VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lindbergh

.

EEN VLUCHT DIE  DE WERELD IN  OPWINDING BRACHT

 

LindberghElke dag opnieuw reizen duizenden mensen in verwarmde, comfortabele vliegtuigen door de lucht over de Atlantische Oceaan — werkend, etend, slapend, lezend of kaartend, terwijl hun route met argusogen wordt bewaakt door een be­schermend netwerk van weerstations, en bemanningen van vlie­gers, boordwerktuigkundigen, navigators en marconisten hen in nog geen zeven uren veilig naar Europa vervoeren.

Toch is het amper veertig jaar geleden dat de hemel boven de sombere Atlantische Oceaan slechts één klein toestel telde, dat in 33 uur door het ledige luchtruim van New York naar Parijs kroop. Het is op zichzelf al verbazingwekkend dat zich daar een machine bevond — een eenmotorige eendekker van 220 pk met slechts één inzittende. Het had geen ijsbestrijders, geen lichten, geen verwarming, geen radio, geen automatische piloot. De vleugels waren van hout en zeildoek en het totale gewicht was kleiner dan dat van de elektrische installatie van een modern lijnvliegtuig. Toch vloog het zich een lichtend spoor door de ge­schiedenis, en bracht het zijn bestuurder ongekende roem.

In 1919 loofde een Newyorkse hotelmagnaat, Raymond Orteig, een prijs van 25.000 dollar uit voor de eerste nonstop-vlucht van New York naar Parijs — een afstand van 5800 kilometer. Acht jaren gingen voorbij eer de vooruitgang in de vliegtuigbouw en de verbetering van de motoren een waagstuk als dit binnen het be­reik van het mogelijke brachten. Begin 1927 maakte zich aan beide zijden van de Atlantische Oceaan een aantal beroemde piloten op voor de reis. Vrijwel op het laatste ogenblik arriveerde een onbekende als laatste deelnemer per vliegtuig in New York.

Het was geen opwelling “op de valreep” die Charles A. Lindbergh aan de start bracht. Hij was 25 jaar, een ervaren postvlieger en kapitein van de Luchtmachtreserve. Reeds in 1926 had hij zorgvuldig de eisen uitgewerkt die voor het maken van een vlieg­reis over de Atlantische Oceaan aan vliegtuig, motor, navigatie en geldmiddelen moesten worden gesteld. Maar hij bezat niet meer dan 2000 dollar en toen een groep zakenmensen uit St. Louis dit bedrag tot 15 000 dollar had verhoogd was het nieuwe jaar reeds aangebroken. (De totale uitgaven van tekentafel tot Parijs bleken 13 500 dollar te bedragen).

Op 28 februari begon men met de bouw van het toestel — een Ryan met speciale brandstoftanks en een Wright Whirlwind motor. Daar ook andere deelnemers zich opmaakten om in de lente te vertrekken, werd voor de voltooiing van het toestel een tijdslimiet van zestig dagen gesteld. De bovenmenselijke inspan­ning van alle betrokkenen stelde Lindbergh in staat zich op 12 mei 1927 op het Curtiss Field, Long Island, te laten inschrijven. Dat was de week dat Charles Nungesser en François Coli, de twee Franse vliegers die zonder tussenlanding op weg waren van Parijs, op zee verdwenen en dat Richard Byrd met zijn driekoppige bemanning evenals Clarence Chamberlin en Charles Levine ge­reed stonden om van New York op te stijgen. Dood en ongeluk hadden de andere deelnemers uitgeschakeld.

De gehele week was het slecht weer. Maar op die regenachtige avond van de 19de mei, toen Lindbergh en zijn helpers op het punt stonden te gaan dineren, voorspelde het weerbericht een radicale verandering: het optrekken van de stormzones en mistgordels boven de grote cirkelroute naar Frankrijk. Er volgden dertien uren van rusteloze activiteit, variërend van het oppikken van vijf sandwiches, een liter water en enkele aanbevelingsbrieven (een beleefdheidsgebaar) tot het transport van de Spirit of St. Louis naar het Rooseveltvliegveld dat over een langere startbaan be­schikte. Toen hij de volgende ochtend vroeg in de cockpit stapte, had Lindbergh in 24 uur geen slaap gehad.

De gelaatsuitdrukking van de vlieger terwijl deze naar de motor luisterde wees er niet op dat het gevaarlijkste deel van de hele vlucht hem aangrijnsde: de start. Doordat zij bij de start neer­stortten waren de deelnemers René Fonck en Noel Davis en Stanton Wooster uitgeschakeld. Weinig motoren met zo weinig paardenkrachten als die van Lindbergh hadden ooit zo’n zwaar gewicht getild. Bovendien zou Lindbergh met een zwakke wind in de rug moeten opstijgen van een langzame, modderige startbaan. Aan het eind van die baan doemden telefoondraden, bomen en een heuvel op.

Terwijl een expert toeluisterde, gaf hij de motor vol gas. Het toerental lag nog 30 omwentelingen te laag, maar — aldus de deskundige — de motor liep zo goed als men op een vochtige dag kon verwachten. Lindbergh bedankte hem, gespte zijn veilig­heidsriem vast, en gaf het teken dat de blokken voor de wielen konden worden weggetrokken.

Intussen had men brandblusapparaten naar het eind van de startbaan gebracht. De toeschouwers verstrakten en dachten aan de vlammen die een maand daarvoor Davis en Wooster hadden verteerd. Even voelden zij de neiging in zich opkomen deze jongen tegen te houden. Te laat — de wielen draaiden al. Vijf seconden, tien, vijftien — nog steeds sleepte de staartsteun door de modder. Toekijkende piloten moedigden het voortworstelende toestel met hun geschreeuw aan: “Trek je staart op! Duw de gashendel door!” Vijfentwintig seconden, dertig — daar was het veilig­heidsbaken, te laat om het af te laten weten en het nog eens te proberen. NU! Een harder stuk startbaan, een plotselinge snel­heidstoeneming, een schok, nog een schok, een lange sprong, ge­juich van de menigte. Hij is los!

Hoger en hoger, voetje voor voetje, in een flits langs de brand­weerauto. Met drie meter tussenruimte over een tractor. Met twintig meter speling over de telefoondraden. Genoeg vaart om los van de bomen te komen en rakelings langs de heuvel af te draaien. Lindbergh beschreef het aldus: “Omstreeks 7 uur 40 sloeg ik de motor aan en om 7 uur 52 steeg ik op voor de vlucht naar Parijs.”

De dag sleepte zich voort door het middaguur, en reeds was hij in de avondschemer overgegaan toen de eerste verheugende tijding de miljoenen bereikte die naar een levensteken van de jonge vlieger snakten. Om 19 uur 15 flitste er een bericht uit New Foundland door de wereld dat de Spirit of St. Louis de stad St. John’s was gepasseerd. In het Yankee-stadion in New York waar juist de bokswedstrijd Maloney — Sharkey aan de gang was, rezen 40 000 toeschouwers als één man overeind toen de medede­ling uit de luidsprekers kwam. Zij ontblootten het hoofd en baden voor Lindbergh.

Ver van de kust boven de duistere zee zette de eenzame vlieger zich schrap voor het gevecht van zijn leven. Een klamme lijkwade van mist reikte voortdurend omhoog naar zijn vleugeltoppen. Steeds hoger trok hij zijn zwaarbeladen vliegtuig op, maar de mist rees spookachtig mee omhoog. Net toen hij over de top van de mistbank scheerde zag hij voor zich uit een enorme massa stormwolken waarvan de hoog optorenende pieken hem als schild­wachten het recht op doorgang schenen te betwisten.

Juist toen het stormfront hem besprong was Lindbergh tot een besluit gekomen. Zijn blik gleed over de instrumenten. Hij haalde diep adem en stoof voorwaarts — recht op de storm af. Als een speelbal van monsterachtige krachten smakte het toestel op en neer. Maar het ergste moest nog komen: ijs — in die dagen de grote pilotenmoordenaar. Er voer een plotselinge rilling door het vliegtuig. Lindbergh realiseerde zich dat hij misschien urenlang in dit weer zou zitten. “Ik was gedwongen terug te keren en mij onmiddellijk weer naar een heldere hemel te begeven, om ver­volgens om alle wolken heen te vliegen waar ik niet overheen kon.” Het feit dat hij in weerwil van al die omweggetjes toch de juiste koers had weten aan te houden, werd later geprezen als een knap staaltje van navigatie.

De dageraad die hem van de Oude Wereld tegemoet trad, was de eerste die hem de vriendenhand reikte. Achttien uren van New York, ongeveer halverwege de reis, ging de zon op en begon de temperatuur te stijgen. Geen noodzaak meer om uit te wijken en omwegen te maken. Maar het gebrek aan slaap werkte verlam­mend. Om zich er tegen te verweren controleerde Lindbergh zijn instrumenten en zijn koers. Hij nam zijn gevoelloze voeten van het richtingsroer en stampte ermee op de vloer; met de palm van zijn hand gaf hij pijnlijke meppen op zijn gezicht en hij verzon van alles om zichzelf af te leiden. De zon stond al tamelijk hoog toen zich in de wolkendeken beneden hem de eerste openingen begon­nen te vertonen. Nog een paar minuten — en daar, op de bodem van een groot gat, rimpelde zich de oceaan. De Spirit of St. Louis schoot omlaag om haar te begroeten en daalde tot op dertig meter van de grote, woelige wildernis. Schuimkoppen! Het instinct van de navigator voelde zich plotseling beloond, want het schuim werd uit het noordwesten voortgeblazen. Wind in de rug! Maar alsof hem zelfs deze kleine adempauze niet gegund was, sloot het wolkengordijn zich opnieuw en dwong hem tot nogmaals twee uren van onafgebroken blind vliegen.

Lindbergh kon niet weten dat hij met zijn Spirit of St. Louis reeds het onderwerp vormde van alle krantenkoppen en het ge­sprek van de dag was. En dat telkens weer de vrees de harten besloop wanneer gedurende die eindeloze zaterdag de stemmen van radio-omroepers de programma’s onderbraken: “Nog steeds geen nieuws. . .” De ten einde spoedende namiddag bezorgde Lindbergh een nieuwe zorgenlast. Hij bevond zich 27 uur vliegen van New York. Had hij de juiste koers gevolgd, dan moest er nu spoedig land in zicht komen. Nu brak voor hem de klassieke be­proeving aan, die in de mythologie de stervelingen treft die hun wagen aan een te heldere ster vasthaken: luchtspiegelingen. “Er verschenen talrijke kustlijnen met bergen, baaien en bomen die duidelijk afstaken tegen de horizon.” Land wenkte de vlieger van alle kanten — behalve van de goede kant.

Lindbergh had het nu meer dan twee dagen en twee nachten zonder slaap gedaan. Hij gelooft achteraf dat de afwezigheid van vensterruiten — die hij met het oog op het betere uitzicht had laten verwijderen — mogelijk zijn leven heeft gered. Door af en toe het richtingsroer uit te trappen liet hij telkens een vlaag koude zeelucht door de raamopeningen naar binnen stromen. Intussen staarde hij misnoegd naar de modderkluiten aan de onderzijde van zijn vleugels — brokken van het Roosevelt-vliegveld die hij bij de start had opgeschept. Daar zij zich juist buiten het bereik van zijn armen bevonden, begonnen deze weinige onsjes extra gewicht hem steeds meer te irriteren.

Plotseling kwam er een handvol stippen in zicht, een tikje zuidelijk van zijn koers. Hij kon zijn vermoeide ogen nauwelijks geloven. Nieuwe luchtspiegelingen? Hij bracht de Spirit of St. Louis met de neus omlaag. Vissersboten! Dat betekende land in aan­tocht! Lindbergh cirkelde om een van de boten en minderde gas. Op de boot stak een man zijn hoofd uit een patrijspoort en keek omhoog. “Welke richting is Ierland?” schreeuwde Lindbergh. Maar de visser gaf geen teken dat hij hem had gehoord of begre­pen. En dus porde Lindbergh zijn motor opnieuw op.

Land! Zelfs vanuit een modern lijnvliegtuig is de aanblik van dat eerste strookje aarde — zo oerveilig na de enorme uitgestrekt­heid van de oceaan — een wonderlijke belevenis. Toen de kust­lijn zich verbreedde en het late zonlicht Dingle Bay overspoelde, moet de levensbeker van de eenzame vlieger bijna zijn overgelopen van geluk. Valentia! De zuidwestelijke punt van Ierland! Hij lag precies op de juiste koers!

En toen die laatste vijf uren, op vermoeide, maar triomferende vleugelen. In de opwinding van het welslagen leek slaap nu onbe­langrijk. Over Ierland, over het keurige, liefelijke Engeland, over het Kanaal in de vredige avondschemering. Het was of hij de avondklokken volgde die hem naar huis moesten geleiden. Toen de schemering in het duister van de nacht overging, wezen de lange vingers van de luchtbakens op de route Londen-Parijs hem het eindpunt van de reis.

Parijs! Daar cirkelde dan plotseling Charles Augustus Lindbergh, uit St. Louis in Missouri, rond de Eiffeltoren, op 5812 kilometer en 33 uur vliegen van New York. Terwijl hij omlaag spiraalde naar het vliegveld Le Bourget verbaasde hij zich over de intensiteit van het Franse zaterdagavondverkeer en over de
on­gelofelijke mensenmassa die met opgeheven gelaat het veld om­zoomde. Toen de Spirit of St. Louis over het gras rolde, stormde de menigte erop af en klonk uit duizenden kelen een oorverdovend gejuich. Om te voorkomen dat iemand een dodelijke klap van de propeller zou krijgen, zette Lindbergh het contact af. Nauwelijks was het toestel tot stilstand gekomen of het begon te kraken onder de druk van de menigte. Hij wrong de deur open en schreeuwde wanhopig om mecaniciens, maar zijn stem ging verloren in het tumult. Hij werd uit de cockpit gesleurd en over de hoofden heen van hand tot hand doorgegeven. Het duurde een half uur eer zijn voeten de grond raakten. Toen brachten Franse piloten hem snel in veiligheid.

Telegrammen vlogen naar alle uithoeken van de aarde. In heel Amerika werden de radio- en bioscoopprogramma’s onderbroken. De mannen in de Ryan-vliegtuigfabriek schreeuwden zich hees. De statige New York Times bekroonde zes pagina’s tekst met de uitbundigste kop in haar geschiedenis: “LINDBERGH DOES IT!”

In de dolle maanden die volgden verkeerde hij met koningen en vertoonde zich aan de talrijke menigten, maar hij hield het hoofd koel en zijn oprechte bescheidenheid bleef onaangetast. Hij had een instinct om goede gedachten in simpele, ongemaakte bewoor­dingen uit te drukken — zoals in de eerste speech van zijn leven, waarin hij het Franse volk zijn deelneming betuigde met het ver­lies van zijn helden Nungesser en Coli, die, zoals hij uitlegde, een veel gevaarlijker poging hadden ondernomen dan hijzelf.

Toen hij naar huis voer, op een door de president van de Ver­enigde Staten uitgezonden kruiser, hadden de hem gedane film­- en reclame-aanbiedingen reeds het bedrag van 2,5 miljoen dollar overschreden. Hij sloeg alles af, behalve de Orteig-prijs en een paar welverdiende technische en litteraire onderscheidingen. Hij had zijn vlucht gemaakt om de luchtvaart te bevorderen, en dat deed zij ook. Geleidelijk brokkelde het vooroordeel tegen vliegen af; de passagiersdiensten breidden zich uit en het vervoer van luchtpost nam dat jaar met 300 percent toe.

In een tijdperk van de Amerikaanse geschiedenis dat daaraan grote behoefte bestond — de tijd van dranksmokkel, misdaad en schandalen — bracht Lindbergh nog iets meer dan roem mee naar huis. In de woorden van Charles Evans Hughes vertegenwoordig­de hij “alles wat wij maar kunnen wensen — een jonge Amerikaan op zijn best”. In de daaropvolgende jaren leerde Lindbergh zowel het geluk als het verdriet om een tragedie kennen, goede en slechte raad te krijgen, gelijk en ongelijk te hebben. Maar niets heeft ooit de volmaaktheid van zijn grootste uur ontsierd, toen hij naar voren trad met een integriteit en een waardigheid waarmede hij zich de diepgevoelde dank van zijn land verwierf.

Charles Lindbergh sprak zelden of nooit over de oceaanvlucht die hem beroemd maakte. Mevrouw Lindbergh nam eens hun toen elfjarig dochtertje mee naar een bioscoop waar de film The Spirit of St. Louis, die Lindberghs vlucht tot onderwerp had, draaide. Halverwege de voorstelling fluisterde het ademloos toe­kijkende meisje haar moeder in het oor: “Mammie, haalt-ie het?”

Over de luchtvaart: Montgolfier en Zeppelin;  de gebroeders Wright

alle biografieën

.

583-535

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- De typologie van Sigaud – alle artikelen

 

De typologie van Sigaud als hulp bij de kinderbespreking

[6-1] Kennismaking met het drieledigheidsdenkbeeld van Rudolf Steiner

[6-2] Inleiding en uitgangspunten bij de heilpedagogie

[6-3] Algemene oriëntering omtrent typologieën

[6-4] Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

[6-5] De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

[6-6] Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

[6-7] Twee vormen van neurotische levenshouding

[6-8] Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische karakterveranderingen

.

582-534

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 218 – voordracht 13

.

RUDOLF STEINER
.

OPVOEDKUNST DOOR MENSKUNDE 

.

Eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, (waarvoor excuses). Verbeteringen e.d. zijn meer dan welkom):
pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

Een voordracht gehouden in Londen op 19 november 1922.
GA 218

Inhoudsopgave:

Blz. 244:  opvoeding met echte kunst zijn, zoals een kunstenaar omgaat met zijn materiaal; waarnemen van geest en ziel in het kind; ontwikkelen van een exacte helderziendheid;
Blz. 245: door antroposofische scholing leren bechikken over zintuigen die geest en ziel kunnen waarnemen;
Blz. 246: geest bij kind nog diep verborgen;

Blz. 247; het kind is helemaal zintuig;
Blz. 248 e.v.:
 bij kind gaat alles veel dieper naar binnen; wat zie je aan het lopen van een kind (ook blz. 257 wat je pedagogisch moet doen); kind: nabootsingswezen van de hele omgeving;
Blz. 250 e.v: de betekenis van de tandenwisseling;
Blz. 251 e.v.: de vanzelfsprekende autoriteit;
Blz. 252;  moraliteit; 
en 256 leren schrijven en lezen vanuit een kunstzinnige aanpak;
Blz. 253; het belang van het imponderabele;
Blz. 254: voorbeeld: onsterfelijkheid van de ziel en het beeld van de vlinder; geen kant-en-klare begrippen
Blz. 255: jong eerbied hebben ervaren en het latere leven;
Blz. 258: een pop die ‘af’ is en een die de fantasie prikkelt; melancholie en vrolijke activiteit en kleur;
Blz. 259: leerplan aan kind aflezen; tussen tandenswisseling en puberteit: alles vanuit het kunstzinnige; voor de moraliteit: morele beelden;
Blz. 260: opvoeden voor het leven; euritmie als kunst;
Blz. 261: betekenis van de ped. euritmie: zichtbare klank
Blz. 262 e.v. verschil gymnastiek en euritmie
Blz. 263: opvoeding moet leiden tot vrije mensen
Blz. 264: deze manier van opvoeden vraagt heel veel van de leerkracht
.

Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis (1)

blz. 242

Es könnte sonderbar erscheinen, daß von dem Gesichtspunkt einer ganz bestimmten ‘Weltanschauung – der anthroposophischen Geistes- wissenschaft – über praktische Erziehungsfragen gesprochen werden soll. Allein die Veranlassung, über Erziehung zu sprechen, stammt in diesem Falle aus der Erziehungspraxis selbst.
Sie haben eben gehört, daß diejenige Erziehungskunst, von der ich mir erlauben werde, heute abend zu Ihnen zu sprechen, praktisch ausgeübt wird in der Waldorfschule. Und diese Waldorfschule hat ja auch dazu geführt, dasjenige, was vorher mehr an Ideen, an Zielrichtungen aus der von mir vertretenen Weltanschauung über Erziehung gesagt werden konnte, in breiterem Umfange auszugestalten. Als vor einigen Jahren gerade die Erziehungsfragen, man möchte sagen, in aller Munde waren, da handelte es sich darum, daß der Stuttgarter Industrielle Emil Molt eine Schule begründen wollte, zunächst für die Kinder seines Industriellen Etablissements. Er wandte sich dazu an mich, um dieser Schule einen entsprechenden pädagogischen Inhalt und eine pädagogische Richtung zu geben.

Opvoedkunst door menskunde

Het mag verwonderlijk lijken dat vanuit het gezichtspunt van een heel bepaalde wereldbeschouwing – de antroposofische geesteswetenschap – over praktische opvoedingsvragen gesproken zal worden. Maar de aanleiding om over opvoeding te spreken, ligt in dit geval in de praktijk van de opvoeding zelf.
U hebt zojuist gehoord dat die opvoedkunst, waarover ik zo vrij ben vanavond tot u te spreken, in de praktijk gehanteerd wordt op de vrijeschool. En deze vrijeschool heeft er ook toe geleid dat wat voorheen meer aan ideeën, aan doelen over opvoeding gezegd kon worden vanuit de wereldbeschouwing die ik vertegenwoordig, in grotere omvang gestalte kon krijgen.
Toen enige jaren geleden de opvoedingsvraagstukken, je zou willen zeggen, op ieders lippen lagen, bleek dat de Stuttgarter industrieel Emil Molt een school wilde oprichten met name voor de kinderen van zijn industriële bedrijf. Hij richtte zich tot mij om deze school een adequate pedagogische inhoud en een pedagogische richting te geven.

Zunächst hatte man es mit einem Schülermaterial einer ganz bestimmten Klasse und auch mit einem Schülermaterial einer bestimmten Gesellschaft, die eine ‘Weltanschauung pflegt, zu tun: man hatte es zu tun mit den Proletarierkindern des industriellen ‘Waldorfunter nehmens, und man hatte es zu tun mit einer Anzahl von Kindern aus der Anthroposophischen Gesellschaft. Aber sehr bald erweiterte sich die Aufgabe dieser Schule. Während wir begonnen haben mit etwa hundertfünfzig Kindern in acht Schulklassen, haben wir heute elf Schulklassen mit über siebenhundert Kindern. Das hat dazu geführt, daß ich im August dieses Jahres eingeladen wurde, über die Prinzipien dieser Waldorfschule hier in England, in Oxford, einen Vortragszyklus zu halten, nachdem einige Freunde der anthroposophischen Weltanschauung bereits zu Weihnachten im Goetheanum in Dornach erschienen waren, um dort einen Vortragszyklus über diese Erziehungskunst

Aanvankelijk kregen we te maken met leerlingen van een heel bepaalde sociale klasse en ook met leerlingen uit bepaalde kringen die een wereldbeschouwing aanhangen; we kregen te maken met de arbeiderskinderen van de industriële Waldorfwerknemers en we kregen te maken met een aantal kinderen uit het antroposofische milieu. Maar al gauw werd de opgave van de school breder. Terwijl we begonnen met ongeveer 150 kinderen in 8 klassen, hebben we nu 11 klassen met meer dan 700 kinderen. Dat heeft er wel toe geleid dat ik in augustus van dit jaar uitgenodigd werd om over de uitgangspunten van deze vrijeschool hier in Engeland, in Oxford een reeks voordrachten te houden, nadat een paar vrienden van de antroposofische wereldbeschouwing al met Kerstmis naar het Goetheanum in Dornach gekomen waren om daar een voordrachtenserie over deze opvoedkunst te beluisteren.

blz. 243

anzuhören. Aus dem Oxforder Vortragsunternehmen ist dann die Erziehungs-Union hervorgegangen, die sich hier gegründet hat und welche die Absicht hat, die Erziehungsprinzipien, von denen ich heute abend zu sprechen habe, auch in England in einem weiteren Umfange zur Einführung zu bringen.
Ich mußte diese Veranlassungen erwähnen, damit Sie heute abend nicht die Vorstellung haben, daß es sich um theoretische Auseinandersetzungen handelt, sondern damit sie Einsicht darein haben, daß aus einer wirklich praktischen Erziehungskunst heraus gesprochen werden soll. Ich mußte das um so mehr tun, weil ich ja selbstverständlich heute abend nur in der Lage sein werde, einige wenige Andeutungen zu geben. Diese Anregungen, die ich geben werde, werden um so un vollstän&öger sein müssen, als es sich wirklich bei den Erziehungs prinzipien, von denen ich hier spreche, nicht um ein Programm handelt, sondern um eine Praxis. Und wenn es sich um eine Praxis handelt, kann man immer nur einiges, ich möchte sagen, beispielsweise aus dieser Praxis anführen. Wer von einem Programm ausgeht, hat es leichter: Er führt allgemeine Sätze an, allgemeine Maximen. Das geht gerade bei der besonderen Eigentümlichkeit jener Erziehungsprinzipien nicht, von denen die Waldorfschul-Erziehung ausgeht.

Uit het organiseren van voordrachten is dan de Opvoedings-Unie ontstaan die zich hier gevestigd heeft en die van plan is de opvoedprincipes waarover ik vanavond zal spreken, ook in Engeland op grotere schaal in te voeren.
Ik moet deze aanleiding wel noemen, opdat u vanavond niet denkt dat het om theoretische gezichtspunten gaat, maar opdat u inzicht krijgt dat vanuit een werkelijk praktische opvoedkunst zal worden gesproken. Ik moest dit des te meer doen, omdat ik natuurlijk vanavond slechts in staat ben iets aan te stippen.
De aanzetten die ik zal geven, zullen nog des te onvollediger zijn naarmate het bij de opvoedingsprincipes waarover ik hier spreek, juist niet om een programma gaat, maar om de praktijk. En wanneer het om de praktijk gaat, kun je steeds maar een paar dingen, ik zou willen zeggen bij wijze van voorbeeld uit die praktijk geven. Wie van een programma uitgaat, heeft het makkelijker. Hij brengt wat algemene zinnen naar voren, algemene uitgangspunten. Maar bij wat zo bijzonder eigen is aan de opvoedingsprincipes waarvan bij de vrijeschoolopvoeding uitgegaan wordt, gaat dat niet.

Ich sagte schon,daß es sich handelt um eine Begründung der Pädagogik und Erziehung aus einer geisteswissenschaftlichen Weltauffassung heraus, einer solchen Weltauffassung, welche zu einer wirklichen Menschenkenntnis und dadurch auch zu einer wirklichen Erkenntnis des Wesens des Kindes führen kann.
Wenn der Maler oder ein anderer Künstler seine Kunst ausüben will, muß er sich zweierlei aneignen. Er muß sich erstens – nehmen wir das Beispiel des Malers – eine gewisse Beobachtungsgabe aneignen für Form und Farbe. Er muß aus dem Farb- und Formwesen heraus schaffen können. Er kann nicht ausgehen von einer theoretischen Erkenntnis, er kann nur ausgehen von einem lebendigen Drinnenleben im Form- und Farbenwesen. Dann erst kommt das, was er sich als zweites anzueignen hat: die Technik selbst. Erziehungswesen wird hier von anthropesophischer Geisteswissenschaft nicht aufgefaßt als eine Wissenschaft, nicht als eine theoretische Erkenntnis, sondern als eine 

Ik zei al dat het gaat om het in het leven roepen van pedagogiek en opvoeding uit een geesteswetenschappelijke opvatting over de wereld, de opvatting die tot een echte menskunde en daardoor ook tot een werkelijk kennen van het wezen van het kind kan leiden.
Wanneer de schilder of een andere kunstenaar zijn kunst wil uitoefenen, moet hij zich twee dingen eigen maken. Ten eerste moet hij – laten we als voorbeeld een kunstschilder nemen –zich een bepaalde manier van waarnemen eigen maken voor vorm en kleur. Hij moet vanuit kleur en vorm kunnen scheppen. Hij kan niet uitgaan van een theoretische kennis, hij kan alleen maar uitgaan van vorm en kleur wanneer hij daar in volle beleving in thuis is. Dan pas komt erbij wat hij zich in de tweede plaats eigen moet maken: de techniek zelf. Opvoeding wordt hier door de antroposofische geesteswetenschap niet opgevat als een wetenschap, niet als een theoretische kennis, maar als

blz. 244

wirkliche Kunst, als eine Kunst, die es mit dem edelsten Material, das wir in der Welt haben, zu tun hat: mit dem Menschen selber, mit dem Kinde, das in so wunderbarer ‘Weise uns die tiefsten ‘Welträtsel offenbart, indem es von Jahr zu Jahr, ja man möchte sagen, von Woche zu ‘Woche uns schauen läßt, wie herauskommt aus der Physiognomie, aus der Geste, aus alledem, was sonst die Äußerungen des Lebens des Kindes sind, wie da herauskommt das Geistige, das Seelische, das tief innerlich verschlossen ist in dem Kinde als eine göttliche Mitgift aus geistigen ‘Welten. Die Anschauung, von der ich hier spreche, geht davon aus, daß ebenso wie es notwendig ist für den Maler, eine Beobachtungsgabe, die Tätigkeit wird durch seine Hände, seine Seele, seinen Geist, eine Beobachtungsgabe für Farbe und Form sIch anzueignen, so ist es notwendig für den Erziehungskünstler, daß er verfolgen kann die ganze ‘Wesenheit des Menschen, wie sie sich offenbart in dem Kinde. Das aber kann man nicht, wenn man nicht aufsteigt von der Beobachtung desjenigen, was das gewöhnliche Bewußtsein dem Menschen gibt an Menschenbeobachtung, wenn man nIcht aufsteigen kann zu einer wirklichen Beobachtung des seelischen und des geistigen Lebens.

een echte kunst, als een kunst die te maken krijgt met het meest edele materiaal dat we in de wereld hebben, met de mens zelf, met het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart, wanneer het jaar na jaar, men zou willen zeggen, van week tot week ons laat zien, hoe door de fysiognomie, door de gebaren, door alles wat maar uitingen van leven in een kind zijn, hoe daar zichtbaar wordt het geestelijke, de ziel, die in het kind nog diep verborgen is als een goddelijke gave uit de geestelijke wereld.
De opvatting waarover ik hier spreek, gaat ervan uit dat het voor de schilder net zo noodzakelijk is een waarnemingsvermogen –  dat activiteit wordt door zijn handen, zijn ziel, zijn geest- een waarnemingsvermogen voor kleur en vorm te ontwikkelen, als het voor de opvoedkunstenaar noodzakelijk is dat hij heel het wezen mens kan volgen zoals zich dit in het kind openbaart. Dat kun je echter niet wanneer je niet verder komt dan het waarnemen van wat het gewone bewustzijn de mens aan waarneming van de mens mogelijk maakt, wanneer je je niet kunt opwerken tot een echte waarneming van het zielen- en geestesleven.

Und das will gerade anthroposophische Geisteswissenschaft. Was man heute Erkenntnis nennt, kann sich eigentlich nur beschäftigen mit dem, was körperlich ist, was zu den Sinnen spricht. Wie lernen wir als Menschen heute, wenn wir nicht aufsteigen zu einer wirklichen Geisteserkenntnis, das Seelische kennen? Eigentlich nur dadurch, daß wir in uns selbst die Äußerungen, die Tätigkeiten des Seelischen kennenlernen. ‘Wir lernen kennen, indem wir Selbstbeobachtung erstreben, unser Denken, wir lernen kennen unser Fühlen, unser ‘Wollen. Das sind Eigenschaften des Seelischen. Das Seelische selbst haben wir nur, ich möchte sagen, durch ein Urteil. Das Sinnliche sehen wir, das Sinnliche nehmen wir wahr. Das Seelische haben wir nur, indem wir von Eigenschaften unseres eigenen Inneren uns das Urteil bilden, daß uns selbst so etwas zugrunde liege wie ein Seelisches.
Anthroposophische Geisteswissenschaft, wie ich sie hier meine, geht nIcht aus von diesem gewöhnlichen Bewußtsein, sondern sie sucht in der Menschenseele schlummernde Kräfte auf ganz systematische ‘Weise zu entwickeln, so daß daraus entsteht – bitte erschrecken Sie nicht 

En dat wil nu juist de antroposofische geesteswetenschap. Wat tegenwoordig kennis genoemd wordt, kan eigenlijk alleen maar slaan op wat lichamelijk is, wat tot de zintuigen spreekt.
Hoe kunnen wij tegenwoordig als mens, wanneer we ons niet opwerken tot een echte kennis van de geest, de ziel leren kennen. Eigenlijk alleen wanneer we in ons zelf de uitingen van de werkingen van de ziel leren kennen. Wanneer we proberen ons zelf waar te nemen, leren we ons denken kennen; we leren ons gevoel, onze wil kennen. Dat zijn eigenschappen van de ziel. De ziel hebben we slechts, zou ik willen zeggen, door een oordeel. Het zintuiglijke zien we, het zintuiglijke nemen we waar. De ziel hebben we alleen maar, wanneer we van eigenschappen van ons eigen innerlijk ons een oordeel vormen, dat aan ons zelf zoiets ten grondslag ligt als een ziel.
Antroposofische geesteswetenschap zoals ik die hier bedoel, gaat niet uit van een gewoon bewustzijn, maar zoekt in de ziel van de mens sluimerende krachten om deze op een heel systematische manier te ontwikkelen, zodat hieruit ontstaat – schrikt u a.u.b. niet van deze uitdrukking

blz. 245

vor dem Ausdrucke – eine Art exakten Hellsehens, exakte Clairvoyance. Dadurch schaut man hindurch von den Eigenschaften des Seelischen auf das wirkliche Seelische. Und man lernt dieses Seelische durch ein geistiges Schauen gerade so erkennen, wie man erkennen lernt die sinnliche Farbe durch das Auge, die sinnlichen Töne durch die Ohren. Den Geist aber, der in der Welt waltet, kennt das gewöhnliche Bewußtsein eigentlich nur durch eine Schlußfolgerung. Wir können immer nur, wenn wir in dem gewöhnlichen Bewußtsein verharren,sagen: Wir sehen Naturerscheinungen, Seelenerscheinungen. Wir schlieβen daraus, daß all dem ein Geistiges zugrunde liegt. Unsere Gedanken beschäftigen sich damit, zu schließen, daß dem Körperlichen ein Seelisches, ein Geistiges zugrunde liegt. Anthroposophische Geisteswissenschaft entwickelt in der Seele schlummernde Kräfte, die Geistes-Sinnesorgane, wenn ich mich des paradoxen Ausdrucks bedienen darf, durch die man den Geist nicht nur erschließen kann, sondern in lebendigem Denken selbst erlebt.
Dann erst, wenn man die Seele schaut, den Geist in lebendigem Denken erleben kann, dann kann man wirkliche Menschenerkenntnis haben.

