Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – beelden

.

Jakob Streit, Weledaberichten 120, april 1980**

.

HET BELEVEN VAN BEELDEN EN DE KRACHT VAN DE FANTASIE
.

leder mens heeft een bron in de ziel, waaruit beelden en gedachten opwellen. Het is een scheppende bron die bij ieder individueel mens verschillend is.
De algemene benaming ervoor is ‘fantasie’.
Door de fantasie verbindt de mens zich actief met de wereld. Zij kan helpend en erop gericht zijn om ‘het goede te doen’, dus een ‘morele fantasie’ zijn — of zij kan, slechts op een egoïstisch doel gericht,
afgunstig, asociaal, brutaliserend zijn. Aan het goede zowel als aan de negatieve uitwassen van vijandigheid, vernietiging, zijn geen grenzen gesteld. Iemand met een uitgedroogde, verarmde fantasie zal meestal een passief en dof bestaan leiden. Zijn belangstelling is slechts op zijn alledaagse bestaan gericht. Fantasie die bepaald wordt door agressieve beelden heeft onmenselijkheid en leed tot gevolg.
Zoals de ontwikkeling van het menselijke organisme door een gezonde voeding wordt bevorderd en door verkeerde voeding kan worden belemmerd of geschaad is dat ook het geval bij de ‘fantasiemens’ in ons: beelden zijn opbouwende elementen van de ziel. Het voedsel voor het lichaam wordt door de mond opgenomen; oog en oor zijn hoofdzakelijk de poorten voor de eerste voeding van de ziel in de kindertijd. In de opvoeding kunnen wij er invloed op uitoefenen hoe het kind zijn fantasie ontwikkelt, of zij arm, verdroogd of bloeiend en creatief, misschien ook woekerend, chaotisch en ziekelijk wordt. Allerlei soorten van aangeboren aanleg worden positief of negatief beïnvloed door wat wij het kind van jongs af aan tegemoet brengen, waarheen wij het leiden of waarin wij het laten verdwalen.
Wij leven in een tijdperk van een ongeremde productie van beel­den. Daarom hebben wij als opvoeders meer dan ooit tot taak, voor de opbouw van een innerlijke wereld van beelden bewust, leidend en beschermend, te zorgen.

De uiterlijke beelden

Het ligt in de natuur, dat op de kleine kinderen met hun ontwakende zintuigen uiterlijke indrukken van de omgeving afkomen. Het vroegste beeld dat de kinder­ziel opneemt is dat van de moeder. Dat is niet hoe de moeder er gewoon uitziet, maar het beeld van haar wezen, of ze teder is, zachtaardig, troostend, bedrijvig en opgewekt, of hard, weinig tegemoetkomend, scheldend, slordig en knorrig. Het beeld van de vader staat hier naast. Is ook hij teder, helpend, opgewekt, conse­quent of onverschillig, zonder contact?

Vom Vader hab’ ich die Statur,      van vader heb ik de gestalte,
Des Lebens ernster Führen,           het leven serieus te nemen,
Vom Mütterchen die Frohnatur    van moeder mijn opgewekte aard
Und Lust zu fabulieren.                  en de zin om te fantaseren,

J.W. Goethe.

Opgewektheid, een blij gemoed en lachen openen poorten van de ziel. Als er in de omgeving van het kind een blijde, harmonische sfeer is, als de vroege overvloedi­ge contacten met mensen een gevoel van veiligheid geven, dan is de basis gelegd voor het opbloeien van de fantasie in het kinderlijke spel. Hoe eenvoudiger het speelgoed, de poppen en de beesten zijn, des te meer worden daardoor de fanta­siekrachten in het kind opgewekt om alles levend te maken. Vol verbazing opent de kinderziel zich: wij zien in dit gegeven een primaire kracht waardoor het kind bereid is een echo te laten weerklinken op hetgeen de wereld is. In de mogelijk­heid tot nabootsing ligt de tweede kracht die een verdere ontwikkeling op gang brengt. Hier is een wezenlijk verschil met de dieren, die door hun organen beperkt blijven. De mens kan een binnenwereld opbouwen, van waaruit hij zijn organen gaat besturen, waarmee hij zijn omgeving actief nabootst. Mensen, beroepen, dieren, de wind worden nagebootst, vanzelfsprekend ook de auto, de verkeers­agent, het vliegtuig. Al dit tot een echo worden van uiterlijke gebeurtenissen bete­kent een voortgaande verrijking van de innerlijke wereld van het kind.
Wat er in kleuterklassen gebeurt komt in belangrijke mate tot stand doordat de echo­werking wordt overgeleid in het spelen. Spelen betekent actief beelden vormen.
De moderne beschaving heeft meegebracht, dat kinderen veel te vroeg TV kijken. Dan kunnen ze niet met de grootste verbazing iets op zich laten inwerken; hier heersen beeldmotoriek en trucfilms, suggestieve inprenting van voorstellingen, waarvan de beelden dikwijls karikaturen zijn (Sesamstraat e.d.). Als het kind naar uitzendingen voor volwassenen kijkt, wordt het geconfronteerd met het huidige realisme via de fotomontage, die het absoluut nog niet kan verwerken. Er komt daar een optisch diffuus beleefde, chaotische stroom van beelden in de ziel van het kind binnen. Meestal wordt die als laatste ervaring van de dag in de slaap meegenomen, waar bij het onder de drempel van het bewustzijn verder flikkert. Dat daardoor de opbouw van de innerlijke creatieve beelden- en fantasiewereld van het kind aangetast wordt is een feit, dat nog door veel te weinig ouders wordt ingezien. In plaats van geassimileerde innerlijke beelden ontstaat een warwinkel van duizenden beelden die zonder een innerlijk verband in de ziel van het kind rondspoken. In plaats van fantasie op te bouwen is nerveuze fantasterij het resul­taat. Als een dergelijk chaotisch worden van de waarnemings- en denksfeer in het kind ontstaat, werkt dit dienovereenkomstig door in het gevoels- en wilsleven. Het is geen wonder als de kinderen dan i.p.v. echte gemoedsaandoeningen apathie en verkilling van de ziel vertonen en het wilsleven steeds ongeconcen­treerder wordt. Wij zouden het kind ertoe willen brengen dat het onbevangen de dingen in zijn omgeving en in de natuur kan zien en er in de ziel een echo daarvan weerklinkt. Door de lawine van dagelijks opgenomen bewegende foto’s wordt de blik echter een soort van staren, d.w.z. er wordt gekeken zonder dat de ziel nog kan meeleven met het waargenomene. De werking gaat in twee richtingen. Er zijn kinderen, bij wie het staren tot afstomping, lethargie wordt. Bij meer gevoelige kinderen, die steeds weer proberen om tot een mee-beleven te komen, ontaardt de overprikkeling in nervositeit. Vergeefs proberen ze om wat zij zien door de nabootsing psychisch te assimileren; maar het tempo en de frequentie van de beelden laten dat niet toe. De identificatie is altijd alleen maar heel even. Als ouders van kleine kinderen wisten, hoe schadelijk dit overgeleverd zijn aan een medium wat niet beheerst kan worden is, dan zouden zij wel drastisch ingrijpen. Zij zouden probe­ren te verhinderen, dat de ontwikkeling van de kinderlijke fantasie dag in dag uit ernstig wordt gestoord en beschadigd.
Tot zijn 10e jaar is het kind onkritisch en weerloos aan de beeldbuis overgeleverd en ook voor de latere ontwikkelingsja­ren is deze een belasting.

Maar kinderen hebben absoluut veel beelden nodig voor de ontwikkeling van de fantasie. Bepaalde soorten van beeld-beleven en -inhouden werken in positieve richting. De bioloog Adolf Portmann vatte het kinderlijke beleven van de omgeving samen in het begrip: primair wereldbeeld. Wij kunnen de kinderen van jongs af aan naar het ontdekken van ‘het boek der natuur’ leiden. Dat is ook voor
stads­kinderen mogelijk en nodig. Er zijn kamerplanten, parken, bossen in de omge­ving, recreatiegebieden, enz. Het is van belang, om met kleine kinderen samen te zoeken en te kijken, bijv. hoe in een bloempot de krokus, de narcis, de hyacint elke dag een beetje meer te voorschijn komt en tot bloem wordt. Onze verbazing en de bewondering voor wat mooi is gaat over op het kind. Bijgestaan door onze fantasie kunnen wij op eenvoudige manier over de zonnestraal vertellen die de bloem tevoorschijn lokt opdat de mensen daaraan vreugde beleven. Bij het uiter­lijk beleefde beeld voegen wij de poëtische stemming. Wij zouden samen met het kleine kind moeten zien, hoe de bijen de bloemen opzoeken of, als ’t ons zelf nog lukt om waar te nemen, hoe de vlinder met zijn tong honing uit de bloem zuigt. Een paar keer zulke kleine wonderen van de natuur met aandacht bekeken, kan tot gevolg hebben, dat het kind later liefde voor de natuur krijgt. Ook de band van het kind met het dierenleven moeten wij voor het kind tot stand brengen (zonder de domme karikaturen van de stripverhalen!). Een huisjes- of een naaktslak bekij­ken, zachtjes een voelhorentje aanraken, plezier hebben aan hoe de worm of de mier zich voortbeweegt, kijken hoe een spin haar web maakt, naar de sterren en de fasen van de maan kijken, de kleuren van de zonsop- en ondergang waarne­men. Als het ons dan lukt, poëtische antwoorden op het waarom? van de kinde­ren te geven, dieren en boemen in de trant van de sprookjes te laten spreken, dan komt de primaire beeldenwereld binnenin de fantasie en in het gemoed: er ontstaat een grondslag voor liefde en belangstelling voor de natuur en de wezens die erin leven.

De innerlijke beelden

Naast dit gaandeweg veroveren van de ‘uiterlijke beelden’ vraagt het kind ook om innerlijke beelden. Het waarom-vragen is hiervoor een teken.

Waarom is de maan koud en de zon warm?’

Waar zijn de sterren overdag?’

Waarom fluit de merel en tsjilpt de mus?’

Daarmee komen wij in het gebied van de innerlijke poëtische, sprookjesachtige beelden, die een antwoord bevatten dat het gemoed van het kind bevredigt. Vanaf het 4e jaar ontstaat steeds meer het vermogen om uit woorden en kleine vertellingen innerlijke beelden te vormen. Het kind wil steeds meer sprookjesach­tige vertellingen horen, waarvan er vele elke dag weer herhaald kunnen worden. Door de herhaling worden de innerlijke beelden concreter. Het kind gebruikt bij het omvormen van de woorden tot innerlijke beeldgebeurtenissen zijn actieve fantasiekrachten. Dat gaat zelfs zover, dat het al bij het begin van de vertelling in zijn innerlijke beeldenwereld betoverd is. De schat aan sprookjes is hier een hulp waardoor er een polarisering van een innerlijke, nog diffuse overvloed van beelden ontstaat, de beelden worden geordend in figuren die sympathiek (het goede) en die antipathiek (maskers van het boze, duistere, onmenselijke) zijn. Voor heel jonge kinderen zou de nadruk bijna uitsluitend moeten vallen op het sympathieke, vriendelijk-goede en vrolijke, het boze slechts even geschetst moeten worden. Maar tegen het 7e jaar verlangt het kind steeds meer de duidelijke polariteit, de heks, de boze wolf, de draak die worden overwonnen. Aan deze beelden beleeft het in de fantasie de toekomst van het leven, het bedreigende en bemoeilijkende van de levenssituatie.
‘Het toetst in de fantasie de eigen, jeugdige moed, de eigen hulpvaardigheid, trouw en liefde en begint naar standvastigheid te verlan­gen, die het bedreigende meester kan worden.’ (Wilh. Korff).

Ouders en opvoeders zijn echt in staat door vertellingen de kinderziel te begeleiden en daardoor een liefdevolle band te scheppen. Niet via de grammofoonplaat* maar door het gesproken woord, vanuit het gemoed van de verteller (vooral van de vader en de moeder) zou het heel jonge kind zijn innerlijk voedsel in de vorm van beelden moeten krijgen. In de ziel wordt daardoor het vermoeden opgewekt om beelden te scheppen, rijker aan fantasie te worden. Daarvoor wordt de grondslag gelegd voor menselijkheid en echte moraliteit. En ook van een later ontwakend denken dat niet abstract wordt maar steeds weer in het menselijke uitmondt. De in het innerlijk oprijzende beelden, die de vrucht zijn van het contact met de verteller, wekken het vermogen om uit woord en zin actief het daarin verborgen beeld te beleven. Dit kan later bij het lezen blijken. Letters en tekens verdwijnen, beelden komen te voorschijn! Een belangrijke hulp hierbij is het artistiek goede, aan het kind aangepaste, prentenboek. Maar ook hier geldt: het kind ertoe aansporen om te kijken, met hem samen de platen bekijken, misschien uitvoerig bij zo’n plaat vertellen. Dan gaan de beelden ook ‘spreken’. Een weinig gewetensvolle industrie heeft de onuitputtelijke reeksen van strips op de markt gebracht. Maar al te veel ouders menen zich voor een paar guldens van hun unieke en schone plicht te kunnen loskopen; ze nemen daarbij de successievelijke deformatie van de fantasie van hun kinderen op de koop toe. Als die niet wordt opgebouwd naar de in de mens sluimerende wetten, ontstaan er onherroepelijk innerlijke defecten, die de psycholoog of de psychiater dan later maar moet herstellen. De huidige maatschappij, overgeleverd aan de moderne media, dient zich hierop wel te bezinnen. Aan het eind** van ‘de eeuw van het kind’ weerklink de roep: ‘redt de fantasie!’

 
*Of wat er tegenwoordig aan middelen bestaat, zoals cd en video, pc en smartphone

.

Jakob Streit was zelf een begenadigd verteller.

Uitgeverij Christofoor:
Jakob Streit werd geboren in het Zwitserse stadje Spiez aan het meer van Thun. Zijn kinderjaren waren nauw vervlochten met de planten en de dieren waartussen hij op de berghellingen speelde. Later, na de onverwachte dood van zijn vader, besloot Streit onderwijzer te worden. Tijdens zijn eerste baan als onderwijzer op een dorpsschool begon hij verhalen te schrijven en poppenspelen voor de verschillende klassen van de school. En zo werd hem ten slotte gevraagd het beroemde spel van Wilhelm Tell in Interlaken te regisseren.

Hij schreef o.a.:

En het werd licht  (voor een deel hier toegankelijk
Het bijenboekje
Tatatoeks reis naar de kristalberg
Immanuel
Dierenverhalen

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Opvoedingsvragen: alle artikelen (19: o.a. over de moderne media)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

861-793

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Magalhaen

.

VEROVERAAR DER ZEEËN
.

Het begon met het zoeken naar specerijen. Sinds de tijd, dat de Romeinen de smaak te pakken hadden gekregen van de sterk gekruide gerechten uit het Oosten, kon het Westen er onmogelijk meer buiten. Tot ver in de middeleeuwen was het voedsel in Europa onvoorstelbaar laf. Vruchten, die nu heel ge­woon zijn, waren toen nog onbekend. Er waren geen tomaten, geen maïs, evenmin thee en koffie. Zelfs de tafels der rijken boden niets waarmee deze eentonigheid kon worden doorbroken, tenzij men specerijen kon bemachtigen.

Die waren alleen in Indië te krijgen en de handelswegen daar­heen en weer terug waren zo lang en gevaarlijk — zozeer be­dreigd door bandieten — dat specerijen tegen de tijd dat zij Euro­pa bereikt, hadden, uitermate kostbaar geworden waren. Zo wer­den gember en kaneel op een apothekersbalans gewogen. Peper­korrels gingen per stuk en waren hun gewicht in zilver waard.

De stoutmoedigheid die leidde tot de reizen van Columbus, Dias, John Cabot en andere grote ontdekkingsreizigers uit die tijd, kwam bovenal voort uit een brandend verlangen nieuwe, onbedreigde handelsroutes naar de Specerij-eilanden in het Verre Oosten te vinden. En nadat Vasco da Gama, die in 1498 de zuide­lijke tip van Afrika rondde, Indië had bereikt, begon er een wed­loop om handels- en militaire posten in het Verre Oosten te be­zetten. In 1505 zonden de Portugezen een vloot uit om in Indië factorijen te vestigen en een jonge Portugese soldaat, de 24-jarige Fernao de Magalhaen, reisde mee. Van deze en volgende expedi­ties naar Malakka (nabij het huidige Singapore, toegangspoort tot de Specerij-eilanden) kwam Magalhaen terug als een man van ervaring en met een Maleise slaaf, die hij in Malakka had gekocht. Deze slaaf, die hij Enrique noemde, zou een verbazingwekkende rol spelen in Magalhaens latere loopbaan.

Magalhaen had nu de blik op verre einders gericht en hij droomde ervan de Specerij-eilanden te bereiken door naar het westen te varen, zoals Columbus vóór hem had willen doen. Ook andere avonturiers — onder wie Amerigo Vespucci, Cortez en Cabot — hadden de Amerikaanse kust afgezocht op een door­gang naar Indië, en waarschijnlijk had Magalhaen zich laten leiden (en naar later zou blijken misleiden) door een geheime kaart — gebaseerd op Vespucci’s waarnemingen — die een zee-engte aangaf, verborgen achter Cabo Santa Maria in Uruguay.

Hoe het ook zij, terwijl andere ontdekkingsreizigers bescheiden zeiden: “Ik hoop een zee-engte te vinden,” kondigde Magalhaen met overtuiging aan: “Ik wéét waar ik die moet vinden.” En op grond van die zekerheid vroeg hij koning Manuel I van Portugal een vloot uit te rusten om die nieuwe weg naar het oosten te ont­dekken.

Toen de koning zijn steun aan zo’n onzeker avontuur weigerde, bood Magalhaen Portugals grootste mededinger in de specerijenhandel, Spanje, zijn diensten aan. Bij het Spaanse hof maakte zijn boute bewering dat hij als enige de ligging van de geheime paso kende, diepe indruk. Koning Karel, die er tuk op was zijn Portugese rivaal een slag voor te zijn, zegde de verlangde steun toe en machtige Spaanse bankiers namen het op zich een vloot van vijf schepen uit te rusten.

Op dat ogenblik gaf koning Manuel zijn ambassadeur in Spanje order de onderneming te torpederen. Zo werd Magalhaen bij zijn voorbereidingen voortdurend belemmerd door ruzies, vertra­gingen en onlusten. Bemanningen vond hij slechts met de grootste moeite. Maar onder het allegaartje avonturiers raakte toevallig een jonge Italiaan verzeild, Antonio Pigafetta, die meeging omdat hij “de pracht en verschrikkingen van de oceaan” wilde zien. Het nageslacht is hem veel verschuldigd, want hij hield uiterst zorgvuldig een dagboek bij van deze historische reis.

Magalhaens vloot vertrok op 20 september 1519 uit de Spaanse haven Sanlúcar. Van de 265 man aan boord namen de meesten voor eeuwig afscheid van hun vaderland. Voor het vertrek gaf Magalhaen een order uit, dat de vier andere schepen elke avond tot dichtbij het vlaggenschip de Trinidad moesten koersen om beve­len voor de nacht in ontvangst te nemen. Dank zij deze dagelijkse contacten werd de discipline gehandhaafd.

De gezagvoerders hadden verwacht aan boord van het vlaggenschip te worden genodigd en geraadpleegd te worden over de te volgen koers. Maar Magalhaen vroeg niet naar hun mening. Zij hadden overdag de vlag maar te volgen en ’s nachts het baken, met de gehoorzaamheid van een hond. Toen Magalhaen dus zuidwaarts zeilde langs de kust van Afrika, in plaats van een zuid­westelijke koers naar Brazilië te volgen zoals men had verwacht, vroeg Juan de Cartagena, kapitein van de San Antonio, ronduit waarom de koers was gewijzigd. Waarschijnlijk had Magalhaen dat gedaan in de hoop een gunstige wind in de zeilen te krijgen, maar hij antwoordde slechts, dat niemand het recht had hem om uitleg te vragen. Daarmee nam hij Cartagena zozeer tegen zich in, dat deze op een avond weigerde de San Antonio naar het vlaggenschip te sturen om orders in ontvangst te nemen. Voor iedereen op de vloot was het nu duidelijk, dat Juan de Cartagena het onbe­perkte gezag van de Portugese bevelhebber niet erkende.

Magalhaen liet er enige dagen overheen gaan. Toen, alsof hij capituleerde, belegde hij een vergadering van de vier kapiteins aan boord van het vlaggenschip. Juan de Cartagena kwam met de anderen mee en, woedend over Magalhaens weigering uitleg te geven over de nieuwe koers, zegde openlijk de gehoorzaamheid op. Onmiddellijk ontbood Magalhaen zijn militaire adjudant en liet de muiter arresteren.

Magalhaens neef Mesquita kreeg nu het bevel over de San Antonio en de vloot vervolgde zijn koers zonder verdere incidenten. Op 13 december, na elf weken op zee te zijn geweest, liep men de baai van Rio de Janeiro binnen. Voor de vermoeide bemanning moet die baai een paradijs geweest zijn. De inboorlingen kwamen uit hun hutten aan de rand van het bos te voorschijn en begroetten de zeelieden heel nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.

Na dertien dagen — om uit te rusten en leeftocht in te nemen — hervatte Magalhaen de reis zuidwaarts langs de kust van Brazilië en bereikte op 10 januari 1520 Cabo Santa Maria. Daarachter zagen de matrozen een lage heuvel, die oprees uit een wijde vlakte en noemden die Montevidi — nu Montevideo. De reusach­tige baai, die zij toen binnenvoeren, was in feite de monding van de Rio de la Plata, maar daar had Magalhaen geen vermoeden van. Veertien dagen lang verkende hij dit water en tot zijn bittere teleurstelling ontdekte hij, dat het slechts de monding van een grote rivier was.

Magalhaen besefte dat geen van de kapiteins iets van zijn teleurstelling mocht vermoeden. Dus voer hij vastberaden verder langs een kust, die er voortdurend verlatener begon uit te zien. Magalhaen verkende elke baai met telkens opflakkerende en telkens weer ijdel blijkende hoop. Al verder naar het zuiden zeilde de vloot. De dagen werden steeds korter, de nachten langer. De zeilen zagen wit van de sneeuw, stengen en ra’s werden versplinterd in orkanen. Een halfjaar was voorbijgegaan en de zuidpoolwinter was in aantocht. Magalhaen scheen zijn doel nog geen stap genaderd. Op 31 maart 1520 doemde er een nieuwe inham op. Het was een afgesloten baai. Niettemin ging Magalhaen er binnen. Het was een beschutte plek en er scheen veel vis te zijn, dus gaf hij bevel tot ankeren. Hij had besloten in dit Port San Julian, deze onbekende, verlaten baai, te overwinteren.

Hier opgesloten en op karige rantsoenen gesteld, begon de be­manning te morren, terwijl de spanning tussen Magalhaen en de Spaanse gezagvoerders zodanig steeg dat het op een open rebellie uitliep. Onder dekking van de nacht ging de muiter Cartagena met twee andere Spaanse kapiteins en dertig gewapende man­schappen aan boord van de San Antonio en nam bezit van dat schip, waarbij één officier werd vermoord. Magalhaen besloot nu tot straffe maatregelen over te gaan. Hij zond zijn provoost, Espinoza, op wie hij bouwen kon, met vijf man naar de Victoria en gaf hem een brief mee voor de muitende kapitein Luis de Mendoza.

De muiters aan boord van dit goed bewapende schip koesterden geen argwaan, toen zij het kleine bootje zagen naderen. Hoe kon­den zes mannen een schip met een bemanning van zestig koppen aanvallen? Alsof hij alle tijd had klom Espinoza aan boord en overhandigde Magalhaens brief aan kapitein Mendoza, waarin deze op het vlaggenschip werd ontboden. Mendoza las de bood­schap en barstte in lachen uit omdat de valstrik duidelijk was. Maar zijn lach eindigde in een afschuwelijk gereutel, want de provoost stak hem een dolk in de keel.

Magalhaen had geen moeite met het arresteren van de twee muitende gezagvoerders, die overgebleven waren, Juan de Car­tagena en Gaspar Quesada. Quesada werd ter dood veroordeeld. Juan de Cartagena, de eigenlijke leider van de muiterij, en een priester, die getracht had een tweede muiterij te beginnen, waren niet minder schuldig dan Quesada. Maar Magalhaen besloot hen op de kust achter te laten. Toen de vloot opnieuw onder zeil ging, werden de twee aan hun lot overgelaten, met een voorraad proviand en wijn. De Almachtige God zou beslissen of zij daar zouden sterven.

In Port San Julian hadden de Spanjaarden niets dan rampen gehad. Zodra de winter voorbij was, moest de kleine Santiago, het meest wendbare schip van de vloot, op verkenning buiten de baai. Het schip ging onder in een storm, hoewel de bemanning veilig aan land wist te komen. Magalhaen zond prompt een boot uit om de schipbreukelingen te redden.

Op 24 augustus 1520 gaf Magalhaen ten slotte bevel het ramp­spoedige San Julian te verlaten, met een laatste blik op het on­gelukkige tweetal dat moest achterblijven. Een van zijn schepen was gezonken, twee van zijn kapiteins waren dood, er was bijna een jaar voorbijgegaan sedert het begin van de reis ………….een jaar waarin men geen duimbreed verder was gekomen, niets ontdekt had en niets bereikt had.

Het moeten de somberste dagen van Magalhaens leven geweest zijn. Hij probeerde verder te zeilen, maar gedurende nog twee lange maanden werd hij door stormen voor de barre kust opge­houden. Toch was hij dicht bij zijn doel, zonder het te weten. Op 21 oktober 1520 kreeg hij witte klippen in zicht, die zich boven een vreemd gekartelde kustlijn verhieven en al spoedig liep hij een diepe baai binnen, waar het water zwart getint was. Er was geen spoor van menselijk of plantaardig leven te bekennen. Niets dan een huilende wind. De manschappen keken bedenkelijk naar de inham, donker als Hades en omringd door bergen. Maar Magal­haen, geobsedeerd door de gedachte aan een verborgen straat, drong erop aan deze merkwaardige baai te verkennen. De San Antonio en de Concepción gehoorzaamden aarzelend toen hij die twee schepen bevel gaf zo ver zij konden naar het westen te varen, maar na vijf dagen terug te keren om rapport uit te brengen.

Nauwelijks had de vloot zich in twee delen gesplitst of het water in de baai werd opgezweept door een storm en Magalhaens schip werd bijna op de rotsen geworpen. Maar zijn grootste bezorgd­heid gold de San Antonio en de Concepción. De orkaan moest hen in de zee-engte overvallen hebben en als er geen wonder was gebeurd, waren zij nu te pletter geslagen. Na vier dagen angstig afwachten kwam er een zeil in zicht. God zij dank, er was één schip gered! Nee, beide schepen, want zowel de San Antonio als de Concepción kwamen veilig en wel terug. De twee gezagvoerders brachten Magalhaen het vurig verbeide nieuws. De schepen die naar het westen waren voortgedreven, zouden op de rotsen te pletter ge­slagen zijn, indien zich niet op het laatste moment een doorgang voor hen had voorgedaan. Al hadden zij het westelijke uiteinde daarvan niet verkend, zij twijfelden er niet aan of dit was een zeestraat. Beter nieuws had de zwaar beproefde Magalhaen niet kunnen krijgen. Men moest dus niet langer aarzelen. Met vast­beraden moed de doolhof in, die hij op dat moment Todos los Santos noemde, maar die bij het nageslacht Straat Magalhaen zou heten.

