Categorie archief: geschiedenis

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4/1)

.

DE WETENSCHAP VAN DE BABYLONIËRS
.

We hebben ons wellicht allemaal wel eens afgevraagd waarom een uur wordt verdeeld in 60 minuten en een minuut weer in 60 seconden. Waarom nu juist in 60 en niet, bijvoorbeeld, in 100? Dat zou immers veel gemakkelijker zijn bij het maken van berekeningen.

En waarom wordt de cirkel eigenlijk onderverdeeld in 360 graden (6 x 60) en waarom iedere graad weer in 60 minuten en die weer in 60 seconden?

Alleen de priesters uit het oude Babylon zouden ons daar antwoord op kunnen geven. Deze oude geleerden waren namelijk de eersten die een rekensysteem ontwikkelden dat gebaseerd was op het getal 60. De keuze van het getal 60 in het oude Babylon heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de Babyloniërs zich met sterrenkunde bezighielden. Ze merkten op dat het getal 60 in hun waarnemingen en berekeningen een grote rol speelde.

Dit 60-tallige systeem bestaat tegenwoordig, ongeveer 4000 jaar later, nog steeds.

Wie er op school of op het werk moeite mee heeft, weet nu aan wie hij dit heeft te danken…

Babylon 1

Op deze stenen grafzuil zijn naast een Babylonische vorst en enige hoogwaardigheidsbekleders ook hemellichamen afgebeeld, waaruit de grote belangstelling voor de sterrenkunde blijkt.

Knap in wiskunde, maar zwak in meetkunde
De Babyloniërs maakten voor hun berekeningen gebruik van een telbord. Ze noemden het ’abacus’ en we kennen de werking ervan. De Babyloniërs hadden een tientallig rekensysteem. Dit systeem werkte zeer eenvoudig, omdat het zich van slechts drie verschillende tekens bediende. Er was een symbool voor de eenheden, een symbool voor de tientallen en een symbool voor de honderdtallen. In de praktijk moet het omslachtig zijn geweest, omdat men bij vele getallen eenzelfde teken wel vele malen moest herhalen. Net als wij beschouwden de Babyloniërs het getal 10 dus als het basisgetal voor de telling.

Dit kleitablet  is een rekentabel. Het is een tafel van vermenigvuldiging, die door kooplieden werd gebruikt om berekeningen te maken. Er zijn dergelijke tafels gevonden met van de meestvoorkomende getallen de helft, een kwart, een derde, het kwadraat en de derde macht.

Babylon 2

Fragment van een Babylonisch kleitablet met daarop in Babylonische tekens de tafel van vermenigvuldiging. Links de getallen 1 t/m 4, bovenaan de getallen 1 t/m 3. De twee rechter rijen geven de sommen van deze getallen aan.

De rekentafels van de kwadraten werden gebruikt voor het berekenen van oppervlakten. De Babyloniërs waren zo in staat om zelfs zeer onregelmatig gevormde oppervlakten te berekenen, mits die maar uit rechte lijnen bestonden.

Maar de oppervlakte van een cirkel berekenen konden ze niet!

Ze tekenden binnen en buiten de cirkel een vierkant. Van beide vierkanten werd de oppervlakte uitgerekend. Vervolgens werden de uitkomsten bij elkaar geteld en de som werd door 2 gedeeld. Zo verkregen ze bij benadering de cirkeloppervlakte.

Om de cirkelomtrek uit te rekenen werd de middellijn ervan eenvoudig met 3 vermenigvuldigd. Dat is een zeer ruwe berekening, zeker als we weten dat reeds de oude Egyptenaren erin geslaagd waren de juiste vermenigvuldigingsfactor te vinden (3 1/7).

Babylon 3

De tafel van vermenigvuldiging in onze moderne (Arabische) cijfers, overeenkomend met het kleitablet hierboven.

Babylon 4

Door de som van de oppervlakten van de twee vierkanten door twee te delen, verkregen de Babyloniërs bij benadering de cirkeloppervlakte.

Babylon 5

Fragment van een tablet met meetkundige tekeningen en berekeningen

Waarzeggers
AI 5000 jaar geleden waren Babylonische priesters in staat zons- en maansverduisteringen te voor spellen. Deze bijzonderheid staat vermeld in een verhandeling over sterrenkunde op kleitabletten, die archeologen in Mesopotamië hebben gevonden. De tabletten dateren uit de tijd van koning Sargon (2850 v. Chr.). De priesters, die in staat waren de verduisteringen op de dag nauwkeurig te voorspellen, werden ongetwijfeld als tovenaars beschouwd, die macht hadden over de natuur.

Niemand zal begrepen hebben dat de priesters niet zelf de verduisteringen veroorzaakten, maar deze slechts hadden berekend. De priesters werden ook geacht het weer te kunnen beheersen, het leger te kunnen laten winnen of verliezen, zieken te kunnen genezen, met de goden te kunnen spreken, enz.

De Babyloniërs wisten meer van sterrenkunde dan ieder ander volk uit de Oudheid. Ze konden nauwkeurig vaststellen op welke dagen de lente, de zomer, de herfst en de winter begonnen. Ze berekenden de omloop van de planeten en de banen van de zon en de maan. De baan die de aarde om de zon beschreef deelden ze in 12 sterrenbeelden in. De Babyloniërs tekenden een hemelkaart met daarop de positie van de sterren.

Door hun grote sterrenkundige kennis konden de Babyloniërs een nauwkeurige kalender maken.
Voor het gemak verdeelden ze het jaar in twaalf ’manen’ (maanden): zes van 30 dagen en zes van 29. Maar op deze wijze had het jaar maar 354 dagen en dat waren er ruim 9 te weinig, wisten ze. Daarom werd af en toe een extra maand aan een jaar toegevoegd: een schrikkeljaar.
De Babyloniërs verdeelden het jaar aanvankelijk in 12 maanden van 30 dagen: in totaal dus 360 dagen. De cirkelvormige baan van de aarde om de zon was dus in 360 dagen verdeeld. Dit is waarschijnlijk de reden waarom de cirkel in de meetkunde in 360 graden is verdeeld.

Aardrijkskundige kaarten in gedroogde klei
De afbeelding hieronder stelt een Babylonische wereldkaart voor. De kaart is in een nat kleitablet gegraveerd, die daarna in de zon werd gedroogd. De aarde wordt voorgesteld als een platte ronde schijf. De bergen zijn aangegeven met cirkels en de rivieren met lijnen. De stad Babylon is in het midden van de ’wereld’ geplaatst (de punt in het midden tussen de lijnen die de rivieren de Eufraat en Tigris voorstellen).

Babylon 6

Babylonische ‘wereld’-kaart in gedroogde klei. De stad Babylon was het centrum van de aarde

Een gevaarlijk beroep
De geneeskunde was in Babylon niet hoog ontwikkeld. Vrijwel alle behandelingen bestonden voor een deel uit magie en tovenarij. Misschien is dat wel de reden waarom koning Hammoerabi (1728-1686 v. Chr.) in zijn wetboek een aantal strenge wetten liet opnemen tegen artsen die de toestand van patiënten verslechterden:

‘Een arts, die met een bronzen mes een gezwel opensnijdt en de patiënt doodt of diens gezichtsvermogen aantast, zullen de handen worden afgezet…

Babylon 7

Babylonische kooplieden met een ‘abacus’, een soort telbord waarmee ze konden optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

949-878

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis

.

Als achtergrond voor het geschiedenisonderwijs is “Geschichte lehren”  van Christoph Lindenberg een behulpzame bron.

7e klas

“In de leerplanvoordrachten uit het jaar 1919 [1] staat de enige directe aanwijzing voor het thema van de 7e klas:

‘In de 7e klas zal het erom gaan dat men het kind goed duidelijk maakt hoe het leven er vanaf de vijftiende eeuw voor de moderne mensheid uit gaat zien en dat men de situatie in Europa en elders schetst tot ongeveer het begin van de zeventiende eeuw. Dit is een uitermate belangrijke periode, die men zorgvuldig dient te behandelen. Belangrijker zelfs dan de tijd daarna.’

Deze opvatting vindt zijn weerklank ook in het feit dat als men in de 6e klas in twee perioden twee duizend jaar moet behandelen, men nu voor twee tot driehonderd jaar twee perioden heeft.

Nu is de vraag: welke thema’s moeten hier behandeld worden? Gaat het om keizers en koningen, om Sigismund, Frederik 111, om Maximiliaan en Karel V? Om de hervorming van het rijk en concilies? Of zijn andere thema’s belangrijker? Het wezenlijke karakter van de nieuwe tijd komt zeker niet naar voren met de voortzetting van de middeleeuwse leefvormen en problemen.

Het wezenlijk nieuwe treedt allereerst in verschijning door de ontdekkingen, dus in Vasco da Gama, Columbus, Magelhaen; in de uitvindingen: dus in Gutenberg met de boekdrukkunst zie [artikelen], in de ontwikkeling van klokken, de uitvinding van het buskruit, in München en Turbinen; in de nieuwe handelsvormen, dus bij Jacques Coeur, bij Jakob Fugger, de Welser en anderen; ook, op een bepaalde manier beperkter, in de Duitse Reformatie – politiek wordt het in de vrijheidsstrijd in de Nederlanden, in de overwinning van de
Spaanse Armada, zichtbaar.

Een allerbelangrijkst, nieuw element wordt zichtbaar in de verhouding mens – zintuigervaring. In de middeleeuwen was het gewoonte om wat zich aan de zintuigen voordeed, symbolisch te bekijken. De ontwikkelde theoloog bv. wist, wat over de individuele dieren in de bijbel werd gezegd, in welke profetieën ze voorkwamen. Daarom was een wilde ezel niet simpelweg een wilde ezel. Zo komt Luidprandt von Cremona, als hij in Byzantium wilde ezels ziet, op de spreuk van Hippolytus: ‘De leeuw en haar welpen zullen samen de wilde ezels verjagen’ en het probleem is, hoe deze spreuk uitgelegd moet worden. Net zo is het met de verschijnselen aan de hemel: het zijn openbaringen van God die je moet leren lezen. Dat alles betekent zeker niet, dat de middeleeuwse mens niet ook gewoon een wilde ezel of een leeuw kan zien; dat ze op de veemarkt niet zouden weten wat de ouderdom en capaciteit, gewicht en waarde van een dier zou zijn. Maar het denken over de dingen wordt nog niet bepaald door het begrijpen van de pure feiten.

En dat nu juist, wordt anders. Wie de eerste zeekaarten uit de nieuwe tijd bekijkt, ziet hoe het precieze meten van de kustlijn, de exacte duiding van de breedtegraden nu de zuiver fysieke vorm toont. De aarde wordt met een netwerk van precieze metingen overtrokken.
Ook de anatomie die het lichaam ontleedt, levert een precieze beschrijving van het lichaam: ieder orgaan wordt wat zijn vorm en ligging betreft, beschreven. Met dit begrijpen loopt het aanpakken en gebruiken van krachten en mechanismen parallel: men leert met molens wind en water te beheersen; men leert de snelheid van een schip te meten; men meet de tijd met zonnewijzer, zandloper en uiteindelijk met de mechanisch geconstrueerde klok.
Wie zich op de hoogte wil stellen van deze nieuwe manier van waarnemen, vindt dat bij Leonardo da Vinci op z’n mooist en indrukwekkendst weergegeven. Zoals bij Leonardo verandert het bewustzijn in zijn algemeenheid: het zintuig voor het praktische, mechanische, technische groeit, het zintuig voor het wonderbaarlijke en heilige wordt minder.
Hierbij moet je iets in aanmerking nemen wat voordien niet een dermate grote rol gespeeld heeft en wat ook nu in de 7e klas niet overtrokken moet worden: het economisch aspect van de handel.

Rudolf Steiner wees erop dat de actieve krachten in de geschiedenis niet in alle tijden dezelfde zijn: er zijn tijden die voornamelijk spirituele impulsen krijgen; in andere komen meer de rechtsverhoudingen tussen de mensen aan bod; in de eerste fase van de nieuwe tijd speelt echter voor de handel van de mens de economie een bijzondere rol. Wanneer je dat zegt, beweer je nog helemaal niet dat de economie geheel zelfstandig wordt, dat puur economische processen vanzelf werkzaam zijn; wel echter, dat de beweegredenen van de mens door economische gedachten gestuurd kunnen worden of dat de mensen de toon zetten in het economisch denken.

Zo zei Steiner eens:
‘Onderzoek je in het licht van de waarheid, niet in het licht van de illusie, wat er gebeurd is en wat door de Reformatie in het begin van de nieuwere geschiedkundige ontwikkeling een metamorfose heeft ondergaan, dan moet je zeggen: zeer zeker heeft er in het begin van de nieuwere tijd een geweldige verandering plaatsgevonden wat betreft de gelaagdheid van de bevolking. Die is tot stand gekomen doordat voor het begin van de Reformatie andere mensen, met name in West-Europa, over grond beschikten dan na de Reformatie. Want de leiding gevende mensen die in zekere zin bepalend waren voor de sociale structuur van voor de Reformatie, hebben door de Reformatie hun heerschappij verloren. Veel meer dan men denkt was het grondbezit van voor de Reformatie in de meest omvattende zin afhankelijk van de priesterheerschappij. Deze was voor de Reformatie buitengewoon bepalend voor de economische verhoudingen. Degenen die grond in hun bezit hadden, bezaten dat voor het grootste deel in opdracht van en toevertrouwd door overheidsinstanties die op de een of andere manier met de kerk verbonden waren.
Welnu, wanneer je misschien minder idealistisch, maar daarvoor in de plaats meer de ware loop van de geschiedenis onderzoekt, dan vind je dat bijna over heel Europa met de Reformatie het oude kerkbezit en dat van de geestelijkheid van de eigenaren  afgenomen wordt en overgedragen aan wereldlijke heersers. Dat was in hoge mate in Engeland het geval; dat was ook in hoge mate het geval in het latere Duitsland. In Duitsland is zelfs een groter deel van de territoriale vorsten naar de Reformatie overgegaan. Maar dat was niet overal  – om mij niet helemaal te scherp uit te drukken – voor het enthousiasme voor Luther of de andere reformatoren – het was de honger naar kerkgoederen, het verlangen de kerkgoederen te seculariseren. Eindeloos veel kerkgoederen van de middeleeuwen gingen naar de wereldlijke territoriumvorsten. In Engeland was het zo dat een groter deel van degenen die land bezaten, onteigend werden en naar Amerika emigreerden. Een groot deel van de emigranten naar Amerika – we hebben gisteren vanuit een ander gezichtspunt gewezen op wat hieraan ten grondslag ligt – waren de onteigende bezitters van grond in Europa. Dus  economische verhoudingen waren in hoge mate bepalend bij die metamorfose van de nieuwe geschiedkundige ontwikkeling die men gewoonlijk  als de Reformatie bestempelt. Aan de oppervlakte ziet het er zo uit dat men zegt dat er een nieuwe geest in de menselijke ziel moest komen, dat de oude kerkleiding te zeer het wereldlijke element met het geestelijke verbonden had en dat men absoluut een meer geestelijke weg tot de Christus zou moeten vinden, enz. Iets dieper, wat minder oppervlakkig bekeken, vindt er een economische verschuiving plaats in het overdragen van geestelijke goederen aan de wereldse mens.’ [2]

Nu gaat het er niet om wat Steiner hier geformuleerd heeft, in deze vorm tot inhoud van het onderwijs in de 7e klas te maken. Het maakt alleen wel verschil of je bij het schetsen van de ontdekkingen bv. van de mythische figuur van de Priesterkoning Johannes uitgaat of dat je erover spreekt dat sinds het begin van de 14e eeuw de weg over land die de karavanen naar het verre oosten (Mongolenweg) maakten en de handel met de Oriënt die door de macht van de Turken en andere ontwikkelingen in het oosten, sterk gehinderd werden, respectievelijk tot stilstaand gekomen waren, of dat je het wegvloeien van de goudvoorraden in Europa naar de Oriënt noemt of niet.
In de 7e klas zijn dergelijke economische samenhangen feitelijk juist en ook door die leeftijd te begrijpen.
Eveneens kan bij dergelijke thema’s de stijl van het lesgeven veranderen. Bepaalde thema’s kunnen zondermeer in de les verwerkt worden. Bv. kun je de vraag stellen: Wat was er vooraf allemaal nodig, wilde Amerika ontdekt kunnen worden? Vanuit deze vraagstelling kun je de scheepsbouw, de zeevaart die zich astronomisch oriënteerde, het kompas, de aardrijkskundige kennis en de ontwikkeling van kaarten, zo behandelen, dat je de leerling deze voorwaarden zelf laat ontdekken; de leerkracht heeft dan de opgave de bijzondere historische vorm van deze voorwaarden helder weer te geven. Daarbij zal hij wellicht moeten vaststellen dat er in de klas leerlingen zitten die over de ontwikkeling van koggen, de jakobsstaf of het kwadrant al van alles weten, wat ze in het de lessen kunnen inbrengen.
Opdat dus het nieuwe van de nieuwe tijd meteen in de 7e klas naar voren komt, is het aan te bevelen met de ontdekkingen te beginnen. Ondanks alle wetenschappelijke tegenwerpingen en ondanks het feit dat de prestaties van de Portugezen geen absoluut nieuw begin waren van ontdekkingen, kan je met Hendrik de Zeevaarder beginnen. De betekenis van deze man ligt ondubbelzinnig in het feit dat hij de drijvende kracht achter de ontdekkingen was. Als beheerder over de middelen van de Christus-Orde, die in Portugal de voortzetting van de Orde van de Tempelieren was, kon hij deze middelen inzetten om de ontdekkingen langs de Saharakust te bevorderen, in een bijzonder moeilijke fase. Met deze tochten die dan steeds verder gingen, tot de evenaar en uiteindelijk tot Kaap de Goede Hoop en tot India, werden ook de middeleeuwse voorstellingen achterhaald van de onbewoonbare gebieden en kolkende zeeën van het zuiden.
Bij de behandeling van de ontdekking van Amerika door Columbus – waarbij je heel goed als bron het logboek kan gebruiken – en waarbij je op het verdere tragische lot van Columbus moet ingaan – zou je ook de verovering van Mexico of Peru kunnen laten aansluiten. |
Als een tegenwicht tegen deze onderwerpen, zou je dan ook in moeten gaan op de activiteiten van Bartolomeo de las Casas die zich sterk maakte voor menselijke behandeling, opvoeding en onderwijs van de Indianen. Het middelpunt van deze strijd van de Dominicaan is zijn audiëntie bij Karel V. Verder is het handig voor de economie van het onderwijs wanneer je bv. aan de hand van de reizen van Columbus op de zeestromingen ingaat of bij de verovering van Peru een voorstelling wekt van het Incarijk, van het Andesgebergte en van de geografische verhoudingen van het westen van Zuid-Amerika en de oostelijke Pacific.
Bij het overzien van de 15e eeuw rijst de vraag of en hoe je Jeanne d’Arc moet behandelen. Wanneer je naar de betekenis van de feiten kijkt, dat na het ingrijpen van Jeanne d’Arc de Engelsen definitief uit Frankrijk werden verdreven, dat Frankrijk en Engeland steeds duidelijker nationale staten werden, kun je aan deze gebeurtenissen niet voorbijgaan. Tegelijkertijd is het echter aan te raden in de 7e klas het leven van Jeanne d’Arc nuchter en met gebruikmaking van bronnen van tijdgenoten neer te zetten. Daarbij kun je aan de hand van de jeugd van de jonkvrouw van Orléans het dorpse boerenleven in de late middeleeuwen schetsen; aan de hand van het proces tegen Jeanne d’Arc kun je het hebben over de middeleeuwse rechtspraak of de behandeling van ketters. Als afsluiting zou je op de vrede van Picuigny in kunnen gaan waarbij Lodewijk Xl van Frankrijk bij de Engelse koning Edward zijn aanspraken op de Franse troon afkoopt.
Na dit intermezzo van politieke geschiedenis brengt de boekdrukkunst ons weer terug bij de cultuurgeschiedenis. Het symptomatische van deze uitvinding is, dat zij – evenals de ontdekkingen – geen toevalstreffer is, maar het resultaat van langere, doelbewuste pogingen. Het gaat toch in geen geval alleen maar om het uitvinden van het drukken. Het idee van drukken met beweegbare letters die men met een matrijs seriegewijs kan gieten, is meer dan alleen maar afdrukken en juist deze uitvinding stelde hoge eisen: zo moest bv. opdat de letters nog te zacht, noch te hard werden een juiste legering uit lood, tin en bismut ontwikkeld worden die aan letters hecht, dat op papier snel droogt; er moest dus absorberend papier zijn. De betekenis van de uitvinding, de gevolgen ervan, zijn dan ook in overeenstemming met de voorbereidingen. Het lot van de uitvinder [3] lijkt in veel opzichten op dat van Columbus: beiden oogsten niet de vruchten van hun prestaties.
De leerkracht ziet zich voor de opgave geplaatst om de gevolgen van deze uitvinding zichtbaar te maken. Hiervoor is allereerst het verloop van de Duitse Reformatie geschikt. Men heeft eens gezegd dat het woord van de Reformatie  zich heeft verbreid alsof engelen de boodschappers waren. Nu, engelen waren het niet, maar nadat de 95 stellingen eind oktober 1517 in Wittenberg [4]verschenen waren, werden ze al in november in Leipzig gedrukt, verschenen ze in Neurenberg in een Duitse vertaling, in Basel in boekvorm. Na de uitvinding van Gutenberg heeft de boekdrukkunst zich met grote snelheid uitgebreid. Rond 1500 had je in Augsburg 20, in Keulen 21, in Venetië 151 drukkerijen, in heel Europa in 250 steden ongeveer 1120 drukkerijen. Door de reformatie nam de leeshonger en de behoefte aan discussie aan zienlijk toe;  want met name nu werden er ook geschriften in het Duits gedrukt, in 1518 waren het er 150, 1521 al 620 en in 1524 verschenen er 990 geschriften in het Duits.

Een veel prozaïscher thema is  het ontstaan van het vroege Duitse kapitalisme. In Duitsland is hier Jakob Fugger de in het oog springende figuur. Oorspronkelijk bezig met textielhandel, waren de Fuggers in 1487 in de mijnbouwstoffenindustrie gestapt, toen zij door een krediet aan Sigmund von Tirol het recht kregen tot de schuld vereffend was, alle in Schwaz gedolven zilver en koper tegen een voorkeursprijs te verkrijgen. Algauw kregen de Fuggers steeds grotere gebieden van de toenmalige mijnbouw onder zich; ze breidden hun imperium naar Hongarije uit.
De materiële zekerheden die de vorsten voor krediet moesten verstrekken worden effectief ingezet en zo worden de Fuggers het grootste bankconcern van Europa, beslissen dan, zoals bekend door hun kapitaal over de bezetting van bisschopzetels en over de keuze voor de Roomse paus.
Met de boekdrukkunst en het vroegkapitalisme wordt op twee belangrijke factoren van de Reformatietijd gewezen. Ook wanneer de complexe uiteenzettingen en de religieuze problemen van de Reformatie niet volledig door de leerlingen van een 7e klas kunnen worden doorzien, moet je toch een korte schets geven van wat er van Luther uitging. Je kunt je het beste beperken tot de tijd tot 1525 en de daarop volgende verwikkelingen: Schmalkaldisch verbond, heilige Liga, enz. kun je weglaten.
Je kan schetsen hoe Luther in de laatmiddeleeuwse vroomheid opgroeit, hoe hij  van de een op de andere dag besluit monnik te worden; hoe hij met grote toewijding zijn boetedoeningen verricht; dan de tocht naar Rome en vervolgens de grote, bekende gebeurtenissen: de publicatie van de stellingen [4]  het debat met Eck, het voor de keizer en het rijk moeten verschijnen op de rijksdag te Worms; Wartburg; bijbelvertaling; terugkeer naar Wittenberg om zich daar te weer te stellen tegen dwepers en tenslotte zijn stellingneming tegen de boeren in de Boerenoorlog. Bij dit alles is het zeer belangrijk te benadrukken, wat C.F.Meyer zo treffend geformuleerd heeft: ‘zijn geest is op tweeërlei wijze een slagveld – d.i. Luther iste niet in onze zin een ‘modern’ mens, in hem leeft nieuw en oud, middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze houding van Luther komt bv.in Marburg, in het gesprek met Zwingli over religie duidelijk naar voren.

In de gebruikelijke weergave van de geschiedenis zou men nu overgaan op de Contra-Reformatie; de stichting van de Jezuïetenorde; de godsdienstvrede van Augsburg, eventueel ook Calvijn tot de Hugenoten.
Deze godsdienstige exposés zijn echter voor de zevendeklasser ten eerste nauwelijks te verteren en ten tweede zijn deze vragen ver van ons af komen te staa

Er zijn veel thema’s die je graag zou willen behandelen, maar die dat moeilijk zijn: bv. Paracelsus  [5] als voorvechter van een geneeskunst die stoelt op waarneming en ervaring; alsmede de strijd om het Copernicaanse wereldbeeld via Giordano Bruna naar Kepler en Galilei. Als leraar moet je deze dingen alleen brengen als je ze in de volle aanschouwelijkheid neer kan zetten. Met name de levensloop van Paracelsus, de dramatische strijd tegen traditie en kamertjesgeleerdheid, zijn beroemde kuren, kunnen heel interessant zijn, eigenlijk moet je je inleven in de denktrant van deze man en daarin ligt het probleem. Net zo belangrijk, dramatisch en overzichtelijk verloopt het leven van Galilei.  In tegenstelling tot dat van Paracelsus verloopt het echter controversieel. Voor de lessen komt er zeer veel op aan, dat juist de controverse niet moraliserend behandeld wordt, maar echt inzichtelijk gemaakt.

De grote en de toekomst bepalende conflicten in de tweede helft van de 16e eeuw spelen zich in West-Europa af. Aan de ene kant staat het Spanje van Philips ll, aan de andere kant staan de Nederlanden, Willem van Oranje  (biografie) en het Engeland van Elisabeth. Het loont de moeite, voor je met de oorlogschermutselingen begint, het Spanje van Philips ll goed neer te zetten: het strenge ceremonieel aan het Spaanse hof, het Escorial, een zitting van de staatsraad, het persoonlijke optreden van Philips, dan als afsluiting een blik op de binnenlandse situatie, in het bijzonder het vraagstuk van de Morisken van Granada: in deze provincie, de meest bloeiende van het koninkrijk, leefde een buitengewoon talrijke Moorse bevolking die ook 60 jaar na haar ‘bekering’ nog altijd innerlijk vreemd tegenover het christendom stond, die meer gemeen had met de Moren aan de andere kant van de zeestraat, dan met de Spanjaarden van het schiereiland. Wanneer Philips de Arabische taal, Arabische boeken, Moorse gebouwen verbiedt, breekt er een opstand uit, een strijd die aan beide zijden met grote verbetenheid wordt gevoerd; heel de provincie Granada wordt uiteindelijk van de Moren gezuiverd. Zo wordt één van de rijkste gebieden van Europa in een woestenij veranderd, maar het probleem van de Morisken was door de deportatie niet opgelost, in de jaren 1609 tot 1614 werden ze uit heel Spanje verdreven. Met de Morisken had Spanje de bevolkingslaag die qua handwerk de meest ijverige was, verloren: ondanks het zilver en het goud van de koloniën wordt Spanje nu langzaam een arm, een achtergebleven land: het geld blijft niet in Spanje, het wordt voor de godsdienstoorlogen in andere delen van Europa gebruikt. – De ondergang van de in Spanje heersende ridderstand is zoals bekend in een stuk wereldliteratuur, in de Don Quichote van Miguel de Cervantes uitgebeeld.

Je komt in een heel andere wereld, wanneer je in de zuidelijke Nederlanden komt. In de steden Gent, Brugge, Antwerpen, Brussel en vele andere leefden een rijke burgerij, kooplieden, handwerkslieden, fabrikanten. De leiding lag bij de adel, de bekendste vertegenwoordigers van deze groep waren de graven van Egmond en Hoorn. Wanneer de inquisitie in de zuidelijke Nederlanden ingevoerd wordt, komt het 1566 tot een massale petitie van de adel die om terugtrekking van de Spaanse troepen en om de afschaffing van de inquisitie vraagt. Bij de adel sluiten zich op hun manier ambachtslieden, boeren, schippers en het gewone volk aan: het komt tot de beruchte beeldenstorm. Daarop wordt Alva met het commando over de Nederlanden belast en het komt tot het bekende verloop. Het symptomatische is nu, dat uiteindelijk de rijke zuidelijke Nederlanden het onderspit delven. Het veel armere, oneconomische Holland echter stort zich in een lange vrijheidsstrijd – eerst onder leiding van Willem van Oranje. Hier ontstaat de nieuwe cultuur. Leiden wordt de toonaangevende universiteit van Europa, door de tolerantie die in Holland t.a.v. de godsdienst heerst, komen talloze belangrijke geleerden naar het land – het leven van deze wereld dat hier in overeenstemming met de echte tijdgeest ontstaat, kent men uit de beelden van Rembrandt.

De andere tegenstander van Spanje was Engeland. Ook in Engeland was er een gemeenschap aan het ontstaan die aan het individu grotere mogelijkheden liet. De Engelse lagere adel was vertegenwoordigd in het Lagerhuis, evenals de opkomende Engelse steden. Elisabeth begreep hoe je met het parlement moest regeren, zij regeerde bescheiden, stimuleerde de ondernemingen van haar onderdanen, hield er in Engeland geen paraat leger op na; de Engelse vloot die de Armada had overwonnen werd pas de laatste tien jaar voor het tot strijd met Spanje kwam, gebouwd: niet meer dan 40, relatief kleine, maar wendbare oorlogsschepen die weliswaar door ervaren zeelieden, zeerovers en soldaten bemand waren. De Spaanse Armada met haar 130 moeilijk wendbare schepen vertoonde nog het beeld van de middeleeuwse strijdtactiek: de soldaten op de Spaanse schepen, eigenlijk landsoldaten onder een riddercommando, waren ingesteld op enteren. Waar de Spanjaarden de schepen in blokformatie bijeenbrachten en zo hun beweeglijkheid beperkten, vertrouwden de Engelsen op hun artillerie en hun manouvreerkunst; zij vermeden iedere toenadering die het gevaar van geënterd te worden, mogelijk maakte. Voor de Spanjaarden was dat een bewijs van lafheid: zij vonden dat de Engelsen alleen maar konden schieten en vluchten bij gevaar. –

Zoals in Holland na de zegenrijke vrijheidsstrijd de gouden eeuw aanbreekt, volgt in Engeland op de zege over de Armada het tijdperk van Shakespeare. Dit fenomeen van het theater maakte eigenlijk maar een korte bloeitijd door – maar anders dan ander amusement fascineerde het toneel alle lagen van de bevolking: per week waren er tot 20.000 mensen die in Southwark de voorstellingen bezochten.”

Volledigheidshalve geeft ik hier de literatuurlijst weer, maar uiteraard bestaat deze uit Duitse boeken.

O. Peschel, Geschichte des Zeitalters der Entdeckungen. Neudruck Berlin 1968 Urs Bitterli, Die Entdeckung und die Eroberung der Welt. Dokumente und Berichte. Band 1: Amerika, Afrika. Miinchen 1980. Band 2: Asien, Australien, Pazifik. München 1981.
Richard Konetzke, Uberseeische Entdeckungen und Eroberungen. In: Propylaen Weltgeschichte Band 6
John R. Hale, Die Reisen der Entdecker. Reinbek 1971 Salvador de Madariaga, Kolumbus. München 1978 Christoph Kolumbus, Bordbuch. Frankfurt 1981
Ferner mit Einschrankungen, oft nur in wenigen Kapitein brauchbar, folgende Bücher zu Entdeckungsreisen:

Heinrich Harrer / Heinrich Pleticha, Entdeckungsgeschichte aus erster Hand. Würzburg 1968
Paul Herrmann, 7 vorbei und 8 verweht. 10. Aufl. Hamburg 1978
Paul Herrmann, Das grofie Buch der Entdeckungen. Reutlingen 1958
M. J. Krück von Poturzyn, Die Sendung des Madchens Jeanne d’Arc. Stuttgart 1961
Herbert Nette, Jeanne d’Arc. Reinbek 1977
Helmut Presser, Johannes Gutenberg. Reinbek 1968
Ernst Kaiser, Paracelsus. Reinbeck 1969
G. Frhr. von Pölnitz, Die Fugger. 3. Aufl. Tübingen 1970
M. Brion, Die Medici. Wiesbaden 1970
Bernd Moeller, Deutschland im Zeitalter der Reformation. Göttingen 1977 Robert van Roosbroek, Wilhelm van Oranien, der Rebell. Göttingen 1959

Vrije Opvoedkunst: kruistochten, zeereizen en ontdekkingstochten
Vrije Opvoedkunst: van Romein tot ridder
Vrije Opvoedkunst: de overgang van de 12e naar de 13e eeuw
Vrije Opvoedkunst: Hendrik de Zeevaarder
Vrije Opvoedkunst: Jeanne d’Arc
Vrije Opvoedkunst: Worms
Vrije Opvoedkunst: 7e klas , waaronder: geschiedenis

[1] GA 295/162
vertaald/150
[2] GA 191/102-103
[3] Naast Gutenberg wordt ook Coster genoemd
[4] Tegenwoordig wordt eraan getwijfeld of deze wel op een deur werden gespijkerd
[5] Nadere aanwijzingen om zijn biografie te kunnen vertellen via:
contact met uitgeverij De Woudezel:   info  apenstaartje woudezel    punt   nl
hier meer informatie

7e klas geschiedenis: alle artikelen

948-877

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Kay, Cartwright, Jacquard

.