– een vorm van exacte helderziendheid. Je kijkt zo vanuit de eigenschappen van de ziel verder in het werkelijke zielsgebied. En je leert dit zielsgebied door een geestelijk waarnemen net zo kennen, als je de zintuiglijke kleur door het oog leert kennen, de zintuiglijke tonen door de oren. Het alledaagse bewustzijn kent de geest, die in de wereld werkzaam is, eigenlijk alleen maar door gevolgtrekking. Wij kunnen altijd alleen maar, wanneer we met het gewone bewustzijn leven, zeggen: we zien natuurverschijnselen, zielenverschijnselen. We maken de gevolgtrekking dat aan dit alles iets geestelijks ten grondslag ligt. Onze gedachten houden zich ermee bezig te concluderen dat aan het lichamelijke, ziel en geest ten grondslag liggen. Antroposofische geesteswetenschap ontwikkelt sluimerende krachten in de ziel, de zintuigen van de geest, als ik mij zo paradoxaal mag uitdrukken, waardoor je de geest niet slechts concluderen kan, maar in het levende denken zelf ervaart. Want pas wanneer je de ziel waarneemt, de geest in het levende denken ervaren kan, kun je over echte menskunde beschikken.

Dann kommt durch eine Geisteswissenschaft eine solche lebendige Menschenerkenntnis zustande, welche den Menschen durchdringen kann, so daß er in dem heranwachsenden Kinde in jedem Momente des Lebens schauen kann, wie das Geistige, wie das Seelische in dem Kinde wirkt. Er sieht das Kind nicht nur, wenn ich so sagen darf,durch die Sinne von außen an, sondern er sieht, wie sich in den sinnlichen 0ffenbarungen das Seelische äußert. Denn er geht aus von dem, was nicht nur seelische Offenbarung, sondern unmittelbar seelischeSuhstanz ist, die gesehen werden kann wie die Farbe von den Augen.
Er geht davon aus, wie der Geist in dem Kinde wirkt, weil er erkennt, weii ihm diese Erkenntnis eine Wissenschaft liefert, die in lebendigem Denken den Geist selber erfaßt.
So geht diese Erziehungskunst, von der ich hier spreche, von einer Iehendigen Menschenerkenntnis, von einer Erfassung des Werdenden im Kinde in jedem Augenblicke des Lebens aus. Erst wenn man in dieser Weise, ich möchte sagen, das edelste Material, das wir haben können für eine Kunst, das Material für eine Erziehungskunst – wenn

Dan komt door een geesteswetenschap zo’n levende mensenkennis tot stand, die de mens kan doordringen, dat deze in het opgroeiende kind op ieder ogenblik in het leven kan waarnemen, hoe geest en ziel in het kind werkzaam zijn. Hij ziet het kind niet alleen maar, als ik het zo mag zeggen, aan de buitenkant door de zintuigen, maar hij ziet hoe de ziel zich uit in wat hij zintuigelijk waarneemt. Want hij gaat uit van wat niet slechts zielsuitingen zijn, maar direct van wat zielensubstantie is die net zo waargenomen kan worden als de kleur door de ogen. Hij gaat ervan uit hoe de geest in het kind werkzaam is, omdat hij deze kennis verkrijgt door een wetenschap die in het levende denken de geest zelf begrijpt.
Op deze manier gaat deze opvoedkunst waarover ik hier spreek, uit van een levende mensenkennis, van een begrijpen van het wordende in het kind, op ieder ogenblik van het leven. Pas wanneer je zo, ik zou willen zeggen, het meest edele materiaal dat wij kunnen hebben voor een kunst, het materiaal voor een opvoedkunst –

blz.246

man in dieser ‘Weise den Menschen durchschaut, wenn man wirklich auch erzieherisch für den Menschen wirkt, dann sieht man ganz andere Dinge, als man mit dem gewöhnlichen Bewußtsein sehen kann. Und dann kann man aus einer solchen ‘Wissenschaft heraus Lehrern und Erziehern Anleitung geben, wie sie im unmittelbaren praktischen Verkehre mit dem Kinde auch ausbilden können dasjenige, was als Seele selbst erschaut werden kann, als Geist selbst erlebt werden kann.
Im Kinde – das zeigt eben eine lebendige Beobachtung – ist der Geist in nicht geringerem Maße vorhanden als in dem Erwachsenen; aber dieser Geist ist tief im Inneren des Kindes verscMossen, muß sich den Leib erst erobern. Und wir bekommen einen Eindruck davon, in welch wunderbarer ‘Weise der Geist, der als göttliche Mitgift dem Kinde gegeben ist, in dem kindlichen Organismus wirkt, wenn wIr diesen Geist selber sehen können, bevor er durch die Sprache zu uns redet, bevor er durch intellektualistisches Denken sich uns offenbaren kann. Da bekommt man einen Eindruck davon, wie durchaus nicht gesagt werden darf: die physische Natur des Menschen ist das eine, das Geistige ist das andere. Im Kinde schaut man die physische Natur so, daß unmittelbar, viel mehr als das beim Erwachsenen jemals der Fall sein kann, das Geistige innerlich an dem Physischen arbeitet, das Geistige ganz das Physische durchtränkt.

wanneer je op deze manier de mens doorgrondt, wanneer je werkelijk ook opvoedkundig voor de mens werkt, dan zie je heel andere dingen dan wanneer je met het alledaagse bewustzijn kan zien. En dan kun je vanuit zo’n wetenschap aan leerkrachten en opvoeders richtlijnen geven, hoe zij in het direct praktische omgaan met het kind ook datgene kunnen vormen wat als ziel zelf waargenomen kan worden, als geest zelf ervaren kan worden. In het kind – dat laat een levende waarneming nu eenmaal zien – is de geest niet minder aanwezig dan in een volwassene, maar deze geest zit diep in het kind verborgen; ze moet nog bezit nemen van het lichaam. En we krijgen er een indruk van op welke wonderbaarlijke manier de geest die als een goddelijke gave aan het kind is meegegeven, in het kinderlijke organisme werkt, wanneer we deze geest zelf kunnen zien, vóór deze d.m.v. taal tot ons spreekt, vóór deze door intellectualistisch denken zich aan ons kan openbaren. Dan krijg je de indruk dat er helemaal niet gezegd mag worden: de fysieke natuur van de mens is het ene, het geestelijke is het andere. In het kind zie je de fysieke natuur zo dat direct, veel meer dan bij de volwassene ooit het geval kan zijn, het geestelijke innerlijk aan het lichamelijke werkt; het geestelijke heel het lichamelijke doordrenkt.

Als Erwachsene haben wir Geist, indem wir den Geist brauchen, um über die ‘Welt zu denken. Das Kind hat Geist, indem es den Geist braucht, um selbst erst wie der geistige Bildhauer den eigenen Organismus zu gestalten. Und viel mehr als man glaubt, ist der physische Organismus des Menschen durch das ganze folgende Erdenleben hindurch ein Geschöpf desjenigen, was das im Kinde verschlossene Geistige gerade an diesem physischen Organismus verrichtet. Dafür gestatten Sie mir, Ihnen zunächst, damit ich nicht bloß in abstrakten Gedanken rede, sondern in konkreten, einiges beispielsmäßig zu sagen.
‘Wer nur äußerlich, mit physischer ‘Wissenschaft das Kind ansieht,das Kind so anschaut, wie uns der Seziertisch oder die gewöhnliche Physiologie seine Organisation gibt – nicht eine geistige Durchschauung -, der sieht nicht, wie alle einzelnen Gesten, die auf das Kind geschehen, sich im physischen Organismus auswirken, ausleben. Ich will 

Als volwassene hebben we de geest doordat we de geest nodig hebben om over de wereld na te denken; het kind heeft de geest omdat het de geest nodig heeft om zelf eerst als een geestelijke beeldhouwer het eigen organisme vorm te geven. En veel meer dan men gelooft is het fysieke organisme van de mens tijdens heel het volgende aardse bestaan een schepping van wat de in het kind verborgen geest juist aan dit fysieke organisme verricht. Sta mij toe dat ik eerst eens, opdat ik niet alleen maar abstracte gedachten formuleer, maar concreet, met een paar voorbeelden iets zeg.
Wie alleen maar naar de buitenkant, met de fysieke wetenschap naar het kind kijkt, zo naar het kind kijkt, op de snijtafel of zoals de gewone fysiologie dat doet – geen geestelijk doorgronden – die ziet niet hoe alle op zich staande gebaren richting het kind, hun uitwerking hebben in het fysieke organisme. Ik wil zeggen:

blz. 247

einmal sagen: das Kind wird angeschrien; es ist in irgendeiner Tätigkeit, es wird von dem Erwachsenen angeschrien. Es gibt einen ganz anderen Eindruck auf das Kind, wenn es vom Erwachsenen angeschrien wird, als wenn wir einen Erwachsenen anschreien. Wenn wir das Kind anschreien, so müßten wir bedenken, daß das Kind noch ganz anders organisiert ist als der Erwachsene. Der Erwachsene hat seine Sinnesorgane an der Oberfläche seines Organismus; er beherrscht dasjenige, was ihm die Sinnesorgane geben, mit seinem Intellekt. Er gestaltet aus dem Inneren heraus gegenüber den Sinneseindrücken den voll entwickelten Willen. Das Kind ist ganz hingegeben der äußeren Welt. Das Kind ist, wenn ich mich so ausdrücken darf – es ist nicht bildlich, es ist ganz real gemeint -, das Kind ist ganz Sinnesorgan. Ich möchte mich ganz deutlich aussprechen: Betrachten wir einen Säugling. Wenn wir ihn mit der äußeren Erkenntnis anschauen, so scheint es uns so, als ob er ebenso empfinden würde, ebenso die Welt betrachten würde wie ein Erwachsener, nur daß sein Intellekt, sein Wille noch nicht so ausgebildet ist wie bei einem Erwachsenen. Das ist nicht der Fall. Der Erwachsene fühlt sozusagen den Geschmack bloß auf Zunge und Gaumen. Was beim Erwachsenen schon an die Oberfläche des Organismus getreten ist, durchdringt beim Kinde den Organismus viel tiefer nach dem Inneren hin. Das Kind wird gewissermaßen ganz Geschmacksempfindung, wenn es die Nahrung zu sich nimmt, ebenso ganz Lichtempfindung, wenn Licht, wenn Farben in seine Augen dringen.

er wordt naar het kind geschreeuwd; het is met iets bezig en het wordt door de volwassene toegeschreeuwd. Wanneer we naar het kind schreeuwen moeten we bedenken, dat het kind nog heel anders in elkaar zit dan de volwassene. De volwassene heeft zijn zintuigorganen aan de buitenkant van zijn organisme; hij beheerst wat de zintuigen hem geven, met zijn intellect. Hij vormt uit zijn innerlijk tegenover de zintuigindrukken de vol ontwikkelde wil. Het kind geeft zich helemaal over aan de buitenwereld. Het kind is, als ik mij zo mag uitdrukken, het is geen beeld, het is echt zo bedoeld, het kind is helemaal zintuig. Ik wil het heel duidelijk maken. Laten we eens naar een baby kijken. Wanneer we deze met de uiterlijke kennis bekijken, dan lijkt het alsof deze net zo gewaarwordt, net zo de wereld bekijkt als een volwassene, behalve dan dat zijn intellect, zijn wil nog niet zo ontwikkeld is als bij een volwassene. Dat is niet het geval. De volwassene voelt de smaak alleen op de tong en het verhemelte. Wat bij de volwassenen al aan de oppervlakte van het organisme gekomen is, doordringt bij het kind het organisme veel dieper naar binnen toe. Het kind wordt in zekere zin helemaal smaakgewaarwording wanneer het voeding in zich opneemt, net zo, helemaal lichtgewaarwording wanneer licht, wanneer er kleur in zijn ogen doordringt.

Es ist nicht bloß bildlich gesprochen, es ist eine Wirklichkeit: wenn das Kind dem Lichte ausgesetzt wird, so vibriert das Licht nicht nur durch sein Nervensystem, es vibriert durch seine Atmung,durch sein Blutsystem, es vibriert so durch den ganzen Organismus, wie das Licht beim Erwachsenen im Auge allein tätig ist. Das Kind ist innerlich ganz Sinnesorgan. Und wie das Auge hingegeben ist an die Welt, ganz im Lichte lebt, so lebt das Kind ganz in seiner Umgebung. Es trägt den Geist in sich, um das, was in seiner physischen Umgebung lebt, mit seinem ganzen Organismus aufzunehmen. Wenn wir daher das Kind anschreien, so ist sein Organismus in einer ganz bestimmten Tätigkeit. Dadurch, daß wir es anschreien, vibriert in dem Kinde viel stärker etwas in sein Inneres, als das beim Erwachsenen, der Gegenkräfte 

Dit is niet alleen beeldend gesproken, het is realiteit: wanneer het kind blootgesteld wordt aan licht, dan vibreert het licht niet alleen door zijn zenuwsysteem, het vibreert ook door zijn adem, door zijn bloedsyteem, het vibreert door heel zijn organisme, zoals het licht bij de volwassene alleen in het oog werkzaam is.
Het kind is innerlijk helemaal zintuigorgaan. En zoals het oog uitgeleverd is aan de wereld, helemaal in het licht leeft, zo leeft het kind helemaal in zijn omgeving. Het heeft de geest in zich om wat in zijn fysieke omgeving leeft met heel zijn organisme op te nemen. Wanneer we dus tegen het kind schreeuwen, klinkt  er in zijn innerlijk iets veel sterkers mee dan bij de volwassene die innerlijke afweerkrachten heeft,

blz. 248

hat, die sich im Inneren regen, der Fall sein kann. Und das, was da bewirkt wird wie ein Stocken des seelisch-geistigen Lebens des Kindes, das überträgt sich beim Kinde unmittelbar auf die körperliche Organisation. Und kommt es öfter vor, daß wir ein Kind anschreien,auch etwa in Schrecken versetzen, dann wirken wir nicht bloß auf die Seele des Kindes, dann wirken wir auf die ganze physische Organisation des Kindes. Die Gesundheit des erwachsenen Menschen bis ins späteste Alter liegt in unserer Hand, je nachdem wir uns in der Umgebung des Kindes verhalten.
Das wichtigste Erziehungsmittel für ein Kind im ersten Lebensalter ist, wie man sich selber als Erwachsener in seiner Umgebung verhält. Ist das Kind ausgesetzt einem fortwährenden Leben und Treiben, das schnell verläuft, einem Hasten in seiner Umgebung, so wird einfach seine ganze physische Organisation die Neigung in sich aufnehmen, innerlich zu hasten. Und wer ein Menschenkenner ist, so daß er vom Geiste und von der Seele in der Beobachtung ausgehen kann, der sieht einem Kinde im elften, zwölften Lebensjahre an, ob es so behandelt worden ist, daß es in einer unruhigen, hastenden Umgebung war, oder in einer ihm angemessenen Umgebung, oder In einer zu langsamen Bewegung der Umgebung. ‘Wir sehen es am Schritt des Kindes.

het geval kan zijn. En wat een haperen van het geest-zielenleven van het kind veroorzaakt, gaat bij het kind meteen verder in de lichamelijke organisatie. En komt het vaker voor dat we tegen een kind schreeuwen, het ook laten schrikken, dan oefenen we niet alleen invloed uit op de ziel, dan werken we in op heel het fysieke organisme van het kind. De gezondheid van de volwassen mens tot ver op latere leeftijd hebben we in de hand, al naar gelang wij ons in de omgeving van het kind gedragen.|
Het belangrijkste opvoedingsmiddel voor een kind in zijn eerste levensjaren is, hoe men zich als volwassene zelf in zijn omgeving gedraagt. Is het kind overgeleverd aan steeds maar gedoe en drukte dat snel verloopt, aan gehaast in zijn omgeving, dan zal eenvoudigweg heel zijn organisme de neiging in zich opnemen, zich innerlijk te haasten. En wie mensenkennis heeft zodat hij uit kan gaan van de geest en de ziel bij het waarnemen, die ziet aan een kind op zijn elfde, twaalfde jaar of het in een onrustige, gehaaste omgeving leefde of dat er te weinig in zijn omgeving gebeurde.
We zien het aan het lopen van het kind.

Wenn das Kind in einer Umgebung war, die hastet, in der alles mit übermäßiger Schnelligkeit verläuft, in der die Eindrücke fortwährend wechseln, so tritt das Kind mit leisem Schritt auf. Es prägt sich die Art und ‘Weise, wie das Kind seine Umgebung aufnimmt, bis zum Schritt, bis zum Schreiten, in seiner physischen Organisation aus. Wenn das Kind in einer Umgebung ist, die ihm nicht genügende Anregung gibt, die es fortwährend zur Langeweile treibt, so sehen wir umgekehrt, wie das Kind mit einem viel zu schweren Tritt im späteren Leben durch die ‘Welt geht. Ich erwähne diese Beispiele, weil sie besonders frappant sind, und weil sie zeigen, wie die Menschenbeobachtung sich verfeinern kann. Man sieht aus diesem Beispiel, was wir dem Kinde mitgeben können, wenn wir es in der richtigen Weise im ersten Lebensalter beobachten können. Denn in diesem ersten Lebensalter des Menschen ist das Kind dasjenige, was ich nennen möchte ein nachahmendes Wesen für seine ganze Umgebung, ein nachahmendes 

Wanneer het kind in een omgeving met haast verbleef waarin alles met bovenmatige vaart verloopt, waarin de indrukken voortdurend wisselen, dan heeft het kind een lichte tred. De manier waarop het kind de omgeving in zich opneemt, komt tot in de tred, tot in het stappen in zijn fysieke organisme tot uiting. Wanneer het kind in een omgeving leeft, die hem niet voldoende aanspoort, waarin het zich voortdurend verveelt, dan zien we het omgekeerde, hoe het kind met een veel te zware tred in het latere leven door de wereld gaat.
Ik noem deze voorbeelden, omdat ze bijzonder frappant zijn en omdat ze tonen hoe het waarnemen van een mens verfijnd kan worden. Je ziet aan dit voorbeeld wat we het kind kunnen meegeven, wanneer we het op de juiste manier in de eerste levensjaren kunnen observeren. Want in deze eerste levensjaren van de mens is het kind, wat ik zou willen noemen een nabootsingswezen van heel de omgeving,

blz. 249

Wesen auch in bezug auf das, was es tun soll im Seelischen, auch im Moralischen. Ich möchte auch dafür ein Beispiel anführen.
Wer im Leben mit solchen Dingen viel zu tun gehabt hat, kann ja solche Dinge erfahren. Zu mir kam zum Beispiel einmal ein Vater, der sagte: Unser Junge war bisher immer ein braves Kind, hat alles das getan, was unser moralisches Wohlgefallen hervorgerufen hat; jetzt hat er Geld gestohlen! – Nun, wer die menschliche Wesenheit wirklich erkennt, der stellt in einem solchen Falle die folgende Frage: Ja, wo- her hat das Kind das Geld genommen? – Es wird einem gesagt: Aus dem Schranke. – Wer nimmt tagtäglich – so frägt man weiter – Geld aus dem Schrank? – Die Mutter! – Das Kind hat eben Tag für Tag gesehen, daß die Mutter Geld genommen hat aus dem Schrank. Das Kind ist ein nachahmendes Wesen, ist als seelischer Sinnesorganismus ganz der Umwelt hingegeben, tut, indem es sein eigenes Wesen in Bewegung bringt, dasselbe, was es in seiner Umgebung sieht. Das Kind richtet sich gar nicht nach Ermahnungen in dem ersten Lebensalter, es richtet sich nicht nach Geboten und Verboten – die haften nicht stark in seiner Seele -, das Kind richtet sich lediglich nach dem, was es in seiner Umgebung sieht. Nur sieht es viel, viel genauer als der Erwachsene, wenn es auch das Gesehene sich nicht zum Bewußtsein bringt

ook een nabootsingswezen van wat het op het gebied van het gevoel moet doen, ook voor de moraliteit. Daar wil ik ook een voorbeeld van geven. Wie in het leven veel met zulke dingen te maken heeft gehad, kan deze dingen te weten komen.
Er kwam bv. eens een vader bij mij die zei: “Onze jongen was tot nog toe steeds een braaf kind, deed alles wat bij ons een moreel welbehagen opriep; nu heeft hij geld gestolen!’- wel nu, wie het mensenwezen werkelijk kent, die stelt in zo’n geval de volgende vraag: Ja,  waaruit heeft het kind geld weggepakt? Er wordt tegen je gezegd: Uit de kast. – Wie haalt er dagelijks – zo vraag je verder – geld uit de kast?- Moeder! – het kind heeft iedere dag gezien dat moeder geld uit de kast heeft gehaald. Het kind is een nabootsend wezen, is als zintuigorganisme met zijn ziel helemaal gericht op zijn omgeving, doet, wanneer het met zijn eigen wezen actief wordt, hetzelfde als het in zijn omgeving ziet. Het kind stelt zich helemaal niet in op vermaningen in zijn eerste levensjaren, het stelt zich niet in op geboden en verboden – die blijven niet intens in zijn ziel hangen -, het kind richt zich enkel en alleen op wat het in zijn omgeving ziet. Maar, het ziet veel, veel preciezer dan de volwassene, ook al realiseert het zich niet bewust wat het in de omgeving ziet.

Und es prägt seinem Organismus das ein, was es in der Umgebung schaut. Der ganze Organismus wird ein Abbild dessen, was das Kind in der Umgebung schaut.
In unserer heutigen Erkenntnis überschätzen wir das, was wir die Vererbung nennen, gar sehr. Man redet, wenn man die Eigenschaften des Menschen im späteren Leben sieht, davon, daß er das meiste vererbt hätte auf dem Wege eben des rein physischen Übertragens durch die Generationen. Wer ein wirklicher Menschenkenner ist, sieht aber, wie sich die Muskeln des Kindes herausbilden nach den Eindrücken seiner Umgebung, je nachdem wir es sanft und milde, mit Liebe, oder in sonstiger Weise behandeln, wie sich Atmung und Blutzirkulation richten nach den Gefühlen, die das Kind erlebt. Erlebt das Kind es oft, daß irgendein Mensch seiner Umgebung in Liebe sich ihm naht, so daß er aus einem instinktiven Miterleben mit dem Kinde das Tempo einschlägt, das die innere Wesenheit des Kindes fordert, so bekommt 

Het hele organisme wordt een afdruk van wat het kind in zijn omgeving ziet. In onze huidige wetenschap hechten we zeker te veel waarde aan wat we erfelijkheid noemen. Men heeft het erover, wanneer men de eigenschappen van de mens in het latere leven ziet, dat hij het meeste geërfd heeft langs de weg van pure fysieke overdracht door de generaties heen. Wie een echte mensenkenner is, ziet echter, hoe de spieren van het kind gevormd worden door de indrukken uit zijn omgeving, al naar gelang we het zacht en mild, met liefde of op een andere manier behandelen, hoe adem en bloedsomloop zich instellen op de gevoelens die het kind beleeft. Ervaart het kind dikwijls dat een mens in zijn omgeving hem met liefde benadert, zo dat die uit een instinctief meeleven met het kind het tempo aanneemt, dat het innerlijk van het kind vraagt, dan krijgt het kind

blz. 250

das Kind in bezug auf die feinere Organisation einen gesunden Atmungsapparat. Fragen Sie, woher die Anlagen für einen brauchbaren physischen Organismus beim erwachsenen Menschen kommen, dann schauen Sie zur Beantwortung dieser Frage hin auf das, was auf das Kind, das ein einziges großes Sinnesorgan ist, aus der Umgebung heraus gewirkt hat, was aus den ‘Worten, was aus den Gesten, was aus dem ganzen Verhalten der Umgebung des Kindes in die Muskeln, in die Blutzirkulation, in die Atmung hineingegangen ist. Sie werden sehen, daß das Kind nicht nur ein Nachahmer ist in bezug auf das Sprechen- lernen, das ja ganz auf Nachahmung beruht – wobei es ja auch im Physischen seine Sprachorganisation erst ausgestaltet und stärkt -, sondein daß das Kind in seinem ganzen Organismus, und zwar in der feineren Gliederung dieses Organismus, gerade im Physischen ein Abdruck dessen ist, was wir in seiner Umgebung vollbringen.
Und so können wir sagen: ‘Wie der Mensch bis ins höchste Alter durchs Leben schreitet, indem er seinen physischen Organismus in starker oder schwacher ‘Weise ausgebildet hat, inwiefern sich der Mensch auf seinen physischen Organismus verlassen kann, das hat er zu danken – oder auch nicht zu danken – den Eindrücken, welche die Umgebung auf das ganz kleine Kind zu machen versteht.

wat zijn fijnere organisme betreft een gezond ademhalingsorgaan. Vraagt u zich af waar de aanleg voor een goed fysiek organisme bij de volwassen mens vandaan komt, kijkt u dan ter beantwoording van deze vraag naar wat op het kind, dat één groot zintuigorgaan als totaliteit is, vanuit de omgeving van het kind, op de spieren, op de bloedsomloop, op de ademhaling heeft ingewerkt. U zult zien, dat het kind niet alleen een nabootser is met het oog op het leren spreken dat helemaal op imitatie berust – waarbij het ook lichamelijk zijn spraakorganisme pas begint te vormen en te versterken – maar, dat het kind in heel zijn organisme en met name in de fijnere opbouw van dit organisme, juist in het fysieke een afdruk is van wat wij in zijn omgeving doen. En dus kunnen we zeggen: De manier waarop de mens tot op hoge leeftijd door het leven gaat doordat hij zijn fysieke organisme op sterkere of zwakkere manier gevormd heeft, in hoeverre de mens op zijn fysieke organisme kan vertrouwen, dat heeft hij te danken – of ook niet te danken – aan de indrukken die de omgeving op het heel kleine kind in staat is te maken. 

Das, was ich Ihnen jetzt gesagt habe in bezug auf den werdenden Menschen als ein nachahmendes Wesen, erstreckt sich auf das erste Lebensalter des Kindes, das sich einer wirklichen Menschenerkenntnis zeigt als das von der Geburt bis zum Zahnwechsel, bis ungefähr zum siebenten Jahre. In diesem siebenten Jahre ändert sich für das Kind mehr, als man gewöhnlich meint. ‘Was dann in der Entwickelung des Kindes eintritt und was man durchschauen muß als Grundlage für eine wahre Erziehungspraxis und Erziehungskunst, das will ich dann Im zweiten Teil des Vortrags erläutern, nachdem der erste Teil übersetzt sein wird.
Ungefähr um das siebente Jahr herum tritt mit dem Zahnwechsel nIcht nur dieses physische Symptom für eine Umwandlung der physischen Menschennatur auf, sondern es tritt im Kinde auch eine vollständige Umwandlung des seelischen ‘Wesens ein. ‘Wenn das Kind bis 

Wat ik u net heb gezegd m.b.t. de wordende mens als een nabootsend wezen beslaat de gehele beginleeftijd van het kind, die voor echte mensenkennis betekent de tijd van de geboorte tot de tandenwisseling, tot ongeveer het zevende jaar. In dit 7e jaar verandert er voor het kind meer dan men gewoonlijk denkt. Wat er dan in de ontwikkeling van het kind plaatsvindt en waarin je inzicht moet hebben als basis voor een echte opvoedingspraktijk en opvoedkunst, dat zal ik dan in het tweede deel van deze voordracht uiteenzetten, nadat het eerste deel is vertaald.
Ongeveer rond het zevende jaar manifesteert zich met de tandenwisseling niet alleen maar dit fysieke verschijnsel als een verandering van de fysieke mensennatuur, maar er vindt in het kind ook een volledige verandering plaats in de ziel.
Wanneer het kind tot aan de tandenwisseling,

blz. 251

zum Zahnwechsel hin im wesentlichen ein nachahmendes Wesen ist, und es in seiner Natur liegt, darauf angewiesen zu sein, seinen physischen Organismus unter den Kräften der Nachahmung auszubilden, so beginnt ungefähr um das siebente Jahr, mit dem Zahnwechsel, für das Kind die Notwendigkeit, an seine Umgebung nun nicht mehr physisch hingegeben zu sein, sondern seelisch hingegeben sein zu können. Wenn alles, was in der Umgebung des Kindes bis zum Zahnwechsel hin sich findet, ich möchte sagen, in die Tiefen des kindlichen Wesens eindringt, so dringt in das Kind für die zweite Lebensepoche, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, dasjenige ein, was gebaut ist auf die selbstverständliche Autorität derer, die erziehen oder unterrichten. Diese selbstverständliche Autorität drückt sich darin aus, daß das Kind nicht etwa irgendwie aus seiner Natur heraus lernen möchte dasjenige, was ihm entgegengebracht wird an Künsten der Erwachsenen, an Lesen und Schreiben und dergleichen. Es ist ein unermeßlich großer pädagogischer Irrtum, wenn man glaubt, daß das Kind überhaupt den geringsten Drang hat, diejenigen Dinge sich anzueignen, welche Verständigungsmittel, Offenbarungsmittel für das, was Sie wissen, also für den Erwachsenen, sind! Alles, was im Kinde wirklich entwickelnd wirkt, das ist das, was aus dem liebevollen Hingegebensein an die selbstverständliche Autorität hervorgeht.

in hoofdzaak een nabootsend wezen is en het in de natuur verankerd ligt dat hij erop is aangewezen zijn fysieke organisme door de krachten van de nabootsing te vormen, dan begint ongeveer rond het zevende jaar, met de tandenwisseling, voor het kind de noodzaak om niet meer fysiek overgeleverd te zijn aan zijn omgeving, maar dat het zich er met zijn ziel aan kan over geven.
Wanneer alles wat zich in de omgeving van het kind tot aan de tandenwisseling bevindt, ik zou willen zeggen, tot in de diepte van het kinderwezen doordringt, zo dringt in de tweede levensfase, van tandenwisseling tot puberteit datgene naar binnen wat gebouwd is op vanzelfsprekende autoriteit van hen die opvoeden of lesgeven. Deze vanzelfsprekende autoriteit drukt zich daarin uit dat het kind niet iets van nature zou willen leren dat hem aangereikt wordt aan kunst, aan lezen en schrijven en dergelijke. Het is een ongelooflijk grote pedagogische vergissing, wanneer je gelooft dat het kind de geringste behoefte zou hebben zich die dingen eigen te maken wat voor de volwassenen manieren zijn om zich begrijpelijk te maken, om uit te drukken wat ze weten. Alles wat in het kind werkelijk als ontwikkeling werkt, is wat uit een liefdevol zich overgeven aan de vanzelfsprekende autoriteit te voorschijn komt.

