VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2-2)

.

AUTORITEIT IN DE OGEN VAN LOUIS VAN GAAL
.

Rond de jaren 1980 heerste er onder jonge mensen in die tijd – vooral in de steden en wanneer ze studeerden of gestudeerd hadden, een gevoel, een mening dat zij de opvoeding die zij zelf hadden genoten en vooral de leiding die ze op hun scholen hadden ervaren, te streng was. Te veel van boven opgelegd, waarbij ze zelf geen of te weinig ruimte kregen om mee te beslissen. 
Tegelijkertijd of al ruim daarvoor had de bezetting van het Maagdenhuis plaatsgevonden en wilden de vrouwen ‘baas in eigen buik‘ zijn.

Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat vanuit dit gevoel, deze meningen ook gekeken werd naar de opvoeding en omdat je niet vroeg genoeg kan beginnen, ontstonden er de zgn. ‘anti-autoritaire crèches’.

Ook in Groningen, bijv. En toen daar een vrijeschool werd opgericht – het enthousiasme daarvoor kwam voor een groot deel van de mensen die ik hierboven beschreef, ‘botste’ dit gevoel van geen of weinig autoriteit in de opvoeding – het zou me niet verbazen dat het woord ‘vrije’ in vrijeschool de grote trekpleister was – met Steiners opvatting over ‘autoriteit’.

Wanneer je Steiners opmerkingen daarover, zoals weergegeven in zijn pedagogische voordrachten, leest, valt op dat het steeds gaat over de ‘vanzelfsprekende’ autoriteit. En wat je moet doen om deze vanzelfsprekende en niet afgedwongen autoriteit te worden.

Veelvuldig komt het voor dat Steiners uitspraken die in de (pedagogische) voordrachten wat geïsoleerd lijken te staan en van ‘100 jaar’ terug, volkomen buiten ‘het leven (van nu)’.

Maar wie intensief met Steiners opvattingen bezig is, er openstaand mee leeft, zal vaak ‘bevestiging’ van zijn woorden vinden vanuit totaal andere invalshoeken, maar wel vanuit het praktische leven. 

In Trouw van dinsdag 20 april 2021 stond een interview met de bekende voetbaaltrainer Louis van Gaal.
Een stukje uit dit interview dat verrassend bekend klinkt als je Steiners opvattingen over ‘voor de klas staan’ kent:

Van Gaal:

Het belangrijkste is dat je een goed mens bent en dat betekent in ieder geval dat je doet wat je gezegd en afgesproken hebt. Als je als coach geen goed mens bent, haken de mensen met wie je werkt op den duur af.

Autoriteit moet je verdienen

Vroeger was de titel coach al voldoende voor een grote mate van gehoorzaamheid. Dat is niet meer zo, en dat is een goede ontwikkeling. Ik weet dat ik soms de indruk kan wekken dat ik de oude cultuur veel meer waardeer, maar er zijn zeker ook veel voordelen aan de huidige cultuur en dit is er één van. Autoriteit moet je verdienen. Je moet dus altijd het goede voorbeeld geven.

Veel leiders zijn met zichzelf bezig, te weinig afgestemd op hun omgeving, te weinig helder in hun visie, niet duidelijk en niet logisch in wat ze zeggen. De combinatie van duidelijkheid, logica en zelf het goede voorbeeld geven is een belangrijke kwaliteit die door de meeste mensen gewoon wordt nagevolgd. Leider zijn op zichzelf heb ik nooit echt een verdienste gevonden, omdat ik denk dat sommige mensen met leidinggevende kwaliteiten geboren worden. Kennis vergaren, inzichten opdoen: dat is een ander verhaal, of een goed mens zijn in de maatschappij, de kwaliteiten ontwikkelen om een goed leider te zijn, het ontwikkelen van een goede leiderschapsstijl.

Dat vind ik een grotere verdienste.

Mijn visie kun je samenvatten als het ‘totale-mens-principe’ en dat betekent dat de mens achter de sporter of collega belangrijk is. Ik wil me kunnen verplaatsen in de individuele mens om te kijken wat hem raakt, wat hem of haar beweegt en Wat ervoor kan zorgen dat iemand beter gaat functioneren. Als coach vraagt dat een goed oriëntatievermogen om dat beeld van de individuele speler in een rol in het team te plaatsen zodat hij een meerwaarde voor het team kan zijn, maar ook voor zichzelf.

Wanneer een jongen of meisje naar een amateurclub gaat om te voetballen, wordt hij of zij meestal op een bepaalde positie in het team gezet waar toevallig een positie vrij is gekomen. Maar dat wil niet zeggen dat daarmee voor die speler de beste positie is uitgezocht. Het totale-mens-principe betekent dat je op een andere manier kijkt en al die aspecten meeweegt en daarbij ook een gesprek aangaat en afweegt of iemand dan op die positie past.

Wetenschappers zeggen dat mensen in hun jongste jaren, tussen de één en tien jaar, het meest worden gevormd. Ik denk dat die periode voor mij een belangrijke basis heeft gelegd in het leven. Ik had een gelukkige jeugd en ben opgegroeid met veel zelfvertrouwen, maar ook kreeg ik dat vertrouwen van mijn omgeving. Dat draag ik nog steeds met mij mee. Dat betekent niet dat ik in de loop van de jaren niet ben veranderd. Het leven vraagt ook dat je je voortdurend aanpast.

Ik vind: je moet jezelf altijd blijven evalueren. Niet iedereen weet of denkt van mij dat ik dat regelmatig doe, maar iedere keer als ik weer in de auto zat en naar huis reed na een wedstrijd heb ik mezelf geëvalueerd. Je kunt nooit stilstaan. Je moet je steeds weer aanpassen aan de omstandigheden. [  ]

Grote ego’s zijn vaak wel de creatiefste figuren op het veld, en ja: die heb je nodig in het voetbal. Tegelijk zijn ze vaak eigenwijs en hebben ze een stevige eigen mening gevormd, omdat ze soms te snel dachten dat ze vanwege hun creatieve talent boven de rest van het team stonden. Maar voetbal is en blijft een teamsport, en als coach is het je taak om dat te managen. Daarbij bereik je meer met belonen dan met straffen. Dat heb ik altijd in gedachten gehouden, maar ik deinsde er ook niet voor terug om te corrigeren als dat, in het belang van de groep, nodig was.

Om goed te kunnen presteren is zelfvertrouwen de belangrijkste voorwaarde. Maar wel ook gebaseerd op wat anderen daarover zeggen. Daarmee bedoel ik dat het gevoel van vertrouwen niet alleen uit jezelf moet komen: het is belangrijk dat het ook wordt bevestigd door anderen. Daarom moetje als leider of coach van een groep in staat zijn om te belonen, te corrigeren, zonder te straffen op een manier die het zelfvertrouwen van iemand beschadigt.

De essentie is voor mij: duidelijkheid, eerlijkheid en empathisch zijn in je communicatie. Ik hoop dat mensen die met mij gewerkt hebben op die manier ook aan mij zullen terugdenken. Als iemand die niet alleen uitging van hemzelf, maar ook altijd rekening hield met zijn medemens en in de medemens geloofde. Mijn geloof in de medemens is bijna net zo groot als het geloof in mezelf.

Jonge sporters vragen mij vaak: wat zou je mij kunnen adviseren? Dan zei ik altijd: ‘Blijf dicht bij jezelf’. Maar eigenlijk is dat niet helemaal waar. Omdat ik als voetbalcoach heb geleerd dat je juist niet altijd bij jezelf moet blijven, dat je dat soms juist moet laten gaan. In het begin van je carrière moet je vooral open staan voor opbouwende kritiek, en dankzij die kritiek jezelf nog beter leren kennen.

Wat ik heb ontdekt: het begint altijd bij jezelf, maar het eindigt niet bij jezelf, omdat je in het belang van het team jezelf soms moet kunnen vergeten.”

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2538-2378

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-5)

.
In het tijdschrift Jonas  -zo tussen ca 1970 en 2000 – verschenen regelmatig artikelen over de politiek van die jaren. Meestal meer of minder uitgesproken tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Voor een deel ius de inhoud dus bepaald door de tijd van toen, maar ze bevatten ook vrijwel altijd gezichtspunten voor de toekomst.
En, zien we niet in hoe het toen was, toch weer niet hetzelfde zoals het nu is, al zijn namen en situaties veranderd ?
Ook de vrijescholen worden genoemd. Opgemerkt wordt dat ze niet vrij zijn.
Ik merk op dat ze de laatste halve eeuw ook vrij weinig voor vrijheid van onderwijs hebben gedaan.
.

Frank Thomas Smtih, Jonas nr. 23, 6 juli 1973
.

moreel socialisme als alternatief

Als we het woord ‘socialisme’ gebruiken, bedoelen we daarmee gewoonlijk een systeem waarin de politieke staat de productiemiddelen bezit en de bevolking van een staatkundige eenheid voorziet van belangrijke sociale instellingen als pensioen- en ziekenfondsen, werklozenondersteuning, enz. Of het nu gaat om een democratische of een andere staatsvorm, waar ‘t op aankomt is, dat niemand economisch wordt uitgebuit. Per slot van rekening kan geen enkele staat die een volk vertegenwoordigt, hetzij door middel van gekozen vertegenwoordigers of door een dictatuur van het proletariaat, en die de bezitter is van de productiemiddelen, theoretisch het volk uitbuiten, want dat zou gelijk staan met uitbuiting van zichzelf.
Het begrip socialisme als staatssocialisme is duidelijk gevolg van de misbruiken van het kapitalistische systeem, versterkt door de ongecontroleerde egoïstische belangen. Bijgevolg is het een fenomeen van onze tijd dat verstandige en intelligente mensen, vooral onder de jongere generatie, zich terecht van de kapitalistische maatschappij afwenden en zich keren naar het marxistisch-leninistische communisme of variaties daarvan, vaak langs de weg van gewelddadige revolutie. Wat deze verschijnselen vooral zo belangwekkend maken, is het feit dat deze mensen concrete resultaten op het oog hebben bij de verwerkelijking van de theorieën van Marx en Lenin: de bureaucratische, economisch productieve, hedendaagse communistische staten — vestingen van de onderdrukking van de menselijke geest. We zijn allen getuigen van het fiasco van beide systemen, het kapitalistische zowel als het communistische, die bovendien bezig zijn een voor beide partijen dodelijke strijd te voeren. Niettemin beschouwt de idealist het marxisme als een zaak, waard om voor te strijden; met als ideaal de verdwijning van de staat en de terugkeer van het paradijs, al is het dan een materialistisch paradijs, terwijl het kapitalisme iedere morele ideologie mist. Wat hij echter niet schijnt te zien of in elk geval buiten beschouwing laat, is het onzinnige om te theoretiseren over het doen afnemen van de staatsmacht en tegelijkertijd de machtigste economische staten uit de hele geschiedenis op te bouwen.

De kapitalistische belangen (en de westelijke staten die daardoor worden beheerst) zien hun bestaan met recht dodelijk bedreigd door het communistische oosten: de marxistisch-leninistisch-maoïstische profetie verkondigt de ondergang van het kapitalisme door gewelddadige revolutie. Daarom verklaarde het kapitalistische westen de oorlog aan het communistische oosten, dat reeds lang bezig was een koude oorlog te voeren (in Europa, Korea, Vietnam, het Arabisch-Israëlische conflict, de guerrillastrijd in Zuid-Amerika, enz.). De resultaten van deze polariteit openbaren zich ook in de honger en de schandelijke sociale onrechtvaardigheid, die in vele gebieden op het zuidelijk halfrond heersen; in het ontbreken van vrijheid in die landen waarin de maatschappij wordt beheerst door extreme vormen van een militaire of klassendictatuur; in de vertwijfeling die zich uit in het gebruik van drugs en alcohol, in de jeugdcriminaliteit, de zelfmoorden, enz. of, om de woorden van Rudolf Steiner te gebruiken, in:

de mechanisering van de geest,
de vegetabilisering van de ziel,
de animalisering van het lichaam

Theoretici van beide kanten als ook uit de ‘derde wereld’ beseffen de gevaren van deze polarisering, maar blijkbaar zijn ze alleen in staat politieke of economische oplossingen te vinden. Een machtige president of kanselier, een juiste staatkundig-economische politiek, die door een wonderen bewerkende minister van financiën wordt uitgeoefend – daarin ziet men het middel tegen alle kwalen. Wat echter onder deze oppervlakkigheid verborgen blijft, is het feit dat juist deze politieke en economische overheersing van het gehele sociale weefsel en in het bijzonder van de opvoeding de maatschappij in de huidige explosieve gespannen toestand heeft gebracht. Politieke staten of economische politiek zijn niet in staat de oplossing te vinden voor deze problemen. Onder een dergelijke leiding kan de toestand alleen nog maar erger worden.

Veel belangrijker dan beide bovengenoemde gebieden is een heel ander arbeidsveld, een terrein van menselijk streven dat als autonomie bevoegd is zijn rechtmatige plaats naast de anderen in te nemen: het geestelijk leven. Hierdoor wordt alles wat met de geest te maken heeft uit de boeien van de staatscontrole bevrijd, beginnend, maar zich niet alleen daartoe beperkend, met de belangrijkste van alle geestelijk activiteiten: de opvoeding.

De gangbare reactie is, als dit ter sprake wordt gebracht, dat men zich verrast toont en er een beetje om lacht, en dat komt vooral omdat de politiek-economische eenheden de meesten van ons van hun onontbeerlijkheid op alle sociale gebieden hebben overtuigd. Particuliere scholen zijn hierop niet het antwoord, omdat ook zij direct of indirect onder staatscontrole staan.
Ze moeten gewoonlijk een officieel leerplan volgen en kunnen alleen door de staat gediplomeerde leraren aanstellen. De vrijescholen vormen hierop geen uitzondering, hoewel ze vaak in de gelegenheid zijn een opmerkelijke graad van betrekkelijke vrijheid te genieten – al naar het land waarin ze zich bevinden, waardoor de leraren kunnen werken in een atmosfeer die onder de gegeven omstandigheden zo vrij mogelijk is. Wie echter meent dat de vrijescholen in de huidige maatschappij ook werkelijk vrije scholen zijn, vergist zich.

Een opvoedingssysteem, vrij van staatscontrole en economische afhankelijkheid zou mensen voortbrengen, gevormd door leermethoden die zich uit het vrije initiatief van de leraren zelf ontwikkelen. Dit zou tot een nieuw bewustzijn leiden, waarvan de maatschappij waarin deze mensen zich uiteindelijk integreren op haar beurt weer rechtstreeks voordeel heeft, vanzelfsprekend met inbegrip van de politieke en economische gebieden van die maatschappij. Ze zouden dan werken aan de omvorming van de maatschappij in een organisme dat aan de huidige en toekomstige eisen van de civilisatie beantwoordt. Ze zouden dit doen als persoonlijkheden, waarvan gemoed en denkwijze niet door politieke propaganda en economische eisen werden verwrongen.

Het is de mythe dat eenheidsstaten een noodzakelijkheid zouden zijn, die de wereld in versneld tempo naar de zelfvernietiging voert. De steeds machtiger wordende eenheidsstaat, of het nu een pseudo-democratie of een openlijke dictatuur is, moet krachtens zijn hoedanigheid het hele sociale organisme met de dodelijke ziekte van het statisme infecteren. De staat is politiek, en als zodanig dwingt hij met zijn politieke motieven de geestelijke en economische werkgebieden binnen, waardoor hij ze te gronde richt. Is de tijd niet eindelijk aangebroken, waarin de wereld haar lethargie zou moeten afschudden en de dwingende noodzakelijkheid zou moeten erkennen de drieledige maatschappij te verwerkelijken, voor de eenheidsstaten zichzelf en alles wat aan menselijke beschaving overblijft door gewelddadige omwentelingen vernietigen?

De eerste duidelijke schrede is, overal bekendheid te geven aan deze noodzakelijkheid. Dit kan alleen uitgevoerd worden door hen die zelf de urgentie van deze opgave inzien en die bereid zijn zich door intensieve bestudering van de principes van de drieledige maatschappij voor te bereiden. Wanneer dan het nodige begrip en de overtuiging verworven zijn, moet deze kern van toegewijde personen erop uitgaan en zich tot het uiterste inspannen om deze principes aan de mensheid in haar totaliteit bekend en begrijpelijk te maken.

De weg van de menselijke ontwikkeling toont ons dat we ons aan de chaos moeten ontworstelen. Dit kan door een drieledig socialisme worden bereikt, niet door staatssocialisme, maar door een echt socialisme, dat het geestelijk leven vrij zijn oereigen wetten laat volgen, de politieke staat tot op zijn rechtmatige ordenende functie reduceert en waarin de economie dient te zorgen voor de materiële behoeften van de maatschappij. Dat is moreel socialisme.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld:

.

2537-2377

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/23)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
De koningszoon die nergens bang voor was

Er was eens een koningszoon wie het thuis bij zijn vader niet meer beviel en omdat hij nergens bang voor was dacht hij: ik ga de vrije wereld in, dan valt de tijd mij niet zo lang en ik zal vele wonderlijke dingen zien. Dus nam hij afscheid van zijn ouders en ging weg, steeds verder, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en het was hem om het even waar de weg hem heenvoerde. En zo gebeurde het dat hij bij het huis van een reus kwam en omdat hij moe was ging hij voor de deur zitten om uit te rusten. En terwijl hij zijn ogen de kost gaf zag hij op het erf het speelgoed van de reus liggen – dat waren een paar geweldige ballen en kegels .zo groot als een mens. Na een tijdje kreeg hij zin de kegels op te zetten, gooide er met de ballen naar, hij juichte als de kegels omvielen en was in de beste stemming. De reus hoorde het lawaai, stak zijn hoofd door het raam en ontwaarde een mens die niet groter was dan andere mensen en toch met zijn kegels speelde. ‘Wurmpje,’ riep hij, ‘wat kegel jij daar met mijn kegels? Wie heeft je daar de kracht toe gegeven?’ De koningszoon keek op, zag de reus en zei: ‘O jij lummel, je dacht zeker dat jij alleen sterke armen had? Ik kan alles waar ik zin in heb.’ 

Als een zoon volwassen is geworden, wordt het tijd dat hij het vaderhuis verlaat om de wereld in te gaan en om zichzelf te bewijzen. Dat geldt ook voor de binnenwereld. Het jonge Ik dat sterker aan het worden is, wil een vrije, zelfstandige individualiteit worden. Het oude zelf (de vader) en de ziel waaruit die geboren is (de moeder) kunnen hem niet meer geven wat hij nodig heeft. Hij heeft een opvatting over de wereld nodig en hij moet zo volwassen worden dat hij zichzelf in de hand heeft. Dat heet in het sprookje ‘het koningschap vinden’. Dat betekent vele opgaven volbrengen en de weg daarnaartoe is vol gevaar. Het eerste gevaar is de reus en die is kennelijk des te machtiger, naarmate het Ik sterk is. 
Reuzen zijn imaginaties van grote, ongeslachtelijke, teugelloze natuurkrachten. Door helderziende mensen werden ze gezien als vorst-, ijs- en stormreus. Ze gaan geweldig, maar zinloos tekeer, daarom worden ze groot en dom genoemd. Ook in de mens kunnen deze ‘reuzen’krachten werken, teugelloos, mateloos. En het geheel van onze menselijke natuur in ons, is zo’n reus. Iedereen krijgt ermee te maken, het meest echter degene die zijn koninklijke waardigheid zelfstandig wil verwerven.
De reus speelt graag met ballen en kegels die zo groot zijn als een mens. De bal is, evenals de ring, de uitdrukking voor de kosmos. Hiermee wordt de sferische vorm aangegeven. De natuurmens in ons gebruikt die krachten, onbewust gaat hij ermee om, hij speelt. Het Ik moet die krachten en de gevolgen ervan net zo leren gebruiken, maar vanuit een vrije wil en een bewuste houding. Hij moet zich t.o. die reuzenkracht opstellen en kunnen zeggen: jij hebt niets anders dan je grofstoffelijke wildheid, de kracht die in je fysieke lichaam werkt; maar ik kan deze krachten bewust beheersen.

De reus kwam naar beneden, keek heel verbaasd naar het kegelen en zei: ‘Mensenkind, als jij er zó een bent, ga dan voor mij een appel van de Boom des Levens halen.’ – ‘Wat moet je daarmee?’ vroeg de koningszoon. ‘Ik wil die appel niet voor mijzelf hebben,’ antwoordde de reus, ‘maar ik heb een bruid die ernaar verlangt en ik heb overal in de wereld rondgelopen maar ik kan die boom niet vinden.’ – ‘Ik zal hem wel vinden,’ zei de koningszoon, ‘en ik zou niet weten wat mij ervan kan weerhouden een appel van die boom te plukken.’ De reus zei: Je denkt zeker dat dat zo eenvoudig is? De tuin waarin die boom staat is door een ijzeren hek omgeven en voor dat hek liggen wilde dieren, de een naast de andere en zij houden de wacht en laten geen mens binnen.’ – ‘Mij zullen ze wel binnenlaten,’ zei de koningszoon. Ja, en als je dan al in de tuin komt en de appel aan de boom ziet hangen, dan is hij nog niet van jou – er hangt een ring voor, waar je je hand doorheen moet steken om de appel te kunnen grijpen die je wilt plukken en dat is nog niemand gelukt.’ – ‘Mij lukt dat wel,’ sprak de koningszoon.

De appel is in het Avondland de vrucht van de boom van de kennis. Hij werd het symbool voor de gebeurtenis waarbij de mens uit een hogere bewustzijnstoestand in een lagere ‘viel’ en de paradijselijke hogere wereld verwisselde voor de ons omringende zintuigwereld. De mens werd burger van twee werelden. Door deze ‘val’ verkrijgt hij echter de kennis van goed en kwaad. Deze ‘appel’ hebben Eva en Adam plaatsvervangend voor ons gegeten. Wat is de appel des levens? Het beeld van de tuin wijst naar de plaats waar in rijke mate een volheid aan levenskiemen groeit, waar vruchten en zaden rijpen. Het is de wereld van de groei- en levenskrachten die ons lichaam doortrékken en die overal leven wekken. Het is het bijzondere krachtengebied in de mens dat Aristoteles de ‘vegetatieve ziel’ noemt. Dit is een beschermd gebied: om de tuin bevindt zich een ijzeren hek; je moet een ijzeren wil hebben om er binnen te kunnen gaan. Deze wil moet Ik-karakter hebben, behorend bij een sterke persoonlijkheid (het ijzer in het bloed maakt het Ik krachtig).
Vóór het hek liggen wilde dieren. de een naast de ander en houden de wacht en laten geen mens binnen. Onze gewaarwordingswereld zit vol met driften en begeerten. Deze wilde driften zijn de dieren die ons de ingang in deze tuin van Eden waarin de beste vrucht groeit, versperren. Je hebt een onoverwinnelijk gevoel van vertrouwen in de goddelijkheid van de menselijke ziel nodig om geloof te hebben in dit beeld van het Paradijs en het in zichzelf te vinden. Je moet weten dat je met elke wildheid, ja met al je driften af kan rekenen wanneer dit doel je onwankelbaar voor ogen staat. ‘Mij zullen ze wel binnenlaten’, zegt de koningszoon. ‘Mij lukt dat wel,’ als het over de ring gaat. Wanneer de mens leert dat het Ik-bewustzijn dat zich in de loop van het leven vormt, niet zijn totale Ik is, maar slechts een deel dat bij de stoffelijke zintuigwereld hoort, dan vat hij het op als een schijnvrucht. Doet hij zijn best niet alleen vanuit dit lagere Ik te leven, maar vanuit een hoger Ik, dan overwint hij deze ‘val’ in de afzondering, in de zonde. Het afdalen naar de zintuigwereld heeft naast de kennis van het goede ook de kennis van het boze gebracht. Als de mens zich bewust wordt, dat hiermee ook de keuze tussen goed en kwaad verbonden is, dat het kunnen kiezen hem tot een vrij mens maakt, dan heft hij daarmee de zondeval op. Hij kan in vrijheid het lagere Ik in een hoger transformeren, wanneer hij niet meer uit egoïsme, maar uit onzelfzuchtige liefde handelt. Terwijl hij echter in deze wereld met de doodskrachten vertrouwd raakte en de dood in zich moest opnemen, is er aan gene zijde geen dood, daar is alleen leven. Daarmee komt er in de plaats van de appel, de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad, de vrucht van de boom des levens.
Het sprookje zegt: wie deze vrucht wil plukken, moet door de ring heen pakken. De ring, die in zich gesloten cirkel, maakt het beeld nog duidelijker. Wanneer handelt de mens vanuit de geslotenheid van een op zich staand geheel? Wanneer voor hem begin en eind, geboorte en dood één zijn. Wanneer zijn bewustzijn één geheel wordt, nooit versaagt en hem tot een op zich staande harmonische persoonlijkheid maakt, die zich als eeuwig ziet. Ook in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’ gaat het om dit persoonlijkheidsbewustzijn. En ook daar is de ring het symbool. Alleen wie door deze ring heen grijpt, kan de vrucht van de boom van het leven plukken.

Hij nam afscheid van de reus en liep over bergen en door dalen, langs velden en bossen tot hij eindelijk de wondertuin vond. De dieren lagen er omheen, maar zij lieten hun koppen hangen en sliepen. Zij werden ook niet wakker toen hij aankwam en hij stapte over ze heen, klom over het hek en kwam ongedeerd in de tuin. Daar stond in het midden de Boom des Levens en de rode appels glansden aan de takken. Hij klom langs de stam naar boven en toen hij een appel wilde grijpen zag hij er een ring voor hangen, maar hij stak er zijn hand zonder moeite doorheen en plukte de appel af. De ring sloot zich vast om zijn arm en hij voelde hoe er opeens een geweldige kracht door zijn aderen stroomde. Toen hij met de appel weer uit de boom was geklommen wilde hij niet over het hek klimmen, maar pakte de grote poort beet en behoefde daar slechts éénmaal aan te rukken en hij sprong onder hevig gekraak open. Toen ging hij naar buiten en de leeuw die voor de poort had gelegen was wakker geworden en rende achter hem aan, maar niet in woede en razernij, integendeel: hij volgde hem deemoedig als zijn meester.
De koningszoon bracht de reus de beloofde appel en sprak: ‘Zie je, ik heb hem zonder moeite gehaald.’ De reus was blij dat zijn wens zo snel vervuld was, haastte zich naar zijn bruid en gaf haar de appel die zij gewenst had. Het was een mooi en verstandig meisje en toen zij de ring niet aan zijn arm zag zei zij: ‘Ik geloof pas dat jij de appel gehaald hebt als ik de ring om je arm zie zitten.’ De reus zei: ‘Ik hoef hem alleen maar thuis te gaan halen,’ en hij dacht dat het een kleinigheid zou zijn, om die zwakke mens met geweld af te nemen wat hij niet goedschiks wilde geven. Hij eiste dus de ring van hem op, maar de koningszoon weigerde. ‘Waar de appel is hoort ook de ring te zijn,’ sprak de reus, ‘als je hem niet goedschiks geeft moet je er met mij om vechten.’

Wie de vrucht van de boom des levens veroverd heeft, kan de poort van deze hof van Eden openen. De wilde dieren (de driften) slapen. Zij zijn getemd. ‘Nu sluimert ieder wild verlangen’, staat er in de Faust. Roekeloosheid is moed geworden: de leeuw volgt de koningszoon en dient hem.
De mooie en slimme bruid van de reus is de onschuldige natuurziel van de mens. Voor haar werd de appel gehaald. Het beeld wil zeggen: nog wordt de levensvrucht op een natuurlijke manier een deel van de menselijke ziel. Het bewustzijn echter dat de mens daardoor heeft gekregen (de ring) mag hij niet meer opgeven; daar moet hij voor vechten, die mag de reus niet hebben.

Zij worstelden een hele tijd met elkaar maar de reus kon de koningszoon die door de toverkracht van de ring sterk was geworden, niet klein krijgen. Toen verzon de reus een list en hij zei: ‘Ik heb het warm gekregen van het vechten en jij ook, laat ons in de rivier gaan baden om af te koelen eer wij opnieuw beginnen.’ De koningszoon die geen bedrog kende, ging met hem naar het water, deed bij het uitkleden ook de ring van zijn arm en sprong in de rivier. Dadelijk greep de reus de ring en liep ermee weg, maar de leeuw die de diefstal had gezien, zette de reus na, rukte hem de ring uit zijn hand en bracht hem aan zijn meester terug. Nu ging de reus achter een eikenboom staan en toen de koningszoon bezig was zich weer aan te kleden, overviel hij hem en stak hem beide ogen uit.

Een sterk Ik gaat dikwijls gepaard met argeloosheid, met een te groot vertrouwen. Vervuld van een kracht die de wereld kan veroveren ontbreekt het de mens aan waakzaamheid waar ’t het kwaad betreft en de sprookjes laten steeds weer zien dat het kwaad niet duidelijk genoeg herkend wordt en de zich steeds opdringende, remmende krachten niet worden herkend. In dit geval: de doffe, reuzennatuurkracht was weliswaar de aanleiding om het totale persoonlijkheidsbewustzijn (de ring) te verkrijgen, maar in het ‘water’ wordt het veel minder. Water is het oerbeeld van de zielenwereld die ervaren wordt (in de zin van: ‘de mensenziel lijkt op het water’ (Goethe), daar golft de gevoelswereld van stemmingen, hartstochten, daar duiken dromen en onbewuste gedachten op. In beeldentaal: in zich verzonken zijn, het Duist heeft hier nog ‘Auftrieb’: een ‘stijgende kracht’) In deze wereld van dromende gevoelens te duiken – en hoe vaak verleidt de reus ons daar niet toe – betekent gevaar voor het Ik-bewustzijn. Je raakt ‘op drift’. Dan helpt de verworven leeuwenmoed – de leeuw.
Nadat de list van de reus niet gelukt was, probeert hij het op een andere manier: hij gaat achter een eikenboom staan en steekt de koningszoon beide ogen uit. In het uiterlijke leven zou iedere rover tevreden zijn met een dikke boom. In het innerlijk leven is de eikenboom de beste verstopplaats en met een bijzondere betekenis. De wildeman met een eikenboom, dikwijls met een uitgetrokken eikenboom in de hand, is een van de meest voorkomende symbolen uit de middeleeuwen. In familie- en stadswapens kwam het voor, maar ook in naamschilden van herbergen (herberg ‘In de wildeman’) en het was eigenlijk een voortdurende vermaning bedacht te zijn op de overmacht van de natuur en zich bewust te zijn van haar kracht door ze te overwinnen. De eikenboom is het symbool van de omhoogstijgende wilskrachten – het Duits heeft ‘aufbäumen’ die diep in de mensenziel als aanleg wortelen. De mens zonder angst heeft in zekere zin een machtige eikenboom in zich. Hierachter gaat graag de reus schuil om ons de ogen uit te steken, d.w.z. hij berooft ons van de mogelijkheden die dingen daadwerkelijk te doorzien, om een echt inzicht te krijgen. Wie zich in het gevoelsleven (n het water) verliest, valt makkelijk ten prooi aan het gevaar dat hij zich in zijn wilsleven te buiten gaat. Hij wordt ‘blind’ voor ieder verstandig inzicht.

Daar stond nu de arme koningszoon blind en hulpeloos. Toen kwam de reus er weer aan, vatte hem bij de hand alsof hij hem wilde leiden en bracht hem naar de top van een hoge rots. Daar liet hij hem staan en dacht: nog een paar stappen dan stort hij naar beneden en valt dood en dan kan ik de ring van zijn arm aftrekken. Maar de trouwe leeuw had zijn meester niet verlaten, hij hield hem vast aan zijn jas en trok hem langzaam aan weer terug.
Toen de reus kwam om de dode te beroven zag hij dat zijn list was mislukt. ‘Kan zo’n zwak mensenkind dan niet vernietigd worden?’ zei hij nijdig tot zichzelf, vatte de koningszoon weer bij de hand en bracht hem langs een andere weg nogmaals bij de afgrond; maar de leeuw die de boze opzet begreep, redde zijn meester ook hier van het gevaar. Toen zij dicht bij de rand waren gekomen liet de reus de hand van de blinde los en wilde hem alleen achterlaten maar de leeuw gaf de reus een duw, zodat hij naar beneden stortte en te pletter viel.

Sommige bergwandelingen naar de top, sommige hoogten heb je te danken aan de reus in je, wanneer je je aan hem overgeeft. Als hij je echter het zicht heeft benomen, kan je niet meer overzien en sta je spoedig aan de afgrond. De moed van het hart, de leeuw, moet de ware leider zijn en de onstuimige natuur doden.

Het trouwe dier trok zijn meester weer van de afgrond weg en leidde hem naar een boom waar een heldere beek langs stroomde. De koningszoon ging daar zitten, maar de leeuw ging liggen en spatte hem met zijn poot water in het gezicht. Nauwelijks hadden enkele druppels zijn oogkassen bevochtigd of hij kon weer een beetje zien en hij zag een vogeltje dat heel dicht langs hem vloog maar zich stootte aan een boomstam. Daarop liet het zich in het water zakken en baadde daarin en toen vloog het op, scheerde zonder zich te stoten tussen de bomen door alsof hij zijn gezicht weer had teruggekregen. Toen begreep de koningszoon het teken Gods, boog zich over het water en waste en bette daarin zijn gezicht. En toen hij zich oprichtte waren zijn ogen zo helder en klaar als nooit tevoren.

Hier wordt getoond hoe hetzelfde element dat een gevaar vormt voor wie erin duikt zonder zijn volledige persoonlijkheid te bewaren, omgekeerd genezend is wanneer de mens de krachtige aanwijzing van het hart ernstig neemt. Er ontstaat nieuw inzicht. Hij wordt helderziend, in de zin van Wagners ‘wereld-helderziendheid’. Nu duurt het niet lang meer en de kennisweg van het Ik leidt naar het gebied van de hogere ziel zelf.

De koningszoon dankte God voor deze grote genade en trok met zijn leeuw verder de wereld in. Nu gebeurde het dat hij bij een slot kwam dat betoverd was. In de poort stond een jonkvrouw, schoon van gestalte en met een fijn gelaat, maar zij was helemaal zwart. Zij sprak hem aan en zei: ‘Ach, kon jij mij maar verlossen van de boze betovering die over mij is uitgesproken!’ – ‘Wat moet ik dan doen?’ vroeg de koningszoon. De jonkvrouw antwoordde: ‘Drie nachten moet je doorbrengen in de grote zaal van het betoverde slot, maar er mag geen vrees in je hart opkomen. Als je het bij de ergste kwellingen die zij je aandoen uithoudt, zonder dat er één geluid over je lippen komt, dan ben ik verlost; zij mogen je niet het leven benemen.’ Toen sprak de koningszoon: ‘Ik ben niet bang, ik zal het met Gods hulp proberen.’ En zo ging hij opgewekt het slot binnen en toen het donker werd ging hij in de grote zaal zitten en wachtte af. Tot middernacht was het stil; maar toen ontstond er plotseling een hevig spektakel en uit alle hoeken en gaten kwamen kleine duivels aanlopen. Zij deden of zij hem niet zagen, gingen midden in de kamer zitten, maakten een vuur aan en begonnen te spelen. Als er een verloor, zei die: ‘Het is niet pluis, er is hier iemand die niet bij ons hoort en het is zijn schuld dat ik verlies.’ – ‘Wacht ik zal je krijgen, jij daar achter die kachel,’ zei een ander. Het geschreeuw werd steeds erger, zodat niemand ernaar had kunnen luisteren zonder bang te worden. De koningszoon bleef heel rustig zitten en was niet bevreesd – maar tenslotte sprongen de duivels van de grond op en stortten zich op hem en het waren er zoveel dat hij ze niet van zich af kon slaan. Zij sleurden hem over de grond, knepen, porden, sloegen en kwelden hem, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. Tegen de morgen verdwenen zij en hij was zo uitgeput dat hij zijn ledematen nauwelijks kon bewegen; maar toen de dag aanbrak trad de zwarte jonkvrouw bij hem binnen. Zij had een klein flesje in haar hand waarin Water des Levens zat, daarmee waste zij hem en weldra voelde hij alle pijn verdwijnen en nieuwe kracht stroomde door zijn aderen. Zij sprak: ‘Eén nacht heb je goed doorstaan, maar er staan er je nog twee te wachten.’ Daarop ging zij weer weg en toen zag hij dat haar voeten wit waren geworden. De volgende nacht kwamen de duivels en begonnen opnieuw met hun spel. Zij stortten zich op de koningszoon en sloegen hem veel harder dan de vorige nacht, zodat zijn lichaam vol wonden zat. Maar aangezien hij alles zwijgend verdroeg, moesten zij hem verder wel met rust laten en met het morgenrood verscheen de jonkvrouw en genas hem met het levenswater. En toen zij wegging zag hij tot zijn grote vreugde dat zij al tot aan haar vingertoppen wit was geworden. Nu moest hij het nog slechts één nacht volhouden, maar dat was de ergste. Het gesprek van de duivels begon opnieuw. ‘Ben je daar nog?’ schreeuwden zij. ‘Je zult gepijnigd worden dat de adem in je keel stokt.’ Zij staken en sloegen hem, wierpen hem heen en weer, trokken hem aan armen en benen alsof zij hem uit elkaar wilden rukken, maar hij verdroeg alles zonder ook maar één geluid te geven. Eindelijk verdwenen de duivels, maar hij lag bewusteloos op de grond en bewoog zich niet. Hij kon zijn ogen dan ook niet opslaan en zien dat de jonkvrouw binnenkwam en hem met het water des levens besprenkelde en overgoot. Maar opeens was hij van alle pijn bevrijd en hij voelde zich fris en gezond alsof hij uit een slaap ontwaakt was, en toen hij zijn ogen opsloeg zag hij de jonkvrouw naast zich staan, die sneeuwwit was en zo schoon als de heldere dag.

