Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 5 – alle artikelen

..

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 5
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [5-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [5-1]
Het derde cijfer [5-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [5-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [5-1] [5-2] [5-3] enz.
Als kleur: rood

[5-1] blz. 80/81
Denken, voelen en willen kun je niet scheiden; in het denken vind je wil en het willen gaat gepaard met denken; voelen tussen denken en willen; geest en ziel komen lichamelijk tot uitdrukking; 

[5-1/1] blz. 80/81
Denken, voelen
en willen vanuit het gezichtspunt verleden, heden en toekomst  uit GA 205, een verdere karakterisering van de het onderwerp in [5-1] en uit de 2e voordracht denken-verleden, wil toekomst; karakterisering van het pas geboren kind als tweeledig mens; over de aard van het denken i.v.m. het verleden; wat is het heden 

[5-1-1] blz. 81
Over sympathie en antipathie in het oog. Over Goethes kleurenleer. Over het verschil in ogen bij mens en dier. Nog niet oproepbaar

[5-1-2] Blz. 87/88
Filosofische opvattingen van Sigwart en von Brentano. (Voorlopig) niet oproepbaar.

[5-1-3] Blz. 89/90
Over het oor. Wagner, Hanslick. Nog niet oproepbaar

[5-2] Blz. 82 t/m 88
Voelen: sympathie en antipathie – denken en willen vloeien hier in elkaar over; sympathie en antipathie kunnen zo sterk worden dat we deze – bijna letterlijk – aan den lijve ondervinden; een verhoogde antipathie plaatst ons meer tegenover de wereld: beleving van onszelf als individu; koppigheidsfase en ‘nee-zeggen’; 

[5-2-1] Blz. 84-85
Wanneer sympathie of antipathie de boventoon voeren. In het ‘normale’ leven blijven ze onder de drempel van het bewustzijn. 

[5-2-2] Sympathie en antipathie
Een artikel hierover van Luc Cielen

[5-3] Afsluitende opmerkingen
Nog niet oproepbaar

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1977-1860

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 5 (5-1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 81   vert. 80

Hoewel Steiner in deze voordracht over het VOELEN wil spreken, begint hij daarmee niet meteen. 
Hij gaat eerst terug naar het denken en het willen, waaraan hij in voordracht 2, 3 en 4 al veel aandacht besteedde.

Wezenlijk om bij deze 5e voordracht te betrekken zijn de behandelde aspecten van de samenhang tussen denken – het kenvermogen, het intellectuele en de zenuwen. Zie daarvoor: [2-2] blz. 31-33  en [2-5-2] blz. 40/41

en wat de wil betreft, de samenhang met het bloed. Zie daarvoor: [2-3] blz. 33-35 en [2-5-1] blz. 39/40.

DENKEN – VOELEN – WILLEN NIET TE SCHEIDEN

Opnieuw brengt hij nu weer onder de aandacht:

Wir müssen uns nur über eines noch klar werden, das ich ja in verschiedenen Zusammenhängen schon erwähnt habe. Man kann nicht die Seelenfähigkeiten so pedantisch nebeneinander- stellen: Denken, Fühlen, Wollen – weil in der ganzen lebendigen Seele die eine Tätigkeit immer in die andere übergeht.

Maar één ding moet nog duidelijk worden. Ik heb dit al meerdere malen in ander verband genoemd. Men kan de zielsvermogens niet schoolmeesterachtig naast elkaar zetten: denken – voelen – willen, omdat in het geheel van de levende ziel de ene activiteit steeds in de andere overgaat.

En even verder  blz. 82  vert. 81:

Also ein pedantisches Nebeneinanderstellen ist schon für die Beobachtung der einzelnen Seelenbetätigungen nicht möglich, weil eben die eine in die andere überfließt.

Bij een observatie van afzonderlijke zielenactiviteiten blijkt dus dat het niet mogelijk is ze betweterig naast elkaar te zetten, omdat ze nu eenmaal in elkaar overgaan.

Steiner nodigt ons uit tot een soort ‘zelfobservatie’ wanneer we iets denken en iets willen:

Blz. 81  vert. 80/81

Betrachten Sie einmal auf der einen Seite den Willen. Sie werden sich bewußt sein können, daß Sie nicht zu wollen imstande sind, was Sie nicht durchdringen mit Vorstellung, also mit erkenntnismäßiger Tätigkeit. Versuchen Sie in einer, wenn auch nur oberflächlichen Selbstbesinnung, auf Ihr Wollen sich zu konzentrieren. Sie werden immer finden: in dem Willensakt steckt immer irgendwie Vorstellen drinnen. Sie würden gar nicht Mensch sein, wenn Sie in dem Willensakt nicht Vorstellen drinnen hätten. Sie würden aus einer stumpfen, instinktiven Tätigkeit heraus alles das vollziehen, was aus Ihrem Willen strömt, wenn Sie nicht die Handlung, die aus dem Willen hervorquillt, mit vorstellender Tätigkeit durchdringen würden.

Kijkt u naar één kant, naar de wil, dan zult u zich ervan bewust kunnen zijn dat u niet in staat bent iets te willen zonder dat u daar een voorstelling van heeft, zonder dat uw kenvermogen ingeschakeld is. Probeert u zichzelf – ook al doet u dat oppervlakkig — waar te nemen en u op uw wil te concentreren. U zult dan altijd vinden dat in iedere wilsuiting ook altijd op de een of andere manier een voorstelling vervat is. U zou helemaal geen mens zijn, wanneer u in een wilsuiting niet ook een voorstellingsaspect zou hebben. Wanneer u een handeling die uit de wil opborrelt niet met uw voorstellingsvermogen zou doordringen, dan zou u alles wat uit uw wil voortvloeit onbewust en instinctief doen.

Dit is bij de meest alledaagse dingen al overduidelijk: als je bv. ergens een haakje in de muur wil hebben om iets op te hangen, gaan daar allerlei voorstellingen aan vooraf: hoe hoog, hoe ver uit de zijmuur, hoe groot enz. enz. En bij al die overwegingen roept vaak de ene gedachte de andere op: en dat is als beweeglijke activiteit een wilsactiviteit:

Ebenso nun wie in aller Willensbetätigung das Vorstellen steckt, so steckt in allem Denken der Wille drinnen. Wieder wird Ihnen eine, wenn auch nur recht oberflächliche Betrachtung Ihres eigenen Selbstes die Erkenntnis liefern, daß Sie, indem Sie denken, immer in das Gedankenbilden den Willen hineinströmen lassen. Wie Sie Gedanken selber formen, wie Sie einen Gedanken mit dem anderen verbinden, wie Sie zu Urteil und Schluß übergehen, das alles ist von einer feineren Willenstätigkeit durchströmt.

Zoals in elke wilsactiviteit ook het voorstellen aanwezig is, zo leeft in al het denken de wil. Weer zult u door een – al is het maar zeer oppervlakkige – zelfobservatie tot het inzicht komen dat u bij het denken altijd de wil laat meespelen in de vorming van de gedachten. De manier waarop u zelf gedachten vormt, waarop u de ene gedachte met de andere verbindt, waarop u tot een oordeel en een conclusie komt – dat alles is verweven met een fijnere wilsactiviteit.

In de 2e voordracht karakteriseerde Steiner het denken al als een dynamische activiteit en niet als een statische: een beweging van beelden.

Dat bracht hem tot de uitspraak dat Descartes een verkeerde gevolgtrekking maakt door ‘zijn’ op gelijke hoogte te stellen met ‘denken’: het ‘cogito’ – ik denk – dus ‘ben ik’. Voor Steiner is ‘cogito’ een bewijs van ‘non sum’. Zie: [2-2] blz. 31-33

En dan volgt de zo belangrijke nuancering:

Daher können wir eigentlich nur sagen: Die Willenstätigkeit ist hauptsächlich Willenstätigkeit und hat in sich die Unterströmung der Denktätigkeit; die Denktätigkeit ist hauptsächlich Denktätigkeit und hat in ihrer Unterströmung Willenstätigkeit. Also ein pedantisches Nebeneinanderstellen ist schon für die Beobachtung der einzelnen Seelenbetätigungen nicht möglich, weil eben die eine in die andere überfließt.

Daarom kunnen we eigenlijk alleen zeggen dat de wilsactiviteit in hoofdzaak wilsactiviteit is met een onderstroom van denkactiviteit, en dat de denkactiviteit in hoofdzaak denkactiviteit is met een onderstroom van wilsactiviteit. Bij een observatie van afzonderlijke zielenactiviteiten blijkt dus dat het niet mogelijk is ze betweterig naast elkaar te zetten, omdat ze nu eenmaal in elkaar overgaan.

Zie verder: [2-8] blz. 42-43. Naast de in dat artikel genoemde voordrachten waarin Steiner dit aankaart, doet hij dat bv. ook in GA 205/189:

Ich werde heute einige Wahrheiten zusammenfassen, die uns dann wiederum dienen werden, um in den nächsten Tagen weitere Ausführungen nach einer gewissen Richtung hin zu geben. Wenn wir unser seelisches Leben ins Auge fassen, so können wir sagen, daß nach dem einen Pol hin in diesem Seelenleben das gedankliche Element, das Denken liegt, nach dem andern Pol hin das Willenselement, zwischen beiden das Gefühlselement, dasjenige, was wir im gewöhnlichen Leben das Fühlen, den Inhalt des Gemütes und so weiter nennen. Im wirklichen seelischen Leben, so wie es sich in uns abspielt in unserem Wachzustande, ist natürlich niemals einseitig bloß das Denken vorhanden oder der Wille, sondern sie sind immer in Verbindung miteinander, sie spielen ineinander. Nehmen wir an, wir verhalten uns im Leben ganz ruhig, so daß wir etwa sagen können, unser Wille sei nach außen hin nicht tätig. Wir müssen dann doch, wenn wir während einer solchen nach außen gerichteten Ruhe denken, uns klar sein darüber, daß Wille waltet in den Gedanken, die wir entfalten: indem  

Ik wil vandaag een paar waarheden samenvatten die ons dan weer kunnen helpen om in de komende dagen in een bepaalde richting verder te gaan.
Wanneer we naar ons gevoelsleven kijken, kunnen we zeggen dat aan de ene kant hiervan de gedachten zich bevinden – het denken  en aan de andere kant: de wil; tussen die twee bevindt het gevoel, dat wat we in het dagelijks leven het voelen noemen, de inhoud van ons gemoed en zo.

In het reële zielenleven zoals dat aanwezig is in de tijd waarin we wakker zijn, is natuurlijk nooit eenzijdig alleen maar het denken aanwezig of de wil, maar die staan altijd met elkaar in verbinding, die doordringen elkaar.
Laten we eens aannemen dat we ons een keer heel rustig houden, zodat we kunnen zeggen dat onze wil niet actief op buiten is gericht. Maar dan moet het voor ons toch duidelijk zijn dat we tijdens zo’n periode dat we uiterlijk gezien rustig zijn, de wil in onze gedachten die we ontplooien, tóch actief is:

wir einen Gedanken mit dem andern verbinden, waltet der Wille in diesem Denken. Also selbst wenn wir gewissermaßen scheinbar bloß kontemplativ sind, bloß denken, so waltet in uns wenigstens innerlich der Wille, und wenn wir uns nicht gerade tobsüchtig verhalten oder nachtwandeln, können wir ja nicht willentlich tätig sein, ohne unsere Willensimpulse von Gedanken durchströmen zu lassen. Gedanken durchziehen immer unsere Willensbetätigung, so daß wir also sagen können: Auch der Wille ist niemals im Seelenleben abgesondert für sich vorhanden. 

wanneer we van de ene gedachte naar de andere gaan, is de wil in dit denken actief. Dus zelfs wanneer we ons innerlijk schijnbaar in rust in onszelf teruggetrokken hebben, alleen maar denkend bezig zijn, dan is minstens de wil in ons actief en wanneer ons gedrag niet voortkomt uit woede of wanneer we slaapwandelen, kunnen we niet wilsmatig actief zijn, zonder onze wilsimpulsen gepaard te laten gaan met onze gedachten.
Onze wilsactiviteit gaat altijd gepaard met gedachten, zodat we dus kunnen zeggen: ook de wil bestaat in ons gevoelsleven nooit zomaar op zich.
GA 205/189
Niet vertaald

Bij vele gelegenheden heeft Steiner benadrukt dat geest en ziel zich in het lichamelijke uitdrukken, kenbaar worden, zichtbaar worden. Ook dat is aan vele verschijnselen in het leven waar te nemen.
Is iemand blij, vrolijk, dan is deze blijdschap, vrolijkheid ‘iets’ van het beleven, van het gevoel. Lichamelijk zien we dat aan o.a. de lach, het glunderen. Je zou hier de spierbewegingen kunnen bestuderen die voor deze niet-stoffelijke belevingen bij de uitdrukking in het lichamelijk/stoffelijke nodig zijn. 

Om emoties weer te geven, worden tegenwoordig de zgn. emoji gebruikt.
Van oorsprong Japans, vaak met een andere betekenis die ‘men’ er wereldwijd aan is gaan geven: wie ze bekijkt, ziet dat ze voornamelijk gevoelens weergeven in een gezichtsuitdrukking die we als mens meteen herkennen, die in zekere zin ‘algemeen menselijk’ zijn.

                                             

Zo zegt hij bv.:

Es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.

Ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
GA 309/19
Op deze blog vertaald/19

Deze en soortgelijke uitspraken vind je in ‘Steiner- alle wegwijzers‘. Zie bv. bij nr. 203.

En zoals er samenhang bestaat bij denken, voelen en willen, zo is die er ook bij het in het lichamelijke zichtbaar worden van deze bovenzinnelijke kwalificaties: voor het denken: de zenuwen en zintuigen; voor de wil: de ledematen en de stofwisseling met een hoofdrol voor het bloed; voor het voelen: de ademhaling en bloedsomloop. 
Ook hieraan besteedde Steiner al aandacht in de 2e voordracht, waarnaar hier boven werd verwezen.

In deze 5e voordracht gaat Steiner via een concreet voorbeeld van zenuw- en bloedactiviteit in het oog, over naar de basiskrachten van de ziel: de sympathie en antipathie.
Ook die stelde hij in de 2e voordracht al aan de orde: zie [2-3-1] blz. 35-38;  [2-3-2] blz. 35-38; [2-4] blz. 34-36]  en [2-4-1] blz. 40-44.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 5 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1970-1854

.



VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 74 –       vertaling

BIJ HET KIND GAAT HET OM EEN HEEL ANDERE MANIER VAN HANDELEN

Nadat Steiner erop heeft gewezen dat er een bepaalde tendens bestond om kinderen zichzelf te laten opvoeden en dat m.n. in socialistische kringen men vond dat de kinderen op dezelfde manier met elkaar zouden moeten omgaan als volwassenen dat doen, volgt er een scherpe afwijzing van deze opvattingen:

blz. 74  vert. 74

Das aber ist das Falscheste, was man in der Erziehung tun kann.

Maar dat is de grootste fout die men in de opvoeding kan maken.

En het waarom daarvan is m.i. een basiskenmerk van het vrijeschoolonderwijs te noemen:

Man muß sich bewußt sein dessen, daß das Kind noch etwas ganz anderes an Seelenkräften und auch an Körperkräften zu entwickeln hat, als die Erwachsenen im Wechselverkehr mit- einander zu entwickeln haben. Also auf das, was tief unten in der Seele sitzt, muß die Erziehung und der Unterricht eingehen können; sonst kommt man nicht weiter.

Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar. Daarom moeten opvoeding en onderwijs kunnen ingaan op hetgeen zich diep in de ziel afspeelt. Anders komen we niet verder.

En in het kader van deze voordracht die over ‘de wil’ gaat, is de logische conclusie natuurlijk:

Was vom Unterricht und von der Erziehung wirkt auf die Willensnatur des Menschen? 

Welke aspecten van het onderwijs en van de opvoeding werken in op het wilsleven van de mens?

HOE WERKEN OPVOEDING EN ONDERWIJS OP DE WIL

In dit laatste deel van de voordracht geeft Steiner een paar zeer waardevolle gezichtspunten weer, ook vat hij wat al werd gezegd, weer op een andere manier samen of geeft er een nieuw accent aan.

Bij het lesgeven – vooral wanneer we het hebben over ‘overdracht van kennis’ – wordt de wil gebruikt om de gedachtegang(en), gedachtesprongen te kunnen volgen. 
Dit gebeurt simpelweg als we denken: we knopen de ene gedachte aan de andere. Die activiteit schaarde Steiner ook onder de wil.
Bij overdracht van kennis wordt juist die activiteit ingeschakeld om al bestaande gedachten over te brengen op kinderen die deze dan moeten ‘volgen’. Het is een aansporing iets ouds – de al gedachte gedachten – NA te denken. (letterlijk: na dat anderen die gedacht hebben). In wezen hebben we dus te maken met iets ouds waarvoor we de wil inschakelen. Dat noemt Steiner hier ‘hoogbejaarde wil’ – wil op leeftijd:

Alles Intellektuelle ist schon greisenhafter Wille, ist schon der Wille im Alter. Also alle gewöhnliche Unterweisung im verstandesmäßigen Sinne, alle gewöhnliche Ermahnung, alles, was für die Erziehung in Begriffe gefaßt wird, wirkt in dem Alter, das für die Erziehung in Betracht kommt, noch gar nicht auf das Kind. 

Al het intellectuele is in feite al hoogbejaarde wil – wil op leeftijd. Daarom heeft al het gewone, verstandelijke onderwijs, hebben alle gewone vermaningen – alles wat voor de opvoeding in begrippen vervat is – nog volstrekt geen invloed op het kind in de leeftijd dat het opgevoed wordt.

INTELLECTUEEL ONDERWIJS

Op verschillende video’s wordt de methode ‘Zo leer je kinderen lezen en spellen’ uitgelegd.
Er zijn ook opnames van klassensituaties waarin – in dit geval – een juf de letters aanleert. Op deze video (tijd 4.44) gaat zij een nieuwe letter aanleren. nl. de r (uiteraard zegt ze geen ‘er’, maar ‘rrrrrr’. )
Ze heeft de letter op een kaartje staan dat ze aan de kinderen laat zien. Ze vertelt meteen welke letter het is. 
Vergeleken met het aanleren van de letters op de vrijeschool, is dit een hemelsbreed verschil.