Das Kind lernt die Dinge, wenn es sie lernt, nicht aus irgendeinem Grunde, der im Unterricht ist; das Kind lernt, weil es sieht, daß der Erwachsene sie kennt und handhabt, weil es von dem Erwachsenen, der seine selbstverständliche Erzieherautorität ist, hört: Das ist das, was man als Richtiges tun soll und so weiter. Das geht bis in die Moralgrundsätze hinein.
Ich konnte anführen, wie bis zum Zahnwechsel auch das Moralische vom Kinde durch Nachahmung aufgenommen werden muß. Vomsiebenten bis ungefähr vierzehnten Jahr, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife muß alles durch die liebevolle Hingabe an die selbstverständliche Autorität aufgenommen werden. Nicht irgendwie intellektualistisch dürfen wir dem Kinde beikommen mit einem Gebote: das ist gut oder das ist böse, sondern das Kind muß in der Empfindung heranwachsen, das für gut zu finden, was ihm die selbst- verständliche Autorität als gut offenbart. Und es muß an demjenigen 

Het kind leert de dingen, wanneer het ze leert, niet om een of andere reden die in het onderwijs ligt; het kind leert, omdat het ziet dat de volwassene ze kent en ermee omgaat, omdat het ze van de volwassene die zijn vanzelfsprekende autoriteit is, hoort. Dat is goed om te doen, enz. Dat gaat tot in de morele principes.
Ik kon naar voren brengen, hoe tot aan de tandenwisseling ook het morele door het kind door de nabootsing opgenomen wordt. Van het zevende tot ongeveer het veertiende jaar, vanaf de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid moet alles door de liefdevolle overgave aan de vanzelfsprekende autoriteit opgenomen worden. Niet op de een of andere intellectualistische manier mogen we het kind benaderen met een gebod: dat is goed of dat is slecht, maar het kind moet met het gevoel opgroeien, dat goed te vinden, wat hem als goed door de vanzelfsprekende autoriteit wordt voorgeleefd. 

blz. 252

Mißfallen haben als an dem Bösen, was ihm die selbstverständliche Autorität als solches hinstellt. Keine anderen Gründe für das Gefallen oder Mißfallen am Guten oder Bösen dürfen sich für das Kind ergeben, als die sind, welche die neben ihm stehende Autorität ihm für das Gute oder Böse offenbart. Nicht weil ihm die Sache an sich nach dem Intellekt gut oder böse erscheint, sondern weil der Erzieher es so findet. Das ist das, worauf es beI einem wirklichen, wahren Erziehen an- kommen muß. Worauf es ankommt, das ist, daß alles Moralische, auch alles Religiöse bei dem Kind vom Zahnwechsel bis zur Geschlechts- reife durch den Menschen herankommen muß. Das menschliche Verhältnis des Lehrers, des Erziehers, das ist es, worauf alles ankommen muß. Was wir glauben dem Kinde beizubringen, indem wir an seIne Urteilskraft appellieren, das bringen wir ihm so bei, daß es eigentlich vieles im Kinde innerlich ertötet. Das Kind ist zwar jetzt nicht mehr ganz Sinnesorgan, aber es hat, obwohl es seine Sinnesorgane an die Oberfläche des Körpers bereits verlegte, seine ganze Seele drinnen. Und es bringt nichts heraus aus dem Intellektualistischen, durch welches die Sinne irgendwie organisch geregelt, gesetzmäßig gemacht werden, sondern es kann gerade dann sich an die selbstverständliche Autorität der Erzieherpersönlichkeit hingeben, wenn ihm alles im beseelten Bilde entgegentritt.

En het zou een afkeer moeten hebben voor het kwaad dat door de vanzelfsprekende autoriteit als zodanig wordt gekwalificeerd. Geen andere beweegredenen voor het wel of niet fijn vinden van goed of kwaad zouden er voor het kind moeten zijn dan die door de autoriteit die hem terzijde staat als goed of kwaad worden beschouwd. Hierop zou het bij een reële, echte opvoeding moeten aankomen. Het komt erop aan dat alles wat moraliteit is, ook alles wat religiositeit is bij het kind vanaf de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid hem door de mens wordt bijgebracht. Het menselijk gedrag van de leerkracht, van de opvoeder: daarop moet alles berusten. Wanneer wij denken het kind iets bij te brengen door aan zijn oordeelsvermogen te appelleren, dan brengen we het hem zo bij dat het eigenlijk innerlijk in het kind veel kapotmaakt. Weliswaar is het kind niet meer helemaal zintuig, maar het heeft, hoewel zijn zintuigorganen al meer aan de oppervlakte van zijn lijf zijn komen te liggen, heel zijn ziel daar nog in. Wat intellectualistisch is, levert het kind niets op; dat regelt op de een of andere organische, wetmatige manier wel de gedachten, maar het kind kan zich dan pas aan de vanzelfsprekende autoriteit van de persoon die het opvoedt, overgeven, wanneer alles in een doorleefd beeld tot hem komt.

Aber das fordert von uns, daß wir die Erziehung zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife durch und durch künstlerisch gestalten, überall vom Künstlerischen ausgehen. Bringen wir an das Kind die Buchstaben heran, durch die es lesen lernen soll, schreiben lernen soll, so sind diese Buchstabenformen heute, in unserer gegenwärtigen Zivilisation solche, zu denen das Kind gar kein Verhältnis, gar keine Beziehungen hat. ‘Wir wissen ja, daß diese Buchstabenformen ausgegangen sind in gewissen Zivilisationen von der bildne`rischen Nachahmung äußerer Vorgänge und Dinge selber; von der Bilderschrift ist die Welt ausgegangen. Indem wir die Schrift` an das Kind heranbringen, müssen wir auch wiederum von dem Bilde ausgehen. Wir befolgen daher in Stuttgart, in der ‘Waldorfschul-Erziehungskunst dies, daß wir überhaupt nicht mit den Buchstaben als solchen, sondern daß wir künstlerisch mit dem Mal- und Zeichenunterricht beginnen. 

Maar dat vraagt van ons dat wij de opvoeding tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid door en door kunstzinnig vormgeven, overal van het kunstzinnige uitgaan. Wanneer we het kind letters leren waarmee het moet leren lezen en schrijven, dan zijn deze lettervormen vandaag de dag, in onze huidige beschaving zo, dat het kind er geen relatie mee heeft, geen verbinding. We weten wel dat deze lettervormen in bepaalde culturen ontstaan zijn door de beeldende nabootsing van uiterlijke processen en dingen zelf; de wereld is uitgegaan van beeldschrift. Als wij het schrift aan het kind bijbrengen, moeten we ook weer uitgaan van het beeld.
We gaan daarom in Stuttgart, in de vrijeschoolopvoedkunst, zo te werk dat we helemaal niet met de letters als zodanig beginnen, maar met kunstzinnige schilder- en tekenlessen.

blz. 253

Das ist schwierig bei dem Kinde, das mit sechs oder sieben Jahren die Schule betritt; aber die Schwierigkeit wird überwunden werden. Und sie wird überwunden, wenn wir in der richtigen Weise mit unserer Autorität neben dem Kinde so stehen, daß das Kind tatsächlich in sichdas Gefühl bekommt: das, was der Erzieher aus der Farbe, aus der Form heraus bildet, das will ich auch nachmachen, denn ich will so werden wie er. – Auf diesem Umwege muß alles erlernt werden. Das kann aber nur erlernt werden, wenn nicht nur äußerlich, sondern auch innerlich tatsächlich ein Verhältnis zwischen dem Lehrer und dem Schüler ist, welches über alles, was an Unterricht und Erziehung gegeben wird, das Künstlerische ausgießt. Denn zwischen dem Erziehenden und dem Kinde wirken eben Imponderabilien. Da wirkt nicht nur das, was man sich an Geschicklichkeit in der Erziehung angeeignet hat und dergleichen, da wirkt vor allen Dingen Gesinnung, da wirkt gefüMsmäßige Empfindung, da wirkt die ganze Seelenverfassung des Lehrers. Sie aber kann eine entsprechende Richtung bekommen, wenn man an das Geistige der Welt als Lehrer auch heranzugehen vermag.
Ich will auch da wieder ein Beispiel gebrauchen, um das, was ich meine, zu charakterisieren, ein Beispiel, das ich besonders gern gebrauche

Dat is moeilijk voor een kind dat met zes of zeven jaar op school komt, maar die moeilijkheden worden wel overwonnen. En ze worden overwonnen wanneer wij op de juiste manier met onze persoonlijkheid zo naast het kind staan, dat het inderdaad het gevoel krijgt dat wat de opvoeder uit de kleur, uit de vorm schept, dat wil ik nadoen, want ik wil zo worden als hij. Via deze omweg moet alles geleerd worden. Dat kan echter alleen geleerd worden, wanneer niet slechts uiterlijk, maar ook innerlijk daadwerkelijk tussen leerkracht en kind een verbinding bestaat die in alles wat aan onderwijs en opvoeding gegeven wordt, kunstzinnigheid uitstraalt.
Want tussen de opvoeder en het kind werkt nu eenmaal het imponderabele. Daar werkt niet alleen maar wat je je aan vaardigheden voor de opvoeding eigen hebt gemaakt enzo; bovenal is daar werkzaam mentaliteit; daar is werkzaam gevoelsmatig inleven, daar werkt heel de zielenconstellatie van de leerkracht. Deze constellatie kan echter een adequate impuls krijgen wanneer de leerkracht in staat is om wat als geest in de wereld werkt, te benaderen. Ik wil een voorbeeld geven om dat wat ik bedoel te karakteriseren; een voorbeeld dat ik heel erg graag gebruik.

Nehmen wir an, wir wollen das Kind im Moralisch-Religiösen anregen. Es wird das ungefähr, in der richtigen Art, in das neunte, zehnte Lebensjahr fallen. Man kann bei der Erziehung, die ich meine, durchaus von der Entwickelung des Kindes ablesen, was man ihm in jedem Jahre, ja Monate, beizubringen hat. Ich will ihm, sagen wir, im neunten, zehnten Lebensjahre beibringen eine Vorstellung von der Unsterblichkeit der Menschenseele. Ich kann intellektualistisch darüber herumreden, das wird auf das Kind nicht nur ohne Eindruck bleiben, es wird sogar das Kind seelisch verkümmern; denn es mischt sich, wenn ich intellektualistisch über das Moralisch-Religiöse vor dem Kinde doziere, nichts Seelisches hinein! Das Seelische beruht auf Imponderabilien, die zwischen dem Lehrer und dem Kinde wirken müssen. Ich kann dem Kinde bildhaft, im Symbolum, im Bilde künstlerisch beibringen, was es erleben soll über die Unsterblichkeit der Seele. Ich kann ihm sagen: Sieh dir die Schmetterlingspuppe an, der Schmetterling durchbricht diese Puppe, fliegt aus ihr aus, bewegt sich dann im

Laten we aannemen dat we het kind op het gebied van het moreel-religieuze willen inspireren. Dat zou op een goede manier rond het negende, tiende jaar kunnen vallen. Je kunt bij het opvoeden zoals ik dat voorsta, zeer zeker aan de ontwikkeling van een kind aflezen wat je het ieder jaar, iedere maand moet bijbrengen. Ik wil het, laten we zeggen, op zijn negende, tiende jaar een voorstelling bijbrengen van de onsterfelijkheid van de mensenziel. Ik kan er intellectualistisch over redeneren; dat zal in het kind niet alleen geen indruk maken, het kind zou wat zijn ziel betreft, in de kou blijven staan, want als ik aan het kind intellectualistisch over het moreel-religieuze doceer, dan komt er niets bij wat met de ziel heeft te maken. Wat ziel is, berust op onweegbare zaken die tussen de leerkracht en het kind moeten werken. Ik kan het kind beeldend, in een symbool, in beeld op kunstzinnige manier bijbrengen wat het beleven zal over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik kan tegen hem zeggen: Kijk eens naar de vlinderpop; de vlinder breekt uit deze pop, vliegt er uit weg, beweegt dan in de zonneschijn. 

blz. 254

Sonnenschein. – So ist es mit der Menschenseele: sie ist im menscMic`hen Organismus wie der Schmetterling in der Puppe; sie verläßt, wenn der Mensch durch die Pforte des Todes tritt, den Organismus und bewegt sich fortan in der geistigen ‘Welt.
Nun kann man in einer zweifachen Weise das dem Kinde bei bringen wollen. Man kann als Lehrer sich selbstverständlich sehr gescheit fühlen und sich sagen: Ich bin gescheit, das Kind ist dumm; das Kind kann nicht verstehen, was ich durch meine Gescheitheit mir zurechtlege über die Unsterblichkeit der Seele. Ich forme es ihm in ein Bild, ich bemühe mich, dieses Bild zu formen.
Ja, wenn ich das Bild für das Kind nur zurechtrücke und mich selber über das Bild ungeheuer erhaben fühle, so wird das auf das Kind einen Eindruck machen, der bald wieder vorübergeht, der durch aus auch innerlich etwas verdorrt in dem Kinde. Aber ich kann in eIner anderen ‘Weise mich zum Kinde stellen durch meine Gemütsempfindung, kann mir sagen: Ich glaube selbst an dieses Bild. Dieses Bild fabriziere ich nicht; die göttlich-geistigen Mächte stellen selber in die Natur hinein die Schmetterlingspuppe und den ausflatternden Schmetterling, um vor mich ein Bild hinzustellen, ein reales Bild, das durch die Natur selber hineingestellt ist in die ‘Welt für das, was ich begreifen soll als Unsterblichkeit der Seele.

Zo gaat het ook met de mensenziel: deze zit net zo in de mens als de vlinder in de pop; ze verlaat, wanneer de mens door de poort van de dood gaat, het lichaam en beweegt zich voortaan in de geestelijke wereld.
Nu kan je op tweeërlei manier dit aan een kind willen bijbrengen. Je kunt je als leerkracht vanzelfsprekend zeer knap vinden en zeggen: Ik ben knap, het kind is dom; het kind kan niet begrijpen wat ik doordat ik knap ben bedenk over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik maak er voor hem een beeld van, ik probeer dit beeld te vormen. Wanneer ik nu het beeld voor het kind een beetje rechtbrei en er mezelf behoorlijk boven verheven voel, dan zal dit op het kind een indruk maken, die algauw weer verdwijnt, die zeker ook innerlijk bij het kind iets dof maakt. Maar ik kan mij ook op een andere manier tot het kind richten door mijn gemoedsstemming; kan tegen hem zeggen: ik geloof zelf in dit beeld. Dit beeld heb ik niet in elkaar gezet; de goddelijk-geestelijke krachten plaatsen zelf de vlindercocon en de wegvliegende vlinder in de natuur om voor mij een beeld te creëren, een waarachtig beeld dat door de natuur zelf in de wereld is gezet voor wat ik moet begrijpen als de onsterfelijkheid van de ziel.

Die Unsterblichkeit der Seele tritt mir auf einer einfacheren, primitiveren Stufe, in dem auskriechenden Schmetterling entgegen. Gott selber hat mir das zeigen wollen an dem auskriechenden Schmetterling. – Erst wenn ich in die- ser Weise meinen Bildern gegenüber selbst Gläubigkeit entwickeln kann, dann spielt sich dieses eigentümliche, unsichtbare Übersinnliche zwischen mir und dem Kinde ab. Und wenn ich meine eigene Auffassung mit solcher Seelenvertiefung ausbilde und vor das Kind hinstelle, dann bleibt dieses Bild etwas, was für das ganze Leben in dem Kinde wurzelt und sich weiter entwickelt. ‘Was wir erreichen, wenn wir alles umsetzen können in bildhaften Unterricht zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, das ist, daß wir dem Kinde nicht etwa fertige Begriffe beibringen, an denen es festhalten soll, die möglichst genau sein sollen. Wenn wir dem Kinde fertige Begriffe beibringen, so ist es, wie wenn wir seine Hand einspannen wollten in eine Maschine, so daß 

De onsterfelijkheid van de ziel doet zich op een eenvoudiger, primitiever niveau in de naar buiten komende vlinder aan mij voor. God zelf heeft mij dit willen laten zien door de vlinder die naar buiten komt. –  Pas wanneer ik zelf op deze manier mijn beelden geloofwaardiger kan maken, vindt dit bijzondere, onzichtbaar bovenzintuigelijke tussen mij en het kind plaats. En wanneer ik mijn eigen opvatting met die verdieping van de ziel vorm en die aan het kind geef, blijft dit beeld iets dat voor het hele leven in het kind post vat en zich verder ontwikkelt. Wat we bereiken, wanneer we alles kunnen omvormen in beeldend onderwijs tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid is, dat we het kind geen kant-en-klare begrippen bijbrengen waaraan het zich moet vasthouden, die zo precies mogelijk moeten zijn. Wanneer we het kind hapklare begrippen bijbrengen, dan is het of we zijn hand in een apparaat willen vastzetten,

blz. 255

es sich nicht frei entwickeln kann. Worum es sich handelt, ist, daß wir dem Kinde innerlich bewegliche Begriffe beibringen, solche Begriffe, die wachsen wie unsere Glieder, so daß dasjenige, was wir vor dem Kinde entwickeln, in neuen Jahrzehnten, im achtzehnten, im zwanzigsten, im vierzigsten Jahre seines Lebens etwas ganz anderes geworden sein kann.Diese Dinge kann aber nur der beurteilen – und bei ihm geht es in eine selbstverständliche Erziehungskunst über -, der nicht nur in der Gegenwart das Kind anschaut und frägt, was es für Bedürfnisse, was es für Entwickelungskräfte hat, sondern der das ganze menschliche Leben überschauen kann. Da möchte ich Ihnen ein Beispiel geben. Nehmen wir an, wir bringen es beim Kinde dahin, daß wir zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife jene innere Hingabe an den Erzieher herausbekommen. Ich möchte durch ein Beispiel die Stärke, die da eintreten muß, veranschaulichen. Wer solche Dinge durchschaut, der weiß, welches Glück seines Lebens es bis in die spätesten Jahre ist, wenn er in der Kindheit etwa in der Lage war, von seiner Umgebung zu hören von einem sehr verehrten Verwandten, den er bisher noch nicht gesehen hat. Er darf ihn eines Tages besuchen. Er geht mit scheuer Ehrfurcht, nach alldem, was er gehört hat, nach dem ganzen Bilde, das ihm entworfen worden ist, den Gang zu diesem Verwandten.

zodat het zich niet vrij ontwikkelen kan. Waarom het gaat is, dat we het kind begrippen geven die innerlijk kunnen meebewegen, die begrippen die groeien als onze ledematen, zodat wat we voor het kind ontwikkelen in het negende, tiende jaar op zijn twintigste, vierentwintigste jaar in zijn leven iets heel anders geworden kan zijn. Deze dingen kan slechts hij beoordelen – en bij hem gaat het in een vanzelfsprekende opvoedkunst over – die niet alleen nu naar het kind kijkt en zich afvraagt wat het nodig heeft, wat het aan ontwikkelingsvermogen heeft, maar die heel het menselijk leven kan overzien.
Daar wil ik graag een voorbeeld van geven. Laten we aannemen dat we er met het kind toe komen dat wij tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid die bepaalde innerlijke toewijding aan de leerkracht hebben kunnen oproepen. Ik zou met een voorbeeld de kracht die daar werkt, willen verduidelijken. Wie zulke dingen doorziet, weet, wat een levensgeluk het is tot op hoge leeftijd toe, wanneer hij als kind in de gelegenheid  kwam vanuit zijn omgeving te vernemen van een zeer geëerd familielid, die hij tot dan toe niet had gezien. Hij mag hem op een dag bezoeken. Hij gaat met verlegen eerbied, na wat hij allemaal heeft gehoord en het beeld dat daaruit is ontstaan, naar dit familielid toe.

Mit scheuer Ehrfurcht sieht er, wie die Türe geöffnet wird. Es ist ein Ungeheures um ein solches Hinschauen zu etwas Verehrungswürdigem. Wenn man so hat verehren können, so zu einem Menschen hat hinschauen können, 50 ist das etwas, was sich tief einwurzelt in die menschliche Seele, und wovon man im spätesten Lebensalter noch die Früchte haben kann! So ist es aber mit allem, was an beweglichen, lebendigen Begriffen an das Kind herangebracht wird, nicht in es hineingepreßt wird. Wer das bei einem Kinde erreicht, daß das Kind in scheuer Ehrfurcht wirklich zu dem Erzieher hinaufschaut als der selbstverständlichen Autorität, der erzeugt etwas in dem Kinde für das späteste Lebensalter, das ich ausdrücken möchte in dem Folgenden: Wir wissen, es gibt Leute, welche, wenn sie ein gewisses Lebensalter erreicht haben, für die Umgebung, in der sie sich aufhalten, eine Wohltat sind, deren Worte gar nicht viele zu sein brauchen; sie wirken wie

Met verlegen eerbied ziet hij hoe de deur opengaat. Dat is een enorme belevenis om zo op te kijken tegen een eerbiedwaardig mens. Wanneer je op deze manier eerbied hebt kunnen voelen, zo tegen een mens te hebben opgezien, dan is dat iets wat zich diep in de menselijke ziel nestelt en waarvan men op het laatst van het leven nog de vruchten kan plukken.
Maar zo is het met alles wat aan beweeglijke, levendige begrippen aan het kind wordt gegeven, niet bij hem erin gestampt wordt. Wie dat bereiken kan bij een kind, dat dit in verlegen eerbied werkelijk tegen zijn opvoeder opkijkt als de vanzelfsprekende autoriteit, die ontwikkelt in het kind iets voor de allerlaatste leeftijdsfase; dat wil ik als volgt uitdrukken: wij weten dat er mensen zijn die wanneer ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt, voor de omgeving waarin ze leven, een weldaad zijn, die niet eens zoveel woorden hoeft te gebruiken;

blz. 256

segnend, ihre Worte. Es ist etwas, das die Stimme durchdringt, es ist nicht der Inhalt der ‘Worte. Es ist ein Segen für die Menschen, in der Zeit der Kindheit in die Nähe solcher Menschen zu kommen. ‘Wenn wir zurückgehen bei solch einem Fünfzig-, Sechzigjährigen und schauen, was ihm im kindlichen Leben zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife gegeben worden ist, was er gelernt hat, so kommen wir darauf, daß er verehren gelernt hat, ein Verehren im Moralischen, das ihn in der richtigen ‘Weise aufschauen lehrte, religiös, zu den höheren Mächten der ‘Welt; ein Mensch, der in der richtigen ‘Weise, wenn ich so sagen darf, beten lernte. ‘Wer in der richtigen Weise beten gelernt hat, bei dem wandelt sich das, was er innerlich an dem Vere`hren lernte, im Alter in segnende Kräfte, in die Kräfte, durch die er eine Wohltat für seine Umgebung sein kann. Und ich möchte sagen, um es möglichst bildlich auszudrücken: Derjenige, der nie gelernt hat die Hände zu falten als Kind, um zu beten, der kann auch niemals in seinem Leben die Kraft entwickeln, die Hände zum Segnen auszubreiten.
Darum handelt es sich, daß wir uns nicht einige abstrakt angeeignete Ideen bilden und in das Kind hineinstopfen, sondern daß wir wissen, wie wir mit dem Kinde verfahren müssen, wenn wir In seIne Seele etwas hineinbilden wollen, das für das ganze Leben von fruchtbringender Bedeutung ist. 

ze werken als een zegen. Het zit hem in de stem, niet in de inhoud van de woorden. Het is een zegen voor de mens om in de kindertijd in de nabijheid van zo’n mens te komen. Wanneer we bij zo’n vijftig- zestigjarige teruggaan en we kijken wat aan hem in zijn kindertijd tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid gegeven is, wat hij geleerd heeft, dan komen wij erop dat hij heeft leren vereren; een achten van het morele, wat hem op de juiste manier leerde kijken, religieus, naar de hogere machten in de wereld; een mens die op de juiste manier, als ik het zo mag zeggen, leerde bidden. Bij wie op de juiste wijze heeft leren bidden, verandert wat hij innerlijk aan achting leerde, in de ouderdom, in kracht om te zegenen, in de krachten waardoor hij een zegen kan zijn voor zijn omgeving. En ik zou willen zeggen om het zo veel mogelijk beeldend tot uitdrukking te brengen: degene die als kind nooit de handen heeft gevouwen om te bidden, die kan ook nooit in zijn leven die kracht ontwikkelen om de handen zegenend uit te strekken. Het gaat erom dat wij ons niet een paar abstract verworven ideeën vormen en in het kind proppen, maar dat we weten hoe we met het kind moeten omgaan, wanneer wij in zijn ziel iets willen vormen dat voor heel het leven van vruchtbare betekenis is.

Und so werden wir nicht das abstrakte Lesen und Schreiben unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern init dem Schreiben beginnen, aber aus dem Künstlerischen heraus, in- dem wIr aus dem Bild heraus alles das entstehen lassen, was an abstrakten Buchstaben in der ‘Welt existiert. Indem wir zunächst das Kind so schreiben lehren, entsprechen wir dadurch seinen Bedürfnissen, nicht nur seine Beobachtung hinzuwenden, sondern seinen ganzen Menschen, nicht nur den Kopf. ‘Wir werden zunächst das Kind schreiben lehren; denn wenn das Kind das Schreiben auf diese ‘Weise aufnImmt, daß es aus dem Bilde heraus mit dem ganzen Menschen beteiligt ist, nicht bloß mit dem Kopf, geben wir ihm das Richtige. Hat es so schreiben gelernt, dann kann es das Lesen lernen.
‘Wer zu stark befangen ist im heutigen Schulwesen, der wird sagen: Ja, aber da lernt das Kind langsamer lesen und schreiben, als es dies bisher gelernt hat. – Aber es handelt sich darum, ob dasjenige Tempo, 

En dus willen wij niet meteen het abstracte lezen en schrijven aan het kind aanbieden, maar met schrijven beginnen, maar vanuit het kunstzinnige, wanneer we uit het beeld alles laten ontstaan wat aan abstracte letters in de wereld bestaat. Als we eerst het kind zo leren schrijven dan is dat in overeenstemming met wat hij vraagt: niet alleen maar het kijken gebruiken, maar heel de mens, niet alleen zijn hoofd. We leren het kind eerst schrijven; want wanneer het kind het schrijven op deze manier zich eigen maakt – dat het vanuit het beeld als totale mens erbij betrokken is, niet alleen met het hoofd, dan geven wij hem het juiste. Heeft het zo leren schrijven, dan kan het leren lezen. Wie teveel vast zit in hoe het huidige schoolsysteem zal zeggen: Ja, maar dan leert het kind langzamer lezen en schrijven, als tot nog toe. Maar het gaat erom of dit tempo

blz. 257

das heute eingehalten ist, richtig ist! Im Grunde genommen ist es überhaupt nur richtig, wenn das Kind erst nach dem achten Jahre zu dem Lesen herangezogen wird! So daß das alles aus dem Bildnerischen, Künstlerischen heraus entwickelt wird.
Derjenige, der ein Menschenkenner geworden ist durch wirkliche Seelen- und Geistesanschauung des Menschen, wird in feinster Weise den Menschen beobachten können, und dann wird aus der Beobachtung die erzieherische Kunst fließen. Nehmen wir an, wir haben ein Kind, das zu stark mit seinen Beinen auf die Erde auftritt; es rührt das davon her, daß ‘in unrichtiger Weise auf das Kind seelisch eingewirkt worden ist vor dem Zahnwechsel. Aber wir können noch manches gut machen, indem wir von innen heraus, durch die Bilder, die wir an- regen, Künstlerisches heranbringen und das, was der Mensch gestaltet hat bis zum Zahnwechsel, nach dem Zahnwechsel beleben lassen. Daher wird der, welcher ein wirklicher Menschenkenner ist, ein Kind, das einen stark auftretenden Schritt hat, vorzugsweise damit beschäftigen, daß er es künstlerisch heranzieht zum Malerischen, Zeichnerischen. Dagegen ein Kind, das einen zu leichten, tänzelnden Schritt hat: die ganze spätere Charakterbildung, ungeheuer tiefes Moralisches hängt davon ab, daß wir ein solches Kind mehr zum Musikalischen an- regen.

dat tegenwoordig aangehouden wordt, juist is! In de grond van de zaak is het alleen maar juist, wanneer het kind pas op zijn achtste bij het lezen betrokken wordt. Zo dat alles uit het beeldende, vanuit het kunstzinnige wordt ontwikkeld.
Degene die de mens heeft leren kennen door de reeële waarneming van de mensenziel- geest zal op de meest subtiele manier de mens kunnen waarnemen en dan zal uit die waarneming de kracht stromen voor de opvoedkunst. Laten we eens aannemen dat we een kind hebben, dat met te veel kracht in zijn benen op aarde gaat en staat; dat komt dat er op een verkeerde manier op de ziel van het kind is ingewerkt vóór de tandenwisseling. Maar we kunnen nog veel goed maken, wanneer we van binnenuit, door de beelden die we aandragen, het kunstzinnige dat we brengen en dat wat de mens zoal gedaan heeft tot de tandenwisseling, na de tandenwisseling stimuleren.
Vandaar dat degene die de mens werkelijk kent zich allereerst bezig zal houden met een kind dat een krachtige tred vertoont, op kunstzinnige manier in aanraking te brengen met schilderen, tekenen. Daarentegen een kind dat een te lichte, dansende pas heeft: heel de verdere karaktervorming, het bijzonder diep-morele, hangt daarvan af, dat wij zo’n kind meer stimuleren op het gebied van het muzikale.

Und so können wir in jedem einzelnen Fall sagen, wenn wir hineinschauen können in den Menschen, wie wir das heranbringen sollen, was wir ins Bild gießen.
Wir können sagen: Bis zum Zahnwechsel hin wird das Kind in seiner Eltern- und Familienumgebung seine nächste, naturgemäße Umgebung haben. Aber wir müssen nachkommen durch Kinderschulen, Spielschulen. Wir machen nur das Richtige durch das, was wir als Spielen, als kindliche Betätigung entwickeln sollen, wenn wir wissen, wie das in das Kind, in den physischen Organismus hineingeht. Man soll sich nur vorstellen, wie ein Kind, das zum Beispiel eine fertige Puppe bekommt, eine sogenannte recht «schöne» Puppe, die sogar ein schön gemaltes Antlitz hat, also möglichst «fertig» ist, wie ein solches Kind – diese Dinge lassen sich nicht durch die grobe Anatomie beobachten – ein schwerflüssiges Blut bekommt, wie seine physische Organisation gestört wird. Wir wissen gar nicht, wie schwer wir da 

We kunnen zeggen: tot aan de tandenwisseling zal het kind in de omgeving van zijn ouders en zijn familie zijn naaste, natuurlijke omgeving hebben. Maar wij moeten daarna komen met – (Steiner gebruikt hier: Kinderschulen, Spielschulen – niet Kindergarten:) kleuterscholen, maar bedoelt wellicht hetzelfde.) We doen alleen het juiste door wat wij als spel, als kinderactiviteit moeten ontwikkelen, wanneer we weten hoe dat in het kind, in het fysieke organisme inwerkt. Je moet je maar eens voorstellen hoe een kind dat bv. een kant-en-klare pop krijgt – een zgn.’mooie’ pop, die zelfs een mooi geschilderd gezichtje heeft, dus helemaal ‘af’ is, hoe zo’n kind – deze dingen kun je grofstoffelijk niet waarnemen- stroperig bloed krijgt, hoe zijn fysiek organisme verstoord wordt. Wij weten helemaal niet, hoe zwaar

blz. 258

sündigen, wie das auf das Kind wirkt! Stellen wir ihm aus ein paar Lappen selber die Puppe zusammen, indem wir sie neben dem Kinde machen, malen wir auf die Puppenlappen die Augen drauf, so daß das Kind dies in der Beweglichkeit, im Entstehen vor sich hat, dann nImmt das Kind das in die Beweglichkeit seines Organismus auf; es geht über in sein Blut, in sein Atmungssystem.
Haben wir zum Beispiel ein melancholisches Kind vor uns; wer ohne jede Seelenanschauung, äußerlich das Kind nur betrachtet, wird sagen: ein melancholisches Kind, innerlich schwarz – wir müssen recht lebhafte Farben in seine Umgebung bringen, müssen seine Spiele möglichst rot und gelb machen, müssen ihm Kleider anziehen, die möglichst hell sind, damit das Kind durch die hellen Farben aufwacht, aufgeweckt wird. – Nein, das wird es nicht! Denn, sehen Sie, das erzielt nur eInen innerlichen Schock in dem Kinde, muß geradezu alle Lebenskräfte in die entgegengesetzte Richtung treiben. Gerade blaue oder blauviolette Farben und Spielgegenstände müssen wir in die Nähe eines Kindes bringen, das ein melancholisches, in sich verschlossenes Kind ist; während wir das Kind, das innerlich tätig ist, anregen dadurch, daß wir Hellfarbiges in seine Umgebung bringen

we daar zondigen, hoe dat op het kind werkt! Maken we voor hem zelf een pop uit een paar lappen, als we die met het kind naast ons maken, en we schilderen de ogen op de poppenlapjes, zodat het kind dit in de activiteit, in het ontstaan voor zich ziet, dan neemt het kind dit in de beweeglijkheid van zijn organisme op; het gaat over in het bloed, in zijn ademsysteem.
Hebben we bv. een melancholisch kind voor ons; wie zonder de ziel waar te nemen, uiterlijk alleen maar naar dit kind kijkt, zou kunnen zeggen: een melancholisch kind, van binnen donker – wij moeten echte levendige kleuren in zijn omgeving brengen, moeten zijn speelgoed zo veel mogelijk rood en geel maken, moeten hem kleren aantrekken die zo veel mogelijk licht zijn, zodat het kind door deze felle kleuren actief wordt, opgemonterd wordt. – Nee, dat wordt het niet! Want, zie je, dat brengt alleen maar een innerlijke shock teweeg in het kind, dat zou juist alle levenskracht in de tegenovergestelde richting sturen. Juist blauw en of blauwpaarse kleuren en speelgoedjes moeten we in de omgeving brengen van een kind dat een melancholisch, een gesloten kind is, terwijl we een kind dat innerlijk actief is, juist stimuleren doordat we heldere kleuren in zijn omgeving brengen. 

