Zou het niet goed zijn om bij zulke culturele beschrijvingen ook te wijzen op het heel andere denken en voelen van de mensen in die tijd? 

Rudolf Steiner: Ja, darauf habe ich ja immer in meinen Vorträgen
und auch sonst hingewiesen. Vor allem auch, daß Sie namentlich den
großen Umschwung um das 15. Jahrhundert, das ganz andere Emp-

Ja, daar heb ik immers altijd op gewezen in mijn voordrachten en ook elders. En vooral ook dat u met name de grote ommezwaai omstreeks de vijftiende eeuw, het volstrekt andere gewaarworden, voelen en denken van de mensen voor en na die tijd heel aanschouwelijk maakt. Ook Lamprecht bijvoorbeeld – die ik daarmee echter niet bij- 

Blz. 149   vert. 138

finden, Fühlen und Denken der Menschen vor und nach dieser Zeit
recht anschaulich machen. Zum Beispiel auch schon Lamprecht, den ich
aber damit nicht besonders empfehlen will, ist bemüht, ein ganz anderes Denken, Empfinden und Fühlen der Menschen vor dieser Zeitperiode zu konstatieren. – Die Dokumente sind daraufhin noch gar nicht benützt worden.
Wenn Sie sich ein bißchen hineinfinden wollen in die kulturgeschichtliche Betrachtung, so müssen Sie vor allem entwickeln können einen gewissen Spürsinn, und wenn Sie diesen haben für Weiteres und Engeres, was die Autoren erzählen, für Spießigeres und etwas Weitherzigeres, dann können Sie richtigere Vorstellungen gewinnen für Kulturgeschichtliches.

zonder wil aanbevelen – streeft ernaar om te constateren dat de mensen voor die tijd heel anders dachten, gewaarwerden en voelden. De documenten zijn nog helemaal niet in dit perspectief onderzocht. Als u enigszins wilt thuisraken in de cultuurhistorische beschouwingswijze, dan moet u in de allereerste plaats een zekere speurzin ontwikkelen voor het bredere en engere wat de auteurs vertellen, voor het bekrompene en het ruimere, en als u die hebt, dan kunt u juistere voorstellingen krijgen van cultuurhistorische dingen. <8>

<9> Nu volgen nog opmerkingen over allerlei achtergrondboeken.
In onze Nederlandse situatie zo’n 100 jaar later hebben we daar niets meer aan.
Wel kunnen de karakteriseringen je misschien van dienst zijn als je voor onze situatie boeken zoekt.
Ik geef die passages dus weer, te meer omdat de Nederlandse uitgave van de vertaling uitverkocht is.

Rudolf Steiner empfiehlt auf eine Anfrage hin zur Anschaffung für
die Lehrerbibliothek:
Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
An diesen kann man die Methode schulen für die kulturgeschichtlichen
Betrachtungen. Von Lamprecht kämen in Frage die älteren Teile, aber
es ist vieles schief und subjektiv.
Wenn Sie sich diesen Instinkt für die wirklichen treibenden kulturgeschichtlichen Kräfte nicht angeeignet haben, dann werden Sie Gefahr laufen, mit wahrhaft Wildenbruchscher Blödigkeit, mit Wildenbruchscher Dilettantenhaftigkeit zum Beispiel die Kaiser- und Königsdramen und solche Familienkatzbalgereien wie zwischen Ludwig dem Frommen und seinen Söhnen für wesentliche kulturgeschichtliche Ereignisse zu halten.
Gustav Freytags «Bilder aus der deutschen Vergangenheit» sind
ganz gut, aber man darf sich nicht zu sehr beschmieren lassen von
dieser Gemütlichkeit einer für Tanten geschriebenen Geschichtsbetrachtung. Wir müssen gerade heute herauskommen aus dem Denk- und
Empfindungsstil, der so bei diesen Leuten der Grenzbotenliteratur der
Mitte des 19. Jahrhunderts da war, bei Gustav Freytag, Julian Schmidt
und so weiter. Lassalle nannte ihn «Schmulian Jüd»; bei Lassalle klang
das nicht antisemitisch.

Rudolf Steiner wordt gevraagd wat men kan aanschaffen voor de lerarenbibliotheek en hij beveelt aan: 

Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
Met behulp van deze boeken kan men de methode voor cultuurhistorische beschrijvingen ontwikkelen. Van Lamprecht zouden de oudere delen in aanmerking kunnen komen, maar veel is er scheef en subjectief.
Als u zich dat instinct voor de werkelijke drijvende krachten in de cultuurgeschiedenis niet eigen heeft gemaakt, zult u gevaar lopen om met het onbenul, het dilettantisme van een Wildenbruch de keizer-en koningsdrama’s en bijvoorbeeld zulk familiegebakkelei als tussen Lodewijk de Vrome en zijn zoons aan te zien voor essentiële cultuurhistorische gebeurtenissen.
Gustav Freytags Bilder aus der deutschen Vergangenheit zijn heel goed, maar men mag zich niet al te zeer om de tuin laten leiden door deze gemoedelijke, oubollige geschiedschrijving. Wij moeten, nu meer dan ooit, uit zien te komen boven deze stijl van denken en voelen die bestond bij die mensen van de ‘Grenzbotenliteratur’ uit het midden van de negentiende eeuw, bij Gustav Freytag, Julian Schmidt enzovoort. Lassalle noemde hem ‘Schmulian Jüd’; bij Lassalle klonk dat niet antisemitisch.

Karl Lamprecht, Moderne Geisteswissenschaft, Freiburg i.Br. 1905.
H.Th. Buckle, 1821-1862: History of Civilisation in England, 1857.
E. H. Lecky, 1838-1903: History of the Rise and Influence of the Spirit of Rationalism in Europe, 2 delen, Londen 1865.
Ernst von Wildenbruch, 1845-1909, schreef o.a. Die Karolinger.
Gustav Freytag, 1816-1895: Bilder aus der deutschen Vergangenheil, 5 delen, Leipzig 1859 e.v.
Heinrich Julian Schmidt, 1818-1886, literatuurhistoricus. (Wat betreft de bijnaam die Lassalle hem gaf: in bepaalde dialecten klinkt ‘Jüd’ als ‘Jied’, wat rijmt op Schmidt.)
Ferdinand Lassalle, 1825-1864, grondlegger van de sociaal-democratie in Duitsland. 

Blz. 150  vert. 138

Es wird gefragt, nach Houston Stewart Chamberlains «Grundlagen des 19. Jahrhunderts».

Er wordt een vraag gesteld over het boek ‘Grundlagen des 12. Jahrhunderts’ van Houston Stewart Chamberlain.

Rudolf Steiner: Auch bei Chamberlain muß man erst recht einen guten Instinkt entwickeln, denn ein Viertel bei ihm ist geistreich, und drei Viertel ist wüstes, ungesundes Zeug. Es steht sehr viel sehr Gutes bei ihm, aber man muß alles selber übersehen und selber ein Urteil entwickeln. Die kulturgeschichtlichen Schilderungen sind besser bei Buckle und Lecky. Chamberlain ist mehr so ein Smokingträger. Er ist doch ein etwas eitler Herr, der nicht gerade als Autorität zu gelten hat, der aber doch manches richtig bemerkt hat. Es ist ja auch sein Ende kein schönes gewesen, ich meine den Prozeß mit der «Frankfurter Zeitung».

Ook en met name bij Chamberlain moet men een goed instinct ontwikkelen, want bij hem is een kwart geestrijk, en driekwart is chaotisch en ongezond. Er staat heel veel goeds bij hem, maar men moet alles zelf overzien en er zelf een oordeel over vormen. De cultuurhistorische beschrijvingen zijn beter bij Buckle en Lecky. Chamberlain is meer zo’n smokingdrager, een toch wat ijdel heerschap, die niet bepaald een autoriteit genoemd kan worden, maar die toch heel wat juiste dingen heeft opgemerkt. Zijn einde was nu ook niet bepaald fraai, ik bedoel het proces met de Frankfurter Zeitung.

Es werden Kantskys Schriften erwähnt.

Het werk van Kautsky wordt genoemd.

Rudolf Steiner: Ja, wenn man in der Regel das Gegenteil von dem
annimmt, das er da zeigt. Man bekommt von modernen Sozialisten ein
gutes und interessantes Tatsachenmaterial, wenn man sich nicht betäuben läßt von den Theorien, die ihre Schilderungen durchziehen.
Ein eigentümliches Bild bietet auch Mehring, wie er erst in seinem
Buch, in seiner Geschichte der Sozialdemokratie, auf die Sozialdemokraten schimpft, so lange er Freisinniger war; dann nachher, als er zu den Sozialdemokraten übergetreten war, ändert er das nur um auf die
Freisinnigen.

Ja, als men tenminste als regel het tegendeel aanneemt van wat hij laat zien. Men krijgt van de moderne socialisten goed en interessant feitenmateriaal, wanneer men zich niet laat verdoven door de theorieën waarmee hun beschrijvingen doorspekt zijn.
Een merkwaardig beeld biedt ook Mehring, zoals hij eerst in zijn boek, in zijn geschiedenis van de sociaal-democratie, op de sociaaldemocraten scheldt zolang hij nog liberaal is en dan later, wanneer hij is overgestapt naar de sociaal-democraten, gewoon doorscheldt, maar dan op de liberalen.

Karl Johann Kautsky, 1854-1938, publiceerde over de geschiedenis van het socialisme en over algemene geschiedenis.
Franz Mehring, 1846-1919: Geschichte der deutschen Sozialdemokratie, 4 delen, 1897. <9>
GA 295/146-150
Praktijk van het lesgeven/136-138

<10> Iemand vertelt iets over de Egyptische cultuur:

Blz. 152  vert. 140

B. gibt eine Darstellung aus der altägyptischen Kultur.

B. geeft een beschrijving van de oud-Egyptische cultuur. 

Rudolf Steiner: Vor allem müßte man dazu übergehen, das vorzubringen, was das ganz andere Prinzip der Nachbildung ist. Es besteht bei den alten Ägyptern der Mangel, daß sie unperspektivisch sehen. Es malt der alte Ägypter das Gesicht im Profil und den übrigen Körper en face. Diese Eigentümlichkeit der Auffassung müßte man den Kindern schon beibringen.
Dann müßte man herstellen den Zusammenhang des ägyptischen
Zeichnens und Malens mit dem naturgeschichtlichen Prinzip, das sie
hatten, daß sie die Menschen mit Tierköpfen machten und so weiter.
Schon in alten Zeiten ist die Vergleichung des Menschen mit den Tieren
sehr weit getrieben worden. Man könnte dann dem Kinde dasjenige
beibringen, was veranlagt ist in jedem menschlichen Kopf und was zum
Teil das Kind heute noch sieht. Die Ägypter haben noch diese Verwandtschaft der Menschenphysiognomie mit den Tieren wahrgenommen. Sie waren noch auf dieser kindlichen Stufe der Anschauung.

Men zou vooral naar voren moeten brengen welk geheel ander principe van nabootsing zij hadden. De oude Egyptenaren hebben het gebrek dat ze niet perspectivisch kijken. De oude Egyptenaar tekent het gezicht in profiel en de rest van het lichaam en face. Deze kenmerkende manier van kijken moet men de leerlingen eigenlijk bijbrengen.
Dan zou men het verband moeten leggen tussen het Egyptische tekenen en schilderen en het principe dat hun natuurbeschouwing kenmerkt, namelijk dat ze mensen met dierenkoppen afbeeldden, enzovoort. Al in oude tijden werd de vergelijking van de mens met de dieren heel ver gevoerd. Men zou het kind dan kunnen bijbrengen wat er in het hoofd van ieder mens in aanleg aanwezig is en wat het kind tegenwoordig gedeeltelijk nog ziet*

*Algemene menskunde 12e voordracht.

De Egyptenaren namen deze verwantschap van de menselijke fysionomie met de dieren nog waar. Zij bevonden zich nog in deze kinderlijke fase van waarnemen. 