In de vrijeschoolklas is er van te voren – meestal een dag eerder – een verhaal, dikwijls een sprookje, verteld waarin bv. een reus voorkomt. Deze reus nu, wordt door de kinderen de andere dag geschilderd en/of getekend, met zijn dikke buik (naar rechts) vooruit. Hij loopt, wat duidelijk te zien is aan zijn been met de grote laars. Deze reus staat een tijdje op het bord en op zeker ogenblik wordt deze met de kinderen zodanig bekeken dat ze er a.h.w. naar toegebracht worden met aandacht ‘reus’ uit te spreken. En dan uitgenodigd te zoeken naar de klank die helemaal vooraan klinkt. Voor sommige kinderen is dat nog ‘reu’, maar uiteindelijk komt iedereen zover dat de ‘rrrr’ aan het begin gehoord wordt. De kinderen wordt gevraagd meer woorden te zoeken die met deze ‘reusklank’, deze ‘rrrrrr’ beginnen.

Het dappere snijdertje

Hier zijn talloze voorbeelden van hoe de klanken in de vorm van beeld, als hoofdlettervorm zijn ontstaan.

Meer daarover: zie schrijven alle artikelen.

Vervolgens wordt het voor de kinderen duidelijk dat je natuurlijk niet iedere keer wanneer je deze ‘R’ moet schijven, daar een hele tekening bij kan maken. Maar er is wel wat van die reus overgebleven: zijn rug, zijn buik en zijn been: R.
Met verschillende rijmpjes en spraakoefeningen waarin de ‘r’ veelvuldig voorkomt, wordt de klank geoefend; op de versjes wordt bewogen, kortom: de R is even het stralende middelpunt.
In het vak euritmie komen de klanken – dus ook deze R – uitgebreid aan bod in ‘beweeglijke verbeelding’ waarbij het hele kind – niet alleen maar even het bewegen van twee vingerkootjes zoals in de video – wordt aangesproken. 

De spanning bij het verhaal, het schilderen en tekenen, het langzaam ontdekken van wat je weten moet, is de weg van het gevoel, via de wil, naar het kennen.

Deze weg ontbreekt bij de methode Schraven (ZLKLS) volledig en is met de manier van aanbieden: ‘kijk, dit is’ of  ‘die heet de’ de methode van directe begripsvorming, en met het ‘zeg maar na’, de methode van de reflectie op wat net heeft geklonken, m.a.w. de methode doet sterk een beroep op het voorstellingsleven, i.p.v. op het gevoels/wilsleven. M.a.w.: de hoogbejaarde wil staat op de voorgrond.

De juf op de videodemonstratie maakt bij de ‘r’ wél een gebaar: met de bovenste kootjes van haar vinger brengt ze de ronde vorm van de ‘r’ onder de aandacht van de kinderen die graag – immers: beweging – met haar meedoen. 
In vergelijking met de vrijeschoolmethode is het bewegen heel summier en vrijwel fantasieloos. En, moet meteen resulteren in een voorstelling: ‘leg hem maar neer en kijk naar welke kant het haakje opgaat.’

En dan is ook voor vrijeschoolleerkrachten het gezichtspunt over de klassikale opstelling belangrijk. Want in de foutieve opstelling gaat het ook fout. 
‘Goed gedaan, allemaal’, zegt de juf. Maar het kind aan de rechterkant, tweede van onder, spiegelt zijn overbuurman die het wél goed doet, en dus gaat bij hem het haakje naar de verkeerde kant!

Blz. 75  vert.  75

Wir dürfen also nicht mit Bezug auf die Willenskultur auf das sehen, was beim intellektuellen Leben von besonderer Wichtigkeit ist. Im intellektuellen Leben rechnen wir immer darauf: man bringt einem Kinde etwas bei, und es ist um so besser, je besser es die Sache begriffen hat. Auf das einmalige Beibringen legt man den großen Wert; dann soll die Sache nur behalten, gemerkt werden. Aber was so einmal beigebracht und dann behalten werden kann, das wirkt nicht auf Gefühl und Wille, sondern auf Gefühl und Wille wirkt das, was immer wieder getan wird und was als das durch die Verhältnisse Gebotene für richtig getan angesehen wird.

Wat voor het intellectuele leven met name belangrijk is, mag dus niet als uitgangspunt dienen voor de cultivering van de wil. In het intellectuele leven redeneren we zo: men leert een kind iets en hoe beter het de kwestie heeft begrepen, hoe beter het is. Men legt de grote nadruk op het in één keer iets leren. Daarna is het een kwestie van onthouden, in het geheugen prenten. Maar wat zo, in één keer, bijgebracht en onthouden kan worden, werkt niet op het gevoel en de wil. Op het gevoel en de wil werkt dat wat steeds weer wordt gedaan en wat wordt beschouwd als een juiste daad, die door de omstandigheden geboden is.

In deze voordracht die over de wil gaat, heeft Steiner meteen in het begin ook het gevoel weer gekarakteriseerd: 

GEVOEL EN WIL

Blz. 62     vert. 62

Was ist denn eigentlich ein Gefühl? Ein Gefühl ist mit dem Willen sehr verwandt. Wille ist, ich möchte sagen, nur das ausgeführte Gefühl, und das Gefühl ist der zurückgehaltene Wille. Der Wille, der sich noch nicht wirklich äußert, der in der Seele zurückbleibt, das ist das Gefühl; ein abgesturnpfter Wille ist das Gefühl. Daher wird man das Wesen des Gefühls auch erst dann verstehen, wenn man das Wesen des Willens durchdringt.

Wat is dan eigenlijk een gevoel? Een gevoel is zeer verwant aan de wil. Men kan zeggen dat de wil in feite het tot uitvoering gebrachte gevoel is en het gevoel de teruggehouden wil. De wil die zich nog niet werkelijk uit, die in de ziel blijft, dat is het gevoel; het gevoel is afgestompte wil.
GA 293/62  

Op blz. 75    vert.  74  pakt hij dit weer op:

Gefühl ist werdender, noch nicht gewordener Wille; aber im Willen lebt der ganze Mensch, so daß man auch bei dem Kinde rechnen muß mit den unterbewußten Entschlüssen. 

Gevoel is op weg wil te worden, maar is nog geen wil geworden; maar in de wil leeft de hele mens, zodat men ook bij het kind rekening moet houden met de onderbewuste besluiten. 

En met het oog op het voorbeeld dat ik hier gaf van de methode ‘ZLKLS’ geldt ook:

Hüten wir uns nur vor dem Glauben, daß wir mit allem, was wir meinen gut ausgedacht zu haben, auf den Willen des Kindes einen Einfluß haben. 

Laten we vooral niet denken, dat we met alles wat we volgens ons goed hebben uitgedacht, invloed hebben op de wil van het kind.

En ook niet:

Nicht dadurch, daß Sie dem Kinde einmal sagen, was richtig ist, können Sie den Willensimpuls zur richtigen Auswirkung bringen, ( )

Door een kind één keer te zeggen wat juist is, kunt u de wilsimpuls niet goed tot ontplooiing brengen, ( )

Het hoeft geen verrassing te zijn dat hier, waar sprake is van ‘gevoel’, dus van het ritmische systeem. het gebied is van nog eens en nog eens en weer opnieuw.
En als we werkelijk iets in onze wilsbeheersing willen krijgen – denk eens aan het bespelen van een  muziekinstrument – zullen we telkens weer moeten oefenen: herhalen en nog eens herhalen.

Dus: één keer werkt niet, wel:

( ) indem Sie heute und morgen und übermorgen etwas von dem Kinde tun lassen. 

door het kind iets te laten doen, en dan niet alleen vandaag maar ook morgen en overmorgen.

Steiner is hier niet zo concreet, want hij spreekt over:

( ) Sie lenken es hin auf irgend etwas, von dem Sie glauben, daß es das Gefühl für das Richtige im Kinde erwecken wird  ( ) 

( ) U moet het kind juist op iets richten waarvan u denkt dat het het gevoel voor het juiste in het kind zal wekken ( ) 

Dat ‘gevoel wekken’ voor ‘het juiste’ gaat niet door het kind voortdurend vermaningen en zedepreken te geven:

Das Richtige liegt gar nicht zunächst darin, daß Sie darauf ausgehen, dem Kinde Ermahnungen, Sittenregeln zu geben, sondern Sie lenken es hin auf irgend etwas, von dem Sie glauben, daß es das Gefühl für das Richtige im Kinde erwecken wird und lassen dies das Kind wiederholentlich tun. S

U moet niet denken dat het juist is wanneer u het kind voortdurend vermaningen en zedenpreken geeft; maar u moet het kind juist op iets richten waarvan u denkt dat het het gevoel voor het juiste in het kind zal wekken en u moet het kind dit dan herhaaldelijk laten doen. 

Sie müssen eine solche Handlung zur Gewohnheit erheben. 

U moet zo’n handeling tot gewoonte maken.

Nu onderscheidt Steiner nog de gewoontevorming voor het gevoel en die voor de wil:

Je mehr es bei der unbewußten Gewohnheit bleibt, um so besser ist es für die Entwickelung des Gefühls

Hoe onbewuster die gewoonte is, des te beter het voor de ontwikkeling van het gevoel is,

MEER ONBEWUST HERHALEN CULTIVEERT HET GEVOEL

Also mehr unbewußtes Wiederholen kultiviert das Gefühl;

Dus: meer onbewust herhalen cultiveert het gevoel;

MEER BEWUST HERHALEN: DE WIL

en voor de wil:

je mehr das Kind sich bewußt wird, die Tat aus Hin- gabe in der Wiederholung zu tun, weil sie getan werden soll, weil sie getan werden muß, desto mehr erheben Sie dies zum wirklichen Willensimpuls.

hoe meer het kind zich ervan bewust wordt de handeling te doen met toewijding, steeds weer, omdat het hem opgedragen is, omdat het noodzakelijkerwijs gedaan moet worden, des te meer wordt dit tot een werkelijke wilsimpuls.

vollbewußtes Wiederholen kultiviert den eigentlichen Willensimpuls, denn dadurch wird die Entschlußkraft erhöht.

herhalen bij vol bewustzijn cultiveert de eigenlijke wilsimpuls, want daardoor wordt de besluitkracht versterkt.

En van deze besluitkracht weten we, dat die samen met het voornemen en de wens, verweven is met het motief, en met het motief ontstaat pas de eigenlijke menselijke wil.

Und die Entschlußkraft, die sonst nur im Unterbewußten bleibt, wird angespornt dadurch, daß Sie das Kind bewußt Dinge wiederholen lassen. 

En de besluitkracht – die verder slechts onderbewust blijft – wordt aangespoord doordat u het kind bewust dingen laat herhalen.

Steiner zegt – het is 1919 – :

Blz. 76    vert. 75

Der heutige Mensch ist eben auf die Einmaligkeit dressiert. 

De mens van tegenwoordig is gedresseerd om dingen één keer te doen.

Dat geldt m.i. voor een eeuw later nog veel meer. We willen dat alles wat we willen, snel gaat, er snel is.
Snelle verbindingen, snel bezorgen van pakjes: nu besteld: morgen in huis. In één keer! En de grote honger naar steeds nieuwe beelden, nieuwe ervaringen, enz. is in deze tijd zoveel sterker dan in Steiners tijd. Hij vond in zijn tijd zoveel mensen al ‘wilszwak’, dat zou voor onze tijd dan ook in een nog veel grotere mate gelden!

In tegenstelling daarmee schetst Steiner a.h.w. een tijd waarin rust en regelmaat een veel grotere plaats innamen. 
Ook ik ken dat nog uit mijn jeugd. De hele week verliep min of meer in een zelfde patroon: een opeenvolging van gewoonten: ’s Maandags werd er inderdaad gewassen en op vrijdag werd het huis en de omgeving opgeruimd met het oog op de bijzondere dag: de zondag . ’s Zondags naar de kerk, ochtendbezoek bij de grootouders die voor die gelegenheid in de ‘zondagse kamer’ zaten; voor iedere maaltijd een gebed, na de maaltijd werd er een stukje uit de bijbel gelezen.
In de zekerheid die dat met zich meebracht, school een bepaalde kracht: zo gaat het en niet anders. Zo doen we dat.
Het werd tot levensgewoonte.

En hoort bij wat hij hier zegt over ‘het werd tot levensgewoonte’ ook niet het dagelijks zeggen van de morgenspreuk?

denn auf Wiederholung und bewußter Wiederholung beruht die Willenskultur.

want de cultivering van de wil berust op herhaling en bewuste herhaling.

Steiner had al iets over vermanen en moraliseren opgemerkt en aan het eind van de voordracht doet hij het opnieuw:

Es werden doch nur schwache, nervöse Menschen diejenigen, welche man zur Moral ermahnen will.

Vermanen en moraliseren kweekt toch alleen maar zwakke en nerveuze mensen.

Wat kun je dan in de klas doen?

Ik denk nu bv. aan een slordig kind dat overal alles laat slingeren en veel vergeet.
Die kun je in je klas een taak geven die elke dag uitgevoerd moet worden, laten we zeggen, de planten water geven. Of het bord mooi schoon maken. Het gaat nog niet eens om het ‘wat’, maar vooral om de regelmaat van de handeling.

Innerlich stark werden die Menschen werden, wenn man zum Beispiel zu den Kindern sagt: Du tust heute dies, und du tust heute das, und ihr beide werdet morgen und übermorgen dasselbe tun. – Da tun sie es auf Autorität hin, weil sie einsehen, daß einer in der Schule befehlen muß. Also: einem jeden eine Art Handlung für jeden Tag zuweisen, die sie dann jeden Tag unter Umständen das ganze Schuljahr hindurch, vollbringen – das ist etwas, was auf die Willensbildung sehr stark wirkt.

Innerlijk sterke mensen worden het wanneer men bijvoorbeeld tegen de kinderen zegt: jij doet vandaag dit en jij doet dat en jullie zullen morgen en overmorgen hetzelfde doen. Dan doen ze het op grond van de autoriteit van de leraar, omdat ze inzien dat er één in de school het voor het zeggen heeft.
Nogmaals: geef iedereen iedere dag iets te doen, iets wat iedere dag misschien wel een heel schooljaar lang gedaan moet worden – dat is iets wat heel sterk werkt op de vorming van de wil.

Steiner noemt hier niet – maar door schade en schande wordt men wijzer – dat je dan als leerkracht bijzonder goed moet weten welke opdracht je aan welk kind hebt gegeven en vooral: zie jij zelf dat die wordt uitgevoerd. Het is minstens ook een grote wilsoefening voor de leerkracht!

Ja, als hij het zelf consciëntieus naleeft, versterkt het de autoriteit van de leraar en schept het contact tussen de leerlingen onderling. Maar voor de relatie leraar/kind en voor de gevoels- en wilsontwikkeling van de leerling zal het geen vrijblijvend iets zijn, wanneer de leerkracht zijn aanpak versloft.

Aan het eind van de voordracht begint Steiner met wat een zeer belangrijk aspect van het vrijeschoolonderwijs is: het kunstzinnige. En omdat deze voordracht de wil als onderwerp heeft, gaat hij summier in op de samenhang van ‘wil en dit kunstzinnige’, toegespitst op de vraag:

Blz. 77  vert. 76

Warum wirkt denn ganz besonders das künstlerische Element auf die Willensbildung?

En waarom nu werkt heel in het bijzonder het kunstzinnige element op de vorming van de wil?

Dan zien we in het antwoord ‘de herhaling’ terugkomen. met name voor het gevoel: iets kunstzinnigs je eigen maken, is fijn, daar geniet je van, niet eenmalig, maar steeds weer. En als een soort voedsel voor het zielenleven wil Steiner deze kunstzinnigheid in het onderwijs een grote plaats geven.

Hij had hier nog aan toe kunnen voegen, dat in het oefenen, het steeds weer opnieuw oppakken en doorzetten, de wil wordt aangesproken, juist ook in zijn ‘hogere’ vormen: je wenst het je op deze manier te maken, bij hoe het wordt zal heel vaak doorklinken dat je het toch nog anders, mooier, beter had gewild en ook hier de herhaling: je moet er telkens weer aan beginnen, eraan werken, het vervolmaken.

Weil das ja im Üben erstens auf Wiederholung beruht, zweitens aber auch, weil dasjenige, was sich der Mensch künstlerisch aneignet, ihm immer wieder Freude macht. Das Künstlerische genießt man immer wieder, nicht nur das erste Mal. Es hat schon in sich die Anlage, den Menschen nicht nur einmal anzuregen, sondern ihn unmittelbar immer wieder zu erfreuen. Und daher haben wir das, was wir im Unterricht wollen, in der Tat zusammenhängend mit dem künstlerischen Element.

Ten eerste omdat de oefening daarin op herhaling berust, maar ten tweede omdat alles wat de mens zich op kunstzinnige wijze eigen maakt hem steeds weer vreugde schenkt. Van het kunstzinnige geniet men steeds weer en niet alleen de eerste keer. Het is het kunstzinnige eigen dat het de mens niet slechts één keer inspireert, maar steeds weer direct vreugde schenkt. En daarom hangt dat wat we met ons onderwijs beogen inderdaad samen met het kunstzinnige element.
GA 293/74-76
Vertaling/74-76

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1963-1847

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Caroline von Heydebrand (2e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN DE EERSTE KLAS TOT AAN HET NEGENDE JAAR

Het kind dat [met zijn zesde/zevende jaar op school komt, wisselt zijn tanden. De activiteit van de plastisch-beeldende krachten die aan zijn organisme werken komt tot een afronding door de blijvende tanden te laten verschijnen. Die activiteit emancipeert zich van het lichamelijk-levende [1] en wordt nu zichtbaar in een veranderde vorm in het voorstellingsleven van het schoolkind. Het kleine kind heeft tot aan de tandenwisseling zijn gevoelsleven het sterkst tot uitdrukking gebracht door de bewegingen van zijn ledematen; na de tandenwisseling leeft het meer in het ritme van de ademhaling en de bloedsomloop. [2] Met alles wat in rijm, ritme en maat zijn vorm krijgt heeft het een instinctieve relatie.
Uit de tijd van voor de tandenwisseling werkt in het kind nog na de wil om zich in beweging en gebaar van de ledematen te uiten en alles na te doen en door nabootsing zich eigen te maken wat door de gebaren van de opvoeder als uitdrukking van zijn innerlijk leven naar buiten komt.
Niet alleen met zijn menselijke omgeving, maar ook met die van de natuurwereld is het kind nog innig verbonden, het is nog niet zichzelf, het is er door de wereld.
Ieder detail van het leerplan van de eerste drie schooljaren is het gevolg van het hier maar heel schetsmatig voorgestelde wezen van het kind van zes tot negen jaar.