Kay, Cartwright en Jacquard
.

Uitvinders van weefgetouwen
.

In Europa had men van oudsher weefgetouwen gebruikt, die haast in niets verschilden met die, welke men in Egypte, Indië, China, Mexico en Peru gebruikte. Die zware, met de hand gemaakte weefgetouwen stonden in hutten door heel Engeland heen. Hier en daar werden enkele verbeteringen aangebracht, dat was alles. Toen in Danzig iemand een verbeterd weefgetouw uitvond, dat het werk deed van een aantal arbeiders, werd hij op last van de Poolse autoriteiten onthoofd als een staatsvijand, die zijn medeburgers het brood uit de mond stootte.

Toch bleven de mensen er overal op zinnen, hoe ze met minder moeite meer werk zouden kunnen produceren. Een van de moeilijkheden bij het weven was de noodzakelijkheid, om de spoel heen en weer te gooien, waarbij een man of vrouw deze aan een ander toegooide. In 1733 bracht John Kay, geboortig uit de omgeving van Bury, daarin verandering door de uitvinding van de schietspoel, waarmee de inslagdraden door de schering konden worden doorgeschoten door één man. Daardoor kon de helft van de arbeiders voor zichzelf werken en werd de productie dus groter. Maar het gevolg was ook, dat een aantal arbeiders aan de dijk werd gezet en daar nam de arme bevolking geen genoegen mee. John Kay deelde het lot van Hargreaves en Arkwright ooit iemand had zien weven, was de uitvinder van het machinale weefgetouw, dat de textielindustrie in het Engeland van zijn tijd en thans over de hele wereld tot bloei bracht. Toen de eerwaarde predikant eenenveertig was, werd hij ziek en ging op advies van de dokter het bronwater in Matlock, in Derbyshire, drinken. In die badplaats maakte hij, in de zomer van het jaar 1784, kennis met enige heren uit Manchester en raakte met hen in gesprek over het spinnen. Een van de heren vond die moderne spinmachines onzin. ‘Dat is allemaal de schuld van Arkwright met zijn krankzinnige uitvinding. Tegenwoordig spint iedereen. En wat moeten we met al dat garen beginnen? We hebben geen wevers genoeg om er stof van te maken. De hele produktie raakt erdoor in de war.’ De anderen waren het met hem eens, maar de eenvoudige dorpspredikant, die geen flauwe notie van spinnen of weven of van de machines in het algemeen had, vroeg hun, waarom men dan geen machines voor het weven gebruikte, zoals die voor het spinnen. Dit veroorzaakte een grote hilariteit. Och, wat was dat een onnozele bloed! Je kon wel zien, dat hij van buiten kwam. Stel je voor, weven met een machine. Een stof weven met een machine – dat kon toch alleen maar een mens met hersens! Cartwright werd van alle kanten zo aangevallen, dat hij zijn mond maar hield.
In de loop van het gesprek hadden de heren echter gezegd, dat de patenten van Arkwright binnenkort verjaard zouden zijn en dat iedereen dus het recht had daarvan te profiteren, met het gevolg, dat het land zou worden overstroomd door grote hoeveelheden garens, waar niemand iets aan had. Cartwright dacht, dat het dan hoog tijd werd er iets op te verzinnen, dat er een weefgetouw kwam met een snellere en grotere productie.

Cartwright had weliswaar geen verstand van machines, maar had een goede opvoeding genoten en was gegradueerd aan de universiteit van Oxford; bovendien had hij een goed stel hersens. Hij begon zich af te vragen, welke eisen men moest stellen aan een goed weefgetouw. De inslagdraden moesten zo vlug mogelijk door de schering worden heengewerkt en stevig tegen elkaar worden aangedrukt, zodat een vast weefsel kon ontstaan. Dat was toch eenvoudig; waarom zou een machine dat niet kunnen doen? Avond aan avond begon hij toen ontwerpen te maken. Toen deze hem enigszins bevredigden, nam hij een timmerman en een smid in dienst, gaf hun instructies en het resultaat was een weergaloos machinaal weefgetouw. Daarop liet hij door een wever de schering zetten en het weven kon beginnen. Het weefgetouw was inderdaad bruikbaar, maar de fout was, dat twee gespierde mannen het slechts in het zweet hun aanschijns in beweging konden brengen en aan de gang houden. Nee, zo ging het niet; Cartwright besloot eerst eens te gaan kijken, hoe de wevers hun werk deden.
Nu zag de brave predikant voor de eerste maal in zijn leven wevers in hun hutten aan het werk, aan hun met de hand gemaakte weefgetouwen, en hij vroeg ze de oren van het hoofd. Waarom ze zus deden en waarom zo. Waarom ze al die bewegingen maakten, hoe je een weefgetouw in elkaar zette, wie dat weefgetouw had gemaakt enz. Tenslotte vroeg hij hun ook, of ze niet zouden willen, dat het weefgetouw vanzelf ging. Of ze dat wilden! Maar dat zou wel een vrome wens blijven.

Cartwright bestudeerde hun werk lang en aandachtig en ging toen naar huis; hij wist nu genoeg. In 1785, precies een jaar, nadat hij kennis had gemaakt met de heren uit Birmingham en een discussie met hen had gehad, vroeg hij patent aan voor zijn machine en weer een jaar later, in 1786, voor zijn in vele opzichten verbeterde weefgetouw. In 1787 nam hij tenslotte patent op een weeftoestel, dat helemaal naar zijn zin was.

Hij richtte kort daarna een weverij en spinnerij op, in de beroemde marktplaats Doncaster, leende geld, zette twintig weefstoelen neer en breidde mettertijd zijn bedrijf ook in omliggende plaatsen uit. Eerst werden de wielen in beweging gebracht door gespierde mannen, later deden ossen het werk en nog weer later stoommachines. In Manchester richtte de predikant-uitvinder-fabrikant een weverij op met vierhonderd weefgetouwen, die machinaal werden bewogen. Dat was te bar voor de wevers in de omtrek; op die manier zou hij al het werk opslokken. In 1791 staken ze de weverij in brand en deze brandde, met alles wat er in was, tot de grond toe af.

Na die ramp merkte Cartwright, dat bovendien gewetenloze schurken inbreuk maakten op zijn patenten, want nu hij eenmaal met werktuigkunde begonnen was, vond hij van alles uit: een machine om wol te kammen, een machine om stenen te bakken, een machine om brood te bakken, een nieuwe methode om cilinders te dichten, een machine, die op alcohol liep – en een nieuwe methode om touw te draaien. Door al die tegenslag was Cartwright op den duur niet meer in staat financieel zijn hoofd boven water te houden en na acht jaar voelde hij zich verplicht zijn schuldeisers en geldschieters mee te delen, dat hij vastzat en gaf hun de raad beslag te leggen op al zijn bezittingen en deze te gelde te maken. Hij was toen vijftig jaar, maar gaf de moed niet op, overtuigd als hij was, dat men op den duur overal van zijn machinale weefgetouw gebruik zou maken, ondanks de zucht der mensen, om alles bij het oude te laten. In 1809 gaf het Parlement hem uit erkentelijkheid voor de welstand, die door zijn uitvinding in Engeland was ontstaan, een gratificatie van honderdtwintigduizend gulden. Hij was toen zesenzestig jaar en vond de tijd gekomen om te gaan rusten van zijn ingespannen arbeid. Hij kocht een stukje grond met een huisje in het vredige graafschap Kent en leefde daar gelukkig en tevreden tot zijn tachtigste jaar (1823).

Zolang als hij zich kon herinneren, hadden de ouders van Joseph Jacquard zich bezig gehouden met het weven van zijde in zijn geboorteplaats Lyon. Iedere man en vrouw en ieder kind scheen op de een of andere manier betrokken te zijn bij de productie en de fabricage van zijde. Joseph voelde zich echter meer aangetrokken tot het boekbindersvak. Als boekbinder kwam hij in aanraking met mensen uit het drukkersvak en kreeg door hun relaties een betrekking in een lettergieterij. Daar bleef hij een tijdje en ging toen over in het
messenmakersbedrijf. Op den duur bleek het echter, dat zijn tegenzin in het werk in de zijde-industrie eigenlijk een reactie was tegen de atmosfeer, waarin hij was opgegroeid en waaraan hij wilde ontsnappen. Maar de natuur was sterker dan de leer en toen zijn vader het werk niet meer af kon, omdat hij een dagje ouder werd en een beroep op hem deed, gaf hij daaraan onmiddellijk gehoor. Kort daarop stierf zijn vader en Joseph, die nu dag in dag uit aan zijn weefgetouw zat, voelde zich weer volkomen in zijn element.

Zittend aan zijn oude bruine weefgetouw, begon hij te piekeren. Het was toch eigenlijk te gek, dat een mens al dat werk deed, en onnodig om zich zo te vermoeien, als er misschien wel een machine te maken was, die het zwaarste werk kon doen, terwijl men volstaan kon met enkele handgrepen. Waar was het voor nodig de schering voortdurend omhoog en omlaag te trekken om het patroon te krijgen? Dat kon toch even goed machinaal gebeuren!

Die gedachte liet hem geen ogenblik los en in 1790 was zijn plan eindelijk voor elkaar. Hij had al die tijd studie gemaakt van de pogingen van anderen, om de schering automatisch op én neer te bewegen en zich aan hun fouten gespiegeld. Zestig jaar geleden was er al een Frans wever geweest, die een stel geperforeerde kaarden had uitgevonden, door middel waarvan een stel haken de schering op en neer trokken, maar het toestel voldeed niet in de praktijk. De gedachte was goed; het lag aan de uitvoering. Tot 1793 werkte Jacquard onophoudelijk aan de constructie van een toestel, gebaseerd op dat principe. Toen kwam het alarmerende nieuws, dat het leger van de Conventie tegen Lyon oprukte. Jacquard was geen soldaat in zijn hart, maar hij kon niet werkeloos toezien, dat zijn geboortestad verwoest werd. Hij trok dus te velde ter verdediging van huis en haard. Toen de strijd om Lyon voorbij was, koos hij de zijde van de revolutionairen. Waarom zou hij zijn bloed geven voor de aristocratie, welker belangen volkomen tegenstrijdig waren aan de zijne? Zij aan zij met zijn enige zoon streed hij in de gelederen van de revolutie, tot zijn zoon naast hem neerviel, dodelijk getroffen door een kogel. Dat was een zware slag voor hem. Als een gebroken man keerde Jacquard naar Lyon terug en zette zich weer aan zijn weefgetouw.

Toen Napoleon in 1801 keizer werd, ging Jacquard met zijn weefgetouw, dat de patronen automatisch produceerde, naar Parijs, om het daar ter gelegenheid van een belangrijke tentoonstelling te demonstreren. Dit leverde zoveel succes op, dat men hem uitnodigde zijn werk voort te zetten in het Conservatorium van Kunst en Industrie. Op een goede dag stond hij daar te kijken naar een van de met stof bedekte curiositeiten, een automatische weefmachine, enige jaren geleden vervaardigd door Jacques de Vaucanson, met een stel kaarden om de schering omhoog te trekken. Ook deze machine had in de praktijk nooit voldaan, maar voor Jacquard was zij een openbaring. Nu wist hij, wat er aan zijn eigen uitvinding mankeerde.

In 1804 begiftigde de Nationale Conventie Jacquard met een medaille en later vielen hem nog andere beloningen ten deel, maar de zijdewevers in Frankrijk zagen zijn uitvinding met lede ogen aan. Toen Jacquard enkele zijdefabrikanten in Lyon ertoe gebracht had zijn machinale weefgetouw in hun fabrieken te installeren, sloten de zijdewevers van Lyon zich aaneen en bestormden de fabrieken. Ze sleepten de weefgetouwen naar buiten en maakten er brandstapels van. Als de ongelukkige uitvinder zich op straat had vertoond, was het met hem gedaan geweest, want ze stelden hem aansprakelijk voor de ondergang van duizenden gezinnen, die tot nu toe hun brood verdiend hadden met het weven van zijde op hun ouderwetse toestellen in hun eigen hutjes.

De fabrikanten zagen echter wel in, dat er met de weefgetouwen van Jacquard geld te verdienen was, want de productie was groter en de kwaliteit beter. Na enkele jaren waren zijn weefgetouwen dan ook bij duizenden in de zijdefabrieken van Frankrijk opgesteld. De toenmalige regering vond het jacquardweefgetouw van zo groot belang, dat de verdere ontwikkeling niet meer aan het initiatief van één enkel persoon mocht worden overgelaten; het was een zaak van nationaal belang. Tengevolge daarvan deed Jacquard, vijf jaar nadat hij zijn geperfectioneerde weeftoestel in Parijs had gedemonstreerd, afstand van alle rechten. Hij kreeg van de regering een jaargeld tot het eind van zijn leven, benevens provisie voor elk weefgetouw, dat in gebruik werd genomen.

Jacquard leefde nog achtentwintig jaar en stierf in 1834.

meer over de industriële revolutie

alle biografieën

944-873

VRIJESCHOOL- 5e klas – geschiedenis (2-3/1)

.

egypte
.

DE NIJL
.

Wanneer Egypte wordt genoemd als ‘geschenk van de Nijl’ mag een schets van deze rivier niet ontbreken.

Uit onderstaand artikel kun je van alles halen wat interessant is bij hoe je over Egypte in jouw klas wilt vertellen.

Niemand zal de bron van de Nijl vinden, want ‘het onmogelijke kan men van geen mens verlangen’.
Eeuwenlang is dit gezegde van toepassing geweest op de Nijl; pas in de 20ste eeuw kon men eindelijk met zekerheid zeggen die geheimzinnige bronnen te kennen.
De Franse journalist Georges Reyer heeft de Nijl vanaf de sneeuwtoppen van de Ruwenzori tot aan zijn vruchtbare delta, van Ethiopië tot aan de Middellandse Zee, over zijn meer dan 6000 kilometer lange weg door gebergten, tropische wouden en woestijnen, gevolgd.

Een verschaalde geur stijgt op uit de rivier. Aan de horizon gloort de ochtend. De dag, nog geheel doordrongen van sterren, magie en de oudste dromen van de mensheid, breekt aan. Hier was het dat alles begon. Op deze oevers, die zich over meer dan 6000 kilometer uitstrekken van de evenaar tot aan de Middellandse Zee, werd de fantastische legende der eeuwen in het zand geschreven. De farao’s Amenhotep IV en Ramses II, en Cyrus, Cambyses, Alexander, Caesar, Napoleon – alle wereldveroveraars hebben hier macht, wijsheid en onsterfelijkheid gezocht. Allen hebben ze deze sfinxachtige woestijn doorvorst, waarin enkele van de oudste geheimen der mensheid gesluimerd hebben en nog sluimeren. En allen hebben ze gepoogd aan de overzijde van deze zandhel het van oudsher door orakels en priesters beloofde paradijs te bereiken, ‘waaruit de Nijl zich op de aarde neerstort’.
De bronnen van de Nijl? Sinds het begin der tijden vormden ze een uitdaging en een geheim tegelijk. Nero stuurt twee van zijn centurions uit om boven de eerste waterval, op de hoogte van Aswan, de bronnen van de koningin der rivieren te zoeken. Maar na een maandenlange mars door de gloeiende woestijn moeten ze halt maken aan de rand van moerassen zo groot als de zee, waarin wagens en zelfs galeien wegzinken. ‘Hier eindigt de wereld’, melden ze. En Nero, de almachtige, is ditmaal machteloos.
‘Op die plaats is alle leven begonnen’, verklaart Diodorus. ‘De volkeren die diep in het zuiden wonen, waren de eersten die aan de schoot van de aarde ontstegen. De hitte van de zon heeft de vochtige bodem uitgedroogd en hem daarmee voorbereid op het ontstaan van dieren en mensen.’
Herodotus wil het heel nauwkeurig weten. Van Griekenland uit reist deze eerste verslaggever uit de wereldgeschiedenis over zee naar de delta van de Nijl, die hij ‘het vierde werelddeel’ noemt; de drie andere zijn Europa, Azië en Libië (we schrijven het jaar 450 v.C.). Hij heeft de bodem van Egypte nog niet betreden of hij stoot al op een van de geheimen van de rivier. Het lood, dat op een dagreis afstand van het vasteland vanaf de galei wordt uitgeworpen, geeft aan dat de zee hier slechts krap elf vaam diep is. Hoe kan deze rivier die, naar men zegt, slechts door een woestijn stroomt, zo ver buitengaats nog zulke grote massa’s slib met zich meevoeren? Waarvandaan komt dit slib waaruit Egypte, dit ‘geschenk van de Nijl’, rijkdom en leven put? Wanneer Herodotus de rivier tot aan het eiland Elephantine, bij Aswan opvaart, valt hij van de ene verrassing in de andere. Waarom stijgt het water van de Nijl, in tegenstelling tot alle andere rivieren, in de zomer en zakt het in de winter? Priesters, zieners, aardrijkskundigen – niemand kan er een bevredigende verklaring voor geven. Een van de theorieën komt hem wel heel ongerijmd voor. ‘Bestaat er iets dwazers dan te beweren dat de Nijl uit smeltwater geboren wordt, terwijl hij toch uit de heetste gebieden ter wereld komt en uit een land waarin niet alleen geen sneeuw kan bestaan, maar waarin het zelfs nooit regent?’
O, Herodotus, u die zo hebt gespot – nu bent u het die zich belachelijk maakt. Want er ligt daarginds sneeuw, glinsterende sneeuw onder een verzengende zon. We ontdekken hem deze morgen tussen de plotseling openscheurende wolken, op de derde dag van onze beklimming van de Ruwenzori, ‘de muur die de hemel verspert’. deze 5125 meter hoge top (na de Kilimanjaro de hoogste van Afrika), die de Ouden in hun beeldrijke taal ‘Berg van de Maan’ en ‘Vader van de Regen’ noemden.
Vader van de Regen, wat een toepasselijke naam! Want het regent. Het regent in stromen. Deze berg met zijn doorweekte, rottende bodem, deze monsterachtige slijkhoop, overspoeld door watervallen, cascaden en bergbeken, is het reservoir waaruit de Nijl in duizend stromen omlaagvloeit naar de keten van grote meren (George-. Edward- en Albertmeer), alvorens uit te monden in het Victoriameer, om dan zijn 6000 kilometer lange reis door Afrika te beginnen.

De zwarte tovenaars van Nubië en Eratosthenes, de oude geleerde uit Alexandrië. hadden dus gelijk met hun bewering dat het in het hete hart van Afrika sneeuwt en dat de bronnen van de Nijl zich in het paradijs bevinden. Lang voor de Arabieren, die daar het paradijs van Allah vermoedden, hadden de Egyptenaren, de Perzen en voor hen reeds de Hettieten, middenin de woestijn van deze koele, schaduwrijke oase gedroomd, waar de oorsprong van al het leven ligt. Om die te vinden waren de Libiërs van Herodotus, de krijgers van Cambyses en Alexander, en de twee centurions van Nero eropuit getrokken. Maar niemand was het gelukt het ‘Slijkmeer’ en ‘de Muur die de Hemel Verspert’, de El Sudd-moerassen en de Berg van de Maan, te overwinnen. Achter dit meer dan 5000 meter hoge bolwerk en de bijna 800 kilometer brede gracht lag het paradijs verscholen.

Deze hindernissen waren inderdaad niet te nemen, en dat is ook nu nog zo. Bijgevolg moesten we in El Sudd onze op een zandbank gelopen feloek en in het Soedanese oerwoud onze vastgelopen Landrover achterlaten. Per vliegtuig bereikten we dit ‘Land van de Maan’ in een paar uur – een reis waarvoor Burton en Speke, de eerste blanken die het betraden, bijna twee jaar nodig hadden gehad, twee jaar vol inspanningen en onzegbaar lijden. Wanneer zij er, iets meer dan honderd jaar geleden, aankomen, zijn de bronnen van de Nijl nog met dezelfde geheimzinnigheid omgeven als ten tijde van Herodotus. Op de kaarten was dit gebied een witte vlek en de Nijl een stippellijn.

Nijl 1

De Ouden noemden ze ‘maanbergen’, want ze zijn zo wit als het gesternte van de nacht. Vanaf de top van de Ruwenzori, die meer dan 5000 meter boven ondoordringbare wouden uitrijst, stromen talloze bergbeken en -beekjes naar de keten van de grote meren, waar ze zich verenigen tot de Witte Nijl.

Nijl 2

De echte ‘bron’ van de Nijl is dit tot aan de boomtoppen toe met regen doordrenkte tropische oerwoud waar de bemoste lianen op grote zwammen of reusachtige pythons en de boomstammen op monsterlijke dieren lijken. Een verbijsterende vegetatie waarover de wolken tonnen water uitgieten en waarin het daglicht nauwelijks door kan dringen.

De bronnen? Speke heeft gezworen ze te zullen vinden. Hij is dertig jaar, een Brit en heeft in India gediend. Hij is taai. ‘Bent u een zelfmoordkandidaat?’ vraagt Burton hem. Burton, de agent die door de Intelligence Service belast is met het toezicht op de bovenloop van de Nijl, barst in lachen uit en steekt hem de hand toe. Hij heeft zijn man gevonden. Burton, de meest avontuurlijke arabist en geleerde, die zich graag vermomt en zijn gezicht beschildert, die als Arabier onder de Arabieren leeft, een vreemde snuiter met een onweerstaanbare charme, is een soort voorloper van Lawrence van Arabië. Een duivel noemen ze hem. De blonde, schuchtere, zeer jonge Speke ziet er in vergelijking met hem als een weeskind uit. Maar in feite is hij de echte duivel.

Al heel snel promoveert Speke van assistent tot leider van de expeditie. Er is geen sprake van dat men de rivier op zal varen en de route zal volgen die altijd tot falen heeft geleid. Vanaf de kust, vanaf Zanzibar, moet men via de paden van de slavenhandelaren tot de bovenloop van de Nijl doordringen. Ze vertrekken. En van meet af aan is het een hel. Land van dorst, land van koortsen, land van honger. Met hun honderd dragers, louter ongure figuren rukken ze steeds verder op door de savanne, het oerwoud en de woestijn. Rijdend op kamelen of ezels zijn ze zestien uur per dag onderweg, ’s Nachts worden ze gewekt door het schreeuwen van de leeuwendoders der Masaï. Altijd staan ze bloot aan aanvallen van de karavanen van slavenhandelaren die azen op iedere vorm van buit. Aan de opperhoofden van wilde stammen die nog nooit een blanke hebben gezien, die niet weten of ze hen moeten aanbidden dan wel aan het spit rijgen, moeten ze losgelden betalen. Burton wordt ziek. Speke begint blind te worden. Ze slepen hen op een draagbaar verder. De dragers, opeens heer en meester, brengen hen de hemel mag weten waarheen. Ze hebben geen voedsel en geen medicijnen meer. En op een morgen, na acht martelende maanden, komt de grote verrassing. Voor hun ogen strekt zich een onafzienbare watervlakte uit. Dat moet het Nyanzameer zijn, de binnenzee waarvan men hen heeft verteld. Maar op de vreugde van de ontdekking wordt snel een domper gezet: ze hebben niet het Nyanzameer gevonden. maar het 700 kilometer zuidelijker gelegen Tanganyikameer.
Voor het eerst zijn Burton en Speke het oneens. Burton is ervan overtuigd dat de Nijl in dit gebied (het huidige Boeroendi), waar de keten van grote meren begint, ontspringt. Speke gelooft het tegendeel. Arabische slavenhandelaren hebben hem verteld van een ander, nog veel groter meer, dat verder noordwaarts, op een afstand van drie weken dagmars van Kazeh, het centrum van de slavenhandel, zou liggen. De zieke Burton weigert deze expeditie, die gelijkstaat aan zelfmoord, te ondernemen en blijft met het grootste deel van de karavaan in Kazeh achter. Speke, halfblind, verzwakt door buikloop en koortsaanvallen, vertrekt alleen, slechts vergezeld door enkele inheemse dragers. ‘U keert nooit terug’, zegt Burton. Maar Speke komt terug. Na een voettocht van drie weken in noordelijke richting heeft hij de binnenzee bereikt waarover Eratosthenes gerept had en waarnaar bijna tweeduizend jaar lang door ontdekkingsreizigers vergeefs was gezocht. Hij ontdekte het Nyanzameer en noemde het ter ere van zijn vorstin het Victoriameer. ‘Daar liggen de bronnen van de Nijl,’ geeft hij Burton te kennen. ‘Hoe weet u dat? Hebt u het meer gerond?’ ‘Het meer ronden? Dat zou jaren duren.’
Ze krijgen ruzie. Speke ziet nog slechts één doel: zo snel mogelijk naar Londen terug te reizen om zijn ontdekking bekend te maken. Zijn aankomst baart opzien. Engeland, de gehele wereld, vereert de man die als eerste een van de oudste raadsels der aarde ontsluierd heeft. Maar Speke is pas veertien dagen in Londen wanneer ook Burton op komt dagen. Uitgeput, ziek en woedend beschuldigt hij zijn metgezel, met wie hij avonturen en ellende gedeeld heeft en die nu zijn vijand is, van bedrog. Om hem te logenstraffen reist Speke nog een keer naar donker Afrika. Hij wil ditmaal onweerlegbare bewijzen voor zijn ontdekking mee terugbrengen.
En hij brengt ze mee terug. Hij heeft het noordelijke deel van het Victoriameer verkend. Hij heeft de grote waterafloop. de Ripon Watervallen (nu Owen Watervallen genaamd), ontdekt en daar de Britse vlag geplant. Hij heeft het water van de Nijl gedronken. ‘Speke vergist zich. Hii houdt u allemaal voor de gek’, herhaalt Barton.
De strijd spitst zich toe en breidt zich uit. Murchison, de voorzitter van het geologisch genootschap, en de gevreesde dr. Livingstone eisen van Speke bewijzen die hij niet op tafel kan leggen. Burton heeft zijn wraak en die is verschrikkelijk. Vijf jaar na zijn triomf wordt Speke bespot en verguisd. Hij, de beroemdste man en de meest gelezen schrijver van Engeland, valt met zijn bedrog door de mand en wordt ervan beschuldigd zijn metgezel doodziek in het oerwoud in de steek te hebben gelaten. Op een morgen hoort de wereld dat een geweerkogel een eind heeft gemaakt aan zijn leven; een ongeluk bij de jacht dat verdacht veel op zelfmoord lijkt. Burton overleeft deze slag niet. Diep getroffen door de tragische dood van Speke, waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt, sterft ook hij.
Het tragische is echter dat ze beiden gelijk hadden. Want hoewel volgens de meeste geografen van nu de bronnen van de Nijl officieel in Jinja nabij de Owen Watervallen liggen waar Speke ze ongeveer honderd jaar geleden met levensgevaar ontdekte, staan anderen op het standpunt dat de enige ‘geografisch aanneembare, want het meest zuidelijk en in rechte lijn gemeten het verst van de monding gelegen’ bron de rivier Kasoemo is, die in 1937 door de Duitse ontdekkingsreiziger Bukaart Waldecker in Boeroendi werd ontdekt, in de buurt van het Tanganyikameer en ten zuiden van het Victoriameer, dus waar ook Burton vermoedde dat hij was.

Op het kruispunt van twee paden maant een bord met het opschrift: ‘Elephants have priority of the way’ ons tot stilstand. ‘Olifanten hebben voorrang’. Hier zijn rivier, beek, boom en dier koning. Hier is de aarde zoals ze was voordat er mensen waren. Overeind staand in onze Landrover, waarvan het dak open kan, rijden we door een zee van licht, twee tot drie meter hoog gras dat de inboorlingen olifantsgras noemen. Voorzichtig doorkruisen we deze plantenzee met zijn golven die ons geselen en overspoelen. Nu en dan zien we reusachtige grijze rotsblokken die plotseling bewegen – olifanten. Ze gaan niet op de vlucht wanneer we naderbij komen. Ze klapperen met de oren en steken hun slurf op om ons met hun gehoor en reuk waar te nemen. Dan grazen ze vredig verder. Pas wanneer we dicht in de buurt komen, gaan ze weg. Drie meter hoog gras, een oerwoud met spookachtige bomen en monstrueuze oerdieren zoals nijlpaard en neushoorn – heel deze wereld van voor de zondvloed, ingesloten in een keteldal tussen besneeuwde bergtoppen en duizenden jaren lang van de mensheid afgesloten, heeft iets onwerkelijks. Toen Speke hier honderd jaar geleden arriveerde. moet hij precies even verbaasd hebben gestaan als de astronauten bij hun landing op de maan. Want niets heeft hier menselijke afmetingen. Zelfs de mens zelf niet. De pygmee is een dwerg en de Dinka is met z’n 2.10 meter een reus. In deze wereld, waar de aarde hier en daar nog kookt en zwaveldampen uitbraakt, lijkt de schepping nog in volle gang. Niets is klaar of af. Het is hier als op de eerste scheppingsdag. De ochtend der magiërs. Nog zijn in deze bijna baarmoederachtige warmte, waar een zwangerschap van duizenden jaren voortduurt, de oerkrachten aan het werk. In de verstikkende duisternis van de mangroven, waar aarde en water één zijn, wordt het slijk tot plant, de boomstam tot krokodil en de wortel tot slang.

Een onwezenlijke stilte rust in deze jungle. Honderden kilometers, uren- en dagenlang geen menselijke stem. Men hoort slechts de wind, het veelvuldige kraken, knisperen en ruisen van het woud, de schreeuw van apen, het getrompetter van olifanten, het gorgelen van een nijlpaard en de schrille,
metaalachtige roep van vogels. Angst is hier onbekend. Olifant, gazelle, leeuw en zebra leven vreedzaam naast elkaar, ieder op zijn eigen plaats, zoals in de ark van Noach. Het enige wilde dier is de mens. Niet de pygmee. de Dinka of de Masaï, maar de blanke. die alles angst aanjaagt.
Het alom geknechte, gehate, getemde dier dat zich hier in de uitgestrekte reservaten die zo groot zijn als hele provincies en waar slechts de wet van de jungle geldt, thuis. Naast hem en met hem leeft de mens, naakt onder de palmen, zonder behoeften, zonder zorgen, omgeven door zijn aanplant van bananen, thee en koffie, temidden van zijn tuinen vol gouden vruchten, zonder winter, zonder zomer, in de mildheid van een eeuwige lente.

Waar komt dit volk vandaan dat sinds de schepping van de aarde afgezonderd in de Hof van Eden leeft? Speke kreeg het volgende antwoord toen hij de inboolingen naar hun oorsprong vroeg: ‘Wij komen uit het land waar de maan iedere nacht op de besneeuwde toppen nieuwe kracht opdoet en haar mooie, blanke licht haalt.’ Zijn het Bahima’s, de uit Abessinië en wellicht uit Azië binnengezworven nomaden? Behoren ze tot de grote familie van de herders- en boerenstammen der Bantoes die donker Afrika een van zijn grootste culturen schonken, getuige de ruïnes in Simbabwe, waar koning Salomo het goud voor zijn tempel vandaan gehaald zou hebben? We weten het niet. Misschien zijn het eenvoudig kinderen van dit gezegende land, waar volgens de legende de wieg van de mensheid heeft gestaan. Hoewel deze stammen woonden in het land van de papyrus, hebben ze geen enkel geschreven bericht over hun historie nagelaten. Ze kenden geen schrift, noch waren ze de wiskunde en de sterrenkunde machtig. Als goede boeren bepaalden ze de tijd aan de hand van hun oogsten. En toch stonden Speke en Burton versteld van hun cultuur, die veel en veel hoger ontwikkeld was dan die van de buurstammen (waarvan de meeste nog volslagen natuurvolkeren waren), van hun begrip voor comfort en zelfs voor een zekere verfijning. Ze hadden steden met brede straten, uiterst hygiënische hutten en de betrekkingen tussen opperhoofd en onderdanen was strikt geregeld. Hun in drie koninkrijken opgedeeld land werd bestuurd door zachtmoedige heersers, voor wie de oorlog een tijdverdrijf en braspartijen een sportieve bezigheid waren, maar die toch met een wijsheid van onbekende herkomst regeerden, want nooit waren Egyptenaren, Hindoes of Grieken tot deze gebieden doorgedrongen.

