Tagarchief: advent

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (12)

.

ADVENT 

Kerstmis nadert.
We vieren advent, de verwachting van de geboorte van het Kind.

We vieren advent in een tijd, waarin je steeds meer geneigd bent te denken, dat som­mige kinderen maar niet geboren moeten worden.*

In een tijd waarin steeds meer mensen menen te kunnen voorspellen dat het leven van sommige kinderen niets dan ellende voor zichzelf en voor anderen zal betekenen, zo­dat het een.goede, een sociale daad is om de geboorte van deze kinderen op de meest radicale wijze te verhinderen.

Steeds moeilijker wordt het de zorg van het leven voor de ene mens af te wegen tegen de verantwoordelijkheid voor dat van een ander. Normen die eens vanzelfsprekend waren, blijken nu weerstanden op te roepen, maar waarop berust datgene wat als voor­uitstrevend en juist verkondigd wordt? Hoe houd je in de maalstroom van de ontwikke­ling het zicht op de kern van de problematiek?

In deze tijd betekent het een weldaad om beelden voor ogen te krijgen die tot deze kern terugvoeren.
Dat zijn de beelden zoals deze gegeven worden in de Kerstspelen,
die jaarlijks in de school voor de leerlingen en voor de ouders en vrienden wordenopgevoerd. Spelen, die in hun eenvoud zo zuiver en zo raak het drama van de menselijke ontwikkeling voor ogen stellen, dat iedere discussie overbodig wordt.
Het kan dan ook gebeuren, dat wanneer je jarenlang deze spelen hebt gezien en je je op een ander moment van het jaar met een bepaalde problematiek bezig houdt, plotseling beelden uit het Paradijs-, het Herders- of het Driekoningenspel in je opduiken en een verhelderend licht hierop werpen,

Maria die de engelboodschap hoort. Ze is eigenlijk niet blij, maar eerder verrast. “Hoe zal dat zijn dewijl ik genen man en bekenne?” vraagt zij. In een tijd waarin het meest intieme samenzijn van man en vrouw nog onbewust in de slaap kon plaats vinden, is haar verwondering oprecht.

Zij heeft dit niet verwacht, zeker niet “gewenst”. Maar zij aanvaardt in vertrouwen de opdracht die haar gesteld wordt en die voor haar levensbeheersend zal zijn:
“Mij’ geschiede naar Uw wil.”

Jozef en Maria
Zij hebben het niet breed. Geen sociale voorzieningen; van hun armoedje moeten zij nog “tribuut” betalen en bovendien onder benarde omstandigheden een reis ondernemen. Zij worden onvriendelijk bejegend en het aanbod van een stal als kraamkamer moet als een gunst beschouwd worden. Hun verbondenheid wordt er echter door versterkt.

Koning Herodes
Rijk en bekleed met macht. Maar hij hecht hieraan terwille van zichzelf. De angst voor het verlies van zijn positie drijft hem er toe duistere ingevingen te volgen en tenslotte naar het meest radicale middel te grijpen …

Het lijkt misschien naïef om aan deze beelden zoveel waarde te hechten. Ik geloof dat het goed is om tegen Kerstmis weer naïef te zijn. Naïef heeft te maken met gebo­ren worden. Het kerstfeest is niet zozeer een feest van tradities als van een nieuwe geboorte. Daarom is de kersttijd ook de tijd van de goede wensen.

Je zou wensen dat veel mensen de beelden uit de kerstspelen, die ons in de december­maand door de leraren van de school geschonken worden, in zich mee zullen dragen, het nieuwe jaar in. En dat deze beelden ertoe zullen bijdragen dat er gezonde ge­dachten geboren worden, gedachten, die de vrucht zijn van een omvattend weten en een zuiver gevoel voor verbondenheid.

(Annet Schukking, 1974, nadere gegevens ontbreken)

*vooral de tijd van de dreiging van kernwapens (wel of niet plaatsen in Nederland) en de roep om abortus te legaliseren (baas in eigen buik)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

361-340

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (11)

.

WERELDSTILTE

Als de adventstijd begint, kan men zich de legende voor de geest roepen van de duivel die het kerstfeest een doorn in het oog was. “Als ik het kerstfeest niet in mijn macht krijg, dan zullen de mensen ieder jaar weer een hunkering naar het hemelse krijgen en zo kan het christendom niet uitgeroeid worden.”

Lang zat de duivel te mokken en hij werd steeds dunner, bleker en bezorgder. Op eens riep hij uit; ” Ik heb het!”
Wat had hij? Hij had de kerst- en sintnicolaaskoorts uit­gevonden.

En sinds die tijd komt over de mensen in de adventstijd een koortsachtige haast. De koopman moet verdienen. Nu komt de tijd, die het hele slappe jaar weer goedmaakt. Winst!  Winst! Hebben!

En als het dan kerstavond is, dan is men uitgeput. Misschien kan men zijn verdiende geld nog tellen. Maar eerst moet men eens flink uitslapen.

De moeder echter, die aan alle kinderen en familie, aan de ooms en tantes hebben te denken, ploffen op de Heilige Avond op de lederen bank gebroken neer. “Laat mij met rust. Ik kan niet meer!”

Alle fijnere zintuigindrukken die zich in de kersttijd aan ons willen openbaren om de mens weer met de kosmos te verbinden om hem te vertellen over zijn verloren gegane hemelse afkomst – zij worden door de twee duivelsknechten; Haast en Lawaai verdoofd als ware het gedaan met mokerslagen.

Dat is het “werk” van de tegenkrachten van het goddelijke, gedaan aan onze, menselijke ziel.

Wie de adventijd werkelijk beleeft, die is het, alsof nu 1000 stemmen stil aan hoorbaar worden. Ergens spreekt in de mens een stem die zegt: ‘Stiller moet je worden en nog stiller, als je vernemen wil, wat om je heen is, wat er hier voor jou aan­wezig is.
Over de vele kleuren van de natuur liggen thans sluiers. Maar deze sluiers zijn als beweeglijke geesten, die tot je willen spreken, of iedere ochtendnevel een verkondiging voor je met zich meedraagt.

Geen avond zal in de adventtijd voorbijgaan zonder dat wij de stilte op ons laten inwerken. Ook wanneer ons geen enkele duidelijke gedachte voor de geest komt, voelen we ons toch heel dicht bij het grote “wereldgeheim”.’

Zo begint het boek “Das heilige Jahr” van F. Rittelmeger (Verlag Urachkaas) Duidelijker als hierboven heb ik nooit een tekst gevonden, waar de geestelijke reali­teit en de drukte van alledag samengevat worden.

Ons onderwijs wil in de komende adventtijd ook weer de stilte zijn kans geven, opdat in de stilte het “wereldgeheim” zich aan onze kinderen kan openbaren. Wij hebben daar gelukkig hulpmiddelen voor. Iedere dag steken wij een kaars aan in de adventskrans, wij zingen zacht, we vertellen mooie verhalen. We maken mooie versieringen voor de kerstboom.

Onze jaargetijdetafels worden langzaam door de adventtijd heen opgebouwd. Het kost de kinderen moeite om in die rust te komen, die nodig is om dit jaargetijde innerlijk te beleven. De wereld is zo ongelooflijk hard, dat de kinderen vaak de school gebruiken om uit te rusten.

Maar ieder jaar lukt het weer, de stilte komt, wordt actief beleefd en de kinderen verstaan de taal van de adventtijd.

Dan de laatste schooldag voor de kerstvakantie, de kerstspelen worden opgevoerd. De leraren, verschillende bestuursleden, medewerkers van Aquamarijn en leden van de Christengemeenschap voeren de oude Middeleeuwse Kerstspelen op.

Na maanden van repeteren is het zover: de kinderen en hun ouders zitten in de zaal en het spel begint. Josef en Maria zoeken een schuilplaats voor de nacht. Tweemaal vragen zij onderdak, tweemaal wordt hun de deur gewezen. De derde maal lukt het, zij kunnen in een stal overnachten.
De waard zegt: ‘Doch kom ik u gaarne tegemoet, gaat in den stal daar zit ge goed.’
Maria antwoordt;
“Och baaslief, ons is het eenderlei of het beddeke hard of te zachte zij.”

Dat is een heel goed antwoord:
‘Ons kan het niet zo veel schelen hoe we ons behelpen moeten, als we ons maar kunnen behelpen in een ruimte waar het grote “wereldgeheim” aan ons geopenbaard kan worden.

Wij wensen u allen een goede advent en kersttijd toe,

(Gerard Reyngoud, nadere gegevens ontbreken)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

357-336

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (10)

.

DE ADVENTSVIERING EN SINT-NICOLAAS

De eerste adventzondag is dit jaar* op 28 november. Het begin van de adventtijd.
Wat is dat nu eigenlijk die advent. Sommige mensen weten wel wat kerstfeest is, maar vinden advent maar een vaag begrip. Toch is het haast ondenkbaar om kerstfeest te vieren zonder die advent. 

Advent betekent: verwachting. We wachten op het Kerstkind en bereiden ons voor op zijn komst. Die vier adventsweken zijn eigenlijk één groot feest. We leven allen in de ‘blijde verwachting’ van het Kerstkind dat ons het licht zal brengen.

