VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 295)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden  <1>
Iets over achtergrondliteratuur uit die tijd  <2>  en  <4>   <9> voor ons niet meer interessant
Over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen <7>, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; <3>
De tijd: lang geleden <5>  en  <7>
Over steden <6>
Met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen <8>
Iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie <10>
Vakken met elkaar verbinden <11>
Volksverhuizing <12>
Karel de Grote <13>
Germanen en christendom <14>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 295  

.

Werkbespreking 7, Stuttgart 28 augustus 1919

In deze werkbespreking behandelt Steiner o.a. ‘cultuurgeschiedenis’. Het is interessant dat hij het over ‘meningen’ heeft. Standpunten.
Al vele jaren is er in de didactiek van de geschiedenis de tendens om geschiedkundige gebeurtenissen niet alleen te bespreken vanuit het gezichtspunt van – in geval van oorlog bv. – de overwinnaar, maar ook ‘in de huid te kruipen’ van de overwonnenen.
De geschiedenis bekeken vanuit ‘Europa’ werd als te eenzijdig gezien. Dit ‘eurocentrisme’ moet niet de leidraad zijn bij geschiedenisbeschouwing.

Steiner:

Blz. 74  vert. 69

So möchte ich mit Ihnen besprechen, was mit der Kulturentwickelung Europas, so vom 11. bis 17. Jahrhundert, zusammenhängt. Sie werden nicht aus den Augen verlieren dürfen, daß das Durchnehmen geschichtlicher Dinge mit Kindern, und auch schließlich mehr oder weniger mit Erwachsenen, immer ein subjektives Element in sich haben muß. Man hat leicht sagen, man soll bei Geschichtsdarstellungen nicht Meinungen und subjektive Ideen in die Geschichte hineintragen. Verlangen kann man es, aber erfüllt werden kann es nicht. Denn nehmen Sie irgendeine Partie der Geschichte auf irgendeinem Gebiete; Sie werden mindestens die Tatsachen gruppieren müssen, entweder
selbst, oder wenn die Tatsachen weiter zurückliegen, so sind sie schon
gruppiert, dann haben andere sie gruppiert.

<1>Zo zou ik allerlei dingen met u willen bespreken die verband houden met de culturele ontwikkeling van Europa, ongeveer van de elfde tot de zeventiende eeuw. U moet goed voor ogen houden dat de behandeling van historische dingen voor kinderen, en voor volwassenen uiteindelijk in meerdere of mindere mate ook, altijd een subjectief element in zich moet hebben. Het is wel heel gemakkelijk om te zeggen dat men bij historische beschrijvingen geen meningen en subjectieve ideeën in de geschiedenis mag leggen. Eisen kan men het wel, maar vervuld kan het niet worden. Want neemt u maar een of ander gedeelte van de geschiedenis, op wat voor gebied dan ook; u zult op zijn minst de feiten moeten ordenen. Of u doet het zelf, of de feiten liggen verder terug en zijn al geordend, dan hebben anderen dat gedaan. <1>

<2> Nu volgen er voorbeelden van schrijvers die destijds zeker achtergronden vormden voor de leerkrachten van toen, in Duitsland.
Welke boeken gebruikten de leerkrachten van de eerste vrijescholen in Nederland? Daar heb ik geen zicht op. 
En welke gebruikte ik zelf in 1975, 1976 toen ik voor het eerst geschiedenis gaf in klas 5 en 6. Om gedegen monografieën te lezen, van bv. Le Goff e.a. ontbrak simpelweg de tijd. Waar ik uit putte, staat voor een groot gedeelte bij de artikelen over geschiedenis klas 5 en 6.
Als voorbeeld hoe dat in Steiners tijd toeging, geef ik wel zijn woorden uit deze werkbespreking weer:

Nehmen Sie an, Sie schildern den Geist der alten Germanen, so werden Sie die «Germania» des Tacitus heranziehen. Aber der Tacitus war gar sehr ein subjektiver Geist; er hat das, was er herangebracht hat, schon gar sehr gruppiert. Sie dürfen nicht hoffen, daß Sie anders zurechtkommen, als eine subjektive Gruppierung von Tatsachen entweder selbst aufzustellen oder von anderen zu übernehmen.
Sie brauchen sich ja das nur an Beispielen klarzulegen. Sehen Sie einige Literaturbeispiele an:
Treitschke hat eine mehrbändige «Deutsche Geschichte des 19. Jahrhunderts» geschrieben. Sie hat das Entzücken Herman Grimms, der doch auch ein fähiger Beobachter war, hervorgerufen; sie hat das Entsetzen hervorgerufen vieler Angehöriger der Entente. Aber wenn Sie Treitschke durchlesen, so werden Sie gleich das Gefühl haben, daß gerade seine Vorzüge auf seiner stark subjektiven Färbung in der Grup-

Neemt u eens aan, u schetst de cultuur van de oude Germanen, dan zult u de Germania van Tacitus raadplegen.* Maar Tacitus was een uiterst subjectieve geest. Hij heeft zijn materiaal op een wel heel eigen wijze geordend. U mag niet hopen dat er een andere mogelijkheid is dan een subjectieve ordening – hetzij van uzelf, hetzij overgenomen van anderen. Dat wordt aan de hand van een paar voorbeelden onmiddellijk duidelijk. Kijkt u eens naar een paar voorbeelden uit de literatuur.

*Publius Cornelius Tacitus, ca. 55-120, Romeins geschiedschrijver. Schreef o.a. Germania.

 Treitschke heeft een ‘Duitse geschiedenis van de negentiende eeuw’ geschreven.*

*Heinrich von Treitschke, 1834-1896, schreef een Deutsche Geschichle im 19. Jahrhundert in 5 delen. 

 Hermann Grimm, die zelf toch ook een getalenteerd waarnemer was, was er zeer over te spreken, maar vele leden van de Entente waren ontzet. Als u Treitschke echter doorleest, zult u onmiddellijk het gevoel hebben dat juist zijn sterke kanten liggen in een heel subjectieve hand in de ordening van de feiten.

Blz. 75  vert. 70

pierung der Tatsachen beruhen. Es kommt ja in der Geschichte darauf an, daß man ein Urteil hat über die in der Geschichte treibenden Kräfte und Mächte. Nun handelt es sich darum, daß bei dem einen das Urteil reifer, beim anderen weniger reif ist, und der also gar nichts urteilen sollte, weil er gar nichts versteht von den treibenden Kräften. Der andere wird gerade, wenn er gute subjektive Urteile hat, den geschichtlichen Fortgang sehr gut schildern.
Herman Grimm hat Friedrich den Großen geschildert, Macaulay hat auch Friedrich den Großen geschildert. Aber man bekommt ein vollständig verändertes Bild von Friedrich dem Großen durch Macaulay. Herman Grimm hat seinen Artikel sogar als eine Art Rezension des Macaulayschen Artikels verfaßt und hat von seinem Gesichtspunkte aus gesagt: Der Friedrich der Große des Macaulay «ist ein verzwicktes englisches Lordsgesicht mit Schnupftabak an der Nase.»
Der Unterschied ist nur der, daß Herman Grimm ein Deutscher des 19. Jahrhunderts ist, und Macaulay ein Engländer des 19. Jahrhunderts. Und derjenige, der als Dritter beides beurteilt, würde eigentlich sehr engherzig sein, wenn er das eine richtig, das andere falsch findet.

In de geschiedenis gaat het erom dat men een oordeel heeft over de drijvende krachten en machten in de geschiedenis. En nu is het zo dat het oordeel bij de een rijper is en bij de ander minder rijp – die dan ook geen oordeel zou moeten vellen, omdat hij volstrekt niets begrijpt van de drijvende krachten. De eerste zal juist wanneer hij goede subjectieve oordelen heeft de loop van de geschiedenis heel goed beschrijven.
Hermann Grimm heeft een beeld gegeven van Frederik de Grote, en ook Macaulay heeft dat gedaan.*

*Hermann Grimm, 1828-1901: ‘Friedrich der Grosse und Macaulay’ in Fünfzehn Essays. Erste Folge, 3e druk Berlijn 1884.
Lord Thomas Babington Macaulay, 1800-1859.

Maar door Macaulay krijgt men een volstrekt ander beeld van Frederik de Grote. Hermann Grimm heeft zijn artikel zelfs als een soort recensie over het artikel van Macaulay geschreven. Vanuit zijn gezichtspunt zei hij: de Frederik de Grote van Macaulay ‘is een gecompliceerde Engelse lord met snuiftabak aan zijn neus.’ Maar het enige verschil is dat Hermann Grimm een Duitser van de negentiende eeuw is en Macaulay een Engelsman van de negentiende eeuw. En degene die als derde beiden beoordeelt, zou eigenlijk heel bekrompen zijn wanneer hij het ene beeld als juist en het andere als fout zou beoordelen. 

So konnte man noch viel drastischere Beispiele auswählen. Viele von Ihnen kennen die Schilderung Martin Luthers aus den gewöhnlichen Geschichtsbüchern. Machen Sie nur einmal das Experiment und lesen Sie dasselbe in katholischen Geschichtsbüchern durch, da werden Sie einen Martin Luther kennenlernen, den Sie bisher noch nicht gekannt haben! Wenn Sie es durchgelesen haben, da werden Sie in Verlegenheit sein, zu sagen, daß der Unterschied ein anderer ist, als der, der sich aus verschiedenen Gesichtspunkten ergibt. Nun werden solche Gesichtspunkte, wie sie aus dem Nationalen oder aus dem Konfessionellen stammen, eben gerade von der Lehrerschaft der Zukunft überwunden werden müssen. Deshalb muß man so sehr anstreben, die Lehrerschaft weitherzig zu bekommen, die Lehrerschaft auf den Standpunkt zu stellen, eine weitherzige Weltanschauung zu haben. Von diesem Gesichtspunkte aus wird sich auch ein freier Ausblick bieten über die geschichtlichen Tatsachen, und man wird sie so gruppieren, daß man dem Schüler die Geheimnisse des Menschheitswerdens überträgt.

Zo zou men nog veel sprekender voorbeelden kunnen uitkiezen. Velen van u kennen het beeld van Maarten Luther uit de gewone geschiedenisboeken. Maar neemt u eens de proef op de som en leest u hetzelfde in katholieke geschiedenisboeken, dan zult u een Maarten Luther leren kennen zoals u hem tot nu toe niet kende! Als u dat gelezen hebt, dan zult u wel moeten zeggen dat het verschil niets anders is dan het resultaat van verschillende gezichtspunten. Maar zulke gezichtspunten die ontstaan vanuit een nationale of confessionele benadering, zullen nu juist door de leraren van de toekomst overwonnen moeten worden.

Wat veel later m.n. in Europa een gedachte werd voor het geschiedenisonderwijs, spreekt Steiner hier in 1919 al uit. En als we met ‘de leraren van de toekomst’ alle leerkrachten ter wereld bedoelen, zijn er nog veel gebieden (totalitaire staten bv.) waar deze gedachte niet welkom is, laat staan praktijk!

Daarom moet men werkelijk proberen te bereiken dat de leraren ruimdenkende mensen zijn, dat de leraren een standpunt vinden dat tot een ruimdenkende wereldbeschouwing leidt. Van dit gezichtspunt uit is het ook mogelijk een vrije blik te werpen op de historische feiten en we zullen deze zo ordenen dat we aan de leerlingen de geheimen van de ontwikkeling van de mensheid overbrengen. <2>

Blz. 76  vert. 71

Wenn Sie nun etwas über die Kultur vom 11. bis 17. Jahrhundert an Ihre Schüler übertragen sollten, so würden Sie da in erster Linie schildern, was zu den Kreuzzügen geführt hat. Sie würden schildern den Verlauf des ersten, zweiten, dritten Kreuzzuges. Wie die Kreuzzüge allmählich versumpft sind und nicht dasjenige erreicht haben, was durch sie hätte erreicht werden sollen. Sie würden schildern den Geist der Askese, der dazumal durch einen großen Teil von Europa ging; wie überall aus der Verweltlichung der Kirche, oder doch im Zusammenhang mit dieser Kirchenverweltlichung, Naturen hervorgingen wie
Bernhard von Clairvaux, die voll inniger Frömmigkeit waren, von einer solchen Frömmigkeit, daß sie den Eindruck von Wunderwirkern auf ihre Umgebung machten. Sie würden versuchen, aus einem Handbuch solche Gestalten biographisch kennenzulernen und sie lebendig vor Ihre Schüler hinzustellen, und würden versuchen, solchen lebendigen Geist aufwirbeln zu lassen, aus dem sich die für die damalige Zeit mächtigen Züge nach dem Orient entwickelt haben. Sie würden zu schildern haben, wie damals die Züge zustande gekommen sind durch Peter von Amiens und Walter von Habenichts; dann der Zug von Gottfried von Bouillon und einigen anderen.

<3>Moet u de leerlingen nu iets vertellen over de cultuur van de elfde tot de zeventiende eeuw, dan zou u in eerste instantie beschrijven hoe de kruistochten tot stand zijn gekomen. U zou het verloop schetsen van de eerste, de tweede en de derde kruistocht. Hoe de kruistochten geleidelijk aan in het slop raakten en niet datgene bereikten wat erdoor bereikt moest worden. U zou de geest van ascese schetsen die toentertijd door een groot gedeelte van Europa voer; hoe overal vanuit de verwereldlijking van de kerk of althans in verband met deze verwereldlijking figuren als Bernard van Clairvaux opstonden, die een innig geloof hadden. Ze hadden zo’n krachtig geloof dat ze op hun omgeving de indruk maakten wonderen te kunnen verrichten. U zou proberen om via een handboek de biografieën van zulke figuren te leren kennen en ze zo levendig te beschrijven dat de leerlingen ze helemaal voor zich zouden zien. U zou proberen net zo’n levendige geest te laten opbruisen als die waaruit de voor die tijd machtige tochten naar het Oosten zijn voortgesproten. U zou moeten beschrijven hoe toentertijd de tochten door Peter van Amiens en Walter von Habenichts tot stand zijn gekomen, en verder de tocht van Godfried van Bouillon en enkele anderen. 

Sie werden dann schildern, wie diese Züge sich nach dem Orient inBewegung gesetzt haben und wie ungeheure Mengen von Menschen umgekommen sind, oftmals ehe sie den Orient erreicht haben. Sie werden durchaus dreizehn- bis vierzehnjährigen Jungen und Mädchen schildern können, wie diese Züge sich zusammensetzten, wie sie sich in Bewegung setzten und sich ungeordnet nach dem Orient zu bewegten, und wie durch die Ungunst der Verhältnisse, aber auch im Durchdrängen durch fremde Völker viele Menschen zugrunde gingen.
Sie werden dann auch zu schildern haben, wie diejenigen, die im Orient ankommen, erst ein Weniges erreichen. Sie werden die Erfolge des Gottfried von Bouillon schildern, werden dann aber zeigen, wie sich ein Gegensatz ergibt zwischen den Kreuzfahrern der folgenden Kreuzzüge und der griechischen Politik. Wie die griechischen Völker eifersüchtig werden auf die Taten der Kreuzfahrer und den Gegensatz fühlen zwischen dem, was diese wollten, und dem, was die Griechen vorhatten mit dem Orient; wie die Griechen im Grunde genommen

Dan zult u schetsen dat men naar het Oosten trok en dat er ontzettende massa’s mensen omkwamen, vaak nog voor ze het Oosten bereikten. U zult voor jongens en meisjes van dertien, veertien jaar heel goed kunnen beschrijven wie er deel uitmaakten van die kruistochten, hoe ze in beweging kwamen en ongeordend richting Oosten trokken, en hoe er velen zijn omgekomen door ongunstige omstandigheden, maar ook doordat men zich door vreemde volkeren een weg moest banen.
Dan moet u beschrijven dat degenen die in het Oosten aankomen eerst maar weinig bereiken. U zult de successen van Godfried van Bouillon beschrijven, maar dan zult u ook vertellen dat er een tegenstelling ontstaat tussen de kruisvaarders van de volgende kruistochten en de Griekse politiek. Dat de Griekse volkeren jaloers worden op de daden van de kruisvaarders en de tegenstelling voelen tussen wat deze willen en wat de Grieken zelf van plan zijn met het Oosten; dat de Grieken in feite de oriëntaalse belangen net zozeer

Blz. 77   vert. 72

ebenso die orientalischen Interessen einbeziehen wollten in ihre Interessensphäre wie die Kreuzfahrer in die ihrige. Ich würde Sie bitten»
recht anschaulich zu schildern, wie der Gegensatz der Griechen aufgerufen wird gegen das Wollen der Kreuzfahrer.
Dann würde ich meinen, daß Sie schildern sollten, wie im Orient die kämpfenden Kreuzfahrer, statt die orientalischen Völker in Westasien zu bekämpfen, sich untereinander bekämpfen; wie die europäischen Völker selber sich aufeinanderhetzen, wie namentlich die Franken und ihre Nachbarvölker durch die Ansprüche, die sie erheben an das, was erobert worden war, wiederum hintereinanderkommen und sich untereinander bekämpfen. Die Kreuzzüge sind aus feurigem Enthusiasmus zustande gekommen, aber der Geist der Zwietracht ergriff die Teilnehmer der Kreuzzüge, und dann kam auch noch der Gegensatz zwischen Griechen und Kreuzfahrern herauf.

in hun belangensfeer willen inlijven als de kruisvaarders. Ik zou u willen vragen er een heel aanschouwelijk beeld van te geven hoe deze tegenstelling is ontstaan tussen de Grieken en het streven van de kruisvaarders.
Dan, zou ik denken, schetst u hoe de strijdende kruisvaarders, in plaats van de oosterse volkeren in Klein-Azië te bestrijden, elkaar onderling bestrijden; dat de Europese volkeren elkaar ophitsen en met name de Franken en de naburige volkeren hun recht doen gelden op de gebieden die veroverd zijn en dat zij elkaar daarom weer in de haren vliegen en onderling bestrijden. De kruistochten zijn ontstaan uit een vurig enthousiasme, maar de geest van de tweedracht maakte zich van de kruisvaarders meester. Daarbij kwam dan de tegenstelling tussen de Grieken en de kruisvaarders. 

Zu alldem kam dazu der Gegensatz, der sich immer mehr und mehr geltend machte, zwischen der Kirche und den weltlichen Mächten, gerade im Zeitalter der Kreuzzüge. Und es ist vielleicht nicht unnötig, schon den Kindern etwas zum Bewußtsein zu bringen, was wahr ist, was aber durch die tendenziöse Geschichtsschreibung in allen wesentlichen Punkten verhüllt worden ist. Gottfried von Bouillon, der Führer des ersten Kreuzzuges, hatte eigentlich die Absicht, Jerusalem aus dem Grunde zu erobern, um ein Gegengewicht gegen Rom aufzurichten. Das sagten er und seine Begleiter den anderen nicht öffentlich; aber im Herzen trugen sie den Kampfruf: «Jerusalem gegen Rom!» Sie sagten sich: Bringen wir Jerusalem in die Höhe, damit es werden könne
der Mittelpunkt des Christentums, damit nicht mehr Rom das sei. –
Sie werden den Kindern diese Grundstimmung der ersten führenden
Kreuzfahrer in taktvoller Weise übertragen, das wird wichtig sein.
Große Aufgaben waren es, die die Kreuzfahrer sich gestellt hatten, und auch diejenigen Aufgaben waren große, die sich nach und nach aus den Verhältnissen selber herausstellten für die Kreuzfahrer. Und die Menschen waren nach und nach zu klein, um diese Aufgaben ohne Schaden auf sich geladen zu sehen. Dadurch kam es, daß unter den Kreuzfahrern während der heftigsten Kämpfe allmählich Sittenlosigkeit und Unmoralität ausbrach.

Bovendien kwam daar juist in de tijd van de kruistochten ook nog de tegenstelling bij tussen de kerk en de wereldlijke machten, die steeds nadrukkelijker werd. En het is misschien niet nutteloos om de kinderen al iets te vertellen van iets wat waar is maar door een tendentieuze geschiedschrijving op alle essentiële punten verborgen is gehouden. Godfried van Bouillon, de aanvoerder van de eerste kruistocht, had eigenlijk de bedoeling Jeruzalem te veroveren om een tegenwicht te vormen tegen Rome. Dat zeiden hij en zijn metgezellen niet openlijk, maar in hun hart droegen ze de strijdkreet Jeruzalem tegen Rome!’ Ze zeiden bij zichzelf: laten we Jeruzalem sterk maken, opdat het het middelpunt kan worden van het christendom en Rome dat niet meer is. U zult de kinderen deze grondstemming van de eerste belangrijke kruisvaarders op tactvolle wijze overbrengen, dat zal belangrijk zijn. Het waren grote opdrachten die de kruisvaarders zich gesteld hadden, en ook de taken die geleidelijk aan uit de omstandigheden voor de kruisvaarders ontstonden waren groot. En langzamerhand bleken de mensen te klein om die taken zonder schade op hun schouders te nemen. Daardoor kwam het dat onder de kruisvaarders tijdens de hevigste gevechten langzamerhand zedeloosheid en immoraliteit ontstond. 

Blz. 78  vert. 73

Nehmen Sie irgendein Handbuch, damit Sie die Tatsachen wie illustrierend in diesen allgemeinen Gang der Ereignisse hineinstellen können. Sie werden bemerken, daß ich heute, indem ich gruppiere, wahrhaft nicht tendenziös schildere. Und auch weiterhin werde ich versuchen, rein kulturhistorisch zu schildern, was sich vom 11. bis 17. Jahrhundert in Europa zutrug.
Nehmen wir einmal an – was ja eine Hypothese ist, aber manchmal kann man sich gerade durch Hypothesen den Gang der Geschichte klarmachen -, die Franken hätten Syrien erobert und hätten in Syrien eine fränkische Herrschaft aufgerichtet, hätten sich mit den Griechen verständigt, hätten den Griechen Raum gelassen und ihnen mehr die Herrschaft im vorderen Teil von Kleinasien überlassen. Dann hätten sich alte Traditionen der Griechen erfüllt und Nordafrika wäre griechisch geworden. Ein Gegengewicht wäre geschaffen gewesen gegen dasjenige, was nachher geschah. Es hätten die Griechen eine Herrschaft ausgeübt über Nordafrika, die Franken über Syrien. So wären sie nicht alle untereinander in Streit gekommen und dadurch verlustig gegangen dieser Herrschaft.

Dan neemt u een handboek, onverschillig welk, om de feiten als het ware ter illustratie in te voegen in deze globale loop van de gebeurtenissen. U zult merken dat ik vandaag werkelijk niet tendentieus ben in mijn ordening en beschrijving van de feiten. En ook verder zal ik zuiver cultuurhistorisch proberen te schetsen wat er in Europa van de elfde tot de zeventiende eeuw gebeurde.
Laten we er eens van uitgaan — het is een hypothese, maar soms kan men juist door hypothesen de loop van de geschiedenis gaan begrijpen – dat de Franken Syrië veroverd hadden en onder Frankische heerschappij hadden gebracht; dat ze met de Grieken tot een overeenkomst waren gekomen en aan hen meer de heerschappij over het voorste deel van Klein-Azië hadden overgelaten. Dan zouden oude tradities van de Grieken in vervulling zijn gegaan en was Noord-Afrika Grieks geworden. Er zou een tegenwicht zijn gecreëerd tegen de latere gebeurtenissen. De Grieken zouden de heerschappij hebben gehad in Noord-Afrika en de Franken in Syrië. Dan waren ze niet allemaal met elkaar slaags geraakt en hadden ze die heerschappij niet verloren.

Dann wäre verhindert worden, daß gerade vorgebrochen wären die schlimmsten asiatischen Völker, die Mongolen, die Mamelucken und die türkischen Osmanen. Durch das Unmoralischsein und dadurch, daß zuletzt die Kreuzfahrer ihren Aufgaben nicht gewachsen waren, kam es, daß sich die Mongolen, Mamelucken und Osmanen gerade auf den Gebieten ausgebreitet haben, welche die Kreuzfahrer versuchten zu europäisieren. Und so sehen wir, wie auf den großen, weite Volksgebiete umfassenden Enthusiasmus, der zu den Kreuzzügen geführt hat, der Gegenstoß von der anderen Seite kommt:
der muselmanisch-mongolische Vorstoß, der Militärdespotien errichtet und der durch lange Zeit der Schrecken Europas und der dunkle Schatten der Kreuzzugszeit bleibt.
Sehen Sie, während Sie solche Dinge schildern, indem Sie sich aus den Handbüchern die Bilder verschaffen, die Sie dazu brauchen, erwecken Sie in den Kindern selber Bilder über die Kulturentwickelung, die bleibend sind. Und daß die Kinder Bilder bekommen, das ist das Wichtige. Die Bilder werden sie bekommen zunächst durch anschauliche Schilderung. Können Sie dann dahin kommen, irgendwie beträcht-

Dan zou verhinderd zijn dat juist de meest geduchte Aziatische volkeren, de Mongolen, de Mamelukken en de Turkse Osmanen, waren opgerukt. Door de immoraliteit van de kruisvaarders en doordat ze tenslotte niet meer tegen hun taken waren opgewassen, kwam het dat de Mongolen, de Mamelukken en de Osmanen zich juist over die gebieden verspreidden die de kruisvaarders Europees hadden willen maken. En zo zien we hoe na het grote, volkeren omvattende enthousiasme dat tot de kruistochten leidde, de tegenaanval van de andere kant komt: de opmars van de muzelmannen en Mongolen, die militaire dictaturen doen ontstaan en die lange tijd de schrik van Europa en de donkere schaduwkant van de kruistochten blijven.
Ziet u, als u de beelden die u nodig heeft uit handboeken haalt en zulke dingen aan de leerlingen vertelt, dan wekt u in hen beelden over de culturele ontwikkeling die blijvend zijn. En dat de kinderen beelden krijgen, dat is zo belangrijk. Beelden zullen ze in eerste instantie krijgen door aanschouwelijke beschrijvingen. Kunt u er verder toe komen om

Blz. 79 vert. 74

liche malerische Darstellungen aus dieser Zeit auch als Kunstwerke darzubieten, so werden Sie das gesprochene Wort gern durch so etwas unterstützen.
Nun haben Sie den Kindern klargemacht zunächst dasjenige, was in den Kreuzzügen geschehen war. Und Sie haben die Kinder dazu gebracht, innerlich Bilder davon aufzunehmen. Jetzt wird es gut sein, daß Sie zu dem Schattenbild des mongolisch-mohammedanischen Schreckens hinzufügen das Gegenbild, das Gute, das sich entwickelt hat.
Schildern Sie anschaulich, wie die Pilger, die nach dem Orient gezogen sind, noch ganz anderes, viel Neues kennengelernt haben. In Europa war die Landwirtschaft damals noch sehr weit zurück. Im Orient konnte man eine sehr viel bessere Bewirtschaftung der Ländereien kennenlernen. Die Pilger, die nach dem Orient gekommen sind und nachher wieder nach Europa zurückkehrten – es kamen ja noch viele zurück -, die haben eine ausgebildete Kenntnis landwirtschaftlichen Betriebswesens mitgebracht, und es kam wirklich ein Aufschwung der landwirtschaftlichen Produktion. Den verdankt man in Europa den Erfahrungen, welche die Pilger nach Europa mitbrachten.

op een of andere wijze belangrijke schilderijen uit die tijd ook als kunstwerken te presenteren, dan zult u het gesproken woord graag door zoiets ondersteunen.
Nu heeft u de kinderen allereerst duidelijk gemaakt wat er tijdens de kruistochten gebeurd is. En u heeft de kinderen ertoe gebracht om beelden daarvan in zich op te nemen. Dan is het goed om naast het schaduwbeeld van de Mongools-mohammedaanse schrik ook het positieve beeld te geven, het goede dat zich heeft ontwikkeld.
Schetst u aanschouwelijk dat de pelgrims die naar het Oosten zijn getrokken ook heel wat anders, ook nieuwe dingen hebben leren kennen. In Europa was de landbouw in die tijd nog een achtergebleven gebied. In het Oosten kon men zeer veel betere landbouwmethoden leren kennen. De pelgrims die naar het Oosten gingen en later weer naar Europa terugkeerden — velen kwamen immers nog terug — brachten een omvangrijke kennis van landbouwtechnieken mee terug en de landbouwproductie nam werkelijk een hoge vlucht. Dat heeft men in Europa te danken aan de ervaringen die de pelgrims meebrachten naar Europa. 

So anschaulich, daß es das Kind förmlich sieht, schildern Sie, wie der Weizen und das Korn schlechter gewachsen sind vor den Kreuzzügen, wie sie niedriger waren, wie sie schütterer waren, weniger voll waren, und wie sie nach den Kreuzzügen voller waren – das alles in Bildern! Dann schildern Sie, wie die Pilger wirklich auch kennengelernt haben, was der Orient damals hatte an Industriellem, was Europa damals noch nicht hatte. Es war der Okzident um vieles hinter dem Orient zurück. Was sich dann so schön herausbildet an industrieller Tätigkeit in den Städten Italiens, auch in den mehr nördlich gelegenen Städten, das ward den Kreuzzügen verdankt. Und auch Künstlerisches wird den Kreuzzügen verdankt. Da können Sie also Bilder hervorrufen von dem geistigen Kulturfortschritt in dieser Zeit.
Aber Sie können den Kindern auch schildern und sagen: «Seht ihr, Kinder, da haben die Europäer zuerst die Griechen kennengelernt; die sind schon im ersten Jahrtausend abgefallen von Rom, sind aber Christen geblieben. In allen westlichen Gegenden hat man geglaubt, daß

Zo aanschouwelijk dat het kind het werkelijk voor zich ziet, schetst u dat de tarwe en de rogge slechter groeiden voor de kruistochten, dat ze korter waren, dat niet al het zaad opkwam, dat de aren minder vol waren en dat ze na de kruistochten voller waren – alles in beelden! En dan beschrijft u dat de pelgrims werkelijk ook de industriële mogelijkheden hebben leren kennen die het Oosten toen had en die in Europa nog niet bestonden. Het Westen was in vele opzichten achter bij het Oosten. De industriële activiteit die zich zo fraai in de steden van Italië ontplooide, ook in de wat noordelijker gelegen steden, die was te danken aan de kruistochten. En ook kunstzinnige impulsen zijn te danken aan de kruistochten. U kunt dus beelden oproepen van de geestelijke en culturele vooruitgang in deze tijd.
Maar u kunt de kinderen ook iets anders schetsen: ‘Kijk, toen hebben de mensen uit Europa voor het eerst de Grieken leren kennen; die zijn al in de eerste duizend jaar afgevallen van Rome, maar ze zijn wel christelijk gebleven. In alle westelijke gebieden

Blz. 80 vert. 75

man überhaupt kein Christ sein kann, ohne zu dem Papst als oberstem Haupt der Kirche emporzuschauen.» Jetzt mache man den Kindern klar, wie die Kreuzfahrer kennengelernt haben, zu ihrer großen Überraschung und Belehrung, daß es auch Christen gibt, die nicht den römischen Papst anerkennen. Dieses Loslösen der geistigen Seite des Christentums von der weltlichen Kircheneinrichtung, das war etwas ganz Neues damals. Das mache man den Kindern klar.
Dann, daß unter den Muselmanen, die ja wenig erfreuliche Erdenbürger waren, es aber doch auch edle, freigebige, tapfere Menschen gab.
Und dadurch haben die Pilger Menschen kennengelernt, die sogar tapfer und freigebig sein konnten, ohne Christen zu sein. Man konnte also sogar ein guter, tapferer Mensch sein, ohne Christ zu sein. Das war eine große Lehre, die für die damaligen Menschen Europas durch die Kreuzfahrer nach Europa zurückgebracht worden ist.
Also eine ganze Menge haben die Kreuzfahrer sich erobert im Orient,
was sie für die geistige Kultur nach Europa gebracht haben.

heeft men geloofd dat men op geen enkele manier christen kan zijn zonder de paus als hoogste autoriteit van de kerk te eerbiedigen.’ En dan maakt men de kinderen duidelijk dat de kruisvaarders tot hun grote verbazing moesten leren dat er ook christenen bestaan die niet de Roomse paus erkennen. Dit scheiden van de geestelijke kant van het christendom en de wereldlijke organisatie van de kerk, dat was toen iets heel nieuws. Dat moet men de kinderen duidelijk maken.
En dan dat er onder de muzelmannen, die immers niet zulke aangename aardeburgers waren, toch ook edele, vrijgevige, moedige mensen bestonden. Daardoor hebben de pelgrims mensen ontmoet die zelfs dapper en vrijgevig konden zijn zonder christen te zijn. Het was dus zelfs mogelijk om een goed en dapper mens te zijn zonder christen te zijn. Dat was een grote les die de kruisvaarders voor de Europeanen van toen meebrachten naar Europa.
De kruisvaarders hebben dus een heleboel veroverd in het Oosten wat ze voor de geestelijke cultuur naar Europa hebben gebracht. 

Man macht den Kindern klar: «Seht, die Europäer, sie hätten nicht einmal Kattun, ja sie hatten nicht einmal ein Wort dafür. Sie hätten kein Musselin, auch das ist ein orientalisches Wort. Sie könnten sich nicht niederlegen, zurückräkeln auf ein Sofa, denn das Sofa haben die Kreuzfahrer, mit dem Ausdruck Sofa, erst mitgebracht. Sie hatten auch keine Matratze, auch Matratze ist ein orientalisches Wort. Auch der Bazar gehört hierher, was gleich auf eine ganze Gesinnung gegenüber dem öffentlichen Schaustellen von Erzeugnissen hinweist, was Schaustellungen im großen produziert. Bazare haben die Orientalen nach ihrer Gesinnung im weiten Umfange gemacht. In Europa gab es früher nicht etwas Ähnliches, bevor die Europäer die Kreuzzüge unternommen haben. Sogar das Wort Magazin ist kein europäisches, so sehr es mit Handeln und so weiter zusammenhängt. Diese Art, Magazine zu brauchen wegen des Umfangreichen des Handelns, das haben die Europäer erst von den Orientalen gelernt. – Man kann sich vorstellen», sagt man zu den Kindern, «wie eingeschränkt das Leben in Europa war, daß sie nicht einmal Magazine gebraucht haben. Auch das Wort Arsenal gehört hierher. Aber seht, etwas anderes haben die Europäer auch gelernt bei den Orientalen; das haben sie sich mitgebracht in dem Wort

Men vertelt de kinderen: ‘Kijk, de Europeanen hadden niet eens katoen, ja, ze hadden niet eens een woord daarvoor. Ze hadden geen mousseline, ook dat is een oosters woord. Ze konden niet gaan liggen, zich neervlijen op een sofa, want de sofa – en ook het woord sofa -hebben de kruisvaarders pas meegebracht. Ze hadden ook geen matras. Ook matras is een oosters woord. Hetzelfde geldt voor de bazar.’ De bazar wijst ons direct op een heel andere instelling tegenover het publiekelijk uitstallen van produkten, waardoor uitstallingen in het groot worden opgezet. De oosterlingen hielden vanuit hun instelling op grote schaal bazars, markten. In Europa bestond zoiets vroeger niet, althans niet voor de kruistochten. Zelfs het woord magazijn is niet Europees, hoezeer het ook samenhangt met handel en dergelijke. Die aanpak die magazijnen nodig heeft wegens de omvang van de handel, die hebben de Europeanen pas geleerd van de oosterse volkeren. ‘Je kunt je wel voorstellen,’ zegt men tegen de kinderen, ‘hoe beperkt het leven in Europa was, dat ze niet eens magazijnen nodig hadden. Ook het woord arsenaal hoort hier thuis. Maar er is ook iets anders wat de Europeanen geleerd hebben van de oosterlingen; dat hebben ze meegebracht in het woord tarief.

Blz. 81  vert. 76

Tarif. Steuerzahlen, das kannten die europäischen Völker bis zum 13.
Jahrhundert sehr wenig. Aber tarifmäßig Steuer bezahlen, allerlei Abgaben bezahlen, das wurde erst eingeführt in Europa, als die Kreuzfahrer es bei den Orientalen kennenlernten.»
Also man sieht schon, es ist vieles, vieles anders geworden in Europa durch die Kreuzzüge. Von dem hat sich nicht viel erfüllt, was die Kreuzfahrer gewollt haben. Es hat sich aber anderes, Vielfaches an Umgestaltung von Europa vollzogen durch das, was man im Orient kennengelernt hatte. Das alles verband sich dann noch mit der Anschauung der orientalischen Staatswesen, denn das Staatswesen hat sich im Orient schon viel früher ausgebildet als in Europa. In Europa waren die Gebilde der Verwaltung viel loser vor den Kreuzzügen, als sie nach den Kreuzzügen waren. Daß man dann weite Territorien unter staatlichen Gesichtspunkten zusammenfaßte, das ist schließlich auch erst durch die Kreuzzüge gekommen.

Belastingen kenden de Europese volkeren tot de dertiende eeuw zeer weinig. Maar belastingen betalen volgens tarieven, allerlei heffingen betalen, dat werd pas in Europa ingevoerd nadat de kruisvaarders het bij de oosterse volkeren hadden leren kennen.’
Men ziet wel dat er door de kruistochten heel veel veranderd is in Europa. Van wat de kruisvaarders wilden is niet veel in vervulling gegaan. Maar er zijn andere dingen gebeurd: talloze veranderingen zijn in Europa tot stand gekomen door de dingen die men in het Oosten had leren kennen. Daar kwam nog bij dat men kennis maakte met de staatsinrichting in het Oosten. Want het besturen van een staat was in het Oosten al veel vroeger ontwikkeld dan in Europa. In Europa waren de vormen van bestuur vóór de kruistochten veel losser dan daarna. Dat men toen grote gebieden als één staat ging beschouwen, is uiteindelijk ook pas door de kruistochten gekomen. 

Nun kann man aber auch – ich setze immer voraus, daß die Kinder das Alter haben, das ich angedeutet habe – sie mit folgendem bekanntmachen: «Seht, Kinder, ihr habt früher durch geschichtliche Erzählung erfahren, daß die Römer früher einmal ihre Herrschaft ausgebreitet haben. Damals, als die Römer ihre Herrschaft ausgebreitet haben im Beginne der christlichen Zeitrechnung, da wurde Europa sehr arm, immer ärmer. Wodurch kam dieses Arm werden? Man mußte sein Geld hergeben an andere. Mitteleuropa wird jetzt auch wieder arm werden, weil es sein Geld abgeben muß an andere. Damals mußten die Europäer ihr Geld an die Asiaten abgeben. An die Grenzen des Römerreiches wanderten die Geldmassen. Dadurch kam immer mehr die Naturalwirtschaft auf. Das ist etwas, was wieder passieren könnte, so traurig es wäre, wenn die Menschen sich nicht zum Geistigen aufraffen. Allerdings, in dieser Armut, da entwickelte sich der asketische, hingebungsvolle Geist der Kreuzzüge.
Jetzt aber lernten die Europäer durch die Kreuzzüge in Asien drüben allerlei Neues kennen, industrielles Produzieren, Landwirtschaft.
Dadurch konnten sie wiederum Dinge hervorbringen, die ihnen die Asiaten abkaufen konnten. Das Geld wanderte wieder zurück. Europa wurde immer reicher, gerade während der Kreuzzüge. Diese Bereiche-

Maar nu kan men ze ook – ik ga er nog steeds van uit dat de kinderen dertien, veertien jaar oud zijn — het volgende vertellen: ‘Jullie hebben vroeger in de geschiedenisles geleerd dat de Romeinen ooit hun heerschappij over grote gebieden hebben uitgebreid. In die tijd, toen de Romeinen in het begin van de christelijke jaartelling hun heerschappij uitbreidden, toen werd Europa heel arm, steeds armer. Hoe kwam dat? Men moest zijn geld aan anderen afgeven. Midden-Europa zal nu ook weer arm worden omdat het zijn geld aan anderen moet geven.*

* Het is de tijd direct na de eerste wereldoorlog. 

In die tijd moesten de Europeanen hun geld aan de Aziaten afdragen. Aan de grenzen van het Romeinse rijk rolden massa’s geld. Daardoor beperkte men zich steeds meer tot ruilhandel. Dat zou weer kunnen gebeuren, hoe treurig het ook zou zijn, als de mensen zich niet tot een spirituele leefwijze zouden zetten. Maar hoe het ook zij, in deze armoede ontwikkelde zich de ascetische, toegewijde geest van de kruistochten. 