Het eeuwig-vrouwelijke, het hoogste doel van de ontwikkeling van de ziel, is verduisterd. De mens wordt belemmerd dit oerbeeld van zijn ziel te ontmoeten. Boze machten laten geen vrijer bij de koninklijke jonkvrouw toe. Je moet haar zonder angst leren kennen. De boze geesten die volgens de oudste overleveringen vooral om middernacht actief zijn, zijn de ahrimanisch-mefistolische. Zij inspireren het materialisme. Ze liegen de mensen voor dat de aardse wereld alleen de ware wereld is. Ze krijgen toegang tot de ziel door de lafheid. Wie laf is, is bang voor zijn hachje, zijn aardse bezit en valt aan de duivel toe. De materialist kent alleen het lichamelijke leven en wil dit als het hoogste niet inzetten of verliezen. De materialistische mens is ook bang voor het spirituele. Hij wil de zekere basis van de uiterlijke feiten niet verliezen. Hij wordt gegijzeld door angst. De ware zoeker naar de geest leert daarentegen dat ondanks zelfzucht en onverschrokkenheid nog steeds vergissing, fouten en leugens in hem actief zijn, want dat zit diep in de mens verankerd en verduistert zijn ziel. 
De laatste proef voor het inzicht moet in drie fasen doorstaan worden, volgens de oude mysterie-overleveringen in drie inwijdingsnachten. Dan wordt het zielenwezen verlicht op het levenspad (in de voeten), in het handelen (in de handen) en in het denkende kennen (in het hoofd) Hij put de wijsheid uit de oerbron en dat is het water des levens voor de mens die tot aan de grens van de dood gekomen is.

‘Sta op,’ sprak zij, ‘en zwaai met je zwaard driemaal over de trap dan is alles verlost.’ En toen hij dat had gedaan was het hele slot van de betovering bevrijd en de jonkvrouw was een rijke koningsdochter. Dienaren kwamen zeggen, dat in de grote zaal de tafel al gedekt was en de spijzen opgediend. Toen gingen zij zitten, aten en dronken met elkaar en ’s avonds werd met grote vreugde de bruiloft gevierd.

De trap is de weg die naar het eeuwig-vrouwelijke leidt. Ook deze opklimmende weg is ten prooi gevallen aan de boze betoveringsmacht. 
Omdat het het laatste is wat de verlossing betreft, stelt die vermoedelijk de vroegste dwaling voor. Het tweesnijdend zwaard in de hand van de rechtschapen man – die koning is geworden – is het enige dat kan helpen: de door de geest vervulde taal. Wie door de mystieke dood is gegaan, wijst aan de zoekende die wil volgen, de weg.

.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

2536-2376

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (31)

 


Tim T. M. van Tongeren*, 12 mei 2021
.

Hemelvaartsdag in perspectief

.

Hemelvaart – Artiest onbekend (Public domain)


Hoewel Hemelvaartsdag in Nederland nog steeds de status heeft van een nationale feestdag, is de betekenis van het feest voor velen wat ondergesneeuwd. Een christelijk feest bij uitstek, maar met een diepere betekenis die lastiger uit te
dragen en te begrijpen is dan bijvoorbeeld die van Pasen en Kerstmis.
Binnen de kalender van antroposofische jaarfeesten speelt Hemelvaart vaak slechts een beperkte rol voor de massa, terwijl zij die meer diepgang zoeken er juist veel uit kunnen halen.
Een aantal blogs en artikelen die ik las in de aanloop naar deze Hemelvaartsdag staan bol van veronderstelde relaties tussen de huidige Hemelvaart en voorchristelijke gebruiken en activiteiten. Deze beweringen maken een leuk verhaal, maar zijn zelden gebaseerd op eigenlijke historische gegevens, daar bewijs uit de voorchristelijke periode zeer schaars is. Daarnaast is ‘de voorchristelijke periode’ heel lang, worden er verschillende goden en godinnen vereerd op verschillende plaatsen en zijn er talloze lokale verschillen in
rituelen en gebruiken. Alleen al in een klein land als Nederland zijn er al lokale verschillen, wat aangeeft dat in detail spreken over gebruiken van toen ondoenlijk is in een kort artikel.

Voorchristelijke geloofsbeeld

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de voorchristelijke bevolking van noordwest Europa diep verbonden was met het ritme van de seizoenen. Deze relatie diende met name een praktisch doel, namelijk de voedselvoorziening. Kennis van het natuurlijke aarderitme draagt bij aan het maken van slimme keuzes die resulteren in een betere opbrengst van het land. ‘Kennis is macht’ is helemaal geen nieuwe filosofie in die zin, maar was voorafgaand aan het ontstaan van de wetenschap reeds pure noodzaak.

Zonder de wetenschappelijke technieken van nu was het voor de voorchristelijke mens echter onmogelijk om de kennis van het aarderitme boven een intuïtief niveau uit te tillen. Veel natuurverschijnselen die wij nu als heel normaal beschouwen, onweer bijvoorbeeld, waren in vroeger tijden een mysterie. Omdat wij mensen graag zaken verklaren werd ook voor het onverklaarbare een uitleg gezocht. Vaak werd deze gevonden in het goddelijke. Op die manier ontstond er een wirwar aan godsbeelden welke bepaalde functies dienden en waarbij je voorspoed kon afsmeken. Als de goden en godinnen in staat waren om te belonen met voorspoed en een goede oogst wanneer er voldoende vereerd en geofferd werd, dan moesten zij ook in staat zijn om te vernietigen. En dat deden ze ook zo nu en dan. Een dergelijke vernietiging van de oogst, bijvoorbeeld met grote hagelstenen, boezemde angst in en leidde tot een grotere devotie. Deze zichzelf versterkende cyclus, welke in feite het resultaat is van menselijke angsten en instincten, ontwikkelt zich min of meer parallel in bijvoorbeeld
de Germaanse, Keltische en Noordse gebieden. Er waren echter grote regionale verschillen naargelang lokale verschijnselen, omstandigheden en noden. Op deze manier ontstaat op verschillende plaatsen en in verschillende perioden een wisselend beeld van ‘bezieling van de natuur’ door goden, geesten en natuurwezens met bijbehorende feesten en rituelen.

De voorchristelijke cyclus

Gezien het feit dat de voorchristelijke jaarcyclus nauw verbonden is met de seizoenen en het agrarisch jaar worden elementen hiervan gereflecteerd in het godsbeeld, de werkzaamheid van de goddelijke wezens en de rituelen en feesten. Dit leidt tot een jaarcyclus die grofweg te verdelen is in 8 fases die ik hieronder kort zal beschrijven. Voor het gemak kies ik ervoor om neopaganistische namen te gebruiken voor de fases. Deze namen werden in de oudheid niet gebruikt en zeker waren ze niet overal hetzelfde. Het kan echter verondersteld worden dat de beschreven lading van iedere fase een algemeen beeld geeft van wat er rond welke tijd op verschillende plaatsen gevierd en beleefd werd.
Het gaat niet om de details, die zijn niet bekend, maar om de algemene sfeer en thema’s die passen bij de cyclus van de seizoenen.

2.Paganistische jaarkalender (www. gwendavies.com)

Het zonnejaar start met Yule (Midwinter) rond 21 december. Yule is het feest van de wedergeboorte van het licht op aarde. Een nieuw begin wat de overgang markeert van afnemende energie naar toenemende energie, van inademing naar uitademing. Het begin van de lichte helft van het jaar, de periode van vruchtbaarheid en conceptie.
Rond 1 februari, op ongeveer een kwart van de lichte helft van het jaar vieren we Imbolc. Na een lange winter begint er langzaam nieuw leven te ontstaan in de schoot van de maagdelijke aarde. Na de eerste lichtimpuls rond Yule is het nu tijd om langzaam wakker te worden. We zien om ons heen dat het land ontwaakt in de steeds sterker wordende zonnestralen.
Ostara markeert het punt van de lente-evening rond 21 maart. Dag en nacht zijn even lang en iedere dag wint de zon aan kracht. De nu merkbaar langere en warmere dagen lokken ons naar buiten, de natuur in. Het is alsof de zon ons roept om het land nu echt tot leven te laten komen. Dit alles wordt gereflecteerd in de eerste stappen van paringsdans en vruchtbaarheid.
Op driekwart van de lichte helft van het jaar, rond 1 mei, vindt Beltane plaats. Deze periode markeert het hoogtepunt van de vruchtbaarheid en het samensmelten van het aardse en het goddelijke. De aarde is gehuld in frisse bloemenpracht en alles is vol van een actieve energie. De natuur is zogezegd
op het hoogtepunt van haar vitaliteit.
Op 21 juni vindt de zomerzonnewende plaats, gemarkeerd door het feest van Litha. We staan nu recht tegenover Yule, op het kantelpunt wat de start van de donkere helft van het jaar markeert en de bijbehorende terugtrekkende energie en levenskracht. Van uitademen gaan we naar inademen. Net als rond Yule is het een periode van stilstand. Van de energetische afname is in eerste instantie niets
merkbaar. Waar de aarde rond Beltane op het hoogtepunt van haar kracht was is de zon dat nu. In al zijn kracht wordt de aarde soms wat overrompeld. Het is de periode van buitenleven, uitbundige energie, overvloed en het volledig tot wasdom komen van gewassen.
Op een kwart van de donkere helft van het jaar, rond 1 augustus vindt Lughnasadh (of Lammas) plaats. Deze periode markeert de graanoogst, de eerste in een reeks van oogsten die in verschillende stadia plaatsvinden. Het is het eerste moment dat de werkelijke vruchten van de vruchtbaarheid geplukt
kunnen worden en is daarom een periode van dankzegging voor de gulheid van aardeschoot en zonnewarmte. Deze dankzegging gaat gepaard met offers en het begin van de belofte van goede intenties.
Op 21 september is de herfstevening welke gemarkeerd wordt door Mabon. Dit feest staat recht tegenover Ostara en dag en nacht zijn wederom in evenwicht. Ditmaal echter zet de afname van de zonnekracht duidelijk in en maken we ons op om naar binnen te trekken. Tevens vieren we de tweede oogst waaronder de meeste gewassen vallen. Het is wederom een feest van overvloed en dankzegging
voor de gulheid van de aarde en de zon. Bij de dankbaarheid hoort een steeds sterkere reflectie. Zeker wanneer oogsten minder goed uitpakken, worden goede voornemens voor het komende jaar extra belangrijk geacht. Goede intenties vormen de grootste dank voor de goden en verzekeren een herhaling van de ontvangen voorspoed in de toekomst.
Nu driekwart van de donkere helft van het jaar is verstreken is het rond 1 november Samhain. Dit is het Keltische nieuwjaar, maar in de Noordse traditie valt deze eer aan Yule ten deel. Saimhain staat tegenover Beltane en waar laatstgenoemde de maximale vitaliteit verbeeldt, doet Samhain het
omgekeerde. Met de laatste oogst van knollen en aardvruchten wordt het agrarisch jaar afgesloten. De akkers liggen er verlaten bij en de bomen verliezen de laatste bladeren. De dood is ingetreden in een schijnbaar onomkeerbaar proces. Voor een laatste maal wordt er dankgezegd voor de volle voorraadschuren en wordt een balans opgemaakt van het afgelopen jaar. De goden en het land worden bedankt en vereerd, wat in sommige tradities overgaat in voorouderverering (Halloween). Een tijd van relatieve rust en bezinning breekt aan. In deze periode is er ook tijd om naar de ander om te kijken en schenkingen te doen.

Vruchtbaarheid, de meiboom en de bruid

3.Meiboom – fotograaf onbekend (Public domain)

 

Nu we een globaal inzicht hebben verworven in de voorchristelijke cyclus van het jaar wordt het mogelijk om in te zoomen op de periode rond Hemelvaart. In de
voorchristelijke periode valt ons huidige Hemelvaart ergens tussen Beltane en Litha, in de periode van maximale vitaliteit van de aarde en rondom het energetisch hoogtepunt van het jaar. In andere woorden zou je kunnen stellen dat in deze periode de aarde en de omringende lucht of kosmos op het
hoogtepunt is van bezieling.

Zoals gezegd staat rond Beltane het thema vruchtbaarheid centraal. Dit onderwerp is terug te zien in veel activiteiten die onderdeel zijn van de folklore in verschillende Europese landen. Het dansen rond de meiboom is hier een mooi
voorbeeld van. Wat veel mensen zich niet realiseren is dat de meiboom zelf een uitbeelding is van de geslachtsdaad en daarmee het ultieme symbool van de vruchtbaarheid. De paal verbeeldt het mannelijke, de ring het vrouwelijke. De
ring is vaak versierd met bloemen om aan te geven dat het vrouwelijke rond deze tijd op het hoogtepunt van haar vruchtbaarheid is. Hiermee wordt tevens een verband gelegd tussen het vrouwelijke en de aarde waaruit de bloemen groeien. In die zin staat het mannelijke in verband met het zonlicht wat noodzakelijk is om de kiem tot wasdom te laten komen. De traditioneel rood-witte linten aan de meiboom symboliseren respectievelijk de vrouwelijke maandstonden en de
mannelijke ejaculatie. Beide de uiterlijke vertegenwoordiging van een constant innerlijk vruchtbaarheidsproces in de mens. Wanneer de linten zich in een dans verweven vindt de bevruchting plaats die essentieel is voor al het leven op aarde.

In recentere eeuwen en onder invloed van een jachtig leven en een tanende binding met de natuur en de seizoenen neemt de prominentie van folklore steeds verder af. Daarnaast zijn er in deze periode ook veel christelijke feestdagen (om nog niet te spreken over feestdagen van andere geloven en culturen) waardoor het een drukke tijd is voor de feestvierder. Met de jaren zijn tradities verschoven
en door elkaar gaan lopen, maar de thematiek is nog altijd evident. Op de vrijeschool in Nederland is de meiboomdans nu vaak onderdeel van Pinksteren terwijl in Groot Brittannië vastgehouden wordt aan 1 mei. In Scandinavië echter is het met de tijd zelfs nog verder doorgeschoven naar de periode rond Litha.

In de periode rond Beltane, ter onderstreping van de vruchtbaarheid, wordt weleens gezegd dat de aarde haar bruidsjurk aan heeft. Hiermee wordt verwezen naar al het verse vitale groen en de vele bloemen die het landschap sieren. Met name het fluitenkruid dat rond Hemelvaart veelvuldig in de
natuur aanwezig is, weerspiegeld het beeld van een witte bruidsjurk. Het bruidspaar als christelijke versie van een ultiem symbool voor de vruchtbaarheid zien we binnen de vrijeschool en regionaal volksgebruik vaak terug met Pinksteren. De Pinksterblom en de meikoningin zijn eveneens verwijzingen naar de vruchtbaarheidsenergie, de uitbundigheid en de vruchten van het huwelijk
tussen aarde en zon waarop wordt geanticipeerd.

Hoewel veel mensen de precieze achtergronden van de vieringen rond de jaarcyclus niet meer kennen verschijnen er in de moderne tijd – en zeker op vrijescholen – regelmatig elementen van oude en nieuwe tradities. Deze inkijkjes naar het verleden zijn interessant omdat ze een verbinding leggen
tussen het christendom, de voorchristelijke traditie, folklore en de moderne tijd.

De christelijke Hemelvaart

4. Hemelvaart. Artiest onbekend (Public domain)

Wanneer we een sprong maken in de tijd, naar de periode waarin het christendom in noordwest Europa de overhand heeft dan zien we dat de uitleg over Hemelvaart en Pinksteren uit de evangeliën de overhand krijgt in het vierde
kwart van de lichte helft van het jaar. Voor Hemelvaart komt de beschrijving er vaak op neer dat Christus de apostelen naar Bethanië leidt en opdraagt om naar Jerusalem te gaan. Aldaar zou aanstonds de belofte van God worden ingelost,
die Hij via Jezus maakte. De apostelen zullen worden gedoopt met Heilige Geest. Na het uitspreken van deze instructie worden de apostelen door Christus gezegend en ‘wordt hij opgenomen op een wolk die hem aan het zicht
van de apostelen onttrekt’. In principe is dit een mooi beeld, maar het is voor veel mensen ook heel moeilijk voor te stellen wanneer we denken in onze beperkte referentiekaders. Als je probeert om de situatie letterlijk voor te stellen dan lijkt het ietwat op een scène uit een tekenfilm. Als we ervan uitgaan dat het hier om een ware gebeurtenis gaat dan is de kans groot dat de tekst geen
weerspiegeling is van wat er exact gebeurde. Het mysterie rond Christus tussen Goede Vrijdag en Pinksteren is complex en werd door de kerk sinds de vroege middeleeuwen niet geschikt geacht voor het gewone volk en voor ‘toediening’ via lezing van de schrift in de kerken. Om die reden wordt het verhaal vaak verteld
aan de hand van beelden die geacht worden beter begrijpelijk te zijn. Een groot deel van de essentie gaat daarbij echter verloren.

De grote paastijd

Om de essentie in detail te begrijpen is een veel langer essay nodig, maar in het kort komt het op het volgende neer. Hemelvaart is onderdeel van de grote paastijd die ruim 40 dagen voor Pasen begint met Carnaval. Tijdens dit feest leren wij mensen dat wie wij op aarde zijn, slechts een masker is. Wie wij werkelijk zijn, in een spirituele zin, is door dit masker aan het oog onttrokken.

Op Goede Vrijdag sterft Jezus aan het kruis. Dit is een fysieke dood. Het masker wordt afgezet en de ware Jezus, de Christus, wordt zichtbaar wanneer hij vanuit het aardse niveau het spirituele niveau bereikt. Alvorens dit te kunnen doen wordt gezegd dat Jezus na de kruisiging afdaalt in de diepste en donkerste gelederen van de hel om daar het licht te brengen. Dit is een metafoor die wij als mens op onszelf kunnen betrekken. Ieder mens heeft goed en kwaad in zich. Vaak echter hebben we er moeite mee om het kwaad in onszelf te onderkennen terwijl we trots zijn op het goede en dat graag willen laten zien. Je ware aard ligt in het midden, op de balans van goed en kwaad. Als je deze ware ik wilt leren kennen, zul je dus eerst, naast de goede kanten ook de kwade kanten van jezelf moeten onderzoeken en begrijpen. Met andere woorden, om het goede te begrijpen moet je ook het kwade kennen. In nog weer andere woorden, je zult door een hel moeten gaan om de hemel te kunnen bereiken. Door het exploreren van goed en kwaad in onszelf ontstaat ruimte tussen de twee polen waarin ons ware spirituele zelf zich kan manifesteren.
Ditzelfde beeld is toepasbaar op Jezus gedurende Goede Vrijdag en Pasen. Hij sterft zijn fysieke dood aan het kruis, daalt af in de hel en leert zijn ware aard kennen. Door deze gebeurtenis kan hij door de dood heen overgaan van een fysiek naar een spiritueel leven. Om deze ervaring met de mensheid te delen keert Jezus, nu Christus, terug op paaszondag in een tijdelijk opstandingslichaam.
In de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart is Christus op aarde in zijn opstandingslichaam en onderwijst hij de apostelen. Op Hemelvaart stijgt hij dan, volgens de Bijbel door een wolk aan het zicht onttrokken, op naar de hemel.

Het etherlichaam na de dood

5.Hemelvaart – Ninetta Sonart (Public domain)

In een voordracht die Rudolf Steiner te Dornach hield in juli 1923 wijdt hij uit over wat er na de dood met ons lichaam gebeurt. Wederom in het kort komt het erop neer dat wanneer wij mensen sterven, ons fysieke lichaam direct wordt
afgelegd. Voor korte tijd daarna ontstaat er een verbinding tussen onze overige drie lichamen, het etherlichaam, het astrale lichaam en het ego. Dit komt tijdens het leven nooit voor. Bij leven zijn het etherlichaam en het fysieke lichaam intens
verbonden en ook het astrale lichaam en het ego. Het laatstgenoemde paar bevind zich binnenin het etherlichaam. In de korte tijd direct na de fysieke dood, wanneer de overgebleven lichamen zich verbinden, keert het etherlichaam zichzelf als het ware binnenstebuiten. Deze verandering staat toe dat het etherlichaam zich oneindig kan uitbreiden in het universum en zich volledig kan verbinden met de kosmos rondom ons. Gedurende ons leven wordt alles wat wij met onze zintuigen beleven opgeslagen in het etherlichaam. Dit lichaam bevat dus een schat aan ervaringen, gevoelens, herinneringen enzovoorts. Wanneer het etherlichaam zichzelf binnenstebuiten keert worden al deze opgeslagen waarnemingen, indrukken en gevoelens afgeworpen en eveneens opgenomen in de kosmos. Als het ware wordt dus alles om ons heen omgeven met- en vervuld van onze etherische energie wanneer wijzelf en onze aardse ervaringen worden opgenomen in het grotere geheel van de kosmos.

Universele bezieling

Uit deze beschrijving van Steiner kan de conclusie getrokken worden dat in ieder geval ons etherlichaam niet per se naar de hemel gaat zoals wij ons die voorstellen. Het stijgt immers niet enkel op maar verspreid zich overal om ons heen. Niet alleen naar boven waar we de hemel verwachten, maar ook naast ons, onder ons etc. Op basis daarvan moeten we ons afvragen of ons beeld van de
 hemel als een hogere laag aan het firmament waar overledenen zich mengen tussen engelen wel klopt.
Als we in dit licht nogmaals kijken naar de gebeurtenissen op Hemelvaartsdag ligt het voor de hand dat Christus niet letterlijk opsteeg naar de hemel, al dan niet op of achter een wolk. In plaats daarvan maakte zijn opstandingslichaam het proces door wat wij mensen direct na onze dood doormaken. Zichtbaar voor het oog van de apostelen verwijdde het etherlichaam van Christus zich en ging het op in de kosmos om hen heen. Uiteindelijk verwijdde het lichaam zich zodanig dat het niet meer waarneembaar was voor de apostelen. In plaats van zich te verwijderen van de aarde, zoals de evangeliën doen geloven verbond Christus zichzelf juist met de aarde. Zijn energie werd als een mantel om de aarde gedrapeerd en verbond zich met alles en iedereen. De hemelvaart moet dus niet zo zeer gelezen worden als een vertrek of achterlating, maar juist als een aankomst, een doordringing en een universele bezieling.

Terug naar Beltane

Wie de verschillende delen van dit essay met aandacht gelezen heeft zal zelf al verschillende verbanden hebben gelegd tussen de christelijke gebeurtenissen en de voorchristelijke ‘sfeer’ in dit vierde kwart van de lichte helft van het jaar. Zoals gezegd is gedurende deze periode de zonne-energie onderweg naar zijn hoogtepunt en is alles op aarde vol van vitaliteit en levenskracht. Dit beeld komt
prachtig overeen met de doordringing van de aarde, de kosmos en het universum met de levenskracht van Christus op Hemelvaartsdag.
Het hoogtepunt van vruchtbaarheid dat rond Beltane gevierd wordt, draait in symbolische zin om het samensmelten van het mannelijke en het vrouwelijke, verbeeld door de zon en de aarde. Van de geboorte van Jezus die nagenoeg samenvalt met de geboorte van het licht rond Yule weten we dat de zon vaak een metafoor is voor het goddelijke. Dit zien we ook terug in bijvoorbeeld de Keltische kruisen waar een kruis en een zonneschijf worden gecombineerd. Ook in dit beeld schijnt dus het idee door van een samensmelting tussen het goddelijke en het aardse via Christus, de verbindende schakel die ervoor zorgt dat het goddelijke het aardse omhult en binnendringt.
Als we naar de voorchristelijke polariteit kijken dan staan Beltane en Samhain tegenover elkaar als het feest van het leven (de vruchtbaarheid en het huwelijk) en het feest van de dood (het afsterven van het ‘fysieke lichaam’ van planten en de voorouderverering). Op Hemelvaartsdag wordt een hint gegeven van een onsterfelijke kern in ons. Zelfs als we sterven met Samhain is er hoop. De fysieke
dood is slechts een fase en wederopstanding zal volgen. Daarvoor is het zaadje geplant gedurende de grote paastijd. De jaarcyclus zal altijd opnieuw beginnen, tot aan het einde der tijden. Doordat wij allen zijn omhuld en vervuld door de Christusenergie hebben wij, op spiritueel niveau, het eeuwige leven.

© T. T. M. van Tongeren, 2021.
Niets uit deze tekst mag worden vermenigvuldigd, verspreidt of openbaargemaakt zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Vraag voorafgaand aan plaatsing op blogs, websites, sociale media e.d. ook altijd vooraf om toestemming.

Met toestemming van de auteur gepubliceerd, waarvoor dank!

.

Pinksteren en Hemelvaartalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

2535-2375

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 -voordracht 3 – vragenbeantwoording

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1] [2] [3] [4] [5]

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921 VRAGENBEANTWOORDING

Blz. 84

Frage:    Begabte Erzieher haben für die Erziehung und den Unterricht instinktmäßig ein Gefühl gehabt, was man mit einem Kind machen muß, wenn es zur Schule kommt. Nun ist mir nicht ganz deutlich geworden, wie sich die anthroposophisch orientierte Pedagogik zu dieser instinktiven verhält. Ich möchte mir die Frage erlauben, ob diese anthroposophische Pädagogik in einen gewissen Gegensatz treten muß zum Instinktiven, oder ob sie dieses auf einen Weg fördern kann?

Frage:    Ich möchte fragen, was unter Kranksein des Kindes zu verstehen ist, ob Sie irgend etwas darunter begreifen, was man in der akademischen Medizin als Kranksein bezeichnet, was man unter Konstitutionsanomalien und dergleichen etwa bezeichnet, irgendwelche Mißstimmungen, Übellaunigkeit und dergleichen?

Vraag: Begaafde opvoeders hebben voor opvoeding en onderwijs een instinctief gevoel gehad voor wat je met een kind moet doen, wanneer het op school komt. Nu is mij niet helemaal duidelijk geworden, hoe de antroposofisch georiënteerde pedagogiek zich verhoudt tot dit instinctieve. Ik veroorloof mij de vraag of deze antroposofische pedagogiek in zekere mate het tegendeel moet zijn van het instinctieve of dat zij dit op de een of andere manier kan bevorderen.

Vraag: Ik zou willen vragen wat je moet verstaan onder het ziek-zijn van kinderen, of U er iets onder verstaat van wat men in de academische geneeskunde aanduidt als ziek-zijn, wat men aanduidt als constitutieafwijking enzo, een of andere verkeerde gevoelsstemming, o.i.d.?

Dr. Steiner: Was zunächst das Verhältnis einer gewissen instinktiven Pädagogik zu demjenigen betrifft, wovon ich heute hier gesprochen habe, so möchte ich das Folgende sagen. Ein Gegensatz zwischen diesen beiden braucht ja gar nicht angenommen zu werden. Man muß sich nur klar sein darüber, wie der Gang der Menschheitsentwicklung ist. Je weiter wir zurückkommen, desto mehr tritt ja überhaupt das bewußte Wirken zurück.

Dr. Steiner: Wat om te beginnen de relatie betreft tussen een bepaalde instinctieve pedagogiek en waarover ik hier gesproken heb, zou ik het volgende willen zeggen: een tegenstelling tussen deze twee hoeft niet aangenomen te worden. Je moet alleen goed weten hoe de gang van de mensheidsontwikkeling gaat. Hoe verder we teruggaan, hoe verder ook het werken vanuit het bewustzijn afneemt.

Das Wirken wird immer mehr und mehr, je weiter wir zurückgehen in der Menschheit, instinktiv, wie wir ja bei den Tieren ausschließlich ein instinktives Wirken finden. Aber das ist eben der Gang der Menschheitsentwickelung, daß allmählich herausgekommen wird aus dem instinktiven Leben und das Instinktive ersetzt werden muß durch ein gesundes, besonnenes Auffassen der Wirklichkeit. Daß das durchaus in der richtigen Weise in Bahnen gebracht werden muß, das bezeugt uns ja eben, wie die Instinkte gerade in unserer Übergangszeit in hohem Grade in Unordnung kommen. Während man ganz gut sehen kann, daß zu jener Harmonie, die notwendig ist, sagen wir, die Kinder auf dem Lande auch ohne viel Schulbildung heranwachsen, finden wir, daß in unseren Städten, wenn man sich auf die Instinkte verlassen würde, und namentlich dann, wenn man diese Instinkte so leiten würde, wie man es nach manchen pädagogischen Anleitungen getan hat, daß dann das Abträglichste zustande kommen würde. Wir würden, wenn wir nicht wiederum hineinlaufen würden in eine sichere Richtung, die wir durch unser Inneres geführt werden, wir würden schon nicht die Mög­lichkeit haben, etwa einfach durch ein abstraktes Berufen auf die

De activiteit wordt hoe verder we teruggaan in de mensheid steeds meer iets vanuit het instinctieve; zoals we bij de dieren uitsluitend instinctieve activiteit vinden. Maar de gang van de mensheidsontwikkeling gaat nu eenmaal zo, dat we geleidelijk uit het instinctieve leven komen en dat dit instinctieve vervangen wordt door een gezonde, weloverwogen opvatting van de werkelijkheid. Dat dit zeer zeker op een juiste manier in banen geleid moet worden, daarvan getuigt juist hoe de instincten met name in onze overgangstijd in hoge mate in disorde raken. Terwijl je heel goed kan zien dat voor de harmonie die nodig is, de kinderen op het platteland ook zonder dat ze op school veel leren, opgroeien, vinden we in onze steden, wanneer je zou vertrouwen op je instinct en vooral wanneer je die instincten zo leidend zou laten zijn als men bij een paar pedagogische handleidingen gedaan heeft, daar dan het meest nadelige uit zou komen. Wij zouden, als we weer niet een bepaalde kant op willen die ons instinct ons op stuurt, niet de mogelijkheid hebben, simpelweg door een abstract beroep te doen op de

Blz. 85

Instinkte, denen wir ja doch in der neueren Zeit nur den Verstand entgegensetzen, zu etwas Heilsamem zu kommen. Gewiß, es ist vielfach noch das instinktive Leben vorhanden, aber es verliert sich immer mehr und mehr. Man braucht ja nur sich zu erinnern, um etwas recht Eklatantes zu sagen, an so etwas, was mir einmal begegnete, es tritt einem ja sonst vielfach entgegen, aber einmal bereitete es mir eine ganz besondere Überraschung. Ich war eingeladen bei einem guten Freund, den ich früher als einen ganz gesunden Esser gekannt habe, der wußte, wann er genug hat. Nun war ich nach Jahren einmal wiederum in seinem Hause eingeladen und siehe da neben seinem Teller stand eine Waage mit Gewichten, und er wog sich jedes Stückchen zu. Das war doch wohl ein deutlicher Beweis, daß da die Instinkte recht sehr zurückgegangen waren! Nun, solche Dinge aber, die man ja ganz symptomatisch beob­achten kann, die findet man auch, wenn man zum Beispiel die heutigen Lehrpläne durchstudiert. Da ist durchaus nicht in das achte Jahr, in das neunte Jahr dasjenige eingereiht, was da drinnen sein sollte, was auch drinnen wäre, wenn gesunde Instinkte wirkten, sondern da wird nach ganz anderen, ganz abstrakten unmenschlichen oder außermenschlichen Regeln die Sache besorgt und wir müssen wiederum zurückkommen, wir müssen wiederum in k’nkreter Weise erfassen dieses Ineinanderwir­ken von den konkreten gesundenden und kränkenden oder erkranken-den Tendenzen im Menschen.

instincten die we in deze tijd dan tegenover het verstand plaatsen, tot iets heilzaams te komen. Zeker, veel van het instinctieve leven is er nog, maar dat gaat wel steeds meer verloren. Je hoeft er alleen maar aan te denken, om eens wat opvallends te zeggen, wat mij een keer overkwam, het komt veel vaker voor, maar voor mij was toen iets heel verrassends. Ik was bij een goede vriend uitgenodigd die ik vroeger als een gezonde eter kende, die wist wanneer hij genoeg had. Na jaren werd ik weer eens bij hem uitgenodigd en kijk nou, naast zij bord stond een weegschaal met gewichten en hij woog elk stukje af. Dat was er toch wel een duidelijk bewijs voor dat het instinctieve gevoel behoorlijk achteruit gegaan was. Deze dingen, waar je heel symptomatisch naar kan kijken, vind je als je de leerplannen van nu bestudeert. Dan vind je zeker niet dat in het achtste jaar, in het negende erbij staat wat daar zou moeten staan, wat er ook in zou staan wanneer er gezonde instincten actief waren, maar er worden regels aan de zaak toegevoegd, heel abstract onmenselijke regels en wij zouden daarvan terug moeten komen, wij moeten weer op een concrete manier het op elkaar in werken van de concrete gezond- en ziekmakende tendensen in de mens begrijpen.

Das ist dasjenige, was gerade für die Ausbildung einer modernen Pädagogik von ganz besonderer Wichtigkeit ist.
Ich möchte sagen, gleich zeigt sich ja das, wenn manche Fragen aufgeworfen werden: Was meint man unter gesundendem und kränkendem? Da wurde gesagt, Übellaunigkeit oder Mißstimmungen. Da sind wir ja mitten im Abstrakten drinnen. Das ist natürlich nicht gemeint, da waren wir mitten im Abstrakten drinnen und würden das ganze Kind beurteilen nach dem Abstrakt-Seelischen. Das ist ja gerade dasjenige, was durch eine gesunde anthroposophische Pädagogik überwunden wird, daß wir nicht nach dem Abstrakt-Seelischen gehen, sondern daß wir wissen, was da, wenn das Kind zum Beispiel an besonderen Miß­stimmungen krankt, was da für unregelmäßige Drüsenabsonderungen sind, und die unregelmäßigen Drüsenabsonderungen sind uns viel wichtiger,

Dat is voor de ontwikkeling van een moderne pedagogiek nu juist zo belangrijk.
Dat blijkt zo dadelijk wel bij sommige vragen die gesteld zijn: Wat is gezond- en ziekmakend? Er werd gezegd afwijkende stemmingsgevoelens. Dan zitten we midden in de abstracties. Dat is natuurlijk niet bedoeld, dan zaten we midden in de abstracties en zouden we het hele kind beoordelen naar een ziel die abstract is. Dat is nu juist wat door een gezonde antroposofische pedagogiek overwonnen wordt; we gaan niet in de richting van iets abstract zielsachtigs, maar dat we gaan weten dat, wanneer een kind bijv. gaat lijden aan bepaalde gevoelsstemmingen, dat er dan onregelmatige klierwerkingen zijn en wat de klieren onregelmatig afzonderen, is voor ons veel belangrijker

Blz. 86

als die äußerlich hervortretenden Mißstimmungen, die schon aufhören, wenn wir dem Organismus beikommen. Also es handelt sich darum, viel tiefer hineinzuschauen in den ganzen Zusammenhang zwi­schen dem Geistig-Seelischen und zwischen dem Physisch-Leiblichen.
Natürlich handelt es sich, wenn man es mit dem Kinde zu tun hat innerhalb der Pädagogik, überall durchaus um die Tendenzen, um die, ich sagte ja eben, um die Zustände eigentlich eines Status nascendi, des Entstehungszustandes. Man hat es mit feinen Zuständen zu tun, nicht mit groben; die würden ja dann eben ins Pathologische hinüberführen und dann entsprechend auch behandelt werden müssen. Aber ich glaube, man konnte verstehen aus dem, was ich sagte, daß man es überall zu tun hat mit den Neigungen nach der einen und anderen Seite, und mit dem Suchen nach dem Gleichgewichtszustande.

Frage: Das Kind im Geschlechtsreifealter soll an die Dinge der Welt gebracht werden von seinem Geistigen weg. Was ist damit konkret gemeint, was soll der Lehrer machen?

dan de uiterlijk zichtbare gevoelsstemmingen die ophouden als wij het organisme helpen. Dus het gaat erom veel dieper naar de samenhang van geest en ziel met het fysiek-levende te kijken.
Natuurlijk gaat het wanneer je met het kind te maken hebt binnen de pedagogiek, overal zeer zeker om de tendensen om de toestand die aan het ontstaan is, een status nascendi. Je hebt met subtiele toestanden te maken, niet met overduidelijke; die zouden dan zeker tot het pathologische leiden en dan dienovereenkomstig behandeld moeten worden. Maar ik geloof, dat je wel uit wat ik zei, zou kunnen begrijpen dat je overal te maken hebt met neigingen naar de ene of naar de andere kant en naar het zoeken naar een toestand van evenwicht.

Vraag: Het kind in de puberteit moet de dingen van de wereld leren kennen vanuit zijn geestelijke zijn. Wat wordt daar concreet mee bedoeld, wat moet de leraar doen?