De tweede klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

De eerste drie schooljaren vormen door het wezen van het schoolkind van het zesde tot het negende jaar een soort eenheid. Wat in de eerste klas begonnen werd, wordt zo voortgezet dat het kind steeds levendiger en vanzelfsprekender thuisraakt in de elementen van het plastisch-beeldende en het muzikaal-taalkundige van het beginonderwijs waardoor de wereld naar hem toekomt. Daarom komt bij het leerplajn van de eerste klas er voor de tweede maar weinig bij. 

Eurythmie

Er wordt begonnen met de eigenlijke woordeuritmie, d.w.z. de euritmische vormgeving van spraakklanken, klinkers en medeklinkers door de wetmatig daarbij horende lichaamsbewegingen. Om harmoniserend op de temperamenten in te gaan, bij het ontwikkelen van intelligentie, van de gevoelsmatige beweeglijkheid en een saamhorigheidsgevoel worden moreel-pedagogische oefeningen gedaan in kleine groepen, bv. ‘Ik en jij’. 
Bij de tooneuritmie worden heel eenvoudige melodieën in de kwintomvang uitgevoerd.

Handwerken

De overstap wordt gemaakt van breien naar haken. De kinderen beginnen met het maken van verschillende kleine voorwerpen op een vrije, kunstzinnige manier.

Muziek

Bij de liedjes in de kwintstemming komen liedjes binnen het octaaf.

Rekenen

De vier rekenbewerkingen worden nu toegepast op grotere getallen en er wordt zo mogelijk veel uit het hoofd gerekend. Je hoeft er niet voor terug te schrikken om vanuit het geheugen te oefenen, want juist voor de ontwikkeling van het geheugen kan je op een verstandige manier veel door het rekenonderwijs doen. Zodra het kind bezig is z’n tanden te wisselen, laat je het de tafels van vermenigvuldigen uit het hoofd leren, nadat je het principe van het vermenigvuldigen uitgelegd en duidelijk gemaakt hebt. Ritmisch en in de maat bewegend, klappend en springend is voor het kind een steun om de tafels te leren. 
De leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit is voor het geheugen de eigenlijke periode van ontplooiing en sterker worden en in deze tijd moet dit goed worden aangepakt en worden ontwikkeld. 

Schrijven, spreken, lezen

Vanuit het tekenend schilderen van de grote Latijnse drukletters wordt het kind ertoe gebracht het Latijnse schrijfschrift te schrijven. Het leert het Latijnse drukschrift lezen.* Langzamerhand moet het kind wat hem wordt verteld, opschrijven en later, wat het over dieren, planten, weiland en bos heeft geleerd in heel korte beschrijvingen weergeven.

Taal

Grammatica.
In het sprekend-vertellende onderwijs verweef je ‘aanstekelijk’ het meest elementaire van de grammatica. Bij het lesgeven in grammatica mag bij de leraar het element van de milde humor niet helemaal ontbreken, want dan zal hij de kinderen niet belasten en vervelen. 
Je begint met het werkwoord, want dit is voor een kind heel actief. Wanneer het aan een werkwoord denkt, wil het daarbij zijn ledematen bewegen. Denkt het aan ‘timmeren’, dan wil het met zijn armen ‘timmeren’. 
Door het zelfstandig naamwoord wordt het al rustiger.
Het bijvoeglijk naamwoord laat het de eigenschappen van de dingen voelend beleven, niet willend zoals bij de werkwoorden die bij hem in de ledematen schieten.
De zelfstandige naamwoorden staan het verst van de kinderen af, ze zijn koud, abstract, pure denkobjecten. 
Op deze manier laat je de kinderen grammatica menselijk beleven. Je bespreekt op eenvoudige, aanschouwelijke manier de opbouw van zinnen. Grammatica is op deze leeftijd een subtiel bewustworden van wat het kind instinctief doet. Met de wetmatigheden van de taal kom je dichter bij de grootsheid van het Ik van de mens dat zich geleidelijk in het leven ontplooit. 

Vertelstof

Bij het vertellen en navertellen wordt de overgang gezocht van het sprookje naar de dierfabel en het dierenverhaal. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden dat het de dieren het best begrijpt wanneer ze zich als mensen gedragen. Dat nu is de fabel.
.
*Hier staat dus dat het Latijnse schrijfschrift wél aangeleerd wordt om te schrijven, maar dat er over het Latijnse drukschrift niet wordt gezegd dat dat óók geschreven zou moeten worden. 

**Hieruit blijkt dat aanvankelijk de legende nog geen deel uitmaakte van de vertelstof van de 2e klas.

.

[1] Zie over het etherlijfAlgemene menskunde

[2] Zie over bloed en ademhalingAlgemene menskunde

Het leerplan: alle artukelen

Vrijeschool in beeld alle beelden

.

1959-1843

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-6)

.

Enkele gedachten bij blz. 72 t/m 76 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

WENS, VOORNEMEN EN BESLUIT

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.

tweede mens

In het vorige artikel sprak Steiner op blz. 72 over ‘een tweede mens’ in ons, die hij op blz. 73 de ‘andere mens’ noemt, tevens de ‘betere mens’ in ons. Die neemt zich voor een verrichte handeling de volgende keer beter te doen.
Als onbewust, onderbewust voornemen zou dit altijd als ondertoon meeresoneren.

voornemen en besluit als ‘kiem’

Het blijft voor mij een moeilijk te bevatten onderwerp: dat de impuls van wat je wilt, eigenlijk pas realiteit wordt na je dood. Terwijl je toch juist heel vaak je wilsimpuls die je nu voelt, hebt, binnen niet al te lange of wellicht toch pas later, realiseert, uitvoert. Het gaat, zoals in de 2e voordracht naar voren komt, om de ‘kiem’ ervan.
Dit geldt ook voor de wens.
Wanneer deze wens in ons om iets een volgende keer beter te doen, sterker wordt, ontstaat in je het gevoel ‘om dat ook echt te gaan doen’, en dan kun je spreken van ‘een voornemen’.
In onze eigen levenservaring kennen we dat fenomeen allemaal: door de omstandigheden ben je ertoe gebracht; je bent in een situatie terechtgekomen waarin het voornemen sterker wordt: ‘En nu ga ik het zó doen!’
Wanneer je het dan daad!-werkelijk zo doet, op het punt staat om, dan kun je toch spreken van een besluit.
“Ik heb het vaste voornemen om…’ ‘Mijn besluit staat vast (om…) nemen toch een bijna concrete vorm aan.

Maar ook over dit voornemen en besluit zegt Steiner dat het in de ziel als kiem aanwezig blijft. De ziel moet eerst van het lichaam bevrijd zijn:

blz. 74  vert. 73

Und erst wenn die Seele einmal vom Leibe befreit sein wird, wird aus diesem Vorsatz der Entschluß. Der Vorsatz bleibt ganz keimhaft in der Seele liegen; dann folgt der Entschluß später nach. 

En pas wanneer de ziel eens van het lichaam bevrijd zal zijn, dan ontstaat uit dit voornemen het besluit. Het voornemen blijft in de ziel geheel als kiem aanwezig; het besluit volgt later.

zevenledige wil

Zoals we al zagen, verbindt Steiner de zevenledige wil aan de zevenledige mens.
Het instinct aan het fysieke lichaam.
Omdat we zelf ook over een fysiek lichaam beschikken, kunnen we dit instinctmatige meevoelen en beleven en dus beter begrijpen.
Dat geldt ook voor::
De drift aan het etherlijf en de begeerte aan het astraallijf.
Ook hebben we een Ik, waar het motief bijhoort.

Maar in dit leven beschikken we nauwelijks over de wezensdelen die boven het Ik uitgaan: geestzelf, levensgeest en geestmens.
Daarom is het niet eenvoudig, wellicht onmogelijk om helemaal te doorgronden hoe de samenhang is met wens, voornemen en besluit.

blz. 74   vert. 73/74

Und der Entschluß sitzt ebenso im Geistesmenschen, wie der Vorsatz im Lebensgeist und wie der reine Wunsch im Geistselbst sitzt. Fassen Sie also den Menschen als wollendes Wesen ins Auge, so können Sie alle diese Bestandteile finden: Instinkt, Trieb, Begierde und Motiv, und dann leise anklingend das, was schon im Geistselbst, im Lebensgeist und im Geistesmenschen lebt als Wunsch, Vorsatz und Entschluß.

En het besluit ligt in het gebied van de geestesmens, zoals het voornemen in de levensgeest en de zuivere wens in het geesteszelf ligt. Neemt u de mens dus als wilswezen in ogenschouw, dan kunt u alle elementen vinden: instinct, drift, begeerte en motief en dan klinkt als ondertoon mee, wat als in het geesteszelf, de levensgeest en de geestesmens leeft: wens, voornemen en besluit.

de werking van het Ik aan de wezensdelen

In [1-7-2/8] wordt er iets gezegd over: geestzelf, levensgeest en geestmens. Daarbij gaat het om de invloed die het Ik op de ons ter beschikking staande wezensdelen heeft. En kan hebben, wanneer we bewust proberen deze invloed te vergroten.
Maar  hoe moeilijk is het niet om bv. iets aan ons eigen karakter te veranderen. In wat ‘in onze aard’ ligt. Telkens weer moet je a.h.w. opnieuw beginnen. Eigenlijk kun je – ook al slaag je daarin – nooit zeggen, dat het nu genoeg is, dat je er bent, dat het goed is, zo. Het resultaat ligt, zolang je leeft, eigenlijk voortdurend in de toekomst.
Geestzelf, levensgeest en geestmens als omgewerkte wezensdelen resp. astraallijf, etherlijf en fysiek lichaam, zijn dus dit leven nooit volledig te ontwikkelen. We weten simpelweg niet wat dit ‘volledig’ is, hoe het bereikt wordt en wanneer.
En in deze sfeer bevinden zich ook wens, voornemen en besluit, die blijven hierbij eigenlijk alleen maar op een toekomst gericht die we in wezen niet kennen.

We kunnen er ons alleen een voorstelling van maken; we hebben er slechts een beeld van:

blz. 74  vert. 74

Das hat nun für die Entwickelung des Menschen eine große Bedeutung. Denn was da leise lebt als sich aufbewahrend für die Zeit nach dem Tode, das lebt sich im Bilde aus beim Menschen zwischen Geburt und Tod. Da bezeichnet man es dann mit denselben Worten. Vorstellungsmäßig erleben wir auch da Wunsch, Vorsatz und Entschluß. Aber nur dann werden wir in menschlich entsprechender Weise diesen Wunsch, Vorsatz und Entschluß erleben, wenn diese Dinge in richtiger Art heran- gebildet werden. Was Wunsch, Vorsatz und Entschluß eigentlich in der tieferen Menschennatur sind, das tritt nicht hervor beim äußeren Menschen zwischen Geburt und Tod. Die Bilder treten im Vorstellungsleben hervor. Sie wissen ja gar nicht, wenn Sie nur das gewöhnliche Bewußtsein entwickeln, was Wunsch ist. Sie haben stets nur die Vorstellung des Wunsches. 

Dat is nu van groot belang voor de ontwikkeling van de mens. Want wat daar zo voorzichtig klinkt en nog bewaard blijft voor de tijd na de dood – dat manifesteert zich als beeld in de mens tussen geboorte en dood. Men geeft het daar dezelfde namen. Ook daar beleven wij in onze voorstelling wens, voornemen en besluit. Maar we zullen deze wens, dit voornemen en dit besluit alleen op waarlijk menselijke wijze beleven, wanneer deze dingen op de juiste wijze gevormd worden. Bij de mens tussen geboorte en dood treedt niet duidelijk aan de dag wat wens, voornemen en besluit eigenlijk in de diepere natuur van de mens zijn. De beelden komen in het voorstellingsleven te voorschijn. U weet namelijk geenszins wat een wens is, wanneer u slechts het gewone bewustzijn ontwikkelt. U heeft altijd slechts de voorstelling van de wens.

blz. 75    vert.  74/75

Daher glaubt Herbart, es sei überhaupt in der Vorstellung des Wunsches schon ein Strebendes vorhanden. Beim Vorsatz ist es ebenso; vor ihm haben Sie auch nur die Vorstellung. Sie wollen so und so etwas tun, was sich real unten in der Seele abspielt, aber Sie wissen ja nicht, was da zugrunde liegt. Und nun erst der Entschluß! Wer weiß denn etwas davon?

Daarom meent Herbart [4] dat reeds in de voorstelling van de wens een streven aanwezig is. Bij het voornemen is het precies zo — ook daarvan heeft u slechts de voorstelling. U wilt iets op een of andere manier doen – en dit speelt zich ook werkelijk diep in de ziel af – maar u weet echter niet wat daaraan ten grondslag ligt. En dan het besluit – wie weet daar nu iets van?

Und dennoch muß in alle diese drei Seelenkräfte regelnd und ordnend der Unterrichter und Erzieher eingreifen.

En toch moeten opvoeder en pedagoog sturend en ordenend inwerken op deze drie zielenkrachten.

pedagogische consequenties

In GA 294 verbindt Steiner ‘de wens’ aan een pedagogische situatie:

GA 294  blz. 59  vert. blz. 68

Das wird außerordentlich gut auf das Kind in methodischer Beziehung wirken, wenn Sie ihm in den ersten Stunden davon gesprochen haben, daß es Schreiben, Lesen und Rechnen zwar jetzt noch nicht kann, aber alle diese Dinge in der Schule lernen wird. Dadurch prägt sich in dem Kinde die Hoffnung aus, der Wunsch, der Vorsatz, und es lebt sich durch das, was sie selber tun, in eine Ge­fühlswelt hinein, die wieder Ansporn ist zur Willenswelt. Also selbst das können Sie tun, daß Sie in bezug auf das Erzieherische das, was Sie später tun wollen, nicht unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern es einige Zeit in der Erwartung lassen. Das wirkt außerordentlich gün­stig auf die Willensausbildung des werdenden Menschen.

Methodisch zal het al bijzonder werkzaam zijn als u het kind in de eerste uren [5] hebt verteld dat het weliswaar nu nog niet kan schrijven, lezen en rekenen, maar dat het dat allemaal op school zal leren. Daardoor ontwikkelt zich in het kind een hoop, een wens, een voornemen. En de kinderen leven zich, door wat ze zelf doen, in een gevoelswereld in, die zelf weer een aansporing is van de wil. Dus u kunt zelfs zo te werk gaan dat u, als een pedagogische maatregel, de kinderen niet direct aanreikt wat u later gaat doen, maar ze eerst enige tijd in ‘verwachting’ laat. Dat werkt buitengewoon gunstig op de wilsontwikkeling van de opgroeiende mens.

Dan volgen er twee uitspraken die weliswaar in deze context worden gesproken, maar die een veel algemener karakter dragen: [6]

Man muß gerade mit dem arbeiten, was in den Tiefen unten in der Menschennatur sich abspielt, wenn man erziehend und unterrichtend arbeiten will.

Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.

Es ist immer außerordentlich wichtig, daß man sich als Erzieher und Unterrichter bewußt werde: Es genügt nicht, den Unterricht einzurichten nach dem gewöhnlichen Menschenverkehr, sondern man muß diesen Unterricht aus der Erfassung des in- neren Menschen heraus gestalten.

Het is buitengewoon belangrijk dat men zich als opvoeder en pedagoog er steeds van bewust is, dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Steiner gaat nu in op wat het betekent het onderwijs in te richten ‘volgens de gewone omgangsnormen’ en neemt als voorbeeld ‘het gangbare socialisme’ in Rusland.
Op zich een interessante uiteenzetting, maar in 2019 kan dit geen voorbeeld meer zijn voor ‘de inrichting van het onderwijs volgens de gewone omgangsnormen’.

We zouden voorbeelden moeten vinden waarbij sprake is van dat er iets in het vrijeschoolonderwijs wordt of moet worden ingevoerd.
En bij het ‘hoe’ in te voeren, zou het uitgangspunt dan o.a. moeten zijn: dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Hoe kun je ‘computerles’ geven, vormgegeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Er zijn ook leerkrachten die van mening zijn dat yoga en/of mindfulness op de vrijeschool gegeven zouden moeten worden.
Welke inzichten in de innerlijke mens geven daarvoor een basis?

En is deze opmerking uit de context te lichten om deze in een groter verband ook serieus te nemen?:

blz. 76   vert. 76

Hier muß besonders achtgegeben werden. Es müssen Menschen da sein, welche wissen, daß der Fortschritt nach der sozialen Seite ein um so intimeres Erfassen des Menschen von seiten der Erziehung fordert. Daher muß man wissen, daß gerade von dem Zukunftserzieher und unterrichter das Innerste der Menschennatur angefaßt werden muß, daß man mit diesem In- nersten der Menschennatur leben muß und daß der gewöhnliche Verkehr, wie er sich zwischen den Erwachsenen abspielt, nicht im Unterricht angewendet werden darf.

Dit vraagt om de grootst mogelijke oplettendheid. Er moeten mensen zijn die weten dat vooruitgang in sociaal opzicht van de kant van de opvoeders een des te intiemer inzicht in de mens vereist. Daarom moet men weten dat juist de opvoeder en de pedagoog van de toekomst tot de innerlijke kern van de menselijke natuur moeten doordringen, dat men met deze kern moet leven en dat de gewone manier van omgaan tussen volwassenen onderling niet in het onderwijs mag worden toegepast.