B. fragt bei der Besprechung der Pyramiden, was man eigentlich den Kindern
darüber sagen solle

B. vraagt bij de bespreking van de piramiden wat men de kinderen daar eigenlijk over zou moeten zeggen.

Rudolf Steiner: Es ist natürlich außerordentlich wichtig, allmählich zu versuchen, auch für die Kinder das Richtige an die Stelle des Falschen zu setzen. Tatsächlich waren die Pyramiden ja Einweihungsstätten. Und da kommt man ja nun dahin, daß man den Kindern den Begriff des höheren ägyptischen Unterrichts, der zu gleicher Zeit eine Einweihung war, beibringt. Man muß etwas erzählen davon, was da vorgegangen ist. Es sind da religiöse Handlungen ausgeführt worden, wie sie heute in den Kirchen ausgeführt werden, die aber zugleich dazu führten, daß das Weltall erkannt werden konnte. Der alte Ägypter
hat eben so gelernt, daß ihm vorgezeigt worden ist in feierlichen Handlungen, was sich im Weltall und in der Menschheitsentwickelung vollzieht. Es war religiöse Übung und Unterricht eines. Es war so, daß Unterricht und religiöse Handlung eigentlich zusammenfielen.

Het is natuurlijk buitengewoon belangrijk om ook tegenover de kinderen stapje voor stapje te proberen het onware te vervangen door het juiste. In feite waren de piramiden immers inwijdingsplaatsen. En dan komt men ertoe om de kinderen een begrip van het hogere Egyptische onderwijs, dat tegelijkertijd een inwijding was, bij te brengen. Men moet iets vertellen van wat zich daar afspeelde. Daar werden religieuze handelingen uitgevoerd, zoals die tegenwoordig in de kerken uitgevoerd worden, maar die er tegelijkertijd ook toe leidden dat men inzicht kon krijgen in de kosmos. Het leren van de oude Egyptenaar hield in, dat hem in plechtige handelingen getoond werd wat zich in de kosmos en in de mensheidsontwikkeling voltrekt. Religieuze oefening en onderwijs waren één. Het was zo, dat onderwijs en religieuze handeling eigenlijk samenvielen. 

B. beschreibt die Arbeit an den Pyramiden und Obelisken und sagt, daß man
annehmen müsse, daß zum Herbeischaffen, Bearbeiten und Einbauen der riesigen

Blz. 153  vert. 141

Blöcke mehrere Millionen Menschen benötigt sein müßten. Man müsse sich fragen, wie es überhaupt möglich gewesen sei, mit den damaligen technischen Hilfsmitteln die großen, schweren Kalk- und Granitblöcke zu bewegen und aufzuschichten.

blokken aan te voeren, te bewerken en op hun plaats te brengen. Men moet zich afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was om met de technische hulpmiddelen van
die tijd de grote, zware kalk- en granietblokken te verplaatsen en op te stapelen.

Rudolf Steiner: Ja, aber ganz richtige Vorstellungen werden Sie bei den Kindern nur hervorrufen, wenn Sie ihnen sagen, daß, wenn die Menschen mit der heutigen Körperkraft arbeiten würden, man zweieinhalbmal soviel Menschen brauchen würde. Aber in Wahrheit haben die Ägypter ja zweieinhalbmal soviel Körperkräfte gehabt wie unsere heutigen Menschen, wenigstens die, die an den Pyramiden und so weiter gearbeitet haben. Es gab natürlich auch schwächere Menschen.

Ja, maar helemaal juiste voorstellingen zult u alleen oproepen bij de kinderen, wanneer u hun vertelt dat als de mensen met de lichaamskracht van tegenwoordig zouden hebben gewerkt, dat men dan tweeëneenhalf keer zo veel mensen nodig zou hebben gehad. Maar in werkelijkheid hadden de Egyptenaren tweeëneenhalf maal zo veel lichaamskracht als de mensen van onze tijd, althans diegenen die aan de piramiden en dergelijke gewerkt hebben. Er bestonden natuurlijk ook zwakkere mensen. 

B. fragt, ob auch auf die Mythologie einzugehen wäre.

B. vraagt of men ook in kan gaan op de mythologie.

Rudolf Steiner: Nicht wahr, wenn man die ägyptische Mythologie
nicht in ihrer wahren Gestalt darstellen kann, so muß man sie eben
weglassen. Kann man aber die ägyptische Mythologie in der wahren
Gestalt darstellen, dann soll man es tun. In der Waldorfschule wird es
ganz gut sein, die richtigen Begriffe von der ägyptischen Mythologie,
die Sie ja ganz gut kennen, schon den Kindern beizubringen, wenn man
überhaupt darauf eingehen will.

Ja, als men de Egyptische mythologie niet in haar ware gedaante kan weergeven, dan moet men het weglaten. Maar kan men de Egyptische mythologie in een ware gedaante behandelen, dan moet men het doen. In de Waldorfschool zal het heel goed zijn dat men de juiste begrippen van de Egyptische mythologie, die u immers heel goed kent, de kinderen wel bijbrengt, als men daar tenminste op in wil gaan. 
GA 295/152
Praktijk van het lesgeven/141

1e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

<11> Dan volgt er op een aanwijzing om vakken met elkaar te verbinden, w.o. ook geschiedenis:

Blz. 154   vert. 143

Und so werden wir denn immer darauf bedacht sein, daß der Unterricht soviel als möglich zusammengefaßt werden soll in der Art, wie ich es Ihnen gezeigt habe, daß man das Mineralogische in das Geographische hinüberführen kann,
daß man in der geistigen Behandlung der Kulturgeschichte durch Völkercharakteristiken Geschichte und Geographie verknüpfen kann. 

En zo zullen we er steeds op letten dat het onderwijs zo veel mogelijk samengevat wordt op de wijze die ik u getoond heb, dat men de mineralogie over kan laten gaan in de geografie, dat men bij een spirituele behandeling van de cultuurgeschiedenis geschiedenis en geografie met elkaar kan verbinden door volkeren te karakteriseren. <11>
GA 295/154
Praktijk van het lesgeven/143

Blz. 162   vert. 149

Geschiedenis in klas 5: zie leerplan

Geschiedenis in klas 6: zie leerplan

Blz. 163  vert. 150

Geschiedenis klas 7: zie leerplan

Geschiedenis klas 8: zie leerplan
GA 295/162
Praktijk van het lesgeven/149

Werkbespreking 15 en 3e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

Blz. 178  vert. 162

D. spricht über ein geschichtliches Thema, über die Völkerwanderung.

<12> D. spreekt over een historisch thema, over de volksverhuizing. Rudolf Steiner maakt hierbij verscheidene opmerkingen tussendoor:

Rudolf Steiner macht dazu mehrere Zwischenbemerkungen: Was als Gründe für die Völkerwanderung angeführt wird, beruht sehr häufig auf geschichtlichen Konstruktionen. Das Wesentliche ist, wenn man den Dingen zu Leibe geht, bei der eigentlichen Völkerwanderung, wo die Goten und so weiter vorrücken, daß die Römer das Geld haben, und die Germanen kein Geld haben, und daß die Tendenz besteht, daß überall da, wo eine Grenze ist, die Germanen in irgendeiner Weise sich das römische Geld aneignen wollen. Daher werden sie Söldner und alles mögliche. Es sind ja ganze Legionen von Germanen in den römischen Sold eingetreten. Es ist die Völkerwanderung eine wirtschaftlich-finanzielle Frage. Erst auf dieser Grundlage konnte dann die Ausbreitung
des Christentums vor sich gehen. Die Völkerwanderung als solche rührt aber von der Habgier der Germanen her, die das Geld der Römer haben wollten. Die Römer wurden auch arm dabei! Auch schon beim Cimbernzug war es so. Den Cimbern wurde gesagt: Die Römer haben Gold! – während sie selbst arm waren. Das wirkte auf die Cimbern sehr stark. Sie wollen Gold holen. Römisches Gold!
Es sind verschiedene Völkerschichten da, auch noch keltische Überreste. Sie finden heute noch deutliche Sprachanklänge an die keltische Sprache, zum Beispiel bei den Quellflüssen der Donau, Brig und Breg, Brigach und Brege. Dann überall, wo in den Ortsnamen «-ach» vorhanden ist, zum Beispiel Unterach, Dornach und so weiter. «Ach» kommt von Wässerchen her, von aqua, weist auf Keltisches zurück. Auch «111» und dergleichen erinnert ans alte Keltische. Über das Keltische schichtet sich dann das Germanische. – Gegensatz von Arianern und Athanasianern.
Sehr wichtig ist, daß Sie den Kindern klarmachen müssen, daß ein großer Unterschied besteht – das ist gerade an der Völkerwanderung

De oorzaken die voor de volksverhuizing worden aangegeven berusten heel dikwijls op historische constructies. Als men deze dingen grondig onderzoekt, dan is de essentie bij de eigenlijke volksverhuizing — waarbij de Goten enzovoort oprukken — dat de Romeinen het geld hebben en de Germanen geen geld hebben, en dat de tendens bestaat dat de Germanen zich overal waar een grens is op een of andere wijze meester willen maken van het Romeinse geld. Daarom worden ze huurlingen en wat niet al. Er zijn immers hele legioenen Germanen in Romeinse dienst getreden. De volksverhuizing is een economisch-financiële kwestie. Pas op basis daarvan kon de uitbreiding van het christendom plaatsvinden. Maar de volksverhuizing als zodanig is gekomen door de hebzucht van de Germanen, die het geld van de Romeinen wilden hebben. De Romeinen werden daardoor ook arm! Ook bij de tocht van de Kimbren was dat al zo. Tegen de Kimbren werd gezegd: de Romeinen hebben goud! – terwijl ze zelf arm waren. Dat had een enorme werking op de Kimbren. Ze wilden goud halen, Romeins goud.
Er bestaan bevolkingslagen afkomstig van verschillende volkeren, ook nog Keltische overblijfselen. U vindt tegenwoordig nog duidelijke resten van het Keltisch in de Duitse taal, bijvoorbeeld bij de namen van de rivieren die de Donau vormen: Brig en Breg, Brigach en Brege. En verder overal waar ‘ach’ voorkomt in plaatsnamen, bijvoorbeeld Unterach, Dornach enzovoort. ‘Ach’ komt van watertje, van aqua, en verwijst naar het Keltisch. Ook ‘ill’ en dergelijke vormen herinneren aan het oude Keltisch. Boven die Keltische laag ligt dan de Germaanse. – De tegenstelling tussen de aanhangers van Arianus en die van Athanasius. Het is heel belangrijk om de kinderen duidelijk te maken dat het een groot verschil maakt – dat kan men juist bij de volksverhuizing

Blz. 179  vert. 163

ersichtlich -, ob, wie zum Beispiel in Spanien und Italien, die germanischen Völker, wie die Goten, in schon der Agrikultur nach völlig in Anspruch genommene Gebiete einziehen. Hier wurde alles besessen.
Da ziehen die gotischen und andere Völker ein. Die verschwinden. Die
gehen also auf in den anderen Völkern, die schon da waren. – Nach
Westen ziehen die Franken vor. Die kommen in Gegenden, die der Agrikultur nach noch nicht vollständig besetzt sind. Die erhalten sich.
Daher hat sich von den Goten nichts erhalten, die eben in Gegenden
eingezogen sind, wo der Boden schon ganz in Besitz genommen war.
Von den Franken hat sich alles erhalten, weil sie in noch brachliegende
Gegenden eingezogen sind. Das ist ein geschichtliches Gesetz, das sehr
wichtig ist. Später kann der Hinweis wiederholt werden bei der Konfiguration von Nordamerika, wo allerdings die Indianer ausgerottet worden sind, aber doch das bestand, daß in Brachgegenden eingewandert werden konnte.

goed zien — of de Germaanse volkeren zoals de Goten gebieden binnentrekken als bijvoorbeeld Spanje en Italië, die al volledig als landbouwgronden in gebruik zijn. Hier had men alles in bezit. Dan vallen de Gotische en andere volkeren binnen. Ze verdwijnen. Ze gaan dus op in de volkeren die daar al waren. — De Franken trekken naar het westen. Die komen in gebieden die nog niet volledig in cultuur zijn gebracht. Zij handhaven zich. Daarom is er van de Goten, die gebieden zijn binnengetrokken waar de bodem al geheel in bezit was genomen, niets overgebleven. De Franken hebben zich volledig gehandhaafd omdat ze nog braakliggende gebieden zijn binnengetrokken. Dat is een historische wet die heel belangrijk is. Later kan men hier ook weer op wijzen bij de configuratie van Noord-Amerika, waar weliswaar de Indianen zijn uitgeroeid, maar waar toch ook de situatie bestond dat men braakliggende gebieden kon binnentrekken. <12>