Dr. Steiner: Nicht habe ich gesagt: von seinem Geistigen weg! – Ich bemühe mich, jedes einzelne Wort abzuwägen. Es ist immer nur eindeu­tig, was ich meine. Ich habe nicht gesagt, von seinem Geistigen weg, sondern von sich weg, so daß es nicht das Geistige in sein Inneres zu stark hineinpreßt, daß es innerlich durchlustet wird gewissermaßen. Wir müssen also versuchen, wenn das Kind heranrückt in das Geschlechts­reifealter, sein Interesse für die äußeren

Welterscheinungen zu erwecken. Das wird den Lehrplan ergeben. Wir werden vorzugsweise dasjenige, was das Kind abhält davon sich viel mit sich selbst zu beschäftigen, was seine Interessen in die große Welt hinausführt, geographische Interessen, historische Interessen und andere Dinge, die nichts zu tun haben mit dem Brüten in sich selber, die werden wir da an das Kind heranbringen, und es handelt sich dabei durchaus um das konkrete Gestalten des Lehrplanes.

Auf eine weitere Frage:

Dr. Steiner: Ich habe das ja schon angedeutet, der Lehrer soll versu­chen, dasjenige, was er geistig ausbildet, nachzubilden dem gesunden Wachstum des Organismus. Nicht wahr, wer das gesunde Wachstum des

Dr.Steiner: Ik heb niet gezegd: vanuit zijn geestelijke zijn! Ik doe nu mijn best ieder woord te wegen. Wat ik bedoel is maar voor één uitleg mogelijk. Ik heb niet gezegd vanuit zijn geestelijke zijn, maar van hem uit, zodat het geestelijke zich niet te sterk in zijn innerlijk naar binnen perst, dat het innerlijk in zekere zin met die ‘goede zin’ doortrokken wordt. We moeten dus proberen wanneer het kind in de puberteit gaat komen, zijn interesses te wekken voor de uiterlijke verschijnselen in de wereld. Dat zal het leerplan opleveren. We willen in eerste instantie aan het kind meegeven wat zijn interesse in de grote wereld wekt en dat dit het kind ervan afhoudt te veel met zichzelf bezig te zijn, dus belangstelling vort aardrijkskunde, geschiedenis en andere zaken die niets van doen hebben met in jezelf te gaan zitten broeien. En dan gaat het vooral om het concreet samenstellen van het leerplan. 

Op een andere vraag:

Dr.Steiner: ik heb al aangegeven dat de leraar moet proberen de gezonde groei van het organisme te imiteren bij wat hij geestelijk vormgeeft. Wie de gezonde groei van het

Blz. 87

Organismus zu studieren versteht, der weiß, wie der Mensch eigentlich, indem er eine gewisse Form hat, aus der Form fortwährend herausstrebt in die Bewegung hinein. Wenn man mit unbefangenem Sinn eine Hand anschaut – die Hand hat ja gar keinen Sinn, wenn sie ruht; jeder Finger beweist, daß er bewegt sein will. Und indem ich in der Form schon die Anlage zur Bewegung sehe, die Bewegung, wenn sie ruht, will in die Form kommen, damit ist jetzt nur ein Äußerliches angedeutet, aber bis in die innerliche Organisation sind die Tendenzen des menschlichen Wachstums des Organismus zu verfolgen. Wenn ich also lebendige Anatomie, lebendige Physiologie kenne, dann weiß ich, was gewisserma­ßen angemessen ist den inneren Bewegungsmöglichkeiten des Kindes. Es ist ganz sicher nicht angemessen, wenn ich es veranlasse, etwas, wozu ja eigentlich gar keine Veranlassung ist, das hinzukratzen! Es besteht keine Beziehung zwischen dem, wie sich die Finger bewegen wollen und diesem Zeichen, das durch viele Zwischenstadien hindurchgegangen ist. In früheren Entwicklungsepochen hat man etwas ganz anderes hingemalt, wenn man dasjenige, was der Mensch seiner Organisation gemäß hat ausdrücken wollen, als Schrift betrachtet hat; jetzt stehen unsere heutigen konventionellen Zeichen der inneren Organisation fern, und deshalb müssen wir wiederum zuerst dasjenige aus dem Kinde herausho­len, was in seiner Organisation veranlagt ist. 

organisme weet te bestuderen, weet hoe de mens, als hij een bepaalde vorm heeft, vanuit die vorm steeds de beweging in wil. Wanneer je onbevangen naar een hand kijkt – de hand is eigenlijk zinloos als die in ruste is  – ziet dat iedere vinger bewijst dat die wil bewegen. En wanneer ik in de vorm de aanleg zie voor de beweging, wil de beweging wanneer die rust in de vorm komen; hiermee is alleen maar iets uiterlijks aangegeven, maar de tendensen van de menselijke groei zijn tot in de innerlijke organisatie te volgen. Wanneer ik een levende anatomie, een levende fysiologie ken, weet ik in zekere zin wat goed past bij de innerlijke bewegingsmogelijkheden van het kind. En heel zeker past niet bij het kind wanneer ik het aanzet tot iets waarvoor helemaal geen aanleiding is, het iets neer te laten krassen! Er is geen relatie tussen hoe de vingers willen bewegen en het teken dat door vele tussenstadia gegaan is. In vroegere ontwikkelingsfasen tekende men heel iets anders als men tot uitdrukking wilde brengen wat in overeenstemming was met zijn organisatie als het om het schrift ging. Nu staan die conventionele tekens heel ver af van onze innerlijke organisatie en daarom moeten we van te voren uit het kind halen wat in zijn organisatie als aanleg aanwezig is.

Wenn man das, vielleicht nicht dem einzelnen Lehrer heute, der nimmt es sogar sehr gern auf, weil er sieht, welche Perspektiven es eröffnet, aber namentlich wenn man es den Schulautoritäten mitteilt, dann wird ihnen angst und bange, denn sie sagen sich: Ja, woher soll man das alles wissen, was der menschliche Organismus will? Wie, wie soll man da im siebenten Jahr künstlerisch unterrichten? Und so weiter. Ja, da gibt es eben nur eine Antwort: Lernen Sie es! Und darauf muß eben schon aufmerksam gemacht werden. Anthroposophie ist nicht da, um in abstrakten Formeln irgendeine Weltanschauung, an der man Befriedigung haben kann, zu verbreiten, die man so nachplappern kann, auch innerlich sich vorplappern kann, damit man so eine Befriedigung daran hat, sondern Anthroposophie ist ein weitverzweigtes Feld, das tatsächlich in die intimste Erkenntnis der menschlichen Wesenheit hin­einführen kann. Es ist schon eine Wahrheit, daß Anthroposophie die

Wanneer je dit zegt, misschien tegenwoordig niet aan de individuele leerkracht die dit zelfs heel graag aanvaardt omdat hij ziet welk perspectief dit biedt, maar wél aan de onderwijsautoriteiten, dan krijgen die de zenuwen, want ze zeggen: maar waarom zou je eigenlijk willen weten wat het menselijk organisme allemaal wel niet wil? Hoe zou je aan zevenjarigen kunstzinnig onderwijs moten geven? Enzovoort. En dan is er maar één antwoord: leer dat dan! En daar moet nu op gewezen worden. Antroposofie is er niet om met abstracte formuleringen een of andere wereldbeschouwing waardoor je bevredigd wordt, aan de man te brengen en die je na kan wauwelen, ook innerlijk je voor kan laten kauwen waardoor je je lekker voelt, maar antroposofie is een netwerk met vele vertakkingen die werkelijk tot de meest subtiele kennis van het mensenwezen kan leiden. Het is waar dat de antroposofie 

Blz. 88

einzelnen Wissenschaften befruchten kann gerade nach den Seiten hin, die ihnen heute vorenthalten werden.
Und so kann man sagen, man muß den Menschen erkennen, um zu wissen, sagen wir, wenn man das Kind hereinbekommt in die Volks­schule, wie man zunächst an seinem ganzen Organismus zu erkennen hat, wie man seine Hände, seine Finger in Bewegung versetzen soll, damit es schreiben lernt, wie es denken lernen soll. Ich hatte neulich Veranlassung, jemanden anschauen zu lassen, wie in der ersten Klasse der Schreibunterricht und der Leseunterricht erteilt werden. Diese Dinge kann man auf hunderterlei Weise machen. In der Waldorfschule ist alles absolut frei. Die Pädagogik ist eine absolut freie Kunst. Es ist immer dasselbe, aber jeder Lehrer hat die Möglichkeit, nach seiner Individualität und nach der seiner Schüler die Dinge auszubilden. Nun, die Zusammenhänge zwischen dem einen und dem anderen sehen die Leute ja manchmal nicht ein.
Wie wurde da unterrichtet, nachdem ein paar Monate vergangen waren, seitdem man diese Kinder in die erste Klasse hereinbekommen hatte? Es wurde ein Kind herausgerufen, es mußte einen Kreis ablaufen mit einer bestimmten Anzahl von Schritten. Dann wurde ihm klarge­macht, wie das, was es am eigenen Leibe erlebt, aussieht, wie das, was der Lehrer an die Wandtafel zeichnete. Dann wurde ein anderes Kind herausgerufen, das mußte in zwei Schritten einen kleinen Kreis ablaufen,

vruchtbaar kan zijn voor de verschillende wetenschappen juist op die terreinen waarop dat nu niet gewild wordt.
En zo kan je wel zeggen dat je de mens moet kennen om te weten bijv. wanneer het kind op de basisschool komt, hoe je dan allereerst aan heel zijn organisme moet herkennen hoe je zijn handen, zijn vingers laat bewegen zodat het leert schrijven, hoe het moet leren denken. Onlangs was er een aanleiding om te kijken naar hoe in de eerste klas schrijf- en leesles werd gegeven. Dat kan je op honderden manieren doen. Op de vrijeschool is dat helemaal vrij. Pedagogie is een absoluut vrije kunst. Het is steeds hetzelfde, maar de leerkracht heeft de mogelijkheid met zijn individualiteit en met het oog op zijn leerlingen de dingen uit te voeren. Samenhang tussen het een en het ander zien de de mensen vaak niet.
Hoe werd er lesgegeven nadat een paar maanden voorbij waren sinds deze kinderen in de eerste klas waren gekomen? Er werd een kind gekozen dat een cirkel na moest lopen met een bepaald aantal passen. Dan werd het uitgelegd hoe dat wat het met zijn lichaam beleefd had, eruit ziet, net zoals de leerkracht het op het bord tekent. Toen werd er een ander kind geroepen en dat moest met twee passen een kleine cirkel lopen,

Blz. 89

der aber im großen drinnen war. Ein anderes wurde herausgerufen, dasselbe mit drei Schritten zu machen. Die Kinder waren immer mit ihrem ganzen Menschen dabei und übertrugen immer dasjenige, was sie aus ihrem ganzen Menschen heraus erlebten, auf dasjenige, was sie dann in der Zeichnung sahen. Sie wurden nicht auf die Augen hin interessiert, sondern auf den ganzen Menschen. Also drei Kreise; beim vierten merkte das Kind, wenn er wieder größer wurde, wie das durchkreuzte. Und so ging das dann weiter. Und auf diese Weise bekommt das Kind eine Möglichkeit, aus dem ganzen Menschen heraus etwas zu gewinnen, was es dann ins Gesehene übersetzen kann. Währenddem wenn man das Kind bloß zeichnen läßt, da ist sein Kopf beschäftigt, da weist man es auf eine Einseitigkeit hin. Die Kinder sollen alles aus dem ganzen Menschen herausholen, sollen auch die Schrift aus dem ganzen Menschen heraus­holen.
Natürlich darf man nun nicht glauben, daß das jetzt jeder nachmachen muß, sondern die einzelne Lehrperson hat das aus sich heraus gemacht, weil das Prinzip so ist

die binnen in de grote lag. Een ander kind werd gevraagd dat met drie passen te doen. De kinderen waren er steeds helemaal bij en betrokken steeds wat ze uit hun hele wezen deden op wat ze in de tekening zagen. Het ging er niet om dat ze met hun ogen geïnteresseerd waren, maar met hun hele wezen. Dus drie cirkels; bij de vierde merkte het kind dat als het dan groter wordt, er doorsnijdingen ontstaan. En zo ging het verder. Op deze manier krijgt het kind de mogelijkheid vanuit zijn hele wezen iets te leren wat het dan over kan brengen naar wat hij gezien heeft. Terwijl je als je het kind alleen maar laat tekenen, zijn hoofd actief laat zijn, dan ben je met eenzijdigheid bezig. De kinderen moeten alles uit hun hele wezen halen, ook het schrijven.
Natuurlijk moet je nu niet geloven dat iedereen dit moet gaan doen, maar een leerkracht heeft dat van zich uit gedaan, omdat het principe zo is.

 Dasjenige, was ich als einen Seminarkurs habe vorangehen lassen dem Waldorfschul-Unterricht, ist eben so, daß jeder Lehrer tatsächlich etwas Lebendiges bekommt, daß in dem Vortrage nicht etwas steht, das man dann pedantisch nachmacht, sondern daß er etwas bekommt, was lebt. Und so wird die Schule dann etwas Lebendi­ges. Währenddem Vorschriften – ja, die kann man natürlich immer machen, denn das ist nun schon einmal so: wenn sich drei Menschen oder dreißig oder zwölf zusammensetzen, sie brauchen gar nicht einmal besonders gescheit zu sein, sie können mittlere Gescheitheit, sogar unter dem Mittel haben, so werden sie, wenn sie erstens, zweitens, drittens aufschreiben, wie eine Musterschule sein soll, paragraphenmäßig etwas Wunderschönes herausbringen; darüber kann man dann parlieren und wunderschöne Verordnungen herausgeben. Aber man kann in der Schule gar nichts damit anfangen. Es kommt eben überall auf das Herausarbeiten in der Wirklichkeit an.

Frage: Wie muß man sich in der Erziehung einstellen bei einem nervösen Kinde?

Dr. Steiner: Da handelt es sich darum, nicht wahr, daß der Ausdruck «nervöses Kind» ein außerordentlich unbestimmter ist, und es kann

Met de cursus die ik gegeven heb vóór de vrijeschool begon, is het zo dat iedere leraar inderdaad iets levends krijgt, dat er in een voordracht niet iets staat dat je dan schoolmeesterachtig na gaat doen, maar dat hij iets krijgt wat leeft. En op deze manier krijgt de school iets levends. Terwijl voorschriften – ja die kan je altijd maken want het zit zo: als drie mensen of dertig of twaalf bij elkaar gaan zitten en ze hoeven helemaal niet zo bijzonder intelligent te zijn, het kan ook met een gemiddelde intelligentie, zelfs minder dan dat, dan zullen zij wanneer ze ten eerste, ten tweede, ten derde opschrijven hoe een voorbeeldschool eruit moet zien, iets heel moois kunnen maken met allerlei paragrafen. En daarover kan je dan discussiëren en er wonderschone dingen mee krijgen. Maar in de school kan je er niets mee beginnen. Overal komt het namelijk aan op hoe je er in de praktijk mee kan werken.

Vraag: Wat moet je opvoedkundig doen met een nerveus kind?

Dr. Steiner: Het gaat erom dat de uitdrukking ‘nerveus kind’ buitengewoon vaag is en je kan

Blz. 90

natürlich da durchaus nicht gesagt werden, man muß sich so oder so stellen, sondern es handelt sich darum, wie das Kind eigentlich ist, auch darum, daß man genau weiß, wie alt das Kind ist. Man muß, wenn so etwas vorliegt, die Dinge wirklich im Zusammenhang betrachten kön­nen. So kann es vorkommen, daß einem jemand ein Kind zeigt, sagen wir von drei, vier Jahren, welches außerordentlich zappelig ist, tobend ist. Es gibt ja solche Kinder, die werfen sich  auf die Erde, toben fürchterlich; sie sind sehr unangenehm und die Eltern können dann mehr oder weniger unglücklich sein. Dann fragen sie: Was soll man eigentlich mit diesem Kinde tun? – Man möchte dann oftmals, nicht immer, aber oftmals bitten, nun ja nichts zu tun, denn das schlimmste was man tun kann, ist, etwas zu tun und das Kind nicht austoben zu lassen; denn das Kind muß nämlich eine gewisse Summe von Energie loswerden auf diese Art, um eben später gerade in normaler Weise, wie man so sagen kann, sich zu entwickeln. Also oftmals ist es durchaus notwendig, aufmerksam darauf zu machen, daß man dieses Herumerziehen unterläßt, denn es handeit sich darum, daß man immer weiß aus der Gesamtkonstit,ition eines Menschen heraus, was im einzelnen für ihn gut ist.

dan natuurlijk niet zomaar zeggen, dat je dan zus of zo moet doen; het gaat erom hoe het kind eigenlijk is, ook om dat je genoeg weet, bijv. hoe oud het kind is. Je moet wanneer zich zoiets voordoet, de dingen echt in samenhang kunnen zien. Zo kan het gebeuren dat iemand je op een kind wijst, van laten we zeggen drie, vier jaar dat buitengewoon druk is, driftig is. Er zijn van die kinderen die gooien zich op de grond, gaan tekeer; dat is heel vervelend en de ouders kunnen er in een bepaalde mate ongelukkig onder zijn. Dan vragen ze: wat moeten we toch met dit kind aan? Vaak, maar niet altijd, zou je dan willen vragen om maar niets te doen, want het ergste is nog iets te doen en het kind niet uit te laten razen; want het kind moet op deze manier gewoon een dosis energie kwijtraken om zich later gewoon op een normale manier te ontwikkelen. Vaak is het zeker noodzakelijk erop te wijzen dat je het opvoeden maar even achterwege moet laten, want het gaat erom dat je steeds vanuit een totaal constitutiebeeld van een mens kijkt, wat in het afzonderlijke geval goed voor hem is.

So ist es ja, nicht wahr, wirklich auch bei gesunden und kranken Menschen als solchen. Wie sehr häufig erklären Leute, die immer den abstrakt-pedantischen Sinn der Normalität im Kopfe haben: der Mensch hat einen unregelmäßigen Pulsschlag oder so etwas, den muß man so und so kurieren. Gewiß, man muß es oftmals, aber oftmals eben nicht, weil der gerade nach seiner Gesamtkonstitution diesen Pulsschlag braucht! Und so auch hier; man muß das Kind in seiner gesamten Konstitution kennen, wenn man überhaupt etwas aussagen will, wie überhaupt Anthroposophie darauf ausgeht, die Menschen von Abstraktionen zu befreien. Es ist eine Abstraktion, wenn man sagt: Was soll man mit einem nervösen Kind machen? Man hat eben nicht etwas Allgemeines, sondern immer ein ganz bestimmtes konkretes Kind vor sich und muß eigentlich immer etwas Individuelles machen.

Frage: Wie kann die Anthroposophie hinsichtlich der Berufswahl wegleitend werden?

Dr. Steiner: Ja, meine sehr verehrten Anwesenden, ich weiß eigentlich wirklich nicht, was mit der Frage gemeint ist? Denn, sollte ich mit einer

En zo zit het echt ook bij gezonde of zieke mensen als zodanig. Hoe vaak zeggen de mensen niet die steeds de abstract-schoolmeesterachtige betekenis van normaal in hun hoofd hebben: die mens heeft een onregelmatige pols of zoiets, die moet je zus of zo genezen. Zeker, dat moet vaak, maar vaak ook niet omdat hij juist door zijn totale constitutie deze polsslag nodig heeft! En dus ook hier: je moet het hele kind naar zijn constitutie kennen, wil je iets kunnen zeggen over hoe antroposofie erop uit is de mensen van abstracties te bevrijden. Het is een abstractie wanneer je egt: wat moet je met een nerveus kind doen? Je hebt geen kind in het algemeen voor je, maar altijd een bepaald concreet kind en altijd zal je iets individueels moeten doen.

Vraag: Hoe kan antroposofie bij de beroepskeuze richtinggevend zijn?

Dr. Steiner: Zeer geachte aanwezigen, ik weet werkelijk niet wat er met deze vraag wordt bedoeld. 

Blz. 91

gewissen Abstraktheit darauf antworten, so würde ich sagen: Ein Milieu, das aufgebaut ist auf anthroposophischer Gesinnung, wird eben einfach diejenigen Neigungen im Menschen erzeugen, die ihn in einen richtigen Beruf, das heißt, in einen für ihn richtigen Beruf hineinbringen. Aber nicht wahr, Berufswahl – es ist etwas, was überhaupt viel zu schematisch behandelt wird. Man hat ja in der Regel es zu tun mit einem schon in die Wege geleiteten Schicksal, wenn man in

Want als ik er op een bepaalde abstracte manier op zou antwoorden, dan zou ik zeggen: een milieu dat vanuit een antroposofische signatuur gevormd is, zal simpelweg in de mens die neigingen doen ontstaan die hem bij het juiste beroep brengen, d.w.z. voor hem het juiste beroep. Maar ja, beroepskeuze – dat wordt nu eenmaal veel te schematisch behandeld. Als regel heb je te maken met een weg die door het lot geleid wordt naar een beroep en soms is men als mens echt te weinig plooibaar en gelooft men dat er maar één beroep is dat tot tevredenheid leidt. Dat kan zeker bij zeer uitgesproken, individueel gevormde beroepen het geval zijn; maar om door de antroposofie een bijzondere aanleiding voor beroepskeuze te zoeken, is natuurlijk iets wat eigenlijk buiten het leven staat, zodat ik eigenlijk niet goed zie, wat er met de vraag bedoeld wordt.

einen Beruf hinein will, und man ist manchmal als Mensch wirklich zuwenig elastisch und glaubt, daß nur ein einzelner Beruf einen befriedigen kann. Das kann ja gewiß bei sehr ausgesprochenen, individuell gestalteten Berufen der Fall sein; aber eine besondere Anleitung zur Berufswahl zu suchen durch Anthroposophie, das ist natürlich etwas, was eigentlich lebensfremd, muß ich sagen, klingt, so daß ich eigentlich nicht recht sehen kann, was mit der Frage gemeint ist.

Der versammlungsleiter fragt, ob noch weitere Fragen gestellt werden wollen. Dies ist nicht der Fall.

Dr. Steiner: Dann hoffe ich, daß doch mein Vortrag in aller Kürze und Skjzzenhaftigkeit, in der er hat gehalten werden müssen, über das ausgebreitete Thema, einiges wiederum im Speziellen möchte dazu beigetragen haben, zu erkennen, wie Anthroposophie tatsächlich nichts Lebensfremdes und Weltfernes sein will, sondern etwas, was, wenn es voll ergriffen wird, durchaus in Wirklichkeit und Leben hineinführen kann.

De gespreksleider vraagt of er nog andere vragen zijn. Dat is niet het geval.

Dr. Steiner: Dan hoop ik toch dat mijn voordracht in al zijn beknoptheid en zo schetsmatig als deze gehouden moest worden, over het uitgebreide thema weer iets speciaals heeft kunnen bijdragen aan de erkenning hoe antroposofie werkelijk niet iets levens- en wereld vreemds wil zijn, maar iets wat wanneer het volledig opgepakt wordt, je zeer beslist tot de werkelijkheid en het leven brengen kan.

.

GA 304 (Duits)

Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2534-2374

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – inhoudsopgave

.
RUDOLF STEINER

GA 304

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage

Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden. (Dornach 1979.
.

Voordracht 1 – elders uitgegeven
Voordracht 2 – elders uitgegeven

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921

Blz.65: pedagogie moet veel meer op de hele mens betrokken worden; tussen opvoeder en kind mag niet het specialisme komen te staan; 
Blz.66: het belang van de band tussen opvoeder en kind; 
Blz. 67 e.v.: geest/ziel en het lichamelijk/levende doordringen elkaar wederzijds;dat moeten we als opvoeder goed weten; 
Blz. 69 e.v.: hoe verhouden zich gezondheid en ziekte; metamorfoseleer van Goethe; 
Blz. 70 e.v.: afwijkingen, misvormingen bij de plant; het doorschieten van de idee; 
Blz. 72: eenzijdigheden harmoniseren; 
Blz. 74: bij lesgeven geven we vaak eenzijdigheden; hoe kunnen we dat goedmaken; pedagoog moet vragen: hoe maak ik het kind gezond’
Blz. 75 e.v.: wat is gezondheid en wat ziekte: gezondheid als evenwicht tussen twee uitersten;
Blz. 76 e.v.: tandenwisseling; vrijkomen van krachten te gebruiken als bijv. geheugenkracht;
Blz. 78: noodzaak kunstzinnig onderwijs;
Blz. 79: bij de puberteit een soort omgekeerd proces als bij tandenwisseling; in het 9e, 10e jaar beginnen deze krachten voor het eerst te botsen;
Blz. 80: puberteit: interesse voor de buitenwereld; tegenwicht voor opgaan in zichzelf, voor egoïsme;
Blz. 81: het belang van antroposofie;

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Blz.92: oprichting vrijeschool in Stuttgart; Emil Molt;
Blz.93: antroposofie wil bevruchtend werken op andere wetenschappen;
Blz. 94: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; geen sekteschool; vrijeschool door antroposofie een methodeschool;
Blz.95: er moet geen leer de school binnengebracht worden; antroposofie moet menskunde verdiepen om voor wordende mens te doen wat deze vanuit zijn mens-zijn eist;
Blz. 96: kind is eigenlijk grootste leraar; eerbied voor het goddelijke dat naar de aarde komt; methodiek wordt afgelezen aan ontwikkeling kind; methodiek niet in abstracte onderwijsregels;
Blz. 97: experimenten kunnen nuttig zijn, maar leiden niet tot een verdiepte pedagogiek;
Blz. 98: het gaat om het innerlijk;
Blz. 99: geest-zielenwezen verbindt zich met fysieke mensenkiem; deze opvatting breng je niet de school binnen, maar verdiept je waarneming van het kind, bv. bij het leren spreken;
Blz. 101: kind op nabootsing aangewezen; wetenschap kan niets met geest en ziel, kan daarom ook mens niet kennen;
Blz. 102: tandenwisseling; vrijkomen van krachten die ook geheugenkrachten zijn;
Blz. 104: klein kind steelt niet, bootst na; tussen 7 en 14 autoriteit;
Blz. 105: aanschouwelijkheid; autoriteit en later sociaal leven;
Blz. 106: het kind die dingen geven die mee kunnen ontwikkelen;
groeikrachten van de natuur volgen; het gaat niet om het ‘wat’, maar om het ‘hoe’;
Blz. 107; het gaat niet om regels, maar om hoe je ze tot leven brengt;
Blz. 108: de grondslag is de liefde voor het kind; wat de ene leerkracht vertelt of de andere – het imponderabele;
Blz. 109: rekenende paarden;
Blz. 110: waarnemen van het kind heel belangrijk; het gaat om het Hoe;
Blz. 111: lezen is voor kind een vreemd ding; schrijftekens sluiten niet meer aan bij wat direct beleefbaar is; de letter wordt ontwikkeld uit het kunstzinnig tekenen, schilderen; kind vraagt van binnenuit wat er met hem moet worden gedaan; vanuit de wil naar het intellect;
Blz. 112: tot aan 9e jr geen onderscheid tussen hem en wereld; rond 9e jaar grote verandering die leerkracht moet waarnemen;
Blz. 113: na die verandering plant- en dierkunde mogelijk; nog weer later 11e, 12e vakken als natuur- en scheikunde; geslachtsrijpheid een metamorfose in ontwikkeling;
Blz. 114: mogelijkheid tot oordelen ontstaat; ontwikkeling tot sociaal wezen;
Blz. 115: te vroeg oordelen is schadelijk; leren is niet alleen leuk, maar wij moeten het aantrekkelijk maken;
Blz. 116: Goethe en Schiller; brieven over esthetische opvoeding; speldrift;
Blz. 117:kind moert niet alleen maar doen wat het fijn vindt;
Blz. 118: gymnastiek en euritmie; wat moet leven, moet als basis leven hebben; het intellectualistische rekent met het geheugen, niet met het leven;
Blz.119: iets beters na de catastrofe (WO 1) voor de toekomstige generatie: vrijeschool; 
Blz. 120 e.v.: autoriteit; waarom wil de jeugd die niet; een verhandeling over de geestloos geworden cultuur; daarom krijgt de ziel geen inhoud; wij hebben de jeugd geen ziel gegeven; betekenis getuigschrift met spreuk; wat is het voorbeeld van de ouderen voor de jongeren; 

Voordracht 5. Oslo 23 november 1921

Blz. 133

:

GA 304 (Duits)

Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2533-2373

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (3-2)

.

Evenals in de artikelen over scheikunde van Kolisko – die von Kügelgen als basis heeft gebruikt – vinden we hier opvattingen die in wezen antroposofie genoemd kunnen worden.
Op deze blog vind je een hele reeks opmerkingen van Steiner waarom de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn.
Wisten Kolisko en von Kügelgen dit niet of negeerden ze het.

‘Al het vergankelijke is maar een gelijkenis’, merkte Goethe op. M.a.w. de processen in de scheikunde kunnen ook vanuit die invalshoek bekeken worden en  o.a. dan is het omhoog streven van het licht en het naar beneden vallen van de as zeker een beeld voor wat hierboven wordt gezegd. 
Maar dit als leraar als FEIT presenteren, gaat m.i. te ver. 
Wanneer het vanuit de kinderen ontstaat – en zij kunnen met heel diepe gedachten komen – is het geweldig om er met ze over te spreken. Maar laat ze het als KIEM meenemen (zou het zo kunnen zijn, en wat als het zo is…..) hun verdere leven in, zonder dat wij ze als leerkrachten deze gezichtspunten als waarheid meegeven. 

Helmut von Kügelgen, Erziehungskunst jrg. 15 nr. 11 1951

ZWAVEL – FOSFOR – KOOLSTOF


De eerste kennismaking met de scheikunde (2)*

Het blijkt dat het verbrandingsproces als kernthema voor de scheikunde heel geschikt is en de rode draad om de kinderen van 13 jaar (7e klas) de basale elementen van de scheikunde te laten ervaren.

Dit thema wordt nog niet losgelaten, wel wordt er een nieuw gezichtspunt toegevoegd aan de beschouwingen: we gaan de polariteiten van stoffen bekijken.
De kinderen zijn al lang gewend aan de manier waarop wij dat doen met de beeldende voorstellingmogelijkheden, o.a. bij natuurkunde, grammatica, bij het schilderen en aardrijkskunde. (Je bespaart aanzienlijk wezenlijke lestijd wanneer je bijv. Duitsland en de buurlanden als dualiteiten ten tonele voert: Zwitserland met Denemarken, Frankrijk met Polen, België en Nederland met Tsjechië en Slowakije; Engeland met de Balkanlanden, Scandinavië met Italië)

Hier leren de kinderen door de verschijnselen van de verbranding zwavel en fosfor als polariteiten kennen.

Zwavel komt uit het gebied van de vulkanen, uit de schoot der aarde. De vlam ervan is helder en zonder licht, de dampen die eraf komen verstikken en prikkelen en benemen je de adem en het bewustzijn. Je vindt het in allerlei kristallen en andere verschijningsvormen; het vertoont zich in drie vloeibaarheidsfasen. Het zit in de hele aarde tot op grotere diepten. In de vorm van verbindingen met de gesteenten, in blende en kies en daarmee bouwt het mee aan de vormvastheid van de aarde.
Bij de levende wezens is de zwavel vooral bij de stofwisseling actief.
Het koele licht van de gedachten en de lichtloze sfeer van het stofwisselingsgebied waar we wel op een andere manier gloed aantreffen, vormen grote tegenstellingen.
Wanneer dit aardevuur, in het donker, in de stofwisseling de stoffen omvormt en door elkaar mengt en dat naar het hoofd stijgt, verstoort het de helderheid en wakkerheid van het bewustzijn.

Fosfor als drager van licht lijkt wel of het niet van deze wereld is.
Alleen door een hulpgreep, door het onder water te houden, kun je het bewaren. Komt het in aanraking met lucht, dan steekt het zich a.h.w. zelf aan en brandt met een heldere lichte vlam, terwijl zwavel met een blauw geschakeerde warme vlam brandt.
Wanneer je in het donker met fosfor op de muur schrijft, licht dit vanzelf op en dan wordt de klas sterk geraakt: geen druk opgewonden enthousiasme, maar een teruggehouden, eerder een schrikachtige verbazing.
De kinderen reageren heel zuiver op de beelden die de natuur van de werkelijkheid geeft. Zoals de aanwezigheid van suiker het voedsel doortrekt, zo ook de fosfor, fijn verdeeld, de natuur.
De dwaallichten, het vrijkomende fosfor bij het vergaan van planten, komen in het sprookje van Goethe voor als beelden van intelligentie die snoepzucht en onrust vertoont.
In de zenuwsubstantie bevindt zich ook fosfor.
De hersenen, het orgaan waarmee wij onze gedachten bewegen, gebruiken ook fosfor. Er kan als een flits een gedachte opkomen, in het hoofd gaat ons een licht op – en daarom hoeft het niet te verwonderen dat fosfor in medicamenten helpt om het bewustzijn te wekken. In het stofwisselingssysteem is fosfor echter een vergif.
Bij de opbouw van het lichaam wordt fosfor gebonden op de plaatsen waar minerale substantie gevormd wordt: in de botten (ook in het rotsachtige ‘beendergestel’ van de aarde heeft fosfor zijn aandeel.
Zo wordt de lichte, vluchtig naar omhoog strevende fosfor in het levende mineraal vastgehouden en bouwt het mee aan het beeld van de dood, de knekelmens.

Uitgaand van de fosfor kijken we naar de productie van lucifers.
De temperaturen van ontbranding en verbranding laten fosfor, zwavel en hout na elkaar branden.
Hierbij doet de gelegenheid zich voor om alles wat behandeld is, nog een keer door te nemen.

Deze periode begon met de lucifer.
Om dit eerste deel van de introductie in de scheikunde samen te vatten, kan de beschouwing over de koolstof een plaats krijgen die tussen fosfor en zwavel in staat, met een heldere en lichte vlam brandend.

Alle stoffen die door het leven opgebouwd zijn, kunnen branden – zij worden met behulp van koolstof opgebouwd. Het minerale daalt in de as neer, warmte en licht keren terug in de hoogte.
Als koolstof verbrandt, haalt de vuurkracht zuurstof uit de lucht en vormt daarmee koolzuurgas dat in staat is het vuur te doven; wij ademen het via de longen uit.
Dat kan met eenvoudige proef getoond worden:

In een sterkere glasbuis wordt een stuk gloeiend houtskool gedaan. Een kurk waardoorheen een glasbuis gestoken is, sluit het af. Blaas ik daardoor lucht naar binnen, dan gloeit de houtskool op; de lucht die ervan afkomt, dooft een kaarsje dat in een open glas staat. Als je daarin een aantal kaarsen van verschillende hoogte zet, gaat eerst de kortste uit, de langste het laatst.
In de Hondsgrot bij Napels stikten de laag bij de grond lopende honden, terwijl de mens zijn hoofd boven de gevaarlijke gaslaag heeft.
Een plant die verbrandt ‘ademt’ in de vorm van C02 de koolstof weer uit die ze tijdens het groeien opgenomen heeft.
De alom aanwezige koolstof is door het koolzuur uit de lucht gegeven. Je kan er heel enthousiast voor worden dat dit kleine bestanddeel van ongeveer 0,003% kooldioxide van de lucht de bouwsteen is van alle levende organismen.
Door de kalk die we deze periode ook nog zullen leren kennen, bouwt het zelfs het geweldige bergmassief.
Mens en dier ademen koolzuur uit als verbruikte lucht zolang ze leven en de warmte van hun bloed vernieuwen.
In dit opzicht zijn groei en het ontstaan van de vlam verwant.
Wij veranderen met het ouder worden, omdat de omgevormde wereldvuurkracht ons omgewerkt doortrekt. De planten echter nemen het koolstofdioxide van de vlammen en de uitademing op en bouwen daarmee de zichtbare gestalte op. Dat is de voeding van de mens en daardoor wordt koolstof ook een bouwstof van het lichaam. (Behalve water en zout is er geen voedingsmiddel dat niet een koolstofverbinding is).
Het leven van de men echter wordt met de eerste ademhaling ‘aangestoken’ door de ‘levens-vuurlucht’, die de planten op hun beurt vrij gegeven hebben.
De goddelijke adem bezielt en pulseert ons. Dit ritme van de schepping is een wonder, dat dank en vreugde op kan roepen.

Uiterlijk gezien verschijnt de koolstof aan ons als zwart en donker – erin draagt hij licht en warmte met zich mee.
In de diamant fonkelt dit licht en tegelijkertijd is die de meest vaste materie.
Koolstof is met de ritmen van het leven en de krachtstroom van de vier elementen op een bijzondere manier verbonden.
In het koolzuurgas lijkt de dood te sluimeren – maar wat er leeft, bouwt zich ermee op.
Leven bestaat uit in- en uitademen, uit worden en sterven. En alleen aan dit worden en sterven wordt het bewustzijn gewekt.

Een beeld waarin veel samengevat kan worden van de stof die tot nog toe behandeld is en verborgen mee kan klinken in het onuitgesproken geheim, kan in deze uren worden geschetst.
In de tegenstelling mens – plant.