Maar nu leerden de Europeanen door de kruistochten ginds in Azië allerlei nieuwe dingen kennen: industriële productie, landbouwmethoden. En daardoor konden zij weer dingen produceren die de Aziaten van hen konden kopen. Het geld rolde weer terug. Europa werd steeds rijker, juist tijdens de kruistochten. Dat Europa steeds rijker werd,

Blz. 82  vert. 77

rung Europas kam dadurch, daß es seine eigene Produktion erhöhte.
Das ist eine weitere Folge. Die Kreuzzüge sind wahre Völkerwanderungen nach Asien. Nach Europa kam wieder zurück ein gewisses Können. Nur durch dieses Können ist Florenz möglich und zu dem geworden, was es eben nachher war. Nur dadurch konnten sich Gestalten entwickeln wie Dante und änderte.»
Sehen Sie, es wäre notwendig, daß man die geschichtliche Darstellung von solchen Impulsen durchzogen sein ließe. Wenn heute gesagt wird, man soll mehr Kulturgeschichte treiben, dann denken die Leute, sie müssen recht trocken schildern, wie das eine aus dem anderen folgt.
Geschichte sollte aber auch schon auf diesen unteren Schulstufen so geschildert werden, daß man subjektiv dabei ist, daß man Bilder entwickelt, daß die Zeit wirklich aufersteht. Daß aufersteht das arme, nur mit schwachbesetzten Feldern überdeckte Europa, wo keine Städte waren, wo die Leute ihre Landwirtschaft betrieben, die aber spärlich war. Wie aber gerade aus diesem armen Europa hervorgeht die Begeisterung für die Kreuzzüge. Wie dann die Leute ihrer Aufgabe doch nicht gewachsen sind, wie sie in Streit kommen, wie Unmoral um sich greift, wie sie dann in Europa selber in Streit geraten.

kwam doordat het zijn eigen productie verhoogde. Dat is ook een gevolg. De-kruistochten zijn ware volksverhuizingen naar Azië. Naar Europa terug kwam een zeker kunnen. Alleen door dit kunnen was het mogelijk dat Florence ontstond en werd tot wat het later is geworden. Alleen daardoor konden figuren als Dante opstaan.’
Ziet u, het is eigenlijk noodzakelijk dat men zulke impulsen vervlecht in de historische beschrijving. Als er tegenwoordig gezegd wordt dat men meer aan cultuurgeschiedenis moet doen, dan denken de mensen dat ze heel droog moeten beschrijven hoe het een uit het ander volgt. Maar geschiedenis moet ook al in deze lagere klassen zo beschreven worden dat men subjectief is, dat men beelden oproept, dat de tijd werkelijk weer gaat leven. Dat het arme Europa weer gaat leven: bedekt met karige velden, zonder steden, waar de mensen hun schamele landbouw bedreven. Maar dan ontstaat juist in dit arme Europa het enthousiasme voor de kruistochten. En dan zijn de mensen toch niet opgewassen tegen hun opdracht, ze raken in strijd verwikkeld, zedeloosheid grijpt om zich heen. En dan raken ze zelfs in Europa slaags met elkaar.

Wie gerade dasjenige nicht erreicht wird, was durch die Kreuzzüge angestrebt
wird, sondern im Gegenteil, wie Boden geschaffen wird für die Muselmanen. Wie aber der Europäer vieles lernte im Orient; wie Städte, blühende Städte entstehen und in den Städten eine reiche geistige Kultur. Aber auch wie die Landwirtschaft sich hebt, wie die Felder fruchtbarer werden, wie die Industrie aufblüht, wie auch die geistige Kultur sich hebt.
Das alles versuche man in anschaulichen Bildern vor die Kinder hinzustellen und ihnen klarzumachen, wie sich die Menschen vor den Kreuzzügen nicht hingeräkelt haben auf Sofas, wie sich Spießbürgerlichkeit noch nicht geltend machen konnte in den Familien auf Sofas in den guten Stuben. Versuchen Sie anschaulich diese Geschichte zu schildern, dann werden Sie eine wahrere Geschichte geben. Zeigen Sie, wie Europa arm geworden ist bis zur Naturalwirtschaft und wieder reich geworden ist durch das, was man gelernt hat. Das wird die Geschichte beleben!

U vertelt dat datgene wat beoogd wordt met de kruistochten juist niet wordt bereikt, in tegendeel, dat het bedje gespreid wordt voor de muzelmannen. Maar dat de Europeanen veel in het Oosten leren; dat er steden, bloeiende steden ontstaan en in de steden een rijke geestelijke cultuur. Maar dat ook de landbouw een opbloei kent, dat de velden vruchtbaarder worden, de industrie opbloeit en ook de geestelijke cultuur tot bloei komt.
Dat probeert men allemaal in aanschouwelijke beelden weer te geven en men legt de kinderen uit dat de mensen zich vóór de kruistochten niet op sofa’s neervlijden en dat er nog geen burgerlijke behaaglijkheid kon ontstaan bij de families op hun sofa’s in de mooie kamer. Probeer deze geschiedenis beeldend te vertellen, dan zal het waarheidsgehalte groter zijn. Laat zien dat Europa arm werd en over moest gaan op ruilhandel, en weer rijk is geworden door datgene wat men geleerd had. Dan gaat de geschiedenis leven!
<3>

<4> Na deze uitgebreide schets over de kruistochten gaat het weer even over de achtergrondliteratuur (van toen):

Man wird oftmals heute gefragt: Was soll man lesen, welche Geschichtsdarstellung ist die beste? – Man kann immer nur sagen: schließlich ist jede die beste und jede die schlechteste; es ist schon einerlei, welchen geschichtlichen Autor man zur Hand nimmt. Lesen Sie nicht in den Zeilen, sondern zwischen den Zeilen. Suchen Sie sich erahnend inspirieren zu lassen, den wahren Gang der Handlung kennenzulernen.
Suchen Sie sich ein Gefühl dafür zu verschaffen, was geschichtliche Darstellung ist. An der Art werden Sie erkennen, welcher Geschichtsschreiber in die Wirklichkeit eingedrungen ist, welcher nicht.
Sie werden das eine oder andere bei Ranke lesen. Wenn Sie Ihre Geschichtslektüre bei Ranke mit dem durchdringen, was wir hier von Wirklichkeitsgeist in uns lebendig machen, werden Sie sagen: Ranke ist sehr fleißig, aber er schildert die Charaktere so, daß sie nur Schatten sind. Man kann überall durchgreifen; sie sind nicht Fleisch und Blut. Und Sie können sagen: Ich mag ja die Geschichte nicht nur als Schattenspiel haben.

Vaak vragen mensen tegenwoordig: wat moet ik lezen, welke geschiedschrijving is het beste? Het antwoord kan alleen maar luiden: uiteindelijk is elk boek het beste en elk boek het slechtste. Het doet er werkelijk niet toe welke historicus men raadpleegt. Maar lees niet de regels, lees tussen de regels. Probeer dingen aan te voelen en u te laten inspireren om de ware loop van de handeling te weten te komen. Probeer er een gevoel voor te krijgen wat historische beschrijving is. Aan de manier van vertellen zult u herkennen welke historicus tot de werkelijkheid is doorgedrongen en welke niet. U zult wel eens iets van Ranke lezen.*

*Leopold von Ranke, 1795-1886, vooraanstaand Duits historicus die veel heeft gepubliceerd. Zie over hem Renate Riemeck, Op zoek naar Midden-Europa, Zeist 1988.

Wanneer u Rankes historische beschrijvingen doordringt met de werkelijkheidszin die wij hier in ons oproepen, dan zult u zeggen: Ranke is heel ijverig, maar hij beschrijft de karakters zo dat het maar schimmen zijn. Je prikt er zo doorheen, ze zijn niet van vlees en bloed. En u kunt dan zeggen: ik wil de geschiedenis niet als een schimmenspel voor me zien.

Einer der Kursteilnehmer rät zu Lamprecht.

Een van de deelnemers raadt Lamprecht aan. 

Rudolf Steiner: Aber man kann da schon das Gefühl haben, Lamprecht schildert Kulturgeschichte, nicht Menschen, sondern angestrichene Pappfiguren, die er nur mit möglichst vollen Tönen anstreicht. Es sind nicht Menschen; sie schauen aus wie körperliche Menschen, sind aber nur angestrichene Pappendeckelfiguren. Da muß man schon sagen: Treitschke mag tendenziös sein, aber die Treitschke-Persönlichkeiten, die stehen doch auf ihren Beinen! Er stellt die Menschen doch auf die Beine, und sie haben Fleisch und Blut. Sie sind nicht Pappendeckel wie bei Lamprecht, und sie sind nicht bloß Schattenfiguren wie bei Ranke.
Leider gibt es von Treitschke nur die Geschichte des 19. Jahrhunderts.
Wollen Sie sich ein Gefühl aneignen von wirklich guter Geschichtsschreibung und für den Geist eines Geschichtserzählers, dann lesen Sie den Tacitus. Wenn Sie den Tacitus lesen, dann wird alles bis ins Wort hinein ganz lebendig. Dann steht die Zeit und die Menschen und die Menschengruppen, die der Tacitus schildert, die stehen, wenn Sie das alles auf Ihren Wirklichkeitssinn wirken lassen, da wie das Leben selber! Von da aus versuchen Sie, darauf zu kommen, wie man sich in eine andere Darstellung hineinlebt.

Maar bij Lamprecht kan men het gevoel hebben dat hij cultuurgeschiedenis beschrijft — geen mensen, maar alleen beschilderde kartonnen poppen, weliswaar met zo vol mogelijke kleuren beschilderd.*

*Karl Lamprecht, 1856-1915, schreef een Deutsche Geschichte in 19 delen. 

 Het zijn geen mensen, ze zien eruit als lijfelijke mensen, maar het zijn maar beschilderde poppen. En dan kan men niet anders zeggen dan dat Treitschke dan misschien wel tendentieus is, maar dat zijn persoonlijkheden stevig op hun benen staan. Zijn mensen staan en ze zijn van vlees en bloed. Het zijn geen papieren poppen als bij Lamprecht en niet enkel schimmen als bij Ranke. Jammer genoeg is er van Treitschke alleen een geschiedenis van de negentiende eeuw.
Wilt u een gevoel krijgen voor werkelijk goede geschiedschrijving en voor de geest van een geschiedenisverteller, leest u dan Tacitus. Bij Tacitus wordt alles levendig – tot in het woord. Als u alles wat Tacitus beschrijft laat inwerken op uw gevoel voor realiteit, dan staat de tijd en staan de mensen voor u als het leven zelf! Van daaruit probeert u te ontdekken hoe men zich kan inleven in een andere weergave. 

Blz. 84  vert. 78

Ganz Veraltetes kann man doch nicht lesen, sonst würde der feurige Rotteck noch immer etwas sehr Gutes sein. Aber er ist veraltet, nicht nur den Tatsachen nach, sondern der Gesinnung nach. Denn er betrachtet als Evangelium die damalige badische Staatsverfassung und den Liberalismus, er interpretiert sie hinein schon in das persische und ägyptische und griechische Leben. Aber alles mit Feuer, so daß man wünschen möchte, daß es auch in unserer Zeit noch viele solche Geschichtsdarsteller gäbe wie Rotteck.
Wenn Sie nun versuchen, die gebräuchlichen Darstellungen zu lesen, und sich anstrengen, Ihr Augenmerk zu richten auf das, was dort oftmals fallengelassen wurde, dann werden Sie sich geeignet machen, lebendige Bilder über die Geschichtsentwickelung vom 11. bis 17. Jahrhundert hinzustellen. Und Sie werden Ihrerseits fallenlassen vieles, was da erzählt wird über Friedrich Barbarossa, über Richard Löwenherz, über Friedrich IL Es ist ja manches interessant, aber für die wirkliche Erkenntnis der Geschichte nicht besonders wichtig. Viel wichtiger ist es, den Kindern die großen Impulse der Geschichte zu vermitteln.

Werkelijk verouderde dingen kan men echt niet lezen, anders zou de vurige Rotteck altijd nog heel goed zijn.*

*Karl von Rotteck, 1775-1840, schreef een 9-delige Allgemeine Geschichte en een 4-delige Allgemeine Welt geschichte

Maar hij is verouderd, niet wat de feiten betreft, maar wat zijn instelling betreft. Want hij beschouwt de grondwet van Baden en het liberalisme als een soort evangelie en hij meent dat hij ze al in het Perzische, Egyptische en Griekse leven aantreft. Maar alles met vuur, zodat men mocht wensen dat er ook in onze tijd nog veel van zulke historici als Rotteck zouden zijn.
Wanneer u nu de gebruikelijke beschrijvingen probeert te lezen en u zich inspant om uw aandacht te richten op wat daar dikwijls achterwege is gelaten, dan zult u het vermogen ontwikkelen om levende beelden van de historische ontwikkeling van de elfde tot de zeventiende eeuw te geven. En van uw kant zult u veel achterwege laten van wat er wordt verteld over Frederik Barbarossa, Richard Leeuwenhart en Frederik de Tweede. Er zijn heel veel interessante dingen over te melden, maar voor het werkelijk inzicht in de geschiedenis zijn ze niet bijzonder belangrijk. Veel belangrijker is het om de kinderen de grote impulsen van de geschiedenis over te dragen.
<4>
GA 295/74-84
Praktijk van het lesgeven/69-78

Werkbespreking 14, Stuttgart 5 september 1919

Blz. 147 vert. 136

<5> Er is sprake van ‘hoe leg je aan een kind het begrip ‘tijd’ uit. Voor de geschiedenis: ‘lang geleden’.
In dit artikel vind je de opmerkingen uit GA 295. <5>

Daarna gaat het in de werkbespreking verder met een opmerking van een deelnemer:

Blz. 148  vert. 136

E. schildert weiter, wie Heinrich aus der Erkenntnis heraus, daß er in dem befestigten Goslar den Magyaren habe widerstehen können, den Entschluß zur Gründung befestigter Städte gefaßt habe, und daß es auf diese Weise zu zahlreichen Städtegründungen gekommen sei.

<6> E. vertelt verder dat Hendrik, vanuit de wetenschap dat hij in het versterkte Goslar de Magyaren heeft kunnen weerstaan, besluit om versterkte steden te stichten en dat het op die manier is gekomen tot talrijke stichtingen van steden.

Rudolf Steiner: Könnten Sie diese Darstellung nicht noch einmal
kulturhistorisch bringen? Denn das ist etwas monarchisch auffrisierte
Geschichtslegende, daß Heinrich diese Städte gegründet habe. Alle diese
Städte des 10. Jahrhunderts waren ja in ihrer Grundanlage, in den Märkten, schon da. Sie wurden nur in ihrem Ausbau dadurch gefördert, daß Leute, die in der Nachbarschaft dieser Städte wohnten, sich anschlössen, um eine leichtere Verteidigungsmöglichkeit zu gewinnen gegen die anstürmenden Magyaren, und so diese Orte stärkten. Es waren mehr wirtschaftliche Gründe, die da wirkten und die zur Städtebildung führten. Heinrich hat nicht gar viel dazu getan.

 Zou u dit betoog niet nog een keer cultuurhistorisch kunnen brengen? Want dat Hendrik deze steden gesticht zou hebben, dat is een ietwat monarchaal gekleurde historische legende. Al die steden van de tiende eeuw waren immers in aanzet al aanwezig in de markten. Alleen werd de verdere uitbouw ervan bevorderd doordat mensen die in de omgeving van deze steden woonden, zich aaneensloten om een betere mogelijkheid tot verdediging te vinden tegen de aanstormende Magyaren. Zij versterkten deze plaatsen. Het waren meer economische redenen die doorslaggevend waren en die leidden tot de vorming van de steden. Hendrik heeft er niet zo heel veel toe bijgedragen. <6>

Ich würde Sie nur bitten, recht anschaulich das alles zu bringen, recht lebendig zu verfahren, damit die Kinder innerlich anschauliche Bilder bekommen, so daß die Kinder förmlich alles greifen können.
Sie müssen die Phantasie in Anspruch nehmen und solche Dinge benützen, wie ich sie Ihnen gezeigt habe bei dem Konkretmachen der Zeit. Man hat tatsächlich nichts davon, zu wissen, in welchem Jahre zum Beispiel die Schlacht bei Zama gewesen ist und so weiter, aber wenn man sich vorstellt, wenn man weiß, daß Karl der Große zum dreißigsten Vorfahren hinaufreicht, wenn man sich durch die Generationen hindurch die Hände reichen würde, dann erhält man dadurch
eine anschauliche, konkrete Vorstellung von der Zeit. Da rückt diese Zeit viel näher – ja freilich, sie rückt viel näher! -, wenn man weiß, daß Karl der Große bis zum dreißigsten Vorfahren hinauf zu finden ist.

<7> Ik zou u wel willen vragen om alles heel aanschouwelijk te vertellen, om heel levendig te werk te gaan, opdat de kinderen innerlijk aanschouwelijke beelden krijgen en ze alles als het ware tastbaar voor zich zien. U moet fantasie gebruiken en van die dingen gebruik maken die ik heb laten zien bij het concreet maken van de tijd. Men heeft er werkelijk niets aan om te weten in welk jaar de slag bij Zama is geweest enzovoort, maar als men zich voorstelt, als men weet dat Karel de Grote de dertigste voorouder is wanneer ze allemaal in een rij zouden staan en elkaar de hand zouden geven, dan krijgt men daardoor een aanschouwelijk, concreet idee van de tijd. Die tijd komt dan veel dichterbij – ja zeker, ze komt dichterbij! – wanneer men weet dat Karel de Grote te vinden is in de tijd van de dertigste voorouder. <7>

T.: Wäre es nicht gut, bei solchen Kulturbeschreibungen auch auf das ganz andere Denken und Fühlen der Menschen in diesen Perioden hinzuweisen?

<8>T.: Zou het niet goed zijn om bij zulke culturele beschrijvingen ook te wijzen op het heel andere denken en voelen van de mensen in die tijd? 

Rudolf Steiner: Ja, darauf habe ich ja immer in meinen Vorträgen
und auch sonst hingewiesen. Vor allem auch, daß Sie namentlich den
großen Umschwung um das 15. Jahrhundert, das ganz andere Emp-

Ja, daar heb ik immers altijd op gewezen in mijn voordrachten en ook elders. En vooral ook dat u met name de grote ommezwaai omstreeks de vijftiende eeuw, het volstrekt andere gewaarworden, voelen en denken van de mensen voor en na die tijd heel aanschouwelijk maakt. Ook Lamprecht bijvoorbeeld – die ik daarmee echter niet bij- 

Blz. 149   vert. 138

finden, Fühlen und Denken der Menschen vor und nach dieser Zeit
recht anschaulich machen. Zum Beispiel auch schon Lamprecht, den ich
aber damit nicht besonders empfehlen will, ist bemüht, ein ganz anderes Denken, Empfinden und Fühlen der Menschen vor dieser Zeitperiode zu konstatieren. – Die Dokumente sind daraufhin noch gar nicht benützt worden.
Wenn Sie sich ein bißchen hineinfinden wollen in die kulturgeschichtliche Betrachtung, so müssen Sie vor allem entwickeln können einen gewissen Spürsinn, und wenn Sie diesen haben für Weiteres und Engeres, was die Autoren erzählen, für Spießigeres und etwas Weitherzigeres, dann können Sie richtigere Vorstellungen gewinnen für Kulturgeschichtliches.

zonder wil aanbevelen – streeft ernaar om te constateren dat de mensen voor die tijd heel anders dachten, gewaarwerden en voelden. De documenten zijn nog helemaal niet in dit perspectief onderzocht. Als u enigszins wilt thuisraken in de cultuurhistorische beschouwingswijze, dan moet u in de allereerste plaats een zekere speurzin ontwikkelen voor het bredere en engere wat de auteurs vertellen, voor het bekrompene en het ruimere, en als u die hebt, dan kunt u juistere voorstellingen krijgen van cultuurhistorische dingen. <8>

<9> Nu volgen nog opmerkingen over allerlei achtergrondboeken.
In onze Nederlandse situatie zo’n 100 jaar later hebben we daar niets meer aan.
Wel kunnen de karakteriseringen je misschien van dienst zijn als je voor onze situatie boeken zoekt.
Ik geef die passages dus weer, te meer omdat de Nederlandse uitgave van de vertaling uitverkocht is.

Rudolf Steiner empfiehlt auf eine Anfrage hin zur Anschaffung für
die Lehrerbibliothek:
Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
An diesen kann man die Methode schulen für die kulturgeschichtlichen
Betrachtungen. Von Lamprecht kämen in Frage die älteren Teile, aber
es ist vieles schief und subjektiv.
Wenn Sie sich diesen Instinkt für die wirklichen treibenden kulturgeschichtlichen Kräfte nicht angeeignet haben, dann werden Sie Gefahr laufen, mit wahrhaft Wildenbruchscher Blödigkeit, mit Wildenbruchscher Dilettantenhaftigkeit zum Beispiel die Kaiser- und Königsdramen und solche Familienkatzbalgereien wie zwischen Ludwig dem Frommen und seinen Söhnen für wesentliche kulturgeschichtliche Ereignisse zu halten.
Gustav Freytags «Bilder aus der deutschen Vergangenheit» sind
ganz gut, aber man darf sich nicht zu sehr beschmieren lassen von
dieser Gemütlichkeit einer für Tanten geschriebenen Geschichtsbetrachtung. Wir müssen gerade heute herauskommen aus dem Denk- und
Empfindungsstil, der so bei diesen Leuten der Grenzbotenliteratur der
Mitte des 19. Jahrhunderts da war, bei Gustav Freytag, Julian Schmidt
und so weiter. Lassalle nannte ihn «Schmulian Jüd»; bei Lassalle klang
das nicht antisemitisch.

Rudolf Steiner wordt gevraagd wat men kan aanschaffen voor de lerarenbibliotheek en hij beveelt aan: 

Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
Met behulp van deze boeken kan men de methode voor cultuurhistorische beschrijvingen ontwikkelen. Van Lamprecht zouden de oudere delen in aanmerking kunnen komen, maar veel is er scheef en subjectief.
Als u zich dat instinct voor de werkelijke drijvende krachten in de cultuurgeschiedenis niet eigen heeft gemaakt, zult u gevaar lopen om met het onbenul, het dilettantisme van een Wildenbruch de keizer-en koningsdrama’s en bijvoorbeeld zulk familiegebakkelei als tussen Lodewijk de Vrome en zijn zoons aan te zien voor essentiële cultuurhistorische gebeurtenissen.
Gustav Freytags Bilder aus der deutschen Vergangenheit zijn heel goed, maar men mag zich niet al te zeer om de tuin laten leiden door deze gemoedelijke, oubollige geschiedschrijving. Wij moeten, nu meer dan ooit, uit zien te komen boven deze stijl van denken en voelen die bestond bij die mensen van de ‘Grenzbotenliteratur’ uit het midden van de negentiende eeuw, bij Gustav Freytag, Julian Schmidt enzovoort. Lassalle noemde hem ‘Schmulian Jüd’; bij Lassalle klonk dat niet antisemitisch.

Karl Lamprecht, Moderne Geisteswissenschaft, Freiburg i.Br. 1905.
H.Th. Buckle, 1821-1862: History of Civilisation in England, 1857.
E. H. Lecky, 1838-1903: History of the Rise and Influence of the Spirit of Rationalism in Europe, 2 delen, Londen 1865.
Ernst von Wildenbruch, 1845-1909, schreef o.a. Die Karolinger.
Gustav Freytag, 1816-1895: Bilder aus der deutschen Vergangenheil, 5 delen, Leipzig 1859 e.v.
Heinrich Julian Schmidt, 1818-1886, literatuurhistoricus. (Wat betreft de bijnaam die Lassalle hem gaf: in bepaalde dialecten klinkt ‘Jüd’ als ‘Jied’, wat rijmt op Schmidt.)
Ferdinand Lassalle, 1825-1864, grondlegger van de sociaal-democratie in Duitsland. 

Blz. 150  vert. 138

Es wird gefragt, nach Houston Stewart Chamberlains «Grundlagen des 19. Jahrhunderts».

Er wordt een vraag gesteld over het boek ‘Grundlagen des 12. Jahrhunderts’ van Houston Stewart Chamberlain.

Rudolf Steiner: Auch bei Chamberlain muß man erst recht einen guten Instinkt entwickeln, denn ein Viertel bei ihm ist geistreich, und drei Viertel ist wüstes, ungesundes Zeug. Es steht sehr viel sehr Gutes bei ihm, aber man muß alles selber übersehen und selber ein Urteil entwickeln. Die kulturgeschichtlichen Schilderungen sind besser bei Buckle und Lecky. Chamberlain ist mehr so ein Smokingträger. Er ist doch ein etwas eitler Herr, der nicht gerade als Autorität zu gelten hat, der aber doch manches richtig bemerkt hat. Es ist ja auch sein Ende kein schönes gewesen, ich meine den Prozeß mit der «Frankfurter Zeitung».

Ook en met name bij Chamberlain moet men een goed instinct ontwikkelen, want bij hem is een kwart geestrijk, en driekwart is chaotisch en ongezond. Er staat heel veel goeds bij hem, maar men moet alles zelf overzien en er zelf een oordeel over vormen. De cultuurhistorische beschrijvingen zijn beter bij Buckle en Lecky. Chamberlain is meer zo’n smokingdrager, een toch wat ijdel heerschap, die niet bepaald een autoriteit genoemd kan worden, maar die toch heel wat juiste dingen heeft opgemerkt. Zijn einde was nu ook niet bepaald fraai, ik bedoel het proces met de Frankfurter Zeitung.

Es werden Kantskys Schriften erwähnt.

Het werk van Kautsky wordt genoemd.

Rudolf Steiner: Ja, wenn man in der Regel das Gegenteil von dem
annimmt, das er da zeigt. Man bekommt von modernen Sozialisten ein
gutes und interessantes Tatsachenmaterial, wenn man sich nicht betäuben läßt von den Theorien, die ihre Schilderungen durchziehen.
Ein eigentümliches Bild bietet auch Mehring, wie er erst in seinem
Buch, in seiner Geschichte der Sozialdemokratie, auf die Sozialdemokraten schimpft, so lange er Freisinniger war; dann nachher, als er zu den Sozialdemokraten übergetreten war, ändert er das nur um auf die
Freisinnigen.

Ja, als men tenminste als regel het tegendeel aanneemt van wat hij laat zien. Men krijgt van de moderne socialisten goed en interessant feitenmateriaal, wanneer men zich niet laat verdoven door de theorieën waarmee hun beschrijvingen doorspekt zijn.
Een merkwaardig beeld biedt ook Mehring, zoals hij eerst in zijn boek, in zijn geschiedenis van de sociaal-democratie, op de sociaaldemocraten scheldt zolang hij nog liberaal is en dan later, wanneer hij is overgestapt naar de sociaal-democraten, gewoon doorscheldt, maar dan op de liberalen.

Karl Johann Kautsky, 1854-1938, publiceerde over de geschiedenis van het socialisme en over algemene geschiedenis.
Franz Mehring, 1846-1919: Geschichte der deutschen Sozialdemokratie, 4 delen, 1897. <9>
GA 295/146-150
Praktijk van het lesgeven/136-138

<10> Iemand vertelt iets over de Egyptische cultuur:

Blz. 152  vert. 140

B. gibt eine Darstellung aus der altägyptischen Kultur.

B. geeft een beschrijving van de oud-Egyptische cultuur. 

Rudolf Steiner: Vor allem müßte man dazu übergehen, das vorzubringen, was das ganz andere Prinzip der Nachbildung ist. Es besteht bei den alten Ägyptern der Mangel, daß sie unperspektivisch sehen. Es malt der alte Ägypter das Gesicht im Profil und den übrigen Körper en face. Diese Eigentümlichkeit der Auffassung müßte man den Kindern schon beibringen.
Dann müßte man herstellen den Zusammenhang des ägyptischen
Zeichnens und Malens mit dem naturgeschichtlichen Prinzip, das sie
hatten, daß sie die Menschen mit Tierköpfen machten und so weiter.
Schon in alten Zeiten ist die Vergleichung des Menschen mit den Tieren
sehr weit getrieben worden. Man könnte dann dem Kinde dasjenige
beibringen, was veranlagt ist in jedem menschlichen Kopf und was zum
Teil das Kind heute noch sieht. Die Ägypter haben noch diese Verwandtschaft der Menschenphysiognomie mit den Tieren wahrgenommen. Sie waren noch auf dieser kindlichen Stufe der Anschauung.

Men zou vooral naar voren moeten brengen welk geheel ander principe van nabootsing zij hadden. De oude Egyptenaren hebben het gebrek dat ze niet perspectivisch kijken. De oude Egyptenaar tekent het gezicht in profiel en de rest van het lichaam en face. Deze kenmerkende manier van kijken moet men de leerlingen eigenlijk bijbrengen.
Dan zou men het verband moeten leggen tussen het Egyptische tekenen en schilderen en het principe dat hun natuurbeschouwing kenmerkt, namelijk dat ze mensen met dierenkoppen afbeeldden, enzovoort. Al in oude tijden werd de vergelijking van de mens met de dieren heel ver gevoerd. Men zou het kind dan kunnen bijbrengen wat er in het hoofd van ieder mens in aanleg aanwezig is en wat het kind tegenwoordig gedeeltelijk nog ziet*

*Algemene menskunde 12e voordracht.

De Egyptenaren namen deze verwantschap van de menselijke fysionomie met de dieren nog waar. Zij bevonden zich nog in deze kinderlijke fase van waarnemen. 

B. fragt bei der Besprechung der Pyramiden, was man eigentlich den Kindern
darüber sagen solle

B. vraagt bij de bespreking van de piramiden wat men de kinderen daar eigenlijk over zou moeten zeggen.

Rudolf Steiner: Es ist natürlich außerordentlich wichtig, allmählich zu versuchen, auch für die Kinder das Richtige an die Stelle des Falschen zu setzen. Tatsächlich waren die Pyramiden ja Einweihungsstätten. Und da kommt man ja nun dahin, daß man den Kindern den Begriff des höheren ägyptischen Unterrichts, der zu gleicher Zeit eine Einweihung war, beibringt. Man muß etwas erzählen davon, was da vorgegangen ist. Es sind da religiöse Handlungen ausgeführt worden, wie sie heute in den Kirchen ausgeführt werden, die aber zugleich dazu führten, daß das Weltall erkannt werden konnte. Der alte Ägypter
hat eben so gelernt, daß ihm vorgezeigt worden ist in feierlichen Handlungen, was sich im Weltall und in der Menschheitsentwickelung vollzieht. Es war religiöse Übung und Unterricht eines. Es war so, daß Unterricht und religiöse Handlung eigentlich zusammenfielen.

Het is natuurlijk buitengewoon belangrijk om ook tegenover de kinderen stapje voor stapje te proberen het onware te vervangen door het juiste. In feite waren de piramiden immers inwijdingsplaatsen. En dan komt men ertoe om de kinderen een begrip van het hogere Egyptische onderwijs, dat tegelijkertijd een inwijding was, bij te brengen. Men moet iets vertellen van wat zich daar afspeelde. Daar werden religieuze handelingen uitgevoerd, zoals die tegenwoordig in de kerken uitgevoerd worden, maar die er tegelijkertijd ook toe leidden dat men inzicht kon krijgen in de kosmos. Het leren van de oude Egyptenaar hield in, dat hem in plechtige handelingen getoond werd wat zich in de kosmos en in de mensheidsontwikkeling voltrekt. Religieuze oefening en onderwijs waren één. Het was zo, dat onderwijs en religieuze handeling eigenlijk samenvielen. 

B. beschreibt die Arbeit an den Pyramiden und Obelisken und sagt, daß man
annehmen müsse, daß zum Herbeischaffen, Bearbeiten und Einbauen der riesigen

Blz. 153  vert. 141

Blöcke mehrere Millionen Menschen benötigt sein müßten. Man müsse sich fragen, wie es überhaupt möglich gewesen sei, mit den damaligen technischen Hilfsmitteln die großen, schweren Kalk- und Granitblöcke zu bewegen und aufzuschichten.

blokken aan te voeren, te bewerken en op hun plaats te brengen. Men moet zich afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was om met de technische hulpmiddelen van
die tijd de grote, zware kalk- en granietblokken te verplaatsen en op te stapelen.

Rudolf Steiner: Ja, aber ganz richtige Vorstellungen werden Sie bei den Kindern nur hervorrufen, wenn Sie ihnen sagen, daß, wenn die Menschen mit der heutigen Körperkraft arbeiten würden, man zweieinhalbmal soviel Menschen brauchen würde. Aber in Wahrheit haben die Ägypter ja zweieinhalbmal soviel Körperkräfte gehabt wie unsere heutigen Menschen, wenigstens die, die an den Pyramiden und so weiter gearbeitet haben. Es gab natürlich auch schwächere Menschen.

Ja, maar helemaal juiste voorstellingen zult u alleen oproepen bij de kinderen, wanneer u hun vertelt dat als de mensen met de lichaamskracht van tegenwoordig zouden hebben gewerkt, dat men dan tweeëneenhalf keer zo veel mensen nodig zou hebben gehad. Maar in werkelijkheid hadden de Egyptenaren tweeëneenhalf maal zo veel lichaamskracht als de mensen van onze tijd, althans diegenen die aan de piramiden en dergelijke gewerkt hebben. Er bestonden natuurlijk ook zwakkere mensen. 

B. fragt, ob auch auf die Mythologie einzugehen wäre.

B. vraagt of men ook in kan gaan op de mythologie.

Rudolf Steiner: Nicht wahr, wenn man die ägyptische Mythologie
nicht in ihrer wahren Gestalt darstellen kann, so muß man sie eben
weglassen. Kann man aber die ägyptische Mythologie in der wahren
Gestalt darstellen, dann soll man es tun. In der Waldorfschule wird es
ganz gut sein, die richtigen Begriffe von der ägyptischen Mythologie,
die Sie ja ganz gut kennen, schon den Kindern beizubringen, wenn man
überhaupt darauf eingehen will.

Ja, als men de Egyptische mythologie niet in haar ware gedaante kan weergeven, dan moet men het weglaten. Maar kan men de Egyptische mythologie in een ware gedaante behandelen, dan moet men het doen. In de Waldorfschool zal het heel goed zijn dat men de juiste begrippen van de Egyptische mythologie, die u immers heel goed kent, de kinderen wel bijbrengt, als men daar tenminste op in wil gaan. 
GA 295/152
Praktijk van het lesgeven/141

1e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

<11> Dan volgt er op een aanwijzing om vakken met elkaar te verbinden, w.o. ook geschiedenis:

Blz. 154   vert. 143

Und so werden wir denn immer darauf bedacht sein, daß der Unterricht soviel als möglich zusammengefaßt werden soll in der Art, wie ich es Ihnen gezeigt habe, daß man das Mineralogische in das Geographische hinüberführen kann,
daß man in der geistigen Behandlung der Kulturgeschichte durch Völkercharakteristiken Geschichte und Geographie verknüpfen kann. 

En zo zullen we er steeds op letten dat het onderwijs zo veel mogelijk samengevat wordt op de wijze die ik u getoond heb, dat men de mineralogie over kan laten gaan in de geografie, dat men bij een spirituele behandeling van de cultuurgeschiedenis geschiedenis en geografie met elkaar kan verbinden door volkeren te karakteriseren. <11>
GA 295/154
Praktijk van het lesgeven/143

Blz. 162   vert. 149

Geschiedenis in klas 5: zie leerplan

Geschiedenis in klas 6: zie leerplan

Blz. 163  vert. 150

Geschiedenis klas 7: zie leerplan

Geschiedenis klas 8: zie leerplan
GA 295/162
Praktijk van het lesgeven/149

Werkbespreking 15 en 3e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

Blz. 178  vert. 162

D. spricht über ein geschichtliches Thema, über die Völkerwanderung.

<12> D. spreekt over een historisch thema, over de volksverhuizing. Rudolf Steiner maakt hierbij verscheidene opmerkingen tussendoor:

Rudolf Steiner macht dazu mehrere Zwischenbemerkungen: Was als Gründe für die Völkerwanderung angeführt wird, beruht sehr häufig auf geschichtlichen Konstruktionen. Das Wesentliche ist, wenn man den Dingen zu Leibe geht, bei der eigentlichen Völkerwanderung, wo die Goten und so weiter vorrücken, daß die Römer das Geld haben, und die Germanen kein Geld haben, und daß die Tendenz besteht, daß überall da, wo eine Grenze ist, die Germanen in irgendeiner Weise sich das römische Geld aneignen wollen. Daher werden sie Söldner und alles mögliche. Es sind ja ganze Legionen von Germanen in den römischen Sold eingetreten. Es ist die Völkerwanderung eine wirtschaftlich-finanzielle Frage. Erst auf dieser Grundlage konnte dann die Ausbreitung
des Christentums vor sich gehen. Die Völkerwanderung als solche rührt aber von der Habgier der Germanen her, die das Geld der Römer haben wollten. Die Römer wurden auch arm dabei! Auch schon beim Cimbernzug war es so. Den Cimbern wurde gesagt: Die Römer haben Gold! – während sie selbst arm waren. Das wirkte auf die Cimbern sehr stark. Sie wollen Gold holen. Römisches Gold!
Es sind verschiedene Völkerschichten da, auch noch keltische Überreste. Sie finden heute noch deutliche Sprachanklänge an die keltische Sprache, zum Beispiel bei den Quellflüssen der Donau, Brig und Breg, Brigach und Brege. Dann überall, wo in den Ortsnamen «-ach» vorhanden ist, zum Beispiel Unterach, Dornach und so weiter. «Ach» kommt von Wässerchen her, von aqua, weist auf Keltisches zurück. Auch «111» und dergleichen erinnert ans alte Keltische. Über das Keltische schichtet sich dann das Germanische. – Gegensatz von Arianern und Athanasianern.
Sehr wichtig ist, daß Sie den Kindern klarmachen müssen, daß ein großer Unterschied besteht – das ist gerade an der Völkerwanderung

De oorzaken die voor de volksverhuizing worden aangegeven berusten heel dikwijls op historische constructies. Als men deze dingen grondig onderzoekt, dan is de essentie bij de eigenlijke volksverhuizing — waarbij de Goten enzovoort oprukken — dat de Romeinen het geld hebben en de Germanen geen geld hebben, en dat de tendens bestaat dat de Germanen zich overal waar een grens is op een of andere wijze meester willen maken van het Romeinse geld. Daarom worden ze huurlingen en wat niet al. Er zijn immers hele legioenen Germanen in Romeinse dienst getreden. De volksverhuizing is een economisch-financiële kwestie. Pas op basis daarvan kon de uitbreiding van het christendom plaatsvinden. Maar de volksverhuizing als zodanig is gekomen door de hebzucht van de Germanen, die het geld van de Romeinen wilden hebben. De Romeinen werden daardoor ook arm! Ook bij de tocht van de Kimbren was dat al zo. Tegen de Kimbren werd gezegd: de Romeinen hebben goud! – terwijl ze zelf arm waren. Dat had een enorme werking op de Kimbren. Ze wilden goud halen, Romeins goud.
Er bestaan bevolkingslagen afkomstig van verschillende volkeren, ook nog Keltische overblijfselen. U vindt tegenwoordig nog duidelijke resten van het Keltisch in de Duitse taal, bijvoorbeeld bij de namen van de rivieren die de Donau vormen: Brig en Breg, Brigach en Brege. En verder overal waar ‘ach’ voorkomt in plaatsnamen, bijvoorbeeld Unterach, Dornach enzovoort. ‘Ach’ komt van watertje, van aqua, en verwijst naar het Keltisch. Ook ‘ill’ en dergelijke vormen herinneren aan het oude Keltisch. Boven die Keltische laag ligt dan de Germaanse. – De tegenstelling tussen de aanhangers van Arianus en die van Athanasius. Het is heel belangrijk om de kinderen duidelijk te maken dat het een groot verschil maakt – dat kan men juist bij de volksverhuizing

Blz. 179  vert. 163

ersichtlich -, ob, wie zum Beispiel in Spanien und Italien, die germanischen Völker, wie die Goten, in schon der Agrikultur nach völlig in Anspruch genommene Gebiete einziehen. Hier wurde alles besessen.
Da ziehen die gotischen und andere Völker ein. Die verschwinden. Die
gehen also auf in den anderen Völkern, die schon da waren. – Nach
Westen ziehen die Franken vor. Die kommen in Gegenden, die der Agrikultur nach noch nicht vollständig besetzt sind. Die erhalten sich.
Daher hat sich von den Goten nichts erhalten, die eben in Gegenden
eingezogen sind, wo der Boden schon ganz in Besitz genommen war.
Von den Franken hat sich alles erhalten, weil sie in noch brachliegende
Gegenden eingezogen sind. Das ist ein geschichtliches Gesetz, das sehr
wichtig ist. Später kann der Hinweis wiederholt werden bei der Konfiguration von Nordamerika, wo allerdings die Indianer ausgerottet worden sind, aber doch das bestand, daß in Brachgegenden eingewandert werden konnte.

goed zien — of de Germaanse volkeren zoals de Goten gebieden binnentrekken als bijvoorbeeld Spanje en Italië, die al volledig als landbouwgronden in gebruik zijn. Hier had men alles in bezit. Dan vallen de Gotische en andere volkeren binnen. Ze verdwijnen. Ze gaan dus op in de volkeren die daar al waren. — De Franken trekken naar het westen. Die komen in gebieden die nog niet volledig in cultuur zijn gebracht. Zij handhaven zich. Daarom is er van de Goten, die gebieden zijn binnengetrokken waar de bodem al geheel in bezit was genomen, niets overgebleven. De Franken hebben zich volledig gehandhaafd omdat ze nog braakliggende gebieden zijn binnengetrokken. Dat is een historische wet die heel belangrijk is. Later kan men hier ook weer op wijzen bij de configuratie van Noord-Amerika, waar weliswaar de Indianen zijn uitgeroeid, maar waar toch ook de situatie bestond dat men braakliggende gebieden kon binnentrekken. <12>

Es handelt sich auch darum, daß Sie dann klarmachen, welches der Unterschied ist zwischen so etwas, wie zum Beispiel das Frankenreich Karls des Großen war, und einem späteren Staat. Wenn Sie diesen Unterschied nicht kennen, kommen Sie nicht über den Rubikon des 15. Jahrhunderts hinweg. Das Reich Karls des Großen ist noch kein Staat. Wie ist es bei den Merowingern? Sie sind eigentlich zunächst nichts anderes als Großgrundbesitzer. Und bei ihnen gilt lediglich nur das Privatrecht.
Und immer mehr geht dann dasjenige, was aus den alten germanischen
Großgrundbesitz-Verhältnissen stammt, über in das römische Recht, wo derjenige, der bloß die Ämter verwaltet, nach und nach die Macht bekommt. So geht allmählich der Besitz über an die Verwaltung, an die Beamten, und indem dann später die Verwaltung die eigentliche Herrschermacht wird, entsteht erst der Staat. Der Staat entsteht also durch die Inanspruchnahme der Verwaltung. Es entsteht der Grafenadel im Gegensatz zum Fürstenadel. «Graf» hat denselben Ursprung wie Graphologe: es kommt her von graphein, schreiben. «Graf» heißt Schreiber. Der Graf ist der römische Schreiber, der Verwalter, während der Fürstenadel als alter Kriegeradel noch mit Tapferkeit und Heldenmut und dergleichen zusammenhängt. Der «Fürst» ist der Erste, der Vorderste. So ist also mit dem Übergang vom Fürsten zum Grafen

<13>Dan moet u ook uitleggen wat het verschil is tussen iets als het Frankenrijk van Karel de Grote en een latere staat. Kent u dit verschil niet, dan komt u niet voorbij het keerpunt van de vijftiende eeuw. Het rijk van Karel de Grote is nog geen staat. Hoe is dat bij de Merovingers? Ze zijn in eerste instantie eigenlijk niets anders dan grootgrondbezitters. En het enige wat bij hen geldt is het privaatrecht. En vervolgens gaat datgene wat uit de verhoudingen van het oude Germaanse grootgrondbezit stamt, steeds meer over in het Romeinse recht, waarbij degene die enkel ambtsdrager is steeds meer macht krijgt. Zo gaat het bezit geleidelijk over aan het administratieve apparaat, aan de ambtenaren, en wanneer de administratie later de eigenlijke heersende macht wordt ontstaat pas de staat. De staat ontstaat dus door de machtsvergroting van de administratie. De gravenadel ontstaat – in tegenstelling tot de vorstenadel. ‘Graaf’ heeft dezelfde oorsprong als ‘grafoloog’: het komt van ‘grafein’, schrijven. ‘Graaf’ wil zeggen ‘schrijver’. De graaf is de Romeinse schrijver, de ambtenaar, terwijl de vorstenadel als oude krijgsadel nog te maken heeft met dapperheid en heldenmoed en dergelijke. De ‘vorst’ is de eerste, de voorste. Zo is dus met de overgang van vorst naar graaf het

Blz. 180  vert. 164

das staatliche Prinzip entstanden. Das kann man natürlich an diesen
Dingen ganz gut anschaulich machen.

principe van de staat ontstaan. Dat kan men natuurlijk aan de hand van deze dingen heel goed aanschouwelijk maken. <13>

L. führt aus, wie er die Ausbreitung des Christentums bei den Germanen an die
Kinder heranbringen würde.

<14> L. vertelt hoe hij de kinderen zou vertellen over de uitbreiding van het christendom bij de Germanen.

