VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-2)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 199 van de vertaling*

In deze afsluitende voordracht begint Steiner weer met een ander aspect van het ‘naar de lichamelijke mens kijken’.
Daar is hij in voordracht 10 mee begonnen.
En nu noemt hij opnieuw de fysieke drieledigheid.

Zonder het met zoveel woorden te zeggen, begint Steiner hier met de behandeling van de ‘kleine’ drieledigheid van het hoofd. [14-1] en dat vervolgt hij met een beschouwing vanuit dit gezichtspunt van de borst, de romp.
In de 2e voordracht heeft hij daarover al iets gezegd en ook in de 8e.
Tevens in d10e.

In [14-1] citeerde ik een duidelijke passage hierover uit GA 296. Daarin staat voor de borst:

Borst/romp als ‘klein hoofd’

Blz. 71  vert. 82

Der Brustmensch ist wiederum nicht bloß in der Brust, er ist hauptsächlich in den Brustorganen, in den Organen, in denen sich das Herz und der Atmungsrhythmus am deutlichsten ausdrücken. Aber die Atmung setzt sich auch in den Kopf hinein fort, die Blutzirku­lation in ihrem Rhythmus setzt sich in den Kopf hinein fort und in die Gliedmaßen. So daß man sagen kann: der Mensch ist Brust aller­dings in dieser Gegend; aber er ist auch hier – zwar weniger – Brust

De mens is ook niet alleen in de borst een borst-mens maar is hoofdzakelijk borst-mens in de borstorganen; in die organen waarin het hartritme en het ademritme zich het duidelijkst ui­ten. Maar de adem zet zich ook in het hoofd voort, het ritme van de bloedsomloop zet zich voort in het hoofd en in de ledematen. Men kan dus zeggen: de mens is vooral in dit gebied borst; maar is ook hier – hoewel minder – borst (zie tekening, rode arcering) en hier ook minder

Blz. 72  vert. 83

und hier – wiederum weniger Brust. Also wiederum der ganze Mensch ist Brust, aber in der Haupt-sache ist das die Brust, das der Kopf.

borst. Dus opnieuw: de hele mens is borst, maar voornamelijk is dit de borst en dat het hoofd.

Also ebenso wahr, wie man sagen kann: der Kopf ist Kopf, kann man sagen: der ganze Mensch ist Kopf. Ebenso wahr, wie man sagen kann: die Brust ist Brust, kann man sagen: der ganze Mensch ist Brust und so weiter.

Zoals men kan zeggen: het hoofd is hoofd, kan men ook zeggen: de gehele mens is hoofd. Zoals men kan zeggen: de borst is borst, kan men ook zeggen: de gehele mens is borst, enzovoorts.
GA 296/70 e.v.
Vertaald/81 e.v.

Blz. 197/198  vert. 197/198

In der Brust des Menschen ist in der Tat ebensoviel Kopf- wie Gliedmaßennatur. Gliedmaßennatur und Kopfnatur vermischen sich miteinander in der Brustnatur. Die Brust hat nach oben hin fortwährend die Anlage, Kopf zu werden und nach unten hin fortwährend die Anlage, den entgegengestreckten Gliedmaßen, der Außenwelt, sich anzuorganisieren, sich anzupassen, also, mit anderen Worten, Gliedmaßennatur zu werden. 

De borst van de mens is inderdaad evenzeer hoofd als ledemaat. In de borst vermengen zich ledematen en hoofd. De borst heeft naar boven toe voortdurend de neiging om hoofd te worden en naar beneden toe de neiging zich aan te passen aan de ledematen die erin zijn ingeplant, aan de buitenwereld, de neiging om zich te herorganiseren en dus ledemaat te worden. Het bovenste deel van de borst heeft voortdurend de neiging om hoofd te worden, het onderste deel om ledematen te worden.

Strottenhoofd

Dus: Het bovenste deel van de borst heeft voortdurend de neiging om hoofd te worden. Nu blijkt het om het strottenhoofd te gaan.
Interessant is dat dit woord in onze taal werkelijk iets van ‘hoofd’ in zich heeft; het Duits ook: ‘Kehl-kopf’.
In het Nederlands wordt het strottenhoofd wel omschreven als ”bovenste deel van de luchtpijp en ‘bovenste deel’ zou je nog als ‘hoofd’ kunnen bestempelen, zoals ons ‘echte’ hoofd. Het Duitse ‘Kehl’ is niet per se de luchtpijp, toch wordt ook hier ‘hoofd’ gebruikt.
In wezen had ‘strot’ kunnen volstaan, maar in het Oudfries kom je throtbolla tegen voor strot (denk aan Engels ‘throat’ waarin we ook ‘de bol’ herkennen, zoals in Oudhollands hirnibolla: hersenpan.

In ieder geval is de idee van ‘verdichting’ goed waarneembaar, vooral als we het strottenhoofd vergelijken met de rest van de borst.

1. membrana thyreohyoidica
2. ligamentum thyreohyoidicum medianum
3. incisura laryngica
4. cartilago thyreoides (schildkraakbeen)
5. ligamentum cricothyreoidicum medianum
6. conus elasticus
7. cartilago cricoides (ringkraakbeen)
8. trachea (luchtpijp)
9. os hyoides (tongbeen)
10. ligamentum thyreohyoidicum laterale
11. cornu superius (bovenste hoorn) van schildkraakbeen
12. bovenste larynxzenuw en -arterie
13. linea obliqua (schuine lijn)
14. musculi cricothyreoidici
15. cornu inferius (onderste hoorn) van schildkraakbeen
16. cricothyreoïdverbinding
Bron: Wikipedia

Deze verdichting nog eens tegenover dit opener beeld van de borst:

Uit L.Vogel: Der dreigliedrige Mensch

Nu merkt Steiner dingen op die we dan weer niet zo gemakkelijk kunnen volgen:

Also der obere Teil des menschlichen Rumpfes will fortwährend Kopf werden, er kann es nur nicht. Der andere Kopf verhindert ihn daran.

Dus het bovenste deel van de romp wil steeds hoofd worden, maar kan dat niet. Het andere hoofd verhindert dat.

We zijn dit ‘verhinderen’ ook al uitvoerig tegengekomen in voordracht 12.

Daher bringt er nur fortwährend ein Abbild des Kopfes hervor, man möchte sagen, etwas, was ausmacht den Beginn der Kopfbildung. Können wir nicht deutlich erkennen, wie im oberen Teil der Brustbildung der Ansatz gemacht wird zur Kopfbildung? Ja, da ist der Kehlkopf da, der ja aus der naiven Sprache heraus sogar Kehlkopf genannt wird.

Daarom brengt dat bovenste deel van de romp alleen maar een afbeelding van het hoofd voort, men zou kunnen zeggen een soort aanzet tot hoofdvorming. Kunnen we niet duidelijk herkennen hoe in het bovenste deel van de romp de aanzet wordt gegeven tot de vorming van een hoofd? Ja, het is inderdaad het strottenhoofd, dat vanuit het naïeve taalgebruik ook strottenhoofd genoemd wordt.

Taal/spraak/klank

En dan volgt een verklaring voor wat spraak* is:

Der Kehlkopf des Menschen ist ganz und gar ein verkümmertes Haupt des Menschen, ein Kopf, der nicht ganz Kopf werden kann und der daher seine Kopfesnatur auslebt in der menschlichen Sprache.

Het strottenhoofd van de mens is geheel en al een onderontwikkeld hoofd, een hoofd dat niet volledig hoofd kan worden en daarom zijn wezen manifesteert in de taal van de mens.

*Er staat ‘Sprache’ en dat kan worden vertaald met spraak of taal. In de vertaling is voor ‘taal’ gekozen, terwijl ik zelf het gevoel heb, dat het hier om spreken, om klanken voortbrengen gaat. (Natuurlijk nauw aan elkaar verwant)

Die menschliche Sprache ist der fortwährend vom Kehlkopf in der Luft unternommene Versuch, Kopf zu werden.

De taal is de constante poging van het strottenhoofd in de lucht om hoofd te worden.

Nu worden een aantal klanksoorten benoemd:

Wenn der Kehlkopf versucht, der oberste Teil des Kopfes zu werden, da kommen zum Vorschein diejenigen Laute, welche deutlich zeigen, daß sie am stärksten von der menschlichen Natur zurückgehalten werden. Wenn der menschliche Kehlkopf versucht, Nase zu werden, da kann er nicht Nase werden, weil ihn die wirklich vorhandene Nase daran verhindert. Aber er bringt hervor in der Luft den Versuch, Nase zu werden, in den Nasenlauten. Die vorhandene Nase staut also die Luftnase, die da entstehen will, in den Nasenlauten.

Probeert het strottenhoofd het bovenste deel van het hoofd te worden, dan komen de klanken te voorschijn die duidelijk tonen dat ze het sterkst teruggehouden worden door de menselijke natuur. Probeert het strottenhoofd neus te worden, dan lukt hem dat niet omdat de werkelijke neus dit tegenhoudt. Maar die poging manifesteert zich in de lucht in de neusklanken. De echte neus stuwt de luchtneus die daar dreigt te ontstaan in de neusklanken.

Es ist außerordentlich bedeutungsvoll, wie der Mensch, indem er spricht, fortwährend in der Luft den Versuch macht, Stücke von einem Kopf hervorzubringen, und wie sich wiederum diese Stücke von dem Kopf in welligen Bewegungen fortsetzen, die sich dann stauen an dem leiblich ausgebildeten Kopf. Da haben Sie dasjenige, was die menschliche Sprache ist.

Het is van eminent belang te zien hoe de mens bij het spreken voortdurend probeert in de lucht stukken van een hoofd te creëren en hoe deze stukken zich in golfbewegingen voortplanten en samengebald worden in het echte, fysieke hoofd. Dat is nu menselijke taal.

Steiner sluit de beschouwing over de romp ‘als hoofd’ af met:

Blz.199  vert. 200

Nun, so wie der menschliche Brustteil nach oben die Tendenz hat, Haupt zu werden, so hat er nach unten die Tendenz, Gliedmaßen zu werden. So wie dasjenige, was als Sprache aus dem Kehlkopf hervorgeht, ein verfeinerter Kopf ist, ein noch luftig gebliebener Kopf, so ist alles dasjenige, was nach unten von dem Brustwesen des Menschen ausgeht und sich nach den Gliedmaßen hin organisiert, vergröberte Gliedmaßen- natur. Verdichtete, vergröberte Gliedmaßennatur ist dasjenige, was die Außenwelt gewissermaßen in den Menschen schiebt.

Welnu, zoals de borst naar boven toe de neiging heeft om hoofd te worden, zo heeft hij naar onderen toe de neiging om ledematen te worden. Wat als taal uit het strottenhoofd op welt, is een verfijnd hoofd, een nog luchtig gebleven hoofd; alles wat naar beneden toe uitgaat van de borst van de mens en in zijn organisatie de ledematen benadert, is een soort vergroving van de ledematen. Wat de buitenwereld daar als het ware in de mens schuift, is in wezen een verdichte, grovere vorm van de ledematen. 

Zie voor ‘romp en ledematen’ [14-3] nog niet oproepbaar

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14: alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2840-2664

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 – alle artikelen

.

Voordracht 14
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [14-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [14-1]
Het derde cijfer [14-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [14-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [14-1] [14-2] [14-3] enz.
Als kleur: rood.

[14-1Blz. 196 – 198
Opnieuw over de fysieke drieledigheid; de ledematen; hoofd: soort complete mens; deze gedachte wordt uitgewerkt; besef hiervan moet nodige enthousiasme geven voor je eigen pedagogische moraal.

[14-2] Blz. 199
De borst als ‘hoofd in ’t klein’; het strottenhoofd; ontstaan van klank, spraak, taal; de neusklank.

[14-3] Blz. 200-201
De ledematen vanuit de borst gezien; uit GA 294 over ‘ingeplante ledematen en het morfologisch vervolg in de geslachtsorganen; astraallijf nog niet gevormd, daarom vrijwel onmogelijk iets van ‘liefde met het geslachtelijke’ te laten ervaren; liefde is vooreerst ‘algemene mensenliefde’; seksuele opvoeding en seksuele voorlichting; het astraallijf moet vooral worden opgevoed met fantasiekracht; mensenliefde in broederlijkheid, het kunstzinnige, de plicht;

[14-3/1]
Voortplantingsorganen en de romp: een beschouwing uit het boek ‘Antroposofische menskunde begrijpen’.

[14-4] Blz. 201-202
Astraallijf en fantasie; m.n. fantasie in het onderwijs in de hoogste klassen van de basisschool; voorbeelden: natuurkunde, meetkunde (Pythagoras); je eigen fantasie steeds vernieuwen!

[14-5] Blz. 203-204
Fantasie, geen pedanterie; categorische imperatief; geen zuurpruim; moed tot waarheid; verantwoordelijkheid.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2839-2663

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (57)

.

Dieuwke Hessels

.

Natuur, uw moederlijk bestaan,
ik draag het in mijn willend wezen
en vuurkracht van mijn willen kan nu mijn geestkracht stalen
waaruit het zelfgevoel geboren wordt
mijzelf in mij te dragen.