De bloem, het bloeien laat in vorm en kleur, in geur en licht de verwantschap zien met de vlam. Als ze uitgebloeid is, opgebrand, valt het zaad als de as naar de aarde. Hiermee is de wortel verbonden die het meeste mineraal, as, vastheid bevat. Het hardst na het mineraal is bij de mens het hoofd. Van binnenuit, uit de lager gelegen organen, stijgt de warmte in het organisme omhoog, de as wordt a.h.w. naar boven gedragen.
In de mens lijkt een omgekeerde plant verborgen te zijn waarvan de wortels in het hoofd, de bladeren in de borst en de bloem in heel de activiteit in de onderregionen van de mens het tegendeel uitmaken.
Met open zintuigen en een bewustzijn dat op wijsheid gericht is, wortelt de mens met zijn hoofd dat hij vrij ronddraagt a.h.w. in de kosmos – in zijn verbonden-zijn met de aarde bloeien zijn wilskrachten op, waarvan de vruchten bij het rijk van de toekomst horen en bij de hemelse verten.
Je zou hier nog kunnen zeggen dat vooral de voeding van wortels een werking op het hoofd heeft. 
In een latere geschiedenisperiode kan dit motief opnieuw ter sprake komen, wanneer de aardappel als volksvoedsel zijn intrede doet en tegelijkertijd kan dan aan de orde komen hoe de intelligentie ontstaat.

Een ander beeld wordt met sterke gevoelens opgenomen. 
Zo zullen licht en warmte bij het verbranden van stoffen weer hemelwaarts keren. Zo zal de ziel bij het sterven het lichaam verlaten waarbij dit of de as de aarde weer vernieuwt.
Dan kan er een nieuw begrip ontstaan voor het vuuroffer. 
Bij het beeld van het brandend vuur dat meer is dan een wetenschappelijk verbrandingsproces, dat een geestelijke oerkracht is, wordt duidelijk dat al het leven uit de hemel komt en weer naar de hemel terugkeert. 
Onuitgesproken kan er in de kinderen begrip zijn ontstaan voor een spreuk die zij aan het begin van het lesuur gesproken hebben:

Aus dem Geist ist alles Sein entsprungen,
Im Geiste wurzelt alles Leben
Nach dem Geiste zielen alle Wesen. (Rudolf Steiner)

Uit de geest is alle zijn ontsproten
In de geest wortelt al het leven
Naar de geest zoeken alle wezens hun doel.
(vrije vertaling)

*Deel 1   deel 3

7e klas scheikundealle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas.

 

2532-2373

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 -voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1]  [2]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8] [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN vanuit de ANTROPOSOFIE

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921

Die pädagogische Bedeutung der Erkenntnis vom gesunden
und kranken Menschen

De pedagogische betekenis van de kennis van de gezonde en zieke mens

Inhoudsopgave

Blz.65: pedagogie moet veel meer op de hele mens betrokken worden; tussen opvoeder en kind mag niet het specialisme komen te staan; 
Blz.66: het belang van de band tussen opvoeder en kind; 
Blz. 67 e.v.: geest/ziel en het lichamelijk/levende doordringen elkaar wederzijds;dat moeten we als opvoeder goed weten; 
Blz. 69 e.v.: hoe verhouden zich gezondheid en ziekte; metamorfoseleer van Goethe; 
Blz. 70 e.v.: afwijkingen, misvormingen bij de plant; het doorschieten van de idee; 
Blz. 72: eenzijdigheden harmoniseren; 
Blz. 74: bij lesgeven geven we vaak eenzijdigheden; hoe kunnen we dat goedmaken; pedagoog moet vragen: hoe maal ik het kind gezond’
Blz. 75 e.v.: wat is gezondheid en wat ziekte: gezondheid als evenwicht tussen twee uitersten;
Blz. 76 e.v.: tandenwisseling; vrijkomen van krachten te gebruiken als bijv. geheugenkracht;
Blz. 78: noodzaak kunstzinnig onderwijs;
Blz. 79: bij de puberteit een soort omgekeerd proces als bij tandenwisseling; in het 9e, 10e jaar beginnen deze krachten voor het eerst te botsen;
Blz. 80: puberteit: interesse voor de buitenwereld; tegenwicht voor opgaan in zichzelf, voor egoïsme;
Blz. 81: het belang van antroposofie

Blz. 65

Meine sehr verehrten Anwesenden! Die Pädagogik, welche sich ergibt aus dem ganzen anthroposophischen Welterkennen und die ja praktisch geübt wird in der Stuttgarter Waldorfschule und in einigen kleineren Versuchen, die nach dieser Richtung hin gemacht werden, diese Pädago­gik muß eine viel umfassendere sein als dasjenige, was man in der Gegenwart unter diesem Namen betreibt. Und vor allen Dingen, sie muß etwas in einem viel engeren Sinne an den ganzen Menschen und sein Wissen Gebundenes sein. Man wird, wenn man einmal dasjenige, was man anthroposophische Pädagogik und Didaktik nennen kann, in richti­gem Sinne verstehen wird, weniger von etwas Objektivem sprechen, von Pädagogik und Didaktik als Wissenschaft oder Kunst, man wird mehr von den erziehenden und unterrichtenden Menschen sprechen, wird mehr wissen, was eigentlich der Mensch für den Menschen überhaupt und insbesondere der lehrende und unterrichtende Mensch für den aufwachsenden Menschen, für das Kind bedeutet.

Geachte aanwezigen!
De pedagogie die het gevolg is van de hele antroposofische wereldkennis en die in de praktijk wordt gebracht in de vrijeschool in Stuttgart en bij een paar beginnende initiatieven die in deze richting gaan, deze pedagogie moet veel omvattender zijn dan wat er tegenwoordig onder wordt verstaan. En deze moet vooral op een veel directere manier op de hele mens en zijn kennis betrokken zijn. Men zal, wanneer men eenmaal op een goede manier gaat begrijpen wat men antroposofische pedagogiek en didactiek kan noemen, minder over iets objectiefs spreken, over pedagogiek en didactiek als wetenschap of kunst, men zal meer over de mens spreken die opvoedt en lesgeeft, zal meer weten van wat de mens eigenlijk voor de mens betekent, in het bijzonder wat de mens die onderwijs geeft voor de opgroeiende mens, het kind betekent.

Gerade dieses bedeut­samste Verhältnis von Mensch zu Mensch, das da ist zwischen dem erziehenden, dem lehrenden und dem aufwachsenden Menschen, hat ja gelitten unter der Tendenz, die immer mehr und mehr in der neueren Zeit in alles geistige Arbeiten und alles geistige Streben eingezogen ist, nämlich unter dem Spezialistentum. Dieses Spezialistentum hat es ja dahin gebracht, daß man immer mehr und mehr es für nötig hält, daß einen gewissen Einfluß gewinne in der Schule auf die aufwachsende Jugend nicht nur der Lehrer, sondern weil man es ja zu tun hat mit demjenigen, was in gesunder und kranker Weise sich an dem Kinde heranentwickelt, daß einen gewissen Einfluß in der Schule auch haben soll der Arzt. Und in der neuesten Zeit betrachtet man es ja sogar auch noch als eine Notwendigkeit, daß der gelehrte Psychologe, der Seelen­kenner, derjenige also, der sich gewisse Erkenntnisse verschafft, so wie man sie nach den gewöhnlichen heutigen schulmäßigen Methoden sich verschaffen kann über die Seele des Menschen, daß der nun auch

Juist deze belangrijkste verhouding van mens tot mens die er tussen de opvoeder, de leraar en de opgroeiende mens bestaat, heeft te lijden gehad van de tendens die er in de huidige tijd steeds meer in het geestelijk werk en al het geestelijk streven bij gekomen is, namelijk het specialisme. Met het specialisme is het zover gekomen dat men het steeds noodzakelijker is gaan vinden dat op school niet alleen de leerkracht een bepaalde invloed kan hebben op de leerling, maar omdat men te maken krijgt met wat op een gezonde en op een ongezonde manier bij het kind tot ontwikkeling komt, nu ook de arts een bepaalde invloed op school moet kunnen hebben. En de laatste tijd ziet men het zelfs ook als noodzakelijk, dat de geleerde psycholoog, de kenner van de ziel, degene dus die zich bepaalde kennis verwerft, zoals men die in de alledaagse schoolse methoden van nu zich over de ziel van de mens eigen kan maken en dat die nu ook

Blz. 66

irgendwie beratend in die Schulverfassung eingreife. So also müßte gewissermaßen der Lehrer dann dastehen, beraten auf der einen Seite vom Arzt, beraten auf der anderen Seite von dem Psychologen. Das aber ist ja nichts anderes als eben ein Hineintragen des Spezialistentums in die Schule. Wer einen genügenden Begriff sich davon verschafft, ein wie enges Verhältnis sich herausbilden muß zwischen dem zu erziehenden und zu unterrichtenden Kind und dem Lehrer, wie intim der Lehrer kennen muß dasjenige, was im Kinde heranwächst, der wird kaum zugeben können, daß es irgendwie ersprießlich ist, wenn in äußerlicher Weise zusammenwirken Menschen, die ja eigentlich auch unter sich nur ein gewisses äußerliches Verhältnis haben, die gewissermaßen jeder einen Teil der menschlichen Entwickelung verstehen, und die dann äußerlich ihre Ratschläge sich geben sollen, um in äußerlicher Weise zusammenzu-wirken. Aber es ist das, was da auftreten will, eben nur eine allgemeine Folge des Spezialistentums überhaupt. Wer glaubt, daß die Seele des Menschen etwas ist, was irgendwie eine außerliche Beziehung zum körperlich-leiblichen Organismus habe, der kann ja unter Umständen meinen, daß der Lehrer eben auf das Seelische zu wirken hat, und daß für das Körperliche dann von außen her Ratschläge gegeben werden können von dem Arzte.

op de een of andere manier adviserend in het schoolleven kan ingrijpen. Op de een of andere manier staat de leerkracht daar die aan de ene kant geadviseerd wordt door de dokter en aan de andere kant door de psycholoog. Dat betekent niets meer of minder dan dat het specialisme de school binnenkomt. Wie in voldoende mate gaat begrijpen dat tussen de opvoeder en de leerling zich een band moet gaan vormen, hoe de leraar op een subtiele manier moet leren kennen wat er zich in het kind aan het ontwikkelen is, zal nauwelijks kunnen toegeven dat het ergens wel zin heeft wanneer er op een uiterlijke manier mensen samenwerken die eigenlijk onder elkaar ook op een bepaalde manier maar een uiterlijke band hebben, die in zekere zin ieder voor zich maar een bepaald deel van de menselijke ontwikkeling begrijpen en die dan uiterlijke raad moeten geven om op een uiterlijke manier samen te werken. Wat daar zo aan de hand is, is alleen maar een algemeen gevolg van het specialiseren. Wie gelooft dat de ziel van de mens iets is wat op een of andere manier iets te maken moet hebben met het lichamelijke organisme, die kan wellicht onder bepaalde omstandigheden van mening zijn dat de leerkracht wel op de ziel moet werken en dat voor het lichamelijke dan van buitenaf door de arts raad kan worden gegeven.

Selbstverständlich rede ich, indem ich heute über das Thema der pädagogischen Bedeutung einer Erkenntnis vom gesunden und kranken Menschen rede, nicht von den Fällen, wo die zu erziehenden Kinder wirklich in akute oder chronische Krankheiten verfallen. Da ist ja die ärztliche Behandlung etwas, was außerhalb des Erziehens selbst liegt. Ich rede von demjenigen, was durchaus innerhalb des Ganges der Erziehung und des Unterrichtes selber liegt. Und da muß gesagt werden, daß gerade dadurch, daß man glaubt, für das Hygienische, für das Sanitäre der Schulführung könne der Arzt als Spezialist dem Lehrer zur Seite stehen, daß man gerade dadurch das fördert, daß wiederum andererseits die Pädagogik und Didaktik einseitig werden, herausgebracht werden aus dem konkreten Verhältnisse zu dem vollen Menschen im Kinde, der ja geistig-seelisch auf der einen Seite, leiblich-physisch auf der anderen Seite ist. Die Pädagogik und Didaktik wird in eine gewisse Abstraktheit heraufgehoben und vom Menschen entfernt, wenn man sich verläßt

Vanzelfsprekend heb ik het niet, wanneer ik vandaag het thema van de pedagogische betekenis van de kennis omtrent de gezonde en zieke mens, over gevallen waarbij de kinderen die opgevoed worden daadwerkelijk acuut of chronisch ziek worden. Dan is de behandeling door de arts iets wat uiteraard buiten de opvoeding zelf ligt. Ik praat over wat binnen het kader van opvoeding en onderwijs zelf ligt. En dan moet worden gezegd dat juist doordat men gelooft dat de arts voor de hygiëne, voor het sanitaire op school de leerkracht terzijde kan staan, dat men dan daardoor ook gaat versterken dat aan de andere kant de pedagogiek en en didactiek eenzijdig worden, buiten de concrete relatie met de volledige mens in het kind komen te staan, die enerzijds mentaal-psychisch is en anderzijds levend-lichamelijk. De pedagogie en de didactiek worden op een zeker abstract niveau getild en van de mens vervreemd, wanneer je erop vertrouwt

Blz. 67

darauf, daß ja dasjenige, was in leiblich-physischer Beziehung gesorgt werden soll, von dem Spezialisten besorgt werden kann.
Und unter der Tendenz, die sich da entwickelt hat, ist es ja in der Tat dahin gekommen, daß man heute von mancher Seite Verwunderung äußert, wenn man in die pädagogische und didaktische Kunst nicht nur die gewöhnlichen abstrakten Erziehungs- und Unterrichtsregeln hinein-bringt, sondern wenn man diese Erziehungs- und Unterrichtsregeln so gestaltet, daß sie zu gleicher Zeit herausgedacht sind aus dem Ganzen des Menschen, also auch aus dem Leiblich-Physischen. Was hier als eine Abirrung zu charakterisieren ist, schreibt sich ja im Grunde genommen davon her, daß unsere neuere Wissenschaft überhaupt ins Unklare gekommen ist über das Verhältnis des Geistig-Seelischen zu dem Leib­lich-Physischen, wenn sie von dem ersteren überhaupt als etwas Selb­ständigem spricht.
Ein deutlicher Beweis dafür ist ja das, daß unsere Seelenkunde vielfach heute spricht von einem psycho-physischen Parallelismus. Man sieht sich genötigt, von einem Geistig-Seelischen zu sprechen; man sieht sich auf der anderen Seite natürlich genötigt, von einem Leiblich-Physischen zu sprechen. 

dat wat er op lichamelijk gebied verzorgd moet worden, door de specialisten kan worden gedaan.
En door de tendens die ontstaan is, is het inderdaad zover gekomen dat je vandaag de dag vanuit een bepaalde hoek bewondering oogst, wanneer je bij de pedagogische en didactische kunst niet alleen de gewone abstracte opvoedings- en onderwijsregels inbrengt, maar wanneer je deze regels zo vormgeeft, dat deze tegelijkertijd gedacht zijn vanuit de hele mens, dus ook uit het levend-lichamelijke. Wat hier als een afwijking gekarakteriseerd kan worden, is in de aard van de zaak te beschouwen als het feit dat onze moderne wetenschap in het ongerede is geraakt over de relatie van het geest-zielenleven en het fysiek-levende, als ze voor het eerste al als iets op zich staands zou spreken. Een duidelijk bewijs daarvoor is dat onze zielkunde tegenwoordig veelvuldig spreekt over een psycho-fysisch parallellisme. Men ziet zich genoodzaakt over iets van geest en ziel te zeggen; aan de andere kant voelt men zich natuurlijk  genoodzaakt over het lichamelijke te spreken.

Aber da man das lebendige Ineinanderwirken, das leben­dige Wechselspiel zwischen beiden nicht durchschaut, redet man von einem Parallelismus, als wenn auf der einen Seite eben abliefen die geistigen Erscheinungen, auf der anderen Seite die leiblich-physischen Erscheinungen. Aber was da zwischen beiden spielt, darauf läßt man sich nicht ein. Dieses äußerliche Verhältnis, das da allmählich in die Anschauung eingetreten ist, das hat durchaus auch abgefärbt auf alles dasjenige, was Pädagogik und Didaktik ist. Man muß sich nur klar sein – und das kann ich ja hier nur aus der allgemeinen Anthroposophie, ich möchte sagen, hereinziehend charakterisieren -, man muß sich nur klar sein darüber, daß wenn wir vom Körperlich-Leiblichen etwa so sprechen, wie das die gewöhnliche heutige Physiologie, Biologie tut, daß wir dann von etwas sprechen, was am lebendigen Menschen, so wie wir es ja charakterisie­ren, eigentlich gar nicht vorhanden ist. Das ganze Leiblich-Physische ist ein Ergebnis, ein Aufbau des Seelisch-Geistigen.
Und wiederum, wenn wir vom Seelisch-Geistigen in einer gewissen

Maar omdat men het levendig op elkaar inwerken, de levendige wisselwerking tussen beide niet doorziet, spreekt men van een parallellisme, alsof aan de ene kant wat  geestelijk in verschijning treedt, zich afspeelt, aan de andere kant wat levend-lichamelijk in verschijning treedt. Maar op wat er tussen deze beide zich afspeelt, gaat men niet in.
Deze uiterlijke relatie die langzamerhand de waarneming geworden is, heeft zeer zeker ook alles wat met pedagogiek en didactiek te maken heeft, gekleurd. Nu moet je goed in de gaten hebben – en dat kan ik hier alleen maar uit de algemene antroposofie karakteriseren – je moet goed beseffen dat als we over het lijfelijk-lichamelijke zo spreken als de huidige fysiologie, biologie doet, we dan over iets spreken wat bij de levende mens zoals wij dat karakteriseren, eigenlijk helemaal niet te vinden is. Al dat lichamelijk-levende is het gevolg van het de werking van ziel en geest, wordt er door opgebouwd.
En dan ook, als we met een bepaalde abstractie praten over het geest-zielenaspect

Blz. 68

Abstraktheit sprechen, sprechen wir eben wiederum nicht von etwas Wirklichem, denn es ist am lebendigen Menschen lebendig, möchte ich sagen, eben das Geistig-Seelische, indem es den Leib durchorganisiert, indem es den Leib baut, gestaltet. Und es ist so, daß durchaus nicht in einer gewissen Allgemeinheit gesprochen werden kann von der Bezie­hung des Seelisch-Geistigen zu dem Physisch-Leiblichen, sondern derje­nige, der nun wiederum das Seelisch-Geistige in seiner Konfiguration schaut, der es nicht als ein bloßes Abstraktum vor sich hat, sondern der es in seiner inneren Gestaltung vor sich sieht, der weiß zugleich, daß jede Einzelheit des Seelisch-Geistigen eine gewisse Beziehung hat zu einer Einzelheit in dem Physisch-Leiblichen. Wir können zum Beispiel durch­aus sagen, ich will das eben nur als ein Beispiel heranziehen: Wenn wir den Sehprozeß ins Auge fassen, so hat dieser Sehprozeß seine physisch-leibliche Lokalisation sehr abgeschlossen in dem menschlichen Haupt-Organ, in dem menschlichen Kopfe, und wir studieren den Sehprozeß, indem wir vorzugsweise seine lokalisierten Organe im menschlichen Haupt studieren.
Anders ist das zum Beispiel schon, wenn wir den Gehörprozeß studieren. Wenn wir den Gehörprozeß studieren, müssen wir das rhyth­mische System studieren. Wir müssen, um den Gehörprozeß zu verste­hen, eigentlich ausgehen von dem Atmungsprozeß.

hebben we het weer niet over iets reëels, want het is aan de levende mens levendig werkzaam, zelfs het geest-zielsmatige, wanneer dit het lichaam doorwerkt, als het het lichaam opbouwt, vormgeeft. En het is zo dat er helemaal niet in het algemeen gesproken kan worden van de relatie tussen ziel en geest met het levend lichamelijke, maar degene die op zijn beurt geest en ziel in hun hoedanigheid doorziet, die dit niet alleen maar als abstractie heeft, maar het voor zich ziet in zijn innerlijke vorm, weet tegelijkertijd dat ieder detail van  geest en ziel een bepaalde relatie heeft met een bepaald detail in het levende lichaam. We kunnen echt wel zeggen, ik geef het maar als voorbeeld: wanneer we het proces van het zien in ogenschouw nemen, dan zit dit proces fysiek zeer afgesloten gelokaliseerd in het hoofd van de mens en wij bestuderen dit zien als we met name de in het hoofd gelokaliseerde organen bestuderen. Wanneer we het gehoorsproces bestuderen, moeten we het ritmische systeem bestuderen. Wij moeten om het gehoorsproces te begrijpen, eigenlijk uitgaan van het ademhalingsproces.

Wir können ja nicht den Gehörprozeß für sich lokalisiert im Kopfe studieren, wie das in einer heutigen abstrakten Physiologie vielfach geschieht, und so ist es mit allem. Was wir als Geistig-Seelisches studieren, müssen wir in konkreter Weise beziehen können wiederum auf konkrete organische Systeme. Das heißt, eine wirkliche geistig-seelische Erkenntnis ist gar nicht möglich ohne eine Erkenntnis des Leiblich-Physischen. Und wiederum: eine richtige Erkenntnis des Leiblich-Physischen ist zu gleicher Zeit eine Erkenntnis des Seelisch-Geistigen. Es muß eben eine Erkenntnis ange­strebt werden, wo diese beiden, das Seelisch-Geistige und das Leiblich-Physische so ineinandergehen in der Erkenntnis, wie sie auseinanderge­hen im lebendigen Menschen.
Diejenigen, die diese Vorträge hier hören als anthroposophisch Inter­essierte, wissen ja, wie hier nicht gesprochen wird von irgendeinem abstrakt-theoretischen Geistig-Seelischen, sondern wie gerade wirkliche

Het gehoorsproces kunnen we gelokaliseerd in het hoofd bestuderen, zoals dat vaak in de tegenwoordige abstracte fysiologie gebeurt en zo is het met alles. Wat we als geest en ziel bestuderen, moeten we op een concrete manier in verbinding kunnen brengen met concrete organische systemen. D.w.z. een werkelijke kennis van geest en ziel is helemaal niet mogelijk zonder kennis van het levend lichamelijke. En ook, een echt kennen van het levend-lichamelijke is tegelijkertijd een kennen van ziel en geest. Er moet naar kennis gestreefd worden, waarbij deze twee, ziel-geest en het lijfelijk-lichamelijke bij het kennen zo in elkaar overlopen als ze uit elkaar gaan in de levende mens.
Degenen die hier naar de voordrachten luisteren omdat ze geïnteresseerd zijn in de antroposofie, weten wel hoe hier niet gesproken wordt over een of andere abstract theoretische ziel of geest, maar hoe juist echte

Blz. 69

Erkenntnis des Geistig-Seelischen im vollen innerlichen Zusammenhang steht mit einer Erkenntnis des Leiblich-Physischen.
Nun aber, wenn wir an das Leiblich-Physische des Menschen heran-treten, dann tritt uns ja sogleich eigentlich die Frage entgegen nach dem Verhältnis des Gesunden und des Kranken im Menschen. Gewiß, die extremen Fälle des Krankseins gehören auf ein anderes Blatt als das pädagogische, und sie gehen
uns heute hier nichts an, aber all dasjenige, was, ich möchte sagen, in tausendfältiger Weise in dem eigentlich sonst gesund zu nennenden Menschen doch in einer gewissen Weise nach dem Kranken hinneigt, in dem haben wir ein Gebiet, das gerade innerhalb des Pädagogischen und Didaktischen in hervorragendem Maße gekannt sein muß, und das sogar außerordentlich wichtig ist für die pädagogische und didaktische Erkenntnis. Und um begreiflich zu machen, was damit eigentlich gemeint ist, möchte ich ausgehen von einem in Goethes Weltanschauung auftretenden, außerordentlich wichtigen Begriff.
Goethe hat ja in seiner Metamorphosenlehre versucht, eine Art Anschauung des Organischen zu gewinnen, und dasjenige, was er in seiner Metamorphosenlehre gewonnen hat, wird ganz gewiß in der Zukunft noch viel unbefangener gewürdigt werden, als es bis heute schon gewürdigt werden kann, da ja die gegenwärtige Wissenschaftsrich­tung vielfach sich in einer in bezug auf Goethe entgegengesetzten Richtung bewegt.

kennis van geest en ziel in de volle innerlijke samenhang staat met een kennis van het levend-lichamelijke.
Echter, als we het levend-lichamelijke van de mens beschouwen, dan komt vrijwel meteen de vraag op naar hoe gezondheid en het zieke in de mens zich tot elkaar verhouden. Zeker, de extreme gevallen van het ziek-zijn zijn van een andere categorie dan in het pedagogische geval en met die gevallen houden we ons nu niet bezig; maar we hebben wel alle mogelijke gevallen die bij wat je toch een gezond mens kan noemen, naar ziekte neigen, en daarmee hebben we een gebied dat we juist binnen de pedagogiek en de didactiek heel erg goed moeten kennen en dat voor de kennis van pedagogiek en didactiek buitengewoon belangrijk is. En om begrijpelijk te maken wat daarmee eigenlijk wordt bedoeld, wil ik uitgaan van een uiterst belangrijk begrip dat we in de wereldbeschouwing van Goethe vinden. Goethe heeft in zijn leer van de metamorfose geprobeerd een soort waarnemen van het organische te ontwikkelen en wat hij in zijn metamorfoseleer bereikt heeft, zal zeer zeker in de toekomst op een nog veel onbevangener manier geprezen worden dan dat dit nu het geval al is, omdat de richting van de huidige wetenschap zich meestal wat Goethe betreft in de tegenovergestelde richting beweegt.

Goethe hat verfolgt, wenn wir das am einfachsten Beispiel ins Auge fassen, wie, sagen wir, am Pflanzenstengel Blatt nach Blau sich entwik­kelt, und wie aber jedes folgende Blatt, das eine andere Form zeigt als das darunterstehende, doch nur eine Metamorphose des darunterstehenden ist. So daß Goethe sagt: Die einzelnen Organe der Pflanze, die unteren einfacheren Blätter, dann die komplizierteren Stengelbläuer, dann die Kelchblätter, die wieder ganz anders
gestaltet sind, die Blumenblätter, die sogar eine andere Farbe haben als die Stengelbläuer, sie sind eigent­lich alle so, daß sie äußerlich in der Form voneinander verschieden sind, innerlich in der Idee aber gleich sind, so daß dasjenige, was in der Idee gleich ist, sich dem äußeren sinnlichen Scheine nach vermannigfaltigt, in den verschiedenen Gestalten auftritt. Goethe sieht deshalb in dem einzelnen Blatte die ganze Pflanze und in der Pflanze wiederum nur die

Goethe is nagegaan, als we het eenvoudigste voorbeeld bekijken, hoe aan de stengel van de plant zich blad na blad ontwikkelt en hoe dan ieder blad dat erna komt, een andere vorm heeft dan het blad daaronder; maar dit latere blad is een metamorfose van het vorige. Goethe zegt daarom: De aparte organen van de plant, de onderste eenvoudige bladeren, dan de gecompliceerdere stengelbladeren, dan de kelkbladeren die weer een heel andere vorm hebben dan de bloemblaadjes die zelfs een andere kleur hebben dan de stengelbladeren, zijn allemaal zo dat zij uiterlijk in de vorm van elkaar verschillen, innerlijk in de idee echter gelijk zijn, zodat wat in de idee gelijk is, zich voor de uiterlijk zintuiglijke schijn zich vermenigvuldigt, zichtbaar wordt in de verschillende vormen. Daarom ziet Goethe in het aparte blad de hele plant en in de plant weer alleen de

Blz. 70

komplizierte Ausgestaltung des einzelnen Blattes. Jedes Blatt ist für Goethe eine ganze Pflanze, nur daß die Idee der Pflanze, der Typus der Pflanze, die Urpflanze, eben im äußeren physischen Ausgestalten eine bestimmte Gestalt annimmt, vereinfacht ist und so weiter, so daß Goethe gewissermaßen sich sagt (es wird gezeichnet): Indem der Pflanzenstengel ein Blatt treibt, will er eigentlich eine ganze Pflanze treiben. Hier ist durchaus die Tendenz vorhanden, eine ganze Pflanze zu treiben. Aber diese pflanzenbildnerische Kraft gestaltet sich gewissermaßen nur in beschränktem Maße aus, hält sich zurück. Im nächsten Blatte gestaltet sie sich wiederum in einem in gewissem Sinne beschränkten Maße aus und so weiter. Hier will diese pflanzenbildnerische Kraft eine ganze Pflanze werden, hier wieder eine ganze Pflanze. In jedem Blatte will eigentlich eine ganze Pflanze entstehen, und es entsteht nur immer etwas wie ein Fragment einer Pflanze; aber die ganze Pflanze ist doch da und ist wiederum eine Realität. Und diese unsichtbare ganze Pflanze, die hält nun all das in Harmonie zusammen, was immer viele Pflanzen werden will.

gecompliceerde uitgroei van het aparte blad. Ieder blad is voor Goethe een hele plant, alleen dat de idee van de plant, de oervorm van de plant, de oerplant, dus in de uiterlijke fysieke vorm een bepaalde vorm aanneemt, eenvoudiger wordt enz., zodat Goethe in zekere zin zegt (het wordt getekend): (tek. niet afgedrukt). Wanneer de plantenstengel een blad tevoorschijn brengt, wil deze eigenlijk een hele plant tevoorschijn brengen. Hier is zeker de tendens aanwezig om een hele plant te laten ontstaan. Maar deze kracht die een plant wil vormen, komt in zekere zin alleen maar beperkt tot uiting, houdt zich terug. Bij het volgende blad gebeurt dat opnieuw in die beperkte mate, enzovoort. Hier (in de tekening) wil deze plantenvormende kracht een hele plant worden, ook hier. In ieder plant wil eigenlijk een hele plant ontstaan en er ontstaat alleen steeds iets als een deel van een plant; maar de hele plant is daar wel en is een realiteit. En deze hele onzichtbare plant houdt alles harmonisch bij elkaar wat veel planten zou willen worden.

Jede Pflanze möchte eigentlich viele Pflanzen werden; aber jede von diesen vielen Pflanzen wird nicht eine volle Pflanze, sondern nur eine beschränkte Ausgestaltung, ein Organ. Jedes Organ will eigentlich der ganze Organismus sein, und der ganze Organismus hat die Aufgabe, diese einzelnen fragmentarischen Ausbildungen seiner selbst wiederum zu einer größeren Harmonie zusammenzuhalten, so daß wir dasjenige haben, was im einzelnen
Organ wirkt und dasjenige, was die einzelnen Organe zusammenhält.
Nun, Goethe geht nicht aus auf abstrakte Begriffe. Er gestaltete zum Beispiel nicht den ganz abstrakten Begriff: Man sieht einzelne fragmen­tarische Pflanzen sich gestalten wollen und dann die Einheitspflanze, die das zusammenhält , das wäre noch Abstraktion. Er will erfassen, wie diese pflanzenbildnerische Kraft wirkt. Er möchte erfassen, was da eigentlich sich ausgestaltet, und namentlich, was sich in einem solchen einzelnen Blatte zurückhält. Er möchte das anschauen, er möchte nicht beim Begriff bleiben, er möchte bis zu der Anschauung kommen. Deshalb wird ihm ganz besonders wichtig, wenn er, wie er es nennt, irgendwo Mißbildungen auftreten sieht, wenn also zum Beispiel an einer bestimmten Stelle nicht ein Blatt auftritt, wie man es erwartet, sondern

Iedere plant zou eigenlijk tot vele planten willen uitgroeien; maar elke plant van al die vele planten wordt geen volledige plant, maar slechts een begrensde vorm, een orgaan. Ieder orgaan wil eigenlijk het hele organisme zijn en het hele organisme heeft de taak deze aparte fragmentarische vormen weer tot een grotere harmonie bijeen te houden, zodat wij datgene hebben wat in het deelorgaan werkt en wat die deelorganen bijeenhoudt.
Goethe hanteert geen abstracte begrippen. Hij formuleert bijv. niet het heel abstracte begrip: ‘je ziet dat losse fragmentarische planten zich willen vormen en de plant als eenheid die dit bij elkaar houdt’, dat zou abstractie zijn. Hij wil doorgronden hoe deze plantenvormende krachten werken. Hij wil doorgronden wat daar eigenlijk tot uitdrukking komt en vooral wat zich in zo’n apart blad terughoudt. Dat zou hij willen waarnemen, hij wil niet bij de begrippen blijven staan, hij wil tot de waarneming komen. Daarom is het voor hem van bijzonder belang, wanneer hij, zoals hij het noemt, ergens misvormingen ziet, wanneer er bijv. op een bepaalde plaats niet één blad komt, zoals je mag verwachten, maar

Blz. 71

wenn sich der Stengel meinetwillen verdickt, eine Mißbildung entsteht, oder wenn irgendwo die Blüte, statt sich in Blättern zu runden, schlank auswächst und dergleichen.
Wenn Mißbildungen auftreten, sagte sich Goethe, dann tritt an der Pflanze die pflanzenbildnerische Kraft so auf, daß dasjenige sich verrät, äußerlich sichtbar wird, was sich eigentlich zui ückhalten sollte; wenn das Blatt mißgestaltet wird so hat sich eben die Kraft nicht zurückgehal­ten, dann ist sie ins Blatt hi neingeschossen. Und so sagte sich Goethe: Also sieht man, wenn eine Mißbildung auftritt, wie physisch wird dasjenige, was eigentlich geistig ist; was sich zurückhalten sollte, was nur als Wachstumskraft auftreten sollte, wird sichtbar. In der Mißbildung liegt etwas vor, was man gerade studieren sollte, denn an der Mißbildung sieht man, was in der Pflanze drinnen ist. Ist diese Mißbildung nicht da, so bleibt etwas zurück, was dann in den folgenden Blättern oder in den folgenden Organen überhaupt zum Ausdrucke kommt. – So werden für Goethe die Mißbildungen für sein Studium ganz besonders wichtig. Er sagt sich das in bezug auf den ganzen Organismus. Man kann sagen, es ist durchaus im Sinne Goethes gedacht, wenn wir zum Beispiel nun nehmen den Hydrocephalusi die Wasserkopfbildung beim Kinde; da haben wir eine Mißbildung.

wanneer de stengel zich verdikt, een misvorming ontstaat of wanneer op de een of andere manier de bloem, i.p.v. rond uit te groeien met blaadjes, langwerpig doorgroeit enz.
Wanneer zich vergroeiingen voordoen, zei Goethe, dan vertoont de plantenvormende kracht zich aan de plant zo dat er iets naar buiten komt, iets uiterlijk zichtbaar wordt, wat eigenlijk teruggehouden had moeten worden; wanneer het blad misvormd wordt, heeft die kracht zich niet teruggehouden, maar die is dan in het blad geschoten. En zo zei Goethe: dus zie je wanneer er een vergroeiing optreedt, hoe fysiek wordt wat eigenlijk geestelijk is, wat zich terug zou moeten houden; wat alleen maar als groeikracht zou moeten werken, dat wordt zichtbaar. In de misvorming doet zich iets voor wat je zou moeten bestuderen, want aan die misvorming zie je wat in de plant zit. Zit die misvorming er niet, dan blijft er iets terug wat dan in de volgende bladeren of in de volgende organen tot uitdrukking komt. – Zo worden voor Goethe de vergroeiingen voor zijn studie heel belangrijk. Hij merkt dat op m.b.t. het hele organisme. Je kan zeggen dat het duidelijk in de zin van Goethe gedacht is, wanneer wij bijv. eens naar de hydrocefalie kijken, naar de vorming van een waterhoofd bij het kind; daar hebben we een misvorming.