Maar waar komt deze donder vandaan, dit gedreun als van een fabriek, deze waternevel die de hemel over een afstand van meer dan een kilometer verduistert? Het is de Nijl, die als een ziedende zee uit het Victoriameer stroomt, van rots tot rots springt, zich na de halsbrekende sprong over de Murchison Watervallen in het beneden liggende dal stort om zijn 6000 kilometer lange reis door 6000 jaar menselijke geschiedenis te aanvaarden.

Bliksem. Donder. De toorn Gods zoals eertijds op de berg Sinaï. De regen valt in stromen neer. Met de kop omlaag worstelen onze muilezels zich tegen de wervelstorm in. Een echte karavaan. Amda, de leider van onze dragers, gaat voorop. Zijn benen zijn bloot en hij heeft een wollen doek om hoofd en schouders geslagen. Twee van zijn mensen, rijzige zwarten in lange, smoezelige hemden en met een onderdanige gelaatsuitdrukking, volgen hem te voet en trekken hun dieren, die beladen zijn met de leren tenten, achter zich aan. De drie achter ons, met hun muilezels die opzij uitpuilen door hun last van waterzakken en tassen met leeftocht, sluiten de rij. Het in basalt uitgehakte, duizelingwekkende pad stijgt en we komen terecht in een woud van ceders, wilde vijgebomen en boomvarens. Regen en wind zijn bitter koud en we zitten te rillen. Drie dagen geleden, in Juba in Soedan, was het 55 graden in de schaduw. Hier is het vermoedelijk amper 10 graden. En nergens een overhangende rots of een grot om te schuilen. We hebben nog een klim van twee uur voor de boeg voordat we op 2700 meter hoogte de top van de uitgedoofde vulkaan zullen bereiken op de hoogvlakte van Ethiopië, waar de dwaze James Bruce tweehonderd jaar geleden de bronnen van de Nijl gevonden meende te hebben.

En plotseling het wonder. Het regent niet meer. De wolken scheuren uiteen en 900 meter onder ons zien we het in de zon glinsterend blauwe Tanameer, waaruit de Blauwe Nijl ontspringt om naar de Nijl in Soedan te vloeien. Onze atletische dragers hebben het bovenlichaam ontbloot en met hun licht bronskleurige huid zien ze er al bijna als Egyptenaren uit. Met de hielen of een stok drijven ze hun lastdieren voort en daarbij stoten ze niet mis te verstane kreten uit: we naderen het Heilige der Heiligen, de Gish, waar men sinds duizenden jaren een bron en een zwarte, van de maan gevallen steen aanbidt. Daar is de steen. En ook de bron – een door de regenval gezwollen beek met een bedding van grove kiezel en hoge varens, die achter een dichte haag van bamboe in het nabijgelegen woud verdwijnt. Men noemt hem de kleine Abbai. Het is de Nijl. Laten we hem niet, zoals de aardrijkskundigen, ‘Blauwe Nijl’ noemen. Voor de Ethiopiër is de Abbai de echte Nijl, de enige Nijl. De andere, de ‘Witte Nijl’ (die anderhalf maal zo lang is), beschouwen ze slechts als een soort bijrivier.

Onder de gloeiende zonnehemel doolt een volk dat zo uit de bijbel gekomen kon
zijn. De mannen – het gezicht onder de tulband omkranst door een
profetenbaard – rijden op hun ezels aan kop. De vrouwen volgen te voet. Op het hoofd dragen ze bundels en ze trekken een lange sluier van stof achter zich aan, waardig als de amfoordraagsters van de fresco’s die de graven van Thebe sieren. Het zijn er honderden, duizenden. De meesten komen van ver: uit Harar, Eritrea en Massawa aan de Rode Zee. Het zijn christenen – ze behoren tot de oudste christenen ter wereld – die een pelgrimstocht naar Aksum maken om daar Palmzondag te vieren, een van de belangrijkste feestdagen van de Koptische Kerk.

Onze karavaan heeft zich bij de hunne aangesloten. Het is middag. Alles gloeit onder de zon die loodrecht boven ons staat. De nomade heeft geen schaduw meer. In de verte hoort men een geruis als van een bergbeek – de gebeden van de pelgrims die klinken als een gebruis. Het zijn er vijftien-, misschien twintigduizend, gekleed in woestijngewaden, velen gesluierd, anderen halfnaakt onder de korte schoudermantel van de bijbelse herders. Ze zijn allen gekomen en scharen zich nu als een kudde rondom de basiliek van Aksum. Het is geen kathedraal, maar een vesting zoals de kruisvaarders die bouwden: met torens, wallen en kantelen – een burcht als Akko, met één enkel, maar verschrikkelijk wapen: het kruis. Aksum, eens een terrein met stéles die duizenden jaren geleden door maanaanbidders werden opgericht, daarna eeuwenlang de heilige stad waar de nomadenkoningen van Ethiopië, die geen hoofstad bezaten, zich lieten kronen. De stad is net Rome van de christelijke staat Ethiopië, die in het hart van het islamitische Oosten als een chinese muur oprijst.

Door de geiten voortgeduwd en door de ezels samengedrongen – ze zijn schitterend opgetuigd en hun rug is getooid met het Koptische kruis, want ze hebben Christus gedragen – dringen we door tot de hitte en het stof van deze mensenmassa uit duizend-en-één-nacht, die naar houtvuur, wierook en zand ruikt. Daar zijn de rijken van de woestijn met hun glinsterende tulbanden, de door een dwerg geleide blinden, melaatsen met weggevreten lippen die gorillatanden ontbloten, naar bokken en muskus stinkende herders en met goud behangen hogepriesters die als negerkoningen met hun vliegenwaaier spelen. Er komt een optocht aan. Onder scharlakenrode. met fonkelende edelstenen bezette baldakijnen naderen de Heilige Drie Koningen met gouden kronen en gehuld in blauwe, gele en scharlakenrode gewaden, gevolgd door de hogepriesters met hun purperrode, fluwelen mijters. Nadat de processie langzaam rondom de basiliek is getrokken, blijft ze staan. Dan treden de priesters in gesloten gelid naar voren, vormen een rij, buigen, hurken neer, staan weer op, gaan iets naar achteren en komen weer naar voren. Het ritme wordt versneld. De passen worden een dans. En het is inderdaad een dans: de dans van David voor de ark des verbonds op de dag van de intocht in Jeruzalem. En de Ark bevindt zich hier, in het Allerheiligste onder de basiliek. In de ark rusten de stenen tafelen waarin Mozes de geboden van God beitelde. Er wordt een lofzang aangeheven, terwijl in de verzengde lucht wierook, mirre, sandelhout en alle welriekende stoffen van Arabië branden die de koningin van Saba hierheen heeft gebracht.

Urenlang wisselen gezang en dans elkaar in het gloeiende stof af en ook wij
worden in een soort roes meegetrokken. Als de nacht valt vinden we elkaar terug bij de kampvuren die deze avond de woestijn van Aksum veranderen in een dorp van vlammen. Een oude geleerde, een kenner van de Falasja’s – de joden van Mozes die, naar men zegt, na de exodus hier zijn gebleven – noemt ons de bijbel- en koranbronnen van de legende rondom de koningin van Saba, waarvan recente oudheidkundige vondsten de historische juistheid lijken te bevestigen. Men weet dat er in het zuiden van Arabië, in het huidige Jemen, eeuwenlang het machtige en hoog beschaafde koninkrijk Saba – met de hoofdstad Marib – heeft bestaan dat Ethiopië (zoals indertijd heel Afrika genoemd werd) veroverde, waarna dit land de cultuur en het schrift van Saba overnam. De bekendste koningin van Saba was degene die in de Ge’ez-taal Makeda en in het Arabisch Bilkis heet. Zij moet de sprookjesachtige koningin van Saba zijn waarvan de Bijbel spreekt.
Toen de koningin van Saba over de roem van Salomo hoorde, kwam ze naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen. Met een groot gevolg en met kamelen die beladen waren met welriekende planten en grote hoeveelheden goud en juwelen begaf ze zich naar Jeruzalem. Ze sprak met Salomo over alles wat ze op het hart had. En Salomo beantwoordde al haar vragen. En er was niets dat hij haar niet wilde geven. ‘Zelfs niet de zoon die ze van hem verwachtte,’ voegde onze wijze vriend hier glimlachend aan toe. ‘Zo stond het ook in het eerste artikel van onze grondwet: de keizerlijke dynastie van Ethiopië stamt in rechte lijn af van Menelik l, de zoon van de koningin van Saba en koning Salomo van Jeruzalem, zonder enige leemte, van keizer Sahle Selassie tot en met keizer Haile Selassie I, onze heerser bij de genade Gods.’
Terwijl de bijbel slechts over het begin van het avontuur bericht, vindt men in de ‘Kebra Nagast’ (Roem der Koningen), het oudste geschrift over de geschiedenis van Ethiopië, ook het einde ervan. Toen hij twintig was, ging Menelik bij zijn vader op bezoek. Maar hij verveelde zich aan het hof van Jeruzalem zo dat hij vluchtte, waarbij hij de ark des verbonds met de tafelen der wet meenam en hier naar Aksum bracht, ‘waar ze zich nog steeds bevinden’, zoals de hogepriesters, belast met de bewaking, bevestigen. We laten onze karavaan in Aksum achter en rijden met de Landrover naar het Tanameer, vanwaar de Blauwe Nijl in de richting van Soedan stroomt om zich in Khartum met de Witte Nijl te verenigen.

Niets dan karresporen. woestijn en brandend zand. Plotseling doemt als een fata morgana aan de horizon het Tanameer op, blauw en reusachtig als de zee (25 000 km2), met zijn honderd eilanden waarop de oudste kloosters ter wereld staan. Vijf of zes oude vrachtschepen, een barak en een aanlegsteiger: we zijn in Gorgora, een van de twee havens aan het Tanameer. Nu liggen we op de brug van een van deze boten in de schaduw van een dekzeil en omgeven door een schare negers – ongetwijfeld Soedanezen. Mannen en vrouwen, gehuld in gewaden die even dun zijn als de sluiers van een oosterse danseres. Tussen twee eilanden duikt plotseling de Nijl weer op, die we een tijdlang uit het oog hadden verloren. Zijn donkere watermassa’s snijden van oost naar west dwars door het meer voordat ze vreedzaam door de thee- en koffieplantages aan de rand van de woestijn verder stromen. Maar in Tisissat valt de bodem onder hem weg. De rots breekt abrupt af. Van een hoogte van 50 meter stort hij zich in een ravijn over de bodem waarvan hij zich onzichtbaar en onbereikbaar over meer dan 600 kilometer met luid geraas een weg zoekt.

Geen veroveraar, geen avonturier is er ooit in geslaagd deze natuurlijke weg, de enige die toegang geeft tot de hoogvlakte van Ethiopië, af te leggen. Daarom was dit land ook duizenden jaren lang een van de weinige in Afrika die zich aan niemand hoefden te onderwerpen. Mehemet Ali, de veroveraar van Egypte, moest het opgeven en ook de Egyptische koning Hatsjepsoet, drieduizend jaar voor hem, had niet meer geluk. Ontelbare ontdekkingsreizigers hebben geprobeerd per boot de Blauwe Nijl vanaf het Tanameer tot aan Khartum af te zakken. Geen van hen boekte succes. Er bestaat geen leven op de bodem van dit ‘dodenravijn’. De bedompte lucht wemelt van muggen en vliegen, waarvan de giftige beten blindheid kunnen veroorzaken of er zelfs toe kunnen leiden dat de gestokene krankzinnig wordt.

De eerste regenvlagen, voorboden van de grote regens – en van het wassen van de Nijl – zijn gevallen. In Fazughli, waar de Blauwe Nijl na zijn weg door de woeste ravijnen van Ethiopië Soedan binnenkomt, heerst vreugde en angst tegelijk. Vuil en rood door de meegesleurde termietenheuvels, ontwortelde bomen en uitgeholde rotsen stroomt hij breeduit de woestijn in. De miljarden aardkruimels, wortels en steentjes die hij meevoert vormen het vruchtbare slib dat hij samen met de Witte Nijl naar Egypte brengt en dat de gloeiend hete woestijn in de koren- en katoenschuur van de Oriënt verandert.

Achter het gebied van Fazughli – men hield het lang voor het Ofir van de bijbel, – waar de legioenen van Salomo het goud voor de tempelbouw in Jeruzalem vandaan haalden – begint Soedan en de woestijn. In de zwoele nacht werkt Khartum als een oase van licht. Deze stad, waar Winston Churchill aan de laatste cavalerie-aanval uit de geschiedenis heeft deelgenomen, is nu de hoofdstad van een onafhankelijke staat. Het is 55 graden in de schaduw. We branden onze handen aan het stuur van de Landrover. Nu moeten we in de nacht met schijnwerpers aan het oude pad rijden dat Bruce. de Schot, volgde om de reusachtige, tot op de dag van vandaag onbevaarbare lus van de Nijl af te snijden en de rivier weer te bereiken waar hij eindelijk rustig voortstroomt, twee uur van Aboe Simbel vandaan, de koninklijke poort tot Egypte waar zich zes millennia lang een van de meest avontuurlijke en legendarische hoofdstukken uit de geschiedenis van de mensheid heeft afgespeeld.

We worden wreed gewekt. Een krachtige slingerbeweging heeft ons uit onze kooien – twee op de brug uitgespreide gebedstapijten – geworpen en bijna waren we overboord geslagen. Wat is er aan de hand? Niets. Een windhoos. Gamal, de twaalfjarige scheepsjongen die bij het roer hurkt, stelt ons met een ondeugende glimlach gerust. Ahmed en Abdoe, onze matrozen, werpen zich met de zoom van hun galabieh (het lange hemd van de Egyptenaren) tussen de tanden met hun volle gewicht op de bamboestaken. Hun verwrongen silhouetten – het bovenlichaam ziet men van voren, de heupen in profiel – doen denken aan de fresco’s van Thebe. Gelijk hun voorouders, de schippers van de zonnebarken, sturen ze vloekend als ketters onze Seti I, ‘de beste feloek op de gehele Nijl’, door de stroom en tussen de schier uit het water oprijzende stenen door die Herodotus reeds 2400 jaar geleden vervloekte.
Dan wordt alles weer rustig – de wind, de rivier en de bemanning. En terwijl we in de golven die het eerste daglicht weerspiegelen ons ochtendbad nemen, verrichten Abdoe, Gamal en Ahmed, neerknielend op het voordek, met hun voorhoofd de brug beroerend, weer opstaand en zich opnieuw neerwerpend, hun morgengebed in de richting van Mekka. Door de eindeloze, gloeiende stilte die met de dag optrekt, klinkt vanaf de oever een melodie: het knarsen van een houten wiel, een kinderstem, de roep van een vogel. Het is de noria, waarmee reeds de Grieken en de Romeinen water uit de Nijl schepten en die de ellende van de fellahin een weinig verlicht. Het rad draaide reeds toen Menes of Narmer. zoon van Scorpio en eerste farao van de eerste dynastie, de troon besteeg en zich kon laten uitroepen tot ‘koning van het land in het noorden en van het land in het zuiden’, in een tijd dat Griekenland nog een hoop stenen, Rome een moeras en Gallië een ondoordringbaar oerwoud was.
De noria, het scheprad, is een zonderling, heel eenvoudig werktuig, maar de uitvinding ervan is een enorme creatieve prestatie geweest. Een groot, houten wiel waaraan ongeveer twintig kruiken bevestigd zijn, draait loodrecht rond in de rivier. Wanneer ze omhoog komen vullen de kruiken zich en wanneer ze naar beneden gaan ledigen ze hun inhoud in bakken of irrigatiekanalen.
Het wiel wordt aangedreven door een houten, horizontaal geplaatst tandrad dat door een geblinddoekte os draaiende wordt gehouden. Een kind in een lang, smoezelig hemd zit op de dissel en drijft het dier voort met een doornige tak. Daarbij zingt het met schelle stem een Arabisch wijsje om de os aan te vuren en zichzelf over zijn verveling heen te helpen. Een bizarre, magere vogel begeleidt zijn gezang, een soort leeuwerik die je ook met starre ogen blijft aankijken wanneer hij je van voren aankijkt – op een manier zoals men het alleen nog op de fresco’s in het Dal der Koningen kan zien.

Nijl 3

Reeds zesduizend jaar geleden gebruikten de Egyptenaren de noria om water uit de Nijl te scheppen. Deze eenvoudige, door een os of een kameel aangedreven machine heeft een opmerkelijke capaciteit.

Aan boord van de oude postboot die we genomen hebben en die uit alle kieren rookt en olie en kokend water zweet, worden we op de maat van de golven door elkaar geschud. Verweerde hiërogliefen op een zuilschacht trekken de aandacht van de passagiers. ‘Als u een neger bent, ga dan niet verder. Nu behoort de Nijl u niet meer toe.’ Deze inscriptie kwam veelvuldig voor op de grensstenen van het oude Egypte. Hier begint Egypte. Het begint met de melodie van de noria. Door het water is de nomade honkvast geworden. Het koren heeft een boer van hem gemaakt. De leren tent werd een hut, de hut een piramide. Noch bij zijn leven, noch bij zijn dood verlaat de fellah zijn aarde.

Egypte, geschenk van de Nijl? Ja. Maar vooral voor de Egyptenaren. De Grieken hebben volgens Herodotus alles aan de Egyptenaren te danken gehad: het merendeel van hun wetenschappen, hun kunsten, zelfs bijna al hun góden. Ook dit scheppend vermogen heeft de Egyptenaar weer aan zijn rivier te danken. Want deze Nijl, god en duivel tegelijk, moest bedwongen, getemd en ingedamd worden. Men moest zijn overstromingen berekenen, voorspellen en voorkomen. Men moest de watermassa’s met behulp van dammen in bedwang houden, zich er met dijken tegen beschermen, ze door middel van irrigatiekanalen benutten en taluds aanleggen om het meegevoerde slib vast te houden.

De Nijl, de oeroude sfinx met zijn baard van papyrus, stelt de fellah duizend vragen die de mensheid nooit eerder zijn voorgelegd en die hij beantwoorden moet, wil hij in leven blijven. En hij beantwoordt ze. In het begin van het derde millennium ontdekt hij de astronomie, de kalender, de wiskunde, het schrift, de meetkunde, de architectuur, de industrie, de economie, voert hij openbare werken uit en beoefent hij de kunsten. Reeds dan is het gehele land in kleine vierkanten opgedeeld. Het kleine vierkant wordt tot hiëroglief en betekent ‘provincie’. Elke provincie komt overeen met een sector van de Nijl. Ze heeft een eigen bestuurder en een eigen waterbouwkundig ingenieur. Jozef, die de onweerstaanbare vrouw van Potifar weerstond, was minister van Nijlzaken en bekleedde dus het hoogste ambt in de staat. Om leiding te geven aan dit zich over 2500 kilometer uitstrekkende bouwterrein, dat zich van de huidige grens tussen Egypte en Soedan tot aan de delta uitstrekte en Egypte heette, was een machtige staat nodig. Cheops, Chefren en Mykernos hebben de staat gestalte gegeven en wel volgens het principe van hun piramiden. De farao, die tegelijk god is, vormt de top en het volk de basis. Daartussen, aan de zijden van de piramide, de priesters en de ambtenaren. Ieder in zijn kleine vierkant en met zijn Nijlmeter. Dit was de weergaloze structuur van een der meest volmaakte bestuursapparaten die er ooit zijn geweest. Een staat waarin de wetten en de politie een staatsburgerlijke discipline, sociaal gevoel, moraal, godsdienst, een vaderland grondvesten.

Drie uur ’s morgens. Volle maan boven de Nijl. Abdoe heeft onze feloek nog niet vastgelegd wanneer we reeds vol ondernemingslust het nieuwe plein voor de tempels van Aboe Simbel betreden. Het wonder is volbracht. De stuwdam van Aswan (de Nasserdam, zoals hij tegenwoordig heet) heeft zijn sluizen wijd opengezet en het gehele dal is langzamerhand volgestroomd. De tempels, die duizenden jaren lang naast de rivier in het zand hebben gestaan, zijn gered. In blokken gezaagd heeft men ze stuk voor stuk opgehesen naar een ongeveer 60 meter hoge oeverklif die vroeger boven de Nijl uittorende maar die nu op gelijk niveau met het reusachtige stuwmeer ligt en ze daar weer opgebouwd.

De constructie van de dam is een kolossale onderneming geweest, waaraan de gehele wereld heeft deelgenomen en die als het levenswerk van Nasser de geschiedenis in zal gaan, ofschoon de laatste tijd bepaalde bedenkingen worden geuit met het oog op onvoorziene gevolgen, zoals de verarming van de dierenwereld van de Middellandse Zee. Maar de tempels staan er weer, plechtig ongeschonden.
In de verte stralen de lichten van de dam door de duisternis. Daarginds in de woestijn davert de gigantische fabriek met al zijn elektrische centrales, die het duizenden jaren oude land voorziet van de twee voor het moderne leven onontbeerlijke grondstoffen: water en stroom. Aboe Simbel echter ligt in volmaakte stilte onder de maanblauwe hemel waaraan in het oosten reeds de ochtend schemert. De Zonnezoon zelf heet ons welkom: Ramses II de Grote, twintig meter hoog, zittend op zijn troon, de handen op de knieën, in de houding waarin hij vereeuwigd wenste te worden, ‘enig en ontelbaar als Amon’, wakend bij de ingang van Egypte. Het is het meest verheven en waarheidsgetrouwe beeld dat Egypte ooit van zichzelf en van zijn creativiteit geschapen heeft. Ramses II, god en farao, is geen veroveraar. Hij is een mens de Nijl, van deze aarde, een boer.
In een maanverlichte nacht als deze moet men Karnak bezoeken en luisteren naar Thoetmozes III de Heerlijke, wanneer hij vertelt hoe hij na twintig jaar van slavernij, nadat hij zijn losbandige gade en haar minnaar gedood had, ertoe kwam – hij, de Wijze – zijn land met krijgsgeweld te bevrijden, hoewel hij dat liever louter met zijn morele kracht zou hebben gedaan. Zijn bekentenis staat in fraaie hiërogliefen gebeiteld in de door de maan vergulde en nu om middernacht nog lauwwarme steen van de tempel van Amon ‘wiens machtige zuilen de hemel stutten’. Het avontuurlijke verhaal van een mummie. Op negenjarige leeftijd werd Thoetmozes III uitgehuwelijkt aan zijn twintig jaar oudere tante, de koningin Hatsjepsoet. Tot de echtverbintenis werd overijld door de priesters besloten om de ingewikkelde opvolging van Thoetmozes II te verzekeren, want als zoon van een bijzit van de koning was Thoetmozes III onwettig. Maar niet Thoetmozes III zou tweeëntwintig jaar lang, van 1505 tot 1483. over Egypte heersen. Dat deed Hatsjepsoet I. de ‘Zoon van de Zon’. Ze beschouwt zich als zoon en niet als dochter. Want Hatsjepsoet draagt mannenkleren en een kunstbaard, teken van mannelijkheid en van de macht van de farao. Koning wil ze zijn. geen koningin. De koning der koningen. En zo’n koning is ze, de fascinerende vrouwelijke farao.
Hatsjepsoet I met de gouden baard, die haar echtgenoot, de farao, rokken laat dragen en naar het vrouwenhuis verbant, regeert bijna een kwart eeuw over Egypte, niet als Egyptenares, maar als Egyptenaar. Ze bewerkt de grond, legt kanalen aan, spant de ossen voor het scheprad. Ze heeft slechts één zwakke plek: Senmoet, de architect uit Thebe, die voor hen beiden een rustplaats ontwerpt zoals nog nooit een liefdespaar had bezeten – Deir el-Bahari, de rotstempel bij de ingang van het Dal der Koningen.
Het dal ligt vlak bij en we gaan erheen. Onze feloek meert af voor het paleis van Luxor. Wij logeren ertegenover, op de andere oever, in de dodenstad Thebe, in een hotel zoals toeristen zelden mee zullen maken. Het behoort toe aan El Moerad de Oude en ligt in het dorp Goernah achter de twee kolossen van Memnon aan de voet van de Dodenberg. Het maakt een armzalige indruk en heeft slechts drie kamers, maar ‘met alle comfort’. Een ijzeren bed, wegens de hitte en de vlooien zonder matras, en een pijl met het Arabische opschrift ‘naar de toiletten’ – die tweehonderd meter verderop in de woestijn liggen. Wanneer de drie kamers bezet zijn, brengt El Moerad zijn gast naar de dependance. Hier liggen de graven – precies zoals de farao’s ze hebben achtergelaten, enigszins bedompt en aan het einde van lange, wat schuin aflopende gangen. Niet iedereen wordt in een graf ondergebracht. Men moet er geschikt voor worden geacht. El Moerad de Oude houdt het bij de spreuk van zijn grootvader Abd el-Rasoel de Vrome: ‘voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast’.
Eens arriveerde er een eenvoudige man in de herberg bij de doden. Hij legde zijn rugzak af, zette zich onder een boom en bestelde rustig een koffie. ‘Waar kom je vandaan?’ vroeg Abd el-Rasoel. ‘Daarvandaan waar jij heen zult gaan’, antwoordde de ander. ‘Wat wil je?’ ‘Jouw zegen.’ Dat was het wachtwoord. Toen de nacht viel, bracht Abd el-Rasoel de man naar zijn kamer in de dependance, in een grafkelder. Het was dezelfde waarin wij vanavond slapen. Hij is klein, gewelfd en vertoont zwarte sporen van hiërogliefen en rode plekken waar zich vroeger fresco’s bevonden. Daar stond het bed, de kruik. Abd el-Rasoel leunde tegen de muur en drukte er met zijn gehele lichaamsgewicht tegenaan. Uit de wand kwam een grote steen los en een koude tocht blies de kaars uit. Ze staken haar weer aan. Toen drongen ze door tot de onderaardse ruimte, erop lettend niet op schorpioenen te trappen en de voetangels en klemmen te ontwijken die rovers tegen moesten houden. Ze liepen door een kamer, een tweede, een derde en opeens: een schier bovenaardse gloed. Robijnen, saffieren en goud. En wat een goud! Ze stonden in de schuilkelder van Deir el-Bahari, een ruimte zo groot dat de priesters van Amon er zestig sarcofagen van farao’s met hun sprookjesachtige schatten op elkaar konden stapelen – om ze tegen grafschenders te beschermen. De reiziger greep een schriftrol, wierp een paar muntstukken op de grond en verdween.
De volgende dag werd Abd el-Rasoel de Vrome opgebracht naar de ‘karasol’, het politiebureau. Hij herkende zijn bezoeker van de vorige dag weer, maar ditmaal was die gekleed als een heer. Het was een medewerker van Maspero, de directeur van de Dienst voor Egyptische Oudheden, in Cairo. Samen met de grootste archeologische vondst aller tijden werd het nieuws van de arrestatie van de Egyptenaar de sensatie van de eeuw. Door de ontmaskering van Abd el-Rasoel als het hoofd van een bende grafrovers ontdekte men behalve de graven van de farao’s en de schatten uit het Dal der Koningen vijfduizend jaar Egyptische geschiedenis in beelden en daarmee het wonderbaarlijke avontuur van de mensheid waarvan de archeoloog Champollion sprak toen hij de eerste hiërogliefen op de ‘steen van Rosetta’ (een bij Rosetta, de Egyptische stad Rashid, gevonden muurfragment met hiërogliefen in drie talen) ontcijferde die een arbeider van Napoleon met zijn houweel bijna kapot geslagen had. Zo hadden de voorvaderen van Abd el-Rasoel, de rol van grafrover telkens weer van vader op zoon overervend, vijfduizend jaar lang met mate op hun sprookjesachtige voorraad geteerd en – telkens wanneer echte nood hen daartoe dreef – een stuk van hun onmetelijke juwelenschat verkocht.

Van Thebe, de oude dodenstad, moet men het vliegtuig nemen om het legendarische Cairo te bereiken, de hoofdstad der levenden, de poort van de Nijldelta. De lucht is zo helder en de machine vliegt zo laag dat men op de zanderige oeverdam van de rivier de bedoeïenen kan herkennen die zich in hetzelfde trage ritme voortbewegen als hun kamelen. Aan beide kanten van het groene water ziet men duidelijk het verbrande zand, de uitgegloeide rots – de woestijn. En plotseling doemt ze op, de sprookjesachtige stad, ‘de stad van de vierhonderd moskeeën’, verguld door het stof waaraan de zonsondergang een roze gloed geeft.
Meer nog dan het legendarische Bagdad is Cairo ook nu nog de werkelijke hoofdstad uit duizend-en-één-nacht, met de middeleeuwse citadel, de moskeeën en minaretten, de oude, vestingachtige serails, de uit de 16de en 17de eeuw daterende Arabische huizen die aan de straatkant geen ramen hebben, de verborgen tuinen, het doolhof van steegjes zonder trottoir waarin men nog waterdragers tegenkomt, en met zijn reusachtige bazaars waarin alle beroepen zijn vertegenwoordigd. Ook nu nog is Cairo de oosterse sprookjesstad – precies als duizend jaar geleden. Onbezorgd en dromerig leeft men er in de koele schaduw van de oude stadswallen en kraampjes waar goud gesmeed en koper geslagen wordt, waar men vent met specerijen en waar men bij het genot van een kopje koffie lang en zonder zijn geduld te verliezen pingelt om het tapijt, het ivoorsnijwerk of het stuk zijde waarop men zijn zinnen heeft gezet. En net als ten tijde van de kaliefs is het nog steeds de heilige stad, de laatste grote pleisterplaats voor Mekka. In het hart van de stad staat de universiteitsmoskee al-Azhar, het Vaticaan van de islam, die dagelijks via de radio de 300 miljoen moslems over de gehele wereld herinnert aan het woord en de wetten van de profeet.
Midden in de oude stadskern met zijn middeleeuwse straatjes die tot aan de rand van de woestijn lopen, is het nieuwe Cairo ontstaan met stralend witte gebouwen en parken, door Nasser met de macht van zijn woord en met bulldozers te midden van ellende en vuil uit de grond gestampt – avenues, boulevards en esplanades, omzoomd met wolkenkrabbers, warenhuizen en luxe hotels die oprijzen in de eeuwig blauwe lucht. Banken, kantoren, bioscopen, chique zaken, rode verkeerslichten, groene verkeerslichten, verkeerschaos, schel getoeter – hier wordt men de koortsige polsslag van het westen gewaar waarmee deze ultramoderne metropool dag en nacht is vervuld.

Wat een stilte, wat een rust daarentegen daar op het bovenste terras van de citadel in het hart van Misr al-Kahira, het oude Cairo van de legende, de antieke hoofdstad van het in de tiende eeuw van onze jaartelling gegrondveste rijk der Fatimiden, waarvan de glans uitstraalde over de gehele wereld. Aan onze voeten als sedert duizenden jaren het bonte leven en de bedrijvigheid van de bazaar, dat op het ritme van de soera’s uit de koran klopt en zingt, en in de verte de door het licht van de ondergaande zon met goud overgoten piramiden, langzaam verblekend in de schemering. En slechts 20 kilometer hiervandaan begint middenin de woestijn de Nijldelta. waar enkele duizenden jaren geleden alles begon.

Plotseling steekt een zandstorm op. een ware orkaan. Woestijn, hemel, zee – alles verdwijnt in de windvlagen die ons dreigen te verblinden en te verstikken. We kunnen niet eens meer de reserve-Landrover onderscheiden die ons met de tenten en de onderdelen volgt. We zijn van de weg geraakt. Men ziet en hoort niets meer – behalve het fluiten van het zand. Voortdurend toeterend rijden we voorzichtig verder, gaan we tastend voort als een schip in de mist met behulp van zijn sirene, niet omdat we bang zijn voor een aanrijding – hier kom je bijna niemand tegen – maar om contact te houden met Ahmed en Gamal. die achter ons in de woestijn niet meer te zien zijn. Abdoe. onze chauffeur, houdt
scheldkanonnades als op de Seti I, die we in Thebe hebben achtergelaten. En ook wij tieren tegen de hemel, de wind, het zand en die vervloekte Alexander de Grote die ons tot dit onzalige uitstapje verleid heeft. We verlaten het strand en rijden zuidwaarts naar de oase Siwa, waar Amon-Re het orakel raadpleegde.

