Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (13)

.

KEERPUNT IN HET JAAR

Het feest van Johannes

Op 24 juni wordt de naamdag van Johannes de Doper gevierd, maar eigenlijk is de hele maand juli aan hem gewijd, ja, je zou zelfs kunnen zeggen dat zijn machtige invloed zich uitstrekt over de hele zometijd. En wat gebeurt er eigenlijk in die zomertijd? De scholen zijn gesloten, het is vakantie, een woord dat afgeleid is van ‘vacuüm’, dat is ‘een lege ruimte’. In die ruimte trekt ieder­een erop uit om ‘van lucht te veranderen’, en een tijdlang te vergeten wat je opgenomen hebt in het jaar dat nu achter je ligt.
In het klein is dat de rustdag aan het eind van iedere week. De beslommeringen van het dagelijks bestaan, de problemen die zich vaak tegen de zomer ophopen en groter lijken te worden, moeilijkheden met anderen die in de hitte van het seizoen tot een uitbarsting dreigen te komen – al deze dingen moet je tijdelijk los­laten, zodat ze kunnen bezinken. Met het hoger komen van de zon word je uit jezelf getrokken, niet alleen door de natuur, maar ook door de dingen die er om je heen en met jou gebeuren. Wat je in de zomertijd doet, is afstand nemen, je op jezelf terug­trekken, proberen weer tot jezelf te komen. Het herinnert aan de roep van Johannes de Doper in de woestijn: ‘Komt tot inkeer!’

Een nieuwe orde
Het tweede gedeelte van deze toep luidt: ‘Het Rijk der hemelen is nabij gekomen!’
In een tijd dat hemel en aarde elkaar dicht genaderd zijn, klinkt daar voor ieder die het horen wil: ‘Er is een rijk op aarde gekomen dat niet van deze aarde is’. Het wordt gezegd door een man die dat zelf niet meer meemaakt. Hij is voorloper, hij kondigt aan en bereidt de weg voor Hem die komt, door het geestelijk kli­maat ontvankelijk te maken. Hij is de wachter op de drempel naar een nieuwe tijd. Zijn roep wordt gehoord, er komen velen die zijn leerlingen willen zijn.

Johannes de Doper wordt de laatste profeet van Israël genoemd, maar zijn wijze van wer­ken was anders. De profeten uit vroeger eeuwen waren boetepredikers, zij waren het geweten van het Joodse volk dat bij monde van één mens van tijd tot tijd wakker ge­schud werd, als de Israëlieten dreigden in te dommelen en het niet meer zo nauw namen met de wetten van Mozes. De wetten waren richtinggevend, ook voor de profeten. Bij de komst van Johannes werd dat anders. De mensen werden opgeroepen om al het oude los te laten, daar afstand van te nemen zodat het opnieuw met ‘frisse ogen’ bekeken kon worden. Johannes riep op tot een nieuwe orde, een opnieuw ordenen van de geestelijke inventaris. Tot in het fysieke bood hij de mensen daarbij hulp: de doop in het water van de Jordaan, de algehele onder­dompeling in het stromende, beweeglijke ele­ment bewerkte dat de mensen korte tijd ‘buiten zichzelf’ raakten van het wordende, het voortdurend veranderende. Johannes maakte de mensen vertrouwd met wat de grondeigenschap zou zijn van de nieuwe or­dening, van het Rijk dat komende was. Het moet een indrukwekkende ervaring zijn ge­weest voor de groep mensen om Johannes heen, mensen die voorbereid werden om later leerlingen te zijn van Hem die door Jo­hannes als zijn Meester werd gekarakteriseerd met de woorden: ‘Ik ben niet waard te buk­ken om zijn schroenriem los te maken’. Alles werd op losse schroeven gezet, opdat alles in een nieuw licht gezien kon worden. Dat was de opdracht van Johannes de Do­per. Bij zijn geboorte kreeg hij niet de naam van zijn vader, die hem zou verbinden met de familie, met de bloedverwanten. Vanuit de geestelijke wereld kreeg hij uitdrukkelijk een nieuwe naam, die hem tot verbazing en ergernis van Zacharias’ familie uittilde boven de familieband. Zijn levenstaak gold het hele volk.

Een andere ‘Johannes’
Aan het begin van het Nieuwe Testament staat Johannes de Doper als wegbereider: de akker wordt geploegd en gereed gemaakt. Zijn leven is een offer: ‘Ik moet afnemen, Hij moet groeien’. Aan het einde van de Bij­bel staat het toekomstvisioen, de Openbaring van de andere Johannes. De wijze waarop bijvoorbeeld in de Russische sprookjes deze naam Johannes wordt gehanteerd, doet vermoeden dat het hier gaat om een bovenper­soonlijke naam. Hij geeft aan waar de mens die deze naam draagt, in spiritueel opzicht staat.

In de Handelingen en Brieven der apostelen vinden we nog een derde ‘Johannes’, al wordt hij niet met die naam aangeduid. Zijn leven staat in het teken van Johannes, als ik dat zo noemen mag: de ommekeer. Bij de steniging van de eerste martelaar voor het ge­loof, Stefanus, stond iemand die niet daad­werkelijk met de steniging meedeed, maar ‘de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd’ (Hand. 7). Deze Saulus wordt na deze ge­beurtenis de meest fanatieke vervolger van de jonge Christengemeenten, zo fanatiek dat de vraag kan ontstaan: heeft hij iets waar­genomen bij de ten dode gedoemde Stefa­nus, dat hij liever wil trachten te vergeten? Heeft hij de weerschijn van de hemelse heer­lijkheid gezien op het stervende gelaat van de martelaar?

Hoe het ook zij: voor Damascus wordt Sau­lus zo getroffen door het visioen van de Herrezene, dat hij ‘buiten zichzelf’ raakt en drie dagen blind is voor de uiterlijke wereld, ter­wijl hij niet eet of drinkt. Het oude wordt losgelaten en opnieuw geordend in het licht van Christus. Daarna is deze man een ander mens met een andere naam: Paulus, en onder deze nieuwe naam zal hij eens schrijven: ‘Ik leef, echter niet ik, maar Christus in mij’, woorden die evenals de ‘lijfspreuk’ van Jo­hannes de Doper een offer betekenen. Hij stelt zijn leven in dienst van Christus.

Het jaar rond
Tussen de Doop in de Jordaan en de licht­glans voor Damascus, tussen Johannes de Doper en Paulus voltrekt zich het evangelie: ‘Het Woord is vlees geworden’. De ene helft van het jaar met de stijgende zon mee, van Advent-Kerstmis tot op de 50ste dag na Pa­sen, het pinksterfeest, kunnen we de mens­wording van Christus meebeleven, geholpen door het vieren van de jaarfeesten. De tweede helft van het jaar, als de nachten langer worden, staat Paulus naast Johannes de Doper, en beiden richten onze aandacht op het christen worden van de mens.
In de zomer bezinkt wat we hebben gehoord en beleefd, maar in het begin van de herfst is er steeds weer die ervaring van een nieuwe inzet als vrucht van de bezinning. De aarts­engel Michael waakt over deze steeds ver­nieuwende wilsimpuls van ons mensen, en hij helpt ons het juiste midden te vinden.
Aan de zuidgevel van de kathedraal van Chartres staat op de pilaar voor het midden­portaal de uit steen gehouwen gestalte van Jezus met aan weerszijden de Apostelen. Di­rect rechts naast het midden is Petrus afge­beeld met een grote sleutel, en direct links naast de Christus, aan de kant van het hart, staat Paulus met naast hem de drager van de Johannesnaam, die tot de apostelen behoor­de.

Paulus behoort niet tot de oorspronkelijke leerlingen van Jezus; hij heeft de Meester immers niet in levenden lijve gekend. Maar na het visioen voor Damascus sluit hij zich aan bij de apostelen en dient even vurig de jonge christengemeenten als hij ze daarvoor vervolgde. Die grote ommekeer laat ons voor altijd zien hoe het is, als een mens op een bepaald moment in zijn leven erkent: Christus is de grond van mijn bestaan.

Marieke Anschütz,’Jonas’ 21 van 13 juni 1980

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.
189-179

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (12)

.

OUDE GEBRUIKEN HOUDEN HARDNEKKIG STAND

Als het zomer wordt

Als, om met Ritter te spreken, de zon in de zomer jolig doet in het spel der wolkendoeken langs het koperglanzend luohtkuras en een aandoening geeft als van vele rumoerige vlaggen, die feestelijk door de hemel worden gezwaaid, springt er vreugde in ons hart.

Uitbundige vreugde uitten in oude tijd ook de Ger­manen, Kelten en Slavische volken, wanneer de zomer begon en zo’n brede plaats besloeg in het leven van deze heidense stammen het zonnewendefeest, dat de evangeliepredikers er nimmer in geslaagd zijn om de aloude gebruiken, die ermede gepaard gingen, uit te roeien. Ze konden die alleen een christelijk tint­je geven: voortaan vierde men die datum het Sint-Jansfeest.

Gebruiken
Talrijk zijn de gebruiken rond deze datum, die vroe­ger in ere waren en waarvan er nog verschillende ge­handhaafd zijn gebleven. Algemeen was er ’t bijge­loof, dat er op Sint-Jansdag rotsen zich openden en dan verborgen schatten deden schitteren en toonden aan hen, die op een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden de bergen beklommen. Zaden van varens, verzameld op deze dag, aldus het volksgeloof, brengen geluk en voorspoed. Ook de ge­heimzinnige wichelroede, die in oude tijd een nog veel belangrijker rol speelde dan thans, zou alleen dan bruikbaar zijn en feilloos functioneren, wanneer deze in de sintjansnacht was gesneden.
Evenals in de kerstnacht zou water veranderen in wijn, maar wee wie het getransformeerde water wil­de drinken! Nauwelijks zou men van de wonderlijke drank geschept hebben of de duivel zou tevoorschijn springend met het gezegde:

‘Dit water is wijn, En gij zijt mijn! ‘

Wie in de sintjansnacht, klokke twaalf, het bos in­trekt, stil, zwijgend, zonder woorden, zal tot zijn ver­bazing de varens zien bloeien, doch slechts een mo­ment. Leg dan een witte zakdoek onder de plant, plaats er een stokje bij, want anders wordt de doek onvindbaar.
De uitgebloeide bloem zal op de zakdoek vallen, maar dan is het ogenblik daar, heen te gaan zonder om te zien. Ook niet, wanneer iemand je zou volgen. In dat geval zou men onzichtbaar worden.

Hekserij
De boeren legden in de sintjansnacht een paar be­zems kruisgewijze op de drempel van de stal, zodat heksen en boze geesten het vee geen schade konden berokkenen. Geen beter afweermiddel tegen zulke wezens dan het kruis!
Deze nacht is bijzonder als geestenmacht geëigend. Dan houden ze samenkomsten in de toppen der bo­men, die door de hitte, die de geesten verspreiden, totaal verkolen. Deze nacht durfde eenmaal geen vis­ser het Haringvliet uitvaren, uit vrees voor beheksing en… de vangst zou toch nihil zijn!
Doch er was een middel om de heks te ontdekken. Het werd vroeger toegepast b.v. in Zuid-Holland, op de Veluwe, in Friesland, etc. Het was de sleutel- of draaiproef. Men legde een sleutel met een kruisbaard (d.i. een sleutel met een kruisvormige opening in de baard) tussen de bijbelbladen op 1 Joh. 1 : 1. Daarna werd het boek stevig dichtgebonden, zó, dat de baard er een eindje buiten stak. De bijbel liet men nu door middel van de sleutel op zijn vingers rusten. Noemde men de naam van de vermoedelijke heks, dan zou de bijbel vallen, zodat men wist dat de juiste naam was genoemd.

Sintjanstros
Vooral in Oost-Brabant en dan speciaal in de ‘Acht-Zaligheden’, als Hunsel, Eersel, Knegsel, Steensel, enz. in Noord-Limburg en Zuid-Gelderland hangen de bewoners op 24 juni nog altijd de sintjanstros in het bovenlicht van voor- of achterdeur. Soms ook wel terzijde ervan! Van dat moment af beschermt de dagheilige de woning. Vandaar, dat de tros er blijft han­gen tot hij geheel verdord is en verweerdIn deze be­schermende periode zal onweer noch hagelslag scha­de toebrengen aan woning, mens of dier. Beschouwen we de tros nauwlettend, dan valt het aanstonds op, dat zij in elke plaats weer een andere samenstelling heeft. De Duizelse (Duizel is ook een der acht ‘selligheden’) bestaat uit: sint-janskruid, korenbloemen, madeliefjes en rozen. Te Huissen (Gel­derland) wordt hij gevormd door notentakken en rode rozen.
De Altenaren hebben later de tros weer in ere her­steld.

Amulet tegen blikseminslag enz.
De legende leert ons hoe men er toe kwam, de sintjanstros als amulet tegen blikseminslag te zien.
Eens zou de apostel Johannes zijn gehoor een beschrij­ving geven van het onweer, waarin Gods almacht zich openbaart. Maar hij deinsde ervoor terug, toen hij in een visioen de verschrikkingen zag van het in­slaande hemelvuur. Hij smeekte God een plant te willen aanwijzen, die die mensheid zou kunnen gebrui­ken om voor de ramp van blikseminslag te worden gevrijwaard. Die plant was het sint-janskruid. Van­daar dat ze in geen enkele tros ontbreekt, hoe ver­schillend van samenstelling deze ook mag zijn. Maar ook tegen allerlei kwalen en ziekten hielp het kruid. Vooral de zaden bezitten geneeskrachtig ver­mogen.