Zou dit ‘in sociaal opzicht’ niet ook gewoon weggelaten kunnen worden, geldt dit niet algemener in de zin van ‘iedere ontwikkeling van het kind?’

Steiner komt met nóg een voorbeeld, dat sterk doet denken aan de in de jaren zeventig van de vorige eeuw populaire ‘anti-autoritaire opvoeding’. 

blz. 77  vert. 76:

Was will man denn heute nach dem sogenannten sozialistischen Programm? – Man will die Kinder so miteinander in Verkehr treten lassen, wie es bei den Erwachsenen der Fall ist. Das aber ist das Falscheste, was man in der Erziehung tun kann. Man muß sich bewußt sein dessen, daß das Kind noch etwas ganz anderes an Seelenkräften und auch an Körperkräften zu entwickeln hat, als die Erwachsenen im Wechselverkehr mit- einander zu entwickeln haben. 

Want wat wil men dan tegenwoordig volgens dat zogenaamde socialistische programma? Men wil dat de kinderen op dezelfde manier met elkaar omgaan als volwassenen dat doen doen. Maar dat is de grootste fout die men in de opvoeding kan maken. Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar.

In een volgend artikel [nog niet oproepbaar] gaat Steiner dieper in op het verschil volwassene-kind.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] In o.a. GA 297 gaat Steiner nader in op Herbart – vertaald op deze blog blz.23
[5] Rudolf Steiner over de 1e klas – het eerste uur
[6] Deze ‘algemene’ uitspraken binnen een bepaalde context heb ik verzameld onder de naam: Rudolf Steiner – wegwijzers

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1946-1830

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-5)

.

Enkele gedachten bij blz. 70 – 73 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.

Het vorige artikel werd beeindigd met:

blz. 70  vert. blz. 70

Dadurch, daß wir sagen, im Menschen lebt noch von der Tierwelt her Instinkt, Trieb und Begierde, aber er erhebt diese zum Motiv, dadurch haben wir, wenn wir vom Willen sprechen, dasjenige, was beim gegenwärtigen Menschen vorliegt. Das ist deutlich vorhanden. Und wer überhaupt den Menschen beobachten wird hinsichtlich seiner Willensnatur, der wird sich sagen: Weiß ich beim Menschen, was seine Motive sind, so erkenne ich ihn. Aber nicht ganz!

We kunnen het nu als volgt formuleren: instinct, drift en begeerte uit de dierenwereld leven ook nog in de mens, maar de mens verheft deze tot motief. Daarmee is beschreven hoe de wil zich in de mens van nu manifesteert. Dat is duidelijk aanwezig. En wie de wil in de mens van alle kanten observeert, zal kunnen zeggen: weet ik van een mens wat zijn motieven zijn, dan ken ik hem. Maar niet volledig!

Op het eerste gezicht lijkt dit een verrassende wending: als je toch weet wat de mens aan motieven heeft, ‘hoe hij erover denkt’, ‘wat zijn diepste drijfveren zijn’, dan ken je hem toch?
Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Ook de Griekse filosoof Heraclitus wist al dat het niet mogelijk is de menselijke ziel af te bakenen: ‘De grenzen van de ziel kunt gij niet vinden, al doorloopt gij elke weg: zo diepe grond heeft zij.’

Dus, het kennen van je eigen motieven en die van een ander, is nog niet het volledig kennen van jezelf en/of die ander. Volgens Steiner klink er een zachte ondertoon mee.

In het dagelijks leven hebben we daar weleens mee te maken. Iemand legt je iets uit waarom hij het zus of zo wil. Maar je voelt door de woorden heen, dat er nog iets anders is. En als we daar naar vragen, zeggen we: ‘Maar wat WIL je nou. Of ‘wat wil je nou EIGENLIJK (echt)?’. M.a.w., er lijkt op de achtergrond nog wel een verborgen soort motief mee te doen.
Een drijfveer: die enerzijds naar de (etherische) drift kan gaan of naar de geestdrift.
Enerzijds brengt je dat dus weer bij de begeerte vanuit het lichamelijke, maar Steiner onderscheidt nog een andere vorm:

wens

blz. 71  vert. 71

Da ist zunächst eines, das auch, wenn wir Motive haben, immer noch im Willen wirkt, der Wunsch. Ich meine jetzt nicht die stark ausgeprägten Wünsche, aus denen dann die Begierden sich bilden, sondern jenen leisen Anklang von Wünschen, die alle unsere Motive begleiten. Sie sind immer vorhanden. Dieses Wünschen nehmen wir besonders dann stark wahr, wenn wir irgend etwas ausführen, das einem Motive in unserem Willen entspringt, und wenn wir zuletzt darüber nachdenken und uns sagen: Was du da ausgeführt hast, das könntest du noch viel besser ausführen. –

Ten eerste is er iets dat altijd nog — ook wanneer we motieven hebben — in de wil werkt: dat is de wens. Ik bedoel nu niet overduidelijke wensen waaruit de begeerten zich ontwikkelen, maar die vage wensen die al onze motieven vergezellen. Die zijn altijd aanwezig. We nemen dit vooral waar, wanneer we iets doen wat voortvloeit uit een motief in onze wil en er dan tenslotte over nadenken en bij onszelf zeggen: wat je gedaan hebt, zou je nog veel beter kunnen doen.

Wanneer we nog eens teruggaan naar de tweede voordracht en zien hoe Steiner daarin over ‘voorstelling en wil’ spreekt, kan het ons nu opvallen dat ook hier – zonder dat Steiner het in deze voordracht met name noemt, de wil weer laat samengaan met ‘iets’ wat nog niet af is: ‘je had het nog beter kunnen doen’. Het is wel een realiteit wat je gedaan hebt, maar eigenlijk ben je er nog niet.

Wat de voorstelling betreft: die is er juist wél. Die is af, de inhoud van de voorstelling was ooit werkelijkheid – denk nog even aan de poster van de lekkere taart en de echte taart – hier kan voor de toekomst niets meer gebeuren: we spreken niet voor niets van ‘kant-en-klare begrippen’.

Op dit verschil wijst Steiner wanneer hij zegt:

blz. 71    vert. 70/71

Ich bitte Sie jetzt, genau zu unterscheiden, was ich mit diesem Anklingenden beim Willensimpuls meine, von dem, was mehr vorstellungsgemäß ist. Was mehr vorstellungsgemäß ist beim Willensimpuls, das meine ich jetzt nicht.

Ik vraag u nu om heel nauwkeurig een onderscheid te maken tussen dat wat ik met deze ondertoon bij de wilsimpuls bedoel, en dat wat meer tot het gebied van de voorstelling behoort. Wat meer voorstelling is bij een wilsimpuls – dat bedoel ik nu niet.

Die voorstellingskant – dit kant-en-klare – bedoelt hij hier niet: 

Sie können zum Beispiel die Vorstellung haben: Das war gut, was ich da gewollt oder getan habe , oder Sie können auch eine andere Vorstellung haben. Das meine ich nicht, sondern ich meine jetzt das, was eben willensmäßig noch leise anklingt.

U kunt bijvoorbeeld deze voorstelling hebben: wat ik daar gewild of gedaan heb, was goed, of iets anders. Dat bedoel ik niet; ik bedoel nu dat wat wilsmatig zacht meeklinkt. 

Wat ik daar gewild of gedaan heb, was goed’ is een voorstelling die niet meer tot een nieuwe wilsimpuls leidt: het is goed zo. Of wat meer gelaten: ‘het is wel goed’, ‘dit is het wel.’
Het is genoeg. Voor jezelf is het genoeg. En de taal wijst al in een richting van een bepaalde vorm van ‘tevreden met jezelf’ in het woord ‘genoegzaamheid’, ‘zelfgenoegzaamheid’. Het egoïsme waar Steiner op doelt.

Over deze vorm van tevredenheid merkt Steiner op:

Aber gibt es denn etwas, was wir im Leben tun, bei dem wir nicht das Bewußtsein haben könnten, daß wir es noch besser ausführen könnten? Es wäre traurig, wenn wir mit irgend etwas vollständig zufrieden sein könnten, denn es gibt nichts, was wir nicht auch noch besser machen könnten. Und dadurch gerade unterscheidet sich der in der Kultur etwas höherstehende Mensch von dem niedriger stehenden, daß der letztere immer mit sich zufrieden sein möchte. Der Höherstehende möchte nie mit sich so richtig zufrieden sein, weil ein leiser Wunsch nach Bessermachen, sogar nach Andersmachen, immer mitklingt als Motiv.

Maar is er wel iets wat we in het leven doen, waarbij we niet het bewustzijn zouden kunnen hebben dat we het nog beter zouden kunnen doen. Het zou treurig zijn wanneer we met iets voor honderd procent tevreden zouden zijn, want er is niets wat we niet nog beter zouden kunnen doen. En daarin ligt nu juist het onderscheid tussen de wat meer hoogstaande mens in de cultuur en de minder hoogstaande. De laatste wil altijd graag tevreden zijn met zichzelf. De meer hoogstaande wenst nooit met zichzelf echt tevreden te zijn, omdat altijd als een ondertoon de wens om het beter te doen, ja zelfs anders te doen, meeklinkt als motief.

Ik bewandel nu even een zijweggetje.
Toen ik eens in een eerste klas ‘rekende met temperamenten’, ging daar een grondige bestudering van Steiners aanwijzingen (GA 295) aan vooraf. Ik heb een ervaring die ik daarmee opdeed, hier beschreven. Wat Steiner daar over de kinderziel van de cholericus beschreef, werd in mijn rekenles realiteit. Steiner heeft zo’n rekenles nooit aan kinderen van die leeftijd gegeven. Zijn uitspraken zijn dus op inzicht in het kinderwezen gebaseerd. 
Ik heb vaker iets meegemaakt in het leven waarover Steiner vanuit zijn inzicht in de mens – zijn mensenkennis, zeg maar – iets heeft opgemerkt wat volledig bij mijn ervaringen paste: het klopt(e) ‘gewoon’.

En ook deze opmerkingen heb ik ‘aan den lijve’ ondervonden:

Auf diesem Gebiete wird ja viel gesündigt. Die Menschen sehen etwas wer weiß wie Großes darin, wenn sie eine Handlung bereuen. Das ist aber nicht das Beste, was man mit einer Handlung anfangen kann, denn die Reue beruht vielfach auf einem bloßen Egoismus: man möchte etwas besser getan haben, um ein besserer Mensch zu sein. Das ist egoistisch. Unegoistisch wird unser Streben erst dann, wenn man nicht die schon vollbrachte Handlung besser haben möchte, sondern wenn man viel größeren Wert darauf legt, in einem nächsten Falle dieselbe Handlung besser zu machen. Der Vorsatz, den man so faßt, die Anstrengung, das nächste Mal eine Sache besser zu machen, ist das Höchste, nicht die Reue. Und in diesen Vorsatz klingt der Wunsch noch hinüber, so daß wir uns wohl die Frage stellen dürfen: Was ist es, was da mitklingt als Wunsch? 

Op dit gebied wordt er veel gezondigd. De mensen beschouwen het als ik weet niet wat voor grote daad, wanneer ze berouw hebben over een handeling. Maar dat is niet het beste wat je met een handeling kunt doen. Want het berouw berust dikwijls op puur egoïsme. Men had iets beter willen doen om een beter mens te zijn. Dat is egoïstisch. Maar ons streven wordt pas bevrijd van egoïsme, wanneer men niet de al uitgevoerde handeling beter gedaan wenst te hebben, maar wanneer men er veel grotere waarde aan hecht dezelfde handeling de volgende keer beter uit te voeren. Dit voornemen, deze inspanning om iets de volgende keer beter te doen – dat is het hoogste en niet het berouw. En in dit voornemen klinkt ook bovengenoemde wens door, zodat we ons werkelijk mogen afvragen wat daar toch als wens meeresoneert.

Hoe vaak maken we in ons werk tussen de kinderen niet mee, dat een kind iets heeft gedaan wat het niet had moeten/mogen doen. We zijn snel geneigd in ons optreden het kind spijt te laten betuigen over zijn (wan)daad. Is het niet zo, dat wanneer het dan braaf  ‘ja’  zegt, we in wezen dit egoïsme van een beter mens te willen zijn, cultiveren, door onze manier van vragen? 
Zou het in dit opzicht, met het oog op de toekomst, niet beter zijn om met het kind in kwestie een toekomstsituatie te schetsen waarin hij weer de gelegenheid krijgt zo te handelen zoals hij deed, of….een handeling te kiezen die juist een totaal andere is: ‘En als je nu weer ruzie krijgt met X, ga je dan weer met zand gooien? Wat ga je dan wél doen?

Nadat ik dit alles tot me had laten doordringen, heb ik in voorkomende gevallen altijd voor en met het kind, gezocht naar een toekomstimpuls. Wat ga je doen, wat neem je je nu voor.
‘Dit voornemen, deze inspanning om iets de volgende keer beter te doen – dat is het hoogste en niet het berouw.’

In GA 294 verbindt Steiner ‘de wens’ aan een pedagogische situatie:

GA 294  blz. 59  vert. blz. 68

Das wird außerordentlich gut auf das Kind in methodischer Beziehung wirken, wenn Sie ihm in den ersten Stunden davon gesprochen haben, daß es Schreiben, Lesen und Rechnen zwar jetzt noch nicht kann, aber alle diese Dinge in der Schule lernen wird. Dadurch prägt sich in dem Kinde die Hoffnung aus, der Wunsch, der Vorsatz, und es lebt sich durch das, was sie selber tun, in eine Ge­fühlswelt hinein, die wieder Ansporn ist zur Willenswelt. Also selbst das können Sie tun, daß Sie in bezug auf das Erzieherische das, was Sie später tun wollen, nicht unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern es einige Zeit in der Erwartung lassen. Das wirkt außerordentlich gün­stig auf die Willensausbildung des werdenden Menschen.

Methodisch zal het al bijzonder werkzaam zijn als u het kind in de eerste uren hebt verteld dat het weliswaar nu nog niet kan schrijven, lezen en rekenen, maar dat het dat allemaal op school zal leren. Daardoor ontwikkelt zich in het kind een hoop, een wens, een voornemen. En de kinderen leven zich, door wat ze zelf doen, in een gevoelswereld in, die zelf weer een aansporing is van de wil. Dus u kunt zelfs zo te werk gaan dat u, als een pedagogische maatregel, de kinderen niet direct aanreikt wat u later gaat doen, maar ze eerst enige tijd in ‘verwachting’ laat. Dat werkt buitengewoon gunstig op de wilsontwikkeling van de opgroeiende mens.

De begrenzing van het leven is voor Steiner niet de geboorte, maar ook niet de dood. Hij spreekt over het ‘vóór-geboortelijke’ en het ‘na de dood’. In de tweede voordracht komt dat aspect uitvoerig aan de orde.
Over de wil wordt dan gezegd dat deze als impuls pas na de dood realiteit wordt. Dat blijft voor mij een niet te controleren uitspraak, die overigens heel goed past binnen de kaders waarin deze wordt uitgelegd. 
Het is dus bijna vanzelfsprekend dat ook in deze vierde voordracht dit aspect van ‘na de dood’ weer aan bod komt. 

De wens – zoals Steiner deze nu heeft omschreven, is het eerste element van alles wat er na de dood overblijft:

blz. 72      vert. 71/72

Für den, der die Seele wirklich beobachten kann, ist es das erste Element von alledem, was nach dem Tode übrigbleibt. Es ist etwas von dem Rest, was wir fühlen: Wir sollten es besser gemacht haben, wir wünschten es besser zu machen.

Voor wie de ziel werkelijk kan waarnemen is het het eerste element van alles wat er na de dood overblijft. Wat er overblijft is onder andere het gevoel: wij hadden het beter moeten doen, we wensten het beter te doen.

Wanneer we deze ‘wens’ een plaats willen geven in het schema van de zevenledige mens, hoort deze bij het ‘geest(es)zelf’. Dit aspect van de menselijke ziel – behorend bij de bewustzijnsziel – noemde Steiner al even op blz. 65 en in de eerste voordracht. [1-7-2/7]  en [1-7-2/8]

Naast de vele karakteriseringen over het geestzelf, zijn er een aantal die de werking van het Ik beschouwen, wanneer dit aan een ‘hogere’ ontwikkeling werkt. ‘Hoger’ in de zin van ‘niet voor het lichamelijk-gevoelsmatige’, maar voor wat aan geestelijk inzicht ons verder kan helpen bij het bv. minder afhankelijk worden van bepaalde lichamelijk-etherische aspecten; of wanneer wij ons openstellen voor ‘waarheid, schoonheid, goedheid’. 

Het gaat dus nu vooral om ‘het beter(e)’ te doen, om het voornemen daartoe:

blz. 72    vert. 72

Nun kann sich der Wunsch mehr konkretisieren, kann deutlichere Gestalt annehmen. Dann wird er dem Vorsatz ähnlich. Dann bildet man sich eine Art Vorstellung davon, wie man die Handlung, wenn man sie noch einmal machen müßte, besser machen würde. Aber auf die Vorstellung lege ich nicht den großen Wert, sondern auf das Gefühls- und Willensmäßige, das jedes Motiv begleitet, das Motiv: das nächste Mal in ähnlichem Falle etwas besser zu machen. Da kommt bei uns das sogenannte Unterbewußte des Menschen zu starker Auswirkung. In Ihrem gewöhnlichen Bewußtsein werden Sie nicht, wenn Sie heute aus Ihrem Willen heraus eine Handlung vollführen, immer eine Vorstellung davon entwerfen, wie Sie das nächste Mal eine ähnliche Handlung besser ausführen können. Der Mensch aber, der noch in Ihnen lebt, der zweite Mensch, der entwickelt – allerdings jetzt nicht vorstellungsgemäß, sondern willensgemäß – immer ein deutliches Bild von dem, wie er die Handlung, wenn er noch einmal in derselben Lage wäre, ausführen würde. Unterschätzen Sie ja nicht eine solche Erkenntnis! Unterschätzen Sie überhaupt nicht diesen zweiten Menschen, der in Ihnen lebt.