Hoge palmen rijzen op uit het zand. Van de tempel zijn nog slechts ruïnes over. Maar de god is schrikwekkend aanwezig in deze eenzame woestenij die een van de grootste heiligdommen ter wereld vormt. Hier heeft Alexander de Grote, die ervan droomde een huwelijk tot stand te brengen tussen Oost en West en met behulp van wijsheid en harmonie een verenigd wereldrijk te stichten, Zeus-Amon gevraagd of hij, de zoon van God en zelf God, waardig en klaar was voor een dergelijke onderneming. En Zeus-Amon heeft hem geantwoord: ‘Ja. Jij bent de zoon van Amon-Re.’ Alexander is vierentwintig jaar. En hij heeft reeds overwinningen behaald waarvan er één voldoende zou zijn geweest om iemand met roem te overladen: Granicus, Issus, Tyrus, Arbela. Door zijn laatste farao’s verraden, aangevallen door de Perzen, overgeleverd aan vreemde heerschappij en intriges, gaf Egypte zich aan Alexander over ‘als een geliefde’. Terwijl hij fijn stof uit zijn smalle handen liet glijden, tekende de Macedoniër in het natte zand van het strand de plattegrond van de stad die eeuwenlang de machtigste en roemrijkste ter aarde zou zijn, een centrum van verfijning, cultuur en van het intellect – Alexandrië. Vanaf hier vertrekt hij om ook nog de rest van de wereld te veroveren: India. En hij is zo schoon dat de Hindoes Boeddha zijn gelaatstrekken geven.

De stenen van de tempelruime, in de halfschaduw van de palmen nog warm van de middagzon, voelen bijna aan als zijde. ‘Hier. bij Amon-Re wilde hij begraven liggen’, vertelt ons de oude monnik die de cultus rond de held in stand houdt. “Zijn er opgravingen gedaan?’ Hij schudt het hoofd. Acht jaar na de pelgrimage van Alexander naar de tempel van Siwa trok een span van vierenzestig muilezels met het stoffelijk omhulsel van de wereldheerser vanuit Babylon naar het westen. Perdiccas. die het rijk bestuurde, wilde dat het lijk van Alexander werd overgebracht naar Aegae. de hoofdstad van de Macedonische vorst. Maar Ptolemaeus. de legeraanvoerder en intiemste vertrouweling van Alexander. slaagde erin de plannen van Perdiccas te verijdelen en het lijk naar Memphis m Egypte te verschepen, vanwaaruit het naar Alexandrië vervoerd moest worden naar een tempel ‘waarvan de afmetingen in overeenstemming moesten zijn met de roem van Alexander’.
Het graf is verdwenen. ‘Lang heeft men geloofd dat het zich bevond ten zuiden van de Rue Foead I, onder de moskee Nebi Daniël’, zegt onze gids. ‘En op een dag toen ik een wandeling maakte, heb ik het toevallig teruggevonden, hier vlak bij.’
Vermaakt hij zich ten koste van ons? In Alexandrië, waar men bij iedere stap geconfronteerd wordt met de spotlust van Egypte en met de hellenistische neiging tot mystificeren, weet men nooit precies of iemand iets meent of dat hij iemand voor de gek probeert te houden. Maar onze gids is allesbehalve een grappenmaker. Hij behoort tot de notabelen van Alexandrië. Zijn verzamelwoede en liefde voor historie en oudheidkunde stempelen hem tot een van die autodidactische leken op cultuurgebied die men nog slechts aantreft in de hoofdsteden van oeroude beschavingen: in Kioto, Athene en Rome.

‘Volg me’, zegt onze gids. We lopen door de katholieke begraafplaats van Alexandrië, die een even overzichtelijke en vreedzame indruk maakt als een Japanse tuin. Iets verder naar beneden en een beetje terzijde van de muur staat een tempeltje. Het is vier meter hoog, meet drieëneenhalve meter in het vierkant en bestaat uit geweldige, gladde albasten platen zonder inscriptie, die zo licht, zo wit en stralend zijn dat het bijna aandoet als een sieraad. ‘Dit is de oudste ruïne in Alexandrië. Toen ik deze platen voor het eerst aanschouwde, was ik tot in het diepst van mijn ziel geroerd. Iets dat tegelijk zo kostbaar en zo ongekunsteld was kon slechts voor een held of een god bestemd zijn geweest. Dezelfde ervaring had ook mijn vriend Adriani, de toenmalige conservator van het Museum van Alexandrië. Zijn naspeuringen hebben bevestigd dat dit inderdaad, zo al niet het eigenlijke graf van Alexander, dan toch minstens de grafkamer geweest moet zijn die de gouden sarcofaag van de held herbergde. Overigens heeft professor Adriani aan dit onderwerp een boek gewijd dat als een standaardwerk geldt.’ ‘Maar hoe komt het dat de wereld niets van een dergelijke ontdekking vernomen heeft?’ ‘Waarschijnlijk had de wereld indertijd andere zorgen’, antwoordt hij met typisch Alexandrijnse ironie.

Daar is de vuurtoren. Hier lag het legendarische eiland Pharos dat Alexander zo boeide. Het bestond al niet meer toen Caesar bezit nam van het oude land der farao’s. Hij zag nog slechts ‘de grote toren van marmer die het licht droeg’, gebouwd door de Ptolemaeën, de opvolgers van Alexander. Vanaf deze door de wind gegeselde pier speurde hij, net als wij, het vijftig kilometer lange strand af naar het paleis van de laatste vrouwelijke farao. Hij droomde ervan haar, geketend aan zijn zegewagen, door Rome te slepen, die Cleopatra, die in navolging van Alexander Alexandrië tot de hoofdstad van de wereld wilde verheffen. ‘Hier moet het paleis gestaan hebben, links van de Pompejus-zuil.’ Terwijl we afstevenen op het belangrijkste gedenkteken dat de Romeinen tijdens hun korte verblijf op deze kust hebben nagelaten, naderen we langzaam de stad der steden, waarbij we in het natte zand zoeken naar het spoor van de kleine, ‘op het liefkozen van de lauwwarme zandplaten verzotte’ voet die zich zo koel op de lippen van Caesar legde en zo zwaar op de nek van Antonius drukte.

De verleiding is te groot, de hemel te blauw, de zee te groen. We duiken in de golven op dezelfde plaats waar Caesar zich volgens onze gids (en volgens Suetonius) in zee wierp om aan de vijand te ontkomen. Hier lag de Egyptische vloot voor anker toen de gelieven door de aanval van hun tegenstanders werden verrast. Ze zaten hiertegenover, op het terras van het paleis van Cleopatra, juist aan de feestdis. Verblind door het licht van de fakkels hadden ze de vijandelijke schepen niet naderbij zien komen. Caesar sprong op. Er bestond nog maar één mogelijkheid deze vloot tegen te houden, namelijk die van hemzelf in brand te steken. Hij gaf daartoe het bevel. En de negentig schepen van Cleopatra – en van hem – rezen als een muur van vlammen tegen de hemel omhoog. Maar al snel sloeg het vuur over op de tros van wagens aan land. De brand bereikte de stad. De bibliotheek, de grootste ter wereld, stond in lichterlaaie. Er verbrandden 400000 boeken, de nachtelijke hemel was rood. ‘De mensen weenden. Sommigen krabden zich het gelaat open. De meest fanatieken stortten zich in de vlammen en probeerden enkele waardevolle papyrusrollen van de vernietiging te redden.’ Antonius liet de bibliotheek herbouwen en breidde hem uit met ongeveer 200000 boeken. Maar de grote daad van Caesar herhaalde hij niet. Hij nam Cleopatra met zich mee in de dood en met hen ging ook Egypte langzaam te gronde. Het land der goden werd een Romeinse provincie. De lange nacht brak aan. Deze zou eerst 2000 jaar later eindigen, toen een andere gedrevene – Bonaparte, die zichzelf voor Caesar hield, zoals Caesar zich voor Alexander had gehouden – Egypte uit zijn sluimering wekte, het weer zijn taal, zijn geschiedenis, zijn creativiteit bijbracht en het de plaats toonde die het in de wereld toekwam.

Over Alexandrië valt de avond. Alles lijkt in vloeibaar goud gedompeld: de zee, de stenen, de gezichten. Het is het uur waarop men graag rondslentert door de hete straten, die wemelen van mensen van alle rassen, en met Theocritus in deze menigte vol geheimen en begeerten onderduikt. Op de hoek van de steeg wacht de oude Herondas op u – een Grieks dichter uit de Ptolemeïsche tijd die sterk realistische schetsen schreef die werden voorgedragen – om u tot gids te dienen door de Griekse en Arabische steegjes van de oude stad naar Rhacotis, de voormalige wijk van de jongens en meisjes van lichte zeden, met zijn kroegen en kramen waar men in het voorbijgaan nog de gehele ellende en betovering van de Oriënt kan beleven. Men volgt de grote straat die naar het Sarapeion leidde. Iets verderop lag Bruchion. de zakenwijk met de chique huizen van bankiers en
courtisanes. Uiteindelijk kwam men bij de tuinen die iedere avond besproeid worden en waarin het altijd ruikt naar omgespitte aarde, bedwelmend geurende kruidnagels en oleanders. En dan bij het museum, de bibliotheek en het mausoleum van Alexander.
Perzen, Grieken, Turken, Romeinen. Fransen, Britten, alle volkeren uit het Middellandse-Zeegebied, zowel nomaden, kameeldrijvers, bedoeïnen en woestijnvorsten als wilde koningen van het oerwoud, vuur- en maanaanbidders uit Sumerië en Byblus, aanhangers van Amon-Re en Zeus, joden, christenen en moslems zijn hier op doortocht geweest en allemaal werden ze bemind, gehaat, bejubeld en verjaagd. En iedereen heeft zich hier thuis gevoeld en bij zijn afscheid een stukje van zichzelf achtergelaten: zijn taal, zijn geur, zijn geloof, zijn lijden, zijn creativiteit. En zodra in Alexandrië de lichten aangaan en men zich in de avondkoelte onder de menigte mengt, zijn nacht beleeft, stormen het geroezemoes van de stad, haar geuren en begeerten zo hevig op hem af dat hem de adem wordt ontnomen. Vandaar deze bijna verstikkende impressie van een wereld die oververzadigd is van rijkdom, cultuur en intelligentie. die alle roerselen van lichaam en ziel kent.

Op de braak liggende, hobbelige terreinen met ruïnes waar wit in het maanlicht, de zuil van Pompejus oprijst, stonden iets meer dan tweeduizend jaar geleden het museum en de bibliotheek. Hier hebben twee of drie eeuwen lang geleerden en dichters, wiskundigen, wijsgeren, geografen, taalkundigen en astronomen van alle geestesrichtingen en uit al ’s Heren landen hun leerstellingen en inzichten vergeleken en door keuze, samenvatting en vertaling in 700 000 boeken de eerste encyclopedie van de menselijke kennis geschapen. Na Caesar ging de bibliotheek nog een keer in vlammen op. Ze werd weer opgebouwd en brandde opnieuw af. De barbaren ontstaken het vuur. Vervolgens zij die tegen de barbaren streden. Hier vochten scholen tegen scholen, kerken tegen kerken. Het jonge christendom wiste hier de laatste sporen uit van het heidendom. En Heraclitus, Parmenides, Empedocles, Anaxagoras en Democritus waren de slachtoffers van deze heilige toorn. Daarna bouwde de islam op de ruïnes van de tempels en kerken zijn moskeeën. Maar in tegenstelling tot wat men lang heeft aangenomen, redde de islam van de bibliotheek wat er nog te redden viel en stelde hij de universiteiten van Bagdad, Cairo, Kairouan en Córdoba de vele duizenden jaren oude kennis ter beschikking van India, Egypte, Griekenland, Perzië, Mesopotamië, China en Rome, die de geleerden van Alexandrië vergaard hadden.

Hier, op deze maanovergoten vlakte vol ruïnes, waar in de oudheid het instituut en de academie stonden, heeft vele jaren lang de eerste grote cultuur na Sumerië gebloeid: de cultuur van de Nijl.

Nijl 4

Lengte: 6671 kilometer, volgens de jongste berekeningen de grootste rivier ter wereld. Bron: Kagera (bronrivier), zuidoostelijk van het Kivumeer in Rwanda. Monding: in de Middellandse Zee als delta met een oppervlakte van 22000 km2, die een aanzienlijk deel van de totale in cultuur gebrachte grond van Egypte omvat. Doorstroomde gebieden: Rwanda, Boeroendi, Tanzania, Oeganda, Zaïre, Soedan, Ethiopië. Egypte. De bronrivier Kagera mondt uit in het Victoriameer. De Victoria V I stroomt bij Namasagali in het Kyoga-meer. Via de Murchison Watervallen stort de Nijl zich in het Albertmeer. De Semliki, de westelijke bronrivier, ontspringt uit het Edwardmeer en mondt eveneens in het Albertmeer uit. De Albert Nijl bereikt het moerasgebied El Sudd dat hij als Witte Nijl weer verlaat. Bij Khartum stroomt de Nijl als waterrijkste zijrivier in de Blauwe Nijl, die de hoogvlakte van Ethiopië afwatert. Daarna stroomt hij 2700 km lang door de woestijn. Belangrijkste zijrivieren: Sobat (740 km). Blauwe Nijl (1350 km), Atbar (1100km). Bahr el-Ghazal (240km). Stroomgebied: 2 867000 km2.
Waterafvoer: na een laagste stand eind mei-begin juni stijgt het peil in Egypte snel om in de maanden september en oktober zijn hoogste punt te bereiken. De oorzaak van deze steeds terugkerende was, is te zoeken bij de equatoriale hoogzomerregens en bij de moessonregens van de Ethiopische hoogvlakte. De gemiddelde waterhoeveelheid in de Blauwe Nijl stijgt van 11 miljoen m3 per dag in april tot 507 miljoen m3 per dag in augustus. Bij Aswan bedraagt de hoeveelheid natuurlijke afvoer 83 miljard m3 per jaar.
Waterkrachtcentrales: Oeganda levert van de centrale aan de Owen Watervallen elektriciteit tot aan Nairobi. De nieuwe stuwdam van Aswan maakt het mogelijk de kracht van het water te benutten voor het opwekken van stroom (10 miljard kWh).
Bevloeiing: De periodieke wisseling van de waterafvoer deelde reeds ten tijde van de farao’s het jaar op drie perioden: de overstromingstijd
(augustus tot november), de teelttijd (november tot maart) en de tijd van het braak liggen (april tot juli). Pas de bouw van stuwdammen en waterkeringen sinds de laatste eeuw heeft deze wisseling in de afvoer fundamenteel veranderd en maakte met de invoering van de doorlopende irrigatie verscheidene oogsten per jaar mogelijk. Verkeer : In Soedan, waar geen wegen en spoorwegen zijn. wordt het goederen- en personenverkeer op de Nijl afgewikkeld. Egypte beschikt over 3510 kilometer waterweg. Het jaarlijkse goederenverkeer omvat ongeveer 10 miljoen ton. De hoofdrivier en zijn kanalen zijn in Egypte altijd bevaarbaar : zes cataracten verhinderen de doorvaart naar Soedan.
Toerisme: Het gehele jaar door worden er op de Nijl cruises naar Zuid-Egypte georganiseerd.
Geschiedenis: 4de eeuw v.C.: eerste faraodynastie. 3de eeuw v.C.: het Oude Rijk met de hoofdstad Memphis; bouw van de piramiden. Vanaf 670 v.C.: verovering van Egypte door de Assyriërs, Perzen, Grieken en ten slotte de Romeinen. Van 395-642 n.C. Egvpte is onderworpen aan Byzantium; na de verov ering door de Arabieren wordt het mohammedaans. 1822: Brits protectoraat. 1953: uitroeping van de republiek.

(Het artikel is waarschijnlijk uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Verschillende getallen zullen daarom niet actueel zijn. Zie bv. Nijl op Wikipedia)

5e klas geschiedenis: alle artikelen

943-872

VRIJESCHOOL – 5e klas – Geschiedenis – alle artikelen

.

1] Lindenberg: Geschichte lehren
Vertaling van het hoofdstuk over de 5e klas: blz.77-88

2] Veltman Paul: Oude geschiedenis (deel 1)
Ooit waren er gebundelde stencils in omloop met geschiedenisaantekeningen voor de leerkracht en voorbeeldtekst voor de leerling. (Een deel 2 of verder is mij onbekend)
[2-1]
Over geschiedenis, cultuur, oertijd, Atlantis en het Oude Indië: landschapsbeschrijving; verzen uit de literatuur

[2-2]
Perzië: landschapsbeschrijving; Zarathustra; godsdienst, landbouw; verzen uit de literatuur

[2-3]
Egypte: landschapsbeschrijving; Nijl; Isis en Osiris; farao; piramide; verzen uit de literatuur (Dodenboek); hiëroglyfen
[2-3/1] De Nijl: oorsprong en loop;

[2-3/2] De wedergeboorte van de zon in Egypte
Jan Zee over: de belangstelling van de mens voor Egypte; de beleving van de zon; de godin Noet; scarabee; Osirismythe met uitleg.

[2-3/3] Een drama van kosmische afmetingen
Mark Mastenbroek over: de piramide van Cheops, n.a.v. ‘Het Orionmysterie’ van Bauval en Gilbert

[2-4]
Assyrië, Babylon, Babylonië, Mesopotamië, Nebukadnezar, Nineveh, Tweestromenland. Spijkerschrift; Gilgamesh

0-0-0

[2-1/1]
India: scheppingsverhaal uit het Mahabharata

[3-1] Assurbanipal

[3-2] Nebukadnezar

[4] Darius 1

[5] Alexander de Grote

[6]  Solon

[7] Ptolemeus 1

[8] Over de eerste geschiedenislessen
Caroline von Heydebrand over: de eerste geschiedenis in klas 5

Atlantis
Moet je in de 5e klas over ‘Atlantis’ vertellen
[1] Is het geschiedenisonderwijs in klas 5 ‘antroposofisch?
[2] deel 2

Troje
Ontdekking van Troje; kaartjes; historie

VRIJESCHOOL in beeld; 5e klas: alle geschiedenisbeelden

5e klas: alle artikelen

.

942-871

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (3-2)

Nebukadnezar

.

Ten tijde van de geboorte van Nebukadnezar was zijn vaderland Babylonië een provincie van het machtige Assyrische Rijk. Toen Nebukadnezar68 jaar later  overleed, was hij de heerser van een norm Babylonisch Rijk, dat niet alleen Assyrië, naar ook  de meeste voormalige provincies omvatte. Hij regeerde zijn enorme gebied vanuit het prachtige paleis met de ‘hangende tuinen’ in Babylon. Tot zijn horigen behoorden ook de ‘kinderen Israels’ die hij vanuit Judea had laten wegvoeren en die hij in Babylon in ballingschap hield.

Deze verbazingwekkende omwenteling werd teweeggebracht door Nebukadnezar en zijn vader Nabopolassar. Zijn vader was tijdens de Assyrische heerschappij gouverneur in het zuidelijk deel van Babylonië. Hij zag dat de macht van de Assyrië afnam en kwam in opstand. Hij bevrijdde heel Babylonië. Daarna sloot hij een bondgenootschap met de koning van de Meden. Samen trokken ze op tegen Assyrië en verwoestten de hoofdstad Nïneve. Nebukadnezar begon zijn militaire loopbaan aan de zijde van zijn vader.
Zijn grootste overwinning behaalde Nebukadnezar toen hij nog kroonprins was. Dit was in een zeeslag tegen de Egyptenaren in 605 v. Chr. bij Karkemisj aan de Eufraat. De Egyptenaren waren opgerukt door Syrië en Palestina. Ze bezetten de gebieden die door de vluchtende Assyriërs werden
verlaten, in een poging hun oude bondgenoten voor de beslissende nederlaag te behoeden. Maar zelfs de Egyptische legers waren niet in staat de Assyriers te redden. Ze werden door Nebukadnezar vernietigend verslagen en moesten naar Egypte vluchten. Daardoor kregen de Babyloniërs de kans het hele gebied te veroveren. Nebukadnezar achtervolgde de Egyptenaren helemaal tot aan de Egyptische grens. Toen ontving hij het bericht dat zijn vader was gestorven en dat hij terug moest naar Babylon om daar de troon te bestijgen.

In de jaren daarna leidde Nebukadnezar vele veldtochten naar Syrië en Palestina. Hij deed dit om zijn rijk veilig te stellen en uit te breiden en om de opstanden – die meestal door de Egyptenaren werden uitgelokt – te onderdrukken.

Judea was een van de lastigste van zijn vazalstaten. Deze Hebreeuwse staat in Palestina had Jeruzalem als hoofdstad. In 600 v. Chr. kwam Judea in opstand tegen de Babylonische overheersing. Dit kon gebeuren omdat Nebukadnezar in een slag tegen de Egyptenaren zware verliezen had geleden en naar Babylon was teruggekeerd om na te denken over een nieuwe strategie. In 598 v. Chr. keerde hij naar Palestina terug en een jaar later viel hij Judea binnen. Hij trok Jeruzalem binnen en nam de koning mee naar Babylon. In 588 kwam Judea wéér in opstand. Deze keer werd Jeruzalem door Nebukadnezar belegerd. De stad gaf zich in 586 over. Nebukadnezar liet de stad plunderen en verwoesten. Ook de tempel van Salomo werd met de grond gelijkgemaakt. De meeste van de inwoners werden naar Babylon weggevoerd, waar ze 60 jaar in gevangenschap doorbrachten.

De stad waar de Hebreeërs terechtkwamen, was in die tijd de mooiste van de wereld. Nebukadnezar besteedde aan het opbouwen van Babylon evenveel aandacht als aan het instandhouden van zijn rijk. Onder zijn leiding werden er rond de stad een brede gracht gegraven en twee hoge muren opgetrokken. Een processieweg, bestraat met kalksteen, kwam door de Ishtarpoort de stad binnen en liep langs het koninklijk paleis en langs alle belangrijke tempels naar de rivier de Eufraat. Vele van de poorten en muren waren bedekt met geglazuurde tegels, met afbeeldingen van dieren. Nebukadnezar liet zijn paleis rond een aantal open binnenplaatsen bouwen. Op grote delen van het dak werden terrassen met tuinen aangelegd. Deze ‘hangende tuinen’ werden later door Griekse reizigers ‘één van de zeven wonderen van de Oudheid’ genoemd.

Nebukadnezar verliet in 567 v. Chr. voor de laatste keer de pracht en de luxe van Babylon, om ten strijde te trekken tegen de Egyptenaren. Het is bekend, dat hij de Egyptenaren in de buurt van hun land bestreed. Over de afloop van de veldslag is echter niets bekend. Er zijn maar weinig verslagen  over de laatste jaren van zijn heerschappij. In het Oude Testament wordt verteld, dat hij in deze
jaren waanzinnig werd, maar men heeft daarvoor geen bewijzen gevonden. Men acht het waarschijnlijker dat hij tot zijn dood het uitgestrekte rijk nog steeds doeltreffend regeerde. Het rijk waarvoor Nebukadnezar zo hard had gevochten bleef na zijn dood niet lang bestaan. Zijn opvolgers waren te zwak om de groeiende macht van de Perzen in het oosten te weerstaan. Binner paar jaar was Babylon weer onderworpen aan vreemde heerschappij, toen als deel van het Perzisehe Rijk.

Assurbanipal 4

5e klas: alle artikelen

935-866

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (3-1)

.

assurbanipal
.

Assurbanipal was de belangrijkste van de vele heersers van Assyrië. Dat hij dit is geworden had hij vooral te danken aan de leermeesters van zijn jeud. Een van zijn leermeesters was een generaal die hem alles leerde over de wrede oorlogsmethodes waarmee zijn voorvaderen het Assyrische Rijk hadden opgebouwd. Dit behelsde  het omsingelen en belegeren van de vijand, het plunderen en verwoesten van overwonnen steden, het wegvoeren van totale bevolkingen om opstanden te voorkomen.

Tijdens zijn koningschap liet Assurbanipal in zijn hoofdstad Nineve vele tempels en paleizen bouwen. Hij stichtte de eerste grote bibliotheek van de wereld en vulde deze met systematisch gerangschikte tabletten waarop in spijkerschrift onderwerpen als wetenschap, taal en geschiedenis werden beschreven. Ook werden op deze manier de fabels en heldendichten van die tijd en uit het verleden vastgelegd. Veel van wat we tegenwoordig over de Oudheid w eten, komt uit deze bron.
Het Assyrische Rijk werd opgebouwd vanuit Asyrië zelf. Het lag in het noorden van Mesopotamië en het was de beschaving, die ontstond na die van Sumer en Akkad. Vanaf de dertiende eeuw v. Chr. groeide het rijk onder de regering van opeenvolgende koningen onder wie Ttgiatpiler I en III, Asurnasirpal II. Sjalmaser III
en V, Sargon, Sennacherib en Esarhaddon, de vader van Assurbanipal.

Esarhaddon veroverde Egypte. Het werd zijn laatste overwinning, want hij stierf kort na de beslissende veldslag. Assurbanipal werd tot koning gekroond. De afgezette Egyptische vorst putte daaruit moed en probeerde zijn troon te heroveren. Assurbanipal was daardoor gedwongen tegen Egypte ten strijde te trekken. Er waren twee veldtochten nodig om de orde te herstellen. Assurbanipal veroverde en plunderde de oude hoofdstad van Egypte, Memphis, en de nieuwe hoofdstad, Thebe.

Een veel grotere bedreiging voor zijn heerschappij kwam uit Babylonië, ten zuiden van Assyrië. De jongere broer van Assurbanipal, Sjamasj-sjoem- oekin, was daar de machthebber. De jongere broer regeerde 16 jaar onder toezicht van de regering in Nineve. Maar na verloop van tijd kwam Sjamasj-sjoem-oekin onder invloed van het nationalisme van de Babyloniërs en andere onderworpen volkeren, zoals de Arabieren en de Elamieten. In 652 v. Chr. kwam hij in opstand tegen de Assyrische heerschappij. Assurbanipal reageerde op de opstand, door Babylon te belegeren. Hij wachtte rustig totdat de inwoners waren uitgehongerd. Twee jaar nadat het beleg was begonnen, doodde Sjamasj-sjoem-oekin zichzelf door in de vlammen van zijn brandend paleis te springen. De stad hield het nog twee jaar vol voordat de inwoners zich overgaven. Assurbanipal liet Babylon plunderen, maar in plaats van de verwoesting te voltooien liet hij de stad herbouwen en benoemde een Babyloniër als plaatselijk heerser.
De bondgenoten van de Babyloniërs, de Arabieren en de Elamieten, weigerden hun verzet te staken en  vochten in hun eigen landen verder. Het kostte Assurbanipal weinig moeite de Arabieren te verlsaan. Maar met de Elamieten was dat minder eenvoudig. De oorlog tegen hen woedde negen jaar. In 639 v. Chr. werd eindelijk de Elamietische hoofdstad Susa door de Assyriërs ingenomen en gebrandschat.

Er is weinig bekend over de laatste 12 jaar van de regering van Assurbanipal. Het grootste deel van het rijk bleef intact en er heerste voorspoed. Het werd door de provinciale gouverneurs kundig geregeerd. Ze konden daarbij rekenen op de steun van de Assyrische garnizoenen. De koning koos waarschijnlijk, net als zijn vader, twee van zijn zoons als troonopvolgers. Maar de opvolgers van Assurbanipal waren niet in staat een oplossing te vinden voor de problemen die hij achterliet. De voortdurende veldslagen hadden vele mensenlevens geëist. Dit leidde ertoe dat latere koningen voor hun legers afhankelijk waren van buitenlandse soldaten.

De koninklijke schatkist was door het enorme bouwprogramma en het weelderige hofleven van Assurbanipal leeggeraakt. In 612 v. Chr. werd Nineve door de samenwerkende Babyloniërs en Meden ingenomen en geplunderd. De Assyriërs vochten verder, maar ze werden al snel verslagen. De meesten van hen, in het bijzonder de ambachtslieden, werden tot slaaf gemaakt.

Vrijwel alle volkeren uit de Oudheid hebben tot de tegenwoordige tijd hun stempel op de beschaving gedrukt. Dat is met de Assyriërs niet het geval. Ze zijn werkelijk volledig in andere culturen opgenomen. Er zijn slechts de ruïnes van de Assyrische steden en de grote bibliotheek, om ons te herinneren aan het eens zo machtige Assyrische Rijk en de laatste grote leider, Assurbanipal.

Assurbanipal 1Assurbanipal op leeuwenjacht. De jacht was een van de favoriete vrijetijdsbestedingen van de Assyrische adel. Deze illustratie is een deel van een Assyrisch reliëf.

Assurbanipal 2

 

De wederopbouw van Nineve is vastgelegd op dit spijkerschrift-kleitablet. Het tablet is gevormd als een achthoekig prisma en beschrijft de 15 poorten die naar de stad leidden en het plan voor de aanleg van een park. Assurbanipal was in zijn tijd een toonaangevend geleerde. Hij was degene, die opdracht had gegeven voor de bouw van de schitterende bibliotheek in Nineve. Dit kleitablet en vele andere met spijkerschrift beschreven tabletten werden hier opgeslagen. Ze behandelden vele onderwerpen. Assurbanipal herbouwde Assurbanipai herbouwde Nineve tot de mooiste stad van de Oudheid. Van het Assyrische rijk maakte hij een wereldmacht.

Assurbanipal 3

Een reconstructie van Nineve, de hoofdstad van Assurbanipal. Op de afbeelding staan de paleizen van Nimrod kort nadat ze werden voltooid. De paleizen stonden aan de oever van de rivier de Tigris. Men kan zich er slechts een voorstelling van maken hoeveel vakmanschap en inzet er nodig was om – met slechts de primitiefste werktuigen als hulpmiddel – deze indrukwekkende bouwwerken tot stand te brengen. Deze illustratie komt uit het boek De Monumenten van Nineve van Austin Layard.

5e klas: alle artikelen


934-865

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4)

.

zie de inleiding op deze artikelen

De volkerensmeltkroes aan de Eufraat en TiGris

Er is misschien geen streek op aarde, waar zoveel verschillende volkeren zijn samengekomen. In vele sagen wordt de wieg der mensheid in Mesopotamië gelegd.

voor de leerkracht

Veltman blz. 22

De eerste cultuurscheppers in het Tweestromenland zijn de Sumeriërs
(Gilgamesh). Bij de Sumerische cultuur wordt geleidelijk beeldbewustzijn vervangen door eigen denken, kosmologie door astronomie, sociale kosmische ordening door regeling van staatswege (wetten).

Het is niet toevallig dat de Sumeriërs het schrift uitvinden, dat al snel tot een abstract letterschrift wordt. Er moest nl. door documenten bewaard worden wat eerst door onmiddellijk schouwen werd waargenomen. De hemelse kroniek gaat in de menselijke over. De beeldentaal wordt tot begripstaal. Uit de smeltkroes komt de Babylonische spraakverwarring. Nog veel oude wijsheid is te vinden in de Sumerische wereldbeschouwing. Naast de exoterische maat- en
getalwetenschap
der Babyloniërs blijft een esoterische stroming van Sumero-Chaldeërs lopen. Door het centraal-aziatisch mysteriecentrum van Manu werden er drie belangrijke sociale cultuurimpulsen gegeven.

1.India (behoeden van de godsdienst)

2.Perzië (landbouw, veeteelt, economie)

3.Sumer-Akkad (staatvorming en recht)

Sumerië bewaarde de impuls het zuiverst. Akkad heeft veel Turanische invloed. De Assyriërs staan het meest onder de Turanische Marsimpulsen.

Uit deze smeltkroes komt de Israëlitisch-Joodse ontwikkelingslijn.

Abraham komt uit Ur!

dictaat

Veltman blz. 23

Veltman blz. 24

De monding van Eufraat en Tigris met de oudste steden.

Babylonië en het tweestromenland.