In het noorden des lands hing men met hetzelfde doel als in de Brabantse dorpen een soort ‘sedumplant’ in de woonkamer. De plant groeit uit en zijn takken krommen zich opwaarts. Zolang nu de frisgroene kleur der plant behouden blijft, zolang behoudt ze ook haar beschermende eigenschappen. In Duitsland kocht men op sintjansdag bij het ver­laten van het kerkhof een zgn. ‘gelukshandje’. Het is een stukje wortel van het sint-janskruid, dat men de vorm van een mensenhand heeft gegevenZulk een wortelstuk schenkt men zijn vrienden. Het kreeg een plaatsje in de portemonnee en . . zorgde ervoor dat deze steeds gevuld bleef.

Godsdienstige ceremonie
ln sommige streken van ons land las men tot bezwe­ring van een woedend onweer een gedeelte van het Johannesevangelie. Ook deed men dit, wanneer de boer zijn zaadkoren gereed maakte. Was er een rupsenplaag gevallen in de veldgewassen, dan liep de bezweerder de akkers rond, terwijl hij verzen opzei uit genoemd bijbelboek. Eén gedeelte van het land betrad hij niet. Daar moesten de schadelijke diertjes ontsnappen. De Vlamingen bestreden op deze manier kikvorsen en muizen.

Ten onzent blijft de Larense processie op Sint-Jan jaarlijks nog duizenden toeschouwers trekken.

 H.P. van Iperen, ‘De vacature’, jaartal onbekend)

 

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

188-178

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (11)

.

ZOMERTIJD RIJPINGSTIJD

Johannes de Doper: profeet van de ommekeer

Loom hangt de lucht boven het land. De hitte zindert en broeit dagenlang, je kunt er niet aan ontkomen. De gloeiende hitte wordt je teveel, je snakt naar adem, iedere beweging wordt vertraagd.
En dan ineens op een avond barst het onweer los. De bliksem flitst onop­houdelijk en zet alles in een geel-groen licht. Ratelende donderslagen rollen over de stad, en dan komt de regen. Het hemelwater stroomt langs de ra­men, het gutst door de goten, het bor­relt uit de putjes, en de planten neigen hun takken onder de last van zoveel water. De volgende morgen hangen ze nog diep gebogen naar de grond. Maar dan is de bui over, de hemel is opge­klaard, de lucht is weer blauw met on­schuldige witte wolkjes. Een nieuwe dag is aangebroken.
Dit woeste geweld van de elementen en de opklaring daarna is karakteris­tiek voor de hoogzomer. De frisse, onstuimige groei in de plantenwereld is over zijn hoogtepunt heen. Het is de tijd van rijping, de vruchten stoven in de zon en nemen de warmte in zich op. Als de zomer ten einde loopt, kan er geoogst worden, bij manden vol. Wat een rijkdom!
Ook voor de schoolkin­deren is het een rijpingstijd: wat ze opgenomen hebben in het afgelopen schooljaar, rijpt in de vakantietijd, in de tijd van het ‘vacuüm’, waar ogen­schijnlijk niets gebeurt. De rijping vol­trekt zich ‘onderhuids’, maar na deze ‘lege tijd’ kun je de vruchten plukken. Waar ruimte is voor rijping in alle rust, smaken de vruchten zoet en sappig! In iedere gezonde, rijpe vrucht ligt het zaad voor een nieuwe plant verborgen. Het schijnbaar dode zaad, de pit, de kern, zegt de Engelsman, bergt nieuw leven in zich. De plant ontwikkelt zich in de tijd en in de ruimte, volgens een ritme dat voor iedere plant een bepaal­de variatie is van een soort oer-ritme: uitbreiden en samentrekken in stengel en blad. Tenslotte is het of de hele 
plant zijn mooiste uitbreiding vormt in de bloem, maar tegelijk voltrekt zich in het hart van de bloem de laat­ste samentrekking. Wij genieten van de ontzaglijke rijkdom aan kleuren, waarmee de bloemen ons hart verwar­men. Maar we denken pas aan die ver­borgen harde ‘kern’ als de bloem ver­welkt. De gedachte daaraan: dat het leven in die onooglijke pitjes voortge­zet wordt, helpt ons over een gevoel van droefheid heen. De mooie, kleuri­ge bloemen vergaan, maar het punt van ommekeer tot iets nieuws, houden we in de hand. En daarmee moeten we aan de slag.

Johannes de Doper
Aan het begin van deze rijpingstijd staat een machtige gestalte, die zelf een ‘rijpe vrucht’ was van alle culturen die de mensheid tot dan toe had ge­kend. Het evangelie van Markus begint met een aanhaling uit het Oude Testa­ment, die deze voorloper van een nieuwe tijd beschrijft: ‘Zoals geschre­ven is in het boek van Jesaja de pro­feet: Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht uit: hij zal u de weg berei­den. Een stem hoort men roepen in de eenzaamheid: baant de weg van de Heer. maakt zijn paden recht. –
Zo was Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde de doop der ommekeer tot bevrijding der zonden.
Op 24 juni vieren we het feest van Jo­hannes de Doper. Hij is de enige heili­ge op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we dat punt van om­keer, het begin van iets nieuws. Hij is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. En opdat de mensen de geboorte van dat nieuwe kunnen meemaken, doopt hij allen die tot hem komen ‘uit het gehele land Judea en de stad Jeruzalem’, in het water van de Jordaan. ‘Tot bevrijding der zonden’ staat er dan nog bij. Het levende, stromende water bevrijdde, maakte los uit een soort verstarring, een te sterke gebondenheid aan het li­chaam. En als je wat meer los komt van dat fysieke lichaam en het teveel aan zorg daarvoor, dan kun je de op­dracht van Johannes begrijpen: ‘En het volk vroeg hem: Wat moeten we doen? Hij gaf hun ten antwoord: wie twee gewaden heeft, geve een aan wie er geen heeft, en wie voedsel heeft, doe desgelijks.’ Zo spreekt hij ook de tollenaars en de soldaten aan in hun speciale functie: neem niet meer dan je toekomt. Hij veroordeelt niet het beroep; dat doet ook later Jezus niet. Hij wijst op dat kleine punt van inner­lijke vernieuwing, dat iedereen in zijn eigen situatie moet leren ontdekken. Merkwaardig eigenlijk dat Johannes geboren wordt en leeft en werkt in Judea, het droogste en steenachtigste gebied van het oude Israël. Er lijkt een overeenkomst te zijn met de innerlijke ‘verharding’ waaruit de mensen bevrijd moeten worden. Alsof het juist daar het meeste nodig was dat deze grote persoonlijkheid optrad. Hij die het ja­renlang in de eenzaamheid van de woestijn had uitgehouden, kon het nu opnemen tegen de innerlijke woestijn waarin de mensen leefden. Nadrukke­lijk wordt vermeld dat er ook mensen kwamen uit de stad Jeruzalem. Was het de ‘steenwoestenij’ die zij ont­vluchtten of waren het de duistere praktijken van de koningen, die toen over de stad heersten? Een feit is dat men bang was aan het hof voor de machtige stem van Johannes, die de Farizeeërs en Sadduceeërs, de alom ge-eerde en gevreesde wetsgeleerden, aan­sprak met ‘Gij adderengebroed’.
Alles wat Johannes doet en zegt, is zo nieuw en verrassend voor zijn volgelin­gen, dat hem de vraag wordt gesteld of hij niet zelf degene is die komen zal, de Christus. Maar hij antwoordt: ‘Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.’ Hij is de stem, niet het Woord zelf, maar de stem is het woord het meest nabij. Zonder de menselijke stem kan het woord niet klinken in de wereld. En daarom ge­tuigt Johannes de Doper van het Woord.

Ontmoetingen
Er worden in de evangeliën twee exis­tentieel belangrijke ontmoetingen be­schreven van Johannes met Jezus, en beide keren heeft de ontmoeting met een geboorte te maken. De eerste ont­moeting wordt beschreven in het Lukas-evangelie. Maria gaat op weg naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’. Enige maanden later wordt het kind Johan­nes geboren. Over de jaren daarna wordt niet geschreven, maar die ‘stille tijd’ zou je misschien kunnen aanvaar­den met het woord ‘rijping’. En als dan de tijd rijp is. vindt de volgende ontmoeting plaats, dertig jaar later. Bij de doop in de Jordaan schept Johan­nes door zijn rituele handeling ruimte, waardoor het Christuswezen geboren kan worden in de mens Jezus van Nazareth.

Het ongelooflijke is, dat hij, ook voor de Doop, in Jezus volkomen zijn meerdere erkende.’ Ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken’. En toch zei Jezus later van hem, dat hij groter was dan wie ooit op aarde was geboren. De ‘lijfspreuk’ van Johannes was: ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’; en daarmee stelde hij zich ten volle in dienst van het nieuwe dat ge­boren wilde worden.

Het Isenheimer altaar
In de Franse stad Colmar in de Vogezen staat, in een voormalig klooster, een groot schilderij van Matthias Grünewald, die in de 16e eeuw leefde. Het stelt de Kruisiging voor en is oorspron­kelijk het middenpaneel van een drie­luik. Het wordt het Isenheimer altaar genoemd.

Rechts van de Gekruisigde staat Jo­hannes de evangelist die Maria onder­steunt, en een knielende Maria Magdalena. Links staat de geweldige gestalte van Johannes de Doper. Achter hem zie je de woorden (in het Latijn): ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen.’ In de linkerhand draagt hij een opengeslagen boek en met zijn rechterhand wijst hij, duidelijk en gebiedend, naar de Ge­kruisigde. Aan zijn voeten staat een jong lam met de kruisstaf; bloed stroomt uit de nek in een gouden kelk. Dit offerlam wijst op een andere uit­spraak van Johannes: ‘De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en hij sprak: Zie het Lam Gods, dat de zon­delast der wereld op zich neemt.’ (Joh. 1).
Maar niet alleen Jezus, ook Johannes zelf was een offerlam, een ‘slacht-offer’. Kort na de Doop in de Jordaan werd hij gevangen genomen door dienaren van koning Herodes, en onthoofd. Het blijkt echter, dat door zijn dood de werkzaamheid van de Christus kon gaan groeien. Het ‘afne­men’ van Johannes moest door een nulpunt heen, voordat het nieuwe be­gin werkelijk kon komen.
Grünewald heeft Johannes de Doper naast het kruis afgebeeld, alsof hij daarmee zeggen wilde: ‘Al is hij niet in levenden lijve erbij geweest, hij was er toch bij op een andere wijze. Mede door zijn leven en sterven is dit moge­lijk geworden’.
Door en in het stromende water van de Jordaan had Jo­hannes reeds vele kleine oasen gescha­pen in de innerlijke woestijn der men­sen. Groene plekken waar van alles groeien kon, en waar later het zaad van het Christuswoord uitgestrooid kon worden.

Johannes wijst ons op het kruis van Golgotha, op de dood, op het nulpunt. Dat was het moment van de omme­keer waardoor de Opstanding mogelijk werd, de kiem van een nieuw begin. Die ommekeer zal voor ons dan ook betekenen: ruimte scheppen om be­wust het christelijk element binnen te laten in je leven. Dat betekent een le­ren omgaan met en herkennen van ‘dode punten’ in je leven, in het ver­trouwen dat daaruit iedere keer weer iets nieuws geboren kan worden.

 Marieke Anschütz in ‘Jonas’ 21 van 15 juni 1979)

Grunewald_Isenheim1

John_baptist_angel_of_desert

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

187-177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (10)

.

SINT-JANSFEEST VIEREN

Voor het eerst wil ik het feest van Johannes echt vieren. En ik heb het ge­voel met bijna lege handen te staan. Wat uiterlijkheden heb ik wel: 24 juni, vuur, dansen, zingen, muziek, de zon staat op z’n hoogste punt – in de Tweelingen, ja … en straks daalt-ie weer naar Michaelstijd, reidansen, Johannes de Doper.

Verder heb ik een handvol herinneringen aan stemmingen, landschappen, vakanties …
Maar dat betekent nog niet dat ik feest kan vieren, straks. Hoe vind ik de mogelijkheid om het feest zo tot een stuk van mezelf te ma­ken, dat het tot in de materiële wereld duidelijk is dat ik het Sint-Jansfeest vier? Waar haal ik de kracht vandaan om steeds even opzij te zetten wat we aan dagelijkse beslommeringen en in­nerlijke stemmingen soms met geweldi­ge dwang of wil leiden?
Deze keer wil ik me voorbereiden. Heb ik ergens één ‘heilig’ plekje dat me eraan herinnert dat ik met zon, aarde en sterren mee – wandel door het jaar en door haar grote feesten ben gegaan? Nu is de zon weer op haar hoogste punt aangeland.