Rudolf Steiner, Antroposofische weekspreuken

Na een lange zomertijd, kondigt de herfst zich aan. De
overgangstijd van zomer naar winter, van bloei naar afsterven,
van licht naar donker, van warm naar koud. De bloemen raken
uitgebloeid, bladeren worden geel en verdorren. Dieren gaan
hamsteren en trekken zich terug voor hun winterslaap. De
natuur begint zich duidelijk voor te bereiden op de winter. Zij
wordt stil en komt tot rust.
Aartsengel Michaël wordt gezien als brenger van de
zonnekracht. Hij zorgt voor sterke gewassen en voor een goede
oogst. Voor de mens is hij de helpende hand in strenge winters,
hij geeft kracht om door de winter heen te komen.
Het Michaëlsfeest is dan ook het feest van de moed. Hij
weegt het goed en het kwaad en strijdt met de negatieve
krachten, de ‘draken die vuurspuwen’. Hij staat daarom meestal
afgebeeld met zwaard en weegschaal en soms met een draak.
Michaël staat als symbool voor de omgang met balans tussen
goed en kwaad, ook in onszelf.

In voorchristelijke tijden werd in deze periode het oogstfeest of het begin van de herfst gevierd, waarin men net als op Michaëlsdag de goden dankte voor de goede oogst.
Op een druilerige dag in de laatste week van september vierden wij het Michaëlsfeest.
We vierden het als eerste in een reeks van herfstfeesten.
Die dag stonden we met elkaar stil bij wat het leven ons geschonken heeft en
wat we (misschien) achter ons willen laten. Na een verhaal over de oorsprong van dit feest, werden er vellen papier uitgedeeld met daarop een draak en een blanco deel. Op het blanco deel mocht ieder zijn eigen ‘draak’ tekenen of beschrijven. Iets wat je wilt overwinnen, een eigenschap die er juist meer mag zijn of die je graag achter je zou willen laten. Tijd voor iets nieuws?
Alle draken zijn daarna in de vuurkorf beland en zijn daarmee symbolisch verslagen, zoals Michaël zijn draak versloeg. Daar was moed voor nodig! Meteen warme drank en iets lekkers uit de oogstmand na afloop, zijn we nu écht onderdeel van deze mooie en bijzondere overgangstijd.
Artikel van ”mens en tuin”.

Het Beeld van Michaël door de tijden heen
Alice Woutersen

Michaël is een groot en machtig geestelijk wezen, dat de ontwikkeling van de mensheid begeleidt en behoedt. In dienst van Christus wijst hij de mens de weg naar de vrijheid, zodat de mens zijn Ik in zich kan dragen. Hij is de behoeder van de kosmische intelligentie, en vanuit die functie ziet hij toe op de ontwikkeling van het menselijke denken en begeleidt de ontwikkeling zo, dat de mensen de  mogelijkheid geboden krijgen niet te verharden en te verstarren. 

Wat dat inhoudt is voor ons mensen nauwelijks te bevatten. Wij kunnen hoogstens proberen een klein tipje van de sluier op te lichten en met een paar primitieve penseelstreken een beeld schilderen van de ontwikkelingsweg van de mens en van Michaël. Stamelend in de woorden van alledag zou het als volgt kunnen klinken: 

Heel lang geleden, zo lang dat wij mensen er geen voorstelling van kunnen maken, voelden geestelijke wezens (Goden, God) in zich de behoefte opkomen om bewustzijn te krijgen van iets dat in hen leefde: de Kosmische Liefde.
Nu weten wij mensen heel goed, dat je pas echt bewustzijn over iets kunt   krijgen, als je er afstand toe kunt scheppen, dat wil zeggen: ervan buitenaf   tegenaan kunt kijken.
De Geestelijke wezens besloten dan ook wezens te
scheppen, die ééns vanuit hun eigen innerlijk de Liefde zouden kunnen ontwikkelen. Zij besloten Mensen te scheppen. En alle geestelijke wezens die mee wilden doen, droegen hun steentje bij.
Dit proces duurde heel lang. De
mens leefde onbewust en nog geheel opgaand in de geestelijke wereld. De mens sliep als het ware en was één met de gedachten van God (Adam in het Paradijs). Maar het ogenblik kwam dat de mens moest ontwaken. Je kunt alleen ware en belangeloze liefde ontwikkelen als je vrij kunt zijn en ‘op je eigen benen staat’. De mens moest losgemaakt worden van de hem omringende geestelijke wezens. Een hoog geestelijk wezen nam de taak op zich  ‘tegenstandersmacht’ te worden en uit de kosmische harmonie te stappen. Op deze manier kon hij de  mens lostrekken van de goden, om zo de mogelijkheid te scheppen dat de mens zich tot een vrij wezen kon ontwikkelen. 

Er zijn vele verhalen waarin verteld wordt hoe Satanaël (Lucifer) uit de kosmische harmonie  verdreven wordt. Het is steeds Michaël die Satan (Lucifer) uit de hemel stoot. Vanaf dat moment is  Lucifer ‘tegenstandersmacht’ geworden en kan het werk, beginnen: de mens losmaken uit de  kosmische harmonie. 

In eerste instantie werken Lucifer en de geestelijke machten in zekere zin nog samen. Prachtig wordt  dit beschreven in de Noorse mythologie (Edda) waar Loki/Lucifer de goden nog helpt, maar na verloop van tijd gaat Loki alles in de war sturen en bewerkt ten slotte samen met zijn kinderen (o.a. de Fenriswolf) dat de goden voor de beleving van de mensen verdwijnen. Dan is de mens los van de goden. (‘God is dood’ beleven). Zou de mens werkelijk aan zijn lot overgelaten zijn, dan was het slecht met hem afgelopen. Als weerloos wezen was hij beland in de armen van de tegenstandersmachten. Hij zou geen vrijheid beleven en geen ware liefde kunnen ontwikkelen. 

Maar de geestelijke wereld liet de mensen niet alleen. Een heel hoog geestelijk wezen gaat met de mens mee: Christus noemen wij Hem. Hij is zo begaan met de mens, dat hij besluit in een aards mensenlichaam te incarneren. Op deze manier kan hij het mensenlichaam, met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zo doorwerken, dat hij juist die krachten kan ontwikkelen die de mens nodig  heeft om zich te bevrijden uit de omknelling van de tegenstandersmachten. Christus ontwikkelde deze krachten voor alle mensen: sinds het Mysterie van Golgotha draagt ieder mens deze krachten in zich. Deze Christusvonk kunnen wij in onszelf ontwikkelen en laten opvlammen, waardoor we in staat zijn ons doel te verwezenlijken: een vrij mens te worden die vanuit zichzelf de ware liefde ontwikkelt. Of wij deze kans gebruiken? Het is onze vrije keuze. In dienst van Christus werkt Michaël. Hij houdt de  mens steeds in het oog en blijft dicht bij de mensen. Hij wil de mens de mogelijkheden bieden, opdat hij niet verhardt in het dagelijks bestaan. Hij wil voorkomen dat het denken van de mens verstart. Zelf  is hij een en al goedheid en beweeglijkheid. 

Samenvattend: 

Doordat de tegenstandersmachten de mens losmaken van de goden en Christus de mens de nodige krachten schenkt, is de mens met behulp van Michaël in staat zijn vrijheid te ervaren en vanuit die vrijheid te leren denken met zijn hart, en zo uiteindelijk de ware onbaatzuchtige liefde te ontwikkelen. 

In het oude testament wordt duidelijk beschreven hoe de Satan de mens verleidt om te eten van de  vruchten van de Boom der kennis van goed en kwaad. De mens gaat zelf denken en daarmee begint  de afzonderings-val (=zondeval) van de mens. Het werk is begonnen. 

Langzaam maar zeker pellen de tegenmachten de mens los van de goden. Michaël is waakzaam en  behoedt de mens voor verharding. Hij begeleidt de mens.
Pas in de ‘na-Atlantische tijd’ begint de mens echt te denken; dit is dus na de zondvloed (Ark van  Noach), als door de grote watercatastrofe Atlantis ten onder is gegaan. Aangepast aan het  ontwikkelingsniveau van de mens schenkt Michaël beelden (voorbeelden) opdat de mens die deze  beelden in zich opneemt niet verzandt of verstart. De beelden tonen de mens waarnaar hij moet streven om werkelijk een vrij mens te worden. 

In de na-Atlantische tijd onderscheiden wij zeven cultuurperioden van ongeveer 2150 jaar, die elk zijn  verbonden met een sterrenbeeld van de Dierenriem, dat wil zeggen, het lentepunt tijdens de periode  in een bepaald sterrenbeeld staat. 

  1. De Oud Indische cultuurperiode 7227-5067 v.C. Kreeft 
  2. De Oud Perzische cultuurperiode 5067-2907 v.C. Tweelingen 
  3. De Babylonisch/Chaldeïsche/Egyptische cultuurperiode 2907-747 v.C. Stier
  4. De Grieks, Romeinse cultuurperiode 747 v.C.-1413 n.C. Ram 
  5. De Germaans/Angelsaksische cultuurperiode 1413-3573 Vissen 
  6. De Slavische cultuurperiode 3573-5733 Waterman 
  7. De Amerikaanse cultuurperiode 5733-7893 Steenbok 

In de Oud Indische Cultuurperiode leefden de mensen nog niet zo sterk verbonden met hun lichaam  als wij. Je zou beter kunnen zeggen: ze verbonden zich nog nauwelijks met hun fysieke lichaam, maar namen via hun etherlichaam de hen omringende wereld waar. Ze ademden de goddelijke gedachten als het ware in en uit en waren er één mee. De mogelijkheid om met het etherlichaam waar te nemen nam gaandeweg af en de zintuigelijke waarnemingen drongen zich steeds meer op, Dat wat men met de gewone zintuigen begon waar te nemen werd als storend en vijandig ervaren, als Maja (schijn), waarvan men zich beter verre kon houden. En diegene die dit beangstigende, deze ‘draak’, kon  verslaan noemde men Indra. In de Rigveda wordt dat als volgt verteld: 

“Hij die de in het gebergte wonende Sambara in het veertigste jaar opspoorde, die de van kracht  opgezwollen draak overwon, de Demon die daar ter neer lag, Hij, gij-lieden, is Indra.”
De wereld werd nog als heelheid ervaren, in tegenstelling tot de volgende periode.
In de Perzische Cultuurperiode was het niet meer mogelijk in het etherlichaam te leven en waar te nemen. De mens beleeft de wereld meer door zijn astraallichaam en zijn reacties op de waarnemingen. Hij gaat de wereld als tweeheid ervaren: licht-donker, onder-boven. Deze cultuur richt zich in eerste instantie op de buitenwereld en het dagbewustzijn. Achter het tapijt van de zintuiglijke wereld zag men het weven van geestelijke wezens en in samenwerking met deze wezens werden vanuit de mysterieplaatsen granen en dieren veredeld: uit gras werd graan gekweekt. Daar men dus erg naar buiten gericht was en in het dagbewustzijn leefde, kon men Michaël niet zo goed  waarnemen. Michaël kon zich in de voorchristelijke tijd alleen maar via het nachtbewustzijn openbaren. Wel ziet men reeds in deze cultuur het Christuslicht opglanzen. Ormuzd (Ahura Mazda) verschijnt als zonnegeest, omringd door dienaren, als vóór-beeld van Christus met zijn discipelen. Als  duistere macht verschijnt hier Ahriman. Zarathustra is de Grote Leider. 

Verdiepte men zich vanuit deze cultuur in de weg naar binnen, dan ontmoette de ingewijde daar de God Mithras: bemiddelaar tussen aarde- en lichtwereld, die de mens terzijde stond in zijn ontwikkeling. Deze Mithras-mysteriën kwamen pas goed tot ontwikkeling in de derde cultuurperiode, toen de zon in het sterrenbeeld van de Stier stond. De Mithrasdiensten werkten nog lang door, zelfs tot in de Romeinse tijd. Bekend is de afbeelding van Mithras op de stier; ook dit is een vóór-beeld. In die tijd stond de zon in het lentepunt in het sterrenbeeld van de Stier. Nu werken juist de levenskrachten en driften vanuit dit sterrenbeeld in op de aarde. Deze krachten werden in de lente sterk ervaren en het beeld van de stier werd tot beeld van de onbewuste (animale) mens. Deze stier moest overwonnen worden door de denkende mens. (de jongeling op de afbeelding draagt een frygische muts als teken van inwijding en denken) Mithras/Michaël geeft hier het beeld van de hogere mens, die het lagere moet overwinnen als vóór-beeld. 

In de Babylonisch, Chaldeïsch, Egyptische Cultuurperiode begint de mens zelf persoonlijk waar te nemen, is dus niet meer geheel ingebed in de groepswaarneming. Hij begint zijn eigen waarnemingsziel te ontwikkelen. Hierdoor begint de wereld voor de mens enigszins chaotisch te worden. In de Babylonische legende van Marduk wordt verteld hoe Marduk/Michaël de mens helpt orde te scheppen in deze chaos.
De tijd gaat voort; de tegenmachten krijgen steeds meer grip op de mens. Hij ervaart nog steeds zijn goden (geestelijke wezens), maar de beelden worden steeds vager en onduidelijker, of veranderen zelfs. Als dit zo door zou gaan, zou de mens loskomen van de geestelijke wereld en geheel in de armen van de tegenmachten belanden, zonder vrij te worden. 

Om te zorgen dat de mens wel een vrij wezen kan worden, gaat Christus met de mens mee, incarneert in een mensenlichaam. Dit moet voorbereid worden, en zo wordt het Joodse volk, dat afkomstig is uit Ur in Chaldea, uitverkoren om dit lichaam te ontwikkelen. Om dit proces te begeleiden  wordt Michaël, als ‘aangezicht van Javeh’, de leidende volksgeest (zie bv. het verhaal van Bileam). In  de literatuur zijn vele verhalen over Michaël en het Joodse volk. 