Es handelt sich auch darum, daß Sie dann klarmachen, welches der Unterschied ist zwischen so etwas, wie zum Beispiel das Frankenreich Karls des Großen war, und einem späteren Staat. Wenn Sie diesen Unterschied nicht kennen, kommen Sie nicht über den Rubikon des 15. Jahrhunderts hinweg. Das Reich Karls des Großen ist noch kein Staat. Wie ist es bei den Merowingern? Sie sind eigentlich zunächst nichts anderes als Großgrundbesitzer. Und bei ihnen gilt lediglich nur das Privatrecht.
Und immer mehr geht dann dasjenige, was aus den alten germanischen
Großgrundbesitz-Verhältnissen stammt, über in das römische Recht, wo derjenige, der bloß die Ämter verwaltet, nach und nach die Macht bekommt. So geht allmählich der Besitz über an die Verwaltung, an die Beamten, und indem dann später die Verwaltung die eigentliche Herrschermacht wird, entsteht erst der Staat. Der Staat entsteht also durch die Inanspruchnahme der Verwaltung. Es entsteht der Grafenadel im Gegensatz zum Fürstenadel. «Graf» hat denselben Ursprung wie Graphologe: es kommt her von graphein, schreiben. «Graf» heißt Schreiber. Der Graf ist der römische Schreiber, der Verwalter, während der Fürstenadel als alter Kriegeradel noch mit Tapferkeit und Heldenmut und dergleichen zusammenhängt. Der «Fürst» ist der Erste, der Vorderste. So ist also mit dem Übergang vom Fürsten zum Grafen

<13>Dan moet u ook uitleggen wat het verschil is tussen iets als het Frankenrijk van Karel de Grote en een latere staat. Kent u dit verschil niet, dan komt u niet voorbij het keerpunt van de vijftiende eeuw. Het rijk van Karel de Grote is nog geen staat. Hoe is dat bij de Merovingers? Ze zijn in eerste instantie eigenlijk niets anders dan grootgrondbezitters. En het enige wat bij hen geldt is het privaatrecht. En vervolgens gaat datgene wat uit de verhoudingen van het oude Germaanse grootgrondbezit stamt, steeds meer over in het Romeinse recht, waarbij degene die enkel ambtsdrager is steeds meer macht krijgt. Zo gaat het bezit geleidelijk over aan het administratieve apparaat, aan de ambtenaren, en wanneer de administratie later de eigenlijke heersende macht wordt ontstaat pas de staat. De staat ontstaat dus door de machtsvergroting van de administratie. De gravenadel ontstaat – in tegenstelling tot de vorstenadel. ‘Graaf’ heeft dezelfde oorsprong als ‘grafoloog’: het komt van ‘grafein’, schrijven. ‘Graaf’ wil zeggen ‘schrijver’. De graaf is de Romeinse schrijver, de ambtenaar, terwijl de vorstenadel als oude krijgsadel nog te maken heeft met dapperheid en heldenmoed en dergelijke. De ‘vorst’ is de eerste, de voorste. Zo is dus met de overgang van vorst naar graaf het

Blz. 180  vert. 164

das staatliche Prinzip entstanden. Das kann man natürlich an diesen
Dingen ganz gut anschaulich machen.

principe van de staat ontstaan. Dat kan men natuurlijk aan de hand van deze dingen heel goed aanschouwelijk maken. <13>

L. führt aus, wie er die Ausbreitung des Christentums bei den Germanen an die
Kinder heranbringen würde.

<14> L. vertelt hoe hij de kinderen zou vertellen over de uitbreiding van het christendom bij de Germanen.

Rudolf Steiner: Das arianische Christentum hat im praktischen Ausleben etwas sehr stark dem späteren Protestantismus ähnliches, es war aber weniger abstrakt, war noch konkreter.
Im 1. und 2. Jahrhundert war unter den römischen Soldaten an Rhein und Donau sehr stark der Mithrasdienst verbreitet, namentlich unter den Offizieren. – Thor, Wotan, Saxnot wurden im heutigen Elsaß und überall bis ins 6., 7., 8. Jahrhundert als die alten germanischen Volksgötter, als die drei wesentlichen  Hauptgötter verehrt mit germanischen religiösen Gebräuchen.
Man kann zahlreiche Szenen schildern, wie im Elsaß, im Schwarzwald die Kirchlein durch die römischen Kleriker gebaut werden. «Wir wollen dem Wotan das und das tun», sangen die Männer. Die Frauen sangen: «Der Christus ist für die gekommen, die nichts tun von sich aus.» Dieser Trick wurde schon benützt bei der Ausbreitung des Christentums, daß man nichts zu tun hatte, um selig zu werden.

Het arianische christendom lijkt in de praktijk heel sterk op het latere protestantisme, het was alleen minder abstract, het was nog concreter.
In de eerste en tweede eeuw was onder de Romeinse soldaten aan de Rijn en de Donau heel sterk de Mithrasdienst verbreid, met name onder de officieren.
Thor, Wodan, Saxnot werden in de huidige Elzas en overal tot in de zesde, zevende, achtste eeuw met Germaanse religieuze gebruiken vereerd als de oude Germaanse volksgoden, de drie voornaamste goden.
Men kan in talloze scènes beschrijven hoe in de Elzas, in het Zwarte Woud kerkjes werden gebouwd door Romeinse priesters. ‘Wij willen dat en dat doen voor Wodan,’ zongen de mannen. De vrouwen zongen: ‘Christus is voor hen gekomen die van zichzelf uit niets doen.’ Deze truc werd wis en waarachtig gebruikt bij de uitbreiding van het christendom, dat men niets hoefde te doen om zalig te worden. 

«Eiche» ist in der altgermanischen Kultsprache die Bezeichnung für den Priester des Donar. In der Zeit, als Bonifatius wirkte, kam noch stark in Betracht, ob man noch die Formeln wußte. Bonifatius wußte sich in Besitz gewisser Formeln zu setzen. Er wußte das Zauberwort, der Donarpriester wußte es nicht mehr. Bonifatius hat durch seine höhere Macht, durch die «Axt», das Zauberwort, den Priester des Donar, die «Donar-Eiche», gefällt. Der Priester starb vor Gram; er ging zugrunde «durch das Feuer des Himmels». Das sind Imaginationsbilder! Nach einigen Generationen ist das in das bekannte Bild umgeformt worden.
Solche imaginativen Bilder müssen Sie lesen lernen. Und so lernend lehren, lehrend lernen.
Bonifatius hat das germanische Christentum verromischt.
Karls des Großen Leben hat Eginhard beschrieben. Eginhard ist ein
Schmeichler.

Eik’ is in de Oudgermaanse cultustaal de aanduiding voor de priester van Donar. In de tijd van Bonifatius was het nog zeer belangrijk of men de formules nog kende. Bonifatius wist zich meester te maken van bepaalde formules. Hij kende het toverwoord, de priester van Donar niet meer. Bonifatius heeft door zijn hogere macht, door de ‘bijl’, het toverwoord, de priester van Donar, de ‘Donar-eik’, geveld. De priester stierf van verdriet; hij ging te gronde ‘door het vuur van de hemel’. Dat zijn imaginatieve beelden! Na enkele generaties is dat omgevormd tot het bekende beeld.
Zulke imaginatieve beelden moet u leren lezen. En zo al lerend de kinderen leren, al onderwijzend zelf wijzer worden.
Bonifatius heeft het Germaanse christendom verroomst.
Het leven van Karel de Grote is beschreven door Eginhard. Eginhard is een vleier.
(Vaak vermeld als Einhard) <14>
GA 295/178-180
Praktijk van het lesgeven/162

Van GA 295 heb ik een scan die je kan opvragen via vspedagogie  apenstaartje gmail punt com

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3379-3178

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (2)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

2. Schuljahr September 1920 bis Juni 1921
2e Schooljaar september 1920 tot juni 1921  

Blz. 48/49

11 Klassen
19 Lehrer
420 Schüler

In den Konferenzen des zweiten Schuljahres herrscht überwiegend noch, ungeachtet gelegentlich aufziehender Wolken, die gleiche freudige, kraftvolle Stimmung wie im Vorjahr, vielleicht bei den Lehrern etwas weniger draufgängerisch. Es werden im ganzen auch dieselben Probleme behandelt; sie werden ausgearbeitet und vertieft.
Hauptsächlich an drei Stellen zeigt sich aber charakteristisch die Eigenart dieses zweiten Schuljahres: bei der Besprechung der neuen 9. Klasse; dann als die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage und nach der geistigen Selbständigkeit der Schule gestellt wird; und endlich, als Rudolf Steiner spricht über seine eigene Stellung als Leiter der Waldorfschule.
Die Schule wächst auch dieses Jahr kräftig weiter. Für die neue 1. und für die 6. Stufe müssen Parallelklassen eingerichtet werden (1/169, 178). Besonders ausgestaltet werden die praktischen Fächer: Handwerk und Gartenbau (1/193—196, 270) sowie Handarbeit (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). Bei Anstandsunterricht (1/268) und sozialer Erkenntnis (1/286, 287) wird festgestellt, daß sie jetzt aufhören; beim Kindergarten und der Fortbildungsschule (1/276—277), daß sie wieder zunächst nicht durchgeführt
werden können. Die Art der Zeugnisgebung (1/284, 285) und der
Versetzung (1/285) finden ihre endgültige Gestalt.

11 klassen
19 leerkrachten
420 leerlingen

In de vergaderingen van het tweede jaar heerst er overwegend, ondanks af en toe een wolkje aan de hemel, nog steeds dezelfde vrolijke, krachtige stemming als het jaar daarvoor, misschien onder de leraren iets minder fanatiek. Over het geheel genomen werden dezelfde problemen behandeld; ze werden uitgewerkt en verdiept.
Het karakteristieke kenmerk van dit tweede schooljaar is echter hoofdzakelijk op drie plaatsen te vinden: bij de bespreking van de nieuwe 9e klas; als vraag naar de economische basis en naar de geestelijke zelfstandigheid van de school; en ten slotte, wanneer Rudolf Steiner spreekt over zijn eigen positie als
leider van de Waldorfschool.
De school blijft dit jaar sterk groeien. Voor de nieuwe 1e en voor de 6e klas moeten parallelklassen worden opgezet (1/169, 178). In het bijzonder werden de praktische vakken vormgegeven: handwerken en tuinbouw (1/193—196, 270) en handenarbeid (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). In het geval van ‘omgangsonderwijs’ (1/268) en sociale kennis (1/286, 287) wordt gesteld dat
dit beëindigd wordt; en dat de kleuterschool en de vervolgschool (1/276—277), nu niet verder kunnen gaan. Het getuigschrift (1/284, 285) en welke kinderen waar worden geplaatst, (1/285) vinden hun uiteindelijke vorm.