Aber Goethe würde sagen: Diese Mißbildung richtig studiert, zeigt mir etwas in der Anschauung, was in jedem kindlichen Kopfe ist, aber nur zurückgehalten wird im Geistigen. Ich kann also, wenn eine Mißbildung auftritt, sagen: Hier zeigt sich mir im Physisch-Sinnlichen dasjenige, was eigentlich im Geistig-eelischen seine richtige Stellung hat. Sehen wir nun herauf bis zum Menschen oder auch bis zum Tiere, dann haben wir nicht nur solche augenscheinlich auftretenden Mißbil­dungen, sondern wir haben dann Krankheiten oder wenigstens Krank­heitsanlagen. Jede Krankheit im Goetheschen Sinne betrachtet, verrät einem etwas, was ganz regulär im Menschen drinnen ist, aber sich nur, gleich einer Mißbildung, auch nach der einen Seite sich ausbildet, während es zurückgehalten werden sollte im ganzen organischen System. Während es gewissermaßen im Geiste zurückbleiben sollte, schlägt es in die äußere Bildung hinein. So daß man sagen kann: bemerkt man irgendwo eine Krankheitsanlagei so verrät einem diese Krankheitsanlage

Maar Goethe zou zeggen: als je deze misvorming goed bestudeert, laat deze iets zien van wat in ieder hoofd van een kind aanwezig is, maar wat dan teruggehouden wordt in het geestelijke. Ik kan dus, wanneer er een vergroeiing plaatsvindt, zeggen: hier laat het fysiek-zintuiglijke zien wat eigenlijk in het geest-zielengebied zijn juiste plaats heeft. Kijken we nu naar de mens of ook naar het dier, dan hebben wij niet alleen maar ogenschijnlijk zulke optredende misvormingen, maar we hebben dan met ziekten of op zijn minst met ziekteaanleg van doen. Iedere ziekte in de zin van Goethe, laat iemand zien wat heel gewoon in een mens zit, maar zich alleen maar als misvorming ontwikkelt, zij het in één richting, terwijl het in het hele organische systeem teruggehouden zou moeten worden. Terwijl het in zekere zin geestelijk teruggehouden moet blijven, komt het in de uiterlijke vormgeving terecht. Zodat je kan zeggen: zie je ergens een aanleg voor ziekte, dan onthult deze aanleg

Blz. 72

gerade etwas Besonderes für die menschliche Organisation, und wer das Kranksein nach der einen oder der anderen Seite versteht, beginnt gerade an dem Kranksein den menschlichen Geist zu studieren, wie Goethe an den Mißbildungen den Typus, die Urpflanze studiert. Es ist außerordentlich bedeutsam, hinschauen zu können, namentlich auf die feineren krankhaften Ausartungen, sagen wir beim Kinde, die nicht zu wirklichen Krankheiten werden, sondern die solche Neigungen nach der einen oder der anderen Seite darstellen, da oder dorthin krankhaft auszuarten. Das ist dasjenige, was gewissermaßen äußere Signatur dar­stellt für dasjenige, was nun auch im normalen Menschen arbeitet. Man möchte sagen: das Wasserkopfsein ist im Kopfe eines jeden Kindes, und man muß den Wasserkopf studieren können, um eben im Studium des Wasserkopfes zu erfahren, wie man das nun zu behandeln hat, was in den Wasserkopf schießt, wenn es gesund bleibt und ein Geistig-Seeli­sches ist Natürlich ist das etwas, was im eminentesten Sinne mit allem, ich möchte sagen, wissenschaftlichen Zartgefühl zu behandeln ist, was nicht im groben Sinne gedeutet werden darf, sondern mit außerordentli­chem Zartgefühl behandelt werden muß, so daß man hier hingewiesen wird auf dasjenige, was im Menschen wirkt, was als Krankheit erscheint, was aber eigentlich, wenn es an seiner richtigen Stelle im Inneren bleibt, zu den normalen Entwickelungskräften des Menschen gehört

nu juist voor de menselijke organisatie iets bijzonders en wie ziek-zijn naar de ene kant of naar de andere kant begrijpt, begint dan aan dit ziek-zijn de menselijke geest te bestuderen, zoals Goethe aan de misvormingen de oersoort, de oerplant bestudeert. Het is van heel veel betekenis m.n. te kijken naar wat zich subtieler pathologisch afwijkend ontwikkelt, bijv. bij het kind, wat dan geen echte ziektes worden, maar wat in de een of andere richting een neiging daartoe vertoont, in een of andere richting zich als ziek-zijn te ontpoppen. Dat laat op de een of andere manier iets zien als een uiterlijk beeld voor wat ook in de normale mens werkzaam is. Iets van een waterhoofd zit in het hoofd van ieder kind en je moet het waterhoofd kunnen bestuderen om bij die studie te voelen hoe je dat wat in het waterhoofd schiet, moet behandelen, wanneer dat gezond blijft en iets van geest en ziel is. Natuurlijk is dat iets wat in de diepste betekenis van het woord met alles wat wetenschappelijke fijngevoeligheid is, behandeld moet worden, wat niet op een grove manier gekenschetst mag worden, maar met een buitengewone gevoeligheid behandeld moet worden, zodat je hier gewezen wordt op iets wat in de mens werkzaam is, wat als zieke zich manifesteert, wat echter eigenlijk, wanner het inwendig op de juiste plaats blijft, bij de normale ontwikkelingskrachten in de mens hoort.

Und Sie werden nun selbst ermessen können, da das Kind im Wachstum ist, und die Tendenz hat, nach jeder Richtung hin auszuarten, wie man, wenn man fähig ist zu wissen, wohin die Ausartungen geschehen können, auch fähig werden kann, nun diese Dinge zu harmonisieren, wie man fähig werden kann, die Gegenkräfte hervorzurufen, wenn Ausartungen dro­hen und dergleichen.
Aber etwas anderes kommt noch in Betracht. Sehen Sie, wenn man von Pädagogik und Didaktik spricht, so haben die Leute meistens das Gefühl, da muß man ein Ideal einhalten, das bis in alle Einzelheiten hinein auch theoretisch ausgearbeitet werden kann oder dergleichen, und da gibt es so etwas, was man in starre Formen und Regeln bringen kann. Aber eigentlich fällt einem gerade dann, wenn man mit Pädagogik und Didaktik selber zu arbeiten hat, wie es einem geht, wenn man zum Beispiel wie ich die Waldorfschule zu leiten hat, da fällt einem immer

En je kan nu zelf vaststellen omdat het kind aan het groeien is en de tendens bestaat in elke richting afwijkingen te vertonen, hoe je, wanneer je in staat bent te weten in welke richting dat kan gebeuren, je ook in staat kan zijn deze dingen te harmoniseren, hoe je in staat kan zijn de tegenkrachten op te roepen wanneer er afwijkingen dreigen en wat dies meer zij.
Maar er is nog iets anders. Wanneer je over pedagogiek en didactiek spreekt, hebben de mensen meestal het gevoel dat er een ideaal moet zijn dat in alle details theoretisch uitgewerkt kan worden en dan ontstaat er zoiets wat starre vormen en strenge regels met zich mee kan brengen. Maar eigenlijk komt iemand wanneer je zelf met pedagogiek en didactiek moet werken, zoals het iemand kan vergaan zoals ik die aan de vrijeschool leiding moet geven, steeds wel op ideeën.

Blz.  73

wiederum eines ein. So etwas gefält ja den Menschen, wenn man ihnen eine einleuchtende pädagogische und didaktische Kunst vortragt, es gefällt den Menschen. Ja, aber derjenige, der nun ganz ehrlich ist – und Anthroposophie muß in allem absolut innerlich ehrlich sein -, der sagt sich: Gewiß, so etwas wie solch eine Pädagogik und Didaktik muß ja da sein. Dann kommen die Leute und sagen: Das ist schön, hätten wir nur auch in solchen Schulen sein können, wo so gelehrt worden ist! – Aber sehen Sie, sehr häufig haben gerade diejenigen, die dann eine solche Pädagogik und Didaktik ausarbeiten, gerade in den schlechtesten Schu­len ihre Erziehung, ihren Unterricht gehabt, und sie kommen gerade vielleicht aus den allerkorrumpiertesten Erziehungssystemen heraus, und sie sind nicht eigentlich schlecht dabei gefahren; sie sind sogar so gut dabei gefahren, daß sie ganz ordentliche Erziehungssysteme aufstellen können. Und dann kommt sogar vielleicht die Idee: Haben wir denn ein Recht, bis in alle Spezialitäten hinein auszudenken und auszugestalten. wie wir die Kinder unterrichten sollen? Wäre es nicht vielleicht am allerbesten, wenn sie in moglchst hohem Grade als Wildlinge heranwachsen könnten, wie man vielen Biographien entnehmen kann,. daß nicht gerade diejenigen die in steife padagogische und didaktische Erziehungssysteme gepreßt sind die entwickeltsten und befähigtsten Menschen geworden sind?

Want het bevalt de mensen wel wanneer je hun een duidelijke pedagogische en didactische kunst aanbiedt. Maar wie heel eerlijk is – en antroposofie moet bij alles innerlijk absoluut eerlijk zijn – zegt tegen zichzelf: zeker, zo’n pedagogiek en didactiek moeten we hebben. Dan komen er mensen die zeggen: dat is mooi, hadden wij ook maar op zo’n school gezeten waar zo onderwijs wordt gegeven! Maar heel vaak hebben degenen die dan zo’n pedagogiek en didactiek uitwerken, juist op heel slechte scholen hun opvoeding en onderwijs genoten en ze komen wellicht uit de meest bekrompen opvoedingssystemen en eigenlijk zijn ze daar niet zo slecht vandaan gekomen; eigenlijk wel zo goed dat ze heel keurige opvoedingssystemen kunnen uitwerken. En dan kan het idee ontstaan: hebben wij dan het recht om tot in alle details uit te denken en vorm te geven hoe wij de kinderen onderwijs willen geven? Zou het niet het beste zijn, wanneer ze zoveel mogelijk als wildebrassen op zouden groeien, zoals je in vele biografieën vinden kan; dat nu juist niet degenen die in stijve pedagogische en didactische opvoedingssystemen geperst zijn de meest ontwikkelde en meest vaardige mensen zijn geworden?

Beleidigen wir nicht eigentlich das aufwachsende Kind, wenn wir ein so ganz ins einzelnste ausgearbeitetes padaggisches System aufstellen?
Sie sehen, erwägen muß man nach allen Seiten und gerade wenn man dieses erwägt, dann kommt man eben zu derjenigen Padagogik und Didaktik, die eigentlich weniger von dem redet, wie man dies oder jenes am Kinde machen soll sondern die vor allen Dingen darauf bedacht ist. dem Lehrer selbst das zu geben, wodurch er das vorhin angedeutete intime Verhältnis zum heranwachsenden Kinde haben kann.
Aber dazu ist noch etwas anderes notwendig. Wenn das Kind uns übergeben wird im Volksschulalter, sollen wir es erziehen, wir sollen es unterrichten. Indem wir mit dem einen oder mit dem anderen. mit Schreiben, mit Lesen mit Rechnen herankommen, führen wir ja eigentlich lauter Attacken auf das Kind aus. Wir unterrichten, sagen wir Leseunterricht – es ist eine Einseitigkeit. Der volle Mensch wird durchaus

Beledigen we eigenlijk het opgroeiende kind niet, wanneer we zo’n heel pedagogisch systeem tot in detail uitwerken?
Dat alles moet je van alle kanten in overweging nemen en juist wanneer je dat doet, kom je bij die pedagogiek en didactiek uit die eigenlijk minder spreekt over hoe je dit of dat met een kind moet doen, maar dat je je er vooral van bewust bent de leraar zelf datgene aan te reiken waarmee hij die eerder aangeduide subtiele verhouding met het opgroeiende kind kan hebben.
Maar daar is nog wat anders voor nodig. Wanneer we het kind naar de basisschool laten gaan, moeten we het opvoeden, we moeten het lesgeven.
Wanneer we met het een of ander aankomen, met schrijven, met lezen, met rekenen, plegen we eigenlijk een pure aanslag op het kind. We geven leesles – dat is een eenzijdigheid. De volledige mens wordt

Blz. 74

nicht eigentlich in Anspruch genommen beim gewöhnlichen Lese­unterricht. Wir fördern im Grunde genommen eine Mißbildung. wir fördern sogar eine Krankheitsneigung; und wiederum, wenn wir den Schreibunterricht erteilen, fördern wir nach einer anderen Richtung eine Krankheitsneigung. Wir führen eigentlich fortwährend Attacken aus gegen die Gesundheit des Kindes, wenn das auch nicht immer ersichtlich wird, da es sich eben nur, im Status nascendi möchte ich sagen, im Entstehungszustande sich äußert. Aber wir müssen fortwährende Attak­ken im Grunde genommen auf das Kind ausführen. Nun können wir im Zivilisationszeitalter nicht anders, als diese Attacken ausführen; aber wir müssen dasjenige, was wir da fortwährend unternehmen, gegen die Gesundheit des Kindes – man kann es schon so sagen -, das müssen wir immer wieder und wiederum gutzumachen verstehen. Wir müssen uns klar sein: Rechnen = eine Mißbildung; Schreiben = zweite Mißbildung; Lesen = dritte Mißbildung, und nun erst Geschichte, Geogra­phie! Da hört es ja gar nicht mehr auf, da geht es schon ins Schrecklichste hinein. Und demgegenüber müssen wir fortwährend dasjenige stellen, was wiederum zurücknimmt in den ganzen Menschen harmonisierend dasjenige, was auseinander will. Das ist so außerordentlich wichtig, daß wir uns dessen bewußt sind, daß wir eigentlich immer auf der einen Seite dem Kinde etwas beizubringen haben und auf der anderen Seite dafür zu sorgen haben, daß es ihm nichts schadet.

eigenlijk niet aangesproken bij het gangbare leesonderwijs. In de grond van de zaak bevorderen we iets verkeerds, we bevorderen zelfs een neiging naar ziekte en ook, wanneer we schrijfonderwijs geven, bevorderen we naar de een of andere kant een neiging tot ziekte. Ook al is het niet altijd duidelijk omdat het zich in een status nascendi uit, in de toestand waarin het ontstaat, we bestoken de gezondheid van het kind. Maar we moeten dat voortdurend doen. We kunnen in deze tijd van onze beschaving niets anders doen dat dit bestoken; maar wel moeten we, wat we daar voortdurend doen tegen de gezondheid van het kind – je kan het zo zeggen – ook steeds weer goed kunnen maken. Het moet duidelijk zijn: rekenen – een foutieve vorming; schrijven – een tweede foutieve vorming; lezen – een derde foutieve vorming en om nog maar te zwijgen van geschiedenis en aardrijkskunde! Daar houdt het al helemaal niet meer op, het gaat daar op een verschrikkelijke manier door. En daar moeten wij dan voortdurend tegenoverstellen wat harmoniserend in de hele mens terugbrengt, wat tot disharmonie leidt. Het is buitengewoon belangrijk dat wij er ons bewust van zijn dat wij eigenlijk aan de en kant het kind  steeds iets moeten bijbrengen en dat we aan de andere ervoor moeten zorgen dat dat hem geen schade berokkent.

Eine richtige Pädagogik muß darauf sehen, sich zu fragen: Wie heile ich das Kind gegenüber den fortwährenden Attacken, die ich auf es ausführe? Das muß in jeder richtigen Pädagogik immer drinnenstecken.
Das aber kann nur drinnenstecken, wenn man einen Einblick hat in die ganze menschliche Organisation, wenn man wirklich versteht, wie es sich mit dieser menschlichen Organisation verhält. Nur wenn man wirklich dieses Prinzip des Mißbildens und des wiederum Harmonisie­rens zu erfassen vermag, kann man ein richtiger Lehrer und Erzieher sein. Denn dann steht man dem aufwachsenden Menschen so gegenüber, daß man immer wissen kann: Was tust du, indem du ihm das eine oder das andere beibringst und dadurch das eine oder das andere Organsy­stem besonders in Anspruch nimmst, wie paralysierst du dasjenige, was du da nach einer einseitigen Richtung hin tust? Das ist es, das eine

Een echt goede pedagogiek moet uitgaan van de vraag: hoe maak ik het kind gezond t.o.v. die voortdurende aanvallen die ik op hem uitvoer? Dat moet in elke pedagogiek zitten.
Dat kan echter alleen maar, als je inzicht hebt in de hele menselijke organisatie, wanneer je werkelijk begrijpt wat er met deze menselijke organisatie aan de hand is. Alleen wanneer je dit principe van verkeerd vormen en weer harmoniseren kan begrijpen, kan je een goede leraar en opvoeder zijn. Want dan sta je t.o.v. het opgroeiende kind zo dat je steeds kan weten: wat doe je als je hem het ene of het andere bijbrengt en daardoor het ene of het andere orgaansysteem op een bijzondere manier aanspreekt; hoe verlammend werk je als je dat op een eenzijdige manier doet? Dat vraagt een

Blz. 75

wirkliche konkrete Pädagogik und Didaktik, die der Lehrer brauchen kann, die den Lehrer im richtigen Sinne zum Menschenkenner macht, fragt. Sie kann eigentlich nur entstehen, wenn man wirklich dahin kommt, den ganzen Menschen nach seinen Gesundheits- und Krank­heitsmöglichkeiten zu erkennen.
Da tritt nun etwas auf, was die heutige mehr materialistisch gesinnte Medizin weniger zu berücksichtigen braucht, was aber sofort bedeutsam wird, wenn man den Menschen nach seiner Neigung zum Kranksein auf der einen Seite und, ich sage vorläufig, nach seiner Neigung zum Gesundsein nach der anderen Seite betrachtet, so, daß das einfließt, was man über den Menschen erkennt, in das pädagogische und didaktische Anschauen.
Man betrachtet ja heute Gesundheit und Krankheit eigentlich als zwei Gegensätze. Der Mensch ist entweder gesund oder krank. Aber so ist überhaupt die Sache gar nicht, ihrer Realität, ihrer Wirklichkeit nach gedacht. So ist es gar nicht. Gesundheit und Krankheit stehen nicht etwa einander polar entgegen, sondern das Gegenteil der Krankheit ist etwas ganz anderes als die Gesundheit.

echt concrete pedagogiek en didactiek die de leraar kan gebruiken, die de leraar op de juiste manier tot iemand maakt die de mens kent, zich af. Die kan eigenlijk alleen maar ontstaan, wanneer je werkelijk zover komt dat je de hele mens wat betreft zijn mogelijkheden om gezond of ziek te zijn, kent. Dan kom je op iets waarvoor de huidige, meer materialistisch gerichte geneeskunde minder aandacht hoeft te hebben, wat echter direct van betekenis wordt, wanneer je de mens enerzijds bekijkt wat zijn neiging tot ziekzijn betreft, anderzijds wat zijn neiging om gezond te zijn betreft, zodat dit een deel kan worden van wat je over de mens leert bij het pedagogisch en didactisch waarnemen. Tegenwoordig beschouwt men gezondheid en ziekte als twee tegengestelden. De mens is of gezond of ziek. Maar zo ligt het zeker niet als je vanuit de realiteit, de werkelijkheid denkt. Zo zit het helemaal niet. Gezondheid en ziekte staan niet polair tegenover elkaar, het tegendeel van ziekte is heel iets anders dan gezondheid.

Von der Krankheit bekommt man einen Begriff – natürlich, es ist dann nur ein abstrakter, ein allgemeiner Begriff, man hat es ja nur mit einzelnen Erkrankungen und eigentlich im Grunde genommen nur mit einzelnen kranken Menschen zu tun; aber man würde auch auf dieses geführt, wenn man die Sache in einer konkreten Allgemeinheit betrachtet -, von der Krankheit bekommt man schon einen Begriff, wenn man aufsteigt von diesen Mißbildungen und dann sich allmählich eine Anschauung verschafft von dem, wie solche Mißbildungen zunächst äußerlich weniger bemerkbar auftreten im tieri­schen, im menschlichen Organismus. Aber dasjenige, was bei der Krank­heit auftritt, daß ein einzelnes Organ, ein Organsystem herausfällt aus der ganzen Organisation, daß es gewissermaßen als Einzelnes sich besonders hervortut, dem steht entgegen, daß das einzelne Organ in der Gesamtorganisation untergeht.
Nehmen Sie im Sinne des Goetheschen Prinzips: statt daß an dieser  Stelle hier (es wird gezeichnet) ein gesundes Blatt entsteht, entsteht, sagen wir, eine Mißbildung. Aber es kann ja auch etwas anderes entste­hen. Es kann das entstehen, daß die Pflanze, statt daß sie in ihr Organ

Van ziekte krijg je een begrip – natuurlijk, dat is dan maar een abstract, algemeen begrip, in de aard van de zaak heb je maar met een paar ziektes te maken, eigenlijk maar met een paar zieke mensen; maar je komt er ook op wanneer je de zaak in een concrete algemeenheid beschouwt – van ziekte krijg je al een begrip, wanneer je verdergaat dan de afwijkingen en je dan een blik krijgt op hoe zulke afwijkingen in eerste instantie uiterlijk minder opvallen bij het dier en in het menselijk organisme. Maar wat er bij ziekte gebeurt is, dat een enkel orgaan, een orgaansysteem op een opvallende manier anders gaat doen binnen het hele organisme, dat het zich in zekere zin als een apart iets voordoet, terwijl het anders deel is van het organisme als geheel.
Als we met het principe van Goethe kijken: in plaats dat op deze plaats hier (het wordt getekend – tekening niet in de uitgave -) een gezond blad ontstaat, ontstaat er een misvorming. Maar ook kan het zijn dat de plant, in plaats dat ze in haar orgaan

Blz. 76

schießt, mehr die harmonisierende Grundtendenz, die eigentlich im Geistigen zurückbleiben sollte, entwickelt, daß dieses Aufgehen des einzelnen Organs in dem ganzen Organismus überwuchert, daß das Organ gewissermaßen nicht zuviel hervortritt im Physisch-Leiblichen, sondern zuwenig, daß das Ganze viel zu geistähnlich aussieht, daß es also vergeistigt ist, daß das Geistige zu stark das Physisch-Leibliche durchdringt. Das kann auch geschehen. Es kann also auch nach der entgegengesetzten Seite ausarten. Und das ist der Gegensatz der Krank­heit. Die Krankheit hat eine Polarität, die eigentlich darinnen liegt, daß das einzelne Organ gewissermaßen aufgesogen wird vom Gesamtorga­nismus und zu seiner besonderen Wollust, zu seiner besonderen inneren Befriedigung beiträgt. Ein, ich möchte sagen, Überlust-Erlebnis ist eigentlich der polarische Gegensatz der Krankheit,
Nehmen Sie die Sache selbst sprachlich. Wenn Sie das Verbum bilden von krank, so haben Sie kränken; kränken: Schmerz bereiten. Nehmen Sie ein Zeitwort, das das polarische Gegenteil bedeuten würde, so hätten
Sie:Lust bereiten. Und zwischen diesen zwei Extremen, zwischen dem Kranksein und Lustvollsein, muß der Mensch das Gleichgewicht halten.

schiet, meer de harmoniserende grondtendens die eigenlijk geestelijk teruggehouden zou moeten worden, ontwikkelt, dat de wording van een enkel orgaan in het hele organisme overwoekert, dat het orgaan in zekere zin in het fysiek-levende niet zo tevoorschijn komt, maar te weinig, dat het geheel er teveel uitziet als het geestelijke idee, dat het dus vergeestelijkt is, dat het geestelijke het fysiek-levende te veel doordringt. Dat kan ook gebeuren. Het kan dus ook in de tegenovergestelde richting ontaarden. En dat is het tegendeel van ziekte. Ziekte heeft een polariteit waarbij het zo is dat het aparte orgaan in zekere zin opgezogen wordt door het totaalorganisme en daarmee draagt het bij aan een bijzonder gevoel van genieten, een bijzondere je innerlijke tevreden voelen. De polaire tegenstelling van ziekte is eigenlijk een bovenmatige beleving dat je je goed voelt.
Bekijk het eens vanuit de taal. Wanneer je het werkwoord vormt van ‘krank’ = ziek, dan krijg je ‘kränken’; pijn doen, in het Nederlands hebben we ‘krenken’. Neem een werkwoord dat er polair tegenover staat, dan zou je krijgen: plezier doen, lust geven. En tussen deze beide extremen, tussen het ziekzijn en vol lust zijn, moet de mens het evenwicht bewaren.

 Das ist die Gesundheit. Der Mensch hat nicht die polarischen Gegen­sätze Krankheit und Gesundheit, sondern Krankheit und einen ganz anderen polarischen Gegensatz, und die Gesundheit ist der Gleichge­wichtszustand, den wir uns fortwährend organisch bemühen müssen zu erhalten. Wir pendeln gewissermaßen hin und her zwischen Kranksein und innerlich Lustvollsein, organisch lustvoll sein. Das Gesundsein ist der Gleichgewichtszustand zwischen den beiden Polaritäten. Das ist die Realität.
Und das ist ganz besonders wichtig, wenn wir das heranwachsende Kind vor uns haben; denn wie haben wir eigentlich das heranwachsende Kind? Nun, nehmen wir zunächst einmal das Kind im Volksschulalter. Wir haben es zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Was bedeutet der Zahnwechsel?
Sehen Sie, der Zahnwechsel bedeutet, daß etwas, was als Kraftprinzip
– ich habe das einmal in einem der hiesigen Hochschulkursvorträge ausgeführt -, was als Wachstumskräfte den Organismus durchtränkt, was in dem Menschen lebt, bis die zweiten Zähne herauskommen, was in

Dat is gezondheid. De mens heeft niet de polaire tegenstellingen ziekte en gezondheid, maar ziek-zijn en een heel andere polaire tegenstelling en gezondheid is een evenwichtstoestand, die we voortdurend organisch moeten zien te bewaren. We pendelen op een bepaalde manier heen en weer tussen ziekzijn en een innerlijk welbehagen, een organisch aangenaam gevoel. Gezondheid is de evenwichtstoestand tussen beide polariteiten. Dat is de realiteit.
En dat is heel belangrijk, wanneer we het opgroeiende kind bij ons hebben; want hoe is het eigenlijk met het opgroeiende kind? Laten we eerst eens een kind van de basisschool nemen. Dat is tussen de tandenwisseling en de puberteit bij ons.
Wat betekent de tandenwisseling?
Tanden wisselen betekent dat er in de mens iets wat als een krachtprincipe – ik heb dat een keer in een voordracht bij een hogeschoolcursus hier naar voren gebracht – wat als groeikrachten het organisme doordrenkt, wat in de mens leeft tot de blijvende tanden verschijnen; dat net zoals

Blz. 77

ihm organisch lebt, was am Leibe organisierend ist, daß das so, wie die latente Wärme in die äußerlich fühlbare Wärme übergeht, daß das, was als Geistig-Seelisches im Menschen organisierend ist. auch geistig-seelisch wird. Nachdem die zweiten Zähne heraus sind, braucht der Mensch eine gewisse Wachstumskraft eine gewisse innere durchorganisierende Kraft nicht mehr. Die wird jetzt frei wird geistig-seelisch, lebt sich in alledem aus, was wir im Alter, wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, verwenden können. Wenn ich schematisch zeichnen soll, möchte ich sagen: Wenn dies hier der physische Orgarismus ist, so haben wir diesen physischen Organis­mus durchzogen von ein Kraft die ihn durchorganisiert. die in ihm ihren Abschluß findet im Zrahnwechsel, und später ist dasjenige, was da in ihm noch gewirkt hat im früheren Leben, während des schulpflichti­gen Lebens freigeworden. tritt im Geistig Seelischen auf als veränderte Vorstellungskraft. als veränderte Erinnerungskraft und so weiter. Das heißt, innerlich erkennen den Zusammenhang des Seelisch- Geistigen mit dem physisch-Leiblichen wenn man zum Beispiel weiß, daß dasjenige gerade, womit man es zu tun hat im kindlichen Volksschulalter. daß das wie freigewordene Wärme so freigewordenes Seelenwesen ist;

dat net zoals de latente warmte overgaat naar de uiterlijk voelbare warmte, dat wat mentaal-psychisch bij de mens opbouwend is, nu mentaal-psychisch wordt. Als de blijvende tanden tevoorschijn zijn gekomen, heeft de mens een bepaalde groeikracht, een kracht die innerlijk organiserend werkzaam is, niet meer nodig. Die komt vrij en wordt tot geestkracht en gevoel, komt tot volle ontplooiing, waarmee wij dan op de leeftijd waarop het kind bij ons op school komt, kunnen werken.
Wanneer ik dit schematisch zou willen tekenen, [er is bij mijn weten geen afbeelding van] moet ik zeggen: wanneer dit hier het fysieke organisme is, dan hebben we hier dit fysieke organisme dat doortrokken is van een kracht die het doorvormt, die daarin tot een afsluiting komt bij het wisselen van de tanden en later werkt, wat er in zijn eerdere leven, tijdens de basisschoolleeftijd vrij gekomen is, nu verder in geest en ziel als een omgevormde voorstellingskracht, als omgevormde geheugenkracht enz. Dat betekent dat je innerlijk weet hebt van wat de samenhang is van geest en ziel met het levend-lichamelijke; wanneer je bijv. weet dat dit waarmee je te maken hebt op de basisschool, dat dit net als vrijgekomen warmte, vrijgekomen gevoelskwaliteit is,

während dieses Seelenwesen früher am Leibe beschäftigt war, haben wir es jetzt freigeworden, können es erfüllen mit demjenigen, was eben das Kin nach dem betreffenden Kulturzustand irgendeiner Epoche lernen muß, denn der Kulturzustand kommt ja doch in Betracht.
Da stehen wir vor dem Kinde so, daß wir uns sagen: In diesem Momente, wo du das Kind bekomst, da zieht sich etwas geistigseelisch gewissermaßen heraus aus dem Leiblich-Physischen. Ein Teil der organisierenden Kraft wird geistig-seelisch, hat gewissermaßen noch die Nachformen des physisch-Leiblichen; der ist noch eingewöhnt, in seinem ganzen Bilden das physisch-Leibliche nachzubilden. Du tust dem Kinde nichts Gutes wenn du ihm jetzt etwas ganz Fremdes beibringst, wenn du zum Beispiel ihm jetzt beibringst die Buchstaben-formen, die dem Kinde ganz fremd sind , die schon viele Veränderungen durchgemacht haben on der alten gemalten Schrift.
Deshalb führen wirveinen künstlerisch aufgefaßten Unterricht von der Waldorfschule ein, lehren das Kind nicht einfach schreiben, sondern

dat dit aspect van de ziel  eerder werkte aan het lichaam, dat dit nu is vrijgekomen, dan kunnen we het voeden met wat een kind nu eenmaal in een bepaalde culturele fase moet leren, want we moeten rekening houden met de culturele toestand.

Nu staan we voor het kind en dan moeten we zeggen: op het ogenblik waarop je dit kind in de klas krijgt, komt er op een bepaalde manier iets van de geest en de ziel uit het etherisch-fysieke naar buiten. Een deel van de opbouwende kracht wordt geest, ziel; het neemt nog iets mee van dat vormen van het fysiek-etherische; die kracht on fysiek-etherisch te vormen, draagt het nog met zich mee bij alles wat het vormen wil. Je bewijst het kind helemaal geen dienst wanneer je bijv. het nu de lettervormen aan wil leren die voor het kind totaal vreemd zijn, die al aan vele veranderingen onderhevig zijn geweest vanaf het oude getekende schrift. Daarom beginnen wij op de vrijeschool met een kunstzinnige opvatting van onderwijs, we leren het kind niet simpelweg schrijven, maar

Blz. 78

lehren es zuerst zeichnend Malen, so daß es aus den Formen, wo es den ganzen Menschen in Bewegung bringt, dasjenige herausgestalten muß, was aus dem Zahnwechsel herausgestaltet ist; gewissermaßen in den ganzen Menschen in Gemäßheit seiner Leibesform verlegt wird, wo versucht wird, die Hände, die Finger in solche Bewegung zu bringen, indem sie zeichnen, indem sie malen, daß dasjenige, was in dem Seeli­schen gewebt hat, während das Seelische noch organisierend war, daß das weiter weben kann.

Sehen Sie, wir bedenken dadurch, womit wir es eigentlich zu tun haben. Wir haben es zu tun damit, daß von der Geburt bis zum Zahnwechsel das Kind das Geistig-Seelische, das später herauskommt, noch stark im Leiblichen drinnen hat. Jetzt zieht sich das Geistig-Seelische zurück. Das Leibliche entwickelt sich einseitig. Wir haben mit dem ganzen Leiblichen einen ähnlichen Vorgang wie bei der Mißbil­dung. wo die ganze pflanzenbildende Kraft in das einzelne Organ hineinschießt. Bei der Mißbildung wird es eben, man kann sagen eine Mißbildung; normal, wie man sagt, verläuft es, indem der menschliche Organismus abgesondert wird mit dem Zahnwechsel. Wir haben es richtig zu tun mit dem Zahnwechsel, eigentlich mit dem Beginnen derjenigen Prozesse, die, wenn sie sich einseitig fortentwickeln, zu Krankheitsprozessen werden.

we leren het eerst tekenend schilderen, zodat het uit de vormen die de hele mens in beweging brengen, datgene vorm moeten geven wat vanuit de tandenwisseling gestalte heeft gekregen; in zekere zin krijgt dat een plaats in de totale mens, overeenkomstig zijn lichaamsvorm wanneer daarbij geprobeerd wordt de handen, de vingers die bewegingen te laten uitvoeren wanneer die tekenen, schilderen wat het psychische deed toen dit nog lichamelijk vormend bezig was; dat dit verder kan gaan.
Hierdoor bedenken we waarmee we eigenlijk van doen hebben. We hebben ermee te maken dat vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling bij het kind geest en ziel die later naar buiten komen, nog sterk in het lichamelijke zitten. Nu trekken geest en ziel zich terug. Het lichamelijke ontwikkelt zich eenzijdig. We hebben bij al het lichamelijke eenzelfde proces als bij de afwijkende kracht wanneer heel de plantenvormende kracht in een apart orgaan doorschiet. Bij de misvorming wordt het nu eenmaal een misvorming; normaal zou je zeggen,  verloopt het als het menselijke organisme zich bij de tandenwisseling afzondert. We hebben bij de tandenwisseling, eigenlijk te maken met het begin van processen, die wanneer ze zich eenzijdig verder zouden ontwikkelen, ziekteprocessen zouden worden.

Daher auch die begleitenden Krankheits­prozesse beim Zahnwechsel; die sind nichts anderes als davon herrüh­rend. Man kann ganz genau hineinsehen in den kindlichen Organismus, wenn das Kind den Zahnwechsel hat, wenn da herausgesondert wird dieses Leiblich-Seelische und der Leib sich vereinseitigt, verhärtet, wie da eigentlich dieselben Kräfte, aber in den höheren, normalen Grenzen wirken, die, wenn sie überwuchern, eigentlich in den Krankheitsprozes­sen wirken. Immer sind in den normalen Prozessen diejenigen vorhan­den, die, wenn sie überwuchern, eben ins Kranksein hineinführen. So daß wir sagen: an der Kippe des Krankseins ist der Mensch, wenn er Zähne bekommt, und wir wirken um so gesundender auf das Kind, je mehr wir nun dasjenige, was als Geistig-Seelisches jetzt frei wird – wir nennen es in anthroposophischer Terminologie den ätherischen Leib -, je mehr wir das so beschäftigen, daß die Beschäftigung ganz dem Leiblich-Physischen des Kindes angemessen ist, daß wir gewissermaße

Vandaar ook de bijkomende ziekteprocessen bij het tandenwisselen; die komen niet anders dan daar vandaan. Je kan in het kinderlijke organisme heel precies zien, als het kind zijn tanden aan het wisselen is, dat het levenskrachtenlijf met de ziel losraken en het lichaam eenzijdiger wordt, zich verhardt, hoe daar dezelfde krachten werken, maar nu binnen normale grenzen die, wanneer ze zouden overwoekeren, eigenlijk in ziekteprocessen zouden werken. In de normale processen zitten steeds die processen, als die zouden overwoekeren, leiden tot ziek-zijn. We zeggen dus: de mens bevindt zich aan de kant van ziek-zijn als hij tanden krijgt en wij werken des te gezonder met het kind, hoe meer wij met wat er als geest en ziel nu vrijkomt – wij noemen het in antroposofische woorden het etherlijf – aan het werk gaan, zodanig dat dit bezig-zijn past bij het levend-fysieke van kind, dat wij in zekere zin

Blz. 79

nachbilden in diesem Geistig-Seelischen das Leiblich-Physische. Wir müssen erkennen den zum Kranksein und zum Gesundsein neigenden Leib, denn wir müssen ihn hineinbilden in dasjenige, was da beim Kinde herauskommt.
Betrachten wir das andere Ende des Volksschulalters, die Geschlechts­reife. Wir haben genau den umgekehrten Prozeß. Während sich herauszieht etwas aus dem kindlichen Organismus im Zahnwechsel, während gewissermaßen der Leib abgestoßen wird von dem Geistig-Seelischen, das dann frei wird, haben wir in der Geschlechtsreife das nunmehr entwickelte Geistig-Seelische, das wiederum zurück will in den Leib, das den Leib durchdringt und durchtränkt. In der Geschlechtsreife haben wir eben umgekehrt ein Untertauchen des Geistig-Seelischen in das Leibliche. Der Leib wird von dem instinktiv wirkenden Geistig-Seeli­schen durchtränkt, durchwuchert. Das ist der umgekehrte Prozeß; das ist der Prozeß, der nach der entgegengesetzten Seite des Krankwerdens geht, der nach dem innerlichen Wohisein, nach dem Durchfreudetsein, möchte ich sagen, hintendiert.

in dit geest-zielewezen het levend-lichamelijke navormen. We moeten het lichaam leren kennen in zijn neiging tot ziek en gezond zijn, want wij moeten wat geest en ziel is ontwikkelen bij wat er uit het kind komt.
Als we naar de andere kant van de basisschoolleeftijd kijken, hebben we de geslachtsrijpheid. Dan hebben we precies het omgekeerde proces. Terwijl er bij de tandenwisseling iets wegtrekt, als het lichaam afgestoten wordt uit wat geest en ziel is die dan vrij komen, hebben we bij de geslachtrijpheid dat de ontwikkelde ziel en geest nu weer terug willen naar het lichaam, dat ze het lichaam willen doordringen en doordrenken. Bij de geslachtsrijpheid hebben we het omgekeerde proces; het is het proces dat naar de tegenovergestelde kant van het ziel-zijn gaat, dat naar het innerlijk zich prettig voelen gaat, tendeert naar het vol vreugde zijn.