Toen de zeestraat zich ten slotte opende en de wijde oceaan voor hen lag, rolden er vreugdetranen in zijn zwarte baard, zo lezen we. Nu ontbood Magalhaen de gezagvoerders om te rapporteren hoe het met de proviand stond. Zij hadden hun eerste doel bereikt. Waren zij nu bereid verder te zeilen om een weg naar de Specerij­eilanden te ontdekken? Hij kon niet ontkennen, dat de geringe voorraad leeftocht ernstige gevaren meebracht. Maar hijzelf bleef daar onbevreesd onder. Men zou doorzeilen. Magalhaen gaf zijn kapiteins echter bevel, de bemanningen onkundig te laten over het tekort aan proviand. De San Antonio, uitgezonden om een diepe zijarm te gaan verkennen, keerde niet terug op de afgesproken tijd. Dagenlang zocht Magalhaen vergeefs naar het schip en ten slotte vroeg hij een astroloog een horoscoop te trekken. De astro­loog bracht de boodschap over die de sterren hem gegeven hadden en ditmaal bleek die juist te zijn. De San Antonio, zei hij, was ervan­door en had koers gezet naar Spanje.

Opnieuw stond Magalhaen voor een verschrikkelijk dilemma. Het grootste deel van de mondvoorraad was aan boord van de San Antonio. De reis voortzetten zou nu vrijwel gelijk staan met zelfmoord. Toch besloot hij dat te doen. Op 28 november 1520 zetten de drie overgebleven schepen koers over de onbekende oceaan in noordwestelijke richting. Ergens achter de einder moes­ten de Specerij-eilanden liggen, de eilanden die hun rijkdom zouden brengen. En daarachter moesten China en Hindoestan te vinden zijn. En daarachter, in de verre verte, het vaderland, Spanje. Met kanonschoten brachten de drie eenzame scheepjes een eerbiedige groet aan de onbekende zeeën.

De eerste tocht over deze tot dusver naamloze oceaan is een der onsterfelijke daden in de geschiedenis der mensheid. Magalhaen zeilde de leegte binnen. Zijn manschappen waren uitgeput. Zij hadden honger en ontbering achter de rug en honger en ontbering lagen nu ook dreigend voor hen. Hun kleren waren tot op de draad versleten, de zeilen verrot en het want was aan rafels. Velen moeten hun kameraden, die ervandoor waren, benijd hebben. Niettemin zeilden ze verder en nog kwam er geen land in zicht. Hij moest Japan al lang voorbij zijn, dacht Magalhaen. In feite had hij van de uitgestrekte oceaan, die hij de Stille noemde, omdat het er zo vredig was, nog geen derde bezeild. Op 24 januari 1521 kregen ze een eiland in zicht (St. Paulus) en daar namen ze proviand in. Daarna vertrouwden ze zich opnieuw aan de uit­gestrekte wateren toe.

Niet minder dan negentien man, ongeveer een tiende van het aantal, dat nog over was, stierven een vreselijke dood op deze martelende reis over de Stille Oceaan.

Ten slotte klonk er op 6 maart 1521 een kreet uit het kraaienest: ‘Land vooruit!” Het was net op tijd. Indien men nog twee, drie dagen in die leegte had moeten ronddobberen, was er wellicht geen woord over deze heroïsche reis voor ons bewaard gebleven. Maar daar lag een eiland! Nauwelijks was de vloot de baal bin­nengevallen of kleine, beschilderde bootjes met zeilen vervaardigd uit palmbladeren staken van wal. Behendig als apen klauterden de naakte natuurkinderen aan boord en, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was, eigenden zich prompt elk voorwerp toe dat niet spijkervast was. Zelfs de roeiboot van de Trinidad werd in triomf meegevoerd. Magalhaen besloot de diefachtige eilanders mores te leren en stuurde veertig gewapende matrozen op hen af, die de hutten platbrandden en meenamen wat zij maar vinden konden — kippen, vis en fruit.

Deze plundertocht redde de Spanjaarden van de ondergang. Drie dagen rust, verse vruchten, vlees en water maakten dat de meeste bemanningsleden weer spoedig op krachten kwamen. Met hernieuwde moed vervolgde men de reis naar het westen. Toen men een week later nog een eiland en toen nog een in het zicht kreeg, wist Magalhaen dat zij gered waren. Hij had een volledig onbekende archipel ontdekt, de Filippijnen, en daarmee Keizer Karel een nieuwe provincie bezorgd, die langer onder de Spaanse kroon zou blijven dan enig gebied door Columbus, Cortez of Pizarro ontdekt.

Op 28 maart bereikte de vloot Mazzava, een klein eilandje in de Filippijnengroep, en hier had Magalhaen een van de merk­waardigste ervaringen van zijn leven. Terwijl de drie grote, vreemde schepen naderbij kwamen, dromden de vriendelijke bewoners samen op het strand en Magalhaen zond zijn slaaf Enrique op hen af in de juiste veronderstelling, dat de inboorlingen meer vertrouwen zouden hebben in een kleurling dan in een ge­baarde blanke.

Toen gebeurde het wonderlijke. Terwijl babbelende eilan­ders om Enrique heen kwamen staan, ontdekte de Maleise slaaf tot zijn verbijstering, dat hij heel veel kon verstaan van wat zij zeiden. Het was al heel wat jaren geleden dat hij in zijn eigen taal had horen spreken. Door dit verbazingwekkende voorval wist Magalhaen dat hij zijn doel bereikt had. Hij was weer in het deel van de wereld waar Maleis gesproken werd. Wat enige geleerden gedroomd hadden, was nu zekerheid geworden. De aarde was rond, want men was er nu omheengevaren.

De week op Mazzava was de gelukkigste episode van Magalhaens reis. Calamboe, de koning van het eiland, bereidde hem een gastvrije ontvangst en bezorgde hem een overvloed van voed­sel en water. Hij behoefde nu alleen nog maar naar de Specerij-eilanden te varen om zijn opdracht te vervullen. Toch wilde hij de Filippijnen niet verlaten zonder deze archipel tot permanent Spaans bezit te hebben gemaakt, en daarvoor was het niet vol­doende één klein eiland bezocht en geannexeerd te hebben. Hij vroeg Calamboe daarom wat het grootste van de naburige eilan­den was en vernam dat dit Zebu (Cebu) heette. Daarheen zette Magalhaen koers, “want,” zo schrijft de trouwe Pigafetta, “zijn noodlot wilde het aldus.”

Zodra hij Cebu in zicht had gekregen, wist Magalhaen dat dit een plaats van groot belang was. In de haven lagen jonken uit vreemde streken en een groot aantal binnenlandse schepen. Om zich als heer van donder en bliksem aan te dienen liet Magalhaen een kanonsalvo afvuren, waarop de eilanders in alle richtingen vluchtten. Daarna zond Magalhaen Enrique onmiddellijk aan land om als tolk te fungeren en de vorst van het eiland mee te delen dat de donder geen teken van vijandschap was, maar een eerbewijs voor de machtige Radja van Cebu. De admiraal, aldus Enrique, was bereid Zijne Majesteit een verscheidenheid van kostbare goederen te tonen en handelsbetrekkingen met hem aan te knopen. Humabon, Radja van Cebu, nodigde Magalhaens afgezanten op een banket en verklaarde een eeuwigdurend vredes­verdrag met de vreemdelingen te willen sluiten. Zijnerzijds deed Magalhaen zijn uiterste best de vriendschap te bevorderen en de betrekkingen werden zo hartelijk, dat de Radja en de meesten van zijn hovelingen spontaan het verlangen kenbaar maakten christenen te worden.

Zo vierden de Spanjaarden op zondag 14 april 1521 hun groot­ste triomf. Op het marktplein werd een groot kruis opgericht aan de voet waarvan de Radja en vijftig anderen neerknielden en met grote plechtigheid gedoopt werden. Het nieuws werd overal bekend. De volgende dag kwamen er hoofden van de naburige eilanden om ook in deze magische ceremoniën te worden inge­wijd. Binnen enkele dagen hadden bijna alle eilandhoofden trouw aan Spanje gezworen en waren zij besprenkeld met water uit het doopvont.

Magalhaen was over de hele linie geslaagd, alsof engelen zijn pad hadden verlicht. Maar toen deed zich een onverwachte tra­gedie voor. Op een heel klein eilandje, Mactan, dicht bij Cebu, heerste een vorst, Silapulapu, die zich nooit aan de Radja van Cebu had onderworpen. Sedert de komst van de Spanjaarden had hij gedaan wat hij kon om te voorkomen dat de andere eilandhoofden de vreemdelingen van proviand zouden voorzien. Deze weigering om leveranties te doen leek Magalhaen een uitstekende reden om een demonstratie op touw te zetten. De Radja van Cebu stelde voor duizend krijgers tegen Mactan in te zetten, maar Magalhaen sloeg dit aanbod af. Hij wilde bovenal een bewijs geven van het prestige van Spanje door aan te tonen, dat inboorlingen gewapend met krissen en speren, een Spaans soldaat in een stalen harnas zelfs geen verwondingen konden toebrengen. Daarom nam hij niet meer dan zestig man mee en nodigde hij de Radja uit de strijd vanaf een schip gade te slaan.

Tot Magalhaens ongeluk bezat het vorstje van Mactan echter een machtig bondgenoot in de vorm van de kustlijn. De boten konden niet over een koraalrif heenkomen, met dat gevolg dat een landingsdetachement van veertig man, met Magalhaen zelf aan het hoofd, gedwongen was naar de kust te waden, verstoken van de dekking, die de haakbussen en kruisbogen van de boten af verschaften. In groten getale wachtten de inboorlingen hen met uitdagende kreten op. Pigafetta, een van de aanvallers en zelf door een pijl gewond, beschrijft het gevecht als volgt:

Toen de eilanders zagen dat het geschut van onze boten hen niet bereikte, renden zij op ons toe en bestookten ons met pijlen, spiesen en speren, zodat wij ons vrijwel niet verdedigen konden. Toen ze ontdekten, dat onze lichamen geharnast waren maar onze benen niet, mikten zij vooral daarop. Magalhaen kreeg een giftige pijl in zijn voet, waarna hij bevel tot langzaam terugtrekken gaf. Maar vrijwel al onze manschappen sloegen overhaast op de vlucht, zodat er niet meer dan zes of acht bij hem bleven. Al jaren kreupel, kon hij niet snel meekomen. De eilanders herkenden Magalhaen en begonnen nu voornamelijk op hem te richten, waarbij hem tot tweemaal toe de helm van het hoofd werd geslagen. Hij bleef door­vechten tot een zware slag op zijn linkerbeen hem voorover in het water deed vallen. Toen wierpen de eilanders zich op hem en door­staken hem met speren en zwaarden tot hij dood was.

De Spanjaarden verloren niet meer dan acht man bij deze schermutseling, maar de dood van hun aanvoerder maakte de tegenspoed tot een ramp. Er was meteen een eind gekomen aan de mythe van hun onkwetsbaarheid. Was de Radja van Cebu er niet getuige van geweest, hoe Silapulapu, een der meest on­beduidende prinsjes, de blanke god had verslagen?

Maar het was een domme belediging, Magalhaens slaaf Enrique aangedaan, die de uiteindelijke tragedie veroorzaakte. De trouwe Enrique had tot het laatste moment aan de zijde van zijn meester gestreden. Men had hem gewond teruggebracht naar het schip, waar hij bewegingloos in zijn mat gewikkeld lag. Daarop was Duarte Barbosa, die samen met Joao Serrao tot het leiderschap van de expeditie verkozen was, zo dwaas geweest om de arme drommel toe te voegen, dat een hond er niet zo maar zijn gemak van kon nemen als zijn meester dood was. Als hij dus niet prompt aan wal ging om als tolk te fungeren bij de uitwisseling van goe­deren, zou hij een stevig pak slaag krijgen. Enrique liet niets merken, maar hij was diep gekwetst in zijn trots als Maleier. Gehoorzaam ging hij naar de markt, maar daar smeedde hij een samenzwering met de Radja van Cebu. Toen, vier dagen na Magalhaens dood, kwam Enrique bij de kapiteins terug met ver­heugend nieuws. De Radja, zei hij, wilde een schat aan juwelen naar de koning van Spanje zenden. Wilden de kapiteins Barbosa en Serrao aan wal komen om die in ontvangst te nemen?

Serrao en Barbosa liepen blindelings in de val. Al met al gingen er negenentwintig Spanjaarden aan land en onder hen bevonden zich de meest ervaren officieren en stuurlieden. (Gelukkig was Pigafetta nog altijd ziek vanwege zijn verwonding en bleef aan boord). Na een plechtige ontvangst werden de mannen naar een palmhut gebracht, waar een banket gereed stond. Plotseling hoorden degenen, die op de schepen waren achtergebleven, schreeuwen en gillen. De arglistige Radja van Cebu was bezig zijn gasten af te maken. Joao Carvalho, aan wie nu het bevel toeviel, gaf order de kanonnen op de stad te richten. Het ene salvo na het andere werd afgevuurd. Daarna wendden de schepen de steven en vertrokken in alle haast.

Van de 265 schepelingen, die in Sevilla gemonsterd hadden, waren er niet meer dan 115 over, zodat de drie schepen onderbemand waren. De beste oplossing was dus om een van de drie op te offeren. De wrakke Concepción werd daarop gelost en in brand gestoken. De overige twee schepen zetten de reis samen voort, de Trinidad en de Victoria. Hoe node de oorspronkelijke bevelhebber op deze geslonken vloot werd gemist, bleek nu uit de onzekere koers die men voer. In plaats van koers te zetten naar de Molukken, waar men dichtbij was, zwierf men zes maanden rond. Ten slotte, op 8 november 1521, landde men op Tidore, een der Specerij-eilanden. De bewoners waren uiterst vriendelijk. Al wat Spanjaarden maar konden verlangen werd in overvloed verschaft. In wilde haast kochten zij specerijen, waarvoor zij hun musketten, mantels en gordels in ruil gaven. Want nu gingen zij huiswaarts, waar zij rijk zouden worden met de verkoop van deze schatten, die zij hier zo gemakkelijk hadden verkregen.

De schepen werden geladen en van proviand voorzien. Maar terwijl de zeilen gehesen werden, kreunde de Trinidad onder de lading en sprongen de naden open. De Victoria kon niet langer wachten. Men besloot 51 schepelingen op de Trinidad achter te laten, totdat het schip gerepareerd zou zijn.

De reis van de gehavende Victoria rond de tweede helft van de aardbol, nadat men over de eerste helft dertig lange maanden had gedaan, is een der meest heroïsche daden uit de geschiedenis van de zeevaart. Men had proviand voor ruim vijf maanden in­genomen, maar geen zout kunnen krijgen, zodat de grote voorraad varkensvlees in de tropische zon begon te rotten. Om de stank kwijt te raken wierp de bemanning de hele voorraad overboord.

Als gevolg daarvan werd de hongersnood opnieuw hun met­gezel, terwijl zij de Indische Oceaan overstaken. De Victoria was barstensvol specerijen geladen. Maar wie kan met uitgedroogde lippen en een lege maag peperkorrels kauwen, de bijtende smaak van kaneel verdragen of nootmuskaat slikken in plaats van brood? Dagen achtereen werd het ene verschrompelde lijk na het andere overboord gezet. Meer dan twintig bemanningsleden waren ge­storven toen de Victoria op 9 juli 1522, na zes maanden varen, op de rede van Santiago op de Kaap Verdische Eilanden voor anker ging. Men had de Kaap de Goede Hoop gerond en was langs de oostkust van Afrika gezeild.

Dit was een Portugese haven in een Portugese kolonie. Aan wal gaan betekende zich aan de vijand overleveren. Maar de honger liet geen keus en de bevelhebber, Sebastian del Cano, zond enige manschappen aan wal met de instructie dat zij moesten zeggen dat hun schip uit Amerika kwam. De boot van de Victoria keerde terug, volgeladen met proviand, en ging toen om een tweede lading. Maar plotseling zag del Cano, dat enige schepen in de haven bezig waren uit te varen. Hij begreep dat men zijn list doorzien had. Hij liet zijn kameraden aan hun lot over, lichtte snel het anker en hees de zeilen.

Hoe kort en riskant het verblijf op de Kaap Verdische Eilanden ook was geweest, Pigafetta, de ijverige kroniekschrijver, ontdekte er opnieuw een wonder, een fenomeen, waarvan hij als eerste in de wereld getuige was. De mannen, die aan wal waren gegaan om proviand te halen, waren teruggekeerd met het verbazingwekken­de nieuws, dat het daar donderdag was, hoewel het aan boord ongetwijfeld woensdag was. Met de grootste nauwkeurigheid had Pigafetta zijn dagboek drie jaar lang bijgehouden. Kon hij mis­schien een dag gemist hebben? Hij vroeg dit aan Alvo, de stuur­man, die in zijn logboek de dagen eveneens had bijgehouden, en Alvo was er even zeker van dat het woensdag was. Door voort­durend in westelijke richting te koersen moesten de wereldrei­zigers op de een of andere onverklaarbare manier een kalenderdag hebben verloren en Pigafetta’s verslag van dit vreemde verschijn­sel zou later in Europa heel wat verbazing wekken. Tot dusver had niemand vermoed dat men, door tegen de wenteling van de aarde in te gaan, een dag wint.

Nog was de Victoria echter niet thuis. Met krakende spanten, langzaam en moe en met het laatste beetje energie legde het schip de laatste etappe af. Van de 66 opvarenden, die van de Specerij­-eilanden waren vertrokken, was er nog slechts een handjevol over, dat wanhopig moest blijven pompen. Toen ze op 4 september 1522 Kaap St. Vincent, in de zuidwestelijke hoek van Portugal, in zicht kregen, waren zij “zwakker dan mannen tevoren ooit geweest waren”. Twee dagen later zeilden zij de monding van de Guadalquivir binnen — vanwaar zij drie jaar tevoren vertrokken waren. De volgende ochtend voer de Victoria de rivier op naar Sevilla.

Sevilla! “Geef een salvo!” riep del Cano. Er klonk een donderend saluut over de rivier. Met de ijzeren monden van deze kanonnen had men drie jaar eerder Spanje vaarwel gezegd. Met dezelfde kanonnen had men een plechtige groet gebracht aan Straat Magalhaen en daarna aan de Stille Oceaan. Met deze grote stukken had men voor de pas ontdekte Filippijnen een saluut afgevuurd, maar nooit hadden die ijzeren stemmen zo luid en zo jubelend geklonken als nu zij aankondigden: “We zijn terug. We hebben gedaan wat niemand voor ons ooit gedaan heeft. Wij zijn als eersten rond de aarde geweest.”

In Sevilla had zich een enorme menigte op de kade verzameld. Diep ontroerd keken de burgers naar de achttien overlevenden, die van de Victoria aan wal gingen. Zij zagen hoe de mannen haast niet konden lopen van zwakte. Hoe ziek en uitgeput waren deze helden, ieder van hen tien jaar ouder geworden in die drie jaar van ontbering. Maar alvorens iets te nemen van het hun ge­boden eten wilden ze een plechtige gelofte nakomen, die ze hadden afgelegd toen de nood het hoogst was, en liepen barrevoets in boeteprocessie naar de kerk. Plechtig dankten zij de Almachtige voor hun redding en murmelden gebeden voor hun bevelhebber, die bij Mactan gevallen was en voor de meer dan tweehonderd kameraden, die het leven hadden verloren.

Het nieuws van hun terugkeer was als een lopend vuurtje door Europa gegaan. Sinds de reis van Columbus had geen enkele gebeurtenis bij de tijdgenoten zoveel opschudding verwekt. De geografen behoefden nu geen enkele twijfel meer te koesteren. Nu er een schip uit de haven van Sevilla was vertrokken en na voort­durend een westelijke koers te hebben gevolgd in de haven van Sevilla was teruggekeerd, was bewezen, dat de aarde een bol was, rondom bedekt door een oceaan. Onder Spaanse vlag was Colum­bus het moderne ontdekkingswerk begonnen en onder diezelfde vlag had Magalhaen het voltooid. In een periode van dertig jaar had men over de wereldbevolking meer geleerd dan in de duizend jaren, die daaraan waren voorafgegaan.

Zelfs de bankiers, die de vloot hadden uitgerust, hadden reden tot verheugenis. De 520 kwintalen (ongeveer 26 ton) specerijen, die de Victoria als lading had thuisgebracht, waren 45 000 dukaten waard — een zoet winstje. De lading van dit schip maakte het verlies van de vier andere meer dan goed — indien men het ver­lies van meer dan tweehonderd mensenlevens tenminste niet meetelde. In de hele wereld waren er maar een stuk of tien man­nen, die door paniek werden bevangen toen bekend werd, dat één schip van Magalhaens armada veilig was teruggekeerd. Dat waren de muitende officieren, die met de San Antonio ervandoor waren gegaan en meer dan een jaar tevoren in Sevilla waren aan­gekomen. Zij hadden hun muiterij voorgesteld als een patriot­tische daad en geen melding gemaakt van enige zeestraat. Zij hadden alleen verteld over het bereiken van een “baai” en be­weerd, dat Magalhaen voornemens was geweest de vloot aan de Portugezen uit te leveren. Gelukkig voor deze muiters was del Cano, de kapitein, die het er levend had afgebracht, hun mede­plichtige geweest bij de muiterij van San Julian. Dank zij hem ontkwamen zij aan hun straf.

Del Cano oogstte veel van de lof, die Magalhaen toekwam. In feite bleek de prestatie, waarvoor Magalhaen zijn leven had ge­geven, voor niemand van veel nut te zijn. Zoveel schepen, die naderhand door Straat Magalhaen probeerden te zeilen, gingen daarbij ten onder, dat zeevaarders gedurende tientallen jaren deze gevaarlijke doorgang vermeden en er de voorkeur aan gaven hun goederen via de omslachtige landroute door de engte van Panama te verschepen. Natuurlijk bleven tevens velen de oude weg via de Kaap de Goede Hoop gebruiken.

Binnen één generatie was de Straat bijna vergeten. Achten­vijftig jaar na Magalhaens ontdekking maakte Drake er gebruik van voor een verrassingsaanval op de Spaanse koloniën aan de westkust van Zuid-Amerika. Maar sedertdien wordt de route, waarvan Magalhaen had verwacht, dat zij de voornaamste ver­bindingsweg tussen Europa en de zuidelijke zeeën zou worden, alleen door walvisvaarders en enkele andere schepen gebruikt. Toch zal de geschiedenis nooit de man vergeten, die de Straat voor het eerst bevaren heeft — de man, die de juiste omvang van onze aardbol ontdekte en tevens bewees tot welke hoogten een moedig mens kan stijgen.

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

860-792

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Braille

.

HIJ GAF DE BLINDEN TOEGANG TOT HET BOEK
.

In het jaar 1812 was een jongetje met stralende bruine ogen in de zadelmakerij van zijn vader, in het Franse dorpje Coupvray, aan het spelen. Plotseling pakte hij twee scherpe elzen en liep er triomfantelijk mee weg. Toen struikelde hij. Bij dat ongeluk verloor het kind het gezichtsvermogen aan één kant. Kort daarop werd het helemaal blind.

De dorpsbewoners waren vriendelijk. “Daar komt de kleine Louis,” zeiden zij als ze het tikken van zijn stokje hoorden. Zo­veel tikken naar de grote boom waar hij ging zitten om uit te rusten. Weer zoveel tikken naar de vijver waar hij kon horen hoe zijn vriendjes zich vermaakten. Toen hij ten slotte na een jaren­lange worsteling erin slaagde zijn methode van blind lezen en schrijven te ontwikkelen, noemde Louis Braille het “gestolde tikken”.

Op zijn tiende jaar ging Louis naar de school voor blinden in Parijs, de Institution Nationale des Jeunes Aveugles. De oprichter van deze school, Valentin Hauy — de onbezongen pionier van het onderwijs aan blinden — leerde Louis het alfabet door zijn vingers te leiden over de 26 letters, die uit twijgjes waren samen­gesteld. Daarna begon Louis aan de boeken die Hauy nauwgezet had gemaakt met uit stof gesneden letters die op de bladzijden waren geplakt. Elke letter was 7 centimeter hoog en 5 centimeter breed, een hopeloos omslachtige methode. De fabel van Reinaert de Vos bijvoorbeeld vulde zeven boeken van elk ruim drie kilo.

Toen Louis 14 was ontdekte een andere leerling de ribbels op een gedrukte kaart waarin het zetsel ver was doorgedrongen. “Meester, meester,” riep hij en liep naar Hauy. De meester zag dadelijk wat hij bedoelde en begon reliëfletters te maken met losse lettervormen. Maar de letters moesten minstens 2 ½
centime­ter hoog zijn. Een “boek” was nog steeds iets enorms en het lezen ervan nog steeds een tantaluskwelling. Het was hartver­scheurend voor Louis die zo dolgraag wilde leren. Op die manier kon de cursus van een kwartaal wel vijf jaar duren.

Naarmate Louis opgroeide, wies ook zijn ergernis over zijn ”onwetendheid”. Bij een bezoek aan het ouderlijk huis zei hij tegen zijn vader: “Blinden zijn de eenzaamste mensen ter wereld. Hier kan ik aan hun roep de vogels van elkaar onderscheiden, ik ken de ingang van het huis aan de deurstijl. Maar zal ik ooit weten wat er buiten mijn gehoor en mijn gevoel ligt? Alleen boe­ken kunnen de blinden hun vrijheid geven. Maar de boeken voor blinden zijn niets waard.”

Op een dag kreeg hij een prachtig idee. Hij zou een code met tekens voor woorden en uitdrukkingen bedenken. De blinden zou­den misschien zelfs kunnen schrijven. De hele zomer knipte hij stukjes leer, die hij zijn vader afbedelde, tot zijn handen er kapot van waren. Hij probeerde codes gebaseerd op driehoeken, vier­kanten en cirkels, die elk door variaties verschillende letters voor­stelden, maar er was geen bruikbare code bij.

Op een dag zat Louis, intussen zelf onderwijzer aan de Institu­tion Nationale des Jeunes Aveugles geworden, in een café in Parijs, terwijl een vriend hem de krant voorlas. Hij luisterde lui naar een verslag van een kapitein van het Franse leger die een systeem van reliëfpunten en -strepen had ontwikkeld om in het donker te gebruiken. Het verhaal luidde dat een bericht op de tast kon worden gelezen zonder dat het nodig was een lucifer aan te strijken. Toen de betekenis van dit nieuws tot Braille doordrong, begon hij te roepen en op de tafel te slaan.

De eigenaar kwam aanhollen. “Meneer Braille, meneer Braille, ik smeek u, u stoort mijn gasten”.

Braille zei nederig: “Vergeef mij, heren. Maar ik heb het on­doorgrondelijke probleem van de blinden opgelost — hun eeuwen­lange doodse afzondering doorbroken.”

De volgende dag ging hij, in gezelschap van een vriend, kapi­tein Charles Barbier opzoeken. “Wilt u mij uw methode van ‘nachtschrijven’ uitleggen?” vroeg hij aan de kapitein. “De blin­den zullen u daarvoor eeuwig dankbaar zijn.” Braille beschreef hoe de blinden afgesloten waren van het licht dat boeken hun konden schenken, van de mogelijkheden die het lezen in een ver­duisterde wereld kon openen.

“Maar natuurlijk,” zei de kapitein. “Daar had ik helemaal niet aan gedacht.” Daarna legde hij uit hoe hij met een els putjes had gemaakt in dik papier, zodat er aan de andere kant bobbeltjes te voelen waren. Er was een eenvoudige legercode ontworpen: één stip kon “opmars” betekenen, twee stippen “terugtrekken”, en zo voort. “U zoudt er een code voor de hele taal mee kunnen opbouwen. Dat lijkt wel mogelijk,” besloot hij.

“Het is mogelijk!” riep Braille. “Laat ik als eerste van alle blin­den ter wereld u bedanken.”