In dezelfde periode waarin zich de ontwikkeling van Egypte voltrok, ontstond in Voor-Azië een grote cultuur in het Tweestromenland. Deze cultuur is niet zo’n geheel als de Egyptische en iets ouder dan deze. Het Tweestromenland, ook Mesopotamië geheten, is een brede vlakte, aan de noordzijde afgesloten door de hoge bergtoppen van Armenië, aan de oostzijde door de bergruggen van Iran, in het westen door de Syrische woestijn en in het zuiden door de Indische oceaan. In vroeger tijden was de brede vlakte, waardoor de twee grote rivieren Eufraat en Tigris stromen, een vruchtbaar paradijs. Thans is deze vlakte grotendeels woestijn, waaruit de oude steden als vervallen ronde kleiheuvels omhoogsteken. Al in 5000 v. Chr. was deze vlakte bewoond. Een volk, SUMERIERS geheten, trok door Perzië in oeroude tijden en vestigde zich aan de monding van de Eufraat. De Sumeriërs schreven op kleitafeltjes en er zijn vele sagen bewaard gebleven. Beroemd is hun verhaal van de schepping der wereld, dat aldus begint:

TOEN BOVEN NOG NIET BENOEMD WAS DE HEMEL,
HET VASTE BENEDEN GEEN NAAM NOG DROEG,
TOEN OERSCHEPPER APSU, OERMOEDER TIAMAT
MUMMU HUN WAAT’REN INEEN DEDEN VLOEIEN;
TOEN ER GEEN LAND WAS, GEEN RIET ZICH ROERDE,
GEEN NAAM NOG WEERKLONK EN GEEN LOT BESTEMD WAS…
TOEN ZIJN UIT DE DIEPTE DE GODEN ONTSTAAN.

De belangrijkste goden scheidden zich af van de oergrond. Dit waren

ANU – de hemelgod
ENLIL – de aardgod
EA – de wijze watergod.

De oerdraak Tiamat trachtte met behulp van een aantal monsters de nieuwe goden te vernietigen. Niemand durfde Tiamat aan te vallen. Ea’s zoon, de jonge, stralende MARDUK ondernam het waagstuk en hij kreeg de leiding van de goden. Marduk trok ten strijde, hij bliksemde Tiamat neer, scheurde haar in tweeën en schiep de hemel uit de ene, de aarde uit de andere helft. Daarna gaat hij voort met het scheppen van een nieuwe wereld.

TOEN MARDUK DER GODEN WOORD VERNOMEN HAD
KREEG HIJ HET PLAN OM IETS GROOTS TE SCHEPPEN.
HIJ OPENT DE MOND EN KEERT ZICH TOT EA,
EN DEELT HEM MEE DE GEDACHTE ZIJNS HARTEN:
“EEN GOD MOET MEN SLACHTEN
EN MET ZIJN VLEES EN MET ZIJN BLOED
MOET KLEI VAN DE AARDE WORDEN VERMENGD!
BLOED ZAL IK VERZAMELEN EN GEBEENTE,
DE MENS ZAL IK OP DE AARDE ZETTEN
DE MENS ZAL IK SCHEPPEN EN “MENS” ZAL ZIJN NAAM ZIJN.
DE GODEN TE EREN.’DAT ZAL ZIJN PLICHT ZIJN!
UIT BLOED EN GEBEENTE MAAK IK DE MENSEN
DE DIENST DER GODEN ZAL HUNNE TAAK ZIJN
ZIJ ZULLEN VOOR ALTIJD DE GRENSSTENEN ZETTEN
ZIJ ZULLEN DE DRAAGKORF IN HANDEN NEMEN
OM DE HEILIGE HUIZEN DER GODEN TE BOUWEN.
ZIJ ZULLEN DE LANDERIJEN VERDELEN
DOOR KANALEN DE LOOP VAN HET WATER RICHTEN,
DE LANDEN BEVLOEIEN, DE PLANTEN VERZORGEN,
ZIJ ZULLEN DE HUIZEN EN TEMPELS BOUWEN,
HET GRAAN OPSTAPELEN, HET VELD BEBOUWEN,
OPDAT HET VRUCHT DRAAGT EN RIJK WORDT DE AARDE”

ZO SCHIEP DAN DE MACHTIGE MARDUK DE MENSEN,
HET VEE SCHIEP HIJ OOK, EN HET WILDE GEDIERTE.
HIJ WEES DE TIGRIS EN EUFRAAT HUN BEDDING.
HIJ SCHIEP HET GRAS EN HET RIET DER MOERASSEN,
DE PALMEN, DE STRUIKEN EN GROENE GEWASSEN
DE VELDEN EN TUINEN, DE BOSSEN EN BERGEN…

Veltman blz. 25                                                                                              khshaa = koning
vergelijk Shah

Veltman blz. 26

de rots van Behistun

Een triomfmonument van de Perzische koning Dareios. Deze rotsinscriptie maakte het Sir Henry Rowlandson mogelijk om het spijkerschrift te ontcijferen, in Perzisch.(A en B) met de vertaling in het Babylonisch (C) en het Elamitisch(D). Koning Darius heft bestraffend de arm op tegen 9 oproerkraaiers
(stadhouders, die hij onderwerpen moest). Zijn voet staat op de valse Smerdis, die zich voor koning wilde uitgeven. Boven in de lucht zweeft Ahura Mazda.

Toen de Sumeriërs het mondingsgebied van Eufraat en Tigris bereikten, troffen zij daar uitgestrekte moerassen aan. Met veel ijver legden zij het land droog. Riet en klei was het enige materiaal waarover zij in overvloed beschikten. Op lage heuvels in het moerasland bouwden zij hun huisjes van riet en klei. Daken waren plat of gebogen, deuren en steunpalen waren van hout. Het drooggelegde land was vruchtbaar: gerst en vlas werden rijkelijk verbouwd. De Sumeriërs bezaten ook vee (koeien, schapen, geiten en varkens). Met bootjes, voorzien van een hoge, kromme voorsteven, bevoeren zij plassen en rivieren. De Sumeriërs waren niet alleen flinke boeren, maar ook ondernemende handelslieden. Uit de berglanden van Perzië voerden zij hout en vruchten, groenten, palmbomen en edele metalen in. Het eens zo moerassige land kreeg een geheel ander aanzien: Sumer werd een bloeiend akkerland met palmbomen, vijgenbomen, wijnstokken en bloemen.

De aard der Sumeriërs was mild en wijs. Zij waren gedrongen en stevig van gestalte, hun kaken waren breed, hun neus spits. Het voorhoofd was laag en de kin was gladgeschoren. Hun kleding bestond uit een lendenschort, later droegen zij een wollen mantel met een kap.
De sterrenkunde, de rekenkunde en de bouw- en edelsmeedkunst stond op een hoog plan bij de Sumeriërs. Ook ontwikkelden zij een letterschrift. De schrifttekens werden met een rietstengel in een vochtig kleitafeltje gedrukt. Het oudste schrift was een beeldschrift, zoals in Egypte, maar al spoedig kreeg iedere klank een speciaal teken. De vorm van de rietstengel gaf aan elke indruk een spijkerachtig of wijnachtig(?) aanzien. Het schrift uit Mesopotamië wordt “spijkerschrift” genoemd.

De Sumeriërs bouwden steden die tegen water (en vijanden) beschermd werden door aarden wallen. Huizen en paleizen werden van baksteen (in de zon gedroogd) en hout opgetrokken.Talloze kanalen en sloten doorsneden het land. Mesopotamië werd een vruchtbaar paradijs.

De stichter en inwijder van deze Sumerische cultuur is volgens de overlevering een strijdbaar held geweest. Gilgamesh heette hij en hij was koning over de stad URUK. Zijn lotgevallen zijn bewaard in een lang, verhalend gedicht (EPOS), geheel in spijkerschrift op klei geschreven.

Het begin van het Gilgamesh epos:

SHA NÁGEA IMÚRU                                 DIE ALLES ZAG,

ADI SHIDDI MÁTI                                     TOT HET EINDE DER WERELD;

SHA KULLATI IDU                                     DIE KENDE HET HEELAL

KALAMA IHSUSU                                       EN AL WAT BESTAAT;

PUZRAT IMMA                                            DIE ALLE GEHEIMEN

MITHÁRISH IHITU                                    WIST TE DOORGRONDEN

ENZ.                                                                DIE WIJSHEID BEZAT

EN ALLES UITVORSTE…

HIJ HEEFT HET VERBORGENE AANSCHOUWD
EN HET GEHEIM ONS GEOPENBAARD
HIJ BRACHT BERICHT VAN VOOR DE ZONDVLOED

GILGAMESH is voor 2/3 van goddelijke oorsprong, maar l/3 aan hem is sterfelijk en de geweldige held zal moeten sterven. Gilgamesh heerst met straffe hand over URUK. De goden scheppen hem een tegenstander, de harige ENDIKU. Gilgamesh weet echter deze wildeman met worstelen te overwinnen. Een hechte vriendschap ontstaat uit deze strijd. Samen overwinnen zij de reus CHUMBABA uit het cederbos, samen doden zij de hemelstier, die door de godin ISHTAR op aarde was gebracht. Gilgamesh heeft Ishtars gunst versmaad, de vertoornde godin neemt wraak. Endiku moet sterven, getroffen door de giftige adem van de hemelstier. Gilgamesh is ontroostbaar na de dood van zijn dierbare vriend. Hij staat voor het raadsel van de dood en hij begint een lange zwerftocht om de onsterfelijkheid te zoeken. Hij vindt Utnapishtim, de enige mens, die de zondvloed heeft overleefd en het eeuwige leven heeft verkregen. Utnapishtim vertelt zijn bezoeker van de zondvloed:

“ZODRA DE GRAUWE MORGEN AANBRAK,
STEEG VAN DE EINDER EEN ZWARTE WOLK,
WAARIN DE STORMGOD ADAD LOEIT.
EN VOOR HEM UIT TREKKEN HERAUTEN
SHULLAT EN CHANISH OVER HET BERGLAND.
DE SLUISPALEN RUKT NERGAL UIT,
NINURTA VERNIELT DE WERELDDAM!
DE GODEN DER DIEPTE ZWAAIEN FLAMBOUWEN,
DOEN HET LAND IN LAAIENDE GLOED ONTVLAMMEN.
ONTZETTING VOOR ADAD DRONG DOOR TOT DE HEMEL.
HET LICHT VERANDERT IN DUISTERNIS.
HET WIJDE LAND BREEKT ALS EEN AARDEN KRUIK….
EEN DAG LANG WOEDDE DE ZUIDERSTORM,
BLIES HAASTIG HET WATER TOT OP DE BERGEN
DE MENSEN STIERVEN ALS IN EEN VELDSLAG…
GEEN MENS ZAG DE ANDER…
VAN DE HEMEL UIT WAS GEEN MENS TE ZIEN…
DE GODEN SCHROKKEN VAN DEZE STORTVLOED
EN VLUCHTTEN NAAR DE HEMEL VAN ANU
EN HURKTEN DAAR ALS BANGE HONDEN.
EN.ISHTAR MET HAAR SCHONE STEM
KRIJST ALS EEN VROUW IN BARENSNOOD
DE WERELD VAN GISTEREN WERD TOT KLEI
WEE MIJ, WANT IK GAF SLECHTS RAAD
EN IK RIED DEZE ZONDVLOED AAN!
O MIJN MENSEN DIE IK VOORTBRACHT…
HEB IK HEN GESCHAPEN OM DE ZEE
TE VULLEN ALS VISBROED?
DE GODEN DER DIEPTE KLAAGDEN MEE,
DE GODEN ZATEN GEBOGEN EN WEENDEN…

De wijze Utnapishtim legde Gilgamesh een oefening op teneinde de onsterfelijkheid te verkrijgen: 7 dagen en nachten moest hij wakker blijven. Dan zal hij de goden ontmoeten. Gilgamesh faalt: hij slaapt in en onverrichter zake moet hij terugkeren naar Uruk. Utnapishtim wijst hem het “levenskruid” om hem voor alle vergeefse moeite te belonen, maar onderweg kaapt een slang het kruid weg.

Het raadsel van de dood heeft Gilgamesh niet opgelost en het blijft bestaan voor alle mensen, die na hem op aarde leven.

Veltman blz. 27

Veltman blz. 28

De Akkadiërs
Omstreeks 300 v. Chr. komt aan het vredelievend rijk van de
Sumeriërs een eind. De AKKADIËRS veroveren het. Deze Akkadiërs behoorden tot het Semitische volk, evenals Joden, Arabieren, Phoeniciërs en Syriërs. De Semitische volken zijn ijverig en bezitten een scherp verstand. Hun karavanen en vloten trekken naar alle windstreken om handel te drijven.
De Semiten waren geordend in familiegroepen. Het familieleven was zeer belangrijk voor hen. Zij wilden ook hun bloed zuiver houden en daarom sloten zij geen huwelijken met vrouwen uit andere volken. De oudste werd bij hen steeds als de wijste beschouwd. Hun god is “de god van hun vaderen”. Onder de Akkadische koning SARGON werden Sumeriërs en Akkadiërs tot één volk gemaakt. Hij stichtte een groot rijk met de stad BABYLON als hoofdstad. Het eerste Babylonische wereldrijk. In deze tijd ontstond een grote oorlogszuchtigheid onder de volken van Voor-Azië. Tevens kwam een machtige wil tot bouwen tevoorschijn. Grote steden verrijzen met muren en torens, tempels en paleizen.
Het Akkadisch is volkstaal geworden, maar het Sumerisch bleef de taal van priesters en ingewijden.

Onder koning HAMMURABI (+ 1880 v.Chr.) worden Sumeriërs en Akkadiërs nog steviger samengesmeed. De Sumeriërs moeten de lange Akkadische baard dragen, de Akkadiërs moeten de Sumerische kleding aantrekken.
Door het feit, dat in het rijk twee talen en tweeërlei gebruiken zijn, ontstaat voor het eerst in de geschiedenis een soort vergelijkende taalwetenschap: woordenlijsten, vertalingen en geschriften met taalregels zijn gevonden, die uit Hammurabi’s tijd dateren.
Ook was een wetgeving nodig: precieze regels en voorschriften, die aangeven, waarop ieder staatsburger recht heeft en hoe het recht van de een staat tegenover het recht van de ander.
De koning is een machtig heerser, maar ook hij moet zich houden aan de wet, die hij zelf gegeven heeft!

Hammurabi liet alle wetten des rijks optekenen in spijkerschrift op een twee meter hoge zuil. Deze zuil is bewaard gebleven. De wetten waren gegrond op de familieband en sterrenkunde. De priesters namen de hemellichamen waar en gaven aan,hoe men op aarde volgens de waarheden der sterrenwetten moest leven. De Babyloniers hadden een grootse sterrenkunde tot ontwikkeling gebracht,d ie invloed heeft tot in onze dagen.

De Babylonische goden werden “heer van hemel en aarde ” genoemd.
Wat hemelse wet was, moest ook op aarde gebeuren. De Babyloniërs deelden hun land in met grenspalen, genoemd naar sterrenbeelden. Zij gaven de tekens van de Dierenriem een naam; zij deelden het jaar in naar de loop van zon en maan. Zij maakten de indeling van 1 dag=12 uur, 1uur = 60 minuten, 1 minuut = 60 seconden. Zij ontwierpen de eerste tijdmeters : zand-en waterklokken.
Ook in de rekenkunde en meetkunde bezaten de Babyloniërs een grote vaardigheid. Van hen stamt de deling van de cirkel in 360 graden en de 4 hoofdbewerkingen bij het rekenen. Hun getalstelsel was 60-tallig. 12 dierenriemtekens keer 5 planeten). Onder de hemellichamen vereerden zij die het meest, welke het dichtst bij ons staan: Mercurius (EA), Venus (ISHTAR), Maan (SIN), Jupiter (MARDUK)  Adad (Mars), Anu (Saturnus), Shamash (Zon). De grote tempeltoren van Babylon of E-temen-ank bestond uit zeven verdiepingen; elke verdieping was gewijd aan een planeetgod en had een eigen kleur. Ook het lot van de mensen stond te lezen in de sterren.

Zo ontleenden de Babyloniërs hun ordening van het aardse leven aan de wetten des hemels.

ASSUR
Van het eerste Babylonische rijk heeft zich een volk vrijgevochten, dat honderden jaren geheel Voor-Azië zou doen sidderen. De hoofdgod van dit rijk heette Assur en daarom noemden deze mensen zich Assyriërs. Zij bezaten de scherpzinnigheid van de Semiten, het rekentalent van de Babyloniërs en de wreedheid van de Mongolen. Naast de edele cultuur der oude Sumeriërs en Akkadiërs is het Assyrische volk een duistere, bloeddorstige verschijning in de geschiedenis. De koningen zijn koel, wreed, bekwaam en zuinig. Zij schiepen een leger dat zijn gelijke niet had;e en zwaarbewapende slagorde van gepantserde speerdragers, ondersteund door boogschutters, troepen snelle ruiterij en strijdwagens, een artilleriepark met belegeringsmachines.

Onder de eerzuchtige koning TILGLATH-PILESAR bezwijkt het ene volk na het andere voor het geweld. Babylon wordt veroverd. Zelfs de machtige farao van Egypte buigt voor de Assyriër. Het Assyrische leger treft als een bliksemstraal. Geen volk kan het weerstaan. Oorlogsmachines (stormrammen en geschut)beuken de muren der steden tot puin.Wreed is het lot der gevangenen; mannen worden op palen gespietst, vrouwen als slavinnen weggedreven. Alle buit en kostbaarheden worden weggesleept om de Assyrische hoofdstad NINIVEH te verfraaien.
Onder koning ASSUR-NASIR-PAL is Assyrië een wereldrijk geworden. In vredestijd is de koning een groot jager. In de steppen jaagt hij de wilde stier, in het oosten, aan de Indische grens, de olifant.Vanaf zijn strijdwagen doodt hij in de loop van zijn leven 800 leeuwen, te voet verslaat hij er 120.

De latere koning ASSUR-BANI-PAL is bekend door zijn grote BIBLIOTHEEK. Alle kleitafels, die hij te pakken kan krijgen, sleept hij daarheen. Prachtige paleizen bouwt hij met reliefs, die zijn triomfen in oorlog en op jacht verheerlijken.
Maar in het jaar 612 v. Chr. heeft het uur der wrake geslagen. De onderdrukte volken staan tegen Assyrië op onder koning KYAXARES van Medië. De bloedstad Niniveh wordt ingenomen en verwoest. Het Assyrische rijk houdt op te bestaan.

Veltman blz. 29

Nebukadnezar bouwde een aantal tempels in het zjiidelijk deel van de stad opnieuw. Van de tempelwijk naar zijn paleis legde hij een grote weg aan, de “Processieweg”, die leidde door de mooiste poort van de stad, gewijd aan Ishtar. Daarachter lag het reusachtige koninklijke paleis en de regeringsbureaus. Boven alles uit stak de “Zikkurat” of tempelberg van Marduk, een ware “Toren van Babel”. Weelderige tropische plantentuinen verrezen op terrassen boven het koninklijk paleis. Deze tuin, de “hangende tuin”, was gebouwd ter ere van de Medische prinses Amites, die in de hete Babylonische vlakte heimwee had naar haar schone bergachtige paleistuinen in Medië. De Ishtarpoort, geheel bekleed met diep-blauwe, geglazuurde tegels, was versierd met stieren en draken.

De stad was ontzagwekkend versterkt met driedubbele muren, ook doorgetrokken langs de Euphraat. De grote buitenmuur omsloot voor een deel bouwland, zodat de inwoners bij een beleg voedsel van eigen stadsbodem konden krijgen. Ook groef Nebukadnezar een groot kanaal tussen eufraat en Tigris en liet tussen beide rivieren een sterke muur bouwen om de invallen der Meden af te weren, ca. 25 km benoorden Babylon. In de vruchtbare vlakte, vol wuivend koren en palmbossen lag de stad als een eiland. De Babylonische koning beschikte niet over het prachtige marmer van Niniveh, maar hij maakte zijn stad tot een symphonie van zachtgele, saffraangele en barnsteengele schoonheid. Wat kan de mens al niet scheppen met klei, het nederigste der materialen. De muren der stad maten 18 km in omtrek.

Veltman blz.30

ASHURNASIRPAL neemt een stad in:

“Van de soldaten versloeg ik 600 met ‘ t zwaard,
3o00 gevangenen verbrandde ik in ‘t vuur,
Ik liet niemand als gijzelaar in leven.
De lijken stapelde ik torenhoog op.
De stadsvorst kreeg ik levend in handen.
Hem vilde ik en hing zijn
huid op de muur van Damdamusa.”

NAHUM 3:1-3

profetie over Niniveh

“Wee de bloedstad! Louter leugen,
vol verscheuring, zonder ophouden rovend!
Hoor zweepgeklap, hoor wielgeratel!
En jagende paarden en opspringende wagens!
Steigrende rossen en vlammende zwaarden
en bliksemende lansen
en tal van verslagenen, een menigte doden
en eindeloos veel lijken…..

Veltman blz.31

NINIVEH, STAD VAN MARMER.

Niniveh is zo volledig verwoest, dat men meer dan 1000 jaar niet heeft geweten, waar het gelegen was. Alexander de Grote en Xenophon passeerden de plek,
zonder dat zij er een woord aan gewijd hebben. Later zijn er resten van tempels en paleizen gevonden op de grote heuvel van Kuyunjik en de kleine van Nebi Junus (volgens overlevering het graf van Jona). Niniveh was prachtig gelegen en zeer versterkt.Volgens de voorspellingen zou de stad nooit genomen kunnen worden “wanneer het water haar vijand niet werd”. In 612 v.Chr. toen Meden en
Babyloniers de stad belegerden, zwol de Khosr zo hevig,d at er een overstroming in de stad ontstond  en een groot stuk van de muren instortten.

Toen verbrandde de koning (Sardanapalos) zich in zijn burcht en de stad viel.

Sennacherib (de Bijbelse Sanherib) laat zijn kroniekschrijvers optekenen, welke verbeteringen hij in de stad doet aanbrengen.

”Verleg de funderingen van het paleis, want een riviertje heeft hen ondermijnd. Roep de opzichters der slaven, breng stam na stam in slavernij, Chaldeërs , Ciliciërs, Arameeërs’, om klei op hun zwetende ruggen te torsen en tot baksteen te kneden, Sloop het oude paleis, verleg het opstandige riviertje, vul zijn bedding op met aarde, hoger dan te voren. Laat de timmerlui aanrukken om ahornen, palmen, moerbeibomen ,ceders, cypressen, pijnbomen en groene amandelbomen tot planken te zagen en te schaven; snijdt het ivoor; houwt ’t marmer uit de groeven dichtbij, beeldhouwt de muren en zet met koper beslagen stenen leeuwen aan de poorten, plant een park zo groot dat de heuvel eruitziet als het Ainanusgebergte! Voedt de Khosr bij met stromen van de heuvels uit de verte om een geregelde watervoorziening van de vlakte te waarborgen. Graaft een meer, waarin hij zich uitstorten kan en laat het riet in deze plassen groeien, opdat wilde zwijnen en ooievaars er zich verzamelen. En plant er tenslotte de wonderlijke katoenbomen, die als schapen geschoren moeten worden en maak er kleren van. Daarna moet de stadsmuur verbeterd worden en vijftien poorten zullen erin gebouwd of hersteld worden. Niniveh mag het aan niets ontbreken en de beeldhouwers zullen al deze grote dingen vereeuwigen…’

Veltman blz.32

CHALDEA (2e Babylonische rijk)

Na de val van Assyrië wordt door de Semitische Chaldeeën een Nieuw Babylonisch rijk gesticht. Babylon wordt weer hoofdstad van Mesopotamië. De bekendste koning van dit rijk is NEBUKADNESAR, die 43 jaar lang op de troon zit. Hij heeft veel van de Assyriërs geleerd en zijn legers onderwerpen het ene land na het andere. Ook JERUSALEM neeent hij in en voert de Joden weg in ballingschap. Zij moeten in Babel wonen voortaan. Onder het bestuur van Nebukadnezar wordt Babel vergroot en verfraaid. De stad wordt een wonder voor het oog.
Driedubbele muren en torens verrijzen. De prachtige, blauw betegelde ISHTAR-poort is een wonder van schoonheid. Op een hoog terras legt de koning voor zijn vrouw een geweldige tuin aan (de z.g. hangende tuinen). Babel glanst in geel, roze en oranje tint. Hoog boven alles torent de ZIKKURAT van Marduk. Nebukadnezar was zeer trots op zijn stad.

“ZIE, DIT IS HET GROTE BABEL,
DAT IK MIJ TOT EEN KONINKLIJKE ZETEL HEB GEBOUWD
EN TOT EEN TEKEN MIJNER HEERLIJKHEID:”

De opvolgers van Nebukadnezar waren weelderig en slap. Belsasar zag het vlammend schrift aan de wand.

De profeet Daniël vertaalde het MENE-MENE-TEKEL UPHARSIN met:

Geteld zijn uw dagen,
gewogen zijt gij en te licht bevonden,
gedeeld wordt uw rijk door de Persen!

De Perzische koning KYROS veroverde Babylon in 539 v.Chr. Alle landen van Indië tot Egypte behoren onder Kyros opvolgers tot het Rijk van de “KONING DER KONINGEN”, dat is:van de koning der Persen.

Veltman blz.33

Babylon, Ishtar-poort

Veltman blz.34

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – geschiedenisMesopotamië 

5e klas: alle artikelen

931-862

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-3)

.

zie de inleiding op deze artikelen

voor de leerkracht:

Egypte

Veltman blz. 14

EGYPTE (3e cultuurperiode)
In de derde grote cultuurperiode krijgen wij te maken met een tweeling-cultuur: Egypte en Babylon dragen gezamenlijk de ontwikkeling der mensheid. Beide culturen hebben veel bijgedragen tot de voortgang der mensheid.
Egypte is een merkwaardig land: een diepe vruchtbare sleuf in de hoge, rossige woestijn. Een zeer afgesloten gebied, welks inwoners ook een zeer gesloten karakter bezaten. Egypte is een uniek land en zijn inwoners beschouwden zich ook als de enige mensen, die op de wereld als mensen leefden.

In het Zuiden is Egypte afgesloten door de eerste cataract of stroomversnelling van de machtige Nijl, die door de diepe sleuf in de woestijn stroomt – in het Noorden ligt de Middellandse zee, in het Oosten en Westen ligt de gloeiende Sahara.

Het Nijldal is ingesloten door sterke, roodachtige kalkrotsen. Het is 875 km lang en nergens breder dan 20km. De Nijl zendt aan zijn monding een waaier van rivierarmen naar zee. De Grieken noemden zo’n driehoekige riviermonding DELTA, naar hun driehoekige letter delta. Ieder jaar wanneer de heldere, groenige Sirius of Sothis aan de hemel opkomt (juni), beginnen de bruinig-groene wateren van de Nijl te zwellen.
De rivier treedt buiten zijn oevers, overstroomt het land en laat bij zijn terugkeer in de bedding een dikke laag slib op het land achter.
Het smalle Nijldal is dan ook ongelofelijk vruchtbaar. “Egypte is een geschenk van de Nijl”, zeiden de Grieken.

Het Deltaland was in oude tijden vol moerassen en meren, waarin dichte papyrus rietkragen groeiden en paars-witte lotusbloemen bloeiden. Ontelbaar vele watervogels bevolkten dit gebied: bonte eenden, wilde ganzen, ooievaars, maraboes, ibissen, grijze kraanvogels en roze flamingo’s kwamen in grote getale voor. Ook leefden er nijlpaarden, krokodillen en grote slangen.

Het Nijldal was mooi, was begroeid met palmbossen, wilde vijgenbomen, acacia’s en wilgen. Aan de rand van de woestijn leefden veel soorten antilopen, struisvogels en giraffen. Leeuwen, panters en jakhalzen maakten jacht op hen.

In Egypte leefden al mensen in de vroegste tijden. Zij leefden van jacht, en visserij. Een grote Leraar der mensheid kwam uit het Iraanse gebied en bracht de landbouw,de veeteelt en de sterrenwijsheid van Zarathustra in het
Nijldal. (?) De Egyptenaren noemden deze Wijze
Thoth en zeiden, dat zij alle meetkunde, sterrenkunde, schrijfkunst en kalenderindeling aan hem te danken hadden.

De Egyptenaren woonden in tenten van twijgen of riet, bekleed met huiden. Hun gereedschap was van steen of hout, maar zij leerden al spoedig om kopererts uit de bergen te halen. De vele schepen, die op de Nijl voeren, waren van riet. Hout was zeldzaam in Egypte.

De Egyptenaren waren gekleed in een schortje van linnen en sandalen van riet of leer. De vrouwen droegen een dun, nauwsluitend linnen kleed zonder mouwen.

In het leven van de Egyptenaren nam de verering van de Goden de eerste plaats in. Naar hun zeggen regeerden in de oudste tijden de Goden zelf.

De aarde was een afspiegeling van de hemel. Het is onder zoals boven, zei de Egyptenaar. In de natuur ,in planten, dieren en sterren werkten goddelijke wezens, die elk een eigen naam hadden.

De hoogste goden waren voortgekomen uit het Wereldei.

Een van de hoogste goden was de Zonnegod RE.
De aarde was het levende lichaam van Re’s zoon KEB
De hemel was Kebs vrouw (en zuster) NUT
De luchtgod SHU hield hemel en aarde gescheiden.
De oudste zoon van KEB en NUT was OSIRIS
Hun dochter was ISIS
Osiris en Isis hadden een zoon HORUS

In een schone Egyptische mythe wordt verteld, hoe Osiris als een wijs en zachtmoedig vorst op aarde heerste. Hij schafte het mensen eten af, hij gaf de mens zijn rechte houding, hij leerde hen rechtvaardig te zijn en de aarde te bebouwen.

Isis, zijn vrouw, de grote Moedergodin, bracht de mens de taal en de
innigheid van de ziel.
Osiris had echter een boze broeder, die SETH heette. Deze was jaloers op Osiris en stond hem naar het leven. Seth lokte hem in een kist en wierp die in de Nijl.
Isis
was ontroostbaar. Weeklagend zocht zij Osiris, vond hem na vele omzwervingen en begroef hem. Osiris stond uit de dood op en leefde voort als rechter en koning van het Dodenrijk. Horus-met-het-valkenoog wreekte zijn vader Osiris en versloeg Seth. Aan Horus dankte de Egyptenaar de kracht tot denken en de hoge vlucht van de gedachten.

De Egyptenaar wist, dat hij zijn mens-zijn in houding, spraak, gedachte te danken had aan Osiris, Isis en Horus. Deze drie goden werden dus het meest vereerd. Op aarde had de Egyptenaar Osiris verloren, maar na de dood vond hij de opgestane terug. Zo werd het aardse leven een voorbereiding voor het eeuwige leven met Osiris.

Na 3000 voor Chr. bloeit in Egypte een uiterlijke cultuur op met machtige monumenten.
Meetkunde, sterrenkunde, schrijfkunst, bouw- en beeldhouwkunst, de dodencultus, wetten en geneeskunst, het is vrij plotseling in grote volmaaktheid aanwezig.
Dit alles was in de eeuwen daarvoor door de priesterwijsheid voorbereid. De regering van de goden was gaandeweg overgedragen op één mens: de priesterkoning of FARAO

De eerste grote farao, die de landen van BOVEN-EN BENEDENEGYPTE onder zijn leiding brengt, heet MENES. Hij is de vertegenwoordiger van Osiris op aarde. Hij draagt de dubbele kroon met de heilige Uraeusslang, de kromme scepter en de dorsvlegel van het Recht. Hij stichtte de stad MEMPHIS, die de hoofdstad van het rijk werd. Onder Menes’ opvolgers verrijzen machtige piramiden en tempels.

De landbouw en de meetkunde
Egypte heeft 3 jaargetijden: Overstromingstijd- Zaaitijd-Oogsttijd. De priesters deelden het jaar in volgens hun sterrenkunde in 12 manen; elke maan telde 28 dagen. Onze kalender komt uit Egypte. Ook wij hebben nog steeds het zonnejaar(plus minus 360 dagen) en de maanmaand (plus minus 30 dagen.

Na de overstroming van de Nijl waren alle grenzen tussen de landerijen uitgewist. Alle land moest opnieuw gemeten  en verdeeld worden. Zo ontstond de meetkunde, die alleen door priesters en hun helpers mocht worden beoefend. Met stokken, verbonden door een touw, werden cirkels in de vochtige grond getrokken. Figuren met rechte hoeken maakte men met het 12 knopen touw.