Für die neuen Klassen und für den praktischen Unterricht, aber auch weil einige Kollegen fortgegangen sind, müssen neue Lehrer eingestellt werden (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bei dieser Gelegenheit wird auch festgelegt, wer zum Lehrerkollegium gehören soll und wer nicht (1/198, 199).
Beim neusprachlichen Unterricht taucht die Frage auf, die dann nie zur Ruhe kommen will: ob und wie in diesen Fächern die Schüler, ungeachtet ihres Klassenzusammenhanges und ihres Alters, rein nach dem Stande von Wissen und Fähigkeit zusammengefaßt werden sollen (1/171, 284; vgl. auch Sachwortverzeichnis).
Das Problem eines eigenen Schularztes (1/263) und das der Heileurythmie (1/284) treten auf.
Das Wichtige aber ist, daß auf die acht Volksschulklassen jetzt eine 9. Klasse, eine Oberklasse, aufgebaut wird (Einleitung S. 28 und 1/119). Freilich klingen die damit berührten Probleme vorerst nur leise an. Zunächst sollen die 8. und 9. Klasse von zwei Klassenlehrern ebenso abwechselnd weitergeführt werden wie bisher die 7. und 8. Klasse (1/200).
Auch bei dem Lehrplan für das 9. Schuljahr, der jetzt aufgestellt wird (1/191, 219—226), verbirgt sich das grundsätzlich Neue zunächst noch unter dem Scheine, als ob in der 9. Klasse nur das in der 8. Klasse Besprochene „noch einmal” durchzunehmen sei. Aber

Voor de nieuwe klassen en voor de praktijklessen, maar ook omdat er enkele collega’s zijn vertrokken, moeten er nieuwe docenten worden aangenomen (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bij deze gelegenheid wordt ook bepaald wie tot het onderwijzend personeel behoort en wie niet (1/198, 199).
Bij het onderwijzen van moderne talen komt de vraag ter sprake die maar nooit afdoende beantwoord lijkt te worden: of en hoe de leerlingen in deze vakken,
ongeacht hun plaats in de klas en hun leeftijd, puur op basis van het kennis- en vaardigheidsniveau, bij elkaar zouden moeten (1/171, 284; zie ook verklarende woordenlijst).
Het probleem van het hebben van een eigen schoolarts (1/263) en dat van de euritmietherapie (1/284) doet zich voor.
Maar het belangrijkste is dat er nu na de acht basisschoolklassen een 9e klas, een bovenbouwklas bijkomt  (inleiding p. 28 en 1/119). Wel dienen zich al voorzichtig bepaalde problemen aan. In eerste instantie moeten 8 en 9 afwisselend door twee klassenleraren worden geleid zoals de 7e en de 8e
klas tot nu toe. (1/200).
Ook met het leerplan voor het 9e schooljaar dat nu wordt opgesteld
(1/191, 219-226), wordt wat fundamenteel nieuw is aanvankelijk nog bedekt
onder de schijn, alsof in de 9e klas alleen dat wat in klas 8 besproken is, “nog een keer” doorgenomen moet worden. Maar

Blz. 50

gerade in dem, wie dies ,,noch einmal” geschehen soll, steckt ja die
entscheidende Änderung der Unterrichtsart, die diesem Lebensalter
entsprechend und notwendig ist. Das wird dann bei den folgenden
Klassen immer deutlicher. Hier schauen diese Fragen nur gleichsam
wie zum Fenster herein.
Aber schon als jetzt die Frage aufkommt, warum denn die Arbeiterkinder, die proletarischen Kinder, lieber sofort ins Berufsleben gesteckt werden, statt in die 9. Klasse weiterzugehen (1/260, 261), klingt schon das Problem des Abituriums an (1/260) und damit die Sorge, daß die heranwachsenden Oberklassen zu sehr in die Nachbarschaft der üblichen ,,höheren Lehranstalt” geraten könnten, so daß dadurch „irgendwelche Dinge” verhindert würden (1/260).,,Irgendwelche Dinge”, das wären nach den „Volkspädagogischen Vorträgen” (Liste Nr. 3) diejenigen Unterrichtsgegenstände, durch die der junge Mensch so, wie es unserer Zeit entspricht, ins wirklich praktisch-tätige Leben hineingestellt werden sollte. Diese Frage steht von nun an, ob ausgesprochen oder unausgesprochen, hinter allem, was über die Oberstufe noch verhandelt wird. Es ist ein schwerer Verzicht, daß diese Ziele der „Volkspädagogischen Vorträge” für die Oberklassen aufgegeben werden müssen.

juist in de manier waarop dit “opnieuw” zou moeten gebeuren, ligt de
beslissende verandering in het type onderwijs dat op deze leeftijd passend en noodzakelijk is. Dat zal bij de volgende klassen  steeds duidelijker het geval worden. Hier lijken deze vragen alleen maar op het raam te kloppen.
Maar nu rijst de vraag waarom de kinderen van de arbeiders, de proletarische kinderen, liever meteen in het werkende leven zouden moeten worden geplaatst in plaats van door te gaan naar de 9e klas (1/260, 261) en daarmee dient het probleem van het examen zich aan (1/260) en daarmee de bezorgdheid dat de hogere klassen die erbij komen te dicht bij de gebruikelijke ‘hogere onderwijsinstellingen’ zouden kunnen komen te liggen, zodat “sommige dingen” verhinderd zouden worden. ‘Sommige dingen’ waren volgens de
voordrachten over volkspedagogie’ [GA 192] die vakken waarmee de jonge mens, behorend bij de huidige tijd, een plaats zou kunnen vinden in het praktische werkzame leven. Deze vraag staat vanaf nu, uitgesproken of onuitgesproken, achter alles wat over de bovenbouw nog wordt besproken wordt. Het is moeilijk om van deze doelstellingen van de ‘voordrachten over volkspedagogie’ voor de bovenbouw af te moeten zien.

Und ein großer Verzicht liegt auch in dem Fazit, das Rudolf Steiner
am 26. Mai 1921 aus der sozialen Entwicklung der letzten Zeit ziehen muß. Die Stuttgarter Schule kann nicht mehr als der Anfang einer weit über Deutschland hinausgreifenden Bewegung der Schulerneuerung gelten. Sie kann nur noch „Modell” sein. „Eine zweite Schule werden wir nicht mehr errichten können” (1/289). Tatsächlich wurden die unvermeidbaren Kompromisse den Behörden gegenüber ständig einschneidender,, nicht nur bei allen später gegründeten
Waldorfschulen, sondern auch bei der Stuttgarter Schule selbst.
Ein zweites Charakteristikum dieses Schuljahres ist die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage der Waldorfschule. Als sie zwischen den Schuljahren, bei den Konferenzen vom 29. und 31. Juli und 21. September 1920 zur Verhandlung kommt, da lodert das Feuer hell auf, das lange schwelte.
Aber in Wahrheit ist gar nicht das Materielle der Grund dafür. Die
Finanzierung bleibt in allen folgenden Jahren eine schwere Sorge. Es ist ja auch im Frühjahr 1920 der Waldorfschulverein begründet (1/183, Einleitung S. 22), dessen damals gegebene Form in den Hauptzügen heute noch besteht. Der Weltschulverein freilich, um den Rudolf Steiner sich so sehr mühte (1/183-186, 189, 201, 202, 228—233, 289), kam weder damals noch je später zustande.

En ook de conclusie van Rudolf Steiner die hij op 26 mei 1921 moest trekken  door recente maatschappelijke ontwikkelingen in de laatste tijd, betekende een groot afzien. De Stuttgarter school kan niet meer gelden als het begin van een schoolvernieuwingsbeweging die zich tot ver buiten Duitsland uitstrekt. Ze kan alleen maar een “model” zijn. “Een tweede school zullen we niet meer kunnen oprichten’  (1/289). In feite werden de onvermijdelijke compromissen met de autoriteiten steeds drastischer, niet alleen voor alle scholen die later werden opgericht, maar ook voor de school in Stuttgart zelf.
Een tweede kenmerk van dit schooljaar is de vraag over de economische basis van de Waldorfschool. Als deze tussen de schooljaren op de vergaderingen van 29 en 31 juli en 21 september 1920 behandeld wordt, laait het vuur op dat al lang lag te smeulen.
Maar in werkelijkheid zijn materiële dingen niet de reden hiervoor. De
financiering blijft de komende jaren een ernstig probleem. In het voorjaar van 1920 werd de Waldorfschoolvereniging opgericht (1/183, inleiding p. 22), waarvan de vorm die destijds werd gegeven in hoofdzaak nu [1975] nog steeds zo bestaat . En dan de Wereldschoolvereniging natuurlijk, waarvoor Rudolf Steiner zich zo inzette (1/183-186, 189, 201, 202, kwam toen niet, maar ook later niet van de grond.

Blz. 51

In Wahrheit ging die Auseinandersetzung um zweierlei: um die geistige Selbständigkeit der Schule, das heißt praktisch um ihre Unabhängigkeit von der Waldorf-Astoria-Fabrik, und dann um das richtige Verhältnis zur Person von Emil Molt.
Jetzt macht Rudolf Steiner klar, daß in Wirklichkeit die Gründung der Schule auch finanziell das Werk von Emil Molt ist. „Die Schule ist Ihr Verdienst” (1/213).
Gerade dadurch aber wird Emil Molts Stellung zur Schule richtig. Er ist gleichsam als Privatmann „Protektor der Schule” und „Schulvater”, so wie Bertha Molt „Schulmutter” ist. Damit sind beide vollgültige Mitglieder des Lehrerkollegiums (1/199). Dies Kollegium wird „jederzeit . . . mit Herrn Molt gehen, will aber nichts mit der Waldorf-Astoria zu tun haben” (1/209). Die Fabrik wird auch weiterhin Beiträge geben und für die Kinder ihrer Werkangehörigen das Schulgeld bezahlen. Aber die Schule wird von ihr völlig frei und unabhängig sein.
Damit ist auch das dritte und wesentlichste Element dieser Konferenzen innerlich auf das engste verbunden. Rudolf Steiner spricht es aus in seiner Ansprache vor den Lehrern beim Beginn des zweiten Schuljahres am 22. September 1920 (1/214-217), daß seine Stellung als Leiter der Schule nie anders aufgefaßt werden dürfe als die des Esoterikers. Sie dürfe niemals auf Suggestion oder äußerer Macht beruhen, stets nur auf dem freien Willen und Vertrauen der Lehrer.
Damit wird — und das ist die innerste Lebensquelle der Schule — deren Zusammenhang mit Rudolf Steiner und also mit der Anthroposophie auf das genaueste umschrieben und dargestellt.

In werkelijkheid ging het geschil over twee dingen: om de geestelijke onafhankelijkheid van de school, dat wil zeggen praktisch over haar onafhankelijkheid van de Waldorf-Astoriafabriek, en vervolgens over de juiste relatie met de persoon van Emil Molt.
Nu maakt Rudolf Steiner duidelijk dat de ​​stichting van de school, ook financieel het werk van Emil Molt is. “De school is uw verdienste” (1/213).
Dit is precies wat Emil Molts positie ten opzichte van school in een juist daglicht stelt. Hij is als particulier als het ware ‘beschermer van de school’ en ‘schoolvader’, net zoals Bertha Molt ‘schoolmoeder’ is. Daarom zijn beiden volwaardige leden van het onderwijzend personeel (1/199). Dit college
zal “op elk moment” samen gaan met meneer Molt, maar wil niets met de
Waldorf-Astoria” van doen hebben (1/209). De fabriek zal bijdragen blijven geven voor de kinderen van haar werknemers en schoolgeld betalen. Maar de school is volledig vrij en onafhankelijk van haar.
Het derde en meest essentiële element van deze vergaderingen is hier ook intern zeer nauw mee verbonden. Rudolf Steiner spreekt in zijn toespraak tot de leraren aan het begin van de tweede schooljaar op 22 september 1920 (1/214-217) uit, dat zijn positie als leider van de school nooit als iets anders mag worden opgevat dan die van een esotericus . Die mag nooit op suggestie of externe macht berusten, altijd uitsluitend gebaseerd op de vrije wil en het vertrouwen van de leraren.

Dit betekent – ​​en dit is de diepste levensbron van de school – dat haar verbintenis met Rudolf Steiner en dus met de antroposofie op de meest precieze manier beschreven en gepresenteerd wordt.
GA 300A/48-51 

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3378-3177

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen -Duits – 5e klas

.

In dit overzicht van een leerplan voor het Duits is er in de 5e klas sprake van de naamvallen.
Daar hebben we in het Nederlands nauwelijks iets mee te maken, al kunnen ze zeker aan de orde worden gesteld, zoals hier beschreven wordt.

In het Duits moeten ze worden geleerd.

In onderstaand artikel wordt een bepaalde weg bewandeld om ze Duitse kinderen aan te leren.

Ik heb dit artikel niet vertaald – dat leek me overbodig voor iemand die Duits geeft.
.

Gertrud Jasper, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 3 jrg. nr 1 1929
.

Beispiel zum Grammatik-Unterricht

.