Rudolf Steiner: Das arianische Christentum hat im praktischen Ausleben etwas sehr stark dem späteren Protestantismus ähnliches, es war aber weniger abstrakt, war noch konkreter.
Im 1. und 2. Jahrhundert war unter den römischen Soldaten an Rhein und Donau sehr stark der Mithrasdienst verbreitet, namentlich unter den Offizieren. – Thor, Wotan, Saxnot wurden im heutigen Elsaß und überall bis ins 6., 7., 8. Jahrhundert als die alten germanischen Volksgötter, als die drei wesentlichen  Hauptgötter verehrt mit germanischen religiösen Gebräuchen.
Man kann zahlreiche Szenen schildern, wie im Elsaß, im Schwarzwald die Kirchlein durch die römischen Kleriker gebaut werden. «Wir wollen dem Wotan das und das tun», sangen die Männer. Die Frauen sangen: «Der Christus ist für die gekommen, die nichts tun von sich aus.» Dieser Trick wurde schon benützt bei der Ausbreitung des Christentums, daß man nichts zu tun hatte, um selig zu werden.

Het arianische christendom lijkt in de praktijk heel sterk op het latere protestantisme, het was alleen minder abstract, het was nog concreter.
In de eerste en tweede eeuw was onder de Romeinse soldaten aan de Rijn en de Donau heel sterk de Mithrasdienst verbreid, met name onder de officieren.
Thor, Wodan, Saxnot werden in de huidige Elzas en overal tot in de zesde, zevende, achtste eeuw met Germaanse religieuze gebruiken vereerd als de oude Germaanse volksgoden, de drie voornaamste goden.
Men kan in talloze scènes beschrijven hoe in de Elzas, in het Zwarte Woud kerkjes werden gebouwd door Romeinse priesters. ‘Wij willen dat en dat doen voor Wodan,’ zongen de mannen. De vrouwen zongen: ‘Christus is voor hen gekomen die van zichzelf uit niets doen.’ Deze truc werd wis en waarachtig gebruikt bij de uitbreiding van het christendom, dat men niets hoefde te doen om zalig te worden. 

«Eiche» ist in der altgermanischen Kultsprache die Bezeichnung für den Priester des Donar. In der Zeit, als Bonifatius wirkte, kam noch stark in Betracht, ob man noch die Formeln wußte. Bonifatius wußte sich in Besitz gewisser Formeln zu setzen. Er wußte das Zauberwort, der Donarpriester wußte es nicht mehr. Bonifatius hat durch seine höhere Macht, durch die «Axt», das Zauberwort, den Priester des Donar, die «Donar-Eiche», gefällt. Der Priester starb vor Gram; er ging zugrunde «durch das Feuer des Himmels». Das sind Imaginationsbilder! Nach einigen Generationen ist das in das bekannte Bild umgeformt worden.
Solche imaginativen Bilder müssen Sie lesen lernen. Und so lernend lehren, lehrend lernen.
Bonifatius hat das germanische Christentum verromischt.
Karls des Großen Leben hat Eginhard beschrieben. Eginhard ist ein
Schmeichler.

Eik’ is in de Oudgermaanse cultustaal de aanduiding voor de priester van Donar. In de tijd van Bonifatius was het nog zeer belangrijk of men de formules nog kende. Bonifatius wist zich meester te maken van bepaalde formules. Hij kende het toverwoord, de priester van Donar niet meer. Bonifatius heeft door zijn hogere macht, door de ‘bijl’, het toverwoord, de priester van Donar, de ‘Donar-eik’, geveld. De priester stierf van verdriet; hij ging te gronde ‘door het vuur van de hemel’. Dat zijn imaginatieve beelden! Na enkele generaties is dat omgevormd tot het bekende beeld.
Zulke imaginatieve beelden moet u leren lezen. En zo al lerend de kinderen leren, al onderwijzend zelf wijzer worden.
Bonifatius heeft het Germaanse christendom verroomst.
Het leven van Karel de Grote is beschreven door Eginhard. Eginhard is een vleier.
(Vaak vermeld als Einhard) <14>
GA 295/178-180
Praktijk van het lesgeven/162

Van GA 295 heb ik een scan die je kan opvragen via vspedagogie  apenstaartje gmail punt com

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3379-3178

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (2)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

2. Schuljahr September 1920 bis Juni 1921
2e Schooljaar september 1920 tot juni 1921  

Blz. 48/49

11 Klassen
19 Lehrer
420 Schüler

In den Konferenzen des zweiten Schuljahres herrscht überwiegend noch, ungeachtet gelegentlich aufziehender Wolken, die gleiche freudige, kraftvolle Stimmung wie im Vorjahr, vielleicht bei den Lehrern etwas weniger draufgängerisch. Es werden im ganzen auch dieselben Probleme behandelt; sie werden ausgearbeitet und vertieft.
Hauptsächlich an drei Stellen zeigt sich aber charakteristisch die Eigenart dieses zweiten Schuljahres: bei der Besprechung der neuen 9. Klasse; dann als die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage und nach der geistigen Selbständigkeit der Schule gestellt wird; und endlich, als Rudolf Steiner spricht über seine eigene Stellung als Leiter der Waldorfschule.
Die Schule wächst auch dieses Jahr kräftig weiter. Für die neue 1. und für die 6. Stufe müssen Parallelklassen eingerichtet werden (1/169, 178). Besonders ausgestaltet werden die praktischen Fächer: Handwerk und Gartenbau (1/193—196, 270) sowie Handarbeit (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). Bei Anstandsunterricht (1/268) und sozialer Erkenntnis (1/286, 287) wird festgestellt, daß sie jetzt aufhören; beim Kindergarten und der Fortbildungsschule (1/276—277), daß sie wieder zunächst nicht durchgeführt
werden können. Die Art der Zeugnisgebung (1/284, 285) und der
Versetzung (1/285) finden ihre endgültige Gestalt.

11 klassen
19 leerkrachten
420 leerlingen

In de vergaderingen van het tweede jaar heerst er overwegend, ondanks af en toe een wolkje aan de hemel, nog steeds dezelfde vrolijke, krachtige stemming als het jaar daarvoor, misschien onder de leraren iets minder fanatiek. Over het geheel genomen werden dezelfde problemen behandeld; ze werden uitgewerkt en verdiept.
Het karakteristieke kenmerk van dit tweede schooljaar is echter hoofdzakelijk op drie plaatsen te vinden: bij de bespreking van de nieuwe 9e klas; als vraag naar de economische basis en naar de geestelijke zelfstandigheid van de school; en ten slotte, wanneer Rudolf Steiner spreekt over zijn eigen positie als
leider van de Waldorfschool.
De school blijft dit jaar sterk groeien. Voor de nieuwe 1e en voor de 6e klas moeten parallelklassen worden opgezet (1/169, 178). In het bijzonder werden de praktische vakken vormgegeven: handwerken en tuinbouw (1/193—196, 270) en handenarbeid (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). In het geval van ‘omgangsonderwijs’ (1/268) en sociale kennis (1/286, 287) wordt gesteld dat
dit beëindigd wordt; en dat de kleuterschool en de vervolgschool (1/276—277), nu niet verder kunnen gaan. Het getuigschrift (1/284, 285) en welke kinderen waar worden geplaatst, (1/285) vinden hun uiteindelijke vorm.

Für die neuen Klassen und für den praktischen Unterricht, aber auch weil einige Kollegen fortgegangen sind, müssen neue Lehrer eingestellt werden (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bei dieser Gelegenheit wird auch festgelegt, wer zum Lehrerkollegium gehören soll und wer nicht (1/198, 199).
Beim neusprachlichen Unterricht taucht die Frage auf, die dann nie zur Ruhe kommen will: ob und wie in diesen Fächern die Schüler, ungeachtet ihres Klassenzusammenhanges und ihres Alters, rein nach dem Stande von Wissen und Fähigkeit zusammengefaßt werden sollen (1/171, 284; vgl. auch Sachwortverzeichnis).
Das Problem eines eigenen Schularztes (1/263) und das der Heileurythmie (1/284) treten auf.
Das Wichtige aber ist, daß auf die acht Volksschulklassen jetzt eine 9. Klasse, eine Oberklasse, aufgebaut wird (Einleitung S. 28 und 1/119). Freilich klingen die damit berührten Probleme vorerst nur leise an. Zunächst sollen die 8. und 9. Klasse von zwei Klassenlehrern ebenso abwechselnd weitergeführt werden wie bisher die 7. und 8. Klasse (1/200).
Auch bei dem Lehrplan für das 9. Schuljahr, der jetzt aufgestellt wird (1/191, 219—226), verbirgt sich das grundsätzlich Neue zunächst noch unter dem Scheine, als ob in der 9. Klasse nur das in der 8. Klasse Besprochene „noch einmal” durchzunehmen sei. Aber

Voor de nieuwe klassen en voor de praktijklessen, maar ook omdat er enkele collega’s zijn vertrokken, moeten er nieuwe docenten worden aangenomen (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bij deze gelegenheid wordt ook bepaald wie tot het onderwijzend personeel behoort en wie niet (1/198, 199).
Bij het onderwijzen van moderne talen komt de vraag ter sprake die maar nooit afdoende beantwoord lijkt te worden: of en hoe de leerlingen in deze vakken,
ongeacht hun plaats in de klas en hun leeftijd, puur op basis van het kennis- en vaardigheidsniveau, bij elkaar zouden moeten (1/171, 284; zie ook verklarende woordenlijst).
Het probleem van het hebben van een eigen schoolarts (1/263) en dat van de euritmietherapie (1/284) doet zich voor.
Maar het belangrijkste is dat er nu na de acht basisschoolklassen een 9e klas, een bovenbouwklas bijkomt  (inleiding p. 28 en 1/119). Wel dienen zich al voorzichtig bepaalde problemen aan. In eerste instantie moeten 8 en 9 afwisselend door twee klassenleraren worden geleid zoals de 7e en de 8e
klas tot nu toe. (1/200).
Ook met het leerplan voor het 9e schooljaar dat nu wordt opgesteld
(1/191, 219-226), wordt wat fundamenteel nieuw is aanvankelijk nog bedekt
onder de schijn, alsof in de 9e klas alleen dat wat in klas 8 besproken is, “nog een keer” doorgenomen moet worden. Maar

Blz. 50

gerade in dem, wie dies ,,noch einmal” geschehen soll, steckt ja die
entscheidende Änderung der Unterrichtsart, die diesem Lebensalter
entsprechend und notwendig ist. Das wird dann bei den folgenden
Klassen immer deutlicher. Hier schauen diese Fragen nur gleichsam
wie zum Fenster herein.
Aber schon als jetzt die Frage aufkommt, warum denn die Arbeiterkinder, die proletarischen Kinder, lieber sofort ins Berufsleben gesteckt werden, statt in die 9. Klasse weiterzugehen (1/260, 261), klingt schon das Problem des Abituriums an (1/260) und damit die Sorge, daß die heranwachsenden Oberklassen zu sehr in die Nachbarschaft der üblichen ,,höheren Lehranstalt” geraten könnten, so daß dadurch „irgendwelche Dinge” verhindert würden (1/260).,,Irgendwelche Dinge”, das wären nach den „Volkspädagogischen Vorträgen” (Liste Nr. 3) diejenigen Unterrichtsgegenstände, durch die der junge Mensch so, wie es unserer Zeit entspricht, ins wirklich praktisch-tätige Leben hineingestellt werden sollte. Diese Frage steht von nun an, ob ausgesprochen oder unausgesprochen, hinter allem, was über die Oberstufe noch verhandelt wird. Es ist ein schwerer Verzicht, daß diese Ziele der „Volkspädagogischen Vorträge” für die Oberklassen aufgegeben werden müssen.

juist in de manier waarop dit “opnieuw” zou moeten gebeuren, ligt de
beslissende verandering in het type onderwijs dat op deze leeftijd passend en noodzakelijk is. Dat zal bij de volgende klassen  steeds duidelijker het geval worden. Hier lijken deze vragen alleen maar op het raam te kloppen.
Maar nu rijst de vraag waarom de kinderen van de arbeiders, de proletarische kinderen, liever meteen in het werkende leven zouden moeten worden geplaatst in plaats van door te gaan naar de 9e klas (1/260, 261) en daarmee dient het probleem van het examen zich aan (1/260) en daarmee de bezorgdheid dat de hogere klassen die erbij komen te dicht bij de gebruikelijke ‘hogere onderwijsinstellingen’ zouden kunnen komen te liggen, zodat “sommige dingen” verhinderd zouden worden. ‘Sommige dingen’ waren volgens de
voordrachten over volkspedagogie’ [GA 192] die vakken waarmee de jonge mens, behorend bij de huidige tijd, een plaats zou kunnen vinden in het praktische werkzame leven. Deze vraag staat vanaf nu, uitgesproken of onuitgesproken, achter alles wat over de bovenbouw nog wordt besproken wordt. Het is moeilijk om van deze doelstellingen van de ‘voordrachten over volkspedagogie’ voor de bovenbouw af te moeten zien.

Und ein großer Verzicht liegt auch in dem Fazit, das Rudolf Steiner
am 26. Mai 1921 aus der sozialen Entwicklung der letzten Zeit ziehen muß. Die Stuttgarter Schule kann nicht mehr als der Anfang einer weit über Deutschland hinausgreifenden Bewegung der Schulerneuerung gelten. Sie kann nur noch „Modell” sein. „Eine zweite Schule werden wir nicht mehr errichten können” (1/289). Tatsächlich wurden die unvermeidbaren Kompromisse den Behörden gegenüber ständig einschneidender,, nicht nur bei allen später gegründeten
Waldorfschulen, sondern auch bei der Stuttgarter Schule selbst.
Ein zweites Charakteristikum dieses Schuljahres ist die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage der Waldorfschule. Als sie zwischen den Schuljahren, bei den Konferenzen vom 29. und 31. Juli und 21. September 1920 zur Verhandlung kommt, da lodert das Feuer hell auf, das lange schwelte.
Aber in Wahrheit ist gar nicht das Materielle der Grund dafür. Die
Finanzierung bleibt in allen folgenden Jahren eine schwere Sorge. Es ist ja auch im Frühjahr 1920 der Waldorfschulverein begründet (1/183, Einleitung S. 22), dessen damals gegebene Form in den Hauptzügen heute noch besteht. Der Weltschulverein freilich, um den Rudolf Steiner sich so sehr mühte (1/183-186, 189, 201, 202, 228—233, 289), kam weder damals noch je später zustande.

En ook de conclusie van Rudolf Steiner die hij op 26 mei 1921 moest trekken  door recente maatschappelijke ontwikkelingen in de laatste tijd, betekende een groot afzien. De Stuttgarter school kan niet meer gelden als het begin van een schoolvernieuwingsbeweging die zich tot ver buiten Duitsland uitstrekt. Ze kan alleen maar een “model” zijn. “Een tweede school zullen we niet meer kunnen oprichten’  (1/289). In feite werden de onvermijdelijke compromissen met de autoriteiten steeds drastischer, niet alleen voor alle scholen die later werden opgericht, maar ook voor de school in Stuttgart zelf.
Een tweede kenmerk van dit schooljaar is de vraag over de economische basis van de Waldorfschool. Als deze tussen de schooljaren op de vergaderingen van 29 en 31 juli en 21 september 1920 behandeld wordt, laait het vuur op dat al lang lag te smeulen.
Maar in werkelijkheid zijn materiële dingen niet de reden hiervoor. De
financiering blijft de komende jaren een ernstig probleem. In het voorjaar van 1920 werd de Waldorfschoolvereniging opgericht (1/183, inleiding p. 22), waarvan de vorm die destijds werd gegeven in hoofdzaak nu [1975] nog steeds zo bestaat . En dan de Wereldschoolvereniging natuurlijk, waarvoor Rudolf Steiner zich zo inzette (1/183-186, 189, 201, 202, kwam toen niet, maar ook later niet van de grond.

Blz. 51

In Wahrheit ging die Auseinandersetzung um zweierlei: um die geistige Selbständigkeit der Schule, das heißt praktisch um ihre Unabhängigkeit von der Waldorf-Astoria-Fabrik, und dann um das richtige Verhältnis zur Person von Emil Molt.
Jetzt macht Rudolf Steiner klar, daß in Wirklichkeit die Gründung der Schule auch finanziell das Werk von Emil Molt ist. „Die Schule ist Ihr Verdienst” (1/213).
Gerade dadurch aber wird Emil Molts Stellung zur Schule richtig. Er ist gleichsam als Privatmann „Protektor der Schule” und „Schulvater”, so wie Bertha Molt „Schulmutter” ist. Damit sind beide vollgültige Mitglieder des Lehrerkollegiums (1/199). Dies Kollegium wird „jederzeit . . . mit Herrn Molt gehen, will aber nichts mit der Waldorf-Astoria zu tun haben” (1/209). Die Fabrik wird auch weiterhin Beiträge geben und für die Kinder ihrer Werkangehörigen das Schulgeld bezahlen. Aber die Schule wird von ihr völlig frei und unabhängig sein.
Damit ist auch das dritte und wesentlichste Element dieser Konferenzen innerlich auf das engste verbunden. Rudolf Steiner spricht es aus in seiner Ansprache vor den Lehrern beim Beginn des zweiten Schuljahres am 22. September 1920 (1/214-217), daß seine Stellung als Leiter der Schule nie anders aufgefaßt werden dürfe als die des Esoterikers. Sie dürfe niemals auf Suggestion oder äußerer Macht beruhen, stets nur auf dem freien Willen und Vertrauen der Lehrer.
Damit wird — und das ist die innerste Lebensquelle der Schule — deren Zusammenhang mit Rudolf Steiner und also mit der Anthroposophie auf das genaueste umschrieben und dargestellt.

In werkelijkheid ging het geschil over twee dingen: om de geestelijke onafhankelijkheid van de school, dat wil zeggen praktisch over haar onafhankelijkheid van de Waldorf-Astoriafabriek, en vervolgens over de juiste relatie met de persoon van Emil Molt.
Nu maakt Rudolf Steiner duidelijk dat de ​​stichting van de school, ook financieel het werk van Emil Molt is. “De school is uw verdienste” (1/213).
Dit is precies wat Emil Molts positie ten opzichte van school in een juist daglicht stelt. Hij is als particulier als het ware ‘beschermer van de school’ en ‘schoolvader’, net zoals Bertha Molt ‘schoolmoeder’ is. Daarom zijn beiden volwaardige leden van het onderwijzend personeel (1/199). Dit college
zal “op elk moment” samen gaan met meneer Molt, maar wil niets met de
Waldorf-Astoria” van doen hebben (1/209). De fabriek zal bijdragen blijven geven voor de kinderen van haar werknemers en schoolgeld betalen. Maar de school is volledig vrij en onafhankelijk van haar.
Het derde en meest essentiële element van deze vergaderingen is hier ook intern zeer nauw mee verbonden. Rudolf Steiner spreekt in zijn toespraak tot de leraren aan het begin van de tweede schooljaar op 22 september 1920 (1/214-217) uit, dat zijn positie als leider van de school nooit als iets anders mag worden opgevat dan die van een esotericus . Die mag nooit op suggestie of externe macht berusten, altijd uitsluitend gebaseerd op de vrije wil en het vertrouwen van de leraren.

Dit betekent – ​​en dit is de diepste levensbron van de school – dat haar verbintenis met Rudolf Steiner en dus met de antroposofie op de meest precieze manier beschreven en gepresenteerd wordt.
GA 300A/48-51 

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3378-3177

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen -Duits – 5e klas

.

In dit overzicht van een leerplan voor het Duits is er in de 5e klas sprake van de naamvallen.
Daar hebben we in het Nederlands nauwelijks iets mee te maken, al kunnen ze zeker aan de orde worden gesteld, zoals hier beschreven wordt.

In het Duits moeten ze worden geleerd.

In onderstaand artikel wordt een bepaalde weg bewandeld om ze Duitse kinderen aan te leren.

Ik heb dit artikel niet vertaald – dat leek me overbodig voor iemand die Duits geeft.
.

Gertrud Jasper, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 3 jrg. nr 1 1929
.

Beispiel zum Grammatik-Unterricht

.

Wie die Grammatik im Unterricht lebendig werden kann aus ihrem eigenen Wesen heraus, soll hier versucht werden zu zeigen.
Eine Behandlung der vier Fälle für den ersten Grammatik-Unterricht sei als Beispiel gegeben.
Die Grundlage zu dieser Behandlung gab folgende Überlegung:

In den Formen der Fälle lebt sich aus das Hauptwort. Seine Bewegungsmöglichkeit ist gering, verglichen mit der des Tätigkeitswortes. Es lebt nicht mehr in der Verwandlung von Gegenwart zu Vergangenheit und Zukunft; es deutet auf Gewordenes; es kann nur noch in Beziehungen geraten.
So offenbart sich in den Fällen des Hauptwortes etwas wie Urformen der
Beziehungen zwischen gewordenen Wesen, Ur-Lebenslagen, in die man gleichsam hinein”fallen” kann. Als Ziel erstrebt daher die Behandlung:

Ein Erlebnis davon zu vermitteln, wie sich Nominativ, Genitiv usw. gewissermaßen von innen anfühlen, wie einem zu Mute sein kann im Akkusativ, Dativ usw.
Die Behandlungsweise ergibt sich auch aus der Sache selbst: Wenn etwas
da ist, kann es entweder für sich da sein, – das ist der Fall im Nominativ, man hat es dann zu tun mit dem bloßen Namen, hinter dem Eigenschaften und Vermögen stehen, – oder es tritt in Beziehung zu anderen
Wesen; dabei handelt es sich immer um Doppelbeziehung: irgend woher
kommt etwas, irgend wohin geht etwas. Das kann führen zu einer Behandlung der Fälle nicht in der üblichen Reihenfolge: Nominativ, Genitiv, Dativ, Akkusativ, sondern in Paaren, entsprechend diesen Doppelbeziehungen:

Schema:

Und als Weg ergibt sich der Weg van innen nach außen: Nominativ → Akkusativ, und zurück von außen nach innen: Dativ → Gentiv.

Mit dem Nominativ wird begonnen:
In ihm hat man den reinen Namen der Geschöpfe; was von ihrem Wesen erlauscht werden konnte, spricht der Mensch im Namen aus. Davon muß
ein möglichst deutliches Erlebnis in den Kindem entstehen. Von ihren
eigenen Namen läßt sich gut ausgehen; etwa so [nur in Hauptzügen entwickelt]:

“Stellt euch vor, ich komme nach langen Ferien wieder zu euch in die
Klasse. Ich schaue mich um, ob ihr auch alle wieder da seid; da sehe ich jeden
sitzen auf seinem Platz und sage: da ist ja der Peter, da ist der Hans, da ist
die Maria usw.; nun sitzt da vielleicht auch jemand, der neu zu uns gekommen ist; da muß ich Halt machen. Warum? Ich weiß noch nicht, wer
er ist; er muß mir erst seinen Namen sagen. –
So hat jeder von euch seinen Namen, mit dem die anderen ihn rufen können. Nun schaue ich weiter umher: haben die Dinge vielleicht auch jedes seinen Namen? Gewiß; frage ich die Rose (wenn z. B. eine am Fenster steht):
“Wer bist du?”, so müßte sie antworten, wenn sie sprechen könnte: ich
bin die Rose, und der Schrank: ich bin der Schrank usw.”
Hier wird zur Übung gemacht, die bekannten Worte mit Bewußtsein als
Namen auszusprechen.
Weiter: “Was können wir erzählen von dem, was wir eben mit Namen
genannt haben.”

Das Erzählte wird mit dem Namen verglichen; es wird wiederentdeckt werden im Klang des Namens selber. Hier wird versucht, möglichst lebendig zu entwickeln das Gefühl für das in den Namen hinein verzauberte Leben, das sich jedesmal im Erklingen neu erschließt; die Namen werden selbst zum Erzähler: z. B. “der Mops” ist dick und rundlich und schwer; der “Spitz” ist schmal und flink und hell; daß der “Dackel” krumme Beine hat, hört man schon im Namen; auch daß die “Kuh” kaut und kaut und kaut und zwischendurch mu … h sagt usw.
Die Kinder werden Beispiele in Fülle bringen. An Worten fremder Sprachen, besonders gut des Griechischen, können Hörübungen gemacht werden, damit sich immer mehr stärkt die Fähigkeit, auf den erklingenden Namen mit innerer Bewegung zu antworten.
Schön wäre es, dabei den Kindem ihren eigenen Namen lebendig zu machen; selbst die abgebrauchtesten Namen wie: Fritz, Hans, Karl usw. sollten durch ihre Lautkraft wieder Mahnung werden können.
Die Ordnung der Namen nach Geschlechtern: der – die – das kann auch lebendig werden aus dem Namenwesen selber. Männlich, weiblich, sächlich sind unmögliche Begriffe für Kinder; aber drei Erlebnis-Nuancen lassen sich an Namen vorführen: z. B. der Kater – die Katze – das Kätzchen.
Undurchschaubares wird selbstverständlich öfters dabei auftauchen für den Lehrer. Es ist gut, darauf hinzuweisen, daß man manchmal sein ganzes Leben lang wird suchen müssen, um einen Namen zu verstehen. Denn schließlich ist es wichtig, in den Kindem Ehrfurcht zu erwecken vor dem Geheimnis der Namengebung an alle Geschöpfe der Welt durch den Mensehen in den Worten seiner Sprache.

Dazu kann helfen die schöne alte Legende, die erzählt, wie Gott den Menschen hineinstellt in die Mitte aller seiner Geschöpfe, damit er tut, was auch die Engel nicht können, damit er alles Erschaffene bei Namen nennt.
Hier sollen die Kinder berührt werden in der ihnen zugänglichen Form von dem Mysterium der menschlichen Erkenntnis.
Dann käme das erste Paar: Nominativ – Akkusativ (die Bilder entwickeln sich mit der Besprechung); man kann zum Ausgang zurückkehren;
selbstverständlich kann hier nur der Hauptzug der Entwicklung dargestellt
werden:
z. B. “da ist der Peter
wie sieht der Peter aus?
was kann der Peter alles tun?
der Peter kann lachen, kann weinen, kann tanzen, kann malen usw.
schließlich:
“der Peter könnte auch ganz still stehen,

“Ringsherum schickt der Peter die Strahlen aus seinen Augen.
Da kommt den Strahlen aus seinen Augen etwas entgegen.
Was könnte da entgegenkommen?
z. B. die Sonne, der Mond, ein Stern, ein anderer Junge, der Paul, ein kleiner Hund, ein Baum und ein großer Berg:

Das kommt ihm alles entgegen.
Und der Peter?

da sieht der Peter die Sonne
der Peter sieht den Mond
der Peter sieht den Stern
der Peter sieht den Paul
der Peter sieht den Hund
der Peter sieht den Baum
der Peter sieht den großen Berg
“aber der Paul hat auch Augen, mit denen er herumschaut, und Sonne, Mond und Sterne leuchten und erschauen alles, und der Hund, der Baum und der große Berg können merken, was ringsherum da ist:

Und die alle finden den Peter in der Mitte:

die Sonne leuchtet und die Sonne findet den Peter
der Mond scheint und der Mond findet den Peter
der Stern strahlt und der Stern findet den Peter
der Paul schaut umher und der Paul erschaut den Peter

der Hund spitzt die Ohren und der Hund hört den Peter
der Baum lauscht in die Welt und der Baum spürt den Peter
das tut auch der Berg: der Berg spürt den Peter

Bilder und Texte werden nebeneinander gestellt:

“da seht ihr, wie es dem Peter ergehen kann”

und gerade so ergeht es allen anderen, der Sonne, dem Mond, dem Paul usw.

Die entsprechenden Sätze kann man heraussuchen und zusammenstellen
lassen, z. B.:
die Sonne findet den Peter, – der Peter schaut die Sonne usw.

Das muß nun geübt werden mit anderen Namen und anderen Tätigkeiten, indem die Bilder in vielen Variationen von den Kindern selbst gemacht werden.
Es wäre wahrscheinlich gut, die Bilder auf große Kartons zu malen, damit sie während der ganzen Grammatik-Periode sichtbar bleiben und die Entwicklung der späteren Bilder aus den früheren immer deutlich geschaut werden kann.

Fortsetzung: Was kann nun der Peter weiter erleben?

da steht er noch immer; aber er mag nicht mehr da alleine bleiben.

Vokativ             Was tut er nun? er fängt an zu rufen,
Ablativ             er ruft die Sonne, er ruft den Mond,
haben hier       er ruft die Sterne
ihren Platz

Die hören ihn wohl, aber sie können nicht zu ihm kommen, sie müssen am Himmel bleiben. Der große Berg kann sich nicht rühren, der Baum kann nicht laufen, der Hund hat Angst und läuft weg;

aber: der Paul kann zu ihm kommen

da sind sie ganz nah zusammen

[vokativ] sie sagen: “grüß Gott Peter, grüß Gott Paul.”

Da hat der Paul seine rechte Hand
da hat er seine linke Hand
Jetzt gibt der Paul dem Peter die rechte Hand
der Paul gibt dem Peter die linke Hand
das kann der Peter auch:
der Peter gibt dem Paul die rechte Hand
der Peter gibt dem Paul die linke Hand

so sieht das aus:

Hier wird die Beziehung so nah, daß man sie als Bewegung üben lassen
muB; das Bild kann nur die Anregung dazu geben. Nur in wirklich ausgeführter Bewegung wird das Intime des Dativs erlebt. Man kann auch aufmerksam machen auf den charakteristischen Laut:

M } da wird eine ganz enge Beziehung geknüpft

im Vergleich zu dem Akkusativ-Laut

N } darin liegt viel mehr Abstand.

Das verdeutlicht die eurythmische Geste der Laute, die den Kindern ja bekannt ist.
Mit vielen anderen Beispielen des Gebens, Schenkens, Bringens usw. kann es geübt werden.

Fortsetzung: “Jetzt will der Peter dem Paul etwas ganz besonders Schönes
schenken.”

Er macht ein wunderschönes Bild für ihn.

Jetzt ist es fertig:

Wie kommt es denn, daß es auf einmal Pauls Bild ist? Der hat es doch gar nicht selbst gemacht. Er hat es aber geschenkt bekommen, er besitzt es jetzt.
Jetzt wollen wir uns den Peter einmal anschauen:

Das Bild hat er nicht mehr,
·aber er hat noch vieles andere
da ist des Peters Kopf
da ist des Peters Leib
da sind des Peters Arme
da sind des Peters Beine usw.

das alles hat gar nicht nur der Peter
das haben die anderen alle auch:

das ist des Menschen Kopf
das ist des Menschen Leib
das sind des Menschen Arme und Beine
das konnte er nicht selbst machen,

das hat er alles geschenkt bekommen
der liebe Gott hat es geschaffen.

Das sind die Geschenke des lieben Gottes.
Der liebe Gott schenkt es dem Menschen
weil er ihn lieb hat.

Weiter: der Peter hat noch mehr:

da ist des Peters Hut, damit er nicht friert
da ist des Peters Jacke, die hält ihn warm
da ist des Peters Apfel und ein großes Stück Kuchen hat er:
da ist der Kuchen usw.

das konnte er auch alles nicht selbst machen, 
der Vater schenkt dem Peter die Jacke
die Mutter schenkt dem Peter den Kuchen
Das sind Geschenke des Vaters und der Mutter

die schenken ihm auch den Pinsel und die Farben, nun malt er schöne Bilder
und kann selber etwas schenken an alle die er lieb hat; darüber freut sich auch der liebe Gott.

Schenken und Empfangen sollte lebendig empfunden werden beim Dativ
und Genitiv. 
Damit ist die Behandlung am Ende wieder zurückgekehrt zu dem Menschen, der in die Welt hineinstrahlen kann .

Es ist dieses selbstverständlich nur als Grundriss für eine Behandlung
gedacht, in die manches an Erzählungen und Versen eingefügt werden wird.
Es kam darauf an, zu zeigen, daß die Grammatik nicht auf allerlei künstliche Weisen für das Bildbedürfnis der Kinder zurechtfrisiert zu werden braucht, sondern daß das, was in ihren Zusammenhängen sich dem Bewußtsein des Lehrenden als Idee zu erkennen gibt, gleichsam zurückverdichtet werden kann zu einem farbigen und bewegten Bildgeschehen für die Kinder.

.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

Nederlands: alle artikelen

Leerplan: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3377-3176

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 294)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Overgang 12e – 13e jaar; verbinding astaal- en etherlichaam; kind open voor historische impulsen. <1>
Wél verhalen en biografieën, nog geen historische verbanden vóór 12e jaar; deze omvormen naar historische impulsen;  <2> en <4>
Het belang om de historische impulsen als mens te leren kennen <3>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 294   

Stuttgart, 29 augustus 1919, voordracht 8. 

Blz. 112

Dann aber liegt wieder ein wichtiger Punkt in der Entwiklung
des Kindes da, wo der Mensch zwischen dem 12. und 13. Jahre steht.
In dieser Zeit verstärkt und erkraftet sich das Geistig-Seelenhafte des
Menschen, insofern dieses Geistig-Seelenhafte weniger vom Ich abhängig ist. Es durchkraftet und verbindet sich das, was wir gewohnt sind in der Geisteswissenschaft den astralischen Leib zu nennen, mit dem Ätherleib. Geboren wird ja der astralische Leib als selbständige Wesenheit erst richtig mit der Geschlechtsreife, aber er tritt durch den Ätherleib in einer eigentümlichen Weise auf, indem er diesen in der Zeit zwischen dem 12. und 13. Lebensjahre durchkraftet und durchsetzt. Da liegt also wieder ein wichtiger Punkt der Entwickelung. Er äußert sich so, daß der Mensch, wenn wir richtig behandeln, was in ihm steckt, dann anfängt, Verständnis zu entwickeln für das, was in
der äußeren Welt an Impulsen wirkt, die ähnlich sind den geistig-seelischen Impulsen, wie sie also zum Beispiel in der Außenwelt als geschichtliche Kräfte wirken. Ich habe Ihnen an einem Probebeispiel das Walten solcher geschichtlicher Kräfte so dargelegt, wie man sie verwenden kann im Volksschulunterricht.

<1>Maar nu is er opnieuw een belangrijk moment in de ontwikkeling van het kind, het moment namelijk waarop de mens de overgang maakt van het twaalfde naar het dertiende jaar.
In die tijd wordt het geest-zielenaspect van de mens sterker, krachtiger, voor zover dit aspect minder afhankelijk is van het ik. Dat wat wij in de geesteswetenschap gewoon zijn het astrale lichaam te noemen, doordringt en verbindt zich met het etherlichaam.° Het astrale lichaam wordt als zelfstandige entiteit weliswaar pas echt geboren met de geslachtsrijpheid, maar het manifesteert zich op specifieke wijze via het etherlichaam tussen het twaalfde en dertiende levensjaar, doordat de krachten van het astrale lichaam dan sterk in het etherlichaam doordringen en werkzaam zijn. Daar ligt dus weer een belangrijk punt in de ontwikkeling. Het manifesteert zich zo dat de mens – mits we goed omgaan met wat er in hem leeft – begrip gaat krijgen voor de impulsen in de wereld om hem heen, impulsen die gelijkenis vertonen met de geestelijke en psychische impulsen die zich in de wereld om ons heen bijvoorbeeld als historische krachten manifesteren.
Ik heb u aan de hand van een voorbeeld de werking van dergelijke historische krachten laten zien, op een manier die te gebruiken is voor de basisschool.° <1>

°etherlichaam: Steiner onderscheidt aan de mens behalve een fysiek
lichaam ook een ‘etherlichaam’, een ‘astraal lichaam’ en een ‘ik’. Het
etherlichaam of etherisch lichaam is de drager van alle levensprocessen
in het organisme; mensen hebben dit dus gemeen met planten en dieren.
Het astrale lichaam is de drager van innerlijke aandoeningen (gewaarwordingen, emoties, gevoelens), kortweg van de ziel; dit lichaam heeft de mens gemeen met de dieren. Het ‘ik’ tenslotte is uniek voor de mens; het is de organiserende en sturende factor in het samenstel van de lichamen.
Zie b
v. Theosofie [GA 9, vertaald] en De wetenschap van de geheimen der ziel
GA 13, vertaald]

Meer over het etherlijf  en het astraallijf.

°°voorbeeld … historische krachten … voor de basisschool: Zie Erziehungskunst.
Seminarbesprechungen (vertaling: GA 295)
Praktijk van het lesgeven, de werkbespreking van 28 augustus 1919) 

Aber obgleich Sie das, was ich für Sie auseinandergesetzt habe, in eine kindliche Sprache überführen müssen, so würden Sie, wenn Sie noch so kindlich sprechen
würden, doch nicht das richtige Verständnis für historische, für geschichtliche Impulse im Kinde erwecken können, wenn Sie vor dem vollendeten 12. Lebensjahre mit der Geschichtsbetrachtung an das Kind herankommen würden. Sie können Geschichte dem Kinde vorher in Form von Geschichten erzählen, können ihm Biographien erzählen.
Das wird es fassen. Aber geschichtliche Zusammenhänge wird es vor dem vollendeten 12. Jahre nicht fassen. Daher werden Sie ein Unheil anrichten, wenn Sie die Einhaltung dieses Zeitpunktes nicht beachten.
In diesem Zeitpunkte beginnt der Mensch eine Sehnsucht zu entwickeln,
dasjenige, was er früher als Geschichten aufgenommen hat, nun wirklich auch als Geschichte dargestellt zu bekommen. Und wenn Sie dem Kinde vorher Geschichten zum Beispiel von dem oder jenem Kreuzfahrer oder von andern erzählt haben, so müssen Sie nun versuchen, dies umzugestalten, so daß das Kind in diesem Umgestalteten die geschichtlichen Impulse, die geschichtlichen Zusammenhänge wahrnimmt.