In de juiste volgorde verdeeld leverde dit touw de Egyptische “heilige driehoek” op, waarvan de zijden “Osiris” (3), “Isis” (4-)en “Horus”(5) heetten. Elk ontving na de meting een rechthoekig stuk land. Het ploegen gebeurde eerst met een hakstok, al spoedig echter werd een ploeg gebruikt met ossen. Om iedere akker groef men een greppel, die steeds vol water werd gehouden. Uit de kanalen en de Nijl haalde men ’t water omhoog en goot het in de greppels met een SHADUF, een soort machine om emmers omhoog te hijsen. De shaduf gebruikt men nog steeds in Egypte.

Egypte was het eerste grote landbouwgebied v.d. oudheid. Men verbouwde : gerst, tarwe, spelt en vlas in grote hoeveelheden. Als huisdieren hadden de Egyptenaren: ossen, koeien, ezels en geiten. Bijzonder geliefd was de kat, die als heilig dier werd beschouwd; maar ook de hond stond als huisdier in ere.

Veltman blz. 15

Veltman blz. 16

De schrijfkunst
Het schrift van de Egyptenaren was een beeldenschrift. Het bestond al voor de bouw der piramiden. De Egyptenaar tekende de schrijftekens of beitelde hen uit. Vele schrijftekens gaven het beeld van dagelijkse dingen. Sommige beelden stelden één woord voor; andere lettergrepen; later gaven de beelden enkele klanken weer, die een soort alfabet vormden. Klinkers werden niet geschreven. Het schrijven was een heilige taak. Fouten werden met de dood gestraft. Het schrift en de schrijfkunst was immers van de goden afkomstig. Bovendien kon een schrijffout de ernstigste gevolgen hebben voor de gestorvene, die alleen door het Dodenrijk kon komen, wanneer hij alle spreuken, namen en gebeden kende. Eén verkeerde spreuk zou hem de hel in plaats van de hemel kunnen opleveren. De Egyptische schrijver was derhalve een man van gewicht. Van papyrusriet werd een soort papierrol geperst. De schrijver ging gehurkt zitten en gebruikte zijn strak gespannen schort als schrijftafel. Zijn pen was een schuin afgekauwde rietstengel, zijn inkt een soort poederverf, die in een bakje met water werd aangemaakt.
Er zijn nog vele papyrusrollen bewaard gebleven. Sommige zijn tientallen meters lang en het schrift is dikwijls nog zo gaaf en fris, dat zij gisteren pas geschreven schijnen te zijn. Een van de belangrijkste papyrusrollen is het zgn. DODENBOEK, waarin de reis van de gestorvene naar Osiris is beschreven. De dode werd geoordeeld door 42 rechters, zijn hart werd gewogen op een weegschaal. Viel het oordeel goed uit, dan mocht hij naar Osiris’ Koninkrijk. De boosaards werden door een monster verslonden.

De Egyptenaren hebben later een lopend schrijfschrift ontwikkeld: het hiëratische schrift. Daarna het nog eenvoudiger demotische schrift.

Het oudste schrift heet hiëroglyfisch, d.w.z. heilige ingrifsels.

Alle tempelwanden, zuilen en gebouwen waren met dit schrift volgeschreven. De Fransman Champollion (uit Napoleons tijd) heeft het Egyptische schrift voor ’t  eerst ontcijferd.

Uit hoofdstuk 125 van het dodenboek

“WAT MOET WORDEN GEZEGD, WANNEER MEN AANKOMT IN DE HAL VAN DE TWEE GODINNEN DER WAARHEID, OM DE GELATEN DER GODEN TB AANSCHOUWEN.
ERE ZIJ U, GROTE GOD, HEER DER BEIDE GODINNEN DER WAARHEID! IK BEN TOT U GEKOMEN OM UW SCHOONHEID TE AANSCHOUWEN. IK KEN U EN UW NAAM EN IK KEN DE NAMEN DER TWEE-EN-VEERTIG GODEN, DIE MET U ZIJN IN DE HAL VAN DE BEIDE GODINNNEN DER WAARHEID, ZIJ DIE LEVEN VAN HEN, DIE BOOSHEID HEBBEN GEDAAN, EN DIE VAN HUN BLOED DRINKEN.
ZIE, IK BEN TOT U GEKOMEN ,IK BRENG DE WAARHEID EN IK HEB DE ZONDE DER MENSEN UITGEDREVEN.

IK HEB GEEN MENS ONGELUKKIG GEMAAKT.

IK HEB NIET GELOGEN.

IK HEB NIETS GEDAAN, WAT DE GODEN EEN GRUWEL IS.

IK HEB GEEN DIENAAR ZWART GEMAAKT BIJ ZIJN OPZICHTER.

IK HEB NIEMAND ZIEK GEMAAKT.

IK HEB NIEMAND HONGER DOEN LIJDEN.

IK HEB NIEMAND DOEN WENEN,

IK HEB NIET GEDOOD.

IK HEB GEEN BEVEL TOT DODEN GEGEVEN.

IK HEB GEEN OFFERSPIJS UIT DE TEMPEL GENOMEN.

IK HEB DE OFFERBRODEN DER GODEN NIET AANGEROERD.

IK HEB DE MUMMIE-WINDSELS DER ZALIGEN NIET GEROOFD.

IK HEB GEEN KIND DE MELK ONTNOMEN.

IK HEB GEEN DIER VAN ZIJN VOEDSEL VERDREVEN.

IK HEB GEEN WATER AFGEWEERD, WAAR HET NIET MOEST.

IK HEB GEEN VUUR GEBLUST, WAAR HET NIET MOEST.”

De Piramide

Raadselachtig en groots zijn de eerstelingen der Egyptische Bouwkunst. Aan de Nijl tegenover Memphis staan nog steeds vele piramiden, die ondanks de roofzucht van de Arabieren betrekkelijk weinig beschadigd zijn. De oude Egyptenaren moeten over reusachtige lichaamskrachten hebben beschikt om de geweldige steenbrokken waaruit de piramiden bestaan los te hakken, te vervoeren en op te stapelen. Wat het eerst opvalt bij deze bouwwerken, is de grote rol, die het getal drie heeft gespeeld bij het plan van de architect.

Het getal drie was het getal van Osiris en inderdaad is de piramide een gebouw, dat geheel en al uit de eredienst van Osiris is ontstaan. Op een inschrift in een van de piramiden staat:

O HORUS! EEN OSIRIS IS DEZE ZIEL.
EEN OSIRIS IS DIT BOUWWERK
EEN OSIRIS IS DEZE PIRAMIDE!

De oprichtingskracht die Osiris de mens schonk, komt in de piramide tot uiting. Verder gaf de licht- en schaduwwerking van de gladgepolijste steenmantel iedere avond een beeld van de mensenziel ,die van de aarde opstijgt om door de dood verenigd te worden met het lichtrijk van Osiris. Iedere avond zag de Egyptenaar een lichte driehoek omhoog stijgen langs de zijvlakken en in het toppunt verdwijnen.

De naam piramide komt van pir-em-us (=uit ’t huis van het lichaam gaan). De piramiden waren inwijdingsplaatsen van de Osiris-en Isismysteriën.

Na de dood van de farao werd diens gebalsemd lichaam in het bouwwerk opgenomen. Daarna werd de piramide afgesloten. De nieuwe farao bouwde een nieuwe. De grootste piramide is die van Cheops (of Chufu). Hij is 147m hoog en 230m breed. Hij is gebouwd uit 2.300.000 steenblokken van 2,5 ton per stuk.  Gedurende de overstromingstijd werkten 100.000 Egyptische boeren en slaven 20 jaar lang om de blokken uit te hakken en hen per boot te vervoeren.

De tempel
Na de tijd der piramidebouwers ontstonden in Egypte steeds mooiere en grotere tempels. De wanden waren versierd met hiëroglyfen en reliëfs. In de opbouw speelt de drieheid een grote rol.
De priester schreed eerst door een baan van SFINXEN, dan kwam hij aan twee OBELISKEN en vervolgens schreed hij door een tempelpoort, bewaakt door 2 piramide-achtige torens of PYLONEN. In de tempel was geen enkel raam, men was daarin van de wereld afgesloten. Eerst ziet men de VOORHOF, waarin de Osiriszuilen omhoog rezen. Helder zonlicht viel in deze ruimte. Vervolgens zag men een tweede, overdekte en schemerige ZUILENHAL met schone wanden vol beschilderde reliëfs. Het laatste deel was het ALLERHEILIGSTE. Het was er geheel donker. Daar moest de mens zelf het offerlicht ontsteken.
In al het oprijzende en verlichte van de tempel beleefde de Egyptenaar de Osiriskracht (pylonen, zuilen, poorten).
In de brede wanden beleefde hij de omhullende moeder Isis. In het doorschrijden van de tempel tot in het duistere allerheiligste beleefde hij de stootkracht van de jonge Horus.

Veltman blz. 17

Veltman blz. 18

Veltman blz. 19

HYMNE AAN OSIRIS

HEIL U,-GROTE EN VERHEVENE,
DIE ‘OERSCHEPPINGSKRACHT’ HEET!
DE OUDSTE ZOON VAN KEB EN NUT
TRAD AAN, UIT HET VERBORGENE.
GEEN GOD VOLBRACHT, WAT HIJ VOLBRACHT,
HIJ IS DE HEER DES LEVENS,
DE MENS LEEFT DOOR ZIJN WEZEN,
GEEN LEVEN WORDT GESCHAPEN ZONDER HEM!
HEER VAN DE GROEIENDE, WENTELENDE TIJD
IS OSIRIS IN ABYDOS, HEER VAN BUSIRIS,
GEBIEDER VAN HET WESTEN IS HIJ.
VERSIERD MET HET HOGE VERENPAAR
HEEFT HIJ DE HEMEL AANGERAAKT.
DE ‘ZIEL BIDT IN DE DIEPTE TOT DE SLANG,
DIE AAN OSIRIS HOGE VOORHOOFD STAAT.
RE HEEFT ZIJN HEERLIJKHEID GESCHAPEN.
EN SHU HEEFT DIEPE, GROTE EERBIED
VOOR HEM IN HET MENSENHART GELEGD!

De dode spreekt:

Ik leef, ik sterf, ik ben Osiris
ik leef, ik groei als graan
Keb heeft mij verborgen
Ik leef, ik sterf,
Ik ben de gerst.
Ik verga niet!

De dode spreekt:

“Hier ben ik
Mijn graf liet ik achter.
Gij sterke, ik aanschouw U!

Door ’t dodenrijk schreed ik,
Osiris aanschouwde ik,
Het duister verdreef ik

Open staat de poort
Tussen aarde en hemel,
Mijn pad is vol vreugde.

Heil U, elke God, elke ziel!
Uit de duistere diepte
Schijnt mijn licht!”

IKHNATON
De oude priesterkoningen regeerden rechtvaardig en goed. Hun macht was echter zo groot, dat bij de latere farao’s begeerte en hebzucht de overhand kregen. Vooral na de inval van de HYKSOS, een volk uit Azië, werden de farao’s echte veroveraars. De Aziaten hadden in Egypte de eerste geduchte oorlogsmachine ingevoerd n.l. het paard.
Nadien rennen de veroveraars Thothmes en Ramses over de slagvelden met snelle strijdwagens. De farao’s zijn op veldtocht, thuis is de macht in handen van de AMON-RE priesters.

In de 14e eeuw voor Christus verschijnt echter de jonge farao IKHNATON als een gouden dageraad. Hij stelt alle goden terzijde en daarmee de machtige Amon Ra priesters uit Thebe.
Hij wil geen oorlog voeren. Zijn enige god is ATON, de zon, die niet alleen voor Egypte schijnt, maar ook voor andere volkeren!
Ikhnaton sticht een nieuwe hoofdstad AKHET-ATON. Hij liet zich natuurgetrouw afbeelden. Dit was een grote omwenteling in het starre Egyptische gebruik! Ikhnaton dichtte zelf prachtige zonnehymnen.

Na Ikhnatons. opvolger Thuthanchamon raakte het Egyptische rijk in verval en kwam in de 6e eeuw voor Christus in handen van de Perzen,die het inlijfden bij hun wereldrijk.

ZONNE-HYMNEN van IKHNATON

HOE GROOT EN MENIGVULDIG ZIJN UW WERKEN, ATON!
AL ZIJN ZIJ DAN VERBORGEN VOOR DE STERVELINGEN,
O, ENIG GOD, NAAST WIE GEEN ANDER GOD BESTAAT.
HET KUIKEN IN HET EI GEEFT GIJ LEVENSADEM,
GIJ GEEFT HET VORM EN HET VERBREEKT DAARMEE ZIJN SCHAAL,
EN ALS HET UITKOMT, PIEPT HET LUID EN KAN AL LOPEN.
GIJ SCHIEP DE AARDE GANS ALLEEN, NAAR UW WIL,
DE MENSEN EN DE DIEREN, AL WAT LOOPT OP AARDE,
EN ALLES, WAT OP VLEUGELEN DAARBOVEN VLIEGT,
DE LANDEN VAN EGYPTE EN VAN SYRIA.
GIJ ZETTE ELK MAN OP ZIJN PLAATS EN MAAKTE AL,
WAT HIJ VAN NODE HEEFT. ELK HEEFT ZIJN EIGEN VOEDSEL.
ZIJN DAGEN ZIJN BEPAALD. DE TALEN EN DE’HUIDSKLEUR,
ZIJ ZIJN VERDEELD. VERSCHILLEND MAAKTE GIJ DE VOLKEN!
HOE HEERLIJK EN HOE SCHOON GLANST GIJ AAN DE HORIZON,
GIJ, ATON, LEVENDE VANAF HET OERBEGIN.
IN ‘T OOSTEN OPGAAND GEEFT GIJ ALLE LANDEN LICHT
MET SCHOONHEID. EN WANNEER GIJ AAN DE HEMEL STAAT, OMARMEN UW VERHEVEN STRALEN ALLE LANDEN.
DE MENS WORDT WAKKER EN GAAT OP ZIJN VOETEN STAAN
EN HIJ BEGINT ZIJN DAGTAAK. BLIJDE IS HET VEE
IN ‘T MALSE GRAS. DE VOGELS KOMEN UIT HUN NEST
EN HUN OMHOOGGEHEVEN VLEUGELS BIDDEN TOT U.
DE SCHEPEN VAREN REEDS STROOMAFWAARTS OF STROOMOP
ZELFS VISSEN SPRINGEN UIT DE STROOM OMHOOG TOT U,
WANT DIEP DRINGEN UW STRALEN IN DE OCEAAN.
OP U RUST ALLER OCG, GIJ OORSPRONG VAN DE SCHEPPING,
WANNEER GIJ HOOGVERHEVEN OVER D’AARDE STRAALT!

Veltman blz. 20

Veltman blz. 21
In een latere uitgave – mij onbekend – zou nog een tekening staan van een schrijver met papyrusrollen en gereedschap.
De schrijver schrijft hiëratisch schrift met penseel van uitgekauwd riet. Zijn papier, gemaakt van het merg van de papyrusrietstengel, twee lagen kruiselings samengedrukt en vervolgens in vuur gehard. Zijn schrijfinkt is gemaakt van poeder, verpulverd, met water aangemaakt. Het lapje dient als wisser. Aan de linkerkant ligt een leren koffer met schrijfrollen. ernaast staat een koperen waterbakje.

5e klas geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Egypte

5e klas: alle artikelen

930-861

VRIJESCHOOL 5e klas – geschiedenis (2-2)

.

de tekst in blauw is van mij

Perzische cultuur

Ashem Vohü Vahiotem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai Vahistâi Ashem.

Reinheid is het hoogste.goed
Zegen is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

IRAN

(OER-PERZISCHE CULTUURPERIODE)

Tussen de Perzische golf en de Kaspische Zee ligt een woest hoogland. Kale, grillige bergketens sluiten het aan alle kanten af. De grond is schraal, de meren zijn zout, het klimaat is bar. Overdag brandt de zon uit een wolkenloze hemel en doet de lucht trillen boven de hete steenmassa’s, ’s nachts fonkelen myriaden sterren in een ijskoude, diepblauwe hemel.

De mensen die in dat land voor 7000 jaar leefden, noemden zich Aryers
(edelen) en het land Aryana of Iran. De belangrijkste volksstammen werden later MEDEN en PERZEN genoemd.

De Oer-Perzen waren groot van gestalte, zij hadden een blanke huid, blauwe, ogen en blond haar. Is dit juist? Zij waren verwant aan de oude Indiërs en ook aan ons. Hun taal was een zustertaal van het Sanskrit.

Het leven van de Perzen in dat verre land kostte moeite. Alles moest aan de harde bodem ontwrongen worden. Zo was de Pers op strijd ingesteld; strijd tegen het klimaat, tegen de steenachtige bodem, tegen mensen en dieren.

Zijn aard was geheel anders dan die van het rijke, weelderig begroeide Indië. Krijgshaftig was her karakter der Perzen, woest en onbuigzaam. Geduchte boogschutters en jagers waren zij. Zij doodden vele dieren, aten het vlees en kleedden zich in de huiden. Geheel bedekt met leer waren zij. Op het hoofd droegen zij een leren kap of puntmuts. De woningen der Oer-Perzen waren van steen. Soms waren het huizen die geheel en al ïn de rotswanden uitgehakt waren. Vensters ontbraken geheel en al. Een enkel gat gaf toegang tot de woning. Meestal waren deze woningen gelegen aan bergbeekjes.

Bij dit woeste volk verscheen een wijze, gezonden door de Manu.(?)  Hij heette ZARATHUSTRA of “Goud Ster”. Hij bracht de Perzen een nieuwe leer, die veel later in de heilige boeken van de ZEND-AVESTA is opgetekend.
In de zielen van dit volk, zo ontembaar en wild, bracht hij de impuls tot reinheid in daad, woord en gedachte.

Onder invloed van de grote Zarathustra (en zijn opvolgers, die ook Zarathustra heetten, werden de Perzen een cultuurvolk.

De leiding van deze cultuur ging later over op koningen, bijgestaan door magiërs(priesters).

De Perzen beleefden de wereld in tegenstellingen: brandende hitte tegenover felle koude; heldere dag tegenover zwarte nacht; verblindend licht tegenover duisternis; hemel tegenover aarde. Deze tweeledigheid kreeg in de leer van Zarathustra een verheven vorm.

In den beginne waren er twaalf Amshaspands of Wereldgeesten. Zij stonden onder leiding van twee broedergoden:

AHURA MAZDA (=de grote zonneglans ) en ANGRAMANIJU (de erge boze).

Ahura Mazda of Ormuzd wilde de wereld verder scheppen en zeven Amshaspands volgden hem. Angramaniju en vijf duistere Amshaspands wilden niet meewerken en worden zo tot boze d.i. tegenwerkende wezens.

De duistere Angramaniju of AHRIMAN kon niets tegenover de schepping van Ormuzd stellen en ging toen de wereld vergiftigen en bederven. Ahura Mazda had op aarde ook de mens geschapen en de mens riep hij op als medestrijder om het licht te doen zegevieren.

Veltman blz. 35

De mens was echter in zijn ziel vergiftigd door Ahriman, die angst, twijfel en leugen als gaven aan de mens had gebracht. Zarathustra leerde, dat de mens, die zich reinigde van boosheid, leugen en onzuiverheid het lichtrijk voor Ormuzd vergroten kon. Wie waarheid sprak, het goede deed en dacht, heroverde zijn ziel op Ahriman en stelde haar opnieuw open voor Ormuzd’s lichtkracht. Niet alleen de mens was bedorven door Ahriman’s duistere werk, maar ook de natuur: Planten waren gaan woekeren, dieren waren wild,v erscheurend of giftig geworden.
Wie de natuur haar gang liet gaan, liet haar over aan de klauwen van Ahriman. Daarom leerde Zarathustra de Perzen, dat zij de natuur ook op Ahriman konden veroveren. Hij schonk aan de eerste koning Djemshid een gouden dolk van Ormuzd. De Perzen leerden met de dolk de aarde open te scheuren, daarna te zaaien, planten te kweken en de soorten te veredelen. Wilde dieren moesten getemd en tot huisdieren worden gemaakt. Het water van de bergriviertjes moest over de akkers worden geleid om de aarde vruchtbaar te maken. Zo werden de Perzen tot landbouwers en zij kregen de aarde lief. Arbeid was tevens godsdienst. Zij wonnen melk, wol, leer en trekkracht, brood en vele veldvruchten. Hun werk was echter niet voor eigen nut, maar in hoofdzaak bedoeld als deel van de strijd voor Ormuzd tegen Ahriman. Hun arbeid moest de aarde terugwinnen uit de macht der duisternis. De Perzische landbouw en veeteelt is van grote betekenis geweest voor de gehele ontwikkeling van de gehele mensheid. De Perzen kweekten onder leiding van hun priesters granen (tarwe, rogge, gerst, spelt uit wilde grassoorten. Onze groenten, zoals sla, kool, uien, peterselie, prei, asperges zijn oorspronkelijk uit Perzië afkomstig, evenals vele vruchten. Appel, peer, abrikoos, pruim en kers zijn Perzisch van oorsprong. De Perzik bewaart de herinnering aan deze oorsprong zelfs in zijn naam.
Vele bloemen, zoaJs lelie, hyacint en roos werden in Perzië voor ’t eerst gekweekt. Paard, rund, schaap, geit, hond, kat, kippen en andere huisdieren werden gefokt uit wilde diersoorten.
Delen van Iran werden langzamerhand herschapen in bloeiende tuinen. Zo machtig werkte Zarathustra’s woord na. De Perzen bleven vóór alles naar waarheid en reinheid streven. De goden vereerden zij door op de bergen grote vuren te branden. Het vuur was heilig en reinigde de wereld.

De Perzen konden hun doden niet toevertrouwen aan aarde, water of vuur. Het lijk behoorde toe aan Ahriman en de zuivere elementen mochten niet besmet worden. Men legde de doden op hoge rotsen of torens neer.

In later tijd wilden dè Perzen het licht van Zarathustra ook onder andere volken brengen. Daarom stichten zij een wereldrijk. Tegen de boze Turaniërs in de vlakten, noordelijk van Iran, voerden zij een lange en heldhaftige strijd; de heldendaden der Perzen zijn later in het koningsboek (SHAM-NAMEH) van FIRDUSI in schone verzen neergeschreven.

In de 6e eeuw voor Christus stichtten de Perzen onder koning KURUSH (CYRUS) een wereldrijk. Deze koning veroverde Babylon en bevrijdde de Joden, die daar in ballingschap zuchtten.

Veltman blz.35

(HET HOOGLAND VAN IRAN.) (voor de leerkracht)

De perzische cultuur staat in het teken van de Tweelingen. Het typische van het tweelingteken is, dat zij elkaar kruiselings vasthouden en dat één kind licht en het andere donker is. Het grandioze van de wereldbeschouwing van Zarathustra bestaat wel hierin, dat in zijn leer de oorsprong van het Boze (terugblijven van dat oorspronkelijk goed was) zo duidelijk is aangegeven. Ahriman is de broeder van Ormuzd. Hij blijft achter in de ontwikkeling en wordt zo tot een macht, die alles vergiftigt en de mensen tot leugen verleidt.

Dr. Steiner geeft aan hoe de oer-Perzen het astrale lichaam tot ontwikkeling moesten brengen. Vandaar hun ongebreidelde woeste hartstochten, waarin de machtige roep om zuivering en reinheid van Zarathustra gaat weerklinken als een muziek, die de wilde dieren tot bedaren brengt. De Turaniërs, nakomelingen van de Atlantische oer-Turaniërs, maken de ontwikkeling niet mee. Zij blijven woeste jagers (recht onder het Tweelingenteken staat de Schutter!) en werden door de Perzen beleefd als een typisch Ahrimanisch volk, waarmee zij een heilige strijd te voeren hebben. Alles wat de Atlantische impulsen wil vasthouden, werkt storend op de nieuwe cultuurontwikkeling. Men denke aan de verwoestende aanvallen der Hunnen onder Attilla, der Mongolen onder Djengis Khan en die der Turko-Tartaren onder Timur-Lenk! Het duistere Turan roert zich nog steeds in de ontwikkeling der mensheid!

UIT DE ZEND-AVESTA

LUISTER NIET NAAR DE LEUGENAAR!
HUIS EN HOF, LAND EN WERELD
ZAL HIJ VERDERVEN!
O, WEER U TEGEN SLECHTE GEDACHTEN.

EENS SPATTE ‘T VUUR
NAAR ALLE KANTEN,
MAAR EENS ZAL’T AL
EEN VUURVLAM ZIJN…….

GA GENE WEG
OF DEZE WEG,
WEES ROOK OF VLAM!
LAAT U VERDRUKKEN
IN DE STIKWALM
OF LAAT U LAAIEND
NAAR BOVEN STUWEN

DE KEUS IS U!

GEBED

IK STEL MIJ OPEN
VOOR ELKE REINE GEDACHTE,
VOOR ELK EDEL WOORD,
VOOR ELKE EDELE DAAD.

IK WEER GEHEEL
ELKE BOZE GEDACHTE,
ELK SLECHT WOORD,
ELKE SLECHTE DAAD.

ALLES WAT MENS HEET,
REIN IN GEDACHTEN,
REIN IN WOORDEN,
REIN IN DADEN,
ZAL IN HEMELSE GLANS WANDELEN OP AARDE.

U ERKEN IK, HEILIGE AHURA MAZDA.
O, KOM OP UIT DE NACHT, TREED UIT HET DUISTER
IN HET LICHT.
EN GIJ, WORDT WARM, VERSTEENDE HARTEN!
MIJN WOORDEN ZWIJGEN: HEILIGE STILTE HEERST…..
DE WAARHEID STROOMT DE WERELD IN,
DE ZON BUIGT NEER TOT IEDER WEZEN.
SCHENK OOGST EN WASDOM, O, AHURA!

Uit de Avesta
          Vendidad  (Farkant III).

“Schepper van de Aarde-Wereld, Reine Geest!
Hoe groeit de Reinheid volgens Uw Wet?”
Toen antwoordde Ahura Mazda:
“Wanneer men ijverig graan verbouwt,- …….
O,heilige Zarathustra!
Wie de vruchten des velds kweekt,
Hij bevordert de Reinheid
Evenals met 100, met 1000, met 10.000 gebeden!
Wanneer er vruchten komen, sissen de deva’s
Wanneer  het graan opkomt, hoesten de deva’s
Wanneer de halmen groeien, huilen de deva’s
Wanneer er dikke aren zijn, vluchten de deva’s.
Zij vluchten ter helle als gesmolten ijzer…..”

De belangrijkste Perzische gebeden: Ashem Vohu en Ahuna Vairya werden evenveel gebeden als Paternosters en Avemaria’s.

Men begon bij het opstaan 5 Ashem-Vohu’s op te zeggen.

Ashem Vohu

Reinheid is het hoogste goed
Zegen Is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

Ashem Vohû Vahistem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai
Vahistâi Ashem.

Yatha Ahu Vairya
                (Ahuna Vairya of Honover)

Naar ’s Heren wil doet hij
Die uit Reinheid handelt.
De gaven van de Goede Geest.
Geworden hem voor daden die
Hij voor Ahura Op aard’ volbrengt.
Wie Armen steun verleent,
Vermeerdert Mazda’s Lichtrijk.

Veltman blz. 13

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Perzië

5e klas: alle artikelen

929-860

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-1)

tekst in blauw van mij

Toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw voor het eerst in de 5e klas geschiedenis moest geven, was er niet zoveel achtergrondinformatie om binnen niet al te lange tijd de periode(n) te kunnen voorbereiden.

Er circuleerde wel een soort periodenschrift dat door de Leidense vrijeschoolleraar Paul Veltman was samengesteld.
Daarvan maakten veel jongere leerkrachten gebruik en ik vormde daarop op een bepaald ogenblik geen uitzondering.

Paul Veltman genoot aanzien binnen de vrijeschoolbeweging en dan ligt het mede voor de hand dat je – ook al omdat hij veel vrijeschoolonderwijservaring had – op zijn kennis en aanwijzingen voortborduurt.

Nu – zoveel jaren later – moet ik toch enige kanttekeningen plaatsen bij Veltmans werk ‘OUDE GESCHIEDENIS’ deel 1.

OUDE GESCHIEDENIS.

Deel I.

OERTIJD

VOOR-INDIË

PERZIE

EGYPTE

BABYLONIE

ASSYRIE.

De inhoud wordt voorafgegaan door dit voorwoord:

De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen in de klas èn informatie voor de leraar, zoals dat eens in een geschiedenisperiode van de heer Veltman is ontstaan.
De vraag naar vermenigvuldiging van dit werk is ontstaan op een landelijke vergadering van vijfdeklasleraren in de cursus 1974-1975, toen het niet mogelijk bleek het oorspronkelijke geschrift binnen de tijd van één cursusjaar alle betreffende leraren ter oriëntatie ter beschikking te stellen.

Door medewerking van Rotterdamse vrijeschoolleraren kon het geschrift langere tijd ter beschikking gesteld worden aan een werkgroep van de Geert Groote School te Amsterdam, die het stencilwerk verzorgde.

Hopelijk biedt het die oriëntatie, die het met name voor nieuwe leraren mogclijk maakt om binnen de korte tijd van enkele periodenweken in een jaar, met enthousiasme tot een eigen verwerking van deze uitgebreide leerstof met zijn klas te kunnen komen.

Namens de werkgroepen,
Geert Grooteschool, Amsterdam

De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen.
Vooral in het begin valt op dat Veltman veel aandacht besteedt aan ‘Atlantis’.
Hij beroept zich op Steiner en geeft vervolgens zijn antroposofische gezichtspunten over Atlantis aan de kinderen door.
Wie echter Steiner volgt in diens opmerkingen over ‘antroposofie in het onderwijs’ moet tot de conclusie komen dat Veltman daarmee geen rekening heeft gehouden, wellicht (mede) veroorzaakt door een interpretatie van een opmerking van Steiner, waarover zo dadelijk meer.

LEGENDA.

Dr. Steiner:
Theosophie des Rozenkreuzers.
Geheimwissenschaft
Akashachronik
Unsere atl.Vorfahren
Welt,Erde,Mensch
Bhagavad-Gita.

Pfeiffer; In Gaia Sophia I

Wachsmuth: Entw.der Erde, Werdegang der Menschheit

Uehli; Aegyptische Kultur, ein Isisgeheimnis.

Breasted; Ancient times ,

Lewis Spence; Atlantis

Scott-Elliot; History of Atlantis.

Jan Romein: Wereldgeschiedenis

Het moge duidelijk zijn dat deze achtergrondliteratuur voor het grootste gedeelte bestaat uit antroposofie. Dat kan voor de leerkracht buitengewoon verdiepend zijn, maar niets van de inhoud ervan hoort thuis in het geschiedenisonderwijs van de 5e (en andere!) klas(sen).

Algemeen
Na het Polaire en Hyperboraeïsche tijdperk, het Lemurische- en het Atlantische tijdperk, begint onze Na-Atlantische tijd, die 5 cultuurperioden tot op heden, heeft opgeleverd. (oer-Indische,oer-Perzische, Babylonische, Egyptische, Grieks Romeinse en onze eigen Westerse).

Deze cultuurperioden zijn een neersleg van de kosmische, menselijke ontwikkeling. De zon doorloopt alle tekens van de Dierenriem in 25920 jaren,(een wereldjaar). Wanneer de zon op 21 maart in een bepaald teken staat, is een cultuurperiode op zijn hoogtepunt. In onze cultuurperiode komt de zon langzamerhand op 21. maart in de Vissen te staan.

In de- 4e cultuurperiode was hii in de Ram, in de 5e in de Stier, in de 2e in Tweelingen, in de 1e in de Kreeft. Elke cultuurperiode duurt ongeveer 2160 jaar. Men ziet in zo’n periode sterk de invloed van het dierenriemteken. v.b. Stiercultus van de Egyptenaren, Perzen en Kretensers. Ramsoffers van Mozes en Abraham, Grieken en Romeinen. Aan de dualiteit van Iran en Turan, Ormuzd en Ahriman(tweelingen).

Veltman blz. 1

 

Het Atlantische tijdperk
Dr. Steiner heeft uitdrukkelijk aangegeven om onbeschroomd over Atlantis te spreken tegenover de kinderen.

In al zijn pedagogische voordrachten (GA 293-311) spreekt Steiner met geen woord over Atlantis. In GA 300, de notulen van de pedagogische vergaderingen van de vrijeschool Stuttgart waarbij Steiner aanwezig was, is slechts op 1 plaats iets te vinden, waar Veltman wellicht aan refereert:

=

(  ) aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen.’
GA 300A/86

Maar we mogen er niet voor terugschrikken bij de kinderen over het Atlantische Land te spreken. Dat mogen we niet overslaan.