Wie die Grammatik im Unterricht lebendig werden kann aus ihrem eigenen Wesen heraus, soll hier versucht werden zu zeigen.
Eine Behandlung der vier Fälle für den ersten Grammatik-Unterricht sei als Beispiel gegeben.
Die Grundlage zu dieser Behandlung gab folgende Überlegung:

In den Formen der Fälle lebt sich aus das Hauptwort. Seine Bewegungsmöglichkeit ist gering, verglichen mit der des Tätigkeitswortes. Es lebt nicht mehr in der Verwandlung von Gegenwart zu Vergangenheit und Zukunft; es deutet auf Gewordenes; es kann nur noch in Beziehungen geraten.
So offenbart sich in den Fällen des Hauptwortes etwas wie Urformen der
Beziehungen zwischen gewordenen Wesen, Ur-Lebenslagen, in die man gleichsam hinein”fallen” kann. Als Ziel erstrebt daher die Behandlung:

Ein Erlebnis davon zu vermitteln, wie sich Nominativ, Genitiv usw. gewissermaßen von innen anfühlen, wie einem zu Mute sein kann im Akkusativ, Dativ usw.
Die Behandlungsweise ergibt sich auch aus der Sache selbst: Wenn etwas
da ist, kann es entweder für sich da sein, – das ist der Fall im Nominativ, man hat es dann zu tun mit dem bloßen Namen, hinter dem Eigenschaften und Vermögen stehen, – oder es tritt in Beziehung zu anderen
Wesen; dabei handelt es sich immer um Doppelbeziehung: irgend woher
kommt etwas, irgend wohin geht etwas. Das kann führen zu einer Behandlung der Fälle nicht in der üblichen Reihenfolge: Nominativ, Genitiv, Dativ, Akkusativ, sondern in Paaren, entsprechend diesen Doppelbeziehungen:

Schema:

Und als Weg ergibt sich der Weg van innen nach außen: Nominativ → Akkusativ, und zurück von außen nach innen: Dativ → Gentiv.

Mit dem Nominativ wird begonnen:
In ihm hat man den reinen Namen der Geschöpfe; was von ihrem Wesen erlauscht werden konnte, spricht der Mensch im Namen aus. Davon muß
ein möglichst deutliches Erlebnis in den Kindem entstehen. Von ihren
eigenen Namen läßt sich gut ausgehen; etwa so [nur in Hauptzügen entwickelt]:

“Stellt euch vor, ich komme nach langen Ferien wieder zu euch in die
Klasse. Ich schaue mich um, ob ihr auch alle wieder da seid; da sehe ich jeden
sitzen auf seinem Platz und sage: da ist ja der Peter, da ist der Hans, da ist
die Maria usw.; nun sitzt da vielleicht auch jemand, der neu zu uns gekommen ist; da muß ich Halt machen. Warum? Ich weiß noch nicht, wer
er ist; er muß mir erst seinen Namen sagen. –
So hat jeder von euch seinen Namen, mit dem die anderen ihn rufen können. Nun schaue ich weiter umher: haben die Dinge vielleicht auch jedes seinen Namen? Gewiß; frage ich die Rose (wenn z. B. eine am Fenster steht):
“Wer bist du?”, so müßte sie antworten, wenn sie sprechen könnte: ich
bin die Rose, und der Schrank: ich bin der Schrank usw.”
Hier wird zur Übung gemacht, die bekannten Worte mit Bewußtsein als
Namen auszusprechen.
Weiter: “Was können wir erzählen von dem, was wir eben mit Namen
genannt haben.”

Das Erzählte wird mit dem Namen verglichen; es wird wiederentdeckt werden im Klang des Namens selber. Hier wird versucht, möglichst lebendig zu entwickeln das Gefühl für das in den Namen hinein verzauberte Leben, das sich jedesmal im Erklingen neu erschließt; die Namen werden selbst zum Erzähler: z. B. “der Mops” ist dick und rundlich und schwer; der “Spitz” ist schmal und flink und hell; daß der “Dackel” krumme Beine hat, hört man schon im Namen; auch daß die “Kuh” kaut und kaut und kaut und zwischendurch mu … h sagt usw.
Die Kinder werden Beispiele in Fülle bringen. An Worten fremder Sprachen, besonders gut des Griechischen, können Hörübungen gemacht werden, damit sich immer mehr stärkt die Fähigkeit, auf den erklingenden Namen mit innerer Bewegung zu antworten.
Schön wäre es, dabei den Kindem ihren eigenen Namen lebendig zu machen; selbst die abgebrauchtesten Namen wie: Fritz, Hans, Karl usw. sollten durch ihre Lautkraft wieder Mahnung werden können.
Die Ordnung der Namen nach Geschlechtern: der – die – das kann auch lebendig werden aus dem Namenwesen selber. Männlich, weiblich, sächlich sind unmögliche Begriffe für Kinder; aber drei Erlebnis-Nuancen lassen sich an Namen vorführen: z. B. der Kater – die Katze – das Kätzchen.
Undurchschaubares wird selbstverständlich öfters dabei auftauchen für den Lehrer. Es ist gut, darauf hinzuweisen, daß man manchmal sein ganzes Leben lang wird suchen müssen, um einen Namen zu verstehen. Denn schließlich ist es wichtig, in den Kindem Ehrfurcht zu erwecken vor dem Geheimnis der Namengebung an alle Geschöpfe der Welt durch den Mensehen in den Worten seiner Sprache.

Dazu kann helfen die schöne alte Legende, die erzählt, wie Gott den Menschen hineinstellt in die Mitte aller seiner Geschöpfe, damit er tut, was auch die Engel nicht können, damit er alles Erschaffene bei Namen nennt.
Hier sollen die Kinder berührt werden in der ihnen zugänglichen Form von dem Mysterium der menschlichen Erkenntnis.
Dann käme das erste Paar: Nominativ – Akkusativ (die Bilder entwickeln sich mit der Besprechung); man kann zum Ausgang zurückkehren;
selbstverständlich kann hier nur der Hauptzug der Entwicklung dargestellt
werden:
z. B. “da ist der Peter
wie sieht der Peter aus?
was kann der Peter alles tun?
der Peter kann lachen, kann weinen, kann tanzen, kann malen usw.
schließlich:
“der Peter könnte auch ganz still stehen,

“Ringsherum schickt der Peter die Strahlen aus seinen Augen.
Da kommt den Strahlen aus seinen Augen etwas entgegen.
Was könnte da entgegenkommen?
z. B. die Sonne, der Mond, ein Stern, ein anderer Junge, der Paul, ein kleiner Hund, ein Baum und ein großer Berg:

Das kommt ihm alles entgegen.
Und der Peter?

da sieht der Peter die Sonne
der Peter sieht den Mond
der Peter sieht den Stern
der Peter sieht den Paul
der Peter sieht den Hund
der Peter sieht den Baum
der Peter sieht den großen Berg
“aber der Paul hat auch Augen, mit denen er herumschaut, und Sonne, Mond und Sterne leuchten und erschauen alles, und der Hund, der Baum und der große Berg können merken, was ringsherum da ist:

Und die alle finden den Peter in der Mitte:

die Sonne leuchtet und die Sonne findet den Peter
der Mond scheint und der Mond findet den Peter
der Stern strahlt und der Stern findet den Peter
der Paul schaut umher und der Paul erschaut den Peter

der Hund spitzt die Ohren und der Hund hört den Peter
der Baum lauscht in die Welt und der Baum spürt den Peter
das tut auch der Berg: der Berg spürt den Peter

Bilder und Texte werden nebeneinander gestellt:

“da seht ihr, wie es dem Peter ergehen kann”

und gerade so ergeht es allen anderen, der Sonne, dem Mond, dem Paul usw.

Die entsprechenden Sätze kann man heraussuchen und zusammenstellen
lassen, z. B.:
die Sonne findet den Peter, – der Peter schaut die Sonne usw.

Das muß nun geübt werden mit anderen Namen und anderen Tätigkeiten, indem die Bilder in vielen Variationen von den Kindern selbst gemacht werden.
Es wäre wahrscheinlich gut, die Bilder auf große Kartons zu malen, damit sie während der ganzen Grammatik-Periode sichtbar bleiben und die Entwicklung der späteren Bilder aus den früheren immer deutlich geschaut werden kann.

Fortsetzung: Was kann nun der Peter weiter erleben?

da steht er noch immer; aber er mag nicht mehr da alleine bleiben.

Vokativ             Was tut er nun? er fängt an zu rufen,
Ablativ             er ruft die Sonne, er ruft den Mond,
haben hier       er ruft die Sterne
ihren Platz

Die hören ihn wohl, aber sie können nicht zu ihm kommen, sie müssen am Himmel bleiben. Der große Berg kann sich nicht rühren, der Baum kann nicht laufen, der Hund hat Angst und läuft weg;

aber: der Paul kann zu ihm kommen

da sind sie ganz nah zusammen

[vokativ] sie sagen: “grüß Gott Peter, grüß Gott Paul.”

Da hat der Paul seine rechte Hand
da hat er seine linke Hand
Jetzt gibt der Paul dem Peter die rechte Hand
der Paul gibt dem Peter die linke Hand
das kann der Peter auch:
der Peter gibt dem Paul die rechte Hand
der Peter gibt dem Paul die linke Hand

so sieht das aus:

Hier wird die Beziehung so nah, daß man sie als Bewegung üben lassen
muB; das Bild kann nur die Anregung dazu geben. Nur in wirklich ausgeführter Bewegung wird das Intime des Dativs erlebt. Man kann auch aufmerksam machen auf den charakteristischen Laut:

M } da wird eine ganz enge Beziehung geknüpft

im Vergleich zu dem Akkusativ-Laut

N } darin liegt viel mehr Abstand.

Das verdeutlicht die eurythmische Geste der Laute, die den Kindern ja bekannt ist.
Mit vielen anderen Beispielen des Gebens, Schenkens, Bringens usw. kann es geübt werden.

Fortsetzung: “Jetzt will der Peter dem Paul etwas ganz besonders Schönes
schenken.”

Er macht ein wunderschönes Bild für ihn.

Jetzt ist es fertig:

Wie kommt es denn, daß es auf einmal Pauls Bild ist? Der hat es doch gar nicht selbst gemacht. Er hat es aber geschenkt bekommen, er besitzt es jetzt.
Jetzt wollen wir uns den Peter einmal anschauen:

Das Bild hat er nicht mehr,
·aber er hat noch vieles andere
da ist des Peters Kopf
da ist des Peters Leib
da sind des Peters Arme
da sind des Peters Beine usw.

das alles hat gar nicht nur der Peter
das haben die anderen alle auch:

das ist des Menschen Kopf
das ist des Menschen Leib
das sind des Menschen Arme und Beine
das konnte er nicht selbst machen,

das hat er alles geschenkt bekommen
der liebe Gott hat es geschaffen.

Das sind die Geschenke des lieben Gottes.
Der liebe Gott schenkt es dem Menschen
weil er ihn lieb hat.

Weiter: der Peter hat noch mehr:

da ist des Peters Hut, damit er nicht friert
da ist des Peters Jacke, die hält ihn warm
da ist des Peters Apfel und ein großes Stück Kuchen hat er:
da ist der Kuchen usw.

das konnte er auch alles nicht selbst machen, 
der Vater schenkt dem Peter die Jacke
die Mutter schenkt dem Peter den Kuchen
Das sind Geschenke des Vaters und der Mutter

die schenken ihm auch den Pinsel und die Farben, nun malt er schöne Bilder
und kann selber etwas schenken an alle die er lieb hat; darüber freut sich auch der liebe Gott.

Schenken und Empfangen sollte lebendig empfunden werden beim Dativ
und Genitiv. 
Damit ist die Behandlung am Ende wieder zurückgekehrt zu dem Menschen, der in die Welt hineinstrahlen kann .

Es ist dieses selbstverständlich nur als Grundriss für eine Behandlung
gedacht, in die manches an Erzählungen und Versen eingefügt werden wird.
Es kam darauf an, zu zeigen, daß die Grammatik nicht auf allerlei künstliche Weisen für das Bildbedürfnis der Kinder zurechtfrisiert zu werden braucht, sondern daß das, was in ihren Zusammenhängen sich dem Bewußtsein des Lehrenden als Idee zu erkennen gibt, gleichsam zurückverdichtet werden kann zu einem farbigen und bewegten Bildgeschehen für die Kinder.

.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

Nederlands: alle artikelen

Leerplan: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3377-3176

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 294)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Overgang 12e – 13e jaar; verbinding astaal- en etherlichaam; kind open voor historische impulsen. <1>
Wél verhalen en biografieën, nog geen historische verbanden vóór 12e jaar; deze omvormen naar historische impulsen;  <2> en <4>
Het belang om de historische impulsen als mens te leren kennen <3>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 294   

Stuttgart, 29 augustus 1919, voordracht 8. 