<2>Maar hoewel u mijn woorden voor de kinderen moet vereenvoudigen, zou u, hoe eenvoudig u het ook zou vertellen, toch niet het juiste begrip voor historische impulsen kunnen wekken als u kinderen, voordat ze echt twaalf zijn geworden, historische beschouwingen zou voorzetten. U kunt voor die tijd over geschiedenis vertellen in de vorm van verhalen, u kunt biografieën vertellen. Dat zal het kind begrijpen. Maar historische verbanden zal het voordat het twaalf jaar is niet begrijpen. Daarom zult u onheil aanrichten als u hier geen rekening mee houdt.
Rond deze tijd begint de mens ernaar te verlangen om de verhalen die hij voordien heeft opgenomen nu ook echt als geschiedenis te horen te krijgen. En als u het kind voor die tijd verhalen hebt verteld bijvoorbeeld over een of andere kruisvaarder of over anderen, dan moet u die nu zo proberen om te vormen dat het kind in die nieuwe vorm de historische impulsen, de historische verbanden
herkent.

Blz. 113

( ) zum Geschichtlichen, insofern es nicht bloß Geschichten sind, werde ich überhaupt erst übergehen nach dem Erreichen des 12. Lebensjahres. Da beginnt das Kind innerlich Anteil zu nehmen an den großen geschichtlichen Zusammenhängen. Das wird für die Zukunft ganz besonders wichtig sein, denn es wird sich immer mehr und mehr die Notwendigkeit herausstellen, die Menschen schon zum Erfassen geschichtlicher Zusammenhänge zu erziehen, wahrend sie bisher gar nicht zu einer eigentlichen Geschichtsauffassung kamen. Denn sie waren mehr Glieder des Wirtschaftslebens und des Staatslebens, wurden in das Wirtschafts- und Staatsleben einmechanisiert und genügten auch den Anforderungen, den Interessen des Wirtschafts- und Staatslebens, wenn sie notdürftig Geschichten kannten über Herrscher und Kriege – was ja nicht Geschichte ist – und wenn sie Zahlen wußten, wann die Herrscher und höchstens noch einige berühmte Persönlichkeiten gelebt und wann die Kriege stattgefunden haben.
Wie sich das Kulturelle der Menschheit entwickelt hat, das wird in der Zukunft besonders Gegenstand des Unterrichts sein müssen. Dann aber wird der Unterricht die geschichtlichen Impulse in sich aufnehmen müssen, und man wird richtig im geeigneten Zeitpunkt diese geschichtlichen Impulse in den Lehrplan einstellen müssen.

( ) en met geschiedenis – voor zover het geen verhalen zijn – zal ik zeker pas beginnen na het twaalfde jaar. Dan begint het kind zich innerlijk te interesseren voor de grote historische verbanden.
<3>Dat zal vooral voor de toekomst heel belangrijk zijn. Want het zal steeds dringender nodig blijken te zijn om mensen echt tot begrip van historische verbanden op te voeden, terwijl ze tot nu toe van een werkelijk historisch bewustzijn gespeend zijn gebleven. Ze waren meer onderdelen van het economische leven en het staatsleven, ze draaiden mee in de mechanismen van economie en maatschappij; en om aan de eisen, de belangen van economie en maatschappij te voldoen, was het genoeg om globaal de geschiedenissen van heersers en oorlogen te kennen – wat geen geschiedenis is – en om wat jaartallen te kennen, te weten wanneer die heersers en hoogstens nog een paar beroemdheden leefden en wanneer die oorlogen plaatsvonden.
Hoe de cultuur van de mensheid zich heeft ontwikkeld, dat zal in de toekomst speciaal aandacht moeten krijgen in het onderwijs.
Maar dan zal het onderwijs zich kennis van de historische impulsen eigen moeten maken, en men zal die historische impulsen op de juiste manier, op het juiste tijdstip in het leerplan moeten opnemen. <3>
GA 294/112-113
Vertaald/118-119

Dus:
( ) mit dem Erzählen von Geschichten bis zum 12.Jahre fortfahren, um dann aus den Geschichten «Ge­schichte» zu machen.

( ) <4> net zoals we met het vertellen van verhalen tot aan het twaalfde jaar moeten doorgaan, om dan van die verhalen geschiedenis te maken. <4>
GA 294/115
Vertaald/120

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3376-3175

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde

.

Dierkunde in klas 4 berust o.a. op het mensbeeld – het 3-ledige – met hoofd, romp en ledematen.
In verschillende artikelen* wordt deze achtergrond nader verklaard.

Vaak wordt bij de ‘hoofddieren’ de adelaar als voorbeeld genomen.

Maar er zijn ook de ‘dagelijkse’ dieren, vogels bv. die we rondom het huis vinden.
De intelligentie die ze vertonen, kunnen we tot een ‘hoofdeigenschap’ rekenen.

Ook daar zijn interessante dingen over te vertellen.

Hier wat wetenswaardigheden over kraai, raaf, roek, ekster en kauw

.
Uit Brabants landschap 216
.

DE KRAAI

.

Deze grote zwarte vogels, 45-50 centimeter groot, komen algemeen voor in steden en dorpen. Ze zitten op onze daken, in de parken en langs het water.
Ook in de landbouwgebieden, in de buurt van boerderijen, zie je vaak kraaien.

In dichte bossen zie je deze vogels niet, wel aan de randen. De kraai weet altijd zijn kostje bij elkaar te scharrelen. Daar is in onze taal zelfs een uitdrukking over: ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat’. Het geluid van de kraai is krassen en kraaien. Het is geen mooi geluid, toch horen deze vogels bij de zangvogels. De kraai is een cultuurvolger.

Slechte reputatie

De kraai staat er niet goed op bij de mensen. Hij eet bijvoorbeeld jonge vogels. Mensen die hun best doen voor weidevogels zien vaak dat al hun inspanningen voor niets zijn geweest omdat de kraaien het broedsel en jonge vogels opeten. De kraai eet het nieuwe zaadgoed op. Hij kan veel schade aanrichten op een pas ingezaaide akker. Deze vogels kunnen er niets aan doen, want ze lusten nu eenmaal alles. Een kaal ingezaaid veld of jonge weidevogels laat de kraai niet liggen. Zeker niet wanneer ze open en bloot op het veld liggen omdat het gras en de kruiden niet genoeg bescherming bieden. 
Kraaien werken samen: één kraai leidt de moeder kievit af en de andere snoept de eieren of de kuikens weg. De kraai is een beschermde vogel, de mens en de kraai moeten leren samen te leven.

Levenswijze

De kraaivrouw en de kraaiman blijven hun leven bij elkaar. Vanaf maart tot in juni maken ze hun nesten. Ze maken een groot nest van takken en ander materiaal. Er zit van alles in de buitenkant van hun nesten, stukken ijzerdraad, plastic, kleerhangers, lappen stof enz. In het buitengebied zie je soms dat kraaien op de rug van schaap of koe landen en wol en haren uit de vacht van deze dieren trekken.
De binnenkant bekleden ze met mos, haren, wol en gras. Ze maken een zacht bedje voor de eitjes, mooie turquoise eitjes met stippen; tussen de 4 en 6 stuks. De kraaien broeden niet in een kolonie met anderen kraaien. Ze hebben een territorium van 15 tot 50 hectare groot.

Als er een buizerd, havik of reiger boven hun territorium vliegt dan gaan ze in de aanval en dan winnen meestal de kraaien.

Verschil mannetje-vrouwtje

Ze beginnen te broeden in maart en kunnen broedsels hebben tot eind juni. Het vrouwtje broedt en het mannetje brengt eten. Na drie weken komen de eitjes uit en de kuikentjes zijn naakt, blind. Na drie weken zitten ze al in de veren en na een maand kunnen ze vliegen. De kraaien letten niet altijd even goed op hun broedsel. Dan kan bijvoorbeeld een eekhoorn zijn slag slaan.
Op het einde van zijn tweede levensjaar is de kraai geslachtsrijp. De jonge kraaien leven in groepen bij elkaar en na de broedtijd zoeken de oude kraaien de groepen weer op. Ze slapen in hoge bomen. Vlak voor het slapen gaan maken ze een heleboel herrie. Ze lijken eerst nog even te keten; net als bij een slaapfeestje.

Een jonge kraai laat zich goed africhten, maar zo gauw hij zijn vrijheid heeft zal hij het gezelschap van andere kraaien zoeken. Zo’n kraai heeft dan niet geleerd dat hij afstand tot mensen moet houden en komt dan op ons af. De kraai lijkt dan agressief te zijn en is het kind van de rekening, dus nooit doen; een kraai africhten.

Bonte kraai

Deze kraai is naaste familie van de zwarte kraai en leeft in Noord- en Oost-Europa. Als het daar erg koud wordt komen ze naar het westen. In het grensgebied van deze twee soorten paren de zwarte en bonte kraai met elkaar, je krijgt dan kruisingen.

Voedsel

De kraai eet alles. En hij is erg slim, bijvoorbeeld noten laat hij van grote hoogte vallen, of hij rolt ze op de weg. Dan rijdt er een auto over en dan is zijn noot een hapklare brok.
Kijk maar eens op het menu wat hij allemaal lust. Als wij veel eten weggooien en hondenpoep niet opruimen dan is de kraai er als de kippen bij om het op te eten. De kraai eet ook bergen emelten, wormen, ritnaalden en kevers die schadelijk zijn voor de landbouw.

Vijanden

De mens. Verder uilen, buizerd en havik. Ook marters en eekhoorns, als die de kans zien om het nest leeg te roven.

Nesten

De nesten worden na gebruik verlaten en in een volgend broedseizoen gebruikt door vogels die zelf geen nest maken zoals bosuil, ransuil en boomvalk.

.

Zwarte kraai 

In Europa komen twee variëteiten van de kraai voor: de zwarte kraai in het westen en de bonte, die een meer oostelijker verspreidingsgebied heeft, maar die in de wintermaanden naar het westen trekt. In die periode zijn beide geografische rassen in ons land te zien. In de zomer loopt de grens door Duitsland, Oostenrijk naar Italië. Kraaien zijn langzamerhand cultuurvolgers geworden. Ze voeden zich dan ook met allerlei afval dat de mens achterlaat. Behalve in bossen en parken, komen ze eigenlijk overal voor waar maar bomen staan. Kraaien leven meestal in paren, al sluiten ze zich ’s winters wel tot zwermen aan. Hun nesten worden in bomen gebouwd en bestaan uit takken, mos, halmen, graspollen en dergelijke. De bodem wordt in bossen vaak met leem bekleed, in de nabijheid van de mens kan hij echter ook uit papier bestaan. De nesten worden vaak jaren achtereen gebruikt. Eind maart of begin april worden maximaal 6 eieren, groen en donker gevlekt, gelegd, die gedurende 17 tot 20 dagen worden bebroed. Het wijfje verricht dat karwei alleen. Het mannetje voorziet haar van voedsel. De jongen blijven ongeveer een maand in het nest. Daarna vliegen ze uit, maar blijven nog geruime tijd bij de ouders. Kraaien zijn overigens langslapers. Ze gaan pas op voedsel uit als de zon al een tijd aan de hemel staat en voor deze ondergaat, hebben ze zich alweer te ruste begeven. Kraaien zijn alleseters. Ze voeden zich zowel met dierlijk als plantaardig materiaal. Ook zijn het beruchte eierdieven. In het voorjaar eten de kraaien vrijwel uitsluitend eieren en jonge vogels. Ook vangen ze allerlei kleine dieren, waaronder kleine knaagdieren. Bessen, vruchten en zaden staan eveneens op het menu.

Je zou ook nog iets over de raaf kunnen vertellen:

Raaf 

De raaf is van huis uit een bosbewoner. In Midden-Europa is hij zeer schuw, terwijl hij in Oost-Europa en in Azië in dorpen op kerktorens nestelt. Vroeger waren de raven in Europa veel algemener dan thans het geval is, hoewel hun bestand hier en daar naar het schijnt wat toeneemt. In 1927 broedde het laatste stel in Nederland. In 1968 werden exemplaren uit Duitsland ingevoerd. Of ze zich hier echter zullen handhaven, is de vraag. Ze bouwen hun nesten in hoge bomen, ook wel op rotsen. Elk paar gebruikt steeds hetzelfde nest, waardoor in de loop der jaren een machtig bouwwerk ontstaat. De eigenlijke nestbouw wordt alleen door het wijfje verricht. Het mannetje sleept het materiaal ervoor aan. Het komt wel voor dat raven een nestelplaats in de buurt van de horst van een roofvogel opzoeken om zich met de buit van deze te voeden. Niet voor niets nemen de raven in vele streken de plaats van de gieren in. Het wijfje legt vaak al eind februari 5 tot 6 groen gevlekte en gespikkelde eieren. Zij neemt het broeden grotendeels voor haar rekening. Alleen als ze op voedsel uitgaat, neemt het mannetje haar taak over. Dc jongen komen na ongeveer 20 dagen uit. Ze blijven nog circa 40 dagen in het nest. Dan vliegen ze uit, maar ze blijven nog geruime tijd-vaak het hele jaar-bij de ouders. De raven voeden zich met allerlei dierlijke resten. Ook maken ze jacht op allerlei kleine gewervelde dieren en insecten. Eieren en jonge vogels staan eveneens op het menu, evenals vruchten en zaden. Raven die van jongs af door de mens zijn verzorgd, kunnen bijzonder tam worden. Wat dat betreft, doen ze niet onder voor de kauwen of torenkraaien-een familielid van de raven.

Bijzonder opvallend bij de raaf is voorts de bruiloftsvlucht, die in het voorjaar wordt uitgevoerd. Zij tonen zich dan ware luchtacrobaten.


Geluid van de kraai;  van de raaf

Dan heeft de roek weer veel weg van de kraai:


De ekster zien we ook veel. Deze is goed te onderscheiden van de bonte kraai.
Wanner je de roek met de kraai vergelijkt, kan een hulpje zijn dat ‘de roek heeft een broek’, aan de bovenkant van de poten, tegen de romp, duidelijk te zien.

Roek

Al in de zomer scharrelen op het bouwland grote groepen roeken rond om voedsel te zoeken. Ze eten zaden, insecten, wormen enz. en soms ook kadavers. In de winter trekken deze vogels naar het zuiden en wordt hun plaats ingenomen door exemplaren die in noordelijker gebieden broeden, ’s Winters zoeken zij de nabijheid van de mens op, zelfs tot in de steden, in parken en tuinen om voedselafval te vinden, ’s Middags vliegen ze dan in zwermen naar het bos om in hoge bomen te overnachten. In het vroege voorjaar keren de roeken in hun broedgebied terug. Ze nestelen in kolonies in hoge bomen en bouwen hun nest van droge takken, gras, mos, haar enz. In een grote boom vindt men soms verscheidene dozijnen nesten. Al vroeg in de morgen kan men hier het gekras van deze vogels horen. De broedkolonies liggen soms in parken en buitenplaatsen midden in de stad. Hier wordt echter niet voldoende voedsel gevonden en daarom vliegen de vogels soms ver buiten de stad om op weiden en bouwland voer voor de jongen te zoeken. Reeds eind maart of begin april legt het wijfje 3 tot 5 groenachtige, donkergevlekte eieren, die 17 dagen worden bebroed. Gedurende deze tijd wordt het wijfje door het mannetje gevoerd. De jongen blijven ongeveer 6 weken in het nest en worden door beide vogels gevoerd. In juni verlaten de roeken hun kolonie en verspreiden zich in de wijde omgeving.

Geluid roek;   geluid ekster

Ekster 

De ekster komt voor in allerlei landschappen waar bosjes of bomen zijn. Hij komt in heel Europa voor en is ook in de winter in de buurt van zijn broedgebied te vinden. Hij heeft een lange staart die vooral in de vlucht opvalt. Op sommige plaatsen is de ekster in de broedtijd zeer schuw maar elders bouwt hij zijn nest langs wegen en in de nabijheid van dorpen. Het nest bestaat uit droge takken, stukjes hout, gras, vezels, blad enz. De nestkom wordt gevoerd met haar en dergelijke. Men kan het gemakkelijk herkennen aan het overkoepelende dak van stekelige takken. Het nest ligt vaak tot 25 m boven de grond, maar wordt ook wel gevonden in een bosje op een hoogte van niet meer dan 1,5 m. Soms ligt het zelfs in het riet. Het wijfje legt in april 3 tot 10 groenige, gevlekte eieren, die het in 17 tot 18 dagen uitbroedt. De jongen verlaten het nest na 26 dagen en blijven de hele winter bij de ouders. In het voorjaar zonderen ze zich af en zoeken in de omgeving, meestal niet verder dan 10 km van het ouderlijk nest, een eigen nestelplaats. De ekster leeft van insecten, weekdieren, wormen, kleine gewervelde dieren, eieren, zaden en bessen. Een in gevangenschap grootgebrachte ekster wordt heel tam en volgt zijn baas als een hondje. Deze vogels hebben een bijzondere voorliefde voor glimmende voorwerpen, die ze plegen mee te nemen en te verstoppen.

En dan is er nog de kauw, die weer veel op de roek lijkt:

Kauw

De kauw of torenkraai komt in heel Europa voor, hij leeft in groepsverband en broedt in kolonies. Behalve tijdens het broeden zwerven ze en zoeken vaak het gezelschap van andere kraaiachtigen op. In maart worden de nestplaatsen betrokken in rotswanden, lanen met veel holle bomen, ruïnes, tot kerktorens en schoorstenen in de stad. Ze bouwen een nest van takjes, stro, mos, veertjes enz. in een holte. Eind april legt het wijfje 4 tot 6 blauwgroene, grijs gevlekte eieren, die het-voornamelijk alleen-in 17 tot 18 dagen uitbroedt. De jongen worden door beide oudervogels gevoerd. Ze blijven ongeveer een maand in het nest en trekken daarna rond met de oude vogels. Kauwen voeden zich met insecten, spinnen, wormen, een enkele maal met kleine gewervelde dieren en voorts met granen, bessen enz. Een door mensen grootgebrachte jonge kauw wordt zeer tam en wordt een onderhoudend ‘lid’ van het gezin. Hij volgt de mensen en zit graag op hun schouder.

Geluid kauw

.

Leesboek dierkunde: specht

*Dierkundealle artikelen 

Rudolf Steiner over dierkunde

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde

.

3375-3174

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen (GA 58)

.

Zie de inleiding bij GA 34 en  GA 57

Rudolf Steiner spreekt in de hieronder genoemde voordracht over ‘geestelijke ontwikkeling’.
In de inleiding bij GA 34 geef ik een triviaal voorbeeld van hoe de ene mens meer van een bepaald onderwerp weet dan een ander.
Nu gaat het bij ‘ingewijd zijn’ niet om een bepaald ‘weten’ dat je door studie je zou kunnen eigen maken.
Je gaat ‘anders’ en ‘iets anders’ waarnemen.

GA 58

Metamorphosen des Seelenlebens
Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel
Ervaringen van de ziel

Die Mission der Geisteswissenschaft einst und jetzt

De opdracht van de geesteswetenschap vroeger en nu

Voordracht 1, Berlijn, 14 oktober 1909

Blz. 31

Der Weg aber zu dieser Einweihung war anders in alten Zeiten; und er ist anders in unseren neueren Zeiten, weil die Mission der Geisteswissenschaft immer eine verschiedene ist. Die alte Initiation, welche diejenigen durchzumachen hatten, die zu den Menschen der Vorzeit zu sprechen hatten, führte diese Menschen auch hinauf zum unmittelbaren Erleben der geistigen Welt; sie konnten hineinschauen in Reiche um den Menschen herum, die höher sind als das, was die Sinne um uns herum schauen können. Aber diese Menschen schauten auf eine solche Art hinein, daß sie ihre Anschauung umwandelten, so daß das Geschaute dann von den Menschen in einem Symbolum, in einem Sinnbild verstanden werden konnte. Sinnbildlich konnten die alten Eingeweihten nur ausdrücken, was sie erschauten. Solche Sinnbilder erstreckten sich auf den ganzen Umfang dessen, was den Menschen interessiert an der Welt. Und solche Sinnbilder aus einer wirklichen Welterfahrung sind uns erhalten in den Mythen und Sagen, die aus den verschiedensten Zeiten von den verschiedensten Völkern vorhanden sind. Solche Mythen und Sagen sind nur für den grünen Tisch der Gelehrsamkeit – nicht für wahre Forschung – etwas, was aus der «Volksphantasie» entsprungen ist. Für denjenigen, der die Tatsachen kennt, sind Mythen und Sagen herausgeschöpft aus den Anschauungen der Geistesforscher, und in einer jeglichen wirklichen Mythe und Sage haben wir zu sehen ein

Maar het pad naar deze inwijding was in de oudheid anders; en in onze moderne tijd is het anders omdat de missie van de geesteswetenschap altijd anders is. De oude initiatie, die degenen die met de mensen uit de oudheid moesten spreken, moesten doorlopen, leidde deze mensen ook naar de directe ervaring van de spirituele wereld; ze waren in staat om in gebieden rondom de mensen waar te nemen die hoger zijn dan wat de zintuigen om ons heen kunnen zien. Maar deze mensen namen zo waar, dat ze wat ze waarnemen, omzetten zo, dat dit vervolgens door mensen kon worden begrepen in een symbool, in een zinnenbeeld. De oude ingewijden konden alleen symbolisch uitdrukken wat ze zagen. Dergelijke symbolen strekten zich uit tot de hele reikwijdte van wat mensen in de wereld interesseert. En zulke symbolen uit een echte wereldervaring zijn voor ons bewaard gebleven in de mythen en sagen die bestaan ​​uit de meest uiteenlopende tijden en van de meest uiteenlopende volkeren.
Wat de wetenschap betreft, zijn deze mythen en sagen alleen bedoeld voor op het bureau– iets dat is voortgekomen uit de  fantasie van het volk – niet voor echt onderzoek.
Voor degenen die de feiten kennen: mythen en sagen zijn ontleend aan de waarnemingen van spirituele onderzoekers, en in elke echte mythe en sage moeten we een 

Blz. 32

äußeres Bild für etwas, was der Geistesforscher in seiner geistigen Anschauung erlebt hat; oder mit einem Wort Goethes: Was er mit Geistesaugen gesehen, mit Geistesohren gehört hat. Dann erst werden uns Sagen und Mythen begreiflich, wenn wir sie auffassen als Sinnbilder für eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Welt.
Es sind das zunächst diejenigen Sinnbilder, durch die man zu dem weitesten Umkreis des Volkes sprach. Denn was sich heute der Mensch einbildet, daß die Menschenseele immer so gewesen wäre, wie sie gerade in diesem Jahrhundert ist, das ist nicht der Fall. Die Menschenseele hat sich geändert; ihre ganze Empfänglichkeit war früher eine andere. Die Menschenseele war befriedigt, wenn sie dieses Bild, das im Mythos gegeben war, empfing; denn dadurch wurde die Seele angeregt, dasjenige, was sie außen sah, in einer viel unmittelbareren Anschauung vor sich zu haben

uiterlijk beeld zien voor iets dat de spirituele onderzoeker bij zijn eigen waarneming ervaren heeft; of met een woord van Goethe: ‘Wat hij met geestelijke ogen heeft gezien en met geestelijke oren gehoord’. Alleen dan zullen we mythen en sagen gaan begrijpen; als we ze opvatten als symbolen voor een echte kennis van de spirituele wereld.
Allereerst zijn dit de symbolen waarmee men de breedste kring van de mensen aansprak. 
Wat mensen zich vandaag de dag voorstellen, dat de menselijke ziel altijd zo geweest is zoals die deze eeuw is, is niet het geval. De menselijke ziel
is veranderd; al haar ontvankelijkheid was vroeger anders. De menselijke ziel was tevreden als ze dit beeld dat in de mythe werd gegeven, ontving; dit stimuleerde de ziel om wat ze buiten zag, dat wat zij was, in een veel directere waarneming voor zich te hebben. 

Heute ist die Mythe eine Phantasie.
Wenn aber früher der Mythos sich in die Menschenseele hineinsenkte, stand vor der Menschenseele das, was die Geheimnisse der menschlichen Natur sind. Und wenn die Seele auf die Wolken, auf die Sonne und so weiter sah, so geschah das in der Weise, daß sich für sie notwendig ein Verständnis dessen ergab, was sie vor Augen hatte, wenn sie den Mythos hatte. Für eine kleinere Anzahl wurde dann das, was man höheres Wissen nennen könnte, in den Symbolen gegeben. Während man heute geradeaus redet und reden muß, konnte man dasjenige,
was die Seele des alten Weisen oder Eingeweihten erlebte, nicht ausdrücken in unseren Seelenkräften; denn die hatte weder der Eingeweihte, noch hatte sie sein Zuhörer. Diese Kräfte wurden erst entwickelt. Man konnte sich nur ausdrücken, wenn man sich der Sinnbilder bediente. Diese Sinnbilder sind in einer Literatur erhal-

Tegenwoordig is de mythe een fantasie.*
Maar als de mythe destijds tot in de menselijke ziel doordrong, stonden de geheimen van de menselijke natuur voor de menselijke ziel. En als de
ziel naar de wolken keek, naar de zon enzovoort opzag, gebeurde dat op zo’n manier dat er voor haar noodzakelijkerwijs een begrip ontstond van wat ze voor haar ogen had, als ze de mythe had.
Voor een kleiner aantal werd dan dat wat hogere kennis genoemd zou kunnen worden, in de symbolen gegeven.
Terwijl men vandaag de dag spreekt en moet spreken, kon men datgene wat de ziel van de oude wijze of ingewijde beleefde, niet uitdrukken met onze zielenkrachten, omdat noch de ingewijde, noch zijn luisteraar die hadden. Deze krachten waren nog maar net in ontwikkeling. Men kon zich alleen uitdrukken als men de symbolen gebruikte. Deze symbolen worden bewaard in een lectuur

Blz. 33

ten, welche dem Menschen heute höchst merkwürdig vorkommt. Heute wird der Mensch Gelegenheit haben, insbesondere wenn neben dem Erkenntnisdrang auch die Neugierde erweckt ist für solche Sachen, da oder dort manches alte Buch – ich hätte bald gesagt: manchen alten Schmöker – vor Augen zu bekommen, wo sich wunderbare Bilder befinden, welche symbolisch zum Beispiel den Zusammenhang der Planeten ausdrücken; wo irgendwelche geometrische Figuren sind, Dreiecke, Vierecke und so weiter. Wer mit den heute entwickelten Erkenntniskräften an diese Bilder herantritt, der wird, wenn er nicht gerade seine Seele in dieser Richtung entwickelt hat, daß er Geschmack daran findet, aus unserer heutigen Bildung heraus sagen: Was kann man
mit all diesem Zeug anfangen? Was kann man anfangen mit dem, was uns da als sogenannter «salomonischer Schlüssel» als symbolische Figur überliefert ist, mit diesen Dreiecken, Vierecken und so weiter?

die voor de mensen van vandaag uiterst vreemd overkomt. Tegenwoordig krijgt de mens de gelegenheid, vooral als er naast het verlangen naar kennis ook nieuwsgierigheid gewekt is voor deze dingen, hier of daar menig oud boek – ik zou al snel gezegd hebben: menig oud boek dat niet om aan te zien is, in te kijken om te zien waar prachtige afbeeldingen staan, die bijvoorbeeld symbolisch de samenhang van de planeten uitdrukken; waar geometrische figuren in staan, driehoeken, vierkanten enzovoort. Wie met de kennis die tegenwoordig ontwikkeld is, zich met deze afbeeldingen bezighoudt, zal, als hij zijn ziel niet net in die richting heeft ontwikkeld dat hij die wel kan waarderen, vanuit onze opleiding van vandaag zeggen: Wat moet je ermee? Wat kun je ermee? Wat moet je met de zogenaamde ‘Salomonische sleutel’ die ons overgeleverd is als een symbolisch figuur, met deze driehoeken, vierkanten enzovoort?

Gewiß, auch der Geistesforscher wird Ihnen sagen:für den heutigen Menschen ist vom Standpunkte der heutigen Bildung aus zunächst nichts damit anzufangen.
Dazumal aber, als diese Bilder den Schülern überliefert worden sind, da wurde dadurch wirklich in den Seelen etwas erweckt. Heute ist die Menschenseele anders. In der Zeit, wo die Menschenseele sich entwickeln muß, um auf die Fragen der Natur und des Lebens in der heutigen Weise zu antworten, da kann der Seele nicht aufgehen der innere Trieb, derartiges so anzuschauen, wie man es zum Beispiel tat bei den zwei ineinander verschlungenen Dreiecken, das eine mit der Spitze nach oben, das andere mit der Spitze nach unten. Wenn dieses
Bild früher einem Menschen vor die Augen trat, da regte und rührte sich beim Anschauen etwas in seiner Seele;

Zeker, de spirituele onderzoeker zal je ook vertellen: voor de mensen van vandaag vanuit het oogpunt van hun huidige opleiding, is er in eerste instantie niets mee te beginnen.
Maar in het verleden, toen deze beelden aan de leerlingen werden gegeven,  werd daardoor werkelijk in de zielen iets opgeroepen.
Tegenwoordig is de menselijke ziel anders. In de tijd waarin de menselijke ziel zich moest ontwikkelen om de vragen van de natuur en het leven in de wereld te beantwoorden, kan in de ziel niet de innerlijke drang ontstaan zo naar zulke dingen te kijken zoals dat bijvoorbeeld werd gedaan met de twee in elkaar

verweven driehoeken, de ene met de punt naar boven, de andere met de punt naar beneden. Als dit beeld vroeger voor de ogen van een persoon verscheen, dan kwam er bij die waarneming in zijn ziel iets in beweging;

Blz. 34

da sah die Seele in etwas hinein.
So wie heute das Auge durch das Mikroskop etwas sieht, wie zum Beispiel die
Pflanzenzellen, was es ohne das Mikroskop nicht sehen kann, so dienten als Werkzeuge für die Seele diese symbolischen Figuren. Da sah man, wenn man den sogenannten salomonischen Schlüssel in der Seele als Vorstellung hatte, in die geistige Welt hinein, wie man eben mit der bloßen Seele nicht in die geistige Welt hineinsieht. So ist aber die Seele heute nicht mehr. Daher kann auch, was in solchen alten Schriften aus den Geheimnissen der geistigen Welt überliefert worden ist, nicht mehr in demselben Maße «Wissenschaft» sein; und diejenigen, welche es heute als Wissenschaft ausgeben oder noch im 19. Jahrhundert als Wissenschaft ausgegeben haben, die tun etwas, was nicht mehr sachgemäß ist.

de ziel zag daar iets in.
Net als tegenwoordig het oog iets ziet door de microscoop, zoals bv. plantencellen, die je niet kan zien zonder de microscoop, zo dienden als gereedschap voor de ziel deze symbolische figuren. Toen keek men, als men de
zogenaamde Salomonische sleutel als voorstelling in de ziel had, in de geestelijke wereld, zoals je nu eenmaal niet in de geestelijke wereld schouwt met alleen maar je ziel. Maar de ziel is vandaag de dag niet meer zo. Daarom kan, wat in zulke oude geschriften is overgeleverd vanuit de geheimen van de spirituele wereld, niet langer in dezelfde mate ‘wetenschap’ zijn; en degenen die het vandaag de dag als wetenschap doorgeven of het in de 19e eeuw als wetenschap hebben uitgegeven, doen iets dat niet langer adequaat is.
GA 58/32-34
Niet vertaald
.

Rudolf Steiner over mythen en sagen: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3374-3173

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaarsfolklore

.
Artikel waarschijnlijk van ca. 1980

.

nieuwjaar
.

Onze heidense voorouders kenden geen bepaalde Nieuwjaarsdag. Zij vierden de overgang van het oude in het nieuwe jaar met een feestperiode van twaalf dagen, de zogenaamde Twaalf Nachten, want de Germanen rekenden bij nachten (vergelijk het Engelse ‘fortnight’ = veertien dagen, twee weken). Na de kerstening plaatste de Kerk aan het begin van de Twaalf Nachten de Kerstdag, aan het einde Driekoningendag; in het midden kwam de Romeinse Nieuwjaarsdag van 1 januari. Al deze drie dagen zijn ‘nieuwjaarsdagen’, met nieuwjaarsgebruiken.

Bij de overgang van elk jaargetijde plachten onze voorouders alle bestaande vuur te doven en nieuw vuur te ontsteken door hout op hout te wrijven; zo ontstond ‘zuiver vuur’, het zogeheten ‘noodvuur’ (waarin ‘nood-’ verwant is met Oudhoogduits ‘nüan’ = stukwrijven). Van dit gebruik komen de Kerst- en Nieuwjaarsvuren, die oudtijds ook op stadsmarkten en stadspleinen brandden. Dit geschiedde op de avond vóór Kerstmis, vóór Nieuwjaar, want ook de Germanen rekenden de avond bij de volgende dag. Daarom vieren wij Sint-Nikolaas op 5 december, ofschoon 6 december diens ‘naamdag’ (sterfdag) is.

Nieuwjaarsvuren komen nog hier en daar voor in Friesland. Op een stuk land brengen de kinderen allerlei brandstof bijeen, reeds dagen tevoren aan de huizen opgehaald. Lijken de kerstvuurtjes te Zwaagwesteinde tot het verleden te behoren, oudejaarsvuren (‘Aldjiersbran’) komen nog voor te Kortezwaag, Langezwaag, Terwispel en Lippenhuizen. In hun naijver trachten de kinderen elkaars vuur ontijdig te doen ontvlammen, net als dat in het oosten des lands wel met de paasvuren gebeurt.

Men geloofde dat de geesten van de afgestorvenen (die nadeel zouden kunnen berokkenen aan de levenden) in de Twaalf Nachten op aarde terugkeerden, en probeerde hen door geraas te verjagen. Zo verklaart zich het lossen van schoten in de nieuwjaarsnacht, het blazen op horens, het ratelen met ratels en het luiden van klokken in de voorafgaande dagen en nachten. Maar ook konden deze geesten, gunstig gestemd, vruchtbaarheid verlenen aan veld, vee en volk. Daarom werden aan hen offers gebracht, die men dan zelf weer nuttigde tijdens overvloedige maaltijden: hoe meer men gaf en hoe meer men at, des te vruchtbaarder jaar zou er volgen. Ook het uitdelen van geschenken zag men in dit licht. Dit gebruik werd in Duitsland en in Engeland verbonden aan de kerstdag, in Frankrijk aan 1 januari en in Italië aan Driekoningendag. In Nederland werd Sint-Nikolaas de brenger van de geschenken – in Vlaanderen zijn dit Sint-Nikolaas en Sint-Maarten beiden. Toch namen wij ook iets van de Romeinse schenkingsdag op 1 januari over, want dan delen wij onze wensen uit – oorspronkelijk geen lege vormen, daar deze geschenken rituele kracht verkregen door het tegengeschenk dat men ervoor ontving. Toen dit besef verdween, ontaardde het in bedelarij. Plakkaten moesten onze voorouders beschermen tegen het afeisen van nieuwjaarsgiften op straat. De wensers bedachten er toen wat anders op: zij gingen almanakken en vervolgens nieuwjaarspreken met berijmde gelukwensen te koop aanbieden en rekenden op een ruime betaling. Porders, straatvegers, lantaarnopstekers, askarremannen, nachtwachts, klokkenluiders, torenwachters, omroepers plachten op die prenten tevens een toepasselijke voorstelling van hun taak te geven. Hieraan danken wij een kostelijke verzameling houtsneden met voormalige stadsgezichten en bedrijven. Ook wel met andere voorstellingen: de nieuwjaarswens van de Zwolse nachtwacht uit 1825 beeldt de aartsengel Michaël, de beschermheilige van Zwolle af, zoals die de draak verslaat.

Nachtwachts Nieuwjaarswens van Zwolle, 1825. 21 x 34 cm.

Op de Nieuwjaars- Heil en Zegenwensch voor het jaar 1913, van de gaslantaarnaanstekers, ziet men de visbank, nog steeds een markant gebouw in Vlaardingen. Onder het vaers staan de namen van achtgaslantaarnaanstekers, toentertijd in functie (Visserijmuseum, Vlaardingen). In 1918 wensen de ‘karrelieden’ van Vlaardingen, drie in getal:

‘Nu Burgers, allen groot en klein,
Houd moedig ’t hoofd naar boven,
Wil met ’t randsoen tevreden zijn,
Dan komt men ’t wel te boven’.

Nieuwjaarswens van de gaslantaarnaanstekers te Vlaardingen, 1913. Visserijmuseum.

Zo spiegelen nieuwjaarswensen de noden en verlangens van de tijd en zijn ze ook uit dien hoofde van belang.

Kinderen schreven op een groot vel papier, met randversiering van gekleurde en ongekleurde tafereeltjes en bloemen, een nieuwjaarsbrief, een berijmde nieuwjaarsbrief voor ouders en familieleden.

Op een nieuwjaarsbrief van 1752, die zich in de rijke verzameling van het Westfries Museum te Hoorn bevindt, stellen deze tafereeltjes de Verkondiging, de Aanbidding der Herders en der Koningen en de Vlucht naar Egypte voor. De meester schreef de brief op het bord voor, nam de hoofdletters voor zijn rekening en zette, als de ruimte het toeliet, er nog sierlijke krullen onder. Op nieuwjaarsdag zag men de kinderen fier met hun opgerolde nieuwjaarsbrief over de straat stappen en de stadswerklieden, keurig aangekleed, hun prenten rondbrengen aan de huizen.

Nieuwjaarsbrief of kransje, 1752. 38 x 48 cm. West-Fries Museum, Hoorn.

Ook schreef men in de 18de en 19de eeuw Paas-, Pinkster- en Kerstbrieven. Deze pennekunst werd wel door drukwerk vervangen. Bovendien placht de gehele burgerij, tegen de overgang van Oud naar Nieuw, een optocht te vormen en met de nachtwacht voorop het nieuwjaarslied te zingen. Tot heden handhaafde zich dit gebruik o.a. te Ootmarsum, waar men zingt:

Komt, burgers, komt nu allen terstond.
Het nieuwe jaar intreden.
Ik wens u op dees vasten grond
Veel heil, geluk en zegen.
Het oudejaar dat is verdween.

Het nieuwe zijn wij weer ingetreên.

Verheugt u, burgers, in uw lot,
Wilt hem, den Here, prijzen.
Knielt neder voor den groten God,
Wilt Hem alle eer bewijzen.
De nachtwacht wenst u met elkaar
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar.

Ik wens aan ieder stadgenoot
Veel heil, geluk en zegen.
En ook aan elk zijn dagelijks brood,
Hem van den Heer gegeven.
En dat wens ik, in deze stond,
Elk burger toe, met hart en mond.

Komt, burgers, komt nu allen terstond. Het nieuwe jaar intreden.
Ik wens u op dees vasten grond Veel heil, geluk en zegen.

Het oudejaar dat is verdween. Het nieuwe zijn wij weer ingetreên

Wel verbrandde in 1914 de oude ratel mét het nachtwachthuisje, doch een minnaar van oude folklore uit een naburige plaats zorgde voor een nieuwe. En toen de nachtwacht te Ootmarsum in 1921 werd afgeschaft, is besloten hem toch op Oudejaarsavond zijn zingende ommgegang door de stad te laten houden. Blijkens De Navorscher (1853, blz. 131) was zo’n nachtelijke Oudejaarsommegang ook in Goor gebruikelijk. Ook in Gransbergen is het niet onbekend.

Te Grouw verzamelde zich, tot voor kort, de gehele burgerij tegen middernacht op het plein, waar vuurwerk werd afgestoken, onder het huilen van de stoomfluit. Dan maakte men, met de politie voorop, een rondgang met muziek, voornamelijk van schippershoorns. De staart van de stoet bedreef buiten het oog van de politie allerlei kattenkwaad, haalde bootjes uit het meer, sjouwde die over de weg en smeet ze in de sloot. In heel Friesland trouwens (en elders in de Nederlanden) wordt alles wat op het heem van boerderij, woning of werkplaats onbeheerd aangetroffen wordt, in de Oudejaarsnacht uit elkaar genomen, soms vernield en naar de meest zonderlinge plaatsen overgebracht, tot op de naald van de schuur toe, waar zelfs boerenwagens prijken, alsof zij door de lucht rijden! Men noemt dit gebruik in Friesland ‘(Nijjiers)tögjen’ of ‘slepen’ (de laatste term is algemener, o.a. Gronings).

Van de nieuwjaarszangers, die eertijds, veelal met een draaiende ster, wekenlang overal in stad en land de ronde deden, kende Groningen tot na de Tweede Wereldoorlog er nog één. Van half november tot eind februari liep hij de boerderijen af, op het Hogeland, om er zijn Nijjoarslaid alias Fivelgoër Kerstlaid te zingen. In een bijgewerkte vorm luidt dit lied aldus:

.

Nieuwjaarszanger in Groningen (alleen met een stok). Houtsnede van Nico Bulder in P. Groen, Oude en nieuwe Groninger liederen2, Winschoten 1958.

Wilt horen, waarde huisman schoon,
Wat ik u zal verhalen,
Hoe dat de Heer Zijn eigen Zoon
Voor ons deed nederdalen. (2x)

Te Bethlehem al in een stal,
Daar ligt het Kind in doeken.
Tot redding van ons mensen al-
Och, mochten wij hem zoeken!

Hij daalde uit den Hemel neer,
Werd in een vrouw geboren,
Maar bleef als Kind der heren Heer,
Voor ’t volk door Hem verkoren.