Voor de kleuters begint de adventtijd op maandagmorgen met de adventstuin. Dat is een grote spiraal van dennengroen op de grond gelegd met in het midden van die spiraal één grote brandende kaars, het grote licht. De kinderen lopen nu om de beurt de spiraal binnen met hun zelfgemaakte kaarsje in de hand, begeleid door een gezongen of gesproken spreuk en muziek. Het is alsof ze hun weg zoeken over de paden van een groot donker bos, maar als ze in het midden hun kaarsje aan het grote licht hebben mogen aansteken, is de weg terug gemakkelijker verlicht door hun eigen lichtje. Je wordt er als volwassene werkelijk heel stil van als je de kinderen door dat ‘donkere bos’ ziet lopen met in hun ogen de weerspiegeling van hun eigen lichtje en een grote blijdschap.
Het geeft je ook vertrouwen in de toekomst. Zolang het grote licht er is, zullen ze niet verdwalen.
Na de adventstuin wordt in de klas de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. Dit is een krans van dennengroen met vier kaarsen erop. De eerste week brandt er één, de tweede week twee, enz. tot vlak voor het kerstfeest alle vier de kaarsen branden. Het licht wordt dus steeds groter, totdat het kerstkind komt en het grote licht op aarde brengt.
Ook wordt het eerste luikje van de adventskalender geopend, zoals dat van nu af aan elke dag zal gebeuren. Steeds zal er een voorstelling zijn die verwijst naar het kerstgebeuren. Een mooie ster, een engel of een hollend boertje dat nog op tijd in Bethlehem wil zijn.
U ziet, alles in deze tijd richt zich op het komend feest.
Zo is in de kleuterklas de kaboutertafel (in de andere klassen de seizoenstafel) veranderd in een adventstafel, waarop de eerste week alleen stenen liggen. Iedere adventsweek staat nl. in het teken van een der vier rijken van de natuur.
De eerste week is dit het mineralenrijk, de tweede week het plantenrijk, de derde week het dierenrijk en de vierde en laatste de mens. Zodat op het laatst de hele wereld wacht op het Kerstkind.

We leven op school dus in de adventtijd echt in afwachting van het Kerstkind. Het zou voor uw kind natuurlijk heerlijk zijn om thuis ook te kunnen leven in deze sfeer van verwachting.
En als u het probeert, zult u zien dat het heus niet zo moeilijk is als u misschien denkt om bv. een adventskrans te maken. (zie advent alle artikelen)
Ook het maken van een adventkalender of een klein adventstafeltje valt best mee en u zult zien dat u het zelf net zo fijn vindt als uw kind(eren)

Wat doen we nu met St.-Nicolaas, zult u misschien denken. Is dat nou geen rustverstoorder in deze toch stille, afwachtende tijd? Nee, dat is hij niet. In tegendeel: hij hoort er juist bij. Hij is de voorbereider aan het kerstfeest. Als hij met zijn schimmel over de daken rijdt, vraagt hij ons om onze aandacht naar boven te richten, naar een andere wereld, de wereld van de geest. Dit is ook de wereld waar het kind nog grotendeels in leeft. Zo helpt de Sint ons met zijn geschenken om het ‘hemelrijk’ in te gaan. Juist in de tijd dat we leven in afwachting van het Kerstkind.
.

(Andrea, * nadere gegevens onbekend)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

355-334

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (9)

.

ADVENT – VOORBEREIDING

Ieder feest heeft een voorbereiding nodig. Of het nu een bruiloftsfeest is, een verjaardagsfeest, een gezellig etentje, of zó maar een feest, het zou, zonder deze voorbereiding, niet kunnen slagen.

Met de jaarfeesten en vooral met het kerstfeest en Pasen, is ook een innerlijke voorbereiding nodig. Voor de volwassenen is deze natuurlijk anders dan voor de kinderen.

De kleintjes, de kleuters, kunnen zich al vier weken vóór het kerstfeest verheugen in de voorbereidingen. De spanning is groot, wanneer zij zien, hoe moeder met hen de adventskrans maakt voor de vier kaarsen, van sparrengroen. Hoe hartverwarmend is het voor hen, om bij die adventskrans de liedjes te zingen en dan de lichtschijn iedere week groter te zien worden.

Hoe spannend is het voor hen, om op de adventskalender te beleven dat iedere dag het engeltje een trede lager komt bij de stal en neerdaalt. Of, dat iedere dag een venster geopend mag worden, tot tenslotte op de kerstdag de poort zich opent en Maria met het kindje te zien zijn, waar Jozef achter staat en de os en de ezel naast het kribje zijn. Juist wanneer wij op een goede wijze met de kleuters en de jonge kinderen deze voorbereiding doen, kan het een hartverwarmende tijd zijn. Wij geven hun dan een kracht mee, die voor het verdere leven een steun kan zijn.

Het is de kracht van het vertrouwen en de zekerheid, dat het licht indaalt in de duisternis. Dat het Godskind voor de mensheid geboren is en dat het niet slechts de natuur en de dieren waren, die het gebeuren meebeleefden,  maar óók de herders op het veld de boodschap van de engelen kregen en het kindje kwamen aanbidden. De drie wijze koningen uit het oosten wisten van zijn komst en vanuit hun grote wijsheid brachten zij het Godskind ieder hun eigen gave.
Melchior bracht het goud der wijsheid.
Balthasar gaf de wierook der innigheid en verering.
Kaspar de mirre, als het symbool der helings- en offerkrachten.

Zo schijnen, vanuit het duister, dat ons buiten in de adventstijd omringt, binnen in de kamer, de lichtjes steeds helderder.
Hun glans gaat groeien!
Iedere week komt er immers een brandende kaars bij, tot eindelijk met Kerstmis de geboorte van het Kind gevierd wordt met een boom vol lichtjes. Met alle blijheid van het feest.

Met alle heerlijkheden, die er immers ook bij horen.

(H.W.IJzerman – van Bemmelen, nadere gegevens onbekend)
.

WAT DOEN WE IN DE ADVENTSTIJD?

Allerlei oude gebruiken kunnen we in de adventstijd als uitgangspunt ne­men om een manier te vinden waar­op we zelf de adventstijd willen vieren.

Vroeger was het in sommige landen de gewoonte — en misschien wordt het in boerendorpen nog wel gedaan – dat de moeder alle leden van het gezin op de adventszondagen wekte, ter­wijl ze zingend rondging langs de bed­den met een blad, waarop voor ieder een kaars, iets te eten en te drinken stond.

Elk jaar maak ik de eerste advents­zondag (dit jaar*2 december) een blad klaar met daarop een kaars en voor elk kind een schaaltje met wat lekkers: een mandarijn, noten of andere knabbeldingetjes. Verder sap of thee en een kleine verrassing. Dat kan van alles zijn: een engeltje van goudpapier, een krokusbolletje, een kaboutertje van wol, een vergul­de walnoot met daarin een mooi steentje, of een klein kandelaartje. De eerste zondag zijn de kinderen ver­baasd en herinneren zich dan weer dat het over vier weken Kerstmis wordt.
De tweede zondag zitten ze zich in bed al te verheugen op wat er komt. Ze laten het licht uit, of als ze toch al aan het spelen waren ( ze zijn nu eenmaal altijd eerder wakker dan ik), wippen ze vlug hun bed weer in als ze het licht van de kaarsen door de glazen deur aan zien komen.

We zingen samen een adventsliedje of ik vertel een klein verhaal. Als we beneden komen, hangt daar de adventskrans met vier kaarsen, waarvan de eerste ’s avonds mag branden.

NOG WAT ANDERE IDEETJES:
Voor kleintjes: op een vel donker­blauw papier wordt elke dag een ster van goudpapier geplakt. Knip voor de zondagen een wat grotere ster. Deze sterrenhemel kan later als achtergrond dienen voor bijvoorbeeld het stalletje met de herders en de schapen, of voor allerlei kandelaars van klei die de kinderen zelf maken. Als je er dan een zelfgetrokken kaars van bijenwas in zet, is het een feest om naar te kijken.

Voor grotere kinderen: iedere ad­ventszondag mag één van de kinde­ren een verhaal vertellen of een stuk muziek maken aan het eind van de dag als de kaarsen in de adventskrans branden.

Bak een grote voorraad zandkoekjes in de vorm van een ster. De kinderen vinden in de adventstijd elke ochtend een koekje op hun bord. Grote kin­deren die zelf koekjes bakken, kun­nen ook andere vormen bedenken: zon, maan, dennenboom enz.

(het kind op weg, Jonas *30-11-1973)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

352-331

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (1)

.

VERBORGEN LICHTJES

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donker jaargetijde wordt ingeluid door Michaël, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.

Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaëlsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd. Voor een Michaëlsfeest op school, kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.

Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michaël is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose
Van 29 september naar 11 november, het sintmaartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.

We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar.

Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhuld.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus. Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom. De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.

Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Sint-Martinus bisschop
Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen is geen schande
Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is verbonden.

Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend
In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar* op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.

Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad**, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten***. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen
Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.

Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.

Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daarvan wordt.

Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Ten slotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

(Marcel de Leuw, Jonas nr 5, 02-11-1990)*

**Myra was een stad in Turkije; *** er is meer bekend dan hier wordt verondersteld: zie o.a. de sintnicolaasartikelen 4,  7,  12

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten voorbeelden van lichtjes

.

346-325

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (8)

.

DE TERE STILTE VAN ADVENT

‘De oude adventsstemming, die vroeger de natuur nog aan de mensen geven kon wanneer de eerste sneeuwvlokken ritselden, de eerste ijsbloemen op de ruiten glinsterden en in de klare winterse atmosfeer de sterren zo uitzon­derlijk helder straalden, verdwijnt. Laten wij ons toch standvastig oefenen in die stemming! De kunst van de devotie en van de vroom­heid is eigenlijk een voortgezette advent, die wij ons nu niet langer laten schenken door de natuur, maar die wij doelbewust en ge­trouw in ons leven inplanten en inweven’.*

Ik vind advent een moeilijke tijd. In het gere­formeerde milieu waarin ik ben opgegroeid vormden de weken voor Kerst, samen met Kerst zelf, de meest religieuze tijd van het jaar. Als ik mij terug verplaats in de advents­stemming van toen, bekruipen mij gevoelens waar ik niet goed raad mee weet. Het gezinsleven was in die weken intiemer dan anders. De verhalen die werden verteld, de stil brandende kaarsen, het gezamenlijk op­tuigen van de kerstboom en het donkere weer buiten, riepen gezinswarmte op. Een soort nestwarmte. Die stemming is er nog steeds als een klein plekje warmte ergens in mijzelf. Niet geheel vrij van sentiment. Soms breekt dat gevoel plotseling door. Het brengt me op een bepaalde manier in verlegenheid. Emil Bock spreekt in bovenstaand citaat van devotie en vroomheid. Dat zijn stemmingen die haaks staan op de wereld waarin ik dage­lijks verkeer. De werkelijkheid vraagt om doortastendheid, oordelen, actie en bewe­ging. Devotie heeft geen praktisch nut en tijd ervoor wordt derhalve niet ingeruimd. Als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat ik devo­tie enigszins ‘onmannelijk’ vind. Het behoort tot de schaduwzijde van mijn gevoelswereld, waarin ik me stukken minder goed thuis voel dan in de kwaliteiten die in onze ‘mannelij­ke’ samenleving worden gecultiveerd. Van­daar dat Emil Bock zegt dat het nodig is de stemming standvastig te oefenen.