Van die dag af had Braille vijf jaar lang geen rust — toen werd het eerste boek dat gebruik maakte van het “Braille sy­steem” uitgegeven. De ironie van het lot wilde dat voor zijn sy­steem hetzelfde gereedschap werd gebruikt waardoor hij blind was geworden, de els. Vijf jaar van vallen en opstaan, gedurende welke tijd hij door een slopende ziekte geteisterd werd, waaraan hij ten slotte op 43-jarige leeftijd zou bezwijken. Braille gebruikte een sleutel van zes gaatjes die samen een rechthoek vormden en hij ontwikkelde 63 mogelijke combinaties die, naast de letters van het alfabet, symbolen gaven voor leestekens, samentrekkingen en korte woorden, zoals “en” en “voor”.

Tegen 1836, toen hij 27 was, was Braille klaar met een keuze uit het werk van John Milton in zijn systeem. “Het ligt voor de hand dat ik voor de eerste toepassing van mijn systeem uit het werk van deze grote blinde dichter put,” zei hij. Tijdens een lezing over zijn systeem aan het instituut, voor zijn leerlingen en de leer­krachten van vele scholen en universiteiten, liet hij zien hoe hij bijna even snel kon “pons-schrijven” als iemand hem kon voor­lezen. Daarna las hij terug wat hij had geschreven, met bijna dezelfde snelheid als een ziende lezer.

Maar zijn collega’s waren jaloers. “Hij heeft dit gedeelte uit zijn hoofd geleerd,” zeiden ze. Braille richtte toen een verzoek tot de Académie francaise om een onderzoek en hij hoopte dat onder invloed van de Académie zijn systeem vaste voet in de blindenscholen zou krijgen. Maar zijn verzoekschrift werd afgewezen: “de blinden ontvangen voldoende opleiding en onderricht met het reliëfsysteem.”

De leerlingen van het instituut vroegen aan Braille echter of hij hun zijn methode in het geheim wilde leren. Niet alleen dat hij hiertoe bereid was, hij ponste ook rekenkundige problemen en liet hun zien hoe ze vergelijkingen konden oplossen. Daarna werk­te Braille een code voor muziekschrift uit en hij werd een bekwaam organist.

Pas in het laatste stadium van zijn ziekte was hij ervan over­tuigd dat zijn systeem bijval had verworven. Een van zijn leer­lingen, een meisje, gaf een pianorecital voor een deftig Frans publiek. Aan het eind van het concert liep zij tikkend met haar stok naar de rand van het toneel, maar de luisteraars gingen door met klappen. Ze stak smekend haar hand op.

“Messieurs et mesdames — ik smeek u, vrienden. Uw applaus is niet voor mij. Het behoort toe aan een man die stervende is . . .”

Daarna vertelde zij hoe Braille haar zijn methode had bijge­bracht om boeken en muziek te lezen. “Hij heeft niet alleen de blinden het gezicht gegeven, maar hij heeft hun ook muziek ge­geven om bij te schreien,” zei ze, terwijl de tranen haar over de wangen liepen. Dat zijn systeem niet algemeen werd aanvaard was een kwestie van jaloezie, voornamelijk van de kant van die­genen die een contract hadden voor het vervaardigen van reliëfboeken voor de blinden, voegde ze eraan toe.

Toen de Franse pers hiervan melding maakte, begonnen de hoofden van het instituut voor de verontwaardiging van het publiek te zwichten. De vrienden van Braille kwamen aan zijn ziekbed om hem te vertellen wat er was gebeurd. “Dit is de derde keer in mijn leven dat ik mijzelf toesta te huilen,” zei hij. “De eerste keer was toen ik blind werd. De tweede keer toen ik over het ‘nachtschrij­ven’ hoorde. En nu huil ik omdat ik niet voor niets heb geleefd.”

Hij stierf enkele dagen later.

Braille’s systeem werd zozeer een onderdeel van het blindenonderricht dat de naam van de uitvinder zelfs in 1895 in de meeste standaardwoordenboeken nog als een gewoon zelfstandig naam­woord werd gespeld om een systeem aan te duiden. Het is nu zelfs aangepast aan het Chinees en elke maand* verschijnen er over de gehele wereld verschillende tijdschriften in braille, o.a. van de Amerikaanse, Duitse, Japanse, Spaanse en Zweedse edities van de Reader’s Digest; artikelen uit Het Beste worden maandelijks door de Nederlandse Blindenbibliotheek in braille gepubliceerd.

Voor de zadelmakerij in Coupvray staat een welsprekend borst­beeld dat ter ere van Louis Braille werd opgericht. De meeste borstbeelden hebben een nietsziende blik. Maar dit heeft de barmhartige ogen van een Franciscus van Assisi.

*dit verslag is waarschijnlijk uit de jaren 50 van de vorige eeuw.

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

855-787

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-15)

.
Verteltijd ca. 20 min.

DE KAMELEN VAN DE HEILIGE FRONTO
.

Dit is een Egyptisch verhaal.

Midden in een grote, gele zee van zand lag een klein, groen eilandje, een oase. Overal elders brandde de zon op het zand, en op de rotsen en op de laagvlakten, en de kale heuvels tegen het westen. Maar hier was er schaduw onder de palmen, en een bron met koel, helder water. Het leek op een klein paradijsje, maar toch waren de mensen die daar woonden, verre van gelukkig. Want er heerste misnoegdheid en ontevredenheid, en er werd gemurmureerd en gemord. En toch wilden juist deze mensen leven als heilige kluizenaars, een leven leiden van goedheid en gehele zelfopoffe­ring. Doch het is moeilijk goed te zijn, wanneer men bijna sterft van honger. Zeventig van hen leefden in dit eenzame kamp te midden van de woestijn, zeventig hongerige monniken, die dagen achtereen niet anders gehad hadden dan enkele olijven om zich mee te voeden. En zij gaven één onder hen de gehele schuld van dit hun leven vol ont­beringen. Het was Fronto, die hen overgehaald had, hun heerlijk kloos­ter te Nitria te verlaten, waar de overige broeders nog altijd in vrede en overvloed leefden. Het was Fronto, die hen gevoerd had naar deze ellendige woestijn, om daar in eenzaamheid God te dienen, zo­als de heilige mannen deden in de eerste dagen van het Christendom. Maar Fronto was een heilige, vol moed en vast geloof. Hij had hun voorspeld, dat het hun ook in de woestijn niet zou ontbreken aan het nodige, wanneer zij maar niet bezorgd zouden zijn over zich­zelf, en vertrouwden, en zij hadden hem geloofd. En zo pakte iede­re monnik wat olijven in zijn knapzak en wat tuingereedschap om te spitten en om koren te planten en volgde Fronto naar de woestijn. Na vele dagen reizen vonden zij deze plek, ver naar het oosten heen gelegen, waar geen karavanen hen zouden komen storenwant zij lagen buiten de gewone reisweg. Doch weldra hadden zij hun hele voorraad verbruikt en zagen zij geen kans andere te krijgen. Wat moesten zij doen? En zij vroegen Fronto om raad, maar als enig antwoord verzocht hij hen geduldig te blijven. Doch nadat zij vele dagen achtereen honger geleden hadden, begonnen zij te morren en te spreken van terugkeren. Fronto echter was diep verontwaardigd over dit voorstel. “De Heer zal ons bijstaan,” zei hij. “O, jullie kleingelovigen!” En hij verzocht hen weer aan hun werk te gaan en te trachten hun honger te vergeten. Toen haalden de monniken de koorden van hun pijen wat strakker aan, doch dit hielp helaas al zeer weinig. Nooit hadden zij vroeger zo lang achtereen gevast als nu! Dagelijks werden zij bleker en magerder en hun lange pijen fladderden om hun uitgeteerde ledematen heen. De enke­le dadels, die aan de palmen van hun oase groeiden, waren sinds lang opgegeten en de arme monniken begonnen te kauwen aan de toegeknoopte einden van hun pijkoorden, zichzelf wijs makend dat het brood was. O, hoe verlangden zij naar een stuk hard zwart brood, dat gebruikt werd in het klooster aan gene zijde van de heuvels!
En iedere dag vielen hun wangen meer in en werden zij wanhopiger, tot zij ten laatste op zekere avond allen tezamen, verenigd tot een deerniswaardig, uitgeteerd, bleek troepje naar Fronto gingen, smekend: “Breng ons terug naar Nitria of wij sterven. Wij kunnen het niet langer uithouden!”
En Fronto, bleker en meer uitgeteerd dan de anderen, voor hen staand, maar niettemin met het licht van een groot, mooi vertrouwen in de ogen, zei: “Wacht nog een klein poosje, mijn broeders. Ons is gezegd geen zorgen te maken voor de dag van morgen en niet te vragen: “Wat zullen wij eten en wat zullen we drinken.”
“Wij denken ook slechts aan de dag van heden, niet van morgen,” vielen enkelen hem in de rede. “Wanneer wij vandaag te eten hadden, zouden wij ook niet over morgen bekommerd zijn. Maar wij sterven van honger*”
“Geduld broeders, geduld,” hernam de Heilige, “wanneer wij nu terugkeren, zouden wij tonen geen vertrouwen in Gods woord te hebben. Wacht nog tot morgen: komt er dan geen hulp, dan geef ik u verlof heen te gaan zonder mij. Ik keer niet terug.”

En de monniken gingen heen, morrend en zeer ongelukkig. Toch hadden de woorden van de Heilige enige indruk gemaakt, en zo besloten zij te wachten tot morgen, en ieder strekte zich op zijn vloermat in de kleine cellen, die zij in het zand hadden afgetekend, neer. En met verzuchtingen van honger in hun gebeden gemengd, deden zij hun best om te slapen en hun lange tijd van ontbering te
ver­geten.

Fronto echter kon niet slapen, want hij was zéér bedroefd en te­leurgesteld, omdat zijn broeders hun geloof en vertrouwen verloren hadden, en omdat hij zich zo eenzaam en verlaten voelde, verlaten in deze grote woestijn door de vrienden, die hem juist door hun liefde en vertrouwen hadden moeten helpen. En gedurende de gehele nacht bad hij geknield op zijn vloermat de Heer, zijn belofte te vervullen, en de twijfelende monniken te tonen, hoe klein hun geloof en hoe gering hun vertrouwen geweest was. Onderwijl droomden zijn broeders luid van allerlei spijzen die zij zich in hun ver­beelding zagen toegediend, en het maakte Fronto zéér bedroefd hun zwakke stemmen te horen.

Eindelijk vertoonden zich de eerste bleek-roze stralen aan de hemel. Plotseling rees Fronto, die geknield neerlag met zijn rug naar de deur van zijn cel, overeind. Hoor! wat was dat voor een ge­luid, dat in de frisse morgenlucht tot hem kwam? Het moest wel zeker het getjingel van bellen zijn. En haastig begaf de goede Heilige zich naar buiten, met een glimlach van hoop om zijn bleke lippen en een kleur op zijn ingezonken wangen. Want hij wist, dat zijn gebed verhoord was. En waarlijk! ver in het noordwesten zag hij een zwarte streep, als rupsen over het zand kruipend, in de richting van de oase. Steeds nader kwam, het; en nu kon hij duidelijk zien wat het was, een rij waggelende grote kamelen; terwijl het getjingel van de belletjes, bevestigd aan hun tuig, als een bewijs klonk, dat uitkomst nabij was. Het bellengerinkel had evenwel de andere monniken ook doen ontwaken.

Met een kreet van vreugde kwamen zij uit hun cellen gestort en ren­den de kamelen tegemoet, die nu vlak bij het kamp waren aangekomen. En vallend over hun te lang geworden pijen of door zwakte en uitput­ting neerstortend, waren deze arme monniken als mensen op een zin­kend schip, die de reddingsboot in het zicht krijgen. Sommigen sprongen op en neer van louter vreugde, anderen klapten als kinderen in de handen en bijna allen hadden tranen in de ogen.

Daar waren zeventig kamelen, goedaardige wezens met grote zachte ogen en platte hoeven, die hen over het zachte zand droegen alsof het sneeuwschoenen waren. Grote pakken, die een rijke inhoud be­loofden, droegen zij op de rug; regelrecht gingen zij op de cel van Fronto af, waarvoor zij stilhielden. En hoe welkom werden zij daar ontvangen! De monniken sloegen de armen om de halzen van de die­ren, toen zij neerknielden in het zand, en kusten hen op de kop alsof zij lang verloren broeders terugzagen. Fronto evenwel zocht naar hun eigenaar, naar de man, die hen geleid had; doch hij vond niemand bij hen.  Geheel alleen, zonder gids, hadden zij de weg ge­vonden door de woestijn. Een groot licht van vreugde straalde op Fronto’s gelaat.

De Heer heeft hen gezonden, “zei hij. En de monniken bogen de hoof­den, diep beschaamd over hun twijfel.

Hoe hongerig zij ook waren, verzorgden de monniken toch eerst de vermoeide dieren, die van zo ver gekomen waren om hen te redden. Enige namen de zware lasten van hen af, wasten zacht en voor­zichtig hun gloeiende, vermoeide poten, en gaven hun fris water uit de bron te drinken. Weer anderen plukten van het malse, groe­ne gras van de oase voor hun uitgehongerde lotgenoten, en knoop­ten de bossen hooi los, die enkele kamelen hadden meegebracht, om een bed van te maken voor de uitgeputte dieren, waarna zij allen te samen vlug een soort van hok bouwden voor de zeventig kamelen in de schaduw van de palmbomen. En daar lieten zij de geduldige schepsels uitrusten en kalm hun voedsel herkauwen met het verkwik­kend gevoel, dat de lange, gloeiend-hete afmattende reis nu vol­bracht was.

Hierna begaven de broeders zich naar Fronto, om nu eindelijk hun eigen ontbijt gezamenlijk te nuttigen, en zij vonden hem verdiept in het lezen van een brief, die hij onder het zadel van de voor­ste kameel gevonden had. Het was een brief uit Alexandrië, die de reden van de zending der kamelen verklaarde.
Vier nachten vóór deze namelijk lag een zekere Glaucus, een rijk koopman uit Alexandrië in zijn zomerverblijf uitgestrekt op zijn rustbank. Juist had hij zijn avondeten gebruikt, bestaand uit de meest uitgezochte spijzen, en voelde hij zich volkomen gelukkig, toen hem opeens de zeventig monniken in de gedachte kwamen, die vóór enige tijd uit Nitria vertrokken waren om met de hulp, die de Heer hen zenden zou, in de woestijn te gaan leven. En hij voelde iets als een dolksteek in het hart; misschien waren zij wel ster­vend van honger, terwijl hij zelf zich in overvloed baadde. En een vurig verlangen om de mannen aan voedsel te helpen kwam in hem op. Ja, hij zou hun te eten sturen, van alles wat hij zelf gebruikt had zou hij ook hun zenden.

En zo had hij de volgende morgen zeventig kamelen met allerlei proviand laten bepakken, vijf van hen bovendien met bossen stro voor henzelf. En hij bracht ze tot de rand van de woestenij, en zond deze schepen van de woestijn geheel zonder drijver of gids de grote zandzee in, aan henzelf overlatend de goede haven te vinden. Hij was voor zichzelf overtuigd, dat de Heer hen veilig naar de monniken zou leiden. Dit was het slot van de brief.
En zo was het gebeurd. En wat lieten de arme, uitgehongerde monniken zich hun ontbijt, bestaande uit allerlei vruchten, als verse vijgen en olijven en dadels, citroenen en sappige druiven en granaatappelen, goed smaken! Ook was er nog brood en olie en noten en heerlijke, goudgele honingraat. Glaucus had in waarheid goed voor hen gezorgd. In een blijde kring gezeten in het zand, genoten zij er volop van. En toen zij verzadigd waren, bezochten zij opnieuw de kamelen, die hun het leven gered hadden, en dankten hen met liefkozingen. De ka­melen schenen hen te begrijpen! Zij zagen hen met hun grote, don­kere ogen vriendelijk aan en dachten, terwijl zij ernstig aan het herkauwen waren: “Ziet gij nu, dat de Heer u niet vergeten, noch verlaten heeft. Wij zijn maar onnozele stomme dieren, maar toch zijn wij dwars de woestijn door tot jullie gekomen zonder enige vrees en zonder een ogenblik af te dwalen, omdat wij geloofden en vertrouwden. Waarom vertrouwden ook jullie niet net zo?” En opnieuw waren de monniken diep beschaamd en zij vroegen Fronto vergiffenis voor hun kleingelovigheid en zwakheid.

De volgenden morgen tuigden zij de kamelen dadelijk weer op voor de terugreis naar Alexandrië, want zij begrepen, dat Glaucus zeer verlangde te weten, of zijn dieren hun zending goed volbracht hadden. De helft van de proviand gaven zij weer mee, want voor hun sobere maaltijden hielden zij genoeg over voor een geheel  jaar. Met tranen in de ogen zonden de monniken hun vrienden, de kamelen, weer de woestijn in, doch in het vaste vertrouwen, dat zij de terugweg even­goed zouden vinden en veilig en behouden in Alexandrië zouden aan­komen. En ieder in de deur van zijn cel staand, zagen zij hen lang­zaam over het gele zand wegtrekken, tot de kamelen ten laatste helemaal verdwenen achter de heuvelen, die als grote golven verrezen tussen hen en de wereld der steden.

Acht dagen waren er nu verlopen sedert Glaucus zijn kamelen had uitgezonden, en nog had hij niets van hen vernomen, zodat hij on­gerust begon te worden. Zeventig kamelen zijn een kostbaar bezit! zelfs voor een rijk koopman, en hij zou hen niet gaarne verloren hebben. Reeds vreesde Glaucus, dat hij dwaas en onverantwoordelijk gehandeld had; er waren toch vele rovers in de woestijn, en er was niemand om deze onbeheerde karavaan te beschermen. Zou de Heer ge­nadiglijk de zorg op zich nemen voor dingen, die geheel en al aan Hem werden overgelaten?

Stil en in sombere gedachten verdiept zat Glaucus in zijn tuin te midden van de zijnen. En ook zij meenden, dat hij te onbezonnen en al te overijld gehandeld had; doch zij durfden hem dit niet te zeggen,
uit vrees van hem nog ongelukkiger te maken. De aanvoerder der kamelen was de lievelingskameel van Glaucus’ dochter Emilia. Diep bedroefd zat zij in een verborgen hoek van de tuin, terwijl ze huilde over haar lieve kameel Humpo, die zij dacht nooit meer te zullen zien, toen zij plotseling, evenals dit bij Fronto gebeurd was, het gerinkel van bellen hoorde. En opspringend liep zij snel de grote weg op.
“Wat is er, Emilia, mijn kind? riep haar vader haar toe, door haar plotselinge beweging uit zijn overpeinzingen opgeschrikt. “0, Vader, Vader!” riep zij hem toe, “ik geloof, dat ik tussen de bergen het gerinkel hoor van kameelbellen!
En zo was het ook, want toen allen zich uit de tuin spoedden naar de weg, hoorde men duidelijk het getjingel nader en nader komen. Weldra kwam de lange rij van zeventig kamelen, met Humpo aan het hoofd, in het gezicht, de helft beladen met het proviand, dat de onzelfzuchtige monniken zich niet hadden willen toe-eigenen. En nauwelijks had Emilia haar armen om de nek van haar geliefde Humpo geslagen en hem enige lieve woordjes in zijn slappe oren gefluisterd, of hij knielde voor haar neer, terwijl hij haar vol tederheid met zijn grote, bruine ogen aankeek.

Nu was Glaucus overtuigd, dat de Heer welgevallen aan hem had gehad, en hem geholpen had zijn plicht te doen. En elk jaar opnieuw zond hij zijn zeventig kamelen geheel alleen, zonder leider, de woestijn in, naar de ver afgelegen oase, en werden de kamelen de meest ge­liefde vrienden van Sint-Fronto en zijn monniken.

.

2e klas vertelstofalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld2e kla

.

854-786

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Caruso

.

CARUSO, DE GEWELDIGE
.

Anna Caruso schonk het leven aan 21 kinderen, waarvan er slechts drie de leeftijd der volwassenen hebben bereikt. Eén hiervan, het achttiende, is misschien wel de grootste zanger geworden van alle tijden. Hij maakte in 1903 zijn debuut in Amerika op de planken van de Metropolitan Opera in New York, en op datzelfde toneel zong hij in 1920 zijn laatste aria. Acht maanden later stierf hij. Miljoenen mannen en vrouwen van vele naties treurden om hem, en duizenden droegen rouw. Met hem was niet alleen een prachtige stem heengegaan, maar bovenal een prachtig mens, door iedereen op handen gedragen.

 

 

In de dagen van Caruso was de radio nog onbekend, en spre­kende films bestonden al evenmin. Wie Caruso wilde horen, kocht een kaartje en ervoer zijn optreden in levenden lijve, of men draaide de grammofoon op en hoorde zijn stem uit de hoorn schallen. Het publiek als geheel genomen was natuurlijk maar klein, vergeleken bij de miljoenen radioluisteraars en televisie­kijkers van tegenwoordig. Maar wat het applaus betreft: aan weinig lievelingen van het publiek is ooit een dergelijke ovationele hulde gebracht als aan Enrico Caruso.

Hij beperkte zich hoofdzakelijk tot het Franse en Italiaanse operarepertoire — dat toen, evenals nu, voor “zware kost” door­ging — maar zó buitengewoon waren de omvang en draagkracht van zijn stem, zó meeslepend was zijn expressief vermogen, dat hij ieder gehoor onder de ban van zijn betovering wist te brengen, en de mensen met een brok in de keel liet zitten. Hemzelf waren de emoties na afloop van de voorstelling wel eens te machtig, zodat hij in de kleedkamer dan zat uit te huilen.

Zijn vaste toneel was natuurlijk de Metropolitan, maar in alle wereldsteden, van Buenos Aires tot Moskou, was zijn faam spreek­woordelijk. Waar hij kwam krioelde het van vereerders. In de restaurants stonden de mensen op en applaudisseerden als hij binnenkwam. Om al dat gedoe te ontlopen at hij meestal thuis, of in een goedkoop Italiaans eethuisje in de New Yorkse West Side, waar hij zijn vrije middagen graag verdeed met een spelletje kaart met de eigenaar. Met elke post kwamen er cadeaus, zoals bonbons en andere lekkernijen, kostbare sieraden, of zijn eigen portret op zijde of wol geborduurd.
Zeep, sigaren en duizenden andere artikelen kregen zijn naam als handelsmerk. Er was een concern dat al zijn restaurants “Caruso” noemde. Nog steeds prijkt zijn naam op een merk spaghetti en op een bepaald soort conserven. Iemand had een renpaard Caruso gedoopt, en elke keer als het paard liep, zette de zanger trouw tien dollar op hem. Het paard won nooit.

De financiële records die Caruso in dat lang vervlogen tijdperk vestigde, zijn nooit geëvenaard. Zijn inkomsten kwamen uitslui­tend van zijn optreden op het podium, en van zijn grammofoon­platen. Aan de Metropolitan heeft hij nooit meer dan $ 2500 per avond gevraagd, maar op Cuba kreeg hij $ 10 000 en in Mexico $ 15.000. Eens sloeg hij een aanbod van  $ 250 000 af, voor een tournee van twee maanden door Zuid-Amerika. Alles bij elkaar heeft hij in zijn leven een kleine tien miljoen dollar verdiend.

Zijn populariteit was, ten dele althans, een uitvloeisel van zijn grootheid als mens. Hij bezat een kinderlijke naïviteit die hem dreef tot de gulle gebaren waarvoor het publiek hem aanbad. Op een avond in Brussel drong er van buiten een groot rumoer tot in zijn kleedkamer door. Toen Caruso een raam opendeed zag hij een menigte van ettelijke duizenden teleurgestelde mensen: de schouwburg was tot de nok toe uitverkocht. Het was een gala­voorstelling, opgeluisterd door de aanwezigheid van koninklijke gasten. Caruso dacht een ogenblik na, en begon toen voor de mensen op straat alle belangrijke aria’s te zingen uit de opera waarin hij die avond op de planken zou staan.

Eens zat hij cheques te tekenen voor de meer dan tweehonderd mensen die hij steunde. Op een gegeven ogenblik merkte zijn vrouw op: “Zouden al die mensen het eigenlijk wel verdie­nen? . . .” waarop hij antwoordde: “Nee, Dodo, je hebt gelijk. Maar kun jij dan uitmaken wie wél en wie niet?”

In Cleveland liep hij op een ochtend met zijn secretaris Bruno Zirato te wandelen. “Het is onrechtvaardig,” zei hij plotseling. “Wij komen hierheen, we pakken het geld aan en verdwijnen weer. Eigenlijk moesten we hier iets achterlaten.” Toevallig kwamen ze juist voorbij een etalage met porselein. Caruso schoot de winkel binnen en kocht de hele voorraad. Hij liet alles naar New York zenden om het onder zijn behoeftige vrienden te ver­delen. Naderhand wist hij steeds iets van het geld dat hij met zijn optreden verdiende, naar diezelfde stad terug te hevelen.

In de dagen van zijn grootste roem was hij een tamelijk gezette man van middelbare lengte, met boordmaat 18 en al dun haar op de kruin. Hij was uitermate zindelijk, bij het fanatieke af. Hij baadde tweemaal daags en studeerde onderhand zijn aria’s, waarvan de muziek op een speciale lessenaar stond die op de rand van de badkuip paste. De deur bleef open en in de kamer ernaast begeleidde zijn pianist hem uit de partituur. Ook wanneer hij ’s morgens werd geschoren, gemasseerd, gepedicuurd en gemani­cuurd, studeerde hij zijn eerstvolgende rol in.

Mensen die niet even kieskeurig waren als hij zelf, kon hij niet uitstaan. Een prima donna die hij op het toneel het hof moest maken, ontlokte hem eens de klacht: “Het is al vreselijk om met iemand te moeten zingen die nooit in bad gaat, maar om in vuur en vlam te raken voor iemand die naar knoflook ruikt, nee!”

Enrico was de zoon van een monteur en werd in Napels ge­boren. Hij was maar een paar jaar op school. Zijn vader wilde dat hij, evenals hijzelf, monteur werd, en met veel slaag kreeg hij zijn zoon af en toe een beetje aan het werk. Maar Enrico wilde maar één ding: zanger worden. In dit voornemen werd hij voortdurend gesterkt door zijn moeder. Zijn eerste auditie bij een zangleraar was geen groot succes. De professor, een zekere Giuseppe Vergine — wiens bekendheid voornamelijk aan deze anekdote te danken is — zei na het proefzingen tegen hem: “Je hebt een stem om cokes mee te kloppen.” Maar Caruso kreeg toch toestemming om de lessen te volgen. Over zijn armoede in die dagen vertelde hij aan zijn vrouw: “Mijn zwarte pak was groen uitgeslagen, ik kocht een potje zwarte kleurstof en verfde het pak bij voordat ik naar de les ging. Ik knipte overhemdfrontjes van wit papier om er netjes uit te zien. Elke dag moest ik een heel eind lopen om op les te komen en schoenen kostten geld, dus ik zong op bruiloften en begrafenis­sen; zo kon ik dan weer een paar schoenen kopen. De zolen waren van karton. Halverwege het huis van de maestro begon het te regenen. Zodra ik binnen was zette ik de schoenen bij de kachel om ze te laten drogen. De zolen krulden om, en ik moest op blote voeten naar huis.”