Dadurch stellt es seInen eigenen Organismus mit der Umgebung in eine HarmonIe hinein, und es gesundet für das, was vielleicht in ihm zu flatterhaft ist, zu nervös ist, gerade an der Beweglichkeit und dem Hellen in der Umgebung.
So kann man bis ins einzelnste hinein, bis in die unmittelbare Hilfe der Praxis, das, was neben dem Kinde erzieherisch, unterrichtlich zu tun ist, aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus gewinnen. Wenn man in dieser ‘Weise erzieht, wird man einsehen, daß es im Grunde genommen zwar den Einbildungen entsprechen kann, die wir uns machen darüber, was das Kind in diesem oder jenem Alter lernen soll, was wir in es hineinpfropfen sollen, wie wir es betätigen sollen. Derjenige aber, der weiß, daß das Kind dennoch aus seiner Umgeb,ung nur das nehmen kann, was in seinem Organismus veranlagt ist, der wird sich so sagen: Nehmen wir an, ein Kind ist dazu veranlagt, nicht fortdauernd in robuster Art sich in der Außenwelt zu betätigen, sondern etwas auch im Kleinen zu arbeiten, ich möchte sagen, ins Künstlerische 

Daardoor brengt het zijn eigen organisme met de omgeving in harmonie en het maakt dat wat wellicht te ongedurig, te nerveus in hem is, juist door de beweeglijkheid en het lichte in de omgeving, gezonder. Zo kun je tot in detail, tot in de directe hulp in de praktijk wat rondom het kind opvoedend, aanlerend te doen is, uit echte mensenkennis halen.
Wanneer je op deze manier opvoedt, zul je inzien dat het in de aard van de zaak wel in overeenstemming kan zijn met de voorstellingen die wij ons maken van wat het kind op een of andere leeftijd moet leren, waarmee we het moeten volstampen, hoe we het bezig moeten houden. Degene die echter weet dat het kind alleen uit zijn omgeving in zich kan opnemen wat in zijn organisme in aanleg aanwezig is, zal zeggen: Laten we aannemen dat een kind als aanleg heeft zich niet voortdurend op een krachtige manier met de buitenwereld bezig te houden, maar iets in het klein te doen, ik zou willen zeggen, bezig te zijn met iets kunstzinnigs.

blz. 259

hinüber zu arbeiten. Wenn man dieses Kind – weil man selber eigensinnig auf das aus ist – robust äußerlich arbeiten läßt, dann verkümmern gerade die Anlagen, welche in dem Kinde sind für irgendeine feinere Arbeit; und diejenigen Anlagen, die man ausbilden möchte, weil man sich selber einbildet, daß sie allgemein menschliche sind, weil man sie bei jedem Menschen ausbilden muß, verkümmern erst recht.
Das Kind kümmert sich nicht darum; es führt die Arbeit zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife aus, aber es bleibt nichts in ihm,es wächst nichts heran in dem Kinde von dem, was in dieser Weise in es hineingepfropft wird. Überall kommt es bei dem Erziehungsprinzip, um das es sich hier handelt, darauf an, daß der Erziehende einen feinen Sinn hat, was im Kinde vorhanden ist, und daß er aus dem, was er im Kinde körperlich, seelisch, geistig beobachtet, in jedem Augenblick das Richtige aus seinem Lehrinstinkte heraus zu tun weiß.
Auf diese Weise wird der Lehrer eigentlich die Pädagogik für das Kind mit seinem Heranwachsen beobachten können. In der Waldorfschul-Pädagogik ist der Lehrplan vom Kinde abgelesen. Alles, was nicht nur von Jahr zu Jahr, was von Monat zu Monat, von Woche zu Woche getrieben werden muß, ist vom Kinde abzulesen, damit dem Kinde das entgegengebracht werden kann, was es durch seine innere Natur fordert. 

Wanneer je dit kind – omdat je zelf uit eigen zin daarop uit bent – krachtig in de buitenwereld wil laten werken, dan verkommert die aanleg juist die in het kind aanwezig is voor een of ander fijner werk; en die aanleg die je zou willen vormen, omdat je jezelf voorhoudt dat die algemeen menselijk is omdat die bij ieder mens ontwikkeld moet worden, die verkommert pas echt.
Het kind maalt daar niet om; het doet het werk tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid, maar het beklijft niet, hij neemt het niet op wat er op deze manier ingepompt wordt. Overal komt het bij het opvoedingsprincipe waar het hier om gaat erop aan dat de opvoeder een subtiel zintuig heeft voor wat er in het kind aanwezig is en dat hij, uit wat hij bij het kind lichamelijk en op het gebied van ziel en geest waarneemt, op ieder ogenblik het juiste weet te doen vanuit zijn onderwijsinstinct. Op deze manier zal de leerkracht eigenlijk de pedagogie voor het kind dat opgroeit, kunnen waarnemen. In de vrijeschoolpedagogie is het leerplan aan het kind afgelezen. Alles wat niet alleen van jaar tot jaar, wat van maand tot maand, van week tot week gedaan moet worden, wordt aan het kind afgelezen, opdat het kind datgene gegeven kan worden wat zijn natuur vergt. 

Der Lehrberuf ist derjenige, der die größte Selbstlosigkeit fordert, der darum gar nicht duldet, daß man irgendwie ein vor gefaßtes Programm hat, der ganz und gar darauf aus sein muß, das Kind so zu behandeln, daß man durch das Verhältnis, das man zu dem Kinde hat, indem man neben ihm steht, im Grunde genommen nur die Gelegenheit herbeiführt, daß sich das Kind selbst entwickeln kann.
Das wird man vom siebenten bis vierzehnten Jahr, gerade im elementarschulpflichtigen Alter am besten können, wenn man vollständig darauf verzichtet, an den Intellekt zu appellieren, sondern wenn man alles in das Künstlerische leitet. So läßt sich das Physische, wie auch das Seelische, wie auch das, was schon das Geistige ausbilden soll, in diesem Alter ins Bild kleiden. Wir sollen namentlich das Moralische ins Bild kleiden, wenn das Kind im neunten, zehnten Lebensjahre ist. Wir sollen nicht moralische Gebote geben, nicht sagen: Das ist gut oder das ist böse -, sondern vor das Kind hinstellen, an das Kind heranbringen

Het beroep van leerkracht is er een dat de grootste onbaatzuchtigheid vereist; dat juist daarom helemaal niet verdraagt dat men een of ander voorgeprogrammeerd iets heeft; maar helemaal zo zijn moet dat je het kind zo behandelt dat je door je verbinding die je met het kind hebt wanneer je bij hem bent, in de grond van de zaak alleen maar de gelegenheid biedt dat het kind zich zelf kan ontwikkelen. Dat zal je vanaf het zevende tot het veertiende jaar, precies de basisschoolleeftijd, het beste kunnen, wanneer je volledig afziet van het appelleren aan het intellect, maar alles naar het kunstzinnige leidt. Zo is het mogelijk het fysieke, wat de ziel is en ook wat de geest moet vormen, op deze leeftijd in beelden te hullen. We moeten met name het morele in beelden weergeven, wanneer het kind negen, tien jaar oud is. Wij moeten geen morele geboden geven, niet zeggen: dat is goed of dat is slecht –

blz. 260

gute Menschen, wodurch es eine Sympathie für das Gute g`ewinnen kann. Oder vor es hinstellen böse Menschen, wodurch es gegenüber dem Bösen eine Antipathie gewinnen kann. Wir können durch das Bild in seinem Gemüte die moralische ‘Wesenheit erwecken.
Das sind allerdings nur Andeutungen. Ich habe sie geben wollen für das zweite Lebensalter des Menschen. ‘Wie sich dann das Ganze zu einer grundlegenden Erziehung, nicht einer Erziehung bloß für den Augenblick des Kindesalters, sondern für das ganze menschliche Leben ergibt, das will ich im dritten, ganz kurzen Teil meines Vortrages sagen, nachdem der zweite Teil übersetzt sein wird.
Inwiefern durch die hier geschilderte Erziehungskunst von dem kindlichen Lebensalter an auf das ganze Leben des Menschen, von der Geburt bis ium Tode, die richtige ‘Wirkung erzielt sein soll, das werden Sie am besten bemerken können, an dem einzelnen Fall der Erziehung, durch die sogenannte eurythmische Kunst. Das, was als eurythmIsche Kunst in diesen Tagen auch in öffentlichen Vorstellungen in London gezeigt worden ist, ist etwas, was nun auch eine pädagogisch- didaktische Seite hat.

maar als voorbeeld voor het kind plaatsen goede mensen waardoor het sympathie krijgt voor het goede. Of slechte mensen, waardoor het antipathie ontwikkelt tegen het kwaad. Door het beeld kunnen wij in zijn gevoel de morele realiteit wekken.
Dit wordt natuurlijk slechts aangestipt. Ik bedoelde het voor de tweede leeftijdsfase van de mens.
Hoe het geheel dan tot een fundamentele opvoeding wordt, niet een opvoeding voor alleen maar de tijd van de kinderleeftijd, maar voor een heel mensenleven, dat wil ik in het derde, heel korte deel van mijn voordracht zeggen, nadat het tweede deel vertaald is. In hoeverre door de hier geschetste opvoedkunst vanaf de kinderleeftijd voor het hele mensenleven, vanaf de geboorte tot de dood, de juiste werking bereikt moet worden, kunt u het beste waarnemen aan een enkel aspect van de opvoeding, door de zgn. euritmische kunst. Wat aan euritmische kunst deze dagen ook in openbare voorstellingen in Londen vertoond is, heeft ook een pedagogisch-didactische kant. 

Eurythmische Kunst besteht darinnen, daß man tatsächlich aus der Tiefe der Menschennatur Bewegungen des einzelnen Menschen oder von Menschengruppen so hervorruft, daß alles, was an solchen Bewegungen auftritt, in derselben ‘Weise gesetzmäßig aus dem menschlichen Organismus fließt wie die menschliche Lautsprache oder der Gesang. In dieser eurythmischen Kunst ist auch jede einzelne Geste, jede einzelne mimische Offenbarung nichts irgendwie ‘Willkürliches, sondern man hat in ihr eine wirkliche, sichtbare Sprache vorliegen, so daß eurythmisch, das heißt sichtbar ebenso gesungen werden kann durch gewIsse Bewegungen, wie gesprochen werden kann. ‘Was in der Lautsprache zurückgehalten wird an Bewegungsmöglichkeit des ganzen Menschen, und was nur übergeht in Metamorphose in den hörbaren Laut, das wird in der eurythmischen Kunst als eine sichtbare Sprache ausgestaltet.
Nun haben wir in der ‘Waldorfschule diese Eurythmie eingeführt von der untersten Volksschulklasse bis zu der höchsten. Und es zeigt 

Euritmische kunst bestaat eruit dat men daadwerkelijk uit de diepte van de mensennatuur bewegingen van de individuele mens of van een groep mensen zo naar bovenhaalt, dat alles wat zich met zulke bewegingen toont, op dezelfde manier wetmatig uit het menselijke organisme stroomt als de menselijke spraak of het zingen. In deze euritmische kunst is ook ieder apart gebaar, iedere aparte mimische uitdrukking niet iets willekeurigs, maar daarin vindt men een werkelijk zichtbare spraak. Zodat euritmisch, d.w.z. zichtbaar door bepaalde bewegingen zowel kan worden gezongen als kan worden gesproken. Wat bij de spraakklank teruggehouden wordt aan bewegingsmogelijkheden van heel de mens en wat slechts overgaat in een metamorfose van de hoorbare klank, dat wordt in de euritmische kunst als een zichtbare spraak getoond. Wij hebben de euritmie op de vrijeschool vanaf de laagste klassen tot de hoogste. En het blijkt

blz. 261

sich, daß tatsächlich das Kind sich hineinstellt in diese sichtbare Sprache, wo ebenso, wie ein Laut irgend etwas bedeutet als seelischer Ausdruck in der hörbaren Sprache, so jede Finger-, jede Handbewegung, jede Bewegung des ganzen Leibes eben ein wirklicher Sprachlaut ist, nur in Sichtbarkeit. Man sieht, daß das Kind im Alter des Zahnwechsels und noch darüber hinaus, bis zur Geschlechtsreife, sich ebenso selbstverständlich in diese Sprache hineinlebt, wie es sich als ganz kleines Kind in die Lautsprache hineingefunden hat. Es zeigt sich, daß sein ganzer Organismus, nach Leib, Seele und Geist – denn eurythmische Kunst ist zugleich geistig-seelisches Turnen, ist geistig-seelische Gymnastik – mit derselben Selbstverständlichkeit sich hineinfindet in diese curythmische Sprache, wie es sich in die Lautsprache hineingelebt hat; daß es empfindet, daß ihm damit etwas gegeben wird, was aus seinem ganzen Organismus unmittelbar folgt. Damit aber ist neben die Gymnastik, die ihr Wesen ableitet mehr von der Beobachtung des äußeren physischen Leibes, in der Eurythmie durch die Beobachtung des Geistig-Seelischen etwas hingestellt, wo der Mensch in jeder Bewegung sich erfühlt nicht nur als Leib, als durchseelter Leib, sondern als durchgeistigte Seele im von der Seele gestalteten Leib. 

dat het kind daadwerkelijk zich instelt op deze zichtbare spraak, net zoals een klank op de een of andere manier iets betekent als zielenuitdrukking in de hoorbare spraak, net zoals iedere vinger- iedere handbeweging, iedere beweging van het hele lichaam een echte spraakklank is, alleen zichtbaar. Je ziet dat het kind in de leeftijd van de tandenwisseling en nog later, tot aan de geslachtsrijpheid, zich net zo vanzelfsprekend in deze spraak inleeft, als het zich als heel klein kind in de spraakklanken ingeleefd heeft. Het blijkt dat heel zijn organisme, naar lichaam ziel en geest – want euritmische kunst is tegelijk gymnastiek van de ziel en de geest, is mentaal-psychische gymnastiek – met eenzelfde vanzelfsprekendheid leeft het zich in deze euritmische taal in, zoals hij dat deed met de spraakklanken; dat het beleeft, dat het daarmee iets krijgt wat direct tevoorschijn komt uit heel zijn organisme.
Daarmee is naast de gymnastiek die haar betekenis meer uit het waarnemen van het uiterlijke fysieke lichaam haalt, in de euritmie door het waarnemen van de geest-zielenaspecten iets gegeven waarbij de mens in iedere beweging zich niet alleen als lichaam beleeft, als bezield lichaam, maar als een ziel waarin de geest leeft, in een door de ziel gevormd lichaam.

Wiederum: was der Mensch erlebt als eurythmische Kunst, wirkt einerseits in einer ungeheuer lebendigen Weise auf all das, was in ihm als Anlagen sind, und wirkt auf der anderen Seite ebenso in seiner Fruchtbarkeit, in seiner Wirksamkeit auf das ganze Leben. Sie können das Kind äußere Gymnastik noch so gut machen lassen,wenn diese Gymnastik nur nach Regeln des Körpers gemacht ist, so werden Sie durch das Treiben der Gymnastik das Kind nicht schützen, sagen wir, im späteren Alter vor allerlei Stoffwechselkrankheiten, Riicwnatismen selbst, also Krankheiten, die später zu Stoffwechselkrankhciten werden. Denn, was man aus der Gymnastik herausholt, das verdichtet eher den physischen Leib. Aber das, was Sie herausholen, indem Sie jede einzelne Bewegung aus dem Geist und der Seele herausholen, das macht Geist und Seele für das ganze Leben zum Beherrscher des Seelischen, des Physischen. Sie verhindern durch bloße äußerliche Gymnastik den sechzigjährigen Leib nicht daran, brüchig zu werden. Sie verhindern aber, wenn Sie das Kind in der Weise erziehen,  

Dus nogmaals: wat de mens beleeft als euritmische kunst, werkt enerzijds op een buitengewoon vitaliserende manier op alles wat er bij hem aan aanleg is en werkt anderzijds net zo vruchtdragend bij de werking ervan op het gehele leven.
Je kunt het kind de uiterlijke gymnastiek nog zo goed laten doen, wanneer deze gymnastiek zich baseert op de wetmatigheden van het lichaam, dan zal je door het doen van gymnastiek het kind niet beschermen, laten we zeggen, op latere leeftijd, tegen allerlei stofwisselingsziekten, reuma, dus ziekten die later stofwisselingsziekten worden. Want wat je met gymnastiek doet, verhardt het fysieke lichaam eerder. Maar wat je stimuleert wanneer je iedere individuele beweging uit geest en ziel haalt, dat maakt geest en ziel voor het hele leven tot de meester over ziel en lichaam. Door alleen uiterlijk gymnastiek te geven, voorkom je niet dat het zestigjarige lichaam broos wordt. Je verhindert echter, wanneer je het kind op zo’n manier opvoedt

blz. 262

daß Sie seine Bewegungen aus der Seele heraus als Gymnastik machen lassen, Sie verhindern es, daß der Körper brüchig wird in seinem sechzigsten Jahre, wenn er es auch sonst geworden wäre, wenn Sie also bildlichen Unterricht erteilen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, daß Sie dieses Bild, das sonst die Seele beschäftigt, übertreten lassen geistig-seelisch in den Körper. Also diese bildhafte Sprache ist nichts anderes als durchseelte, durchgeistigte Gymnastik. Das aber zeigt Ihnen, daß diese durchseelte und durchgeistigte Gymnastik darauf ausgeht, gleichmäßig nach Leib, Seele und Geist das Kind zu entwickeln, damit das, was man veranlagt im kindlichen Lebensalter, Früchte trägt durch das ganze Alter hindurch. Das können wir nur, wenn wir uns so fühlen wie der Gärtner, der eine Pflanze zu pflegen hat: er will nicht etwa eingreifen in die Säftebewegung, künstlich etwas einpfropfen, er führt äußerlich die Gelegenheit herbei, so daß die Pflanze sich entwickeln kann; er hat eine selbstverständliche innere Scheu, in dieses innere ‘Wachstum der Pflanze hin- einzugreifen. Diese ehrfürchtige Scheu müssen wir haben vor dem, was im Kinde sich ins Leben hinein entwickeln will. So werden wir nicht zum Beispiel in einseitiger ‘Weise immer darauf sehen, daß wir dem Kinde etwas beibringen.

dat je zijn bewegingen uit de ziel als gymnastiek laat maken, dat het lichaam broos wordt als het zestig jaar is, als het dit al geworden zou zijn; wanneer je dus beeldend onderwijs geeft tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid, dat je dit beeld, dat anders de ziel bezighoudt, in het lichaam over laat gaan als geest-zielenaspect. Dus deze beeldende spraak is niets anders dan bezielde, met geest doortrokken gymnastiek. Dat echter toont aan, dat deze met ziel en geest doortrokken gymnastiek uitmondt in het evenredig naar lichaam, ziel en geest ontwikkelen van het kind, opdat wat je aanlegt in de kinderleeftijd, vruchten draagt heel het verdere leven. Dat kunnen we alleen maar, wanneer we ons zo voelen als een tuinman die een plant moet verzorgen; hij wil bv. niet ingrijpen in de sapstroombeweging, kunstmatig er iets bijproppen; hij maak uiterlijk mogelijk dat de plant zich kan ontwikkelen; hij heeft een vanzelfsprekende schroom van binnen in de inwendige groei van de plant in te grijpen. Deze eerbiedige schroom moeten wij hebben voor wat het kind in zijn leven ontwikkelen wil. Dus moeten we niet bv. op een eenzijdige manier er steeds op letten dat we een kind iets bijbrengen.

Das Autoritätsprinzip, wie ich es angeführt habe, das muß im tiefsten Sinne seelisch in das Kind hinüberwalten. Und es muß so sein> daß das Kind die Möglichkeit hat, Dinge in sich aufzunehmen, die es noch nicht intellektuell durchschauen kann, sondern aufnimmt, weil es den Lehrer liebt. Dann nehmen wir dem Kinde nicht die Möglichkeit in späterer Zeit, ein Erleben zu haben, das es sonst nicht hat. Wenn ich alles schon als Kind begriffen habe, dann habe ich etwa folgendes Erlebnis nicht: Nehmen wir an, in meinem fünfunddreißigsten Jahre käme etwas, das sich mir so darbietet, daß ich diese oder jene Sache von einer geliebten Lehrerpersönlichkeit, von einer geliebten Autorität, auf Autorität hin, auf den liebenden Glauben hin dazumal angenommen habe -, jetzt bin ich reifer, jetzt dämmert mir ein ganz neues Verständnis dafür auf! Dieses Faktum, daß man im gereiften Alter zurückkommen kann auf etwas, das man früher aufgenommen hat, noch nicht vollkommen durchschaut hat, jetzt aber in der Reife belebt, das gibt eine innere Befriedigung, das gibt eine 

Het principe van de autoriteit zoals ik het aangegeven heb, moet in de diepste betekenis als zielenkwaliteit in het kind zijn werk doen. En het moet zo zijn dat het kind de mogelijkheid heeft, dingen in zich op te nemen die het nog niet intellectueel kan doorzien, maar aanvaardt omdat het van zijn leerkracht houdt. Dan nemen we het kind niet de mogelijkheid af op een later tijdstip iets te beleven, wat het anders niet heeft.
Wanneer ik alles al als kind heb begrepen, heb ik min of meer de volgende beleving niet:
Laten we aannemen dat er op mijn vijfendertigste jaar iets zou komen dat zich zo aandient dat ik deze of gene zaak van een geliefde leraarpersoonlijkheid, van een geliefde autoriteit, uit autoriteitsgevoel, vanuit een heel graag willen geloven toentertijd aangenomen heb, – nu ben ik volwassener, nu ontstaat er in mij daarvoor een heel nieuw begrip. Dit feit dat je op een volwassen leeftijd op iets terug kan komen, dat je vroeger aanvaard hebt, nog niet helemaal doorzien hebt, maar nu volwassen-zijnd beleeft, dat geeft een innerlijke bevrediging, dat geeft een

blz. 263

Erkraftung des Willens, die wir dem Menschen nicht nehmen dürfen, wenn wir vor seiner Freiheit die nötige Achtung haben und ihn als freies ‘Wesen erziehen wollen. Als freies Wesen den Menschen zu erziehen, das liegt dem hier gemeinten Erziehungsprinzip zugrunde. Deshalb sollen wir auch nicht in das Kind hineinpflanzen eine Entwickelung des Willens durch intellektuell moralische Urteile. Wir sollen uns klar sein, daß wenn wir in dem kindlichen Gemüt ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr moralische Anschauungen entwickeln, indem das Gemüt Sympathie und Antipathie entwickelt, das Kind dann, wenn es geschlechtsreif geworden ist und dem Leben gegenübersteht, das intellektuell-moralische Gefühl und das, was es will, durchschaut, daß dasjenige, was den Willen durchzieht, was aus dem Willen heraus das früher entwickelte ästhetische Gefühl an dem Moralischen belebt, daß das, indem es aus der Freiheit am Leben sich entzündet, gerade dem Menschen Stärke, innere Sicherheit gibt.
Sehen Sie, wer in der hier gemeinten Weise die richtige Erziehungskunst anwenden will, der sieht nicht bloß auf das kindliche Alter, der sieht hin auf den Menschen, auch wenn er ins späteste Lebensalter eingetreten ist. Denn er will, daß das, was er in den Menschen hineinpflanzt, sich wirklich so verhält wie die Blume, die aus den inneren Naturverhältnissen heraus wächst und gedeiht. 

krachtigere wil die we de mens niet mogen afpakken, wanneer wij voor zijn vrijheid het nodige respect hebben en hem als een vrij wezen willen opvoeden. Als vrij wezen de mens op te voeden ligt aan het hier bedoelde opvoedingsprincipe ten grondslag. Daarom moeten we ook in het kind geen ontwikkeling van de wil door intellectueel morele oordelen inplanten.
Voor ons moet het helder zijn dat wanneer we in de kinderziel zo ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar morele gezichtspunten ontwikkelen, wanneer de ziel sympathie en antipathie ontwikkelt, dat het kind dan, wanneer het geslachtsrijp geworden is en tegenover het leven staat, het intellectueel-morele gevoel en dat wat het wil, doorziet; dat datgene wat de wil doortrekt, wat vanuit de wil het eerder ontwikkelde esthetische gevoel stimuleert; dat dit wanneer het uit vrijheid aan het leven ontvlamt, juist de mens sterkt, innerlijke zekerheid geeft.
Kijk eens, wie op de hier bedoelde manier de juiste opvoedkunst toepassen wil, die kijkt niet alleen naar de kinderleeftijd, die kijkt naar de mens, ook wanneer zijn laatste levensjaren zijn begonnen.
Want hij wil, dat het met datgene wat hij in de mens plant, werkelijk zo gaat als met de bloem die uit de inwendige natuurverhoudingen groeit en gedijt.

‘Wenn wir die Blume einsetzen, können wir nicht wollen, daß sie sich schnell entwickle; sondern wir warten ab, daß sie sich langsam entwickle von der Wurzel, zum Stengel, zum Blatt und zur Blüte und Frucht sich entfalte, und sich am Lichte der Sonne frei entwickelt. Das ist dasjenige, was wir uns vorhalten als Ziel für eine richtige Erziehungskunst. Wir wollen das pflegen im Kinde, was die Wurzel des Lebens ist, wollen es aber so pflegen, daß sich nach und nach, beweglich, das Leben aus demjenigen heraus umgestaltet, physisch, seelisch und geistig, was wir für das Kindheitsalter, für das Jugendalter pflegen. Dann können wir sicher sein, daß wir mit voller Achtung vor der menschlichen Freiheit den Menschen eben als freies ‘Wesen so in die Welt hineinstellen durch unsere Erziehung, daß wirklich dasjenige, was die ‘Wurzel der Erziehung Ist, frei sich entwickle – nicht durch unser ihn zum Sklaven machendes Hineinpfropfen -, sodaß er sich auch noch im späteren Leben, auch unter

Wanneer we de bloem planten, kunnen we niet echt willen dat zij zich snel ontwikkelt, maar we wachten dat zij zich langzaam ontwikkelt vanuit de wortel, zich ontplooit tot stengel, tot blad, tot bloem en vrucht draagt en zich door het zonlicht vrij ontwikkelt. Dat stellen we ons als doel voor een juiste opvoedkunst. We willen in het kind verzorgen wat de wortel van het leven is, willen het zo verzorgen dat langzaamaan, in beweging, het leven daaruit zich omvormt, lichamelijk, wat de ziel betreft en geestelijk, wat wij voor de kinderleeftijd, voor de puberleeftijd verzorgen. Dan kunnen we er zeker van zijn dat wij met volle eerbied voor de menselijke vrijheid de mens juist als vrij wezen zo een plaats in de wereld geven door onze opvoeding, dat werkelijk, wat de wortel van de opvoeding is, zich vrij ontwikkelen kan – niet door ons instampen wat hem tot slaaf maakt, zodat hij zich ook op latere leeftijd, ook onder de meest

blz. 264

den verschiedensten Gegebenheiten, wenn er ein freier Mensch s`ein will, dann entsprechend entwickeln kann.
Allerdings, diese Erziehungsprinzipien stellen die größte Anforderung an den Lehrer. Das tun sie; aber können wir überhaupt nur voraussetzen, daß das, was zunächst in dieser ‘Welt hier auf Erden das allervollkommenste ‘Wesen ist – der Mensch -, daß das in einfacher ‘Weise behandelt werden kann, ohne daß man mit voller Vertiefung in die Eigenheiten dieses ‘Wesens auch wirklich eindringt? Sollen wir denn nicht glauben, daß gerade dem Menschen gegenüber dasjenige, was wir an ihm tun, etwas wie Verehrung, manches eine Art religiöser Dienst sein muß? ‘Wir müssen das glauben, daß die Erziehungskunst von uI,,s die größte Selbstlosigkeit verlangt, daß wir uns völlig vergessen können und in die ‘Wesenheit des Kindes untertauchen müssen, um schon im Kinde das zu schauen, was dann im erwachsenen Menschen für die Welt gedeihen soll. Selbstlose Umsicht und wirklich der ‘Wille, sich in die menschliche Natur für eine wahre Menschenerkenntnis hinein zu vertiefen, das sind die Grundbedingungen einer wahren Erziehungskunst.

verschillende omstandigheden, wanneer hij een vrij mens wil zijn, zich dan dienovereenkomstig kan ontwikkelen.
Beslist, deze opvoedprincipes stellen aan de leraar de hoogste eisen. Zeker; maar kunnen we eigenlijk wel vooropstellen dat wat a priori op deze wereld hier op aarde het meest volkomen wezen is – de mens – dat die op een simpele wijze behandeld kan worden, zonder dat men uit volle verdieping in het karakteristieke van dit wezen ook daadwerkellijk binnendringt? Moeten we dan niet geloven dat juist tegenover de mens dat wat wij met hem doen, niet iets van verering moet hebben, van een soort religieuze dienst moet zijn? Wij moeten erin geloven dat de opvoedkunst van ons de grootste opofferingsgezindheid verlangt; dat wij ons helemaal kunnen wegcijferen en in het wezen van het kind moeten opgaan om al in het kind waar te nemen wat dan in de volwassen mens voor de wereld moet bloeien. Onzelfzuchtig te werk gaan en daadwerkelijk de wil hebben om zich in de menselijke natuur te verdiepen om echte mensenkennis te verwerven, zijn de voorwaarden voor een echte opvoedkunst.

Warum sollten wir es nicht als eine Notwendigkeit anerkennen, uns einer solchen Erziehungskunst hinzugeben, wenn wir uns doch sagen müssen, daß aus dem ganzen Menschenleben heraus, aus dem sie ja auch gewonnen ist, die Erziehung das Edelste ist! Die Erziehung ist das Edelste in allem Menschenleben auf Erden. Das ist doch der Fortschritt. Derjenige Fortschritt, den wir durch die Erziehung pflegen, der besteht darinnen, daß die uns aus den göttlichen ‘Welten geschenkten jungen Generationen so entwickelt werden durch das, was wir als ältere Generation uns entwickelt haben, daß diese jüngere Generation über uns hinaus eInen weiteren Schritt im Menschheitsfortschritt macht. Sollte es nicht als das Richtige jedem Einsichtsvollen erscheinen, daß, indem man so Menschheitsdienst leistet, indem man also das Beste und Schönste der älteren Generation der jüngeren Generation zum Opfer bringt, daß man so auch in der schönsten, in der menschheitswürdigsten Weise Erziehungskunst treibt?

Waarom zouden we niet als een noodzaak erkennen dat we ons moeten wijden aan zo’n opvoedkunst, wanneer we ook moeten zeggen dat vanuit het hele mensenleven waaruit deze ook stamt, de opvoeding het meest edele is. De opvoeding is het meest edele op aarde.
Dat is de vooruitgang. Deze vooruitgang waarvoor wij door opvoeding zorg dragen, bestaat erin dat de jongere generaties, ons uit de goddelijke wereld geschonken, zo ontwikkeld worden door wat wij als oudere generatie bij ons zelf ontwikkeld hebben, dat deze jongere generatie buiten ons om een verdere stap in de vooruitgang van de mensheid zet.
Zou het niet voor ieder met volledig inzicht het juiste moeten zijn dat wanneer men zo de mensheid een dienst bewijst wanneer men dus het beste en mooiste van de oudere generatie aan de jongere generatie schenkt, dat men dan ook op de mooiste, op de meest mensheidswaardige manier opvoedkunst  uitoefent?

[1] GA 218 Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des Menschen
13e voordracht: Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis

.

Rudolf Steiner over pedagogie
.
Rudolf Steiner: alle artikelen 

.

581-534

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Verstelstof – biografieën – Harriet Beecher Stowe

.

HAAR BOEK ONTKETENDE EEN OORLOG

 

Eind november 1862, zo gaat het verhaal, ontving Abraham Lincoln op het Witte Huis een kleine vrouw van middelbare  leeftijd. Hij pakte haar smalle hand in zijn knokige vuist en riep uit: “U bent dus het vrouwtje dat deze grote oorlog heeft ontketend!”

Dat vrouwtje was Harriet Beecher Stowe, schrijfster van De Negerhut van Oom Tom. Tien jaar tevoren had de verschijning van deze roman in hoge mate tot Lincolns verkiezing als president bijgedragen. Staatslieden en geschiedkundigen uit die tijd be­groetten het als de grootste bijdrage die één mens had geleverd tot de afschaffing van de slavernij.