In de vierde na-Atlantische cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, gaat de mens naast zelf waarnemen nu ook zelf voelen en denken. Naast de waarnemingsziel wordt nu ook de verstands-/gemoedsziel ontwikkeld. Door de eigen gedachten wordt ook de begeleiding van Michaël duidelijk. De geboorte van de goden-tweeling Apollo en Artemis kondigt als vóór-beeld de ontwikkeling van de  verstands-/gemoedsziel al aan. Zij zijn kinderen van Zeus en Leto (uit het geslacht der Titanen). Hera, de gemalin van Zeus, probeert op allerlei manieren deze ontwikkeling tegen te gaan, maar zelfs de verschrikkelijke draak Typhon kan dit niet verhinderen. Apollo/Michaël doodt de draak, zodat de  ontwikkeling verder kan gaan. Niet voor niets stond in het heiligdom van Apollo in Delphi de Spreuk:  “Ken U Zelf” in hoog aanzien. 

In onze tijd is Michaël tijdgeest; zo ook van 599 tot 245 v.C. dat wil zeggen dat dan zijn werking  duidelijk waarneembaar is. Onder zijn inspirerende invloed maakt de manier van denken een grote stap voorwaarts. 

Voorbeelden hiervan zijn o.a.: Gautama Buddha, Confucius, Pythagoras, Herakleitos, Socrates, Plato  en Aristoteles; maar ook de oudtestamentische profeten en Griekse kunstenaars en toneelschrijvers. Hoewel de mens de verbinding met het goddelijke nog zeer sterk voelde, probeerde men,  geïnspireerd door de geestelijke wereld, gedachten in een vorm of beeld te gieten. De werking van de gedachten van deze filosofen straalt nog door tot in onze tijd. 

In de vierde na-Atlantische periode vindt ook het Mysterie van Golgotha plaats. Jezus Christus overwint de dood en kan daardoor de mens de nodige krachten schenken om zich af te zonderen van de goden (zonder verloren te gaan) en vrij te worden. Vanuit deze vrijheid kan de liefde ontwikkeld worden en kan de mens bewust streven weer in harmonie met de kosmos te leven. Christus vernieuwt de mysteriën, dat wil zeggen: hij opent de weg voor ieder mens om zelf aan de slag te gaan dit hoge doel te verwerkelijken. 

Michaël, die steeds in dienst van Christus gewerkt heeft, kan na het Mysterie van Golgotha de mens ook via het wakkere dagbewustzijn inspireren. Michaël zal de mens nu verder moeten begeleiden in zijn denkproces. Eerst de weg tot in het zuiver natuurwetenschappelijke denken, en dan de bewuste weg naar het weer in harmonie met de kosmos denken. Zijn opdracht is de mens zo te begeleiden, dat de mens vrij wordt maar niet verhardt. De eerste zorg is dat de ziel van de mens (de ‘jonkvrouw’) niet in de macht van de draak komt. De tegenmachten loeren op elke mogelijkheid de mens van zijn doel af te houden. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Sint-Joris met de draak. In de Middeleeuwen wordt het beeld van Michaël met draak, weegschaal, of staf als het ware in de mens  geprent; overal duiken in deze tijd verhalen op hierover. 

En de ontwikkeling gaat verder… 

De vijfde na-Atlantische periode breekt aan: de Europese (Germaans-Angelsaksische) cultuurperiode. De natuurwetenschappen en de techniek komen tot ontwikkeling. Het is de tijd waarin de mens zijn bewustzijnsziel moet gaan ontwikkelen, dat wil zeggen: bewustzijn over de draagwijdte van je daden.  In deze periode kan de mens loskomen van God om daarna uit vrije wil de verbinding met de geestelijke wereld weer bewust te leggen. De mens moet zelf, uit vrije wil, het besluit nemen samen te werken met de geestelijke wereld. 

De Noors-Germaanse mythologie geeft daar een beeld van: Widar, de zoon van Odin (Wodan of Woen) gaat niet ten onder in de Godenondergang. Hij verslaat de Fenriswolf. Een leugenwolf: een  beeld voor datgene wat de waarheid verdraait en ons denken verhardt. Deze Fenriswolf wordt zo overweldigend, dat de Edda schrijft: “De Wolf Fenris trekt met opengesperde muil ten strijde; zijn  bovenkaak reikt tot aan de hemel en zijn onderkaak schuift over de aarde. Vuur laait uit zijn ogen en neusgaten.” Odin trekt ten strijde tegen de Fenriswolf, maar deze verslindt Odin.
En na de dood van Odin …komt Widar naar voren en zet één voet in de onderkaak van de wolf. Aan die voet heeft hij een schoen waarvoor men eeuwenlang gespaard heeft. Die is gemaakt uit de
stukken leer die de mensen uit hun schoenen snijden voor hun tenen en hielen. Daarom moet iemand  die de Asen wil helpen die stukken leer wegwerpen. Met één hand pakt hij de bovenkaak van de wolf  en scheurt zijn muil in tweeën en dat betekent het einde van de wolf. ” 

Wij mensen moeten Widar onze overschotskrachten schenken. Dat zijn dus niet de krachten die wij  gebruiken voor ons karma (schoenen zijn een beeld voor het lot, karma; vgl. de uitdrukking: ik zou niet  graag in zijn schoenen staan), maar juist krachten, zoals enthousiasme en inzet, die wij opdragen aan de geestelijke wereld. Deze overschotskrachten heeft Widar/Michaël heden ten dage nodig om de leugenwolf die rondwaart in o.a. wetenschap en media te lijf te gaan. En alleen wij mensen kunnen hem deze krachten schenken. 

Het beeld dat deze oude mythologie in de harten van de Europese mensen legde, was dus: wij  mensen moeten de Geestelijke wereld helpen het Boze te verslaan. Een prachtig beeld, dat we diep in onze ziel zouden moeten laten inwerken. 

Dit waren allerlei beelden die Michaël de mensheid gaf. Nu komt het erop aan dat de mens zelf het heft in handen gaat nemen. Worstelend op weg naar vrijheid, zoekend naar de Liefde en de bewuste  harmonie met de kosmos. 

Parcival laat ons zo’n weg zien, vele sprookjes vertellen erover. 

Faust toont dat de mens de duivel moet leren kennen en steeds moet streven. De Kleine Prins wijst erop dat je het kind in jezelf niet moet verliezen, want een kind kan onbevangen met zijn hart zien. 

Er zijn nog vele andere beelden. Het belangrijkste is dat we op weg moeten gaan. Op weg naar geestelijke ontwikkeling.
Zonnejaargroep 

Wat is de opdracht van Michaël, door Juul van der Stok 

Michaël wil de weg vrij maken van buiten naar binnen, van het hoofd naar het hart. Michaël wil de mens weer in gesprek brengen met de bovenaardse kosmos en hem weer burger maken van twee werelden.
Als zonnegeest wil Michaël het christendom in haar ware gedaante zichtbaar maken opdat de mensen het mysterie van Christus kunnen opnemen.
Sinds het begin van de zondeval moesten de goden zich steeds verder terugtrekken van de mens die uit het paradijs afdaalde in de duisternis.
Was het aanvankelijk zo dat de
goden hun wijsheid in de mens dachten, gaandeweg werd het kosmische denken mensen-denken.
Vanaf de negende eeuw
was de kosmische intelligentie geheel ter beschikking van de mensen.
Begrippen worden door de mens zelf gevormd en hebben steeds minder een bovenpersoonlijke kosmische oorsprong. In dit individualiseringsproces wordt het denken beperkt en steeds meer gericht op de zintuiglijk waarneembare wereld.
We zien hoe vanaf de vijftiende eeuw in de natuurwetenschap alles vast komt te liggen in maat en getal. Er ontstaat een materialistisch intellectualisme. De mens is tevreden met schaduwbeelden van de geestelijke waarheid die achter de materie verborgen blijft.
Michaël moet zich terughouden en
Ahriman heeft vrij baan om de mens in aardse wetten en bureaucratische netwerken te binden.
Toch moest dit abstracte, van de geestelijke realiteit losgemaakte denken ontstaan opdat de mens ooit een individualiteit zou kunnen worden die zich uit vrije wil tot de geestelijke wereld kan wenden.
Als Michaël in 1879 de heerschappij weer op zich neemt, is het de vraag of het  natuurwetenschappelijke denken, dat zoveel mensen gevormd heeft, weer aan Ahriman ontrukt kan  worden. Of het de mensen vanuit een omgevormd, doorlicht denken mogelijk is de wetenschap van de geestwereld op te nemen en weer in dienst te stellen van de ware doelen van de  wereldontwikkeling. 

Vlak voor zijn dood in 1925 schreef Rudolf Steiner indringend over Michaël: 

‘De mens moet de kracht vinden, licht te brengen in zijn ideeënwereld en die van licht doorstraald te beleven, ook als hij zich in zijn ideeënwereld niet op de verdovende zintuiglijke wereld richt. Door dit beleven van de zelfstandige – en in haar zelfstandigheid van licht doorstraalde – ideeënwereld zal het gevoel ontwaken bij de buitenaardse kosmos te horen. Daaruit zal de basis voor het feest van Michaël ontstaan’. 

In De Filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, het eerste Michaëlsboek in het nieuwe Michaëlstijdperk, is een weg beschreven waarlangs je tot een begrijpen en ervaren kan komen van hoe je naast een denken met fysieke hersenen,  waarmee je eigen aardegedachten vormt, ook een levend denken hebt. Een  ‘ge-zon-d’ verstand waardoor de hersenen als waarnemingsorgaan bovenaardse gedachten kunnen opnemen en doorgeven naar het hart.
Michaël wil dit proces bevorderen en hoopt dat harten denkorgaan worden en weer gedachten krijgen. Hij wil leven in mensenzielen om de aards geworden kosmische intelligentie om te vormen tot levende mensengedachten.
We mogen hetgeen we in de afgelopen eeuwen met toenemend bewustzijn aan gedachten hebben ontwikkeld echter niet verwerpen, we kunnen deze gedachten doorlichten en ze weer een hart te geven.
Door het mysterie op Golgotha en de gebeurtenissen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren heeft  Christus zich met al het levende en werkende verbonden. Zijn intocht in de mens heeft het individuele Ik, waarvoor het hart de centrale woning vormt, gewekt voor Michaëls werk. We kunnen vermoeden hoe door een nieuw hartedenken een opstanding ontstaat van scheppende oergedachten, die ‘in den  beginne’ één waren met de logos, met Christus zelf. Dit levende denken kan het Christendom zijn ware vorm en werkzaamheid geven. Om deze weg te kunnen gaan is scholing nodig. Rudolf Steiner geeft daarvoor concrete wegen aan in zijn basiswerken en vele voordrachten. Objectieve waarneming speelt op deze weg een belangrijke rol zodat bijvoorbeeld waarheid of mening, waarachtigheid of onwaarachtigheid, werkelijkheid of schijn onderscheiden kunnen worden. Het verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot waarheid en onwaarheid groeit en uit zich meer en meer in vreugde of pijn. 

Hartedenken is een sociaal denken.
We kennen allemaal wel de situatie, dat we na een intensief gesprek
even tijd nodig hebben ’om het te laten bezinken’, ‘het te laten zakken’, ‘om er een nachtje over te kunnen slapen’. Waarom? Omdat het hart mee wil denken en wil luisteren naar onverwachte antwoorden  die in ons innerlijk hoorbaar kunnen worden. Ons handelen verandert: we gaan de dingen dan ‘van harte doen’, ‘vanuit de grond van ons
hart’, ‘omdat ons hart het ons ingeeft’, ‘omdat het ons uit het hart gegrepen is’. Als we daarbij ‘Ik’ zeggen, wijzen we op ons                                Dorothea Smit
hart en niet
op ons hoofd. 

Stappen die de mens op deze weg zet, zijn bouwstenen voor Michaël die een brug wil bouwen tussen hemel en aarde. Van beide kanten kan deze brug bewandeld worden, waardoor er weer gesprek kan ontstaan. De goden kunnen de mensen weer bereiken en nemen dankbaar hun aarde-ervaringen op als leeftocht voor hun eigen verdere ontwikkeling. Zij krijgen daardoor de mogelijkheid het wereldplan verder uit te voeren. De aard en de kwaliteit van ons mensenwerk is van groot belang voor het verdere scheppingswerk.
Michaël wacht op mensendaden en richt zijn blik vooruit op godendoelen.  Het christendom in haar ware vorm leren begrijpen is Michaëls streven.
Zo kunnen wij het Michaëlsfeest als het eerste feest van de nieuwe jaarronde beschouwen. Door de  poort van het Michaëlsfeest krijgen alle christelijke feesten een nieuwe kleur en eigentijdse verdieping.

“Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas zijn de 3 heiligenfeesten van de herfsttijd. Zij staan alle drie symbool voor innerlijke kwaliteiten die in de mensen kunnen groeien.
Michaël staat voor dankbaarheid, evenwichtigheid en de moed om een zuiver innerlijk te ontwikkelen door de juiste keuzes te maken. Sint-Maarten staat symbool voor de offerbereidheid en Sint-Nicolaas voor het kunnen geven en zelfreflectie.”
Van ” EverydayMommyday” 

Tradities op school en/of voor thuis afkomstig van ” EverydayMommyday” 

=Oogstsoep maken waarbij de kinderen al de groenten zelf mogen snijden.
=Broodzwaardjes of brooddraken bakken.
=Een riddergevecht houden.
=De tafel versieren met vruchten, korenaren en gekleurde bladeren.
=Haal de mooiste zonnebloemen in huis.
=Organiseer een spelletjesdag waar kinderen hun daadkracht, moed en evenwicht op de proef kunnen  stellen. Denk aan een evenwichtsbalk, geblinddoekt parcours, klimmen in een boom, ergens overheen springen, etc..
=Knutsel uit een dennenappel, een stukje draad en rood, oranje, geel crêpepapier mooie vurige zwierezwaaiers om mee rond te draaien. [beschrijving van de wipwapwaaiers staan verderop vermeld]
=Beplak glazen potjes met rood, oranje en gele zijdevloei en gedroogde bladeren. Zo ontstaan de mooiste kleine lichtjes voor in en rondom het huis. 
=In het Duits heten vliegers draken, daarom is het vliegers oplaten een geliefde traditie met het Michaëlsfeest. Je vlieger bedwingen vraagt als kind een hoop moed en kracht.
=Maak een mooie draak van een oude sok {zie “het zonnejaar” website].
=Maak een gevaarlijke draak van kastanjebolsters.
Kook hele maïskolven – heerlijk kluiven aan de kolven met boter, zout en peper. =Eet en verwerk nog alle bramen die te vinden zijn. Maak jam, eet bramen met scones of maak nog lekkere bramentaart. Bramen zijn volgens een oude Ierse legende niet meer te eten na het Michaëlsfeest. Toen de duivel (Lucifer) uit de hemel werd verjaagd, belandde hij in een braamstruik. Hij vervloekte de struik, zodat de bramen vanaf 29 september te bitter zijn om nog te eten. 

Een draak van kastanjebolsters
Bron: ‘Herfstversieringen’, Thomas Berger 


Materiaal

Kastanjebolsters
Cocktailprikkers
Kastanjebladeren
Rode besjes of rozenbottels 

Werkwijze
Zoek een aantal kastanjebolsters uit die nog helemaal dicht zijn. Eén bolster mag al iets opengaan, die gebruiken we voor de bek. Maak de bolsters met prikkers aan elkaar vast.
De afbeelding laat zien wat men verder nog kan doen om de draak er vervaarlijk te laten uitzien.
Het  spreekt vanzelf dat dit slechts een van de vele mogelijkheden is om een bolsterdraak te maken.

Zie ‘Mooie kastanje’ lied opvrijeschoolliederen

Michaëlsdag, een impressie… 

Bij het licht van een lantaarntje, zit ’s morgensvroeg in de kleutergang het appelvrouwtje haar appels te poetsen. Dan gaat de kleuterdeur open en kleuters en ouders komen binnen met in hun handen een mandje gevuld met herfst- en oogstproducten. De kinderen lopen verlegen lachend, of even stilstaand, langs het appelvrouwtje.
Dan komen de kinderen de klas binnen en wordt er voor het “oogstmandje” een plaatsje gezocht bij de “nieuwe” seizoenstafel.
De werktafels staan, gedekt en wel, klaar voor een herfstmaaltijd. De kleuters kijken de klas rond en zien aan het plafond prachtige herfstslingers hangen: “Die is van mij,  die hebben wij gemaakt….” 

Vrolijke en verwachtingsvolle gezichtjes, kinderen in afwachting van wat deze dag nog meer gaat  brengen. 

Alle mandjes staan, alle kleuters zijn binnen: we zingen Michaëls- en herfst liedjes, halen Zonnegroet [de klassenkabouter] uit bed, luisteren naar de vertelseltjes van een aantal kinderen en gaan op bezoek bij het Appelvrouwtje dat nog steeds aan het appeltjes poetsen is.  

De kleuters nemen aandachtig plaats en luisteren naar wat dit vrouwtje te vertellen heeft: over appels en appels plukken, we mogen een liedje voor haar zingen en als beloning krijgen wij een heerlijke, glimmend gepoetste appel mee de klas in: al zingend lopen we terug: 

In iedere kleine appel, 

Herfst, herfst wat heb je te koop….. 

De producten uit de meegebrachte oogstmandjes worden in de tijd die komen gaat zoveel mogelijk verwerkt tot jam, appelmoes, soep, pizza enz. door de kinderen zelf. 

In het oogstmandje zijn volgende eetbare producten gelegd:  

appels, peren, bessen, bramen, noten, pompoen, tomaatjes, courgette, uien, maar ook herfstproducten zoals eikels, kastanjes, oranje lampionnetjes, mooie bladeren enz. om de oogsttafel  mee te versieren. 

Behalve al dat lekkers uit de mandjes wordt er voor de kinderen een oogstbrood gebakken, gevuld  met noten, rozijnen enz. 

In deze tijd van het jaar worden volgende bakersprookjes verteld zoals:
Het huis zonder ramen en  deuren,
Pietertje appelpit,
De knol die niet uit de aarde wilde,
Masjenka en de beer.

29 september Michaëlsdag:
Oogstfeest:  

Wat is de wereld goed voor de kinderen: de seizoenstafel met meegebrachte mandjes van ieder kind, gevuld met voeding als appels, kastanjes, mais, prei enz. , worden  neergezet . 

Op de seizoentafel verder:
bloemen, pompoenen, herfstkettingen [die ook aan het plafond hangen in de

klas]..  Als kleuren: Donkergeel, oranje tinten, donkerbruin en goudgeel onder alle gaven.

 

Recept Brooddraak
• 500 gram bloem of meel (BD) (half bloem, half volkoren meel geeft de beste resultaten.)
• 10 gram zout
• 20 gram gist (bij meel 25 gram gist)
• Ca. 4 dl. water
• Eventueel ’n scheutje olie.

Bereiding
De gist met suiker en warme melk laten wellen.
Zout, en daarna het gistmengsel door het meel roeren.
Het deeg afmaken met het water en de olie.
Enige tijd kneden en daarna 1 uur laten rijzen op een warme plaats.
Ten slotte op een bemeelde plank of tafel de brooddraak vormen met een krent als oog.
Met een mesje vormgeven aan schubben, poten en bek.
Nog eens 15 min. na-rijzen,
Dan de voorverwarmde oven in, waar de draak zich kan opblazen.
Oven op no. 5 of 240° C. Baktijd 30 minuten.

Hoe ziet de brooddraak eruit?
Er zijn twee mogelijkheden:
1. In plat-reliëf (voor brooddeeg eigenlijk de beste manier).
2. In hoogstand, dus zittend rechtop (alsof je met klei bezig bent).
Bij meer kinderen zou je ieder kind zijn eigen draak kunnen laten
vormen! 

De herfst is het verzamelseizoen bij uitstek. Als de herfsttafel klaar is, spinnenwebben en eikelpoppetjes gemaakt, de pannetjes van het kinderkeukentje vol zitten  

met kastanjesoep en eikeltjesprut, dan is het tijd om eens een herfstslinger samen te maken.

In het artikel volgt nu ‘Het verhaal van de jongen met de vlieger’.
Dat staat op deze blog: Michaëlverhalen [10-5]

Vrouwtje Appelwang

“Lief klein vrouwtje Appelwang,
Waar kom jij vandaan?”
“Eerst hing ik boven in de boom,
Toen kwam Jan de Wind eraan.
Hij rukte en trok en duwde,
Ik zwaaide heen en weer.
Totdat, totdat mijn steeltje brak,
En ik viel op de aarde neer”…

In het artikel staat hier het liedje ‘In ied’re kleine appel’


Joris en de draak 

Heel lang geleden leefde er in een groot, diep meer een afschuwelijke draak. Meestal lag hij overdag op de bodem van het meer te slapen. En alleen dan durfden de mensen uit de stad naar het meer om water te halen. Maar soms kon de draak overdag niet slapen en dan kwam hij op klaarlichte dag uit het meer. De mensen bleven dan het liefst zo ver mogelijk uit de buurt van de draak. De draak was zo  groot, dat zijn brede staart de hele oever van het meer bedekte. Hij had scherpe tanden en enge groene ogen. Op mooie namiddag kwam een jongetje dat buiten de stadspoort had gespeeld heel  hard de stad binnen hollen. “De draak is uit het meer!” riep hij, “Hij loopt richting de stad”. De  poortwachters sloten direct met een grote klap de zware houten deuren van de stadspoort en alle  mensen barricadeerden vlug de deuren en ramen van hun huizen. 

Het werd avond, de mensen hoorden de draak aankomen over de weg naar de stad. Zijn brede staart schuurde over de keien en de grond trilde. Toen de draak bij de stadspoort stond en hij ontdekte dat deze dicht was, blies hij woedend vlammen uit zijn neusgaten. Enkele ogenblikken later stond de stadspoort in vuur en vlam. Het duurde dan ook niet lang voordat de stadspoort tot de grond toe was afgebrand. De draak liep langzaam door de stad en gluurde door de dichte ramen naar binnen. De  vrouwen en kinderen begonnen angstig te gillen en de mannen waren zo bang dat ze zich verstopten. “De draak heeft vast honger,” fluisterden de mensen tegen elkaar. “Hij is op zoek naar eten.” Een paar  mensen die niet meer op tijd bij hun huizen hadden kunnen komen, stonden angstig tegen de muren van werkplaatsen gedrukt. Maar de draak deed geen enkele moeite om hen te pakken. Hij brulde één  keer heel hard en blies weer vuur uit zijn neusgaten. Toen keerde hij om en liep terug naar het meer.

De volgende morgen liet de koning de verstandigste man van het land bij zich komen, zijn naam was Balder. “Weet u waar de draak naar op zoek is?” vroeg de koning. “De draak is op zoek naar het  mooiste meisje van de stad,” zei Balder. “En als hij haar gevonden heeft, zal hij haar opeten.” De  koning schrok heel erg. Want hij wist dat het mooiste meisje van de stad zijn eigen dochter, prinses Elin, was. “Ik kan haar toch niet laten opeten door de draak,” dacht de koning wanhopig.
De volgende  nacht kwam de draak weer naar de stad. En nu zette hij een rij huizen in brand. En na zijn  angstaanjagende ronde vertrok hij weer naar het meer. De mensen gingen de volgende dag naar het  paleis van de koning. “U moet uw dochter aan de draak geven,” zeiden ze. “Anders zal hij de hele stand afbranden.” De koning wist dat er niets anders op zat dan de prinses aan de draak te geven. En zo werd de ongelukkige prinses buiten de stad vastgebonden aan een paal. 

Later op de dag kwam de draak weer uit het meer. Hij zag de prinses al vanuit de verte staan en liep langzaam haar richting uit.
Maar op datzelfde moment kwam er een ridder te paard aanrijden. De ridder stopte bij het meer en liet zijn paard drinken. Het was ridder Joris en hij was de dapperste man van het land. Toen zijn paard genoeg had gedronken reed hij verder richting stad. En daar zag hij de draak, die inmiddels vlak bij de prinses was. De prinses beefde van angst. Ze kon de hete adem van 
het afschuwelijke beest op haar gezicht voelen. De ridder spoorde zijn paard aan en reed in  razendsnelle galop naar de draak. “Stop!” schreeuwde hij. “Ik ben Joris, de dapperste ridder van het  land. Je zult de prinses niet krijgen, voordat je met mij hebt gevochten.”
De draak draaide zich  woedend om. Hij blies vuur uit zijn neusgaten, maar het harnas van ridder Joris beschermde hem tegen de vlammen. Joris liet het vizier van zijn helm zakken en stormde met zijn lans gericht op de  draak af. Maar de draak beet de lans doormidden. Hij greep Joris beet met zijn grote klauwen en trok hem van zijn paard. Toen pakte Joris zijn bijl. Hij sloeg ermee naar de plaats waar hij dacht dat het hart van de draak zou zitten. Maar de draak had geen hart en de bijl brak in wel twintig stukken. Daarna gaf de draak Joris zo’n klap met zijn staart dat hij languit op de grond viel. Joris krabbelde  overeind, gaf niet op en trok vol moed zijn zwaard. Hij stormde op de draak af en stak het zwaard  recht in de buik van de draak. Het afschuwelijke monster brulde van woede en pijn en viel toen met een klap achterover. Zijn grote klauwen staken in de lucht. Joris trok zijn snel zwaard uit de buik van de draak. Hij hief het opnieuw omhoog en sloeg met één klap de kop van het afschuwelijke monster af. De draak was dood.
Toen de mensen begrepen dat de draak dood was, kwamen ze nog  nasidderend van angst hun huizen uit. De poortwachters die vanaf de stadsmuren het gevecht  hadden gevolgd, klapten en juichten van blijdschap.
Joris bevrijdde de prinses en hand in hand liepen ze naar het paleis.
Wat was de koning gelukkig toen hij zijn dochter terugzag. “Je hebt het leven van  mijn dochter gered,” zei hij tegen Joris. “Je mag wensen wat je wil.” Joris hoefde daar niet lang over na te denken. “Ik wil graag met uw dochter trouwen,” zei hij tegen de koning. En al de volgende dag trouwde Joris, de dapperste ridder van het land, met prinses Elin, het mooiste meisje van de stad.

Dan volgt het liedje ‘Langs een groen molentje’.