Aan het eind van het seizoen waren er examens en Caruso smeekte of hij mee mocht doen. Signor Vergine vond wel dat hij vorderingen had gemaakt, maar was niet erg onder de indruk. Toch bezorgde hij Caruso een of twee kleine engagementen en ten slotte een baantje als invaller voor de eerste tenor van een klein rondreizend operagezelschap. Op zekere dag kwamen ze in een stadje waar Caruso vrienden had. Min of meer in de over­tuiging dat men hem ’s avonds toch niet nodig zou hebben, zocht hij zijn makkers op, en onder het genot van ettelijke flessen wijn werden er gezamenlijk oude Napolitaanse liederen gezongen. Enrico had hem een klein beetje om toen een toneelknecht hem kwam roepen omdat de tenor ter elfder ure ziek was geworden. Caruso rende naar het theater. Hij zong goed, maar tot ergernis van de directie en tot verrukking van het publiek bonsde hij al zwaaiend tegen zijn medespelers aan, struikelde over zijn eigen voeten en maakte er een gezellige boel van. De zaal brulde van het lachen en riep: “Ubriacone!” ofte wel dronkenlap.

De directeur ontsloeg Caruso zodra de akte was afgelopen en een ontmoedigde negentienjarige droop af naar zijn kamer. Zijn eerste kans had hij gekregen en gemist. Maar de toneelknecht kwam terug om hem buiten adem te vertellen dat het publiek de andere tenor had uitgefloten, en nu stampvoetend zat te roepen om II Ubriacone. Caruso ging terug en triomfeerde.
Vanaf die dag schoot hij omhoog. In de loop van de eerstvolgende tien jaar werd hij een van de beroemdste tenoren in de Italiaanse operawereld, en zong hij in vele Europese landen. Toen kreeg hij een uitnodi­ging om in het Metropolitan Opera House in New York te komen zingen, waar hij debuteerde in Rigoletto.

De noodzakelijke attributen voor een groot zanger noemde Caruso eens: “een grote borstkas, een grote bek, 90 percent ge­heugen, 10 percent intelligentie, veel hard werken, en dan nog iets in het hart.” Hijzelf bezat dit alles in hoge mate, zowel in intellectueel, emotioneel, moreel en fysiek opzicht. Hij had een enorme borstkas die hij meer dan tien centimeter kon uitzetten.
Voordat hij het toneel opging, nam hij altijd een strikt ritueel in acht, dat hij zichzelf had voorgeschreven. Eerst gorgelde hij diep met warm zout water, dan inhaleerde hij een beetje Zweeds snuifpoeder om ruimer te kunnen ademen. Daarop volgde een wijnglas vol whisky, een glas spuitwater en ten slotte een vierde part van een appel. In de zakken van zijn kostuum stopte hij twee kleine flesjes met warm zout water, om dat in te kunnen nemen als er tijdens de voorstelling wat slijm in zijn keel kwam. In zo n geval draaide hij het publiek onopvallend zijn rug toe, slikte snel de inhoud van een der flesjes door, en vervolgde zijn rol zonder dat iemand in de zaal er iets van gemerkt had.

Caruso was erg gevoelig voor kritiek. Toen de recensenten in Boston een voorstelling afkraakten, zwoer hij dat hij in die stad nooit meer zou optreden — en hij hield woord. Over ’t algemeen echter was hij vrolijk geluimd. Hij maakte graag grapjes — hij noemde dat “funnies” maken — en zijn grapjes leven ook van­daag nog in onze herinnering voort. Bij een opvoering van Tosca moest de bariton Antonio Scotti, in de scène in het schilders­atelier, zich bukken om een onder de ezel gevallen penseel op te rapen. Scotti bukte zich, maar tot zijn schrik bleek het penseel onwrikbaar aan de vloer te zitten. Caruso had het vastgespijkerd.

In “Listen to the Mocking Words” vermeldt David Ewen de vol­gende anekdote. Caruso en Geraldine Farrar maakten een gram­mofoonopname van een duet uit Madame Butterfly. De sessie met de ouderwetse apparatuur was eindeloos en vermoeiend, zodat Caruso even de straat opging voor een hartversterking in het café op de hoek. Toen hij terug was en het duet werd hervat, zong de prima donna plagend de woorden: “Oh! Gij hebt een borreltje op!’ in plaats van de voorgeschreven tekst. In zijn antwoord zong Caruso: “Neen! Ik heb twee borreltjes op!”

De beminnelijkste episode in deze uitzonderlijke levenshis­torie is misschien wel het verhaal van zijn huwelijk. Toen hij 45 was en op het hoogtepunt van zijn carrière stond, ontmoette hij Dorothy Park Benjamin, een schuchter, ingetogen meisje van even twintig. Zij had pas enkele jaren daarvoor de kloosterschool verlaten. Hij maakte haar het hof en kreeg haar, ondanks de tegenstand van haar conservatieve New Yorkse familie. Hun huwelijksleven, dat maar drie jaar mocht duren, was een idylle. Dat komt duidelijk uit in de biografie die zij van hem heeft ge­schreven, maar sterker nog in zijn brieven aan haar. Die brieven zijn uniek, en de fouten in de Engelse taal verhogen nog hun charme. Hier volgt een willekeurig uitgekozen passage:

“Mijn hart bonst zo hard, ik geloof dat het naar je toe wil vlie­gen, nooit, nooit zal ik je verlaten. . . Ik wou dat je binnen in mij was om te zien hoeveel ik van je houd. Wat moet ik doen om je daarvan zeker te maken? Ik geloof dat ik al mijn best heb gedaan om je mijn liefde te tonen, en ik probeer nog steeds alles te doen om je ervan te overtuigen. Geloof maar dat jouw Rico je aanbidt. . .

De twee leidden een rustig leventje in een suite van een New-Yorks hotel. Caruso ging niet graag uit, hij hield niet van al die mensen om hem heen. Zo zaten ze het liefst thuis: hij met zijn goudgerande bril aan het postzegels en knipsels inplakken, zij met een boek. Tegen middernacht kreeg hij dikwijls honger; hij liet dan een brood brengen met een paar biefstukjes erbij. Hij placht het brood in de lengte door te snijden, legde het vlees ertussen en at het geheel bij wijze van een dubbele boterham. Wanneer Caruso een uitnodiging voor een diner aannam, gaf hij onveranderlijk de boodschap aan de gastvrouw mee, dat zijn vrouw naast hem moest zitten. “Zeg tegen mevrouw”, luidde zijn instructie dan, “dat ik getrouwd ben om met mijn vrouw samen te zijn. Als ik gescheiden van haar moet zitten, kom ik niet.”

Toen Caruso in december 1920 een aria zong in het eerste bedrijf van L’Elisir d’Amore, kreeg hij een bloeding; een ader in zijn keel was gesprongen, maar hij wilde per se tot het eind van de eerste akte doorzingen. Een verslaggever van de New York Times heeft het gebeurde opgetekend: “Zijn eigen zakdoek die rood zag van het bloed, had hij weggegooid, en de koorleden kwamen beurtelings dicht bij hem staan om hem zo onopvallend mogelijk hun zakdoek toe te stoppen. Hij gebruikte ze de één na de ander tot ze allemaal onder het bloed zaten, en af en toe kwa­men er druppels bloed op zijn lippen.” Op de eerste rij zat Doro­thy Caruso, wanhopig wenkend dat hij het toneel moest afgaan.

Op kerstavond keerde hij nog eenmaal naar de Metropolitan terug, maar stortte opnieuw in. Zevenmaal werden de abcessen aan zijn longen geopereerd, maar gezongen heeft hij nooit meer. De eerstvolgende zomer vertrok hij naar Napels. Daar, in een klein hotelletje met het uitzicht op de baai, stierf hij, achtenveertig jaar oud.

In haar boek schrijft Dorothy: “Ik heb bij de radio zitten luisteren naar de opnamen van zijn prachtige stem, tijdens een herdenkingsprogramma. Hij zelf zou dat eerbetoon prettig gevon­den hebben. Hij zou gezegd hebben: “Wat aardig van de mensen om na zoveel jaar nog aan mij te denken.”

.

 

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

850-782

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-12)

.
Verteltijd deel 1 ca. 5 min.
Verteltijd deel 11 ca 4 min.

.

DE WONDEREN VAN DE HEILIGE BERACHUS
.

Het leven van de Heilige Berachus is van zijn jeugd af vol wonderen geweest. Want toen hij als jongen nog bij zijn vader Nemnaldus, in huis was, kreeg hij een visioen. Een engel verscheen hem en wenkte hem  te volgen. En de engel voerde hem naar het klooster te Glendalough, waar de heilige Coemgenus met zijn vriendin, de witte ree, woonde en waar de jongens uit de streek door hem onderwezen werden. En Berachus voegde zich bij de jongens om onderricht te worden in de kennis en wijsheid die deze Heilige bezat en om nog vele dingen meer te leren.

Ierland was in die dagen, het was zes honderd  jaar na Christus’ geboorte, een woest land, nauwelijks bebouwd met enkele kleine stadjes. De hutten waar de mensen in deze wildernis woonden en waaraan zij de namen van huizen, scholen en kerken gaven, lagen, mijlen ver van elkaar verwijderd, en overal zwierven wilde dieren rond.
In de grote, groene weiden dicht bij het klooster gelegen graasden de koeien, die hun melk aan de monniken gaven. Het was een genot voor de jonge monnik Berachus uit het venster van zijn cel te waken over de koeien en kalfjes terwijl zij aten van het sappige, malse gras en zich baadden in de beken die langs de wilgen liepen. Bovenal hield hij veel van Bel, de meest glanzende en de mooiste van alle, de trotse moederkoe, die juist een klein rood kalfje gekregen had.

Op zekere dag, terwijl Berachus weer zo’n schik had naar Bel en haar jong, die op enigen afstand van de andere koeien graasden, te kijken, zag hij opeens iets, wat hem deed verstijven van schrik. Een grote, grijze wolf, verscholen in de schaduw van een heg, zag hij langzaam nader en nader het vreedzame paar besluipen, zonder dat Bel in het minst iets bemerkte van haar gevaarlijke vijand. Zo gauw hij maar kon sprong Berachus de steile kloostertrap­pen af en rende de poort uit, zich nauwelijks de tijd gunnend zijn broeder de portier te zeggen, wat er gebeurde. Hij wist dat hij geen minuut te verliezen had.
Hij vloog, als het ware, het weiland over, drong door de heg van bloeiende hagendoorn heen, maar helaas – hij kwam toch te laat. De grote, door honger uitgemergelde wolf had zich juist geworpen op het kleine rode kalfje en het opgegeten. Arme Bel, razend van droef­heid rende zij loeiende over het weiland, alsof zij haar jong zocht. Maar de wolf was al helemaal uit het gezicht verdwenen. Toen Berachus zag wat er gebeurd, was, werd hij zeer boos op de wolf, want hij hield erg veel van Bel en het maakte hem treurig haar zo bedroefd te zien. En hij dacht, hoe eenzaam de arme koe zich voelen zou zonder haar jong, en toen zij hartbrekend loeiend naar hem toe kwam, als wilde zij hem vragen haar te helpen, had hij zo’n zielsmedelijden met haar, dat hem de tranen in de vriendelij­ke ogen kwamen. Maar dan moest hij weer denken, hoe uitgehongerd de wolf geweest moest zijn; het arme dier was geheel vermagerd en uitgeteerd – hij kon er hem toch geen al te groot verwijt van maken. Toen kwam er een eigenaardige gedachte in Berachus op. Hij was een wonderbare man, en moet een zeer grote macht over de dieren gehad hebben, want hij riep de wolf bij zich, die al een heel eind van hem verwijderd was. Luid en met strenge stem riep hij hem. En op hetzelfde ogenblik bijna kwam de wolf verschrikt en huilend aan­sluipen en kroop voor Berachus op de grond. En de Heilige sprak hem vriendelijk toe. En hij riep ook de koe, en haar bij de horens nemend bracht hij haar tot vlak voor de wolf, en stelde haar door zijn zachte woorden en liefkozingen zo gerust, dat zij niet de min­ste angst voor de grote, grijze wolf voelde. En Berachus sprak tot de koe: “Zie, moeder Bel, dit zal voortaan uw kind wezen, in plaats van het kleintje, dat u verloren hebt. Hij zal een vriendelijk en goede zoon voor u zijn, dat beloof ik u.” En tot de wolf zei hij: “Hier, wolf, is de moeder, voor wie u zo goed en vriendelijk moet wezen,  dat zij het leed, dat u haar aangedaan hebt, zal vergeten. Wees een brave en liefhebbende zoon voor haar, die haar wensen in alles volbrengt.”

En van die tijd aan leefden de koe en de zachtzinnige wolf vreed­zaam tezamen in de weiden van het klooster, en de wolf beschermde haar tegen elk gevaar, en hield als een grote wachthond de andere wilde dieren van de kudde af.

II.

Op deze gebeurtenis volgde z’n strenge winter, dat weken ach­tereen het land bedekt was met sneeuw, en de beken en sloten geheel dichtgevroren waren.

De kleine Edward, het zoontje van Hertog Golman, die in het klooster naar school ging, was daar zeer ernstig ziek geworden. Gloeiend van koorts lag hij daar met een door brandende dorst als het ware toegeschroeide keel. En de kleine smeekte om sappige, koele appels, verse slablaadjes, maar waar kon men in een land, bedekt met sneeuw en ijs, deze dingen krijgen! Maar Coengenius, de abt, vertrouwend in de macht van zijn jonge vriend, die wolven wist te temmen, sprak tot hem: “Ga heen, mijn zoon, neem mijn staf in uw hand en breng de jongen, wat hij vraagt.”

Toen trok Berachus zich terug in zijn cel en bad dat hij geze­gend zou worden, opdat hij het leven van het kind zou mogen redden. En krachtig in zijn geloof, toog hij vol moed uit over de met sneeuw bedekte weiden, steunend op de staf van de abt, die hem hielp over de sneeuwophopingen heen. Zo kwam hij aan de hard bevroren beek, die onder de wilgen doorliep en waarin de koeien zich zo graag baadden, en rustte daar een ogenblik uit. En met zijn staf de kale, bruine wilgentakken even aanrakend, die onder de zwaarte van de sneeuw neerhingen, sprak hij zacht de zegen daarover uit. En op hetzelfde ogenblik begon de sneeuw te smelten, als onder de warmte van de lente­zon. In de onbuigzame bruine takken kwam nieuw leven, en zij werden mals en groen. En uit de grijze wilgenknoppen ontsproten kleine, donzige wilgenkatjes. En de katjes werden dikker en dikker, en ron­der en ronder, tot zij ten laatste openbarstten, en er heerlijke appels met rode kleurtjes neervielen in de schoot van de Heili­ge. Onderwijl waren ook de sneeuwhopen onder de bomen gesmolten, en uit de bevroren grond, bloeiden kleine groene blaadjes op. En Berachus plukte een grote bos van deze sappige, frisse slablaad­jes. En met de armen vol appels en blaadjes waadde hij door de ont­dooide sneeuw naar het klooster terug. En hij werd blij ontvangen, en grote vreugde heerste er bij zijn terugkomst. De kleine zieke herleefde door deze vruchten, op z’n miraculeuze wijze voor hem voortgebracht, en was weldra geheel genezen. En dit zijn de wonderen van Sint-Berachus, die leefde zes honderd jaren na Christus in het woeste Ierland, tot zegen van zijn medeschepselen.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstofalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld2e klas

845-777

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Florence Nightingale

.

DE ENGEL VAN DE SOLDATEN
.

Velen van ons hebben bij Dickens gelezen over “zuster” Sairey Gamp, die een glaasje nam “wanneer ze daarvoor in de stemming was”. Maar we weten niet allemaal dat min­der dan een eeuw geleden Sairey Gamp, de domme, dronken, liederlijke verpleegster, echt en veelvuldig voorkwam. Omstreeks 1870 waren er zo heel wat in het Bellevue-ziekenhuis te New York. In die tijd, vertelt een vooraanstaande arts, “werden de zieken in Bellevue gedeeltelijk verpleegd door drankzuchtige prostituees, die de keus kregen tussen gevangenisstraf of werken in een ziekenhuis. Vaak trof men ze slapend aan onder het bed van een overleden patiënt, van wie zij de drank hadden gestolen.”

Wij, die zonder aarzelen ons leven toevertrouwen aan de goede verzorging in onze ziekenhuizen, kunnen ons dergelijke toestanden haast niet voorstellen. Maar toch was dat omstreeks 1850 de
be­treurenswaardige praktijk van de ziekenverpleging, niet alleen in Amerika maar ook in Engeland, waar Florence Nightingale — de latere heldin van de Krimoorlog — voor haar toekomst streed. Alle verpleegsters waren “zonder uitzondering aan de drank ver­slaafd; er zijn daar maar twee bij wie de arts erop aankan, dat ze de patiënten de voorgeschreven medicijnen geven” — zo be­schrijft een medicus de toestand in een Londens ziekenhuis. En dit meisje van goede familie en met de grootste zorg omringd, ging vastberaden de weg die ze verkozen had: naar die wereld van dronkenschap en zedeloosheid. Tussen de feestjes in Londen en op de buitenverblijven door studeerde ze anatomie en bezocht ziekenhuizen. Geen wonder dat haar familie zich daartegen tot het uiterste verzette.

Toch had ze zich ondanks de tegenstand van haar familie in 1852 al heel wat kennis en inzicht verworven op haar geliefkoosde terrein. In Duitsland had ze een opleiding in de verpleging ge­kregen aan de inrichting voor diaconessen te Kaiserswerth. In 1853 kreeg ze verlof om in Parijs de ziekenhuizen te bestuderen, die beheerd werden door de zusters van Sint-Vincentius a Paulo. Ten slotte aanvaardde ze die zomer in Londen haar eerste “be­trekking” als directrice van de “Ziekeninrichting voor Dames” in Harley Street. Haar taak was uiterst moeilijk: ze stond aan het hoofd van de verpleegsters, assisteerde bij operaties en moest zorgen dat brandstoffen en levensmiddelen zuinig beheerd werden. Maar dat jaar in Harley Street, waar ze ervaring opdeed als organisatrice, directrice, verpleegster en diplomate, leidde recht­streeks naar haar verantwoordelijke positie tijdens de Krimoorlog.

In 1854 waren Engeland, Frankrijk en Turkije in oorlog met Rusland; de Engelsen zetten troepen aan land in de Krim, in het zuiden van Rusland, en zes dagen later vond de slag bij de rivier de Alma plaats. De aanvankelijke vreugde over de overwinning sloeg al spoedig om in grote verbittering. “Er zijn niet voldoende maatregelen getroffen om de gewonden te verzorgen,” luidde een bericht van het front. “Niet alleen dat er niet voldoende chirurgen, of wondverbinders, of verpleegsters zijn, er is zelfs geen linnen om verband van te maken.” Die beschuldigingen in de krant brachten Engeland in beroering. Over de Fransen meldde de verslaggever: “Hun geneeskundige verzorging is voortreffelijk, ze krijgen hulp van de zusters van liefdadigheid van Sint-Vincentius, die met het expeditieleger zijn meegetrokken; en dat zijn uitstekende verpleegsters.” De volgende dag stond er een ingezonden stuk in de Londense Times: “Waarom hebben wij geen zusters van lief­dadigheid?” Men drong er bij Florence Nightingale op aan dat ze er met een aantal verpleegsters heen zou gaan, maar ze verlangde officiële sanctie voor haar onderneming. Ze legde Sidney Herbert, de minister van Oorlog, een plan voor.

Engelse vrouwen als verpleegsters in het leger! In die dagen ontkwam geen vrouw in een verantwoordelijke positie aan praat­jes en vooroordeel. Herbert wist dat er van de legerleiding naijver en tegenstand te verwachten was. Er heerste echter zoveel ver­ontwaardiging in Engeland over het Krimschandaal dat Herbert, met goedkeuring van het kabinet, Florence Nightingale opdracht gaf een groepje verpleegsters uit te zoeken en te leiden.

Op een herfstdag in 1854 lag Sir Alexander Moore gewond in het Kazernehospitaal te Scutari, aan de oever van de Bosporus. Er was een veldslag geweest bij Balaclava, en de gewonde cava­leristen waren juist per schip over de Zwarte Zee afgevoerd. Moores bed stond bij het raam; vandaar kon hij de binnenplaats van het ziekenhuis overzien — en wat hij zag zou hem zijn hele verdere leven blijven achtervolgen. Tegenover zijn kamer lag de operatiekamer, en door het raam daarvan vlogen geregeld afge­zette armen en benen, die een steeds aangroeiende stapel op de binnenplaats vormden. Vanuit hun bed keken de gewonden toe. Sir Alexander trachtte te slapen en die bloederige dingen te ver­geten, die maar steeds uit het raam kwamen zeilen, toen de officier in het bed naast hem zei: “Moore, ik geloof dat die Engelse ver­pleegster gekomen is.”

Sir Alexander hief zijn hoofd op en keek naar buiten. Een muilezelkar van het leger voerde de massa weg, die daar had lig­gen rotten. De Engelse verpleegster was inderdaad gekomen! De dag tevoren waren Florence Nightingale en 38 verpleegsters gedebarkeerd. Van enige drukte was geen sprake, maar haar organisatievermogen werd al merkbaar.

Elke zijde van het hospitaal was bijna vierhonderd meter lang. Aan drie kanten van het gebouw bevonden zich verscheidene ver­diepingen met galerijen en gangen die, wanneer achter elkaar gelegd, samen meer dan zes kilometer lang zouden zijn. In die gangen lagen dicht opeengepakt, en zonder behoorlijke voor­zieningen, mannen met vreselijke wonden of afzichtelijke ziekten. “Eigenlijk was het een kazerne, waarvan men een hospitaal had gemaakt door eenvoudig alles te witten, en onder dat indruk­wekkende gebouw bevonden zich uiterst gebrekkig geconstru­eerde riolen, van waaruit de wind rioolgassen blies tot in de gan­gen waar de patiënten lagen. De stank van wonden en braaksel, de opeengepakte patiënten en gebrek aan behoorlijke ventilatie maakten de atmosfeer nog ondraaglijker. Des nachts heersten er onbeschrijflijke toestanden. In de zalen vond men ratten, muizen en ongedierte. Zelfs het eenvoudigste sanitaire gerief en voor­zieningen voor een behoorlijke verzorging ontbraken,” schreef Florence Nightingale.

“Geen kom, geen handdoek, geen stuk zeep en geen bezem,” noteerde ze. “Er werd gekookt in grote ketels in een uithoek van het enorme gebouw, en het opdienen van een warme maaltijd nam drie tot vier uur in beslag.”

Dat was de hel, die deze voorname vrouw met haar zachte stem doelbewust binnenging. “Voordat zij er was,” schreef een militair, “werd er gekankerd en gevloekt, maar daarna was het er net zo plechtig als in de kerk.” “Daarna veranderde er heel wat. “Zes hemden per maand gewassen” voor tweeduizend zieke vervuilde helden was beslist niet in overeenstemming met Florence Nightingales opleiding. En het beddengoed was altijd in koud water gewassen — als het al gewassen werd. Binnen een week was er een wasserij in bedrijf. Op eigen kosten huurde juffrouw Nightingale “een huis, liet er ketels installeren en nam vrouwen van soldaten in dienst om de was te doen”.

Binnen tien dagen had ze drie dieetkeukens ingericht, die speciale kostjes klaarmaakten voor patiënten die te ziek waren om de gewone soldatenkost te eten. Met voorraden die ze zelf had aangeschaft richtte ze een magazijn in, waaruit de militaire artsen graag allerlei benodigdheden betrokken. Want steeds was er aan allerlei gebrek — zelfs als er voorraden in Scutari lagen. De gewonden lagen nog steeds in de bebloede uniformen waarin ze van het slagveld waren afgevoerd, terwijl er drie grote balen gemerkt “hospitaalkleding” in Scutari lagen — maar niemand durfde die aan te breken totdat daartoe door een officiële com­missie was besloten! Een belangrijk lid van die commissie schit­terde door afwezigheid; zonder hem kon men niet vergaderen; en dus moesten de soldaten het maar zonder die kleren stellen.

Men verweet haar dat ze zich niet aan de dienstvoorschriften hield bij haar verstrekkingen. Waar mogelijk volgde ze de dienst­voorschriften op, maar ze zette die opzij als haar soldaten er de dupe van werden. Ze ondervond veel naijver van de officieren en artsen van het leger; een vrouwspersoon aan wie de regering be­voegdheden had toegekend, en met de capaciteiten om daarvan gebruik te maken — dat was onverdraaglijk! Sommige officieren mokten; anderen legden haar moeilijkheden in de weg. Toch gin­gen de hervormingen door, als pantserwagens die de mitrailleur­nesten van jaloezie en bureaucratie opruimden. Ze richtte een af­deling voor postwissels op, die het voor iedere soldaat mogelijk maakte geld naar huis te sturen, en in de daaropvolgende zes maanden werd er meer dan een miljoen gulden (“uit de kantine gered,” zoals ze zei) naar de gezinnen in Engeland overgemaakt. Ze deed de kantine nog meer concurrentie aan door de oprichting van het “koffiehuis van Inkerman”, en de dronkenschap onder de soldaten nam onmiddellijk af. Ze zorgde voor onderwijs en lees­zalen, en de mensen in Engeland stuurden bereidwillig boeken,

Als door een wonder kon ze voor dit alles tijd vinden. Maar het grootste wonder dat ze tot stand bracht was haar levensdoel — de verpleging. Niet alleen was ze organisatrice en foerier en lerares en brievenschrijfster en een doorn in het vlees van de ingedutte ambtenaren, maar ze verpleegde ook eigenhandig en met veel toewijding haar patiënten. Dagelijks bracht ze acht uur op haar knieën door om wonden te verbinden en zieken te verzorgen. Soms moest ze wel twintig uur achtereen staan om bij operaties te assisteren, voorraden te distribueren en aanwijzingen te geven. Om besmettingsgevaar bekommerde ze zich totaal niet. “Hoe erger een zieke er aan toe was, hoe zekerder men ervan kon zijn haar tengere gestalte over hem heen gebogen te zien, en zelden week ze van zijn zijde tot de dood hem kwam verlossen,” zegt een rapport. De soldaten aanbaden haar, en wanneer ze ’s nachts met haar lamp in de hand tussen de rijen doorging en hier en daar bleef staan om te troosten of te helpen, dan konden ze haar scha­duw kussen wanneer die op hun hoofdkussen viel.

Het vredesverdrag werd in maart 1856 te Parijs getekend. Heel Engeland brandde van verlangen om Florence Nightingale in te halen. De regering bood aan haar per oorlogsschip te laten re­patriëren, maar dat wees ze af. Begin augustus kwam “mejuffrouw Smith” stil en onopgemerkt in Londen aan, en ontliep zodoende de muziekkorpsen, triomfbogen en toespraken waarmee men haar had willen ontvangen. Ze was doodmoe — maar bovendien was haar gezondheid geknakt.

Voor Florence Nightingale waren die twee jaren in de Krim een episode geweest; in werkelijkheid waren ze een geweldig begin met vérstrekkende gevolgen. Ze had een grote dienst bewezen aan een zaak, die ze niet bewust had willen dienen: de positie van de vrouw als mens in plaats van alleen maar als vrouw. “Bedenk eens wat mejuffrouw Nightingale door oude gewoonten en vooroordelen te doorbreken voor haar sekse heeft bereikt,” zei Lord Stanley, de vijftiende graaf van Derby, toentertijd. “Ze heeft een nieuw beroep voor hen opengesteld, een nieuw gebied waarop zij zich nuttig kunnen maken.”

Het vaderland wilde iets doen voor de “engel der soldaten”, die toen al voorbestemd was de rest van haar leven invalide te blijven. Haar hartenwens was een opleidingsschool voor verpleeg­sters, en daarvoor begon men geld in te zamelen. In een jaar tijds was er meer dan driekwart miljoen gulden bijeengebracht, en in 1859 begon Florence Nightingale in het St.-Thomas-Ziekenhuis te Londen de eerste verpleegstersopleiding. Op haar ziekbed in South Street besteedde ze veel tijd aan de nieuwe instelling. De eerste groep van 13 verpleegsters deed in 1861 examen. Met die 13 meisjes in haar bruine japonnen en witte mutsen werd er een nieuw beroep opengesteld, dat in vele landen is doorgedrongen. Dat schooltje in het St.-Thomas-Ziekenhuis zou de armenziekenhuizen van heel Engeland hervormen, en ten slotte zelfs de open­bare ziekenhuizen overal ter wereld, en ze verlossen van de dron­ken losbandige verpleegsters, de Sairey Gamps.