Hoe vind ik verbinding met de Zon ?
Hoe beleef ik de Aarde?
Wat hebben de sterren me te zeggen?
Deze hoge zonnestand geeft voor onze noordelijke aardehelft aan dat de aarde het moment van uiterste uitademing heeft bereikt. Een uitademing waar de hele natuur in meegaat: (…)
Ook de mensen ervaren deze uitademingstoestand, bewust of onbewust.
Ook wij zijn in de zomertijd helemaal  gericht op de waarneming van de buitenwereld’.   

Rinke Visser

Alléén kan ik dat niet, onmogelijk. Uit dat wat mensen schrijven of zeggen, of wat we met elkaar bespre­ken over ervaringen, herinneringen, waarnemingen over de midzomertijd, en over Johannes de Doper zal langza­merhand een beeld ontstaan over het ‘waarom’ van het feest.

‘Ik moet afnemen, hij moet groeien’.
Johannes de Doper

‘Johanni-stemming zouden we moeten leren voelen als de ingang tot de geestesimpuls en de uitgang uit de zintuigelijke impuls’
Rudolf Steiner

Zo’n gesprek kan een enorme gebeur­tenis zijn: een aantal mensen probeert een tijdlang hun persoonlijke belangen en gevoelens terug te houden, en spre­ken uit eigen ervaring over het feest -terwille van het feest -. Een enthousias­me kan daarvan uitgaan, een ruimte wordt gemaakt waarin elke keer weer een aspect van het feest gestalte kan krijgen. Dit proces kon je van Pinkste­ren leren.

Straks moet ik opletten, niet mee-in-slapen met de natuur. De natuur zal op het hoogtepunt van haar bloei zijn – hoe zal alles er uit zien, hoe is het licht ook weer, wat is er aan de hemel en op de aarde te zien? Wat zal me dat zeggen? Hoe ziet bij­voorbeeld het verloop van de Sint-Jansdag er uit?

En ik kan voelen: welke impulsen, we­zenlijke stemmingen en gevoelens zijn er in deze tijd, bij mij en de

‘Zo biedt de Johannestijd ons de gele-
genheid om een beetje meer dan ge-
woonlijk los te komen van onze eigen
subjectiviteit                             Rinke Visser

mensen om me heen; ook onderling. En ik kan iets doen: welke initiatieven neem ik, wat heb ik gedaan tot nu toe, wat ga ik straks na de zomer doen? Hoe staat dit feest tussen de andere grote jaarfeesten? En wie was eigenlijk Johannes? Wat heeft hij gedaan en wat heeft hij me daarmee te zeggen?

‘… terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christuswezen. Volgens het woord van Johannes: Ik moet afnemen, hij
moet groeien’.
      Henk Sweers

En ik hoop dat als ik zoveel doe als me mogelijk is – samen met anderen, soms alleen – om het Johannesfeest voor te bereiden, straks, op de dag zelf dit feest zo in me te voelen, dat ik wéét hoe ik het tot in het materiële kan uitdrukken. Dan zal ik weer een ‘stukje Zon’ feestelijk binnen laten.

.

(Els Boekelaar, ‘Jonas’ 21, 16 juni 1978)

.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

185-175

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (9)

.

HET FEEST VAN SINT-JAN

‘Kom tot inkeer, want het Rijk der hemelen is nabij. . .’ (Matt. 3:2)

Het is hoogzomer. De aarde heeft uitge­ademd. Kosmos en aarde zijn één. De aarde is zonneland, ‘Oostland’, geworden.
‘Bekeert U, komt tot inkeer, verander uw gezindheid’, zei Johannes de Doper, ‘want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
Dit is de tijd waarin men tot inkeer, tot nieuwe gedachten, tot nieuwe ideeën komen kan.

Wanneer men in Colmar naar het Isenheimer altaar gaat in het museum Unter den Linden, dan vindt men daar de bekende tekst van Sint-Jan de Doper uitgebeeld: ‘Hij moet groeien. Ik moet afnemen.’
Daarin ligt de diepste gedachte van het Sint-Jansfeest opgesloten. Augustinus (354 – 430) zei in een preek op een 21ste juni: ‘Opdat de mens mocht vernederd worden, is heden Johannes geboren, nu de dagen beginnen af te nemen. Opdat God verheven worde’ is Christus geboren op die dag, waarop de da­gen beginnen te groeien’ (Homil. 289)
In de vóór-christelijke tijd was de 24ste juni de grootste dag van de midzomerfeesten en daarom speelde hij in ’t Germaanse volksle­ven met zijn offervuren en offermaaltijden een voorname rol. Zoals het met vele hei­dense feesten ging, werd ook dit feest gekerstend. Het zomer-zonnestilstand-feest werd de tegenpool van het Kerstfeest. Dit in overeenstemming met het Lukasevangelie, dat ons verhaalt, dat de moeder van Sint-Jan, Elisabeth, de nicht van Maria, reeds 6 maan­den zwanger was, toen Maria Jezus in haar schoot ontving. Tegelijk met de feesten wer­den ook de heidense gebruiken op christelij­ke wijze verklaard. Het baden in stromend water, oorspronkelijk een vruchtbaarheidsritus, deed men nu ter ere van ’s Heren doopsel in de Jordaan.
Dezelfde betekenis kreeg ook het dauwtrappen tijdens de hoog-zomerdagen. Planten op Sint-Jansdag ge­plukt, bezitten grote magische, genezende kracht. Bomen en struiken ziet men opnieuw uitschieten, alsof het lente is: de zogenaam­de sint-jans-loten. Het sint-janskruid, ook wel ‘jaag-de-duivel’ genoemd, heeft het ver­mogen, boze geesten te verdrijven. De Sint-Jansnacht is een van de geheimzinnigste tovernachten. Dan moet de wichelroede gesne­den worden. Dan plukt men het sint – jans­kruid. Dan durft de schipper niet uit te va­ren. . .

Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rid‘. Oorspronkelijk een rij­dende processie van met bloemen versierde wagens ter ere van Sint-Jan naar de op het oostelijk deel van het eiland gelegen Sint-Janshoek. Het werd later gedaan op de tweede zondag na Sint-Jan. Heel vroeger werd in de achterste huifkar een houten beeld van de Doper meegevoerd. Het moet een prachtig gezicht geweest zijn: De wagens waren groen geschilderd, de wielen rood. De huif was helder wit. De meisjes ook in ’t wit. De jongens in ’t nieuw, maar meer stemmig gekleed. De wagens waren rijk versierd met alle bloemen van het eiland. De gebruiken, de heilige ritus der liederen, ‘Naar het Ro­zenland zo zijne wij gevaren’, de speelman, de liefde. . .

Het oudste Sint-Janslied dat we kennen, luidt:

Naar Oostland willen wij rijden,
Naar Oostland willen wij mee.
Al over die groene heide.
Daar is er een betere stee.

Als wij binnen Oostland komen,
Al onder dat hoge huis fijn,
Daar worden wij binnen gelaten,
Zij heten ons wellekom zijn.

Ja, wellekom willen wij wezen,
Ja, wellekom willen wij zijn,
Daar zullen wij t’ avond en morgen
Nog drinken den koelen wijn.

Wij drinken de wijn er uit schalen
En ’t bier ook zoveel ’t ons belieft.
Daar is ’t ons vrolijk te wezen,
Daar woont er mijn zoete lief!

Een passender lied is in de hoogzomerdagen nauwelijks denkbaar, ‘oostland’ is het Wal­halla der Germanen, het Zonneland, de He­mel, het geestesland. Het ‘hoge huis’ van de kosmos neemt ons op. Daar drinken wij ‘de koele wijn’. Wijn heeft te maken met ons Zelf, ons ‘Ik’. Het is een symbool voor ons lichaamsbloed, waarin ons Ik huist. Daarom werd het ook in de christelijke kerk het symbool voor het bloed van Christus. ‘Bier’ is de gevulgariseerde ‘mede’, de wijs­heidsdrank der goden uit de Germaanse my­thologie.

De heerser van dit feest, die woont in het sterrrenbeeld van de Tweelingen, was bij on­ze voorvaderen de god Vro (oud-noors Freyr). Daarom is het er ‘vro-lijk’ voor ons, want van hem stamt onze blijdschap. En wie is mijn ‘Lief? Niet ‘ons’ lief, maar ‘mijn eigenste Lief? — ‘Lief hangt samen met ‘leven’. Leest u er vele sprookjes maar op na: Het lief, de liefste is altijd het beeld voor het meest eigene van de mens: Zijn ‘ziel’, zijn hogere wezen, zijn ‘Ik’. Dat woont in ‘zonneland’.

Als overblijfsels van de grote zomeroffers treft men op vele plaatsen nog de Sint – Jans­vuren aan. Zij werden ontstoken met ‘zuiver vuur’, dat wil zeggen vuur, dat door wrijven van hout was gemaakt. De mensen namen van dit vuur mee naar huis, om er hun haardvuur (fornuis) mee te ontsteken.
In Neder­land zijn de meeste Sint-Jansvuren overge­gaan naar Petrus en Paulusdag, vijf dagen na Sint-Jan. Petrus is de wachter aan de hemel­poort.
Om het vuur werd gedanst. In Oost-Vlaanderen en West-Brabant kent men nog het gebruik van de Rozenhoed. Deze hangt aan een koord, dat over de straat gespannen is. Daaronder wordt ook gedanst en gezongen:

‘Sinte Pieter, der is goed
Al voor onze Rozenhoed…’

Het was eertijds gewoonte om bloemenkran­sen, kruiden en notenbladeren (een oud-keltisch gebruik) in het offervuur te werpen en er dan overheen te springen.

Merkwaardig is het, dat de grote oorlogen, de wereldbranden, omstreeks deze midzomertijd uitbraken. Dat kan men ook waarne­men bij het weer. Hoe komt het dat, terwijl de hele zomer rustig en zonnig is, vaak juist met midzomer een hagelcatastrofe de rijpen­de vrucht op het veld en in de boomgaard verwoest? – Ongebonden, kosmische krach­ten breken los. De natuur alléén kan de mens niet meer voorwaarts helpen. De oude mys­teriën hebben geen kracht meer in de tegen­woordige tijd. Wil de mens nog aan het oude vasthouden, wil hij met aardse middelen de hemel vinden, dan trekt hij het onheil over zich heen. De extase bij de zomervuren ruk­te de mensen van de aarde los en de hemel antwoordde in openbaringen. Zo ontvingen de druïden in heel noordwest Europa in die tijd hun inspiraties. De zomer-zonnewende was het uur, waarop men door extase de gaven der goden kon ontvangen. Heden kan dat niet meer. Wij kunnen ons niet meer losmaken van de aarde. Wij moe­ten op de aarde de hemel der geestelijke wer­kelijkheid vinden.

Shakespeare schilderde nog de natuurwezens, de geesten, die hun spel drijven met de mens in deze zomernacht. Als de mens niet voldoende leeft in de vrijheid van zijn geest, in zonnig bewustzijn, dan zal hij in een doffe slaperigheid verzinken. Dan worden de krachten, die hem zouden kunnen helpen en leiden, de krachten van zijn ondergang.
De maatgevende mensen in de verschillende landen waren bij het uitbreken van de we­reldoorlogen, wel beschouwd, niet goed bij hun bewustzijn! Nog hoort men overal de kreet: ‘Ik moet groeien’.
Men streeft naar macht, terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christus­wezen. Volgens het woord van Johannes:’ Ik moet afnemen, hij moet groeien’. De zon heeft haar hoogste stand bereikt. Zij begeeft zich op de terugweg. De dagen wor­den korter, de nachten lengen, ik moet af­nemen…’.

Omkranst met de gaven van Moeder Natuur, talloze geplukte bloemen, rozen en duizend­schoon, allemaal ten dode opgeschreven kin­deren der aarde, viert de mens het feest van de eeuwige levens-zon: ‘Hij moet groeien!’

( Henk Sweers, ‘Jonas” nr.21, 18 juni 1976)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

184-174

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (8)

.

SINT-JAN

Bij de Germaanse en Noorse volken werd het midzomerfeest gevierd ter ere van Balder, de stralende Zonnegod.
Op de langste dag van het jaar – de zomerzonnewende – ontstak men het vreugdevuur en danste men er rondom.
De midzomernacht was de kortste nacht van het jaar: in de hoge Noorse streken was de zon in het middernachtelijk uur nog niet ten onder. De korte zomernachten omstreeks deze tijd waren licht-doorweven. De mensen zagen elfen en feeën dansen.
Na de 
kerstening werd het midzomerfeest verbonden met  Sint- Jan: dat is Johannes de Doper, een gestalte uit de Evangeliën. In Lucas wordt beschreven, hoe Johannes zes maanden eerder geboren werd dan Jezus: de “naamdag van Sint – Jan”,  zoals de kinderen zingen, valt precies een half jaar na de kerstnacht,  (24 december –24 juni) dat is enkele dagen na de zomerzonnewende.

Wat is zijn boodschap; wat spreekt hij tot ons in de taal van het zomerfeest?

Waar gaan we doorheen, als we de zomerzonnewende op ons in laten werken?

Het is inderdaad een wende, een ommekeer. De zonnebaan is niet meer stijgend, de dagen worden langzaam korter. De bloesems vallen uit, on-ooglijk, in het verborgene rijpt de vrucht. Schoon was de schijn!