Alle jaarfeesten op een rijtje – Antroposofisch Leven
Het Zonnejaar
Draaidraakje – Antroposofie en het Kind (antroposofiekind.nl)
29 september – Het Michaëlsfeest, door Hans Stolp (nieuwetijdskind.com)
Waarom vieren we het hele jaar feesten? – (everydaymommyday.com)

Boeken:
Het hele jaar feesten
Leven met het jaar
Het jaar rond
Door het jaar heen
Van winterdans tot zomerkrans
Boekjes van Hennie de Gans -Wiggermans

Liane Collet Herbois

Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven
slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en
schoon te zien ontwaken.
Wellicht is alles
wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders
dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.

Rainer Maria Rilke

Hans Stolp 

“Over de weegschaal en de pest… 

Overigens wordt Michaël niet alleen afgebeeld met de draak onder zijn voeten, we komen hem op afbeeldingen regelmatig ook tegen met een weegschaal in de hand. De weegschaal is natuurlijk het attribuut van vrouwe Justitia en dus van de rechtspraak en symboliseert daarmee ons geweten. Het beeld van de weegschaal vraagt van ons, in onszelf af te wegen wat juist is, en wat niet juist is; wat respectvol is en wat kwetsend is; wat waar is, en wat niet waar is. Ook met dit beeld wil Michaël ons leiden van de sfeer van ons ego naar de sfeer van ons hoger zelf, ofwel van onze innerlijke Christus. In het verleden werd wel gezegd: vind je het moeilijk om écht, vanuit je hart, mee te leven met een ander, roep dan Michaël aan, en hij zal je helpen om te groeien in de kracht van het ware meeleven.
Hetzelfde geldt voor het beoefenen van geduld: heb je daar moeite mee, vraag dan Michaël om hulp.  Zo hebben de mensen door de eeuwen heen intensief met Michaël geleefd: hij was voor hen werkelijkheid, en zij leefden net zo onbevangen met hem, zoals je met vrienden en vriendinnen samenleeft. Daarom zie je nog overal afbeeldingen van hem, en niet alleen in boeken of op iconen: zo vinden we hem in Amersfoort bijvoorbeeld meer dan levensgroot afgebeeld op de zijgevel van de Michaëlschool. En daarom wordt er ook in vele legenden over hem verteld. 

Van paus Gregorius de Grote (een bijzondere paus, met een groot, natuurlijk gezag) wordt bijvoorbeeld verteld dat hij tijdens een pestepidemie de aartsengel Michaël zag, vliegend in de lucht. Daarbij mocht paus Gregorius echter ook zien, hoe Michaël op een gegeven moment zijn vlammende zwaard in de schede stak. Op dat moment was de pestepidemie meteen voorbij! In deze legende zien  we, hoe Michaël ons redt van de ondergang. Alweer: een typerend beeld voor wat de aartsengel  Michaël ook in deze tijd komt doen! 

Overigens, Michaël is niet alleen een aartsengel die in het Jodendom, het Christendom en de Islam  vereerd wordt. Ook in andere religies wordt hij vereerd, zij het onder andere namen. In Babylonië  werd hij bijvoorbeeld Mardoek genoemd, in Griekenland Apollo, in Egypte Anubis en in de Rigveda  (de oude heilige Indische boeken) wordt hij Indra genoemd. We hebben in Michaël dus te maken met  een groot geestelijk wezen dat in de meeste religies gekend en vereerd werd en wordt! “ 

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2838-2663

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – op andere sites (56)

.

michaël op andere sites

.

Op ‘Every day mommyday veel over  Michaël.
Bijv. gezongen Michaëlsliederen

Op ‘Vrije Opvoeding
Enkele achtergronden en recept van brooddraak

Op Tineke’s doehoek
Achtergronden, knutsels, spelletjes, vliegeren en meer

Op ‘Odin
Herfstbeschouwing en bespiegeling over o.a. ‘moed’.

Op ‘Natuurwijze
Beschouwing over ‘moed’

Op ‘Kinderopvang De geheime tuin
Achtergronden; wat kun je in de verschillende klassen doen.

Op ‘Catharijneverhalen’
Pelgrimstekens van de Aartsengel Michaël.

Op ‘Antroposofisch leven
Achtergronden; wat kun je met jonge en oudere kinderen doen.

Op ‘Antroposofie en het kind
Beschouwing, achtergrond, tekeningen.

Op ‘Pagan ouderschap
Een lange lijst boeken voor kinderen.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2837-2662

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.
Thomas Meyer, Weledaberichten nr. 163 sept. 1994
.

HET KWADE ALS BEWUSTZIJNSVRAAG

.

Een Michaëlsmotief in het oude Indië

.

Michaël, de overwinnaar van de draak, verschijnt in de geschiedenis van de mensheid onder uiteenlopende namen bij bijna alle culturen op aarde. Bij de oude Indiërs bijvoorbeeld als de oppergod Indra (die ook de heerser was over het luchtelement).

Uit het (bekende) beeld van Michaël die de draak doodt, wordt duidelijk dat het de speciale opgave van Michaël is om het kwade in de wereld te bestrijden. Tegenwoordig moet deze strijd vooral met het wapen van het inzicht gevoerd worden.

De hedendaagse mens zal de machten van het kwade alleen kunnen beheersen, wanneer hij zich een duidelijk inzicht in het kwade eigen maakt. Hoe actueel deze opgave ook is, toch vinden we haar al beschreven en opgelost in de vertelling van Nala en Damayanti – een vertelling die, net als de bekendere Bhagavad Gita, in het grote epos van de Mahabharata is ingevoegd.

Nala, de koning van het rijk der Nishaden, is op een dag niet zo oplettend bij het uitvoeren van een gebeds- en wasritueel. Door de poort van deze kleine onoplettendheid glipt Kali, de demon van het dobbelspel, bij hem binnen en neemt bezit van hem. Nala verspeelt al spoedig zijn kroon, zijn rijk en zijn aanzien, en bijna zijn geliefde Damayanti. Leed, waanbeelden en scheiding van vrouw en kinderen zijn het gevolg. Zonder herkend te worden en onder een andere naam, vervoegt Nala zich ten slotte aan het hof van een vreemde koning. Nala leert hem de koetsierskunst en in ruil daarvoor schenkt de koning hem zijn wonderbaarlijke kennis der getallen. Wie deze kunst beheerst kan bij voorbeeld in één oogopslag zien hoeveel bladeren of vruchten eraan een boom zitten.
Op het moment dat Nala deze kunst beheerst, verliest Kali, de demon van de dobbelcijfers, onmiddellijk al zijn macht over hem. Het gelijke wordt door het gelijke uitgedreven: de werkzaamheid van de getallen door de kennis van de getallen.
“En toen hij de kunst der getallen op deze wijze beheerste” zo meldt ons deze vertelling, “verliet de kwade dobbelgeest Kali zijn lichaam, voortdurend gif spuwend.
Toen week uit Nala het betoverende vuur van Kali.”

Nala hervindt zijn gemalin en wordt weer in zijn oude waardigheid als koning hersteld. En opnieuw rust de zegen van Indra, de oppergod, op het paar.

Zo wijst dit Oud-Indische Michaëlsgedicht ons al op het feit dat elke strijd tegen het kwade van deze tijd, als een strijd om het inzicht moet worden gevoerd. Dat alleen een overwinning van het inzicht een ware overwinning over het kwade kan brengen.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

.

2836-2662

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-15)

.

Duitse legende

.

Michael en de twijfelende kluizenaar
.

Een kluizenaar werd door twijfels aan de rechtvaardigheid van God, overvallen en hij wilde erop uitgaan om die rechtvaardigheid te zoeken.
Hij liet zijn hut en het stille bos achter zich en begaf zich op weg.
Toen kwam er een jongeman bij hem lopen, en ze reisden samen.

Tegen de tijd dat het nacht werd, kwamen ze bij een slot waar ze vriendelijk werden ontvangen.
Toen ze ‘s morgens verder liepen, haalde de jongeman een beker te voorschijn die hij in het slot had gestolen.

De tweede nacht brachten ze door bij een gierigaard. ’s Morgens bij het afscheid gaf de jongeman hem de beker ten geschenke.

Ze liepen het dorp door en de jongeman — van wie de kluizenaar inmiddels bang begon te worden — ging een armoedig huis binnen en eiste te drinken. Nauwelijks hadden ze het dorp achter zich gelaten of het huis ging in vlammen op en brandde af.

Vervolgens haastten ze zich naar het gebergte. Uit een eenzame hut klonk gejammer en geweeklaag. Ze zagen treurende ouders bij een ziek kind zitten. Meteen bereidde de jongeman een drank, gaf die aan het kind, en dat stierf ogenblikkelijk.
Toen schrok de kluizenaar en hij aarzelde of hij de verdachte jongeman nog wel verder zou volgen. Die had echter de vader van het kind als gids aangenomen.
Maar de kluizenaar werd door woede overmand toen hij zag dat die ontzettende reisgenoot de gids van de eerste de beste brug in de afgrond stortte.

De jongeman ontkwam aan zijn toorn en veranderde in de aartsengel Michaël.

‘Je hebt,’ zo zei hij, ‘geprobeerd achter de rechtvaardigheid van God te komen, en je hebt er nu iets van gezien.
De beker die ik die goede man ontstal was vergiftigd, en de gierigaard zal er het loon voor zijn zonden in vinden.
De arme mensen van wie ik het huis aanstak, zullen het weer opbouwen en in het puin zullen ze een schat vinden.
Het kind dat ik van de aarde wegnam, zou zijn opgegroeid als een misdadiger en zondaar, want zijn vader, die ik in de afgrond stootte, was een moordenaar en een rover.

Zo is voor God soms rechtvaardig wat in de ogen van een mens onrechtvaardig lijkt.’

Toen ging de kluizenaar terug naar zijn kluis en was van al zijn twijfels genezen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2835-2661

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer(6-4/3)

.

Evenals andere artikelen in de reeks ‘7e klas voedingsleer’ gaat dit niet direct over de periode. Er zal soms over ‘de elementen’ gesproken (moeten) worden.
Daarom zijn de artikelen daarover hier bij elkaar gehouden, al zouden ze ook elders geplaatst kunnen worden.

.

Joop van Dam, Weledaberichten nr. 168 voorjaar 1996
.

OVER DE lucht

.

De lucht die we in- en uitademen is deel van de grote luchtmantel die de aarde omvat. Deze luchtmantel is één samenhangend luchtorganisme: wat op één plaats gebeurt, heeft gevolgen voor het geheel. In het klein kun je dat bijvoorbeeld zien als de voordeur open gedaan wordt: dan kan het zolderraampje dichtklappen door de tocht. Warme en koude lucht ontmoeten elkaar en daardoor ontstaan luchtwervels. Deze luchtwervels (stromingen) bewegen zich van boven naar beneden en van beneden naar boven, en op grote hoogte worden ze door de zogenoemde straalstromen gepakt en over de aardbol van west naar oost vervoerd. Die bewegingen zien we op de weerkaart. Door het weer zijn wij ons bewust van het luchtorganisme.

Wat is karakteristiek voor de lucht? In de eerste plaats de hierboven beschreven beweging. Stenen liggen stil, water wordt (door de wind of de zwaartekracht) bewogen, maar de lucht beweegt uit zichzelf. Daarnaast zien we hoe de lucht zich uitbreidt van de aarde weg, gevolgd door een samentrekkende beweging, weer naar de aarde toe. Het is een ademende beweging. Daarom wordt de lucht om de aarde heen ook atmo-sfeer genoemd: de adem-sfeer. Hoge en lage druk, spanning en ontspanning treden op.

Deze eigenschappen van de lucht zijn ook karakteristiek voor alle wezens die een binnenwereld – een ziel – hebben. Dieren en mensen bewegen, wat planten en stenen niet doen. En ze kennen het optreden van spanning en ontspanning, zowel in de ziel als in het lichaam. Inademen geeft kracht en spanning aan de spieren, uitademen ontspant. In sympathie ademen we uit naar de wereld, bij antipathie trekken we ons in onszelf terug. Bij schrik ademen we snel in en als alles ten slotte meevalt, slaken we een zucht van verlichting. Overal waar de ziel in stress raakt, treedt een grotere spanning op: bijvoorbeeld een hoge bloeddruk, kramp van de luchtpijp of van de darmen. Bij echte ontspanning van de ziel ontkrampt ook het lichaam.

De lucht buiten is zo onberekenbaar als het weer, je hebt er geen invloed op. Het woord ‘gas’ voor de luchtvormige toestand van stoffen, komt van het Griekse woord chaos: iets waar nog geen vorm in is geschapen. De lucht binnen is wel te beïnvloeden. De mens kan zijn innerlijke weer regelen. Je kunt af en toe met een hartig woord je gemoed ‘luchten’. Ook is het mogelijk voor korte momenten wat windstilte in de ziel te scheppen, of er aan te werken dat door nieuwe ideeën een frisse wind door je dagelijkse bezigheden waait. Zo’n bewuste omgang met de lucht werkt gezond. 

.

aarde [6-4/1]  water [6-4/2]   warmte

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2834-2660

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-14)

.
Bulgaarse vertelling.

De boer en de aartsengel Michael

.
Er was eens een arme boer. Hij had zich met een meisje verloofd en wilde trouwen, maar ze hadden geen getuige. Daarom ging hij op pad, vastbesloten om daar  alleen maar een eerlijk mens voor te kiezen.
Toen ontmoette hij Christus en deze groette hem met de woorden: ‘God moge u bijstaan!’
‘God zal ons genadig zijn,’ antwoordde de boer op die groet.
‘Waar ga je heen?’ vroeg Christus.
‘Ik ben op zoek naar een verstandig iemand als getuige voor mijn bruiloft.’
‘O, wil je mij niet nemen?’