=

Dit antwoord volgt op een vraag hoe je voor de geologie een verbinding legt naar de Akasha-Kroniek.
Het is opmerkelijk dat Steiner hier de verbinding van de lesstof naar de antroposofie niet afwijst, terwijl hij 5 dagen eerder  heeft gezegd:

=

Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren. Anthroposophie ist kein Lehrinhalt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposofischem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichtspraxis.
GA 293/15
Niet opgenomen in de websiteversie

‘Wij zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
vertaald/15

=

De leraar die dit vraagt moet geologie geven. In de verdere leerplanaanwijzingen zien we dat het geologie-onderwijs een vaste plaats krijgt in klas 9, maar die was er in 1919 nog niet; de conclusie ligt voor de hand dat deze vraag dan gesteld is door een 8e-klasleraar. De geologie van klas 6 had een heel andere inhoud en daaronder kwam er helemaal geen geologie aan bod, dus voor klas 5 kan deze opmerking al helemaal niet gegolden hebben.

Dan kan de opmerking, volgend op blz.86 van GA 300A:

=

Auch im geschichtlichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen.

Ook in geschiedkundige samenhang kunnen we eraan vastknopen.

=

geleid hebben tot Veltmans opmerking.
Maar in alle verdere aanwijzingen voor het leerplan, noch in klas 8 en noch in klas 5, niet bij geologie en niet bij geschiedenis en verder in geen enkele pedagogische voordracht is ooit meer sprake van ‘Atlantis’.

Dat wil niet zeggen dat Atlantis in de 5e klas niet ter sprake mag komen; maar alles gaat om de manier waarop.

Veltman vervolgt:
Niet alleen in de geesteswetenschap is Atlantis een feit. Wiskundige bewijzen bestaan in de archeologie niet, maar vele geleerden . (Spence, Dacqne, Braghine, Wachsmuth, Donnelly, Frobenius) hebben zich met het Atlantisprobleem beziggehouden, Interessant is het, dat men in vele hypothesen Atlantis plaatst in IJsland, Noorwegen,Tunis, Sahara, Midden-Afrika ,N-Amerika, Groenland, Midden-Amerika, Zuid-Amerika, dus in alle streken die aan het werkelijke Atlantis geraakt hebben. Combinatie van feiten, bekend geworden in geologie, oceanografie, biologie, archeologie, filosofie, etnologie, antropologie, kosmografie, plantengeografie, geven reeds vele aanwijzingen dat de bakermat van de huidige culturen gelegen moet hebben op een continent, gelegen tussen Amerika, Europa, en Afrika.
In Atlantis zijn voor het eerst mensenrassen met verschillende huidskleur tot ontwikkeling gekomen. (Rmoahals,Tlavatli,Tolteken,Turaniërs, Semiten, Akkadiërs, Mongolen).
Het 4e wereldras begon misbruik te maken van de etherische krachten, door hen aan te wenden voor persoonlijke doeleinden. Zwarte magie trad op, met het gevolg, dat de elementen in hun structuur werden aangetast. Enorme natuurrampen waren opgeroepen, die het grote continent deden afbrokkelen en verzinken. De laatste nagalm van dit proces vindt men in Plato!s beschrijving van het eiland Poseidonis, gelegen ter hoogte van de huidige Azoren. Ook de verdwijning van dit laatste fragment van Atlantis wordt door Plato in verband gebracht met de goddeloosheid der bewoners. In de periode van verval leidt de Manu uittochten van ‘t Atlantische continent naar Centraal Azië. De kleine groep kolonisten moest zuiver bewaren, wat dc vrucht van de Atlantische mensheidsontwikkeling was geweest.
Een groep ging langs een noordelijke route, via Schotland, Midden Europa, Rusland. Een 2e groep ging langs de kusten van de Middellandse zee. Vanuit het nieuwe centrum van de Manu (in ’t beschermde Tarimbekken) gaan de impulsen voor de cultuurperioden uit. Zendboden met spirituele opdrachten gaan naar Voor-Indie, Iran, later ook naar Mesopotamië en Egypte. Geologisch valt deze tijd samen met de ijstijd.

Tot zover Veltmans tekst voor de leerkracht.

Waar ik zelf twijfel of de tekst in een periodenschrift hoort, heb ik gecursiveerd.

Oude Geschiedenis

inleiding

Waarom leren wij geschiedenis?

Met alle mensen en volken, die nu op aarde wonen, zijn wij verbonden. Zij ademen dezelfde lucht in als wij, dezelfde zon beschijnt allen; wij hebben hen en zij ons nodig.

Het is das goed te leren van andere landen on volkeren.

Wij zijn met hen verbonden in de RUIMTE.

Hoo? Dat leert ons de AARDRIJKSKUNDE.

Maar in vroeger tijd hebben op aarde mensen geleefd en gewerkt, waarmee wij óók verbonden zijn. Zij hebben ons iets geschonken, waardoor wij nu kunnen leven, zoals wij leven.

Zonder de BOUWKUNST van Egypte en Babylon, van Griekenland en Rome zouden wij niet kunnen bouwen zoals wij nu doen.

Zonder de landbouw van de oude Perzen zouden wij nu niet zoveel groenten en vruchten, hebben. Zelfs ons alledaagse brood zou ons ontbreken.

Niet in de RUIMTE zijn wij met vroegere mensen en volken verbonden, maar in de TIJD.

Hoe? Dat leert ons de GESCHIEDENIS.

De oudste overleveringen van de mensheid bestaan uit MYTHEN, SPROOKJES,

SAGEN on LIEDEREN, (HYMNEN) ter ere van de goddelijke wezens.

In vroeger tijd hadden de mensen geen gedachten en begrippen zoals wij die nu hebben, maar zij leefden en spraken in beelden.(??)

De grote en rijke fantasie, die de beelden opriep is meer en meer verloren gegaan ,Het denken in vaste begrippen is ervoor in de plaats gekomen. Door dit denken heeft de mens de aarde leren beheersen met wetenschap en techniek. De beeldenwereld is nog wel aanwezig in de dromen, die wij hebben. Ook kleine kinderen, zieken en krankzinnigen hebben de beeldenwereld in zich.

Wanneer in ons midden plotseling een Indiër uit de oertijd zou verschijnen en in zijn beeldentaal zou gaan spreken, zou men hem niet begrijpen, (ook al sprak hij in onze taal). Ja men zou hem waarschijnlijk in een krankzinnigengesticht brengen. ….

En omgekeerd; een mens uit de huidige tijd zou voor de Indiërs uit de oertijd een raadsel zijn. Snel zou hij aan de goden geofferd worden, omdat hij God noch mens, dier noch.duivel was.

Alleen de mens is van alle levende wezens in staat steeds nieuwe vermogens te verwerven in zijn ontwikkeling.,,

De geschiedenis laat ons die ontwikkeling zien.

Als een grote stroom, met voortdurende veranderingen, gaat de mensheid voort. De innerlijke en uiterlijke krachten van de mens zijn in de loop van duizenden jaren geheel anders geworden.

Deze krachten noemt men het BEWUSTZIJN van de mens.

Het begin van de cultuurperioden

Wanneer een volk een bepaalde ontwikkeling v.h. menselijk bewustzijn heeft doorgemaakt en onder grote, door de goden geïnspireerde, leiders een taak volbrengt, die voor de gehele mensheid van betekenis is spreken wij van een CULTUURVOLK.

De oudste cultuur die wij kennen is de Oud-Indische cultuur.

Het begin van deze cultuur valt samen met een ongehoorde ramp, die zich op aarde voltrekt. Een heel werelddeel met een oeroude beschaving, bewoond door zwarte, rode, gele, bruine en blanke rassen, verzonk in de woeste golven van de oceaan. Prachtige steden met tempels en havens,burchten en torens werden weggevaagd. Aardbevingen en stormvloeden vernietigden het ATLANTIS-CONTINENT. In deze tijd verstarde tevens een groot deel van de aarde in de greep van het landijs, dat in massieve kilometerdikke plakken vanuit de Noordpool kwam aanschuiven, mens en dier en plant verjagend of verdelgend: de IJSTIJD is in volle gang. De ondergang van ATLANTIS door de vreselijke vloedgolven is bewaard in de ZONDVLOEDSAGEN van vijftig volkeren.

Het meest uitvoerige verhaal vindt men bij de Griekse filosoof PLATO.

In alle sagen is het duidelijk dat de ramp een gevolg was van de slechte daden der Atlantiërs, die zich niet aan de orde der Goden stoorden. Voor de ondergang van Atlantis waren echter groepen van kolonisten naar andere werelddelen getrokken. De grootste leider van hen, die een groep naar Centraal-Azië bracht, wordt door de Indiërs MANU genoemd.

De Oud-Indische cultuurperiode begon omstraaks 8000.jaar vóór de geboorte van Christus.
In de Indische sagen wordt de stichter van de Indische cultuur  Manu,  de “Vader der Mensheid” genoemd.

Hoe Plato over Atlantis schrijft (Kritias en Timaios)

“De mijnen schonken edele metalen en smeltbare ertsen, waaronder een soort koper, die nu nog enkel in naam bekend is en na ’t goud als ’t kostbaarste metaal gold. De bossen verschaften hout voor allerlei bouwwerken en voedsel voor wilde en tamme dieren in grote kudden. Zo waren er talrijke olifanten, want er groeide rijkelijk voedsel in moerassen, vijvers en stromen, op de bergen en in de vlakten, niet alleen voor vele kleine diersoorten, maar ook voor de grootste en vraatzuchtigste. De gehele natuur was van welriekende geuren vervuld, die de aarde door haar planten, bloemen en vruchten uitademde, en ook bloeide daar een heerlijke veldvrucht, een boom die spijs, drank en kostelijke olie voortbracht, ooft en zoete versnapering, die de maag van de verzadigde tot lokkende verkwikking dient. Dat alles werd in rijke overvloed voortgebracht door het eiland, dat toenmaals in het koesterende zonlicht baadde. Daar de aarde de mensen alles schonk, bouwden zij tempels en paleizen, havens en schepen, doch tevens bebouwden zij het ganse land……Doch toen de van de godheid afstammende verheven eigenschappen door de voortdurende menging met de kinderen der sterfelijken begonnen te verminderen en de al te menselijke eigenschappen boven kwamen en op de karakters der mensen de overhand kregen, toen waren zij niet meer bij machte hun geluk te dragen en zij ontaardden……
Doch de over allen regerende Godenvader zag in hun verstokte harten en zijn toorn werd opgewekt, toen hij hun verheven geslacht zo ontaard bevond; hij wilde hen laten boeten……

VOOR-INDIE

Voor-Indië is een groots land met enorme vruchtbaarheid en levenskrachten. Een weelderige plantengroei overdekt ’t land. Machtige oerwouden wisselen af met vruchtbare vlakten, begroeid met allerlei soorten bomen, heesters en bloemen. Alle klimaten van pool-tot woestijnklimaat zijn in Indië te vinden, alle belangrijke plant- en diersoorten, alle huidskleuren onder de bevolking komen daar voor. Indië is als het ware één gehele aarde in ’t klein. Krachtige olifanten, ranke herten en glanzende tijgers bevolken ’t oerwoud. Veelkleurige slangen, metaal-blauwe pauwen, bonte vlinders en manenloze woestijnleeuwen leven er. In ’t noorden sluit een duizelingwekkend hoog gebergte de horizon af. De Himalaya met zijn 8000m. hoge toppen wordt ’t “dak der wereld” genoemd.
In ’t zuiden, gevormd als een puntig olifantsoor, woonde een donkerkleurige bevolking.Tussen ’t hoge noorden en ’t bergachtige zuiden liggen de grote vlakten van de rivieren Indus en Ganges.

De scharen van Manu kwamen uit ’t noorden in Indië binnen. De oer-Indiërs behoorden tot het ras der Ariërs. Zij waren rijzig en schoon van gestalte blank van huid, blond van haar en blauwogig. Het Sanskrit heeft ‘nobel’, ‘rein’, ‘puur’. Zij leidden een zwervend leven en trokken met hun kudden in het land rond.

’s Zomers zochten zij de koele bergen en ’s winters de zoele vlakten op. De zomer kan in Voor-Indië een kwelling zijn: de verschroeiende zon en stofregens doen de mens smachten naar het koele licht van de maan. De regentijd brengt nieuwe groeikracht en de zware donderslagen die deze tijd inluiden worden met vreugde begroet. De dondergod Indra is een van de meest geliefde goden geweest bij de oude Indiërs.
De Indiërs waren eenvoudig gekleed in katoen en linnen. Zij woonden in ronde katoenen tenten met een paal in het midden. Iedere dag offerden zij op hun huisaltaar aan de god Agni, de gcd van het reinigende vuur, die bemiddelaar was tussen goden en mensen. Het voedsel dat zij tot zich namen, bestond uit melk en melkgerechten, wortels en vruchten. Nooit doodden zij een dier; zij beschouwden het als hun vriend.

De taal van de Indiërs heet SANSKRIT en is aan de onze verwant. Nog steeds is deze taal in gebruik bij de priesters en alle heilige liederen, hymnen en gedichten zijn in ’t Sanskriet opgetekend. Vele woorden in ’t Sanskrit kan men terugvinden in Grieks en Latijn en in onze eigen taal.

Veltman blz. 2

Langs de rivier de Indus trokken de oer-Indiërs steeds meer naar ’t zuiden. Zij kwamen daar in aanraking met de zwarte bevolking die in versterkte steden woonde.
De steden der zwarten werden veroverd, de Indiërs begonnen de grond te bebouwen en leidden geen zwervend leven meer…Manu had de leiding overgedragen aan de zeven Wijzen, de heilige Rishi’s geheten. Het volk werd zeer streng gescheiden in 4 kasten of standen die zelfs verschillend van huidskleur waren

1.BRAHMAN      (priesters)                 blank
2.KSHATRIJA’S (ridders)                    rood
3.VAISIJA-S        (handwerkslieden) bruin
4.SUDRA-S          (boeren)                    zwart
het is mij niet bekend of dit klopt

Buiten de kasten stonden de PARIA’S (onreinen), de nakomelingen van de donkere oerbevolking. Het was de leden van een kaste streng verboden om met een lid van een andere kaste te trouwen of mee om te gaan. Een lid van een kaste voelde zich zelfs verontreinigd wanneer hij werd geraakt door de schaduw van een Paria.

De oudste geschriften der Indiërs zijn heilige boeken en heten VEDA’S (heilig woord). Zij bestaan uit een verzameling heilige liederen, gebeden en offerspreuken. Later zijn boeken met geheime priesterwijsheid (UPANISHADS) opgeschreven.
Later zijn zeer grote dichtwerken ontstaan in de z.g. heldentijd, een verzameling godensagen en lotgevallen van Indische helden.

Het RAMAIJNA behandelt de geschiedenis van de held RAMA, die zijn schone vrouw moest terugveroveren op een boze demon. Het MAHABHARATA behandelt in hoofdzaak de strijd van de held ARDJHUNA en zijn 4 broers tegen de 100 Korawa’s.

Het schoonste deel van dit heldendicht, dat meer dan 100.000 SHIOKA’S ( = 2-regelig vers) telt heet het BHAGAVAD-GITA (het lied van God) en handelt over een tweegesprek tussen de held ARDJHUNA en KRISHHA, een als koningszoon vermomde god, aan de vooravond van de geweldige 18-daagse veldslag. Behalve de strijd van de PANDU’s en KURU’s zijn er nog andere prachtige verhalen in het Mahabharata te vinden, bv. dat van NALA EN DAMAlJANTI, SJIWA en PARVATI, SAVITRI en IJAMA.

De belangrijkste goden der Indiërs waren

BRAHMA, de Schepper
VISHNU, de Behoeder en
SHIVA, de Vernietiger van het Heelal

Later werden deze goden als een Drie-eenheid beschouwd. Maar ook vereerden de Indiërs vele lagere goden:

AGNI , de god van het vuur
INDRA, de dondergod
VARUNA, de god der wateren
VAIJU, de god der winden
IJAMA , de god des doods
SURIJA, de zonnegod
SOMA , de maangod
KALI, god van de duisternis en boosheid.

Verder was hun hemel gevuld met een onnoemlijk aantal lagere goden, demonen en andere wezens.

In Indië is alles ruim, breed, groot en ingewikkeld: de tempels gelijken een opeenstapeling van beelden en ornamenten, de gedichten zijn honderdduizend regels lang, een koning heeft soms zestigduizend zonen, een held leeft elfduizend jaar.
Alle kunst, alle maatschappelijke verschijnselen, zijn echter doortrokken van één machtig beginsel: het goddelijke.

In de lange geschiedenis van de Indiërs is er één mens geweest, die zo hoog in zijn ontwikkeling was gestegen, dat hij na zijn leven niet terug behoefde te komen.
Deze mens is de Buddha geweest. In zijn laatste leven werd hij geboren als prins in een vorstelijk geslacht; hij leerde bijtijds zijn taak kennen, zei het hofleven vaarwel en zocht de eenzaamheid.
Na grote beproevingen en vele moeiten, werd hem de “Grote Verlichting” ten deel (d.i. de hoogste wijsheid, die een mens met hulp van de goden op aarde kan verwerven). Hierdoor werd hij tot Buddha. Na zijn dood steeg hij op naar het NIRVANA, d.w.z. hij was van zijn levens op aarde verlost en rustte in de schoot van Brahma. De leer die hij predikte wordt Buddhisme genoemd.

Van Buddha
De mens die men in de geschiedenis de Buddha noemt, heeft ongeveer van 550-470 v.Chr. in Indië geleefd. Naar de overlevering verteld, is hij in de stad Kapilarasthu geboren, als zoon van koning Suddhodana en koningin Maya. Prins Siddharta groeide op in weelde en pracht (zijn vader trachtte alles, wat zijn zoon aan het denken kon brengen, van hem weg te houden).Vergeefs!
Op enige tochten in de zorgvuldig gereinigde stad zag hij een oude, een  zieke, een.dode en een bedelmonnik. Zijn wagenmenner lichtte hem in. Prins Siddharta ging nadenken over het leven en hij herkende zich als een Bodhisatwa(=hij,die een Buddha moet worden). Hij liet rijk, ouders en zijn vrouw Gopa en zijn bezittingen achter, trok de bergen in als bedelmonnik en bereikte door grote krachtsontplooing de staat van “Verlichting”. Nadien predikte hij zijn leer met zijn leerlingen van stad tot stad trekkend. Zijn lievelingsleerling heette Ananda. Op tachtigjarige leeftijd stierf Buddha. Zijn preken en spreuken zijn later opgetekend.
Buddha’s leer heeft zich verbreid over geheel Voor-Indië; men werd zijn volgeling tot in het verre China, Japan en Tibet, zelfs tot in Maleise eilanden. De leer van Buddha was niet vijandig aan de oude godsdienst der Brahmanen, maar de verschillen in Kaste werden opgeheven.

Ieder mens, koning of knecht, priester of boer, kon het ‘pad des heils’ betreden.

De Indiërs hebben de wereld niet veroverd, maar Buddha’s leer drong zonder geweld tot ver over de grenzen. Onderling voerden de Indische koninkrijken wel strijd. Zij waren zwak en geraakten onder de heerschappij van Perzen, Grieken en Mongolen, ten laatste onder de Engelsen.

De grote Gandhi heeft Indië vrij van Engeland trachten te maken zonder geweld. Door de geestkracht van zijn werk werd Indië na de 2e wereldoorlog inderdaad vrij.

Veltman blz. 3

Voor de leerkracht:

Het is interessant dat India niet slechts in de ruimte een afspiegeling van de gehele aarde is, maar ook in de tijd spiegelt de Indische geschiedenis de andere cultuurperioden.

Veltman blz. 4Dan komen de Engelsen in het etherisch rijke Indië. Het is niet toevallig dat zij als dragers van het 5e cultuurtijdperk zich zo diep met India verbonden hebben!

HYMNE AAN AGNI (rig-veda)

O AGNI, HEILIG VUUR,
STRALEND IN REINE GLANS,
GIJ ZUIVERT ONS LEVEN.
GEEF  ONS VOEDSEL EN KRACHT.
BESCHERM ONS EN WEER HET ONGELUK AF!
GIJ OMVAT ALLE GODEN
ALS EEN RAD DE SPAKEN
GIJ ZIJT ONZE PRIESTER!
WIJ LOVEN U, AGNI,
GIJ GLANZENDE, STRALENDE!
HOOR ONZE BEDE…..

TEKST UIT DE UPANISHADS.

“GIJ, BRAHMA, ZIJT VROUW, GIJ ZIJT MAN
GIJ ZIJT DE DONKERBLAUWE BIJ EN DE GROENE PAPEGAAI
MET RODE OGEN. UW KIND IS DE BLIKSEM. GIJ ZIJT DE SEIZOENEN EN DE ZEEËN. GIJ HEBT GEEN BEGIN, GIJ DOORDRINGT ALLES, EN ALLES IS GEBOREN UIT U!”

BRAHMAANS GEBED (bij ’t opstaan)

BHUMA KSHAMAMI (aarde vergeef mij).

Veltman blz. 5HET HEILIGE WOORD ‘OM’ (AUM)

UIT HET BHAGAVAD-GITA , 11e zang

“Heer” sprak ARJHUNA, “indien gij meent, dat ik het verdragen kan, openbaar dan Uw eeuwige zelf aan mij!”
“Aanschouw dan, o prins, mijn duizenden vormen, aanschouw het heelal, dat in mij besloten is. Ik zal U het hemelse gezicht verlenen”, sprak KRISHNA.

Toen openbaarde VISHNU zich aan KUNTI’s zoon, met vele monden en ogen, vele wonderbaarlijke gezichten, vele hemelse versierselen en wapenen, bloemen en gewaden, gezalfd met zalven van hemelse geur, vol wonderbaarlijkheid, glanzend en eindeloos, met vele gelaten naar alle kanten gewend. Zijn schittering was als de schittering van duizend zonnen. En in dat lichaam zag Arjhuna het ganse heelal in al zijn onderdelen tot één verenigd. Zijn haren rezen te berge, hij boog het hoofd en sprak met gevouwen handen vol verbazing:

“Mijn God ik aanschouw U en alle goden zie ik in uw lichaam, elk naar zijn rang en alle schepselen; ik zie BRAHMA, tronend op zijn lotosbloem, en alle wijzen en de heilige slangen, oneindige vorm, ik vind aan u geen grenzen; ontelbaar zijn uw armen, magen, monden, ogen. Aan U is geen begin, geen midden en geen einde!
Gij zijt onverwoestbaar en onvergankelijk. Zon en maan zijn uw ogen, het vlammende vuur is uw mond. Gij vervult de vier hoeken des hemels en de ruimte tussen hemel en aarde. In u treden de scharen der DEVA’s binnen met gevouwen handen, vrede roepend. De RISHI’S en de heiligen zingen Uw lof met heilige zang.
Nu zie ik u, o VISHNU,  alomtegenwoordig, de hemel steunend in duizend kleuren, met opengesperde monden en vlammende ogen, nu beeft mijn hart, mijn rust is heengegaan.Vreselijk zijn uw monden met knarsende slagtanden, gloeiend als vuren op de dag des oordeels.
Wees mij genadig god der goden, toevlucht van het heelal! De zonen van DHRITARASHTRA, en menig koning; BHISMA, DRONA, KARNA, en ook vele vrienden zie ik uw vreselijke monden binnengaan, als motten die zich haasten naar het vuur tot hun vernietiging, zo zwermen deze helden uw monden binnen. Zeg mij, wie gij zijt, o vreselijke, o god der goden. Genade! Heer, uw wegen zijn voor mij verborgen!”

BUDDHA VERTELDE OVER ZICHZELF:

Ik groeide op, door zorgen omringd.
In de tuin van mijn vader waren vijvers met blauwe, witte en rode lotosbloemen – slechts voor mij bestemd. De fijnste reukwerken uit Benares, de fijnste zijden stoffen, alles was voor mij. Dag en nacht werd een wit scherm boven mij gehouden, opdat ik geen last zou hebben van hitte en stof. Ik had drie paleizen voor mij alleen: een voor de winter, een voor de zomer en een voor de regentijd en de bajaderen dansten voor mij. Zo levend in rijkdom, pracht en praal, kwam de gedachte bij mij op: Ook ik ben overgeleverd aan ouderdom, ziekte en dood! Moet ik daar nu van schrikken? Toen week de glans der jeugd, de schijn van gezondheid en kracht van mij en zo trok ik na korte tijd heen; ondanks mijn krachtig lichaam, mijn schone donkere lokken ging ik heen, tegen de wil van mijn vader en ondanks de smart van mijn vrouw. Met geschoren hoofd en in het gele kleed van de boetvaardige, verliet ik alles en zocht de eenzaamheid.

UIT BUDDHA1S LEVEN ZOALS DE INDIËRS HET VERTELLEN.

Van de goden kreeg de Bodhisatwa voor zijn geboorte deze opdracht:

“HET IS TIJD NEDER TE DALEN EN BUDDHA TE WORDEN TENEINDE OUDERDOM, ZIEKTE EN DOOD TE OVERWINNEN. EN DE DORSTIGE WEZENS DER WERELD HET WATER VAN DE ONSTERFELIJKE ZALIGHEID TE BRENGEN”!”

De pasgeboren Buddha deed zeven passen naar alle windstreken en sprake

“IK BEN DE EERSTE IN DE WERELD.  IK BEN DE GROOTSTE IN DE WERELD. DIT IS MIJN LAATSTE GEBOORTE. IK ZAL EEN EIND MAKEN AAN HET LEED VAN ZIEKTE’, OUDERDOM EN DOOD!”

Uit het snarenspel der Bajaderen klonk Prins Siddharta tegen:

“DE TIJD IS VOOR U GEKOMEN, O.HEER! LAAT NEERDALEN HET WATER VAN DE ONSTERFELIJKE ZALIGHEID, OM DE DORSTIGE WEZENS DER WERELD TE VERKWIKKEN! SNEL ONTVLIEDEN DE MENS DE VREUGDE DER JEUGD, ALS EEN SNELLE BERGRIVIER. ZIJ VERDWIJNEN ALS EEN WOLK IN DE HERFST, WEZENLOOS ALS EEN LUCHTSPIEGELING IN DE WOESTIJN, ALS SCHUIM, ALS EEN ECHO, ALS EEN DROOM!”

Toen de heilige Buddha was heengegaan, beefde de aarde, de donder rolde en Brahma sprak:

“AFLEGGEN ZULLEN ALLE WEZENS DEZER WERELD HUN LICHAAM, ZOALS DEZE GROTE MEESTER, DE ONVERGELIJKELIJKE, DIE DE WEG VAN BUDDHA GING,DE HEER DER KRACHTEN, DIE VOLLEDIG ONTWAAKT HET NIRWANA INGING.”

Toen de heilige in het Nirwana binnenging, sprak de eerbiedwaardige ANANDA:

“ER WAS EEN HEILIGE SCHRIK, EEN HEILIGE HUIVERING BEEFDE DOOR DE WERELD, TOEN DE ONTWAAKTE, DIE VOOR ONS HET OERBEELD VAN HET HOOGSTE EN SCHOONSTE WAS, HET-NIRWANA BINNENGING!”

 

Veltman blz. 9

Veltman blz. 7

Veltman blz. 6

Veltman blz. 8

 

Veltman blz. 10Dit kaartje niet!

Veltman blz. 11Ook dit lijkt me niet zinvol

En deze ook niet:

Veltman blz. 12

5e klas: geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – geschiedenis India

5e klas: alle artikelen

928-859

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis

Jeanne d’Arc


In het laatste kwart van de 100-jarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland leefde Jeanne d’Arc. Ze woonde en werkte in Domrémy, waar de heuvels aan de voet van de Vogezen boven de Maas uitrijzen.

Tussen die lieflijke heuvels hoorde Jeanne  stemmen van de heilige Catharina, de heilige Margareta en de aartsengel Michaël – haar opdracht Orléans te ontzetten en te zorgen, dat Karel VII, de verachte dauphin, in Reims gekroond werd.

Als ze toestemming krijgt een oudere man, een aangetrouwde neef, te bezoeken, haalt ze hem over haar mee te nemen naar een ambtenaar des konings in
Vancouleurs, 20 km. van Domrémy. Na een eerste brute weigering, waarbij de ambtenaar schertsend zegt, dat hij haar aan de soldaten zal geven te hunner vermaak, weet zij haar zin door te drijven, trekt mannenkleren aan, krijgt een paard van de hertog van Lotharingen.
Met een gewapend escorte gaat zij op weg naar Chinon, bijna 500 km ver, naar Karels hof. “Ik had zo’n respect voor haar, dat ik haar nooit ongepaste voorstellen had durven doen”, verklaarde een lid van het escorte, dat iedere nacht naast haar sliep. Ze liet de soldaten op hun taal letten, zei tegen een oudere officier, dat hij moest zweren bij zijn wandelstok in plaats van driftig tegen iedereen te vloeken.
Toen zij het kasteel van Chinon betrad, trachtte Karel haar te misleiden, door van plaats te wisselen met een hoveling. Maar Jeanne negeerde de
pseudo-koning op de troon, liep recht op de dauphin af, half verborgen tussen de hofhouding, en boog. “Geliefde dauphin, ik ben Jeanne, de Maagd. De Koning des Hemels zendt mij met de boodschap dat gij gezalfd en gekroond zult worden in de stad Reims”.

Toen Jeanne verscheen voor het sterkste Engelse bolwerk bij Orléans, de twee bruggetorens, Les Tourelles, keken de Engelsen verbaasd neer op de jongensachtige figuur in eenvoudige wapenrusting, schrijlings op een paard gezeten, met meisjesstem omhoog schreeuwend en onmiddellijke overgave eisend. Zij riepen terug, dat ze een hoer was, een boerenmeid, dat ze haar zouden verbranden als ze haar te pakken kregen. Ze schreeuwde terug, dat ze een bende leugenaars waren.

Vlak voor de eindstrijd bracht men Jeanne vis als ontbijt. “Neen”, zei ze, “bewaar het voor vanavond als we de brug over zijn en een ‘godon‘ hebben meegenomen om zijn deel ervan te eten”.

Godon was het meest vergaande, dat ze over haar lippen kon krijgen om de geliefkoosde Engelse vloek aan te geven.

Na een dag strijd vielen Les Tourelles; het beleg werd opgeheven. Jeanne werd de Maagd van Orléans genoemd en mannen drongen om haar heen. Ze achtervolgden de Engelsen noordwaarts, veroverden liefelijke stadjes aan de Loire, tot Jeanne bij Patay een grote overwinning behaalde, en weende, toen zij met het hoofd van een stervende Engelse soldaat in haar schoot zijn biecht hoorde.

Geschiedenis en biografie
Het bovenstaande is een van de biografieën, die voorkomen in de geschiedenisperiode van de 7e klas. Vol aandacht luisteren ze naar deze verhalen, zich maar moeilijk realiserend, dat dit waar gebeurd is, niet begrijpend, dat een meisje van amper 17 jaar zoveel moed en vertrouwen kan bezitten. Vol afschuw luisteren ze naar de beschrijving van de terechtstelling op de brandstapel .

Anderen zijn meer geboeid door de ontdekkingsreizigers. De moeilijkheden, die Magelhaes moet overwinnen zijn voor velen soms onvoorstelbaar.

“Ja maar meester, het is toch logisch, dat je rond de wereld kunt zeilen” en “Hoe kunnen ze nu zo’n vreemde kaart tekenen”. “Waarom zijn ze nu zo bang om verder te varen”. “Dat is toch logisch”.

Steeds weer vragen naar verklaringen. Vragen naar het hoe en waarom.

In de 7e klas wordt het abstracte, nuchtere denken ontwikkeld en dat blijkt niet alleen uit de vragen, maar ook uit de kritiek, die ze op alles en iedereen hebben. Ook op zichzelf. Alleen, dat zullen ze niet vaak hardop zeggen. Ze komen volop in de puberteit; armen en benen worden lang en onhandelbaar, jongensstemmen rauw en zwaar. Meisjes worden jongedames.

De leerstof wil op dit alles antwoord geven. Uitbreiding van de wiskunde, en de natuurkunde. Uit elkaar peuteren en in elkaar zetten, verklaren en beredeneren. Uitvindingen en ontdekkingen.

De wereld wordt groter: sterrenkunde. Hemellichamen worden besproken, verschijnselen verklaard. Zelfs de stoffen worden nader bekeken en in contact met de elementen vuur, aarde, lucht en water gebracht: scheikunde.

En als een zekere afsluiting volgt dan de menskunde, waar de dierkunde, de plantkunde, de mineralogie en de sterrenkunde in hun relaties met de mens worden behandeld.