Nu kan de wens zich meer concretiseren en duidelijker vorm aannemen. Dan gaat hij lijken op het voornemen. Dan vormt men zich een soort voorstelling hoe men de handeling beter zou doen, wanneer men die nog eens zou moeten uitvoeren. Maar niet zozeer de voorstelling is hierbij van belang – wel het gevoels- en wilsmatige waarmee ieder motief gepaard gaat, namelijk het motief om iets de volgende keer in een soortgelijk geval beter te doen. Daarbij komt het zogenoemde onderbewuste van de mens sterk tot uitdrukking. Wanneer u vanuit uw wil iets doet, zult u zich met uw gewone bewustzijn niet altijd voorstellen hoe u dat de volgende keer beter kunt doen. Maar de andere mens in u, de tweede mens,* die ontwikkelt — en wel niet in de voorstelling, maar in de wil — altijd een duidelijk beeld hoe hij de handeling zou uitvoeren wanneer hij zich nog eens in dezelfde situatie zou bevinden. Onderschat u een dergelijk inzicht niet! U moet deze tweede mens in u trouwens helemaal niet onderschatten.

*de tweede mens: Deze uitdrukking, die Steiner vaker gebruikt, kan al naar gelang de context verschillende betekenissen hebben; hier spreekt Steiner vermoedelijk over het astrale lichaam, waarvan een deel gelouterd is en een ander deel het geestzelf al in zich draagt. Vgl. Theosofie**

** citaten daaruit in bovengenoemde verwijzingen naar voordracht 1

Al eerder heeft Steiner in deze voordracht de ontoereikendheid van de psychologie genoemd. Hoe het er nu met de psychologie voorstaat in vergelijking tot die in Steiners tijd, zal nog worden belicht [artikel nog niet oproepbaar]; nu corrigeert hij a.h.w. ook de ‘psychoanalyse’ van zijn tijd. Ook daaraan wordt nog apart aandacht besteed [artikel nog niet oproepbaar].

Zijn uiteenzetting over ‘wens’ sluit hij op blz.. 73 voorlopig af:

blz. 74   vert. 73 

In jedem Menschen sitzt unten, gleichsam unterirdisch, der andere Mensch. In diesem anderen Menschen lebt auch der bessere Mensch, der sich immer vornimmt, bei einer Handlung, die er begangen hat, in einem ähnlichen Falle die Sache das nächste Mal besser zu machen, so daß immer leise mitklingt der Vorsatz, der unbewußte, unterbewußte Vorsatz, eine Handlung in einem ähnlichen Falle besser auszuführen.

In ieder mens schuilt als het ware onderaards de andere mens. In deze andere mens leeft ook de betere mens die zich steeds voorneemt een verrichte handeling de volgende keer beter te doen, zodat dat onbewuste, onderbewuste voornemen altijd als ondertoon meeresoneert.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295

Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1943-1827

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Caroline von Heydebrand (1e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

het schoolkind van de eerste klas tot aan het negende jaar

Het kind dat [met zijn zesde/zevende jaar op school komt, wisselt zijn tanden. De activiteit van de plastisch-beeldende krachten die aan zijn organisme werken komt tot een afronding door de blijvende tanden te laten verschijnen. Die activiteit emancipeert zich van het lichamelijk-levende [1] en wordt nu zichtbaar in een veranderde vorm in het voorstellingsleven van het schoolkind. Het kleine kind heeft tot aan de tandenwisseling zijn gevoelsleven het sterkst tot uitdrukking gebracht door de bewegingen van zijn ledematen; na de tandenwisseling leeft het meer in het ritme van de ademhaling en de bloedsomloop. [2] Met alles wat in rijm, ritme en maat zijn vorm krijgt heeft het een instinctieve relatie.
Uit de tijd van voor de tandenwisseling werkt in het kind nog na de wil om zich in beweging en gebaar van de ledematen te uiten en alles na te doen en door nabootsing zich eigen te maken wat door de gebaren van de opvoeder als uitdrukking van zijn innerlijk leven naar buiten komt.
Niet alleen met zijn menselijke omgeving, maar ook met die van de natuurwereld is het kind nog innig verbonden, het is nog niet zichzelf, het is er door de wereld.
Ieder detail van het leerplan van de eerste drie schooljaren is het gevolg van het hier maar heel schetsmatig voorgestelde wezen van het kind van zes tot negen jaar.

De eerste klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Euritmie

De bewegingskunst van de euritmie sluit in de eerste drie jaar aan bij de muziek en bij de meetkundige en getekende vormen die de kinderen ritmisch lopend, vormen. Voor de eerste klas komt in het bijzonder in aanmerking: ritmisch lopen en klappen, ritmische spelen en sprookjesspelen in dichtvorm en staafoefeningen. De tooneuritmie begint binnen de eerste vijf tonen. De kinderen luisteren naar de tonen en  voeren de lichaamsbewegingen uit die daar wetmatig bijhoren.

Handwerken

Jongens en meisjes leren breien met twee naalden. De door het breien verzorgde handigheid van de handen werkt mee aan het ontstaan en de vorming van het intellect. Naast het breien worden vorm- en kleurzin door verschillende oefeningen gestimuleerd.

Heemkunde

Heemkunde heeft de opdracht het dromende kind langzamerhand wakker te maken voor zijn omgeving, zodat het bewuster leert zich te verbinden met zijn omgeving. Wat men hem tot bewustzijn brengt en zijn begrip groter maakt voor bekende planten, dieren, stenen, voor bergen, rivieren, weiden enz. mag door de leraar, passend bij de leeftijdsfase van het kind, niet abstract beschrijvend, maar op een fantasievolle morele manier gebracht worden. Hemel, wolken, sterren, bloemen, dieren, stenen enz. moeten, net zoals in de sprookjes, levend met elkaar sprekend, hun grootheid, hun deemoed, hun mededogen of hun wildheid enz., enz., uitspreken en laten gelden.

Lezen

Het kind leert tekenend eerst de hoofdletters van het Latijnse drukschrift kennen en wordt in de eerste klas slechts zover gebracht dat het niet helemaal vreemd staat tegenover wat er gedrukt is. Er hoeft niet iets bereikt te worden wat al helemaal afgesloten is.

Muziek

Allereerst worden de kinderen in het beleven van de kwinten gebracht. Het chaotische muzikale beleven wordt langzamerhand vanuit het bewegen overgeleid naar het innerlijk gebonden muzikale voelen. Alle muzikale middelen worden benut voor de werking en harmonisering van de kinderlijke gevoelskrachten. Het gevoel voor mooi en niet-mooi wordt verzorgd, er worden eenvoudige gehoorsoefeningen gedaan, het kind krijgt eenvoudig het ritmisch-melodische aangeboden. Door afwisseling van zelfwerkzaamheid en luisteren leert het kind muziekstukjes kennen die bij zijn leeftijd horen.
Er worden liedjes binnen de kwint gezongen. Zo gauw mogelijk krijgt het kind een instrument.

Niet-Nederlandse talen

Engels en Frans.
Al in deze laagste klassen beginnen we met twee niet-Nederlandse talen. De nabootsingsdrang die op deze leeftijd nog heel sterk is, en de plasticiteit van de spraakorganen van het kind die het bij het leren van de moedertaal ten dienste staan, moeten ook bij het leren van een niet-Nederlandse taal niet onbenut worden gelaten. In de eerste drie schooljaren leert het kind spreken door het spreken. Het leert liedjes, kringspelen, gedichten die in de eerste plaats het ritme, de melodie en de klank van de niet-Nederlandse taal voor hem doen klinken. Kleine gesprekjes worden gestimuleerd. Er wordt geen grammatica behandeld.

Rekenen

De vier rekenbewerkingen allereerst met de getallen tot 20; dan wanneer het mogelijk is leren we tot 100, het kunstzinnige gevoel volgend, uitgaan van het geheel naar de delen, dus bv. de optelling uitgaand van het totaal (de som), de vermenigvuldiging vanuit het product enz. 
In het leven ziet de mens ook allereerst het geheel en dan merkt hij de delen op. De manier waarop een kind leert rekenen, vormt de hersenen van de volwassenen. 
En of het dan later samenhangend denkt of atomistisch, hangt in grote mate af van het eerste rekenonderwijs. Het is ook van grote morele betekenis of een kind in het begin een aantal appels schenkend verdeelt of dat het in de optelling eerst de appels een voor een voor zichzelf leert pakken. Steeds zal de leerkracht ernaar streven door het onderwijs op te voeden en intens te werken aan het karakter en temperament. 
Ritmisch bewegen, lopen, klappen, springen zal het kind op een goede manier tot tellen brengen.

Schilderen en tekenen

Het kind wordt in de wereld van de plastisch-beeldende krachten binnengeleid door schilderen en tekenen. Het ontwikkelt een gevoel voor kleur doordat het de zuivere kleur in harmonie en disharmonie schilderend beleeft en naar de vormen kijkt als het werk van de kleuren. Lijnen leert het eerst ervaren als het grensvlak van kleuren. Het tekenen wordt enerzijds ontwikkeld uit het schilderen, anderzijds echter uit het beleven van de mens die zelf beweegt.
Recht en rond wordt ervaren in het lopen van rechte en gebogen lijnen, in het plastisch nagaan van de vormen met de hand in de lucht. Een innerlijk vormgevoel wordt gecultiveerd. Wanneer het kind een cirkel, een ellips, een lemniscaat enz.loopt en tijdens het lopen de vormen maakt, en die dan tekent, voelt het dat er overal iets anders aan de curven valt te beleven. Het leert de taal van de vormen begrijpen. Het alleen maar namaken van uiterlijk gegeven voorwerpen wordt zoveel mogelijk vermeden,

Schrijven

Uit het schilderende tekenen wordt het schrijven ontwikkeld. Aanvankelijk heeft het kind geen verbinding met de lettertekens. De mensheid zelf had ook niet meteen de letters, maar deze hebben zich langzaam ontwikkeld uit een aanschouwelijk beeldschrift. Confronteert men het kind meteen met het conventionele schrift, dan maak je het voortijdig oud.[3] De wordende mensennatuur vraagt dat je vanuit het kunstzinnige naar het intellectuele gaat, van de bewegingen van de hand naar het hoofd, van schilderen en tekenen naar schrijven en lezen. Je laat bv. het kind in de V de vorm van de vogel namaken en zo geef je het kind het schrift eerst in beeldrijke vormen. De hand moet schrijvend uitvoeren wat het oog met plezier heeft gezien. Het oog moet de pen met liefde leiden. Dan wordt het schrijven karakteristiek mooi. Je moet het kind in de eerste klas zover brengen dat het op een eenvoudige manier wat je het zo voorspreekt of wat het zelf bedenkt, op papier kan zetten.

Spreken

De overgang van dialect naar de standaardtaal wordt gemaakt door vertellen en navertellen. Daarbij mag de leraar niet vergeten dat in het dialect nog een vele malen levendigere taalgeest leeft dan in de gangbare omgangstaal en daarom moet hij wat het spreken van de kinderen betreft zich liefdevol en niet schoolmeesteerachtig pedant opstellen.
De kleurige beelden van de sprookjes die de voorstellingskracht van het kind stimuleren en waarin in kunstzinnige beelden de dieptste geheimen van de mensheid verborgen zitten, maar ook de waarneembaar uiterlijk-realistische werkelijkheid biedcn voor deze klas de vertelstof.
Alles heeft op het kind een uitwerking wat door de leerkracht, vormgegeven vanuit zijn volle gevoel, met innerlijke waarachtigheid doorleefd en met een goed gevormde, heldere en duidelijke taal, voor de aparte temperamenten van de kinderen op een verschillende manier gekleurd en beleefd, aangeboden wordt. 

Bij de gedichten die de leraar voor deze leeftijd kiest, zal hij vooral op de kunstzinnige vorm, de melodie van de spraak, op ritme, rijm en maat letten.
Het komt er heel erg op aan om schijnbaar los van elkaar staande gebieden van de onderwijsstof in elkaar te laten overgaan en als eenheid samen te vatten. 
Zo kan bv. het taalgevoel van het kind voor lange, scherpe klanken enz., lang voordat dit gevoel bij het foutloos schrijven toegepast gaat worden, door zingen verzorgd worden.

Tekenen

Zie schilderen

Vertelstof

De kleurige beelden van de sprookjes die de voorstellingskracht van het kind stimuleren en waarin in kunstzinnige beelden de dieptste geheimen van de mensheid verborgen zitten, maar ook de waarneembaar uiterlijk-realistische werkelijkheid biedcn voor deze klas de vertelstof. (Zie onder ‘spreken’)

.

[1] Zie over het etherlijf: Algemene menskunde

[2] Zie over bloed en ademhaling: Algemene menskunde

[3] Zie over voorstelling en verleden: Algemene menskunde

Het leerplanalle artikelen

1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld alle beelden

.

1942-1826

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 8

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]   [2]  [3] [4]  [5]  [6]  [7]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

.
Inhoudsopgave

Blz. 201 e.v.: antroposofie/geesteswetenschp als bevruchtende basis voor de pedagogie;
Scholing geesteswetenschsp net zo streng als bij natuurwetenschap; voorwaarden voor de scholing;
Blz. 204: natuurwetenschap aanhangen: gevolgen voor de werkelijkheid
Blz. 205: doel: het raadsel van de opgroeiende mens leren kennen door geesteswetenschap
Blz. 206; om de mens te begrijpen hebben we naast het woord onsterfelijkheid ook het woord ongeborenheid nodig; bijzonderheden van de ziel werken in op het fysieke lichaam;
Blz. 208: het belang van de tandenwisseling; geheugen: vrijkomende opbouwkrachten aan het lichaam;
Blz. 209: schrijven en lezen uit beelden; periodeonderwijs;
Blz. 211: geesteswetenschap kan aan de gangbare pedagogie ped/did. handgrepen geven; kind rond 9e jaar;
Blz. 212: kind: een geestelijk wezen dat zich hier belichaamt; wij helpen daaraan mee;
Blz. 213: onsterfelijkheid en beeld van de vlinder: hoe sta je zelf tegenover dit beeld en het belang daarvan; werkzaamheid van het imponderabele;
Blz. 214: het banale van dat een kind alleen maar moet leren wat het begrijpt;
Blz. 215: het belang van nabootsing; van geliefde autoriteit;
Blz. 216: geesteswetenschap kan je een goede basis geven voor wat je doen moet met het kind; de vrijeschool wil geen wereldbeschouwelijke school zijn; godsdienstonderwijs door de vertegenwoordigers van de verschillende kerken;
Blz. 217: euritmie: v oor de inhoud: zie Steiner over euritmie GA 297
Blz. 218: eurtimei\\ie: bezielde gymnastiek;
Blz. 219: wat is dichten, reciteren; gymnastiek dient alleen het uiterlijk fysiek organisme
Blz. 220: euritmie: verplicht schoolvak; mens heeft initiatiefkracht nodig

Pedagogisch-didactische Kunst und die Waldorfschule,
Dornach 8 september 1920
.

blz. 197

Zuerst darf ich Ihnen, die Sie erschienen sind als die Lehrerschaft unserer nächsten nachbarlichen Umgebung, meine herzliche Freu­de ausdrücken, und ich bin überzeugt davon, daß diejenigen, die tätig Anteil nehmen an unserem Goetheanum und allem, was damit zusammenhängt, mit mir voll übereinstimmen, wenn ich Sie im Namen dieses Goetheanums und seiner Arbeitenden heute herz­lichst begrüße und Ihnen ausspreche, daß wir uns außerordentlich freuen, Sie hier zu Gaste zu haben.
Es ist der Wunsch ausgesprochen worden, daß ich vor unserer eurythmischen Aufführung einiges gerade von dem bespreche, was sich im Gefolge unserer geisteswissenschaftlichen Bestrebungen für die pädagogische Kunst und für das Schulwesen ergibt und zum Teil auch schon praktisch ergeben hat. Vorher aber lassen Sie mich noch eine allgemeinere Bemerkung machen.
Sehen Sie, dasjenige, was hervorgehen soll auch in pädagogischer Beziehung und in didaktischer Hinsicht aus unserer anthropo­sophisch gemeinten Geisteswissenschaft, das hat ja im Grunde ge­nommen heute noch wenig wirklich verständnisvolle Vertreter in der Welt;

Pedagogisch-didactische kunst en de vrijeschool

Eerst mag ik aan u die hier naartoe bent gekomen als de lerarengroep uit onze directe naburige omgeving, mijn hartelijke vreugde tot uitdrukking brengen en ik ben ervan overtuigd dat degenen die actief zijn bij ons Goetheanum en alles wat ermee samenhangt, het met mij eens zullen zijn als ik u uit naam van dit Goetheanum en zijn medewerkers vandaag hartelijk welkom heet en tot u uitspreek dat wij buitengewoon verheugd zijn u hier als gast te hebben.
De wens is uitgesproken dat ik voor onze euritmische opvoering iets bespreek van wat het gevolg is van wat we met onze geesteswetenschap nastreven voor de pedagogische kunst en voor de school en wat al een praktisch resultaat heeft. Maar laat me vooraf nog een algemenere opmerking maken.
Ziet u, datgene wat ook in pedagogisch en didactisch opzicht het gevolg moet zijn van onze antroposofisch bedoelde geesteswetenschap, heeft vandaag de dag in wezen nog weinig begripsvolle vertegenwoordigers in de wereld; 

es hat umso mehr verständnislose Gegner und ebenso viele Leute, die sich gegenüber solchen Bestrebungen aus dem heu­tigen allgemeinen seelischen Schlafzustande der Menschheit heraus gleichgültig verhalten. Aber gerade in der allerletzten Zeit sind Dinge geschehen, die immerhin hier als, ich möchte sagen Kennzei­chen zu betrachten erlaubt sein wird, als Kennzeichen, wie auf der einen Seite sozusagen durch einsame Persönlichkeiten aus der gan­zen Breite unseres Zivilisationslebens heraus der Ausblick gerade auf dasjenige eröffnet wird, was von diesem Goetheanum-Bau in Dornach aus geschehen soll. Ich muß es doch als eine wichtige, wenn auch nur symptomhafte Tatsache bezeichnen, daß der gerade uns ja so wohlbekannte alte Professor Spitta in Tübingen, der in

maar er zijn des te meer inzichtsloze tegenstanders en eveneens mensen die t.o.v. een dergelijk streven, vanuit de huidige algemene slaaptoestand van de ziel van de mensheid daar onverschillig tegenover staan. Maar juist de allerlaatste tijd zijn er dingen gebeurd die in elk geval hier als teken mogen worden opgevat, als een teken hoe aan de ene kant door persoonlijkheden uit het heel brede spectrum  van onze beschaving die elkaar niet kennen met name de ogen geopend worden voor wat vanuit dit Goetheanum in Dornach moet gebeuren. Ik moet het toch als een belangrijk, ook alleen al als een symptomatisch feit noemen, dat juist de ons zo bekende oude professor Spitta* in Tübingen, die in