 Das ist der entgegengesetzte Pol. Und wir haben, indem wir das Kind in dem Volksschulalter erziehen, fortwäh­rend eigentlich in der Hand zu haben diese Gleichgewichtslage zwischen dem, was nach dem Geistig-Seelischen hinstrebt vom Zahnwechsel an, um frei zu werden, was vom Geistig-Seelischen wiederum zurückitrebt in den Körper. Wir müssen fortwährend in diesem Hin und Her, das ja in dem ganzen Volksschulalter da ist, versuchen, den Gleichgewichtszu­stand zu erhalten.
Das wird ganz besonders eine wichtige, eine spannende Aufgabe zwischen dem neunten und zehnten Jahr, wo das Kind dann infolge dieses Gegeneinanderschießens der zwei Kräfte in einem Zustand ist, so daß es tatsächlich nach allen möglichen Richtungen hintendiert, und daß es von dem Erzieher und Lehrer abhängt, ob er vielleicht im richtigen Augenblicke zwischen dem neunten und zehnten Jahr dem Kinde ein richtiger Berater ist, das richtige Wort zu ihm spricht, oder sich auch dessen enthält und so weiter. Es kommt ungeheuer viel darauf an für das ganze Leben, ob der Lehrer sich in richtiger Weise zu dem Kinde zwischen dem neunten und zehnten Jahr zu verhalten weiß.
Aber, sehen Sie, nur wenn man in der richtigen Weise dieses Ineinanderwirken

Dat is de tegengestelde pool. En we moeten, wanneer we het kind in de basisschoolleeftijd opvoeden, eigenlijk voortdurend dit evenwicht tussen wat streeft naar geest en ziel in de hand houden vanaf de tandenwisseling om vrij te laten komen wat vanuit geest en ziel weer terug wil naar het lichaam. We moeten bij dit heen en weer dat er gedurende de hele basisschoolleeftijd is, proberen het evenwicht te bewaren.
Dat wordt tussen het negende en het tiende jaar een spannende opgave, als het kind dan als gevolg van het tegen elkaar botsen van deze twee krachten in een toestand verkeert waarbij het feitelijk alle mogelijke kanten uit zou willen gaan en dat het van de opvoeder en de leerkracht afhangt of deze wellicht op het juiste ogenblik tussen het negende en het tiende jaar voor het kind de goede raadgever is, het juiste tegen hem zegt of hem dat juist onthoudt enz.
Voor het hele leven komt het er buitengewoon op aan of de leerkracht zich op de juiste manier op kan stellen tegenover het kind tussen het negende en het tiende jaar.
Maar alleen wanneer je op de juiste manier dit in elkaar doorwerken

Blz. 80

des Geistig-Seelischen und des Physisch-Leiblichen versteht, versteht man eigentlich erst dasjenige, was das Kind ist und was man in dem Kinde heranzubehandeln hat. Es ist gar nicht möglich, überhaupt über Pädagogik und Didaktik zu sprechen ohne diese auf- und abstei­genden Prozesse, die nur einseitig sind, wenn wir sie geistig-seelisch oder leiblich-physisch nennen, weil sie immer ein Ineinanderfluten der beiden sind; die Realität ist das Ineinanderfluten. Es kann das Kind nur verstan­den werden, wenn man dasjenige, was man als die beiden Seiten erkennt, so wie es zusammengewirkt hat, im Behandeln des Kindes auch als eine Einheit zu gestalten weiß.
Daher, was hat man vom Zahnwechsel an mit dem Kinde zu tun? Man hat dasjenige zu tun, daß man fortdauernd sieht, daß nun wirklich dasjenige, was da frei wird an Geistig-Seelischem, daß das im Sinne des Menschenwachstums sich gestaltet; daß wir gewissermaßen nachbilden dasjenige, was im Organismus heraus will, auch im Geistig-Seelischen, daß wir den Menschen kennen und ihm dasjenige beibringen, was die ganze Harmonie seines Wesens in Regsamkeit bringt. Aus dem Inneren des Menschen haben wir ja alles hervorzuholen.

van geest en ziel en het fysiek-levende begrijpt, begrijp eigenlijk pas wat een kind is en wat je met een kind moet doen. Eigenlijk is het helemaal niet mogelijk om over pedagogiek en didactiek te spreken zonder deze komende en gaande processen die alleen eenzijdig zijn wanneer we ze processen van geest en ziel noemen of van het fysiek-levende, omdat die altijd in elkaar overgaan; de werkelijkheid is dat ze in elkaar doorwerken. Het kind kan alleen begrepen worden, als je die twee kanten kent, hoe die samenwerken, em als je die in de omgang met het kind ook als een eenheid vorm weet te geven.
Dus vandaar de vraag: wat moet je met het kind vanaf de tandenwisseling doen? Je moet voortdurend zien dat wat er daadwerkelijk vrij komt aan geest en ziel, dat dat vormt krijgt voor de groei van de mens; dat we op een bepaalde manier imiteren wat vanuit het organisme naar buiten wil, ook in geest en ziel, dat we daar de mens kennen en hem geven wat de hele harmonie van zijn wezen activeert. We moeten alles vanuit het innerlijk van de mens halen.

Und nähern wir uns dem Geschlechtsreifealter, dann haben wir dasjenige, was der Mensch ist, in dem zu suchen, daß er sein Geistig-­Seelisches untertauchen läßt in den Leib. Er wird unnormal sich entwik­keIn, er wird innerlich ein aufgeregter, ein nervöser oder neurastheni­scher Mensch werden – ich will die anderen Zustände nicht schildern -, wenn wir für dieses Alter nicht die Möglichkeit haben, einzusehen, wie wir dasjenige, was da in seine leiblich-physische Organisation untertaucht, mit Interessen durchsetzen sollen gegenüber der Außenwelt. Wir müssen den Menschen hinlenken darauf, daß er sich für die Außenwelt interessiert, damit er moglichst viel von dem, was ihn mit der Außenwelt verbindet, hinunternimmt in seine Leiblichkeit. Während wir also wis­sen müssen beim Kinde, was da heraus will, wenn es uns übergeben wird für die Volksschule, damit wir es ihm nachbilden, müssen wir Weltener­kenner sein, damit wir wissen, für was der Mensch sich interessieren kann, wenn wir mitgeben wollen dem untertauchenden Geistig-Seeli­schen dasjenige, was den Menschen nicht ins Fleischliche hinein untertauchen läßt, nicht wollüstig in sich selber untergehen läßt, sondern

En als we bij de puberteit komen, moeten we, wat de mens is, daar zoeken waar hij geest en ziel laat onderduiken in zijn lichaam. En dat zal zich niet normaal ontwikkelen, innerlijk zal er onrust ontstaan, hij zal een zenuwachtig of een neurastheen mens worden – ik zal de andere omstandigheden niet schetsen – wanneer wij niet in staat zijn voor deze leeftijd in te zien hoe we wat nu onderduikt in zijn fysiek-levende wezen, te doordrenken met interesse voor de buitenwereld
We moeten de aandacht van de mens op de buitenwereld richten, dat hij zich voor die wereld interesseert, zodat hij zoveel mogelijk van wat hem met de buitenwereld verbindt, opneemt in zijn lichamelijke wezen. Terwijl we moeten weten wat er bij het kind uit wil als hij bij ons in de basisschool komt, zodat wij dat voor hem kunnen imiteren, moeten we kenners van de wereld zijn zodat we weten waarvoor de mens interesse kan hebben, wanneer wij geest en ziel die onder duiken, mee willen geven, wat de mens niet in het vleselijke laat onderduiken, niet wellustig in zichzelf laat ondergaan, maar

Blz. 81

wenn wir ihn zu einem Menschen machen wollen, der mit der Welt mitlebt, der von sich loskommen kann, der nicht im Egoismus aufgeht, der nicht innerlich erglüht vor Egoismus, sondern der ein richtiges harmonisches Verhältnis zur Welt hat.
Das sind die Dinge, die Ihnen zeigen können, wie eine real gedachte, eine aus dem ganzen Menschenwesen heraus gedachte Pädagogik und Didaktik vorgehen muß. Ich konnte Ihnen natürlich diese Dinge nur andeuten.Es ist einem schmerzlich, wenn man, wie ich das neulich wiederum erlebt habe, von solchen Dingen zu heutigen Erziehern oder Pädagogen oftmals spricht, und sie einem sagen: Ja, das ist merkwürdig, da liegen ja zufällig auch medizinische Erkenntnisse vor! – Die liegen natürlich nicht «zufällig» vor, sondern die gehören ganz notwendig ins pädagogische System hinein. Ohne diese ist ein gesundes pädagogisches System überhaupt nicht zu denken, sondern verliert sich in inhaltsleere Abstraktionen, mit denen man dann das Kind behandelnd, nichts anfan­gen kann. Geisteswissenschaft führt nicht in ein nebuloses, mystisches Wolken­kuckucksheim, sondern Geisteswissenschaft führt gerade in die wirkli­che Erkenntnis des realen, des materiellen Lebens hinein, weil den Geist nur derjenige erkennt, der erkennt, wie der Geist an dem Materiellen und im Materiellen schafft.

wanneer we hem tot een mens willen vormen die met de wereld meeleeft, die van zichzelf los kan komen, die niet in zijn egoïsme opgaat, die innerlijk niet gloeit van egoïsme, maar die een echte harmonische relatie heeft met de wereld.
Dat zijn de dingen die kunnen laten zien hoe een echte, een vanuit de hele mens gedachte pedagogiek en didactiek moet werken. Ik kan deze dingen natuurlijk alleen maar aanduiden.
Ik vind het pijnlijk wanneer, zoals ik dat laatst weer meemaakte, daar ik vaak over zulke dingen met de opvoeders of pedagogen van nu spreek, er iemand tegen je zegt: Ja, wel vreemd, het gaat toevallig wel over medische kennis! Dat is natuurlijk niet ‘toevallig’, dat hoort zeer noodzakelijk bij het pedagogische systeem. Zonder is een gezond pedagogisch systeem helemaal niet denkbaar, maar verliest zich in inhoudsloze abstracties, waarmee men dan werkend met jet kind, niets kan beginnen.
Geesteswetenschap leidt niet tot vage, mystieke luchtkastelen, maar brengt je juist bij een echte kennis van het werkelijke, stoffelijke leven, omdat degene die de geest kent, weet hoe de geest met en in het materiële scheppend werkt.

Nicht derjenige, der irgendwie fort will vom Materiellen, erhebt sich ins Geistige, sondern derjenige, der im Geiste die Macht erblickt, wie der Geist im Materiellen schafft. Das ist auch einzig und allein das, was die Grundlage abgeben kann für eine gesunde Pädagogik und Didaktik. Und wenn man nur im einzelnen einsehen würde, wie diese anthroposophische Geisteswissenschaft überall im Realen arbeiten will, wie sie weit, weit entfernt ist von all den ungesun­den Dingen, die heute so vielfach wuchern in allen möglichen Mystizis­men und Spiritismen und so weiter, wenn man einsehen würde, wie wirkliche Geist-Erkenntnis eben Wirklichkeit erkennt, auch zugleich Erkenntnis des Materiellen ist, dann würde man ein gesünderes Urteil über die anthroposophische Geisteswissenschaft gewinnen können. Denn, schließlich, das ist dasjenige, was immer wieder und wieder gesagt werden muß: unsere Naturwissenschaft hat ihre großen Triumphe gefei­ert in der neueren Zeit, sie hat große, bedeutende Ergebnisse für die

Niet wie op de een of andere manier weg wil lopen voor het stoffelijke bereikt het geestelijke, maar wel wie in de geest de kracht ziet. hoe de geest in de stof werkzaam is. Dat alleen kan de basis vormen voor een gezonde pedagogiek en didactiek. En wanneer men nu eens tot in detail zou zien hoe deze antroposofische geesteswetenschap overal in de werkelijkheid werkzaam wil zijn, hoe ze ver, ver af staat van ongezonde zaken, die tegenwoordig zo vaak in alle mogelijke mystieke zaken, in spiritisme enz. woekeren, wanneer men zou inzien hoe een echte kennis van de geest nu juist de werkelijkheid kent, ook tegelijkertijd kennis van de stof betekent, dan zou men een gezonder oordeel over de antroposofische geesteswetenschap kunnen krijgen. Want, uiteindelijk is het zo, wat steeds opnieuw gezegd moet worden, dat onze natuurwetenschap in de moderne tijd haar grote triomfen kon vieren, dat ze grote, belangrijke resultaten voor de

Blz. 82

Menschheitsentwickelung gezüchtet, aber sie ist dasjenige, was eigent­lich so dasteht, wie der Körper des Menschen, ohne Seele betrachtet , dasteht. Wie der Körper des Menschen nur etwas ist mit der Seele, so ist die Naturwissenschaft nur etwas mit der Geisteswissenschaft.
Das läßt sich vielleicht weder einsehen noch kritisieren, wenn man nur einiges aus der Geisteswissenschaft kennt; aber das wird derjenige immer mehr und mehr einsehen, der gerade in die Spezialkapitel der Geisteswis­senschaft sich einläßt. Und speziell auf pädagogisch-didaktischem Gebiete zeigt sich, wie diese Geisteswissenschaft dadurch, daß sie über­haupt zu universellen Begriffen kommt, vor allen Dingen dem Lehrer dasjenige auch in der Erkenntnis des gesunden und kranken Menschen gerade aus ihren Prinzipien heraus geben kann, was er in der Schule braucht. Wie Geisteswissenschaft sonst das Spezialistentum überwindet, so wird sie auch dasjenige, was Erkenntnis vom gesunden und kranken Menschen in der Schule leisten soll, dem Lehrer als solche zurückgeben; denn es könnte doch nur ein äußerliches Zusammenwirken da sein, wenn der Arzt neben dem Lehrer stehen müßte. Gesundes Wirken kann nur da sein, wenn im Lehrer zu gleicher Zeit die lebendige Erkenntnis des gesunden und des kranken Menschen auch in das Pädagogische hineinwirkt.

ontwikkeling van de mensheid opgeleverd heeft, maar het is ook zo dat ze er eigenlijk net zo uitziet als het lichaam van de mens zonder ziel. En zoals het lichaam van de mens alleen iets betekent met de ziel, zo betekent de natuurwetenschap alleen iets met de geesteswetenschap.
Dat kun je wellicht noch inzien, noch bekritiseren wanneer je slechts een paar dingen uit de geesteswetenschap kent; maar iemand zal dat steeds meer gaan inzien die zich m.n. met de bijzondere hoofdstukken uit de geesteswetenschap bezighoudt. En in het bijzonder op pedagogisch-didactisch terrein is het zichtbaar hoe deze geesteswetenschap doordat deze tot universele begrippen komt, vooral voor de de leerkracht juist ook bij de kennis van de gezonde en zieke mens vanuit haar standpunten kan geven, wat hij op school nodig heeft. Zoals geesteswetenschap aan de ene kant het specialisme overwint, zo zal zij aan de andere kant wat de kennis van de gezonde en zieke mens op school kan betekenen, aan de leraar geven; want het zou toch een uiterlijke samenwerking zijn, wanneer de arts naast de leerkracht zou moeten staan. Het werk kan alleen gezond zijn wanneer in de leerkracht tegelijkertijd de levende kennis van de gezonde en zieke mens juist in het pedagogische doorwerkt.

 Das kann aber allerdings nur dann wirken, wenn eine lebendige Wissenschaft, wie sie durch Anthroposophie angestrebt wird, auch vom gesunden und kranken Menschen da ist.
Wie oft habe ich betont, anthroposophische Geisteswissenschaft geht in den ganzen, in den vollen Menschen über; der ganze Mensch bekommt ein Verhältnis zu dem, was ihm ein einzelner Wissenszweig der Geisteswissenschaft sagt. Und indem der Lehrer in lebendiger Weise eingeführt wird in das gesunde und kranke Wachstum des Kindes und in das Harmonisieren der beiden, so bekommt er einen innigen Gefühlsanteil. Jeder steht dann jedem einzelnen Kinde mit seinen besonderen Veranlagungen wie ein ganzer Mensch auch gegenüber. Lehrt er dem Kinde dasjenige, was aus dem Künstlerischen heraus zum Schreiben führt, so führt er allerdings das Kind zu einer Einseitigkeit, die einer Mißbildung sehr ähnlich wird: aber dann steht er wiederum als der ganze Mensch da, der mit dem ganzen Kinde fühlt, und er ist selbst als die lebendige Pädagogik die Gegenwirkung gegen diese Einseitigkeit.

Het kan echter alleen dan werken, wanneer er ook een levende wetenschap waar de antroposofie naar streeft, over de gezonde en zieke mens is.
Hoe vaak heb ik niet benadrukt dat de antroposofische geesteswetenschap een deel wordt van de hele mens; de hele mens krijgt een verbinding met wat de aparte onderdelen van de geesteswetenschap zeggen. En wanneer de leerkracht op een levendige manier ingeleid wordt tot de gezonde en ongezonde groei van het kind en bij het harmoniseren van beide, dan raakt hij daar zeer bij betrokken. Ieder ziet dan ieder kind met zijn bijzondere aanleg als een totaal mens tegenover zich. Geeft hij het kind wat vanuit het kunstzinnige tot schrijven wordt, dan brengt hij het kind toch tot een eenzijdigheid die gaat lijken op een afwijking: maar dan staat hij daar weer als volledig mens die met heel het kind meevoelt en hij zelf als de levende pedagogiek de tegenkracht is voor deze eenzijdigheid.

Blz. 83

Meine sehr verehrten Anwesenden, wenn ich das Kind zu einer Einseitigkeit im Lesen bringen muß, indem ich als ein Mensch, der mit allem, was an den Menschen herantritt, ein lebendiges Verhältnis habe, wirke ich in der Einseitigkeit so, daß ich das Kind, indem ich es nach der Einseitigkeit hinführe, zugleich wiederum harmonisiere im Ganzen. Immer muß der Lehrer, der als Ganzes wirkt, neben dem dastehen, was er im einzelnen am Kinde zu verrichten hat. Beides muß immer dastehen in der Pädagogik; auf der einen Seite das einzelne Unterrichtsziel, auf der anderen Seite die tausend Imponderabilien. die intim von Mensch zu Mensch wirken. Indem der Lehrer durchdrungen ist von Menschener-kenntnis und Welterkenntnis und diese lebendig in ihm werden und er so dem Kinde gegenübersteht. dann ist es geradeso wie bei der Pflanze:
wie da die Gesamtbildungskraft ins einzelne Organ schießt und in der richtigen Weise wieder zurückgeht, um in das andere Organ zu schießen, so hält der Lehrer diese Gesamtheit, diese Gesamtkraft, diese Totalkraft in seinem ganzen Wesen und führt das Kind von Stufe zu Stufe. Zu solcher Führung kann aber die anthroposophische Geisteswissen­schaft anregen, denn sie ist einmal für alle Zweige des menschlichen Lebens dasjenige. was sich zu der äußeren Naturwissenschaft verhält, wie die Seele sich zu dem Leibe verhält. Und wie in einem gesunden Leib nach einem alten Spruch eine gesunde Seele zu finden ist, so ist auch in einer gesunden Naturwissenschaft und durch eine gesunde Naturwissen­schaft eine gesunde Geisteswissenschaft, eine gesunde Anthroposophie zu finden.

Zeer geachte aanwezigen, wanneer ik het kind in het lezen een eenzijdigheid mee moet geven, wanneer ik als een mens die met alles wat de mens zo tegenkomt, in een levende verbinding sta, zwerk ik in die eenzijdigheid zodanig dat ik het kind als ik het tot een eenzijdigheid breng, tegelijkertijd weer tot een geheel harmoniseer. Steeds moet de leerkracht die als een totaliteit werkt, naast datgene staan wat hij in detail met het kind moet doen. Die twee moeten in de pedagogiek steeds aanwezig zijn; aan de ene kant het aparte onderwijsdoel, aan de andere kant die duizend onweegbare dingen die fijntjes van mens tot mens werken. Als de leerkracht doordrongen is met de menskunde, mensenkennis en wereldkennis en deze levend in hem worden en hij dan zo voor het kind staat, dan is net zoals bij de plant: zoals daar de kracht die het geheel vormt in het aparte orgaan schiet en op de juiste manier weer teruggaat, om in het andere orgaan te schieten, zo bewaart de leraar dit geheel,  deze totaalkracht in zijn hele  wezen en leidt het kind van fase naar fase.
De antroposofische geesteswetenschap kan nu juist zo’n begeleiding stimuleren, want voor alle takken van het menselijk leven is zij nu eenmaal wat zich zo tot de natuurwetenschap verhoudt, als de ziel tot het lichaam. En zoals in een gezond lichaam, volgens een oude spreuk, een gezonde ziel te vinden is, zo is ook in een gezonde natuurwetenschap en door een gezonde natuurwetenschap een gezonde geesteswetenschap, een gezonde antroposofie te vinden.

GA 304 (Duits)

Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2531-2372

.

.

.

 

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 2

.

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave; voordracht [1] [3] [4] [5] [6] [7]  [8]  [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording
bij de 3e voordracht.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOFISCHER GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Voordracht 2, Den Haag 27 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts- und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposophischer Geisteswissenschaft

Een antroposofische kijk op opvoeding, onderwijs en het praktische leven 

Deze voordracht is vertaald:

Wat is de betekenis van de antroposofie? Dat zij de mens de weg tot inzicht in hogere werelden wijzen kan? Zeker. Maar daar kan het niet bij blijven.
De antroposofie biedt ook inzicht in de vraagstukken van het dagelijkse, praktische leven. Want dáár wil de antroposofie tot bloei komen: in de grote vragen waarvoor de moderne mens zich gesteld ziet. Niet voor niets richtte Rudolf Steiner zich ook op thema’s als onderwijs, landbouw, geneeskunde, economie.
In de twee voordrachten in deze bundel laat hij zien hoe en waarom de antroposofie opgenomen kan en wil worden in de werkelijkheid van het leven.
Ze werden in 1921 in Den Haag gehouden.

Vertaling: Bernard Asselbergs, John Hogervorst en Michiel Scager.
Uitgeverij Nearchus

.

Steineralle pedagogische voordrachten

Steineralle artikelen op deze blog

.

2530-2371

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 1

.

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave; voordracht [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]   [8]  [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.
.

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN vanuit de ANTROPOSOFIE

Voordracht 1, Den Haag 23 februari 1921

Die anthroposophische Geisteswissenschaft und die grossen Zivilisationsfragen der Gegenwart

De antroposofische geesteswetenschap en de grote vragen van de hedendaagse beschaving

Deze voordracht is vertaald:

Wat is de betekenis van de antroposofie? Dat zij de mens de weg tot inzicht in hogere werelden wijzen kan? Zeker. Maar daar kan het niet bij blijven.
De antroposofie biedt ook inzicht in de vraagstukken van het dagelijkse, praktische leven. Want dáár wil de antroposofie tot bloei komen: in de grote vragen waarvoor de moderne mens zich gesteld ziet. Niet voor niets richtte Rudolf Steiner zich ook op thema’s als onderwijs, landbouw, geneeskunde, economie.
In de twee voordrachten in deze bundel laat hij zien hoe en waarom de antroposofie opgenomen kan en wil worden in de werkelijkheid van het leven.
Ze werden in 1921 in Den Haag gehouden.

Vertaling: Huub Houben
Uitgeverij Nearchus

.

Steineralle pedagogische voordrachten

Steineralle artikelen op deze blog

.

2529-2371

,

,

 

.

VRIJESCHOOL- Sprookjes (2-4/22)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

De drie mannetjes in het bos

.

Er was eens een man wiens vrouw stierf en een vrouw wier man stierf; en de man had een dochter en de vrouw had ook een dochter.

Hier sterft de ziel van een Ik en er was ook een ziel die Ik-loos, geestloos was geworden. En deze ziel wil zich met het andere Ik verbinden. Als dat gebeurt, zal zich een drama voltrekken, want de jonge zielenkrachten zullen daaronder te leiden hebben. Dat zijn de beide dochters. In hun wezen zijn ze zo totaal anders, net zo als de beide ouders die hen mee in het huwelijk brengen. 

De meisjes kenden elkaar en gingen samen wandelen en kwamen daarna bij de vrouw thuis. Deze sprak tot de dochter van de man: ‘Hoor eens, je moet tegen je vader zeggen dat ik met hem wil trouwen; dan mag jij je elke morgen met melk wassen en je krijgt wijn te drinken, maar mijn dochter moet zich met water wassen en zij krijgt ook water te drinken.’

Melk is niet meteen een aards product. Het wordt gevormd in levende wezens en hangt samen met de voortplanting onder invloed van de maankrachten. Melk geeft wel kracht om op aarde te leven.
In de sprookjes duidt melk altijd op een kosmische kracht die gezond maakt.
Heel anders is dit met de wijn. Het is een nobel aards product dat ontstaat onder invloed van de zon; wanneer je in de cultuurontwikkeling zoekt, vind je bijv. dat het individualiserend werkt, dat het het Ik-bewustzijn doet toenemen. Het vieren van de Dionysos-feesten in de Oudheid bijv.

De vrouw belooft dus: jij kan je wezen rijker maken door kosmische kracht en het doen groeien tot een individualiteit met een aards bewustzijn.
De ontwikkeling is voor haar, het zal haar goedgaan.


Water om te wassen en water om te drinken duiden het tegendeel aan. Water staat wel het meest bekend als iets scheppends, als het element dat leven geeft, maar hier is ongetwijfeld iets negatiefs bedoeld; water bestond eerder dan melk en wijn: de ontwikkeling gaat achteruit. De taal heeft, dat iets ‘verwatert’. 
Alleen met water te moeten leven, betekent: heen- en weer dobberen op het gevoel en geen ontwikkeling doormaken.

Het meisje ging naar huis en vertelde haar vader wat de vrouw had gezegd. De man sprak: ‘Wat moet ik doen? Trouwen is een vreugde, maar ook een verdriet.’ Omdat hij geen besluit kon nemen, trok hij eindelijk zijn laars uit en zei: ‘Neem deze laars, er zit een gat in de zool, ga ermee naar de zolder, hang hem aan de grote spijker op en giet er dan water in. Als het water erin blijft staan, zal ik weer een vrouw nemen; loopt het er echter uit dan doe ik het niet.’ Het meisje deed zoals haar bevolen was, maar door het water trok het gat dicht en de laars vulde zich tot bovenaan toe. Zij vertelde haar vader hoe de proef was uitgevallen. Daarop ging hij zelf naar boven en toen hij zag dat het waar was, ging hij naar de weduwe en vroeg haar ten huwelijk, en de bruiloft werd gevierd.

Hoe onzeker het Ik geworden is sinds de ziel die met hem verbonden was, zoin vrouw, gestorven is, blijkt wel uit zijn vraag aan het lot. De mogelijkheid en het vermogen om met zekerheid door het leven te gaan, zijn weg, het is op: de zool van de laars is kapot.
In het sprookje is het dak van een huis, het hoofd. Het hoofd in het huis van het lichaam. We gebruiken ‘dak’ hiervoor ook, bij bijv. ‘uit je dak gaan’. De man wordt zich daar bewust van zijn situatie. Nu laat hij het aan het toeval over en zijn lot wordt dat hij in verbinding treedt met een materialistische ziel: hij trouwt met de vrouw.

Toen de beide meisjes de volgende morgen opstonden, stond er voor de dochter van de man melk klaar om zich mee te wassen en wijn om te drinken, maar voor de dochter van de vrouw stond er water om zich te wassen en water om te drinken. De tweede ochtend stond er water om zich te wassen en water om te drinken zowel voor de dochter van de man als voor de dochter van de vrouw. En op de derde ochtend stond er water om zich te wassen en water om te drinken voor de dochter van de man, en melk om zich te wassen en wijn om te drinken voor de dochter van de vrouw, en zo bleef het verder. De vrouw werd de aartsvijandin van haar stiefdochter en zij was er altijd op uit haar het leven met de dag zuurder te maken. Ook was zij jaloers omdat haar stiefdochter mooi en lieflijk was, maar haar eigen dochter lelijk en afstotelijk.

De nieuwe vrouw ontpopt zich voor de dochter van de man als een harde pseudo-moeder zonder verinnerlijking: ze wordt een boze stiefmoeder. Voor de ‘stijve’ moeder telt alleen de materie, de stoffelijkheid. Zij leeft alleen met wat de zintuigen kunnen vatten en ze is doof voor al het bovenzintuiglijke. 
De sprookjes schetsen dit voortdurend. Want als de zekerheid van de ziel en de blik op de geest verduisteren, wordt dit het lot van alle mensen in onze culturele ontwikkeling.

Toen het op een keer ’s winters gevroren had dat het kraakte en bergen en dalen onder de sneeuw lagen, maakte de vrouw een papieren jurk, riep het meisje en sprak: ‘Hier, trek deze jurk aan en ga naar het bos om een mandje aardbeien te plukken; daar heb ik zin in.’

In de Germaanse mythologie vinden we: Als de tijd van de Fenris-wolf aanbreekt, de tijd van het zwaard, van de ellende, van de echtscheidingen, dan komt de Fimbul-winter. [zie Edda]
Onze voorouders zagen een tijd komen waarin de zielen zullen verstarren en ten prooi vallen aan de koude en de ijzige adem van het intellect waarbij het warme, levende voelen gedood wordt, zodat de mensen zich heel moeilijk tot elkaar kunnen verhouden.
Dat is de Fimbul-winter en het thuisland van de boze stiefmoeder. Haar gevoel is koud en berekenend en ze haar het goede.
Midden in de winter verlangt zij naar aardbeien en die moet de echte dochter voor haar halen.

Aardbeien ranken met hun driedelige bladeren laag op de aarde en daar worden ze rijp, zoete, rode vruchten met heerlijk sap; als we haar helende werking zien, begrijpen we waarom schilders uit de middeleeuwen bij het goddelijke kind aardbeien schilderden, bij het kribbetje, zelfs de krib op een aardbeienbed.
De grote symboolschilder Jeroen Bosch laat in zijn ‘De tuin der lusten’ * een hele groep mensen aardbeien vinden die ze met hun handen en op hun hoofd dragen. De levenwekkende, genezende en bloedvernieuwende aardbei wordt een symbool voor die krachten die in ons beginnen te werken, wanneer de liefde die alles beter maakt ons bezit wordt. Deze genezende liefde is met het goddelijke kind naar de aarde gekomen. 
Naar deze liefde verlangt de verharde ziel, want zij heeft die nodig, maar kan die zelf niet vinden; ze heeft die nodig als een genezende kracht als de Fimbul-winter heerst.

 ‘Lieve hemel,’ zei het meisje, ‘’s winters groeien er toch geen aardbeien, de aarde is bevroren en de sneeuw heeft alles toegedekt. En waarom moet ik in deze papieren jurk lopen? Het is buiten zo koud dat je adem bevriest – de wind waait er dwars doorheen en de doorns scheuren hem kapot.’ – ‘Wil jij mij soms tegenspreken?’ zei de stiefmoeder. ‘Maak dat je weg komt en kom mij niet weer onder de ogen voor je het mandje vol aardbeien hebt.’ Toen gaf zij haar nog een stukje hard brood en sprak: ‘Daaraan heb je genoeg voor de hele dag,’ en zij dacht: daarbuiten zal zij wel doodvriezen en verhongeren zodat ik haar nooit meer hoef te zien.
Het meisje was gehoorzaam, zij deed de papieren jurk aan en ging met het mandje naar buiten. Wijd en zijd was er niets te zien dan sneeuw, geen groen sprietje stak eruit.

Als een mensenziel een ‘papieren jurkje’ draagt, kan de omhulling bijna niet armelijker en schameler zijn. Dat geeft de boze stiefmoeder aan de dochter, d.w.z. wat de dochter nog met haar oorspronkelijke ziel uitstraalde, is nu afgepakt. 
Het is meisje is gehoorzaam; ze neemt de koude voor lief en is met deze armoedige omhulling ook nog bereid om naar aardbeien te gaan zoeken.

Toen zij in het bos kwam, zag zij een klein huisje waaruit drie kleine mannetjes naar buiten zaten te kijken. Zij zei hen goedendag en klopte bescheiden aan de deur.

Nog tot het begin van de 16e eeuw waren veel mensen vertrouwd met de elementaire wereld. Ze zagen niet, zoals wij nu, alleen maar de uiterlijke dingen. Ze zagen vooral ook het wezen(lijke) dat ermee verbonden was. Nu is het geest-zielenwezen van de mens veel vaster met het lichamelijke verbonden, bij die vroegere mens was dit ‘losser’, ‘doorlaatbaarder’ en daardoor konden ze een directer contact hebben met de voor ons onzichtbare wezens die we alleen nog als naam kennen: fee, nimf, dwerg, kabouter enz. De krachten van deze elementairwereld werden ook beelden, imaginaties. 
Er zijn heel veel vertellingen over natuurgeesten – bijv. in vorm van natuursagen – er bestaan berichten over bovennatuurlijke belevingen die zo plastisch worden beschreven dat je het gevoel krijgt dat het werkelijk zo is. Min of meer bewust gingen de mensen over een drempel naar een ander niveau van waarnemen en dat overviel hen dan eens in huis, dan weer buiten in de natuur en sommigen konden die twee werelden niet scheiden. Men leefde dan toch in een soort eenheidswereld: die met de dingen die je gewoon kon zien en ervaren en die overging naar een wereld die niet meteen met de zintuigen was te ervaren. 
In het Duits is bijv. de uitdrukking ontstaan: ; ‘Gib acht wie ein Wichtelmann’ – let op als een kabouter (een soort van). Deze wezens werden als zeer slim afgeschilderd en als zeer goede waarnemers. Ze worden omschreven als oude wijze mannetjes met grote hoofden en mutsen op: ze zijn de symbolen geworden voor oeroude wijsheid op aarde. Ons sprookje neemt hier zoiets als realiteit.

In de technische wereld – de techniek is een product van de mensengeest – kan de natuur niet meer zo scheppend zijn, zoals ze zou willen; de natuur als wijsheidsdraagster trekt zich terug. In de volksmond zegt men: de dwergen en gnomen zijn erop uitgetrokken. Voor de blik van de moderne mens zijn zij niet waarneembaar, maar wel voelt hij hoe landschappen kunnen verschillen: ‘rijk gevuld, of kaal en verlaten’.
In een tijd van kille berekening en egoïstische uitbuiting is voor die kleine wezens in de natuur weinig ruimte.

Zij riepen: ‘Binnen,’ en zij liep de kamer in en ging bij de haard zitten om zich te warmen en haar ontbijt op te eten. De mannetjes zeiden: ‘Geef ons er ook een stukje van.’ – ‘Met plezier,’ sprak zij, brak haar stukje brood doormidden en gaf hun de helft. Zij vroegen:. ‘Wat doe je hier midden in de winter in je dunne jurkje in het bos?’ – ‘Ach,’ antwoordde zij, ‘ik moet een mandje vol aardbeien zoeken en mag pas thuis komen als ik ze heb.’ Toen zij haar brood had opgegeten, gaven ze haar een bezem en spraken: ‘Veeg daarmee de sneeuw voor de achterdeur weg.’ Maar toen zij buiten was, spraken de mannetjes tot elkaar: ‘Wat zullen wij haar geven, omdat zij zo lief en zo goed is en haar brood met ons heeft gedeeld?’ Toen zei de eerste: ‘Ik geef haar dat zij elke dag mooier wordt.’ De tweede sprak: ‘Ik geef haar dat er goudstukken uit haar mond rollen bij elk woord dat zij spreekt.’ De derde sprak: ‘Ik geef haar dat er een koning komt die haar tot vrouw neemt.’

Bescheiden komt de echte dochter nu in deze sfeer terecht; ze straalt naar de dwergen medegevoel en liefde uit, want daar hebben de natuurwezens heel erg behoefte aan en zij lijden ook tijdens de Fimbul-winter. Voor de natuur is het heel belangrijk hoe de mens over haar denkt, of ze die harteloos uitbuit en verstoort of wel dat hij de wezenskracht van de natuur leert kennen en erkennen.
Terwijl verstarring en kou in de ziel heersen, zijn er verborgen toch liefdeskrachten aanwezig – liefdeskrachten die het goddelijke kind op aarde heeft gebracht: onder het sneeuwdek groeiden ze om vrucht te dragen. Je moet alleen in staat zijn om de sneeuw weg te vegen. Wie niet aan de verleiding toegeeft het kwaad met zijn eigen wapens te bestrijden, maar bereid is zelf nood en kou te lijden, ontwikkelt het vermogen om de sneeuw weg te kunnen vegen. Die mens vindt de aardbeien, helpt de natuur en dient de mensen tegelijkertijd. De natuur beloont hem daarvoor.
Waar medelijden en liefde heersen, straalt het ware oerbeeld van de mens van hem af: de jonkvrouw wordt steeds mooier. De woorden die uit haar mond komen, worden rijker aan inhoud en betekenis. Ze zitten vol wijsheid zodat ze rijkdom betekenen voor de omgeving, zoals de gouden munten; en de ziel zal naar zijn hogere, ware Ik (de koning) toegroeien en uiteindelijk één met hem worden.

Het meisje deed zoals de mannetjes gezegd hadden, zij veegde met de bezem de sneeuw achter het huisje weg, en wat denk je dat zij daar vond? Louter rijpe aardbeien die helemaal donkerrood uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Haastig en vol blijdschap vulde zij haar mandje, bedankte de kleine mannetjes, gaf hun elk een hand en snelde naar huis om haar stiefmoeder het verlangde te brengen. Toen zij binnentrad en ‘Goedenavond’ zei, viel er meteen al een goudstuk uit haar mond. Daarop vertelde zij wat haar in het bos was overkomen en bij elk woord dat zij sprak rolden er goudstukken uit haar mond zodat de hele kamer er weldra mee bezaaid lag. ‘Kijk me die opschepperij eens aan!’ riep de stiefzuster, ‘om dat geld zomaar rond te strooien,’ maar zij was heimelijk jaloers en wilde ook naar het bos om aardbeien te zoeken. De moeder sprak: ‘Nee, lief dochtertje, het is te koud, je zou bevriezen.’ Maar omdat zij haar niet met rust liet, gaf zij tenslotte toe, naaide een prachtige bontmantel voor haar die zij aan moest trekken, en gaf haar boterhammen en koek mee voor onderweg.