Hij is voor ons een dierbaar pand,
Wij hebben niets te vrezen:
Gezeten aan Gods rechterhand
Wil hij tot borg ons wezen.

Nu wens ik U, zo man als vrouw:
Laat God dit huis bewaren;
Weest Hem getrouw, in vreugd en rouw,
Een lange reeks van jaren!

(huisman = boer)

Wilt ho-ren, waar-de huis-man schoon, wat ik u zal ver-

ha-len, Hoe’dat de Heer zijn ei-gen Zoon Voor ons deed ne-der-da-len.

In een sociale samenhang geplaatst ziet men het Nieuwjaarslied van Tidde Telu in het toneelstuk Rensumaheerd, geschiedenis van ’n Grunneger boerenploats van Tjaard W. R. de Haan (maandblad Groningen, december 1976, blz. 75).

In de meeste landen van Europa zijn het bij uitstek de kinderen, die nieuwjaarswensen rondbrengen: aan wensen van onschuldige kinderen werd oudtijds bijzondere kracht toegekend. In de nadagen van het gebruik waren het vrijwel alleen arme kinderen, die in troepjes op nieuwjaarsdag langs de huizen gingen wensen. In de noordelijke provincies heet dit gelukwensen, met de bedoeling een gift te ontvangen, ‘het Nieuwe-jaar afwinnen’. Dit heeft daar nog een oudere betekenis: het een ander vóór zijn met het uiten van een nieuwjaarswens. In Sittard heette dit ‘verrassen’: de ‘verraste’ moest trakteren. Tot in het begin van de jaren ’60 bestond het gebruik nog in Roermond, met de traktatie van de ‘verraste’. Oorspronkelijk zullen de rondgaande kinderen godsdienstige liederen hebben gezongen. Wie te Tholen luistert naar de jongens die op oudejaarsavond rondtrekken met de rommelpot (een met een varkensblaas overtrokken Keuls potje, waarin zij een stokje op en neer bewegen) voelt zich in de Middeleeuwen verplaatst, als hij schorre stemmen deze rest van een oude ballade hoort zingen:

Zieltje, klein zieltje, stond achter de deur;
Zieltje, klein zieltje, waar treur jij toch veur?

Zou ik er niet treuren? Ik heb er geen lot!
Val neer op je knietjes en bid er aan God,

En bid dan aan God, met een goed fatsoen,
Dan zal Hij de Hemel wel opendoen.

Hij heeft er de hemel al opengedaan:
Daar zag Hij een arme zondaar staan.

Met een houten kist en een strooien band,
Daar varen wij mee naar het Andere Land.

Het Andere Land, daar is ’t beter dan hier:
Daar zingen de Engeltjes tierelier.

Een oud gebruik was het onder het lijk in de kist stro te leggen of het een stroband mee te geven. Al in een lied uit de veertiende eeuw is sprake van ‘een wilghen kiste ende een stroen bant, hiermede word ik sent int ander lant’, aldus dr. G. J. Boekenoogen in De Gids van 1893.

Nieuwjaarsdag. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

In Brabant halen de kinderen voor hun korte nieuwjaarsliedjes appelen en noten op. Zoals bij alle ommegangsliedjes vormt het slot een wens voor de gever, blijkens zijn ritmiek van overoude herkomst:

Véél kan hij gévén,
Lang zal hij lévén
Zalig zal hij stérrevén
Den Hémel zal hij érrevén

Krijgen zij niets, dan zingen de kinderen een verwensing:

Boven aan den Hémel,
Daar hangt een zak met zémel;
Iédere zémel kóst een düit,
Háng den gierigen bliksem uit

Een ‘zakje met zemel’ betekende hongersnood! In het noordoosten des lands trakteerde men de kinderen niet alleen op nieuwjaarskoeken, maar ook op ‘mede’ of ‘mee’ ’n hunneg-draankje veur kinder’:

Geluk in ’t Nijjoar:
De katte bie ’t hoar,
De hond bie de starte
‘n Witte en ’n swarte.

In Midden-Limburg binden, of liever bonden, de kinderen zich touwen en riemen om het lijf en rijgen daaraan de krakelingen die zij inzamelen.
In de Gelderse Achterhoek, schreef Catharina van de Graft in 1947, trekt de jeugd rond met bonte slopen om er het nieuwjaarsgebak in te vergaren, evenals in Overijssel, Drenthe en Groningen. Maar dat is nu niet meer zo, meldt ons een kenner van de regio. Zelfs de grote rode zakdoeken worden niet meer gebruikt en nu lopen de kinderen rond met een plastic tas. De opbrengst bestaat uit pinda’s, broodjes, appels en klein snoepgoed, niet alleen uit gebak.
In Groningen zijn de ‘ollewieven’ traditioneel, gebakken van roggemeel, stroop en anijs; elders de tussen ‘kniepiezers’ gebakken ‘kniepertjes’, in Drenthe en Groningen (waar men ze om een houtje oprolt) ‘rollertjes’ genoemd, onze ‘oblies’.

Iedere feestdag heeft zijn bijzonder gebak, Nieuwjaar heeft er verscheidene. De ‘kniepertjes’ zijn een voortzetting van de grote nieuwjaarskoeken, eeuwenlang ook bij de meer gegoede standen, zowel in de stad als op het boerenland, in het uit turf en hout opgebouwde open haardvuur tussen de ronde en langwerpige bladen van de zware knijpijzers gebakken. Sinds deze haarden, waar de vlammen vrij om het ijzer konden heenslaan, meer en meer door kachels werden vervangen, geraakten de grote nieuwjaarsijzers in onbruik en verhuisden naar de zolder of naar museum en oudheidkamer.

In het oosten des lands wordt het oude gebruik nog wel eens tot herleving gebracht. Dan kan men een oud moedertje de grote ouderwetse ijzers zien hanteren in een vuur dat opvlamt uit het gat, gegraven in de lemen bodem van de schuur of liever nog, in verband met het brandgevaar, in een ‘pothok’, een stenen afscheiding in de schuur, waar ook de kookpot stond voor het veevoer. Daarnaast staat de ‘stobbe’, waarop het zware ijzer rust, en ligt de groene struik, waarmee men van tijd tot tijd sprenkelt tot tempering van de hitte.

Langer dan bij ons handhaafde het nieuwjaarskoekenbakken zich even over onze oostgrens, bij de naaste ‘naobers’. Het is daar, van Oost-Friesland tot Munsterland, vanouds een nieuwjaarskoekenluilekkerland, waar in bijna alle hoeven koeken met Nederlandse opschriften werden gebakken (Duitse zijn uitzondering). Het meest verbreide rijmpje dat men daar op de ijzers kan lezen, luidt:

Geen beter lot
Als vrede met God.

Een aardig schouwspel wacht hem, die op de boerderij bij het fantastisch schijnsel van het laaiende houtvuur het ganse gezin met de ‘koekenbak’ bezig vindt. Moeder of dochter lepelt het beslag, dat daags tevoren is aangemaakt, op de helderwit geschuurde tafel. Men snijdt het deeg in repen ter grootte van een saucijzenbroodje en rolt dit uit. Het bakken met de zware ijzers (in Drenthe meestal door de smid tot kleinere vermaakt) is het werk van de man. De baas, de oudste zoon of de eerste knecht, keert en ledigt de beide ijzers, die, sedert de vuurkuil in de keuken niet meer wordt gebruikt, rusten op een muurtje van baksteen, dat om het kookgat van het fornuis is gelegd. Aan de jonge vlaskopjes is de taak toebedeeld om de koek, die bij het loslaten op de tafel valt, met een plankje plat te drukken of om een houtje te rollen.

En hoeveel koeken zijn er niet nodig! De knechts en de meiden, ook de pastoor en de dominee, ontvangen er een honderdtal. Het bakken moet dan ook ‘in één stoomstrieken deur-goan’, zei men in Drenthe. Daarvoor is een voorraad van 1200 tot 1500 koeken nauwelijks toereikend. En de kinderen vragen erom, lopende langs de huizen:

Geluk in ’t Nijjoar,
Is mien koken al kloar?
’n Zeupken d’rbie,
Dat is good veur mie!

Zoveel tijd hebben de boerenvrouwen die van elders afkomstig zijn, waar men dit gebruik niet kent, er niet voor over: zij nemen het elektrisch ijzer en zijn in een paar uur klaar. Wel is dit modern ijzer een waarborg dat men het oude gebruik niet opgeeft, doch het mist het kenmerkende van de nieuwjaarsijzers: de aardige steeds op beide bladen verschillende afbeeldingen en inschriften.

Nieuwjaarskoekenijzer, 90 cm hoog.

Wat ons in de eerste plaats bij de nieuwjaarsijzers treft, is dat zij oude familiestukken zijn, waardig gekeurd de kenmerken van hun bezitters te dragen: diens eigennaam of de beginletters van hem en zijn echtgenote, benevens een jaartal, door de smid in vaak onbeholpen spiegelschrift gegraveerd. Meermalen kunnen wij, als in een oude Bijbel, de voornamen of voorletters van opeenvolgende geslachten op deze ijzers vermeld vinden. Veel ijzers vertellen ons daarbij, door de afbeelding van een hart of van twee verbonden harten, dat zij eenmaal een huwelijksgeschenk waren.

Oostfries Nieuwjaarskoekenijzer, 1737. Middellijn 17 cm.

Bovendien brengen de Nieuwjaarsijzers ons nog dikwijls op de hoogte van de maatschappelijke stand van de eerste eigenaar door de afbeelding van de burcht, de molen, het schip, de ploeg en de bijenkorven. Veelal vertonen zij ook een huismerk, het vaste teken, dat zowel de familie als het huis aanduidde en gewoonlijk bestond uit een eenvoudige figuur, zoals kruis, hanenpoot of zandloper, dat de boer ook aanbracht op zijn huis, zijn vee, zijn huisraad en gereedschap. Het was ditzelfde huismerk, dat als ‘handtekening’ van deze ongeletterden dienst deed en dat als het ware tot ‘familiewapen’ strekte van de mindere man. Zelfs plachten de voorname boeren, de zogenaamde ‘scholteboeren’, huismerk, initialen en jaartal met een schildvormige omlijsting te omringen, waardoor een soort van boerenwapen ontstond. Het koekenijzer toont het ons!

Nieuwjaarskoekenijzer uit 1648 met huismerk, liefdessymbool van de pelikaan, die de jongen voedt met zijn bloed, en de drie donderbezems. Rijksmuseum Twente, Enschede

Het zijn niet uitsluitend boerenwapens die men in deze door de smid geschapen verbeeldingswereld aantreft: ook familiewapens hebben daarin hun vaste plaats. Zelfs vorstelijke wapens treft men op deze ijzers aan. Het Prinsenhof te Delft bezit een nieuwjaarsijzer van de keizerlijke veldheer Maximiliaan van Buren. Waarschijnlijk is dit door zijn dochter Anna mee ten huwelijk gebracht en heeft het in de woning van Prins Willem I dienst gedaan. In de nieuwjaarstijd zal het prinselijk gezin hebben genoten van de knappende koeken, die aan de ene zijde een afbeelding van de Aanbidding der Koningen, ter andere een sierlijk ornament vertoonden. Dit ijzer uit de eerste helft van de 16e eeuw is, zover bekend, het oudste nieuwjaarsijzer, dat in Nederland wordt aangetroffen.

Nieuwjaarsijzer met wapen van Maximiliaan van Buren. Middellijn 13 cm. Prinsenhof, Delft.

In het buitenland kent men nog ijzers uit het begin van de 15e eeuw, de tijd toen het nieuwjaarsijzer uit het hostie-ijzer is ontstaan. Sinds de 10e eeuw bediende de rooms-katholieke kerk zich voor de hostiebereiding van knijpijzers met ronde en langwerpige bladen, van hetzelfde voorkomen als onze nieuwjaarsijzers. De grote hosties bakte men tussen de ronde bladen, elk met een verschillende voorstelling gegraveerd, zodat beide zijden van de hostie steeds een verschillende afbeelding vertoonden. De kleine hosties werden bij enkele tegelijk tussen de rechthoekige bladen bereid. Het ene blad vertoonde dan vier, vijf of zes medaillons met verschillende voorstellingen, het andere bleef onbewerkt of kreeg een eenvoudig ruitjespatroon. Ook het jaartal van ontstaan, de initialen van de graveur en het wapen van de schenker staan op sommige hostie-ijzers gegraveerd.

Het waren de monniken zelf die deze hosties of oblaten (van ‘hostia oblata’ = zoenoffer, misbrood) met de grootste zorg bereidden, totdat omstreeks 1400 de vervaardiging uit de handen van de kloosterlingen in die van de leken overging. Het eerst gebeurde dit in Parijs, waar de oblaatbakkers, de ‘oublieurs’, de hostiën afleverden en wel duizend van deze koeken tegelijk langs de straat rondventten. Waarschijnlijk hebben zij toen het broze gebak verstevigd door het de opgerolde vorm te geven, die voor ons met het uit het Frans overgenomen woord ‘oblie’ is verbonden gebleven.

Doch ook in de Kerk zelf is deze overgang van kerkelijk tot wereldlijk gebruik voorbereid, doordat daar op Witte Donderdag niet-gewijde, maar gezegende hostiën in plaats van gezegend brood aan de armen werden uitgereikt. Dat moeten dus tamelijk grote hostiën zijn geweest, die het voorkomen zullen hebben gehad van de joodse matzes. Uit deze kerkelijke ruime bedeling is blijkbaar het gebruik ontstaan dergelijke koeken in platte en in opgerolde vorm als huiselijk gebak te bereiden. En daar tot 1582 het nieuwe jaar in West-Europa met Pasen begon, kon men deze oblaten als nieuwjaarskoeken bestempelen. De rechthoekige vorm bleef bij deze overwegend.

De ontwikkeling uit deze hostie-ijzers verklaart dat men op het nieuwjaarsijzer de religieuze voorstellingen van het hostie-ijzer terugvindt, zoals de Kruisiging van het Lam Gods. Doch daarbij kwamen nu ook afbeeldingen uit de planten- en dierenwereld, Bijbelse taferelen, vooral die van de Heilige Geboorte en de Aanbidding der Koningen, Bijbelse teksten en godsdienstige verzen, vrome spreuken als ‘Die op God vertrouwt Heeft wel gebouwd’ en ‘Liefde overwint alles

Dat de voorstellingen die de smid in het gloeiende ijzer grifte, vaak gebrekkig uitvielen, maar ook meerdere malen uitingen van echte volkskunst waren, spreekt vanzelf. De namen van die smeden zijn als van de meeste volkskunstenaars bijna altijd onbekend gebleven.

Een belangrijke verzameling Nieuwjaarsijzers treft men aan in het Museum De Waag te Deventer en het Stedelijk Museum te Zutphen. In het Rijksmuseum Twente te Enschede kan men, behalve de ijzers, geprepareerde nieuwjaarskoeken bezichtigen, merendeels afkomstig van over de grens, uit de Graafschap Bentheim.

Koekijzer van de hof Espelo. Met passiewerktuigen en de spreuk: Si Deus pro nobis Quis contra nos? (Als God vóór ons is Wie is er dan tegen ons?).

Een ander Nieuwjaarsgebak, van veel oudere datum en nog op vele plaatsen van ons land in ere, is de duivekater of duivelkater. Hij heeft in ons volksleven een grote rol gespeeld en werd geregeld met Sint-Nikolaas en Nieuwjaar aan dienstboden en kinderen vereerd. Jan Steen heeft hem herhaaldelijk afgebeeld, bijvoorbeeld op zijn schilderij van ‘De bakker Oostwaard’ (Rijksmuseum, Amsterdam), waar hij tegen de muur staat.

In tegenstelling met de nieuwjaarskoeken is de duivekater oorspronkelijk een heidens offerbrood, dat de herinnering bewaart aan een vroeger kattenoffer. Een kater werd levend begraven of in het vuur verbrand om de vruchtbaarheid van de akker te bevorderen. Waarschijnlijk stelde men zich oudtijds de demon der vruchtbaarheid voor in de gedaante van een kater, een duivelkater, aan wie men zijn evenbeeld offerde om zich van zijn hulp te verzekeren. Toen de zeden verzachtten, werd het dierlijke offer vervangen door een nabootsend broodoffer en zal men waarschijnlijk brood in katervorm hebben geofferd. Men denke hierbij aan het Zweedse kerstbrood: Joelbok, nog in de vorm van een bok, en Joelever, soms nog in de vorm van een wild varken. Nog spreekt men in de omgeving van Haarlem van het ‘katerbrood’. In Oost-Friesland noemt men dit brood ‘Duwel’: kater en brood zijn hier blijkbaar synoniem. De duivekater heeft gaandeweg zijn dierlijke gedaante verloren en de vorm overgenomen van het in vele landen gebruikelijke scheenbeengebak, nabootsing van het scheenbeenoffer, dat als deel van het geheel, ‘pars pro toto’ het dierlijk offer verving. De twee knobbels aan de uiteinden stellen het gewricht voor, de rondachtige verdikking in het midden verbeeldt het vlees. Doch de duivekater nam ook andere vormen aan: te Zaandam die van een knipbrood, te Broek-in-Waterland van een ruit, in Groningen van een rond krentenbroodje. Men bakt duivekaters als zware broden en kleine broodjes, met en zonder krenten, met twee of meer knobbels of ‘krullen’ aan de uiteinden. Behalve op de nieuwjaarsdagen (Kerstmis, Nieuwjaar en Driekoningen) worden ze gegeten met Pasen, ook een oude nieuwjaarsdag, omdat eeuwenlang het jaar met Pasen begon; bovendien met Sint-Nikolaas. Het is te betreuren, dat in deze nostalgische tijd duivekaters alom in den lande worden gebakken, buiten de feestelijke data om en tevens in regio’s die deze broodsoort niet kenden.

Duive(l)katers

Dan is er nog gewestelijk nieuwjaarsgebak als Groningse ‘spekkendikken’, Drentse ‘stoeties’ en ‘plassies’, Brabants ‘worstenbrood’, terwijl de oliebollen in gezelschap van appelbeignets of appelflappen, door ons hele land de geliefde traktatie van de oudejaarsavond vormen en ook op Nieuwjaar nog volop aanwezig plegen te zijn.

Zo ziet men dat de nieuwjaarsviering, evenals onze andere ‘seizoenfeesten’, naar de oorsprong beschouwd, een mengeling is van heidendom en christendom. Dit blijkt al dadelijk uit de traditionele gelukwens voor het nieuwe jaar. Bij de Germanen riep men elkaar ‘heil’ toe (als begroeting overgenomen door het Duitse nationaalsocialisme) en de christenen voegden er hun echt-christelijke ‘zegen’ aan toe. Dit ‘zegen komt van het Latijnse ‘signum’, teken, in dit geval ‘teken des kruises . Maar het oude zal zich lang niet altijd onverkort handhaven, omdat de zin ervan verloren is gegaan. Men begint op plechtige wijze en maakt er dan alras een potje van. Door de school herleefde te Tholen het zingend rondlopen van Oud op Nieuw. Maar het is een grap geworden;

Klein Zieltje, klein zieltje
Zat achter de trap;
Klein zieltje, klein zieltje
Die lustte geen pap.
En nou je geen pap lust,
Dan eet je maar brie.
En als je geen brie lust Dan eet je maar nie!

Sic transit antiqua religio. . .

.

Rond om de jaarwisseling: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

.

3373-3172

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – rond de jaarwisseling

.

Dieuwke Hessels

.

Een artikeltje gemaakt over de jaarwisseling.

Dit is wat je erin kunt vinden:

1.Veel Heil en Zegen..
2.Janusdag= Nieuwjaarsdag
3.Weerspreuken
4.12 heilige nachten
5.Nieuwjaar en Epifanie op 6 januari
6.Inspiratie voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag
7. liedjes

Eerst beknopt en als je meer wilt weten over een onderwerp, dan is er meer info te vinden verderop in het artikel als er een * bij vermeld is en is vermeld waar de originele tekst te vinden is.

1.Veel Heil en Zegen

De oude uitdrukking ‘veel heil en zegen’ heeft een heel mooie
strekking. Je wenst de ander bij de ingang van een nieuw jaar namelijk
het beste toe. Heil en zegen. Heil, dat betekent heling of herstel voor
zowel fysieke aspecten als spirituele aspecten van de mens.
Zegen is dat het komend jaar een zegen mag rusten bij wat je gaat of
wilt gaan doen.

2.Janusdag = nieuwjaarsdag

*Oorspronkelijk kende de Romeinse kalender maar tien maanden en begon het jaar in maart. De laatste maand van het jaar, december, werd gevolgd door een naamloze winterperiode. Deze twee maanden kregen in de zevende eeuw voor Christus de namen januari en februari. Later werd januari de eerste maand
van het jaar.
De maand januari is genoemd naar Janus, de god van doorgangen, poorten en in- en uitgangen, ook in de tijd. Algemener werd Janus wel gezien als god van alle begin, en van de overgang van oud naar nieuw.
Janus wordt meestal afgebeeld met twee gezichten: een dat naar voren kijkt (naar de toekomst) en een dat naar achteren kijkt (naar het verleden).
De elfde maand van het jaar werd naar hem vernoemd omdat hij als het begin van een nieuwe periode werd beschouwd – het was namelijk de eerste maand na de winterse zonnewende. Dat deze maand uiteindelijk de eerste maand van het jaar werd, heeft ook met die associatie te maken.

3.*Weerspreuken over januari:

Als de louwmaand mistig is, wordt de lentemaand heel fris.
De louwmaand mist, de lentemaand frist.
Op een milde januari volgt vaak een gure lente en hete zomer.
Als nevels in januaar ontstaan, brengt een natte lente aan.

4.*De 12 Heilige Nachten

zijn een eeuwenoude traditie die plaatsvindt tussen Kerstmis en
Driekoningen. Gedurende deze periode wordt geloofd dat de sluier
tussen de fysieke en spirituele wereld dunner is, waardoor er een
speciale gelegenheid ontstaat voor reflectie en spirituele groei. Maar
waar komt deze traditie vandaan, en wat maakt deze nachten zo
bijzonder?
De oorsprong van de 12 Heilige Nachten is gehuld in de nevelen van de
geschiedenis. Deze traditie vindt zijn wortels in oude Europese culturen,
waar de overgang van het oude jaar naar het nieuwe jaar een bijzondere
betekenis had. Het idee dat de periode tussen Kerstmis en Driekoningen gezegend was, kan worden teruggevoerd naar zowel pre-christelijke heidense rituelen als vroege christelijke vieringen. Het is een tijd van overgang, waarbij de grenzen tussen de fysieke en spirituele wereld vervagen.
De 12 Heilige Nachten hebben zich door de eeuwen heen verspreid en
aangepast aan verschillende culturele contexten. Van Scandinavië tot het Middellandse Zeegebied, vinden we variaties op dit thema in diverse tradities. In sommige culturen zijn de nachten verbonden met mythologische gebeurtenissen, terwijl ze in andere juist gekoppeld zijn aan astronomische fenomenen. De manier waarop mensen deze periode markeren, weerspiegelt vaak de unieke waarden en overtuigingen van hun gemeenschap.

5.Nieuwjaar en Epifanie op 6 januari

*De oudejaarsnacht is niet alleen maar een kwestie van een
datum op een uiterlijk vastgestelde kalender. Het is de middelste van de heilige nachten en daarmee eigenlijk het punt van evenwicht in de kersttijd, die duurt van de nacht van de herders tot aan de dag van de koningen. En deze kersttijd is deleerzaamste tijd van het jaar.
Het eigenlijke kerstfeest behoort nog tot het oude jaar. Aan het eind van de kerst komt dan het feest van Epifanie, dat tot het nieuwe jaar behoort. Op zich is het Kerstfeest een terugblik, dat van Epifanie kijkt vooruit.

6.Inspiratie voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag

Het is bijna zover; de laatste dag is in zicht van weer een jaar vol ervaringen. Het is tijd om even om te kijken en daarna de grote sprong te durven wagen naar het nieuwe jaar. Op naar
 een nieuw begin!
De laatste dagen van het oude jaar zijn vaak onlosmakelijk
verbonden met het terugkijken en het reflecteren. De een
verbindt zich aan de 12 heilige nachten, anderen kijken de
oudejaarsconference, nieuwsoverzichten of

kijken terug door te luisteren naar de top 2000. Ieder op zijn eigen manier.

Heidens nieuwjaar
Wist je dat oude volkeren die nog dicht verbonden met de
natuur leefden, het nieuwe jaar vierden na het einde van het
oogstjaar, na de winterzonnewende of pas bij het begin van
de lente? De kerk wilde af van al die heidense gebruiken en legde 1 januari vast als nieuwjaarsbegin. Die dag werd bid-en boetedag genoemd als viering vanwege de besnijdenis van Jezus.
Oudejaarsavond werd vernoemd naar Paus Silvester. In Nederland is die naam niet zo bekend meer, maar in Duitsland is dat nog steeds de meest gebruikte naam voor oudejaarsavond.
Maar ondanks de sterke invloed van de kerk zijn er nog steeds vele mooie heidense en oeroude rituelen zichtbaar in de vieringen van tegenwoordig.

2. Weerspreuken

Is Januari te warm, wordt de boer in het voorjaar arm.
Als in januari de vorst niet wil komen, komt hij vast in april.
Januari zonder regen, is de boer zijn zegen.
Geeft januari een sneeuwtapijt, zijn we gauw de winter kwijt.
Knopt januari niet van kou, men zit in de oogstmaand nog in de rouw.
Geeft januari muggenzwermen, dan hoort men in de oogstmaand de boeren kermen.
In de louwmaand mag het vriezen de stenen uit de grond, de boer mag dan niet kniezen maar vindt het heel gezond.
Als januari ons brengt bij strenge vorst, lijden wij des zomers geen honger en dorst.
Sneeuw met donder in januaar, voelt men het ganse jaar.
Januari rouw en hard, is voor het jaar een goede start.
Als januari is te warm, wordt de oogst waarschijnlijk arm.
Geeft januari veel water in het vat, de ganzen eten zich hier vet en zat.
Als het gras groeit in januaar, is het slecht voor het ganse jaar.
Als het in januari dondert over de bouw, komt later grote kou.
Stoot de mol in januaar, kijk van kou niet raar.
Draagt januari een sneeuwwit kleed, de zomer zal zijn heet.
In januari veel verdronken land, is goed voor de ganzen maar slecht voor de boerenstand.
Op een droge koude januaar, volgt veel sneeuw in februari
Januari nat, leeg blijft dan het vat.
Als in januari de muggen zwermen, moogt ge in maart de oren wermen.
Zoals in januari is, zo zal juli zijn.
Heeft januari kou en droge dagen, zo zal in februari de winter u plagen.
De zeven eerste dagen van het jaar, hangt veel af van het ganse jaar.
In januari veel regen, brengt de vruchten weinig zegen.
Wast het gras goed in januaar, voelt men het ganse jaar.
Is januari zacht, dan krijgen lente en zomer veel groeiende kracht.
In januari onweer in buien, komt er kou en sneeuw aan kruien.
Geeft januari sneeuw en vorst, vaak de boer veel granen dorst.
Staat groen en fris in januari het gras, staat dat in de zomer door hitte stil, dat gewas.
Spelen de muggen in januaar, dan raakt de boer in groot gevaar.
Overwinteren ganzen in ons land, dan blijft de strenge winter aan de kant.

3. Wikipedia
Nieuwjaarsdag, januari, Janus

De jaarwisseling, midden tussen Kerstmis en Driekoningen, heeft – zoals ook wordt uitgedrukt in de naam van de maand januari – altijd een Januskop met twee gezichten, waarvan het ene achter- en het andere vooruit kijkt. Wat heeft het jaar dat voorbij is gebracht en wat zal het nieuwe jaar brengen?
Janus (Latijn: Ianus) behoort tot de oudste van de Romeinse goden.
Afbeelding van een munt in het Nordisk familjebok, een encyclopedie.
In de Romeinse mythologie was Janus de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten. De deur (ianua) droeg daarom zijn naam. Daarom draagt ook de maand januari zijn naam en werd hij aangeroepen aan het begin van het zaai- en oogstseizoen, alsmede bij huwelijken en geboortes. Op de eerste dag van januari vermeed men alles wat een kwade betekenis kon hebben voor de toekomst. Bovendien gaf men, om de vriendschappelijke verhouding te bevestigen, elkaar kleine geschenken. In de latere tijden van de republiek aanvaardden ook de consuls hun ambt op de eerste dag van januari.
Als god van poorten werd Janus ook gezien als de god die de hemelpoort opende of sloot. Bij alle offers en gebeden werd hij het eerst, zelfs vóór Jupiter, genoemd, omdat zonder hem de hemelpoort gesloten zou blijven voor gebeden.
Janus werd voornamelijk afgebeeld als een man met twee gezichten (Janus Bifrons) of als een tweeling (Janus Gemini).
Zijn twee gezichten representeerden oorspronkelijk de zon en de maan.
Als god van vruchtbaarheid en leven noemde men hem Janus Consivius; als god die de dag begon, heette hij Janus Matutinus.
De naam van Pater Janus (“vader Janus”) was al in de alleroudste eredienst van Janus een zeer gebruikelijke naam. Men vereerde hem zelfs als Divus Deûm, “de god der goden”.

Tempel van Janus in Autun.

Boog van Janus op het Forum Boarium in Rome

De legende van Janus

Volgens de mythologie kwam Janus uit Thessaloniki in Griekenland, en vestigde hij zich in Latium.
Zijn
kinderen zijn onder andere Tiberinus en Fontus. Hij werd geacht zowel het Romeinse rechtssysteem als geld en agricultuur te hebben ingevoerd.
De legende noemt Janus als stichter van het maatschappelijke leven en van de maatschappij. Hij was het die de mensen verloste uit hun barbaarse toestand en hen bracht tot een ordelijk leven. Het verhaal gaat dat hij geregeerd heeft in de gouden eeuw, en zijn regeerperiode wordt voorgesteld als een tijdperk van geluk
en van volmaakte vrede. De heuvel waarop hij zijn woning had, werd ook in latere tijd naar hem genoemd (Janiculus). Daar had hij Saturnus, toen deze op de vlucht voor Jupiter naar Italië kwam, gastvrij opgenomen. Om Janus hiervoor te straffen maakte Jupiter hem tot een god met twee gezichten.
De naam van zijn vrouw wordt verschillend opgegeven. Soms heet zij Iana, een andere naam voor Diana: de godin van de jacht. De vorm Iana is niets anders dan het vrouwelijk van Janus. Deze moet daarom ook beschouwd worden als een godheid van het licht. Andere bronnen noemen als zijn vrouw de nimf Carna of
de zegen aanbrengende godin Juturna.
Het verhaal gaat dat de dienst van Janus al door de eerste koning, Romulus, was ingevoerd, toen de stad door de hulp van Janus uit groot gevaar was gered. In de oorlog met de Sabijnen drongen dezen de stad binnen door een poort die men ondanks verwoede pogingen niet had kunnen sluiten. Zij werden echter
teruggedrongen door een zwavelbron, die plotseling ontstond. Romulus wijdde die bron en die poort aan Janus, wiens gunst men in deze plotselinge gebeurtenis meende te ontwaren. Zijn eredienst werd geheel geregeld door Numa, die voor hem een tempel bouwde met twee deuren en de maand Januarius naar hem
noemde. De twee deuren van de tempel bleven alleen in vredestijd gesloten, maar zodra er een oorlog uitbrak werden ze geopend. –
De legende gaat dat in koning Numa’s tijd de tempel van Janus 43 jaar lang

gesloten bleef. Na die tijd stond hij bijna altijd open. Alleen tussen de eerste en tweede Punische oorlog kon men hem sluiten en toen pas weer na de Slag bij Actium (31 v.Chr.). Gaius Julius Caesar Octavianus (Augustus) had nog tweemaal het voorrecht de tempel van Janus te sluiten, de laatste keer in het
geboortejaar van Christus[1]. Ook onder Nero werden de deuren van de Janustempel gesloten. Deze tempel werd dus na de regering van koning Numa 5 keren gesloten. Het openen en sluiten van de deuren van de Janustempel geschiedde op plechtige wijze door de consul.

4.https://eindeloosgeluk.nl/
De viering van de 12 Heilige Nachten heeft door de geschiedenis heen verschillende gedaanten aangenomen. Van uitbundige midwinterfeesten tot meer ingetogen spirituele observaties, de manier waarop mensen deze nachten vieren, is geëvolueerd met veranderingen in maatschappijen en religieuze praktijken.
Moderne interpretaties kunnen elementen bevatten van zowel oude rituelen als hedendaagse spirituele praktijken.
In deze sectie gaan we dieper in op hoe de vieringen van de 12 Heilige Nachten zich hebben ontwikkeld en aangepast aan de loop der tijd.

Data en Duur van de 12 Heilige Nachten
De 12 Heilige Nachten vormen een betekenisvolle periode die begint op Kerstmis (25 december) en eindigt op Driekoningen (6 januari). Gedurende deze twaalf nachten worden verschillende spirituele en culturele rituelen uitgevoerd. Het is een tijd waarin mensen zich richten op reflectie, bezinning en het vieren van
overgangen.
De keuze voor de duur van de 12 Heilige Nachten is niet willekeurig, maar is diep geworteld in historische en symbolische betekenissen.
De periode van Kerstmis tot Driekoningen is niet alleen verbonden met
christelijke feestdagen, maar ook met oudere tradities die de zonnewende markeren.
De duur van twaalf nachten heeft vaak astrologische en mythologische betekenis, waarbij elke nacht wordt geassocieerd met specifieke spirituele aspecten.
De symboliek van het getal twaalf komt ook voor in verschillende oude culturen en heeft betrekking op cycli, evenwicht en volledigheid. De keuze voor deze duur geeft de 12 Heilige Nachten een diepere betekenis, waarbij elke nacht een unieke gelegenheid biedt voor contemplatie en spirituele groei.
In de volgende secties duiken we dieper in op de symboliek en activiteiten die aan elke nacht zijn verbonden.

Spirituele Betekenis van Elk van de 12 heilige Nachten
• Kerstnacht (25 december): De start van de 12 Heilige Nachten, waarin de geboorte van Jezus wordt gevierd. Een tijd van hoop en nieuwe beginnen.
• Stefanusnacht (26 december): Gewijd aan de eerste christelijke martelaar, een tijd voor moed en standvastigheid.
• Johannesnacht (27 december): Gericht op de apostel Johannes, symboliseert dit de zoektocht naar innerlijke wijsheid en spiritueel inzicht.
• Onnozele Kinderen (28 december): Herdenking van de kindermoord in Bethlehem, roept op tot compassie en bescherming van onschuld.
• Feest van de Heilige Familie (29 december): Benadrukt het belang van familiebanden en onderlinge steun.
• Oudejaarsnacht (31 december): Een moment van reflectie op het afgelopen jaar en voorbereiding op het nieuwe.
• Besnijdenis van Jezus (1 januari): Symbool van reiniging en toewijding aan een nieuw begin.
• Openbaring van de Heer (6 januari): Afsluiting van de 12 Heilige Nachten, waar de Driekoningen Jezus ontmoeten. Vertegenwoordigt de manifestatie van goddelijk licht.

De 12 Heilige Nachten belichamen de cyclus van het leven, de dood en wedergeboorte, geïnspireerd door zowel christelijke als pre-christelijke tradities. De symboliek weerspiegelt de overgang van duisternis naar licht, zowel fysiek (de winterzonnewende) als spiritueel. De twaalf nachten staan voor de twaalf maanden van het jaar en bieden een kans voor vernieuwing op alle niveaus.
De 12 Heilige Nachten kunnen worden vergeleken met andere jaarlijkse vieringen zoals Diwali, Chanoeka en Ramadan. Hoewel de specifieke gebruiken verschillen, delen deze vieringen een gemeenschappelijke kern van spirituele groei, gemeenschapszin en reflectie. De vergelijking met deze festiviteiten benadrukt de universele menselijke behoefte aan verbinding met het goddelijke en het vieren van het leven in al zijn facetten.

5.https://spiritueleteksten.nl
Wat het nieuwe jaar uiterlijk zal brengen, zouden wij zonder angst en met innerlijke bereidheid tegemoet moeten zien.
Wat het innerlijk te brengen heeft hangt af van onszelf. Zullen wij innerlijke vooruitgang boeken, waardoor de eventuele uiterlijke vooruitgang in evenwicht gehouden wordt en waardoor het doorstane leed tenslotte toch tot een zegen wordt gemaakt?
Je kunt eraan twijfelen of het eigenlijk wel mogelijk is iets te weten van wat het nieuwe jaar zal brengen.
Maar we kunnen heel goed weten wat het brengt als de mensheid zich verder ingraaft in het materialisme  en de laatste verbindingen met de hogere werelden verbreekt.
Voor alles kunnen wij weten wat er over onze hoofden heen gebeurt, want het is al bezig te gebeuren en het wacht op de mogelijkheid zich sterker te ontplooien. Zwarte wolken schuiven zich voor het licht – weerspiegeling van streven van de mensheid, dat geheel en al op de aarde is gericht.
Maar ook de redding brengende gebeurtenissen die zich boven die wolken afspelen zijn te onderkennen.
Het is zeer wel mogelijk omhoog te blikken naar deze sfeer en een profetisch,
apocalyptisch bewustzijn weten te ontwikkelen en daaraan zekerheid te ontlenen aangaande de steeds groter wordende problemen van het leven.
In de dagen van het vroege christendom wilde de apostel Paulus dat van alle vermogens van ziel en geest die de mensen toen hadden, juist de gave van de profetie zo goed mogelijk ontwikkeld zou worden.
Belangrijker dan het spreken in tongen, zelfs belangrijker dan de genezingen vond hij dat in de gemeenten de gave van de voorschouw, de gave van het apocalyptische weten van hetgeen boven onze hoofden gebeurt, ontwikkeld zou worden.
Dit bewustzijn moest ontstoken worden door op te zien naar het licht dat zich voor Damascus aan hem geopenbaard had. Deze vermaning van de apostel geldt nu voor ons misschien in nog sterker mate dan voor de vroegchristelijke gemeenten.

Wij hoeven niet blindelings, met toegesloten ogen de toekomst in te gaan. Wanneer een voornemen voor het nieuwe jaar gerechtvaardigd is, dan is dat toch zeker het geval met het voornemen ons gezamenlijk te sterken in het bewustzijn dat in Christus aanwezig is, dat Hij in zijn komst op de wolken de mensheid op een nieuwe manier is nabijgekomen. Christus die tegenwoordig is, die immer komende is – dat moet juist in het jaar dat nu aanvangt de grondtoon van ons geloven zijn.
Die ommekeer van de achterwaartse naar de toekomstgerichte blik moeten wij innerlijk meemaken. Dan kan de gedachte van Epifanie de beste hulp zijn om een apocalyptische geestesgesteldheid aan te nemen tegenover het jaar dat pas begonnen is.
Kerstmis denkt terug aan de geboorte van de mens Jezus. In de mens Jezus was de kwintessens van de gehele geschiedenis van de mensheid aanwezig – de reden waarom de evangeliën zoveel waarde hechten aan de geslachtsregisters.
Het edelste wat de geschiedenis van de mensheid tot stand kon brengen was mens geworden in Jezus van Nazareth, een mens die de meest innerlijke essentie van alle culturen in zich had vergaard.
En wanneer wij niet alleen naar het kerstverhaal in het evangelie volgens Mattheüs, maar ook naar het derde evangelie kijken, dan komen wij tot de volgende conclusie. Door het kind dat Lucas beschrijft doet ook de kwintessens van de gehele geschiedenis van de hemelen, van al datgene wat in het verleden boven de hoofden van de mensen plaatsgevonden heeft, zijn intrede in de aardse gang van zaken.
Want Lucas beschrijft een wezen dat rechtstreeks uit het paradijs komt, dat het erfgoed uit het paradijs bewaard heeft terwijl de mensheid almaar dieper en dieper moest afdalen naar de aarde toe.
Kerstmis doet ons omzien naar het verleden; het stelt ons heilige menselijke gestalten voor ogen, waarin heel het verleden vermenselijkt en belichaamd werd. Maar zoals Kerstmis betrekking heeft op de geboorte van Jezus, zo heeft Epifanie betrekking op de geboorte van Christus.
Wie de Christus is kunnen wij alleen begrijpen, wanneer wij weten dat in Hem alles toekomst is. Hij is de immer durende toekomst zelf. Hij is het goddelijke wezen in het heelal, wiens wezen het worden als zodanig is, nooit het gewordene, ook al zien wij in de evangeliën Christus in situaties die voor ons tot het verleden
schijnen te behoren.
In ieder tafereel in de evangeliën moeten wij van het Jezus-aspect verder gaan naar het Christus-aspect om daarin de immer-durende toekomst te ontdekken.
Het driekoningenfeest wordt ook Epifanie genoemd, wat ‘lichtverschijning uit de hoge’ betekent. Daarom wordt het feest van Epifanie in veel landen ‘het feest van de verschijning’ genoemd. Alleen al daardoor wordt het duidelijk dat de zesde januari niet alleen maar de dag van de heilige Driekoningen is. Er staan
altijd sterren aan de hemel. Met de ster die de koningen of wijzen volgden, moet daarom wel iets bijzonders aan de hand geweest zijn. Er moet een Epifanie achter schuilgegaan zijn.
De voortdurende Epifanie, dat wil zeggen de steeds toenemende openbaring van het licht dat uit de hoge komt, werd toen in zekere zin voor het eerst zichtbaar. Ook in de christelijke traditie is het immers zo, dat men op de zesde januari zowel de aanbidding door de drie koningen herdacht, als de gebeurtenis die dertig jaar later zou hebben plaatsgevonden: de doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper.
Deze tweevoudige inhoud van de zesde januari toont aan dat met ‘Epifanie’ niet alleen een historisch ogenblik wordt bedoeld. Doordat er nog een gebeurtenis in het spel is, die zich dertig jaar later afspeelde, kunnen wij hierin een krachtige voorwaartse beweging ervaren. De spanning tussen beide feestelijke inhouden trekt ons mee in de stroom van de wordende tijd.