 

Beecher-Stowe

Harriet was geboren en getogen in Connecticut en woonde 18 jaar lang in Cincinnati. Hier had zij relletjes tegen de slavernij gezien, weggelopen slaven geholpen en geluisterd naar hun ver­halen. In 1850 verhuisden de Stowes naar Brunswick in Maine, waar Harriets man, Calvin Stowe, was benoemd tot hoogleraar aan het Bowdoin College. Maar het probleem van de slavernij deed zich overal voor, zelfs in Maine. De kranten stonden er vol van. De vergaderzaal van de Amerikaanse Senaat weergalmde van de hartstochtelijke pleidooien van Charles Sumner uit Massachusetts voor de afschaffing van de slavernij. Harriets broer, de reeds beroemde predikant Henry Ward-Beecher, hield van de kansel af zijn opzwepende “slavenveilingen”.

Harriet had al wat korte verhalen geschreven om het altijd te lage inkomen van de Stowes aan te vullen. Zij had het vaste geloof van de kruisvaarders en snakte ernaar de wereld een beeld te geven van de onmenselijkheid der slavernij zoals zij die kende. Als je de lezers de slavernij beschreef in menselijke beelden — meis­jes die werden verkracht, moeders die hun kinderen moesten af­staan, gezinnen die uiteengerukt werden, meesters die zich aan machtswillekeur te buiten gingen — als zij die beelden voor zich zagen, zouden zij de slavernij niet langer dulden. Maar schrijven over een politieke kwestie was in strijd met haar hele opvoeding. Een brief van haar schoonzuster gaf de eerste stoot. “Als ik de pen kon voeren zoals jij,” schreef de vrouw van Edward Beecher, “zou ik iets schrijven dat de hele natie deed voelen welk een ver­vloekte instelling die slavernij is.”

Harriets kinderen herinnerden zich altijd hoe zij hun die brief voorlas. Ze ging dan staan alsof het een inwijdingsplechtigheid betrof, de brief verkreukelend in haar kleine gebalde vuist. “Ik wil iets schrijven,” zei ze.

En zo ging ze op een dag achter haar schrijftafel zitten en begon: “Laat in de middag op een kille dag in februari zaten twee heren alleen achter een glas wijn in een goed gemeubileerde eetkamer in de stad P—, Kentucky.”

Die woorden waren het begin van een lange reis. Harriet wist niet waar ze zou eindigen, maar ze eindigde in Gettysburg en Appomattox. Harriet had er geen idee van welk een verschrikke­lijke kracht De Negerhut van Oom Tom zou ontketenen. Zij be­schouwde haar verhaal als een vredesboodschap. “De Heer zelf heeft hem geschreven,” zei ze dikwijls.

De scène waarin Oom Tom wordt afgeranseld — geschreven weken vóórdat ze een definitief plan voor haar verhaal had uit­gewerkt — zag ze als in een visioen tijdens een avondmaalsviering. Zo duidelijk alsof ze erbij tegenwoordig was geweest, zag ze een blanke woesteling een oude slaaf doodranselen. Na de zegen liep Harriet naar huis terwijl zij met moeite haar tranen bedwong. Als in trance ging ze naar haar slaapkamer en schreef het visioen neer zoals ze het had gezien. Toen ze het haar gezin voorlas, be­gonnen de kinderen luid te snikken. En haar man zei: “Hattie, je moet een verhaal schrijven waarin dit het hoogtepunt vormt. De Heer wil het zo.”

Harriet zette het verhaal op als “drie of vier” schetsen en bood het Bailey, de hoofdredacteur van de National Era aan, een klein Washingtons blad. Hij accepteerde het ongezien voor 300 dollar. Arme Harriet! Haar “drie of vier” schetsen werden er 40 en bijna een jaar verstreek voordat zij eindelijk alle draden van haar weef­sel bijeen had. Het verhaal werd langer en langer, maar Bailey betaalde niet meer. In de National Era van 5 juni 1851 verscheen op pagina 1 de eerste aflevering van de roman die een hele gene­ratie kinderen — onder wie Harriets zoon Fred — zodanig zou beïnvloeden dat zij tien jaar later met dezelfde bezieling als in vroeger tijden de kruisvaarders, op de kanonnen afmarcheerden.

Het hele verhaal berustte op haar eigen ervaringen. Het Zuiden van de Verenigde Staten kende zij alleen van een bezoek van enkele dagen aan de plantage van een schoolvriendin, in Ken­tucky, dus moest oom Tom een slaaf op die plantage zijn. Maar omdat de enigen die zij in Kentucky had ontmoet, aardige mensen waren geweest, moest zij Oom Tom laten verkopen door zijn goedaardige meester.

Als voorbeeld voor Oom Tom had zij de neger Josiah Henson genomen, predikant en maatschappelijk werker, die zich had vrijgekocht en die Harriet in Boston had ontmoet. In zijn jeugd was “Vader” Henson levenslang invalide geworden door een af­ranseling die zijn wrede meester in Maryland hem had toegediend. Verder beschreef ze de opzichter die haar broer Charles had ont­moet op een boot uit New Orleans. Deze toonde een vuist zo hard als een eikenhouten knuppel en pochte dat hij “die had verworven door het neerslaan van nikkers”. Zo kwam Harriet aan haar Simon Legree. De sinistere naam van de harige, aapachtige meester berustte uitsluitend op fantasie. Celeste was een klein ondeugend negermeisje dat Harriet destijds tevergeefs had trach­ten te kerstenen in haar zondagsschoolklas. Celeste werd Topsy.

Er wordt dikwijls beweerd, dat de mensen uit het Zuiden de negers beter begrijpen dan die uit het Noorden, en beter met hen weten om te springen. Alsof dat iets nieuws zou zijn! Harriet schreef dit al in 1851 en 1852. Zij zag de goede, patriarchale kant van de slavernij niet over het hoofd, en dat is een van de redenen waarom haar boek zo moeilijk te weerleggen is. Enkele van de vriendelijkste en rechtschapenste figuren in haar roman waren mannen uit het Zuiden en slavenhouders. En zij maakte van Simon Legree, de aartsschurk van de Amerikaanse literatuur, een man uit Vermont. Tante Ophelia, St. Clare’s nicht uit New England, rilde al bij de gedachte dat ze Topsy zou moeten aan­raken, maar de kleine Eva kroop dolgraag op Oom Toms knie. En dat deze dingen meer dan een eeuw geleden werden opge­merkt, getuigt van een scherpe geest.

Een merkwaardige reactie van het verhaal was de woede die het overal ontketende, terwijl het als feuilleton in een onbekend blaadje werd gepubliceerd. In bijna iedere gemeenschap was wel minstens één voorstander van de afschaffing van de slavernij die een abonnement had op de Era en zijn exemplaar ging van hand tot hand, totdat het letterlijk stukgelezen was. Op het kantoor van de Era begonnen de brieven binnen te stromen. Elke nieuwe figuur, elk nieuw voorval werd geestdriftig begroet. En toen in het najaar Harriets volgende hoofdstuk niet op tijd voor het nieuwe nummer in Washington aankwam, daalde er een storm van protesten neer op het hoofd van de ongelukkige uitgever.

En terwijl Harriet steeds verder schreef en maar geen eind kon vinden, begon het verhaal haar steeds erger te tiranniseren. Wat ze ook deed, waar ze ook kwam, de volgende aflevering van haar verhaal achtervolgde haar. Ze moest koken en de huishouding doen en haar drukke gezin maakte haar wanhopig.

Er was nog iemand die de steeds groeiende lengte van de roman ontzet gadesloeg. John P. Jewett, directeur van een kleine uit­geverij in Boston, had beloofd, het feuilleton in boekvorm te zullen uitgeven. Hij had gerekend op een dun bandje dat voor een lage prijs verkocht kon worden. Tegen eind oktober begon het erop te lijken dat Oom Tom in twee delen zou moeten verschijnen; Jewett vond dat bedenkelijk. Hij smeekte Harriet, een eind te maken aan haar roman. Zij schreef over een onderwerp dat niet populair was, zei hij — in twee delen zou deze roman waarschijn­lijk geen enkel succes hebben.

Jewett sprak bepaald niet tegen dovemansoren. Harriet was doodmoe en bereid, het hoofd in de schoot te leggen. De Era pu­bliceerde het voorstel dat — aangezien het herhaal nu al zo lang was geworden — mevrouw Stowe er vlug een slot aan zou maken door in enkele nuchtere alinea’s te vertellen hoe alles afliep. De lezers antwoordden met een denderend NEE. Hoofdredacteur Bai­ley stelde zijn abonnees haastig gerust en Harriet schreef verder.

De aflevering die in het kerstnummer van de Era verscheen, beschreef de dood van kleine Eva. Nadat ze deze had geschreven, moest Harriet twee dagen in bed blijven — ze was volkomen uit­geput. Het was haast alsof ze zelf een zwaar verlies had geleden. En de lezers maar brieven sturen, helemaal overstuur door de moord op het engelachtigste kind van Amerika; ze was een harte­loze schrijfster, alleen maar uit op effect! Maar zij zag nu haar weg duidelijk voor zich; ze hoefde alleen nog de dood van Oom Tom te beschrijven, een paar kleine details af te werken en dan was het af.

In februari deed Jewett een laatste poging om iets van zijn geslonken kapitaaltje te redden: hij stelde de Stowes voor dat zij de helft van de kosten zouden dragen en voor de helft delen in de winst, als er tenminste winst zou zijn. Maar de Stowes hadden geen cent en dus sloot Calvin een overeenkomst volgens welke zij een royalty van 10 percent van de totale verkoop zouden krijgen. Als Harriet de helft van de winst op De Negerhut van Oom Tom had ontvangen, zou alleen al de verkoop in Amerika van het eerste jaar haar rijk en onafhankelijk hebben gemaakt. Maar Harriet was heel blij met het contract. “Ik hoop,” zei ze, “dat het genoeg zal opbrengen voor een zijden japon.”

Het boek werd niet voorafgegaan door een reclamecampagne en de critici schreven evenmin over de op handen zijnde verschij­ning. Maar op de dag dat het van de pers kwam, 20 maart 1852, heerste er grote opwinding in het kantoor van de uitgever. De eerste druk van 6000 exemplaren was onmiddellijk uitverkocht. Binnen een week liet Jewett drie snelpersen 24 uur per etmaal werken, de hele week behalve ’s zondags; 100 boekbinders werkten voor hem en drie papierfabrieken voorzagen hem van papier. Harriets eerste cheque over de royalties van vier maanden be­droeg 10 300 dollar. Eén jaar na de datum van verschijning maak­te Jewett bekend dat hij 305 000 exemplaren had verkocht “en er is nog evenveel vraag naar”.

Al gauw publiceerden uitgevers in een stuk of tien landen na­drukken en vertalingen van De Negerhut van Oom Tom. De onder­drukte klassen van Europa sloten het boek in hun hart en lazen er hun eigen ellende in. In Londen, New York en Boston werden toneelbewerkingen opgevoerd en de toeschouwers raakten buiten zichzelf van geestdrift. De Amerikanen zongen liedjes van Oom Tom en Kleine Eva. Een fabrikant in Rhode Island maakte reclame voor een kaartspel dat “Oom Tom en Kleine Eva” heette.

De eerste aanval op de geloofwaardigheid van de roman kwam merkwaardig genoeg uit het Noorden. Harriet had ingezien dat zij het kwaad van de slavernij niet uitsluitend de mensen in het Zuiden in de schoenen kon schuiven, want heel wat geld uit het Noorden was belegd in de katoenindustrie, die leefde van de slavernij. De verdediger van die belangen was de Newyorkse Journal of Commerce, die eind mei het eerste salvo afvuurde tegen De Negerhut van Oom Tom. Overal in het land begon de pers zich met de zaak te bemoeien, voor en tegen Harriet, en er volgde een felle polemiek tussen de kranten onderling.

Tot dusver was De Negerhut van Oom Tom slechts een roman ge­weest waarover men kon debatteren; het boek werd in het Noor­den en het Zuiden vrij verkocht en won voorstanders aan beide kanten. Plotseling werd het in het Zuiden verboden en was het gevaarlijk het boek in huis te hebben. Moeders in het Zuiden stelden Harriet tegenover hun kinderen voor als een monsterachtig vrouwspersoon. Bij de vele post van bewonderaars kwamen nu ook anonieme brieven binnen, dreigend en gemeen, waarin haar op­hitsing tot een slavenopstand werd verweten.

Beide zijden beseften nu wel dat dit niet zomaar een roman was, maar een mijn, die met een brandende lont onder de grondvesten van de republiek was aangebracht. Harriets roman deed de onder­linge verdeeldheid uitgroeien tot een haat die niet zou sterven voordat de harten die zij zo vurig deed kloppen tot stof waren vergaan.

Veertig jaar later kenschetste de bekende Newyorkse criticus Kirk Monroe de plaats van het boek in de geschiedenis als volgt: “De afschaffing van de slavernij is niet en kon niet worden be­werkstelligd door één mens. Ze is het resultaat geweest van ver­eende krachten . . . Maar de belangrijkste en vérstrekkendste van al deze invloeden was De Negerhut van Oom Tom.”

Alle biografieën

.

580-533

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (34)

.
Rinke Visser, Jonas 21, 16-06-1978
.

Zomer: tijd van beproeving
.

Buiten is het heerlijk weer. De zon schijnt. In de avonduren zie je men­sen genieten van hun tuin. Overdag worden sportvelden nat gehouden. Je gaat denken aan je vakantie, of hoe het zou zijn als je nu vakantie zou hebben.

Op hetzelfde ogenblik zitten dui­zenden over hun boeken en aanteke­ningen gebogen om zich voor te be­reiden op het examen dat morgen of overmorgen* plaats zal vinden. Een rare tegenstelling eigenlijk, die twee dingen: een zomerzon die je juist naar buiten trekt en de examenstof die je dwingt precies de tegenoverge­stelde beweging te maken. Iemand zei laatst dat het toch volkomen on­gerijmd was om juist in deze tijd van het jaar, in deze hitte, bij dit licht examen te moeten doen. En als je dan dan hoort hoe beroerd het is onder deze omstandigheden een examen af te leggen waar zoveel van af hangt voor de nabije of verdere toekomst: het jaar of een gedeelte daarvan wel of niet over moeten doen, wel of niet kunnen beginnen aan je vervolgoplei­ding, wel of niet aan het werk gaan in je nieuwe baan, wel of niet de promo­tie maken waar je zo hard voor ge­werkt hebt, maar die afhankelijk ge­steld is van ‘het papiertje’. Zou je die examens eigenlijk niet veel beter in de winter kunnen hebben, dan ben je toch het meest geconcentreerd? Daar kun je dan over na gaan denken. Hoe zit dat met het jaarverloop, welke activiteit past eigenlijk in welke tijd? En, waar het hier om gaat: is het waar dat examens beter in de wintertijd passen dan in de zomer? Om te begin­nen kom je erop dat examens een tweeledig karakter hebben, net als deuren: ze geven toegang tot iets, en ze sluiten iets af. Drempels: als je je voeten niet hoog genoeg optilt, ga je tegen de vlakte, met je hoofd binnen, maar met je voeten nog buiten de ka­mer. En om die voeten gaat het juist, als je op weg bent naar iets of iemand. Het tweede wat opvallend is: je zit altijd tegenover één of meer mensen die jou gaan beoordelen naar hun nor­men. Zij kennen de maat waarmee ge­meten moet worden. Als je die twee karakteristieken van examens nader bekijkt, kom je op een paar gedachten die misschien zinnig genoeg zijn om ze hier op te schrijven.

In de eerste plaats dat afsluitende of toegang gevende karakter van exa­mens. Als je daar naar kijkt in verband met het jaarverloop, waar kom je dan op? Wanneer sluit je het jaar eigenlijk af? Daar kan de boekhandel je veel over leren: twee keer per jaar kun je agenda’s kopen. In de winter koop je agenda’s die beginnen met Nieuwjaars­dag en lopen tot 31 december. En in de zomer beginnen ze met de maand augustus en lopen tot en met juli. Dat is toch eigenlijk erg leuk. Twee soor­ten agenda’s, twee soorten jaar, die el­kaar overlappen. Verder is het opval­lend dat die mensen die hun laatste examen hebben afgelegd heel vaak ophouden de agenda’s van het tweede soort aan te schaffen. Of ze dan ook dat tweede soort jaar afschaffen is daarmee natuurlijk nog niet gezegd. Hoe zit dat nu met het begin en einde van die twee soorten jaar? Hoe doen we dat eigenlijk. Oudejaarsdag. Niet de warmste dag van het jaar. Je zit binnen, in verschillende opzichten. De mensen met wie je het oude jaar ‘uitzit’, zijn niet willekeurig, dat zijn meestal intieme relaties, behorend tot je persoonlijke sfeer. Behalve het eten van bolvormig gebak proberen veel mensen vulling aan de avond te geven door zich voor zichzelf bezig te houden met het afgelopen jaar, niet alle in de zin van ‘wat heeft het jaar ons gebracht’, maar ook met de vraag: ‘hoe heb ik het zelf gedaan’. Een soort gewetensvraag. Daar komen dan de wel of niet uitgesproken goede voornemens vandaan. We geven onszelf rekenschap van onze daden, en er is niemand die navraag doet naar de normen die we daarbij aangelegd hebben. Die zijn van jezelf. Daar kan een ander ook niets over zeggen. Examinandi en examinator verenigd binnen één persoon. De uitslag staat bij voorbaat vast: toegelaten tot het nieuwe jaar. Overdoen is er niet bij. Het tweede soort jaar sluit je af met een examen of iets dat daar op lijkt. Je moet aan een ander laten zien wat je kunt. Hij beoordeelt of dat vol­doende is om het volgende jaar te
mogen beginnen. De tijd om voor dat examen te werken ligt juist daar waar de zon nog niet of niet meer hoog aan de hemel staat. Het is de tijd dat je wat meer naar binnen gekeerd bent dan in de zomermaanden. Precies het omgekeerde verhaal dan dat van de krekel en de mier.

Het komt mij voor dat ook zonder examens uit de schoolsfeer die twee soorten van beoordeling hun geldigheid hebben en ook altijd plaats vinden, zij het misschien wat minder duidelijk. Het oordeel van binnen uit, en het oordeel van buiten af. Het oordeel van binnen uit op momenten van naar binnen gekeerd leven, de beoordeling van buiten als we ons voor anderen zichtbaar maken.

Een metamorfose van het Sint-Jansvuur, als vuur van de beproeving.

*inmiddels vinden de examens vroeger in het jaar plaats

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

579-532

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Eiffel

.

ZIJN “MONSTERLIJK WANGEDROCHT” WERD DE TROTS VAN PARIJS

Anderhalf miljoen toeristen* maken elke zomer een luchtreis in de eerbiedwaardige liften van de Eiffeltoren om op 300 meter hoogte te genieten van een adembenemend panorama: de drukke, kleurrijke boulevards, de prachtige ge­bouwen, heel de voorname charme van het met parken en
plant­soenen versierde Parijs. De meesten zullen dat uitzicht hun leven lang niet meer vergeten, en dat is precies wat Gustave Eiffel in 1889 bedoeld heeft toen hij het wonder van technisch vernuft deed verrijzen — op twee na het hoogste bouwwerk ter wereld.**

Het is wel merkwaardig dat, terwijl de roem van de Eiffeltoren tot in alle uithoeken van de aarde is doorgedrongen, Gustave Eiffel zelf betrekkelijk onbekend is gebleven. “Ik zou eigenlijk jaloers op die toren moeten zijn,” heeft hij eens gezegd. “De men­sen schijnen te denken dat ik nooit iets anders heb gedaan. Maar er is heus nog wel meer uit mijn handen gekomen!”

Inderdaad: de energieke oude heer met zijn kaarsrechte rug en tintelende ogen had veel meer gepresteerd. Monsieur Eiffel, grond­legger van de moderne staalconstructie, heeft enkele van de groot­ste bruggen ter wereld gebouwd volgens een geheel nieuw systeem, dat een omwenteling teweegbracht in de tot die tijd gevolgde techniek.

Zijn gedurfde, fantastisch schijnende experimenten met bouw­werken van allerlei aard hebben de stoot gegeven tot de over­gang naar een nieuw tijdperk van staal en beton, dat een einde zou maken aan de alleenheerschappij van steen en hout als bouw­materialen. De New Yorkse wolkenkrabbers zijn grotendeels ge­bouwd volgens beginselen die tientallen jaren tevoren al door Eiffel in praktijk waren gebracht. Hij heeft de eerste bruikbare wind­tunnel ontworpen en de grondslagen gelegd voor de constructie van vliegtuigvleugels en luchtschroeven. Louter voor zijn eigen plezier knutselde hij aan allerlei “kleine uitvindingen”, zoals een bruikbaar systeem voor geluidsfilms.

“Het merkwaardigste van grand-père” vertelde een van zijn kleinzoons mij, “was dat hij altijd plezier had in alles wat hij deed. Ik heb nooit iemand zo hard zien werken, en er was geen gelukki­ger mens dan hij.”

Gustave Eiffel werd in 1832 als zoon van welgestelde ouders in Dijon geboren. Hij zakte voor het toelatingsexamen van de Poly­technische School, maar doorliep met succes de Middelbaar Tech­nische School in Parijs, waarna hij in dienst trad bij een maat­schappij voor de aanleg van spoorwegen. Twee jaar lang zat hij braaf aan zijn tekentafel gewone ontwerpen te maken. Zijn moeder — een schrandere, vastberaden vrouw die met veel succes een eigen kolen-en-houthandel dreef — was tot de verdrietige slotsom gekomen dat Gustave het nooit ver zou brengen. Glim­lachend stelde Gustave haar gerust. “Geduld, maman” zei hij. “Ik heb plannen genoeg. U zult nog eens wat zien.”

In de jaren na 1850 breidde het Europese spoorwegnet zich snel uit. Het grootste struikelblok was de bouw van bruggen, die nog steeds in hoofdzaak uit metselwerk bestonden, wat enorme som­men aan lonen van geschoolde arbeidskrachten verslond. Volgens Eiffel zou dit probleem zijn op te lossen door de toepassing van pasklaar gemaakte stalen onderdelen die ter plaatse gemonteerd konden worden door betrekkelijk ongeschoolde werklieden. IJverig zette hij zich aan het verzamelen van alle beschikbare gegevens over de eigenschappen van staal, zoals de maximaal toelaatbare druk, de trekvastheid, enzovoort.

Toen zijn maatschappij van de Zuidfranse Spoorwegen op­dracht kreeg voor de bouw van een 480 meter lange brug over de Garonne in Bordeaux, bracht Eiffel zijn plannen in tekening en stapte ermee naar zijn directie. Het ontwerp gooide alle bestaande theorieën omver, maar zijn berekeningen klopten tot in de kleinste bijzonderheden. Eiffels toelichtend betoog voor de verzamelde le­den der directie was een mengeling van zakelijkheid en geestdrift, waartegen zelfs de twijfelmoedigste toehoorder niet was opgewassen.

Het ontwerp werd aangenomen. En terwijl ervaren Franse ingenieurs vol leedvermaak zaten te wachten op de instorting van de brug, en de smadelijke nederlaag van “die jonge branie”, werden aan de Garonne-oevers Eiffels pijlers, steunbalken en spanten met bekwame spoed gemonteerd tot een spoorbrug die aan de hoogste eisen voldeed en gereedkwam in de helft van de tijd en tegen de helft van de kosten van een “gewone” brug. Met dit eerste werkstuk had de 29-jarige Gustave Eiffel het systeem van de Europese verbindingswegen nieuw leven ingeblazen.

Het succes van de Garonne-brug gaf Eiffel het zelfvertrouwen dat hij nodig had. “Van mijn vader,” zei hij eens, “heb ik leren dromen. Van mijn moeder heb ik de harde werkelijkheid van het zakenleven geleerd. Het was een nuttige combinatie.” Eiffels vader, een oud-cavalerist die nog onder Napoleon had gediend, had altijd grootscheepse plannen die hij nooit uitvoerde. Zijn zakelijke, praktische echtgenote was eigenlijk de stuwende kracht van het gezin. Met vader Eiffels enthousiasme en het geld van maman werd in 1866 de Eiffel-Bouwmaatschappij opgericht. Op de bescheiden koperen plaat aan de deur van het Parijse kantoor stond te lezen: “G. Eiffel, aannemer. Uitvoering van alle soorten staalconstructies.” In de daaropvolgende twintig jaren werd Gustave Eiffel de beroemdste bouwmeester van Europa.

Nog in het begin van zijn loopbaan kreeg Eiffel bezoek van een cliënt die onder zorgen gebukt ging: de beeldhouwer Bartholdi. Enkele jaren tevoren had de kunstenaar een ontwerp gemaakt voor het monumentale Vrijheidsbeeld als een onvergankelijk sym­bool van de vriendschap tussen Frankrijk en Amerika. Voor de uitvoering van het plan waren miljoenen francs bijeengebracht en de kunstenaar was al aan het werk getogen toen van deskundige zijde het ontstellende bericht kwam dat er geen technische midde­len bestonden om de 45 meter hoge bronzen reuzin in de storm­achtige baai van New York op de been te houden.

Monsieur Eiffel stond onmiddellijk in vuur en vlam. “Dat prachtige beeld moet er komen!” riep hij uit. Spoorslags ging hij aan het werk, en het duurde niet lang of hij had de plannen klaar voor een geniaal geconstrueerd stalen geraamte, licht genoeg om op een betrekkelijk klein voetstuk te worden geplaatst en toch voldoende sterk om de zwaarste stormen te weerstaan. Alle sombe­re voorspellingen van de deskundigen ten spijt verrees voor New York Bartholdi’s kolossale beeld — een wonder van stabiliteit dank zij de uit Eiffels werkplaats afkomstige en ter plaatse tot een een­voudig geraamte samengevoegde stalen balken en spanten. Het gevolg was dat men overal ter wereld ging experimenteren met stalen geraamten voor allerlei bouwwerken.

De door Eiffel ontworpen Maria-Piabrug veroorzaakte een nieuwe omwenteling in de bruggenbouw. Naar aanleiding van een door de Portugese regering geopende inschrijving voor een brug over de woeste Douro — de brug moest 60 meter hoog worden en een spanwijdte hebben van 150 meter — besloot Eiffel ter plaatse poolshoogte te nemen. “Onmogelijk,” was het oordeel van een van zijn assistenten toen zij het terrein bekeken. “Misschien,” ant­woordde Eiffel, “maar toch aardig om eens te proberen.”

Terug in Parijs, verdween hij in zijn werkkamer. Een week later ontbood hij zijn chef-tekenaars. “Voila!” verklaarde hij triomfantelijk. “Ik heb het gevonden. We gaan een hangbrug maken!” De concurrentie stond paf toen de Eiffel-Bouwmaatschappij voor een belachelijk laag bedrag inschreef en de verba­zing steeg naarmate de brug vorderde. In plaats van de gewone, kostbare, massieve houten schoringen maakte Eiffel gebruik van stalen kabels, bevestigd aan op beide rivieroevers geplaatste mas­ten, om op deze wijze elk onderdeel van de geweldige boog op zijn plaats te houden tot het volgende stuk aan de beurt was. Nu is deze techniek algemeen gebruikelijk, maar destijds was het een ware sensatie. De Maria-Piabrug, met haar indrukwekkende, de gehele rivierbreedte overspannende en niettemin opvallend lichte boog, heeft de toepassing van constructiestaal vele jaren verhaast.

Sindsdien kwam het ene ontwerp na het andere uit Eiffels han­den — klassieke voorbeelden van eenvoud en kostenbesparing: bruggen in Rusland, Egypte, Peru; dammen, fabrieken, stations, gebouwen van ongekende afmetingen. Ingenieurs in heel Europa namen zijn techniek over. Toen een van zijn medewerkers eens mopperde dat hij veel te openhartig omsprong met gegevens die “zakengeheimen” dienden te blijven, was Eiffels antwoord: “Maar beste man, als ik nu mijn plezier van een uitvinding heb gehad, waarom zou ik dat dan niet ook aan een ander gunnen? Het is eigenlijk heel vleiend voor mij — en ik kan trouwens altijd weer iets nieuws bedenken.”

Geld en roem hadden niet de minste invloed op hem. Tot zijn tachtigste jaar werkte hij dagelijks tot 11 uur ’s avonds aan zijn plannen en ontwerpen. De zondag was voor zijn gezin. Al zijn kinderen en kleinkinderen beschouwden bon-papa als de held hun­ner dromen. Hij gaf zijn “kleintjes” schermlessen en maakte aller­lei uitstapjes met hen in de vrije natuur. Het zondagse diner in bon-papa’s sprookjesachtig mooie huis was steeds weer een opwin­dende gebeurtenis. Altijd waren er gasten: staatslieden, kunste­naars, geleerden, en Eiffel verzuimde nooit ook zijn jongste klein­kinderen aan zijn bezoekers voor te stellen.

Op aandringen van een groep Franse industriëlen besloot de regering omstreeks 1880 tot het organiseren van een wereld­tentoonstelling in Parijs. Eiffel stelde voor om als symbool van deze expositie een 300 meter hoge ijzeren toren te bouwen. Toen het voorbereidend comité bezwaar maakte tegen dit fantastische voorstel, stapte Eiffel met zijn gedetailleerde ontwerp naar de minister van Handel. Het plan werd goedgekeurd, met dien ver­stande dat de Franse regering in de geraamde kosten van acht miljoen goudfrancs slechts een vijfde zou bijdragen. Ter dekking van het restant nam Eiffel een hypotheek op zijn maatschappij.

In januari 1887 werd met de bouw begonnen, nadat twee jaar lang veertig ingenieurs en tekenaars onder Eiffels leiding alle details hadden uitgewerkt van de 15 000 stalen onderdelen die met 2 500 000 klinknagels samengevoegd moesten worden. Het plaatsen van de vier kolossale, een hectare grond omvattende bogen, gekroond door het onderste platform, werd door 250 arbeiders in een jaar tijds verricht.

In stomme verbazing keek heel Parijs zijn ogen uit. Wat men ook verwacht had — een dergelijke gigantische toren zeker niet. En toen brak de storm los. Een door 300 schrijvers en kunstenaars ondertekend manifest eiste de onmiddellijke afbraak van het ”monsterlijke wangedrocht”; ontelbare verzoekschriften stroom­den het ministerie van Handel binnen. De enige die onder al deze opwinding kalm bleef, was monsieur Eiffel. Glimlachend verscheen hij dagelijks op zijn steeds groeiende toren. “Wacht maar tot hij klaar is. Dan zullen ze er trots op zijn,” voorspelde hij rustig.

In maart 1889 was het werk voltooid. Onder het gedreun van 21 kanonschoten hees Gustave Eiffel de driekleur op het hoogste ooit door mensenhanden gemaakte bouwwerk. “De Franse vlag is de enige die zich kan beroemen op een vlaggestok van 300 meter,” zei hij met gepaste trots.

Eiffels schepping moge zijn tijdgenoten nog zo verbaasd hebben, alleen een modern geschoolde ingenieur is in staat deze uitzonder­lijke prestatie op haar juiste waarde te schatten. Nog nooit was een dergelijk bouwwerk tot stand gekomen, nooit had men ook maar gepoogd een oplossing te vinden voor de daaraan verbonden problemen in verband met evenwicht, winddruk, het hijsen van zware lasten tot dergelijke hoogten — en niettemin had Gustave Eiffel geen enkele fout gemaakt en niets aan het toeval overgela­ten. Er was rekening gehouden met de risico’s van het werken op grote hoogte, zoals hoogtevrees en plotselinge windvlagen — gevaren die voor de arbeiders een dodelijke val konden betekenen. Eiffel maakte gebruik van technieken die pas jaren later algemene toepassing zouden vinden. De voetstukken van cement en staal waarop de vier reusachtige bogen rusten, hebben tot voorbeeld gediend voor de hedendaagse funderingen van gewapend beton.

Acht maanden na de openstelling in mei 1889 hadden bijna twee miljoen mensen de Eiffeltoren bezocht. Inderdaad: het “monsterlijke wangedrocht” werd de trots van de lichtstad. Eiffel kon zijn schulden afbetalen en volgens contract bleef hij twintig jaar lang enig eigenaar van de goudmijn in de lucht. Tot de huidi­ge dag worden jaarlijks gemiddeld 1 miljoen* toegangsbewijzen verkocht. Zolang de Eiffeltoren staat, heeft men geen klinknageltje ooit hoeven te vernieuwen.

In 1894 trok Eiffel zich uit de zaken terug en ging zijn toren gebruiken als natuurkundig laboratorium, onder andere voor proefnemingen op het gebied van de aerodynamica, die leidden tot de constructie van een windtunnel waarin hij modellen van zijn bouwwerken kon plaatsen om hun stabiliteit te bepalen. Op 75-jarige leeftijd publiceerde hij zijn bevindingen, die ingenieurs in staat stelden het weerstandsvermogen van een gebouw tegen wind­druk te berekenen en de meest economische oplossing te vinden voor de bouw van het stalen geraamte. Een en ander heeft zijn nut bewezen bij het bouwen van de eerste wolkenkrabbers.