Het vieren van advent moet voor kinderen gemakkelijker zijn dan voor ouderen. In de heilpedagogische kinderhuizen Veldheim en Stenia (Zonnehuizen**) te Zeist, wordt er veel aandacht aan besteed. Beide huizen hebben in totaal zo’n tweehonderd medewerkers. In Veldheim worden honderdtwintig in hun ontwikkeling gestoorde kinderen verzorgd, die nog wel de mogelijkheid hebben zich te ontwikkelen. Vaak kunnen ze – in welke vorm dan ook – weer gaan deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ze gaan naar een school die gebaseerd is op de vrijeschoolpedagogie. Op Stenia blijven de kinderen in de regel hun hele leven in een therapeutische omgeving. Het werk op de school waar zij naar toe gaan, heeft ook meer een therapeu­tisch karakter. Op Stenia zijn vijfentachtig kinderen. In beide huizen leven kinderen van alle leeftijdsgroepen.

Ik sprak met vier medewerkers over de ad­ventsviering. Tijdens het gesprek blijkt dat de jaarfeesten een wezenlijk onderdeel vor­men van het leven in de school en in de af­zonderlijke groepen.

Wil van Haren, een medewerker van Stenia: ‘Als volwassene moet je binnen zo’n insti­tuut zorgen voor beelden waaraan de kinderen zich kunnen optrekken, waaraan ze een bepaalde stemming kunnen beleven. Vanuit zichzelf kunnen ze dat niet. De volwassenen moeten voor een jaarfeestencultuur zorgen, waaraan de kinderen van binnen een houvast hebben’.

De jaarfeesten hebben duidelijk een thera­peutische betekenis in het instituut. De kringloop van de jaarfeesten geeft de kinderen in­nerlijke stevigheid. Het is een draad van ge­beurtenissen die de kinderen in de hand kunnen nemen en waardoor ze zich geleid ku nen voelen. Jaarfeesten schenken veiligheid. Over advent zegt Eveline Hirschmann, een begeleidster van groepsleiders van Veldheim: ‘Het is heel vaak zo dat de herfsttijd proble­matisch is voor de kinderen. Ze gaan een beetje mee met de herfststemming. Er zijn vaak spanningen. Kinderen zijn snel geprik­keld en ze voelen zich wat chaotisch. Het is net als het weer buiten: het is nog niet hele­maal donker, maar ook niet meer helemaal licht. De zomer is voorbij, terwijl de winter nog niet definitief is aangebroken. Ze zoeken echt naar: wat wordt het nou? Vaak zijn in deze tijd de activiteiten moeilijk te leiden. De kinderen waaien als het ware met de herfststormen mee. Ieder jaar kun je merken dat problemen zich in de adventstijd oplos­sen. Het intieme en verstillende karakter van de activiteiten in de adventstijd werkt rust­gevend en oplossend’.

Welke zijn die activiteiten? Mevrouw Erlanger, een gepensioneerde
me­dewerkster van de beide Zonnehuizen die nog enige taken verricht: ‘Alle activiteiten zijn een voorbereiden, een toeleven naar Kerst. Op de eerste adventsdag hebben we een feestelijke gebeurtenis rond de adventstuin. Het idee van de tuin is uit Zweden overgewaaid. Oorspronkelijk opgebouwd in de vorm van een spiraal. Het werd met mos gemaakt dat door de kinderen in het bos was gezocht. De volwassenen bouwden in een grote ruimte met het mos een spiraalvorm en plaatsten in het midden ervan een kaars. Wij gebruiken dennengroen, omdat het niet gemakkelijk is zoveel mos hier te vinden. Bij het begin van de spiraal, aan de buitenkant dus, liggen allemaal rode appeltjes met kaars­jes. Ieder kind krijgt een kaarsje. De hele ruimte is donker. Alleen het lichtje in het midden brandt. Terwijl adventsliederen wor­den gezongen, begeleid door bijvoorbeeld liermuziek, gaan de kinderen één voor één de spiraalweg binnen. In het hart ervan, waar de grote kaars brandt, ontsteken ze hun kaarsje, dat ze daarna ergens neerzetten in het tuintje. Als de viering voorbij is, is de he­le ruimte verlicht.

Aan het begin van de viering wordt de stem­ming voorbereid door een verhaal, dat door één van de leerkrachten wordt verteld. Voor de kinderen gaan slapen lopen een paar vol­wassenen met oudere kinderen met lierinstru­menten door het huis en zingen heel zachtjes het adventslied. Dat gebeurt tot Kerst. De spiraalvorm symboliseert natuurlijk de weg naar de innerlijke wereld, de weg naar het Christuslicht. De adventstuin wordt met de jongere kinderen gevierd, zo tot het veer­tiende jaar. De ouderen zitten er dan bij en kijken toe. Zij ontsteken hun licht als het avond is geworden. Wanneer de kleinere kin­deren naar bed zijn, komen de ouderen terug en voor hen wordt dan een verhaal verteld dat meer bij hen past. Als zij de kaarsen heb­ben ontstoken maken ze de rondgang met de lichtjes door het hele huis en zingen advents­liederen, zoals reeds gezegd’.
Uwe Schöbel, die leerkracht is aan de school, vult mevrouw Erlanger aan: ‘De adventstuin is bedoeld voor de jongeren. Zij gaan hele­maal in het beleven ervan op. Voor de oude­ren ligt dat iets anders. Zij vinden het vooral fijn om iets voor de jongeren te doen. De grote knullen gaan mee om dennengroen en kerstbomen te halen. Ze helpen ook met het maken van de adventskransen. Het is voor hen duidelijk dat ze het feest op een andere manier vieren dan de kleine kinderen’.
Wil van Haren: ‘Dat is op Stenia moeilijker. Op zeker moment vonden we dat de oudere kinderen niet meer aan de viering moesten meedoen zoals de jonge kinderen het doen. Er waren toch heel wat kinderen die daar moeite mee hadden. Dat is begrijpelijk, omdat de zielenleeftijd vaak zes à zeven jaar is, terwijl de fysieke leeftijd achttien jaar is. Ze begrijpen niet waarom ze niet meer mo­gen meelopen. Waar het om gaat is dat we proberen ze naar de volwassenheid te bren­gen. Je kunt ze niet altijd als kinderen blij­ven behandelen, alhoewel ze dat in de ziel vaak wel zijn’.

Eveline Hirschmann: ‘De kleintjes zie je heel spontaan stralen bij de adventstuin. Met pro­blematische kinderen die in de puberteit zijn is dat natuurlijk wat anders. Maar als je één van hen vraagt om bij de adventstuin het voorbeeld te geven door de eerste kaars aan te steken, dan zie je dat ze dat heel serieus doen. Zo’n jongen speelt dan niet, maar is heel ernstig. Zulke kinderen kunnen in de adventstijd open komen te staan voor intieme dingen, terwijl dat het verdere jaar altijd moeilijk blijft’.

Wat gebeurt er behalve de adventstuin nog meer?
Eveline Hirschmann: ‘Op de zondagochten­den worden de kinderen gewekt met muziek. Dat begint heel stilletjes met misschien maar twee instrumenten. Langzaam wordt dat op­gevoerd. Dan is er natuurlijk het aansteken van de eerste kaarsen van de adventskransen. In de kamers van de groepen wordt in een hoek het kerststalletje voorbereid. Ook dat wordt langzaam opgebouwd: je begint bij­voorbeeld met het neerzetten van Maria. In de daaropvolgende weken komen dan Jozef, de herders en ten slotte het kerstkind er bij. De tweede adventszondag is er ook wekmuziek en het aansteken van de tweede adventskaars. We zingen dan het lied: Nu daghet in het Oosten. Je werkt zo heel bewust naar Kerst toe. Op de derde zondag wordt de der­de kaars erbij aangestoken, en zo door. Bij het stalletje wordt langzaamaan het hele kerstgebeuren uitgebeeld. Het hele groeps­leven is er op ingesteld’.
Uwe Schöbel: ‘Op school in de klassen doen we heel intensief mee met de voorbereiding naar Kerst toe. Sommige leerkrachten maken ook een spiraalvormig tuintje in de klas. Ie­dere ochtend ontsteek ik een grote kaars. Ie­der kind krijgt een kaarsje in een appeltje. Die mogen ze allemaal één voor één ontste­ken. In een hoek ontstaat langzaamaan een kribbe, net als in de groepsruimten. Het ge­wone lesprogramma valt een beetje weg. Er­voor in de plaats doen we bijvoorbeeld knut­selwerk dat iets met Kerst te maken heeft. Het is vaak zo dat als het lukt moeilijke kin­deren in deze tijd te betrekken in het groeps­gebeuren, dan heb je ze er voor het hele ver­dere jaar bij. De adventstijd in de klas werkt heel verbindend. Sommige klassen spelen ook een kerstspel. Daar kijken ze lange tijd van te voren naar uit. Ze vragen nu (half no­vember) al of ze het dit jaar weer mogen spe­len’.
Wil van Haren: ‘Zelfs de heel zwakke kinde­ren beleven het kerstspel heel intens. Sommi­ge kunnen geen woord uitbrengen, maar aan de gebaren waarmee ze Jozef en Maria spelen kun je zien hoe intens ze er mee bezig zijn’.
Uwe Schöbel: ‘Ik heb eens meegemaakt dat na een kerstspel Maria met haar kindje staat te kijken naar de herders die zich aan het uit­kleden zijn. Plotseling realiseert ze zich dat ze het kindje nog in haar armen draagt. ‘Waar moet ik nou met het kindje heen?’ vraagt ze. Ze zijn er zo innig mee bezig, dat ze doorgaan als het spel afgelopen is’.

Volwassenen moeten, zegt Emil Bock, devo­tie oefenen. Kinderen hebben dat van zich­zelf. Eenvoud, overgave en spontaniteit – het zijn kwaliteiten die je vindt in een heilpedagogisch kinderhuis. Misschien dat we de ko­mende weken de kunst van het advent vieren kunnen afkijken bij de kinderen.