6.*Everydaymommyday
Nieuwjaarspot
Wij vinden het met onze familie een fijne traditie om een grote pot in huis te hebben staan waarin we gedurende het jaar kleine briefjes verzamelen
van mooie dingen die we willen onthouden. In de pot komen leuke
gebeurtenissen, kaartjes van museumbezoekjes, visitekaartjes van
restaurants, leuke uitjes, werkjes of uitspraken van de kinderen en mooie
teksten van anderen die ons inspireerden.
Op oudejaarsdag is het een groot feest om onder het genot van lekkere
drankjes en hapjes terug te kijken op de mooie herinneringen van het
afgelopen jaar.
Dit jaar schrijf ik een brief aan mezelf met mijn plannen en mijn wensen
voor het komende jaar. De brief gaat bij de kerstversiering in de doos en
mag pas volgend jaar worden geopend.

Traditionele avond
Onze dag verloopt verder traditioneel. We wandelen in de middag in het bos, genieten van gezellig gezelschap, gourmetten of eten fondue, spelen spelletjes, kijken misschien de oudejaarsconference en kletsen wat af.
Het is leuk om met kinderen de ‘af te tellen tijd’ inzichtelijk te maken.
Een niet milieuvriendelijke keus was tot voor kort bij ons om elk uur een ballon lek te prikken of een sterretje aan te steken. Kinderen zijn vaak gespannen dit soort dagen en om het gezellig te houden helpt het om de tijd inzichtelijk te maken.
Om middernacht proosten we, eten we onze buikjes overvol aan
Berliners, oliebollen, appelflappen en vele andere lekkere hapjes én
steken we een beetje kindervuurwerk af.

Boze geesten verjagen
Dat vuurwerk en de nieuwjaarsvuren het nieuwe jaar inluiden berust

op het geloof dat we daarmee slechte geesten verjagen en het nieuwe
vuur innerlijk ontsteken. Goede geesten stem je goed door voedsel en
alcoholische dranken te offeren en dat daarna zelf op te eten en te
drinken. Wij zijn tegenwoordig vooral goed in dat laatste onderdeel.
Een fijne traditie is om alles wat niet mee het nieuwe jaar in mag op een papiertje te schrijven en in het vuur te gooien.
Een andere mooie traditie die ik in Duitsland heb geleerd is lood gieten. Smelt het lood, giet het goedje in een laag water en uit de ontstane vorm kan je een voorspelling van het komende jaar lezen. Je kan het lood beter nog vervangen door heerlijk ruikende (bijen) kaarsenwas.

Happy New Year
Op nieuwjaarsdag reinigen we ons door een frisse duik in zee te nemen. Met nieuwe moed en helemaal fris en fruitig kunnen we dan met al onze goede voornemens het nieuwe jaar in. Bij gebrek aan een strand om de hoek, laten wij tegenwoordig de badkuip vol lopen met lekker koud water. We staan dan allemaal samen lachend in de badkamer en gaan dan om de beurt in het koude water (de een met de voetjes, de ander helemaal) en vertellen elkaar welke oude lasten we van ons af willen wassen en welk mooi persoonlijk voornemen we meenemen in het nieuwe jaar.
Wij beginnen het nieuwe jaar met een wensenontbijt. Iedereen aan tafel mag vertellen wat zijn of haar wensen zijn voor het nieuwe jaar.

Beste wensen
Vroeger kon je op straat van de schoorsteenveger en de lantaarnaansteker beste wensen voor het nieuwe jaar kopen. Tegenwoordig zien we die gewoonte terug in de nieuwjaarsgeschenken van o.a. werkgevers en geven we de nieuwjaarsgroeten gratis aan ieder die het wil horen. Slechts de postbode krijgt een nieuwjaarsfooi voor de goed bezorgde beste wensen.

En wat betreft die goede voornemens? Heb jij grootse of kleine plannen voor het komende jaar? Mijn voornemens zien er zo uit:

1. Mijn dierbare projecten vleugels geven.
2. Mijn geduldsspier oefenen voor mijn kinderen.
3. Groener leven: minder afval, meer bio, minder dierlijke
producten.
4. Mijn huis gedisciplineerder op orde houden.
5. Extra lief zijn voor anderen.
6. En ja, ook dit jaar neem ik me weer voor echt meer te gaan
sporten .

Wat zijn bij jullie thuis de leukste tradities voor oud en nieuw?
Ik wens je een ‘guten Rutsch’ (in Duitsland glijden ze namelijk het nieuwe jaar in) en een normaal, geweldig,
spetterend, gezond, gelukkig, rustig, avontuurlijk, tevreden en ontspannen ALTIJD!
Op naar 2025!

7. 2 liedjes van vrijeschoolliederen

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

.

3372-3171

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits – leerplan klas 1 – 8

.

Onderstaand artikel is een vertaling van een leerplanconcept voor de klassen 1 t/m 8.

Het vertoont (uiteraard) veel overeenkomst met wat op deze blog al aan voorbeelden* van klassenleerstof is gegeven.

Waar ‘vreemde taal’ staat, heb ik dat vertaald met ‘niet-Nederlandse taal’.

Een van de belangrijkste doelen bij het leren van een niet-Nederlandse taal is het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van andere culturen. Via verschillende talen kun je de wereld op verschillende manieren bekijken. Ze bieden een nieuw perspectief op iemands eigen cultuur en taal door ons de wereld op een meer gedifferentieerde manier te laten zien.
Het Waldorfonderwijs behandelt taal zelf als een op zichzelf staand wezen, als iets universeels en diepmenselijk, gefilterd, zou je kunnen zeggen, door de overeenkomstige nationale ziel.
Elke niet-Nederlandse taal die we leren biedt een nieuwe benadering van wat menselijk is.
Het leren van een niet-Nederlandse taal vergroot je begrip van de wereld en tegelijkertijd je mogelijkheden van individuele expressie.
Wanneer je intensief met taal werkt, worden je emotionele verbindingen met de wereld om je heen geharmoniseerd en uitgebreid. We worden niet alleen beter
in ons uit te drukken, we hebben ook meer te zeggen.
Uit modern onderzoek is gebleken dat het leren van een andere taal vergelijkbaar is met het leren van de moedertaal.
Heeft het kind geleerd zich te oriënteren in de taal van de ouders door middel van imitatie van rolmodellen en door gezonde aanmoediging, kan het ook een
tweede taal, andere talen op een vergelijkbare manier leren.
In de kindertijd bevinden zich de spraakorganen nog in een ongevormde, plastische staat.
Uit ervaring blijkt dat na de leeftijd van 12 jaar de unieke en karakteristieke klanken van een niet-Nederlandse taal zelden nauwkeurig kunnen worden uitgesproken.
Een goede uitspraak, een gevoel voor intonatie en melodie van een taal kunnen alleen worden bereikt als de spraakorganen van het kind nog kneedbaar zijn. Om deze reden begint het Waldorfonderwijs met het aanleren van twee niet-Nederlandse talen** vanaf de leeftijd van 6 jaar.
Nieuw onderzoek heeft bevestigd dat er een verband bestaat tussen beweging, gebaren en taal enerzijds en de mobiliteit van het denken anderzijds.
De methode van het Waldorfonderwijs houdt hier rekening mee door bewust gebruik te maken van beweging en gebaar.

**dat verschilt in Nederland per vrijeschool en per klas. De oorspronkelijke opzet was: Engels en Duits vanaf klas 1, Frans v.a. klas 3.

Klas 1

Verhalende liedjes (Dornröschen, Hänschen Klein , etc.)
Versjes en liedjes met activiteiten (Zeigt her eure Füßchen)
Vingerspelletjes
Reageren op eenvoudige instructies
Hoofdtelwoorden
Lichaamsdelen
Dagelijkse activiteiten (wassen, aankleden, eten)
Kleuren
Voorzetsels
Kleine, simpele gesprekken (wat is je naam, waar woon je, vragen en antwoorden)
Spelletjes om woordenschat en grammaticale structuren te herhalen (heb je…? is het…?)

Te bereiken doelen

Tegen het einde van het eerste leerjaar moet de actieve woordenschat van de kinderen het volgende bevatten:
• de belangrijkste kleuren
• de belangrijkste voorwerpen in het klaslokaal
• lichaamsdelen
• dagen van de week en seizoenen
• getallen tot en met 20
Ze moeten kunnen reageren op eenvoudige opdrachten en vragen en hierop antwoord kunnen geven.

2e klas

De activiteiten van de eerste klas worden uitgebreid en vergroot: gedichten, volksliederen,
Woordenschat zoals objecten in het klaslokaal
De rangtelwoorden worden aan de hoofdtelwoorden toegevoegd
De maanden van het jaar
Woordenschat met betrekking tot de natuur, bergen, rivieren, bomen, bloemen, etc.
Kledingstukken (bijv. Hampelmann-Lied)
Dagelijkse routinehandelingen (ik kleed me aan, ik was mezelf)
Eenvoudige verhalen en het spelen van de verhalen
Iets over jezelf kunnen vertellen (verjaardag, leeftijd, familie)
Vormen van “zijn” en “hebben” in de zin (ik ben de koning, jij bent de koningin, hij is de Prins – Ik heb een broer)

Te bereiken doelen

Aan het einde van klas 2 moeten kinderen het volgende kennen en kunnen:
• de namen van de maanden
• een reeks natuurbegrippen
• de hoofdtelwoorden tot 100
• de rangtelwoorden tot en met 10
• eenvoudige vragen over zichzelf beantwoorden (hoe oud ben je, waar woon je,
heb je een zus, een broer, hoe oud zijn ze, hoe heet je moeder..)
• gebruik eenvoudige structuren zoals: het is, jij hebt, ik zou graag
• een eenvoudig verhaal begrijpen
• naar dingen in de omgeving wijzen en ze benoemen

3e klas

Uitbreiding van het kunnen communiceren
Getallen, kleuren, plaatsen (stad, dorp, land, stad)
Vervoermiddelen en kleding, tijd
Complexere opdrachten
Eten en drinken
Gezegden en eenvoudige verhalen
Kleine scènes en toneelstukken, individuele rollen
Wat zie je op dit plaatje
Werkwoordsvormen en tijdsaspecten in zinsstructuren met onderwerp en object
Gedichten en rijmpjes om grammaticale structuren te oefenen
De belangrijkste voorzetsels

Te bereiken doelen
Er zou meer bewustzijn moeten komen in het gebruik van taal.
De kinderen moeten bekend zijn met de basiswoordenschat uit de volgende gebieden
• Maaltijden, kleding, meubilair
• Vervoermiddelen, plaatsen, richtingen
• Tijd
• Tijden van de dag

Ze zouden in staat moeten zijn
• de verschillende geslachten te herkennen
• actief en individueel deelnemen aan mondelinge lessen
• een verhaal kunnen voortzetten met de volgende zin
• de belangrijkste vraagwoorden herkennen
• Structuren vrijer en onafhankelijker toepassen
• gebruik ruimtelijke voorzetsels
• herkennen van persoonlijke voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden

Doelen en taken van de eerste tot en met de derde klas

Het doel van het niet-Nederlandse talenonderwijs in deze klassen is om een ​​uitgebreide, mondelinge woordenschat op te bouwen en de kinderen kennis te laten maken met de karakteristieke klanken, accenten en ritmes van de taal. Het is vooral op deze leeftijd belangrijk om aandacht te hebben, om te oefenen met luisteren.
De kinderen maken bovendien kennis met allerlei andere aspecten van de buitenlandse cultuur, zoals traditionele folklore, gebruiken, poëzie, muziek en zelfs typische gerechten.
Het uitgebreide taalmateriaal wordt mondeling geleerd in de eerste drie klassen en dit vormt de basis voor de introductie van lezen en schrijven en een systematisch begrip van de toepassing van grammatica in de vierde klas – op 10-jarige leeftijd.

Methodiek voor eerste tot derde klas

In de eerste drie jaren werkt de leerkracht intensief met het element van nadoen.
De kinderen krijgen voornamelijk mondeling les, zonder te leren lezen en schrijven. Dit sluit tekenen en het kijken naar afbeeldingen niet uit.
De kinderen moeten steeds beter leren begrijpen en zich leren uitdrukken.
Een belangrijk element is de begeleiding van taal door gebaren, en ook in toneelstukken, spelletjes en veel praktische activiteiten speelt het gebaar een
grote rol.
Ook van groot belang op deze leeftijd zijn de spelletjes in de niet-Nederlandse taal, die in het begin ritmisch en gestructureerd worden aangeleerd. Ook dit versterkt op natuurlijke wijze het geheugen van het kind. Om deze reden worden liederen, gedichten, spreekwoorden, telrijmpjes, zelfs dagen van de week en andere woordenschat zoals lichaamsdelen of dagelijkse activiteiten in eerste instantie onthouden door ritmische herhaling.
Op deze leeftijd is leren vooral een groepsactiviteit. Herhaling en bezien van wat geleerd is, wordt voornamelijk in groepsverband uitgevoerd.
Bij spelletjes en activiteiten met veel verschillende situaties krijgen de kinderen echter ruimschoots de gelegenheid om zich de andere taal zelfstandig eigen te maken.
Het begrijpen van de inhoud vindt op een artistieke manier plaats, door gevoel en in specifieke contexten, bijvoorbeeld in seizoensgedichten of in een spel. Waar mogelijk moet de woordenschat bestaan ​​uit betekenisvolle zinnen met variaties die bijvoorbeeld betrekking hebben op tijd, plaats en mensen. Vraag- en antwoordstructuren worden als bij elkaar horend aangeleerd. Zeer eenvoudige alledaagse woordenschat is vanzelfsprekend te begrijpen. Het is niet nodig om de woordenschat in dit stadium te vertalen, zolang de kinderen in staat zijn om
zich zeker voelen in de context van het onderwerp. Met uitzondering van een paar aanwijzingen blijft de leerkracht de hele les in de andere taal spreken.
Zoals de moedertaal het beste onderwezen wordt door een sterke identificatie met mensen die belangrijk zijn voor het kind, zoals ouders of broers en zussen, vraagt het leren van een andere taal ook een sterke verbinding met de persoonlijkheid van de leraar.
Voor het kleine kind vertegenwoordigt de leerkracht beide: de taal en de cultuur. Wanneer de leraar een taal aanleert die niet zijn of haar moedertaal is, moet er speciale aandacht worden besteed aan het tot stand brengen van deze identificatie.

4e klas

Het schrijven en lezen van verzen, gedichten, liederen, etc. die in voorgaande jaren zijn geleerd
Alfabet, spelling, korte dictaten
Tegenwoordige tijdsvormen van veelvoorkomende werkwoorden met persoonlijke voornaamwoorden (andere tijden kunnen worden waargenomen in de context van het lezen van teksten)
Woordsoorten, zelfstandige naamwoorden met lidwoorden, enkelvoud en meervoud en de bijbehorende gangbare bijvoeglijke naamwoorden
Voorzetsels (in, op, onder, voor, achter, tussen)
Eenvoudige zinsstructuren (onderwerp – lijdend voorwerp)
Enkelvoud en meervoud van de zelfstandige naamwoorden met de bijbehorende vervoegingsvorm van het werkwoord (das Kind singt ein Lied, die Kinder singen Lieder)
Vraagwoorden en hun gebruik
Beschrijving van dieren, weer, huishoudelijke voorwerpen, enz.

Te bereiken doelen

Aan het einde van het schooljaar moeten de kinderen beheersen
• Het alfabet
•Spellen van hun naam en enkele veelvoorkomende woorden
• Foutloos lezen van geoefende woorden en zinnen
• Eenvoudige beschrijvingen uitvoeren
• De drie basisdelen van de taal herkennen (zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord)
• Het toepassen van de tegenwoordige tijdvormen van veelvoorkomende werkwoorden
• Het herkennen van het geslacht en de meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden
• Zelfstandig vormen van eenvoudige zinnen

Opdrachten en doelen

Rond de leeftijd van tien jaar bereiken kinderen een nieuw niveau van zelfbewustzijn,
Ze moeten veel van wat ze klassikaal hebben geleerd, individualiseren.
Er wordt begonnen met schrijven als een bewust en meer individueel opschrijven van wat in het collectieve geheugen is verzameld.
Schrijven in de niet-Nederlandse taal wordt geïntroduceerd met behulp van het uit het hoofd geleerde materiaal uit de eerste drie klassen. De kinderen leren de woordenschat die ze al kennen, herkennen. Vóór ze gedrukte lectuur gaan lezen, lezen ze wat ze zelf geschreven hebben.

In het vierde leerjaar worden de basiszinsstructuren aangeleerd. Er wordt geoefend met zelfstandige naamwoorden en eenvoudige werkwoordsvormen. Voorbeeldzinnen zijn afkomstig uit de bekende dialogen uit eerdere lessen.
Het liederen en gedichten, eenvoudige dialogen en woordspelletjes vormen een fundamenteel onderdeel van de lessen.

Methode

Hoewel nadoen en herhaling nog steeds een belangrijke rol spelen, moeten de kinderen beginnen de principes van de orthografie te herkennen, d.w.z. vervoegingen (achtervoegsels, meervoudsuitgangen, enz.)
In de vierde klas worden de kinderen zoals te doen gebruikelijk met het werken in het periodeschrift*vertrouwd gemaakt dat nauw aansluit bij de werkwijze in het hoofdonderwijs.
Deze handgeschreven boekjes zijn vergelijkbaar met lesboeken.
Ten eerste, een periodeschrift voldoet voor eenvoudige schrijfoefeningen. Later is het handig om een ​​er een te hebben voor gedichten, voor woordenschat en grammatica.
Woordenschatlijsten kunnen bestaan ​​uit woordvelden (trefwoorden die belangrijk zijn voor een specifiek onderwerp, zoals lichaamsdelen, klaslokaal, seizoenen, kleuren, eenvoudig opdrachten en vragen). Deze lijsten moeten eentalig zijn en kunnen geïllustreerd worden.
In dit stadium is het niet nodig om letterlijk te vertalen.
Wanneer mogelijk moeten ze zelfstandige naamwoorden gebruiken in
hele zinnen met de bijbehorende werkwoordsvormen en bijvoeglijke naamwoorden.
Nadat je complete zinnen hebt geschreven, kan het nuttig zijn om zelfstandige naamwoorden of werkwoorden te onderstrepen met een opvallende kleur.
Het opschrijven van een woordenschat is het einde van een lang proces van mondeling leren.
Een effectieve manier om de woordenschat te oefenen is om bekende woorden samen te vatten in een eenvoudig verhaal. De kinderen kunnen twee of drie zinnen naschrijven die de basis vormen voor zo’n verhaal. De tekst moet zoveel mogelijk herhalingen bevatten.

Naast het overschrijven van het bord kunnen ook schriftelijke oefeningen uit een eenvoudige dictee bestaan (twee zinnen kunnen uit het hoofd geleerd en opgeschreven worden). De kinderen moeten aan het begin toegang hebben tot de originele tekst. Alleen als de woordenschat echt grondig geoefend is, is het zinvol om een ​​”blind” dictee te laten schrijven.
Situatiespellen, toneelstukjes, raadspelletjes, etc. blijven belangrijke onderdelen van de lesstof.

5e klas

Doelen en taken

Op deze leeftijd (elf jaar) hebben kinderen een sterk ritmisch geheugen. Ze houden ervan om lange gedichten te reciteren en kunnen complexe canons zingen. Voortbouwend op de eenvoudige structuren die ze in klas 4 hebben geleerd, verdiepen ze hun begrip van de grammatica.
De woordenschat moet bewust worden geleerd en geoefend.
Er kan een eerste gedrukt leesboek worden geïntroduceerd.

Methode

Spraakoefeningen, dialogen in vraag- en antwoordvorm en veel verschillende gedichten die uit het hoofd gereciteerd en door herhaling geleerd worden, zijn essentiële middelen om een ​​duidelijke uitspraak en melodieuze zinnen te cultiveren, evenals een idiomatische woordenschat uit te breiden. De inhoud van dergelijke gedichten (over de seizoenen, het verhaal, enz.) hoeft niet in detail te worden toegelicht; beeldende, vereenvoudigde toelichtingen zijn voldoende.
Naarmate hun woordenschat groeit, moeten kinderen worden aangemoedigd om woorden die ze kennen fantasierijk te gebruiken. Om hun interesse in woorden te stimuleren, moeten kinderen levendige en karakteristieke beschrijvingen van mensen, plaatsen en situaties horen en lezen. Nieuwe woordenschat wordt mondeling geïntroduceerd vóór er iets nieuws in een boek wordt gelezen. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen ook andere onderwerpen een inleiding vereisen.
Gerelateerde begripsvragen moeten eerst mondeling aan de hele klas worden gesteld en door de klas worden beantwoord, vervolgens worden de kinderen individueel aangesproken. Pas dan volgen vragen in schriftelijke vorm. In sommige gevallen kan dit leiden tot huiswerk- en dictee-oefeningen.
Zodra nieuwe grammaticale structuren zijn geïntroduceerd, geoefend en begrepen, kunnen de essentiële regels in een eenvoudige vorm en idealiter in de bewoordingen van de  leerlingen, in de moedertaal in een speciaal daarvoor bestemd schrift** worden geschreven.
Dit schrift met regels moet apart worden bewaard en kan worden gebruikt vanaf klas 5 vijf tot en met klas 8.
De beste manier voor een vijfde klas om betrokken te raken, is door een toneelstuk te repeteren.

Lesinhoud

• Liedjes, gedichten, spelletjes en toneelstukken, leesoefeningen
• Vragen over de tekst, zowel mondeling als schriftelijk
• Sterke werkwoorden en tijden
• Verbuiging (nominatief, datief, accusatief)
• Voorzetsels, bijwoorden en bijwoordelijke bijzinnen (tijd, plaats, manier)
• Syntaxis: ondergeschikte zinnen en positie van modale werkwoorden
• Woordenschattesten en dictaten

Te bereiken doelen

Aan het einde van het schooljaar moeten kinderen in staat zijn om
• eenvoudige vragen over de tekst te beantwoorden
• kleine delen van een verhaal vrij vertellen
• Het uitdrukken van heden, verleden en toekomst met geleerde werkwoorden
• Syntaxisverschillen tussen moedertaal en andere taal herkennen
• de positie van het bijwoord kennen

6e klas

Doelen en taken

In het zesde leerjaar begint de overgang naar de puberteit. De intellectuele vermogens van de jongeren moeten gevoelig gemaakt worden voor de conceptuele structuren van taal. Je moet leren hoe je bewust een woordenschat leert.

Methoden

Het is zinvol voor de leerlingen van deze leeftijd om werkwoordvervoegingen, de verbuiging van zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden en het gebruik van technische termen zoals nominatief, datief enz. te leren. Met andere woorden, ordening is een belangrijk punt in de zesde klas!
Op taalkundig gebied zijn dramatische, heroïsche en lyrische poëzie en veel
humor de essentiële aspecten.
Een hoofdonderwerp in de zesde klas is de aardrijkskundeperiode, samen met andere kenmerkende lesinhoud van het hoofdonderwijs.
De 6e klas biedt de behandeling van teksten over historische en mythologische figuren.
Zodra een bevredigende basis is gelegd op het gebied van grammatica en woordenschat, kunnen de leerlingen worden aangemoedigd om zich vrijer uit te drukken in de andere taal. De mogelijkheden voor schriftelijke oefeningen omvatten het schrijven van brieven, eenvoudige beschrijvingen, dagboekfragmenten of samenvattingen van verhalen.
Op deze leeftijd moet de leerkracht omgaan met heel verschillende individuele mogelijkheden van de kinderen. Oefeningen moeten op een gedifferentieerde manier worden gegeven, zodat aan de leervereisten kan worden voldaan. Dit betekent echter niet dat een klas in prestatiegroepen moet worden verdeeld. Echter, leerlingen die op dit moment nieuw zijn toegelaten tot de klas en die geen voorkennis hebben in een of andere taal, worden apart onderwezen totdat
he realistisch lijkt om ze te integreren in het normale onderwijs.

Lesinhoud

• Liedjes, gedichten, met een zo sterk mogelijk ritme
• Verhalen lezen
• Vragen en antwoorden over de tekst, ook in vrij gesprek
• Beginnen met een grammaticaschrift
• Herhaling van de tot nu toe behandelde grammaticale onderwerpen
*Nieuw in de grammatica: actief en passief

Doelen

Aan het einde van het schooljaar moeten leerlingen in staat zijn om:
• vrijer over zichzelf en hun omgeving praten
• vrijuit spreken over een onderwerp dat in de klas is behandeld
• grammaticale verschijnselen herkennen en deze met voorbeelden illustreren
• de gebruikte grammaticale terminologie begrijpen

7e en 8e klas

Doelen en taken

De methode voor de zevende en achtste klas is nauw verbonden met de beschrijvingen voor de zesde klas.
Nu ligt de nadruk sterk op culturele, geografische, historische en actuele onderwerpen.
Door literatuur te lezen en door eigen werkprojecten (groep 8),
kan de stof bij leerlingen worden geïntroduceerd via bijvoorbeeld biografisch werk.
Het is ook belangrijk om de eigenaardigheden van de spreektaal te begrijpen
en er moet voldoende tijd in de lessen zijn om de taal te oefenen door
dialogen.
Leerlinguitwisseling en penvriendschappen moeten worden ondersteund.
Gedurende deze tijd moet een tweetalig woordenboek worden geïntroduceerd en de leerlingen moeten beginnen met eenvoudige vertalingen.

Lesstof

• Biografieën, gekoppeld aan de inhoud van de periodestof, bijvoorbeeld ontdekkingsreizigers, uitvinders, natuurwetenschappers, enz.
• Historische en culturele onderwerpen uit het leven van vandaag,
*Fragmenten uit de literatuur
• Directe en indirecte rede
• Herhaling van de verbuiging
• Verbale zelfstandige naamwoorden
• Voorzetsels met datief en accusatief
• Eenvoudige ondergeschikte zinsstructuren
• Vergelijking van bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden
• Voornaamwoorden

Doelen

Aan het einde van deze schooljaren moeten leerlingen:
• de toepassing van de naamvallen begrijpen
• weten welke voorzetsels bij welke naamvallen horen
• in staat zijn om eigen korte essays met redelijke nauwkeurigheid te schrijven
• een overzicht hebben gekregen van zinsstructuren
• in staat zijn om zichzelf in alledaagse situaties duidelijk uit te drukken in eenvoudige zinnen (sociale uitwisseling, de weg vragen, iets over jezelf vertellen, enz.)

*ik ben groot voorstander van het werken in ringmappen A5.
Hier worden bv. meerdere schriften gebruikt. In een ordner kan alles bij elkaar.
En de inhoud is tijdens alle jaren per onderwerp aan te vullen waarbij de opgeschreven stof niet verloren gaat.

.

*Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Nederlands: alle artikelen

Leerplan: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3371-3170

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Oudjaar – oliebollen

.
Martine Kamsma NRC 30-12-2023

.

oliebollen
.

De oliebol hoort in Nederland bij Oud en Nieuw zoals pepernoten bij Sinterklaas horen. Maar waarom? En is dat altijd zo geweest?

Eerst de afbakening van wat een oliebol of oliekoek nu eigenlijk is.
Karel Knip schreef in NRC al eens dat de oliekoek definitief een oliebol ging heten toen de frituurpan het eind negentiende eeuw overnam van de koekenpan. Culinair historicus Lizet Kruyff begint bij de oliekoek en spreekt van in olie of smout (reuzel of raapzaadolie) gebakken koeken, met een verspreidingsgebied van pakweg Texel tot aan de Marne in Frankrijk. Daar waar grofweg de Lage Landen ophielden, ligt ook de oliebollengrens, of smoutebol, zoals-ie in het Vlaams heet. „Dat zie je nog steeds, tot in Reims staan er oliebollenkramen op straat, daarna houdt het op”, weet Kruyff, die een huis aan de Marne heeft en daar een deel van het jaar woont.

De eerste Nederlandse benamingen voor oliekoek, komen uit de zestiende eeuw, valt op Wikipedia te lezen. De oliekoek uit de Vorstermanbijbel (1528) zou een vertaling zijn uit het Sefardisch, voor een gefrituurde krentenbol die volgens Wiki „een rituele functie” had. De Sefardische joden hadden die oliekoek met krenten tijdens de inquisitie meegenomen van het Iberisch schiereiland.

Dat betekent niet dat hier eerder geen oliekoeken werden gebakken. Waarschijnlijk waren het de Romeinen, zegt Kruyff, die een baksel meenamen naar de Lage Landen dat je als de moeder aller oliebollen kunt zien: de globi. Cato de Oude schreef in de tweede eeuw voor Christus over de deegbolletjes die als streetfood in kramen werden gefrituurd. Kruyff: „Als je in een stad als Rome woonde, kon je niet zomaar een vuurtje stoken, daarom kwamen er straatkraampjes.”
Beignets, churros, donuts en oliebollen zijn allemaal afstammelingen van die Romeinse globi.

In het Dordrechts Museum hangt een schilderij van Albert Cuyp uit 1652 van een vrouw met een aardewerken pot vol oliebollen. Dat straalt iets heel alledaags uit. In die tijd gingen er nog lekker veel specerijen in: kaneel, gember en ‘weynigh nagelen’, volgens het kookboek ‘De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster’. Maar ook dat was niks elitairs. Alle gerechten waren toen veel kruidiger.

Oliebollen waren al kermis-eten, als oud-en-nieuwsnack zijn ze een recenter fenomeen. Kruyff: „Halverwege de negentiende eeuw werd Kerstmis in Duitsland naast een kerkelijk ook een huiselijk feest. Trendsetters waren koningin Victoria en haar Duitse gemaal Albert.”
Nederlanders namen dat over, met alle zoetwaren van dien. „En zoals dat gaat, dan plak je Oud en Nieuw daaraan vast.

Als je om twaalf uur de straat op ging om nieuwjaarswensen uit te wisselen, vroeg je de buren binnen voor een oliebol.
Een ritueel om een voorspoedig nieuwjaar af te dwingen?
Zoals de Sefardische oliebol mogelijk ook een rituele functie had?

Zo ziet Kruyff het toch niet. „Als we iets niet begrijpen, noemen we het al snel een ritueel. Gezellige burgertruttigheid, daar hoort het bij. En zo’n vette hap dempt de alcohol meer dan fantastisch.”

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3370-3169

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf GA 93

.

De opvoeder moet zo te werk gaan, dat hij het ware, goede en mooie niet alleen voor het kind beschrijft, maar dat hij het ís. Wat hij is, gaat over op het kind, niet wat hij het leert. Alles wat het moet leren, moet voorgeleefd worden. Het aanleren zelf moet een kunstwerk zijn, geen theoretische inhoud.
Wegwijzer  126

.

Om de mens te karakteriseren beschrijft Steiner deze vanuit verschillende gezichtspunten.
In de serie over zijn ‘Algemene menskunde’ vind je daar verwijzingen voor vanaf deel [1-7-2]
Daaronder ook verwijzingen naar ‘het astraallijf’.

Soms zijn de opmerkingen wat kort, soms uitgebreider.
Wat me in de loop van de bestudering van de mensbeelden opviel, was dat Steiner ondanks dat er veel dezelfde opmerkingen zijn, toch telkens weer iets nieuws toevoegt.

Zijn uitleg in GA 93 is uitvoerig. En tegelijkertijd heel praktisch. Ook voor de opvoeder.
Want concreet komt de vraag aan de orde: wat doet mijn astraallijf, of wat doe ik met mijn astraallijf in de richting van het kind.

GA 93

Die Tempellegende und die Goldene Legende

De tempellegende en de gouden legende

Voordracht Berlijn, 23 oktober 1905, ’s avonds

 

Die Beziehung der okkulten Erkenntnisse zum alltäglichen Leben

De samenhang tussen het bovenzintuiglijke inzicht en het leven van alledag

Blz. 244

Steiner gebruikt hier voor de wezensdelen het woord ‘Körper’ en de vraag zou kunnen opkomen: ‘waarom niet ‘Leib’. Ik denk omdat hij hier meer op de vorm wil wijzen, niet op de beweeglijkheid, het stromende ‘Leib’ als leven.
[1-7-1

Der heutige Mensch zeigt uns der Form nach in der Hauptsache drei Körper: den physischen Körper, den Äther- und den Ästralkörper. Der Ätherkörper ist eine Art Urbild des physischen Körpers. Der Astralkörper, die aurische Hülle, die den Menschen umgibt und durchdringt, ist dasjenige Gebilde, in welchem sich das Gemütsleben, das Instinkt- und Leidenschaftsleben sowie jeder Gedanke Ausdruck verschafft.

De hedendaagse mens laat ons qua vorm in hoofdzaak drie lichamen zien: het fysieke lichaam, het etherische lichaam en het astrale lichaam. Het etherische lichaam is een soort archetype van het fysieke lichaam. Het astrale lichaam, de aurische omhulling die de mens omringt en doordringt, is de structuur waarin het emotionele leven, het leven van instinct en hartstocht, evenals elke gedachte, tot uitdrukking komt.

[  ]

Wat gebeurt er wanneer twee mensen bij elkaar zijn of tegenover elkaar staan bij een gesprek o.i.d.?

Wenn zwei Menschen sich gegenüberstehen, so sind es zunächst die beiden
Astralkörper, die sich gegenüberstehen in Liebe oder Haß, Wohlwollen oder Mißfallen, Zorn oder Güte, abstoßend oder anziehend.
Das alles sind Erscheinungen, die sich zwischen den Astralkörpern
abspielen. Der Verkehr zwischen den Menschen ist ein fortwährender Austausch von Zuständen und Verhältnissen der Astralkörper.
Wenn ich einem anderen Menschen gegenüberstehe, dann erfährt mein
physischer Körper keine große Veränderung, auch der Ätherkörper nicht, wohl aber der Astralkörper. Wenn ein Mensch zu mir etwas sagt, das haßerfüllt ist, so gehen die haßerfüllten Ströme in meinen Astralkörper ein und verändern denselben. Ich muß dasjenige, was von ihm ausströmt, in meinen eigenen Astralkörper aufnehmen, und dieser bekommt dann ganz andere Eigenschaften, je nachdem mir von dem anderen Liebe, Geduld oder Zorn und Ungeduld zuströmt.

Wanneer twee mensen tegenover elkaar staan, zijn het in eerste instantie de twee
astrale lichamen die tegenover elkaar staan ​​in liefde of haat, welwillendheid of ongenoegen, woede of vriendelijkheid, afstotend of aantrekkend.
Dit zijn allemaal verschijnselen die optreden tussen de astrale lichamen. De omgang tussen mensen is een voortdurende uitwisseling van toestanden en relaties van de astrale lichamen.
Wanneer ik tegenover iemand anders sta, beleeft mijn fysieke lichaam geen grote verandering, ook het etherische lichaam, niet, maar het astrale lichaam wel. Als iemand iets tegen mij zegt dat vervuld is van haat, gaan de van haat vervulde stromingen mijn astrale lichaam binnen en veranderen het. Ik moet wat daarvan uitgaat in mijn eigen astrale lichaam opnemen, en dit krijgt dan geheel andere eigenschappen, afhankelijk van wat voor mij vanuit de ander aan liefde, geduld of boosheid en ongeduld uitstroomt.

Eigenschap, niet als blijvend gevoel, maar meer als stemming, als gevoelstrek (op dat ogenblik, wellicht nog een poosje nawerkend).

Nu betrekt Steiner dit op de relatie opvoeder – kind:

Blz. 245

Zwischen dem Erzieher und dem Kinde spielt sich etwas ganz Ähnliches ab. Es ist ein großer Unterschied, ob ein Erzieher liebevoll oder ob er ein engherziger Egoist ist. In dem kindlichen Astralkörper haben wir etwas, was anders aussieht als der Astralkörper des Erwachsenen.
Der Astralkörper des Kindes ist licht und
hell, er zeigt sich uns als etwas Jungfräuliches im Vergleich zu dem Astralkörper, wie er sich im Laufe des Lebens entwickelt.
Was ist
der Astralkörper des Kindes? Wie eine undifferenzierte Lichtwolke
erscheint er, die erst nach und nach gestaltet wird. Es ist noch wenig in ihn eingegraben, was ihn mehr und mehr in sich bestimmt macht, so daß noch alles mögliche aus ihm geboren werden kann. 

Tussen de opvoeder en het kind voltrekt zich iets soortgelijks. Er is een groot verschil of een opvoeder liefdevol is of een bekrompen egoïst. In het
astraallichaam van het kind hebben we iets dat er anders uitziet dan het astrale lichaam van de volwassene. Het astrale lichaam van het kind is licht en
helder, het toont zichzelf aan ons als iets reins vergeleken met het astraallichaam zoals dat zich in de loop van het leven ontwikkelt.
Wat is het astrale lichaam van het kind?
Het verschijnt als een ongedifferentieerde wolk van licht die geleidelijk wordt gevormd. Dat zit bij hem nog niet zo diep, geleidelijk zal het zich verankeren zodat al het mogelijke er nog uit worden kan.

De waarneming van de ‘ongedifferentieerde wolk’ is die van de helderziende, m.a.w. ik zie die niet.
Maar aan het leven van jonge kinderen, hoe ze zich bewegen, vrolijk zijn en wat daarbij hoort aan lach en blijde gezichten, roept onmiskenbaar het gevoel bij je op van ‘lichtheid’.

In een uitzending van ‘Human’ van 22-12-2024 zie je hoe kinderen uren op hun smartphone staren en hoe ze daarna met elkaar op de ‘smartphone-vrije dag’ zich vertonen.

Programma-informatie:

Metropolis
Me & my smartphone
22 december 2024

kijk & luister    //vanaf begin tot ongeveer minuut 6
Hoeveel tijd zit jij op je telefoon? Dat we een moeizame relatie hebben met onze mobiel is duidelijk. Fifi uit Indonesië is helemaal klaar met de mobielverslaving van haar 8-jarige zoon. Ze stuurt hem naar een kamp waar kinderen verplicht hun mobiele telefoon in moeten leveren en hopelijk zo hun gebruik in de toekomst zullen verminderen.
In New York besluit een tegendraads groepje tieners om elke zondag af te spreken in het park en weer ouderwets te praten met elkaar.
Alex is smartphoneleraar en leert de bewoners van een arbeiderswijk met veel sociale achterstand om te gaan met hun mobiele telefoon.

Er wird geformt durch die Vorstellungen, die das Kind aus der Umgebung aufnimmt. Sie gehen in ihn ein und färben ihn und machen ihn anders.
Je nachdem, was für Vorstellungen das Kind aufnimmt, ob von
materialistischen oder idealistischen Gesichtspunkten ausgehend, strömen andere Gebilde in den Astralkörper des Kindes ein und formen ihn. Es tritt dann immer mehr eine Erfüllung der Seele mit solchen Vorstellungen ein.

Het astraallichaam wordt gevormd door de ideeën die het kind uit de omgeving
absorbeert. Die gaan daarheen, kleuren het en veranderen het.
Afhankelijk van wat voor soort voorstellingen het kind opneemt, of die nu voortkomen uit een materialistisch of idealistisch gezichtspunt, vloeien andere structuren het astrale lichaam van het kind binnen en vormen het. De ziel raakt dan steeds meer van zulke voorstellingen vervuld.

Wenn das Kind lieblos behandelt wird, tritt das Echo dieser Lieblosigkeit im Astralkörper des Kindes in Erscheinung.

Wanneer het kind liefdeloos behandeld wordt, verschijnt de echo van deze liefdeloosheid in het astraallichaam van het kind.

Er zijn verschillende uitspraken van Steiner over de ziel die zich samen met de geest in het lichaam manifesteert. Daar worden ze niet alleen zichtbaar, ze bouwen ook ieder op hun manier aan de stoffelijke mens.

Door het hersenonderzoek kunnen steeds meer interessante gezichtspunten worden gegeven over wat er eigenlijk in ons brein gebeurt.

Als we nu even uitgaan van de genoemde liefdeloosheid, vind ik dit schokkend:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier:


Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.

(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain)
Uit  Arie Bos:  ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Dus ontstaat de vraag: wordt hier zichtbaar voor ons wat Steiner helderziend waarnam?
En als dat zo is, welk licht werpt dit dan op bv. de werking op de hersenen van (jonge? kinderen die ‘een tijd’ per dag op een scherm(pje) allerlei flitsachtige impulsen moeten volgen. 