Eiffel was nu gelukkiger dan ooit. Hij kocht een van de eerste in Frankrijk vervaardigde automobielen, waarmee hij door Parijs raasde op weg van zijn toren naar zijn windtunnel, of omgekeerd. Zijn familieleden protesteerden tevergeefs. “Je bent maar eens jong,” verklaarde bon-papa, die er acht kruisjes op had zitten.

Toen hij op 15 december 1923 als gastheer aanzat aan een diner ter ere van zijn 91ste verjaardag, voelde hij zich nogal ver­moeid en besloot zich wat vroeger terug te trekken. Nadat hij zijn huisgenoten goedenacht had gewenst, ging hij naar bed. Hij is niet meer opgestaan. Twaalf dagen later was de grote bouwmeester dood. Zijn nalatenschap aan de wereld omvat meer dan de toren die zijn naam draagt — want over de gehele aarde verspreid vindt men duizenden bouwwerken die hun bestaan danken aan het genie van Gustave Eiffel.

*In 2019 zes miljoen!
**In 2019 al lang niet meer

.

alle biografieën

.

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

578-531

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (33)

.
Noor L.Roes, nadere gegevens onbekend
.

Jaarfeesten

Langzamerhand moeten de jaarfeesten een herinneringskarakter krijgenl.’ [1]*
“Een jaarfeest vieren gaat niet vanzelf, het moet worden voorbe­reid.’ [2]

Zijn dit tegenstrijdige uitspraken? Is een herinnering iets wat voorbij is? Wat valt er te vieren aan een herinnering? Alles!

Juist herinneringen die we levend willen houden, worden gevierd. Heel
dicht­bij kunnen we dat vinden: de verjaardag. Door dit elk jaar te vieren, wordt de herinnering aan de geboortedag levend gehouden – en wordt het bewustzijn voor die dag opgeroepen.

Waarvan zijn de jaarfeesten nu de herinnering?

“Vroeger waren het feesten, waarbij de goddelijke wereld zich gaf aan de aardse mensheid, waarbij de mens de gaven van de hemelse  machten rechtstreeks ontving’. [1]

De mensen stonden daar vroeger voor open; er was een vanzelfsprekend gevoel voor de aanwezigheid van geestelijke wezens. Ook beleefde de mensheid in oude tijden de natuur anders dan wij dat tegenwoordig doen: men ging er in mee, liet zich drijven op de stroom van het jaar.

In de huidige tijd zijn wij van de natuur geëmancipeerd, met alle voor- en nadelen die daaraan verbonden zijn.

“Toch kunnen ook wij het jaar nog beleven als een soort levensloop.” [1]

“Maar omdat ons tegenwoordige bewustzijn is veroverd ten koste van het bewustzijn van onze samenhang met de kosmos, kun­nen wij nu beleven dat we vrije mensen zijn met een vrij innerlijk leven, moeten we uit onszelf kruipen – en onze relatie met de kosmos hervinden. We moeten innerlijk weer gaan begrijpen wat de kring­loop van het jaar voor de mens kan betekenen.” [1]

Als Rudolf Steiner over de  jaarfeesten spreekt, gaat het over de vier grote jaarfeesten:

Kerstmis                                                                                              –    midwinter

Pasen                                                                                                    –    voorjaar

Johannesfeest                                                                                   –    zomer

Michaël                                                                                                –    begin van de herfst

Dat wil niet zeggen, dat er geen andere momenten in het jaar zijn, die we kunnen vieren. Dat doen we ook. Denkt u maar aan de optochten die we houden met St.- Maarten en Palmpasen. Maar als we over dé jaarfeesten spreken, wor­den genoemde vier bedoeld.

Het zijn feesten, die oeroud zijn – momenten, die altijd belangrijk zijn geweest in het jaarverloop. Later zijn ze gekerstend en kregen daardoor een ander accent. En in de laatste tijd is het Rudof Steiner geweest, die aan deze feesten een geheel nieuwe dimensie heeft toegevoegd; men zou kunnen zeggen, dat door de inhoud die hij door de antroposofie eraan heeft gegeven, er een metamorfose is opgetreden in het beleven van de jaarfeesten.

Daarbij komt, dat het Michaëlsfeest (29 september) – al staat deze dag al eeuwen in de christelijke heiligenkalender – als feest volkomen nieuw is. En toch herinneringsfeest?

“Omdat de mens in zichzelf het vermogen bezit om tot de diepere betekenis door te dringen, moeten de jaarfeesten herinnerings­feesten zijn, waarbij de mens in zijn ziel grift wat hij innerlijk volbrengen moet.” [1]

De jaarfeesten ‘overkomen’ ons niet.

Het zijn geen vanzelfsprekende gebeurtenissen, waar je vanzelf in meegaat. Ieder feest moet steeds opnieuw door ieder mens gemaakt worden, waar gemaakt worden, werkelijkheid worden.

“We moeten ons innerlijk eigen maken wat vroeger door het natuur­gebeuren tot uitdrukking kwam.” [1]

Anders gezegd: wat vroeger in ‘het natuurgebeuren onmiddellijk tot de mens sprak. Misschien zou je kunnen zeggen, dat wij weer in het ‘boek der natuur’ moeten leren lezen.

Sinds 2000 jaar, sinds het mysterie van Golgotha, betekent dit, dat we de aarde zouden moeten zien als de plek waar Christus verblijf houdt, waardoor ook de natuur ‘doorchristelijkt‘ is.

“De Christus heeft zich na de opstanding met de mensheid verbon­den, hij leeft niet alleen in bovenaardse sferen, hij leeft in de aarde, in de ontwikkelingsstroom der mensheid.” [1]

Christus heeft zich verbonden met de mensheid.

Maar ieder mens zal zelf zijn verhouding moeten vinden tot de Christus. De mens is vrij – hij wordt niet gedwongen.

Het gaat niet vanzelf – hij kan uit eigen vrije wil antwoord  geven op de dood en opstanding van Christus.

En ieder van de jaarfeesten geeft daartoe steeds weer de gelegenheid. Het Michaëlsfeest, het feest van de toekomst, zoals Rudolf Steiner het noemt, is het feest van de innerlijke moed. Met de Michaëlskrachten kunnen we de herfst ingaan, zonder ons mee te laten voeren in de neergang der natuur, maar staande te blijven in het stervensproces, terwijl we het wél meedenken! Levende krachten plaatsen tegenover de doodskrachten; het geestelijke zijn plaats geven tegenover de materie. Dan kan het Kerstfeest beleefd worden als een nieuwe geboorte van het Ik ~ de geest in de menselijke ziel.

Pasen, het feest van de opstanding, waarin we kunnen beleven dat de geest de dood werkelijk overwint. De hele natuur is er het beeld voor, dat uit alles wat leeft, nieuw leven ontstaan kan.

Johannesfeest  in de zomer: de tijd, waarin de aarde zich uitbreidt en de hemel dichterbij komt. Je hebt het gevoel alsmaar te ontvangen. Maar, ter­wijl in oude tijden de mens zich liet ‘meedrijven’ en meevoeren in dit zomerse beleven, moeten we nu beseffen wat we beleven, het bewust maken.

Zo moeten de jaarfeesten ‘herinneringsfeesten‘  zijn; ze hebben hun oorsprong in lang vervlogen tijden, toen de mensheid nog werd geleid door de
mysterie­leraren, die wisten‘ dat de zonnegeest de aarde naderde. De feesten zijn gebleven, maar moeten werkelijk door-christelijkt’ worden, waardoor ze een nieuwe inhoud kunnen krijgen.

“De monumentale uitspraak, die het fundament moet zijn voor alle jaarfeesten, dus ook voor die feesten, die opnieuw inhoud moeten krijgen, luidt: “Doe dit te mijner gedachtenis”.

Daardoor krijgen de jaarfeesten een herinneringskarakter. Zoals alles, wat in de Christusimpuls besloten ligt, levend moet doorwerken, nog vorm moet krijgen en niet slechts mag worden be­schouwd als een historisch gegeven, zo moet ons denk- en gevoelsleven ook van deze gedachte zijn vervuld. We moeten begrijpen dat – hoewel de mens verandert – de jaarfeesten een rol moeten blij­ven spelen in ons leven en dat ook deze feesten een metamorfose moeten ondergaan”.

Bij het vieren van de jaarfeesten op school gaat het – voor de kinderen om de beleving, niet om het weten. Als er verhalen worden verteld, komen daarin, beelden naar voren, die het karakter van het jaarfeest aanduiden; het verhaal hoeft niet noodzakelijkerwijs over het feest te gaan. of over de inhoud ervan. Als volwassenen moeten we ons met de inhoud bezig houden om het feest voor de kinderen beleef baar te maken – misschien hopend, dat ook zij later nog iets kunnen toevoegen aan de beleving die ze er in hun kindertijd aan gehad hebben.

In de klas proberen we iets van het jaarverloop zichtbaar te maken door de mooie tafel‘ bij het seizoen te laten aansluiten.  Op die manier streven we ernaar, van dag tot dag iets zichtbaar te maken en tot beleving te brengen van het spirituele in de natuur. Steeds weer volgt dan de culminatie in het jaarfeest, dat tegelijk een keerpunt is; na elk jaarfeest begint weer iets nieuws.

Zo beleven we het jaar in grote bogen, van feest naar feest.

 

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten.
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Henk Sweers: Jaarfeesten
Marieke Anschütz: Omgaan met de jaarfeesten

*De verwijzingen zijn niet exact aangegeven!

(1) De vier jaarfeesten”   : blz.   91; 90; 75; 74; 90; 32.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

577-530

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (32)

.
(Martine Leicher, nadere gegevens onbekend)
.

SINT JANSFEEST VIEREN MET KINDEREN

Het Sint-Jansfeest leefde vroeger in de volksgewoonten. Daarvan getuigen de oude verhalen, gedichten en liederen: zie Guido Gezelles voorwoordje bij het Sint- Jansvier’:

“Men maakt hedendaags nog Sint-Jansvier te Kortrijk, te midzomer, op Sint-Jan-Baptistendag: men danst en zingt erbij oude volkslie­deren.” (1894)

Deze feesten zijn verdwenen. Daarom zegt het een kind niet veel, als we over het Sint-Jansfeest spreken, terwijl het bijvoorbeeld met het kerstgebeuren wél diep verbonden is. Hoe innig wordt er niet Jozef en Maria met het Kindje gespeeld in de klas. Het paasfeest is het feest met de paashaas; sommige kinderen tekenen het hele jaar door eitjes in de lucht, in een mandje of tussen het gras.

Kerst en Pasen (ook Sint-Nicolaas, Driekoningen enz.) leven in ons, ook al is het nog maar amper meer. Het kind erft deze verbondenheid over.

Maar hoe is het met het Sint-Jansfeest? Hier valt niets meer te erven. Het is pas als wij als volwassenen ons weer zullen verbinden met het wezen van Sint-Jan, de Doper, dat het kind door het feest zal ‘gegrepen worden.

Eigenlijk leeft een kind zich van nature uit in voorjaarsstemming. Een gezond kind is blij, vrolijk, dartel, beweeglijk in vergelijking met de nuchtere volwassene.
Wat doet de natuur ? De lente wordt zomer, zomerse volheid die zwoel wordt, het eerste onweer breekt los.

De eerste sporen van de herfst worden zichtbaar. Dit is echter niet des kinds: slechts met het wakkere waarnemen wordt de ommekeer in de natuur rond de zomerzonnewende zichtbaar. Alleen, wie met interesse de bomen en struiken gadeslaat, ontdekt de Sint-Jansloten. Zo is het ook voor het begrijpen van de figuur van Sint-Jan de Doper. Slechts wie ernstig probeert de gebeurtenissen op Golgotha rond de tijdswende in zich tot leven te brengen, ontdekt stapvoets iets van het wezen van Sint_Jan.

Eigenlijk is het verborgen. Met veel wilskracht moet men ernaar op zoek gaan.

Door het feest van jongsaf aan met de kinderen te vieren, leggen we al
een kiempje zodat ze later de aankondiger van Christus’ zouden kunnen
herkennen.

Het eerste wat het kind ervaart, is hoe wij over het feest spreken. In onze woorden hoort het onze verbondenheid en in evenredige mate ons enthousiasme voor het feest.

De voorbereidingstijd is even belangrijk als het feest zelf: vreugde­vol wordt ernaar uitgekeken. Een kind dat het feest nog niet meege­maakt heefthoort over het vuur spreken en kan zich dat niet voorstel­len. Dan komt de dag van het feest !

Wat moet het niet beduiden voor een kleuter om s middags een dutje te
moeten doen zodat hij s avonds laat op kan blijven ! Tegen de avond vertrekken met hout voor het vuur en een lekkere picknick. Dan wordt het donker op de weide of in het bos en het grote vuur wordt aangestoken. Voor kleine kinderen is dit soms té overweldigend, zodat ze hun oogjes dichtknijpen en toch even moeten wennen. Het moet zalig zijn om het donker te voelen‘ worden tussen de warme kring van vuur en mens en mens en mens en mens…Warmte en dans en zang verbinden. Dan komt de tijd om tussen vader en moeder over het smeulende vuur heen te springen. Dan stilletjes de wacht houden tot het vuur helemaal uitgaat, terwijl het gezang wat rustiger wordt en de nacht zegent. Helemaal in een deken gerold zachtjes indommelen of wakker blijven tot het gezang wordt overgenomen door de vogels die het eerste zonlicht verwelkomen.

Deze mooie ervaringen kunnen in het sluimerende kinderzieltje
samen­smelten met de naam van Sint-Jan. De eerste kiem tot het begrijpen van de opdracht van Sint-Jan de Doper is dan al in het kind gelegd. Het lang opblijven is daarmee voor één keer wel gerechtvaardigd ! Daarenboven moet het toch onvergetelijk zijn om s nachts naar de sterretjes te mogen kijken in open veld!

Aan kinderen die al wat ouder zijnkunnen we de goed zichtbare planeten en de sterrenbeelden tonen.  De grote zomersterrenbeelden zijn de zwaan, de lier en de arend die zich in de melkweg bevinden, die zachte lichte schijn in de zomerhemel die waar te nemen is met het blote oog. De kroon, de slang en nog vele andere kun je gemakkelijk ontdekken…

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

576-529

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (31)

.
J.v.d.Stok, nadere gegevens onbekend
.

ZOMERFEEST, JOHANNESFEEST

Realiseren we ons, wanneer we het zomerfeest vieren, dat het ook een Johannesfeest is?

Zomerfeest: zolang de zon op en onder gaat en mensen dit kunnen waarnemen, is op het hoogtepunt in de zomer de langste dag gevierd.
Met rituele, ceremoniële handelingen beleefde de mens vanaf de vroegste tijden de keerpunten in het jaar. Midwinterzonnewende – zomerzonnewende – en in het voor-en najaar dag- en nachtevening. Geopend voor de kosmische realiteiten, was de mens in gesprek met leidende goddelijke machten, voelde zich op aarde geleid. Hemel en aarde waren een eenheid, heelheid. Intensief werden de gangen door de seizoenen beleefd, een meeademen met de aardeziel van binnen naar buiten, van winter naar zomer, en van buiten naar binnen, van zomer naar winter.

Nog altijd kunnen wij ieder jaar dit proces mee vervolgen:

Midwinter: de aarde ligt als vaste, fysieke gestalte onder onze voeten. Moeder aarde is een bezield, levend organisme zoals wij mensen. In volle werkzaamheid heeft ze in de zomer de aardeziel totaal uitgeademd, de kosmische realiteiten in zich opgenomen, om vervolgens bij het inademproces de essentie in volle concentratie mee te voeren naar de midwintertijd in het aardelichaam. Om daar totaal ingekeerd, bij zichzelf, een nieuwe lichtgeboorte te voltrekken. Het Christuswezen, meegevoerd in deze adembeweging, impulseert mede vanuit dit ge­boortemoment al het levende en werkzame, tegen de zwaartekracht in, in een nieuwe uitademing naar buiten.

Lente: dan breekt de ijskorst, smelt de sneeuw en in de schijnbaar dode materie wordt het eerste leven zichtbaar.
Water-, sapstromen stuwen omhoog, hiërarchische machten vormen in alle groene kleuren de eerste natuur. De omgeving wordt geschonken, een leven in de etherwereld. Groei. Dan volgt de bloei: bloemen openen zich in alle bonte kleuren voor de bevruchting. Maximaal is de natuur de kosmische zonnewarmte tegemoet gegroeid. Insecten, gedragen op warme luchtstromen, voltrekken vanuit een onbewuste astraliteit de bevruchting.
En dan volgt het vurig opvlammen van het vruchtbeginsel, opdat de heelheid kan ont­staan, de eenheid. Vruchten, zaden worden gevormd, het leven gaat voort.

Zomer: de aardeziel is uitgestroomd, doordringt de macrokosmos, een met de elemen­ten. Hemel en aarde doordringen elkaar. Het macrokosmische Christuswezen omarmt het aardelichaam. Heelheid.

Wij mensen in onze tijd volgen deze gang minder of meer; eerst een raam open, dan een deur naar buiten, voor de eerste zonnestralen, het balkon, de tuin, de vakan­tieplannen, de zomervakantie.
Ook onze ziel ademt uit, we overschrijden grenzen; lichamelijk, we richten ons steeds weer naar buiten, worden zintuigmens, natuur­mens; we verlaten ons huis, overschrijden landsgrenzen, taalgrenzen, gewoonten, en gaan op in de elementen van aarde, water, lucht en vuur. Ieder zoekt, verlangt naar z’n eigen omgeving; bergen, bossen, zee, strand, lucht, wind, zon. We willen die stappen door de seizoenen doen en buiten onszelf komen, zo bewust mogelijk, om deel te worden van de macrokosmos.

Vrije vertaling van de 12e weekspreuk van Rudolf Steiner,
Sint Jansstemming:

De schoonheidsglans der wereld,
dwingt mij om uit zielendiepten
de godskrachten van het persoonlijke leven
vrij te maken voor een wereldvlucht;
Mezelf te verlaten,
slechts in vertrouwen mezelf te zoeken
in wereldlicht en wereldwarmte.

Of samengevat; jezelf verliezen, verlaten, om jezelf te vinden. Wanneer het ons lukt door de seizoenen heen de stappen van opstanding, groei, bloei, bevruchting, te maken, kunnen we opgaan in de elementen, beleven hoe het venster naar de andere wereld openstaat. We kunnen raken aan onze eigen oorspron­kelijkheid, in ons alledaagse menszijn één worden met ons hogere menszijn, dat deel is van het macrokosmische Christuswezen. Héélworden.

Maar de huidige mens is vervreemd van de gang met de natuur. We hebben zelf de leiding van aarde en mensheid in de hand genomen. Scheiding van hemel en aarde trad op, de mens kruisigde zichzelf meer en meer in de materie. We richten de blik niet meer omhoog en leven in het horizontale. Gevolg is, dat dat de gekruisigde mensheid op eigen kracht geen redding meer kan brengen. Daarom incarneerde 2000 jaar geleden een goddelijk wezen op aarde in een fysieke gestalte, om ons vóór te leven hoe we uit de materie weer op kunnen staan, en hoe de weg in een verticale beweging omhoog naar de toekomst gegaan kan worden. Momenten uit dat leven geven de stappen aan op deze weg: de christelijke feesten geven ons naast de gang door de seizoenen, een nieuwe mogelijkheid: met bewustzijn op weg te gaan, om aarde, en mensheid te redden.

Kerstmis:
De fysieke mens Jezus van Nazareth wordt zichtbaar op aarde ge­boren. Een fysieke mensengestalte.

Pasen:
Het Christuswezen overwint de materie, werkt de lichamelijkheid om tot een nieuwe, zichtbare, goddelijke lichamelijkheid.

Hemelvaart:
Het opstandingslichaam, verwijdt zich, breidt zich uit, vult de gehele etherwereld, het gebied van de tussenruimte, het levens­gebied, om daarin werkzaam te worden.

Pinksteren:
Het bewustzijn voor deze werkzaamheid van de heilige (helende) geest is als het waaien van een machtige wind rondom. Dit bewust­zijn van de geestwind deed de harten opvlammen en gaf de mogelijk­heid om vanuit het wezen ervan de waarheid te spreken.

Zomerfeest:
Bevrucht worden door deze werkzaamheid.

Johannesfeest:
In al het levende en werkende rondom is dit de helende kracht die hemel en aarde weer wil verbinden, die de mens tot mensheid wil maken, en de dagelijkse mens zn hogere menszijn wil laten vinden.

Daarmee komen we bij het Johannesfeest.

1. Wie was Johannes de Doper?
2. Wat was zijn boodschap?
3. Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

1.
Johannes 1:6 “Er is een mens geworden van God gezonden, zijn naam is Johannes.”

De taal die Johannes de Evangelist gebruikt wordt door Rudolf Steiner ook wel mys­terietaal genoemd. De naam Johannes, die ‘Ik-drager’ betekent, is dan een soort­naam voor allen die tot nieuw leven gewekt kunnen worden.

Johannes was in de voorchristelijke tijd de laatste profeet die voorbereidend heeft gewerkt voor de komst van Christus.

Mattheus 11:14′ “Want alle profeten en de wet hebben voorbereidend gewerkt tot aan Johannes toe en indien gij het wilt aannemen: hij is Elia, wiens komst men verwacht.”

Elias was de vorige incarnatie van Johannes. Hij was het omvattende, doordringende geestelijke Vaderwezen van Israël, de groepsziel boven het volk. In Johannes de Doper treedt deze grote, sferische geest in een afzonderlijke mens binnen. Johannes was een eerste Ik-mens, Ik-drager. Hij had nog wel de mogelijkheid om met zijn volk de goddelijks stem in de elementen te horen, maar ook in zichzelf. Zo begon de gewetensstem te spreken.

2.
Wat was zijn boodschap?

Johannes had als opdracht om als de laatste profeet de nieuwe weg te betreden, om als beeltenis van God te getuigen van het licht dat in de wereld wilde komen. (1:7)
Hij moest de Ik-geest die nog boven het volk zweefde in de mensen laten afdalen en bewust maken. Hiermee moest hij vanuit het oude wereldprincipe de overgang naar een nieuwe mensheidsgeschiedenis zichtbaar maken. Dat deed hij door middel van de doop. Hierbij werden de mensen zolang ondergedom­peld, dat zij aan de grens van de dood kwamen. Daardoor was een terugblik op het leven mogelijk. Vanuit deze terugblik werkte Johannes aan een nieuwe toekomst.
Markus 1:7   “Na mij komt die machtiger is dan ik. Ik heb u gedoopt met water. Hij zal u dopen met Heilige Geest.”

3.
Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

In het leven van Johannes is het motief: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.”(3:30) Hij, Johannes, die door de tijden heen tot grote hoogte is meegegroeid, moet af­nemen, opdat Hij, die klein geboren is, naar de toekomst tot grote hoogte groeien kan. Johannes was de grootste, oudste mens; groot heeft de schilder, met helder­ziende blik, hem afgebeeld.

Mattheus 11:12. “Onder allen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opge­staan dan Johannes de Doper, en de kleinste in het rijk der he­melen is groter dan hij.”

Zijn naamdag is 24 juni. Dan is de aarde op z’n grootst, de aardeziel is helemaal uitgeademd. Wij mensen zijn meegegroeid naar deze hoogzomertijd en vieren, opgaand in de elementen, ons zomerfeest. Daarin wakker te blijven, bewust de momenten te beleven, waarin we raken aan ons zeIf, dat is wat Johannes van ons vraagt. Beseffen dat de tijd keert en we met alles wat we in de zomertijd aan ervaringen opdedenons moeten richten op een inkeer naar de midwintertijd, waarin alle zomerse erva­ringen in volste concentratie in onszelf een nieuwe lichtgeboorte tot stand kunnen brengen.

Hij die klein geboren is, moet naar de winter toenaar de toekomst toe, in de mens, in de mensheid, tot grote hoogte groeien.

“Verander uw zinnen, want het hemelrijk is nabij. “

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten
Rudolf SteinerVoordrachten over het Johannes evangelie
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Johannes Hemleben: Evangelist Johannes
Johanson: Johannes, Stufen christlicher Entwicklung
Serge Prokofieff: Ewige Indidividualität
Greiner: Christus-Künden
.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

575-528

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (30)

.

Nadere gegevens onbekend
.

JOHANNES DE DOPER

“Hij moet groeien, ik’ moet afnemen”

Dit was de lijfspreuk van Johannes de Doper, wiens feest we vieren als de zon haar hoogste punt voorbijgegaan is. 24 juni is de geboortedag van Johannes.

20 juni:  het hoogtepunt van de natuur (in de tijd van Johannes viel de zomerzonnewende nog op zijn geboortedag).

De natuur treedt buiten zichzelf. Alles lijkt zo vol. Als mens heb je het gevoel opgenomen te worden in de warmtegloed, waaraan ook de natuur
beant­woordt. Het prille lentegroen is uitgegroeid tot volle blader- en
bloemen­pracht. De vruchten zijn klaar om te rijpen. Ook de mens wil naar buiten. In de Germaanse tijd leefde de mens nog helemaal mee met het ritme van de kosmos. Als dan in de zomer de natuur naar buiten trad, ging de mens met haar mee. De mens raakte ‘buiten zichzelf. In deze tijd kregen de druïden hun goede ingevingen.

Later, en nu nog, werden er grote vuren ontstoken waar de mensen omheen dansten, waar ze doorheen sprongen en waar ze hun vee doorheen joegen. Ze deden dit om bevrijd te zijn van demonen en beschermd te zijn tegen onheil.

Het oerbeeld van de belichaming van de mens die nog helemaal in harmonie leeft met de grote kosmos is wel Johannes de Doper. Zijn geboortedag viel in de tijd van de zomerzonnewende.

Hij maakte zijn groei naar de geboorte door terwijl de zon haar opwaartse cyclus doorliep en terwijl de aarde ook haar groei doormaakte. In de geschiedenis van de mensheid tekenen zich personen af, aan wie wij een overeenkomst met die zomerse extase van de aarde kunnen aflezen: mensen die boven de zuiver menselijke afmetingen uitgroeien tot een boven­menselijke dimensie, zoals de aarde in de zomer boven haar aardse afme­tingen. De laatste van deze mensen was Johannes de Doper.
Veel eerder was er ook al een persoon geweest die dezelfde krachten met zich meedroeg als Johannes. Dat was de profeet Elias. Hun levens vertonen bijzonder veel overeenkomsten.
Wanneer we Johannes op afbeeldingen zien, wordt hij vaak groter afgebeeld dan de normale‘ menselijke gestalte.

Tegenover dit alles staat de koude wintertijd. De natuur heeft zich hele­maal teruggetrokken.
In deze tijd, de tijd van de winterzonnewende, wordt Christus geboren.
Hij maakt zijn groei door terwijl de zon haar neerwaartse cyclus doorloopt.
Christus en Johannes ontmoeten elkaar al zeer vroeg. Beiden zijn nog in de moederschoot. De Bijbel vertelt dat wanneer Maria en Elisabeth elkaar
ontmoeten, het kind opspringt in de schoot van Elisabeth.
Enige tijd later wordt Johannes geboren. Over de jaren daarna wordt niet
meer gesproken.
Als de tijd rijp is, vindt de volgende ontmoeting plaats tussen Johannes en Jezus. Het is dan dertig jaar later.

Johannes die de zomergave bezat, hield deze niet voor zichzelf maar wist deze door de doop over te geven aan de ander. Toch wees hij de mensen steeds op degene die nog moet komen, (ik doop u met water, maar Hij zal u dopen met de heilige geest. Ik ben het niet waard zijn sandalen los te maken).

Johannes bezat de gave van de oude mens, die door de extase buiten zichzelf kon raken.
Tot het moment van de doop in de Jordaan waarop hij het oude offert en het nieuwe laat groeien.
‘Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en zag hij de Geest Gods neerdalen in de gedaante een duif en over zich komen.’ (Mattheüs 3, 13-16).
Jezus van Nazareth die niet meer de godenwereld buiten zich zoekt, maar in zich laat opleven.
Daarom zegt Johannes: ‘Ik (hij die het groeien van nature in zich draagt) moet afnemen opdat hij (die dat principe van natuurlijk groeien niet in zich draagt, het geestelijke groeien wel – Christus Jezus) kan groeien.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

574-527

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Djengis Kahn

.

HET SCHRIKBEWIND DER  MONGOLEN

 

Indien alle beschrijvingen van veldslagen, behalve die van Djengis Khan, uit de annalen der geschiedenis verwijderd werden . . . dan zou er voor de militair nog een goudmijn overblijven met een schat van kennis, nuttig voor het opbouwen van een leger.” Deze woorden zijn van generaal Douglas
MacArthur.

De militair, aldus generaal MacArthur, kan zijn beroep niet uitsluitend in de praktijk leren. Hoewel wapens veranderen, moet hij toch bij het verleden te rade gaan om de grondregels van de kunst van het oorlogvoeren te leren. En die vindt hij nergens zo goed geïllustreerd als in de loopbaan van de keizer der Mongolen, ongeveer 750 jaar geleden.

Djengis Khan won met zijn veroveringen het grootste rijk, dat de wereld ooit gekend heeft. Het strekte zich uit van de Grote Oceaan tot Midden-Europa en omvatte het grootste deel van de toen bekende wereld en meer dan de helft van de wereldbevolking. Zijn hoofdstad Karakorum, in Midden-Mongolië, werd de voor­naamste hoofdstad van de Oosterse wereld welke de machten der christenheid dreigde te overspoelen.

Napoleons loopbaan eindigde in een nederlaag; Djengis Khan heeft nooit een beslissende slag verloren. Hij stierf op hoge leeftijd op het toppunt van zijn glorie, terwijl zijn rijk zich nog steeds krachtig uitbreidde. Caesar en Alexander de Grote waren veel verschuldigd aan hun voorgangers, die het Romeinse legioen en de Macedonische falanx tot volmaakte instrumenten hadden
ge­maakt. De Mongoolse keizer schiep zijn eigen militaire machine. Numeriek waren zijn legers bijna altijd sterk in de minderheid.
Hij heeft waarschijnlijk nooit meer dan 200 000 man in het veld kunnen brengen, maar met die kleine legermacht verpletterde hij miljoenenrijken. Hij is misschien de meest succesvolle legeraan­voerder geweest van alle tijden. Djengis Khan betekent “Machtig­ste Heerser”. Hij koos die naam zelf, nadat hij in zijn jonge jaren Temujin had geheten.

Djengis Kahn

Toen Temujin dertien jaar oud was, werd zijn vader door vijanden vergiftigd. Naar kracht en gestalte was Temujin toen al een man. Hij kon een hele dag in het zadel blijven en was een vervaarlijk boogschutter. Bovendien was hij geestelijk sterk. Hij was vastbesloten zijn vader op te volgen als hoofd van het taaie nomadenvolk dat de steppen bewoonde, de onherbergzame, boomloze streek van Opper-Azië. Maar de leden van de stam wilden hem niet en de andere hoofden besloten zich van hun jonge rivaal te ontdoen. Zij jaagden Temujin over de steppen op als een dier, namen hem gevangen en plaatsten een zwaar houten juk op zijn nek, waaraan zijn polsen werden vastgebonden. Op een nacht sloeg hij met dat juk zijn bewaker neer en ontsnapte. Hij verborg zich in een stroom terwijl ruiters op de oever af en aan reden om hem te zoeken. Later kroop hij weer uit het water en wist een zwervende jager te overreden hem van het juk te be­vrijden.

De geschiedenis van die vroege jaren vertelt, hoe hij telkens op het nippertje ontkwam aan achtervolging en verraad. Maar hij liet zich niet afbrengen van zijn vaste doel het leiderschap te veroveren. Hij kreeg enige trouwe volgelingen en de vroegere onderdanen van zijn vader begonnen zijn zijde te kiezen, zodat hij vóór zijn twintigste jaar hun stamhoofd was. Vervolgens begon hij door intriges en vechten andere stammen aan de zijne te ver­binden. Steeds was hij de leider. Ieder, die de macht met hem probeerde te delen, doodde hij zonder pardon. Jamuga was zijn neef. In de magere jaren hadden zij onder dezelfde deken ge­slapen en hun laatste kruimels met elkaar gedeeld. Maar Jamuga, niet tevreden met zijn ondergeschikte positie, verzamelde zijn eigen volgelingen om zich heen. Het kwam tot een gewapende botsing tussen de twee. Ten slotte stond Jamuga als gevangene voor zijn neef. In alle kalmte gaf Temujin het bevel hem te wurgen.

Togrul was een vriend van Temujins vader geweest en in de kritieke periode had hij de jongen geholpen. Maar toen de oudere leider zich niet aan de jongeman wilde onderwerpen, liet Temujin hem ombrengen. Anderzijds gaf hij rijke beloningen aan de leiders, die bereid waren onder hem te dienen. Zo gingen de jaren voorbij. Hij had zijn hoofdkwartier gevestigd in Karakorum, de Stad van het Zwarte Zand — een tentenstad aan de grote karavaanroute van oost naar west. Temujin liet de karavanen met rust. Die hadden bij zijn toekomstplannen een eigen rol te spelen.