Johannes zegt van zichzelf: “Ik moet afnemen”,  degene voor wie hij de wegbereider is, moet groeien. “Keert u om, ver­andert uw gezindheid”,  roept de Stem-in-de-Woestijn.
Nu neemt hij ons mee in de stijgende vlammen van het vuur naar omhoog naar de  sterren, als het even kan, in onze streken! Naar de hoogten van de Kosmos, waar de bronnen zijn van het leven.
Uitbundig dansen we om het vuur; warmte doorzindert ons; als we thuiskomen is de geur van het vuur nog in onze kleren!
Even waren we uitgetild boven de aardsheid, de zwaarte, de koude van ons bestaan.

We kunnen ons verliezen in deze verrukkelijke extase om daarna weer uitgeput terug te vallen in onze oude alledaagsheid, in het horizontale  vlak.

We kunnen ook iets meenemen vanuit de grote hoogten, waarheen wij stegen, uit dat rijk van licht en warmte.

Terwijl de natuur in ons afneemt, onze levensbloesem verdort, kan er binnen in ons iets gaan gloeien. De natuur overrompelt ons korte tijd met de volheid van het leven,   overstroomt ons met scheppende krachten.

Dan onttrekt het leven zich weer aan ons oog, en worden wij naar binnen geleid, tot inkeer gebracht om het leven nu in het verborgene te zoeken.
Vuurwerk in de nacht versproeit zich, de leegte sluit zich weer aaneen.

De vlammen van Sint -Jan voeren ons naar een rijk van vol­heid, waar de  Levenszon ons doorgloeit.

Het is alles een beeld, dat verwijst naar een Werkelijkheid, waarin wij nog niet staan,   wellicht.

Deze pijn voel ik, wanneer ik terugzie op de mooie woorden die ik schreef.

Maar laten wij met onze kinderen onbekommerd dansen om het vuur.
.

(Map de Voogd, nadere gegevens ontbreken)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

183-173

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (7)

.

SINT-JAN: KEERPUNT IN HET JAAR

Het marmotje is dood. Het ligt stilletjes uitgestrekt op het stro, de oogjes half dicht. Een kleine hand streelt voorzichtig het vacht­je met de bonte vlekken. “Het is net of hij slaapt”, fluistert het meisje met tranen in haar ogen. “Maar hij ademt niet meer”. De dood heeft het diertje aangeraakt en toen stond zijn hartje stil.

Bij de dood houdt ook de mens op met ademen. Hij blaast de laatste adem uit. Wanneer zuigt hij de eerste adem in? Dat doet hij bij de ge­boorte. De schreeuw van de pasgeboren baby is een hap naar lucht, is een dwingende voorwaarde om een loopbaan op aarde te beginnen. Als die schreeuw niet meteen komt, wordt die door een klap opgewekt. Het kind moet ademen om zuurstof te brengen in alle vezels van zijn lijfje.
Iedere keer dat een kind geboren wordt, voltrekt zich wat we kennen uit het Oberufer Paradijsspel: Godvader roept Adam wakker en blaast hem zijn adem in, zodat hij kan opstaan en leven. Wat is ademen? Lichamelijk is het voor ons een op-en neergaande be­weging, waarvan de snelheid bepaald wordt door de gemoedstoestand of de uiterlijke beweging. Als je zit, zal je adem rustig gaan. Als je hard loopt, ga je hijgen. Van schrik, vreugde of spanning kan je adem sneller gaan of stokken, plotseling ophouden.
Het in- en uitademen is een ritmisch gebeuren, dat we ook kunnen herkennen in de afwisseling van dag en nacht. In de nacht ademen we ons bewustzijn uit in de slaap; de volgende morgen ademen wij het weer in en worden wakker voor de aarde. In de doodslaap ademen wij onze ziel uit, en tegelijk gaat daarmee onze dag- en nachtademing over in een nog grotere adembeweging: die van het ene aardeleven naar het andere. Het ademen moet geleerd worden. Het wiegenkind heeft zijn huiluurtjes “om de longen te oefenen”. Het eigen ritme moet nog gevonden worden.
Hier op aarde leert het de tijd kennen: er zijn vaste punten in de dagwaarop het gewassen wordt, gevoed en verschoond. Er is een tijd om  te spelen, om wakker te zijn, en er is een tijd om te slapen. Het moet allemaal geleerd worden. Daarom is het goed, als die ordening in de tijd er is.
Is een sfeer van rust en regelmaat echter voldoende om een kind goed te leren ademen? Er is, dacht ik, nog een derde element nodig, een element dat niet gemakkelijk te beschrijven is, en toch zeer voor de hand ligt. Dat derde element zijn wij zelf.

Onze overdracht, onze liefdevolle blik maken de regelmaat tot een levend ritme, waardoor een sfeer ontstaat waarin een kind kan ademen. Waar onderling wantrouwen heerst, oneerlijkheid en gekonkel – daar broeit een sfeer waarin je niet kan ademen, niet kan leven. Je krijgt het er benauwd van. In een omgeving waar onderling begrip heerst, open­heid ten opzichte van elkaar en onbevangenheid tegenover elkaars streven – daarin kan je ademen, leven, groeien en werken. Dat wil niet zeggen, dat er voortdurend pais en vree is! Integendeel, dat zou stil­stand betekenen. Waar het ritme van de adem leeft, is beweging, een heen en weer gaan tussen twee uitersten, en bepaald door een on­zichtbaar, maar sterk aanwezig Midden. Zoals in de ritmische beweging van de “schuine streepjes“-tekening de gestalte zichtbaar wordt zonder scherp omlijnde contouren – zo zal ook ieder in een ademende gemeenschap al zijn gedachten, gevoelens en handelingen laten “richten” doordat gemeenschappelijk gewilde Midden, of dat nu een gezin is of een lerarencollege, een kerkgemeente of een andersoortige samenwerkingsgroep.

Wat heeft nu dit alles te maken met het Sint – Jansfeest? We zouden de woorden van Johannes de Doper: “Komt tot inkeer!” en “Hij moet wassen, ik moet afnemen”, ook eens kunnen bekijken vanuit dat ademaspect. Ieder jaar is anders, en verloopt anders, maar alle jaren hebben een gemeenschappelijk ritme, een heen- en teruggaande beweging, in en uit, de ademhaling van de seizoenen. Dat is in deze gematigde streken nog het zuiverste te beleven. Met Kerstmis, dat enkele dagen na de winterzonnewende valt, begint de zon te stijgen tot hij op 21 juni op zijn hoogtepunt is aangekomen. Tijdens het klimmen langs de hemelbaan lokt de zon met zijn stralen de bladeren uit de bomen, de planten uit de grond.

Kort na het hoogste punt, op 24 juni, de geboortedag van Johannes de Doper, zet de ommekeer in. Tot dan toe heeft de aarde – en wij ook -uitgeademd, maar zoals we merken aan onze eigen lichamelijke adem­haling – er is een grens, een punt van omkeer.
Wat is Sint- Jansdag anders dan het keerpunt van de grote jaarlijkse ademhaling? Nu begint heel langzaam het in-ademen weer, de zon daalt, over 2 maanden pas echt merkbaar. Als je je dat zo in het groot voorstelt, wordt ook het begrip “tijd” anders. Ik moet daarbij denken aan een gedicht van M. Vasalis:

Ik droomde dat ik langzaam leefde…..
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt.’k Zag de drang waarmee
de boomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze heesch en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…..

(fragment}

Een mens komt op aarde om te leren ademen. Dat is het ook wat de Sint- Janstijd ons wil zeggen: zoek rustpunten in de dag, in het jaar als tegenwicht voor de zuigende kracht van de uiterlijke dingen. Er is zo ontzaglijk veel dat ons naar buiten trekt, uit onszelf trekt en ons in ademnood brengt. Wijzelf moeten voor onszelf de mogelijkheid scheppen om tot inkeer te komen, opdat wat gebloeid heeft, in alle rust vrucht kan zetten.

Op de Zeister Vrije School probeert men al 50 jaar lang kinderen goed te leren ademen, zodat er later als zij volwassen zijn, rust kan zijn in hun doen en laten, in hun handelen en zijn in de wereld. Rustgevend en toch voortdurend in beweging, ademend – ik wens het allen toe die voor de klas staan, opdat zij de kunst van het ademhalen kunnen over­brengen op de leerlingen.

Marieke Anschütz, nadere gegevens onbekend
.

St.-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

.

182-172

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (6)

.

SINT – JAN: EEN FEEST IN DE BUITENLUCHT

Een feest vieren wil eigenlijk zeggen: bewust blijven stilstaan bij een bepaal­de gebeurtenis. Een hulpmiddel daarbij is het uiterlijk vertoon van versie­ringen, in welke vorm dan ook. Dat geldt voor elk feest. Maar als je het op de juiste wijze wil vieren, moet je toch een duidelijk beeld hebben van de ach­tergrond van het betreffende feest. Het kennen van die achtergrond geeft de zin aan en kan je tot richtsnoer zijn bij het vorm geven van dat feest. Is er eenmaal een bepaalde vorm gevonden, die bevredigend is, dan kan deze jaren­lang gehandhaafd blijven. Dat is de tijd van de traditie. Maar er komt een tijd dat die uiterlijke vorm zijn zin ver­liest, namelijk als de feestvierders zich niet meer bewust zijn van de achter­grond van het feest. Dan gaat de uiter­lijke vorm een eigen leven leiden. Het is heerlijk voor een huismoeder of een leraar om bij ieder jaarfeest te kunnen terugvallen op een bepaalde wijze van vieren. Het is een houvast in een druk, bezig bestaan. En toch zou je het moeten opbrengen om ieder jaar opnieuw, bij ieder jaarfeest, de diepere zin ervan in je bewustzijn te halen. Het heeft in de praktijk vaak het resul­taat, dat je ieder jaar toch weer be­paalde nieuwe vormen vindt, en enke­le oude vormen loslaat. Iedere keer wordt datgene dat je zelf, misschien jaren geleden, al tastend hebt opgezet, van binnenuit vernieuwd. Al is het nieuwe onderdeel dat je toevoegt, ook nog zo klein – daardoor kan je die feestdag, die feesttijd toch ieder jaar weer opnieuw ‘be-leven’, levend ma­ken in jezelf, in je gezin, in je klas. En dat werkt bevredigend. Je voelt je, voor deze keer tenminste, tevreden. Je krijgt voor je inspanning om iets nieuws toe te voegen, innerlijke vrede terug. Het jaarfeest dat we nu tegemoet gaan, is het feest van Sint Jan. In de Vrijekleuterscholen klinkt in deze tijd een liedje:

 Sint Jan, Sint Jan Sint Jan die komt eran !Sint Jan gaat komen, Je ziet het aan de bomen Sint Jan, Sint Jan, Sint Jan die komt eran!

Het Sint Janslot, de laatste frisgroene uiteinden van de takken in struiken en bomen, herinnert ons eraan dat de on­stuimige groeikracht van het voorjaar nu gaat af ebben. De sprankelende fris­heid van de lente is voorbij. Zo schoon, zo zuiver schoven de nieuwe bladeren uit de zwellende knoppen, teergroen van kleur. Het licht speelde er door­heen. Nu wordt de tint van de bladeren don­kerder, het blad zelf steviger, aardser -het schermt het licht af. Zie, hoe de kastanjeboom zijn honderden brede handen uitstrekt om zijn wortelvoet te beschutten tegen teveel zon of teveel regen. Zelfs de berk heeft zijn stralen­de prilheid verloren. In een lentebos wijs je elkaar de enke­le blaadjes die uitkomen. De ene boom is daarmee vroeger dan de andere, staat gunstiger om licht en zonne­warmte op te vangen. In de hoogzomer is het soms of je in broeierige hitte de aarde zwaar hoort ademen. Het zomerbos is één grote donkergroene koepel geworden, ge­steund door vele, vele zuilen, en je ze­gent de schaduwrijke koelte als de hitte buiten te groot wordt. Zover is het weliswaar nog niet in de tijd van Sint-Jan. Maar de zon heeft zijn hoogste punt overschreden en daalt langzaam, heel langzaam naar de aarde toe tot hij vlak voor Kerstmis de aarde het dichtst genaderd is.
Vlak na dat dieptepunt, in de allergrootste duisternis vieren wij de geboorte van het Christuskind, de komst van het Licht. Het feest van Sint-Jan, kort na het kosmische keerpunt van de zomerzonnewende, en het feest van Kerstmis kort na de winterzonnewende, staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de beide jaarfeesten hebben direct met elkaar te maken, vullen elkaar aan. Het één is niet zonder het ander te denken. In de kersttijd met de vier daaraan voorafgaande adventsweken, zal het ons moeite kosten om terug te denken aan het Sint-Jansfeest, in de hitte van de zomertijd. De warmte van het vuur beleven we, midden in de kou en de duisternis van de winter, anders dan een halfjaar geleden.