Er schließt sich dann wie mit einer Haut gegen die Außenwelt ab.
Das alles zeigt uns, daß tatsächlich ein fortwährendes Umbilden des Astralkörpers stattfindet und daß der Verkehr mit den Menschen auf
dieses Umbilden einen großen Einfluß hat.
Das Kind hat also noch einen gleichförmigen, aber eine unendliche Fülle von Möglichkeiten enthaltenden Astralkörper.
Nehmen
Sie den Astralkörper eines Kindes an, der einem idealistischen Erzieher gegenübersteht, der selbst eine harmonische Seele hat und mit Hingabe in die Welt hineinblickt und empfänglich ist für deren Schönheit und Erhabenheit, einem Erzieher, der imstande ist, in sich selbst
ein Abbild der Schönheit der Welt zu schaffen. Ein solcher Erzieher
wird auch die Eigenschaft entwickeln, auf die Anlagen der kindlichen
Seele einzugehen. Er bildet dann im Kinde weiche und empfängliche

Vervolgens sluit het (astraallichaam) zich als met een huid af van de buitenwereld.
Dit alles laat ons zien dat er werkelijk sprake is van een voortdurende verandering van het astraallichaam en dat de omgang met de mensen op deze verandering van grote invloed is. 
Het kind heeft dus nog steeds een astraallichaam dat ongedifferentieerd is, maar dat een oneindige rijkdom aan mogelijkheden bevat. 
Kijk eens naar het astrale lichaam van een kind, dat met een idealistische opvoeder te maken heeft die zelf een harmonieuze ziel heeft en met toewijding naar de wereld kijkt en ontvankelijk is voor de schoonheid en verhevenheid ervan, een opvoeder die in staat is in zich zelf een beeld van de schoonheid van de wereld in zichzelf op te roepen. Zo’n opvoeder zal ook de eigenschap ontwikkelen, in te gaan op de aanleg van de ziel van het kind. Hij vormt dan bij het kind iets dat plooibaar en ontvankelijk is,

Blz. 246

Gebilde aus und sendet in diese Ströme hinein, die von dem eigenen
Astralstoff des Kindes aufgelöst werden. Ein solcher in sich selbst
harmonisch gebildeter Erzieher sendet dem Kinde fortwährend harmonische Ströme zu. Wie selbstverständlich fließt dann die Charaktereigenschaft des Erziehers in das Kind über, und damit fließt auch
über alle jene Weltharmonie, die er in Form der Schönheit aus der
Umgebung entnommen hat. Was er Großes aufnimmt, als edler Mensch
und guter Beobachter, das sendet er als Erzieher in die Natur des
Kindes und bringt diese dadurch zu harmonischer Entwickelung.
Nehmen wir dagegen an, der Erzieher stehe dem Kinde als egoistischer, pedantischer Mensch gegenüber, als Mensch mit engen,
eigensinnigen Vorstellungen und Begriffen. Diese Eigenschaften rufen
in seinem eigenen Astralleibe Gebilde hervor, die ihn wie in einer
festen Kruste eingeschlossen erscheinen lassen, ihn zu einem durch
und durch festen, schwerbeweglichen Gebilde machen. Dann sendet
er Strahlenströme aus, die fest in sich geschlossen sind, so daß es
dem Astralkörper des Kindes unmöglich ist, sie aufzulösen. Sie verletzen höchstens wie ein Pfeil den Astralkörper des Kindes, können
aber nicht aufgelöst werden und gehen einfach durch denselben hindurch.

dat zit in dat stromende naar het kind toe en dit neemt dit op in zijn astraallichaam, het lost er a.h.w. in op. Een harmonieus ontwikkelde opvoeder stuurt voortdurend harmonieuze stromen naar het kind. Als vanzelfsprekend vloeien dan karaktereigenschappen van de opvoeder ook over in het kind, en daarmee ook die wereldharmonie die hij in de vorm van schoonheid uit de
omgeving gehaald heeft. Wat hij aan geweldige dingen in zich opneemt, als een nobel persoon en een goede waarnemer, dat is wat hij als opvoeder naar de natuur van het kind stuurt en daardoor brengt hij het tot een harmonieuze ontwikkeling.
Laten we aan de andere kant aannemen dat de opvoeder het kind tegemoet treedt als een egoïstisch, pedant persoon, als een persoon met bekrompen,
eigenzinnige ideeën en opvattingen. Deze eigenschappen roepen
in zijn eigen astrale lichaam iets op wat dit als in een stevige korst omsloten
laat verschijnen, maken het tot iets dat door en door star is. Dan zendt hij stralenstromen uit die in zichzelf vast gesloten zijn, zodat het voor het astrale lichaam van het kind onmogelijk is om die oplossend in zich op te nemen. Hooguit kunnen ze het astrale lichaam van het kind als een pijl verwonden, maar ze worden niet opgelost en gaan er eenvoudig doorheen.

Oder nehmen Sie etwas noch Alltäglicheres an. Zwei Menschen sprechen miteinander. Man kann zwei solche Menschen sehr gut in bezug auf die Wirkungen ihrer Astralkörper aufeinander durch das gegenseitige Aufeinandereinsprechen beobachten.
In der astralen Substanz, im Astralen bildet sich immer etwas Neues.
Ich will Ihnen dies in folgender Weise begreiflich machen. Der Mensch
baut durch seine Vorstellungen fortwährend Gebilde in den Astralkörper hinein. Diese zeigen sich in den mannigfaltigsten Formen. Die astrale Substanz, die zwischen den einzelnen Gebilden unbenützt bleibt, nennt man eine intermediäre Astralsubstanz, im Gegensatz zu derjenigen, die sich zu Gebilden gestaltet hat. Diese intermediäre Astralsubstanz ergänzt sich fortwährend aus der Astralsubstanz unserer Umgebung, strömt fortwährend ein und aus, wird fortwährend erneuert.
Aber die Gebilde bleiben fest, die der Mensch durch die Art seiner
Empfindungen, Gedanken und Willensentschlüsse ausgebildet hat.

Of neem eens iets dat nog alledaagser is. Twee mensen praten met elkaar. Je kan heel goed twee zulke mensen observeren met het oog op de werkingen van hun astrale lichamen op elkaar door middel van de onderlinge communicatie.
Er vormt zich altijd iets nieuws in de astrale substantie, in het astrale.
Dit wil ik u op de volgende manier duidelijk maken. Door zijn ideeën bouwt de mens voortdurend structuren op in het astrale lichaam. Deze verschijnen in de meest verschillende vormen. De astrale substantie tussen de individuele structuren die ongebruikt blijft, wordt tussenliggende astrale substantie genoemd, in tegenstelling tot de substantie die tot structuren wordt gevormd. Deze tussenliggende astrale substantie vult zichzelf voortdurend aan vanuit de astrale substantie van onze omgeving, stroomt voortdurend in en uit, en wordt voortdurend vernieuwd.
Maar de structuren die de mens vormt door de soort van zijn gevoelens, gedachten en wilsbeslissingen, zijn blijvend.

Blz. 247

Nehmen wir also an, zwei Menschen stehen vor uns und führen ein
gewöhnliches Gespräch miteinander. Der eine von ihnen hat starre,
feste Begriffe ausgebildet, die auch sehr feste Gebilde in der Astralsubstanz erzeugt haben. Der andere spricht auf ihn ein und versucht, ihm etwas klarzumachen. Worauf beruht dieses einem anderen etwas klarzumachen? Es beruht darauf, daß er seinen eigenen Begriff in die astrale Substanz des anderen Menschen hineinsendet. Dieser Begriff, dieser Gedanke strömt dann zunächst in die fremde Astralsubstanz hinein. Dort muß er sich erst durch die Zwischensubstanz auflösen und sich entsprechend den bereits vorhandenen Formen wieder erzeugen und umgebildet werden.
Nehmen wir nun an, der eine versuche dem anderen etwas klarzumachen, zum Beispiel, was sich auf Reinkarnation bezieht. Der andere hat sich aber über Reinkarnation bereits einen festen Begriff gebildet.
Nehmen wir an, er sei ein befangener Mensch und habe sich den Begriff gebildet, daß sie etwas Törichtes und Unsinniges sei. Dieser Gedanke hat in seiner Astralsubstanz geschwebt.

Laten we zeggen dat we twee mensen hebben die een gewoon gesprek met elkaar voeren. De ene heeft starre, vast omlijnde begrippen gevormd die ook zeer vaste substantie in de astrale substantie zijn geworden. 
De ander spreekt hem aan en probeert om hem iets duidelijk te maken.
Waar is dit iets duidelijk maken op gebaseerd?
Het is gebaseerd op het feit dat hij zijn eigen begrip in de astrale substantie van de ander stuurt. Dit begrip, deze gedachte stroomt dan allereerst in de vreemde astrale substantie. Daar moet het eerst worden opgelost door de tussenstof
en zo worden opgenomen dat het overeenkomt met de vormen die daar al ontwikkeld zijn.
Laten we nu eens aannemen dat de een de ander iets probeert uit te leggen, bijvoorbeeld wat met reïncarnatie te maken heeft. De andere heeft echter al een vaststaande opvatting over reïncarnatie gevormd.
Laten we aannemen dat hij een zelfbewust persoon is en het idee heeft gevormd dat het iets dwaas en onzinnigs is. Deze gedachte is door zijn astrale substantie gegaan.

Nun kommt der Gedanke des ersteren und löst sich in der intermediären Astralsubstanz des anderen auf, müßte sich aber in die bei ihm bereits bestehenden Gedankenformen umbilden können. Das geht aber nicht, weil
sein Begriff zu starr, zu fest ist. Er kann den ihm zugesandten Gedanken nicht in seine Gedankenform umbilden, und deshalb versteht er ihn nicht.
Je mehr sich ein Mensch die Beweglichkeit der Begriffe erhält, so
daß diese immer von der sie umgebenden Zwischensubstanz aufgelöst werden können, desto mehr Verständnis wird er dem anderen Menschen entgegenbringen. Davon rührt es her, daß es so schwierig ist, akademisch gebildeten Leuten theosophisches Leben zu vermitteln.
Die auf der Universität aufgenommenen Begriffe erzeugen starre, feste, in sich abgeschlossene Gebilde, die nicht leicht auflösbar sind.
Mit solchen Gebilden erfüllt, kommt der Akademiker gewöhnlich zum theosophischen Vortrag und ist dann unfähig, theosophisches Leben zu erfassen. Ganz anders würde es sein, wenn er so erzogen wäre, daß er sich bei allen Begriffen sagte: Ja, es könnte möglicherweise auch anders sein, denn wir haben ja nur einen geringen Grad

Nu komt de gedachte van de eerstgenoemde en lost op in de tussenliggende astrale substantie van de ander, maar zou zich moeten kunnen transformeren in de gedachtevormen die daarin al bestaan. Maar dat werkt niet omdat zijn begrip te star is, te vast. Hij kan de naar hem gezonden gedachte niet in zijn gedachtevorm omzetten en begrijpt deze daarom niet.
Hoe meer iemand beweeglijkheid van begrippen heeft, dus dat deze altijd worden opgelost door de tussenliggende substantie die hen omringt, hoe meer begrip hij de ander zal tonen. [karakteriseren i.p.v. definiëren]
Daarom is het zo moeilijk om academisch geschoolde mensen antroposofie te laten begrijpen.
[Er staat ‘theosofie’, later werd dit voor Steiner antroposofie. Ik denk dat ik dat hier wel in deze vorm mag gebruiken

De begrippen die op de universiteit worden opgedaan, veroorzaken rigide, starre op zichzelf staande structuren die niet gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Gevuld met dergelijke structuren komt de academicus meestal naar een antroposofische lezing en is dan niet in staat antroposofisch leven in zich op te nemen. Het zou heel anders zijn als hij zo was opgevoed dat hij bij alle begrippen tegen zichzelf kon zeggen: ‘Ja, het zou mogelijk anders kunnen zijn, want we hebben maar weinig

von Erfahrung, und manches, was wir jetzt für richtig halten, wird in der Zukunft noch korrigiert werden müssen.
– Würde er das tun, dann wäre die Seele noch aufnahmefähig.
Nehmen wir noch einen anderen Fall. Ein Mensch steht einem anderen mit Gefühlen der Verehrung gegenüber. Wie nimmt sich für den Beobachter, der mit astralen Sinnen begabt ist, die Verehrung aus?
Verehrung heißt, solche Gedanken aussenden, welche sich in die Substanz des fremden Astralkörpers hineinsenkt und sie gleichsam aufsaugt. Wenn Sie nämlich einen verehrenden Gedanken haben, so kommt dieser dadurch zum Ausdruck, daß Sie selbst die Verehrung als ausströmende Wärme dem anderen entgegenbringen. Diese von Ihnen ausströmende Wärme hat in der astralen Welt ihr Spiegelbild, das sich in bläulicher Farbe als die Gedankenform der Verehrung und Devotion zeigt. Das warme, verehrende Gefühl erzeugt eine Gedankenform, die bläulichen Charakter trägt.

ervaring, en sommige dingen waarvan we nu denken dat ze juist zijn, zullen in de toekomst nog weer gecorrigeerd moeten worden.
– Zou hij dat doen, dan zou de ziel nog steeds ontvankelijk zijn.

In vele pedagogische voordrachten heeft Steiner gesproken over ‘de vanzelfsprekende autoriteit’ en het kind dat met verering opziet naar zijn opvoeder. [9-1-2]

Laten we een ander geval nemen. Iemand staat tegenover een ander met gevoelens van respect, verering.
Hoe ziet verering eruit voor een waarnemer die begaafd is met astrale zintuigen 
Vereren betekent die gedachten uitzenden die in de substantie van het vreemde astrale lichaam zinken en die deze als het ware absorbeert. Want als je een eerbiedige gedachte hebt, komt deze zo tot uiting dat je zelf de verering als uitstromende warmte de ander tegemoet draagt. Deze warmte die van jou uitstraalt, vindt zijn weerspiegeling in de astrale wereld, die zich in een blauwachtige kleur manifesteert als de gedachtevorm van verering en toewijding. Het warme gevoel van verering creëert een gedachtevorm die een blauwachtig karakter heeft.

Steiner gaat nu verder in op de kleuren die een helderziende waarneemt bij de verschillende gevoelens, van verering, van afwijzing e.d.

Blz. 249

Nog een aanbeveling hoe met deze mededelingen om te gaan. 

Sie sehen, was sich in unserem Astralleibe abspielt, ist nichts anderes als das Ergebnis des Alltagslebens. Was sich im Astralkörper abspielt, kann nur der sehen, der darauf trainiert ist. Aber die Wirkungen dieser Vorgänge im Astralkörper sind im Physischen fortwährend da, und von diesen kann sich jeder durch das Leben überzeugen.
Jeder kann folgende Probe machen, indem er sich sagt: Ich lasse es ganz dahingestellt, ob die Mitteilungen des Okkultisten wahr oder falsch sind. Aber ich will sie unbefangen prüfen. Ich kann so leben, als ob diese Mitteilungen auf Richtigkeit beruhten. Ich kann mich dann meinen Mitmenschen gegenüber dementsprechend verhalten, und wenn ich das vorsichtig tue, dann werde ich ja sehen, ob das Leben mir in jedem einzelnen Falle bestätigt, was der Okkultist sagt.
Und das Leben wird Ihnen das in jedem Fall bestätigen. Sie werden einen ungeheuren Gewinn davon haben.

Zie je, wat er in ons astrale lichaam gebeurt, is niets anders dan het resultaat van het dagelijks leven. Wat er in het astrale lichaam gebeurt, kan alleen worden gezien door degenen die daarvoor oefeningen heeft gedaan. Maar de effecten van deze processen in het astrale lichaam zijn voortdurend aanwezig in het fysieke leven, en iedereen kan zichzelf daarvan door het leven overtuigen.
Iedereen kan de volgende test doen door tegen zichzelf te zeggen: ik laat  helemaal buiten beschouwing of de mededelingen van de helderziende waar zijn of niet. Maar ik wil ze onbevangen onderzoeken. Ik kan zo leven alsof deze mededelingen op waarheid berusten. Ik kan mij t.o.v. mijn medemensen dienovereenkomstig gedragen en als ik dit zorgvuldig doe, zal ik zien of het leven in elk afzonderlijk geval bevestigt wat de helderziende zegt.
En het leven zal dit in ieder geval aan je bevestigen. En daar zal je enorm veel bij winnen.

Terug naar de opvoeding:

Wer sich das durchdenkt und zum Beispiel sich als Erzieher nicht nur mit seinen pädagogischen Begriffen und Ideen durchdringt, und nicht nur durch das wirkt, was er sagt, sondern auch durch das, was er fühlt, empfindet und denkt, wer sich durchdringt mit dem Bewußtsein, daß zwei Astralkörper aufeinander einwirken und weiß, was bei dem Gegenüberstehen dieser Astralkörper vor sich geht, der weiß auch, daß er die Pflicht hat, sich immer besser und besser zu machen. In dem Grade, wie er besser wird, wirkt er auch besser auf die Anlagen des Kindes ein. Er tötet nicht die Anlagen, sondern holt sie heraus.

Iedereen die hierover nadenkt en bijvoorbeeld als opvoeder zich niet alleen doordringt met zijn pedagogische begrippen en ideeën, en niet alleen werkt door wat hij zegt, maar ook door wat hij voelt, beleeft en denkt, wie zichzelf doordringt met het bewustzijn dat twee astrale lichamen elkaar beïnvloeden en weet wat er gebeurt als deze astrale lichamen tegenover elkaar staan, weet ook dat hij de plicht heeft om zichzelf steeds te verbeteren. Naarmate hoe hij zich verbetert, is dat ook van invloed op de capaciteiten van het kind. Hij doodt de aanleg niet, maar brengt die tot ontwikkeling.

Steiner gaat hier niet in op het feit dat hij ook heeft gewezen op het feit, dat de volwassene met zijn wezensdelen inwerkt op het 1 ‘lager gelegen’ wezensdeel. In dit geval: het astraallijf van de opvoeder werkt in op het etherlijf van het kind: d.i. dus op zijn levenskrachten. In GA 317/33  Vertaald/

Dat de invloed van de astrale krachten op het etherlijf van het kind ‘ook van invloed is op de capaciteiten, de aanleg’, blijkt uit het feit dat het etherlijf de drager is van deze aanleg. Preciezer: daar waar etherlijf en gewaarwordingslijf-ziel elkaar ‘raken’. 

Wenn wir vom Seelischen des Menschen sprechen, so meinen wir nicht zuletzt das Temperament und die ursprüngliche Charakteranlage. Das drückt sich der Form nach im Ätherleibe aus.

Wanneer we over de ziel van de mens spreken, bedoelen we niet in de laatste plaats het temperament en de oorspronkelijke karakteraanleg. Daar komt de ziel wat de vorm betreft in het etherlijf tot uitdrukking. 
GA 96/107
Niet vertaald

Der Astralleib hat zwar zu tun mit Lust und Leid und unseren Leidenschaften; sind diese Leidenschaften aber zur Gewohnheit, zu sogenannten Charaktereigenschaften geworden, dann liegen sie verankert im Ätherleib,
und wenn wir solche Gewohnheiten umwandeln wollen, dann muß sich der Ätherleib umwandeln, denn dieser ist der Träger aller Gewohnheiten und Charaktereigenschaften.

Het astraallijf heeft weliswaar te maken met lust en leed en onze heftige gevoelens; wanneer deze echter tot gewoonte, tot zgn. karaktereigenschappen zijn geworden, dan liggen ze verankerd in het etherlijf, en als we die gewoontes willen veranderen, dan moet het etherlijf een verandering ondergaan, want die is de drager van alle gewoontes en karaktereigenschappen.
GA 100/42
Niet vertaald

Kortom:

Dazu muß dieser Erzieher so wirken, daß er gewissermaßen das Wahre, Gute und Schöne dem Kinde nicht bloß darstellt, sondern es ist. Was er ist, geht auf das Kind über, nicht, was er ihm lehrt. Alle Lehre muß wesenhaft im Vorbilde vor das Kind hingestellt werden. Das Lehren selbst muß ein Kunstwerk, kein theoretischer Inhalt sein.

De opvoeder moet zo te werk gaan, dat hij het ware, goede en mooie niet alleen voor het kind beschrijft, maar dat hij het ís. Wat hij is, gaat over op het kind, niet wat hij het leert. Alles wat het moet leren, moet voorgeleefd worden. Het aanleren zelf moet een kunstwerk zijn, geen theoretische inhoud.
GA 304/221
Op deze blog vertaald/217

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3369-3168

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Euritmie – Achtergronden en leerplan

.
Philia de Vries

.

EURITMIE
.

Teksten voor schoolgidsen en begeleidend vakinhoudelijk per klas

Deel 1) Achtergrond informatie euritmie als kunst en vak op de vrijeschool

Deel 2) Korte tekst euritmie als vak op de vrijeschool

Deel 3) Klassen 1 t/m 6 toelichting op de behandelde stof per leerjaar

Deel 1

Euritmie als kunst:

Euritmie is een bewegingskunst die in het begin van de vorige eeuw ontwikkeld is door Rudolf Steiner en begeleid werd door Marie Steiner- von Sivers. Terugziend op de oorsprong van de dans, die in oude tijden uitdrukking was van de tempelwijsheden, zocht Rudolf Steiner naar een nieuwe vorm en sloot daarbij aan bij verschillende impulsen in zijn tijd die de oorspronkelijk dans weer probeerde te herontdekken.

Steiner vroeg zich af of je de wezenlijke boodschap die in de taal leeft, zowel in de poëzie als in het proza zichtbaar kon maken d.m.v. bewegingskunst.
Marie Steiner was van beroep voordrachtkunstenares en toneelspeelster en werkte Steiners ideeën vanaf 1913 met de studenten uit, waarbij hij naast algemene basisvaardigheden ook altijd keek naar de individuele uitdrukking van de euritmisten die hij kunstzinnig verwerkte in de vormen en aanwijzingen. Later kwam daar de muziek als uitdrukkingsmiddel bij.

Euritmie wordt veelal beschreven als zichtbare taal en muziek, maar net als in een muziekstuk waar motieven en pauzes essentieel zijn, wil de euritmie juist zichtbaar maken wat ‘er tussen’ wil klinken. Zoals een musicus naar de wetmatigheden in de muziek luistert en deze met zijn instrument en kunnen probeert te vertolken, zo werkt de euritmist ook, met dit verschil, dat zijn beweging zijn instrument is. In de vertolking van een tekst of muziekstuk is de euritmist vooral kunstenaar: Hij schept (door zijn keuzes en zijn vaardigheid) wat hoorbaar en zichtbaar wil worden in de tekst of het muziekstuk opnieuw tot leven, door het proces dat hij er mee aangegaan is!

Ritme pulseert zowel in de taal als in de muziek; het spoort ons aan, of brengt ons tot rust.
Een basisritme, die we ook in onze ademhaling terug vinden is: “ik open me” , “ik ontvang”:
De naam euritmie brengt dit tot uiting: ‘eu rhythmos’ wat betekent ‘goed (harmonisch) ritme’.

Door het beoefenen van euritmie worden de vitaliteitskrachten in ons aangesproken, zij werkt tevens diep op ons organisme door en kan ook therapeutisch ingezet wordt. Maar vooral is euritmie een oefenweg, waar onze levensimpulsen innerlijk bewogen kunnen worden. Het behoed ons tegen verstarring en verharding, zowel lichamelijk, in ons innerlijk en in ons denken.

Wat is dan het wezenlijke verschil met andere dans/bewegingskunsten in deze tijd?
We kennen er momenteel heel veel en hun vaardigheid grenst vaak aan het ongelooflijke. Het verschil met euritmie is, kan je een beweging innerlijk van binnenuit vormgeven, kan je ziel erin mee spreken en ook de gedachte-impuls die in een tekst of muziekstuk leeft, als bron zichtbaar maken? De kunstenaar is instrument, niet alleen danser.

Euritmie als pedagogisch vak

Rudolf Steiner wilde graag bij de opzet van de eerste Waldorfschool (vrijeschool) in Stuttgart (in 1919), dat er naast gymnastiek, ook de euritmie ingezet werd als bewegingsvak: naast fysieke vaardigheden vond hij het ook van belang dat de ‘innerlijke bewegelijkheid’ beoefend zou worden.

Het zou de opgroeiende mens zijn vrijheid in zelfstandig denken en handelen ondersteunen.

En in sociale context: De leerling maakt deel uit van een groter geheel, waaraan ieder als individu zijn specifieke bijdrage levert.

Euritmie werd tevens door Rudolf Steiner als vak ingezet om alle andere vakken in het vrijeschoolonderwijs te omvatten: dat de totale mens hier vaardig en kunstzinnig aangesproken wordt en zo het vrijeschoolonderwijs al doende opgenomen en verteerd kan worden, om tot eigen vermogens te groeien.

Inhoud van deze lessen zijn teksten, poëzie of muziek die aansluiten bij de leeftijd en onderwijsstof van het leerplan. Het musische van tekst en muziek komt a.h.w. van buiten ons, daar klinkt het, maar vormt daarmee ‘in-boetserend als kwaliteiten’ ons innerlijk.

– De taal in de euritmielessen wordt hoorbaar en zichtbaar door klankgebaren, die bij de klinkers en medeklinkers horen en een verlengde zijn van de beweging die in het klein zich in ons strottenhoofd afspeelt. De structuur van een gedicht of tekst wordt duidelijk aan de vormbeweging die de kinderen ruimtelijk lopen. Hoe loop je een vorm? Loop je hem alleen, met elkaar, is de vorm recht, rond, gebogen, zijn de voeten licht of zwaar, snel of langzaam?

– De muziek behandeld o.m. ritme, toonhoogte, majeur/mineur, melodische thema’s enzo, maar ondersteunt ook de concentratie- of ruimteoefeningen, om het juiste ritme te voelen of de kwaliteit van de vorm.

– De concentratie- en coördinatie-oefeningen zijn in eerste instantie op het kind zelf gericht, maar kunnen uitgebreid worden als oefening in het sociale. Ze vragen van het kind vaardigheden t.o.v. de eigen gestalte: kunnen onze armen en benen dit uitvoeren, kan je ze ook tegelijkertijd verschillende bewegingen of ritme laten oefenen? In het sociale kan dit betekenen afwisseling in groepen of in canon.

– Extra is het oefenen met verschillend materiaal, zoals koperen staven
(koperen) balletjes, doekjes, houten stokjes, stokken in oefeningen zowel dichtbij de gestalte van het kind, of in het doorgeven en bewegen met anderen.

Rudolf Steiner wees tevens de leerkrachten op het belang, om alle lesstof zo aan te bieden dat de kinderen tijdens de les kunnen “inademen” (= opnemen) of uitademen (= loslaten, ontspannen).

Het is het basisritme van het leven; worden en weer loslaten, zodat er een nieuwe kiem kan ontstaan.

In een vak als euritmie is dit een zeer belangrijk basisprincipe in de les: waar ben je meer gecentreerd, waar ben je open voor je omgeving en kan je daarin je eigenzijn mee laten stromen, zonder je eigenheid op te geven?

Euritmie vraagt als vak dan ook een grote innerlijke activiteit:

Het invoelend luisteren naar taal of muziek en deze in gebaar en beweging uit te drukken, vraagt om initiatiefkracht om deze indrukken telkens opnieuw ‘al bewegend bewust uit te voeren’.

Het is niet dan ook niet voor alle leerlingen een vanzelfsprekend vak om te beoefenen: hoe zit je in vel en in je lijf, waar is je focus, hoe beweeg je alleen of met anderen? Het is zelfs confronterend soms, maar door het aanbod van speels oefenen kan het kind de eigen vaardigheden scholen en vergroten en die overwinning geeft het kind meer zelfvertrouwen in zijn eigen kunnen. Soms kan je van dit vak in eerste instantie zelfs best moe worden, maar door oefening en plezier je uiteindelijk fitter voelen: Er ontstaat a.h.w. een “innerlijke wakkerheid”, die het doen draagt!

De ontwikkeling van de motoriek als basis voor een vrij denken

In deze tijd is het een gangbaar gedachtegoed, dat je door oefeningen zowel aan het welbevinden van het kind, als aan zijn leermogelijkheden kan bijdragen. Rudolf Steiner wees indertijd al de leerkrachten en m.n. de kleuterleidsters op het belang van de ontwikkeling van de grove én fijne motoriek, die tot in het doorvormen van de hersenen zijn weerslag heeft. Daarom stonden er naast schilderen en boetseren, vanzelfsprekend ook vakken als handwerken en handarbeid voor zowel jongens als meisjes (voor die tijd zeer vooruitstrevend!) in het curriculum.

Hij wist dat de vorming van onze hersenen van groot belang zijn voor zowel het goed kunnen verwerken van het leerproces, als voor de autonomie van de mens door middel van zijn denken.

Voor de euritmielessen geldt: de afwisseling van grove en fijne motoriek wordt m.n. bij het jonge kind sterk geoefend: het jonge kind is van zich uit een en al wil tot bewegen: de oefeningen werken op de wil die naar binnen verinnerlijkt wordt.
Vanaf het 10e jaar gaat het kind meer vanuit zijn denken aan het werk en ligt het accent en de differentiatie op de sociale oefeningen; het ik-wereldvlak: de waarneming van zowel de eigen beweging als die van de ander en hoe die als vorm en beweging corresponderen, schoolt het waarnemingsvermogen van de kinderen en daarmee hun denkprocessen.

De euritmie begeleidt de leerling door de hele schooltijd (officieel vanaf de peuter/kleuterklas t/m klas 12) heen, steeds met oefeningen harmoniserend inwerkend op de ontwikkelingsfasen. Als vak legt het daarmee naast een individueel en sociaal welbevinden a.h.w. kiemen voor innerlijke beweeglijkheid en fantasie- en  initiatiefkrachten en denkvermogen, die het kind in het latere leven verder tot ontwikkeling kan brengen. 

Deel 2

Korte tekst voor vakles, begeleidende tekst van de getuigschriften:

Het vak euritmie:

Euritmie wordt op de vrijeschool als extra bewegingsvak ingezet:

Het gaat hier om de “innerlijke aanzet van de beweging”

De leerstof omvat coördinatie-, concentratie- en sociale vaardigheidsoefeningen, die het individuele kind in zijn sociale context versterken. De oefeningen werken door op de hersenvorming, die het algemene leerproces ondersteunen: door de waarneming van de bewegingen en vormen die het kind in de lessen doet, wordt het denken geschoold, wat nodig is om de leerstof met inzicht te kunnen begrijpen. Maar ook zijn wil wordt aangespoord en zijn gevoel. Het proces door de leerjaren heen, gaat hand in hand met de les- en ontwikkelingsstof van het betreffende leerjaar.

In de euritmielessen ondersteunen muziek en taal op een kunstzinnige wijze het proces in de les.
Tevens wordt er ook gebruik gemaakt van verschillende materialen om te oefenen.
Het vak biedt de leerling de mogelijkheid de aangeboden lesstof uit alle lessen, tot in de wil en het denken, kunstzinnig te verwerken en eigen te maken, zodat het kind deze kan verbinden met zijn eigen innerlijke kwaliteiten.

Dit sluit aan bij de basisgedachte van het vrijeschoolonderwijs, dat het kind zijn eigen kwaliteiten meebrengt en die in het leven schoolt tot vaardigheden van zijn opgave.

Deel 3

1e klas:

In de 1e klas worden, aansluitend op de sprookjes als vertelstof, verschillende verhalen uitgewerkt, d.m.v. spel en tekst. Muzikale intermezzo’s geven extra uitdagingen in de bewegingen en omlijsten de sfeer van het sprookje of verhaal. De kinderen zijn hier een aantal weken tot een trimester mee bezig, waarin het verhaal steeds verder uitgewerkt wordt met extra oefeningen, zodat er in de vertrouwde context van het verhaal nieuwe uitdagingen ontstaan in  bewegingsspel en proces. Dit biedt het kind de mogelijkheid, binnen de context van de groep, zijn eigen vaardigheden te ontwikkelen en vanuit vertrouwen in zijn eigen kunnen, deze te integreren.

2e Klas:

De vertelstof in de 2e klas bestaat uit fabels en heiligenlegenden. Enkele daarvan worden in de euritmielessen uitgewerkt met teksten en muziek, waarin oefeningen verwerkt zijn. Veel oefeningen hebben betrekking op de dualiteit zoals we die ook in de fabels terug vinden: de een loopt een vorm, de ander een andere en samen wordt er ‘bewogen’. Extremen in de rollen van de fabel(dieren) en verhalen komen terug in de kwaliteiten van zwaar/licht, hard/zacht, hoog/laag, maar ook in het versnellen/verlangzamen. In het samen oefenen aan bijvoorbeeld een dansje zijn dit vrolijke oefeningrediënten: al deze contrasten in de bewegingen, taal en muziek ondersteunen en versterken het plezier om zowel de eigen als de klassikale vaardigheden in de bewegingen eigen te maken. De 2e-klasser gaat er vol in op!
Een kroon op deze extremen is, als de inzet van ieder met die van de hele klas samen gaat stromen. Deze nieuwe kwaliteit vinden we terug in de heiligenlegenden, waar eenzijdigheid wordt overwonnen en de handelingen ten dienste komen van de gemeenschap. De vitaliteit van het aanvankelijke dualisme waarin de 2e-klasser uit de sprookjessfeer van de 1e klas valt, krijgt nu een innerlijke impuls, die het kind zich ‘al bewegend” eigen mag maken.

Klas 3

In de 3e klas staan de “ambachten” als periodestof en “Het Oude Testament” als vertelstof centraal.

De ambachten lenen zich uitstekend om de ambachtsgebaren/bewegingen te oefenen: Hoe gaat een zeis, of slaat de smid zijn hamer op het aambeeld? Het zijn oergebaren die het menselijk handelen uitdrukken in zijn verbinding met het bewerken van de aarde. De ambachtsman en m’n de boer (boerderijperioden) weet dat hij tevens met de vier elementen van doen heeft. Hoe beweeg je die kwaliteiten, die immers ook deel uitmaken van ons zijn: vastheid, water, vuur en lucht

De 3e-klasser wordt aardeburger: het zwervende Joodse volk vind onder Jaweh het beloofde land. Dit zijn beelden voor het kind rond het 9e jaar: met zijn wilsleven land hij op aarde en zijn denken staat nog onder de glans van zijn hemelse herkomst.

Zijn gestalte weet nu dat er een links, rechts, voor, achter, boven en onder is. Deze ruimte-positie-coördinatie is essentieel voor het kind om zichzelf goed geplaatst in de wereld te ervaren. Coördinatie-oefeningen zorgen dat de harmonie in de gestalte geoefend wordt en het kind zijn “ik” in zichzelf kan ervaren, ook t.o.v. de groep om hem heen.

In de lessen oefenen we daarom zowel aan grote groepsbewegingen met elkaar,  maar ook voor het eerst in kleine groepjes. Hiervoor gebruiken we m.n. de driehoek: de 3-hoek leent zich voor het beeld van de 3e-klasser die zich vanuit zijn hoofd verbonden weet met zijn voeten. Wanneer twee driehoeken tegenovergesteld in elkaar grijpen, ontstaat de 6-ster die past bij het Joodse volk, maar ook bij de mens die vanuit zijn ik zowel naar zijn hemelse herkomst kan grijpen, als naar zijn verbinding met de aarde en in zichzelf het punt beleeft waar deze samen komen.

4e klas

Vertelstof in de 4e klas is de Edda, de oorspronkelijke taalvorm daarvan de stafrijm. Het is een grillige vorm, die de uitdaging vormt om innerlijk gegrepen te worden m.n. als deze met een stamp, een stok of klankgebaar krachtig uitgevoerd wordt. Het past bij de 4e-klasser, die in zijn eigenheid en kracht komt te staan t.o.v. de wereld om hem heen. In de Edda gaat de oude godenwereld ten onder en een nieuwe gloort aan de horizon: het begin van de ochtendspreuk verandert van “Het lieve licht der zon….” (t/m 3e klas) naar: ‘Ik zie rond in de wereld…”

Het is een enorme stap de wereld in en tevens naar de wereld in jezelf. Om dit te ondersteunen, worden er in de euritmielessen verschillende oefeningen gedaan waar de 4e-klasser aan kan oefenen om de wereld van zich uit stevig te leren betreden.
Voorbeelden zijn de 4 windrichtingen: hoe vind je die in de ruimte om je heen terug, waar zijn ze als je met je rug naar het noorden gaat staan? Hoe beweeg je je als je frontaal een vorm loopt i.p.v. je neus na?
Het plaatst het kind in een voor/achter- en links/rechtsvlak, die vanuit de positie van het kind  elkaar kruisen en een + vormen. De lijnen eromheen vormen het vierkant of de cirkel. De eigenpositie weerspiegelt hier het ik en de ruimteverhouding: het wakkere bewustzijn wordt aangesproken, maar ook het perspectief verandert, want hoe ziet dezelfde vorm er vanuit de verschillende zijden van een vierkant uit? Dat is een nieuwe ervaring!

Om het innerlijk ik-standpunt te versterken op deze leeftijd, wordt het buiten/ binnen als innerlijk aspect (zoals we dat in de muziek in majeur en mineur kennen), in de vormen geoefend,  Daarbij hoort ook het gaan leren differentiëren van het geheel naar de delen, zoals dit in de breuken behandeld wordt. We doen dit vanuit de 4/4 maat in de muziek met hele, halve, kwart en achtsten noten, een verdeling die terugwijst op onze verhouding hart- en polsslag van 1:4 die rond deze leeftijd voor het verdere leven stabiel wordt.

De 4e-klasser gaat nu ook zelfstandig aan het werk: Er volgen kleine groepsopdrachten, zoals een vorm te bedenken die bij de tekst of een muziekje past. Daarmee wordt tevens ook een appel gedaan op het zelfstandig leren beheersen van een oefening.

5e klas

In de 5e klas staan naast de Griekse vertelstof ook de oude cultuurperioden centraal. Verschillende teksten uit die tijden worden geoefend, om de verhouding mens-goden uit die tijden te kunnen ervaren, maar is ook een beeld voor de eigen innerlijke ontwikkeling die het kind maakt in zijn ontwikkeling naar een zelfstandig denkend mens.

De lesstof in de 5e klas is gericht op het meer verinnerlijken van het denken, voelen en willen.

Naast inhoud, is ritme een middel om dit te versterken: de interesse naar buiten pulseert terug in een innerlijk naklinken. In de Griekse vertelritmen van hun sagen, vinden we deze als basis terug: de Griek wil de wereld gaan begrijpen. Het waarom, duikt op in de filosofie. Het verinnerlijken hangt samen met het in- en uitademen en de harmonie daarin. De spraak beweegt zich op een bewogen luchtstroom.

Het ritme van de Griekse Homerusvertelling, de hexamete, is de basis voor het oefenen aan de verschillende ritmen in de lessen. Het ‘kort-lang’ als stimulerend ritme “de mens die vraagt aan de goden” en het ‘lang-kort’ als het ritme dat tot rust brengt “de boodschap van de goden die ontvangen wordt”. We oefenen o.m. een tempeldans waar men zich indertijd d.m.v. het ritme opwarmde om te gaan strijden, de “Energiedans’ en bij terugkomst in de “Vredesdans” de op strijd gerichte energie kon omvormen om weer aan het (boeren)werk te kunnen! Door beide ritmen te beoefenen, kan een innerlijke balans ontstaan, die harmoniseert. Niet alleen bij de Grieken, maar tot in onze tijd liggen deze ritmen in verschillende vormen aan de basis van vele gedichten in onze taal en ook in de muziek vinden we haar terug. Het is het muzische element dat hier spreekt, de taal die in ons weerklinkt en door de Grieken ook de Muze werd genoemd die inspireerde.

De behoefte van de Grieken aan harmonie, vinden we ook als ideaal terug in de bouw van hun tempels (volgens het principe van de gulden snede), maar ook in hun interesse voor de harmonie van het lichaam in kunst en sport: de gulden snede zoals we die kennen in de pentagon (5-hoek) en pentagram (5-ster) is tevens terug te vinden in de wetmatigheid van de gestalte; de verhouding hoofd, armen en benen. Kijkend naar de gestalte van de 5e-klasser zou je kunnen zeggen dat rond deze leeftijd er een overeenkomst is tussen het ideaal van de Grieken en de gestalte van het 11-jarige kind, alvorens deze gaat uitgroeien in de puberteit. De kinderen maken zich deze wetmatigheden eigen door ruimtelijk op verschillende wijze deze vormprincipes te vormen en te lopen.

Een extra uitdaging in de 5e klas is het werken met koperen staven: de oefeningen zijn enerzijds gericht op concentratie, coördinatie en balans t.o.v. de eigen gestalte, maar de staaf is ook een voorwerp om met anderen d.m.v. doorgeven, werpen en vangen in speelse vaardigheid te komen. Ook hier geven de ritmen de impuls: de korte is bij de gestalte, de lange is de worp, zoals dit ook in de vijfkamp bij de Grieken terug te vinden is.

Een prachtig voorbeeld waarin het ideaal, de vaardigheid en schoonheid van de beweging en de gestalte te ervaren is, is de sculptuur, waarin de elegantie van een voetstap uitgebeeld wordt: de driedelige stap, van loslaten, dragen en plaatsen, waarin ons willen, denken en voelen gespiegeld wordt, is het beeld van de mens die de aarde vanuit zijn bewustzijn betreedt: de Griek wist zijn gestalte te richten naar het doel, deze te bezielen, ook in het denken! Het innerlijke in het kind die deze schoonheid ervaart, kan zo in zichzelf een bodem vinden, waarnaar het altijd weer kan terugkeren als ideaal.