*Heinrich Spitta, «1849, filosofieprofessor in Tübingen. Werk: »De slaap- en droomtoestanden van de menselijke ziel», Tübingen 1878; »Inleiding in de psychologie als ‘wetenschap’», 1886.

blz. 198

diesen Tagen seine Lehrtätigkeit beschlossen hat, seine letzte Vor­lesung so gehalten hat, daß sie gipfelte in einer Besprechung der eminentesten geisteswissenschaftlichen Wahrheit: der Wahrheit der wiederholten Erdenleben. Aber nicht so sehr, daß dieser Universi­tätslehrer in dem feierlichen Augenblicke des Abschlusses seiner Universitätslaufbahn dasjenige noch einmal bekannt hat, was er ja eigentlich sein ganzes Leben vertreten hat – das scheint mir nicht einmal so bedeutungsvoll zu sein wie das andere, daß er gerade bei dieser Vorlesung gesagt hat: Meine Herren, erfassen Sie einmal, was es für das menschliche Erkennen und vor allen Dingen für das menschliche Tun in der Zukunft bedeuten würde, wenn diese Anschauung eine weitere Verbreitung finden würde. – Es ist ein bedeutsames Kennzeichen eines in der Wissenschaft, in der Philo­sophie der Gegenwart altgewordenen Mannes, wenn er mit einem solchen Bekenntnis seine Lehrtätigkeit abschließt! Denn man kann sich ja vorstellen, daß gerade auf eine solche Persönlichkeit die furchtbaren Ereignisse der Zeit einen ganz tiefen Eindruck gemacht haben und daß gerade eine solche Persönlichkeit aus dem einsamen Denken heraus das Bedürfnis fühlt, zu sagen, was der heute im Niedergang begriffenen Menschheit vom Geiste, von der Seele aus aufhelfen könnte, was wiederum zu einem Aufbau führen könnte.

deze dagen zijn college-activiteit beëindigd heeft, zijn laatste college zo heeft gegeven dat die uitmondde in een bespreking van de meest eminente geesteswetenschappelijke waarheid: de waarheid van de opeenvolgende aardelevens. Maar niet zozeer dat deze universiteitsdocent op het feestelijke ogenblik van zijn afscheid van zijn universiteitsloopbaan nog een keer onderschreef waarvoor hij eigenlijk zijn hele leven stond – dat lijkt mij niet eens zo belangrijk als dat andere, dat hij juist bij dit college zei: Heren, probeert u eens te begrijpen wat het voor het menselijk kennen en vooral voor de menselijke activiteit zou betekenen, wanneer dit gezichtspunt een grotere verspreiding zou vinden.
Het is een belangrijk signaal van een in de wetenschap, in de moderne filosofie oud geworden man, wanneer hij met zo’n verklaring zijn collegewerk afsluit! Want je kan je wel voorstellen dat juist op zó’n persoonlijkheid de vreselijke gebeurtenissen van de tijd een heel diepe indruk gemaakt hebben en dat juist zo’n persoonlijkheid vanuit een denken waarin hij alleen staat, de behoefte voelt te zeggen, hoe de mensheid die deel uitmaakt van de huidige neergang vanuit de geest, vanuit de ziel geholpen zou kunnen worden, wat weer tot opbouw zou kunnen leiden.

Sehen Sie, das ist von der einen Seite dasjenige, was ich sagen möchte: überall, wo es erkennende, fühlende Seelen gibt, da treten wenigstens als Ahnungen die Anschauungen auf, welche von hier aus in wissenschaftlichem Zusammenhang vertreten werden wollen und von denen auch hier erwartet wird, daß sie, indem sie einflie­ßen in alles zivilisatorische Leben unserer Zeit, dem Niedergang wiederum einen Aufgang entgegenstellen können.
Aber allerdings, das sind solche Lichtblitze, die an einzelnen Orten aufsteigen. Wer sie beobachtet, der wird sie als seltene Licht-blitze wahrnehmen, aber er wird aus ihnen erkennen, wie gerade bei den Besten unserer Zeit das Streben besteht nach einer Erneue­rung des Geisteslebens aus sehr, sehr tiefen Seelenquellen heraus. Dem steht allerdings entgegen dasjenige – ich scheue mich nicht, es auszusprechen -, was heute aus einer gewissen nicht nur Schläfrigkeit,

Dit is dus wat ik aan de ene kant wilde zeggen: overal waar denkende, voelende zielen zijn, ontstaan toch op z’n minst als een voorgevoel, gezichtspunten die vandaaruit in een wetenschappelijke samenhang vertegenwoordigd willen zijn en waarvan ook hier wordt verwacht dat ze, wanneer ze opgang vinden in heel het culturele leven van onze tijd tegenover de neergang weer een opbouw kunnen plaatsen.
Maar zeer zeker ook zijn dit van die lichtflitsen die zich op een paar plaatsen voordoen. Wie ze beschouwt, ziet ze als spaarzame lichtflitsen, maar hij zal door hen onderkennen hoe juist bij de besten van onze tijd een streven bestaat naar een vernieuwing van het geestesleven vanuit zeer, zeer diepe bronnen van de ziel. Daar staat zeer zeker tegenover – ik aarzel niet om het uit te spreken – wat tegenwoordig uit een zekere, niet alleen maar slaperigheid,

blz. 199

sondern, zum mindesten gesagt, aus einer ungeheuren Ober­flächlichkeit unserer Zeit hervorgeht; was hervorgeht aus einer Oberflächlichkeit, die gerade oftmals in den Kreisen, die öffentlich publizistisch tätig sind, gegenüber den großen Fragen des Daseins und des Menschenlebens geradezu zur Frivolität führt. Und nach­dem ich Ihnen zuerst einen Lichtblitz gezeigt habe, möchte ich Ihnen auch gewissermaßen etwas von den Schatten zeigen, die allerdings nicht so vereinzelt auftreten, sondern die weit, weit ver­breitet sind. Ich könnte Hunderte von Tatsachen für die letzte Behauptung anführen; ich will aber jetzt nur eine ganz besonders charakteristische vor Sie hinstellen.
Einer unserer englischen Freunde hat sich in London bemüht, Interesse zu erwecken für dasjenige, was hier in Dornach gesche­hen soll. Er versuchte in einer, wie es scheint angesehenen Zeit­schrift – es gibt ja gegenwärtig viele solcher Zeitschriften und Zei­tungen – einen ganz wahrheitsgemäßen und sachlichen kleinen Artikel unterzubringen. Der Journalist, der sich die Sache anhörte, bei dem der betreffende Herr war, also der Londoner Journalist war sehr freundlich, war außerordentlich entgegenkommend.

maar op z’n minst gezegd, door een ongelooflijke oppervlakkigheid van onze tijd, opwelt, die dikwijls in de kringen die werkzaam zijn in de openbare publiciteit, t.o.v. de grote levensvragen en ook wat de mens aangaat juist tot van die lichtzinnigheid leidt. En nadat ik u eerst zo’n donderslag bij heldere hemel heb laten zien, zou ik ook in zekere zin iets van de schaduw willen laten zien, wat beslist niet op zichzelf staat, maar wat wijd verbreid is.
Ik zou voor de laatste bewering honderden feiten kunnen aangeven; ik wil  echter nu alleen maar een heel bijzonder voorval voor u schetsen. Een van onze Engelse vrienden* heeft zich in Londen ingespannen, interesse te wekken voor wat hier in Dornach moet gebeuren. Hij probeerde in een, naar het schijnt gezaghebbend tijdschrift – er zijn tegenwoordig veel van die tijdschriften en kranten – een artikel te plaatsen, een geheel volgens de waarheid zakelijk geschreven artikel. De journalist die de betreffende heer over het onderwerp aanhoorde, die Londense journalist, was heel vriendelijk, buitengewoon tegemoetkomend.

* Een van onze Engelse vrienden: vermoedelijk gaat het om de in Engeland wonende Deense baron Arild von Rosenkrantz (1870-1964), aan wiens initiatieven de »Summer Art Course»in augustus 1921 te danken is, die oorspronkelijk gepland stond voor augustus 1920. Deze cursus is wellicht bedoeld in het artikel van 16 juli 1920, toen er van een ‘tiendaags bezoek’ sprake was dat in augustus 1920 zal plaatsvinden.

Er versprach in der Weise für die Sache einzutreten, daß ein Besuch von etwa ebensoviel Menschen, als uns von Ihrer Seite her heute hier die Freude bereiten, da zu sein, arrangiert werden sollte von London her. Der betreffende Journalist hat dann etwa gesagt, wie umgestaltend dasjenige sei, was ihm mitgeteilt worden ist. Über diese Umgestaltung möchte ich Ihnen etwas vorlesen als ein Doku­ment für die Frivolität, mit der man heute von demjenigen, was man nicht kennt, spricht – denn der Journalist hatte natürlich keine Ahnung von dem, was hier in Dornach vorgeht. So etwas zeigt, wie wenig heute die Menschen geneigt sind, überhaupt darauf einzuge­hen, wenn irgendwo aus einer Quelle heraus sich etwas geltend machen will, was in ehrlicher Weise meint, dem Niedergang einen Aufgang entgegenstellen zu können. Da erscheint also in einer Londoner Zeitschrift als Ergebnis dieser, von dem Journalisten wohlwollend geführten Unterredung das Folgende:

Hij beloofde zich voor de zaak in te zitten, dat een bezoek van ongeveer net zoveel mensen als wij hier nu door u voor de vrienden mogelijk maken, ervoor in te staan dat zoiets door Londen georganiseerd zou worden. De betreffende journalist heeft toen iets gezegd, wat anders is dan wat er aan hem was verteld. Over deze verandering zou ik u iets willen voorlezen als een bewijs voor de lichtzinnigheid waarmee men tegenwoordig over wat men niet kent – spreekt, want de journalist had natuurlijk geen idee van wat er hier in Dornach gebeurt. Zoiets laat zien hoe weinig de mensen tegenwoordig geneigd zijn om überhaupt in te gaan op iets wat door bepaalde informatie, iets tot stand wil brengen, wat op een eerlijke manier bedoeld is om tegenover de neergang een verbetering te kunnen zetten. Dan komt dus het volgende in een Londens tijdschrift te staan als resultaat van een door een goedwillende journalist gevoerd gesprek:

blz. 200

Bemerkungen und Kommentare

Eine Hochschule für Geisteswissenschaft

Eine Hochschule für Geisteswissenschaft ist unter dem Namen «Goethe­anum» in Dornach bei Basel, Schweiz, errichtet worden. Der Bau selbst veranschaulicht ein neues Kunstkonzept, das von Dr. Rudolf Steiner initiiert wurde. Es ist vorgesehen, eine Reise nach Basel zu veranstalten, um es zu besichtigen, und Dr. Steiner hat versprochen, die Teilnehmer während des zehntägigen Besuches, der im August stattfinden soll, persönlich zu unter­richten. Geht man davon aus, daß die Reise vier Tage in Anspruch nimmt, so wird es für die Teilnehmer möglich sein, sich in den übrigen sechs Tagen von dem Schock zu erholen, den der erste Anblick von Dr. Steiners Schöp­fung verursacht. In der Voraussetzung, daß niemand, dem die Reise möglich ist, diese, wie wir erwarten, interessante Erfahrung versäumen möchte, geben wir eine Illustration dessen, was die Teilnehmer am Ende ihrer Pilgerreise erwartet, und falls jemand von unseren Lesern reisen wird, hoffen wir, daß er uns den Gefallen erweist, uns seine Eindrücke nach seiner Rückkehr zu schildern.*             [«The Architect», Nr.34, London 16. Juli 1920)

Opmerkigen en commentaar*

Een hogeschool voor geesteswetenschap

In Dornach bij Basel, Zwitserland, is onder de naam ‘Goetheanum’ een hogeschool voor geesteswetenschap gesticht. Het gebouw zelf is een toonbeeld van een nieuw kunstconcept dat door Dr. Rudolf Steiner geïnitieerd is. Men is van plan een reis naar Basel te organiseren om het te bezichtigen en Dr. Steiner heeft beloofd de deelnemers tijdens het tiendaagse bezoek dat in augustus zal plaatsvinden, persoonlijk informatie te verstrekken. Ervan
uitgaand dat de reis vier dagen zal duren, zal het voor de deelnemers mogelijk zijn om in de resterende zes dagen van de eerste schok te bekomen die de eerste aanblik van Dr. Steiners schepping veroorzaakt. Vooropgesteld dat niemand voor wie de reis mogelijk is, deze, zoals we verwachten, interessante ervaring zou willen missen, geven we een illustratie van wat de deelnemers aan het eind van hun pelgrimstocht wacht en in het geval een van onze lezers de reis maakt, hopen wij dat hij ons het plezier wil doen ons zijn indrukken te schetsen nadat hij terug is.
(The Architect’, nr. 34, Londen, 16 juli 1920)

*Bemerkungen und Kommentare: Im englischen Original («The Architect», Nr. 34/1920) heißt es; «Notes and Comments: A College für Spiritual Science, – A College für Spiritual Science has been erected under the name of the Goetheanum at Dornach, Basle, Switzerland, and the building itself illustrates a new conception of art which has been initiated by Dr. Rudolf Steiner. It is proposed to organize a visit to Basle to see it, and Dr. Steiner has promised to personally instruct the party during a visit of ten days, which is to take place in August. Allowing for four days spent in travelling, this will allow for nearly six days in which the party should be able to recover from the first shock caused by the appearance of Dr. Steiner’s creation. In order that no one who is able to go should miss what we anticipate should be an interesting experience we give an Illustration of what they will see at the end of their pilgrimage, and if any of our readers go we hope they will give us the benefit of their impressions on their return.»

Sie sehen also, so behandelt man dasjenige, was man nicht kennt. Das ist heute die Stimmung der Welt, das sind heute die Schwierig­keiten, gegen die man zu kämpfen hat.
Nun, meine sehr verehrten Anwesenden, Geisteswissenschaft ist für viele da und sie soll – das wird ja vor allen Dingen unser Herbstkurs, der am 26. September eröffnet werden soll, zeigen -auf alle möglichen Zweige des Geisteslebens einen befruchtenden Einfluß ausüben. Im Frühling wurde ja hier schon in einem enge­ren Kursus dargestellt, wie gerade das Medizinisch-Therapeutische befruchtet werden kann von dieser Geisteswissenschaft. Und so ist es für die verschiedensten Gebiete. Was in künstlerischer Weise versucht wird von dem, was sich in unsere Empfindungen einleben kann durch dieGeisteswissenschaft, davon soll ja die äußere For­mung des Baues selbst Zeugnis ablegen. Aber heute will ich Ihnen reden von dem, was Geisteswissenschaft als Folge haben kann in pädagogisch-didaktischer Hinsicht. Ich rede Ihnen ja da nicht von irgendeinem bloßen Programm, auf das wir nichts geben würden, auch nicht bloß von irgendwelchen theoretischen pädagogischen

U ziet dus, zo gaat men om met wat men niet kent. Dat is tegenwoordig de stemming in de wereld, dat zijn vandaag de dag de moeilijkheden waartegen je je te weer moet stellen.
Welnu, zeer geachte aanwezigen, geesteswetenschap is er voor velen en zij moet – en dat zal vooral onze herfstcursus die op 26 september* zal beginnen, laten zien – op alle mogelijke takken van het geestesleven een bevruchtende invloed uitoefenen.
In het voorjaar** werd hier al in een kleinere cursus aan de orde gesteld hoe met name het medisch-therapeutische die positieve invloed van deze geesteswetenschap kan ondergaan. En zo is het voor de verschillende gebieden. Wat op een kunstzinnige manier geprobeerd wordt door wat we ons door de geesteswetenschap in onze gevoelens kunnen inleven, zal de uiterlijke vorm van het gebouw zelf getuigenis afleggen. Maar vandaag wil ik er met u over spreken wat het resultaat van de geesteswetenschap kan zijn in pedagogisch-didactisch opzicht. Ik ga het niet met u hebben over enkel maar een of ander programma, waar we niets voor geven, ook niet alleen maar over theoretische pedagogische