Johannes de Doper
Toch wordt het ons gemakkelijk ge­maakt om de verbinding te leggen. Als de engel Gabriël bij Maria binnen­treedt, kondigt hij haar niet alleen de geboorte aan van het kind Jezus, maar ook van het kind Johannes, dat later de Doper zal heten. Op 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, moeten we niet achteruit, maar vooruit denken. Hoog over de zomer heen, via Michael en Sint-Maarten en de stille adventsweken, komen we bij het Kerstfeest aan. Geen gemakkelijke opgave, en toch geeft dat de zin aan het Johannesfeest. Vergeleken met de welige woekering van uiterlijke vormen in de kersttijd, is het Sint-Jansfeest een so­ber feest. Eigenlijk is het zelfs een ver­geten feest, behalve enkele traditione­le vormen van vieren in bepaalde land­streken. Weliswaar hebben de vrijescholen dit feest in ere hersteld. Er brandt een vuur, voor zover de brand­weer dat toelaat, er wordt gezongen, er wordt muziek gemaakt en een ver­haal verteld. Het is een feest voor allen, voor velen en liefst in de buitenlucht. Er is echter meer nodig om de Johannestijd in zijn essentie te vatten. Waar­om is dit feest weer op de sokkel gehe­sen? In de uiterlijke gang van zaken lijkt het veel op het oude zonnewendefeest. Het kost ons echter moeite om dat natuurlijke, kosmische gebeu­ren in ons bewustzijn te dragen. We zijn ervan vervreemd door de civilisa­tie. Bovendien voldoet het ons niet meer om alleen ‘natuurmensen’ te zijn. Wij vragen naar een innerlijke oorzaak, een innerlijk houvast. En dat ligt bij het Sint-Jansfeest in de ommekeer. Net als in de kersttijd zouden we er een gewoonte van moeten maken de evangeliën op te slaan op de naamdag van Sint-Jan.
We lezen in Mattheus 3: ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en verkondigde zijn boodschap in de woestijn van Judea. Hij sprak: ‘Komt tot inkeer! Want het Rijk der hemelen is nabij gekomen.’
Van Johannes de Doper werd gezegd, dat hij groter was dan wie ooit op aar­de was geboren, maar kleiner dan de minste in het hemelrijk. Op een Rus­sische icoon uit 1620 staat hij afge­beeld, reusachtig groot en met engelen­vleugels, oprijzend uit het kameelha­ren kleed. Tussen mens en engel staat hij. Johannes de Doper roept tot in­keer, hij schudt de mensen wakker, vaak met harde woorden die pijn doen –

Het is een situatie, die wij herkennen. Op een pijnlijke manier wakker ge­schud worden, is onaangenaam, maar het wekt iets in ons dat ons dwingt tot inkeer, tot confrontatie met onszelf. En als het ons lukt afstand te nemen en onszelf te bekijken als door de ogen van een ander, dan kunnen we komen tot een besluit dat leidt tot de ommekeer. Het is een zeer reële erva­ring, dat wij soms 180º moeten draai­en in ons leven. Wie op dood spoor zit, moet omkeren. Om deze gedachte wat meer inhoud te geven, moeten we zoeken naar een voorbeeld waaraan we de gedachte kunnen toetsen. Daartoe kiezen we een voorbeeld dat uitstijgt boven het leven van alledag; dat in zijn groots­heid voor ons allen herkenbaar is; dat voor ons een oerbeeld kan zijn. Zulke voorbeelden zijn te vinden in de Legenda Aurea, heilige legenden, verzameld en opgetekend door Jacobus de Voragine.

Heiligenlegenden 
In de tweede klas van de vrijescholen is het thema: fabels en heiligenlegen­den. Het kind op weg ontmoet zijn ‘dierlijke’ eigenschappen. De kinderen leven daar sterk in mee, want zij ken­nen en herkennen ‘het dier’ in anderen en soms ook in zichzelf. Aan de andere kant zijn er ongekende mogelijkheden in ieder kind: je kunt je als mens boven het dierlijke verhef­fen. Je kan leren je neigingen te be­heersen, te kanaliseren, uit de eenzij­digheid op te heffen door de tegenge­stelde kant te ontwikkelen. Maar dat kost vaak een ontzaglijke inspanning, een vaste wil en volharding. Kiezen voor die moeilijke weg vergt inkeer en kan resulteren in een ommekeer. Over die weg wordt de kinderen ook verteld. Het is toekomst voor ze, zoals de dierverhalen hen in beeldvorm wij­zen op eigenschappen die ze meene­men uit het verleden. Maar ze kunnen leven naar die toekomst toe, en de beelden uit de heiligenlegenden dragen zij mee op hun levensweg als een kost­bare schat. In vele van deze heiligenlevens voltrekt zich een dergelijke ommekeer als waarvan sprake is in de Johannestijd. Je zou dat het ‘Sint- Jansmotief’ kun­nen noemen. Prachtig is dat waar te nemen in het leven van Franciscus van Assissi. In zijn jonge jaren leeft hij er op los. Hij is rijk, vechtlustig, avon­tuurlijk, vrolijk en goedhartig. Dan wordt dit leven doorkruist door een zware ziekte. Franciscus krijgt ruim de tijd om na te denken, tot inkeer te ko­men. En als hij weer gezond is, heeft hij het besluit genomen een totaal an­dere weg in te slaan. Het is een moei­lijke weg, want dat wilsbesluit is het eerste van een hele reeks. Voortdu­rend wordt hij voor een keus gesteld, steeds weer moet hij aftasten wat de goede weg is. Maar hoe verder hij komt in zijn leven hoe zekerder hij weet te kiezen. Ook dat is voor ons een ervaringsfeit.

Sint-Joris
In de legende van de heilige George (Sint-Joris) is zijn strijd met de draak algemeen bekend. Minder bekend is dat George als legeroverste in dienst van de keizer op een goede dag ineens gesteld werd voor de keus, die zijn le­ven totaal veranderde. De haat tegen de christenen was weer opgelaaid, de vervolgingen waren in volle gang. Toen nam ridder Joris het besluit om niet langer zwijgend aan de kant te blijven staan. Hij had een hoge rang in het keizerlijk leger en hij moet geweten hebben, wat de gevolgen wa­ren. Hij ging voor de keizer staan en maakte hem verwijten over de wrede vervolgingen. De keizer wilde zijn uit­stekende overste niet missen en trachtte hem van gedachten te doen veran­deren. Maar George volhardde in zijn keus en moest ‘door duizend doden’ gaan voor hij stierf als martelaar.

Tot twee keer toe een ommekeer, de essentie van het Johannesfeest. Juist in een tijd van het jaar dat we geneigd zijn ‘er-uit’ te vliegen, worden we op­geroepen tot ‘in-keer’. Merkwaardige paradox. Het is de wekroep om jezelf niet te verliezen in de roes van de zo­mer. Toch is het goed te bedenken, dat we in ons dagelijks leven ook steeds weer trachten stand te houden in allerlei wisselende en verrassende si­tuaties, waarin we verzeild raken. Dat lukt alleen maar, als we ernaar streven steeds weer rustpunten te zoeken in die stroom van gebeurtenissen. Punten van ‘in-keer’, in wat voor vorm dan ook. Zo kunnen we het Sint-Jansmo­tief met ons meedragen door het jaar heen.

 Marieke Anschütz, Jonas’ nr.21, 16 juni 1978)

 

John_baptist_angel_of_desert

 Roemeens icoon, Sint-Jan

.
Sint-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2e klas: vertelstof
.
VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

 

181-171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (4)

.

Het feest van Sint-Jan

 

‘DE BIJL IS AAN DE WORTEL DER BOMEN GELEGD’

De christelijke feesten hebben alle iets te maken met de beleving van de natuur in de tijd waarin ze vallen. Dat wordt vaak verklaard als een slimme aanpassing van de christenen aan de heidense gebruiken. Het is de vraag of die verklaring juist is. In onderstaand artikel onderzoekt Jacobus Knijpenga in hoeverre er een wezenlijke verwantschap is tussen de jaarfeesten in christelijke zin en de
hoofd­momenten van het natuurlijke leven.

Opvallend is dat de data van de christelijke gedenkdagen steeds later vallen dan de hoog­tepunten in de natuur en wel enkele dagen. Zo valt midwinter op 21 of 22 december, Kerstmis op 24 december; Pasen op een zon­dag na de voorjaarsevening; dit kan zelfs wel eens vijf weken later zijn, maar ook twee da­gen. Het feest van Johannes de Doper (Sint- Jan) valt, evenals het Kerstfeest, twee à drie dagen na de zonnewende, terwijl tenslotte het feest van de aartsengel Michaël op 29 september ongeveer een week later valt dan de herfstevening. Daaruit kan reeds duidelijk blijken dat deze feesten niet bedoeld zijn als vervanging van de natuurfeesten. Ze zijn er als het ware aan toegevoegd zoals de doop aan de natuurlijke geboorte. In deze kenschetsing wordt ervan uitgegaan dat Hemelvaart en Pinksteren bij het paas­feest behoren. Ze hebben als het ware het­zelfde thema. Zo behoren ook de advents­tijd en de tijd van driekoningen bij het kerstfeest en ontstaat dus een groot kruis door het jaar: Kerstmis in de winter, het feest van Johannes in de zomer er precies tegenover en aan de andere arm van het kruis Pasen in het voorjaar en er tegenover in de herfst het feest van Michaël. Het is deze kruisvorm in het jaar, die in belangrijke mate het
gezichts­punt vormt waaruit gezocht kan worden naar de samenhang van de feesten met de natuur.

Zo is duidelijk dat het kerstfeest gevierd wordt als het licht weer toeneemt en het Sint-Jansfeest als de dagen korter worden. In de loop van het natuurlijke jaar zijn deze feesten elkaars tegenpolen. Het zijn beide lichtfeesten; als de zon nog zwak is vieren we het feest van het innerlijke licht, als de zon haar hoogtepunt zojuist gepasseerd is vieren we het feest van Johannes als van een groot kosmisch wezen. Johannes was veel meer dan een mens, ja zelfs meer dan een profeet naar de woorden die Christus over hem spreekt. Op Russische iconen wordt hij bij de doop in de Jordaan vaak bovenmenselijk groot geschilderd, waarbij Jezus normaal ge­schilderd wordt. Men kan hier denken aan de woorden van Johannes: hij moet toene­men, ik moet afnemen.

Het uiterlijke licht neemt af na de zomerzonnewende, we gaan de tijd tegemoet waarin het weer meer op verinnerlijking aankomt, al is dat in het begin nog niet goed merkbaar. Maar juist omdat het in ons natuurbeleven nog niet merkbaar is, roept het Johannesfeest ons tot bewustzijn. Vergelijkenderwijs is hetzelfde het geval wanneer men het mid­den van het leven gepasseerd is: het eigen­lijke beleven van het midden moet dan nog komen, maar zowel fysiek als psychisch be­ginnen de doodskrachten het te winnen van de geboortekrachten en men kan de tijd na 35 jaar beter vormen als men zich dat be­wust is. Dat kan bijvoorbeeld behoeden voor een ‘tweede jeugd’, die altijd toch ook een beetje ridicuul aandoet. Hierbij sluit een ander element van Johannes aan: hij is een boeteprediker. Dat wil zeg­gen dat hij de mensen steeds wijst op hun ei­gen innerlijke houding als voorbereiding op de ontmoeting met de Messias. Bij de Jor­daan woonde hij in de woestijn en zijn voed­sel bestond uit de eenvoudigste voortbreng­selen van de natuur. Dit leven in de woestijn was een ‘teken’. Een teken maakt een inner­lijke situatie doorzichtig. De bloeitijd van het jodendom was voorbij, het geestesleven van het joodse volk was een woestijn gewor­den, dor en droog terwijl het geestelijk voed­sel dat de leiders te bieden hadden hard was. Wie toch nog iets daarin vond moest de geva­ren van wilde bijen trotseren om nog enige zoetigheid te verwerven. Johannes sprak het zo uit: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. De boom is altijd een beeld van de verbinding van hemel en aarde. Alle religies kennen hun heilige bo­men. De boom strekt zijn kruin uit naar de hemel en ontvangt uit de hogere sferen het licht waardoor hij leven kan. Maar tegelijker­tijd wortelt hij in de aarde en haalt van daar­uit zijn voedsel. Beide elementen zijn nodig voor de geestelijke groei van de mens. Wan­neer de bijl aan de wortel van de bomen wordt gelegd, wordt deze geestelijke groei onmogelijk. Meestal is de boom dan ook al dood. Dat is de verkondiging van Johannes: de oude tijden zijn voorbij. In deze oude tij­den vond men de mogelijkheid tot geestelij­ke ontplooiing vanuit een bepaalde natuurlij­ke samenhang waartoe men behoorde.