6e klas

Romeinen, expansiedrift en het verkennen van andere landen, het past bij de uitgroeiende 6e-klasser. De lengte, de armen en benen worden zichtbaar langer: je moet opnieuw een verbinding krijgen met dit uit zijn voegen groeiende lijf.
In de euritmie worden hiervoor concentratie- en coördinatie-oefeningen ingezet. Grote groeps- en meetkundige vormen helpen de 6e-klasser (die zich soms wat onhandig voelt), te ervaren dat ze deelgenoot zijn van een grote stroom. In die vormen zitten wetmatigheden die het denken aanzetten tot overzicht en inzicht. Er wordt zowel gewerkt met staven en stokken, om de eigen- en groepsvaardigheden verder uit te dagen! Sommige klassen werken in groepjes aan een eigen gedicht of muziekstukje. Andere klassen aan een gezamenlijke productie.

.

Euritmiealle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Leerplan: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3368-3167

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstmis – Folklore (40)

.

kerstmis

.

Reeds weken tevoren kondigt allerlei lawaai in de lucht, van toeterende horens en luidende klokken, het naderende kerstfeest aan. De boze geesten die in de midwintertijd op aarde rondzwierven, moesten op een afstand worden gehouden.
‘De doden leupen d’r weer’ zei men in 1942 nog in Twente, maar men ging niet zo ver als de Zweedse boeren die spijs en drank voor deze doden neerzetten. Menige kerkklok draagt het opschrift: ‘Daemones fugito’ = ik verjaag de duivelen.
Doch thans worden deze klanken opgevat als een vreugdebetoon over de geboorte van Christus.
Als de Twentse boer uit zijn midwinterhoorn de langgerekte, zwaarmoedige
oe-klanken haalt, voelt hij zich een met de herders van Bethlehem.

Van de eerste adventszondag (vier weken vóór Kerstmis) af tot de octaaf van Driekoningen toe bespeelt hij, vooral ’s avonds na negen uur, zijn instrument, waarbij de put als klankbord dienst doet. Laat een hoorn zijn geschal horen, dan wordt dit weldra van alle kanten door hoornblazers beantwoord. Zelf maakt de Twentse boer zijn hoorn uit twee gebogen stukken hout, die hij uitholt en met twijgen samenkuipt. Deze hoorn, van een tot anderhalve meter lengte, heeft zowel in uiterlijk als in klank veel overeenkomst met een Alpenhoorn, om van de prehistorische ‘lure’ uit Scandinavië niet te spreken. Dit midwinterblazen, voor enkele decennia nog alleen in het oosten van Twente een stervend gebruik, is nu volop aan het herleven, ook in de Gelderse Achterhoek (groepjes in Eibergen en Winterswijk). Men maakt weer nieuwe midwinterhoorns, volgens het oude procedé, en in Twente is er sinds 1953 een actieve ‘Kemissie veur ’t mitteweenterhoornbloazen’, die ook, sinds 1968 ‘junioren concoursen’ organiseert. Er zijn nu al meer dan 200 blazers in Twente! En een ‘midwinterhoorn-maker’ vertoont tegenwoordig zijn kunnen op ‘Oudhollandse folkloremarkten’ van Heeze tot Bredevoort.
.

Kaart van Everhard Jans van het midwinterhoornblazem in Twente
.

Midwinterhoorns

.

Ook kan men in deze streek door de stilte van de kerstnacht de klokken horen beieren (Borne, Denekamp, Markelo). Dan zingen de drie klokken, de kerkklok, de doodsklok en de brandklok, samen hun kerstlied, dat veel ritmisch gevoel van de klokkenluider vereist. Dit kerstlied is helaas op vele plaatsen in woest gelui ontaard, zodat het werd afgeschaft.

Zo ging het ook met het Thomasluiden: het ‘duveljoagen’ in Groningen en ‘plus liede’ (zuiver luiden) in de zuidoosthoek van Friesland. Op sommige oude kerkhoven bij de kerk, ook wel zonder naburige kerk, kan men een zware overkapte stellage van balken en binten zien staan, enkel of dubbel, waarin een of twee klokken hangen. Dit is de klokkenstoel, het klokkenhuis, ouder dan de kerk en buiten kerkelijk verband, eigendom van de oudere dorpsgemeenschap, die er de vrije beschikking over heeft. Van Sint-Thomas (21 december) af tot Nieuwjaar toe plachten de dorpelingen dag en nacht onafgebroken de klokken te luiden. Ploegen van ‘klokstjürders’, opgeschoten jongens en mannen, wisselden elkaar zwijgend af, ieder stond erop ‘zijn beurt af te luiden’. Met ontbloot hoofd werd de kunst beoefend, door de een met meer geluk dan door de ander.

Het is te begrijpen dat dit aanhoudend gelui een plaag was voor de omwonenden. Ook ontaardde de gewijde handeling door drankmisbruik en woeste dansen om de klokkenstoel, want ook de meisjes kwamen erbij. (Het verwante klokluiden in Schildwolde en Siddeburen, in Nieuwjaarsnacht, geschiedt bij de gratie van het ‘kloksmeer’ – opgehaald geld waarvoor jenever gekocht wordt.) Zo werd het duiveljagen verboden, maar het ging toch door. Het eind van het lied was dat de burgemeester de touwen, de klepel en eindelijk de klokken deed wegnemen, ja, ten slotte het klokkenhuis wel deed afbreken. Doch te Oudehorne heeft de burgemeester na het Sint-Thomasoproer van 1892 de klok weer teruggegeven, ‘omdat hier valt te rekenen met een algemeen dorpsgevoelen’. Nog steeds is het Sint-Thomasluiden in gebruik. Er is nu zelfs, sinds 1966, ieder jaar een luidwedstrijd voor de jeugd (met een zilveren klokje als wisselprijs) te Oudehorne, waar men in 1976 langs de autoweg het Sint-Thomasluiden zag aangekondigd. Vreedzame kerstgebruiken treft men elders aan.
In Limburg legde men in de kerstnacht (24 december) haver buiten en gaf die als heilmiddel aan de paarden. Te Beek legde men een snede brood buiten, ‘opdat de Paus te Rome die zal zegenen’; ieder familielid at er op kerstdag een stukje van om die zegen deelachtig te worden. Het laatst kwam dit gebruik rondom Puth voor, en wellicht wordt het nog wel op een enkele boerderij in ere gehouden. Algemeen is in het oosten van ons land het geloof, dat de koeien in de stal klokke twaalf even opstaan en kunnen spreken, dat putwater wordt tot wijn, dat de bijen zingen tot Gods lof, en dat de appelbomen bloeien. Doch wie dit zou willen horen of zien, zou het met de dood bekopen. Ook is er sprake van ‘reizend zoad’, zaad dat door de deelzolder valt, en aangeeft hoe groot volgend jaar de opbrengst is.

In de Twentse en Gelderse Achterhoek is op de heilige avond Derk met de beer, ook Derk met de honden of Beerneke van Galen genoemd, het schrikbeeld. Volgens sommigen zou Derk herinneren aan Diederik’ van Bern (Verona), Theodorik de Grote, koning der Oost-Goten, in de middeleeuwse epiek welbekend, De tweede naam is die van de Munsterse bisschop
(‘ Bommenberend’), die in 1672 zijn hoofd stiet voor Groningen (28 augustus). Op de akkers rijdt hij rond om alles wat buiten rondslingert, te vernielen. Daarom moet alle landbouwgereedschap in de schuur zijn geborgen en alles om het huis in orde zijn. Ja, men zette zelfs de landhekken wijd open, om hem doortocht te verlenen! Ook moet op Midwinteravond (24 december) alle werk waarbij een rad draait, stilstaan. Dan zit men gezellig om de haard; in protestantse gezinnen las de huisvader voor uit de Bijbel en zong men gezamenlijk psalmen of gezangen. Maar dit is grotendeels verleden tijd, evenals de ‘karststobbe’ in de open haard, waaruit na drie dagen een haas springt, die het dan pas te warm wordt.

In de katholieke kerk werd volgens oud gebruik tussen Kerstmis en Driekoningen door de parochianen in de landstaal gezongen. Nog heffen in de Sint-Plechelmuskerk te Oldenzaal alle aanwezigen in de heilige mis van de kerstnacht een dertiende-eeuws kerstlied aan:

Een kindeken zo lovelik
Is ons geboren heude
Van ene jonkvrouw zuiverlik:

God troost ons arme leude.
Was ons dat kindeke niet geboor’n,
Zo waren wie alletemale verloor’n.
Dat heil is onzer allen
Heil, doe zeuten Here Jesu Christ,
Das doe bie mensen geboren bist.
God beheud’ ons veur die helle.

Het is duidelijk dat dit lied terug gaat op de Latijnse hymne ‘Dies est laetitiae’ (Het is een dach van vrolicheit). De Twentse versie leunt aan bij een Duitse vertaling.

Op Kerstavond komt het beste wat keuken en kelder opleveren, ter tafel. Een oud Gelders rijmpje zegt: ‘Kerstmis bakt alle man, Pasen wie kan en Pinksteren wie mèl hef.’
De offermaaltijden van onze heidense voorvaderen zijn geworden tot
‘dikkevretsavond’ met Kerstmis en ‘volbuuksavond’ met Oudejaar. In Miste bij Winterswijk gekscheren de kinderen:

Karsaövendjen, Karsaövendjen,
Dan kriege wij volop:
Mien moder slacht ne pekkelhaering
En ikke krieg den kop!

Op beide avonden hield men, vooral in Friesland en Groningen, verlotingen van wild en gevogelte. Sinds de loterijwet van 1905 deze verbood, wordt er wel om deze prijzen gesjoeld. Zo plechtig als de boeren op 25 december kerstdag vierden, zo vrolijk vierden zij de 26ste Sint-Steffensdag, gewijd aan Sint-Stephanus, de eerste christenmartelaar. Het overoude gebruik in de midwintertijd over de akkers te rijden, om hun vruchtbaarheid in het nieuwe oogstjaar te bevorderen, zal de heilige, wiens feestdag in deze tijd viel, tot patroon van de paarden hebben gemaakt. Sint-Steffen beschermt paarden en koeien tegen ziekte; hooi en haver worden op Sint-Stephanusdag gewijd. Het is ook de dag om verkering aan te knopen:

‘Sunte Steffen,
Mek alles effen’,

zegt men in de Achterhoek. En in De Lemmer kan men vernemen:

Mei Sinte Steffen
Binne de famkes effen
Binne de feintsjes fyn,
En dan geane se togearre de herberch yn.

Het Sint-Steffenrijden was vooral in Drenthe algemeen gebruikelijk. Men reed echter niet meer over de akkers, maar de boerenzoons uit verschillende dorpen kwamen in een centrum samen en reden, in wilde ren en op ongezadelde paarden, de omliggende dorpen af, waar zij bij de herberg, te paard gezeten, een slokje namen. Daarna keerden zij naar hun uitgangspunt terug en bleven er in de herberg nog een poosje praten, soms onder harmonicaspel.
In Overijssel en de Gelderse Achterhoek is dit gebruik vrijwel uitgestorven, al is te Laren (G.) een nieuwe ruitervereniging georganiseerd, die zich ‘de Sint Steffenrijders’ noemt en op 26 december uitrijdt.

In Drenthe trokken kinderen rond met hooi om ‘de koei te steffenen’. Zij gaven daarvan aan elke koe een plukje en zongen:

Hum, koe, hum;
Ik steffen die, koe.
Sinte Steffe is gekomen,
Hard gelopen,
Duur verkopen:
Honderd gulden geldt die koe
En ’n dikke stoetbrug toe.
Die mag ik en die mag elk,
Dan gef de koe ok botter en melk.

Daarvoor gaf de boerin hun een boterham (brug) van wittebrood (stoet), met een beschuit erop, en de nodige appels, peren en noten. Een hele traktatie voor arme kinderen, voor wie al zulk voedsel nog maar kort geleden onbetaalbaar was.
Heel wat volksgebruiken, uit een oude ritus ontstaan, waren in later eeuwen gelegenheden voor bedeling, zodat de ‘rommelpot’ ook wel ‘poverpot’ werd genoemd (gedachtig aan het Franse ‘pauvre’).

Meer en meer is Kerstmis in onze tijd een feest geworden, waarop men geschenken geeft. Tot dit gebruik heeft het Sint-Nikolaasfeest de weg gebaand.

De Hervorming nam aanstoot aan de algemene viering van de feestdag van een katholieke heilige, en evenals aan de duivelsgestalte van zijn begeleider, Zwarte Piet. Door preken, traktaten en vermaningen verkondigde zij dat niet Sint-Nikolaas, maar de gever van alle goeds, Christus, de brenger der geschenken is. Ook in katholieke kringen, die zich ergerden aan de luidruchtige Sint-Nikolaasommegangen, vond deze gedachte ingang. Zo bereidde de milde Sint-Nikolaas de weg tot de kerstgeschenken en werd zijn feestdag als het ware de vooravond van Kerstmis.

Met het Kerstekind als gever kwam de kerstboom op de voorgrond. Omstreeks 1850 drong deze uit Duitsland tot ons door, eerst in de zondagsschool en de kerk, daarna in het huisgezin. Het is van oorsprong een protestants gebruik, dat van de gegoede en ‘liberale’ burgerij in de steden naar het volk is gegaan. Aanvankelijk was er zelfs vrijwat verzet tegen deze Hoogduitse nieuwigheid, zowel van rechtzinnig-hervormde als van volkskundige zijde (Eelco Verwijs en Jan ter Gouw). Nog in 1943 mag dr. Jan de Vries de kerstboom eigenlijk geen ‘volksgebruik’ noemen: eerder wil hij het harde woord ‘modeverschijnsel’ bezigen (Volk van Nederland3,, blz. 15).

Ook in Duitsland is de kerstboom geen oud gebruik: vóór het begin van de 17e eeuw is daar van geen kerstboom blijk of sprake. Het verhaaltje, als zou Maarten Luther, uit liefde tot God, de natuur en zijn kinderen, de kerstboom ‘uitgevonden’ hebben (aldus Marijke van Raephorst, Het hele jaarrond, van Sinterklaas tot Sintermaarten, blz. 48, Rotterdam 1973) is een sentimenteel burgermansverzinsel, dat nergens op berust. Pas in 1605 wordt er te Straatsburg van een dergelijk gebruik melding gemaakt; ‘ Auf Weihnachten richtet man Dannebaum zu Straszburg in den Stuben, daran heneket man Roszen aus vielfarbigen Papier geschnitten, Aepfel, Oblaten, Zischgolt, Zucker’.
Er worden geen lichtjes vermeld.
Bekend is dat Goethe, uit Frankfort afkomstig, in 1765 te Leipzig voor het eerst van zijn leven een kerstboom aanschouwde. Zo kwam het, dat hij de kerstboom zinvol te pas bracht in zijn roman Die Leiden des jungen Werther: de eenzame, overgevoelige Werther vindt zijn dierbare Lotte, moeder en getrouwd met de brave Albert, druk doende met het gereedmaken van speelgoed voor de kerstboom.
In 1807 blijken er kerstbomen te koop op de markt van Leipzig. Snel verspreidt zich het gebruik, vooral in het noorden en midden van Duitsland – sterk in de hand gewerkt door de Duitse volksgeest tijdens Napoleon (die in de dennenboom een vaderlands zinnebeeld ziet) en niet minder door een stad-en-salon ontvliedende romantiek, die voor de pure natuur een innige bewondering koestert. Niettemin, al is de kerstboom in zijn huidige gedaante een grotestadsgebruik, het uitgangspunt – een bescheiden tak – zoeke men bij de boerengemeenschap van eeuwen her.
In Limburg bijvoorbeeld snijdt men de zogenaamde ‘Barbara-takken’: kersen- of berkentwijgen die, in water of vochtige aarde gezet, op Kerstmis bloeien -treffende kerstening van een oorspronkelijke vegetatierite.
Ook in Noorwegen is zo’n gebruik bekend: komt er daar met midwinter volop blad-en-bloesem aan een in het water gezette lijsterbestak, dan betekent dit voor de aanstaande zomer een voorspoedige oogst.
Moet men het bestaan van een reeds Oudgermaanse lichtjesboom afwijzen, toch is het wel zo dat onze recente kerstboom als vegetatiesymbool niet valt te scheiden van de aloude meiboom. Parallel met de verhuiselijking, waarvan hij sinds een eeuw de uitdrukking is, loopt de carrière van Sinterklaas, die meer en meer zijn heidense, al dan niet toegevoegde aspecten verloor en tot een vriendelijke oude baas, een ideale pedagoog, evolueerde, door een schalkse zwarte helper gesecondeerd, die eerder vermakelijk dan angstwekkend is.

Jesaja 60, vers 13 (‘De heerlijkheid Libanons zal tot u komen, de dennenboom, de beuk en de buksboom, om te versieren de plaats mijns heiligdoms’) is voor het ontstaan en de geschiedenis van de kerstboom van generlei belang, ondanks de verwijzing ernaar in het veelverspreide Weihnachtslieder der Trapp-Familie (1957) door Franz Wasner en Agatha Trapp (verg. de musical Sound of Music}. In dit zelfde huisboek wordt de kerstboom gezien als een zinnebeeld van Christus, ‘als Baum des Lebens’. Historisch en theologisch is dit onaanvaardbaar; maar het blijft een feit dat christenen van vandaag deze onbijbelse boommystiek aldus kunnen beleven, volledig te goeder trouw.

In het algemeen hebben katholieken een kerststal onder of bij de boom staan. Vóór Kerstmis ziet men daarin alleen maar Jozef en Maria. In de kerstnacht komt er dan het Kindeke Jezus bij en de herders en de schaapjes. Op Driekoningen (de dag voordat het stalletje weer wordt opgeborgen) verschijnen de drie vorstelijke figuren met hun kamelen. Het is een oud gebruik: al vóór de vermaarde kerstviering van Franciscus van Assisi te Greccio in 1223 waren er kerstkribben bekend. Roermond had al in 1370 en Utrecht in 1489 een kerstkribbe in de kerk. De romantiek heeft de vervaardiging van kerstkribben in sterke mate bevorderd, evenals de sedert 1900 in Duitsland optredende ‘Krippenvereine’. Vooral de orde van de franciscanen, oftewel minderbroeders, in de geest van haar stichter, droeg de kerstkribbe een warm hart toe en heeft er zeer voor geijverd.

Ter afsluiting willen wij de ware woorden van een theoloog gaarne tot de onze maken (dr. J. Nouwens in de Encyclopedie van het Christendom, Katholiek deel, 1956).
‘Sommige kerstgebruiken, als het kindje-wiegen en de kerstkribbe, zijn zuiver christelijk van inspiratie. Andere, als kerstklok en smulpartijen, zijn in hun oorsprong te herleiden tot oeroude heidense praktijken. Verschillende heidense gebruiken werden gekerstend, maar het is niet steeds met nauwkeurigheid uit te maken waar de raakpunten liggen tussen een christelijk gebruik en een vroegere heidense gewoonte. Feitelijk zijn vele kerstgebruiken (versiering met hulst, mistletoe, kerstboom, kerstkrans, licht enz.) in zwang gebleven als iets dat er nu eenmaal bij hoort, zonder dat men zich van de mogelijkheid van een heidense of christelijke interpretatie rekenschap geeft. Zij worden in christelijke milieus in ere gehouden, omdat zij een zekere sfeer met zich brengen. Maar zij worden zelfs met bijzondere zorg gecultiveerd waar het christelijk geloof totaal is verdwenen en waar ook al geen reminiscenties aan oude heidense cultusvormen zijn overgebleven.’

In verband met de verschuiving van Sint-Nikolaas- tot kerstviering is het opmerkelijk, dat men te Koedijk (N-H.) het Sint-Nikolaasfeest ‘de Gouden Engel’ noemt. Men zou kunnen menen dat hiermee de kerstengel werd aangeduid, doch de viering heeft niet met Kerstmis plaats, maar op Oudejaarsavond (voor schoolkinderen op de laatste zondag van het jaar). De gewone verklaring dat in dit eenmaal door meren omringde dorp de vissers niet zouden kunnen thuiskomen op 5 en 6 december en wel met Kerstmis, is weinig aannemelijk. Te Koedijk zelf kan men deze afwijkende viering niet verklaren; daar is een gewone zegswijze ‘op Oudejaarsavond thuis, en met Nieuwjaar weer naar zee’.

Te Grouw vervangt Sint-Pieter, op 21 februari, het Sinterklaasfeest. De ‘Stanfries’ met historische zin, bedroeft zich over het feit, dat dit Grouwster feest meer en meer ‘ versinterklaast’. Sint-Pieter komt nu uit Spanje en hij rijdt op een paard . .

Na Kerstmis spoedt het jaar ten einde. Dan wilde het gebruik dat de ‘dienstbaren’ in de Gelderse en Overijsselse Achterhoek naar het ‘volkshuus’ (ouderhuis) gingen ‘hen koken’, d.i. heen (gaan om nieuwjaars) koeken (te eten). Zij gingen dan ‘met de kromme elleboog’ d.w.z. ‘met geschenken van de boer voor hun ouders; een stoete, een zak koffiebonen en een metworst van een el lengte. Als tegengeschenk brachten zij bij hun terugkomst nieuwjaarskoeken mee. Dit ‘hen koken’ is, nu er geen dienstvolk meer is, geheel verdwenen. Maar het woord is nog niet vergeten: het is de schertsende aanduiding van een paar dagen vakantie met Kerstmis (Winterswijk).

De Oudejaarsavonddienst, eerst in 1816 door de Synode ingesteld. pleegt ook hen te verenigen die niet gewoon zijn de kerk geregeld te bezoeken. Daarna herdenkt men in huiselijke kring het lief en leed van het scheidende jaar, tot buiten de torenklok haar twaalf zware slagen doet weerklinken en de knallende schoten verkondigen dat de kringloop is volbracht en het nieuwe jaar zijn intrede doet.

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

3367-3166

.

.

.

,

,

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (29-2)

.
Lucas Ellerbroek, National Geographic 01-2020
.

Wat was de Kerstster?
.

Van de meeste kerstsymbolen is de oorsprong duidelijk.
De dennenboom en de sneeuw horen bij het seizoen, de Kerstman is de Amerikaanse versie van Sint-Nicolaas. De ster was de ster van Bethlehem, die de geboorte van Jezus aankondigde.

Die ster was opgemerkt door de Wijzen uit het Oosten. Volgens het evangelie van Mattheus herkenden zij het verschijnsel als een aankondiging van de geboorte van de nieuwe Koning der Joden. Ze volgden de ster om hem eer te bewijzen: ‘En zie, de ster, die zij in het Oosten hadden gezien, ging voor hen uit, totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond, stil bleef staan.’

De ‘drie Wijzen’, Balthasar, Caspar en Melchior, waren waarschijnlijk sterrenkundigen. Of tenminste, wat er in die tijd voor doorging: astrologen. Het bepalen van de positie van lichtbronnen aan het firmament (astronomie) en deze uitleggen als oorzaak van aardse zaken (astrologie) was destijds al een populaire bezigheid. Nu sta ik op zijn zachtst gezegd sceptisch tegenover astrologie, maar ik ben wel benieuwd. Was de Kerstster een gebeurtenis in het heelal waarvan de oorsprong te herleiden valt? Er bestaan verschillende mogelijkheden. Eén ding lijkt wel zeker: de ster van Bethlehem was geen ster.

Eén optie is dat de ‘ster’ een komeet was: een bevroren modderbal uit de begintijd van het zonnestelsel. Als kometen dichter bij de zon komen, verdampt het ijs uit het binnenste en licht het stof op dat verdampt van het oppervlak. Ze zijn dan soms een tijdje helder zichtbaar, in het fraaiste geval vergezeld van een lichtende staart. Dat de Kerstster een komeet was, is onwaarschijnlijk. Bekende kometen als Halley waren rond het jaar nul niet zichtbaar, weten we nu. Bovendien werden kometen alom gezien als een teken van onheil, niet als een heuglijke aanleiding voor een kraambezoek.

Een alternatieve uitleg is dat de ‘nieuwe ster’ een supernova was: een zware ster die aan het eind van haar leven implodeert tot een ultracompacte neutronenster of een allesopslokkend zwart gat. De buitenste schillen van de ster worden tijdens een supernova door de vrijkomende energie weggeblazen. Als zo’n geweldige explosie binnen onze Melkweg plaatsvindt, is deze wekenlang aan de hemel zichtbaar als een helder lichtpunt. De uitgebrande supernovaresten zijn nog duizenden jaren erna waar te nemen met een röntgentelescoop. Het is wel een ongezellig idee als de Kerstster eigenlijk een zwart gat is. Voor fans van de kerstgedachte heb ik een geruststellende mededeling: wij kennen weliswaar één supernovarest afkomstig van het begin van onze jaartelling, maar deze staat aan de zuidelijke sterrenhemel. Deze explosie kan door de magiërs daarom nooit zijn opgemerkt.

Er is nog een derde mogelijkheid, volgens veel sterrenkundigen de waarschijnlijkste. In het jaar 6 v.Chr. was er een bijzondere ‘samenstand’ van Jupiter en Saturnus. De planeten, zichtbaar als heldere lichtpunten, kwamen vlak voor zonsopgang vlak na elkaar op boven de oostelijke horizon. Dit gebeurde elke ochtend, een paar weken lang. Zo’n samenstand was in de astrologie een omen van belangrijk nieuws. Zelfs het dubieus klinkende verslag dat de Kerstster – het koppel planeten, dus – de Wijzen ‘voorging en bleef stilstaan’ wordt nu aannemelijk. De aarde beweegt namelijk sneller dan Jupiter en Saturnus rond de zon en haalde de planeten als het ware in de binnenbocht in. Ten opzichte van de sterren leken de planeten daardoor van dag tot dag langzamer te bewegen, om uiteindelijk stil te staan en de andere kant op te gaan.

De ster van Bethlehem was dus waarschijnlijk een planeet – sterker nog, twee planeten. Best toepasselijk dus, die ballen in de kerstboom. 

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

3366-3165

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de kleuterklassen

.

Philia de Vries
.

Euritmie in de kleuterklassen

Als euritmiedocente geef ik alle klassen op school euritmieles.
Het komende jaar zal ik in de schoolkrant in een aantal artikelen toelichten, wat er zo bijzonder aan dit vak is.
Welke menskundige aspecten uit het leerplan worden hier in dit bewegingsvak geoefend en hoe ondersteunen die daarmee de processen van het kind in zijn ontwikkeling enerzijds en anderzijds ook in zijn leerproces bij de aangeboden leerstof en periode-inhoud?

In dit artikel ga ik jullie vertellen hoe dit in de kleuterklassen vorm krijgt en wat de euritmie in deze lessen voor de kleuters kan betekenen.
Een aantal ouders zijn hier al mee bekend door de open lessen die zij in eerdere jaren hebben kunnen bijwonen.

Het ophalen van de kinderen in de klassen en hoe we de les beginnen

De vier kleuterklassen bij ons op school hebben verdeeld op donderdag- of vrijdagochtend elk een half uur euritmieles.
Ik haal de kinderen op in de klassen, waar ze hun euritmieschoentjes meestal al aan hebben.
Soms zitten de kinderen klaar, soms zijn ze nog aan het knutselen.
We stemmen ons af en langzamerhand vormt zich een rij, waarbij voor drie klassen geldt, “met twee enthousiaste hulpjes voorop” die mij helpen de klapdeuren in de gang open te houden.
We zingen een lied dat bij het verhaal of seizoen hoort, terwijl we op weg gaan naar de zaal.
Meester Ward (onze pianist!) zit al in de zaal achter de piano en laat voorzichtig de begintoon horen, waarna we die overnemen en naar goede gewoonte, al vrolijk huppelend (en met onze armen in een geopend gebaar) de zaal binnen komen. Soms blijft er een nieuwe of wat zieke kleuter bedremmeld staan en wacht op zijn of haar juffie om aan te sluiten.
Al zingend vormen we onze kring, waarna achtereenvolgens de “zon”, meester Ward, de juffen en alle kinderen met onze voeten en armen worden begroet. Soms verstild ons lied tot een steeds kleiner wordende beweging, zoals bijvoorbeeld een klein klokje dat naast ons oor klingelt.

Vast ritueel in de lessen zijn drie stijgende kwinten aan het begin van het verhaal en drie dalende aan het einde.
Rudolf Steiner gaf drie aanwijzingen voor de kleutereuritmie waaronder deze kwint.
De kwint (dit is het interval van grondtoon naar de 5e toon erboven of eronder), zou voor het kind als een omhulling zijn tussen zijn eigen sfeer en die daarbuiten.
Het kwintgebaar bij de kleuters ziet er als volgt uit: De handen openen zich naar boven en eindigen als een open O rondom het hoofd. Wij noemen dit “de zon die gaat opkomen”!
Zelf ben ik deze gebaren steeds meer gaan beleven als het openen van een sfeer, waarin het verhaal kan klinken en ook weer afgesloten wordt. Het zien van al die armpjes die vol aandacht dit mee vormen, is vaak een wondermooi en ontroerend moment.
Terwijl wij dat doen, probeer ik ook om hen heen dat gebaar te leggen, zodat ze omhuld zijn in het meebewegen daarna: het gezamenlijk bewegen wordt dan welhaast tot één bewegingsgebaar.

Ieder kind zijn eigen weg

De kleuter beweegt nog sterk vanuit de nabootsing, zijn wil is daarop gericht.
Er zijn kinderen waarbij dat heel vanzelfsprekend is en voor anderen weer totaal niet. Ook vraagt het geheel een concentratieboog in het volgen van het verhaal en het meebewegen daarbij. Ieder kind stapt daar dan ook op zijn manier in. Voor het ene kind is alles wat we doen vanaf de eerste minuut vanzelfsprekend en stroomt met de gebaren en bewegingsoefeningen vol mee, voor de ander is de
kracht die ervan uitgaat te overdonderend en kijken ze eerst toe! Maar er zijn ook kinderen die lange tijd “innerlijk meebewegen” en daarbij gewoon meelopen in de stroom.
Het gaat erom dat het kind zich stukje bij beetje thuis gaat voelen in zijn eigen levens- en bewegingselement, ieder op zijn manier!
Daar gebeuren soms echt wonderen: Het ene kind sluit ineens met zijn armen bij een gebaar aan van wat hij vanuit zijn omgeving waarneemt, het andere kind begint ineens mee te huppen en vandaar uit mee te bewegen.
Er zijn ook kleuters die zo wegdromen in het verhaal, dat ze af en toe aangespoord moeten worden, door ze uit te nodigen mee te helpen bij een beweging. Anderen hebben last van te veel beweging en moeten eerst tot rust komen in de stroom.

Het moment waar het kind geheel instapt in de stroom en vol erbij is, is veelal een moment van gezamenlijke waarneming tussen de juffies. Na het verhaal zeggen we als juffies dan voorzichtig – zonder direct de naam te noemen- dat er vandaag weer een kindje was dat “getoverd” heeft. Het betreffende kind weet dit meestal zelf ook; alsof er iets “wakker geworden” is!
Dit ogenblik als juffen mee te maken is elke keer weer adembenemend mooi!

Door de euritmie leren omgaan met je eigen levenskrachten

In de eerste zeven jaar (na de geboorte) bouwt het kind zijn erfelijk lichaam om tot zijn eigen huis, tot in de organen toe!
Euritmie werkt op en met de levenskrachten van de mens. Met de gebaren en
bewegingen boetseert hij niet alleen de beeld-, klank- en ritme-wetmatigheden van de gesproken tekst of laat zich dragen door muzikale motieven, maar de gehele mens ademt a.h.w. mee.
Door het meevormen van de klankgebaren, boetseert het kind mee aan zijn eigen levenskrachten en ….(hierop duidde R. Steiner), kan het kind zijn eigen organen “doorlichten”.
Rudolf Steiner geeft aan dat de innerlijke souplesse in de kinderjaren hierdoor gevormd, het kind kan helpen in zijn verdere leven, zijn levensimpulsen door zijn lichaam – als instrument van zijn vermogens – beter te realiseren.
Tevens is belangrijk in de kleuterjaren, dat in alle processen van innerlijke groei, fantasie en  strekking van de romp en ledematen -naarmate het kind schoolrijp wordt- een zekere harmonie ontstaat. Voelt het kind zich thuis in zijn lichaam, kan het het gaan bewonen?
R. Steiner geeft aan dat rond de schoolrijpheid, de omvormingsprocessen van het eigen lichaam afgerond worden, waarbij meestal de tandenwisseling deze periode inluidt: Dezelfde levenskrachten zullen vanaf de basisschool voortaan ingezet gaan worden in de leerprocessen: Zo wordt op een ander niveau het opnemen van de wereld, omzetten en eigen maken, voortgezet!
Pedagogisch gezien werk je dus met de kinderen niet zomaar aan een verhaaltje, maar kijk je naar de klanken, gebaren of bewegingen, die vanuit het beeld passend, het kind gezond maken, d.w.z. kan het aansluiten bij zijn eigen levensstroom? Hoe help je het kind daarbij, dat het zich geplaatst voelt tussen waar zijn oorsprong ligt (het sterrenland) en zijn komst op aarde, waar we
“aan het werk gaan”.

De klankgebaren en -bewegingen in de euritmie zijn hierbij een hulp.
Elke klank heeft zijn kwaliteit: Hoe verschillend is een A t.o.v. een E.
In de euritmie is het A-gebaar openend, in de E kruisen de armen dit gebaar en komt dat wat zo geopend tegemoet getreden was, tot bewustzijn; de I wil zich daar weer uit oprichten, de O alles omvatten en de U brengt samen, enigszins streng, maar ook met warmte.

De medeklinkers zijn daarnaast meer vormend: De B omhult, “vormt voor het kind zijn huis”, zegt R.Steiner bijvoorbeeld.
Hoe verschillend kan je de B met het woord boom, berg, bos enzovoort vormen en verbinden!
De M tast, de D duidt, maar laat het tastende gebaar ergens heen ook
aankomen. L wil in beweging zijn, R wil rollen, de K, de T….
De klanken vertellen een verhaal op zich en het kind leert zich in deze kwaliteiten bewegen. Ze stimuleren zijn taal gevoel, in plasticiteit, maar ook in ordening en al bewegend (doende), maakt het kind zich dit met zijn wil, gevoel en waarneming eigen.
Euritmie is in feite boetseren in de lucht!
De taal om en door ons heen leren bewegen, maakt ook dat we groter of meer zijn dan een skelet met botjes, spieren, hersenen en allerlei mechanische processen. Die processen worden door onze levenskrachten doordrongen, en de euritmie kan helpen dat we daardoor in innerlijke harmonie komen met ons zelf
en onze processen.
Voor het kleine kind is het levensplezier en de warmte van de omgeving in de vorm van liefde en geborgenheid en een verzorgde omgeving voorwaarde zich met zijn omgeving te verbinden, het zet hem aan tot bewegen en wil om het te leren kennen. Bij de kleuter, ontstaan voor het eerst innerlijke beelden, die door fantasie groter, kleiner, veranderlijk in vorm gekleurd worden. Het concrete aan
vormen en gebeuren om het kind heen verinnerlijkt zich in een enorme beeldenrijkdom, die het met eenvoudige middelen uitbouwt door al spelende deze verder te ontwikkelen. Het oefent hiermee zowel zijn fysieke grenzen, als die aan zijn denken ontwikkelende fantasie.
Met de euritmie, zetten we deze processen voort en stimuleren het kind in zijn bewegings- en levensgevoel. Hierdoor ontstaat er een innerlijk evenwicht dat hem sterk maakt.

Kan het straks die levensenergie als het schoolrijp is inzetten in zijn leerprocessen? Dit onderzoeken, aftasten van het kleine kind, helpen hem de brug te slaan tussen zijn eigen innerlijk zijn en de wereld waarin het leeft!
Van de volwassene vraagt dit vooralsnog, om een wereld om hem heen te creëren, die veiligheid biedt tot nabootsen. Vreugde en plezier en hier en daar wat ernst, zijn de benodigde “kruiden” daarbij.

Het ge-euritmiseerde verhaal

Zo zijn ook de verhaaltjes op gebouwd die we doen met de kleuters. Plezier aan de bewegingen en de tekst staan voorop. Spreken de beelden en de daarbij gevormde klanken de fantasie aan van het kind, kan het zich daarin bewegen?
In de 1e klas worden de bewogen klanken tot klankletter en komt de geschreven taal tot leven en het bewogen ritmegevoel richt zich op het rekenen.
De structuur van het “bewogen verhaal” is zo opgebouwd, dat er steeds een “eilandje” is waarin een beeld of handeling wordt verteld met de klankgebaren, dan bewegen we ons langs de kring met een toepasselijke beweging zoals, huppelen, springen, sluipen enz. naar het volgende beeld.
Ook het ademen van de kring in het naar elkaar toegaan en weer wijder worden van de kring gaf R. Steiner aan als belangrijk element voor de kleuters en voor de euritmie in het algemeen als oefening.
Mooie gebaren wisselen af met grapjes, zoals bij het verhaal van Hansje Stoffel, een sprong met A van Hansje en een T op het hoofd bij Stoffel.. Hier zijn de kleuters soms vaardiger dan je denkt! Ze gieren het soms uit van de pret en het helpt ze tevens “wakker” te worden, want voor je het weet is zo’n moment al voorbij. Zulke gebaren te herhalen is dan behalve leuk, zinvol tegelijk!
Een sprookje is een beeld, maar samen een sprookje of verhaal opbouwen of uitbouwen heeft zijn eigen kwaliteit.
Zo hebben we Olle’s skitocht of Repelsteeltje steeds verder uitgebouwd en konden zelfs de jongere kinderen goed mee komen en een half uur meebewegen, door de boeiende bewegingsafwisseling!

Repeterende verhalen (zoals bakersprookjes), zijn ook heerlijk!
Het verhaal wordt afgesloten met de zon die ondergaat, de maan aan de hemel, en de sterren, waarvan bijvoorbeeld een sterretje bij ons hartje naar binnen gaat, gevolgd door de drie kwinten.

Het uit laten klinken van het verhaal d.m.v. spel en het afsluiten van de les

R. Steiner gaf bij voorstellingen aan dat na een ernstig deel voor de pauze, een meer humoresk gedeelte, gezond zou werken op de toeschouwer.
Dat idee heb ik ook bij de kleuters.
Na onze afsluitende kwinten gaan we zitten.
En met de muziek verdiepen we nog eens een aspect uit het verhaal, hoe loopt de slak, hoe danst de trol. Hier kan het verhaal “uitklinken” en verinnerlijkt worden. Als het dan tot rust is gekomen pakken we onze handen vast en verlaten al zingend in optocht de zaal terug naar de klas.

Alleen de kleuterklas die dicht bij de zaal zit, heeft de kunst afgekeken van de onderbouwklassen.
Ooit sloot ik af met de nu 5e klas. Bij het handen geven, sprongen ze ineens! Vanaf die dag zit ik er bij de kleuterklas bij de zaal aan vast, dat de kinderen springend de zaal verlaten! Op zich een prachtig gegeven, hoe licht kan je jezelf maken en tevens ook weer goed landen!

De euritmie als leermiddel en het kind als inspiratiebron voor de lesvorm en inhoud

Euritmie wordt ook wel eens “zielengymnastiek” genoemd.
De gebaren en bewegingen die we met de kinderen doen zijn een hulpmiddel om de bewegingsvaardigheden ook innerlijk te doordringen, tot innerlijke vaardigheden. We willen voor de kleuter een harmonie creëren, waarin het kind zich een met de wereld en zich zelf ervaart.
Het steeds weer vinden van balans blijft in ieders leven een proces dat bij ontwikkeling hoort.
Voor de kleuter geldt, dat het zich straks gaat openen voor andere leerprocessen. Hoe meer het het kind gelukt is om zijn gestalte goed om te vormen tot zijn eigen huis, hoe beter het de nieuwe leerprocessen aan kan gaan. Het heeft a.h.w. zijn aandacht vrij om dit op te nemen en eigen te maken. Ieder kind gaat daarin geheel zijn eigen proces.
Voor de gehele vrijeschoolpedagogiek geldt in principe, dat de kinderen zelf de inspiratiebron zijn bij hoe we de leerstof aanbieden. Ik luister wat nodig is en zet dat om naar mijn vermogens, de kinderen pakken op wat voor hen wezenlijk is. Zo is elk verhaal dan ook elke keer weer een beetje anders in de klanken en uitvoering. Samen met de pianist wordt door mij en in onze samenwerking,
telkens weer naar de ideale vorm gezocht. Juist dit samen “scheppen” aan het verhaal in het doen met de kinderen, is de voorwaarde voor levende pedagogiek! De euritmie als kunst om dit te beoefenen is een prachtig middel: In gezamenlijkheid breng je iets tot stand, waardoor de inhoud en vorm even samen komen. Het is als een schaal, waarin op zulke momenten a.h.w. een gouden glans opgevangen wordt!
Deze “rijkdom” kan je niet zien, maar wel ervaren.

.
Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3365-3164

.

.

.

.