*onze herstcursus die op 26 september zal beginnen: de zgn. ‘Eerste antroposofische hogeschoolcursus (26 sept.-16 okt., die met ongeveer 100 voordrachten over de meest verschillende wetenschaps- en levensgebieden en talrijke kunstzinnige programma’s het werk aan het eerste Goetheanum begon. 
Zie daarvoor vooral de voordrachtenreeks GA 322, vertaald.
De kunst van de recitatie en declamatie in GA 281, niet vertaald  
GA 314, vertaald
**In het voorjaar werd hier al in een kleinere cursus aan de orde gesteld: het gaat om de twintig voordrachten voor artsen en medicijnstudenten die in Dornach werd gehouden van 21 maart tot 9 april 1920: GA 312, vertaald
***zal de uiterlijke vorm van het gebouw zelf getuigenis afleggen. zie GA 286, vertaald

blz. 201

Erörterungen, sondern von etwas, was immerhin praktisch wäh­rend eines Schuljahres in unserer «Freien Waldorfschule» in Stutt­gart sich bereits ausgelebt hat. Diese Freie Waldorfschule in Stutt­gart ist eine Schöpfung von Emil Molt. Sie hat sich zunächst zur Aufgabe gestellt, praktisch dasjenige zum Leben zu erwecken, was hervorgehen kann aus einer Ausgestaltung dessen, was in unserer Geisteswissenschaft vor allen Dingen für eine wirkliche Menschen-und damit auch Kindes-Erkenntnis liegen kann.
Sehen Sie, ich lege einen besonderen Wert darauf, daß wir auch schon ein Jahr wirklicher Schulpraxis hinter uns haben. Ich lege deshalb einen besonderen Wert darauf, weil diese ganze Geistes­wissenschaft, wie sie hier vom Goetheanum in Dornach aus in die Welt gesetzt werden soll, im Grunde genommen auch nichts wäre als irgendeine neue sektiererische Bewegung oder irgendeine Welt­anschauungstheorie oder dergleichen – solch schöne Dinge gibt es ja schon viele in der Welt -, wenn nicht etwas anderes da wäre; wenn nicht gerade diese Geisteswissenschaft gegenüber allem, was in dieser Art in die Welt tritt, etwas ganz anderes wollte. Diese Geisteswissenschaft will nicht Ideen zu einer neuen Weltanschau­ung hervorbringen; diese Geisteswissenschaft will nicht irgendeine Theorie oder gar ein neues religiöses Bekenntnis sein, wie man ihr verleumderisch nachsagt – das letztere am allerwenigsten.

uitlatingen, maar over iets wat al gedurende een schooljaar van onze vrijeschool in de praktijk tot stand gekomen is. Deze vrijeschool in Stuttgart is de schepping van Emil Molt*. Deze school heeft zich allereerst als taak gesteld praktisch in het leven te roepen wat volgen kan uit een concretisering van wat in onze geesteswetenschap vooral voor een echte mensenkennis en daarmee ook voor een echt kennen van kinderen voorhanden kan zijn. 
Ik hecht er bijzondere waarde aan dat we ook al een jaar daadwerkelijke schoolpraktijk achter ons hebben liggen. Ik hecht er zoveel waarde aan, omdat deze hele geesteswetenschap zoals die hier vanuit het Goetheanum in Dornach in de wereld een plaats wil innemen, uit de aard der zaak ook niets zou betekenen als een of andere nieuwe sektarische beweging of een of andere wereldbeschouwelijke theorie of iets dergelijks – dit soort mooie dingen zijn er al veel op de wereld – als er niets anders zou zijn, wanneer met name deze geesteswetenschap wat betreft alles wat op deze manier zich in de wereld vertoont, niet iets heel anders zou willen. Deze geesteswetenschap wil geen ideeën voor een nieuwe wereldbeschouwing opvoeren; deze geesteswetenschap wil niet een of andere theorie of zelfs een nieuwe religieuze stroming zijn, zoals men deze beledigend toedicht – dit laatste wel het allerminst.

*Emil Molt, 1876-1936, directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek in Stuttgart, industrieel. Hij organiseerde voor de medewerkers van zijn onderneming vormingscursussen voor de werknemers. Hieruit ontstond uiteindeijke de gedachte een school voor de kinderen van de werknmers op te richten. Voor de in inrichting en de leiding van deze Waldorfschool vroeg hij Rudolf Steiner. Molt was in 1919 een betrokken vertegenwoordiger van Rudolf Steiners idee van de driegeleding. Zie Emil Molt: ‘Entwurf einer Lebensbeschreibung’Stuttgart 1972, alsmede een paar van zijn artikelen in de serie ‘Bijdragen aan de GesamtAusgabe van Rudolf Steiner, band 103, Michael 1989. Zie ook de voordracht van 24 september in deze voordrachtenserie (GA 297)

Dasjeni­ge, was sie sein will, ist eigentlich ursprünglich gar nicht mit Bezug auf irgendein religiöses Bekenntnis konzipiert worden, sondern es ist konzipiert worden auf die naturwissenschaftliche Denkungsart und Gesinnung unserer Zeit hin. Es ist gefaßt worden als dasjenige, was für den Geist und für die Seele ebenso als Erkenntnis vom Menschen hervorgebracht werden kann, wie die für unsere Zeit so befruchtende Naturwissenschaft als Erkenntnis für das physische Leben hervorgebracht worden ist. Und es beruht diese Geisteswis­senschaft darauf, daß, wenn man die rechten Methoden anwendet, die ich geschildert habe in meinen Büchern «Die Geheimwissenschaft im Umriß» und «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», man in der Lage ist, ebenso sichere Erkenntnis­se, so umschlossene, konturierte Erkenntnisse zu gewinnen über

Wat ze wil zijn, is eigenlijk oorspronkelijk helemaal niet opgezet, gericht op een of andere religieuze stroming, maar opgezet volgens de natuurwetenschappelijke manier van denken en invoelen van onze tijd. Het is genomen als iets wat voor de geest en voor de ziel net zo als kennis over de mens naar voren kan worden gebracht als de voor onze tijd zo bevruchtende natuurwetenschap als kennis voor het materiële leven. En deze geesteswetenschap berust erop dat wanneer je de juiste methoden toepast die ik geschetst heb in mijn boeken: De wetenschap van de geheimen der ziel en De weg tot inzicht in hogere werelden, je in staat bent net zulke zekere kennis, vastliggende, afgebakende kennis te verkrijgen over

blz. 202

Seele und Geist, wie man sie gewinnen kann durch die naturwis­senschaftlichen Methoden der Gegenwart für die physische Welt.
Allerdings, dasjenige, was zu tun ist, um in einer wirklich me­thodischen Weise zu geisteswissenschaftlichen Erkenntnissen zu kommen, das ist nicht bequemer und nicht leichter als das, was etwa zu tun ist im chemischen, im physikalischen Kabinett, auf der Sternwarte, in der Klinik. Nur weil sich die Menschen vorstellen: anthroposophisch Forschende sind solche Leute, die sich allerlei Einfälle zukommen lassen, die man schnell haben kann, die schnell aus der Phantasie geschöpft sind – nur weil sich die Leute dieses vorstellen, deshalb verkennen sie die Wege, die von der Anthropo­sophie aus in die geistige Welt hinein gegangen werden sollen. Wenn man sich bekannt macht mit der ganzen Art und Weise, wie der Mensch in einer Selbsterziehung seines ganzen Wesens allein dazu kommen kann, in sich die Ausblicke zu eröffnen in die gei­stige Welt, die dann ebenso exakt und sicher sind wie die naturwissenschaftlichen Ergebnisse; nur wenn man sich davon unter­richtet, wie lange für verhältnismäßig kleine, unbedeutende Wahr­heiten, die zu dem äußerlich-physischen Wissen hinzugebracht werden – sagen wir zum Beispiel für die menschliche Sinneslehre, für die menschliche Anatomie oder dergleichen –

geest en ziel, hoe je deze kan verkrijgen door de natuurwetenschappelijke methoden van deze tijd voor de materiële wereld. Wat er moet gebeuren om op een daadwerkelijk methodische manier tot geesteswetenschappelijke kennis te komen, is beslist niet makkelijker en niet eenvoudiger dan wat er moet gebeuren in het lab met scheikunde, natuurkunde, of op de sterrenwacht, in de kliniek. Alleen omdat de mensen zich voorstellen: mensen die aan antroposofisch onderzoek doen, zijn dat soort mensen die allerlei invallen over zich heen laten komen, die snel ontstaan, die snel uit de fantasie gehaald zijn – alleen omdat die (oordelende) mensen zich dat voorstellen ontkennen ze de wegen die vanuit de antroposofie naar de geestelijke wereld gegaan moeten worden. Wanneer je je uiteenzet met de hele manier van doen, hoe de mens alleen in zijn zelfopvoeding van zijn totale wezen ertoe kan komen in zichzelf de vensters te openen naar de geestelijke wereld die dan net zo’n exacte en zekere blik geven als de natuurwetenschappelijke resultaten; alleen wanneer je leert beseffen hoe lang je voor betrekkelijk kleine onbelangrijke waarheden die toegevoegd worden aan het uiterlijke fysieke weten – laten we bv. voor de menselijke zintuigleer, voor de menselijke anatomie o.i.d.

geforscht werden muß; nur wenn man sich das klar macht, wie jahrzehntelange For­schung oftmals notwendig ist für die allergeringfügigsten Kleinig­keiten auf geisteswissenschaftlichem Gebiet: dann wird man einse­hen lernen, daß das Forschen auf diesem Gebiet keineswegs beque­mer und leichter ist als das Forschen auf klinischem Gebiet, auf der Sternwarte, im physikalischen oder chemischen Laboratorium. Aber man hat heute noch nicht den Willen, darauf einzugehen, daß es eine solche Geistes- und Seelenforschung geben kann. Groß und gewaltig sind die Absichten gewesen, die in den letz­ten drei bis vier Jahrhunderten und insbesondere im 19. Jahrhun­dert für das naturwissenschaftliche Erkennen zutage getreten sind. Und ich brauche Ihnen nicht zu erwähnen, was diese naturwissen­schaftliche Erkenntnis der Welt gebracht hat. Aber das eine möchte ich erwähnen: daß derjenige, der ganz fest auf dem Boden unserer

onderzoek heb moeten doen; alleen wanneer je je realiseert hoe vaak onderzoek nodig is dat voor de kleinste kleinigheden op geesteswetenschappelijk gebied tientallen jaren duurt: dan zal je leren inzien dat het onderzoeken op dit gebied geenszins makkelijker en eenvoudiger is dan het onderzoek op klinisch gebied, op de sterrenwacht, in het natuurkundig of scheikundig laboratorium. Maar tegenwoordig is de wil er nog niet om in te gaan op het feit dat er zo’n onderzoek op het gebied van geest en ziel kan bestaan. Groots en geweldig waren de voornemens die in de laatste drie tot vier eeuwen en in het bijzonder in de 19e eeuw voor wat betreft de natuurwetenschappelijke kennis aan de dag gelegd zijn. En ik hoef voor u niet te noemen wat deze natuurwetenschappelijke kennis aan de wereld heeft gebracht. Eén ding wil ik wél noemen: iets wat heel stevig op het fundament staat van onze

blz. 203

anthroposophisch gemeinten Geisteswissenschaft steht, der aller­letzte sein wird, der irgend etwas Berechtigtes in der naturwissen­schaftlichen Forschung irgendwie abfällig kritisieren wird. Denn darum handelt es sich zunächst: daß derjenige allein feststehen kann auf dem Gebiete unserer Geisteswissenschaft, der nicht dilettantisch oder gar laienhaft in dem naturwissenschaftlichen Betriebe der Gegenwart drinnensteht. Erst wenn man sich wissen­schaftliche Gewissenhaftigkeit und wissenschaftlich-strenge For­schungsmethoden im Laboratorium, auf der Sternwarte und so weiter [angeeignet hat], wenn man sich selbst erzogen hat zu dem, was da an Exaktheit des Forschens angestrebt wird, dann hat man die innere Weltanschauungs-Moral in sich erweckt, welche not­wendig ist, um ein Geistesforscher zu werden. In der äußeren Welt hat man immer vor sich, wie man sagt, die rauhe Wirklichkeit, die einen korrigiert. Bin ich ein schlechter Brückenbauer in der Theo­rie und rechne eine Brücke schlecht aus, dann belehrt mich der herunterstürzende Eisenbahnzug, daß ich meine Brücke schlecht gebaut habe. Und so ist die Korrektur immerfort da, wenn man in der äußeren physischen Wirklichkeit die vom Geiste erschauten Gesetze anwenden will. Allerdings, je weiter wir von den unteren Grundlagen der physischen Wirklichkeit hinaufkommen und uns der eigentlichen Geistes- und Seelenforschung nähern, desto wack­liger wird ihre Erforschung für die Wirklichkeit.

antroposofisch bedoelde geesteswetenschap, die de allerlaatste zal zijn om iets wat in het natuurwetenschappelijk onderzoek terecht is, op de een of andere manier af te vallen en te bekritiseren. Want het gaat er allereerst om: dat alleen degene die op het gebied van onze geesteswetenschap stevig kan staan, die niet amateuristisch of als een leek zich ophoudt op het gebied van het natuurwetenschappelijk reilen en zeilen in onze tegenwoordige tijd. Pas wanneer je wetenschappelijk gewetensvol en wetenschappelijk strikte onderzoeksmethoden in het laboratorium, op de sterrenwacht enz. [je eigen hebt gemaakt] wanneer je jezelf ontwikkeld hebt tot wat daar aan exactheid van onderzoek nagestreefd wordt, dan heb je de innerlijke wereldbeschouwelijke moraal in jezelf opgewekt die noodzakelijk is om een onderzoeker van de geest te worden. In de uiterlijke wereld heb je steeds, zoals men zegt, te maken met de rauwe werkelijkheid die iemand verbetert. Wanneer ik theoretisch een slechte bruggenbouwer ben en slechte berekeningen maak, dan wijst de naar beneden stortende trein me erop dat ik de brug slecht gemaakt heb. En het corrigeren is voortdurend aanwezig, wanneer je in de uiterlijk fysieke werkelijkheid de wetten wil toepassen vanuit het geestelijke.
En ja, hoe verder we af komen te staan van de onderste lagen van de fysieke werkelijkheid en ons richten op het eigenlijke onderzoeken van geest en ziel, des te wankeliger wordt het onderzoek voor de werkelijkheid.

Und wenn Sie ebenso streng wären in der Beurteilung desjenigen, der zerstörte Gesundheiten als Arzt wiederum aufzubauen hat, wie Sie es durch die Natur finden, wenn sie durch den abstürzenden Eisenbahnzug den schlechten Mechaniker korrigiert, da würden Sie nach heutiger Auffassung nicht in der Weise vorgehen können. Denn als Mecha­niker können Sie von der Natur nachgeprüft werden. Ob einer gestorben ist trotz oder sogar wegen der Medizin – da wird die Sache schon etwas wackliger! Und wenn man erst hinaufkommt in das geistige und in das seelische Gebiet, da muß man die innere Gewissenhaftigkeit mitbringen und vor allen Dingen das ernsteste, strengste Wahrheitsgefühl, wenn man übersinnlich forschen will, denn da ist es leicht, sich Phantasie für Wirklichkeit vorzumachen.

En wanneer u net zo streng zou zijn bij de beoordeling van wat de dokter aan verstoorde gezondheid weer heeft goed te maken, hoe u door de natuur erachter komt wanneer deze door de naar beneden stortende trein de slechte ingenieur verbetert, zou u volgens de huidige opvattingen niet op die manier kunnen werken. Want als technicus kun je door de natuur getest worden. Of er iemand gestorven is ondanks of zelfs door de medicijnen – daar wordt de zaak al wel wankeliger! En als je dan op het gebied van geest en ziel gekomen bent, moet je het innerlijk gewetensvolle meebrengen en vooral als je bovenzinnelijk onderzoek wil doen, het ernstig gemeende, strenge gevoel voor waarheid, want het is al te gemakkelijk de fantasie voor de werkelijkheid te houden. 

blz. 204

Aber es tritt nun etwas ganz Besonderes ein, wenn man auf diese Weise durch innere Seelenerziehung und Seelenzucht sich die Methode für die Geistesforschung aneignet. Es tritt das nämlich ein, daß man den Dingen der Welt näher kommt, als man will als äußerlicher Naturforscher. Denn sehen Sie, das ist ja gerade das Merkwürdige bei der mehr auf das Materielle hingehenden Natur­forschung der neueren Zeit, daß sie sich auf der einen Seite vor die Tatsachenwelt der äußeren Sinne stellt, daß sie aber, indem sie sich Ideen, die sie sich in Naturgesetzen stellt, von dieser äußeren Sin­nenwelt schafft, immer mehr und mehr zum Intellektualistischen, zum Theoretischen, zum Wirklichkeitsfremden kommt, so daß die neueren Weltanschauungsforscher nicht mehr wissen, wie sie eigentlich die Ideen, die sie aushecken, an die Wirklichkeit anknüp­fen sollen. Sie forschen vielfach darüber, ob die Ideen, die der Mensch in der Seele trägt, überhaupt noch etwas zu tun haben mit der äußeren Wirklichkeit. Das ist das Tragische der modernen, naturwissenschaftlich-orientierten Weltanschauung, daß die Men­schen wohl zu dieser Weltanschauung sich bekennen; sie wollen mit der Wirklichkeit, mit der bloß äußeren Wirklichkeit sich befas­sen und kommen von dieser äußeren Wirklichkeit gerade durch ihre Ideen ab. 

Maar wanneer je je op deze manier door de innerlijke scholing en discipline van de ziel de methode voor het onderzoeken van de geest eigen maakt, gebeurt er iets heel bijzonders. Nu gebeurt namelijk dat je dichter bij de wereldse dingen komt dan je zou willen als natuurwetenschappelijk onderzoeker van de uiterlijke dingen. Want zie je, dat is nu het merkwaardige bij het natuuronderzoek van heden, dat zich meer op het materiële richt, dat dit zich enerzijds bezighoudt met de feitenwereld van de uiterlijke zintuigen, dat dit onderzoek echter, wanneer het ideeën ontwerpt die ze in natuurwetten kleedt, werkt vanuit deze uiterlijke zintuigwereld en steeds meer tot het intellectualistische, tot het theoretische, tot het werkelijkheidsvreemde komt, zodat de onderzoekers van de wereldbeschouwing van de laatste tijd niet meer weten hoe ze eigenlijk de ideeën die ze bedenken bij de werkelijkheid moeten aansluiten. Ze onderzoeken veelvuldig of de ideeën die de mens in zijn ziel meedraagt, eigenlijk nog wel iets te maken hebben met de uiterlijke werkelijkheid. Dat is de tragiek van de moderne wereldbeschouwing die zich oriënteert op de moderne natuurwetenschap, dat de mensen deze wereldbeschouwing aanhangen; ze willen zich met de werkelijkheid, alleen met de uiterlijke werkelijkheid bezighouden en raken door deze uiterlijke werkelijkheid nu juist hun ideeën kwijt.