* Uit Emil Bock: ‘De jaarfeesten als kringloop door het jaar’. Uitgeverij Christofoor. Prijs f 23,50. Een prachtig boek, waarin de christelijke jaarfees­ten worden behandeld. Het begint bij advent en eindigt met Michaël.

(Jelle van der Meulen, Jonas 7, 28-11-1980)

**onder deze naam en in deze vorm bestaan deze tehuizen niet meer

.

332-312

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (7)

.

ADVENT

Waarom en hoe vieren we advent? Wat is advent eigenlijk?

Als we in het gewone leven iets belangrijks in het vooruitzicht hebben, leven we daar naar toe. We zijn vol verwachting! En als we een feest willen gaan vieren, moe­ten we onze voorbereidingen treffen.

Advent heeft deze beide aspecten: verwachting en voorbereiding. Want het grote, dat te gebeuren staat is Kerstmis, de geboorte van het Christuskind.

Eens was dat zo voor de gehele mensheid. Nu, in onze tijd, kan dat zo zijn voor ieder mens individueel.

In de christelijke kerk begint het kerkelijke jaar dan ook met de adventstijd, met het naar Kerstmis toe leven, vier zondagen vóór 25 december. En opnieuw kan de vraag rij­zen; “Ja, maar hoe doe je dat dan zelf in het dagelijkse leven?”

Zo, uiterlijk, hebben we dan onze adventskrans, met zijn dennengroen, vier kaarsen en het blauwe lint.

Terwijl het buiten steeds donkerder en kouder wordt, de aarde en de mensen meer en meer door de goddelijke wereld verlaten lijken, hangen we in onze klassen en huizen de “eeuwigheidskrans” op, de kroon zonder begin of einde; getooid met het groen, het sym­bool van het leven. Voorzichtig en stil ontsteken we elke week een lichtje meer; de aardse materie offert zich en wordt tot licht en warmte. Als we zelf onze krans ge­maakt en hem opgehangen hebben, dan kan bij het verstrijken van de weken en het ster­ker wordende kaarslicht de stemming in onze ziel ontstaan, die ons het blauw van ad­vent doet begrijpen.

Als de kaars of kaarsen branden zingen we onze adventsliederen: “Het daghet in het Oosten; Maria, die zoude naar Bethlehem gaan; Hoe zal ik u ontvangen?’-
Tijdens dit 
zingen worden we stil van binnen en komt er in onze ziel ruimte, wijdheid, die aan de hemelkoepel doet denken. Die openheid, die wijdheid roept als kleur blauw in ons op.
Wij zien dat ook bij Maria uitgedrukt. Zij draagt een blauwe sluier en ze zegt; “Wijd wordt mijn ziel en prijst de Heer!”                                   

Advent vieren is het scheppen van ruimte, zodat het licht in de harten kan komen. Wij moeten dat onszelf en onze kinderen leren.

Maar in het begin van de adventstijd hebben we daar een grote helper, of eigenlijk twee helpers bij: Sint-Nicolaas, de heilige en zijn Zwarte Piet.

Met humor in waarschuwingen en dreigementen hekelt de Zwarte onze fouten, onhebbe­lijkheden en egoïsme. De Sint laat zijn liefdelicht stralen, schenkt ons zijn gaven, waarmee we het goede kunnen doen. Hij leert ons aan anderen te denken en samen, de Sint en zijn knecht, scheppen ze ruimte in onze ziel. Het kwade wordt uitgebannen; het licht kan binnenstromen.

Dan is er ook nog het Paradijsspel. Adam en Eva, uitgestoten, door eigen schuld, uit de goddelijke harmonie:  werkend en zwoegend, zich met de aarde verbindend en tegelijk wachtend, toelevend naar de vervulling van de belofte: “Dat de barmhartige God zijn Zoon zal doen nederdalen – – – – ”

Wie in de adventstijd dit soort gedachten met zich omdraagt, een adventslied onhoor­baar voor anderen in zijn ziel laat klinken en elke dag een paar minuten stil bij  een brandende kaars gaat zitten, die krijgt er nieuwe gedachten bij en vindt nieuwe wegen om advent te vieren.

(Henriette de Boer, vrijeschool Tiel, nadere gegevens onbekend)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

330-310

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (6)

.

DRIE AANGEZICHTEN VAN DECEMBER

Bedrijvigheid, verwachting en depressie

Toen Satan ontdekte dat de mensen door het kerstfeest weer aan de hemel begonnen te denken, zon hij op middelen om daar iets tegen te doen. “Als ik Kerstmis niet uitschakel zullen ze elk jaar opnieuw naar een beter leven gaan verlangen, en dan krijg ik het christendom niet uit de wereld.”
Zorgelijk liep hij rond, hij werd er steeds dunner en bleker van. Plotseling een kreet: “Ik heb het! ” — Wat had hij? Hij had de zenuwoorlog van de maand december uitge­vonden……

Sindsdien overvalt de mensheid in december een koortsachtige activiteit en begeerte – om alles te organiseren, om alles te kopen, om alles klaar te krijgen voor Kerstmis. De zakenman moet verdienen, het zijn de gouden weken van het jaar. Als Kerstmis aan­breekt is hij totaal aan zijn eind, hoogstens heeft hij nog de kracht om zijn geld te tellen, – eerst moet hij maar eens een paar dagen flink uitsla­pen.
De huisvrouw moet zich om alle kinderen en familieleden bekommeren, voor honderd boodschappen heen en weer draven, dag en nacht alles voor Kerstmis voorbereiden. En als het dan zover is, zijgt ze op kerstdag gebro­ken op de sofa in elkaar – “laat me met rust, ik kan niet meer! “-
“Met deze beschrijving begint Friedrich Rittelmeyer zijn boek over de feesten van het jaar ( het begint met een hoofdstuk over de adventstijd). Dit is het eerste aangezicht van december.

verwachting of depressie
Als dit nummer van JONAS* verschijnt is het bijna eerste advent, in veel fa­milies wordt van dennentakken een krans gevlochten met vier kaarsen erin. Op elk van de nu volgende vier zondagen voor Kerstmis (op 1, 8, 15 en 22 december) wordt er één kaars méér aangestoken.

“Wat is advent? ” vragen de kinderen. En iemand die ’t niet precies weet kijkt het na in het woordenboek: het is de verwachtingstijd voor Kerstmis. “Advent” komt van adventus (Latijn), dat is “aankomst”. “Aankomst van wat? ” De aankomst van Christus in de kerstnacht. — Na enig nadenken: dus  de verwachtingstijd voordat de Messias kwam? Ja, zoals de oude jo­den de Messias verwachtten, tweedui­zend jaar lang!
Dat is de betekenis van de adventstijd: de verwachting van de geboorte in de kerstnacht. – Het tweede decemberaangezicht.

Het derde aangezicht van december is, dat veel mensen deze maand de donkerste, koudste, akeligste van het jaar vinden, aan depressies lijden, zich eenzaam voelen, er geen gat in zien en tegen alles het liefst een grote schop zouden willen geven. (Dan zou­den zij eigenlijk nog dankbaar moeten zijn, want voor velen was november nog erger.)

Zo heeft de laatste maand van het jaar drie aangezichten: bedrijvigheid, verwachting, depressie. Ze horen bij elkaar. Overdreven uiterlijke activiteit lijkt een beetje op een vlucht, je verstrooit alle kracht naar buiten en mist ( als het eenmaal zo ver is) het doel. Een vlucht voor wat? Voor in­keer… of is het een vlucht uit angst voor een depressie? Het doel was het feest, de rust, de kersttijd… Met het derde “aangezicht” moet je iemand in deze tijd van het jaar niet aankomen. Alleen het idee al dat Kerstmis in aantocht is, is voldoende om depressief te worden. Trouwens, in alles zit een reden voor neerslach­tigheid. Je loopt rond in een wolk van duistere troebele stemmingen, volko­men in overeenstemming met het weer: nat, grauw, guur. Bovendien geeft het wereldgebeuren nou niet be­paald aanleiding tot vreugdekreten – de ene helft van de mensheid is bezig te verhongeren, de andere helft pro­beert elkaar dood te slaan ( en de rest is in staking).
“Eind-tijd-stemming”— alles zit in z’n laatste fase, het loopt af, dat kun je wel merken. Op de wc hangt de kalender er ook al met z’n laatste blaadje bij …zelfs dat loopt af. Een decemberdepressie is eigenlijk po­lair aan de overdreven kerstbedrijvig­heid: een doorgebrand gevoelsleven tegenover een op hol geslagen wil. Geen van beide kan elkaar of zichzelf afremmen of tot bezinning brengen.

tijdsorganisme
De verklaring, dat advent de voorbereidingstijd of de verwachting voor het kerstfeest is, is meer een cliché of een halve waarheid. Advent is het begin van een omvangrijk tijdsorganisme, dat door een groepering van oeroude, zinvolle religieuze feesten een tijdspanne van 10 weken omvat. Een gedeelte hiervan leeft nog tame­lijk sterk in de leefgewoonten, een an­der gedeelte is uit het algemene be­wustzijn verdwenen. Zelfs een van de voornaamste hoeders van deze feesttijden, de roomse kerk, weet er nau­welijks meer raad mee. Religieuze feesten van deze orde zijn geen voor (of door) de mensen uitge­dachte geestelijk-hygiënische maatre­gelen, maar mystieke werkelijkheden die in het leven van de aarde en de natuur, in het astronomisch bestel en in de ontwikkelingswetten van de mens­heid te vinden zijn. Zo tenminste is dat aan Rudolf Steiner bij zijn onder­zoek van de geestwereld gebleken, en zo heeft hij het bij bepaalde gelegen­heden beschreven. Zulke bepaalde ge­legenheden waren bijvoorbeeld de op­richting van de Antroposofische Ver­eniging in de jaren 1912/13; in die tijd heeft hij een “jaarkalender” samenge­steld waaruit sommige van deze dingen blijken; en de stichting van de Chris­tengemeenschap in 1922, waar hij cultische regelingen heeft opgesteld voor de liturgie; daaruit blijken nog verdere aspecten met betrekking tot het tijdsorganisme dat aanstaande zondag* begint.
(Verder is er een grote literatuur op dit gebied in zijn nage­laten werk te vinden.)
En wanneer men al een adventskrans ophangt, een kerstboom versiert, de middernachtsdienst bezoekt of het spel van de Drie Koningen gaat zien, is er ook aanlei­ding om een ogenblik bij dit hele feesttijdenorganisme stil te staan.