‘Wie ben je dan, en wat doet je?’ vroeg de boer.
‘Ik ben Christus.’
‘Christus, nee, die wil ik niet. Als Zoon van God ben je zelf een God geworden en net zo onrechtvaardig als hij. Aan de een schenk je rijkdom, de ander slechts honger. Hoe kan iemand iets goeds willen als hij zoveel onrecht toelaat? En juist daarom wil ik je niet als getuige,’ zei de boer en ging zijns weegs.

Het duurde niet lang of hij kwam de heilige Petrus tegen. Ook deze groette hem en vroeg hem waar hij heen wilde. Toen vertelde de boer dat hij op zoek was naar een getuige bij zijn huwelijk, waarop ook Petrus zich als zodanig aanbood. Maar nauwelijks wist de boer wie hij was tegengekomen of hij antwoordde: ‘Nee, u wil ik niet, heilige Petrus. Per slot bent u het die de sleutel tot het paradijs bewaart. De een laat u binnen, de ander niet. Vindt u dat soms rechtvaardig?’

Uiteindelijk ontmoette hij de aartsengel Michael, die hem groette: ‘Moge God u bijstaan, broeder!’
‘U evenzeer,’ antwoordde de boer en zei: ‘Ik zoek een getuige voor mijn bruiloft, maar ik wil daar alleen maar een rechtschapen mens voor nemen.’
‘Neem mij.’
‘Wie ben jij dan?’ vroeg de boer en bekeek de aartsengel indringend van top tot teen.
‘Ken je mij niet? Ik ben de aartsengel Michaël.’
‘Aha, hij die de zielen van de mensen komt halen. Ja, u bent voor mij de juiste, u zal ik nemen, want u bezoekt ieder mens en neemt zijn ziel.’

Zo werd de aartsengel Michaël getuige bij het huwelijk van de arme boer.
Na het trouwfeest zei de aartsengel tot de bruidegom: ‘Je hebt mij gekozen en mij daarmee eer bewezen. Daarom zal ik je als dank dit flesje water schenken. Het zal je rijk maken, zodat je voortaan niet arm meer hoeft te zijn.’
‘Hoe zou ik door een waterflesje rijk kunnen worden?’ vroeg de boer verwonderd.
‘Met dit flesje kun je genezen. Zodra je een zieke met een paar druppels besprenkelt, zal die beter worden en je daarvoor belonen. Zo zal je een beroemde arts worden en een vermogen verwerven.’

De boer kon eenvoudigweg niet geloven dat een paar waterdruppeltjes genoeg zouden zijn om zieken weer gezond te maken, en dus vroeg hij de aartsengel nog een keer: ‘Hoe kan dat water elke ziekte genezen?’
‘O, dat is heel eenvoudig. Als je er een zieke eenmaal mee hebt besprenkeld, kom ik zijn ziel gewoon nog niet halen. Hij zal blijven leven en beter worden.’

Na deze woorden nam de aartsengel afscheid en vertrok.
De boer genas alle mogelijke ziekten zoals de aartsengel het hem had gezegd. Al gauw deed het verhaal van zijn geneeskrachtige gaven in heel het land de ronde, en het duurde niet lang of de arme boer was een vermogend man geworden.

Na enige tijd kwam hij op het idee om zijn huwelijksgetuige van toen, als gast uit te nodigen.
De aartsengel kwam en later vroeg hij de man voor een tegenbezoek. De boer was daar blij mee en zocht de aartsengel op. Zijn gastheer leidde hem eerst door een paleis dat op dat van de tsaar leek, daarna door een nog mooier — alle wanden waren van goud en edelstenen.
Ten slotte kwamen ze in een grote ruimte die volstond met brandende kaarsen. Het waren heel grote kaarsen, en zoals ze daar bij elkaar stonden was het net een bos. Sommige waren zo hoog als populieren, waarschijnlijk net aangestoken, andere daarentegen waren al half opgebrand en van weer andere was er nog slechts een gloeiend stompje over.
Heel verbaasd over wat hij zag, vroeg de man aan de aartsengel Michael: ‘Wat hebben al die kaarsen te betekenen? Waarom zijn sommige helemaal nieuw, terwijl andere half en weer andere helemaal opgebrand zijn?’
De aartsengel antwoordde: ‘De hoge kaarsen zijn van de kinderen die pas geborenen zijn.
De half opgebrande horen bij de mensen die de helft van hun leven hebben bereikt.
Die bijna zijn opgebrand zijn van de mensen van wie leven spoedig ten einde is. Zodra er een dooft, haal ik de ziel van de mens weg aan wie die kaars toebehoorde.’ ‘Zegt u mij alstublieft, welke kaars van mij is,’ vroeg de man benauwd.

Toen wees de aartsengel op een kaarsstompje dat weldra voor het laatst zou opflakkeren.
Geschrokken wilde hij nu ook de kaars van zijn eigen kind zien, dat pas onlangs was geboren. Maar die was hoog als een populier, er was nauwelijks iets van opgebrand.
‘Wat een groot verschil met de mijne,’ dacht de boer en vroeg: ‘
Beste aartsengel, kunt u op de een of andere manier mijn kaars ruilen voor die van mijn kind? Geef hem de mijne en mij gewoon die van hem.’ 

‘Waarom heb jij ooit een rechtvaardig mens als huwelijksgetuige willen hebben, als je zelf zo onrechtvaardig bent?’ vroeg de aartsengel Michael nijdig en vervolgde toen:
‘Jij wil de kaars van je eigen kind, dat net geboren is, en je wil hem jouw kaars daarvoor in de plaats geven? Moet die pasgeborene dan nu al sterven, alleen omdat jij, die al zo lang leeft, nog langer kan leven?’

Boos joeg de aartsengel Michael de boer zijn rijk uit en slechts enkele dagen later kwam hij zijn ziel halen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2833-2659

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-13/2)

.
Albanees sprookje
.

Lucifer verwondt Michaël aan zijn voet
.

De wereld was vierduizend jaar lang verduisterd geweest. Dat kwam omdat Lucifer de zon opgesloten had.
Toen besloot de goede God boven in de hemel om Lucifer met hulp van de heilige Michaël een poets te bakken, om Lucifer de zon weer te ontfutselen.

De heilige Michaël en ook Lucifer waren in die tijd herders. Beiden hadden de gewoonte de eigen kudde te hoeden op een grazige weide. De heilige Michaël kwam Lucifer tegen en hij zei tegen hem: ‘Zullen we niet eens een bad nemen in dat water daar? Voor ons lijf is het toch heel verkwikkend om rond deze tijd te baden.’
Maar Satan doorzag Michaëls list en zei tegen hem: ‘Ik weet best waar je op uit bent! Houd je maar rustig! Onder het mom van een bad wil je mij de zon afhandig maken. Als je me in naam van de hoogste God kan zweren dat je de zon niet van mij af zal pakken, zullen we gaan baden!’
De heilige Michaël antwoordde: ‘Wees zo goed even te wachten, dan ga ik God hierboven vragen of ik dat mag of niet!’

De heilige Michaël sloeg zijn vleugels uit in de richting van de hemel, kwam daar vliegensvlug aan, ging voor God staan en sprak tot hem: ‘Geeft u mij toestemming om in uw naam een eed af te leggen waarbij ik zweer dat ik de zon niet van Lucifer zal afpakken? Op een andere manier krijgen we het niet voor elkaar! Want hij is een oude vos en had de streek die ik hem wilde leveren meteen door. Als u, Majesteit, mij nu toestaat die eed af te leggen, dan hoop ik geluk te hebben en mijn taak te kunnen volbrengen.’

De goede God antwoordde: ‘Je mag het. Maar zacht, zonder dat hij het hoort, moet je eraan toevoegen: “Geloofd zij de Gezegende”.’

Toen vloog de heilige weer omlaag. Bij Lucifer gekomen zei hij tegen hem: ‘Heb je nog bedacht of we al dan niet in het water zullen gaan?’ Lucifer zei: ‘Zoals ik al heb gezegd. Zweer je me in naam van de hoogste God dat je de zon niet van me af zal pakken, dan neem ik met het grootste genoegen een bad!’
‘Zo waar ik God de Vader wil zien,’ zwoer daarop de heilige Michaël, ‘ik zal je hem niet ontfutselen. Wees maar niet achterdochtig, zet die gedachte maar uit je hoofd!’
Terwijl hij die eed aflegde in naam van de Allerhoogste, zei hij zoals God hem had opgedragen: ‘Geloofd zij de Gezegende!’

Nu liepen ze samen naar de rivier, kleedden zich uit om zich in het water te gaan baden.
Lucifer was het eerst klaar en sprong — plons! — in het water. De heilige Michaël volgde hem, trok toen een spriet uit van het moerasgras dat daar aan de oever groeide en zei tegen Satan:
‘Wie van ons zou de dikste hals hebben, jij of ik?’
En Satan antwoordde hem: ‘Ik!’
Daarop zei de Michaël: ‘Dat is niet waar! De mijne is het dikst!’
‘Dat kan niet waar zijn!’ zei de ander. ‘Heb jij dan geen ogen in je hoofd om te kunnen zien hoe dik mijn hals is!’
‘Laten we dat dan maar eens meten!’ zei de heilige Michaël.
En hij de nam de halm rietgras en legde die om Lucifers hals alsof hij die wilde meten. Maar op hetzelfde ogenblik veranderde de halm in een ketting. Nu maakte Michaël zich licht en vloog op de oever af, waar Lucifers zon in een bosje was verstopt. Hij tilde de zon en steeg ermee omhoog.

Satan spande zich in om de zware keten die hij om zijn hals droeg te verbreken. Pas na langdurige moeite lukte dat. Intussen had de heilige Michaël al een voorsprong opgebouwd. Maar nu zette Satan de achtervolging in. De heilige Michaël was al in de hemelse sferen aangekomen. Hij had zijn doel echter nog niet helemaal bereikt en de drempel van het paradijs nog niet betreden, toen Lucifer hem had ingehaald. Die klemde zich vast aan zijn hiel en rukte de heilige een stuk uit zijn voet.

Maar niettemin kwam Michaël als winnaar uit die wedstrijdvlucht te voorschijn. Hij ging voor de Heer staan en zei tegen hem: ‘Ik heb hem de zon afhandig gemaakt! Maar wat koop ik ervoor? Hij heeft me zeer zwaar aan mijn voet verwond. En ik geloof niet dat ik het nog lang maak!’
‘Maak je daar nu maar geen zorgen over,’ zei de Almachtige, ‘want ik zal je genezen.
Maar ik bepaal hierbij wel, dat ieder mens met die verminking ter wereld zal komen!’

Sindsdien hebben alle mensen, als ze tenminste geen platvoeten hebben, een holte in hun voetzool.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2832-2658

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-7)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur kind nr.16 najaar 2005

.

Hoe wordt je kind een gezonde fijnproever?

.

Je wilt het beste voor je kind, ook op het gebied van voeding. Iedereen weet inmiddels dat het niet goed is om veel te snoepen en vet te eten, maar zeker voor een kind is het niet gemakkelijk om nee te zeggen tegen al dat lekkers. Hoe krijg je het als ouder voor elkaar dat je kind zelf het evenwicht in de gaten houdt?

Als er één thema hot is, dan is het wel overgewicht bij kinderen. In de Verenigde Staten is het inmiddels een serieus probleem en ook in Nederland stijgt het aantal kinderen dat te dik is. Tegelijkertijd groeit het aantal ouders dat hun kinderen juist verantwoord wil voeden. Een goede zaak natuurlijk, maar hoe doe je dat? Als je je kind gezonde keuzes wilt leren maken, merk je dat er heel wat factoren zijn die een rol spelen bij voeding: winkels die vol liggen met snoep (vooral bij de kassa waar je hoe dan ook samen langs moet); opa’s en oma’s die niets liever willen dan hun kleinkind verwennen (en dat mag natuurlijk ook) en leeftijdgenootjes die met excessief leuke broodtrommeltjes op school of kinderdagverblijf verschijnen.

Tegen brood en vóór patat

Bij het begeleiden van je kind naar een gezond voedingspatroon is het zaak met al deze factoren rekening te houden.

Het lijkt misschien gemakkelijk om te beslissen dat je je kind gewoon geen suiker of geen vlees en vettigheid wilt geven, maar een absoluut nee tegen bepaalde voedingsmiddelen brengt een risico met zich mee. Onbekende of verboden zaken hebben een grote aantrekkingskracht. Het is niet ondenkbaar dat een kind zodra het zelf gaat kiezen, juist dat wil hebben wat het jaren heeft moeten ontberen. Sterker nog, omdat het niet heeft geleerd met bepaalde voedingsmiddelen om te gaan, kan het wel eens helemaal doorslaan. Zeker in de puberteit, als tegendraads toch al de trend is, kan het kind ook op het gebied van voeding de tegenbeweging inzetten. Vlijtig door pa of moe gesmeerde boterhammen verdwijnen nog vóór het eerste lesuur in de prullenbak. In plaats daarvan laat het kind zich verleiden tot overmatig friet- en frikadelgebruik, daarbij de resulterende jeugdpuistjes voor lief nemend. Ook om die tegenbeweging te voorkomen, is het zaak je kind al op jonge leeftijd te begeleiden bij het vinden van een balans op voedingsgebied.