Hij was een stoere man, gehuld in schapenvellen en verhard leer, met de lompe gang van iemand, die zijn leven in het zadel heeft doorgebracht. Zijn diep gerimpelde, verweerde gezicht was be­dekt met een laag vet als bescherming tegen de koude en de bijtende wind. Waarschijnlijk waste hij zich éénmaal per jaar. Onder een terugwijkend voorhoofd waren zijn ogen ver uiteen geplaatst, rood omrand door het opgejaagde stof en van een in­tense gloed. Hij sprak weinig en alleen na lang nadenken.

Toen hij de vijftigjarige leeftijd had bereikt, had Temujin de stammen van Midden-Azië tot één macht samengesmeed onder zijn eenhoofdige leiding. Zijn naam weerklonk wijd en zijd over de steppe. En toch, als de pijl van een van zijn vijanden toen de juiste plek in zijn harnas gevonden had, zou de geschiedenis hem ternauwernood gekend hebben. Immers, zijn grote daden ver­richtte hij alle in de laatste zestien jaren van zijn leven. Hij had een militair apparaat opgebouwd om de wereld te veroveren. Nu ging hij het gebruiken.

In het oosten lag China, de oudste beschaving ter wereld. Toentertijd was het verdeeld in twee rijken, Kin en Sung. In het westen lag de islamitische wereld, de afzonderlijke naties die voort­gekomen waren uit de veroveringen van Mohammed. Verder naar het westen lag Rusland, toen nog een verzameling kleine staatjes, en Midden-Europa, een wirwar van grote en kleine mogendheden. Eerst viel de Khan China aan. Hij brak zich een doortocht door de Grote Muur en joeg zijn colonnes de wijde ruimte in van Kin, het noordelijke rijk. De hoofdstad Jenking (het huidige Peking) werd ingenomen en de keizer op de vlucht gejaagd. Alle tegenstand werd gebroken.

Drie jaar later trok Djengis Khan op tegen het westen. Binnen een paar maanden waren de Mongoolse troepen bezig de mooie hoofdstad Samarkand te plunderen en was de sultan op de vlucht om het vege lijf te redden. In de daaropvolgende jaren overspoel­den de legers van de Khan het Midden-Oosten en drongen daarna via Rusland Midden-Europa binnen. Overal behaalden zij de overwinning. Waarom? Djengis Khan had een onverzettelijke wil, bezat een geweldige energie, zowel lichamelijk als geestelijk, en deinsde voor niets terug. Maar zijn ware grootheid ging daar toch bovenuit.

Djengis Khan kon alle tradities terzijde schuiven en met een volkomen nieuwe aanpak rechtstreeks tot de kern van een pro­bleem doordringen. Hij wist gebruik te maken van alle beschikbare methoden, technieken en wapens en die tot en met de laatste bij­zonderheid dienstig te maken aan zijn doel. Hij was de eerste, die een hele natie samenbundelde uitsluitend met het doel oorlog te voeren; zo’n 750 jaar geleden ging hij reeds uit van de zoge­naamde “totale oorlog”. In het Mongoolse paard en de Mongoolse ruiter vond hij schitterend materiaal. Het paard was onvermoei­baar. Het behoefde slechts eens in de drie dagen gedrenkt te worden en het kon onder alle omstandigheden voer vinden, door met zijn hoeven sneeuw en ijs weg te krabben van restjes droog gras. De ruiter kon een etmaal aan één stuk in het zadel blijven, in de sneeuw slapen en met weinig en sober voedsel toe. Hij was getraind in gevechten van man tegen man en had leren schieten zodra hij aan spreken toe was.

Bij het ontwerpen van de uitrusting voor deze geboren soldaten toonde Djengis Khan zijn talent voor gedetailleerde organisatie. Het Mongoolse harnas bestond uit ongelooide huiden, verhard en met lak bestreken. Iedere soldaat had twee bogen, één voor ge­bruik in het zadel en één waarmee men met grotere nauwkeurig­heid van de grond af kon schieten. Daarbij hoorden drie soorten pijlen, voor de lange, middel- en korte afstand. De zware, van een metalen punt voorziene pijlen voor de korte afstand waren ont­worpen voor het doorboren van harnassen. Elke soldaat had een noodrantsoen gedroogde wrongel bij zich, waarvan een hoeveel­heid van een half pond voldoende was voor een dag vechten. Hij had reserveboogpezen en een naald om reparaties te verrichten. Dit alles werd in een leren zak meegedragen, die opgeblazen kon worden bij het oversteken van rivieren. Het leger was verdeeld in eenheden van 10, 100, 1000 en 10 000 man. Behalve de vechtsoldaten waren er ondersteuningstroepen: pioniers en specialisten, die katapulten voor het afschieten van stenen en andere belege­ringswerktuigen bedienden, de intendance, een remontedienst, wagendepots en een afdeling, die de verloren uitrustingsstukken weer verzamelde. En achter dat leger stond de natie, die leeftocht en wapens voor de soldaten produceerde en intussen zo weinig mogelijk voor zichzelf gebruikte.

De tactiek, die Djengis Khan had ontworpen, was een wonder van precisie, gebaseerd op intensieve oefening. De slagorde bestond uit vijf rijen, met grote tussenruimten tussen de eskadrons. Voor­op gingen de stoottroepen. Zij waren zwaar geharnast en vochten met sabels, lansen en knotsen. In de achterhoede kwamen de bereden boogschutters. In de tussenruimten tussen de eskadrons stoottroepen stormden die boogschutters dan vooruit, onderwijl hun pijlen afschietend. Dicht bij de vijand gekomen, stegen zij af en met hun zwaardere bogen openden zij een spervuur en zware pijlen. Het ging er bij een aanval om, een zo intens en geconcen­treerd vuur af te geven als men nog nooit tevoren gezien had.

Zodra de vijand dan in verwarring was gebracht, gingen de stoottroepen weer tot de aanval over om de genadeslag toe te brengen. Het was een perfecte combinatie, volmaakt georgani­seerd. Men schreeuwde geen orders, maar gaf ze door met behulp van zwarte en witte vlaggen. De Mongolen waren onweerstaan­baar in de aanval door de kwaliteit van hun wapens, de snelheid waarmee die in contact met de vijand werden gebracht en de snelheid en nauwkeurigheid waarmee er geschoten werd. De legers in China, de kranige strijders van de Islam, de ridders en het voetvolk van de christenheid, allen gingen door de knieën voor de Mongoolse pijlenregen.

Al waren de legers van de Grote Khan numeriek in de minder­heid, hij had bij het eigenlijke treffen gewoonlijk de meeste troepen tot zijn beschikking. In krijgslisten was hij een meester en wanneer de vijand hem op een bepaalde plaats verwachtte, daagde hij ergens anders op. Hij won vaker door omtrekkende bewegingen dan door kostbare frontaanvallen. Zijn veldtochten waren ge­baseerd op snelheid en beweeglijkheid, op zijn vermogen zijn troepen tweemaal zo snel te verplaatsen als de vijand. Zijn snelle colonnes drongen een vijandelijk leger binnen, hakten dat in stukken en vernietigden die elk afzonderlijk. Daarbij liet hij sterk verdedigde forten links liggen, omdat die aan het eind toch wel zouden vallen.

Sommige oorlogen had Djengis Khan al voor de helft gewonnen nog voor hij een leger in het veld had gebracht, dank zij propa­gandamethodes. Evenmin als in het gebruik van wapens heeft enig bevelhebber deze barbaar, die lezen noch schrijven kon, ooit overtroffen in het gebruik van woorden. Karavaanhandelaars waren zijn heimelijke helpers. Via hen huurde hij geheime agenten in elk land, dat hij dacht aan te vallen. Hij maakte een studie van het land zelf, van de mensen en van de politieke omstandigheden. Hij zocht naar de ontevreden elementen en zette die tegen elkaar op. Zijn spionnen in de islamitische wereld rapporteerden, dat de moeder van de sultan afgunstig was op de macht van haar zoon. Djengis Khan dicteerde een aan haar gerichte brief, zoge­naamd een antwoord op een schrijven van haar, waarin hij haar dankte voor haar aanbod hem te helpen. Vervolgens zorgde hij ervoor dat de boodschapper door de sultan werd gevangengeno­men. Toen Djengis Khan zich in beweging zette, vonden zijn legers een land, dat op de rand van de burgeroorlog verkeerde. Ook kocht hij oneerlijke politici om. Zijn agenten ontdekten, dat de Chinese minister van Oorlog uit de staatskas had gestolen. Toen dat nieuws bekend werd, ontstond er een politieke crisis in China juist op het moment dat de Mongolen tot de aanval overgingen.

Hij maakte ook gebruik van propaganda als terreurwapen. Doorgaans herinnerde hij het land dat hij wilde binnenvallen aan de vreselijke dingen die elders waren gebeurd, waar men de Grote Khan weerstand had geboden. Onderwerping of dood, zo luidde zijn waarschuwing. Indien zijn vijanden zich dan onder­wierpen, viel hij hun land binnen en vernietigde hij hen toch. Ook aan het thuisfront maakte hij handig gebruik van propaganda om het moreel te versterken. Hij zette het soldatenhandwerk op een voetstuk en maakte dat alle anderen het als normaal be­schouwden te zwoegen voor de strijders te velde. Hij leerde zijn volk, dat de Mongolen een uitzonderlijk ras vormden, verheven boven alle andere.

Voor hem was terreur een stuk koude, hartstochteloze politiek. Indien een stad zich verzette, stak hij er de brand in en liet mannen, vrouwen en kinderen afslachten. Dat werd grondig gedaan. Wanneer zijn leger wegmarcheerde, liet hij een paar manschappen en een handvol gevangenen achter, verborgen tussen de puinhopen. Daarna werden de gevangenen gedwongen de stad rond te gaan en te roepen, dat de Mongolen vertrokken waren. Zodra de enkelen, die ontsnapt waren, dan uit hun schuil­hoeken te voorschijn kwamen, werden ook zij afgemaakt. Daarbij werden hoofden afgehakt om te voorkomen dat men zich dood hield. In één enkele stad werden zo 500 000 burgers afgeslacht.

Dat was de militaire machine waarmee Djengis Khan de wereld veroverde. Hij stierf, 66 jaar oud, en op het toppunt van zijn macht, tijdens een veldtocht in 1227. Na zijn dood rolde de ma­chine verder. Zijn opvolgers werden heer en meester van geheel Azië. Zij drongen al dieper Europa binnen en versloegen Hon­garen, Polen en Duitsers. Niemand kon tegen hen standhouden. Ook onder zijn kleinzoon Koebleikhan bleven de Mongolen opper­machtig. Maar aan die macht kwam ten slotte een einde toen zij in de handen van minder bekwame nakomelingen was terecht­gekomen. Thans zijn de Mongolen niet meer dan een zwakke groep nomadenstammen. Karakorum is onder het stuifzand van de Gobi-woestijn verdwenen en de naam is vrijwel vergeten.

Maar de naam Djengis Khan niet en evenmin de opvattingen van deze grote Mongool over de “onveranderlijke noodwendig­heden van de oorlog”, zoals generaal MacArthur betoogt. Afge­zien van “de afgrijselijke moordpraktijken, zijn barbaarsheid en zijn meedogenloosheid, staan die voor ons als kernen van eeuwige waarheid”, en het is thans even gevaarlijk daaraan voorbij te gaan als dat meer dan zeven eeuwen geleden het geval was.
.

alle biografieën

.

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

573-526

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (29)

.

Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, *datum onbekend
.

HET VIEREN VAN DE JAARFEESTEN
.

Groen, groen en nog eens groen in al zijn kleurschakeringen: de zomer komt er aan. Ook al is het statistisch gezien de koudste juni-maand* van deze eeuw, toch is de natuur op zijn hoogtepunt, alles staat in bloei en het groen van het blad gaat overheersen. Regen of geen regen, eenmaal buiten dwingt de aarde tot het plukken van grote bossen bloemen voor op de jaartafel. Het rijpingsproces van de zaden en vruchten wacht op de warmte van de zomer­tijd. In de zomerzonnewendetijd staat de zon op zijn hoogste punt en met zijn warmte rijpen de vruchten, zij bevatten dan de kiem van het nieuwe le­ven van plant of boom. In de zaden of vruchten is deze kiem niet aantoonbaar of aanwijsbaar aanwezig, maar ieder mens weet van het mysterie van bv. de graankorrel, waar in het volgend jaar weer opnieuw dezelfde plantenvorm uit tevoorschijn ‘groeit’.

Precies een half jaar na de kerstnacht (24 december), vieren wij op 24 juni het Sint-Jansfeest. In ons huidige midzomerfeest, dat genoemd is naar Johannes de Doper, vinden we vele gebruiken en betekenissen terug van de zomer­feesten uit diverse culturen.

In oude tijden vierde men dit feest met dans, zang en het voordragen van een­voudige verzen. Dansend en zingend maakte men zich los van het dagelijks leven, van de verbondenheid met de aarde. Met dit ‘vieren’ onder de warme zon stelden de mensen zich open voor de kosmos en wat zich daar allemaal in af­speelde. Men stelde daarmee vragen aan de goddelijk-geestelijke wereld. Wie vraagt moet ook kunnen luisteren en ‘luisterend’ ontving men dan antwoord uit de hemel, een kiem waarmee men de kracht kreeg innerlijk zichzelf te voelen. Gesterkt kon men dan de winter tegemoet gaan, de tijd waarin de mens zich met moed weer een weg door het leven op aarde moet banen. Ook herkennen we gebruiken uit de oude Germaanse zomerfeesten. Op de avond van de langste dag, als daarna de zon weer iedere dag korter en lager aan de hemel zal staan, worden grote Sint-Jansvuren aangestoken. Dansend en springend over het vuur ontving men vroeger kracht voor de donkere tijden en de midzomernacht had een soort toverkracht, de dromen in die nacht brach­ten beelden van bijzondere betekenis, die een ommekeer veroorzaakten in het leven daarna.

Op 24 juni valt de geboortedag van Johannes de Doper, naar wie het zomer­feest, dat wij op school vieren, genoemd is. Zijn leven, een half jaar eerder begonnen dan dat van Jezus van Nazareth, stond in het teken van dienstbaar­heid en het veroorzaken van omwentelingen in het leven van anderen. Met de doop in de Jordaan bevrijdde hij, door onderdompeling in het stromende water, de mens van zijn zonden. Daarna was men vrij voor het ontvangen van een nieuwe impuls in zijn leven. Johannes wees ieder daarbij de weg naar een onzelfzuchtig handelen in alles wat zij tegenkwamen.
Ook Jezus wordt gedoopt door Johannes, als zij beiden dertig jaar oud zijn. Jezus ontvangt dan het wezenlijke zijn van de Christus. Hij leeft dan nog drie jaar, voordat hij sterft aan het kruis. Johannes zelf werd meteen na deze doop in de Jordaan opgepakt en door handlangers van Herodes gedood. De uit­spraak van Johannes: “Hij moet groeien, ik moet afnemen, zoals wij die in het evangelieverhaal terugvinden, is nu bijna letterlijk uitgevoerd. Dit jaar* was ik in de gelegenheid het Isenheimeraltaar te bezichtigen in een museumklooster in Colmar. Indrukwekkend was daar de afbeelding van Johan­nes de Doper, een zeer rijzige gestalte, wijzend naar de gekruisigde Christus. Historisch gezien kon hij daar niet staan, hij leefde immers al drie jaar niet meer. Verwijst hij met zijn krachtige wijzen naar de ommekeer in ieder mens die open staat voor het ontvangen van een geestelijke impuls? Lijkt loskomen van het aardse bestaan om de werkelijk vernieuwende impuls te kunnen ontvangen, de boodschap te zijn van het Johannesfeest, het midzo­merfeest?

Op school vieren we dit feest al jaren met alle kinderen, leraren en ouders samen op de hei. Zingend, met gevlochten bloemenkransen op het hoofd, dansen wij om en over het Sint-Jansvuur en er wordt geluisterd naar een verhaal. Het is niet altijd makkelijk even los te komen van jezelf, even ‘buiten je­zelf’ te zijn, om daarna met een nieuw verworven visie het jaar binnen te gaan.

Voor de kinderen wordt het nu weldra grote vakantie! Zij gaan de zomer in. De Sint-Janstijd is vrij om op reis te gaan, er eens uit te zijn, iets heel anders mee te maken. En als we straks allemaal uitgerust en opgewekt weer terug komen, begint er een nieuw schooljaar. Michael bewaakt alle opgedane krachten en geeft de kinderen de moed ze te verwezenlijken in het werk dat voor hen ligt……….

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

572-525

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Churchill

.

DE STRIJDENDE BULDOG

 

Als laatste der grote staatslieden zal Winston Churchill, een veelzijdig genie, een dierbare herinnering nalaten als een der meest irriterende figuren in de geschiedenis.
Wanneer het Britse rijk aan de vooravond van een crisis stond, kreeg hij zo dikwijls gelijk, dat zijn vermogen om toekomstige gebeurtenissen te voorzien zijn landgenoten tot een last werd. Hij is de stem van Engelands geweten geweest, de hoogste beroepsinstantie in tijden van gevaar. Toch is hij daarbij tot op de dag dat hij zich terugtrok schelms gebleven, ondeugend en opvallend jongensachtig. Zelfs uiterlijk scheen hij in al die jaren weinig te veranderen.

Churchill dient beschouwd te worden als de meest onafhankelijke geest van onze moderne tijd. Hij heeft zich onsterfelijkheid verworven als staatsman, redenaar, geschiedschrijver, biograaf, humorist, oorlogscorrespondent en cognacdrinker. Bovendien heeft hij zich onderscheiden als schilder, metselaar, romanschrijver, piloot, polospeler, soldaat en renstaleigenaar. Waardoor rijst een genie uit boven gewone en louter talentvolle stervelingen? Zij die Churchill het best gekend hebben, geloven, dat dit in zijn geval een combinatie was van tomeloze energie, intelligentie, een goed geheugen en de felste eerzucht die men te zien heeft gekregen sedert Alexander de Grote erover klaagde dat er nog maar zo weinig werelden te veroveren waren.

Winston Leonard Spencer Churchill werd op 30 november 1874 geboren te midden van de vorstelijke grootsheid van het paleis van Blenheim, dat toen eigendom was van zijn grootvader, de zevende hertog van Marlborough. Churchills moeder, een Amerikaanse, was een opvallende schoonheid met een speelse geest en een verregaand gevoel voor humor. “Ik heb veel van haar gehouden,” schreef hij later, “maar altijd op een afstand. Voor mij was zij altijd een sprookjesprinses.” Zijn vader, Lord Randolph, was een uitermate begaafd man, die een levendige, zij het korte, loopbaan als lid van het Parlement had.

Als jongen was aan Winston Churchill al duidelijk te zien welk vuur er in hem brandde. Hij was klein van stuk, had rood haar en was overdekt met sproeten. Hij had een vrij stompe neus en een strijdlustige mond. Zijn blauwe ogen bekeken iedereen, kinderen en volwassenen, met onverstoorbare kalmte en een tikje ongeduld.

Churchills eerste schooltijd heeft maar weinig tegenhangers in de levens van andere grote mannen. Tegen leren verzette hij zich al vroeg en daar kwam maar weinig verandering in toen men hem naar een dure kostschool in Ascot stuurde. Van het begin af be­landde hij geregeld in de strafkamer, waar het schoolhoofd zijn rietje hanteerde. Hij had een hekel aan Latijn en heeft zijn hele schooltijd hardnekkig geweigerd dat te leren. (Later, toen hij de waarde van mooiklinkende Latijnse frases in zijn politieke rede­voeringen inzag, zette hij er zich toe om in echte Churchillstijl een heel boek met Latijnse citaten uit het hoofd te leren).

In 1888, toen de toekomstige Eerste Minister op Harrow kwam, werd hij in de laagste afdeling van de laagste klas geplaatst. “Hij was geen gemakkelijke jongen,” zegt een vroegere leraar van hem. “Hij had natuurlijk een briljant stel hersens, maar hij werkte alleen als hij er zin in had en dan nog maar uitsluitend voor de leraren die hij mocht.” Met een overmaat aan energie en een afkeer van onderwijs haalde hij een eindeloze reeks kwajongens­streken uit en sommige leerlingen ergerden zich aan Churchill. Maar zij behielden allen een levendige herinnering aan “Peenhaar” zoals men hem op Harrow noemde.

Churchill zelf beweert: “Doordat ik zo lang in de laagste klas heb gezeten, behaalde ik een enorme voorsprong op de knappere jongens. Die leerden allemaal Latijn en Grieks en dat soort prachtige dingen. Maar ik leerde Engels. Meneer Somervell — een hoogst sympathieke man, aan wie ik veel verschuldigd ben — had tot taak de domste jongen het meest verwaarloosde vak bij te brengen — namelijk gewoon Engels schrijven. En hij wist hoe hij dat doen moest. Hij onderwees het zoals niemand het ooit had onderwezen. Omdat ik driemaal zo lang als ieder ander in de derde klas bleef zitten, kreeg ik er dus driemaal zoveel les in. Op die manier kreeg ik de essentiële structuur van de gewone Engelse volzin  in mijn vingertoppen — en dat is al een heel ding.”

Churchill zakte tweemaal voor het toelatingsexamen voor de Militaire Academie in Sandhurst en een zekere kapitein James, die hem voor zijn derde, en uiteindelijk succesvolle, poging opleidde, zou hebben gezegd: “Die jongen kan nooit Harrow doorlopen hebben. Hij moet er onderdoor gekropen zijn.” Maar toen hij eenmaal op de Academie was, vond er in Churchill een ver­andering plaats. De oude koppigheid, de kloeke, onversaagde geest bleef, maar hij begon meegaander te worden. In de klaslokalen gedroeg hij zich behoorlijk en rustig en de avonden bracht hij meestal met studeren door. In een klas van 150 leerlingen was hij nummer acht.

Na Sandhurst kwam Churchill bij het Vierde Huzaren, een regiment cavalerie, dat qua pracht en praal en goede connecties voor geen enkel onderdeel onderdeed. Toen het regiment naar India werd uitgezonden, begon men zich intensief op polo toe te leggen. Churchill speelde dat met verbeten enthousiasme en bleek een natuurtalent te zijn. Maar de eentonigheid van het legerbestaan begon al spoedig op zijn zenuwen te werken. In het begin van 1897 wist hij zijn vriend Sir Bindon Blood, die kort tevoren naar het noordelijke grensgebied was gestuurd om een opstand van de Pathanenstam te onderdrukken, te overreden hem aan de expeditie te laten deelnemen als correspondent. De Daily Telegraph zou zijn verslagen opnemen voor honderd gulden per kolom. Zijn artikelen hadden in Londen onmiddellijk succes, evenals zijn boek The Story of the Malakand Field Force, waarin zij later gebundeld werden. Het boek bracht Churchill evenveel op als twee jaar soldij.

In Engeland teruggekeerd besloot Churchill de dienst uit te gaan. De journalistiek had gouden perspectieven geopend. Nauwelijks was in de herfst van 1899 de Boerenoorlog uitgebroken, of hij kreeg een aanbod om die strijd te gaan verslaan voor de Morning Post. Als ervaren oorlogscorrespondent zag hij kans zijn honorarium verhoogd te krijgen tot 4 500 gulden per maand plus al zijn onkosten, en zeer in zijn nopjes vertrok hij naar Afrika.

Toen hij de Britse buitenpost Estcourt bereikte, vond Churchill daar een vriend uit de Indische oorlogen, een zekere kapitein Haldane, die naderhand werd uitgekozen om per pantsertrein een verkenningstocht uit te voeren in Boerengebied. Deze op­dracht woog hem zwaar en hij praatte er somber over met Churchill. “Trek het je niet aan,” zei deze, “ik ga wel met je mee. Het is mijn plicht tegenover de Morning Post.”

Churchill

Een paar mijl buiten Estcourt viel de trein in een hinderlaag, waarbij twee wagons kwamen te kantelen. Wat men ook deed, alleen de locomotief en de kolentender konden uit de chaos wor­den vrijgemaakt en de ongeveer veertig gewonden werden daarop geladen. Zo werd de terugreis aanvaard. De rest van de groep volgde te voet, maar de uitgeputte manschappen raakten spoedig achter; Churchill had zich juist naar hen toegehaast om hen te verzamelen, toen Boerenruiters de heuvels afkwamen. Hij had zijn revolver op de locomotief laten liggen en een van de ruiters dwong hem vrijwel onmiddellijk de handen op te steken. Churchill werd als krijgsgevangene naar de hoofdstad Pretoria gebracht, maar slaagde erin na een paar weken te ontsnappen. Hij had het geluk een spoorweg te vinden, klauterde op een goe­derentrein en wist tenslotte Portugees Oost-Afrika te bereiken, het dichtstbijzijnde neutrale gebied, op een afstand van 300 mijl. Voor de Britten was de oorlog slecht gegaan en Churchills stoute stukje had hun tenminste een held opgeleverd. Toen hij scheepging naar Durban kreeg hij van de Britse kolonie ter plaatse een ovatie ten afscheid. Churchill voegde zich daarna weer bij het leger en zette zijn goedbetaalde werk voor de Morning Post tot aan het einde van de oorlog voort.

Na zijn terugkeer in Engeland besloot hij zich bij de volgende verkiezingen kandidaat te stellen voor een parlementszetel, die hij met een kleine meerderheid won. Zo begon hij in 1900 — hij was inmiddels 26 geworden — zijn loopbaan in dienst van de openbare zaak. Parlementsleden werden in die tijd nog niet be­taald, en daarom begon Churchill nu naar een bron van inkom­sten uit te kijken. Hij begon een serie lezingen in Engeland en Amerika. Churchills Amerikaanse reis was zwaar. Meer dan vijf maanden lang sprak hij elke dag behalve zondags. Maar het bracht hem bijna 180 000 gulden op als financiële basis voor zijn duik in de politiek.

In de regel hielden de jonge leden van het Lagerhuis zich achteraf en lieten zich door de ouderen wegwijs maken. Churchill niet. Toen hij voor het eerst binnenkwam, stapte hij onmiddellijk op de plaats toe, die zijn vader had ingenomen, en maakte het zich gemakkelijk. En op de vierde dag hield hij zijn eerste rede.

Psychiaters hebben geconstateerd dat bepaalde mensen voor­bestemd blijken om in moeilijkheden terecht te komen. Zij zijn de rustverstoorders en de bouwers van deze wereld. Churchill was zo’n figuur. Hij  was nog geen maand in het Huis of hij begon al tegen leiders van zijn partij in te gaan. Hij deed een scherpe aanval op het voorstel een hoge militaire begroting aan te nemen, pleitte voor milde vredesvoorwaarden voor de Boeren en nam zijn mede conservatieven nog op andere manieren zo tegen zich in dat die, toen hij op een dag opstond om te gaan spreken, met veel lawaai als één man de zaal verlieten en in de deur bleven staan om hem als schooljongens uit te jouwen. Dit voorval, dat in het Lagerhuis geen precedent had, gaf hem evenveel bekendheid als zijn ontsnapping in de Boerenoorlog.

Tenslotte veranderde Churchill volkomen van politieke kleur; hij ging over naar de liberale zijde van het Huis en aanvaardde bij de algemene verkiezingen van 1906 een uitnodiging om zich kandidaat te stellen in een kieskring te Manchester. Hij werd verkozen en omdat die verkiezing meteen de Tories ten val bracht, kreeg de liberaal Winston Churchill recht op een plaats in de regering. Zijn post — die van Onderstaatssecretaris van Koloniën – was betrekkelijk onbelangrijk, maar omdat hij die op 31-jarige leeftijd wist te verwerven, zette hij daarmee de legende van het wonderkind voort.

In die jaren kort voor de Eerste Wereldoorlog werd Churchill wat een zijn biografen noemde “de meest gehate politicus van het land.” Als Onderstaatssecretaris van Koloniën daarna Minister van handel en later als Minister van Binnenlandse Zaken was hij de voorvechter van veel liberale maatregelen. Ook wist hij een anti-militaire begroting erdoor te krijgen. Ongetwijfeld was hij een der ijverigste ministers die het Kabinet ooit gekend had en in historisch opzicht is het buiten kijf dat Churchill in de Eerste wereldoorlog Engeland bijna alleen gered heeft.

Het aanvankelijke verloop van de oorlog voorzag hij met verbluffend nauwkeurigheid. In 1911 nam de Britse militaire leiding aan dat het Franse leger bij een Duitse aanval sterk genoeg zou zijn om na negen tot dertien dagen tot een tegenaanval over te gaan en de Duitsers vervolgens terug te dringen. Churchills analyse, een historisch document dat nog altijd beschouwd wordt als een van de klassieke voorspellingen uit de wereldgeschiedenis. voorzag dat de Fransen op de twintigste dag nog altijd in volle terugtocht zouden zijn en tot op zijn minst de veertigste dag niet zouden kunnen aanvallen. Drie jaar later waren de Fransen op de 21ste dag nog in volledige aftocht en de Slag aan de Marne, algemeen beschouwd als het keerpunt in de oorlog, begon op de 41ste dag.

De Engelse generaals verwierpen Churchills document als “dwaas” en “volkomen amateuristisch”. Maar de Eerste Minister Asquith, doordrongen van het gevaar waarin Engeland zich be­vond, bracht hen al spoedig in verlegenheid door Churchill te vragen of hij Minister van Marine wilde worden. “Wij hebben alleen onze marine,” zei Asquith. “Daarin ligt onze enige hoop.”

Churchill accepteerde het aanbod gretig. Zonder zich om senioriteit te bekommeren zette hij onmiddellijk het mes in de Admiraliteit, zodanig dat de hoge officieren mokkend in een hoekje kropen. Teneinde een eersteklas marine op te bouwen bracht hij zeer vele veranderingen aan, waaronder de veelbe­sproken beslissing om kolen door olie te vervangen als brandstof op de vloot. Bovendien bestelde hij kanons van 37 cm, in plaats van de gebruikelijke van 33 cm, voor alle nieuwe slagschepen. De marine-officieren hieven een hartverscheurend protest aan, maar Churchill ging onverstoorbaar verder en toen de oorlog uitbrak hadden zijn schepen meer vuurkracht dan om het even welk Duits schip.

Toen, in de vroege zomer van 1914, liet hij de gebruikelijke vlootmanoeuvres afgelasten en kondigde in plaats daarvan — ondanks een veto van het kabinet en zonder de handtekening van de Koning — een ”oefenmobilisatie” af voor de hele marinere­serve. Met dit koene besluit bewees hij opnieuw zijn bijna mys­tieke, vooruitziende blik. De impopulaire mobilisatie, die al goed op gang was gekomen toen de moord op de Oostenrijkse aarts­hertog Ferdinand heel Europa in beroering had gebracht, was voltooid precies drie dagen vóór Engeland formeel de oorlog verklaarde. Het was een van de weinige keren in de geschiedenis dat een verdedigingsvloot maar half voorbereid de oorlog inging.

Misschien was een zodanige wervelwind van menselijke energie nog nooit op een oorlogsregering losgelaten. Churchill maakte een begin met de opbouw van een luchtwapen en zorgde ervoor dat er een reeks luchtaanvallen werd uitgevoerd op Duitse zeppelinloodsen en onderzeebootbases. Hij trok zo maar een bedrag uit voor het produceren van achttien “landschepen” en mag als zodanig gezien worden als de vader van de tank. Toen achten­veertig van die machines in september 1916 in actie kwamen, wierpen de Duitsers hun geweren weg en vluchtten. Opnieuw was in de oorlogvoering een blijvende verandering gekomen.
In 1915 had Churchill een plan opgesteld om een spoedig einde aan de oorlog te maken, waarbij de vloot door de Dardanellen zou worden gezonden en Turkije van de Centrale Mogendheden zou worden losgemaakt. Daarna zou men de Balkanstaten aan Geallieerde zijde krijgen en zo de weg vrij maken voor een snelle Russische overwinning in het oosten. Dit was zijn schema voor een snel blussen van de oorlogsbrand door middel van een aanval op de vijand “via de achterdeur” en hij legde alle protesten ertegen naast zich neer. Het duurde niet lang of de onderneming, die op 18 maart 1915 op gang kwam, liep uit op een catastrofe. Bij het binnenvaren van de Dardanellen kwam de aanvalsspits in een  mijnenveld terecht, waardoor drie slagschepen verloren gingen, op grond waarvan de bevelvoerende admiraal de actie af­brak. In Londen belegde Churchill een vergadering van zijn “Oorlogsgroep” op de Admiraliteit en toonde het telegram waarin hij de admiraal beval de actie te hernieuwen. Maar de verdere aanval leed een rampzalige vertraging, de vijand kreeg tijd om zijn verdediging te versterken en wat volgde werd een der bloedigste hoofdstukken in de vreselijke, eindeloze geschiedenis van de oorlog. Aan Britse zijde bedroegen de verliezen 205 000 man en terwijl de trieste overblijfselen van leger en vloot werden geëvacueerd, groeide de volkswoede tot een storm. Bijgevolg werd Churchill snel ontslagen.