De aan de materie gebonden stiefmoederziel zorgt voor haar dochter en voorkomt dat zij honger krijgt en kou moet lijden. Ze krijgt een bontmantel: het dierlijk-driftmatige verwarmt haar.

Het meisje ging het bos in en liep regelrecht naar het huisje toe. De drie kleine mannetjes zaten weer naar buiten te kijken, maar zij groette hen niet en zonder naar hen om te kijken en zonder hen te groeten stampte zij de kamer in, ging bij de haard zitten en begon haar brood en haar koek op te eten. ‘Geef ons er wat van!’ riepen de kleinen, maar zij antwoordde: ‘Ik heb niet eens genoeg voor mezelf, hoe kan ik er dan nog iets van weggeven aan anderen?’ Toen zij klaar was met eten, spraken zij: ‘Hier heb je een bezem, veeg daarmee buiten voor de achterdeur alles schoon.’ – ‘Nou zeg, vegen jullie zelf maar,’ antwoordde zij, ‘ik ben jullie dienstmeid niet.’

Zij krijgt geen contact met de kracht van de elementairwezens in de natuur. Zij deelt niets met hen, ze is egoïstisch en alleen met zichzelf bezig. Zij kan niets bijdragen aan het wegvegen van de alles bedekkende koude. Ze zou een activiteit moeten kunnen ontplooien waarbij liefde kan ontwaken en die vrucht kan dragen.

Toen zij zag dat zij haar niets wilden geven, liep zij de deur uit. Toen spraken de mannetjes tot elkaar: ‘Wat zullen wij haar geven, omdat zij zo onaardig is en een slecht jaloers hart heeft dat niemand iets gunt?’ De eerste sprak: ‘Ik geef haar dat zij elke dag lelijker wordt.’ De tweede sprak: ‘Ik geef haar dat er bij elk woord dat zij spreekt een pad uit haar mond springt.’ De derde sprak: ‘Ik geef haar dat zij ongelukkig aan haar eind komt.’ Het meisje zocht buiten naar aardbeien; toen zij er echter geen vond, ging zij verbolgen naar huis. En toen zij haar mond opende om haar moeder te vertellen wat haar in het bos was overkomen, sprong er bij elk woord een pad uit haar mond, zodat allen een afkeer van haar kregen.

Lelijkheid is het tegendeel van schoonheid. De ziel die gekluisterd is aan de natuur van de zintuigen, kan het goede steeds slechter tot uitdrukking brengen. Daarmee gaat een ander proces hand in hand: de taal verandert, bij elk woord springt er een pad uit haar mond.
Ooit was de pad het symbool van de uit het duister van de aarde opwellende vruchtbaarheid; ze woont nu eenmaal in moeras modder en deze golden als de schoot van waaruit het oerleven ontsproot. Later werd de pad tot symbool van het seksuele. De middeleeuwse schilders waarvan er velen uit dezelfde bron putten als onze sprookjesopvoeders, beeldden de pad in deze zin af. Kijk ook eens naar de padachtige monsters op de dommen. Bij liefdeloze mensen die zich afgekeerd hebben van de zuivere geest van de natuur, raken de geslachtelijke krachten vervreemd van hun hogere zingeving, ze verschrompelen tot pure seksualiteit – verschrompelen tot pad. Het gevolg daarvan is dat hun taal ‘schuin’ wordt en giftig en wat die mens zegt roept tegenzin en afkeer op.

Nu werd de stiefmoeder nog veel bozer en zij dacht er alleen maar aan hoe zij de dochter van haar man die elke dag in schoonheid toenam, op alle mogelijke manieren verdriet kon doen. Tenslotte nam zij een ketel, zette die op het vuur en kookte er garen in. Toen dat gekookt was, hing zij het over de schouders van het arme meisje en gaf haar ook een bijl; daarmee moest zij naar de bevroren rivier gaan, een bijt hakken en het garen spoelen. Zij gehoorzaamde, ging erheen en hakte een bijt in het ijs, maar midden onder het hakken zag zij een prachtige koets komen aanrijden waarin de koning zat.

Onzelfzuchtigheid, goedheid en geduld werken in het leven stimulerend op rechtschapen mensen, die roepen steeds op dat ze worden nagevolgd. Maar in de wereld van de ziel heerst een geestelijke wet waarbij het toenemen van de goedheid ook het kwaad dat ons wil verleiden toeneemt. De stiefmoeder wil steeds meer. Ze heeft sterk garen gekookt en het ijverige kind moet het schoonmaken. We kennen de uitdrukking; “er goed garen bij spinnen’. We kennen ook het beeldende ‘hersenspinsel’. Wanneer dergelijke hersenspinsels steeds weer hardnekkig en met gloeiende begeerte als voorbeeld dienen, dan wordt er werkelijke ‘garen gekookt’. Maar wie het leed moet dragen, is degene die luistert naar het lot en naar het goede streeft. Die krijgt de last van deze hersenspinsels op de schouders gelegd, die moet gedragen worden: de stiefmoeder hangt het garen om haar schouders. Uiteindelijk wordt ze weggestuurd om het garen te gaan wassen. Weer is zij degene die gehoorzaam is aan het lot; zij moet de gevolgen dragen van wat anderen ‘uitgekookt’ bedacht hebben.
De verstarring en de verharding is nog ondoordringbaarder geworden. Om in het ijs te hakken is nog meer inspanning nodig dan het wegvegen van sneeuw. Alleen met de grootst mogelijke activiteit kom je bij stromend-levende; de jonkvrouw moet zelfs een bijl gebruiken; met actieve slagkracht moet ze door de verstarring en de verharding heenbreken. Nu krijgt ze toegang tot het reinigende element; alleen daarin kan opgelost worden wat de materialistische ziel aan hersenspinsels heeft uitgedacht. Dat geldt voor de uiterlijke en de innerlijke wereld. ‘Maar midden onder het hakken zag zij een prachtige koets komen aanrijden waarin de koning zat’.

De koets hield stil en de koning vroeg: ‘Mijn kind, wie ben je en wat doe je daar?’ – ‘Ik ben een arm meisje en spoel garen.’ De koning kreeg medelijden en toen hij zag hoe mooi zij was, sprak hij: ‘Wil je met mij meerijden?’ – ‘O ja, heel graag,’ antwoordde zij, want zij was blij uit de buurt van haar moeder en zuster te komen.
Dus stapte zij in de koets en reed met de koning weg; en toen zij in zijn slot gekomen waren, werd de bruiloft met grote pracht gevierd zoals de kleine mannetjes het meisje toegedacht hadden. Na een jaar kreeg de jonge koningin een zoon.

Als de ziel met het goede bezig is, roept zij een geestelijke activiteit in het leven; voor zo’n beginnend proces kennen we de uitdrukking ‘zich vermannen”, de man in het innerlijk, het Ik is geroepen en dit Ik, dit koninklijke Ik heeft het vermogen om de ziel voor de bruiloft te vragen. De eenwording met de bevruchtende kracht van de geest heet in de taal van de middeleeuwen de mystische bruiloft.
Lenz gebruikt ook het woord ‘über’zeugend naast bevruchtend. ‘Zeugen’ is o.a. fokken, dus voortbrengen van nieuw leven. ‘Über’-zeugen gaat hier bovenuit; het brengt iets geestelijks voort.
De vrucht van deze bruiloft noemden de middeleeuwers: de vrucht van de geest in de schoot van de ziel. Maar dit nieuwe begin in de mens, dit subtiele gebeuren, vraagt om een zorgvuldige aandacht; want waar het lichaam van de vrouw in de hoogste zin van het woord scheppend is, wanneer zij een kind ter wereld brengt, zo is de ziel in de hoogste zin van het woord scheppend wanneer de vrucht van de geest in haar tot verschijning komt. Iedereen die iets scheppends heeft verricht, moet die aandacht oefenen; nooit is de mens kwetsbaarder dan wanneer hij het uiterste in zijn werken gegeven heeft. Hier proberen de tegenmachten in te grijpen.

En toen de stiefmoeder van het grote geluk had gehoord, kwam zij met haar dochter naar het slot en zij deed alsof zij op bezoek kwam. Maar toen de koning eens was uitgereden en er ook verder niemand aanwezig was, pakte de boze vrouw de koningin bij het hoofd en de dochter pakte haar bij de voeten, en samen tilden zij haar uit bed en wierpen haar het raam uit in de voorbijstromende rivier. Daarna ging de lelijke dochter in het bed liggen en de oude dekte haar toe en trok de dekens tot over haar hoofd. Toen de koning weer terugkwam en met zijn vrouw wilde spreken, riep de oude: ‘Stil, stil, dat kan nu niet, zij ligt te baden in het zweet, u moet haar vandaag met rust laten.’ De koning vermoedde niets kwaads en kwam pas de volgende morgen terug, maar toen hij met zijn vrouw sprak en zij hem antwoord gaf, sprong er bij elk woord een pad uit haar mond, terwijl er vroeger altijd een goudstuk uitgerold was. Hij vroeg hoe dat kwam, maar de oude vertelde dat zij dat van het zweten had gekregen en dat het wel weer over zou gaan.

Maar ’s nachts zag het koksmaatje hoe een eend door de keukengoot kwam aanzwemmen die sprak:

                                                        ‘Koning, wat doet ge?
                                                         Slaapt ge of waakt ge?’

En toen hij geen antwoord gaf, sprak zij:

                                                        ‘Wat doen mijn gasten?’

Toen antwoordde het koksmaatje:

                                                         ‘Die slapen vaste.’

Toen vroeg zij verder:

                                                         ‘Wat doet mijn kindje klein?’

En hij antwoordde:

                                                          ‘Het slaapt in het wiegje fijn.’

Toen ging zij in de gedaante van de koningin naar boven, gaf het kind te drinken, schudde zijn bedje op, dekte hem toe en zwom als een eend weer weg door de goot. Zo kwam zij twee nachten; de derde nacht sprak zij tot het koksmaatje: ‘Ga aan de koning zeggen dat hij zijn zwaard moet pakken en dat op de drempel driemaal over mij heen moet zwaaien.’ Toen rende het koksmaatje weg en vertelde het aan de koning; die kwam met zijn zwaard en zwaaide het driemaal over de geestverschijning – en bij de derde maal stond zijn vrouw voor hem, fris, levend en gezond en precies zoals zij vroeger was geweest.


Bij het wezenlijke van medelijden en liefde hoort, dat ze zich voor alles met begrip openstellen en alles – ook het kwaad – argeloos tegemoet treden. Want er is altijd geloof in de kracht van de verandering. Wanneer echter de nieuwe kiem, de vrucht van de geest is geboren, dan moeten medelijden en liefde met oplettendheid samengaan. Het kwaad moet herkend worden, niet alleen maar verdragen. Maar het jonge paar heeft deze wakkerheid nog niet. Het sprookje zegt dat de koning was weggegaan dat hij de koningin alleen liet. Wij zeggen: de mens is geestelijk afwezig – maar nu zou er juist tegenwoordigheid van geest moeten zijn.
De koningin ia in de stroom gegooid en wordt een eend. De ziel moet van de wil van het kwaad ten ‘ondergaan’. Bij wie de ziel uitvloeit, verwatert – het Duits heeft ‘verschwimmen’, is niet in staat om te handelen. Alleen ’s nachts nog in het rijk van de dromen, verschijn nog het ware zlef van de moeder. Het Ik echter is helemaal ten prooi gevallen aan de verwisseling. Het niet-spirituele, het lelijke dat zich in de taal uit in het ‘schuine’, in het ‘pad-achtige’, heeft zich een plaats veroverd. 
Maar een kinderlijke kracht, vol jeugdige frisheid – het koksmaatje – staat open voor de waarschuwende stem. De koning moet driemaal met zijn zwaard over zijn rechtmatige gemalin, de geest-ziel – zwaaien, want zij is de geest-ziel, sinds zij in het huwelijk trad met de geest.
Het zwaard kan helpen en beschermen, maar ook verwonden en doden. Het is in de ware zin van het woord tweesnijdend. Ook het woord is tweesnijdend: het kan helpen en redden, ook kwetsen en doden. Na de zegen van het zwaard verlangen betekent: om hulp vragen door de geesteskracht van het spreken. De gezonken gemalin wordt omhoog gehaald naar het volle leven. 
Tegen het woord wordt gezondigd wanneer dit misbruikt – seksueel – geworden is; de kracht van het woord kan genezen en de zonde wegnemen.

Nu was de koning zeer verheugd, maar hij hield de koningin in een kamer verborgen tot de zondag waarop het kind gedoopt zou worden. En toen het was gedoopt, sprak hij: ‘Wat moet er gebeuren met iemand die een ander uit zijn bed tilt en in het water gooit?’ -‘Die verdient niet beter,’ antwoordde de oude, ‘dan dat men de booswicht in een vat stopt met spijkers erdoor en dat van de berg afrolt het water in.’ Toen zei de koning: ‘Je hebt je eigen vonnis uitgesproken,’ en hij liet zo’n vat halen en de oude met haar dochter erin stoppen; daarna werd de bodem dichtgespijkerd en het vat de berg afgerold tot het in de rivier terechtkwam.

Wat in de nacht duidelijk was geworden en ten einde gebracht, heeft toch nog bescherming nodig. Opnieuw laat het sprookje zien hoe christelijk het is, zonder daar al te veel woorden aan te besteden. Bij de doop krijgt het doopkind zijn naam en wordt door het woord van de sacramentshandeling met Christus verbonden. Dan kan de confrontatie met het kwaad plaats hebben. Door de rechtsprekende macht van de volmaakte mens – de koning en zijn gemalin spreekt het kwaad zijn eigen oordeel uit. En de ondervinding wordt bewaarheid: onrecht dat iemand wordt aangedaan, komt vroeg of laat weer op je pad. ‘Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’, zegt het volkse spreekwoord. 
De kuil – Duits Grube – duidt erop, net zoals het woord ‘vat’ dat het sprookje gebruikt – dat het kwaad ingeperkt wordt, teruggebracht in de kleinste ruimte. Dat er ook nog spijkers door het vat worden geslagen, wil zeggen: al die kwetsende praat, de stekeligheden, de verwondingen die je een ander aandoet, moeten nu op jezelf betrokken, doorgemaakt worden.
Het vat wordt dichtgespijkerd: het kwaad wordt opgesloten en aan de stroom van het leven en het lot overgegeven. 
Kwade leugenachtige bedoelingen en slechte daden hebben zichzelf berecht.

 *Lenz geeft hier ‘Garten der himmlischen Wonne’ dat vertaald zou betekenen ‘de tuin van de hemelse liefde’. Maar er is alleen ‘de tuin der lusten’. In een verklaring van de daar gebruikte symboliek komt de aardbei in een heel ander licht te staan. 

.

 

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2528-2371

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 304

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Blz. 114

Mit der Geschlechtsreife tritt das Kind in dasjenige
Lebensalter ein, wo es gewissermaßen erst in der richtigen Weise der
Außenwelt gegenüber urteilsfähig auftritt.

Met de puberteit komt het kind in de leeftijdsfase waarin het in zekere zin pas op een goede manier tegenover de buitenwereld in staat is met oordelen te komen.

Blz. 115

Ich deute mit wenigen Worten eines der bedeutsamsten Erkenntnis­probleme an. Wer ein Kind zu früh zum Urteil entwickelt, zum selbstän­digen Urteilen, der bringt Todeskräfte statt lebendige Kräfte in das sich entwickelnde Kind hinein. Allein derjenige, der mit seiner Autorität so wirkt, daß er dem Kinde wirklich den selbstverständlichen Glauben erweckt, er tue das Richtige und er sage das Richtige, und es dürfe hin­genommen werden, wer also in diesem Sinne der Repräsentant der Welt ist für das Kind, der bereitet es nicht durch Beherrschung seines Verstandes, nicht durch Beherrschung irgendwelcher Urteilsfähigkeiten, sondern der bereitet es durch seinen lebendigen Menschen selber darauf vor, an der Welt nun wie ein lebendiger Mensch sich weiter zu entfalten. Leben muß an Leben entwickelt werden. Nicht indem wir von abstrakter Anschaulich­keit, von abstrakten intellektualistischen Begriffen ausgehen, sondern indem wir dem Kinde entgegenbringen eine Welt in einem lebendigen Menschen, machen wir es zu einem wirklichen Weltbürger.
Das alles läßt sich in einigen Strichen ja charakterisieren, aber es setzt eben voraus, daß man in die Einzelheiten der sich entwickelnden Kin­deskräfte, ich möchte sagen, von Tag zu Tag hineinschauen kann. Dann wirkt die Art und Weise, wie man selber irgend etwas durch die Türe in die Klasse hineinträgt so, daß das Kind in der Tat an dem Leben des Erziehenden, des Lehrenden sich heraufrankt zum eigenen Leben.

Ik duid met een paar woorden een van de belangrijkste problemen aan wat betreft kennis. Wie een kind te vroeg het oordelen leert, het zelfstandig oordelen, voegt het zich ontwikkelende kind doodskrachten toe, in plaats van levende. Alleen wie met zijn autoriteit zo werkt dat hij bij het kind het vanzelfsprekende vertrouwen wekt dat hij het juiste doet en zegt en dat dit aanvaard mag worden, wie dus op een bepaalde manier de vertegenwoordiger van de wereld is voor het kind, bereidt het niet door het beheersen van zijn eigen verstand voor, niet door de beheersing van bepaalde vermogens tot oordelen, maar die bereidt het door zijn eigen levend mens-zijn zelf voor, zich als een levend mens te ontwikkelen aan de wereld. Niet door van abstracte aanschouwelijkheid, van abstract intellectualistische begrippen uit te gaan, maar door het kind in een levend mens een wereld te geven, maken we het tot een echte wereldburger. 
Dit kun je wel met een paar lijnen karakteriseren, maar het vraagt van te voren wel dat je iedere dag in de bijzonderheden van de ontwikkelingskrachten in het  kind waar kan nemen. Dan is wat je zelf de klas in brengt van dien aard dat het kind daadwerkelijk aan het leven van de opvoeder, van de leerkracht zich kan optrekken voor zijn eigen leven.
GA 304/114-115
Niet vertaald

Voordracht 6, Oslo november 1921

Blz. 160/161

In unserem heutigen mehr oder weniger materialistisch denkenden Zeitalter wird viel über die Geschlechtsreife des Menschen gesprochen. Allein dieses Phänomen wird gewöhnlich als ein vereinzeltes hingestellt, während es für die unbefangene Beobachtung in Wahrheit nur die Folge
 einer völligen Metamorphose des ganzen menschlichen Lebens in dem entsprechenden Lebensalter ist. Der Mensch entwickelt in diesem Lebensalter nicht nur die mehr oder weniger seelisch-geistig oder physisch gefärbten erotischen Empfindungen, der Mensch beginnt von
diesem Lebensalter an erst sich unmittelbar urteilend, von seiner Persönlichkeit aus urteilend, sich auslebend in Sympathie und Antipathie, zur Welt sich zu stellen. Der Mensch wird ja erst jetzt im Grunde genommen ganz in die Welt hinausgestellt. Der Mensch wird da erst reif, sich an die
Welt so hinzugeben, daß in ihm selbständiges Denken, selbständiges Fühlen, selbständiges Beurteilen der Welt stattfindet.

In onze huidige tijd van min of meer materialistisch denken wordt veel over de geslachtsrijpheid van de mens gesproken. Alleen, dit verschijnsel wordt gewoonlijk als een apart iets afgeschilderd, terwijl voor de onbevangen blik zich alleen maar het gevolg vertoont van een volledige metamorfose van het hele menselijke leven in deze levensfase waar we het over hebben. De mens ontwikkelt in deze fase niet alleen meer of minder zijn ziel en zijn geest of zijn fysiek gekleurde erotische gevoelens, hij begint vanaf deze leeftijd pas zich direct oordelend, vanuit zijn persoonlijkheid oordelend, wat zich vertoont in sympathie en antipathie, zich tegenover de wereld op te stellen. De mens wordt nu pas rijp zich zo op de wereld te richten, dat in hem het zelfstandige denken, het zelfstandige voelen, het zelfstandig beoordelen van de wereld plaatsgrijpt.

Blz. 162

Im Grunde genommen ist der Lehrer, der Erzieher für das Kind im Volksschulalter die Welt. Dasjenige, was Welt ist, lebt sich nicht durch Willkür dar, sondern einfach durch die naturgemäße Gesetzmäßigkeit der menschlichen Entwickelung, lebt sich durch dasjenige dar, was der Lehrer, was der Erzieher dem Kinde ist. Der Lehrer, der Erzieher, ist für das Kind die Repräsentation der Welt. Und wohl dem Kinde, das, bevor es im Reifezeitalter einzutreten hat mit seinem eigenen Urteil, mit seinem eigenen Wollen, mit seinem eigenen Fühlen zur selbständigen Stellung in die Welt, wohl dem Kinde, das zuvor die Welt vermittelt erhält durch jemanden, in dem sich die Welt in dieser entsprechenden Weise spiegelt!

In de aard van de zaak is de leerkracht, de opvoeder voor het kind in de basisschool de wereld. Wat er in de wereld is, is er niet door willekeur, maar eenvoudigweg door de van nature gegeven wetmatigheden in de menselijke ontwikkeling, het wordt voorgeleefd door wat de leerkracht, de opvoeder voor het kind is. De leerkracht, opvoeder is voor het kind de vertegenwoordiger van de wereld. En wat een weldaad is het voor een kind dat, voor het in de puberteit komt met zijn eigen oordeel, met zijn eigen wil, met zijn eigen gevoel bij zijn zelfstandige positie in de wereld, wat een weldaad, dat het eerst de wereld aangereikt heeft gekregen door iemand waarin de wereld op deze manier gespiegeld wordt.
GA 304/160-162
Niet vertaald

Blz. 165

Durch völlig innere Selbständigkeit lernt das Kind sich eigentlich erst
von der Umgebung unterscheiden mit der Geschlechtsreife.

Door een totale innerlijke zelfstandigheid leert het kind pas met de geslachtsrijpheid zich van zijn omgeving te onderscheiden.
GA 304/165
Niet vertaald 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2527-2370

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-5-2/2)

..

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]

De antroposofische arts Leen(dert) Mees hield m.n. rond de jaren 1970 vele voordrachten over antroposofische onderwerpen.
Hij bundelde zijn voordrachten tot een reeks boeken, w.o. bijv. ‘Dieren zijn wat mensen hebben’, waarin hij een verrassend licht werpt op de samenhang mens-dier. Dit boek is – naast nog een aantal – te downloaden op ‘Antrovista‘.

Ook wijdde Mees zijn aandacht aan ‘metamorfose’ en probeerde de opmerkingen van Steiner over metamorfosen in of van het menselijk skelet te duiden.

Uit zijn ‘Geheimen van het skelet’ zijn gezichtspunten over metamorfose.

Hoofdstuk 2 draagt als titel:

METAMORFOSEN IN PLANTEN-, DIEREN EN MENSENRIJK

.
In artikel [10-5-2/1] was Mees aan het woord over de metamorfose bij plant en dier. Het eindigde ermee dat ‘de plant een vormmetamorfose vertoont‘.

Mees bereidt hier voor wat we nodig hebben om de vormverandering in de mens zelf – en hier de in de 10e voordracht met name genoemde verandering van wervel naar hoofd – in zijn essentie te kunnen begrijpen, al gaat het hier nog niet om dié metamorfose.

Tegelijkertijd geeft dit hoofdstuk wezenlijke verschillen aan tussen mens en dier en daarmee is het ook een uitbreiding van de gezichtspunten die Steiner aangeeft. [10-8]
Mees staat ook even stil bij ‘begeerte’ en zijn opvattingen kunnen een aanvulling zijn bij [4-3-3].

Ook kunnen de opvattingen van Mees een verdieping betekenen voor waar het in de dierkundeperioden om gaat. 

Het vorige artikel eindigde met:  ‘de plant een vormmetamorfose vertoont’.

Dit geldt niet voor het dier. Er is geen sprake van dat de pop een metamorfose van de vorm van de rups is, of de vlinder van de vorm van de pop. Dit samen genomen met het feit dat gezegd is dat elke fase van de dieren-metamorfose in de volgende verdwijnt, kan ons al het gevoel geven dat wij naar een totaal ander element te zoeken hebben. Bij de plant zagen wij dat de metamorfose gewekt wordt door invloeden van buitenaf, met name door de zon. Daarom was de plant te beschrijven als een wezen ’tussen hemel en aarde’.

Bij de dieren-metamorfose hebben wij ook naar datgene te zoeken wat zich metamorfoseert en wat dus duidelijk niet een vorm is. Dit ligt voor mij reeds besloten in de uitdrukking: gedaanteverwisseling. Bij de planten-metamorfose zou men dit woord immers nooit kunnen gebruiken. Bij het dier verwisselt iets voortdurend van gedaante. Wat is dit ’iets’?

De dieren-metamorfose speelt zich af tussen eicel en voldragen vorm. Reeds hierin is het verschil met de plant uitgedrukt. De bloem van de plant is het blad-principe dat zich, door de omgeving hiertoe gebracht, in een andere vorm vertoont. Men zou haast kunnen zeggen: de bloem is niet alleen van de plant, zij is ook van de zon.

De dieren-metamorfose speelt zich veel meer in de innerlijke wereld van het dier af. Datgene wat zo-even een ’iets’ genoemd werd, werkt binnen in het dier en wanneer wij willen vragen wat dat ’iets’ is, kunnen wij tot de verrassende slotsom komen dat het zich vertoont in de voldragen vorm. Wat werkt dus als ’iets’ in het dier, wat neemt voortdurend een andere gedaante aan? Datgene, wat wij als voldragen vorm zien, de slak, de slang, de leeuw, enzovoort. Wij zouden het dier kunnen beschrijven als het resultaat van een drang die in hem werkt en die in het voldragen dier zichtbaar wordt.

Wat moeten wij onder deze drang verstaan? Wij moeten daartoe het dier weer in zijn eigen omgeving opzoeken. Zoals de plant tussen hemel en aarde, leeft het dier tussen zich zelf en de omgeving. Dit dierenleven kan door iedereen bestudeerd en niet anders aangesproken worden dan als een begeerte.

Dan worden twee dingen duidelijk. Op de eerste plaats is het woord ’begeerte’ niet iets vaags, niet iets dat in alle dieren dezelfde vorm aanneemt. De dierlijke begeerte, niet te scheiden van het begrip diereninstinct, is voor elke diersoort specifiek. Wanneer wij daarnaast vragen wat er in iedere begeerte leeft, kan mijns inziens het antwoord slechts zijn: streven naar bevrediging.

Wanneer wij daarnaast vragen in welke omgeving een dier leeft, dan is het antwoord: in dié omgeving die zijn begeerte kan bevredigen. Men moet dus nooit uit het oog verliezen dat ’omgeving’ hier niet identiek is met ruimte. Een mier, een vlinder en een leeuw hebben op dezelfde plaats in de wildernis een totaal verschillende omgeving, afhankelijk van hun gewaarwordingen.

De metamorfose van het dier is dan de metamorfose van een begeerte die zich afspeelt in de ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm. Het dier is een zichtbaar geworden begeerte. Ik meen dat de conclusie die men hieruit trekken kan, hoewel misschien verrassend, toch een voor de hand liggende is: het dier is een eenheid van begeerte, vorm en omgeving.

Bij alles wat een dier doet kunnen wij zeggen: het zoekt iets in zijn omgeving wat zijn begeerte kan bevredigen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de omgeving het dier voortdurend tot ander gedrag brengt.

Eén ding hebben plant en dier in hun metamorfose gemeen: waar de bloem het zaad voortbrengt, de vlinder het ei, het zoogdier de eicel, is in beide gevallen de kringloop gesloten; zij speelt zich voor onze ogen geheel op aarde af. Kortweg uitgedrukt: plant en dier blijven altijd ’hier’.

De specifieke metamorfose van de mens

Hoe staat het nu met de metamorfose bij de mens? Uit hetgeen over plant en dier gezegd is, waarbij met de begrippen vorm en begeerte naar het principe verwezen werd dat zich metamorfoseert, zullen we bij de metamorfose van de mens naar iets moeten zoeken dat zich principieel van datgene onderscheidt wat in plant en dier werkzaam is. Hier stuiten wij al dadelijk op een moeilijkheid omdat in het algemeen de opvatting voet gevat heeft dat mens en dier in wezen niet verschillend zijn; kortweg gezegd, de mens is het hoogste zoogdier, maar in elk geval een dier. Er kan in dit bestek natuurlijk niet te lang over dit vraagstuk gefilosofeerd worden. In brede kringen begon deze opvatting pas geaccepteerd te worden in de vorige eeuw. Dat de wortels reeds vroeger liggen, doet daaraan niet af. Er zijn vele schrijvers die zich in de laatste jaren op dit onderwerp geworpen hebben en getracht hebben aan te tonen welk netwerk van illusies in de opvatting dat de mens een dier is, leeft [1].

Een korte beschouwing kan ons misschien reeds op de goede weg helpen om het onderscheid tussen mens en dier aan het licht te brengen.

Laten wij ons afvragen wat het verschil is tussen een moeder die een baby, en een hond die jongen verwacht. — Als de hondjes en de baby geboren worden kan men zeggen dat in beide gevallen geboren werd wat verwacht werd, doch nu begint zich een merkwaardig verschil te tonen. Men kan namelijk vragen: wat zal een klein hondje worden? Het enige juiste antwoord is: een grote hond. Wat is het antwoord op de vraag: wat zal de baby worden? Als men dan zou zeggen: een volwassen mens, moet men er toch rekening mee houden dat de moeder hiermee blijkbaar niet bevredigd is. Wanneer zij haar kind in de armen heeft, zal zij maar al te vaak zeggen: wat zal dit wel worden? Het is duidelijk dat het antwoord ’een volwassene’ niet voldoende zou zijn. Zij bedoelt iets totaal anders, iets wat zij nog steeds verwacht.

Wanneer treedt dit te verwachten ’iets’ in verschijning? Oppervlakkig gezien kent ieder het antwoord ten dele wanneer hij een jongeman of een jonge vrouw ontmoet, die hij de laatste keer nog slechts als kleuter heeft gezien. In een gesprek met de trotse moeder zal men dan vaak te horen krijgen: wie had dat ooit kunnen denken!

Wij mogen echter niet concluderen dat de verwachting hiermee ook werkelijk vervuld is. Dit zou betekenen dat men van zo’n jongeman of vrouw dus niets verder zou verwachten. Iedereen voelt dadelijk het absurde daarvan.

Wij kunnen nog verder gaan en vragen: zou een gezond mens, ook al is hij nog zo oud, ooit tevreden zijn met de uitspraak dat men van hem niets meer verwacht? Ik geef toe, wij kunnen dit alleen voor gezonde mensen zo stellen, doch kunnen er dan tegelijkertijd op wijzen dat wij hiermee inderdaad in de mens iets gevonden hebben wat te karakteriseren is met de uitspraak: het eigenlijk menselijke in ons is iets dat altijd verder verwacht wordt.

Doordenkt men deze gedachte, dan verbindt ze zich met het feit dat een moeder reeds in verwachting was vóór de geboorte van haar kind. De voorstelling dat de geboorte daarmee een poort wordt, waardoor een wezen vanuit het hiervoor-maals verwacht wordt, hoeft ons dan geen moeite te kosten, mits men geen vooroordelen in die richting heeft.

Zou men niet evenzeer de gedachte mogen uitspreken dat op dezelfde manier het eigenlijk menselijke ook door de poort van de dood verwacht wordt in dezelfde wereld waarvanuit het door de moeder door de poort van de geboorte verwacht werd? Dan dringt zich de gedachte aan ons op dat het eigenlijk menselijke, waarvan wij de metamorfose gaan zoeken, zich van het metamorfoserende in planten- en dierenrijk onderscheidt, omdat van plant en dier gezegd moest worden dat ze altijd hier bleven. Als dat niet voor de mens geldt is de mens dus een wezen dat gedurende zijn leven slechts als tijdelijke gast op de aarde vertoeft.
Daar de verdere inhoud van dit boek zich met dit probleem van de metamorfose van de mens bezig zal houden, moge het voldoende zijn hier het wezen van de menselijke metamorfose met slechts enkele zinnen te karakteriseren.

Wanneer wij ons in verband met de metamorfose van het dier het begrip ‘gedaanteverwisseling’ voor de geest halen, ligt het voor de hand om te vragen: waar vinden wij de eigenlijke gedaanteverwisseling van de mens? Deze vindt men, wanneer de mens tevens gezien kan worden in het licht van een wetmatigheid, waartegenover de moderne wetenschappelijke wereld – in zekere zin zeer begrijpelijk – grote weerstand biedt. Dat is die van de reïncarnatie.

Wanneer wij de verschillende vormen waarin een individualiteit op aarde leeft als evenzovele vormen van een metamorfose willen beschouwen, moeten wij ook hier de wet van polariteit en toename terug vinden. In hoeverre dit inderdaad mogelijk is zal later blijken.

Omdat er steeds weer opvattingen naar voren gebracht worden die in de mens slechts het hoogst georganiseerde dier zien, is het goed er nogmaals op te wijzen dat de gedachtegang, die hier ontwikkeld is, niet op dieren van toepassing is. Een dier is altijd een exemplaar van een soort. Men kan een dierenleven, bijvoorbeeld dat van een leeuw die nu leeft, bestuderen, doch men kon dat honderd jaar geleden ook gedaan hebben. Wanneer de leeuw die nu leeft gestorven is, zal ik over honderd jaar het leeuwenleven nog steeds kunnen bestuderen. In dat opzicht sterft een leeuw dus niet. Natuurlijk, het exemplaar sterft, doch ’het’ leeuw, ’het’ mier, ’het’ vis, de soort blijft bestaan.

Men zal hier onmiddellijk kunnen opmerken dat ook de mens als soort reeds op aarde bestond vóór zijn geboorte en nog bestaat na zijn dood. Het gaat er echter om in de mens als het specifiek menselijke datgene te vinden wat boven de ’soort’ mens uitgaat. Dit gebeurt daar, waar wij met de kern van de persoonlijkheid, met de individualiteit te maken krijgen. In de anatomie en fysiologie, feitelijk ook in de psychologie hebben we met de mens als soort te maken. Het zal echter in niemand opkomen zich bij een gegeven uit een anatomie- of fysiologieboek te vragen: over welk mens gaat het hier? Ook wanneer wij psychologie studeren, hebben wij te maken met zieleneigenschappen die in wezen aan elk mens eigen zijn.

Zodra wij echter met een biografie te maken krijgen, bevat die een inhoud die slechts voor die éne mens op de wereld geldt. De schijnbare tegenspraak die wij ontmoeten als we, speciaal bij de hogere dieren, onderlinge verschillen binnen één soort opmerken, waardoor wij in de verleiding kunnen komen ook bij een dier van een biografie te spreken, kan opgelost worden als men zich erin oefent individuele verschillen te onderscheiden van verschillen door individualiteit. [2]

Reïncarnaties kunnen dan, zoals gezegd, gezien worden als metamorfosen, als men wil, gedaanteverwisselingen van een individualiteit, van een geestelijk wezen dat zich, telkens weer opnieuw in een biografie, in het gebied van ruimte en tijd openbaart. Men kan aldus reïncarnatie ook beschrijven als de metamorfose van een biografie.

De gegeven gedachtegang kan het ons mogelijk maken te begrijpen dat de mens zich – in tegenstelling tot plant en dier – op een bepaald ogenblik van zijn metamorfose van de aarde voor een zekere tijd geheel terugtrekt. Met deze korte aanduiding moet hier voorlopig worden volstaan. In hoofdstuk 4 wordt er nog meer over gezegd [3].

Vorm en wezen

Polariteit en toename zijn algemeen bekende begrippen geworden. Ze zijn echter fenomenen die, zoals gezegd, direct wijzen in de richting van de verbindende eenheid van een wezen dat zich in deze verschijnselen openbaart. Wij leven in een tijd waarin, vooral in de moderne biologie, het woord wezen, dat als een onzichtbaar iets scheppend zou werken in de vormen om ons heen, niet meer voorkomt doch integendeel beslist afgewezen wordt als onwetenschappelijk. Men kan uit deze impasse alleen geraken als men ontdekt en wil toegeven dat, op het ogenblik dat men, als men van een enkele waarneming naar een reeks waarnemingen die men combineert overgaat, ontdekt dat deze samenstelling meer openbaart dan de som van wat elk der afzonderlijke feiten ons leert. Daarmee kan men niet meer in die zin wetenschappelijk blijven als men oorspronkelijk gewild heeft. Wie feiten combineert stelt iets samen, hij schept een compositie en begint de natuur zelf als een compositie te zien. Daarmee is hij onherroepelijk in het gebied van het kunstzinnige terecht gekomen! Dit is één van de redenen waarom er op het gebied van de biologie en antropologie, vooral ook op het gebied van de evolutieleer, zo veel meningen en onenigheden bestaan. Over feiten zelf zal men het altijd wel eens kunnen worden. Bij het samenstellen ontstaat er een resultaat dat op verschillende manieren aan kan spreken. Het wetenschappelijke is dan niet volledig van het kunstzinnige te scheiden, hoezeer men dat ook zou willen.