Advent is met de vier zondagen vóór Kerstmis het begin van een religieuze feesttijd van tien weken. Na de kerst­nacht van 24 op 25 december volgen er twaalf “heilige dagen en nachten” tot 6 januari. In het midden daarvan ligt “oud en nieuw”. De 6e januari is opnieuw een feestdag: Epifanias, een van de eerste gedenkdagen uit het oer-christendom, het feest van “de ver­schijning Christi”, dat is de doop in de Jordaan.

Aanvankelijk was dit voor de chris­tenen de grote dag van het jaar — Kerstmis kwam pas later op. Tegelijk is Epifanias de feestdag van de “Drie Koningen”, de wijze magiërs uit het oosten, die volgens het Mattheüsevangelie naar Betlehem trekken omdat zij uit de verschijning van de ster de geboorte van Christus hebben afge­lezen. In cultisch verband duurt Epi­fanias van 6 januari tot vier volle we­ken daarna, dat is dit jaar* tot en met zaterdag 8 februari. Op zondag 2 fe­bruari is het 40 dagen na de kerst­nacht; deze dag wordt in het Lukasevangelie (2, 22) beschreven: “En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Jezus naar de tempel in Jeruzalem.”

SAMENVATTING
De periode van de eerste adventszon­dag tot de laatste dag van de epifanie is als een samenvatting in het klein, elk jaar, van een groot stuk mensheids­geschiedenis. De adventstijd als de verwachting en voorbereiding op de komst van de Messias; Kerstmis de ge­boorte van Jezus, de twaalf heilige nachten als aspecten van het plato­nische wereldjaar; Epifanias: de doop in de Jordaan en de verschijning van het wereldlicht.

Dit jaar* ziet het er met de data zo uit:
1 dec.   de eerste zondag van advent,
8 dec.   de tweede zondag van advent,
15 dec. de derde zondag van advent,
22 dec. de vierde zondag van advent. Deze dag is ook de kortste van het jaar, het is “winter-zonnewende”.
dinsdag 24 dec. volgens oude overle­vering werd deze dag naar Adam en Eva genoemd (uit wie het oude men­sengeslacht is voortgekomen). In de Sabbatnacht van 24 op 25 december van het jaar dat voorafgaat aan het be­gin van onze jaartelling wordt Jezus van Nazareth geboren, zoals dit in het Lukasevangelie is beschreven (hij is de stamvader van het nieuwe mensen­geslacht).

Deze nacht is volgens Steiners “ka­lender” tevens het begin “van de 13 dagen die voor mystieke verdieping bijzonder vruchtbaar zijn, en die op 6 januari eindigen. ”
Dit was in oudere beschavingen al bekend als een bij­zonder heilige tijd, waarin de men­sen openbaringen kunnen krijgen uit een hogere wereld. Een treffend beeld hiervan geeft het oude noorse lied van Olaf Asteson, die in deze tijd zijn in­wijding ontvangt.

woensdag 25 dec. kerstmis, geboorte­feest van Jezus.

woensdag 1 januari 1975, nieuwjaars­dag. Deze dag, een week na Kerstmis, is “de besnijdenis” van Jezus — voor onze huidige begrippen zou men dat nu de doopdag kunnen noemen. De gebeurtenis wordt in het tweede hoofd­stuk van het Lukasevangelie beschre­ven (vers 21): het kind ontvangt de naam Jezus. De eerste januari is dus de naamdag van Jezus.
maandag 6 januari, Driekoningen, Epifanie, eind van de “13 heilige da­gen”. De liturgische feesttijd omvat de daarop volgende vier weken, dus tot en met zaterdag 8 februari.

begin en eind
Zo bezien is december niet alleen de laatste maand van het jaar, en het slot van een steeds donkerder worden­de periode, maar ook een begin. Wie het klaarspeelt de ietwat manische be­drijvigheid van december in toom te houden, en ook de depressies van de “donkere dagen voor Kerstmis” over­wint, zou in de weken van advent een zeer zinnige periode kunnen ont­dekken om op de komende feesttijd toe te leven. De vier zondagen zijn als vier indrukwekkende gongslagen, waar­mee een mysterietijd wordt aangekon­digd. De kerstnacht met de daaropvol­gende twaalf “heilige dagen en nach­ten” kunnen een impuls zijn voor het hele volgende jaar; op epifania en in de vier daarop volgende weken wordt het mysterie openbaar. In vroegere tijden ( dat werkt nog steeds door) was religie een kwestie van stemming. Dat is in de twintigste eeuw niet meer voldoende. Je moet tegenwoordig je gemoedsleven met wilskracht doortrekken, en bovendien denken over wat je viert, wanneer je grote feesttijden van het jaar wilt vie­ren. Echte religie hangt met de grote levensritmen van ons bestaan samen, maar echte religie laat een mens ook volkomen vrij — vrij om het te willen beleven. Zo bezien is het vieren van advent een aangelegenheid van goede wil — en er valt, voor wie wil, in de wereldwijde ritmen van de komende zeventig dagen zeer veel te beleven.

(J.E.Zeylmans van Emmichoven, Jonas 7, 29-11-1974*)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

322-302

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (5)

.

ADVENTSKRANS

Kleine adventskrans voor op tafel of bij een kinderbed

Uit triplex een ring zagen: doorsnee cirkel 24 cm, breedte ring 3 cm. In 4 blokjes komt voor de kaarsen een gat* bovenin, de blokjes op de ring lijmen en eventueel van onderaf met een spijkertje vastzetten. Dennengroen met dun ijzerdraad of rood lint vastbinden.

*om brandgevaar te verminderen – het staat ook mooi! in het gat een stukje koperbuis dat iets boven het blokje uitsteekt. (phaw)

Hangende adventkrans
De hoepel van deze adventkrans is van dik ijzerdraad gemaakt, dat enige malen rond gelegd is, en daarna met dunner IJzerdraad omwonden wordt. Tijdens het omwinden 4 kaarsenhou­ders (uit ijzerdraad gevormd of kant en klaar in de winkel gekocht) stevig vastzetten.
Sparrengroen met dun ijzerdraad of lint vastbinden, de krans aan vier lin­ten ophangen.
Bewaar het geraamte voor volgend jaar!

(Jonas 6, 21 – 11- 1975)

 

adventskrans – grotere uitvoering
Je kunt jezelf ( en de helpende ouders!) veel ongemak ( en onvrede) besparen, wanneer je een ‘eeuwigdurende’ adventskrans maakt. Van ijzerdraad maken – zie boven – vind ik niet zo’n goed idee, omdat de krans nooit echt mooi rond te krijgen is; bovendien is het heel moeilijk de kaarsenhoudertjes precies rechtop te laten staan, wat wel zo mooi is en geen gedrup van kaarsvet geeft.

De slimste oplossing die ik ken is een fietswiel zonder spaken. Je hebt ze in verschillende maten en er is allicht wel gratis aan te komen.
De gaatjes van de spaken maken het mogelijk dat je de krans helemaal (waterpas) recht kan laten hangen. Aan de uiteinden van de 2 even lange linten bevestig je haakjes die in de spaakgaatjes passen.

Wanneer je nu 4 blokjes maakt die je aan één kant even rond zaagt als de curve van het wiel, kun je deze met een schroefje door het spaakgat goed vastzetten. Neem het blokje zo groot dat het gat voor de kaars er goed in kan en zet hierin een stukje koperbuis dat er even bovenuit steekt, zodat de brandende kaars nooit bij het blokje kan komen. Wanneer het groen goed om het wiel wordt gewonden, zie je van het ijzeren wiel niets meer.

aansteekstok met dover
Het aansteken van de kaarsen moet een ‘plechtig’ ogenblik zijn. Ik weet niet anders of de kinderen zitten vol aandacht te kijken hoe in de donkere zaal de kaars(en) meer licht brengen.
Het aansteken met lucifers verstoort meestal het beeld. Wanneer je 4 kaarsen moet aansteken, lukt dat met een kleinere lucifer niet, dus moet er nog eens worden aangeschrapt. Vaak gaat het vlammetje ook weer uit, wat meestal tot een zekere hilariteit leidt. Voor dit aandachtsmoment niet zo gunstig.

Neem een rondhout van ongeveer 1 m of iets korter. (doorsnede 12 mm. Zaag met de gatenzaag een rondje van ongeveer 6 cm uit wat dikker triplex. Rasp het middengat iets uit, zodat het rondhout er nauwsluitend inpast, lijm het extra vast op 2 cm van de bovenkant van het rondhout. Maak een koperen buisje (12 mm) en bevestig dit over deze 2 cm heen (lijm) zodat het op het ronde stukje triplex rust. Het kan een cm. of 6 à 7 lang zijn. Neem een kaarsje dat er goed stevig in bevestigd kan worden – meestal door het iets te slijpen. Wind om het stokje een blauw lint, een beetje diagonaal van boven naar onder en bevestig bovenaan, niet zo hoog als het kaarsje, een takje dennengroen.

Hiermee kunnen ook kinderen de kaarsen in de grote krans aansteken – als leerkracht hoef je alleen maar het stokje een beetje te ondersteunen, zodat de vlam het groen niet raak, om de kaars te doen ontsteken.

ZORG DAT JE VAN TE VOREN HET LONTJE VAN DE KAARS GOED RECHTOP HEBT GEZET – niet van te voren aansteken, dat is lelijk.

Met zo ’n stokje voorkom je dat het aansteken op allerlei minder fraaie en heel vaak ingewikkelder manieren moet gebeuren die het beeld niet ten goede komen.

Het doven van de kaarsen vraagt m.i. ook om een mooi gebaar. Dat vind ik het uitblazen ‘van afstand’ allerminst. Nog minder het ‘uitknijpen’.

Met bovengenoemd stokje is het mooier te doen: bevestig onderaan een dovertje.