Deze soort religie neemt nu met Johannes de Doper een einde. Een uiting van Jezus: ‘Jo­hannes is de grootste van degenen, die uit vrouwen geboren zijn maar de geringste in het rijk der hemelen is meer dan hij’ duidt aan dat de tijd waarin de geboorte in een be­paald volk of in een bepaalde familie beslis­send was voor het geestelijk leven van een mens, voorbij was. Men kan ook denken aan woorden als: ‘God kan uit deze stenen voor Abraham kinderen verwekken’. De afstamming geldt niet meer. Vanaf Jo­hannes de Doper geldt iets anders en Johan­nes maakt daarmee een begin: de individuele mens moet zelf zijn weg vinden. Bij Johan­nes betekende dit: eerst inzicht krijgen in de eigen ontoereikendheid. De doop bewerkte inzicht in de eigen zonden, de tekortkomin­gen. Deze zelfkennis is de eerste stap op de weg naar een eigen ontwikkeling wanneer ze niet verlammend werkt, maar wanneer er te­vens gewezen wordt op toekomstige moge­lijkheden. Johannes deed dat door de norma­le beroepsgewoonten van de mensen, die bij hem kwamen, te doorbreken. Soldaat zijn betekende: leven van plundering. Wie dat niet deed werd nooit rijk. Voor de belasting­ambtenaren gold iets dergelijks. Men pachtte het recht om belastingen (tol) te innen. Deze tollenaars moesten weer aan hun trekken ko­men door te overvragen. Dat was het norma­le beroepspatroon. Daarin een rechtvaardige houding te vinden, vereiste iedere keer weer een individuele beslissing. Men kon nooit meer handelen vanuit het groepsmotief.

Wanneer we nu terugkeren tot het feest van Johannes, dan zien we dat dit gevierd wordt na de zomerzonnewende. Historisch is dit ge­fundeerd in het feit dat Johannes een half jaar eerder werd geboren dan Jezus, volgens het evangelie van Lukas. Maar dat is niet be­slissend. Beslissend is het innerlijke karakter van Johannes: de tijd van de bloei van de na­tuur is voorbij en het zal er na de zomerzon­newende steeds meer op aankomen dat we gaan leven uit de krachten die we zelf ont­wikkelen. Deze krachten zijn als die van een boom. Ze moeten enerzijds van boven ko­men, anderzijds uit de aarde. Niemand van ons ontwikkelt zich los van het verleden. We brengen uit eigen incarnaties iets mee en we brengen iets mee door onze geboorte in een bepaald volk of een bepaalde familie. We kunnen dankbaar zijn voor wat we uit het verleden ontvangen, zoals we dankbaar kun­nen zijn voor wat de zomer ons brengt. Maar ook dat is niet alleen natuurlijk. In het voor­jaar waren het Pasen, Hemelvaart en Pinkste­ren, allemaal feesten die ons iets gegeven hebben van wat uit hogere werelden komt.
Dankbaar heffen we onze kruin omhoog, zoals we ook dankbaar kunnen zijn voor alles wat anderen voor ons doen, waardoor wij weer verder kunnen. In de natuur uit zich dat in de st.- jansloot, nog een laatste keer wordt ons iets geschonken, als het ware een wenk dat de schenkende machten ons niet in de steek laten. In de geestelijke ontwikkeling gaat het evenzo: wat wij eventueel aan vruchten voortbrengen, is nooit denkbaar zonder dat wat ons geschonken werd.

Zo wordt het feest van Johannes de Doper een dankfeest, maar met een zeer ernstige ondertoon  mens doe er wat mee. De wereld moet verder. En dat wordt gewild door geestelijke machten, maar ze hebben het aan ons toevertrouwd. Zo is het in de loop van de natuur: de vruchten komen straks door wat hemel en aarde ons schenken, maar wij moeten ze zelf oogsten en verwerken. Dat is de verantwoording waartoe Johannes oproept en die straks door Michaël zal worden opgenomen.
.

( Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’ nr.21, 12 juni 1981)
.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

 

180-170

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (3)

.

ST.- JANSFEEST VIEREN

Enkele jaren terug maakte ik eens de hele rij jaarfeesten mee zonder kinderen. Van St.- Michaël over Kerst naar Pasen en Pinksteren tot St. – Jan.
Vooral op het laatste feest miste ik kinderen: voor mij was het maar een half feest geweest. Ik was méér gewoon. Het is alsof de kin­deren de volwassenen laten feest vieren, leren feest vieren, in plaats van omgekeerd. Zeker met St.- Jan, in het midden van de zomertijd, op 24 juni.
In deze tijd van het jaar reikhalst de aarde naar de kosmos. Na de koude kille wintertijd waar het leven zich binnen de aarde had teruggetrokken, groeien plant en bloem, boom en struiken nu naar de zon toe. Het leven op aarde dijt uit: bloemengeuren, muggen en insecten vullen de lucht. De vogels vliegen hoger.

Kinderen zijn groter dan we denken. Op een bepaalde manier zijn ze nog meer “uitgedijd’. Ze zijn nog meer één met de kosmos en de natuur. Ze reiken nog bijna tot aan de hemel.  Over zo’n klein wiegkindje ligt er nog een hemelse glans. Iedereen is lief en aardig: het brengt de hemel op aarde. De kleine peuter begrijpt nog de kosmische taal van de natuur. Met volle overgave laat het de keitjes in het beekje “ploepen”, het fladdert met de vlinders mee. Het is bijvoorbeeld geen fabeltje dat kleuters in de klas de storm en het onweer aankondigen met eigen geraas. Ze zijn nog veel gevoeliger voor de geladenheid van de lucht dan wij. Voor de natuurmens van vroeger – en denk maar gerust terug tot aan de oude Grieken – had de donder en de bliksem nog iets te ver­tellen.

“Word als de kinderen, word een natuurmens in dit heerlijke seizoen !”, zouden  we kunnen uitroepen.
De lentepracht lokte ons naar buiten. Zon en zee roepen. Op je rug in het warme zand, neemt de blauwe hemel je zo mee naar verre landen. En dan komt het St.-Jansfeest in een van de kortste nachten van het jaar! We zullen een groot vreugdevuur aansteken en eromheen dansen en zingen, het hoofd getooid met een weelderige bloemenkrans. Als de sterren al lang aan de hemel zullen stralen en het vuur zal gaan liggen zijn, zullen we erover springen. Over het vuur of over de sterren ? Laat ons dan vooral naar de kleine kinderen richten en blij zijn om de warmte en het licht, en eens dat het vuur brandt, er geen minuut meer van wijken. Proberen te doorvoelen wat het vuur van ons wil: het wil geestdrift, enthousiasme wekken. Uitbundigheid !

Voor de moderne mens is er echter een gevaar aan verbonden. Als we té uitbundig worden, té uithuizig dan verliezen we ons ware zelf en onze medemens uit het oog. Dan gaan we lekker genieten van wat de zomer ons biedt, en de rest kan ontploffen. Egotrippen heet dat met een modern woord.

Een kleuter heeft nog het recht egocentrisch in de wereld te staan. Wij, opvoeders, zijn het kind nog veel verschuldigd. Met de warme mantel van onze liefde kleden we het en leiden het zo de wereld bin­nen. In de lagere schoolleeftijd krijgt het kind de opdracht: nu moet je leren sociaal worden, je leren invoegen in de kring van grote en kleine mensen om je heen. De autoriteit is de stem – van buiten af – die dit zegt en naar wie het kind bereid is om te luisteren. Rond de puberteit leert de jonge mens voor het eerst luisteren naar de eigenste “stem” van binnen.
St.- Jan de Doper zei van die stem: ‘Niet ik, maar de Christus in mij” En ook nog: “Hij (de Christus) moet groeien, ik moet afnemen.”

Enkele jaren terug krijg ik een lijstje in handen met daarop 12 te oefenen deugden en hun relatie tot de 12 maanden van het jaar: een innerlijke ontwikkelingsweg waarvoor men kan kiezen. Voor de hoog-zomermaand juli staat er:
“Unselfishness, selbstlosigkeit, onzelfzuch­tigheid”.
Vanuit de gezichtshoek van het St.- Jansfeest kan ik dat be­grijpen. St.- Jan de Doper is diegene die het Christuswezen vooraf is gegaan en die Hem aankondigde. Hij zag dat het keerpunt in de tij­denronden was aangebroken.

Wij, moderne mensen, kunnen ons niet meer verenigen met de kosmos zoals vroeger om méér mens te worden. Wij zouden uitzinnig worden. Het typisch menselijke voor ons is niet “de inkeer”.
Als wij de Christus willen zoeken, moeten we hem niet meer in de kosmos zoeken, maar in onszelf.
Met het St.- Jansfeest begint de rij van jaarfeesten weer toe te gaan naar Kerstmis.   Toch heeft iedereen het gevoel dat het de laatste schakel is aan de ketting van Kerst over Driekoningen, Pasen, Pinksteren…    Dat komt omdat het St.- Jansfeest het keerpunt is. Ik vind St.- Jansfeest vieren op een mooie manier niet zo gemakkelijk. En u ?

Maar met de kinderen wordt het een stuk eenvoudiger.
Alvast een kleuterliedje uit het boekje ‘De gouden poort’ om in de sfeer te komen….

(87) Een liedje om te dansen:

Tot op het feest!

( juffie Martine, nadere gegevens ontbreken.)

 

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

179-169

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (2)

.

ST.- JANSFEEST

In het midden van de Zomertijd
is ’t naamdag van Sint-Jan.
Wij vieren hem met zang en spel…..’

zingen de kinderen straks weer.

Zon, bloemen, muziek,  dansen,  zingen en een groot vuur, waar we overheen springen en waar we later omheen zitten, als het smeulend nog warmte geeft in de donkere avond. Nog wat zingen,  mijmeren,  luisteren naar de stilte die neerdaalt en met een warme gloed nog op de wangen, terug naar huis onder de wijde sterrenhemel….

Johannesfeest – 24  juni – valt vlak na de langste dag van het  jaar, die tevens een wendepunt is waarop de dagen langzaam weer gaan korten.

Johannesfeest ~ naamdag van Johannes de Doper die sprak: ‘lk moet afnemen,  Hij  (Christus) moet groeien.’ Ook Johannes stond op een wendepunt.

In vroegere tijden viel de langste dag op de 24e juni en was die zomerzonnewende een feest van extase, van het buiten zichzelf geraken. Zoals de mens in de winter meer naar binnen trekt, wakker bij zichzelf is, trekt de zomer hem eruit, als in een lome droom.

En het uitstijgen, als een soort inslapen was in de mid-zomernacht een toppunt van een religieus beleven, omdat de mens daarbuiten de Godheid vond in kosmische hoogten. De mens had nog die vanzelfsprekende verbondenheid met het ritme der natuur.

Die oude, natuurlijke extase bracht dan door de verbonden­heid met de Goddelijke wereld, inspiratie mee terug, nieuwe kracht weer mee naar beneden.

Maar deze natuurlijke verbondenheid verdween meer en meer (verbondenheid hield immers ook gebondenheid in) om plaats te maken voor een meer afstandelijk,  verstandelijk bewustzijn, een stuk vrijheid ook.

En Johannes stond op dat wendepunt. Hij vertegenwoordigt de oude natuurverbonden mens. lk moet afnemen, Hij moet  groeien.’

Johannes is in de zomer geboren, Christus is in de winter geboren.

De winter waarin innerlijke wakkerheid aan de orde is. Niet meer het uitstromen in de omgeving maar het innerlijk ruimte maken: niet ik;  maar Christus in mij.’ Zo wordt het vuur een offervuur op dat wendepunt.

Het Johannesfeest wat we nu ná de zonnewende vieren, spant de boog van ‘oud’ naar ‘nieuw’.

Eerst zingen we:

‘Onder de bomen op het gras,
dansen wij en springen wij in huppelpas.’

Maar, zegt Johannes zelf: ‘de bijl ligt aan de wortel van de bomen.’
De boom als verbondenheid tussen hemel en aarde.’Elke boom die geen vrucht draagt wordt in het vuur geworpen.’

Eerst dansen we om een laaiend, louterend, vreugdevuur.

‘Flamme empor leuchte uns
Führ uns zum Heil in dir…’ *

En dan de sprong erover.

Er is moed voor nodig om het uiterlijke vuur te bedwingen. En als we later rond het nog smeulende vuur zitten, nemen de vlammen steeds meer af, om innerlijk een  gloed te ontsteken.

En dat vuurtje van innerlijke activiteit moeten we dan brandend zien te houden in de tijd die komen gaat.
.

(Literatuur: Emil Bock De jaarfeesten als kringloop door het  jaar)
.

( Ivon Hummel, nadere gegevens onbekend)
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

* over dit lied doet een onzinnige bewering de ronde…..

.

178-168

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (1)

.

HET JAARFEEST VAN ST.-JAN

In het midden van de Zomertijd
Is ’t naamdag van Sint-Jan!
Wij vieren hem met zang en spel,
Sint-Jan, de heil’ge man.
Johannesdag in zomertijd
Doet bloeien het leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, bij berg en dal!’  (op berg,   in’t dal)

Zo luidt het aloude lied. Het Sint-Jansfeest wordt buiten gevierd, zelfs in de regen, als dat niet anders kan. Men trekt naar buiten, zingt, speelt en danst; en tenslotte wordt een prachtig vuur ontstoken.

Bij het knetteren van het hout en het loeien van de vlammen geniet men luidruchtig. Zo’n vuur zie je niet elke dag! Sommigen ook staren mijmerend in het vuur, denken aan van allerlei, herinneren zich veel.

Het feest heeft twee kanten. De vrolijke, luidruchtige en opgewonden stemming. En de meer nadenkende, bespiegelende kant. Waardoor komt dat?

De zon is steeds hoger gestegen, elke dag. Warmte, geurend gras, bonte bloemen, verse bloesems, het is alles opgewekt, mooi en gezond. De ziel wordt naar buiten gezogen. Men is gauw “buiten zichzelf”. Die uitdrukking is heel juist. Maar dit natuurgebeuren geeft de mens behalve vreugde ook een moment van bezinning.