Ondertussen lag Florence Nightingale op haar sofa te lezen, te werken en te schrijven. Vrijwel tot aan het einde van haar lange leven — ze is negentig jaar geworden — was ze bezeten van werkdrift, ook al was ze bijna een halve eeuw lang invalide. In een land waar vrouwen weinig meer dan slavinnen waren, fungeerde zij als hoogste beroepsinstantie in gewichtige kwesties van open­baar belang, en als onbetwist adviseuse van hoge regeringsfunctio­narissen. Ze werd tot zelfs in het buitenland beroemd; de Ameri­kanen raadpleegden haar tijdens hun Burgeroorlog over het beheer van ziekenhuizen, de Fransen tijdens de Frans-Duitse oorlog.

Tegenwoordig kan men een beeld van Florence Nightingale op een verheven voetstuk in het hart van Londen vinden, omspoeld door het bruisende Engelse leven. Dat komt haar toe; maar dat is niet alles. Haar sprekendste gedenkteken is niet door mensen­handen gemaakt, en wordt niet steeds met haar in verband ge­bracht. Het is het verreikende resultaat van dat schooltje van dertien jonge vrouwen in het bruin en wit, die ondergebracht en opgeleid werden in een vleugel van het oude St.-Thomas-Zieken­huis. Het is de hoopvolle verwachting, waar de wereld in moeilijke omstandigheden naar uitziet — een passend, een geweldig mo­nument — het moderne verpleegstersberoep.

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

844-776

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hans Christian Andersen

.

DE PRINS DER SPROOKJES­VERTELLERS
.

Er was eens een arme jongen, de zoon van een schoenlappersweduwe, die een gunst ging vragen bij de Prins van het Rijk. Vol verwachting zong en declameerde hij voor Zijne Hoog­heid en toen de Prins vriendelijk zei dat hij een gunst mocht vragen, antwoordde de stoutmoedige knaap: “Ik wil graag to­neelstukken op rijm schrijven en toneelspelen in de Koninklijke Schouwburg.” De Prins keek naar de slungelachtige jongen met zijn lange magere armen en benen, met zijn grappige grote neus en treurige ogen, en zijn antwoord was nuchter en verstandig: “Toneelspelen is niet hetzelfde als toneelstukken schrijven. Wij raden je aan, een nuttig vak te leren, bijvoorbeeld meubelmaken.”

Maar de jongen was niet nuchter en zijn verstand was ongewoon en geniaal; hij ging naar huis, sloeg zijn stenen spaarvarken stuk, nam afscheid van zijn moeder en zijn onverschillige stiefvader en trok de wereld in om zijn geluk te zoeken. Hij was ervan overtuigd dat komende generaties de naam Hans Christian Andersen met eerbied zouden uitspreken. Om zo’n verhaal te kunnen slikken, zou men in sprookjes moeten geloven! Hans Christian zat boordevol sprookjes. Sommige had hij gehoord van zijn vader, een intelligent man die een nuttig vak had gekozen — en daarvan altijd spijt had gehad. Als troost las de schoenlapper tegen bedtijd voor uit Duizend-en-één-nacht en zijn zoon nam elk woord gretig in zich op. Vaak ook luisterde Hans Christian bij de spinzaal van het armenhuis en hoorde alle verhalen van de oude vrouwen. In die dagen waren er in Denemarken evenveel legenden als strodaken met ooievaars erop. Een van die legenden over Odense, waar Andersen in 1805 werd ge­boren, vertelde van een fee die net zo lang danste tot haar partners dood neervielen. Op een keer dacht Andersen de schoenmaker, dat zijn kansen zouden keren, want een deftige jonge dame had een paar vuurrode zijden muiltjes besteld; toen zij harteloos weigerde te betalen, werd het nederige huis met bitterheid vervuld. Van dit kleine drama, vermengd met de oude legende uit Odense, maakte de schoenlapperszoon het nu zo bekende verhaal van De Rode Schoen­tjes. Want het geniale van Andersen is juist, dat in de toverkracht van zijn sprookjes zoveel waarheid uit het gewone leven schuilt. Hans Christians moeder was als klein meisje de straat op ge­stuurd om te bedelen. Maar ze kroop weg onder de bruggen van de stad en warmde haar blote voeten in haar handen, bang om naar huis te gaan. Haar eerste liefde gold een man die haar ver­leidde; hij verdween voordat haar dochter was geboren. Later zou haar zoon uit medelijden met haar en uit verontwaardiging over de wereld het verhaal schrijven Zij deugde Niet en de aandoen­lijke vertelling over Het kleine Meisje met de Zwavelstokken. Zijn pen was een toverstaf die mettertijd al het verdriet uit zijn jeugd omvormde, zelfs de slechter wordende gezondheid van zijn vader. Op een dag stond de jongen de ijsbloemen op het raam te bewonderen en zijn vader wees hem een witte gedaante in de kristallen, net een vrouw. “Dat is de Sneeuwkoningin,” zei de schoenmaker. “Binnenkort komt zij me halen.” Enkele maanden later was hij dood.

Toen de stiefvader in zijn leven kwam, en nadat de Prins hem had aangeraden, meubelmaker te worden, ging Hans Christian zijn geluk zoeken in Kopenhagen. Hij was toen 14 jaar. Hij klopte aan bij alle notabelen. Hij probeerde te dansen voor een beroemde ballerina; ze vond hem een halve gare en liet hem de deur uit zetten. In zijn versleten netste pak, met een hoed die tot over zijn oren zakte, declameerde hij voor een bekend toneelschrijver de drama’s die hij had geschreven voor marionetten die zijn vader voor hem had uitgesneden; de schrijver kwam niet onder de in­druk. Nu had hij nog maar zeven centen. En een heldere jongenssopraan, waarmee hij het hart van pro­fessor Siboni, leraar aan het Conservatorium, ontroerde; deze zorgde voor een beurs waarvan de jongen kon leven terwijl hij zang studeerde. Hans Christian was in de zevende hemel — maar enkele maanden later kwam hij in de puberteitsjaren. Weldra behoorde zijn jongenssopraan voorgoed tot het verleden. Maar deze lang opgeschoten knaap met de gretigheid van een jonge hond en zijn onhandige maar briljante geest, vond spoedig nieuwe vrienden, zelfs een prinses die hem wat geld gaf voor eten en kleren — dat hij besteedde aan dichtbundels en schouwburg­kaartjes. Vanuit zijn zolderkamertje had hij een schitterend uitzicht over de gevels en torens en koepels van de oude stad. Hij was goede maatjes met de straatlantarens die tot diep in de nacht bleven branden en met de enkele kaars naast het bed van een ziek kind. Niets van dit alles was verspild aan de toekomstige schrijver van vertellingen als De oude Straatlantaren en Wat de Maan zag. Maar één ding zag hij niet, iets vlak voor zijn eigen grote neus: zijn heldendichten en drama’s en liefdesgeschiedenissen waren prullerige nabootsingen. Toch glansde hier en daar wat goud in die prullaria, en dit trok de aandacht van Jonas Collin, de direc­teur van de Koninklijke Schouwburg. Deze goedhartige man zorgde ervoor, dat de jonge schrijver een beurs kreeg. Vol verwachting deed Hans Christian zijn intrede op een school in Slagelse, geleid door ene Simon Meisling, bij wie hij ook zou wonen. Meisling was een mislukt dichter en het talent van Hans Christian wekte in hem een sadistische woede. Daarom zette hij de lange slungel bij de jongens van tien jaar en leraarde met brullen­de stem algebra, meetkunde en Griekse en Hebreeuwse gramma­tica, waar de knaap niets van begreep. En hoewel Hans Christian vrij aardig opschoot, deed Meisling hem in tranen uitbarsten door te zeggen dat hij er niets van terecht bracht. Toch zorgde deze verachtelijke frik er wel voor dat hij zijn gratis oppas niet kwijt­raakte. De verwaarloosde spruiten van Meisling zaten urenlang muisstil te luisteren naar de sprookjes die de magere lange jongen hun vertelde — onsterfelijke klassieke verhalen die voor het eerst gestalte kregen. Toen Collin merkte, hoe gemeen Meisling de jongen behandel­de, haalde hij hem naar Kopenhagen en liet hem privéles geven. Ook hier voelde hij zich op zijn gemak met de kinderen. Hij at om beurten bij zes menslievende vrienden en in elk huis klommen de kinderen op zijn knie en bedelden om verhaaltjes — de avonturen die ooievaars beleefden en een sneeuwman, een kerstboom en Ole Ogensluiter, de Deense Klaas Vaak. Hij kon zo levendig vertellen dat je de tinnen soldaatjes hoorde marcheren of de post­paarden galopperen. En hij kon prachtige figuren knippen van papier; die worden heden ten dage nog als schatten bewaard in het Andersen Museum van Odense, het huis waar hij werd geboren. Maar naar de liefde van een vrouw hunkerde deze onhandige, doodarme kerel tevergeefs. Drie generaties uit het lieve gezin Collin waren de enige familie die hij ooit zou hebben. Maar ze rekenden het zich tot een plicht, ervoor te zorgen dat deze dromer met zijn beide benen op de grond bleef. Ze spoorden hem aan, een klein baantje als ambtenaar te zoeken; ze praatten zoals hij later de dieren liet praten in zijn beroemdste vertelling. “Ik zeg ’t je voor je eigen bestwil,” zei de Kip tegen het Lelijke Jonge Eendje, “je moet leren eieren leggen, zoals ik.” In  Het lelijke jonge Eendje vertelde Hans Christian Andersen met zijn scherpzinnige Deense ironie het verhaal van zijn eigen leven. Maar zelfkennis verwierf hij slechts zeer langzaam. Jarenlang schreef hij heldendichten, romantische verhalen, tragische toneel­stukken die nu bijna vergeten zijn. Af en toe had hij succes, maar de vele mislukkingen troffen hem als mokerslagen. Zijn eerste sprookjes werden in 1835 gedrukt, een beetje terloops, zonder veel verwachtingen. Maar de kinderen lazen ze en vroegen naar meer. Zo trokken hun gretige handjes hem van het pad dat nergens heen leidde en begon hij serieus aan wat wij als zijn grote werk kennen. “Nu zoek ik in mijn eigen hart, vind een idee voor de ouderen — en vertel het alsof ik voor de kinderen vertel, maar ik denk er steeds aan dat vader en moeder meeluisteren!” Zevenen­dertig jaar lang verscheen haast ieder jaar tegen Kerstmis een nieuwe bundel van Andersens sprookjes en zo ontstond geleidelijk een schat aan fantastische waarheid, treurige schoonheid, en kostelijke ironie zoals de verbaasde kinderschare nog nooit had gehoord. Want Andersen onthult in zijn vertellingen op dichterlijke wijze de waarheid in het leven om ons heen. Zo diep drong hij door in het wezen van de dingen, dat hij zelfs in een kapotte fles of in een bal in de goot een verhaal zag met iets glanzends, iets bemoedi­gends erin. We lachen allemaal om het schalkse grapje in De nieuwe Kleren van de Keizer — gewaden (zo zeiden de oplichters die de Keizer overhaalden om ze te bestellen) die ondanks hun pracht onzichtbaar zouden zijn voor hen die niet verstandig en edel genoeg waren om ze te zien. Zo prezen de Keizer en zijn hovelin­gen huizenhoog de weefsels op de lege weefstoel. En de Keizer stapte vol trots door de hele stad in die kleren, waarvan hij niet wilde bekennen dat hij ze niet kon zien, en alle mensen riepen: “O!” en “Ah!” van bewondering. Behalve één onschuldig kind, dat zei: “Maar moeder, hij heeft niets aan!” Dit verhaal slaat iedere keer opnieuw de spijker op de kop als een nieuwe cultus wordt gevestigd op uiterlijk vertoon. Hoewel hij nu beroemd was, bleef hij even zachtzinnig als altijd. Meisling zag hem op straat en verontschuldigde zich voor zijn wreedheid van voorheen. Andersen schonk hem vergiffenis en stelde hem gerust. Toen de Koning hem liet komen — die­zelfde Prins die hem eens geraden had, een nuttig handwerk te leren — en te kennen gaf dat de dichter een koninklijke gunst mocht vragen, antwoordde Andersen eenvoudig: “Maar ik ver­dien toch zelf.” Wat hij verdiend had, dat was de liefde van de wijde wereld. Zo beroemd waren zijn onhandige gestalte en zijn vriendelijke, gewone gezicht geworden, dat zijn vrienden, de kinderen, hem onmiddellijk herkenden en in zwermen op hem afstormden. Hij werd in meer talen vertaald dan enig ander boek, met uitzondering van de Bijbel. Hij werd ontvangen aan de hoven van Europa en gedecoreerd met hun blinkendste ridderorden. De grootste schrij­vers van die dagen, van Dickens tot Victor Hugo, beschouwden hem als een der hunnen, en te midden van vogels van soortgelijke pluimage kwam hij tot de geruststellende conclusie: “Het doet er niets toe dat je in een eendenkooi bent geboren, als je maar uit een zwanenei bent gekropen.” De gelukkigste dag van zijn leven was de dag waarop hij in triomf terugkeerde naar de “eendenkooi”, bijna 50 jaar nadat hij die had verlaten. Heel Odense liep uit bij het grote feest ter ere van de schoenlapperszoon, de vorst van de sprookjes. De men­sen zongen voor hem en riepen geestdriftig zijn naam; er werd een grote feestmaaltijd aangericht. Die avond verzamelde de menigte zich met toortsen onder zijn raam en riep om hem. Wat er toen omging in zijn hart — dat grote, teergevoelige hart dat zo lang eenzaam was geweest — wordt het beste weergegeven door zijn eigen woorden: “Aan God en de mensen mijn dank en heel mijn hart!”

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

838-771

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Aristoteles

.

ARISTOTELES, DE GROTE DENKER

,

Toen Aristoteles op zijn 49ste jaar aan het Lyceum, of Gymnasium van Athene zijn school had gesticht, was de toeloop van studenten zo groot, dat het al spoedig nodig bleek uitgebreide ordemaatregelen te treffen. De studenten zelf stelden de regels vast en wezen om de tien dagen één uit hun midden aan om de leiding van de school op zich te nemen. Daar­uit moeten wij niet opmaken dat er een straffe discipline heerste; veeleer is ons het beeld overgeleverd van leerlingen die samen met hun leermeester de maaltijden gebruikten en al wandelend onder de zuilengangen rondom de sportvelden, waaraan het Lyceum zijn naam ontleende, door hem werden onderricht.

Het Lyceum schonk bovenal aandacht aan biologie en natuur­kennis. Alexander de Grote had zijn jagers, jachtopzieners, garde­niers en vissers opdracht gegeven Aristoteles al het materiaal op het gebied van plant- en dierkunde te bezorgen waar hij om vroeg; er wordt verteld dat hem op zeker ogenblik duizend man, verspreid over geheel Griekenland en Azië, ter beschikking ston­den voor het bijeenzoeken van exemplaren uit de fauna en flora van elk land. Dank zij deze overvloed van natuurhistorisch mate­riaal kon hij de eerste grote dierentuin inrichten die de wereld heeft gekend.

Hoe kwam Aristoteles aan de middelen om deze grootse opzet te bekostigen? Zelf reeds een man met een niet onaanzienlijk in­komen, had hij zijn fortuin vergroot door zijn huwelijk met een familielid van een der machtigste publieke figuren van Grieken­land. Het verhaal gaat dat Alexander hem voor zijn onderzoe­kingen en de daartoe nodige outillage 800 talenten (omtrent 14 ½ miljoen gulden) schonk.
Een werk als het overzicht van 158 verschillende staatsvormen, ten behoeve van Aristoteles samen­gesteld, wijst wel op een uitgebreide staf van medewerkers. Wij zien hier, kortom, het eerste voorbeeld van een onbekrompen subsidiëring van de wetenschap uit de openbare middelen.

Nochtans zouden wij Aristoteles te kort doen indien wij geen oog hadden voor de bijna noodlottige beperktheid van zijn uit­rusting, die door deze tot die tijd ongekende hulpbronnen en faciliteiten niet kon worden opgeheven. Van al de wiskundige, optische en natuurkundige instrumenten, die ons ter beschikking staan, bezat hij slechts de meetstok en het kompas, naast een paar hoogst onvolmaakte surrogaten voor sommige andere. Bovendien moesten al de feiten, waarop de theorieën van de moderne natuur­wetenschap steunen, nog geheel of grotendeels worden ontdekt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Grieken juist op het ge­bied van de industriële en technische vindingen het verst onder de maat van hun onvergelijkelijke prestaties zijn gebleven. Mogelijk heeft de goedkope slavenarbeid de vindingrijkheid geremd; spier­kracht was altijd nog voordeliger dan machines. Hoe het zij, Aristoteles kon zelden grijpen naar het experiment; hij moest zich, zo goed en zo kwaad als het ging, verlaten op een bijna universele, voortdurende waarneming. Desondanks heeft het uitgebreide feitenmateriaal, door hem en zijn medewerkers bijeengebracht, de grondslag gelegd voor de vooruitgang der wetenschap en is het gedurende zo’n 2000 jaar de handleiding voor kennis geweest — een van de wonderen, die de arbeid van de mens heeft gewrocht.

Aristoteles’ geschriften lopen in de honderden. Sommige auteurs uit de oudheid taxeren zijn oeuvre op duizend delen. Slechts een deel ervan is bewaard gebleven, dat niettemin ook zo reeds een bibliotheek op zichzelf vormt. Welk een breed terrein bestrijkt dit grandioze geheel! Daar zijn allereerst de werken over de Logica, die het zuivere denken tot onderwerp hebben: “De categorieën”, “Gesprekken”, “Analytica” en “Latere Analytica”, “Stellingen” en “Sofistische weerleggingen”. In de tweede plaats zijn er de werken op het gebied van de natuurwetenschap: “Fysica”, “Over de Hemelen”, “Over ontstaan en vergaan”, “Meteorolo­gie”, “Natuurlijke Historie”, “Over de Ziel”, “De anatomie van dieren” en “De voortplanting van dieren”. Ten derde de werken over esthetica: “Retorica” en “Poëtica”. En ten vierde de
eigen­lijke filosofische werken: “Ethiek”, “Politiek” en “Metafysica”.

Men zou hier met recht kunnen spreken van de Encyclopedie van Griekenland: ieder probleem onder en rondom de zon wordt aan de orde gesteld. Hier vindt men een versmelting van kennis en theorie als tot in de dagen van Herbert Spencer geen mens ooit meer heeft gepresteerd, en zelfs dan nog niet half zo grandioos; hier was een verovering van de wereld ondernomen. Indien filo­sofie is het zoeken naar Eenheid, dan komt Aristoteles de erenaam toe die 20 eeuwen hem hebben gegeven — De Filosoof.

Aristoteles is de schepper van de wetenschappelijke en wijsgerige terminologie; wij kunnen tot op de huidige dag nauwelijks over enige tak van wetenschap spreken zonder gebruik te maken van woorden die hij heeft gevonden: vermogen, middel, doel, grond­stelling, categorie, energie, feitelijkheid, motief, beginsel, vorm — al deze voor het wijsgerig denken onmisbare vaktermen heeft zijn geest geijkt. Aristoteles heeft, vrijwel uitsluitend door eigen scherp nadenken, een nieuwe wetenschap geschapen — de Logica, de kunst en de methode van het zuivere denken. Een wetenschap, omdat de processen van het zuivere denken tot op grote hoogte te herleiden zijn tot vaste regels, evenals fysica en meetkunde, en aan iedereen met een normaal verstand kunnen worden geleerd. En een kunst, omdat oefening in logica aan het denken op den duur een zelfde soort onbewuste trefzekerheid geeft als waarmee de vingers van een pianist in de toetsen grijpen.

Vóór Aristoteles verkeerde de wetenschap nog in embryonale staat; met hem is ze geboren. Vroegere, aan de Griekse vooraf­gaande beschavingen hadden elk duister natuurverschijnsel toe­geschreven aan een of andere bovennatuurlijke macht; overal waren goden aan het werk. Het is stellig niet de geringste van Aristoteles’ vele verdiensten dat hij ruimdenkend en moedig ge­noeg was om het schitterende bouwsel op te trekken dat zijn af­gerond geheel van gesystematiseerde kennis vormt.

Aristoteles werd geboren in 384 v. Chr. Zijn vader was lijfarts van Amyntas, koning van Macedonië, de grootvader van Alexander de Grote. Hij was een leerling van Plato, die de grote gaven van zijn pupil onderkende. Aristoteles spendeerde veel geld aan boeken (handschriften); hij was, na Euripides, de eerste die een bibliotheek aanlegde, en het vormt een van zijn vele bijdragen tot de ontwikkeling der wetenschap dat hij de grondbeginselen op­stelde voor de systematische bibliotheekindeling. Sommige van zijn biografen vermelden dat hij een school voor welsprekendheid stichtte. Later werd hij door Philippus van Macedonië aan het hof van Pella geroepen om zich met de opvoeding van Alexander te belasten. Het is een sprekend getuigenis voor de groeiende re­putatie van onze filosoof dat de grootste monarch van zijn tijd, op zoek naar de grootste pedagoog, Aristoteles uitkoos als leermeester voor de toekomstige heerser over een wereldrijk.

Philippus was vastbesloten zijn zoon de best denkbare opvoe­ding te geven, want hij had grenzeloos eerzuchtige plannen met hem voor. Hij heerste over een krachtig volk van boeren en krijgs­lieden, nog niet bedorven door de weelderigheid en de ondeugden der stedelijke beschaving. Met deze combinatie van eigenschap­pen moest het mogelijk zijn de meer dan honderd kleine stad­staatjes te onderwerpen en Griekenland tot een politieke eenheid te smeden. Philippus had niet het minste op met het Griekse in­dividualisme, dat weliswaar de bloei van de kunst en het intellect van Griekenland had bevorderd, maar tegelijkertijd tot de ont­binding van zijn maatschappelijke orde had geleid.

In al deze hoofdstadjes vielen hem niet de bloeiende beschaving en de onovertrefbare kunst op, maar de commerciële corruptie en de politieke chaos. Hij zag hoe hebzuchtige handelaars en bankiers het land uitmergelden, hoe onbekwame politici en sluwe redenaars een arbeidzame bevolking meesleepten in rampzalige samen­zweringen en oorlogen, hoe partijgeest de maatschappelijke klas­sen deed uiteenvallen in kasten. Philippus nam zich voor orde in deze janboel te scheppen en een vereend en sterk Griekenland te maken tot het politieke centrum en het plechtanker van de wereld.

Deze problemen zijn niet zo heel verschillend van die, waarmee vele regeringen van onze dagen worden geconfronteerd! En mis­schien zouden wij voor deze problemen thans een bevredigender oplossing hebben, indien de wereld in de afgelopen 2000 jaar meer mannen had kunnen voortbrengen van het geestelijke kaliber van Aristoteles, van wie Plato eens heeft gezegd: “Hij is de verper­soonlijking van de intelligentie.”

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

klas 5: geschiedenis alle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.
833-766

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Banting

 

.
DE ONTDEKKING VAN INSULINE
.

De man die op de ochtend van 16 mei 1921 het laboratorium binnenstapte, zag er niet uit als een der onsterfelijken van de medische wetenschap. Dat doen er trouwens slechts weinigen op hun 29ste. Dr. Frederick Banting leek meer op een boer — krachtig gebouwd, met licht gebogen schouders, blauw­groene ogen, een grote neus en een vooruitstekende, vastberaden kin. Zijn aarzelende stem verried een aangeboren verlegenheid.

“Laten we beginnen, meneer Best,” zei hij. “Wij hebben echt niet veel tijd.” Dat was wel heel zacht uitgedrukt. Hij had de universiteit van Toronto in Canada verzocht acht weken lang een laboratorium te mogen gebruiken, en voorts gevraagd om tien honden en om de hulp van iemand die op de hoogte was van fysiologie en chemie. De geldswaarde van zijn bescheiden wensen was hooguit 100 dollar. En daarmede dacht hij een ziekte te kunnen overwinnen die de medici altijd voor raadsels had gesteld: de genadeloze moordenaar die men suikerziekte noemt.

“U leest toch Frans, hè?” vroeg Banting. Ik antwoordde be­vestigend. “Laten wij dan naar de bibliotheek gaan,” zei hij, “en eens nakijken hoe die Fransman Hédon de alvleesklier uit een hond haalde.” Dat was het begin.

Wij kenden beiden de verschrikkingen van diabetes — 2000 jaar geleden door een Griekse arts beschreven als “een ziekte waarbij het vlees wegsmelt en wordt afgeheveld met de urine”. Op de een of andere manier staakten de lichamen van de slachtoffers de om­zetting van suiker in energie. In plaats daarvan werden hun lichamen tot kannibalen, die de opgeslagen vetten en eiwitten opsoupeerden. En altijd die onlesbare dorst — vaak dronken de lijders aan deze kwaal vele liters water per dag, terwijl zij een gelijke hoeveelheid suikerhoudende urine kwijtraakten. Hun honger was niet te stillen. De enige behandeling bestond uit een streng dieet, bedoeld om het verstoorde chemische evenwicht te herstellen. Ernstig aangetaste zieken werden voor een grimmige keus gesteld: vandaag goed eten en morgen sterven of een paar honderd calorieën per dag en nog een tijdje doorsukkelen.

Banting had een van zijn klasgenootjes in Alliston, Ontario, een levendig 15-jarig meisje, in een deerniswaardig wezentje zien ver­anderen dat nog maar kort leefde. In West Pembroke, in de staat Maine, had ik hetzelfde zien gebeuren met mijn tante Anna. Van een kloeke, krachtige vrouw begin dertig teerde ze weg tot een schim van 72 pond en ging toen dood.

De wereld zou ons beiden weinig kans hebben gegeven in de strijd tegen die moordenaar. Ik was een 22-jarige kandidaat in de medicijnen en ik werkte aan de voltooiing van mijn studie in de fysiologie en biochemie. Banting had in feite in het geheel geen ervaring met wetenschappelijk onderzoek. Op aandrang van zijn familie was hij voor methodistisch predikant gaan studeren, maar daar hij een aarzelend spreker was, was hij op medicijnen over­geschakeld. Hij was een middelmatig student geweest.

Na tijdens de Eerste Wereldoorlog als chirurg in het Canadese leger te hebben gediend en het Military Cross voor dapperheid te hebben gekregen, begon hij in London, Ontario, een praktijk als orthopedisch chirurg. Hij wachtte op patiënten — maar er kwam geen mens. Op een keer bedroeg zijn maandinkomen vier dollar. Zijn verloofde zag niet veel in zo’n man, en zij gingen uit elkaar.

En nu zette deze man zijn schamele middelen geheel in voor zijn ingeving dat hij suikerziekte kon genezen. Hij gaf zijn kleine prak­tijk op, verkocht zijn praktijkmeubilair, boeken, instrumentarium, alles. Banting kon zich geen nieuwe mislukking permitteren.

Het was bekend dat de pancreas of alvleesklier — een bleek­geel, spijsverteringssappen producerend buikorgaantje met de vorm van een kikkervisje — op de een of andere manier een rol speelde bij deze ziekte. In 1889 had Oskar Minkowski in Duitsland de alvleesklier van een hond verwijderd, voornamelijk om te zien of het dier erbuiten kon. De volgende dag viel het hem op dat er vliegen afkwamen op de plekken waar de hond plasjes had gedaan. De urine was suikerhoudend geworden; de hond, die de vorige dag nog gezond en wel was, had nu diabetes.