Met een kleinere uitvoering kan de engel uit het kerstspel bv. de kerstboomkaarsen op het toneel aansteken en na het spel weer één voor één doven.

Wanneer het gewoonte is dat een kind van iedere klas het licht van de grote krans mee mag nemen naar de krans in de klas, bewijst zo’n aansteekstok zijn waarde.
Wanneer je het stokje in een hoek neerzet, breekt meestal het kaarsje. Je kunt het dus het beste ergens voorzichtig neerleggen.

 

(phaw)

 

adventskalender
Het geheel uit stevig goudkarton knip­pen. De zijflappen naar achteren bui­gen. Achter het middenstuk wit tran­sparant papier plakken, de deuren en luikjes — in totaal 28 — daarna voor­zichtig opensnijden. Op het witte tran­sparantpapier achter elk luikje van ge­kleurd zijdevloei of vliegerpapier klei­ne voorstellingen plakken, bijvoor­beeld engeltjes, sterren, sneeuwkristal­len enz. Achter het grote luik in het midden: Maria en Jozef. Als er een kaars achter de kalender staat wordt alles doorlicht.
Het is ook mogelijk be­staande of zelf getekende plaatjes ach­ter de luikjes te plakken. Omdat Kerstmis niet altijd op dezelf­de dag valt, varieert de adventstijd in lengte, zodat af en toe met een luikje ‘gesmokkeld’ moet worden.
advent 2

adventskalender

tekeningetjes voor achter de luikjes

(Jonas 6, 21 – 11- 1975)

 

ADVENTSKALENDER
Vooral voor kleine kinderen kunnen we hiermee de tijd zichtbaar maken, de adventstijd krijgt een tastbare gestalte: nog zoveel trapjes en het is kerstfeest!

Hieronder twee voorbeelden van een kalender.

– Uit een groot vel tekenkarton onderaan een grote poort snijden. Om de deur te kunnen sluiten, op een ervan een reepje met een lipje eraan, op de ander een reepje, aan de uiteinden vastgeplakt, zodat het lipje van de andere deur er­door getrokken kan worden. Achter de deuropening een klein vel te­kennapier plakken, waarop het kerstge­beuren getekend of geschilderd staat (of een transparant ervan!) Boven de poort 28 gleufjes maken of zoveel als er dagen komen tot het kerstfeest is. Een kerstster knippen uit tekenkarton of goudpapier, aan de achterkant een reepje om de ster mee in de gleufjes te steken. Elke dag komt de ster nu een stukje dichter bij de stal. De hele voorkant van de kalender wordt beschilderd met stal of grot, hemel en sterren.

kerst adventskalender

Een andere manier:
Uit een stevig vel karton voorzichtig 28 luikjes opensnijden en openvouwen, zodat ze ook weer dicht kunnen. Een groot luik in het midden maken. Achter het vel karton een vel mooi dun papier plakken van dezelfde grootte. Nu wordt achter elk luikje wat geplakt of getekend:  een ster, een bloemetje, een ijskristal, elke dag wat anders. Als het kerstfeest is, zijn alle kleine luikjes open en gaat de grote open:  daar is het hele kerstgebeuren op te zien.

Hetzelfde idee is ook om 28 lucifersdoosjes op elkaar te plakken, of aan een koord, waarvan er elke dag eentje open mag. Daar komt dan steeds een kleine verrassing uit :  een mooi steentje, een schelp, een knikker, een bolletje bijenwas,  een sterretje, een gedroogd bloemetje enz.

(Bep Kroeze, nadere gegevens onbekend)

 

adventsstok
De engeltjes worden gemaakt van lontwol of kamband (gekaarde strengen schapenwol), goudkleurige raffia en goudfolie.
Voor het lijfje een stukje kamband van ca. 20 cm in het midden afbinden met raffia; dubbelklappen en voor de armen een plukje van ca. 9 cm aan de uiteinden afbinden en tussen de twee lagen van het lijfje leggen. Op ca. 2 cm van bovenaf de hals afbinden.
Vleugeltjes uit goudfolie, vouw het dubbel, teken een vleugel tegen de vouw , zodat de vleugels in het midden met elkaar verbonden zijn en knip het uit. De vleugels aan de rug vastbinden. Hang de engeltjes tegenover elkaar aan een stukje gebogen ijzerdraad. Tussen de engeltjes hangt een halve walnotendop met daarin het kindje, gemaakt van een plukje wol of een stukje bijenwas, in een wollen bedje.
De middenlat van ca. 60 cm lang, is blauw geverfd en heeft 28 gaatjes, schuin naar onder ingeboord. Op ca. 2cm van elkaar. Op ieder gaatje is een sterretje geschilderd. Een haakje van ijzerdraad van ca. 6 cm zorgt ervoor dat de engeltjes vrij van de lat hangen. In het midden van het gebogen stukje ijzerdraad, waaraan de engeltjes hangen, een lusje vastknopen, dat met lijm vastgezet wordt. Dit lusje ook met lijm aan het haakje vastzetten. Een ster van goudfolie, zo groot als de ster boven aan de lat met een paar tipjes lijm tussen de engeltjes bevestigen.

De adventsstok kun je boven het stalletje hangen. Iedere dag komt het kindje een sterretje dichterbij.

advent stok

Madeleine Wulff en Imke Abma, Jonas 7,28-11-1980

 

advent kalender engel

Godelieve van Gemen en Henriëtte Worst, Jonas 7, 1 dec.1978

advent jurk

Jonas 7, 3 de.1976

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

321-301

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (4)

.

ADVENT

Advent: dat wat komt. Er komt je iets tege­moet. Wat doe je dan? Afwachten tot de ontmoeting plaatsvindt? Als we een gast ver­wachten, proberen we hem zo goed moge­lijk te ontvangen. We bereiden ons voor op zijn komst. Zo geeft de adventstijd ons de mogelijkheid ons voor te bereiden op het kerstfeest.

Hoe geven we vorm aan die voorbereidings­tijd? Ja, zoiets krijg je nu eenmaal niet cadeau: je moet er zelf vorm aan geven, een gestalte scheppen, zichtbaar en beleefbaar voor het gezin, voor allen die het meemaken. En als het je lukt om iets van een ceremoniële handeling in te zetten in alle ernst en rust — dan vraagt het kind vanzelf om herhaling, en de traditie is geboren.
Je hebt als moeder de verrukkelijke vrijheid om iets in te zetten, dat kan worden tot een goede en vaste ge­woonte. Het geeft de kinderen en de moeder houvast. Temidden van de sintnicolaasvoorbereidingen proberen we nu met aan­dacht de adventstijd in te zetten. Als er nog geen ‘traditie’ is om op te bouwen, begin dan voorzichtig. Ieder jaar groeit er vanzelf iets bij.

Dit jaar* valt de eerste adventszondag op 30 november. Lukt het niet om dan de advents­krans klaar te krijgen, zet dan in ieder geval vier mooie kaarsen in een kring op tafel met wat sparrengroen ertussen. De eerste adventskaars wordt met aandacht ontstoken. Het stille branden van die ene kaars wil ons een teken zijn, een voorteken van het grote stralende licht, dat geboren wordt in de midwinternacht.
Wat kan je nog meer doen, om de vier ad­ventszondagen een apart karakter te geven? Je kunt een passend verhaal zoeken, je kunt met elkaar zingen of instrumentaal muziek maken. Je kunt gaan knutselen en je kan ’s avonds naar de stand van de sterren gaan kijken. Het kan allemaal, maar ieder moet voor zichzelf aftasten wat binnen de eigen mogelijkheden ligt. Laat je niet ontmoedigen door de vele mogelijkheden. Probeer enkele dingen goed doordacht en voorbereid te han­teren.

Evenals de adventskrans is ook de adventskalender een goede ‘traditie’, als je het met aandacht hanteert. En dat doe je vanzelf als je hem zelf maakt. Kinderen, vooral jonge kinderen, kunnen zich nog niet oriënteren in de tijd. De adventskalender maakt de tijd zichtbaar. De adventstijd krijgt een tastbare gestalte. De kinderen weten nu, wanneer het kerstmis is: ‘als de grote luiken open gaan.’

Zondagmorgen heel vroeg. Stil is het overal nog, als ik naar beneden ga. Het is of het hele huis ademt in een rustige slaap. Ergens kraait een haan. Een tweede geeft antwoord. Buiten hangt een grijze schemer tussen de bomen. Het nachtelijk donker wijkt steeds later voor het licht van de dag. Even de achterdeur open doen en de koele ochtendlucht opsnuiven. Wat ruikt alles heerlijk fris en vol mogelijkheden! Op het bospad staan zwijgend de hoge beukenbo­men. Het is of zij roerloos wachten op iets dat komen gaat.

Ik snuif nog eens. Het tintelt tot in mijn vin­gers, en ik verheug mij op de stralende ogen van de kinderen, die ik een verrassing ga be­reiden.

In de keuken staat een blad klaar met één grote brandende kaars erop; een bordje met beschuiten, waar de honing vanaf druipt en vier notendopjes, vastgezet op een stukje bij­enwas. In iedere notendop staat een kleine mariafiguur, van rode en blauwe bijenwas gevormd. Met het blad in mijn handen loop ik de trap op :

‘Het komt een schip geladen,
tot aan het hoogste boord.
Maria houdt het roeder,
die engel stuurt het voort 

Boven op de slaapkamers zitten de kinderen rechtop in bed, in gespannen verwachting.
Ieder krijgt zijn notendopscheepje en een knapperige beschuit met honing.

“Nu is het Advent, hè mam!’

Hun glanzende ogen kijken mij aan.

(Marieke Anschütz, Jonas 6, *21-11-1975)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

320-300

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (3)

.

HET OERGESTEENTE

Een verhaal verteld op de eerste adventsochtend

Een boer ging in het voorjaar naar zijn akker om de stenen uit de grond te halen die de vorst in de winter omhoog gebracht had. Zijn zoontje mocht deze keer mee gaan om te helpen. Beiden moesten flink werken. “Hoe komen die stenen toch in onze mooie aarde’, vroeg het kind.