Blz. 112

Dann aber liegt wieder ein wichtiger Punkt in der Entwiklung
des Kindes da, wo der Mensch zwischen dem 12. und 13. Jahre steht.
In dieser Zeit verstärkt und erkraftet sich das Geistig-Seelenhafte des
Menschen, insofern dieses Geistig-Seelenhafte weniger vom Ich abhängig ist. Es durchkraftet und verbindet sich das, was wir gewohnt sind in der Geisteswissenschaft den astralischen Leib zu nennen, mit dem Ätherleib. Geboren wird ja der astralische Leib als selbständige Wesenheit erst richtig mit der Geschlechtsreife, aber er tritt durch den Ätherleib in einer eigentümlichen Weise auf, indem er diesen in der Zeit zwischen dem 12. und 13. Lebensjahre durchkraftet und durchsetzt. Da liegt also wieder ein wichtiger Punkt der Entwickelung. Er äußert sich so, daß der Mensch, wenn wir richtig behandeln, was in ihm steckt, dann anfängt, Verständnis zu entwickeln für das, was in
der äußeren Welt an Impulsen wirkt, die ähnlich sind den geistig-seelischen Impulsen, wie sie also zum Beispiel in der Außenwelt als geschichtliche Kräfte wirken. Ich habe Ihnen an einem Probebeispiel das Walten solcher geschichtlicher Kräfte so dargelegt, wie man sie verwenden kann im Volksschulunterricht.

<1>Maar nu is er opnieuw een belangrijk moment in de ontwikkeling van het kind, het moment namelijk waarop de mens de overgang maakt van het twaalfde naar het dertiende jaar.
In die tijd wordt het geest-zielenaspect van de mens sterker, krachtiger, voor zover dit aspect minder afhankelijk is van het ik. Dat wat wij in de geesteswetenschap gewoon zijn het astrale lichaam te noemen, doordringt en verbindt zich met het etherlichaam.° Het astrale lichaam wordt als zelfstandige entiteit weliswaar pas echt geboren met de geslachtsrijpheid, maar het manifesteert zich op specifieke wijze via het etherlichaam tussen het twaalfde en dertiende levensjaar, doordat de krachten van het astrale lichaam dan sterk in het etherlichaam doordringen en werkzaam zijn. Daar ligt dus weer een belangrijk punt in de ontwikkeling. Het manifesteert zich zo dat de mens – mits we goed omgaan met wat er in hem leeft – begrip gaat krijgen voor de impulsen in de wereld om hem heen, impulsen die gelijkenis vertonen met de geestelijke en psychische impulsen die zich in de wereld om ons heen bijvoorbeeld als historische krachten manifesteren.
Ik heb u aan de hand van een voorbeeld de werking van dergelijke historische krachten laten zien, op een manier die te gebruiken is voor de basisschool.° <1>

°etherlichaam: Steiner onderscheidt aan de mens behalve een fysiek
lichaam ook een ‘etherlichaam’, een ‘astraal lichaam’ en een ‘ik’. Het
etherlichaam of etherisch lichaam is de drager van alle levensprocessen
in het organisme; mensen hebben dit dus gemeen met planten en dieren.
Het astrale lichaam is de drager van innerlijke aandoeningen (gewaarwordingen, emoties, gevoelens), kortweg van de ziel; dit lichaam heeft de mens gemeen met de dieren. Het ‘ik’ tenslotte is uniek voor de mens; het is de organiserende en sturende factor in het samenstel van de lichamen.
Zie b
v. Theosofie [GA 9, vertaald] en De wetenschap van de geheimen der ziel
GA 13, vertaald]

Meer over het etherlijf  en het astraallijf.

°°voorbeeld … historische krachten … voor de basisschool: Zie Erziehungskunst.
Seminarbesprechungen (vertaling: GA 295)
Praktijk van het lesgeven, de werkbespreking van 28 augustus 1919) 

Aber obgleich Sie das, was ich für Sie auseinandergesetzt habe, in eine kindliche Sprache überführen müssen, so würden Sie, wenn Sie noch so kindlich sprechen
würden, doch nicht das richtige Verständnis für historische, für geschichtliche Impulse im Kinde erwecken können, wenn Sie vor dem vollendeten 12. Lebensjahre mit der Geschichtsbetrachtung an das Kind herankommen würden. Sie können Geschichte dem Kinde vorher in Form von Geschichten erzählen, können ihm Biographien erzählen.
Das wird es fassen. Aber geschichtliche Zusammenhänge wird es vor dem vollendeten 12. Jahre nicht fassen. Daher werden Sie ein Unheil anrichten, wenn Sie die Einhaltung dieses Zeitpunktes nicht beachten.
In diesem Zeitpunkte beginnt der Mensch eine Sehnsucht zu entwickeln,
dasjenige, was er früher als Geschichten aufgenommen hat, nun wirklich auch als Geschichte dargestellt zu bekommen. Und wenn Sie dem Kinde vorher Geschichten zum Beispiel von dem oder jenem Kreuzfahrer oder von andern erzählt haben, so müssen Sie nun versuchen, dies umzugestalten, so daß das Kind in diesem Umgestalteten die geschichtlichen Impulse, die geschichtlichen Zusammenhänge wahrnimmt.

<2>Maar hoewel u mijn woorden voor de kinderen moet vereenvoudigen, zou u, hoe eenvoudig u het ook zou vertellen, toch niet het juiste begrip voor historische impulsen kunnen wekken als u kinderen, voordat ze echt twaalf zijn geworden, historische beschouwingen zou voorzetten. U kunt voor die tijd over geschiedenis vertellen in de vorm van verhalen, u kunt biografieën vertellen. Dat zal het kind begrijpen. Maar historische verbanden zal het voordat het twaalf jaar is niet begrijpen. Daarom zult u onheil aanrichten als u hier geen rekening mee houdt.
Rond deze tijd begint de mens ernaar te verlangen om de verhalen die hij voordien heeft opgenomen nu ook echt als geschiedenis te horen te krijgen. En als u het kind voor die tijd verhalen hebt verteld bijvoorbeeld over een of andere kruisvaarder of over anderen, dan moet u die nu zo proberen om te vormen dat het kind in die nieuwe vorm de historische impulsen, de historische verbanden
herkent.

Blz. 113

( ) zum Geschichtlichen, insofern es nicht bloß Geschichten sind, werde ich überhaupt erst übergehen nach dem Erreichen des 12. Lebensjahres. Da beginnt das Kind innerlich Anteil zu nehmen an den großen geschichtlichen Zusammenhängen. Das wird für die Zukunft ganz besonders wichtig sein, denn es wird sich immer mehr und mehr die Notwendigkeit herausstellen, die Menschen schon zum Erfassen geschichtlicher Zusammenhänge zu erziehen, wahrend sie bisher gar nicht zu einer eigentlichen Geschichtsauffassung kamen. Denn sie waren mehr Glieder des Wirtschaftslebens und des Staatslebens, wurden in das Wirtschafts- und Staatsleben einmechanisiert und genügten auch den Anforderungen, den Interessen des Wirtschafts- und Staatslebens, wenn sie notdürftig Geschichten kannten über Herrscher und Kriege – was ja nicht Geschichte ist – und wenn sie Zahlen wußten, wann die Herrscher und höchstens noch einige berühmte Persönlichkeiten gelebt und wann die Kriege stattgefunden haben.
Wie sich das Kulturelle der Menschheit entwickelt hat, das wird in der Zukunft besonders Gegenstand des Unterrichts sein müssen. Dann aber wird der Unterricht die geschichtlichen Impulse in sich aufnehmen müssen, und man wird richtig im geeigneten Zeitpunkt diese geschichtlichen Impulse in den Lehrplan einstellen müssen.

( ) en met geschiedenis – voor zover het geen verhalen zijn – zal ik zeker pas beginnen na het twaalfde jaar. Dan begint het kind zich innerlijk te interesseren voor de grote historische verbanden.
<3>Dat zal vooral voor de toekomst heel belangrijk zijn. Want het zal steeds dringender nodig blijken te zijn om mensen echt tot begrip van historische verbanden op te voeden, terwijl ze tot nu toe van een werkelijk historisch bewustzijn gespeend zijn gebleven. Ze waren meer onderdelen van het economische leven en het staatsleven, ze draaiden mee in de mechanismen van economie en maatschappij; en om aan de eisen, de belangen van economie en maatschappij te voldoen, was het genoeg om globaal de geschiedenissen van heersers en oorlogen te kennen – wat geen geschiedenis is – en om wat jaartallen te kennen, te weten wanneer die heersers en hoogstens nog een paar beroemdheden leefden en wanneer die oorlogen plaatsvonden.
Hoe de cultuur van de mensheid zich heeft ontwikkeld, dat zal in de toekomst speciaal aandacht moeten krijgen in het onderwijs.
Maar dan zal het onderwijs zich kennis van de historische impulsen eigen moeten maken, en men zal die historische impulsen op de juiste manier, op het juiste tijdstip in het leerplan moeten opnemen. <3>
GA 294/112-113
Vertaald/118-119

Dus:
( ) mit dem Erzählen von Geschichten bis zum 12.Jahre fortfahren, um dann aus den Geschichten «Ge­schichte» zu machen.

( ) <4> net zoals we met het vertellen van verhalen tot aan het twaalfde jaar moeten doorgaan, om dan van die verhalen geschiedenis te maken. <4>
GA 294/115
Vertaald/120

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3376-3175

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde

.

Dierkunde in klas 4 berust o.a. op het mensbeeld – het 3-ledige – met hoofd, romp en ledematen.
In verschillende artikelen* wordt deze achtergrond nader verklaard.

Vaak wordt bij de ‘hoofddieren’ de adelaar als voorbeeld genomen.

Maar er zijn ook de ‘dagelijkse’ dieren, vogels bv. die we rondom het huis vinden.
De intelligentie die ze vertonen, kunnen we tot een ‘hoofdeigenschap’ rekenen.

Ook daar zijn interessante dingen over te vertellen.

Hier wat wetenswaardigheden over kraai, raaf, roek, ekster en kauw

.
Uit Brabants landschap 216
.

DE KRAAI

.

Deze grote zwarte vogels, 45-50 centimeter groot, komen algemeen voor in steden en dorpen. Ze zitten op onze daken, in de parken en langs het water.
Ook in de landbouwgebieden, in de buurt van boerderijen, zie je vaak kraaien.

In dichte bossen zie je deze vogels niet, wel aan de randen. De kraai weet altijd zijn kostje bij elkaar te scharrelen. Daar is in onze taal zelfs een uitdrukking over: ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat’. Het geluid van de kraai is krassen en kraaien. Het is geen mooi geluid, toch horen deze vogels bij de zangvogels. De kraai is een cultuurvolger.

Slechte reputatie

De kraai staat er niet goed op bij de mensen. Hij eet bijvoorbeeld jonge vogels. Mensen die hun best doen voor weidevogels zien vaak dat al hun inspanningen voor niets zijn geweest omdat de kraaien het broedsel en jonge vogels opeten. De kraai eet het nieuwe zaadgoed op. Hij kan veel schade aanrichten op een pas ingezaaide akker. Deze vogels kunnen er niets aan doen, want ze lusten nu eenmaal alles. Een kaal ingezaaid veld of jonge weidevogels laat de kraai niet liggen. Zeker niet wanneer ze open en bloot op het veld liggen omdat het gras en de kruiden niet genoeg bescherming bieden. 
Kraaien werken samen: één kraai leidt de moeder kievit af en de andere snoept de eieren of de kuikens weg. De kraai is een beschermde vogel, de mens en de kraai moeten leren samen te leven.

Levenswijze

De kraaivrouw en de kraaiman blijven hun leven bij elkaar. Vanaf maart tot in juni maken ze hun nesten. Ze maken een groot nest van takken en ander materiaal. Er zit van alles in de buitenkant van hun nesten, stukken ijzerdraad, plastic, kleerhangers, lappen stof enz. In het buitengebied zie je soms dat kraaien op de rug van schaap of koe landen en wol en haren uit de vacht van deze dieren trekken.
De binnenkant bekleden ze met mos, haren, wol en gras. Ze maken een zacht bedje voor de eitjes, mooie turquoise eitjes met stippen; tussen de 4 en 6 stuks. De kraaien broeden niet in een kolonie met anderen kraaien. Ze hebben een territorium van 15 tot 50 hectare groot.

Als er een buizerd, havik of reiger boven hun territorium vliegt dan gaan ze in de aanval en dan winnen meestal de kraaien.