Bevatten de pancreassappen dus een factor die normaal de suikerstofwisseling reguleert? Om dit denkbeeld te beproeven, bonden onderzoekers de buisjes af die deze sappen naar de in­gewanden leiden. Als honden op deze wijze werden behandeld verschrompelde en degenereerde hun alvleesklier — maar zij kregen geen suikerziekte! De ineengeschrompelde organen, niet meer in staat spijsverteringssappen in de ingewanden te lozen, produceerden nog steeds de anti-diabetesfactor.

Maar als deze factor zich niet in de pancreassappen bevond, waar dan wel?

De aandacht verplaatste zich naar de duizenden mysterieuze kleine “eiland”-cellen die door de pancreas verspreid liggen en die omgeven zijn door fijne haarvaten. Scheidden deze cellen de een of andere onbekende stof af — mogelijk een hormoon — die de verbranding van suiker regelde? En stortten zij deze stof niet in de ingewanden uit, maar rechtstreeks in de bloedsomloop? Ver­scheidene onderzoekers hadden dit gesuggereerd en waren op jacht gegaan naar het ongrijpbare hormoon. Maar stuk voor stuk waren zij met een lege weitas thuisgekomen. Nu was de beurt aan ons.

“Misschien zit het zo, meneer Best,” zei Banting — het zou nog verscheidene dagen duren eer wij elkaar Fred en Charley gingen noemen — “dat als de onderzoekers een gezonde alvleesklier ver­wijderen en fijnmalen om die onbekende stof eruit te krijgen, de enzymen in het spijsverteringssap zich met de onbekende stof vermengen en deze vernietigen — precies zoals zij de eiwitten in de darmen afbreken. Misschien heeft daarom niemand die stof kunnen vinden.”

Daar wij wisten dat bij het afbinden van de afvoerbuisjes van de alvleesklier de cellen die spijsverteringssappen afscheiden sneller degenereren dan de eilandcellen, zouden wij bij onze proefhonden deze buisjes afbinden en afwachten wat er zou gebeuren. “Binnen zeven tot tien weken zal de alvleesklier degenereren en ophouden spijsverteringssappen te produceren — dan zal er niets meer zijn om de onbekende stof te vernietigen. Dan maakt u er een extract van, we geven dat aan een suikerzieke hond en kijken dan of het suikergehalte in zijn bloed en urine omlaag gaat.”

Ik verrichtte mijn chemische werk in ons piepkleine laborato­rium. Twee trappen hoger, op een zolder met een dakraam, wer­den de honden geopereerd. In de loop van de zomer werd het op die zolder even dampig als in een Turks bad. Om een beetje koelte te krijgen droegen wij weinig of niets onder onze witte laboratoriumjassen. Daar we niet veel geld hadden, aten we in het lab. Gebakken eieren en worstjes vormden ons vaste menu.

In mei hadden wij de eerste pancreas-afvoerbuisjes afgebonden en begin juli namen we aan dat de alvleesklieren waren ver­schrompeld en dat we toegang konden krijgen tot de onbekende stof. Wij openden een van de dieren — en bevonden de pancreas blakend van gezondheid; geen spoor van atrofie of verschrompe­ling. Banting en ik hadden de buisjes verkeerd afgebonden.

Onze acht weken waren bijna om. Waarom zouden we maar niet meteen onze nederlaag toegeven? Maar Banting was een halsstarrig man. Tijdens de oorlog had hij door een granaatscherf een lelijke wond aan zijn rechterarm opgelopen. De artsen wilden amputeren, maar Banting weigerde en verzorgde de arm zo vak­kundig dat die weer genas. En zo gingen wij dan nu ons ziekelijke project weer gezond maken.

Prof. John Macleod, het hoofd van de fysiologische afdeling die ons de faciliteiten voor ons werk had verschaft, was met vakantie in Europa. “Wat niet weet, wat niet deert,” zeiden we en we bleven.

Opnieuw begonnen we de honden te opereren en de afvoer­buisjes af te binden — ditmaal op de goede manier. Op 27 juli kregen we een prachtig verschrompelde, gedegenereerde alvlees­klier. Hij moest de stof X bevatten — als er een stof X bestond.

In een gekoelde vijzel, gevuld met Ringer’s solutie, sneden we de pancreas in plakjes en bevroren het mengsel. We lieten het langzaam ontdooien, maalden het fijn en filtreerden het door pa­pier. Een stervende suikerzieke hond lag te wachten, te zwak om zijn kop op te tillen. Fred spoot vijf kubieke centimeter van het filtraat in een ader van de hond; meteen ging het dier er iets beter uitzien. Maar op zulke momenten is men gauw tot zelfbedrog ge­neigd; er waren bloedproeven nodig.

Ik nam een paar druppels bloed uit de poot van de hond, en begon deze op bloedsuiker te onderzoeken. Banting stond over me heen gebogen. Als er veel suiker aanwezig was, zou de reagens in het reageerbuisje een dieprode kleur aannemen en bij weinig suiker een bleekroze tint. Elk uur onderzochten we een nieuw bloedmonster en de reagens werd bleker en bleker. Het
bloedsui­kergehalte daalde van 0,20 percent tot 0,12 percent. … en bewoog zich naar het normale niveau van 0,09 percent! Het was het op­windendste ogenblik in het leven van Banting en mij.

Dat leven werd nu een wazige nachtmerrie: werk, werk en nog eens werk. Wat we bereikt hadden schreeuwde eenvoudig om bevestiging. Honden moesten worden ingespoten, er moesten bloedmonsters worden genomen en urine opgevangen, uur na uur, dag en nacht door.

Maar steeds opnieuw aanschouwden we het wonder van glazig starende honden die de slaap des doods schenen in te gaan en die een paar uur later overeind kwamen, aten en kwispelden. Met één slag weer tot leven gewekt, leefde een der honden nog 12 dagen, een ander 22 dagen.

Onze lieveling was Marjorie — hond nummer 33. Zij was zwart met wit, vertoonde een vage gelijkenis met een Schotse herder en leerde op een werktafel te springen, haar poot uit te steken om ons een bloedmonster af te staan, en zich stil te houden om de injectie te ontvangen zonder welke zij ten dode was gedoemd. Zeventig dagen bleef zij zo in leven, gezond en wel. Toen raakte onze voorraad van het extract, isletine, op. (Pas later overreedde Macleod ons, de naam in “insuline” te veranderen.)

Het vergde bijna alle isletine die wij konden extraheren uit een gedegenereerde pancreas, om een dag lang een hond in leven te houden. Hoe zou men dan miljoenen suikerzieken in de hele wereld in leven kunnen houden?

Fred herinnerde zich te hebben gelezen dat de pancreas van een ongeboren dier hoofdzakelijk uit eilandcellen bestaat — daar er tijdens het verblijf in de moederschoot geen spijsverteringssap nodig is. Zou de alvleesklier van ongeboren kalveren mogelijk rijk zijn aan isletine? Daar hij zijn jeugd op een boerderij had door­gebracht, wist hij dat de boeren hun koeien liefst in drachtige toestand naar het abattoir brengen om zodoende tot een hoger gewicht te komen. Wij zwengelden het Fordje aan en reden naar een slachthuis. Terug in het laboratorium maalden wij de ver­kregen alvleesklieren fijn, trokken ze uit, zuiverden het extract en haalden een rijke oogst aan isletine binnen.

Wij konden onze honden nu net zo lang als wij wensten in leven houden. Ten slotte bleek ons natuurlijk dat bij toepassing van verbeterde extractiemethoden de pancreas van elk dier insuline opleverde. Er zou genoeg zijn om aan alle behoefte te voldoen.

Op 14 november waren wij zo ver dat wij iets van onze op­winding met de wereld konden delen. Voor een groep vakgenoten hielden Banting en ik onze eerste lezing, compleet met projectie­plaatjes die bloedsuikertabellen in beeld brachten. Maar het ging om de vraag: zou insuline ook op mensen werken ?

Aan de overkant van de straat lag in het Algemeen Ziekenhuis van Toronto de 14-jarige Leonard Thompson. Hij was al twee jaar suikerziek, woog nog maar 59 pond en had amper nog kracht genoeg om zijn hoofd van zijn kussen te tillen. Naar de gebruike­lijke maatstaven had hij nog maar een paar weken te leven.

Wij hadden vastgesteld dat een door de mond ingenomen insuline-“cocktail” niet werkte. En dus stroopten Banting en ik onze mouwen op: ik spoot hem met ons extract in, en hij spoot mij in. Wij moesten er immers zeker van zijn dat het niet te giftig was. De volgende dag deed onze arm een beetje pijn — dat was alles.

En dus werd in januari 1922 het uitgeteerde armpje van de stervende jongen ingespoten. De bloedproeven begonnen — en alles verliep van a tot z precies zoals met onze honden. De bloed-suikerspiegel daalde op spectaculaire wijze. Leonard begon weer normaal te eten. Zijn ingevallen wangen werden wat gevulder en er kwam nieuw leven in zijn vermoeide spieren. Leonard zou blijven leven! (Hij leefde nog 13 jaar en stierf in 1935 aan long­ontsteking volgend op een motorongeluk.) Hij was de eerste van al die miljoenen mensen die insuline kregen.

Er begonnen eerbewijzen op ons neer te dalen. Voor het beste speurwerk dat dat jaar aan de universiteit was verricht, werden wij beloond met de Reeve-prijs — een welkome 50 dollar. Een dankbaar parlement schonk Banting een lijfrente van 7500 dollar. Vervolgens werd er een groot wetenschappelijk instituut naar hem genoemd, en later een naar mij. Toen Banting in 1923 de Nobel­prijs won, deelde hij het geld met mij.

Wij bleven beiden aan de universiteit werken en concentreer­den ons in de loop der jaren op onze eigen onderzoekingen. Maar de opwinding van die oude tijd ontbrak. Op een winterse februari­dag in 1941 liepen we samen over het terrein van de universiteit. “Charley,” zie Banting, “laten we weer samen aan de slag gaan. Jij neemt het scheikundige deel voor je rekening, en ik. …”

Het mocht niet zo zijn. Drie dagen daarna was Banting — in­middels majoor Sir Frederick Banting, belast met de problemen van de luchtvaartgeneeskunde — in een tweemotorige bommen­werper op weg naar Engeland. Het toestel kwam in een sneeuw­storm terecht en stortte bij Musgrave Harbour in Newfoundland neer, waarbij Banting de dood vond. Van alle lofprijzingen was de meest ontroerende misschien wel deze, vijf jaar later in Londen uitgesproken op een bijeenkomst van de vereniging van suiker­zieken:

“Zonder Banting had deze vergadering slechts een bijeenkomst kunnen zijn van geesten die hun droevig lot be­jammerden.”

Charles H. Best, arts

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

825-759

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-11)

.

Verteltijd ca. 16 min.

DE MAALTIJD VAN SINT-RIGOBERTUS
.

St.-Rigobertus was zeer hongerig, want hij, noch Peter, zijn helper, die voor hem uitliep op weg naar Rheims, had die morgen iets gegeten. Zij waren op weg om Wibertus, de Gouverneur van Rheims te bezoeken, en hem wat geld af te dragen, dat de bisschop hem schul­dig was; helaas al het geld, dat hij bezat. En daarom nu hadden zij niets gehad om eten voor hun ontbijt van te kopen, en keek de kleine Peter zo begerig in elke bakkerswinkel, die zij voorbij­ liepen.
De goede heilige Rigobertus evenwel zag niets van al de heer­lijkheden, die voor de vensters uitgestald waren, want hij had de ogen neergeslagen, naar de grond,  en zong onderwijl enige hymnen zacht vóór zich heen. Niettemin voelde ook hij zich zeer flauw. Sint-Rigobertus was zeer arm, want hoewel hij een goede oude bisschop was, hield de Koning van Frankrijk niet veel van hem en hij had hem van het hof en uit de grote, rijke stad weggezonden, om zijn leven verder onder de arme boeren buiten te slijten. Maar Sint-Rigobertus betreurde zijn vroeger leven al zeer weinig, want hij hield van het aardige dorpje Gernicour, waar hij nu woonde. Hij hield van de mensen, die daar leefden, en in het bijzonder hield hij van Peter, die bij hem was komen wonen, om hem in alles te helpen.

De bewoners van het dorpje hadden vriendelijk en mild voor hem behoren te zijn, doch het waren domme, zelfzuchtige mensen, die alleen dachten aan zich zelf en er geen begrip van hadden, hoe arm hun goede bisschop wel was. Nu waren zij zelf ook wel arm en bezaten maar zeer weinig geld, maar zij hadden toch ruimschoots voedsel: overvloed van groenten, melk, eieren en boter, en wanneer ieder van hen iets had afgestaan – wat zij behoorden te doen, want Sint-Rigobertus deed hun zoveel goed – dan zou de Heilige niet zo dik­wijls honger hebben hoeven te lijden.

Sint-Rigobertus had er verdriet van, dat zij zo weinig aan hem dachten, maar nooit klaagde hij erover. Hij zou het hun niet heb­ben willen zeggen, of zou hun niet hebben willen vragen hem te hel­pen, en dikwijls wist zelfs kleine Peter niet hoelang hij al ge­vast had. Want als er weinig was, gaf hij het Peter ‘s avonds en behield voor zichzelf niets ervan.

Toch was hij altijd tevreden en opgeruimd en had steeds voor ieder, die hij tegenkwam in het dorp, een vriendelijk woord. En wanneer hij in de grote stad Rheims kwam, beklaagde hij zich bij de Gou­verneur nooit over zijn armoedig leven van gebrek en ontbering, noch over het weinige, dat de inwoners van Gernicour voor hun bisschop over hadden. Want hij wilde het liefst goeds van hen denken, en geloven, dat zij in alles hun best deden.

En zo kwam het nu, dat beiden, Sint-Rigobertus en zijn helper, het geld aan de Gouverneur afdroegen, zonder een enkel woord ervan te zeggen, hoe zwak en hongerig zij zich voelden. En toen hij de grote gedekte tafel in de eetzaal zag en de warme, geurige spij­zen, die de dienaren achtereenvolgens opdroegen, stond hij maar gauw op om niet in verzoeking gebracht te worden zijn nood te klagen. Zijn bisschopsstaf opnemend, wilde hij dadelijk terugkeren naar Gernicour en naar zijn huis, waarin niets voor hem te eten was. Doch toen zij op het punt stonden de zaal te verlaten, keek de kleine Pe­ter telkens zo begerig om naar de gedekte tafel, dat Wibertus, de Gouverneur, hem terugriep. Zeker had hij de begerige blikken van de jongen gezien en opgemerkt, hoe bleek en ingevallen Sint-Rigo­bertus er uitzag en half de oorzaak daarvan geraden, want hij zei op vriendelijke toon:

“Doet mij het genoegen met uw metgezel bij mij te blijven eten. Zie het middagmaal is juist gereed, en er is plaats te over aan mijn ta­fel.”

Maar Sint-Rigobertus had een dienst te houden in de kerk van Gernicour, en wist, dat zij nauwelijks op tijd terug konden zijn, al lie­pen zij nog zo vlug. Daarenboven wilde hij, terwille van zijn ge­meente, de Gouverneur niet laten merken, hoe hongerig hij was. “Dank u,” antwoordde hij minzaam, “dank u voor uw vriendelijke uit­nodiging, vriend Wibertus. Wij mogen ons niet langer ophouden en heb­ben geen tijd meer nog vóór de dienst in de kerk te Gernicour te eten. Als wij ons niet haasten, komen wij te laat. Zoon, Peter, mijn jongen, wij moeten weg.”

Tranen van teleurstelling kwamen Peter in de ogen. Hij was zo graag gebleven, om wat van het heerlijke middagmaal te krijgen. Maar hij verzette zich nooit tegen de bevelen van zijn meester en was vol­strekt gehoorzaam. De Gouverneur drong nog tot blijven aan, maar Ri­gobertus bleef standvastig, en ging naar de deur, gevolgd door de pruilende Peter. Doch juist stond hij gereed de zaal te verlaten, toen hem van buiten een groot rumoer en het kwaken van een dier en het gelach van mensen tegen klonk. Op hetzelfde ogenblik kwam een der bedienden de zaal in met een grote, witte gans in de armen, die aanhoudend met de vleugels van zich af sloeg en van angst zich bij­na schor geschreeuwd had.

“Wat betekent dat daar?’, vroeg de Gouverneur streng. “Waarom maken jullie zo’n stampij  in mijn huis.” “Vergeef me,”  zei de man, zo goed als hij kon met de weerbarstige gans in zijn armen, “deze gans is een geschenk van de weduwe Réné, en zij verzocht u haar de eer aan te doen, het dier te willen aannemen.”
“Een armzalig geschenk voorwaar,” zei de Gouverneur knorrig. “Wat moet ik met dat beest doen? We hebben zelf al meer gevogelte dan we bergen kunnen. Ik wil haar niet hebben.”
Toen viel hem opeens iets in en zich tot Sint-Rigobertus kerend, zei hij lachend: “Wel, eerwaarde heer, nu gij hier niet wilt blij­ven eten, verzoek ik u vriendelijk, neem deze vette gans mee naar huis, dan kunt gij in Gernicour een goede maaltijd van haar maken. En ons bewijst gij er omgekeerd een dienst mee, ons van het dier te bevrijden.”

Sint-Rigobertus aarzelde. Doch de gretige blik van Peter’s gelaat ziend, besloot hij de gift aan te nemen, wat in die tijd zeer gebruikelijk was.
“Veel dank voor uw beleefdheid, Heer Wibertus,” antwoordde hij. “Wij zullen de milde gift, deze mooie gans aanvaarden, ook omdat wij zien dat aan uw tafel niet veel meer ontbreekt.
Komaan, Peter, mijn jongen, neem uw buit, en pas op, dat het dier u niet bijt,” voegde hij er bij, toen hij zag, hoe de  jongen haastig het grote, tegenspartelende dier aannam.

De gans pikte en snaterde en sloeg vreselijk met de vleugels, ter­wijl Peter zijn arm om haar heen sloeg. Doch eindelijk waren zij toch klaar om te vertrekken. Peter voorop met de gans, die bijna zo groot was als hijzelf, gevolgd door de bisschop, leunend op zijn staf, de ogen naar de grond geslagen. Peter was buiten zichzelf van blijdschap, hij grinnikte van vreugd en had haast geen geduld te wach­ten, tot hij goed en wel thuis was, zo zeer verheugde hij zich op het heerlijke middagmaal.
Maar Sint-Rigobertus had de gans al helemaal vergeten; hij had zoveel andere dingen om aan te denken. Juist op deze wijze, door aan wat anders te denken, had hij geleerd, zijn honger te vergeten.

Plotseling echter werd Rigobertus’ aandacht getrokken door een luid gesnater en een luide kreet die van de weg voor hem uit kwam. En op­kijkend zag hij nog juist een groot, wit ding omhooggaan, en Peter gillend en schreeuwend de weg op en neer hollen. Onmiddellijk begreep de bisschop wat er gebeurd was. “Jongen,  jongen, ben je je gans kwijt?” vroeg hij vriendelijk. “O, Vader,” snikte de jongen, “ons heerlijk middagmaal. Uw middag­maal, meester! De ondeugende gans is weggevlogen. O, wat ben ik toch dom, dat ik haar heb laten ontsnappen.” En hij ging op een steen zit­ten en huilde, alsof hem het hart breken zou.

“Neen, neen,”  zei de goede bisschop, hem op het hoofd kloppend, “ik denk, dat de arme gans misschien geen zin had om gebraden te worden. Peter, kan je het haar verwijten, dat zij liever haar vrij­heid zocht? Ik kan niet vinden, dat zij enig kwaad deed, maar het spijt me wel van je middagmaal, mijn jongen. We moeten nu proberen wat anders te eten te krijgen. Kom Peter, laat de gans gaan. Het zal nog wel in orde komen, mijn jongen.”

Hij hielp Peter opstaan, terwijl de jongen nog altijd bitter huil­de, en toen ging het weer verder over de stoffige weg naar huis. Doch nu had de jongen geen middagmaal meer in het vooruitzicht, en leek de weg hem nog eens zo lang. Met lome schreden ging hij ver­der, en het was alsof hij geen voet meer zou kunnen verzetten met dat lege gevoel in de maag en die pijn in het hoofd. Sint-Rigober­tus zong opnieuw zijn hymnes zacht voor zich heen en liep op de maat ervan voort over de stoffige weg. Om het verlies van zijn maaltijd scheen hij zich al heel weinig te bekommeren, eigenlijk gezegd was hij heimelijk blij, dat de arme gans ontsnapt was, want hij was zeer zachtzinnig en wilde niet graag dat levende schepselen gedood werden, zelfs niet voor zijn voeding

Zo hadden zij een eind gelopen en Rigobertus begon luider en lui­der te zingen, toen zij het kerkje weer naderden, totdat opeens een vreemd geluid boven hun hoofden in de lucht weerklonk. Daar kwam een groote, witte gans fladderend in wijde kringen naar beneden en streek recht voor Rigobertus’ voeten neer. De goede Heilige stond verrast stil, en Peter, zich omkerend, kon zijn ogen nauwelijks geloven. Want daar zat in werkelijkheid dezelfde gans op de grond vlak voor Rigobertus, terwijl zij snaterend naar hem opkeek, alsof zij hem iets wilde vertellen.

“Het was mijn bedoeling niet om weg te vliegen,” scheen zij te zeg­gen. “Ik wist niet, dat gij zo’n honger had, heilige man, en dat ik uw middagmaal zodoende wegnam. Zing maar verder, ik zal u naar uw huis volgen.”

Peter wilde de gans bij de nek pakken om haar te beletten weer weg te vliegen, maar Sint-Rigobertus stak waarschuwend zijn vinger op, zodat de jongen stil bleef staan. “Raak haar niet aan, Peter,”  sprak de bisschop ernstig. “Ik geloof niet, dat zij weer weg zal vliegen. Laten wij maar eens zien.”
En zo was het ook. Toen zij weer op weg gingen, Sint-Rigobertus zacht voor zich heen zingend, zag Peter, tersluiks omkijkend, de gans langzaam vlak achter zijn meester aanwagge­len. Zo kwam de eigenaardige kleine processie in Gernicour aan; en iedereen op straat stond met open mond stil, om hen na te kijken.
Ein­delijk hadden zij het huis van de bisschop bereikt. En Rigobertus, zijn gezang stakend, keerde zich om naar de gans en haar vriendelijk over de veren strijkend, zei hij:
“Mijn goede vriend, jij bent zeer trouw geweest. Je zult beloond worden daarvoor. Schud je veren op, mijn beste gans, want ze zullen niet uitgetrokken worden. Je zult niet voor ons middagmaal gebraden worden. Van heden af ben jij mijn goede vriend. Van de schachten van je veren zullen geen pennen gesneden worden, maar jij zult mij volgen, als je wilt.”

En de Heilige hield zijn belofte, want van die dag af leefde de gans bij hem gelukkig en in vrede. Lange wandelingen maakten zij samen in de velden rondom Gernicour, en zij bezochten trouw met elkaar de zie­ken en bedroefden. Waar Sint-Rigobertus ging, zag men ook de gans die hem als een hond volgde. Zelfs toen Rigobertus weer naar de Gouverneur van Rheims moest, waggelde de gans heen en weer de lange weg, die hij eens had afgelegd in de armen van Peter. En de Gouverneur vermaak­te zich kostelijk, toen hij, in de deur staande, het vreemde paar bij hun vertrek nakeek over de weg.

“Hij zal wel niet zo’n grote honger gehad hebben, toen,”  dacht de Gouverneur, “want anders zou ik de gans nooit teruggezien hebben.”
Een bewijs hoe weinig zelfs Gouverneuren voor sommige dingen voelen.

Ook dan, wanneer Rigobertus in zijn kerkje dienst had, vergezelde de gans hem daarheen. Doch zij begreep wel, dat zij niet mee naar bin­nen kon gaan, en bleef daarom geduldig buiten wachten op haar mees­ter, terwijl zij in de zon haar veren netjes glad streek en tussen het gras van het kerkplein allerlei lekkere hapjes opzocht. Was de dienst afgelopen, dan volgde zij haar meester weer terug naar huis.

Ondertussen had de arme Peter zijn middageten gemist die dag. Doch alles was beter terecht gekomen dan hij op dat eerste ogenblik dacht. Want toen Rigobertus hongerig en zeer vermoeid na de lange wandeling en de ongewone gebeurtenis met de gans, uit de kerk terugkwam, was, was Peter hem met een van vreugde stralend gelaat tegemoet gekomen. “O, Vader, Vader!” riep hij, “we zullen toch nog een goed middagmaal hebben. Kom gauw mee, ik heb toch zo’n honger en kan het haast niet meer uithouden! De mensen uit het dorp hebben gehoord, hoe de lief­devolle gans teruggekomen was om u tot voedsel te strekken, en hoe gij geweigerd hebt haar op te eten. En daarom hebben zij ons nu een mand vol heerlijke spijzen gestuurd. En zij hebben ook beloofd, dat wij nooit meer, zolang zij zelf nog maar iets te eten zullen hebben, honger behoeven te lijden. O, Vader! Ik ben nu toch zo blij, dat wij de gans niet hebben opgegeten”

En de goede Sint-Rigobertus, zijn hand op Peters hoofd leggend, zei: “Beste jongen, je zult nooit in je leven berouw hebben, wanneer je goed geweest bent voor een vogel of voor enig dier.”

Op datzelfde ogenblik kwam de gans snaterend naar hen toe en gingen zij met hun drieën tegelijk naar huis, om zich te goed te doen aan de maaltijd, die de dorpelingen hun gezonden hadden.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstofalle artikelen 

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld2e klas

 

818-753

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Bolivar

.

DE GROTE BEVRIJDER

Hij is veel meer dan de George Washington van Zuid-Amerika. Hij is de Washington, de Patrick Henry, de Thomas Jefferson, de Abraham Lincoln.
Hij begon de opstand tegen Spanje die leidde tot de stichting van vijf naties; hij voerde de legers aan die de vrijheid veroverden; hij formuleer­de de beginselen waarop de republieken werden gegrondvest, hij vormde hun regeringen en schreef de grondwetten.

Bolivar

Voor miljoenen Zuid-Amerikanen is Simón Bolivar thans, meer dan een en een kwart eeuw* na zijn dood, bijna een godheid. Veel meer dan enige figuur in de Westerse geschiedenis bestaat de Bevrijder in het bewustzijn van zijn volk als een levend mens. In afgelegen pueblo’s van de Andes, in de diepe wildernissen, om de kampvuren op de uitgestrekte vlakten herhalen Indianen en ar­beiders, die niet lezen of schrijven kunnen, zijn woorden alsof ze gisteren werden gesproken. In Zuid-Amerikaanse steden nemen staatslieden de hoed af bij het noemen van zijn naam.

Op een zomermiddag in 1805 beklommen twee mannen de Aventine, een van de heuvels van Rome, en rustten wat uit op de top. De een, een tengere, knappe jongeman, ging liggen, en zijn diepliggende, donkere en stralende ogen keken strak en ge­boeid naar de Eeuwige Stad, die zich daar beneden uitstrekte. De ander — ouder, slordig, zijn lange haar golvend in de wind — stond naast hem te praten. Van tijd tot tijd las hij voor van de gehavende bladzijden van Emile van Rousseau, De rechten van de mens van Tom Paine, en werken van Voltaire. Hij sprak over de vergane glorie van Rome, over de nobele experimenten met de republikeinse regeringsvorm die daar gedaan waren.