Johannes, de grote profeet, was in het geheel niet vrolijk op zijn naamdag. Hij wist, dat andere tijden moesten komen. Hij wist ook, dat zijn tijd voorbij was; dat de mensen een geweldig gebeuren zouden missen, wanneer zij niet met andere ogen in het leven zouden gaan staan.

“Verandert uw gezindheid!” riep Johannes, staande bij de Dode Zee tussen de zoutkristallen, 400 meter lager dan de normale zeespiegel. Hij doopte de bekeerlingen in het hel­dere water van de heilige Jordaanrivier. Hier speelde zich ook het intieme drama af, waarvan de Evangelies gewagen: de jonge Jezus kwam daar om zich te laten dopen. De duif van de Heilige Geest daalde op Jesus neer, beeld voor de verbinding van het Christuswezen met het lichamelijke van Jezus, beeld van de éénwording van hemel en aarde. Johannes mocht deze doop, deze éénmalige, unieke gebeurtenis, voltrekken.

Maar zelf wist hij, dat zijn tijd voorbij was: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.” En ook de zon begint na de Sint-Jansdag op 24 juni weer af te nemen. Het uiterlijke, glanzende en schone licht moet verdwijnen en zal vervangen moeten worden door een innerlijk licht, dat de mens moet ontwikkelen door méér mens te worden. Een tweede, politiek drama voltrok zich, toen Johannes korte tijd daarna gevangen werd genomen en in zijn cel werd vermoord op instigatie van koningin Herodias.

De vrolijkheid van het Sint-Jansfeest is niet zo zorge­loos als ze er uit ziet.

Ook in onze tijd is het hard nodig, dat men, naast de technische en cultuurhistorische verworvenheden een nieuwe gezindheid ontwikkelt.

Het materialisme is in onze tijd nog zeer machtig. Maar overal zoemen en snorren de vuurvliegjes van een nieuw bewustzijn, dat een geestelijk tegenwicht moet vormen tegen de geest van atomisme en computergestuurde onmenselijkheid. Daarbij kan het Sint-Jansfeest ons helpen.

(Paul Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

.

177-167

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

.

‘VINGERHOED, VINGERHOED, HEB GOEDE MOED’

Vingerhoedje, een arm gebocheld mannetje dat ‘er nauwelijks als een mens uitzag’.

Else Tideman vond een Iers sprookje dat ons op weg kan helpen iets van het pinksterfeest te beleven.

‘Dat kan alleen maar gebeuren als men zich zo voorbereidt als Vingerhoedje’.

Er was eens een arme man. Hij had een grote bult op zijn rug, dat zag er net uit of zijn lijf naar boven geschoven en op zijn schouders gelegd was. Door de zwaarte werd zijn hoofd zó diep naar beneden gedrukt, dat hij ge­woon was zijn kin op zijn knieën te steunen, als hij zat.
De mensen uit de streek waren bang om hem op een eenzame plek tegen te komen, en toch was het arme mannetje zo onschuldig en vredelievend als een pasgebo­ren kind. Maar zijn mismaaktheid was zó groot, dat hij er nauwelijks als een mens uit­zag en daarom hadden boosaardige lieden vreemde verhalen over hem verspreid.
Er werd verteld dat hij veel van kruiden en tovermiddelen wist. Zeker was dat hij met vaardige hand hoeden en korven kon vlech­ten uit stro en biezen. Daarmee verdiende hij zijn brood.
Vingerhoedje was zijn bijnaam, omdat hij op zijn hoedje altijd een tak droeg van het elfenkapje of rode vingerhoedskruid.
Voor zijn vlechtwerk kreeg hij altijd een dubbeltje meer dan een ander; misschien hebben de mensen uit nijd daarover die won­derlijke verhalen over hem rondgestrooid.
Eens gebeurde het dat Vingerhoedje ’s avonds van de stad Cahir naar Cappagh ging. En om­dat hij door de lastige bult op zijn rug maar langzaam vooruit kwam, was het al donker toen hij het oude hunebed bereikte, dat rechts van de weg ligt. Moe en afgemat, teneergeslagen omdat hij wist dat er nog een lang stuk weg vóór hem lag en hij de hele nacht moest doorlopen, ging hij onderaan de grafheuvel zitten om een beetje uit te rusten en keek heel bedroefd naar de maan.
Opeens drong een wonderlijke, onderaardse muziek tot de oren van Vingerhoedje door. Hij luisterde en hij dacht dat hij nog nooit zoiets betoverends gehoord had. Het was als de klank van veel stemmen, waarvan de één zich naar de ander voegde en die zich zó wonderlijk vermengden, dat het er maar één scheen te zijn, terwijl toch ieder een eigen toon hield.
De woorden van het lied waren deze:

‘Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort’.

Daarna kwam een kleine pauze, waarop de muziek van voren af aan begon.

Vingerhoedje luisterde opmerkzaam en durfde nauwelijks adem te halen om geen toon te missen. Hij merkte nu duidelijk dat het ge­zang uit de grafheuvel kwam. En hoewel het hem in het begin erg verrukte, werd hij het eindelijk toch moe dezelfde rondzang aan één stuk door, zonder afwisseling aan te ho­ren. Toen opnieuw Da Luan, Da Mort drie­maal gezongen was, gebruikte hij de kleine pauze en nam de melodie op om verder te zin­gen met de woorden augus Da Cadine. Toen daarna de stemmen in de heuvel weer invie­len, zong hij met hen mee – Du Luan, Da Mort, maar eindigde bij de pauze weer met zijn toevoeging augus Da Cadine.
Toen de elfen in de heuvel de toevoeging tot hun geestesgezang hoorden, verlustigden zij er zich buitengewoon in en besloten meteen het mensenkind, wiens muzikale bekwaam­heid de hunne zó ver overtrof naar beneden te halen, en Vingerhoedje werd met de krin­gelende snelheid van een wervelwind naar hen toegedragen.

Dát was een pracht, die hem in de ogen blonk, toen hij beneden in de heuvel kwam, rondzwevend, licht als een strohalmpje. En de lieflijkste muziek hield keurig de maat bij zijn vaart. De grootste eer werd hem echter betoond toen zij hem boven alle zangers plaatsten. Hij had dienaren, die hem alles moesten geven wat zijn hart begeerde, en hij zag hoe de elfen van hem hielden. Kortom, hij werd behandeld alsof hij de eerste man in het land was.

Toen merkte Vingerhoedje, dat ze de kop­pen bij elkaar staken en met elkaar beraad­slaagden, en hoezeer hun hoffelijkheid hem ook beviel, begon hij toch bang te worden. Toen kwam een van de elfen voor hem staan en zei:

‘Vingerhoed! Vingerhoed!
Heb maar goede moed!
Wees lustig en tevreden,
Je bult valt naar beneden,
Zie hem liggen, ’t ga je goed,
Vingerhoed, Vingerhoed!’

Nauwelijks waren de woorden beëindigd, of Vingerhoedje voelde zich zó licht, zó zalig, alsof hij in één sprong wel over de maan kon wegspringen, zoals de koe in het sprookje van de kat en de viool. Hij zag met de groot­ste vreugde van de wereld de bult van zijn schouders op de grond vallen. Hij probeerde toen of hij zijn hoofd kon opheffen, maar hij deed het heel voorzichtig uit vrees tegen de zoldering van de grote hal te stoten. Daarna keek hij om zich heen met de grootste be­wondering en verlustigde zich in alle dingen, die hem steeds schoner voorkwamen. Ten­slotte werd hij zó overweldigd door de aan­blik van zijn glanzend verblijf, dat het hem duizelde, zijn ogen verblind werden en hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was het klaarlichte dag. De zon scheen, de vogels zongen en hij lag weer aan de voet van de grafheuvel, ter­wijl koeien en schapen vredig om hem heen graasden. Nadat Vingerhoedje zijn gebed ge­zegd had, was zijn eerste daad naar zijn bult te grijpen, maar er was op zijn rug geen spoor meer van te vinden. Hij bekeek zichzelf niet zonder trots, want hij was een welgevormde jongeman geworden en – wat geen kleinig­heid was – hij zag zichzelf van top tot teen in nieuwe kleren. Hij begreep dat de elfen hem dit pak bezorgd hadden. Toen ging hij op weg naar Cappagh, hij liep zó dapper en sprong bij iedere pas, alsof hij zijn leven lang niet anders gewend was ge­weest. Niemand die hem ontmoette, herken­de hem zonder bult en hij had de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen dat hij werkelijk Vingerhoedje was. En inder­daad, naar zijn uiterlijk was hij het ook niet meer.

Mijlenver in de omtrek sprak ieder, rijk of arm, over niets anders meer dan over de ge­schiedenis van Vingerhoedjes bult. Op een morgen zat Vingerhoedje tevreden voor zijn deur. Daar kwam een oude vrouw langs, die hem de weg naar Cappagh vroeg. ‘Je bent hier in Cappagh’, antwoordde hij, ‘naar wie wil je toe?’ ‘Ik kom van ver en zoek een man, die Vingerhoedje genoemd wordt en van wie wordt gezegd dat de elfen de bult van zijn schouders genomen hebben. De zoon van mijn vriendin, die heeft een bult die hem nog dóód drukken zal. Misschien kan hij net zo’n tovermiddel gebruiken als Vingerhoedje, om ervan verlost te worden. Daar wou ik zo graag van horen’.

Vingerhoedje vertelde haar uitvoerig hoe al­les gegaan was. De oude vrouw dankte hem duizendmaal en ging weer naar huis. Toen ze bij haar vriendin kwam, vertelde ze precies wat ze van Vingerhoedje te weten gekomen was. Daarna zetten ze het bultige kereltje op een wagen en trokken hem voort. Het was een verre tocht. ‘Maar wat hindert dat’, dachten ze, ‘als hij zijn bult maar kwijt raakt’. Juist toen de nacht begon, kwamen ze bij de grafheuvel aan. Zij legden hem daar neer en gingen weg.

Hans Madden, want dat was de naam van de gebochelde, was z’n leven lang een knorrig en sluw kereltje geweest. Hij zat nog maar kort bij de grafheuvel toen de muziek in de heu­vel begon, nog veel lieflijker dan eerst, want de elfen zongen hun lied met de toevoeging die ze van Vingerhoedje geleerd hadden. ‘Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, augus Da Cadine’,  zonder onder­breking. Hans, die nu vlug zijn bult kwijt wilde, wachtte niet tot de elfen met hun ge­zang klaar waren. Ook lette hij niet op het geschikte ogenblik om net als Vingerhoedje de melodie met een eigen toevoeging voort te zetten. Toen ze hun lied meer dan zeven keer aan één stuk door gezongen hadden, schreeuwde hij zonder rekening te houden met maat en melodie en een passend ogen­blik om zijn woorden in te voegen, uit volle borst: ‘augus Da Dardine augus Da Hena’ en dacht, ‘was één toevoeging goed, dan zijn twee nog beter, en als Vingerhoedje één nieuw pak gekregen heeft, zullen ze mij er wel twee geven.’

Nauwelijks waren de woorden over zijn lip­pen gekomen, of hij werd opgenomen en met wonderbaarlijk geweld binnengedragen in de heuvel. Hier omringden de elfen hem. Ze waren heel boos en riepen schreeuwend en krijsend: ‘Wie heeft ons lied bedorven? Wie heeft ons lied bedorven?’ Eén kwam naar voren en zei:

‘Hans Madden! Hans Madden!
Slecht passen de woorden,
Die wij van je hoorden!
Nu ben je gevangen,
Wat zal aan je hangen?
Twee bulten voor éne! Hans Madden!’

En twintig van de sterkste elfen sleepten Vingerhoedjes bult aan en zetten hem boven­op de bochel van de ongelukkige Hans Mad­den. Daar zat hij zo vast alsof hij met twaalf­cents nagels door de beste timmerman die ooit nagels ingeslagen had, vastgespijkerd was. Daarna stootten zij hem uit hun woning.
’s Morgens toen Hans Maddens moeder en haar vriendin naar hem kwamen kijken, vonden ze hem aan de voet van de heuvel liggen, half dood met een tweede bult op zijn rug. Zij bekeken hem om beurten, maar daar bleef het bij. Tenslotte werden ze bang, dat hun óók een bult op de rug gezet kon wor­den en brachten Hans Madden weer naar huis.

Zo moest Hans Madden verder leven met het gewicht van twéé bulten op zijn rug. En dat was zó zwaar, dat hij niet lang daarna gestor­ven is. Vingerhoedje echter leefde nog lang en tevreden.