Verschil mannetje-vrouwtje

Ze beginnen te broeden in maart en kunnen broedsels hebben tot eind juni. Het vrouwtje broedt en het mannetje brengt eten. Na drie weken komen de eitjes uit en de kuikentjes zijn naakt, blind. Na drie weken zitten ze al in de veren en na een maand kunnen ze vliegen. De kraaien letten niet altijd even goed op hun broedsel. Dan kan bijvoorbeeld een eekhoorn zijn slag slaan.
Op het einde van zijn tweede levensjaar is de kraai geslachtsrijp. De jonge kraaien leven in groepen bij elkaar en na de broedtijd zoeken de oude kraaien de groepen weer op. Ze slapen in hoge bomen. Vlak voor het slapen gaan maken ze een heleboel herrie. Ze lijken eerst nog even te keten; net als bij een slaapfeestje.

Een jonge kraai laat zich goed africhten, maar zo gauw hij zijn vrijheid heeft zal hij het gezelschap van andere kraaien zoeken. Zo’n kraai heeft dan niet geleerd dat hij afstand tot mensen moet houden en komt dan op ons af. De kraai lijkt dan agressief te zijn en is het kind van de rekening, dus nooit doen; een kraai africhten.

Bonte kraai

Deze kraai is naaste familie van de zwarte kraai en leeft in Noord- en Oost-Europa. Als het daar erg koud wordt komen ze naar het westen. In het grensgebied van deze twee soorten paren de zwarte en bonte kraai met elkaar, je krijgt dan kruisingen.

Voedsel

De kraai eet alles. En hij is erg slim, bijvoorbeeld noten laat hij van grote hoogte vallen, of hij rolt ze op de weg. Dan rijdt er een auto over en dan is zijn noot een hapklare brok.
Kijk maar eens op het menu wat hij allemaal lust. Als wij veel eten weggooien en hondenpoep niet opruimen dan is de kraai er als de kippen bij om het op te eten. De kraai eet ook bergen emelten, wormen, ritnaalden en kevers die schadelijk zijn voor de landbouw.

Vijanden

De mens. Verder uilen, buizerd en havik. Ook marters en eekhoorns, als die de kans zien om het nest leeg te roven.

Nesten

De nesten worden na gebruik verlaten en in een volgend broedseizoen gebruikt door vogels die zelf geen nest maken zoals bosuil, ransuil en boomvalk.

.

Zwarte kraai 

In Europa komen twee variëteiten van de kraai voor: de zwarte kraai in het westen en de bonte, die een meer oostelijker verspreidingsgebied heeft, maar die in de wintermaanden naar het westen trekt. In die periode zijn beide geografische rassen in ons land te zien. In de zomer loopt de grens door Duitsland, Oostenrijk naar Italië. Kraaien zijn langzamerhand cultuurvolgers geworden. Ze voeden zich dan ook met allerlei afval dat de mens achterlaat. Behalve in bossen en parken, komen ze eigenlijk overal voor waar maar bomen staan. Kraaien leven meestal in paren, al sluiten ze zich ’s winters wel tot zwermen aan. Hun nesten worden in bomen gebouwd en bestaan uit takken, mos, halmen, graspollen en dergelijke. De bodem wordt in bossen vaak met leem bekleed, in de nabijheid van de mens kan hij echter ook uit papier bestaan. De nesten worden vaak jaren achtereen gebruikt. Eind maart of begin april worden maximaal 6 eieren, groen en donker gevlekt, gelegd, die gedurende 17 tot 20 dagen worden bebroed. Het wijfje verricht dat karwei alleen. Het mannetje voorziet haar van voedsel. De jongen blijven ongeveer een maand in het nest. Daarna vliegen ze uit, maar blijven nog geruime tijd bij de ouders. Kraaien zijn overigens langslapers. Ze gaan pas op voedsel uit als de zon al een tijd aan de hemel staat en voor deze ondergaat, hebben ze zich alweer te ruste begeven. Kraaien zijn alleseters. Ze voeden zich zowel met dierlijk als plantaardig materiaal. Ook zijn het beruchte eierdieven. In het voorjaar eten de kraaien vrijwel uitsluitend eieren en jonge vogels. Ook vangen ze allerlei kleine dieren, waaronder kleine knaagdieren. Bessen, vruchten en zaden staan eveneens op het menu.

Je zou ook nog iets over de raaf kunnen vertellen:

Raaf 

De raaf is van huis uit een bosbewoner. In Midden-Europa is hij zeer schuw, terwijl hij in Oost-Europa en in Azië in dorpen op kerktorens nestelt. Vroeger waren de raven in Europa veel algemener dan thans het geval is, hoewel hun bestand hier en daar naar het schijnt wat toeneemt. In 1927 broedde het laatste stel in Nederland. In 1968 werden exemplaren uit Duitsland ingevoerd. Of ze zich hier echter zullen handhaven, is de vraag. Ze bouwen hun nesten in hoge bomen, ook wel op rotsen. Elk paar gebruikt steeds hetzelfde nest, waardoor in de loop der jaren een machtig bouwwerk ontstaat. De eigenlijke nestbouw wordt alleen door het wijfje verricht. Het mannetje sleept het materiaal ervoor aan. Het komt wel voor dat raven een nestelplaats in de buurt van de horst van een roofvogel opzoeken om zich met de buit van deze te voeden. Niet voor niets nemen de raven in vele streken de plaats van de gieren in. Het wijfje legt vaak al eind februari 5 tot 6 groen gevlekte en gespikkelde eieren. Zij neemt het broeden grotendeels voor haar rekening. Alleen als ze op voedsel uitgaat, neemt het mannetje haar taak over. Dc jongen komen na ongeveer 20 dagen uit. Ze blijven nog circa 40 dagen in het nest. Dan vliegen ze uit, maar ze blijven nog geruime tijd-vaak het hele jaar-bij de ouders. De raven voeden zich met allerlei dierlijke resten. Ook maken ze jacht op allerlei kleine gewervelde dieren en insecten. Eieren en jonge vogels staan eveneens op het menu, evenals vruchten en zaden. Raven die van jongs af door de mens zijn verzorgd, kunnen bijzonder tam worden. Wat dat betreft, doen ze niet onder voor de kauwen of torenkraaien-een familielid van de raven.

Bijzonder opvallend bij de raaf is voorts de bruiloftsvlucht, die in het voorjaar wordt uitgevoerd. Zij tonen zich dan ware luchtacrobaten.


Geluid van de kraai;  van de raaf

Dan heeft de roek weer veel weg van de kraai:


De ekster zien we ook veel. Deze is goed te onderscheiden van de bonte kraai.
Wanner je de roek met de kraai vergelijkt, kan een hulpje zijn dat ‘de roek heeft een broek’, aan de bovenkant van de poten, tegen de romp, duidelijk te zien.

Roek

Al in de zomer scharrelen op het bouwland grote groepen roeken rond om voedsel te zoeken. Ze eten zaden, insecten, wormen enz. en soms ook kadavers. In de winter trekken deze vogels naar het zuiden en wordt hun plaats ingenomen door exemplaren die in noordelijker gebieden broeden, ’s Winters zoeken zij de nabijheid van de mens op, zelfs tot in de steden, in parken en tuinen om voedselafval te vinden, ’s Middags vliegen ze dan in zwermen naar het bos om in hoge bomen te overnachten. In het vroege voorjaar keren de roeken in hun broedgebied terug. Ze nestelen in kolonies in hoge bomen en bouwen hun nest van droge takken, gras, mos, haar enz. In een grote boom vindt men soms verscheidene dozijnen nesten. Al vroeg in de morgen kan men hier het gekras van deze vogels horen. De broedkolonies liggen soms in parken en buitenplaatsen midden in de stad. Hier wordt echter niet voldoende voedsel gevonden en daarom vliegen de vogels soms ver buiten de stad om op weiden en bouwland voer voor de jongen te zoeken. Reeds eind maart of begin april legt het wijfje 3 tot 5 groenachtige, donkergevlekte eieren, die 17 dagen worden bebroed. Gedurende deze tijd wordt het wijfje door het mannetje gevoerd. De jongen blijven ongeveer 6 weken in het nest en worden door beide vogels gevoerd. In juni verlaten de roeken hun kolonie en verspreiden zich in de wijde omgeving.

Geluid roek;   geluid ekster

Ekster 

De ekster komt voor in allerlei landschappen waar bosjes of bomen zijn. Hij komt in heel Europa voor en is ook in de winter in de buurt van zijn broedgebied te vinden. Hij heeft een lange staart die vooral in de vlucht opvalt. Op sommige plaatsen is de ekster in de broedtijd zeer schuw maar elders bouwt hij zijn nest langs wegen en in de nabijheid van dorpen. Het nest bestaat uit droge takken, stukjes hout, gras, vezels, blad enz. De nestkom wordt gevoerd met haar en dergelijke. Men kan het gemakkelijk herkennen aan het overkoepelende dak van stekelige takken. Het nest ligt vaak tot 25 m boven de grond, maar wordt ook wel gevonden in een bosje op een hoogte van niet meer dan 1,5 m. Soms ligt het zelfs in het riet. Het wijfje legt in april 3 tot 10 groenige, gevlekte eieren, die het in 17 tot 18 dagen uitbroedt. De jongen verlaten het nest na 26 dagen en blijven de hele winter bij de ouders. In het voorjaar zonderen ze zich af en zoeken in de omgeving, meestal niet verder dan 10 km van het ouderlijk nest, een eigen nestelplaats. De ekster leeft van insecten, weekdieren, wormen, kleine gewervelde dieren, eieren, zaden en bessen. Een in gevangenschap grootgebrachte ekster wordt heel tam en volgt zijn baas als een hondje. Deze vogels hebben een bijzondere voorliefde voor glimmende voorwerpen, die ze plegen mee te nemen en te verstoppen.

En dan is er nog de kauw, die weer veel op de roek lijkt:

Kauw

De kauw of torenkraai komt in heel Europa voor, hij leeft in groepsverband en broedt in kolonies. Behalve tijdens het broeden zwerven ze en zoeken vaak het gezelschap van andere kraaiachtigen op. In maart worden de nestplaatsen betrokken in rotswanden, lanen met veel holle bomen, ruïnes, tot kerktorens en schoorstenen in de stad. Ze bouwen een nest van takjes, stro, mos, veertjes enz. in een holte. Eind april legt het wijfje 4 tot 6 blauwgroene, grijs gevlekte eieren, die het-voornamelijk alleen-in 17 tot 18 dagen uitbroedt. De jongen worden door beide oudervogels gevoerd. Ze blijven ongeveer een maand in het nest en trekken daarna rond met de oude vogels. Kauwen voeden zich met insecten, spinnen, wormen, een enkele maal met kleine gewervelde dieren en voorts met granen, bessen enz. Een door mensen grootgebrachte jonge kauw wordt zeer tam en wordt een onderhoudend ‘lid’ van het gezin. Hij volgt de mensen en zit graag op hun schouder.

Geluid kauw

.

Leesboek dierkunde: specht

*Dierkundealle artikelen 

Rudolf Steiner over dierkunde

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde

.

3375-3174

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen (GA 58)

.

Zie de inleiding bij GA 34 en  GA 57

Rudolf Steiner spreekt in de hieronder genoemde voordracht over ‘geestelijke ontwikkeling’.
In de inleiding bij GA 34 geef ik een triviaal voorbeeld van hoe de ene mens meer van een bepaald onderwerp weet dan een ander.
Nu gaat het bij ‘ingewijd zijn’ niet om een bepaald ‘weten’ dat je door studie je zou kunnen eigen maken.
Je gaat ‘anders’ en ‘iets anders’ waarnemen.