Ten slotte, toen de ondergaande zon hen in een rode gloed zette, richtte de jongeman zich op zijn knieën op en “met vochtige ogen en een kleur op zijn gezicht van koortsachtige bezieling,” sprak hij deze woorden: “Ik zweer bij de God van mijn vaderen en bij mijn vaderland dat mijn handen nooit moe zullen worden of mijn ziel zal rusten voor ik de ketenen verbroken heb die ons aan Spanje binden!”
Zijn gehele verdere leven wijdde hij aan de vervulling van die eed.

Simón José Antonio de la Santisima Trinidad Bolivar y Palacio werd geboren in Caracas, Venezuela; hij was het verwende en vroegrijpe jongste kind van een van de rijkste families van het land. Zijn metgezel op die dag in Rome was Simón Rodriguez, zijn gouverneur vanaf zijn kinderjaren. Bolivar was toen 23 jaar. Op 16-jarige leeftijd was hij naar Spanje gezonden voor de “opvoeding” die toen bij zijn stand hoorde. Drie jaar lang was zijn leven één wild feest van weelde en losbandigheid in Madrid, Parijs en Londen. Hij was een voortreffelijk schermer en danser, een niet te overtreffen ruiter, en omdat hij met geld kon smijten, werd hij bekend als de jonge Prins Bolivar. Londense kleermakers maakten zijn kleding na, de Parijse zaken kwamen uit met de “chapeau Bolivar”.

Maar aan deze periode in zijn leven kwam plotseling een einde; hij ontmoette Maria Teresa del Toro, werd verliefd op haar, en trouwde met haar. Zij was een mooi, teer schepseltje, en zoals Bolivar later zei, “niet geschapen voor deze wereld”. Enkele maanden later stierf zij in Venezuela aan gele koorts. Verteerd door hevig verdriet, zag Bolivar in de dood van zijn vrouw een verborgen teken. “Het verhief mij uit het rijk van de wereldse zaken en richtte mijn gedachten op de problemen van mijn verdrukte land.”

Hij zocht en hervond de leraar uit zijn kinderjaren, Rodriguez. Op lange wandeltochten in Europa dronk Bolivar met hernieuwd vuur de leerstellingen van zijn leidsman in. In 1804 stond hij in de Notre Dame te Parijs en zag hoe Napoleon zichzelf tot keizer kroonde. “Deze daad,” zei hij, “kwam mij voor als een uitbarsting van de hel. De kroon die hij zich op het hoofd plaatste was een overblijfsel uit de donkere middeleeuwen.” Kort daarna sprak hij op de Aventine de woorden die de opdracht van zijn leven werden en het lot van een half werelddeel bepaalden.

Bolivars besluit was van een weergaloze aanmatiging. De 23-jarige jongeman genoot geen bijzonder prestige in het land dat hij wilde bevrijden. Zijn militaire ervaring was beperkt tot een paar jaar dienst bij de Venezolaanse militie. Hoewel Spanje zijn koloniën in de Nieuwe Wereld drie eeuwen lang schandelijk had uitgebuit en onderdrukt, was er nooit een georganiseerde beweging voor onafhankelijkheid geweest. Ja, toen generaal Francisco Miranda van Venezuela, die onder Washington ge­vochten had in de Amerikaanse Revolutie, een poging deed om de kolonie te bevrijden, was hij op gewapende tegenstand van zijn landgenoten gestuit. Zijn legertje werd vernietigd, hijzelf werd gedwongen naar Engeland te vluchten. Toen Bolivar in Venezuela aankwam, begon hij ondergronds te werken met een groep jonge aristocraten, die de idee van de revolutie bij het volk aankweekten. Toen hij zich zijn gebrek aan militaire kennis bewust werd, haalde hij Miranda over om terug te keren.

Op 3 juli 1811 uitte Bolivar het woord “Vrijheid”, voor de eerste maal in het openbaar uitgesproken in het land, en eiste volledige onafhankelijkheid van Spanje. Een ontzaglijke golf van vaderlandslievende gevoelens overspoelde Caracas; tijdens een bijeenkomst van patriotten werd Venezuela vrij verklaard. De teerling was geworpen. Miranda trachtte een leger te formeren uit allerlei soorten kleurlingen en elegante jonge aristocraten die zich verbeeldden dat ze officier waren. Het was een ontmoedigen­de taak en ten slotte faalde hij. De beproefde Spaanse legioenen joegen de Venezolaanse vrijwilligers uiteen en veroverden Caracas. Weldra was het met de Eerste Republiek gebeurd, Miranda zat op een Spaans schip, op weg naar zijn dood in de gevangenis van Cadiz, en Simón Bolivar zat als straatarme banneling op het eiland Curaçao, dat toen aan Engeland be­hoorde.

Als hij niet zo bezield was geweest, zou hij alle hoop hebben laten varen. Alles wat hij had bezeten — zijn grote landgoederen, enorme kudden vee, huizenblokken in de stad — was weg, in beslag genomen door de Spanjaarden. Hij moest bij vreemden bedelen om in leven te blijven. Maar na een paar weken al ont­snapte hij naar de kolonie Nieuw Granada (Colombia) waar een garnizoen patriottische troepen een stukje kust bezet had. Hier kreeg hij het bevel over 200 man — haveloze, ongeschoeide negers, indianen en halfbloeds.

In de eerste fase van de strijd had Bolivar veel geleerd over de wijze waarop er oorlog gevoerd moest worden tegen de Spanjaar­den. Hij had meegevochten, en zich in de strijd onderscheiden. Op een nacht in december 1812 nam hij bij verrassing het garnizoen van Tenerife, vernietigde het en maakte het arsenaal buit. De volgende nacht viel hij Mompós binnen en joeg de Spaanse troepen uiteen. Zo ging het zes dagen achter elkaar — zes slagen, zes overwinningen, zes steden bevrijd. Na twee weken had hij het hele gebied van vijanden gezuiverd. In elk dorp werd Bolivar met gejuich door de bevolking ontvangen, en honderden rekruten schaarden zich achter zijn banier. Hierdoor aangemoedigd be­sloot hij een aanval te doen op zijn geboortestad Caracas. Het was een enorme onderneming. Tussen hem en zijn doel stonden 6000 man Spaanse troepen en 900 kilometer bergachtig terrein.

Half mei 1813 vertrok Bolivar met ruim 600 man. Beladen met wapens en bepakking baanden de mannen zich een weg over ijzige hoogvlakten en door met rotsblokken bezaaide ravijnen, en worstelden door onbegaanbare en dampende oerwouden, onder het bloed door de dorens en miljarden insecten. De militaire acties van de veldtocht droegen hetzelfde heroïsche karakter. Bolivar paste onveranderlijk een tactiek toe van vermetelheid, snelheid, verrassing — hij vermeed frontale aanvallen, pakte de vijand in de flank aan, sneed gedeelten van het vijandelijke leger af en vernietigde die. De Spaanse legers vielen, de een na de ander, en zijn eigen troepen werden met iedere overwinning groter tot ze een echt leger waren met artillerie, cavalerie en geneeskundige troepen. Binnen 90 dagen na zijn vertrek had hij zes belangrijke veldslagen geleverd en gewonnen en het gehele westen van Venezuela heroverd. Toen hij Caracas naderde gaf de geschrokken Spaanse bevelhebber de stad zonder slag of stoot over.

Zijn intocht in Caracas was iets uit de annalen van het oude Rome. Bij de stadspoort stapte Bolivar, blootshoofds, een knappe man in zijn wit met blauwe uniform met zware gouden tressen, en mooie hoge laarzen, in een triomfwagen behangen met lauwer­kransen en zegepalm. Twaalf in het wit geklede meisjes met bloemenslingers om pakten een zijden koord en trokken hem langzaam door de straten. De menigte juichte hem als waanzinnig toe, er donderden saluutschoten en de kerkklokken luidden, en het regende rozen, oleanders en camelia’s van de balkons. Een haastig bijeengeroepen vergadering riep weer de republiek uit en schonk Bolivar de titel van Bevrijder — de enige titel die hij zijn hele leven verder gebruikte.

Maar weldra kwamen de machtige Spaanse schepen de At­lantische Oceaan over, en Spaanse veteranen uit de Napoleon­tische oorlogen stroomden het land binnen via de kuststeden.

Bolivar moest het tegen hen opnemen met de geringe middelen die hij uit een arm, onrustig en primitief land kon persen. De strijd woedde 14 jaar lang, en breidde zich uit over het gehele werelddeel, zodat hij ten slotte een gebied omvatte zo groot als de gehele Verenigde Staten. Over dit uitgestrekte slagveld leidde Bolivar zijn schamele legers, steeds minder in aantal, slecht ge­kleed, ondervoed, zonder voldoende wapens. Als hij op de ene plaats afgesneden werd, sloeg Bolivar op de andere toe. Als hij ergens een leger verloor, dan verscheen hij op wonderbaarlijke wijze ergens anders met een nieuw.

Op een keer hadden de Spanjaarden, met sterke artillerie- en cavalerie-eenheden, hun kamp voor de nacht opgeslagen; hun 3000 paarden liepen in een met touw omheinde ruimte. Eén van Bolivars cavalerie-aanvoerders bond gedroogde ossehuiden aan de staarten van 50 van zijn eigen paarden, en joeg die toen op de Spaanse in. De paarden van de vijand, dol geworden door het lawaai, daverden tussen de slapende Spaanse troepen door, en in de duisternis en de verwarring drongen de patriotten binnen met sabel en lans. Hoewel zijn legers dikwijls de nederlaag leden, wankelde Bolivars vertrouwen in de uiteindelijke overwinning nooit.

Eens, tijdens een banket dat door zijn officieren werd aan­geboden, sprong hij boven op de lange tafel en liep er met grote stappen in de lengte overheen, terwijl hij uitriep: “Zoals ik nu over deze tafel loop van het ene einde naar het andere, zal ik trekken van de Atlantische naar de Grote Oceaan, van Panama naar Kaap Hoorn, tot de laatste Spanjaard verdreven is!” Toen keerde hij om en liep terug. “En zo,” schreeuwde hij, “zal ik terugkeren, en ik zal niemand iets aangedaan hebben behalve diegenen die de voltooiing van mijn heilige zending in de weg staan!” En hij meende dat ook; want het was vrijwel precies wat hij deed.

Bolivars grootste prestatie — die door elke militair ter wereld tot de grootste uit de geschiedenis gerekend wordt — was zijn mars van Angostura, nu Ciudad Bolivar, aan de benedenloop van de Orinoco, dwars over het hele vasteland en over de voor­naamste bergketen van de Andes. Langs het grootste gedeelte van deze route is er zelfs vandaag geen weg of spoor. Zijn leger be­stond uit 1600 man infanterie en 800 man cavalerie. Verscheidene honderden vrouwen vergezelden hen. Het waren allemaal mensen uit de laagvlakten die nooit een berg hadden gezien of wisten wat koude was. Het eerste deel van de tocht ging over brandend hete vlakten en door verstikkende oerwouden midden in de regentijd, de warmste tijd van het jaar. Dat ging zo vierhonderd­vijftig kilometer door, en daarna kregen ze de vlakten langs de rivier Casanara — eindeloos, overstroomd, een loden spiegel onder de voortdurende regen.

Drie weken lang, dag in dag uit, ploegden de colonnes lang­zaam voorwaarts. Ze liepen tot hun middel in het water en hielden hun geweer en bepakking omhoog terwijl hun voeten bij iedere moeizame stap voorwaarts vastzogen in de modder. Toen kwam eindelijk de Andes. De uitgeputte mensen uit de vlakte keken met verbazing omhoog naar de hemelhoge toppen, die ijzig wit blon­ken. Om de vijand zijn positie niet te verraden, koos Bolivar een zeer weinig gebruikt spoor dat over een van de hoogste passen leidde. De rotswanden rezen bijna loodrecht omhoog. Het leger klauterde naar boven, de mensen klemden zich met bloedende handen en blote voeten aan de richels vast. De klim duurde zes dagen. Toen kwamen ze terecht op de onherbergzame Paramo de Pisba, 4000 meter boven de zeespiegel. Drieduizend mensen waren de mars begonnen. Bolivar leidde 1200 vogelverschrikkers langs de westelijke hellingen van de Andes omlaag. Toch ver­sloeg hij na slechts drie dagen rusten een leger van Spaanse vete­ranen. Deze slag betekende het keerpunt van de hele oorlog.

Na de mars over de Andes rees de ster van Bolivar nog hoger; zijn legers en hulpbronnen groeiden, terwijl de macht van de Spaanse strijdkrachten afnam. Bolivar, die ervan overtuigd was dat vrijheid voor enig Zuidamerikaans land onbestaanbaar was zo lang Spanje nog één kolonie bezat van waaruit het een aanval zou kunnen ondernemen, trok van het ene land naar het andere, zonder zich iets aan te trekken van koloniale grenzen, en hij be­streed de Spanjaarden waar hij ze maar vond. Hij behaalde vier klinkende overwinningen — die elk een heel land bevrijdden, en die elk even vermaard zijn in Zuid-Amerika als welke grote slag uit de geschiedenis ook: Boyaca, Carabobo, Pichincha, Ayacucho.

Het zuidelijke deel van het continent — Chili, en het tegen­woordige Argentinië — was al bevrijd van de Spanjaarden door een andere grote bevrijder, José de San Martin. Toen dus in januari 1826 de Spaanse bevelhebber van Callao in Peru zich overgaf aan Bolivar, werd de laatste Spaanse vlag op het Ameri­kaanse continent gestreken en heel Zuid-Amerika was vrij. Bolivar had 15 jaar gestreden, bijna 500 veldslagen geleverd en een gebied bevrijd dat de tegenwoordige republieken Venezuela, Colombia, Ecuador, Bolivia en Peru omvat.

Toch was het niet alleen om zijn militaire successen dat Bolivar een god voor zijn volk werd. Zijn woorden bezielden hen niet minder. Hij was een van de grootste meesters van het woord van alle tijden. Toen hij stierf liet hij tien koffers vol met manus­cripten na. Eén verzameling van zijn geschriften, die 32 grote delen vullen, vertegenwoordigt slechts een klein gedeelte van het totaal. Voor elk van de bevrijde landen schreef hij een grondwet en organiseerde hij een regering tot in de kleinste bijzonderheden: hij riep een parlement bijeen, regelde de financiën, vormde kabinetten, wees diplomatieke vertegenwoordigers aan en gaf de grote lijnen aan voor de binnen- en buitenlandse politiek.

Zijn profetische blik was als die van een helderziende, zoals uit de latere geschiedenis is gebleken. Hij voorspelde de toekomst van ieder land in het westen voor de eerstkomende honderd jaar. Hij drong aan op de aanleg van het Panama Kanaal, en voorspelde de vorming van een grote unie van Zuid-Amerikaanse republieken die een bolwerk moest vormen tegen de decadente levensbeschouwing van de oude wereld. Hij deed zelfs stappen om tot zo’n unie te komen, en nodigde al de staten uit om afgevaardigden naar een congres in Panama te sturen. Het congres kwam inderdaad bijeen en het werd een mislukking. Ook dat had Bolivar voorspeld. “Maar het zaad zal worden gezaaid,” zei hij, “en eens zal het vrucht dragen.”

Als man bezat Bolivar de persoonlijkheid, de charme en het knappe uiterlijk die zo belangrijk zijn voor een leider van het volk. Tijdens de veldtochten deelde hij in al de ontberingen van zijn mannen; ze noemden hem “Oude IJzervreter”, en verafgoodden hem. Maar hij was ook verzot op muziek en dans, en liet nooit de gelegenheid voor een fiësta voorbijgaan.

Hij had alles bereikt wat hij gezworen had te zullen bereiken; de volgende stap was: een politieke unie van al de nieuwe staten te vormen onder een sterke centrale regering, zo iets als de Ver­enigde Staten. Maar het nationalisme en de politieke partijen die vooral uit waren op hun eigen macht in de afzonderlijke landen, boden felle tegenstand. Oude vrienden, eens zijn kameraden in de strijd, stonden nu tegenover hem als politieke vijanden. De landen die als één man hadden gevochten tegen de Spanjaarden waren nu bereid de wapens tegen elkaar op te nemen. Wanhopig begon Bolivar weer lange reizen te ondernemen, in de hoop eenheid te brengen. Hij had aan gezag nog niets ingeboet. Overal werd hij geestdriftig ontvangen. Maar hij kon niet overal tegelijk zijn. En nauwelijks had hij zijn hielen gelicht of de golven van de tweedracht sloten zich weer achter hem. “Ik heb in de zee ge­ploegd!” riep hij vermoeid en ontgoocheld uit.

Hij was geen voorstander van een zuivere democratie. De Zuid-Amerikaanse volken waren er nog niet rijp voor, meende hij. “Hun ogen zijn nog te kort geleden uit de duisternis van de slaver­nij gekomen om dat heilige, verblindende licht te kunnen ver­dragen.” Wat hij voorstelde voor de verschillende republieken was meer een regering naar het voorbeeld van Engeland dan van Noord-Amerika, met een gekozen Lagerhuis, een erfelijke Senaat, en een president die voor het leven benoemd werd. Hij had natuurlijk steeds als dictator kunnen optreden en alle landen die hij had bevrijd zijn bewind opdringen. Maar hij verafschuwde de dictatuur. Toen eens een groep voorstelde dat hij zich tot keizer moest laten kronen, antwoordde hij : “De titel van Bevrijder is ver verheven boven enige titel die de menselijke hoogmoed heeft be­dacht; het is ondenkbaar dat ik die titel naar beneden zou halen.”

De jaren van ontberingen begonnen hun tol te vragen. Hij was ziek en vermoeid, een oude man op zijn 47ste. Toen hij ten slotte in Bogota vernam dat er dictatoriale regeringen waren gevormd in Venezuela en Peru, in Bolivia en Colombia, wist Bolivar dat dit het einde was. “Ik zal spoedig sterven,” schreef hij. “Mijn rondgang is voltooid. God roept mij.” Hij was vastbesloten elders te sterven, omdat hij geloofde dat zijn aanwezigheid alleen al nog meer tweedracht zou zaaien in de republieken die hij had ge­vestigd. Zijn vrienden smeekten hem te blijven en zijn wil met de wapens af te dwingen. Duizenden zouden zich onmiddellijk aan zijn zijde scharen, zeiden zij. Maar hij weigerde zulke middelen tegen zijn eigen landgenoten te gebruiken.

Toen hij uit Bogota vertrok, stond de gehele bevolking langs de straten, en de mensen huilden toen hij langs reed. De ministers, de regeringsambtenaren en honderden burgers reden met hem mee tot aan de rand van de stad. Daar stegen zij van hun paard en omhelsden hem. Met grote inspanning klom hij in het zadel en verdween uit het gezicht op de weg naar de kust. Nadat Bolivar aan boord van een fregat was gegaan met bestemming Jamaica, werd zijn ziekte erger, en de kapitein zette koers naar de Colombiaanse kust en zette hem aan land in Santa Marta. Ze droegen hem aan wal op een draagbaar — een stelletje botten dat de grootste man van Zuid-Amerika was geweest. Straatarm, vrijwel van iedereen verlaten, stierf hij in Santa Marta op 17 december 1830. Om zijn hals droeg hij een medaillon met de beeltenis van George Washington, dat hij van Lafayette gekregen had.

Toen de bevolking van Caracas eens had voorgesteld een stand­beeld van hem op te richten, zei Bolivar: “Wacht tot na mijn dood, opdat u mij kunt beoordelen zonder vooroordeel. Er moeten nooit monumenten voor een man worden gebouwd tijdens zijn leven; misschien verandert hij, of pleegt hij verraad. U zult mij daar nooit van behoeven te beschuldigen; maar wacht, wacht, zeg ik nog eens.”

Ze hebben hem nu volledig beoordeeld. Twaalf jaar na zijn dood voer er een grote vloot van oorlogsschepen naar de haven van Santa Marta. Naast de kleuren van al de landen die hij had bevrijd, hingen de vlaggen van Engeland, Frankrijk en Nederland halfstok aan de mast. De stad was vol buitenlandse vertegenwoordigers. Bij het langzame gedreun van kanonnen en tromgeroffel werd het stoffelijk overschot van Bolivar op een schuit geplaatst en naar een wachtend schip geroeid. Weldra lichtte de hele vloot het anker, hees de zeilen en voer oostwaarts. Zo kwam het lichaam van Bolivar thuis. Caracas had zich in de rouw gestoken en er waren bogen over de straten gebouwd. Daar­onder reed een lange stoet van hooggeplaatste mannen uit vele landen en daarachter, getrokken door paarden met zwarte kleden, kwam een enorme katafalk, bedekt met kransen en bloemen en gedrapeerd met zwarte zijde. De mensen keken zwijgend toe ter­wijl de stoet voorbij trok op de maat van langzame muziek.

Bolivar had eindelijk de plaats gevonden waarnaar hij in de harten van zijn mensen en in de geschiedenis had gezocht
*ca 1950

.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

817-752

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (44)

.
Verteltijd ca. 5 min.
.

In de artikelen Pasen (38) en Pasen (43) wordt gesproken over vertellingen voor kleinere kinderen waarmee ze kunnen meebeleven wat er buiten in de natuur rondom Pasen gebeurt.

In onderstaand verhaal heeft de schrijver geprobeerd iets van de zon met de aarde te verbinden. Daarin kun je zeker een paasmotief herkennen.

Het heeft m.i. ook een functie in bijv. de heemkunde, want met een kleine uitbreiding kun je met dit ‘zinrijke’ verhaal de kinderen ook vertellen hoe het graan op aarde is gekomen, dat ons dagelijks het brood geeft.

.

Jörg Undeutsch, Der Elternbrief 04-1993
.

HET ZONNEKOREN – een paasverhaal

.

Er was eens een groot statig gras. Op een dag had een oude boer het ontdekt en meegenomen. Hij plantte het in heel vruchtbare aarde en verzorgde het vanaf dat ogenblik heel liefdevol.
Wanneer het eens een tijd niet regende, gaf hij het water en als het veel te veel regende, groef hij er een diepe geul rondom, zodat het water weg kon lopen. Alle onkruid in de nabije omgeving haalde hij weg. Zo was het gras steeds een beetje groter en mooier geworden. Het dacht er nooit aan groter of mooier te worden, het wilde alleen maar naar het licht groeien; het wilde dichter bij de zon komen.

Daar, in het licht van de zon, woonde een machtige zonnestraal. Ook hij had het grote, statige gras ontdekt, zag hoe het groeide en had het daarbij geholpen. Als er eens wolken voor de zonnestralen, zijn broeders, schoven en zo het licht de weg naar de aarde versperden, vond hij altijd nog wel een opening waar hij doorheen kon sluipen om zo toch nog het gras te kunnen beschijnen.

Toen het gras zo groot geworden was dat het bijna niet meer verder groeien kon, vormde het op de punt een klein schaaltje en hield dat naar de zonnestralen omhoog.
Toen de machtige zonnestraal dat zag, wist hij dat zijn tijd gekomen was. Hij trok zich terug in zijn hart. Steeds dichter bij zijn hart kwam het eind van zijn straal. Voortdurend kleiner en kleiner werd hij, tot hij al het licht in zijn hart verzameld had en hij niets meer was dan een kleine, stralende druppel zonlicht.

Zo liet hij zich vallen. Vanuit de hemel viel hij naar de aarde, naar het gras dat hij zo lang had beschenen. Steeds dichterbij kwam de helder glanzende zonnedruppel op het grote, statige gras af en hij zag dat dit een klein schaaltje op zijn punt naar hem toe hield, net of het riep: ‘Hier moet je in vallen, ik vang je op!’
Zacht viel de zonnedruppel in het kommetje op het puntje van het gras. Dit was zijn huis, zoals een nestje voor de vogels.

Toen de boer dat zag, was hij heel verheugd. ‘Kijk nou toch eens,’ riep hij naar de knechten en meiden, ‘het grote, statige gras dat ik gevonden heb en meegenomen, heeft een zonnedruppel opgevangen.

Op zijn weg van de hemel naar de aarde was de zonnedruppel steeds meer gaan stralen. En ook nu nog was het alsof hij alles wat er om hem heen was, alle licht, alle warmte, alle geuren en klanken in zich op nam. Het leek erop of hij ook het water van de aarde in zich opzoog met alles wat er aan stevige aardestoffen hem door het gras werd aangereikt. Daardoor werd hij steeds steviger en harder. Maar zijn glans verloor hij niet. De zonnedruppel was gerijpt tot een zonnekorenkorrel.

Toen kwam de herfst en daarmee hevige stormen die zelfs zo’n groot en statig, zo’n sterk gras als het onze, toch behoorlijk lastig kunnen vallen. Het gras werd heen en weer geblazen. Er werd aan geschud en gerukt, zo dat het gras dacht dat het nu wel zou breken.

Op een dag was er een heel heftige storm. Toen verloor het gras de zonnekorrel. Het had geen kracht meer om het vast te houden.

Even dacht het gras dat de korrel uit zichzelf was weggesprongen.

De korrel viel op de grond. Hij rolde een beetje heen en weer – en toen verdween hij in een spleet in de donkere aarde. Het gras stond er, toen het de korrel kwijt was, treurig bij en verdorde. De knechten en meiden van de boer jammerden: ‘Het gras heeft de korrel niet kunnen vasthouden. Die is op de grond gevallen en in de aarde verdwenen. Die zullen we nooit meer terugzien.’

De oude boer zweeg.

Stilletjes lag de zonnekorrel in de donkere aarde en wachtte. Hij pakte al zijn krachten samen. En toen de tijd daar was, strekte hij kleine worteltjes uit, tastend in de aarde, dieper en dieper en hield zich daarin stevig vast. Toen stak hij zijn hoofdje omhoog en groeide. En spoedig groeide hij boven de aarde uit; hij ademde de kruidige lucht in, was blij met de warmte die naar hem toe kwam en groeide naar het licht, zijn zonnestralenbroeders tegemoet.

‘Dat gras heb ik nog nooit eerder gezien,’ zei de oude boer tot de knechten en meiden, ‘het moet de zonnekorrel zijn.’

Het koren groeide verder. Het werd groter en statiger dan het grootste en statigste van alle grassen. Hij werd zo groot dat hij met zijn hoofd het lichtrijk van de zon bereikte, waaruit hij ooit vandaan was gekomen.

Toen werd hij geel, stralend geel, zoals hij als zonnekorrel was geweest. Zo stond hij daar, met zijn hoofd naar de hemel en zijn voeten diep in de aarde: een gras en een zonnestraal.

.

Grohmann: grassen en granen

5e klas: geschiedenis
.

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

.

816-751

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lord Beaverbrook

.

ENGELANDS ONSTUIMIGE KRANTENMAGNAAT
.

In de vriendelijke oktoberzon zat hij op het terras van Cherkley, zijn landhuis in Surrey: een oude man, ingepakt in een enorme jas, een slappe deukhoed op het hoofd gedrukt, één hand op de telefoon naast hem. “Vines,” riep hij, “breng me mijn agenda.” De secretaris — een van de vier — kwam aangehold. “Vines,” riep hij twee minuten later, “bel meneer Baker.” Even later was de adjunct-hoofdredacteur van de Londense Daily Express aan de lijn. De oude baas mompelde nors: “Hallo” en vroeg: “Wat heb je voor nieuws?” Aandachtig zat hij te luisteren en gooide er zo nu en dan een opmerking tussendoor. “Je hebt er toch een fotograaf heengestuurd, hoop ik? . . . Wat is er nog meer? . . . Tussen Engeland en Frankrijk? . . . Zo, neem even een hoofdartikel op.” En snel gaf Beaverbrook in grote lijnen aan wat er de volgende dag in het hoofdartikel moest komen te staan — te snel dan dat iemand aantekeningen kon maken, maar ik begreep wel dat aan het andere eind van de lijn een bandopnemer zijn woorden vastlegde. (Alle belangrijke medewerkers van Beaver­brook hadden een bandopnemer om hem te kunnen bijhouden.) 