Als leerkracht hoop je dan, dat er een gevoel van verbazing en dankbaarheid bij de kinderen ontstaat, zoals dat zo prachtig naar voren komt in het gedicht van Christian Morgenstern, waarmee de menskundeperiode begon.

Sj.Adema, nadere gegevens onbekend

Het gedicht van Morgenstern werd niet weergegeven, wel van Goethe – uit de natuuurkundeles:

Und was des Feuers macht erfasst,
Bleibt weder Urform noch Erdenlast.
Verflüchtigt wird es unsichtbar,
Eilt hinauf, wo einst sein Anfang einmal war.

Meer over Jeanne d’Arc

Klas 7: alle artikelen

924-855

VRIJESCHOOL – 5e klas geschiedenis – Troje

.

Heinrich Schliemann

In 1830 leefde in het Noord-Duitse dorpje Ankershagen een zevenjarige jongen. Hij was de zoon van een predikant. Zijn vader had de goede gewoonte om elke avond iets wetens­waardigs aan zijn zoon voor te lezen. Verhalen, waar de knaap met aandacht naar luisterde. Zo vertelde de predi­kant onder meer het verhaal van Troje, de legendarische en rijke stad in Turkije. Deze stad werd in de Oudheid tien jaar achtereen belegerd, aldus het verhaal van de Griekse dichter Homerus. De Grieken onder leiding van koning Agamemnon, namen ten slotte door een list de stad in. Paris, de zoon van de Trojaanse koning Priamus, had de beeldschone Griekse Helena naar Troje ontvoerd. Helena was de echtge­note van Menelaus, de broer van Agamemnon.

Ter gelegenheid van Kerstmis schonk de predikant zijn zoon, Heinrich Schliemann, een fraai boekwerk. Het was de Geïllustreerde Wereldgeschiedenisvan de auteur Jerrer. In dit boek stond een afbeelding die een diepe indruk maakte op de jonge Heinrich. Een afbeelding van Troje omringd door ontzagwekkende muren. De stadspoort stond in lich­terlaaie. Het was een tafereel dat hij niet uit zijn gedachten kon zetten. Heinrich was ervan overtuigd dat Jerrer Troje moest hebben gezien. Hoe zou hij anders zon precieze be­schrijving kunnen geven van deze stad? Vader Schliemann hield het op een verzinsel, maar zijn zoon was niet te over­tuigen. Zon stad kan niet zo maar van de aardbodem ver­dwijnen. Troje moet ergens onder het puin verborgen lig­gen,’ hield hij koppig vol. En eens zal ik haar gaan zoe­ken.’

Het zou jaren duren, voordat het voornemen van Heinrich Schliemann werd uitgevoerd. Hij werd winkelier, maar in­middels kende hij de werken van de Griekse schrijver Homerus bijna uit zijn hoofd. Hij bestudeerde ijverig de Griekse taal, want het tafereel, dat hij als zevenjarige knaap onder ogen had gekregen, kon hij niet vergeten. Financieel ging het hem bijzonder goed, maar dat belette hem niet om de zakenwereld op 41-jarige leeftijd vaarwel te zeggen. Hij zou zijn jeugddroom – het opsporen van het legendarische Troje – gaan verwezenlijken.

De vlakte van Troje

Aan het begin van de 19e eeuw hielden de meeste geleerden hardnekkig vol dat de legendarische stad Troje nooit heeft bestaan. Wat Homerus in zijn ’Ilias’ heeft beschreven, moest volgens hen beschouwd worden als fantasie. Volgens Homerus zou Troje hebben gelegen in de buurt van de Dardanellen tussen de Egeïsche en de Zwarte Zee. Schliemann kende de ’llias’ uit zijn hoofd. Hij vertrok naar Klein-Azië en begon het gebied rond de Dardanellen systematisch te onderzoeken. Maandenlang vergeleek hij de beschrijving van de plaatsen in de ‘Ilias’ met zijn eigen waarnemingen. Zijn aandacht richtte zich vooral op een heuvel met de naam ’Hissarlik’.

Deze heuvel was dertig meter hoog en lag nogal opvallend in het vrij vlakke landschap. Schliemann had het geluk om bij een kleine proefopgraving direct op wapens en gebruiksvoorwerpen te stoten.

Het is niet moeilijk om zijn vreugde voor te stellen over deze vondst. Was hij al dicht bij z’n doel? Zou aan deze heuvel werkelijk de legendarische stad Troje hebben gelegen? Vol spanning gaf hij bevel om verder te graven. Opgewonden wachtte hij af wat het resultaat zou zijn. En plotseling werden de eerste muren blootgelegd. Maar de verbazing werd groter toen men steeds op nieuwe muren stuitte. Uiteindelijk bleek dat de stad niet minder dan negen keer was opgebouwd. De tijdperken van verwoesting en opbouw konden door Heinrich Schliemann vrij nauwkeurig worden vastgelegd. Zijn jeugddroom was werkelijkheid geworden.

Troje 1

Troje 2

Troje 3

Troje 4

Troje 5

Troje-9
(Ongeveer van de 1e tot de 5e eeuw na Chr.)

De ’bovenste’ stad van de heuvel Hissarlik was een Romeinse nederzetting. Troje-9 werd gebouwd als eerbewijs aan Eneas, de legendarische held van Troje, van wie de Romeinen zouden afstammen. Jammer genoeg werd de top van de heuvel geëgaliseerd om herbouw mogelijk te maken. Bij deze werkzaamheden werden delen van de onderliggende lagen verwoest. Waarschijnlijk is dit de reden geweest, waarom het paleis van koning Priamus nooit is teruggevonden. Vermoedelijk was dit op een van de bovenste terrassen gebouwd. De laatste stad Troje, op de heuvel die naar Schliemann is genoemd, is gelijk met het Romeinse rijk in verval geraakt. Langzamerhand bedekten stof en zand de laatste resten van de vroegere stad. Dat heeft 1300 jaar geduurd, totdat Heinrich Schliemann zijn jeugddroom in werkelijkheid omzette.

WIE WAREN DE TROJANEN?

Waarschijnlijk zijn de Trojanen van de Balkan afkomstig. Nadat het volk de Dardanellen was overgestoken, vestigde het zich op de uitgestrekte vlaktes van Klein-Azië. De naam Troje is afgeleid van de namen van twee legendarische figuren, Tros en zijn zoon llios, de voorvaderen van koning Priamus. Troje was een rijke stad. De bodem in de omgeving bevatte waardevolle delfstoffen en de gunstige ligging maakte de stad tot een centrum van handel in de Oude Wereld. Troje werd de opslagplaats van goederen uit het Donaugebied en de landen rond de Zwarte Zee. Uit het noorden werden wapens en wierook ingevoerd. De landen rond de Egeïsche Zee verhandelden olie, wijn en brons. Troje zelf voerde zilver, goud en hout uit. Uit het verre China werd zelfs (halfedelsteen) jade ingevoerd.

DE GOUDEN SCHAT

Schliemann was bijna klaar met zijn opgraafwerkzaamheden, toen hij op een verborgen plaats in de vestingmuur van Troje-2 een grote verzameling kostbaarheden vond. Waarschijnlijk waren ze daar verborgen vlak voor de tweede vernietiging van Troje. Er waren vele armbanden, ringen, kettingen en hoofdversieringen bij. Deze kostbare verzameling telde niet minder dan 8700 voorwerpen van zuiver goud. Omdat Schliemann ervan overtuigd was dat Troje-2 de stad was, die in de ‘Ilias’ wordt genoemd, dacht hij dat hij de schatten van koning Priamus gevonden had.

Tegenwoordig wordt aangenomen dat de gevonden kunstwerken ongeveer 1000 jaar ouder zijn.

Troje 6

 
5e klas geschiedenis: geschiedenis
.
5e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klasalle geschiedenisbeelden
 
.
898-829

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Trevithick

 

Richard Trevithick

Ontwerper van de eerste locomotief

In vroeger tijd haalden Gallische kooplieden tin en koper uit het toen nog half barbaarse Brittannië, een bijna legendarisch eiland in het mistige noorden, en brachten het naar Rome. Ook Fenicische zeevaarders kwamen tin uit Cornwall halen, het land van de mijnen, met zijn ruwe, hard werkende bewoners, waarvan men zei, dat het reuzen waren.

In die streek werd Richard Trevithick in 1771 geboren als zoon van een energieke mijnbeheerder. Dick hoorde zijn vader aldoor klagen over water, dat in de mijnen siepelde. ‘Water! Overal water! Op een goeie dag zal het water ons nog verdrijven! We kunnen wel aan ’t pompen blijven, maar ’t helpt niet voldoende!’ Ze deden wat ze konden, eerst met de gebrekkige newcomenpompen en daarna met de door Watt verbeterde pompen, maar het leek vergeefse moeite. Dick vond het heerlijk te kijken naar de mannen, die aan de machines werkten en te luisteren naar het voortdurende geraas en gerammel ervan; hij genoot van de grote vuren onder de stoomketels en moest niets hebben van de school. De meester vond hem dan ook eigenzinnig, ongehoorzaam en dom. ‘Als hij er is, let hij niet op en hij blijft nog dikwijls weg ook. Hij doet nooit wat ik hem zeg, en er komt nooit iets van hem terecht; hij is verwend en moest een flink pak rammel hebben, liefst een paar maal in de week.’ Als hij kans zag te spijbelen, spookte hij in de buurt van de ingang van de mijnen rond, praatte met de mijnwerkers, gooide schoppen kolen onder de machines en vroeg de mannen de oren van het hoofd. ‘Blijf toch van die mijnen vandaan,’ bezwoer zijn vader hem. ‘Van mij hebben ze al een slaaf gemaakt, moeten ze jou nou ook nog opslokken?’ Het gaf allemaal niets; Dick was dol op de mijnen en aan de school had hij ’n broertje dood. Maar de machines vond hij nog het mooist, met hun voortdurende lawaai en hun reuzenkracht. Hij zeurde net zo lang, tot de stokers en machinisten hem allerlei karweitjes lieten opknappen en het duurde niet lang, of Dick kon bijna tegen een volwassen man opwerken. Hij was groot en sterk voor zijn leeftijd en omdat hij volkomen thuis was in de behandeling van mijnpompen, kostte het hem geen moeite een baantje te krijgen als mijnopzichter in een plaatsje dicht bij zijn huis, lang voordat hij mondig was. Zijn vader kwam erachter en stapte kwaad naar de mensen toe, die zijn jongen in dienst hadden genomen. ‘Wat is dat voor ’n manier, die jongen van mij opzichter bij jullie te maken zonder mijn toestemming te vragen? D’r komt niets van in. Laat ’m meteen weer oprukken!’ ‘Beste meneer Trevithick, het spijt ons, maar we kunnen ’m niet missen; hij is onze beste werkkracht. Hij is oud genoeg om te weten, wat hij doen en laten moet.’ Dick bleef en was zo dol op de machines, dat hij ze soms streelde, alsof ze levend waren. Hij lette aandachtig op iedere werking en probeerde alle fouten in het mechanisme te verbeteren, met het gevolg, dat hij op zesentwintigjarige leeftijd een pomp construeerde, die meer water omhoog bracht dan de beste, die toen bestond. ‘We moesten meer druk hebben,’ zei hij tegen zijn helpers. ‘Zonder meer druk kunnen we onmogelijk meer kracht ontwikkelen.’ Als iemand aankwam met het argument, dat meer druk meer gevaar betekende, lachte Dick Trevithick bij het idee. ‘Gevaar! Wat betekende dat nou!’ Hij was zo sterk als een paard en zo gezond als een vis. Hij stak een hoofd boven de meeste andere mannen uit. Een echte reus uit Cornwall. ‘Wat denk je, dat Dick Trevithick nou weer heeft uitgehaald?’ ‘Nu, wat dan?’  ‘Een gewicht van vijftig pond aan z’n duim opgehangen en zo z’n naam in de lucht geschreven.’ ”t Is me je mannetjesputter wél. Weet je nog wel die keer, dat-ie die zware Captain Hodge oppakte en hem ondersteboven zo hard met z’n zolen tegen de zolder duwde, dat het net leek of-ie tegen de zolder had gelopen – z’n voetsporen stonden er nog op!’ Dick was zo blakend van energie en levenslust, dat hij altijd met luide stem sprak; hij worstelde met de stoere mijnwerkers, die hun leven lang spierarbeid verricht hadden en haalde altijd kattenkwaad uit. Hij was ze in alles de baas, niet alleen in vechten en kwajongensstreken, maar ook in ’t werk.

In 1801 – toen was hij dus dertig jaar – zorgde Dick er voor de zoveelste maal voor, dat hij bij de goegemeente over de tong ging. Wat had hij gedaan? Een stoommachine op wielen gefabriceerd en daar zou hij nu mee op straat gaan rijden. Hij nodigde de notabelen van het dorp uit, de eerste proeftocht mee te maken. Dat was een sensatie! En nog wel op de dag voor Kerstmis. Met een breed handgebaar noodde Dick zijn gasten tot instappen en duwde er al vast eentje in. ‘Tsjoeketsjoek! Rrrrrrr! Pufpuf!’ Daar begon de stoomwagen te hobbelen met de eerste passagiers, die ooit van een dergelijk transportmiddel hadden gebruik gemaakt. Met de tanden op elkaar hielden ze zich met beide handen krampachtig vast, terwijl de wielen met horten en stoten over de ongelijke landweg rolden. Een potige mijnwerker blies het vuur aan met een blaasbalg, zodat de vonken boven de hoofden van de angstige passagiers vlogen. Nu kwamen ze aan een punt, waar de weg iets opliep. ‘Zou-ie het halen?’ vroegen de passagiers. ‘Pffffff! Tsjoek!’ De wielen begonnen langzamer te draaien, de grote mijnwerker blies zich een ongeluk en het zweet stroomde over zijn gezicht. Maar de stoommachine vertikte het. De mannen lachten allemaal en Dick lachte van harte mee. Hij was vol vertrouwen, al had hij zich in zijn stoutste dromen niet kunnen voorstellen, dat er een tijd zou komen, dat er locomotieven met treinen erachter dwars door alle werelddelen zouden rijden en dat ze over de Alpen en de Andes zouden gaan. ‘We moeten een effen weg hebben,’ legde Trevithick hun uit, ‘we zullen er een moeten aanleggen. En ’t is ook helemaal niet nodig tegen een heuvel op te rijden – we gaan er gewoon omheen!’ Hij zette zich aan het werk en construeerde spoorstaven, die hij van plan was zo horizontaal mogelijk te leggen. ‘Dan kunnen we naar Londen rijden op rails.’ ‘Maar als je dan over een rivier moet? En wat doe je dan met de Theems? Of denk je soms, dat die zware machine niet door de houten brug heen zakt?’ ‘Je kan praten wat je wil ‘zei Dick, ‘we gaan toch naar Londen, en als de bruggen het niet houden, maken we andere. En als de Theems te breed is, om er een brug over te maken, graven we er een tunnel onderdoor.’ ‘Hahaha,’ riepen ze allemaal in koor, maar Dick dacht: wie het laatst lacht, lacht het best! Hij nam patent op zijn uitvinding en construeerde toen een betere machine. De Londenaars keken zich de ogen uit het hoofd, toen Dick ermee door de straten van de City reed. Voetgangers gingen op de vlucht, paarden sloegen op hol en wie bleef staan, stond paf. Aangemoedigd door het succes, begon hij onmiddellijk aan een verbeterde editie en op 11 februari 1804 liet hij voor een stomverbaasd publiek zijn stoompaard tien ton ijzer, vijf spoorwagens met zeventig juichende passagiers met een snelheid van acht kilometer per uur trekken. De trein legde in het geheel een afstand van ruim veertien kilometer af en deed daar vier uur en vijf minuten over. En die snelheid van acht kilometer per uur dan? Ja, dat kwam doordat er nogal eens oponthoud was. Als de machine eenmaal op gang was, en zolang hij op gang was, kon hij acht kilometer per uur halen, maar zo nu en dan moest er gestopt worden voor een reparatie. Eilacie! Het eind van het lied was, dat de stoomketel lek raakte en dat er dus geen druk meer was. Toen was het: Allen uitstappen! En iedereen moest toen maar op eigen gelegenheid zien thuis te komen. Vier jaar later huurde Trevithick een onbebouwd perceel in Londen – dat was dus in 1808 – legde daarop een ceintuurbaantje aan en zette er zijn locomotief en een spoorwagen op. Toen hing hij er een bordje op: Deze wonderbaarlijke machine zal zijn krachten aan het publiek tonen met ingang van heden, om elf uur. Toegangsbewijzen vijf shilling per stuk. Tegen elf uur was het zwart van de mensen, die hun ogen uitkeken naar het in een kring lopende spoorbaantje en naar de machine met zijn grote wielen en zijn hoge schoorsteenpijp, waaruit dikke zwarte, stinkende rookwolken omhoogstegen. Ze keken ook naar Trevithick, die een hoofd boven de omstanders uitstak, zijn handen en gezicht vol kolenstof en olie. Het publiek had geen spijt van zijn geld, want het treintje reed met een vaart van bijna veertig kilometer per uur steeds maar in de rondte. Dat was iets voor de sportmensen; ze gingen onmiddellijk weddenschappen aan, dat de locomotief het van een paard zou winnen. Er waren er echter genoeg, die het betwijfelden, want ‘hoe kan een machine het in ’s hemelsnaam van een paard winnen?’ ‘Wie zou het nu in zijn hoofd halen zo hard te rijden? De locomotief zou al gauw buiten adem raken.’ Toen de weddenschappen behoorlijk waren afgesloten, ging de locomotief er vandoor met een vaartje van bijna veertig kilometer per uur en hield die snelheid een hele poos vol. Daar stonden de Londenaars paf van. ‘Wat een tijden beleven we, wat een tijden!’

Richard Trevithick heeft kans gezien om zijn leven lang de mensen op de een of andere manier paf te laten staan en als al zijn uitvindingen in praktijk waren gebracht, zou Engeland toen zijn tijd ver vooruit zijn geweest. Zo drong hij er bij voorbeeld op aan, dat men gebruik van stoommachines zou maken om schepen voort te bewegen en hij construeerde er ook zelf een door een machine in een oude schuit in te bouwen; maar toen hij zei, dat het ’t best zou gaan door er een schroef aan te zetten en die door middel van stoom te laten draaien, zodat de schroef de schuit voortduwde, lachte men hem braaf uit. De hilariteit steeg nog, toen hij beweerde, dat men ook een heel schip van ijzer kon maken. ‘Hij is van lotje getikt; een schip van ijzer zinkt natuurlijk.’ Toen er bij Margate een schip gezonken was, haalde hij het met behulp van stoom aan de oppervlakte. Hij maakte een boormachine, waarmee hij diep in de rotsbodem boorde en wijzigde de machine daarna, zodat hij er uitgeboorde rots mee kon fijnmalen. Op een andere keer zei hij: ‘’t Is helemaal niet nodig dat stoomketels in de lucht vliegen; je kunt er een maken, die feitelijk uit een serie pijpen bestaat. Dan riskeer je vrijwel niets en bovendien krijg je dan gauwer stoom.’ Voor de boeren maakte hij een stoomdorsmachine en het dorsen vlotte veel sneller; hij maakte ook een stoomploeg en beweerde, dat als alle boeren een stoommachine kochten en daar het werk mee deden en ook stoom gebruikten voor tractie, Engeland veel meer zou kunnen produceren en verkopen en voldoende zou hebben voor een tweemaal zo grote bevolking. Zijn vooruitziende geest voorspelde dus feitelijk het gebruik van ijzeren en stalen stoomschepen, stoomschroeven, vlampijpketels en landbouwtractoren. Zijn uitvindingen waren het onderwerp van de dag.

Op een goede dag zag een vertegenwoordiger van een mijnonderneming in Peru een model van zijn mijnpomp, kocht deze en trok er mee naar Peru. Daar gaf de directie hem opdracht pompen volgens dat model in Engeland te kopen. Hij begaf zich op reis, werd onderweg ziek en moest zes maanden op Jamaica blijven. Eindelijk kwam hij in Engeland en kocht daar niet alleen de pompen, maar overreedde Trevithick ook met hem mee te gaan naar Peru. Zo werd de uitvinder op zijn vijfenveertigste jaar (in 1816) wereldreiziger en begon onderzoekingstochten te ondernemen. Eerst ging hij naar de mijnen van Cerro de Pasco, hoog in de Andes. Daar bracht hij op een hoogte van bijna zevenduizend meter een hele tijd door in een streek, waar geen plantengroei meer was en die voortdurend door ijskoude bergwinden werd geteisterd. Die er pas kwamen, werden door een bergziekte, veroorzaakt door gebrek aan zuurstof, aangetast en een lichte verkoudheid verliep op die hoogte soms in een dodelijke longontsteking. In die troosteloze omgeving, bijna uitsluitend bewoond door Indianen in vuile stenen hutten zonder enig huisraad, installeerde Trevithick zijn machines en gaf hij advies in de zilver- en kopermijnen. Daar verduurde hij alle mogelijke ontberingen, afgesloten van de rest van de wereld. Op een hoogte, waar het zelfbehoud eist, dat men zich langzaam beweegt en zo weinig mogelijk energie verspilt, spaarde Trevithick zichzelf en de arbeiders niet. Het scheelde maar een haar, of hij was aan tyfus gestorven, maar hij zag de dood moedig onder ogen en liet zich door niets en niemand ontmoedigen. Op een keer kreeg een mijnwerker een ongeluk en zijn arm werd verbrijzeld. ‘Haal onmiddellijk een chirurg!’ brulde Trevithick. Maar binnen een omtrek van ruim driehonderd kilometer was er geen chirurg te bekennen; die zou beneden uit het dal gehaald moeten worden. Ze stonden allemaal om de ongelukkige heen, maar niemand stak een vinger uit. Toen nam Trevithick het beste mes, dat er te vinden was, maakte het schoon, en amputeerde de arm. Hij verbond de wond zo goed, dat de man bleef leven. Maar Trevithick liep voor die hoogte te hard van stapel; er ontstonden zoveel complicaties en klachten, dat hij er de brui aan gaf en in zuidelijke richting naar Chili trok, waar hij terecht kwam in een onherbergzaam oord, waar kopermijnen werden geëxploiteerd. Daar hield hij het zes jaar uit onder allerlei gevaren en ontberingen en zwierf daarna in noordelijke richting langs de westkust van Zuid-Amerika en door Centraal-Amerika naar Costa Rica, waar hij weer werk vond in de mijnen. Drie jaar later, bijna vijfenvijftig, kostte zijn zucht naar avonturen hem bijna het leven, want met negen anderen ondernam hij een tocht van west naar oost, dwars door Centraal-Amerika naar Nicaragua. Zij moesten hun eigen weg door het oerwoud hakken, tot bloedens toe gewond door de doornige slingerplanten en cactussen, vergiftigd door planten en gekweld door zwermen muskieten en zwarte vliegjes, die hen bijna verblindden. De grootste helft van de tijd had hij er geen flauwe notie van waar ze waren, welke kant ze op moesten en waar ze terecht zouden komen. Als ze bij een rivier kwamen, bouwden ze zo goed en zo kwaad als dat ging een vlot en lieten zich stroomafwaarts zakken, maar het waren snelstromende tropische rivieren met stroomversnellingen en watervallen, en een van de mannen verdronk. Onderweg aten ze onbekende vruchten, zonder zich erom te bekommeren, of ze vergiftig waren of niet en zo nu en dan hadden ze helemaal niets te eten. Af en toe schoten ze een aap. Als ze ’s nachts te midden van de tropische plantengroei en soms in de moerassen een soort kamp opsloegen, wisten ze nooit, of ze de nacht levend zouden doorkomen. Eindelijk kwamen ze toch aan de kust en bereikten na een lange zwerftocht Cartagena in Columbia.

Daar ging Dick eindelijk na een afwezigheid van elf jaar scheep naar Engeland. Al die tijd had zijn vrouw, als een tweede Penelope, op hem gewacht en ze ontving hem met open armen. ‘Ik heb een fortuin verdiend!’ riep Dick, zodra hij in de kamer was. ‘Dan zijn we dus rijk! O, wat heerlijk Dick,’ zei zijn vrouw en klapte in haar handen. ‘Dat is te zeggen, we hadden het kunnen zijn.’ ‘Heb je dan alles weer opgemaakt, of hebben ze het je ontstolen?’ ‘Nee, maar ik had een heel fortuin verdiend met de berging van de kostbare lading van de San Martin en daar kreeg ik een bom geld voor.’ ‘Nou, dat is toch prachtig! Maar waar is het dan?’ ‘Ja, zie je, lieveling, ik heb aldoor aan je gedacht en toen wou ik, dat je de rijkste vrouw van Cornwall zou zijn en toen heb ik voor dat geld een aandeel in een parelvisserij gekocht, want dan kon ik mijn kapitaal verdubbelen. Ik dacht het vast. Maar de hele zaak is mislukt. En toen had ik geen cent meer.’ Zo was Dick zijn leven lang: een groot kind, een avonturier, altijd vol ideeën en plannen, die hij ook uitvoerde en met succes; iemand die zijn tijd ver vooruit was, iemand met een kolossale levenslust en werkkracht, maar ook iemand, die het land had aan alles, wat sleur was en die zich niet kon voegen in ’t streng maatschappelijk gareel, een individualist in de goede en de slechte zin des woords. Een jaar na zijn thuiskomst diende Trevithick een verzoek in bij de regering om een geldelijke ondersteuning, op grond van de waardevolle diensten, die hij door zijn uitvindingen aan zijn land had bewezen; hij kreeg echter nul op het rekest!

Hij stierf zes jaar later in 1883, op tweeënzestigjarige leeftijd, en werd van de armen begraven. Waar, is op het ogenblik onbekend! Zijn naam blijft echter voortleven bij het nageslacht!.

 

8e klasalle artikelen

Biografieënalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

895-826

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lodewijk XVl

.

Lodewijk XVI

1754-1793

Enkele van de meer romantische Franse revolutionairen hielden ervan om vergelijkingen te maken tussen het ‘Ancien Régime van de Lodewijken en de uitspattingen van het Keizerlijke Rome. Zo noemden ze koning Lodewijk XVI soms ‘Caligula’. Een dwazere vergelijking is niet denkbaar dan tussen de krankzinnige, bloeddorstige Romeinse keizer, die dacht dat hij een god was en de milde, welwillende heer die eigenlijk nooit koning had willen zijn.

Aan het eind van de 18e eeuw werd Frankrijk door de adel bestuurd. Het was een maatschappij waarin de edelen steeds aanzienlijker waren geworden. De edelen hadden de macht over de parlementen, de hoogste gerechtshoven van het land en waren de enige ‘rem’ op de alleenheersende koning. De Franse koning was de eigenaar van de rijkdom van zijn onderdanen. Lodewijk XVI kon belasting heffen wanneer hij wilde, hij bepaalde hoeveel en waaraan geld zou worden uitgegeven. De belangrijkste belasting was de grondbelasting. De rijkdom die verdiend werd in handel en leningen, bleek ongrijpbaar te zijn. De parlementen waren druk bezig met het opkomen voor de eeuwenoude rechten van de plattelanders. De boerenstand (de meeste van hen waren landarbeiders zonder eigen grond) en het groeiende proletariaat in de steden, kreeg sterk te lijden van de stijgende prijzen. De lonen stegen lang zo snel niet. De burgerstand was goed af wat geld betreft, maar ze koesterden wrok over de voorrechten die de adelstand genoot.
Vooral hun macht over de hoge regeringsambten werd hen door de burgerstand benijd. De botsing werd veroorzaakt door een financiële crisis.. Lodewijk XVI had een enorme staatsschuld geërfd van zijn voorgangers. Daarna had hij die schuld verdubbeld  met de uitgaven voor de steun aan de Amerikaanse koloniën. De parlementen werkten aan de hervormingen van het belastingsysteem waarbij de kerk en de adel hun deel zouden moeten betalen. Tegen 1780 werd de situatie kritiek. De regering kon niet doorgaan met het lenen van geld. Het nodige geld zou verzameld moeten worden door het heffen van belastingen. Onder druk van de parlementen riep Lodewijk de Staten-Generaal bijeen, voor het eerst na anderhalve eeuw. In mei 1789 kwamen 300 afgevaardigden van de Adel, 300 van de Geestelijkheid en 600 van de Derde Stand bijeen in Versailles. De Derde Stand eiste samensmelting met de andere standen in één vergadering. Ze noemden zich de ‘Nationale Vergadering’.

Op 14 juli 1789 werd de Bastille, de gevangenis in Parijs en het symbool van de absolute monarchie bestormd door het woedende Parijse volk. De gouverneur van de Bastille werd gedwongen zich over te geven en de 6 of 7 gevangenen werden vrijgelaten. De Franse Revolutie was begonnen.

Door voor de edelen te kiezen, had Lodewijk XVI ie eerste stap verloren. Hij luisterde teveel naar de koningin, Marie-Antoinette, die geprobeerd had Franse steun te krijgen voor de ambities van haar geboorteland Oostenrijk, in het buitenland gebieden te verwerven. Het Franse volk mocht naar niet.

Terwijl de Nationale Vergadering aan de grondwet werkte, eisten de hongerige armen verlichting in het lijden dat veroorzaakt werd door de schrale oogst. Er waren voedselrellen aan de gang m Parijs. In oktober van het jaar 1789 trok een groep van duizenden woedende vrouwen naar Versailles. Ze hadden gehoord dat er meel lag opgeslagen. Bij de vrouwen waren enkele afgevaardigden van de Nationale Vergadering aanwezig.
Door gebruik te maken van de indrukwekkende massa vrouwen, dwongen ze de koning om zijn toestemming te geven aan de wetten die de Nationale Vergadering had ontworpen.

Lodewijk XVI    1 - 0006

Enkele duizenden woedende vrouwen trekken op naar Versailles in oktober 1789. Ze hadden geruchten gehoord dat er daar meel gehamsterd werd.

In augustus werden alle herendiensten, alle belastingvrijdom en alle bijzondere voorrechten van de steden afgeschaft. Alle burgers waren benoembaar voor alle ambten. De kleine kans dat Lodewijk XVI met de Revolutie zou meewerken verdween, toen in 1790 de Nationale Vergadering de burgerlijke inrichting van de geestelijkheid invoerde. Daarmee werd het grondbezit van de kerk in één klap tot bezit van de staat verklaard. Frankrijk was van zijn geldproblemen af.

De paus veroordeelde de wet openlijk. Lodewijk XVI vreesde voor zijn ziel en weigerde aanvankelijk de wet te ondertekenen. Maar in de eerste maanden van 1791 dwong men hem het toch te doen. Marie-Antoinette probeerde een laatste keer invloed op haar man uit te oefenen. Het lukte haar, Lodewijk XVI over te halen een vluchtpoging naar de oostgrens te ondernemen. Vermomd als bedienden glipte het koninklijk paar, hun kinderen en ‘mme de Korff’ (de koninklijke gouvernante) uit Parijs. Slechts enkele uren later werd de kleine groep bij de stad Varennes ingehaald door de Nationale Garde. De koninklijke gevangenen werden teruggebracht naar Parijs en bespot door hun onderdanen.

In juni van het jaar 1792, een jaar na de vlucht, slaagde een menigte erin om in de Tuilerieën door te dringen. Lodewijk XVI toonde zich opmerkelijk kalm. Hij wist de indringers wat te kalmeren door hen hoffelijk uit te nodigen de koninklijke vertrekken te bezichtigen.

In augustus was Parijs in rep en roer. De Parijse bevolking bestormde wéér de Tuilerieën. Lodewijk XVI was uitgeweken naar de Nationale Vergadering. Het gebouw van de Nationale Vergadering werd bestormd. De nieuwe regering, de Commune, dwong de Nationale Vergadering zich te ontbinden. Een radicaal lichaam, de Nationale Conventie, nam de leiding over. Ondertussen werd de koninklijke familie gevangengezet in een versterkte toren, de Temple. Lodewijk XVI werd berecht, schuldig verklaard en onthoofd. In oktober volgde de gehate Marie – Antoinette hem naar het schavot.

Lodewijk XVI    2 - 0006

Het hoofd van Lodewijk XVI wordt aan het juichende volk getoond na zijn terechtstelling in 1793. Hij werd beschuldigd en veroordeeld vanwege zijn daadwerkelijke pogingen om de revolutie tegen te werken. De verachte Marie-Antoinette volgde haar echtgenoot in oktober 1793 naar de guillotine.

8e klas: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Biografieënalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

893-824

.

.

.