GA 58

Metamorphosen des Seelenlebens
Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel
Ervaringen van de ziel

Die Mission der Geisteswissenschaft einst und jetzt

De opdracht van de geesteswetenschap vroeger en nu

Voordracht 1, Berlijn, 14 oktober 1909

Blz. 31

Der Weg aber zu dieser Einweihung war anders in alten Zeiten; und er ist anders in unseren neueren Zeiten, weil die Mission der Geisteswissenschaft immer eine verschiedene ist. Die alte Initiation, welche diejenigen durchzumachen hatten, die zu den Menschen der Vorzeit zu sprechen hatten, führte diese Menschen auch hinauf zum unmittelbaren Erleben der geistigen Welt; sie konnten hineinschauen in Reiche um den Menschen herum, die höher sind als das, was die Sinne um uns herum schauen können. Aber diese Menschen schauten auf eine solche Art hinein, daß sie ihre Anschauung umwandelten, so daß das Geschaute dann von den Menschen in einem Symbolum, in einem Sinnbild verstanden werden konnte. Sinnbildlich konnten die alten Eingeweihten nur ausdrücken, was sie erschauten. Solche Sinnbilder erstreckten sich auf den ganzen Umfang dessen, was den Menschen interessiert an der Welt. Und solche Sinnbilder aus einer wirklichen Welterfahrung sind uns erhalten in den Mythen und Sagen, die aus den verschiedensten Zeiten von den verschiedensten Völkern vorhanden sind. Solche Mythen und Sagen sind nur für den grünen Tisch der Gelehrsamkeit – nicht für wahre Forschung – etwas, was aus der «Volksphantasie» entsprungen ist. Für denjenigen, der die Tatsachen kennt, sind Mythen und Sagen herausgeschöpft aus den Anschauungen der Geistesforscher, und in einer jeglichen wirklichen Mythe und Sage haben wir zu sehen ein

Maar het pad naar deze inwijding was in de oudheid anders; en in onze moderne tijd is het anders omdat de missie van de geesteswetenschap altijd anders is. De oude initiatie, die degenen die met de mensen uit de oudheid moesten spreken, moesten doorlopen, leidde deze mensen ook naar de directe ervaring van de spirituele wereld; ze waren in staat om in gebieden rondom de mensen waar te nemen die hoger zijn dan wat de zintuigen om ons heen kunnen zien. Maar deze mensen namen zo waar, dat ze wat ze waarnemen, omzetten zo, dat dit vervolgens door mensen kon worden begrepen in een symbool, in een zinnenbeeld. De oude ingewijden konden alleen symbolisch uitdrukken wat ze zagen. Dergelijke symbolen strekten zich uit tot de hele reikwijdte van wat mensen in de wereld interesseert. En zulke symbolen uit een echte wereldervaring zijn voor ons bewaard gebleven in de mythen en sagen die bestaan ​​uit de meest uiteenlopende tijden en van de meest uiteenlopende volkeren.
Wat de wetenschap betreft, zijn deze mythen en sagen alleen bedoeld voor op het bureau– iets dat is voortgekomen uit de  fantasie van het volk – niet voor echt onderzoek.
Voor degenen die de feiten kennen: mythen en sagen zijn ontleend aan de waarnemingen van spirituele onderzoekers, en in elke echte mythe en sage moeten we een 

Blz. 32

äußeres Bild für etwas, was der Geistesforscher in seiner geistigen Anschauung erlebt hat; oder mit einem Wort Goethes: Was er mit Geistesaugen gesehen, mit Geistesohren gehört hat. Dann erst werden uns Sagen und Mythen begreiflich, wenn wir sie auffassen als Sinnbilder für eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Welt.
Es sind das zunächst diejenigen Sinnbilder, durch die man zu dem weitesten Umkreis des Volkes sprach. Denn was sich heute der Mensch einbildet, daß die Menschenseele immer so gewesen wäre, wie sie gerade in diesem Jahrhundert ist, das ist nicht der Fall. Die Menschenseele hat sich geändert; ihre ganze Empfänglichkeit war früher eine andere. Die Menschenseele war befriedigt, wenn sie dieses Bild, das im Mythos gegeben war, empfing; denn dadurch wurde die Seele angeregt, dasjenige, was sie außen sah, in einer viel unmittelbareren Anschauung vor sich zu haben

uiterlijk beeld zien voor iets dat de spirituele onderzoeker bij zijn eigen waarneming ervaren heeft; of met een woord van Goethe: ‘Wat hij met geestelijke ogen heeft gezien en met geestelijke oren gehoord’. Alleen dan zullen we mythen en sagen gaan begrijpen; als we ze opvatten als symbolen voor een echte kennis van de spirituele wereld.
Allereerst zijn dit de symbolen waarmee men de breedste kring van de mensen aansprak. 
Wat mensen zich vandaag de dag voorstellen, dat de menselijke ziel altijd zo geweest is zoals die deze eeuw is, is niet het geval. De menselijke ziel
is veranderd; al haar ontvankelijkheid was vroeger anders. De menselijke ziel was tevreden als ze dit beeld dat in de mythe werd gegeven, ontving; dit stimuleerde de ziel om wat ze buiten zag, dat wat zij was, in een veel directere waarneming voor zich te hebben. 

Heute ist die Mythe eine Phantasie.
Wenn aber früher der Mythos sich in die Menschenseele hineinsenkte, stand vor der Menschenseele das, was die Geheimnisse der menschlichen Natur sind. Und wenn die Seele auf die Wolken, auf die Sonne und so weiter sah, so geschah das in der Weise, daß sich für sie notwendig ein Verständnis dessen ergab, was sie vor Augen hatte, wenn sie den Mythos hatte. Für eine kleinere Anzahl wurde dann das, was man höheres Wissen nennen könnte, in den Symbolen gegeben. Während man heute geradeaus redet und reden muß, konnte man dasjenige,
was die Seele des alten Weisen oder Eingeweihten erlebte, nicht ausdrücken in unseren Seelenkräften; denn die hatte weder der Eingeweihte, noch hatte sie sein Zuhörer. Diese Kräfte wurden erst entwickelt. Man konnte sich nur ausdrücken, wenn man sich der Sinnbilder bediente. Diese Sinnbilder sind in einer Literatur erhal-

Tegenwoordig is de mythe een fantasie.*
Maar als de mythe destijds tot in de menselijke ziel doordrong, stonden de geheimen van de menselijke natuur voor de menselijke ziel. En als de
ziel naar de wolken keek, naar de zon enzovoort opzag, gebeurde dat op zo’n manier dat er voor haar noodzakelijkerwijs een begrip ontstond van wat ze voor haar ogen had, als ze de mythe had.
Voor een kleiner aantal werd dan dat wat hogere kennis genoemd zou kunnen worden, in de symbolen gegeven.
Terwijl men vandaag de dag spreekt en moet spreken, kon men datgene wat de ziel van de oude wijze of ingewijde beleefde, niet uitdrukken met onze zielenkrachten, omdat noch de ingewijde, noch zijn luisteraar die hadden. Deze krachten waren nog maar net in ontwikkeling. Men kon zich alleen uitdrukken als men de symbolen gebruikte. Deze symbolen worden bewaard in een lectuur

Blz. 33

ten, welche dem Menschen heute höchst merkwürdig vorkommt. Heute wird der Mensch Gelegenheit haben, insbesondere wenn neben dem Erkenntnisdrang auch die Neugierde erweckt ist für solche Sachen, da oder dort manches alte Buch – ich hätte bald gesagt: manchen alten Schmöker – vor Augen zu bekommen, wo sich wunderbare Bilder befinden, welche symbolisch zum Beispiel den Zusammenhang der Planeten ausdrücken; wo irgendwelche geometrische Figuren sind, Dreiecke, Vierecke und so weiter. Wer mit den heute entwickelten Erkenntniskräften an diese Bilder herantritt, der wird, wenn er nicht gerade seine Seele in dieser Richtung entwickelt hat, daß er Geschmack daran findet, aus unserer heutigen Bildung heraus sagen: Was kann man
mit all diesem Zeug anfangen? Was kann man anfangen mit dem, was uns da als sogenannter «salomonischer Schlüssel» als symbolische Figur überliefert ist, mit diesen Dreiecken, Vierecken und so weiter?

die voor de mensen van vandaag uiterst vreemd overkomt. Tegenwoordig krijgt de mens de gelegenheid, vooral als er naast het verlangen naar kennis ook nieuwsgierigheid gewekt is voor deze dingen, hier of daar menig oud boek – ik zou al snel gezegd hebben: menig oud boek dat niet om aan te zien is, in te kijken om te zien waar prachtige afbeeldingen staan, die bijvoorbeeld symbolisch de samenhang van de planeten uitdrukken; waar geometrische figuren in staan, driehoeken, vierkanten enzovoort. Wie met de kennis die tegenwoordig ontwikkeld is, zich met deze afbeeldingen bezighoudt, zal, als hij zijn ziel niet net in die richting heeft ontwikkeld dat hij die wel kan waarderen, vanuit onze opleiding van vandaag zeggen: Wat moet je ermee? Wat kun je ermee? Wat moet je met de zogenaamde ‘Salomonische sleutel’ die ons overgeleverd is als een symbolisch figuur, met deze driehoeken, vierkanten enzovoort?

Gewiß, auch der Geistesforscher wird Ihnen sagen:für den heutigen Menschen ist vom Standpunkte der heutigen Bildung aus zunächst nichts damit anzufangen.
Dazumal aber, als diese Bilder den Schülern überliefert worden sind, da wurde dadurch wirklich in den Seelen etwas erweckt. Heute ist die Menschenseele anders. In der Zeit, wo die Menschenseele sich entwickeln muß, um auf die Fragen der Natur und des Lebens in der heutigen Weise zu antworten, da kann der Seele nicht aufgehen der innere Trieb, derartiges so anzuschauen, wie man es zum Beispiel tat bei den zwei ineinander verschlungenen Dreiecken, das eine mit der Spitze nach oben, das andere mit der Spitze nach unten. Wenn dieses
Bild früher einem Menschen vor die Augen trat, da regte und rührte sich beim Anschauen etwas in seiner Seele;

Zeker, de spirituele onderzoeker zal je ook vertellen: voor de mensen van vandaag vanuit het oogpunt van hun huidige opleiding, is er in eerste instantie niets mee te beginnen.
Maar in het verleden, toen deze beelden aan de leerlingen werden gegeven,  werd daardoor werkelijk in de zielen iets opgeroepen.
Tegenwoordig is de menselijke ziel anders. In de tijd waarin de menselijke ziel zich moest ontwikkelen om de vragen van de natuur en het leven in de wereld te beantwoorden, kan in de ziel niet de innerlijke drang ontstaan zo naar zulke dingen te kijken zoals dat bijvoorbeeld werd gedaan met de twee in elkaar

verweven driehoeken, de ene met de punt naar boven, de andere met de punt naar beneden. Als dit beeld vroeger voor de ogen van een persoon verscheen, dan kwam er bij die waarneming in zijn ziel iets in beweging;

Blz. 34

da sah die Seele in etwas hinein.
So wie heute das Auge durch das Mikroskop etwas sieht, wie zum Beispiel die
Pflanzenzellen, was es ohne das Mikroskop nicht sehen kann, so dienten als Werkzeuge für die Seele diese symbolischen Figuren. Da sah man, wenn man den sogenannten salomonischen Schlüssel in der Seele als Vorstellung hatte, in die geistige Welt hinein, wie man eben mit der bloßen Seele nicht in die geistige Welt hineinsieht. So ist aber die Seele heute nicht mehr. Daher kann auch, was in solchen alten Schriften aus den Geheimnissen der geistigen Welt überliefert worden ist, nicht mehr in demselben Maße «Wissenschaft» sein; und diejenigen, welche es heute als Wissenschaft ausgeben oder noch im 19. Jahrhundert als Wissenschaft ausgegeben haben, die tun etwas, was nicht mehr sachgemäß ist.

de ziel zag daar iets in.
Net als tegenwoordig het oog iets ziet door de microscoop, zoals bv. plantencellen, die je niet kan zien zonder de microscoop, zo dienden als gereedschap voor de ziel deze symbolische figuren. Toen keek men, als men de
zogenaamde Salomonische sleutel als voorstelling in de ziel had, in de geestelijke wereld, zoals je nu eenmaal niet in de geestelijke wereld schouwt met alleen maar je ziel. Maar de ziel is vandaag de dag niet meer zo. Daarom kan, wat in zulke oude geschriften is overgeleverd vanuit de geheimen van de spirituele wereld, niet langer in dezelfde mate ‘wetenschap’ zijn; en degenen die het vandaag de dag als wetenschap doorgeven of het in de 19e eeuw als wetenschap hebben uitgegeven, doen iets dat niet langer adequaat is.
GA 58/32-34
Niet vertaald
.

Rudolf Steiner over mythen en sagen: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3374-3173

.

.

.

.