Lord Beaverbrook, een naar Engeland overgeplante Canadees, is in juni 1964 in Cherkley overleden. En daarmee kwam een einde aan een fabelachtige carrière van een halve eeuw — als krantenman, politicus en wakkerschudder van Engeland. Als laatste van de ouderwetse krantenkoningen drukte hij zijn stempel op drie grote Londense bladen: het ochtendblad Daily Express, de Evening Standard en het weekblad Sunday Express.

In 1963 kwam zijn 12de boek uit en trouwde hij voor de tweede maal (zijn eerste vrouw was in 1927 overleden).

Voor Beaverbrook heeft de journalistiek altijd betekend: het nastreven van de een of andere zaak en het leveren van gevechten — waar hij van genoot. Ik heb hem eens gevraagd naar zijn ruzie met de oud-premier en oud-leider van de Britse Conservatieve Partij, wijlen Stanley Baldwin. “Vines,” brulde Beaverbrook, “wat zei Baldwin ook alweer precies toen hij me een prostituee noemde?” De secretaris antwoordde dat Baldwin hem ervan had beschuldigd “naar macht te streven zonder verantwoordelijkheid te willen dragen . . . door de eeuwen heen het privilege van de lichtekooi.” Beaverbrook wierp het hoofd in de nek en bulderde van het lachen.

Hij bladerde in een dik plakboek, vol knipsels uit de verkiezings­dagen van 1945. “Magnifiek! Magnifiek!” riep hij uit, wijzend op de aanvallen die op hem waren gedaan. De Times had hem in een hoofdartikel, ‘De boze wolf’ getiteld, flink onder handen ge­nomen. De Cooperative News had hem “minister van Chaos” ge­noemd ; een ander blad sprak van “Beaverbrook in Blunderland”.

De meeste van deze aanvallen werden plichtsgetrouw in Beaverbrooks kranten overgenomen, met uitzondering van één, in juni 1945, toen de Daily Express deze mededeling afdrukte: “Ten einde ruimte te maken voor de radiotoespraak van de heer Churchill, zijn de verslagen van de aanvallen op Lord Beaverbrook van gis­teravond blijven openstaan.” Zijn medewerkers hadden altijd de vrijheid “The Beaver” (de bever) in zijn eigen kranten te bekritise­ren, een voorrecht waarvan vooral zijn cartoontekenaars een dankbaar gebruik hebben gemaakt. De karikaturen die wijlen David Low van hem maakte — kalend, met een vollemaansgezicht en een brede, meesmuilende mond — waren beroemd.

Pittig, één bonk enthousiasme, stond Beaverbrook nu en dan zelf ietwat versteld van zijn eigen onverwoestbaarheid. “De men­sen vragen zich af waarom deze boom nog altijd staat,” zei hij dan. “Ik vraag ’t mezelf ook af.”

Hij vermoedde dat het antwoord op die vraag iets te maken had met “de felheid en de hartstocht” die al zijn daden beheersten. “Ik ben het slachtoffer van de Furiën,” schreef hij eens. “Op de rotskust van New Brunswick staat eeuwig en altijd de branding. Nu en dan slaat een bijzonder gevaarlijke golf woest tegen de rotsen. Zo’n golf noemt men De Razende. Kijk, dat ben ik nou.”

De Razende bestuurde zijn omvangrijke ondernemingen vanuit een overdadig gecapitonneerde fauteuil in zijn werkkamer van Cherkley. Daar had hij twee telefoons onder zijn onmiddellijk bereik, een dictafoon, een paneel met drukknoppen om zijn secretarissen op te commanderen, blocnotes, stapels correspon­dentie, kranten en boeken. Hij vloog brieven en aantekeningen door en smeet wat hij aflegde op de vloer, zodat hij om een uur of twaalf tot over zijn enkels in het papier zat. Met geregelde tussen­pozen belde hij de hoofdredacteuren en directeuren van zijn drie kranten op. Zijn eerste vraag was altijd: “Wat heb je voor nieuws?” en dikwijls had hij, dank zij een uitgebreid netwerk van relaties in regeringskringen, zelf een paar berichten in petto.

Als hij de geest kreeg, greep Beaverbrook de microfoon van zijn dictafoon en spuide zijn ideeën, kritiek en vermaningen. Elke dag bracht een koerier de platen naar zijn redactiebureaus van de Express in Fleet Street. “Te veel ruimte gegeven aan cartoons,” luidde bijvoorbeeld een waarschuwing. Of: “In de eerste editie van de Daily Express stonden geen foto’s uit Indonesië. Waarom niet?” Hij verwachtte dan onmiddellijk antwoord, telefonisch of over de telex. Zakelijke gesprekken gingen gewoon door terwijl hij zijn haar liet knippen, in bed ontbeet of in het bad zat. Toen hij nog aan paardrijden deed, werd hij altijd vergezeld door een be­reden secretaris, die aantekeningen op een blocnote krabbelde.

Beaverbrook had jarenlang een aantal van de beste krachten uit Fleet Street in zijn dienst, maar zijn wervingsmethoden waren dan ook altijd hoogst origineel. In 1948 las hij met bewondering een boek van Milton Shulman over de oorlog. Onmiddellijk gaf hij het bevel: Ga Shulmann zoeken! Tot ieders verrassing bleek dat Shulman al een ondergeschikte baan bij de Evening Standard had. Beaverbrook ontbood hem naar Cherkley en vroeg hem of hij zin had filmcriticus bij de Standard te worden. Shulman antwoordde dat hij zelden naar de bioscoop ging. “Dat hindert niet,” stelde Beaverbrook hem gerust.

Na de lunch begaven ze zich naar de privé-bioscoop van de krantenkoning om een thriller te zien. Beaverbrook had de film al gezien en viel prompt in slaap. Na twee filmrollen werd hij wakker. “Wie heeft dat blonde meisje vermoord?” wilde hij weten. Maar na die twee rollen kon Shulman dat met geen mogelijkheid zeggen. “Doet er niet toe,” zei Beaverbrook. “Ga naar huis en schrijf een recensie van 400 woorden. Stuur me die morgen toe.” Shulman vertrok in wanhoop, maar ontdekte gelukkig dat de film in een achteraf-bioscoopje in Londen draaide. De volgende morgen woonde hij de voorstelling van tien uur bij en zorgde er­voor dat Beaverbrook vroeg in de middag zijn recensie had. Hij werd aangenomen.

Hoe excentriek zijn manieren om personeel uit te kiezen ook mochten zijn, Beaverbrook stond altijd achter zijn mensen. Shul­man met zijn geestige en ook bijtende pen werd weldra de ge­vierdste filmcriticus van Londen; maar ook haalde hij zich met zijn scherpe kritieken de vijandschap van de filmmaatschappijen op de hals. In 1953 stopten ze met adverteren in Beaverbrooks bladen. Die advertenties brachten 2½ miljoen gulden per jaar op, maar Beaverbrook gaf geen krimp. Shulman behield zijn baan en na vier maanden begon de boycot te verlopen.

De jaren 1940—’41 vormden Beaverbrooks roemruchte tijd. In mei 1940 kwam aan het licht dat de Britse verdediging in de lucht erbarmelijk ontoereikend was. Een van Churchills eerste daden als minister-president was Beaverbrook aan te wijzen als minister van Vliegtuigproductie en hem terstond carte blanche te geven.

Beaverbrook was geen genie op het gebied van de productie; maar waarschijnlijk wel de energiekste en meest meedogenloze man van heel Groot-Brittannië. In de overtuiging dat de komende zes maanden over het lot van het land zouden beslissen, ontzag hij zich niet alle denkbare listen en manieren te gebruiken om de zo van vitaal belang zijnde vliegtuigen te verkrijgen. Hij werkte zeven dagen van de week, 18 uur per dag, en bezielde zijn collega’s met een heilig vuur. In tientallen vliegtuigfabrieken sprak hij de arbeiders toe en overdonderde hen met zijn gloedvolle bezwering dat het lot van de natie van hun arbeid afhing.

Hij trapte op bureaucratische lange tenen door fabrieksruimte te rekwireren waar hij die maar vond en materieel dat onder andere ministeries ressorteerde, weg te kapen. Een hem typerende manoeuvre had te maken met het tekort aan een bepaalde staal-alliage. Langs de normale weg, bij het ministerie van Bevoorra­ding, kon de Beaver niets bereiken, en daarom machtigde hij een medewerker de alliage via een vriend in de Verenigde Staten te kopen.

Toen de zending Liverpool bereikte, was de haven juist door een luchtaanval zwaar geteisterd en lagen er wel honderd schepen te wachten om gelost te worden. Weer speelde Beaverbrook het via onofficiële kanalen klaar dat zijn schip vóór zijn beurt werd gelost — en dit alles zonder voorkennis van het ministerie van Bevoor­rading.
Deze methoden wekten heel wat verontwaardiging, maar waar het op aankwam was dat Beaverbrook de vliegtuigen leverde zonder welke de Slag om Engeland nooit gewonnen had kunnen worden. In mei, toen hij minister werd, hadden de luchtstrijd­krachten in Engeland nog geen 800 vliegklare Hurricanes en Spitfires; in september was dit aantal — ondanks zware verliezen in de luchtoorlog — tot 1228 gestegen. Churchill vond in het Lagerhuis de juiste woorden: “Lord Beaverbrook is op zijn aller­best als de toestand op zijn allerslechtst is.”

Voordat Beaverbrook in 1917 in de adelstand werd verheven, heette hij William Maxwell Aitken. Max, zoals hij werd genoemd, werd in 1879 te Maple in Ontario geboren als een van de tien kinderen van een Presbyteriaanse dominee, die het jaar daarop naar New Brunswick verhuisde. Na de middelbare school, stu­deerde Max korte tijd rechten, werd toen verzekeringsagent en beheerde een kegelbaan in Calgary. In Edmonton werkte hij een tijdje in de vleeshandel.

Even twintig trok hij naar Halifax in het oosten van Canada en begon daar als makelaar in effecten, waarbij hij van meet af aan toonde een scherp zakeninstinct en ook een groot overwicht op cliënten te bezitten. Zijn commissie bedroeg tien percent en tegen de tijd dat hij 22 werd had hij voor anderhalf miljoen dollar ver­kocht.

Het duurde niet lang of hij was actief bij de fusie van industriële ondernemingen — staal, elektriciteit, cement en andere bedrijven. Hij bracht de fusies tot stand en verkocht dan de aandelen van de nieuw gevormde firma’s aan het publiek. Op zijn 31ste jaar bezat hij een fortuin van vijf miljoen dollar en de reputatie van een financiële piraat.

In augustus 1910 bracht hij met zijn vrouw een bezoek aan Engeland. Op verzoek van zijn vriend Bonar Law, een der mach­tige figuren in de Conservatieve Partij, stelde hij zich bij de ver­kiezingen van december 1910 kandidaat voor het Lagerhuis. De jonge Canadees boekte een verrassende overwinning, werd op slag beroemd en wierp zich meteen midden in de partijpolitiek.

In 1916 had Aitken een belangrijk aandeel in de manoeuvres die resulteerden in de benoeming van Lloyd George tot eerste minister. Uit erkentelijkheid voor zijn bemoeiingen werd hij als de eerste Baron Beaverbrook tot lid van het Hogerhuis gepromo­veerd, een onderscheiding waar hij later spijt van zou krijgen, want zij verwijderde hem van het ware centrum van de macht.

Ook in 1916 kocht hij de Daily Express, een noodlijdende krant, voor 175 000 gulden. Zijn motief hiervoor was louter van politieke aard: de carrière van Bonar Law steunen en zijn eigen campagne kracht bijzetten, die gericht was op een voorkeurbehandeling in Groot-Brittannië van producten uit het Imperium, en op tol­muren tegen de rest van de wereld.

Om de grote massa te kunnen bekeren, moest hij eerst een groot publiek trekken; en om een groot publiek te trekken had hij een uiterst leesbaar product nodig.

Beaverbrook zette zich ertoe zelf de journalistiek als vak te leren en in de loop der jaren kregen zijn bladen hun eigen stijl, geken­merkt door een eenvoudige, directe manier van schrijven waarin men de bijtende spreektrant van Beaverbrook herkende, nadruk op het menselijke element en dramatische verslagen uit de eerste hand. Arthur Christiansen, die vijfentwintig jaar hoofdredacteur van de Daily Express is geweest, heeft gezegd dat het streven was, het nieuws te brengen “op zo’n manier dat het even interessant was voor de secretaris-generaal van het ministerie van Buiten­landse Zaken als voor de werkster die ’s morgens vroeg de vloer van zijn bureau aanveegde. Ik werkte erop dat je bij het zien van de voorpagina ‘Grote genade!’ zei; bij het opslaan van de mid­denpagina ‘Als-je-me-nou!’ en tegen de tijd dat je aan de achter­pagina toe was — ik zou een lelijk woord moeten gebruiken om aan te geven hoe opwindend die wel was.”

De krant sprak de mensen sterk aan. De Express had een oplage van 229 000 toen Beaverbrook hem kocht; nu zijn het dagelijks meer dan 4 190 000 exemplaren, die gelijktijdig uit Londen, Manchester en Glasgow over heel het land worden verspreid.

De ironie van het lot wilde dat, toen hij zich eindelijk een lezers­kring van miljoenen mensen had verworven, velen zijn kranten wel met plezier bleken te lezen, maar van zijn politieke opvat­tingen niets moesten hebben.

De ideeën die hij aan de man trachtte te brengen, zijn in de loop der jaren niet wezenlijk veranderd. Geen journalist heeft welsprekender de glorie van het Britse imperium bezongen en met dieper smart om het uiteenvallen ervan getreurd dan Beaver­brook. Sinds 1951, toen hij zich tegen de regeringspolitiek ten aanzien van het Imperium verzette, is de figuur van de kruisvaar­der bovenaan de voorpagina in ketenen geslagen. In de jaren ’20 en het begin van de jaren ’30 voerde hij een heftige campagne voor “Vrijhandel in het Empire”, bestreed de orthodoxe leiding van de Conservatieve Partij en stelde zijn eigen kandidaten. (Beaverbrook verloor.) In 1961 en 1962 verzette hij zich met grote felheid tegen Engelands toetreden tot de EEG.

Altijd was hij een buitenbeentje in de politiek der Conservatie­ven, dwars ingaande tegen het officiële partijstandpunt in zaken als vrijheid voor Ierland (waar hij voorstander van was) en de gedwongen troonsafstand van koning Edward VIII (waar hij zich tegen verzette). Zijn kranten maken de erfelijkheid van adellijke titels belachelijk, verheerlijken de economische vrijheid van het individu en de overvloed voor de massa. Zonder twijfel heeft hij in de loop der jaren de houding van het land op deze punten beïnvloed.

De kranten eisten volstrekt niet al zijn energie op. Een groot deel van zijn tijd wijdde hij aan charitatieve arbeid in New Bruns­wick, de provincie waar hij vandaan kwam; daar heeft hij 20 mil­joen dollar geschonken voor scholen, bibliotheken, ijsbanen en allerlei andere instellingen. De laatste jaren publiceerde hij een reeks politieke kronieken over de grote gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt en waarin hij een aandeel heeft gehad, te beginnen met de Eerste Wereldoorlog. Drie van deze historische kronieken zijn verschenen — de laatste is Ondergang en val van Lloyd George — en hij was bezig aan twee andere: Het Baldwintijdperk en Churchills oorlog. De tot dusverre verschenen delen zijn stuk voor stuk ge­prezen om hun genialiteit en de nimmer verflauwende, levendige verteltrant.

Enkele maanden voor zijn dood zei Beaverbrook peinzend: “Het moet nu toch wel zo ongeveer tijd zijn voor de afrekening,” waarbij hij zich realiseerde dat hij en Churchill als laatsten waren overgebleven van de regering die Groot-Brittannië door twee wereldoorlogen had geloodst. “Het zal niet lang meer duren voor­dat mijn laatste editie uitkomt.” Maar die bespiegelende pauze duurde maar even. Dan drukte hij op een knop en greep naar de telefoon, in de wervelwind van activiteit die het centrum van een machtig, levendig krantenrijk kenmerkte.

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

812-747

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-10)

.

Verteltijd ca. 11 min.

.

DE WOLFSMOEDER VAN SINT-ELVIUS
.

Dit is de geschiedenis van een klein Iers kind, wiens ontaarde vader en moeder niet de allerminste liefde voor hem voelden. En daar zij natuurlijk het noch konden verkopen noch weggeven, probeerden zij zich op een andere manier van hem te ontdoen. En zij wikkelden het in een doek en namen het mee naar het gebergte, waar zij het in een bosje van heidestruiken neerlegden.

Nu gebeurde het, dat een wolfsmoeder, die haar avondwandeling maakte nadat zij haar kleintjes gedurende de hele dag in haar verbor­gen berghol verzorgd had, juist voorbij het heidebosje kwam. Toen zij nu een zwak, klein stemmetje hoorde huilen, spitste zij haar puntige oren en dacht: “Wat is dat?” En met haar scherpe neus rondsnuffelend, liep zij regelrecht aan op de plek, waar het kleine roze kindje lag te schreien van honger en kou.

Toen werd het hart van de wolfsmoeder getroffen, want zij dacht aan haar eigen kleintjes thuis, en hoe droevig het zijn zou, wanneer zij daar zo verlaten en hulpeloos en vergeten lagen. En zij nam het kindje voorzichtig op in haar bek en rende er mede terug naar het hol aan de voet van de berg. En daar nu, in dat hol groeide de kleine, wiens naam Elvius was, op met de kleine wolfjes, met wie hij het ontbijt en het middag-  en avondeten deelde, met wie hij speelde en kibbelde, alles op zijn beurt. De wolfsmoeder verzorgde hem teder en gaf hem van alles het beste, want zij had hem in waarheid zéér lief. En Elvius werd dagelijks groter en sterker en mooier, terwijl hij daar te midden van zijn gelukkig tehuis in de woeste bossen van het groene Ierland opgroeide.

Maar op zekere dag, ongeveer twee jaren, nadat de wolfsmoeder de kleine Elvius in het heidebosje gevonden had, reed een jager, na afloop van de jacht, over de berg naar huis en kwam voorbij het hol, waarin Elvius met de kleine wolfjes woonde. En terwijl hij on­der de bomen doorreed, zag hij opeens een klein wit wezentje het pad recht tegenover hem oversteken. Eerst dacht hij, dat het een konijn was, maar daarvoor was het toch te groot, en bovendien sprong het ook niet als een konijn. De jager sprong van zijn paard en liep het grappige diertje achterna om te zien, wat dit wezen kon. Weldra haalde hij het in bij een kreupelbosje, waarin het zich wilde ver­bergen, en hij was niet weinig verbaasd, toen hij zag, dat het noch een haren vacht, noch horens, noch vier poten, noch een staart had, maar dat het een mooi kindje was, dat niet rechtop kon staan, maar met zijn naakte lijfje op handjes en voetjes te gelijk, als een klein wolfje rondliep.
Het was de kleine Elvius, de lieveling van de wolfsmoeder, die nu zo groot en flink geworden was, dat hij wel voor zichzelf zorgen kon. De jager dacht evenwel, dat hij niet daartoe in staat was, en besloot aanstonds het arme kleintje mee naar huis te nemen en het door zijn vrouw verder te laten verzorgen. En hij nam Elvius op in zijn armen, die echter hevig tegenspartelde en schopte en beet, als een klein wild diertje, zodat hij door de jager in een slip van zijn wijde jas gewikkeld moest worden. Daarna sprong deze weer op zijn paard en rende daarmede het bos uit, naar zijn dorp.

Elvius wilde evenwel zijn huis in het bos, zijn wolfshol en zijn kleine wolfsbroertjes niet gaarne verlaten,  en voornamelijk wilde hij niet gescheiden worden van zijn lieve pleegmoeder, zodat hij uit alle macht schreeuwde en schopte, om toch maar los te komen uit de sterke armen van de jager. En luidkeels riep hij de wolven toe in hun eigen taal om hem toch te komen helpen. Toen kwam plotseling de grote
wolfsmoeder met haar vier kinderen, die nu bijna even groot waren als zijzelf, uit het bos springen. En zij jaagden het vluchtende paard achterna en beten huilend van angst en woede naar de los geraakte slip van de  jas van de jager. Maar zij konden de rover niet pakken en dus hun pleegkindje, het kleine vondelinge­tje met zijn zacht velletje, niet terug krijgen. En zo geraakten de vijf wolven langzamerhand verder en verder achterop, nadat zij hem mijlen vervolgd hadden. En toen ten laatste Elvius zijn arm­pjes over de schouder van de jager uitstrekte naar zijn pleeg­moeder, zag hij nog juist, hoe zij hijgend op de weg bleef stilstaan en met een laatste gehuil tot afscheid zich omkeerde. Zij had de wanhopige strijd moeten opgeven. En met de staart tussen de poten en met hangende koppen gingen de wolven met lome schre­den terug naar hun eenzaam hol in de bergen, waar zij hun klein speel­makkertje nooit zouden terugzien. Het was voor de goede wolfsmoeder een zéér treurige dag.

De jager reed intussen met de kleine Elvius vóór zich op de hals van het paard naar zijn huis, waar de kleine een nieuwe moeder vond om hem te ontvangen. Elvius heeft nooit geweten, hoe eigenlijk zijn eigen moeder was, doch zeker moest zij een slechte, wrede vrouw geweest zijn. Zijn tweede moeder nu was een vriendelijke wolvin en deze, zijn derde, was een mooie prinses. Want de jager, die het kind gevonden had, was een prins, en woonde in een groot kasteel bij een meer in de nabijheid van Tipperary, waar een menigte paarden en hon­den en kleine pages waren voor Elvius om mee te spelen. En hier nu woonde Elvius en voelde zich heel gelukkig, en hij leerde er allerlei dingen, die in die dagen een kleine jongen moesten ma­ken tot een groot, wijs man. En werkelijk was hij zo groot en wijs, dat hij werd benoemd tot bisschop en een eigen paleis kreeg in de stad Emly. En van zeer ver kwamen de mensen tot hem, om zijn wijze raad in te winnen.

Doch hoe groot en beroemd Elvius ook mocht geworden zijn, toch ver­gat hij nooit zijn tweede moeder, de goede wolvin, noch zijn vier­voetige broertjes, in hun grijze harenvacht en menigmaal, wanneer de mensen het hem met hun domheden al te lastig maakten, ver­langde hij terug naar het bos met zijn goede dieren. Want dikwijls waren zij veel verstandiger dan de mensen, die veel uit de boeken geleerd hadden.

Vele jaren later werd er op zekere dag in Emly een grote jachtpartij gehouden. Mijlen ver uit de omtrek kwamen de lords en gro­te heren tezamen om op de wilde dieren uit de bossen te jagen en onder de  jagers was ook de prins, de pleegvader van Elvius. Doch hijzelf, de bisschop, was niet onder hen, want hij vond geen genot in het doden van levende schepselen.

Het was reeds nacht en nog altijd verwachtten de inwoners van Emly de terugkomst van de jagers. En juist kwam de bisschop op weg uit de kerk door de dorpstraat, toen het geluid van de jachthorens over de heuvels schalde. Binnen enkele ogenblikken zouden dus de jagers terug zijn. Luider klonk het geschetter van de hoorns en duidelijk kon Elvius nu ook het gekletter van paardenhoeven en het blaffen van de honden horen.
Plotseling was het, alsof Elvius’ hart stil stond. Want te midden van de verschillende jachtgeluiden hoorde hij een kreet, die hem van lang geleden, in het geheugen kwam. Het was het lang ge­rekte huilen van een wolf, een droevig geluid van angst, afmatting en pijn, een taal sprekend, die hij bijna vergeten was. Nauwelijks had hij echter tijd er verder over na te denken en zijn geheugen te hulp te roepen, of er kwam een grote, magere figuur, vluchtend voor de grootste sprongen van de voorste honden, die hem op de hielen zaten, de dorpstraat inrennen. Het was de wolfsmoeder van St.- Elvius. Zodra hij haar groene ogen zag en de witte vlek op haar rechter voorpoot, herkende hij haar. En zij herkende hem blijkbaar ook. In de bisschop met zijn fraai purper gewaad, met kostbare kant bezet, met de mijter op het hoofd en de staf in de hand herkende de wolfsmoeder haar geliefde zoon. Met een kreet van vreugde sprong zij te­gen hem op en legde haar kop tegen zijn borst, vast overtuigd, dat hij haar beschermen zou tegen de huilende honden en de woeste, bloed­dorstige jagers. En zij vergiste zich niet in de goede bisschop.
Want hij spreidde zijn kostbaar fluwelen gewaad over haar vermoeid, afgemat lichaam en legde zijn hand vol tere liefde op haar kop, terwijl hij met de andere zijn staf waarschuwend omhoog hief om de woedende honden tegen te houden.
“Ik zal U beschermen, oud moedertje” zei hij teer. “Toen ik klein ­en jong en zwak was, hebt U mij gevoed en geliefkoosd en beschermd. En zou ik U, nu U oud en grijs en zwak bent, niet dezelfde liefde bewijzen en voor U zorgen? Niemand zal U enig kwaad doen.” Op hetzelfde ogenblik kwamen de jagers op hun met schuim bedekte rossen tierend aanrijden, maar plotseling hielden zij stil om te zien, wat er gebeurd was. Sommigen van hen werden boos en wilden onmiddel­lijk de wolvin doden, zoals de honden die, teleurgesteld, grom­mend naar hun buit zochten. Doch Elvius hield hen tegen, hen verbie­dend de wolvin aan te raken. En hij was zo’n machtig en wijs en heilig man, dat niemand hem ongehoorzaam durfde zijn, zodat hun niet anders overbleef dan lijdelijk toe te zien, hoe hun jacht mis­lukt was en hun prooi uit hun klauwen ontnomen werd. Doch voordat de  jagers met hun honden wegreden, had Sint-Elvius nog enige woorden met hen te spreken. En hij verzocht al de nieuwsgie­rigen, die zich om hem en de wolvin verzameld hadden, te luisteren.
Toen herhaalde hij plechtig de belofte, die hij de wolvin gedaan had en waarschuwde een ieder, haar, noch haar kinderen ooit enig leed te berokkenen, noch in het dorp, noch in het woud en ook niet in de bergen. En zich opnieuw tot de wolvin kerend, sprak hij: “Zie, moeder, U hoeft niet te vrezen. Zij zullen U geen kwaad doen, nu U uw zoon weergevonden hebt om U te beschermen. Kom elke dag met mijn broeders aan mijn tafel en ik zal met U en de uwen mijn voedsel delen, zoals U dat zo menigmaal hebt gedeeld met mij.”

En zo gebeurde het.

Zolang zij leefde bracht de wolfsmoeder elke dag haar vier kinde­ren naar het bisschoppelijk paleis en huilde zolang aan de poort, totdat de wachters haar binnenlieten. En elke dag opnieuw werd hun de poort opengedaan en werd het vijftal naar de eet­zaal gebracht, waar Elvius aan het hoofd van de tafel gezeten was met de vijf familieleden. En daar met haar vijf geliefde kinderen in een halve cirkel om zich heen, at de wolfsmoeder van de spijzen, die de vrien­den van de bisschop voor hen bereid hadden. Maar het kind, dat zij het meest liefhad, was niet een van de vier, die met hun hari­ge vacht en fijne baarden op haar geleken, maar was de Heilige met de vriendelijke blauwe ogen, gekleed in zijn purper en wit kleed, aan het hoofd van de tafel.

Sint-Elvius beschouwde haar geheel als zijn moeder en zijn broe­ders en vergenoegd glimlachte hij, terwijl hij daar zo te midden van hen gezeten was, en hij voelde zich zéér gelukkig.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

 

 

807-742