“Alle aarde ontstaat uit de steen”, antwoordde de vader bedachtzaam. “Van welke steen, vader?” vroeg het kind weer. “Onze vruchtbare aarde op de akker is afkomstig van een bijzondere steen”, zei de boer “en ik zal je die steen eens laten zien als we een keer in de bergen gaan rondtrekken.
De winter was de tijd dat het kind mocht logeren bij familie. Zijn oom was een vakkundige brillenmaker en opticien. Hij had in zijn werkplaats grote kwartskristallen staan, waarvan hij bij het maken van de lenzen gebruik maakte. In deze tijd moest hij juist een verrekijker repareren en het kind keek toe, hoe hij een nieuwe lens van kwarts aan het slij­pen was.
Soms mocht het kind door de lenzen kijken. Dan werden alle voorwerpen groter, of zag je bonte randjes.
Waar heeft u deze heldere steen vandaan?”, vroeg het kind, en het keek steeds weer met vreugde door de bergkristal. “Deze steen kun je in het gebergte vinden,” antwoordde zijn oom. “Een heel bijzondere steen en het gebergte laat deze kristal ontstaan en als je later groot bent, zul je die steen vinden.”
’s Middags kwam de smid in het huis van de oom want de kachel brandde niet goed, er kwam onvoldoende warmte van af. De smid moest hem maar eens nakijken.

Nu bekeek het kind de kachel heel precies. Vooral vielen de kleine raampjes in het kacheldeurtje hem op. Je kon er zo door­heen kijken zodat je de rode gloed van het vuur kon zien.
“Is dit glas?”, vroeg de boerenzoon. “O nee, glas zou bij zo’n hitte al lang gesprongen zijn,” zei de smid. “Die plaatjes zijn van glimmer, doorzichtig en het kan tegen elke hitte.” “Ja,” zei de vrouw van de opticien, “soms noemen de mensen de glimmer ook wel Mariaglas of mica, omdat het zo rood en goud­achtig oplicht net zoals je moeder Maria ziet als je met aan­dacht bid.”
“Kijk, hoe het schittert,” riep het kind, “zeg me nog waar ik de glimmer kan vinden!”
Hierop kon de vrouw geen antwoord geven, maar de smid wel.
“Glimmer ontstaat uit een heel bijzondere steen, die je hier in het gebergte kunt vinden.”
Toen de zoon weer thuis was, ging hij, net zoals vroeger, naar het laatste huisje van het dorp, waar de pottenbakker woonde. Want graag ging hij daar kijken wat er in de handen van de pottenbakker ontstond. Schalen en potten, het was mooi om te zien. Het kind wist, dat hij de klei altijd in grote ketels achter het huis bewaarde. Maar op deze dag, was de klei helemaal op. Samen gingen ze met een kar naar de groeve om klei te halen. Toen ze daar zo bezig waren de klei in de kar te leggen, vroeg het kind: “Hoe komt toch de klei hier in de groeve?” ‘Die klei,” zei de pottenbakker op een haast plechtige toon, “ontstaat uit een heel bijzondere steen, die je hier dichtbij in het gebergte kunt vinden. Het water lost de klei in de steen op en brengt het hier naartoe.
“Ach,” zei de jongen, “mijn vader en de opticien en U spreken allemaal over een bijzondere steen. Jullie weten de steen te vinden. Kunt U het mij niet eens laten zien?”
“Dan zou ik met je de bergen in moeten trekken, “zei de pottenbakker, “maar als we thuis komen, zal ik je een groot brok van dat gesteente laten zien, want er ligt er een in mijn tuin.”
Toen ze beiden thuis kwamen, gingen ze direct naar de tuin om naar de steen van graniet te kijken. Ze keken heel goed en de pottenbakker liet het kind de drie verschillende steensoorten zien. Toen wilde de jongen meteen weer vragen stellen, maar de man zei: “Dit is een heel bijzondere steen, waar wij allen over spreken. Het helpt de mens bij vele werkzaamheden. Ik kan je over deze steen een verhaal vertellen. Wil je het horen?”
Het kind kon niet langer wachten en liet merken dat het verhaal maar snel verteld moest worden.

De Schepper van de aarde wilde het gesteente vormen waarop de mens zijn levensweg zou kunnen gaan.
“Breng mij het geschenk dat U meegebracht heeft,” sprak hij tot zijn helpers, zodat we daarop de grond van de aarde kunnen leggen.”
De Schepper van de aarde had drie groepen van helpers.
De oudste onder de engelen, de wijsheid, deed een stap voorwaarts en gaf de vader van de wereld een heldere steen.
“U heeft ons de wijsheid gegeven”, zei hij, ‘en de helderheid van het denken. Dit is de steen van het licht. Er is geen andere steen die zulke heldere kristallen vormen kan dan  deze.”
Hierna kwam de engel om wie de geesten van de kracht zich verzamelden, tot de Schepper.
In zijn rechterhand had hij een zwarte, glanzende steen, in zijn linker een witte, stralende steen.
“Dit is het gesteente van de kracht,” sprak deze. “Het kan de mens kracht geven op zijn weg door het leven.”
Ten slotte kwam een engel uit de kring der warmtegeesten naar voren. Deze had in zijn rechterhand een rode steen en in de linker een groene. “Dit gesteente is doortrokken met onze warmte,” sprak hij. “Het kan er steeds anders uitzien en zal aan de mens nog veel diensten verlenen.”
De schepper sprak zijn dank uit en nam voor het gesteente waarop de voet van de mens zou gaan, alle drie de gaven, aan. Want alle krachten der wereld moeten erin aanwezig zijn.

Dit gesteente is het oergesteente geworden.
Dit was het grote ogenblik toen de Schepper van de aarde de kracht, de warmte en het licht verenigde, uit de drie gaven van de engelen, tot het oergesteente.
Het is het mooie graniet, het oudste gesteente van de aarde, waaruit vele andere gesteenten zijn ontstaan.
Je kunt in de bergen of in de diepten van de aarde het graniet vinden in verschillende uitingsvormen.
Maar steeds zie je deze drie bestanddelen.
Het kwarts glanst zacht, alsof het licht naar binnen straalt. De glimmer schittert en straalt meer naar buiten. Je ziet witte en zwarte glimmer. De veldspaat kan rood zijn als het bloed of zo groen als gras. Met behulp van water ontstaan uit de veldspaat de vruchtbare akkers en de klei.”
“Nu weet ik wat het oergesteente is”, riep het kind uit. De kwarts heb ik in de stad gezien. Er worden lenzen van gemaakt waarmee je ver kunt kijken. Glimmer heb ik gezien als mica in de kachel. Uit de veldspaat ontstaat de aarde op de akkers van mijn vader en klei om potten van te maken.
Graniet is een heel bijzonder gesteente!”

Om het vruchtbare dal waarin het kind leefde, lagen de hoge bergen van oergesteente. Toen dat kind groter werd, mocht het met zijn vader mee de bergen in. Ze beklommen een berg en op de top ervan rustten ze uit en keken over andere bergen heen. Ze beleefden de wijdheid, de schoonheid en de kracht van de aarde, de majesteit der Schepping.
.

Theo ten Bruin, vertaling uit: Von Pflanzen und Tieren, Steinen und Sternen, Elisabeth Klein, nadere gegevens onbekend

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

308-288

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (2)

.

In dit artikel is sprake van een mogelijkheid de 4 adventsdagen in het teken van de 4 elementen te plaatsen.

Hier volgt een artikel met ‘de steen’ als motief.
Het is ook een artikel dat gebruikt kan worden voor de mineralogieperiode in klas 6.

STEEN

Steen, het gewordene der aarde
uit oeroude tijden in het heden te zien
Steen, het gewordene der aarde
verbergt de geheimen der tijd
Steen, het gewordene der aarde
gevormd volgens machtige wetten
die de aarde in de kosmos doorstralen……

Het rijk der gesteenten wijst ons terug naar de oergrond van ons bestaan: de geschapen wereld, de wereld van God-de-Vader. We hoeven maar te denken:

–   aan de indrukwekkende, met eeuwige sneeuw bedekte toppen van de machtige granietgebergten, waarin flonkerende kristallen verborgen zijn…

–   aan de diepe kloven, zoals de Grand Canyon, waar tot in de onderste lagen moeder aarde zich open­baart.

–   aan de ertsen die de aarde als aderen doordrin­gen. . .

–   aan de geweldige krachten die losbarsten in vuur­spuwende vulkanen…

om te ervaren welk een scheppingsmacht met de geworden wereld van het gesteente verbonden is.

In de zesde klas, waarin de kinderen echte aardeburgers worden – het Gouden Griekenland achter zich laten en mét de Romeinen de wereld in hun greep krijgen – staat ook de mineralogie in het leerplan.
Het ‘op de grond komen’ wordt hier heel concreet. Als we dan kijken naar de grond waarop wij als Nederlanders staan, is deze neergelegd door de benedenloop der rivieren. Vervolgen we die loop, dan komen we via de Rijn terug in de Alpen, bij het oergesteente: het graniet.

Bekijken we een brok graniet, dan zien we een korrelige structuur waarin we drie mineralen onderscheiden:
’t heldere kwarts,  ’t glanzende glimmer en ’t kleurige veldspaat.

Als nu dit eeuwige gesteente toch onder invloed van water, wind en warmte splijt, afbrokkelt en meegevoerd wordt met het water naar de Lage Landen, dan vinden we het kwarts terug als het zand van onze duinen!
Kijk maar eens door een vergrootglas naar de verrassend heldere kristalletjes van ons ‘gewone’ strandzand.
Het glimmer vinden we niet terug; door z’n fijne bladachtige gelaagdheid versplintert het en voegt zich overal tussen.
Veldspaat vinden we daarentegen in grote hoeveelheden terug als fijne, compacte klei.
Het zand van de duinen dat de zee moet keren, de vruchtbare klei die geploegd en bebouwd wordt, geven ons vaste grond onder de voeten en geven ons het dagelijks brood….

Onze Vader die in de hemelen zijt
geef ons heden ons dagelijks brood…..!

We hoeven maar naar de flonkerende kristallen te kijken om te beseffen dat krachten uit de kosmos de aarde doorstralen. In de biologisch-dynamische landbouw wordt met deze krachten gewerkt en worden die krachten door preparaten gebundeld. De aarde staat niet op zichzelf maar is verbonden met de kosmos.