De weerstand die een kunstzinnige beschouwing in de wetenschap in het algemeen ondervindt, heeft mijns inziens een heel speciale achtergrond. Het woord compositie roept namelijk de associatie met het woord componist op, doch hiermee wordt het begrip wezen, scheppend wezen in een wetenschappelijke beschouwing geïntroduceerd. Daarmee verschijnt echter onvermijdelijk ook een religieus element in onze gedachtegang.

Hiermee wordt op een belangrijk strijdpunt gewezen tussen twee groepen van evolutionisten, wetenschapsmensen die zich met de evolutieleer bezighouden. Een deel redeneert als volgt: wanneer we een horloge zien, kunnen we niet anders dan onmiddellijk de conclusie trekken dat een horlogemaker aan het werk geweest moet zijn. Geen horloge zonder een wezen dat het horloge geschapen heeft. Aangezien de levende natuur vormen vertoont, waarvan we niet kunnen aannemen dat ze ooit door toevallige samenballing van materie ontstaan zijn, kunnen we niet anders dan achter het ontstaan van de natuurvormen ook een scheppend wezen denken.

De tegenstanders van deze gedachte nemen vanzelfsprekend wel aan dat een horloge door een horlogemaker vervaardigd is. Zodra men echter met vormen in de natuur te maken heeft, willen ze deze gedachte niet consequent voortzetten, omdat, zo zeggen ze, het niet wetenschappelijk is met het begrip horlogemaker te werken, waar deze niet als zichtbaar wezen verschijnen kan. ’Geen horlogemaker, no watchmaker!’ is de leuze. Men kan dit ook aldus uitdrukken: Men wil onder alle omstandigheden een begrip vermijden dat nog enigszins aan religie doet denken, waarbij de gehele schepping als het resultaat van activiteiten van een ongeziene wereld beschouwd zou moeten worden. Het is in te zien, dat deze moeilijkheid alléén dan te vermijden is, wanneer men in de ‘zuivere’ wetenschap niet verder zou willen gaan dan de zintuiglijke waarnemingen zonder enige samenhang te beschrijven. Dan blijft men exact. Doch voor deze wetenschap zouden slechts weinig mensen een werkelijke interesse hebben.

Maar waarom wil men per se het begrip ongeziene wereld met onwetenschappelijk afdoen? Is een gedachte, is een gevoel, is zwaartekracht zichtbaar? Wij moeten nooit vergeten dat de voornoemde houding pas op een speciaal ogenblik in de 19e eeuw naar voren gekomen is, toen men om zo te zeggen overeenkwam alleen nog verklaringen vanuit de zichtbare wereld te accepteren. Daarmee stelde men echter een dogma op. Voor mij is dogma iets dat werkelijk onwetenschappelijk genoemd kan worden.

Wanneer men dus bemerkt dat met het invoeren van een kunstzinnige
benadering in een wetenschappelijke beschouwing iets van een religieus element aan de horizon verschijnt, zou men daarvoor niet terug moeten schrikken. Men zou moeten zeggen: wetenschap van de natuur om ons heen kan alleen dan volle bevrediging geven als ze het in elk van ons levende kunstzinnige en religieuze element aanspreekt. Het zal duidelijk zijn dat dit met het begrip godsdienst, zoals dit woord op het ogenblik nog veel gehanteerd wordt, niets te maken heeft. Toen Louis Bolk in zijn evolutietheorie tot de uitspraak kwam dat voor hem de mens niet als toevallige verschijning op het dierenrijk volgde, maar dat de idee mens van den aanvang af in de dierenevolutie een leidende rol gespeeld heeft, zei hij: ’Op grondslag van aanpassing en selectie kan de evolutie niet anders zijn dan een resultaat, terwijl ik voor mij er liever iets principieels in zie. In zijn uiterste consequentie toegepast moet dit standpunt voeren tot de mening dat in het laagste, laat ik het maar aanduiden als oerorganisme, reeds de noodzakelijkheid besloten lag der menswording. Men zou kunnen opmerken dat elke nieuwe vorm dan tot op zekere hoogte een vormnoodwendigheid zou zijn, ontstaan door de actie van die, de evolutie regulerende en beheersende, in het organisme zelf wonende factor. De opmerking is juist, maar ik wijk voor de consequentie niet terug. Het klinkt mystiek, maar geeft mij zelf toch meer bevrediging dan de consequente toepassing van de selectie- of aanpassingstheorie als enig leidend beginsel der evolutie, waarbij ten slotte de menswording louter spel van het toeval geweest was’[4].

Ik meen dat ook wij er zo langzamerhand eveneens aan toe zijn voor zulke consequenties niet terug te wijken. Wij moeten er alleen voor zorgen een element als voornoemd niet als hypothese in te voeren. Als consequentie van een bepaalde benadering is zij in de meest ware zin van het woord wetenschappelijk verantwoord.

Vorm en genetische structuur

Er is zo-even gezegd dat er in ’t algemeen in de wetenschap, daar waar men zich bezig houdt met gedachten over het ontstaan van vormen (onder meer in de theorieën over evolutie) een grote weerstand bestaat tegen het begrip scheppend wezen; een werkelijkheid naast de in de zichtbare wereld werkende krachten wordt gewoonlijk verworpen. Men zal van dat gezichtspunt uit het ontstaan van de vormen in de levende natuur verklaren door erop te wijzen dat deze het gevolg zijn van de genetische structuur in hun chromosomen. Het is hier niet de plaats om in filosofische beschouwingen hierover uit te weiden. Een enkel voorbeeld uit de praktijk moge het standpunt dat ik ten opzichte van dit vraagstuk inneem, verduidelijken.

Men ontmoet zeer vaak de opvatting: ’Onze gedachten zijn een product van onze hersenstructuur; feitelijk denken onze hersenen’.

Als argument voert men dan aan, dat bij een bepaalde verstoring van die structuur óók een storing in het denken optreedt. Wanneer echter een musicus een piano bespeelt, zal de toestand van het mechaniek, van de toetsen, snaren enzovoort een voorwaarde zijn voor het juiste ten gehore brengen van de compositie. Als er een en ander in het instrument niet werkt of afwezig is, kan het stuk niet goed gespeeld worden. Toch zal niemand kunnen zeggen dat de piano het stuk speelt. Wij spelen en hebben daarvoor een goed instrument nodig. Wij denken en hebben daarvoor gezonde hersenen nodig.

Hetzelfde ontmoeten wij in het samenspel van scheppend wezen en de zogenaamde genetische structuur in onze beschouwing. Als deze structuur verstoord wordt, zal men slechts een verminkte openbaring te zien krijgen. Wanneer zal men eens inzien, dat de vele variaties die men door een gewelddadige beïnvloeding van buitenaf op de genetische structuur, bij de zogenaamde Drosophila-vlieg in het leven roept, niets anders dan de misvormde openbaringen van het eigenlijke wezen zijn!

Wanneer dan de vraag: ’Wat is de oorzaak van de genetische structuur?’ gesteld wordt, is het antwoord hierop niet moeilijk; zij is mede het resultaat van de activiteit van het scheppende wezen dat zich een vorm, tot in alle finesses toe, heeft geschapen en zich daarin ten slotte openbaart. Inderdaad een vorm tot in alle finesses, tot in de kleinste onderdelen van de vorm, tot in de formule toe! [5] In elke schepping van een kunstenaar ervaren wij hetzelfde; met elk product van onze techniek is het niet anders gesteld. Dat men zich dit niet realiseert, komt omdat het scheppende, geestelijke wezen mens, dat een ieder dus zonder uitzondering, uit eigen ervaring kent, steeds meer en meer miskend en over het hoofd gezien wordt. Dat laat duidelijk zien dat wanneer men de vorm door een genetische structuur wil verklaren men feitelijk niets anders doet dan het oorspronkelijke probleem naar een ander punt verplaatsen.

Daarom heeft de gedachte dat leven, ziel en geest slechts functies van materiële vormen zouden zijn, een heel speciale achtergrond. Zij hangt samen met de voorstellingen die zich in de loop der eeuwen over het begrip materie in ons cultuurleven ontwikkeld hebben. Deze voorstellingen moesten de vroegere overtuiging dat de zichtbare wereld door een geestelijk wezen geschapen was, aan het wankelen brengen.

Immers, als men leven, ziel en geest als iets werkelijks opvat, dat een eigen bestaan leidt in onze materiële wereld, dan moet men kunnen begrijpen hoe de vormen ontstaan zijn waarin leven, ziel en geest verschijnen.

Vroeger heeft men daar geen probleem van gemaakt. Een werkelijke geestelijke wereld, die op zich zelf door ons niet waargenomen kan worden, doch die we in de natuur om ons heen in haar openbaring waarnemen, werd als een vanzelfsprekendheid gevoeld. Hierin kwam verandering toen men zich over het wezen van de materie voorstellingen trachtte te maken. Deze voorstellingen ontwikkelden zich in een richting die de vraag opwierp: Kan de vroegere gedachte, dat de wereld door een geestelijk wezen (’God’) geschapen is, nog volgehouden worden? De wereld die wij zien is een materiële. Hoe kan een geestelijk wezen met totaal andere kwaliteiten dan die, welke wij aan de materie moeten toekennen, met deze materie in wisselwerking treden?

Om dit te begrijpen moeten wij ons eerst bewust zijn van de diepe kloof die gaapt tussen twee opvattingen: ’geest heeft de materie gevormd’ enerzijds, en ’geest is een functie van de materiële vorm’ anderzijds. Op dit laatste ben ik in mijn boek ‘De aangeklede engel’ [3] uitvoerig ingegaan. Ik heb daar getracht aan te tonen dat vormen nooit functioneren, dat altijd het scheppende principe zelf met, of in de vorm, functioneert. Daarnaast is dus nu voor ons dit de belangrijkste vraag: hoe kan de brug tussen geest en materie geslagen worden?

Het ontstaan van vormen

Wij hebben hierbij met een tweeledigheid te maken: met datgene wat vormt, wat zich uitdrukt en met datgene wat wij het materiaal kunnen noemen, zoals we ook bij een kunstenaar van zijn materiaal spreken.

Nu is een kunstenaar een stoffelijk, zichtbaar wezen en het is voor ons geen probleem dat hij in staat is vormen in materie te scheppen.

In het geval van vormen in de natuur, en dus ook in het skelet, zullen wij een scheppend principe, zoals het hier al zo vaak genoemd is, ook moeten aanvaarden, al hebben wij hier niet met een zichtbaar wezen te maken. Datzelfde werd bedoeld, toen in het vorige hoofdstuk over ’wezen’ gesproken werd in verband met het begrip metamorfose.

De vraag die nu begrijpelijkerwijze rijst is: Als wij een scheppend wezen in dit geval moeten karakteriseren als niet-materieel, onzichtbaar, bovenzintuigelijk (in het Duits: ’übersinnlich’), hoe kan een dergelijk wezen dan de materie in de concreetheid, zoals wij haar kennen, aangrijpen, hanteren? Grof gezegd: Hoe kan geest materie beetpakken? [6]

Deze vraag geldt feitelijk alleen voor de oorsprong van de levende vormen in de evolutie. Zodra deze op aarde eenmaal verschenen zijn, geldt de algemeen bekende wet: Het levende komt uit het levende voort. Zowel bij verborgen leven (in het zaad of het ei) als bij het geopenbaarde leven (bijvoorbeeld de bloem) hebben wij dus altijd met een levend wezen op aarde te maken.

Misschien zal men zeggen dat het nodig is een definitie van het begrip leven te geven. Ik volsta hier met het citeren van een zin van Prof. Bolk (Hersenen en cultuur), waarin hij uitspreekt: ’Voor mij is het leven een vormprincipe sui generis’. — Leven en vormen scheppend worden daardoor identiek. Ik kan hier volledig achter staan. Wil men een begrip ontwikkelen over het hoe van de oorspronkelijke synthese leven-materie, dan is materie hier in principe dus de zogenaamde dode materie uit het mineralenrijk. Wij moeten ons vervolgens voor de geest halen dat het mineralenrijk gebieden vertoont die men vroeger de vier elementen aarde, water, lucht en vuur noemde, waarvan men het wezenlijke verschil door het invoeren van het begrip aggregaatstoestanden verregaand uit het oog verloren heeft.

Voor velen nu zal het een verrassing zijn te horen dat deze vier elementen tot op zekere hoogte ook weer het principe van een metamorfose vertonen.

Wij moeten begrijpen dat metamorfose hier noodzakelijkerwijze iets anders betekent dan in het voorafgaande, omdat er in de minerale wereld – waar het hier om gaat — niet op dezelfde manier van het leven en van vormen gesproken kan worden. Men noemt haar immers juist vormloos, amorf, waarbij wij hier even af moeten zien van het rijk van de kristallen, die een vraagstuk op zichzelf zijn. Wij hebben te maken met kwantiteiten, kwaliteiten en eigenschappen.

Er kan alleen dan een verband met metamorfose gevonden worden, als we kunnen aantonen dat ook in het mineralenrijk iets in verschillende gedaanten verschijnen kan, zoals wij dat van het wezen gezegd hebben in het gebied van de vormen van de levende natuur. Wij zullen dan tevens ook weer iets van een tegenstelling en een toename moeten vinden.

Aarde, water, lucht en warmte zouden verschillende verschijningsvormen van iets gemeenschappelijks moeten zijn. Dat lucht, water en aarde als toestanden in elkaar kunnen overgaan is bekend. Men kent ontelbare stoffen in gasvormige, vloeibare en vaste toestand. Zodra echter het element warmte of vuur aan de orde komt, bestond er tot voor kort in de fysica een onoverbrugbare kloof tussen warmte en materie. Warmte was immers arbeidsvermogen van beweging. Van een overgang, bijvoorbeeld van warmte naar lucht (lucht-materie) kon in een wetenschappelijke beschouwing nooit sprake zijn.

Dit is thans anders geworden, sinds men tot de conclusie moest komen dat ook materie, dus zowel vaste en vloeibare als gasvormige, in laatste instantie als verdichte energie opgevat moet worden. Daarmee was het essentiële verschil tussen warmte en materie opgeheven. Arbeidsvermogen en energie drukken ten slotte met verschillende woorden hetzelfde uit.

Hiermee moge op het ogenblik volstaan worden. Energie is dan dus het principe waar wij naar gezocht hebben toen wij ons tot taak stelden de vier elementen als metamorfose van elkaar te beschouwen; energie vertoont zich hier in vier gedaanten: die van warmte, lucht, water en aarde. Dat we tevens met een polariteit en een toename te maken hebben van verdichting en verdunning is duidelijk. Daarmee wordt echter een brug geslagen tussen de begrippen wezen en materie, als men deze laatste ontstaan denkt door verdichting van een warmte-toestand. Wat is energie? Hoe komen wij aan dat woord? Energie hebben betekent in het menselijke leven: tot activiteit in staat zijn. Hoe verwant is dit begrip met ons woord wil.

Wij kunnen nu nóg een stap verder gaan.

Er is in het voorafgaande al zo vaak over vormende krachten gesproken. In de chemie en in de fysica komt het woord kracht ontelbare malen voor. Maar is het woord kracht eigenlijk niet een volkomen leeg, abstract begrip, als wij niet aan een wezen denken waar die kracht van uitgaat? Ik weet maar al te goed hoe ver het tegenwoordige wetenschappelijke denken zich van zulk een conclusie verwijdert. Ik ben er evenzeer van overtuigd dat het er vlak vóór staat. Jaren geleden sprak een vriend tijdens een discussie uit: ’Wil is een kracht die in staat is een weerstand te overwinnen’. Ik vond en vind dit nog steeds een zeer goede omschrijving. Daarmee wordt van wil als van een kracht gesproken.

Wanneer deze wil tot scheppen ’in den beginne’ bestaan heeft en we vragen ons weer af: hoe heeft geest materie kunnen pakken, moeten we ons in elk geval voorstellen dat deze materie slechts warmte geweest kan zijn. Warmte is de brug, de schakel tussen wil en onze dichtere materie.

Zo komen wij tot een wonderlijke, misschien wel wonderbaarlijke reeks: willend wezen, kracht, warmte, materie, vorm. Wanneer hier vorm genoemd wordt, spreekt het wel vanzelf dat door de genoemde factoren pas dan een vorm kan ontstaan als wij weer aan het begrip gezichtspunt denken, dat wij van te voren al ingevoerd hebben. Zonder dit kan er nimmer sprake zijn van een inhoud, een idee die aan elke vorm ten grondslag moet liggen, wil zij niet slechts een contour zijn.

Dat een geestelijk wezen een bron van willen, kracht en activiteit is en daardoor, van een gezichtspunt uitgaande, tot vormen-scheppen in staat is, is een dagelijkse ervaring van ieder mens. Dat de mens op het ogenblik op aarde het enige scheppende wezen is in een zichtbare gedaante, doet niets af aan het feit dat hij in werkelijkheid een geestelijk wezen is.

Men heeft in vroegere tijden de wereld altijd als een schepping van geestelijke wezens gezien. Dit zien, deze vorm van weten is langzamerhand verloren gegaan. In de antroposofie* wordt over deze wezens, die men hiërarchische wezens noemt, met dezelfde concreetheid gesproken als wij dat doen over de zichtbare wezens om ons heen.

Het ligt nog ver van ons af om te overzien hoe de overgang van wezen en energie enerzijds, naar de verdichting van de warmte tot in de zichtbare vormen anderzijds, plaats vindt. Deze laatste verschijnen bovendien nog in zoveel soorten, zoals planten, dieren en mensen. Even ver ligt echter voor het wetenschappelijke denken bijvoorbeeld het begrip energie, die de essentie van de materie blijkt te zijn, af van de uiteindelijke toestand waarin zij als mineralenrijk verschijnt.

Ik ben mij er dan ook van bewust slechts allereerste aanduidingen voor een oplossing gegeven te hebben. Een groot aantal vragen blijft voorlopig onbeantwoord liggen. De voornaamste bedoeling was te laten merken hoe de moleculaire voorstellingen over materie zich in de laatste eeuwen tot voor kort in een zodanige richting ontwikkeld hebben dat de tegenwoordige materialistische wereldbeschouwing er het gevolg van moest zijn!

Ik houd deze ontwikkeling echter voor uiterst belangrijk, omdat men ertoe gekomen is in scherp geformuleerde gedachten te denken. Dit denken, dat steeds beter leert onderscheiden, moet echter als het consequent blijft, voortdurend weer bereid zijn eens gevormde stellingen op te geven, ingewortelde voorstellingen om te buigen. Zij heeft dit ook voortdurend gedaan. Doch hoe vaak ontmoet men steeds weer de neiging op elk ogenblik te zeggen: nu weten wij het eindelijk. Ons denken moet niet verstarren, doch beweeglijk blijven. Laten wij onze blik steeds open houden voor nieuwe ontdekkingen en opvattingen.

[1] Zie o.a. Hermann Poppelbaum: Mens en dier, uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist 1973
[2] Steiner ‘Theosofie’ GA 9, vertaald
[3] In De aangeklede engel (uitgegeven bij Vrij Geestesleven, Zeist) heb ik getracht aan te tonen dat de reïncarnatiegedachte dan pas verantwoord uitgesproken kan worden, als men eerst in de mens dat principe heeft leren onderscheiden waarvoor reïncarnatie denkbaar, acceptabel zou zijn, zowel als datgene waarvoor zij beslist niet geldt.
[4] Hersenen en cultuur, pag. 49 ff.
[5] Formule betekent kleine vorm
[6] Dit is geen voetnoot in het boek van Mees, maar inmiddels heeft de antroposofische arts Arie Bos een boek gepubliceerd dat dit onderwerp uitvoerig behandeld: ‘Hoe de stof de geest kreeg‘.

.

L.F.C. Mees ‘Geheimen van het skelet’   (volg link voor een PDF-versie)

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2526-2369

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (3-1)

.

Helmut von Kügelgen, Erziehungskunst jrg. 15-8-1951
.

de eerste kennismaking met de scheikunde*
.

Schets van een onderwijsperiode

De opvatting over het periodeonderwijs zoals dat op de vrijescholen sinds de oprichting daarvan wordt gegeven, wint terrein. De commentaren op de nieuwe onderwijsorganisatie in Württemberg hebben betrekking op het voorbeeld van de vrijescholen en raden aan, in ieder geval voor bepaalde vakken om de lesstof concentrisch te behandelen in een onderwijsperiode van enkele weken.
Ook in Beieren zijn er, overigens zonder het voorbeeld van de vrijeschool te noemen, voor een paar vakken perioden ingevoerd; de ouders werden er door de pers op voorbereid dat hun kinderen nu een keer drie weken lang het zwaartepunt gaan leggen op bepaalde lesstof. In een paar streken in Noord-Duitsland moest het verbrokkelde leerplan wijken – in ieder geval in de basisschool – voor ‘totaalonderwijs’, d.w.z. dat de leerkrachten vrij zijn op een meer harmonische manier vakken die tot nog toe apart werden gegeven, bij elkaar te nemen. Het schetsen van de opbouw van een periode zal daarom steeds meer in de belangstelling komen te staan.

De onderstaande schets van een scheikundeperiode heeft ook nog een ander doel. Het is voor de leerkracht steeds stimulerend te zien hoe een ander het aangepakt heeft bij het voorbereiden van de eigen periode – en de ouders die het wetenschappelijk onderwijs aan hun kinderen met een paar beelden en gedachten vergezeld willen laten gaan, vinden er wellicht ook een stimulans in.

Een periode slaagt alleen maar in de samenwerking van leerkracht en klas, d.w.z. het is een gegeven van de lotsomstandigheden en ook van de vaardigheden die ze allebei meenrengen. Daarom zijn er geen normen. De periode is altijd persoonlijk vormgegeven en kan voor de kinderen als een klein kunstwerk ontstaan. 
Hier wordt een poging gedaan iets van dit levende proces weer te geven.

 Als de kinderen 13 jaar zijn (7e klas), wanneer ze op de grens staan van hun derde zevenjaarsfase en in de puberteit komen, moeten hun interesses steeds intensiever vergroot worden. Nu zijn ze in staat om zaken te gaan begrijpen die niet direct met de mens verbonden zijn; het is echter nog niet aan te raden het beeldende bij de behandeling van de stof achterwege te laten. Juist als de kinderen begeleid worden naar de maatschappelijke omgeving, moet je abstracties vermijden, want die kunnen ze alleen maar leren en niet beleven. 
Met dit als achtergrond wordt er veel niet gegeven van wat in de gangbare lesboeken al aan het begin staat. 
Wij hebben alles gedaan nog zonder chemische formules – we hebben ook het opsommen van stoffen als chemisch element vermeden en zijn grootsere processen nagegaan. Water bijv. hebben we nog als eenheid behandeld en het splitsen daarvan in waterstof en zuurstof voor later bewaard.
Bij de lucht is het wat ander. De kinderen kennen het verschil tussen frisse en bedompte lucht; ze weten door de plantkundelessen dat met behulp van het zonlicht de plant in het luchtelement groeit: nu zou je de lucht die tot nog toe ook als één ‘ding’, één element’ werd gezien, kunnen onderzoeken op meer elementen.
Je moet je goed realiseren dat je nu wat in de kinderwereld nog één was, a.h.w. gaat ondergraven, dat het anders is en dat de kinderen dat goed moeten ervaren.
De ‘voeding’ voor de vlam en de opbouw van de plant uit de lucht zijn eigenlijk verbazingwekkende wonderen. Deze verwondering voor de wat simpele feiten is toch de juiste begeleiding bij de verarming die de abstracties met zich mee brengen. 
Spannende proeven die een kind niet kan begrijpen of meebeleven, waarbij het zich alleen maar verwondert, brengen het in de war of roepen negatieve sensatiegevoelens op.

Wanneer je bij scheikunde niet met losse stoffen begint, maar met processen die zich voordoen, moet je ook bij dit vak dezelfde weg bewandelen die bij een kunstzinnige opvoedingsmethode op elk terrein zijn vruchtbaarheid bewijst: het doen staat voorop. Gevoel, beleving gaat daarmee hand in hand, het begrip komt later. 
In het taalonderwijs gaat het bijv. eerst om het ‘doe’woord – het werkwoord, vervolgens om het ‘hoe’woord – het ‘eigenschapswoord’ (bijvoeglijk of bijwoordelijk) en als laatste om het ‘noem’woord – het zelfstandig naamwoord.

Het verdergaande proces levert het kind een beeld waarin het begrip al zit. En met name een levend, kiemkrachtig, ‘onaf’ begrip dat met het kind mee kan groeien, duidelijker gaat worden, omvattender. 
Juist het enthousiasme bij de eerste kennismaking brengt een menselijk-morele basis mee voor alle latere fasen die niet meer verloren gaat. Je moet niet vergeten dat deze eerst ervaringen bijna onuitwisbaar zijn en zowel wat het goede als het verkeerde betreft een leven meegaan. Daarom wordt steeds de relatie gezocht tussen de scheikundige processen en wat zich in de mens afspeelt. Als hoogtepunt moet de belangstelling van de kinderen uitmonden in ‘menskunde’. Ook worden er natuurlijk zoveel mogelijk voorbeelden uit het dagelijks leven gezocht, met het doel om technische en economische processen te gaan begrijpen, omdat zo ook een mogelijkheid gegeven is om sociale omstandigheden te leren doorzien die niet door geboden of theoretisch stimulerende praatjes te vervangen is.

Verbranding*

De heer van de elementen, het krachtige, veranderende, scheppende vuur vertoont de kinderziel een oerbeeld van een wereldmacht die de stof aangrijpt.

Het doel van het eerste deel van deze periode was om te laten beleven dat vuur meer is dan vlammen, dat het een wereldprincipe is, een gebaar van de schepper. 
Iets aan algemene basiskennis, maar dit dan diepgaand en diep ervarend moet worden uitgewerkt.

Ik begon met het aansteken van een lucifer en het aandachtig bekijken van de vlam en dit proces te benoemen. 
Daarna werd er papier, een kaars, hout en dorre bladeren, vet, brood, suiker, rubber, alcohol, petroleum verbrand en later werd ook nog een gasvlam aangestoken.
Door het waarnemen wordt duidelijk:
warmte, licht, rook, damp, geur, roet streven naar boven. Maar damp en roet slaan ook weer neer, die behoren meer bij wat als iets zwaars, vormloos, als as neervalt.
Deze aardse stoffen zijn totaal veranderd. De kracht van het vuur heeft gescheiden wat in het leven als eenheid bestond. Als we erover nadenken, zien we dat alles wat we in brand staken uit het rijk van het leven stamt. Zo komen we bij de eerste basisregels die vanaf nu de scheikundeles kunnen begeleiden:

Vuur scheidt de stof – alle stoffen die uit iets levens komen, zijn brandbaar.

Dat met de vlam slechts een beeld gegeven is, niet het wezen van het vuur, wordt duidelijk zodra we voorwerpen zo in de vlam houden, dat die ze niet grijpen kan, bijv. kopervitriool in een reageerbuisje. 
De blauw-groene kristallen, waar de kinderen zo dol op zijn, vallen uiteen tot een vormloos, asachtig, witachtig poeder – er stijgt waterdamp op. Het vuur heeft gescheiden – maar een paar druppels water doen de groen-blauwe kleur terugkeren en vanuit de oplossing ontstaan weer de kristallen. 

Weer wordt er een basale wet geformuleerd die van blijvende betekenis is:

Zoals het vuur de stoffen scheidt, zo brengt het water ze weer samen

De elementaire kracht van het water die alles onzelfzuchtig verbindt, wordt langzamerhand zichtbaar. De vier elementen als fundamentele krachten van de natuur kenden de kinderen al. Nu beginnen ze die in een nieuw perspectief te zien. Hier zie je een voorbeeld van hoe begrippen groter worden en anders. Nu zien de kinderen de elementen als krachten, als aanzet van processen die door de schepping heen werken. 
Het vaste, zware dat zich samentrekt, het gasvormige dat de ruimte in wil, zich snel wil verspreiden (bijv. bij de stank van het verbrande rubber). Hier klinken a.h.w. grondakkoorden. 

Vóór je hout gaat verbranden zou je de kinderen in een vertelling waaraan de kinderen iets moois beleven, groei en leven van de bomen in het bos moeten schetsen. De volheid van het licht in de lente in een beukenbos; hoe het doordringen van het zonlicht en de warmte het leven weer wekt. Staand in warmte van de zon en in de verwarmde lucht met behulp van het water dat alles verbindt, dat je in het droge hout haast niet meer terugvindt, vormt de boom jaar na jaar de jaarringen. 
Alles wat leeft neemt warmte en licht op en als het vuur ingrijpt, wordt dat weer teruggeven. 
In de kachel stoken we de verkoolde planten die lange tijden geleden van de zon haar gaven kregen.
Bij het verbranden wordt zichtbaar hoe de kracht van het vuur stap voor stap het scheiden voltrekt. De stukken beukenhout verhit in een ijzeren pijp worden zwart en verdwijnen. Wat verdwijnt wordt opgevangen: in een waterfles verzamelt zich vloeibaar houtteer; aan het einde van de pijp stroomt iets naar buiten wat ik weer kan aansteken. De samenhang van het vaste moet opgeheven worden, want alleen het gasvormige kan vlammen vormen; dat kun je nu ook bij de kaarsvlam zien. En een vlam kan alleen ontstaan als er ook lucht bijkomt. (Houtskool branden)

Een eenvoudige proef laat zien dat om met een vlam te verbranden er lucht nodig is, zelfs dat kracht van het vuur de chemisch samengestelde lucht verdeelt om met een deel ervan de zichtbare vlam te voeden.
Boven een kaars die op een kurk drijft, wordt een glas geplaatst. Na enige tijd dooft de vlam – water dringt in de leeg geworden ruimte omhoog en vult ongeveer een vijfde op: de levenslucht van de vlam is opgebruikt, zoals ook wij in een afgesloten ruimte zouden stikken. 
Omdat er altijd kinderen zijn die weten dat het om zuurstof gaat en dat ook zeggen, ga je daarop in, zonder meteen al te verklaren waarom deze naam is gekozen.

Als we nog meer verschijnselen van het verbranden laten zien, moeten we ook naar het rijk van het ‘levenloze’ gaan. Dan ontstaat zeker de vraag of er op aarde niet een bepaalde tijd een ontwikkelingsfase was waarin deze stoffen als iets levends groeiden, zoals bijv. de steenkool. Maar deze vraag wordt nog niet beantwoord.
Met name in het begin van de periode kunnen er vele vragen ontstaan die we nog openlaten. 
De kinderen moeten op deze leeftijd vragen leren stellen, maar ook leren daarbij geduld te hebben. Vragen die niet beantwoord worden, maar vragen zijn vanuit het hart, zijn voor de ontwikkeling van de jonge zielenkrachten zelfs vruchtbaarder dan de antwoorden die niets meer zijn dan klare, afgeronde begrippen (abstracties) waaraan je tot het eind van je leven niet meer mag tornen. Daardoor wordt innerlijk luisteren gestimuleerd, een bepaalde inspanning, je wil tot iets komen, het gaat om toekomstkrachten. Het kind leert zich te interesseren en deze interesse te verzorgen. Want de rijkdom van de wonderbaarlijke schepping toont zich alleen aan degene die daar vragend bij betrokken is.

Een stuk staal wordt in het vuur roodgloeiend. Het rode koper krijgt een donkere laag, terwijl de vlam groen oplicht, maar de metalen kunnen pas verbranden, wanneer er veel lucht bij kan komen.
We nemen metaalpoeder waarbij zich om de kleinste deeltjes lucht bevindt.
IJzervijlselsnippers branden in een roodachtig-gele vonkenregen. Zinkpoeder laat de vlam in vaal spookachtig licht groen-blauw oplichten. Deze kleur is met geen enkele te vergelijken van de vlammen die we eerst zagen. Aluminiumpoeder vertoont zich flitsend in een verblindend wit licht dat pijn doet aan onze ogen. Nog feller, nog meer zijn afkomst uit een vreemde wereld verradend licht het magnesium op. Een hoopje poeder gloeit – door de lucht gegooid gaat het als een vlammenbal uit. 
Bij alle verbrandingen van metaal blijft een kruimelige rest achter.
Er wordt nog niet uitvoerig op de metalen ingegaan, behalve dan op het ijzer waarvan de vlam dicht bij de vlam komt van het verbranden van stoffen uit het bereik van het leven. De kinderen krijgen geen genoeg van de vonkenregen. 
Over het ijzer wordt veel verteld. Vooral over zijn betekenis in de levenssfeer, in het menselijke bloed. 
In de periode, waarmee in de herfst werd begonnen, kan nu ook verteld worden over het bewustzijns – en wilskracht wekkende vermogen van het ijzer in het bloed waarmee op een verrassende manier een link kon worden gelegd naar het Michaëlsfeest.
Een volgend uitstapje – beide werden in de huiswerkopgaven verwerkt- legde een verband tussen de menselijke kennis en de historische daden van de menselijke geest waaraan wij onze beschaving te danken hebben.
Een scène zich afspelend in het door gaslicht verlichte laboratorium van Robert Bunsen, dramatisch-spannend verteld en met het enthousiasme uit de begintijd van onze techniek doorspekt, werd voor de kinderen afgespeeld. Bunsen scheidde de gasvlam in een licht- en warmtevlam. Met zijn aanwijzingen vervaardigden de technici de bunsenbrander die door de toevoer van lucht de intensiteit van de warmte buitengewoon verhoogde.
Tot aan onze gashaard – ook het vuursteentje van de gasaansteker is door de metaalverbranding te verklaren – tot aan de gasvlam bij het lassen dat in het economisch leven zoveel gemak met zich meebrengt: dat danken wij aan de eenvoudige ontdekkingen van Bunsen.
Wanneer je dan zijn betekenis voor de ontwikkeling van de scheikunde noemt, voor de spectraalanalyse, span je ook al weer een boog naar de toekomst en bereid je al voor wat pas jaren later lesstof zal zijn.

*De opbouw en het kunnen geven van de periode dank ik aan de aanwijzingen van de overleden eerste schoolarts en scheikundeleraar van de vrijeschool, Eugen Kolisko.
.

Deel 2     deel 3

7e klas scheikunde: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2525-2368

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/7)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 302A

Voordracht 5, Stuttgart 21 juni 1922

Blz. 74

Dann aber ist zu berücksichtigen, daß nun der Übergang, den ich etwa kurz damit kennzeichnen möchte, daß ich sage, das Kind findet den Übergang von der Kenntnis zur Erkenntnis -es ist charakteristisch, daß dieser Übergang von der Kenntnis zur Er­kenntnis eigentlich mit einer großen Schroffheit geschieht -, daß man daher durchaus, gerade wenn man von der einen Unterrichtsstufe, die
bei uns in der 9. Klasse liegt, zur Unterrichtsstufe, die bei uns in der 10. Klasse liegt, heraufrückt, dann berücksichtigen muß, daß weitaus die meisten Kinder, sich selber unbewußt, diesen Übergang von der Kenntnis zur Erkenntnis durchaus durchmachen. Es beginnt dann näm­lich der Drang der Menschenseele, dasjenige, was an sie herankommt, in der Urteilsform zu verarbeiten.

Dan moeten we echter in de gaten hebben dat nu de overgang bij het kind ontstaat van kennis naar oordelend kennen – het is karakteristiek voor deze overgang dat die eigenlijk vrij ongenuanceerd plaatsvindt – en dan moet je je goed realiseren dat je met name wanneer je van het ene onderwijsniveau dat bij ons in de 9e klas ligt verdergaat naar de onderwijsfase die bij ons in de 10e klas ligt, verreweg de meeste kinderen het zich niet bewust zijn dat ze deze overgang van kennis naar oordelend kennen doormaken. Dan begint namelijk de drang in de ziel van de mens te ontstaan om wat op hem afkomt op een oordelende manier te verwerken.
GA 302A/74
Niet vertaald

Voordracht 6, Stuttgart 22 juni 1922

Blz. 101/102

Wenn das Kind dann geschlechtsreif geworden ist, und die Kenntnis in Erkenntnis übergehen soll, dann lehnt es deshalb, weil sein Intellekt jetzt erwacht ist, einfach das Urteil des Lehrenden, des Erziehenden schon von selber ab. Dann wird nichts mehr mit der bloßen Autorität erreicht, dann müssen wir konkurrieren können, dann müssen wir wirklich mit dem Kinde schon konkurrieren; denn eigentlich ist man tatsächlich mit 17 Jahren so gescheit als mit 35 in bezug auf die Urteilsfähigkeit. Gewisse Nuancen kommen vor, aber im wesentliehen ist man mit 17 Jahren, was das Formal-Logische betrifft, so gescheit als mit 35 Jahren. Man muß also eigentlich schon mit dem Kinde
konkurrieren, sobald es geschlechtsreif geworden ist.

Wanneer het kind dan in de puberteit komt en de kennis oordelend kennen moet worden, dan wijst hij omdat zijn intellect nu wakker geworden is, simpelweg het oordeel van de leerkracht, de opvoeder als vanzelf af. Dan bereik je niets meer met alleen maar autoriteit, dan moeten we kunnen concurreren, dan moeten we daadwerkelijk met het kind kunnen concurreren; want eigenlijk ben je feitelijk met 17 jaar net zo slim als met 35 wat betreft het oordeelsvermogen. Er komen bepaalde nuances voor, maar wezenlijk is dat je met 17 jaar, wat het formeel-logische betreft, net zo verstandig als met 35 jaar. Je moet eigenlijk met het kind gaan concurreren, zodra het in de puberteit is gekomen.
GA 302A/101-102
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2524-2367

.

.

.