Proeven als avontuur

Laten we beginnen bij de babytijd.
Baby’s hebben van nature de neiging om alles in hun mond te stoppen. Al sabbelend en zuigend ontdekken zij de wereld om zich heen. De eerste maanden geef je je kind zo mogelijk borst- of flesvoeding. Maar rond de vijfde, zesde maand kun je het ook alvast aan nieuwe smaakjes laten wennen door hem bijvoorbeeld een gekookt worteltje of een stukje meloen te geven om op te sabbelen of te zuigen. Bied je hem af en toe een nieuwe smaak aan, dan wordt proeven een spannend avontuur en leg je de basis voor het plezier in eten.

Bedenk wel dat een kind al in een vroeg stadium zijn of haar smaak begint te ontwikkelen en dat je daar als ouder invloed op kunt uitoefenen. Kies je bijvoorbeeld zoveel mogelijk voor onbewerkte voedingsmiddelen, dan leert je kind de pure smaken kennen en daarmee ook de pure kwaliteit van de dingen.
Iedereen die een poosje zoutloos heeft gegeten, weet hoe zo’n dieet je smaak verandert: je gaat intenser proeven. De smaakpapillen van kleine kinderen zijn nog niet gewend aan sterke smaken en het kan geen kwaad deze zo lang mogelijk in een ‘onbedorven’ staat te laten: des te steviger wordt de basis. Proeven doe je overigens niet alleen op smaak, maar ook op textuur. Doordat je kind het stukje fruit of groente voorzichtig in zijn mond aftast, leert hij ook onderscheid te maken tussen hardheid, zachtheid, vezeligheid of sappigheid. Zo wordt zijn beeld van wat bijvoorbeeld een peer of wortel is, steeds completer: hoe ziet hij er uit, hoe voelt hij, hoe ruikt hij en zelfs hoe klinkt het als mama hem op een bordje legt om te schillen.

Bij gratie van het contrast

Als een kind ouder wordt, komt er een nieuw element om de hoek kijken bij de keuze van voeding: het sociale aspect. Kinderen willen er graag bij horen. En hoezeer je ook hoopt dat het zich niet te buiten gaat aan cola en chips, er zijn nu eenmaal hele volksstammen die dat wel doen en dat ziet je kind ook. In plaats van je huis tot een cola-vrije zone uit te roepen, kun je hem daarom beter leren hoe hij met dit mindere gezonde lekkers kan omgaan. Haal het gedoseerd in huis.

Koop bijvoorbeeld een keer voor het weekend een pak koek en een zak chips onder het motto: dat gaan we lekker oppeuzelen en op is op.

Daar staat tegenover dat het ook weer niet elke dag feest hoeft te zijn. Sterker nog, als een kind doorlopend snoep en koek krijgt, zal het daar juist niet meer van genieten. Geluk bestaat bij de gratie van het contrast en dat geldt zeker voor voeding. Als je je kind leert dat er zoiets bestaat als ‘met mate’, train je hem daarmee om zelf een balans te zoeken. Leg je dus niet te veel nadruk op wat er allemaal ‘niet goed’ is, dan wordt voeding ook veel minder snel een beladen onderwerp voor een kind.

Bij het sociale aspect van voeding komen ook opa’s en oma’s en andere
verwenfiguranten om de hoek kijken. Grootouders zijn soms van een generatie die ervan overtuigd is dat suiker helemaal niet slecht is en dat koektrommels op tafel bij het meubilair horen. Vooropgesteld dat het niet uit de hand loopt, kun je jezelf de vraag stellen of iemand er gelukkiger van wordt als jij snoep en snacks verbiedt. Voor de desbetreffende opa en oma kan het verdrietig zijn wanneer zij niet mogen toegeven aan hun verwenbehoefte. En voor je kind kan het een veilig gevoel zijn dat zijn grootouders ook goed voor hem willen zorgen (zelfs ‘beter’ dan thuis!). Belangrijk is echter ook hier onderscheid te maken tussen bijzondere en gewone momenten: een dagje bij opa en oma is feest en een doordeweekse dag thuis is een doordeweekse dag.

Een portie genieten 

Een kind mag best weten dat niet elke (lekkere) trek die opkomt onmiddellijk gestild hoeft te worden. De hang naar instantbevrediging is een van de valkuilen van onze tijd, dus ook daartoe zal je kind zich moeten leren verhouden. En over grenzen gesproken: die kun je je kind ook tot op zekere hoogte zelf laten ontdekken. Sta eens toe dat het een hele zak drop naar binnen schrokt, om daarna misselijk te zijn. Van zo’n ervaring leert hij doorgaans meer dan van driehonderd waarschuwingen van goedbedoelende ouders.

Tot slot is het goed je te realiseren dat eten meer is dan het tot je nemen van de juiste dosis vitaminen en mineralen. Gezondheid behelst meer dan voeding alleen. Misschien wil je supergezond koken voor je kinderen, maar heb je daar eigenlijk geen tijd voor. Dat kan gepaard gaan met stress en dat is ook niet echt bevorderlijk voor het welbevinden van je kroost. Creëer rust rondom de maaltijden, zodat je kind ervaart dat eten leuk en gezellig is. En lukt het je een dag niet een zeer verantwoorde vitaminerijke maaltijd op tafel te zetten, haal dan rustig een patatje of een pizza. En maak er een kunst van om daar op zo’n moment uitbundig van te genieten. Een portie genieten op zijn tijd is ook heel gezond.»

Met dank aan Paulien Bom, consultatie-verpleegkundige en (mede)auteur van de Groeiwijzer van nul tot één jaar en de Groeiwijzer van één tot vier jaar.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2831-2657

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-13/1)

.
Servisch sprookje
.

De roof van de zon
.

Toen de demonen van God waren afgevallen en naar de aarde waren gevlucht, hadden ze ook de zon meegenomen, en de leider van de duivels had hem aan een lans gestoken en droeg hem op zijn schouder.
De aarde beklaagde zich bij God dat de zon haar nog helemaal zou verbranden. God zond de aartsengel Michaël. Hij moest de zon hoe dan ook van de duivel afpakken.
De heilige aartsengel daalde af naar de aarde en knoopte vriendschap aan met de leider van de duivels. Maar deze was op zijn hoede, want hij had meteen in de gaten waar het om begonnen was.

Op een keer gingen ze samen op aarde wandelen en ze kwamen bij de zee. Ze besloten om te gaan baden, en de duivel stootte de lans met de zon in de aarde. Nadat ze een poosje in het water waren geweest, zei de heilige aartsengel: ‘Laten we nu gaan duiken en zien wie het diepste komt.’
De duivel stemde daarmee in en de heilige Michaël dook onder en kwam weer boven met zeezand tussen zijn tanden.
Daarna moest de duivel duiken.
Maar omdat hij bang was dat de aartsengel hem in die tussentijd de zon afhandig zou maken, trof hij maatregelen. Hij spuugde op de aarde en uit zijn speeksel ontstond een ekster, die de zon voor hem moest bewaken tot hij had gedoken en met zijn tanden zeezand had gehaald uit de diepte.
Zodra de duivel echter in het water verdween, maakte de heilige Michaël met de hand een kruisteken en meteen daarna werd de zee bedekt met een metersdikke ijslaag. Toen greep hij snel de zon en vluchtte ermee naar God.

De ekster echter, kraste uit alle macht en toen de duivel dat  hoorde, vermoedde hij ook al wat er aan de hand was. Hij keerde zo vlug mogelijk om. Maar toen hij boven kwam vond hij de zee dichtgevroren en hij begreep dat hij er niet uit kon. Vlug keerde hij weer terug naar de zeebodem, nam een geweldige steen en brak daarmee door het ijs en zette de jacht op de slimme aartsengel in.

De heilige Michaël stond al met één voet in de hemel, toen de duivel hem bereikte. Hij greep hem nog net bij de andere voet en rukte met zijn klauwen een groot stuk vlees uit de voetzool. Met die wond kwam de heilige Michaël bij God en overhandigde hem de zon. Jammerend klaagde hij hem zijn nood en zei: ‘Wat moet ik nu, nu ik zo verminkt ben?’
Toen antwoordde de Heer: ‘Wees kalm en niet boos. Van nu af aan zullen alle mensen net als u geen vlakke voetzool meer hebben.’

En zoals God het had bevolen, gebeurde het en zo is het gebleven, zodat we niet zullen vergeten dat de heilige aartsengel Michaël onze aarde voor verbranden heeft behoed en dat hij de zon naar de hemel teruggebracht heeft.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2830-2656

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer(6-4/1)

.
Evenals andere artikelen in de reeks ‘7e klas voedingsleer’ gaat dit niet direct over de periode. Er zal soms over ‘de elementen’ gesproken (moeten) worden.
Daarom zijn de artikelen daarover hier bij elkaar gehouden, al zouden ze ook elders geplaatst kunnen worden.

.

Joop van Dam, Weledaberichten nr. 166 najaar 1995
.

Over de aarde

.

Toen het door de ruimtevaart mogelijk werd om de aarde op grotere afstand te bekijken, zagen de astronauten tot hun verrassing een blauwige druppel met rondom witte, beweeglijke velden. Niet de vaste aarde werd waargenomen maar de vochtige luchtsfeer eromheen.

Vanuit het heelal afdalend komt men in de atmosfeer die eerst een warmteomhulling is en dan een luchtsfeer. Hierin stijgen de wolken uit de aardse watermassa’s op. Zo passeer je eerst de elementen vuur, lucht en vloeistof, om daarna op aarde te belanden.

Deze gang door de elementen maakt ook elk kind dat ‘op aarde’ komt. Het lichaam wordt in warmte geconcipieerd. Hierdoor komt de verharding van het lichaam met de vorming van botten en tanden pas op het laatst in de embryonale ontwikkeling tot stand. Gebeurt dit te laat, dan blijft het kind te veel in het vloeistofelement hangen. De botten blijven dan te week en buigen bij het gaan staan door. (Het effect is O- of X-benen).

Bij de oudere mens dreigt het aarde-element de overhand te krijgen: verhardingen treden op waar dit niet hoort, bijvoorbeeld in de lens van het oog (staar) of in de bloedvaten (aderverkalking).

Ook in de loop van de mensheidsgeschiedenis is de mens steeds dichterbij de aarde gekomen. Zagen mensen vroeger nog wezens in de natuur (Wodan in de donder, elfen, kabouters), na de Middeleeuwen verdween dat vermogen. Toen zag de mens pas echt de aarde: hij begon de bergen te beklimmen en ging op ontdekkingsreis. Toen werd ook duidelijk wat het aarde-element ons kan brengen: in het water- en luchtelement gaan de dingen in elkaar over, de aarde-dingen daarentegen zijn goed van elkaar te onderscheiden en te tellen. Ze liggen vast, zijn onveranderlijk en gehoorzamen aan aardse wetten.

Na de Middeleeuwen werd de natuurwetenschap ontwikkeld, die alles wat tastbaar (vast), weegbaar (zwaartekracht) en telbaar is, onderzoekt. We danken er een helder, controleerbaar en exact bewustzijn aan. Met die wetenschap kun je ook werken en afspraken maken. Dit geeft zekerheid en vastigheid. Als je niet wakker bent, word je door de aardse werkelijkheid gecorrigeerd. Het aarde-element heeft helderheid, exactheid en daardoor zelfstandigheid ten opzichte van de wereld gebracht.

Toch zijn we niet uitsluitend aan deze aardse realiteit gebonden. Het feit dat de mens rechtop gaat staan, laat zien dat er iets in hem leeft wat zich boven de aardse zwaartekracht verheffen kan. Andere elementen worden dan werkzaam. Daarover volgende keer.*

*water [6-4/2]  lucht [6-4/3]   warmte

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2829-2655

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-12)

.
Bulgaarse legende van de Bogomielen
.

Michaël en het kwaad

.

Michaël en het kwaad

Satanaël zag dat God de Heer door alle engelen werd vereerd en geprezen en afgunst maakte zich van hem meester: hij moest en zou aan God gelijk worden. In zijn trots dacht hij: ‘Ik zal mijn troon in de hemel op de wolken zetten en de gelijke van de Almachtige worden.’
God de Heer echter kende zijn gedachten en hij wilde Satanaël met zijn arglistige volgelingen doen neer storten uit de hemelen.

God zond de aartsengel Michaël naar Satanaël.
Michaël ging naar hem toe. Maar Satanaël schroeide de aartsengel Michaël met zijn vuur.
Michaël keerde naar God terug en sprak: ‘Ik heb gedaan wat u mij hebt opgedragen, maar Satanaël heeft mij met vuur geschroeid.’
Toen verhief God de Heer Michaël in een hogere waardigheid en Michaël, die tot dan toe Miche heette, werd Michaël genoemd.
Satanaël echter heette van toen af aan alleen nog maar Satan.

En God de Heer gaf de aartsengel Michaël de opdracht Satanaël met Gods scepter zijn schouder te slaan en hem met zijn boze scharen te doen neerstorten uit de hemel.
Nu stuurde God de Heer Michaël opnieuw naar Satanaël, maar het lukte Michaël niet de troon van Satan te naderen, en opnieuw werd hij geschroeid.
Michaël echter vermande zich, sloeg met al zijn kracht de scepter naar Satan en deze stortte daardoor neer in de diepte, samen met zijn getrouwen.
Drie dagen en drie nachten vlogen zij door de luchten, als regendruppels, en op de derde dag kwamen de engelen in de hemel samen en Michaël werd door God gekozen tot aanvoerder van de hemelse heerscharen.

De poorten van de hemel werden gesloten, de gevallen engelen echter bleven buiten. Sommigen bleven aan de bergen hangen, sommigen stortten in de afgrond, anderen bleven in de luchten, weer anderen kwamen op aarde neer en verleidden daar de mensen, ieder op zijn beste manier.