In de eerste adventsweek, als we ons voorbereiden op de komst van God-de-Zoon, gaan we eerst terug naar de oergrond van ons bestaan en merken we hoe de diepten der natuur verbonden zijn met God-de-Vader-in-den-Hoge.

Graniet,
dragende aardegrond
rotsvaste zekerheid
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Stralend is uw kwarts
door licht gevormd.
Uw glanzende glimmer
ligt ritmisch gelaagd.
Uw vruchtbare veldspaat
eenmaal verweerd
geeft klei en leem
voert mensen tot daad.
Drieledig is uw wezen
tot eenheid gesmeed
door het vuur van de Schepper.
Zo zijt gij
dragende aardegrond
rotsvaste zekerheid
van eeuwigheid tot eeuwigheid.

(dit gedicht is volgens mij (phaw), gemaakt door Ton ten Böhmer in 1976)

Zacht klinkt hier, als voorbode, het ‘Ere zij God in den Hoge’ doorheen…..

(Ivon Hummel , vrijeschool Nijmegen, nadere gegevens ontbreken)

.
Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Over glimmer en veldspaat

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

307-287

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (1)

.

DE VIER ADVENTSZONDAGEN

Waarom zijn er vier adventszondagen, voorafgaande aan Kerstmis? De vorige keer heb ik bij de NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR de adventstijd helemaal niet meegeteld. Advent is dan ook in zekere zin een voorbereidingstijd. In de tijd van het jaar die beleefd wordt als de donkerste tijd van het jaar, verwachten we de KOMST VAN HET LICHT. We doen dat in vier grote stappen van een week. De zondag is de enige juiste dag ervoor om die stap te markeren. Niet alleen is sedert de Kruisiging en Opstanding de Zondag de belangrijkste dag van de week geworden – daarvoor was het de Zaterdag (Sabbath) -; de zondag is ook de eerste dag van de week, altijd geweest, al vanaf het Scheppingsver­haal uit het Oude Testament, dus in de voor-chris­telijke tijd. (Op school moeten we noodgedwongen deze adventsweken op maandag vieren, omdat er op zondag natuurlijk geen lessen zijn. Maar wel zijn er de Zondagshandelingen en daarin kunnen de kinderen van de hele onderbouw, want ook de 1e-klassers mogen dan voor het eerst de Kinderhande­ling meemaken, de adventszondagen in schoolverband beleven.)

Advent betekent: DE BINNENKOMST, iets anders dan Verwachting, maar beide betekenissen spelen door elkaar. Op 1e advent is alles nog heel pril: één kaarsje in de adventskrans brandt nog maar.
Maar weldra is daar al het Sinterklaasgebeuren. Op Sinterklaas, verbonden met het lot en de wil is in de vorige Branding uitvoerig ingegaan. Dat Sinter­klaas altijd in de adventstijd valt, moet toch eigenlijk wel als heel bijzonder worden opgevat. Sint-Nicolaas is dan ook een wegbereider van het kerstkind, in een prachtig verhaal van D. Udo de Haes:  ‘Sint-Nicolaas, de Kerstbode’ genoemd. Sinterklaas valt dit jaar* op de dinsdag van de 1e adventsweek, vorig jaar echter op de maandag van de 2e adventsweek.
Een week na 6 december hebben we vervolgens Sinte-Lucia, de Lichtbrengster, vooral in Zweden wordt dit feest veel gevierd. Opvallend is dat bijvoorbeeld de zon niet meer later onder­gaat, dus dat het vanaf Sinte-Lucia ’s middags al is afgelopen met steeds donkerder te worden, terwijl voor de ochtenden geldt dat pas na DRIEKO­NINGEN (6 januari) de zon steeds vroeger opgaat.
Advent begon vroeger op en met Sint-Maarten {11 november). Hij was de eerste die het Licht van het Christuskind bracht, nu zodanig gevierd dat we een kaarsje in een lantaarntje doen en daarmee in het pikkedonker gaan lopen.

In het Kerstspel uit Oberufer, dat de leraren van alle vrijescholen ieder jaar voor hun leerlingen opvoeren, komen we dit beeld opnieuw tegen: de zgn. Goede Waard, dat is de laatste van de drie waarden, vaak door een juffie gespeeld, heeft een lantaarn in haar hand, waaruit ze na de geboorte van het Kindje het licht haalt om er de kaarsjes in de kerstboom, die zich achter Jozef en Maria bevindt, mee aan te steken. In de stal waarin ze Jozef en Maria brengt laat ze de lantaarn bij Jozef achter. En Jozef licht met deze zelfde lantaarn ten slotte de drie herders, die op zoek zijn naar de stal, bij.

Sint-Maarten zelf trok vanuit Pannonië, in het huidige Hongarije, via Padua naar Frankrijk. Bij Amiens moet de bekende ontmoeting met de bedelaar hebben plaats gevonden. Hij werd vervolgens bis­schop van Tours, een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Parijs, zorgde voor armen en zieken en trok ieder jaar naar het onbekende hoge noorden tot in onze streken om de KOMST VAN CHRISTUS niet alleen te verkondigen, maar ook al weer door het stichten van kapelletjes en ziekenhuizen te laten ervaren.  (Vandaar de Sint- Maartensoptochtjes van 2 of 3 kinderen van deur naar deur om het licht te brengen.
Als we nu de periode van Sint-Maarten tot Kerstmis nemen, dan komen we op 43 of 44 dagen. Maar tot 21 december, de dag waarop de winterzonnewende valt is het precies 40 dagen.

advent 1

Kerstmis – de geboorte van het Kerstkind-  valt drie dagen later, immers: het kind wordt geboren te middernacht van 24 op 25 december. Het tijdperk van 40 dagen is een heilig tijdperk. Christus bracht 40 dagen in de woestijn door met vasten; het is dus een periode waarin de mens kan versterven, dat wil zeggen: door geen voedsel te nemen te vergeestelijken. Een even lange periode van 40 dagen kennen we na Kerstmis – we komen dan op 2 februari, vanouds de dag waarop de Kersttijd definitief werd afgesloten met een processie, met het opbranden van de kaarsresten en een vrije dag voor iedereen met kermis en dansen.

Waarom is advent nu echter beperkt tot 4 zondagen? Dat heeft er mee te maken dat het niet alleen om een geestelijke gebeurtenis gaat, maar ook om een aardse. Het getal 3 is een kosmisch getal: het beeld voor de goddelijkheid, de driehoek.  In het Kerstspel worden ze na elkaar gegroet:

‘Groetenme God vader in synen troon
en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naôme en
groetenmens al gedrie te saômen.’

Het getal 4 is 3 plus 1. Het getal 4 is aards, verbonden mét en beeld van de aarde. Het vierkant is het teken voor aarde, maar ook het kruis. De vier windrichtingen geven dit het duidelijkst aan. Iedere kerk werd vroeger als een kruis gebouwd, met bovenop de toren een haan op een windwijzer.  In het Kerstspel treffen we 3 herders aan, 3 waarden, 3 koningen, 3 schriftgeleerden, en ineens zijn het er 4, doordat er telkens een vierde bijkomt. Als de Drie Koningen bij Koning Herodes komen wordt het opeens een aardse aangelegenheid. Als de vierde herder (Crispijn) er bij komt, belooft hij dat hij het kind een slip van zijn pelsvacht zal schenken. De drie waarden in het Kerstspel zijn het tegen­beeld van de warme, meevoelende herders. Het zijn aardse, zelfgenoegzame personen, die er niet in het minst voor voelen daadwerkelijk de helpende hand uit te steken, zelfs niet de Goede Waard met de lantaarn. Pas als de 4e waard komt, Jozef, die de lantaarn opneemt en gaat kijken wie er buiten de stal staan te roepen, en er de 3 herders aantreft, wordt beleefbaar wat gastvrijheid betekent. Hij zegt:

‘Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt –
hier leytet kind daer van ghy seght.’

Ook in het ‘ Drieconinghenspel’ treffen we zo’n tegenbeeld aan, nu van de drie koningen: de drie schriftgeleerden, in wezen toch mensen die omgaan met geestelijke zaken, gebeurtenissen, openbarin­gen. Maar zij blijven bij hun tekst en verklaren alles vanuit de dode letter. Pas als Koning Herodes aan de Hoofdman opdracht heeft gegeven ‘tot alle landpaelen af te condighen dat men ombrenghe alle knegtjens cleyn so tweejaerigh en daar onder syn’ komt de vierde schriftgeleerde (Judas) naar voren, die angstig naar de hoofdman luistert en dan uitroept:
‘o wee, o wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaat,
onse kinderkens moetens worren gedoot?
ach, wat salt gheven, smert, pyn ende   noot!’

Hij moet dit met zijn leven bekopen…

Waar het nu om gaat in de kersttijd, is het beleven dat Gods Zoon op aarde geboren wordt en dat gebeurt door op 4 zondagen achtereen advent te vieren. Heel geleidelijk nadert het Kerstkind de aarde en doordringt zo de 4 natuurrijken: het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. We vieren dit heel dikwijls zo dat we de vier adventszondagen verbinden met deze vier natuurrij­ken:

1e advent – minerale rijk
2e advent – plantenrijk
3e advent – dierenrijk
4e advent – mensenrijk.

We leggen dan bij of onder de adventskrans of op een plek waar we later het Kindje in het kribbetje uitbeelden op de 1e advent mineralen: stenen,
op 2e advent komen daar planten bij, of in ieder geval van planten afkomstige voorwerpen.
Op 3e advent materiaal van dieren afkomstig, zoals bijvoorbeeld een plukje schapenwol, als het kan dierfiguren gemaakt van dierlijke stoffen.
En op 4e advent komt de mens: dat kan al een menselijke gestalte zijn van bijenwas, maar ook poppen van hout, van stof, of van wat voor materiaal.

Op deze vier natuurrijken zal in deze en de volgen­de Branding vanuit de leerstof door een aantal collega’s nader worden ingegaan.

Een goede advents- en kersttijd gewenst.

(Hans ter Beek, Rudolf Steiner School Nijmegen, *nadere gegevens onbekend)
.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

305-285

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.