In het begin van 1917 kwam de Commissie van Onderzoek betreffende de Dardanellencampagne tot de slotsom, dat Churchills oorspronkelijke plan goed was geweest; hij werd opnieuw in het kabinet opgenomen. Generaal Pershing onderscheidde hem met de Amerikaanse “Distinguished Service Medal” (Orde van Verdienste) voor zijn aandeel in het uitrusten van de Amerikaanse strijdkrachten. Hij was de enige Engelsman die op deze wijze gedecoreerd werd. Kort na de Wapenstilstand kreeg hij de post van Staatssecretaris van Oorlog en Luchtmacht. De naoorlogse reactie maakte echter dat hij niet alleen uit de regering werd verwijderd, maar ook zijn parlementszetel verloor, voor het eerst sedert 1900.

Zelfs Churchills volgzaamste aanhangers lopen niet over van enthousiasme over zijn loopbaan als Minister van Financiën, een post die hij in 1924 verwierf onder de Conservatieve regering van Stanley Baldwin. (Hij had intussen met de Liberalen gebroken en was in het Parlement teruggekeerd als “Constitutionalist”, een nieuwe partij met één lid). Het was een periode van economische neergang, met roerige, ontevreden arbeiders en veelvuldige sta­kingen. Churchill nam snel maatregelen om de stakingen de kop in te drukken en was in het algemeen meer rechts dan de meesten van zijn Tory collega’s. Men hief de oude leuze weer aan, dat hij te ver gegaan was. Zelfs de Tories wantrouwden deze impulsieve weerhaan. Kortom, hij nam iedereen tegen zich in. In de drukke tijd sinds Sandhurst had hij in vijf oorlogen gevochten, negen kabinetsposten bekleed (een record in de Britse geschiedenis), 8000 openbare redevoeringen gehouden en was daarbij in snelle opeenvolging de populairste en impopulairste figuur in Engeland geweest.

In de jaren tussen 1929 en 1939, soms de “uit-het-gareel” periode genoemd, hield Churchill zich voornamelijk met schrijven bezig. Hij had De Wereldcrisis in vier dikke delen al gepubliceerd, waarmee hij meer dan 350 000 gulden had verdiend. Nu zette hij zich aan een ander, zo mogelijk nog groter project, de monumen­tale biografie Marlborough, His Life and Times (Het leven van Marlborough). De honoraria, die hij voor tijdschriftartikelen kreeg, waren de hoogste die men ooit betaald had en zijn productie was kolossaal. Een zodanig inkomen, gevoegd bij een erfenis van een half miljoen gulden van zijn moeder bij haar dood in 1921, maakte het voor de Churchills aanzienlijk gemakkelijker om zich in de hoogste kringen te blijven bewegen.

Met zijn literaire inkomsten kocht Churchill in 1924 het land­goed Chartwell. Niet lang nadat hij het gekocht had, keek hij een tijdje hoe een paar metselaars het huis opknapten, nam toen een troffel en wat bakstenen en ging zelf aan het werk aan een ver­vallen bijgebouw. Toen de voorman hem vertelde, dat hij als hij wilde metselen ook lid van de vakbond moest worden, oefende Churchill tot hij twee stenen per minuut kon leggen en diende een aanvraag voor het lidmaatschap in. Tijdens een rustpauze in zijn carrière was Churchill ook met schilderen begonnen. Type­rend voor hem, had hij zich ook voorzien van alle mogelijke uit­rustingsstukken, die bij het gilde behoren, een lichtblauwe kiel en baret incluis. Hij maakte snel vorderingen en Parijs kreeg een ten­toonstelling te zien van een onbekende schilder, Charles Morin genaamd, het pseudoniem, dat Churchill zich gekozen had. Men kan van Churchill als schilder zeggen, dat zijn werk op beroepsniveau staat. “Als die man schilder van beroep was,” heeft Picasso gezegd, “zou hij ruim zijn brood kunnen verdienen.” Politiek gesproken bevond Churchill zich in deze jaren in een merkwaardige situatie. Hij was nog altijd Lagerhuislid, maar zonder enige invloed. Zowel Duitsland als Italië waren in opkomst en nu hij zag hoe Hitler steeds dreigender werd, waarschuwde hij Engeland zich moest bewapenen. Churchills eenzame strijd tegen de fascisten was misschien zijn mooiste periode. In het Lagerhuis en in de pers stelde hij de nazidreiging aan de kaak bij een volk dat met massale blindheid geslagen was.

Het was al bijna te laat toen de Britten zich bewust werden van het feit, dat Churchill opnieuw van meet af aan gelijk had gehad.

Volgens de deskundigen had men Hitler wel een keer of tien de weg kunnen versperren zonder bloedvergieten. En bij elke gelegenheid had Churchill op handelen aangedrongen. Nu was de teerling geworpen en kwam het oorlogsmonster aanrollen. Op 1 september 1939 rolde de nazi-oorlogsmachine met geoliede precisie Polen binnen. Op 3 september verklaarden Frankrijk en Engeland de oorlog en diezelfde avond werd Churchill uitge­nodigd zijn oude post op de Admiraliteit te betrekken. De boodschap ging uit naar elk onderdeel van de vloot, over de radio, met de seinlamp of per vlaggensein: “Winston is terug.”

De openbare mening haalde hem binnen met een stortvloed van adhesiebetuigingen en tijdens de formele oorlogsverklaring wandelde hij het Huis binnen langs een haag van leden die hem staande een ovatie brachten. Nauwelijks een week tevoren hadden ze hem hartgrondig bestreden. Maar het waren donkere uren in de geschiedenis van Engeland. De natie was slecht voorbereid op de oorlog. Terwijl Churchill aan het hoofd van de Admiraliteit stond – minder dan een jaar — was het nieuws weinig bemoedigend en de U-boten, die vele schepen tot zinken brachten, stelden het moreel van het Britse volk zwaar op de proef.

Jaren tevoren, tijdens een periode van politieke tegenslag, had Churchill aan een vriend toevertrouwd: “Ik zou mij helemaal uit de politiek terugtrekken als er geen mogelijkheid bestond, dat ik nog eens Eerste Minister word.”
Op 10 mei 1940, tijdens het zwaarste uur in Engelands geschiedenis, werd zijn volhardingsvermogen beloond. Noorwegen was gevallen, Chamberlain was eindelijk afgetreden en Koning George ontbood Churchill. De volgende maandag hield Churchill de inspirerende toespraak over ubloed en zwoegen, zweet en tranen”, die vijf jaar lang het grondthema van de democratie zou zijn.

Iedereen, die tijdens de oorlogsjaren met Churchill in aanraking kwam, voelde de moed waartoe hij wist te inspireren in zich natrillen. Dit had een bijna hypnotisch effect. In de dagen van Duinkerken, kort nadat hij de leiding van de regering had aan­vaard, was het voornamelijk aan hem te danken, dat het expeditieleger gered werd. Toen uit Duinkerken gemeld werd, dat een snelle evacuatie noodzakelijk was, kwam hij onmiddellijk in het geweer. Op de avond van de 26ste mei werden de eerste eenheden van het strand van Duinkerken gehaald. De volgende dag werd in aller ijl via radio en kranten bekendgemaakt: “Winnie heeft boten nodig” en kort nadien verliet de beroemde bijeengegaarde vloot van vaartuigen de Engelse havens om een der glorierijkste hoofdstukken in de Britse militaire annalen te schrijven. Maar Churchill deed geen moeite om de redding als een overwinning voor te stellen. Integendeel, hij schilderde Engelands positie af in donkere kleuren, waarbij hij de enorme offers — materieel en voorraden — duidelijk in het licht stelde. Europa was vrijwel verloren, een jaar tevoren had Rusland een non-agressiepact met Duitsland gesloten en Amerika proclameerde een besliste neutra­liteit. Churchill belegde een kabinetsvergadering en de ministers kwamen plechtig bijeen om zijn verschrikkelijke voorspellingen aan te horen. Zij hadden hem nog nooit zo opgewekt gezien. “Wel heren, wij staan alleen,” zei hij. “En wat mij betreft, dat geeft mij een bijzonder opwekkend gevoel.”

De last van het leiderschap van mei 1940 tot juli 1945 eiste een zware tol en Churchill kon er niet van afgebracht worden zich zonder noodzaak aan gevaar bloot te stellen. Wanneer de lucht­alarmsirenes loeiden, wachtte hij tegen beter weten in tot er werkelijk bommen vielen voor hij zijn ambtswoning aan Downing Street no. 10 verliet. Dan wandelde hij kalm tussen het afweer­geschut door naar het sterkere bijgebouw bijna duizend meter verder. Inspecteur Walter Thompson, zijn lijfwacht, kwam een keer heimelijk achter hem staan, nam Churchills hoed af en zette hem snel de voorgeschreven blikken helm op. Zonder commentaar nam Churchill het ding af en gooide het in de struiken. Hoe zwaar er ook gebombardeerd werd, hij verliet de schuilkelder voor het over was en bijna al zijn vrienden gaven tenslotte hun pogingen maar op om hem onder de grond te houden. Zoals een employé in Whitehall zei: “Wanneer de Premier in een schuilkeler zat opgesloten, was zijn kwade humeur veel erger dan de bommen.” Hij werkte zestien tot achttien uur per dag en scheen nooit moe te worden. Maar tegen de lente van 1945 meenden sommigen dat hij tekenen van vermoeidheid begon te vertonen.
Het nieuws van President Roosevelts dood was voor hem ongetwijfeld het ergste moment van de oorlog. Thompson vond de Eerste Minister in tranen. “Verschrikkelijk, verschrikkelijk,” zei en voegde daar aan toe: “Hij was een groot vriend van ons. Hij heeft ons onschatbare hulp gegeven op een moment dat wij die het meest nodig hadden. Ik heb een goede, goede vriend verloren.”

Op V.E.dag (toen de Duitsers capituleerden), de grootste dag van de oorlog voor Churchill en voor Engeland, reed Churchill in triomf van Downing Street 10 naar het Lagerhuis. Toen de optocht Parliament Square bereikt had, was hij op de voorbank van de open wagen gaan staan, vanwaar hij blootshoofds en grinnikend de menigte groette met zijn V-teken. Op een gegeven ogenblik bemerkte hij dat hij zijn sigaren thuis had gelaten. “Ga er een halen,” schreeuwde hij Thompson toe. “Dat willen ze zien.”
Toen de Eerste Minister ten slotte naar binnen ging om de vergadering toe te spreken, kreeg hij een ovatie zoals het parlement nog nooit iemand had gebracht. De leden lieten elk ceremonieel varen en sprongen schreeuwend en met papieren zwaaiend op hunhanken. Churchill stond op zijn gebruikelijke plaats naast de documentenkist. Tranen rolden over zijn gezicht en hij bleef staan snikken, wachtend tot hij gebruik kon maken van het kostelijke voorrecht, zelf de overwinning plechtig bekend te maken.
Toen de Britten Churchill twee maanden later wegstemden, bleef hij schijnbaar onbewogen onder deze plotselinge afwijzing.

Hij schikte zich al spoedig in een levenspatroon dat zou duren tot hij bij de verkiezingen van oktober 1951 op zo dramatische wijze weer naar Downing Street no. 10 terugkeerde.
In 1953 tot Ridder in de Orde van de Kouseband benoemd door Koningin Elizabeth II, bleef Sir Winston Leonard Spencer Churchill aan het hoofd van de regering tot 1955. Toen, onder het gewicht van zijn jaren, droeg hij zijn post over aan Anthony Eden en trok zich rustig terug van het politieke toneel.

Maar ook daarna was hij verre van vergeten. Want Engeland bleef deze man van heroïsch formaat eren, de laatste der grote staatslieden, een reus onder pygmeeën. En om met Shakespeare spreken: “Wanneer komt er weer zo een?”
.

alle biografieën

.

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

571-524

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Algebra en rekenen 7e/8e klas (4)

.

Arnold Bernhard, Erziehungskunst nr.4 1989
.

WAAROM WORDT MIN KEER MIN PLUS?
.

vermenigvuldiging en deling met positieve en negatieve getallen

Voor de vermenigvuldiging en deling met positieve en negatieve getallen gaan we weer uit van de rekenpraktijk:

3 • 58 kan op twee manieren uitgerekend worden, of  3 • ( 50 + 8)  of 3 • (60 – 2)

3 • 58 = 3 • (50 + 8) = 3 • 50 + 3 • 8 = 150 + 24 = 174
3 • 58 = 3 • (60 – 2) = 3 • 60 + 3 • (- 2) = 180 –  6 = 174

net zo:

8 • 37 = 8 . (30 + 7) = 8 • 30 + 8 • 7 = 240 + 56 = 296
8 . 37 = 8 • (40 – 3) = 8 • 40.+ 8 • (- 3) = 320 – 24 = 296

Deze manier van rekenen laat zien dat  3 • (- 2) = – 6 en 8 • (- 3) = – 24 tot de goede oplossing leiden. Inhoudelijk is het makkelijk te begrijpen dat  3 • (- 2) = – 6 moet zijn, want 3 • (- 2) betekent (- 2) + (- 2) + (- 2) = – 6

Wanneer we drie keer achter elkaar een schuld maken van € 2, dan hebben we een totale schuld van € 6 gemaakt.

Een negatief getal met een positief getal vermenigvuldigd  leidt simpelweg tot het overeenkomstige negatieve veelvoud.

Daarentegen stelt de opgave  (- 4) • 9 = ? ons voor een echte vraag. Wat betekent eigenlijk:

een positief getal met een negatief vermenigvuldigen? Het volledige antwoord is helemaal niet zo gemakkelijk te vinden; dat geven we later.

Natuurlijk vermoeden we : (- 4) • 9 = – 36.

Op de de commutatieve wet  a • b = b • a mogen we echter niet zomaar een beroep doen; tot nog toe hebben we vastgesteld, dat die voor positieve getallen opgaat – negatieve getallen zouden zich anders kunnen gedragen.

In het eerste artikel hebben we opgemerkt dat er getallen zijn van een bepaald soort (Duits: hoher Art) waarvoor de commutatieve wet inderdaad niet geldt. Maar laten we ons met ons vermoeden weer op de rekenpraktijk richten:

26 • 9 = (20 + 6) • 9 = 20 • 9 + 6 • 9 = 180 + 54 = 234
26 • 9 = (30 – 4) • 9 = 30 • 9 + (- 4) • 9 = 270 – 36 = 234

De vergelijking van de beide berekeningen bevestigt de juistheid van ons vermoeden. Ons vermoeden twee keer toegepast:

28 • 23 = (30 – 2) (20 + 3) = 30 • 20 + 30 • 3 + (- 2) • 20 + (- 2) • 3 = 600 + 90 – 40 – 6 = 644

Dezelfde vermenigvuldiging met alleen maar positieve getallen:

28 • 23 = (20 + 8) (20 + 3) = 20 • 20 + 20 • 3 + 8 • 20 + 8 • 3 = 400 + 60 + 160 + 24 = 644

Opnieuw wordt ons vermoeden bevestigd!

Nu naar het moeilijkste geval: een negatief getal vermenigvuldigd met een negatief getal:

(- 3) • (- 4) = ?

In de praktijk van het rekenen komt hij voor in bv.:

17 • 26 = (20 – 3) (30 – 4) = 20 • 30 + 20 • (- 4) + (- 3) • 30 + (- 3) • (- 4) = 600 – 80 – 90 + (- 3) • (- 4) = 430 + (- 3) • (- 4)

Wij zijn heel voorzichtig; we hebben alleen de resultaten gebruikt die in de vorige voorbeelden juist bleken te zijn.  Wat  (- 3) • (- 4) is, laten we nog open.

Nu rekenen we dezelfde vermenigvuldiging uit met alleen maar positieve getallen:

17 • 26 = (10 + 7) (20 + 6) = 10 • 20 + 10 • 6 + 7 * 20 + 7 • 6 = 200 + 60 + 140 + 42 = 442

Bij de eerste vermenigvuldiging krijgen we de goede uitkomst wanneer we   (- 3) • (- 4) als 12 denken: 430 + 12 = 442

Natuurlijk moet je met de klas meer van deze voorbeelden uitrekenen;

28 • 37 = (30 – 2) (40 – 3) = 30 • 40 + 30 • (- 3) + (- 2) • 40 + (- 2) • (- 3) = 1200 – 90 – 80 + (- 2) • (- 3) = 1030 + (- 2) • (- 3)

en vergelijken met:

28 • 37 = (20 + 8) (30 + 7) = 20 • 30 + 20 • 7 + 8 • 30 + 8 • 7 = 600 + 140 + 240 + 56 = 1036

Opnieuw zegt de vergelijking:  (- 2) • ( -3) = + 6 geeft in de eerste berekening het goede antwoord: 1030 + 6 = 1036.

Van dergelijke voorbeelden kunnen wij de voortekenregels voor het vermenigvuldigen aflezen:

+ • + = +

+ • –   = –

–  • + = –

–  • – = +

Het past bij zevende-klassers om deze regels eerst van concrete voorbeelden af te lezen en ze in de praktijk ijverig te oefenen. Langzamerhand beginnen in het innerlijk van de leerlingen zich vragen op  te dringen,  eerst latent, dan duidelijker, tot ze  tenslotte in de klas hoorbaar zijn: ‘waarom gaan die regels eigenlijk op?’  En vooral: ‘Waarom is min maal min plus? ‘ De leerlingen willen nu bewijzen horen.  Ze zijn nu in staat deze ook te begrijpen. Voor we ze geven zij nog op een oefengebied voor de vermenigvuldiging met positieve en negatieve getallen gewezen.

We hebben in het eerste artikel de haakjes weggewerkt, bv.

(a + 2) • (a + 3) = a2 + 5a + 6.

Toen hebben we voor a  achtereenvolgens de natuurlijke getallen 1, 2, 3,….. genomen (artikel 1, tabel 2). Hier nog eens het begin van die tabel:

a   (a + 2) • (a + 3)                                                        a2 + 5a + 6

1       (1 + 2) • (1 + 3) = 3 • 4 = 12                            1 + 5 + 6 = 12

2       (2 + 2) • (2 + 3) = 4 • 5 = 20                           4 + 10 + 6 = 20

3       (3 + 2) – (3 + 3) = 5 • 6 = 30                            9 + 15 + 6 = 30

Kunnen we nu voor a ook negatieve getallen nemen? Bv. a = -9, dan a = -8, a = – 7 enz? In deze volgorde is ieder getal 1 groter dan het voorafgaande, want
— 9 + 1 = — 8, — 8 + 1 = —7  enz.

Bijzonder in ogenschouw te nemen is het kwadraat van een negatief getal:

(- 92= (- 9) • (- 9) = + 81

want min keer min is plus. Door deze regel is het kwadraat van ieder negatief getal positief.

Nu:

rekenen 7 8 deel 4 1

 We zien in: ook voor negatieve getallen geldt de formule

(a + 2) • (a + 3) = a2 + 5a + 6

Hierbij sluit de tabel zich aan voor negatief a via a = 0 zonder een of andere onderbreking bij de tabel voor positief a. Pas nu overzien we dit getalorganisme helemaal;  uiteraard is er naar boven en naar beneden geen grens.

Hoe staat het met de toenames? In de kolom van a is de toename per regel steeds + 1. En in de kolom van de uitkomsten? Eerst neemt de uitkomst af, dat betekent de ‘groei’ is negatief:

42 + (— 12) = 30, 30 + (— 10) = 20, 20 + (- 8) = 12 enz

Maar de groei zelf wordt steeds 2 groter:

(- 12) + 2 = – 10 + 2 = – 8, (- 8) + 2 = – 6

De indruk van een wetmatige opbouw zonder gaten, wordt sterker: alleen wanneer positieve en negatieve getallen samen optreden, vormen zij het rijk van de hele getallen.

Hierbij kunnen nu voorbeelden van deze soort uitgerekend wirden:

(a + 5) • (a – 3) = a2 – 3a + 5a – 15 = a2 + 2a – 15
(a + 2) • (a – 5) = a2 – 5a + 2a – 10 = a2 – 3a – 10
(a + 3) • (a – 4) = a2 – 4a + 3a – 12 = a2 – la – 12

Voor ieder voorbeeld is aan het eind van dit artikel in de tabellen 2, 3 en 4 een waardetabel uitgerekend.

Bij tabel 2:

De kolom met uitkomsten is symmetrisch m.b.t. de regel a = -1, uitkomst – 16. Echter, let op, hoe de uitkomst – 15 daarboven en daaronder uit heel verschillende optellers ontstaan: erboven: -15 = 4 – 4 – 15; eronder: – 15 = 0 + 0 – 15; dat is ook zo bij de andere symmetrische uitkomsten.

Met ieder voorbeeld heb je eigenlijk heel wat berekeningen. Voor de zevende-klasser vormen deze oefenstof voor het rekenen. In de bovenbouw wordt dit thema in verschillende samenhang weer opgepakt: in de 10e klas wordt de opgave gesteld: hoe vind je de waarden a die bij een of andere vooraf gegeven uitkomst horen? Bv. bij welke a wordt a2 — 16a + 80 = 20 (a = 10 und a = 6).

Deze vraagstelling leidt tot de kwadratische vergelijkingen. In het
coördinatensysteem gevende getaltabellen het meetkundige beeld van de parabool, wat vanaf de 11e klas kan leiden tot de behandeling van de analytische curve.  In de 12e klas gaat de interesse uit naar de verhouding  van de groei in de uitkomstkolom t.o.v. die in de a-kolom.
Daardoor kom je terecht in de dynamiek van groeiprocessen.

De precisering van de stappen van regel naar regel leidt tot differentiaalrekenen.

Op deze manier wordt met de tabellen een kiem tot ontwikkeling geplant.

Voor Rudolf Steiner was het een basisaangelegenheid dat de te behandelen stof zich van klas tot klas organisch verder zou kunnen ontwikkelen.

Vóór we het  inhoudelijk bewijs geven van voortekenregels, moet nog opgemerkt worden, dat de voortekenregels voor de deling uit die voor de vermenigvuldiging volgen; de deling is in feite de omkering van de vermenigvuldiging (de andere is (die Messung) het resultaat van  meten.

a : b = c       is hetzelfde als   b • c = a.

15 : 3 =    5                 omdat                       3 • 5 =    15
(- 15) : 3 = – 5           omdat                       3 • (- 5) = – 15
15 : (- 3) = – 5           omdat                   (- 3) • (- 5) = + 15
(- 15) : (- 3) =  + 5   omdat                   (- 3) • (+ 5) = – 15

Dus luiden de voortekenregels voor deling:

+ : + = +
– :  + =  –
+ : – =  –
– : – =   +

Nu richten we ons op het echte bewijs van de voortekenregels. Die zijn niet zo gemakkelijk te geven. Alleen de meest verfijnde begripsonderscheiding leidt tot echt inzicht. Alleen al over de vermenigvuldiging moet beter worden nagedacht als over het algemeen gebeurt. Heel bijzonder is het verschil tussen actieve en passieve getallen, tussen vermenigvuldiger en vermenigvuldigtal: de vermenigvuldiger (Duits: Multiplikator) geeft aan, hoe vaak het vermenigvuldigtal (Duits: Multiplikand) opgeteld moet worden. Bij de gewone uitleg    3 • 5 = 5 + 5 + 5  vinden slechts twee  optellingen plaats. Kunnen we de vermenigvuldiging zo opvatten dat er daadwerkelijk  drie  optellingen plaatsvinden? De eerste 5 moet echt een opteller zijn (Duits Summand) niet simpelweg een getal waar je vanuit gaat. Opdat de eerste 5 al opteller moet kunnen zijn, al bij iets opgeteld kan worden, moeten we uitgaan van het getal  nul:

3  • 5 = 0 + 5 + 5 + 5

Nu zijn het echt drie optellingen.

De vermenigvuldiging  3 . ( – 5) moet op dezelfde manier verklaard worden:

3 • (- 5) = 0 + (- 5) + (- 5) + (- 5) = – 15

Hoe kunnen we nu (- 3) • (+ 5)  begrijpen? De vermenigvuldiger is opnieuw het actieve getal dat aangeeft, wat hoe vaak moet gebeuren. Maar iets kan niet min drie keer gebeuren, het kan slechts driemaal gebeuren. Het minteken moet hier betekenen dat er niet driemaal opgeteld moet worden, maar driemaal afgetrokken.  Dat is alleen mogelijk wanneer weer van de nul wordt uitgegaan:

(- 3) • (+ 5) = 0 – (+ 5) – (+ 5) – (+ 5) = – 15

We houden nogmaals vast: het minteken bij de vermenigvuldiger – 3 kan alleen maar betekenen: trek het vermenigvuldigtal  + 5 drie keer af, uitgaande van nul.

Nu kan ook het raadsel ( – 3 • ( – 5) echt worden begrepen: het vermenigvuldigtal ( – 5 ) moet driemaal van de nul uitgaand afgetrokken worden.

(- 3)  • (- 5) = 0 – (- 5) – (- 5) – (- 5)

Het aftrekken van negatieve getallen hebben wij in het vierde artikel uitvoerig behandeld. De uitkomst moet + 15 zijn.

Eigenlijk is het goed te berijpen dat voor een echte verklaring van de voortekenregels het bijzondere getal nul mee moet doen, want de nul is de vereffening van positief en negatief. Nul is echter ook de bron van positief en negatief: uit nul kan op ieder ogenblik een positieve en een  evengrote negatieve hoeveelheid komen, bv.

0 = (+ 15) + (- 15

Op deze manier vatten we de nul in onze laatste berekening  op:

rekenen 7 8 deel 4 2Van – 15 kan nu ( – 5 ) daadwerkelijk driemaal afgehaald worden; + 15 blijft als antwoord over.

Deze gedachtegang is een strenge begripsscholing; vanzelfsprekend kun je er de lessen niet mee beginnen. Daarom hebben we de voortekenregels eerst empirisch aan voorbeelden uit de rekenpraktijk afgelezen en aan veel sommen vlijtig beoefend. Maar er ontstaat een ogenblik in het onderwijs waarop leerlingen naar echte bewijzen vragen. Hoe beter wij als leraren deze bewijzen van te voren doordacht hebben, des te beter zijn we op dit ogenblik voorbereid. En we moeten dit ogenblik ook afwachten, wij moeten wachten tot we merken: nu is de klas eraan toe, begrip te tonen voor zulke gedachtegangen. Hebben wij als leraren deze gedachtegangen tot ons eigen geestelijk bezit gemaakt en is onze klas door de inleidende activiteiten voor het hele terrein rijp geworden, dan gaan de inspanning van de leraar en de klas samen zoals een sleutel en een slot en het begrijpen wordt mogelijk. Groots moment in het onderwijs! Zo’n gemeenschappelijke denkinspanning van leraar en klas is een middel tegen slordigheid zoals dat tegenwoordig in het algemeen in het denken zit. De moeite wordt beloond!

tabel 1 zie terug in het artikel

tabel 2:

rekenen 7 8 deel 4 3

tabel 3:

rekenen 7 8 deel 4 4

 tabel 4:

rekenen 7 8 deel 4 5

artikel 1;     artikel 2;   artikel 3

.

7e klas rekenenalle artikelen

7e klasalle artikelen

Rekenenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

570-523

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – in de peuterklas

.
Tineke van den Boer, Gilsa Hoogenboom, nadere gegevens onbekend
.

Wat wordt er gedaan in de peuterspeelzaal?
.

Als de peuters  !s ochtends helemaal uitgerust, open en ontvankelijk voor alles wat er komen gaat, bij ons komen, dan wordt er door de meesten direct al met hart en ziel gespeeld. Anderen blijven nog even naast hun moeder zitten en kijken naar alles wat er gebeurt. Als alle moeders naar huis zijn beginnen we met een activiteit zoals bv. schilderen, tekenen, plakken, boetseren of brooddeeg kneden. Daarna gaan de kinderen vrij spelen.

Wanneer we een peuter zien spelen dan valt het op hoe anders zijn spel is dan dat van elke andere leeftijd. Bij het oudere kind gaat het erom wat er met een stuk speelgoed gedaan kan worden; de peuter gaat helemaal op in het wezen ervan. Hij moet immers de wereld nog leren kennen!

Na ongeveer een uurtje gaan we in het kringetje zitten en wordt de kabouter wakker gemaakt met een muziekje. Soms slaapt hij zo diep dat we een (denkbeeldig) belletje tussen duim en wijsvinger nemen dat heel zachtjes “tingelingeling” zegt. Maar dat helpt niet! Dan maar een grotere, totdat de grote bim-bamklok komt. Het boeit vooral als de contrasten tussen groot en klein, hard en zacht, worden duidelijk gemaakt.

Nadat de kabouter ieder kind persoonlijk goedemorgen heeft gewenst, worden er wat seizoenliedjes gezongen zoals bv. ‘Twee vlindertjes kwamen gevlogen’, ‘Alle vogels zijn er weer’ en, voor het naderende pinksterfeest, van de fiere Pinksterblom.

Ook de bakerrijmpjes en klankversjes zoals ‘Ose wiese wose’ komen aan bod.

Vaak is het moeilijk om zo lang stil te zitten en gaan de beentjes trappelen. Dan zetten we met een armgebaar de staldeuren wijd open en mogen alle paardjes de wei ingaan. Eerst stapvoets, dan in galop, hollen hollen­ hollen en altijd weer stapvoets eindigend. Daarna wordt er weer gespeeld.

Belangrijk is dat de kinderen kunnen spelen wat ze van binnen het liefste willen. Zij leven zich niet uit, maar leven zich in! Er moeten hiervoor mogelijkheden geboden worden zoals de kistjes, lappen, blokken, huisjes enz., zodat ze moe maar voldaan naar huis toe gaan. Voor het eten doen we nog even een kringspelletje; dan eten we ons eigengebakken brood en delen het meegebrachte fruit en kan er buiten in de zandbak gespeeld worden, of madeliefjes geplukt (gepulkt, zei laatst een klein meisje). Helemaal aan het eind van de ochtend wordt er een tafel­spelletje gedaan of een verhaaltje verteld, waarbij de steeds terugkerende motieven in de z.g. herhaalverhaaltjes de kleintjes sterk aanspreken.

De hele ochtend is ingebed in een vast ritme. Dit geeft hun zekerheid. Zo weten ze, dat na het verhaaltje de mama’s hen komen halen, en dat is dan tevens het einde van de ochtend.

Een kringspelletje.

Willen wij een toren bouwen?
Moeten wij met stenen sjouwen.
Een en twee en op elkaar
Kijk, nu is de toren klaar.
Daar komt een dikke reus
Honke bonke aangestapt!
Heeft de toren omgetrapt.
Ach, hoe naar.
Het is heus waar,
t Torentje ligt in elkaar.

Bouwen wij het nu weer op…
Kijk, de vlag hangt al in top

.
Gilsa Hoogenboom, nadere gegevens onbekend

De dreumesgroep

Voor de jongere kinderen (+ 2 jaar) 1x per week met vader of moeder een ochtendje in de peuterspeelzaal.

In de afgelopen zonnige weken hebben we echte lenteknutsels gemaakt zoals vlinders, zwaantjes, lentefeetjes e.d. Die kun je thuis overal gezellig ophangen of neerzetten. Maar misschien is het ook een idee om thuis een speciaal hoekje daarvoor te maken. Bijvoor­beeld op een tafeltje of op een plank. Als je daar een doek op legt, glad of in plooien, die qua kleur bij het jaargetijde past, dan kan dat een gezellig hoekje worden waarop ‘moeders creatie’ waardig kan staan. Maar het is ook een plaats om de schatten die de kinderen vaak buiten vinden, neer te leggen, zoals mooie schelpen, een bosje madeliefjes, dennenappels enz. Op deze manier kun je de wisseling van de seizoenen meebeleven: In lente en zomer met beestjes, bloemen en lichte kleuren voel je je naar buiten gaan, en straks in herfst en winter met de geoogste vruchten en lantaarntjes e.d., ga je weer de donkere dagen in. Wanneer op de woensdagochtend rond de tafel de ouders iets aan het maken zijn, gaan de kinderen al heel goed spelen. De kistjes blijken heel multifunctioneel. Soms maken we er een rijtje van om steeds maar over te lopen en er vanaf te springen! Soms gaan ze erin zitten als­of dat hun boot is. Je kunt er zelfs een huisje mee bouwen.

De kinderen vinden het heerlijk om veel te.bewegen. De grote bewegingen horen nog bij hen zoals in de handen­spelletjes Zo gaat de molen‘ en ‘Draai het wieltje nog eens om. De fijnere vingerbewegingen komen pas als ze naar de kleuterleeftijd toegroeien, en groeien, dat doen ze! We zien ze soms in een paar maanden grote stappen in hun ontwikkeling maken. Het is fijn, dat we dit als juffies mogen meebeleven.

Slaapliedje:

Slaap mijn lieve kindekijn
bajoeschki bajoe
Goud dekt er de maneschijn
je in ’t wiegje toe
Sluit maar gauw je oogjes bont
bij mijn sprookje toe.
Al maar achter zingt mijn mond
Bajoeschki bajoe, bajoeschki bajoe

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

569-522

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.