En daar zijn ze nu nog steeds.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2828-2654

.

.

.

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-11)

.

Heinz Müller, Erziehungskunst, 24e jrg. 10 1960

.

Michaëlslegende
.

Er was eens een man, die had in zijn leven veel gewerkt en was er oud en wijs bij geworden; want al wat hij had gedaan was gebeurd met liefde voor zijn werk en om de mensen te helpen. Daarom kon hij niet alleen met een vroom hart veel schoons op aarde zien en beleven. Hij had de gave veroverd om ook dan nog te kunnen zien en luisteren als andere mensen, door slaap bevangen en zonder dat ze er iets van weten, ’s nachts door hun engel naar hun hemelse vaderland worden gebracht.

Eens wandelde hij zo aan de zijde van zijn engel naar lichte hoogten. Toen kwamen ze bij een gouden poort; die was gesloten. Zijn engel deed een paar stappen achteruit en zei: ‘Wacht nog even, dan zal de poort voor u worden geopend!’ En werkelijk, even later weerklonk er een geweldige galm als van vele bazuinen, en daarmee vermengde zich een rollende donder. Toen ging de poort open en een helder schijnsel, als stralend van goud en zilver, verblindde eerst wie er in keek. Al gauw echter zag de oude man een machtige engelvorst voor zich; diens gewaad glansde alsof het uit de stralen van zon en maan was geweven; in zijn handen droeg hij een schaal van puur goud. De man nu vroeg zijn engel: ‘Wie is het die we hier zien?’ — ‘Dit is Michaël, die de draak overwon en die nu voor Gods aanschijn staat als heerser van onze tijd,’ zo luidde het antwoord. Terwijl de oude man eerbiedig om zich heen keek, zag hij: daar kwamen met verheugde blik veel engelen aan. Ze gingen voor Michaël staan en ieder van hen droeg in zijn handen een gave, die overhandigden ze aan Michaël. De aartsengel nam elk geschenk in zijn rechterhand en bekeek het met veel genoegen. Toen legde hij het ene na het andere in zijn gouden schaal.

De engel echter die bij de oude man stond zag diens vragende blik en zei: ‘U ziet nu, hoe blijgezind de engelen hun aanvoerder en leidende tijdgeest die gaven overhandigen. Het zijn de vruchten van de daden en het leed van al die mensen die zich door licht denken, warm voelen, krachtig willen hebben ingespannen om Michaëls trouwe vrienden en medestrijders op aarde te zijn. Wat Michaël in zijn schaal verzamelt, dat verandert hij in sieraad en harnas tegelijk voor de mensen op aarde van wie de geschenken afkomstig zijn. Zo geeft hij de zielen van zijn getrouwen veredeld terug wat aan hun inspanningen ontspruit, en hun geestgedaante wordt steeds meer omstraald door de glans en de kracht en de moed van de scharen die Michaël dienen. Bij zijn veranderend werk echter vallen er gouden korrels af als geesteszaden. Die werpt hij, ziet u maar, met een brede zwaai op aarde.’

Toen nu de grijsaard, het wijzend gebaar van zijn engel volgend, zijn blik naar de aarde liet zweven, zag en begreep hij wat daar gebeurde. Als lichtende sterren zag hij de geesteszaden naar de aarde vliegen, en de glans van het stralende goud werd weerspiegeld door alle boomkruinen en het hele woud. Met iedere nieuwe zaadworp zonk de glans van de herfst dieper in de wouden.

Toen de grijsaard zijn blik weer opsloeg naar de hemelse hoogten, zag hij net hoe er een tweede schare engelen voor Michaël kwam staan, niet zo vol vreugde als de eerste, eerder wat aarzelend. Maar zij allen droegen in hun handen de een of andere kleine gave voor Michaël. Voordat nu de eerste van hen zijn geschenk overhandigde sprak hij tot de vorst van de engelen: ‘Veel is het niet, wat wij in uw handen kunnen leggen; maar toch zijn wij blij dat wij niet geheel zonder gaven hoeven te komen. Vaak vergaten de mensen, van wie wij de behoeders zijn en die nauwelijks vermoeden dat we ook hun metgezellen zijn, de juiste wegen te bewandelen en liefdevolle daden te volbrengen. Zo vrezen wij haast uw toorn, o Michaël, en hopen op uw genade.’

Michaël echter aanvaardde het weinige dat ze te bieden hadden met grote ernst en sprak toen: ‘Ook al waren de aan uw zorg toevertrouwden slechts in kleinigheden trouw, toch hebben ze zich nog niet van ons losgemaakt. Behoedt de kiemen van het goede in hun zielen, dat ze leren ook in het grote trouw te zijn; want vreugde heerst er in ons rijk over ieder die de juiste weg nog vindt!’

Verbaasd zagen de engelen van de tweede groep, dat Michaël hun uit zijn schaal veel grotere geschenken in ruil gaf dan ze hadden verwacht, en met nieuwe hoop en nieuwe moed wilden ze zich net weer op weg begeven naar de hunnen.

Toen naderde er met aarzelende schreden een derde groep engelen. Deze sloegen de blik neer toen ze voor Michaëls aangezicht kwamen, en nu stonden ze daar met lege handen. Een kwam er uit de schare naar voren en vroeg de
drakendwinger: ‘Bevrijd ons ongelukkigen van onze taak! Hoe moeten we ons tegenover u waarmaken, daar de zielen van hen die wij moeten beschermen verstokt zijn en bot? Wij komen met lege handen, vol schaamte en schuchterheid bij u.’
In Michaëls gelaat braken vlammen uit, en rollend als de donder weerklonk zijn antwoord: ‘Ik kan u niet van uw post terugroepen. Gaat naar de mensen, want de draak is onder hen met zijn verderf zaaiende scharen! Niet langer in de hoge hemel is hun vaderland. Met het zwaard zullen ze uittrekken voor de broederstrijd tegen elkaar, en nood en vertwijfeling zal het lot zijn van hen die nu nog behagen vinden in de blinde duizeling van de lust en de verzadigde traagheid van het hart. Alle verschrikkingen en noden van de ondergang zijn de vruchten van verblinde zelfzucht en eigenliefde. Gij echter, waakt over hen die aan het rechtvaardige gericht zijn vervallen! In de laaiende brand van de vernietiging, als de beschadigingen van de ziel, als uitgegloeide slakken, van hen afvallen, zoekt dan in hen de al bijna uitgedoofde vonken van hun goddelijk wezen, ontsteekt die tot nieuwe gloed en redt wat nog maar waard is te redden!’

Toen jubelden alle engelenkoren die Michaël omringden. Hij echter wierp wederom zijn geesteszaad uit over de aarde. En de toekijkende oude man, voor wiens zienersblik zich dat alles had vertoond, wist plotseling in zijn hart:

Wie onder de mensen het geestelijk goud behoedt en liefdevol koestert, hem wordt het hart tot een gouden schaal waarin de leermeester van de mensenliefde graag iets van zijn oneindige schat zal neerleggen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2827-2653

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-10)

.
Hans Treichler, schoolkrant, gegevens ontbreken.

.

Hoe de drakenboom ontstond

.

Op een ver eiland, omspoeld door de branding van de grote zee, rezen zwarte toppen op naar de hemel. Godvruchtige mensen bewoonden het eiland. — Van tijd tot tijd borrelde en kookte het in het binnenste van de bergen. De bergkoepels scheurden open en vuur en rook slingerden eruit te voorschijn. Stenen en aarde wervelden door de lucht. Een gloeiende massa rolde de hellingen af. Dan vluchtten de mensen hun hutten uit om hun leven te redden. ‘De demonen zijn weer aan het werk,’ fluisterden ze en baden tot de storm voorbij was.

Op een nacht gebeurde het dat de hoogste van de bergen met een verschrikkelijke kracht zijn vurige massa’s uitspuwde. Er golfde een vreemd geruis door de lucht dat tienvoudig van de bergen weergalmde. Grote vrees greep de mensen aan. Ze wierpen zich op de aarde neer en hieven smekend hun armen ten hemel. Toen ontwaarden ze in de luchten boven zich een draak met slangachtige vleugels, die snuivend over hen heen daverde. Door het geraas van de elementen klonk een dreigende stem: ‘Ik ben hier de heerser! Mijn vuur zal u tot de hemel verheffen als gij mij volgt. Zo niet, dan zal het u en uw eiland tot slakken verbranden.’ Daarmee verdween het monster in de muil van de rokende berg. Als verlamd staarden de mensen omhoog, tot eindelijk hun tongen loskwamen: ‘Laten we hem volgen, anders zal hij ons vernietigen!’ ‘Maar beloofde hij ons niet de hemel?’ Ze waren het onderling niet eens en begonnen te twisten.

Toen nam de oudste en meest wijze onder hen het woord: ‘Hij is een vijand van de hemel, we mogen niet voor hem buigen!’ — ‘Maar wat moeten we doen?’, zo vroegen de mensen in hun nood. Toen antwoordde de wijze: ‘Ik zal mij in de eenzaamheid terugtrekken en mij aan de hemel toevertrouwen. Wacht tot ik terugkom.’

Diezelfde nacht liep hij het verlaten strand op en neer, waar de zee zich oneindig ver voor hem uitstrekte. De hemel vol sterren welfde als een koepel over hem heen als een sterrenmantel die hem beschermend omhulde. De wijze knielde neer, en zijn ziel verhief zich tot de hemelse machten. ‘De draak uit de vuurbergen is over ons gekomen. Hij wil tweedracht zaaien en ons eiland in vuur verstikken.’ Zo sprak hij en luisterde in de fonkelende nacht. Toen weerklonk er uit de sterrenhoogten een stem: ‘Eens heb ik zelf in de hemel met de draak gevochten en hem ter aarde doen neerstorten. Nu wil ik voor u mijn zwaard ten tweeden male heffen. Blijft trouw aan uzelf en aan de hemel!’ In de ochtendschemering aanschouwde de oude man een heldere straal aan het firmament, die de vorm van een bliksemend zwaard aannam. In zijn glans welfde zich een vleugelpaar dat hemel en zee omspande. Rust vervulde de ziel van de wijze: hij wist dat de aartsengel Michaël zich aan hem had geopenbaard.

Toen de zon hoog aan de hemel stond kwam hij de kring van de achtergeblevenen binnen en verkondigde hun het woord van Michaël.

De volgende dag in alle vroegte barstten alle bergen nogmaals met onheilspellende kracht uit. Het hele eiland beefde en de zee kwam razend in beroering. Als een vuurstorm daverde de draak door de lucht alsof hij hemel en aarde wilde verbranden. De wijze en zijn schare knielden neer en wachtten de hulp van de engel af.

Toen spleet plots de hemel boven hen vaneen. In gouden licht zagen ze de lichtende gedaante van de heilige Michaël. In zijn rechterhand hield hij zijn zwaard dat in de opgaande zon glansde. Hij hief het wapen en liet het neersuizen op de draak. De vijand kromde zich onder het harde staal en herkende zijn bedwinger. In het laaiende vuur stortte hij op de steenachtige bodem. Nog eenmaal richtte hij zich op, toen verbrandde hij in zijn eigen vlammen. Gloeiende as drong door de gapende barsten omlaag de aarde in. Beschermend hield de aartsengel zijn zwaard over het eiland en zijn bewoners. Rust verbreidde zich — de zee lag als een spiegel. Bevrijd keerden de mensen naar hun bergen terug. Nieuwe levensmoed doorstroomde hun zielen.

Vele jaren gingen voorbij. Sinds het monster door de kracht van Michaël was overwonnen was er geen beroering meer in de bergen. Op de plek echter waar de gloeiende as van de ten val gebrachte draak in de aarde was verzonken groeide een wonderlijk gewas. Elke dag werd het groter en krachtiger, totdat het zich tot een vreemde boom ontvouwde. Voor de verbaasde blik van de mensen braken uit de doorgroefde stam machtig de takken te voorschijn. Als slangen slingerden ze uiteen en omhoog. Een machtige welving vormend, als de rug van een reusachtig dier, breidde het gewas zich uit, alles overschaduwend. Aan de uiteinden van de slangentakken vormden zich in dichte bundels lange, zwaardvormige bladeren. Als de talrijke schubben van een drakenlijf staarden ze omhoog. Ernstig keken de mensen op naar het merkwaardige geheel en gaven het de naam ‘drakenboom’. En toen ze van tijd tot tijd een vreemde hars uit de groeven van de stam zagen stromen, dachten ze aan het bloed van de gedode draak. Daarom noemden ze de boom ook bloedboom. — Als de storm door de machtige welving voer, sloegen de bladeren hard tegen elkaar. En in de stam scheurden de spleten knarsend vaneen. Dan meenden de mensen in de lucht een gesis en geweeklaag te horen, en van schrik vervuld liepen ze hun hutten uit. Vragend keken ze op naar de hemel. Daar verscheen Michaël hun aan het grijze firmament in zijn stralengloed. Bedaard stak hij zijn zwaard uit naar de klagende drakenboom en op slag verstomden de geluiden. De storm ging liggen, en de zon brak door de duisternis. De zielen van de mensen echter ontvingen het kracht schenkende licht van hun engel.

Sinds die tijd komen er op het eiland steeds meer drakenbomen, en ze bereiken een hoge leeftijd. De mensen echter zijn er van gaan houden: ze weten dat Sint- Michaël over hen waakt.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2826-2652

.

.

.

.