Pinksteren
Hoe kan dit sprookje ons op weg helpen iets van Pinksteren te beleven? We zien vóór ons een gebocheld mannetje. Hij is arm, verdient zijn brood met manden en hoeden vlechten. Allemaal omstandigheden die iemand hard en bitter kunnen maken. Het tegendeel is waar. Hij wordt ‘onschuldig en vredelie­vend’ genoemd. Hij kan buitengewoon goed vlechten. We kunnen ons voorstellen hoe hij daar zit: kin op de knieën, ‘zijn lichaam naar boven geschoven, zijn hoofd naar beneden gedrukt.’ Alles is ‘in het midden’ samenge­drukt. Je zou kunnen zeggen: hij denkt ‘heel dicht bij zijn hart’. Ook zijn oren en zijn omhooggeschoven lijf zijn ‘heel dicht bij zijn hart’. Al het mens-zijn is om zijn hart ge­groepeerd. Hij vlecht manden, voorwerpen, die gevuld kunnen worden, die iets kunnen dragen. Ze kunnen alle schatten bevatten, die de koper eraan toevertrouwt. Ze zijn mooi – hij krijgt immers een dubbeltje extra. Ook de hoeden zijn mooi en bruikbaar. Ze beschermen de koper tegen het ‘te veel’ aan regen en zonneschijn. Ze zijn samen – mand en hoed – als het ware een beeld van wat hij zélf is: al is hij nog zo mismaakt, hij weet zichzelf ‘te dragen’ en te beschermen tegen het ‘te veel’ van buiten af. Toch sluit hij zich niet af. Hij maakt gevlochten voorwerpen en weet zijn ervaringen positief te vervlechten. Zijn manden en hoeden zijn stevig en toch luchtig, niet zwaar, en van natuurmateriaal: stro en biezen. Ook dat is materiaal van ‘het midden’. Het stro is immers de korenhalm tussen de gedorste aar en de wortel waarmee de halm in de grond stond. Van de biezen kan men hetzelfde zeggen. Zelf heeft hij óók een hoedje van dit materiaal op, met een takje van het vingerhoedskruid. De Latijnse naam hiervan is digitalis purpurea. Deze plant wordt als geneesmiddel voor het hart ge­bruikt! In Ierland heet hij fairy-cap, elfen­kapje.

Het hele beeld spreekt van een geweldige concentratie van alle menselijke vermogens om het hart heen en een voortdurend bezig zijn en oefenen daarin. Zelfs als hij ’s avonds afgemat bij het hunebed zit: hij luistert ademloos. Hij verdiept zich zo in de elfenmuziek, dat hij er één mee wordt en van bin­nenuit ritme en melodie meebeleeft. Dan voelt hij ook het gemis en het verlangen dat zich in de stilte tussen de zich herhalende strofen uitdrukt. Daarin verdiept hij zich zó sterk, dat in hem ook een gemis ontstaat. (Hij werd moe van de niet eindigende rond­zang). En nú komt – wat je zou kunnen noe­men – een beeld van een pinksterbeleven. Dat kan alleen maar gebeuren, als men zich zó voorbereidt als Vingerhoedje.

In het Nieuwe Testament staat over Pinkste­ren: ‘En zij werden allen van Heilige Geest vervuld en begonnen te spreken in andere ta­len met de spraak, die de Geest hun gaf’.

Plotseling kan Vingerhoedje de taal van de elfen spreken en zingen en hij vindt een aan­vulling van hun lied. Iets volkomen nieuws ontstaat. De elfen voelen zich opgenomen, ze zijn méér dan ze waren, ze zijn héél ge­worden: ge-heeld.
Ook Vingerhoedje wordt ‘geheeld’ door zijn onbaatzuchtige daad. Hij wordt ook meer dan hij was: een welgevorm­de jongeman, van top tot teen in nieuwe kle­ren. En dat is een tweede aspect van het pinkstergebeuren.

Nu begrijpen we ook, dat Hans Madden met zijn egoïstische verlangen – twee nieuwe pakken en geen bult meer – heel ver van dit heilige en helende gebeuren afstond. Toch horen ze beiden in het beeld: Vingerhoedje en Hans Madden. Hans Madden is in dit sprookje de schaduw die het licht van Vin­gerhoedje helderder doet schijnen.

Else Tideman , ‘Jonas’ 20, 28 mei 1982

Dit Ierse sprookje is te vinden in ‘Celtic Fairy Tales, collected by Joseph Jacobs. Uitg. The Bodley Head London. Een goede vertaling in het Duits door de broeders Grimm staat in: Irische Elfenmarchen. Uitg. Freies Geistesleben.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

174-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – alle artikelen

.

[1] Van Pasen tot Pinksteren
Paul Veltman over: Pinksteren in de natuur, Heilige Geest; vrije individualiteit. 

[2] Van aanschouwen tot innerlijk beleven 
Jacobus Knijpenga over: Pinksteren als feest van de menselijke individualiteit; Pasen, Hemelvaart; wolken; getal 40.

[3] Kleine pinksterknutsels
Tineke Geus en Annet Schukking: vogeltje, vlinder, vogeltjes op tak; meiboomkroon; bloemen: anjer, bloesem, roosje, dahlia, kelkje met blaadjes, steeltje.

Nicole Karrèr: zijden pinksterbloem.

Onbekend: duifjes; lentevrouwtje; mobile lente-elfjes;

[4] Ongrijpbaar Pinksteren
Annet Schukking over: Kerstmis gaat nog wel, Pasen is al moeilijker, maar Pinksteren? de natuur rond Pinksteren; stuifmeel t.o. sneeuwkristal; vieren of  vrije dagen, Heilige Geest.

[5] Pinksteren 
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuur rond Pinksteren; natuurfeest-geestfeest.

[6] Pinksteren vanuit de kleuterschool
Over: Pinksterfeest in de kleuterklas, symboliek van attributen.

[7] Het schooljaar loopt ten einde
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest (zie 5).

[8] Over Pinksteren
Kleuterleidsters over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek bruid/bruidegom, vogel.

[9] Recepten
Frédérique Wedekind en Julio Wiertz over: brood, geschiedenis, waarde, tafelspreukje, zelf bakken; voorbeelden van feestbroden
M.Gerretsen: luilakbollen;
W.M.: pittabrood; gaspacho;
Griekse salade;

[10] Pinksteren
W.M. over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek van ‘fiere pinksterblom’.

[11] Hemelvaart en Pinksteren
Michiel ter Horst over: Hemelvaart en Pinksteren: hoe kun je ze in de natuur beleven?

[12] Van Hemelvaart tot Pinksteren
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Hemelvaart; Jezus; Christus; duif; natuur; in de kleuterklas; symboliek van de attributen.

[13] De pinksterbruid
Marijke Peeters over: Oude pinkstergebruiken; symboliek van de attributen; luilak.

[14] Pinksteren 
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Heilige Geest; apostelen; voorjaar; Pinksteren in de natuur; Pinksteren in de kleuterklas; symboliek.

[15] Pinksteren
J. van Dam over: De visie van Rudolf Steiner op Pasen, opstanding, Pinksteren; Pinksteren in de natuur.

[16] Pinksteren, het feest van het geheim
Anke over: Pinksteren: feest van de toekomst – van de het bewustzijn – van ons ware hogere Ik; Heilige Geest; oosters en westers politiek denken; fiere pinksterblom.

[17] Pinksteren, tegenwoordigheid van geest
Marijke Anschütz over: Heilige Geest, Juno, natuur, Pinksteren in Israël – feest van de eerstelingen; schutter, Schutter; feest van de toekomst.

[18] Het Pinksterfeest
Henk Sweers
over: vrijheid en liefde; Zelf; feest van de toekomst; luilak; pinksterbruid; symboliek; pinkstergebruiken; feest van de geest.

[19] Kransen van groen en papieren bloemen
Tineke Geus over: waarom papieren bloemen, pinksterbruid, traditie, natuur; papierkunst; Johann Jacob Hauswirth.

[20] Pinksterfeest 
Over: een (zeer summiere) opsomming over Pinksteren; sprookjes voor de pinkstertijd; enkele boeken.

[21] Luilak en Pinksteren
M.Gerretsen over: luilak in Noord-Holland; Pinksteren in de kleuterklas; pinkstersymbolen.

[22] Vingerhoed, vingerhoed, heb goede moed
Else Tideman over: het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’ i.v.m. Pinksteren.

[23] Pinksteren
Annemieke Zwart over: idealen; inspiratie; pinksteren in de kleuterklas; moeilijker te vieren in basisschool.

[24] Hemelvaart en Pinksteren
Hans ter Beek
over: Pinksteren tegenover St-Maarten; natuur;  in de kleuterklas; meiboom; Germaanse mythologie; luilak.

[25] Het wonderlijke van Pinksteren
P.C.Veltman over: Pinksteren: een moeilijk ‘geestfeest’; het belang van een mensbeeld; vrije individualiteit, toekomst.

[26] Zomer
Over: zomerimpressie; pinksterbruid- en bruidegom in de kleuterklas; Luilak.

[27] Van Pinksteren naar Sint-Jan
Joke Kuyt-Boersema over: Pinksteren in de kleuterklas.

[28] Folklore
Luilak, dauwtrappen; folklore. 

[29] Hemelvaart 
Loïs Eijgenraam over: de maan mei, herkomst en gebruiken; Walpurgisnacht; meivuur; meibruid; meiboom; Hemelvaart.

[30] De pinksterbruid
Mellie Uyldert over: folkloristische aspecten van Pinksteren; Luilak, pinkstervuur.

[31] Hemelvaartsdag in perspectief
Tim van Tongeren over: het ‘voorchristelijke’; jaarcyclus in 8 fasen met neopaganistische namen: Yule, Imbole, Ostara, Beltane, Litha, Lughnasadh, Mabon, Samhain; de meiboom en de symbolische kleur van de linten; Pinksterblom en meikoningin, vruchtbaarheid en bruiloft; na-christelijke interpretatie; Hemelvaart tussen carnaval en Pinksteren; kruisdood en opstanding; etherlijf na de dood.

[32] Hemelvaart
Dieuwke Hessels over: Hemelvaart tussen Pasen en Pinksteren; natuurschets; dauwtrappen; wat gebeurde er op Hemelvaart; Hemelvaart met kinderen; Hemelvaart en lente; de elementen; Goethe sprookje; bellenblazen; parachuteknutsel; welke verhalen; liedjes; viering in kleuterklas.

[33] Pinksteren
Dieuwke Hessels over: Pinksteren; witte vogel; zwaan; liedjes; pinksterfeest: ontstaan; pinksterfeest in de kleuterklas; meiboom; de pinksterblom; luilakbollen; transparanten; kleine pinksterknutsels; bloemen van papier maken; viering in de kleuterklas; sprookjes,

[34] Pinksteren
Miriam Haenen over: pinksterbruid: kosmisch huwelijk; hoe kunnen we ‘alle talen spreken’; respect voor elkaars godsdienst en bereidheid elkaar daarbovenuit te ontmoeten; citaat Ghandi en Steiner.

Dauwtrappen met Hemelvaart
Bij ‘Antroposofie inspireert’.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

173-163

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (21)

.

LUILAK EN PINKSTEREN 

In Noord-Holland wordt nog steeds op vrijdag voor Pinksteren luilak gevierd. In sommige plaatsen zijn er bloemenmarkten waar de hele nacht door planten en bloemen worden verkocht.
Voor de kinderen zijn er spelen en wedstrijden. ’s Nachts om 12 uur worden grote vuren gebrand, waarvoor de jeugd al een week van tevoren brand­stof verzamelt. Jong en oud gaat er naar toe. De volgende morgen trekken de jongeren in alle vroegte door de straten met een hels lawaai van pannendeksels, lege blikken enz., proberen ze luid bellend en zingend:

“Luilak, beddenzak,
Staat om negen uren op,
Negen uren half tien,
Nog is luilak niet te zien”.

de “langslapers” wakker te maken. Daarna wordt er ontbeten met luilakbollen.
Ik heb met  de kleuters ook wel luilak gevierd. De luilak wordt zittend op een stoeltje rond gedragen door twee kleuters. Alle kinderen zingen: “Luilak, beddezak”, enz. Dit duurt eindeloos, ieder kind wil een keer luilak zijn.

De volgende dag is het Pinksteren. In deze tijd bloeit de pinksterbloem volop.

In Amsterdam heb ik een pinksterfeest meegevierd in de kleuterklas. Van tevoren worden versierselen gemaakt. De meisjes krijgen een bloemenkransje, de jongens een bruiloftsstaf.
De meisjes die naar de 1e klas gaan krijgen een lange jurk, de jongens een hes, de overige kinderen een sterrenkraag. Ieder versiert zijn spulletjes zo mooi mogelijk met papier. Alleen de pinksterbruid krijgt een witte jurk met sluier en aan haar pols een bandje met belletjes. Middenin de klas hangt de pinksterkroon. Op het feest worden eerst de bruid en de bruidegom aangekleed. Zij zitten hoger dan de andere kinderen, precies onder de pinksterkroon. Dit is een zeer plechtig moment.
Daarna worden de andere kinderen aangekleed. Vanaf de oudste. Als iedereen klaar is rinkelen de bellen en de stoet, met een stralende bruid en bruidegom voorop, zet zich in beweging, zingend:

Hier is onze fiere Pinksterblom
Ik zou hem zo graag eens wezen,
met de mooie kransen in het haar,
En met de rinkelende bellen.
Recht is recht,krom is krom ,
Gelieve wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voor”.

Zo trokken ze door het Vondelpark naar het huis van één van de kleuters. Daar werd in de tuin beschuit met aardbeien gegeten en limonade gedronken.
Het was een bijzondere ervaring.
.

M.Gerretsen, in ‘Vrijblijvend’- datum onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

172-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.