Sie haben nicht mehr die lebendige Verbindung, die Verbindung der ganzen Menschenwesenheit mit der lebendigen Wirklichkeit. Sie wollen auf die Wirklichkeit losgehen und wach­sen aus der Wirklichkeit heraus. Zu abstrakten intellektualistischen Seeleninhalten kommt man. Und so kommt es, daß, je mehr der Mensch in den Materialismus hineinwächst, er um so mehr aus der Wirklichkeit herauswächst. Begibt man sich nun auf den Weg der Geistesforschung, da hat man sofort das innere Erlebnis: Du tauchst in die Wirklichkeit unter; du stehst nicht nur da und schaust dein Objekt an, sondern tauchst in diese Wirklichkeit mit dem ganzen Seelenleben ein; du wirst eins mit der Wirklichkeit. Deshalb kann dasjenige, was hier als Geisteswissenschaft gemeint ist, niemals bestehen, ohne daß man dasjenige, was man erkennen will, zu lieben anfängt und im­mer mehr und mehr liebt. Geisteswissenschaft ist zugleich etwas,

Ze hebben de levende relatie niet meer, de relatie van het hele mensenwezen met de levende werkelijkheid. Ze willen op de werkelijkheid ingaan en raken weg van de werkelijkheid. Men komt tot abstracte, intellectualistische gevoelsinhoud. En zo komt het dat naarmate de mens toegroeit naar het materialisme, hij des te meer van de werkelijkheid vervreemdt.
Begeef je je op de weg van het geestesonderzoek, dan krijg je onmiddellijk de innerlijke beleving: je duikt onder in de werkelijkheid; je staat daar niet alleen naar een voorwerp te kijken, maar je begeeft je met je totale zielenleven in deze werkelijkheid, je wordt één met deze werkelijkheid. Daarom kan dat wat hier met geesteswetenschap bedoeld wordt, nooit bestaan zonder dat je van wat je wil leren kennen, begint te houden en er steeds meer van gaat houden. Geesteswetenschap is tegelijkertijd iets

blz. 205

was, wenn es sich in unserer Seele geltend macht, uns mit der Liebe für die Welt durchdringt; was gar nicht sein kann, trotzdem es mathematische Klarheit anstrebt in der Ideenfassung und Ideen-gestaltung, ohne daß es den ganzen Menschen, das Fühlen und Wollen ergreift. Deshalb darf ich sagen: Die praktische Erpro­bung dessen, was pädagogisch-didaktisch folgt aus der Geistes­wissenschaft, ist eigentlich dasjenige, was uns erst wertvoll sein kann. Denn reden über irgend etwas aus noch so schönen Theorien heraus, wenn man fremd gegenübersteht dem, worüber man redet:das ist im Grunde genommen leicht und ist heute die Aufgabe, die sich zahlreiche Weltanschauungs-Menschen und Bekenntnis-begründer setzen. Mit dem hat dasjenige, was hier gewollt wird, gar nichts zu tun. Sondern gerade dieses Untertauchen in die Wirklich­keit und besonders die menschliche Wirklichkeit, ist es, was im Gefolge dieser Geisteswissenschaft ganz von selbst durch die Na­tur, durch die Wesenheit dieser Geisteswissenschaft auftritt.
Und so kommt es denn, daß vor allen Dingen dasjenige, was durch diese Geisteswissenschaft auftritt, ein intimeres Erkennen der menschlichen Wesenheit selber ist.

wat, wanneer het in onze ziel realiteit wordt, ons doordringt met liefde voor de wereld; wat helemaal niet kan ontstaan, ondanks dat er bij het begrijpen en vormgeven van de ideeën gestreefd wordt naar wiskundige exactheid, zonder dat het de hele mens, het voelen en het willen aanspreekt. Daarom mag ik zeggen: het in de praktijk uitproberen van wat er aan pedagogie en didactiek volgt uit de geesteswetenschap, is eigenlijk iets wat voor ons nu van waarde kan zijn. Want over iets praten vanuit theorieën, al zijn die nog zo mooi, wanneer je vreemd staat tegenover waarover je spreekt: dat is in de aard der zaak makkelijk en is tegenwoordig de opdracht die zich talloze stichters van wereldbeschouwingen voor mens en geloof stellen. Daarmee heeft, wat hier bedoeld wordt, helemaal niets van doen. Met name dit je diep begeven in de werkelijkheid is als gevolg van deze geesteswetenschap iets vanzelfsprekends door de manier waarop het wezenlijke van de geesteswetenschap zich manifesteert.
En zo komt het dan, dat vooral hetgeen wat door deze geesteswetenschap ontstaat, een fijnzinniger kennen van het mensenwezen zelf is.

Ein solches Erkennen der menschlichen Wesenheit, daß derjenige, der nun vor dem werden­den Menschen, dem Kinde steht – vor diesem wunderbaren Wel­tenrätsel, das geboren wird, das in den ersten Tagen seines äußeren Weltendaseins uns den wunderbaren Aufbau eines physischen Organismus aus dem Geistig-Seelischen heraus in jedem Augen­blick zeigt, das uns dann zeigt, indem es heranwächst, wie aus dem Innern, dem Geistig-Seelischen heraus alles gestaltet wird -, daß derjenige, der nun als Lehrer oder als Erzieher gegenübergestellt ist diesem lebendigen Weltenrätsel, diesem werdenden Menschen, in einer Weise zusammenwächst mit seiner Aufgabe, daß man wirk­lich sagen muß: Die Geisteswissenschaft ist dann das Feuer, durch welches die Liebe zu der Erziehung, zum Unterricht unmittelbar erweckt wird. Das ist es, was das Ziel unseres ganzen Strebens hier ist: den Menschen kennen zu lernen.
Aber man kann den Menschen nicht kennen lernen, ohne ihn als werdend kennen zu lernen. Und geht man einmal wirklich darauf gegenübergestellt ist diesem lebendigen Weltenrätsel, diesem werdenden Menschen, in einer Weise zusammenwächst mit seiner Aufgabe, daß man wirk­lich sagen muß: Die Geisteswissenschaft ist dann das Feuer, durch welches die Liebe zu der Erziehung, zum Unterricht unmittelbar erweckt wird. Das ist es, was das Ziel unseres ganzen Strebens hier ist: den Menschen kennen zu lernen.
Aber man kann den Menschen nicht kennen lernen, ohne ihn als werdend kennen zu lernen. Und geht man einmal wirklich darauf

Een dergelijke kennis van het mensenwezen dat degene die voor de wordende mens staat – voor dit wonderbaarlijke raadsel mens, het kind – dat wordt geboren, dat in de eerste dagen van zijn uiterlijke aardse bestaan ons ieder ogenblik de wonderbaarlijke opbouw van een fysiek organisme vanuit de geest-zielenwereld laat zien,  ons dan laat zien als het opgroeit, hoe vanuit het innerlijk geest en ziel gevormd worden – dat degene die als leraar of als opvoeder voor dit levende wereldraadsel staat, deze wordende mens, op de een of andere manier één wordt met zijn taak, zodat je daadwerkelijk moet zeggen: de geesteswetenschap is dan het vuur waardoor de liefde voor de opvoeding, voor het onderwijs direct gewekt wordt. Dat is het doel waarop heel ons streven hier gericht is: de mens te leren kennen. Maar je kan de mens niet leren kennen, zonder hem als wordend te leren kennen. En leg je je dan daadwerkelijk toe op

blz. 206

zu, den Menschen als Werdenden kennen zu lernen, dann muß man sogar unsere Sprache mit einem neuen Worte bereichern. Für denjenigen, der etwas tiefer hineinschaut in die Wirklichkeit des Lebens, für den haben alle europäischen Zivilisationssprachen für die Grundtatsache des Lebens nur ein Wort, und zwei müßte es dafür geben! Ein Wort haben sie. Nun, wenn wir in Urweitzeiten zurückgehen, in jene Zeiten des Menschenlebens, von denen nur noch alte Dokumente in mythischer Weise reden, dann finden wir noch etwas Ähnliches von dem, was wir wieder brauchen: wir brauchen, wenn wir von dem Ewigen, von dem Unzerstörbaren im Menschenwesen reden gegenüber dem zerstörbaren, vergänglichen Leibe, wir brauchen zu unserem Wort «Unsterblichkeit», das uns hinweist auf das physische Lebensende, ein anderes Wort; wir brauchen das Wort «Ungeborenheit». Denn ebenso, wie wir mit unserem ewigen, geistigen Teil durch die Todespforte gehen und in der geistigen Welt weiterleben ein anderes Leben, das für die Gei­stesforschung durchschaubar ist, ebenso treten wir aus geistigen Welten, bevor wir hier geboren beziehungsweise empfangen wer­den, herunter zu dieser physischen Erdenverkörperung. Wir gehen nicht nur als Unsterbliche durch die Todespforte – wir kommen als Ungeborene durch die Geburtspforte.

de mens als wordend te leren kennen, dan moet je zelfs onze taal met een nieuw woord verrijken. Voor wie een wat dieper inzicht heeft in de werkelijkheid van het leven, hebben alle Europese cultuurtalen voor de basis van het leven slechts één woord en daarvoor zouden er twee moeten zijn! Één woord hebben ze. Nu, wanneer we teruggaan naar de oertijd, in die tijden van het mensenleven waarover alleen nog de oude documenten op een mythische manier spreken, dan vinden we nog iets wat lijkt op wat we hier weer nodig hebben: we hebben nodig, wanneer we over het eeuwige, over het onverwoestbare in het mensenwezen spreken t.o.v.  het wel te vernietigen, vergankelijke lichaam, naast het woord ‘onsterfelijkheid’, dat ons wijst op het aardse levenseinde, een ander woord; we hebben het woord ‘ongeborenheid’ nodig. Want precies zoals we met ons eeuwige geestelijke deel door de poort van de dood gaan en in de geestelijke wereld een ander leven verder leven, wat het geestelijk onderzoeken kan overzien, net zo dalen wij uit de geestelijke werelden, vóór we hier geboren worden, respectievelijk vóór de conceptie, af naar deze fysieke aardse belichaming. We gaan niet alleen als onsterfelijk door de poort van de dood – wij komen als ongeborene door de poort van de geboorte.

Wir brauchen das Wort Ungeborenheit zu dem Worte Unsterblichkeit dazu, wenn wir den Menschen in seiner Wesenheit ganz erfassen wollen.
Dasjenige, was ich Ihnen hier andeute, finden Sie in meinen Schriften nach allen Seiten hin ausgeführt. Ich kann nur sozusagen resultathafte Züge Ihnen anführen, weil ich ja darauf hinzielen möchte, dasjenige darzustellen, was nun aus dem menschlichen Le­ben und der menschlichen Empfindung wird, wenn wir eine solche Anschauung fruchtbar machen wollen.Stellen Sie sich den Lehrer vor, der – wie unsere Waldorflehrer in Stuttgart – dasjenige durchgemacht hat, was man durchmachen kann, wenn man Geisteswissenschaft auf seine Seele wirken läßt. Stellen Sie sich ihn vor: Er steht vor dem werdenden Menschen, vor dem Kinde. Er hat nicht nur als eine graue Theorie, er hat als einen lebendigen Lebensinhalt in sich dieses, daß er sich sagt: Aus geistigen

We hebben het woord ongeborenheid nodig naast het woord onsterfelijkheid als we de mens in zijn wezen helemaal willen begrijpen.
Wat ik hier voor u aanduid, vindt u in mijn boeken van alle kanten uitgewerkt. Ik kan u zogezegd alleen maar in grote trekken op de resultaten wijzen, omdat ik ernaar toe wil werken uiteen te zetten wat er van het menselijk leven en het menselijk voelen wordt, wanneer we een dergelijke opvatting vruchtbaar willen maken.
Stelt u zich de leerkracht voor die – zoals onze vrijeschoolleerkrachten in Stuttgart – ervaren heeft wat je kan ervaren wanneer je geesteswetenschap op je ziel laat inwerken. Stelt u zich hem voor: hij staat voor de wordende mens, voor het kind. Hij heeft niet alleen een saaie theorie, hij draagt als een levende inhoud van het leven met zich mee dat hij bij zichzelf zegt: uit geestelijke

blz. 207

Welten sind heruntergestiegen die Seelen, diese Seelen, an de­nen ich nun zu arbeiten habe. – Und nun wird ihm von derjenigen Pädagogik und Didaktik, die aus der Geisteswissenschaft folgt, eine Erkenntnis übermittelt, wie diese Seelen nun von Jahr zu Jahr, von Monat zu Monat behandelt werden können. Und ich darf Ihnen, da Sie ja alle Jugenderzieher sind, vielleicht aus einer Kleinigkeit heraus, die bei mir allerdings das Ergebnis einer mehr als drei Jahr­zehnte lang dauernden Forschung ist, eine Idee entwickeln, die dann, wenn sie nicht Idee bleibt, nicht Gedanke bleibt, sondern wenn sie lebendiges Tun im Erzieher und Unterrichter wird, eben ein merkwürdig impulsierendes Verhältnis des Lehrers zum Schü­1er, des Erziehers zum zu erziehenden Kind hervorruft. Sehen Sie, man redet heute viel in der Psychologie von der Beziehung des Physischen zum Geistigen. Und es gibt Theorien, die sagen, wie Seele und Leib aufeinander wirken sollen. Aber man studiert diese Dinge nicht. Man hat nicht die Methode der Geisteswissenschaft, durch die man diese Dinge studieren kann. Denn man muß sie im einzelnen studieren. Man kann nicht, indem man so im allgemeinen herumschwafelt, reden von einem Verhältnis der menschlichen Seele zum Leibe, sondern da muß man alle Einzelheiten kennen. Denn Einzelheiten der Seele wirken auf Einzelheiten des mensch­lichen Leibes.

werelden zijn de zielen afgedaald waaraan ik nu moet werken. En nu krijgt hij van die pedagogie en didactiek die uit de geesteswetenschap volgt, kennis aangereikt wat er met deze zielen van jaar tot jaar, van maand tot maand gedaan kan worden. En ik mag u, omdat u allemaal opvoeders bent van de jeugd, misschien vanuit iets kleins dat bij mij in ieder geval het resultaat is van een meer dan drie decennia lange onderzoekstocht, dat wanneer dit geen idee blijft, niet een gedachte, maar wanneer het een levendig doen wordt, in de opvoeder en de leerkracht zelfs een merkwaardige verhouding tussen de leraar en de leerling, tussen de opvoeder en het op te voeden kind teweegbrengt. Men praat in de psychologie tegenwoordig veel over de relatie tussen het fysieke en het geestelijke. En er zijn theorieën die zeggen hoe ziel en lichaam op elkaar inwerken. Maar men bestudeert die dingen niet. Men heeft niet de methode van de geesteswetenschap waardoor je deze dingen kan bestuderen. Want die moet je apart bestuderen. Je kan niet, als je zo in het algemeen in de rondte kletst, spreken over een relatie tussen de menselijke ziel en het lichaam, dan moet je alle details kennen. Want bijzonderheden van de ziel werken in op bijzonderheden van het lichaam.

Nur andeuten will ich, welche von den einzelnen Ideen, um die sich die Sache dreht, ich eigentlich meine.
Wir beobachten zunächst das Kind vor seiner Schulzeit. Wir wissen, es hat zunächst die sogenannten Milchzähne. Es treibt dann vom sechsten bis achten Jahr an die dauernden Zähne hervor. Das ist für denjenigen, der nicht bloß den äußeren Menschen beobach­tet, sondern durch Geisteswissenschaft den ganzen Menschen beobachtet, eine außerordentlich wichtige Lebensepoche. Nicht zufällig fällt sie zusammen mit derjenigen, in der das Kind der Volksschule übergeben wird. Denn was da zuletzt sich herausstößt als Zähne, das entstammt Kräften, die ja im ganzen Menschen vor­handen sind, die am ganzen Menschen tätig sind; und das ist sozu­sagen der Schlußpunkt; wenn diese zweiten Zähne erscheinen, wird mit etwas, was bis dahin im menschlichen Organismus tätig ist, ein

Ik wil alleen maar aangeven welke van de losse ideeën waarom het gaat, ik eigenlijk bedoel.
We nemen eerst het kind voor het naar school gaat. We weten dat het eerst de zogenaamde melktanden heeft. Van het zesde tot het achtste jaar komen dan de blijvende tanden tevoorschijn. Dat is voor degene die niet alleen naar de uiterlijke mens kijkt, maar door de geesteswetenschap naar heel de mens, een buitengewoon belangrijke leeftijd. Niet toevallig valt die samen met die waarop het kind naar de basisschool gaat. Want wat er uiteindelijk als tanden naar buiten gestoten wordt, stamt uit krachten die in de hele mens aanwezig zijn, die aan de hele mens werken en dit is zogezegd het eindpunt. Wanneer deze tweede tanden verschijnen, komt aan iets wat tot dan in het menselijk organisme actief is, een

blz. 208

Schlußpunkt gemacht. Dasjenige, was da tätig war, das ist bis zum Hervorbringen der Zähne gegangen.
Nun, wer das menschliche Leben tiefer beobachtet, der findet, daß gerade von einem Abschnitt des menschlichen Lebens an das Gedächtnis, namentlich aber die Kombinationsfähigkeit und die Vorstellungsfähigkeit eine ganz bestimmte Struktur erreicht. Das­jenige, was später intellektuelles Leben wird, das tritt von diesem Lebensabschnitt an ganz besonders auf. Und verfolgt man nun, was sich in dem Seelisch-Geistigen des Kindes abspielt bis zu dem Zeit­punkte, in dem hauptsächlich die zweiten Zähne hervorschießen, verfolgt man das ganz sachgemäß, wie man ein Naturobjekt ver­folgt unter dem Mikroskop: Was wird mit der Seele, wenn die Zähne heraus sind? – dann entdeckt man, daß es dieselbe Kraft ist, die zuerst den Organismus durchflutet und durchsetzt hat und die dann sich emanzipiert vom Organismus und frei im Seelischen zum intellektuellen Vermögen wird.
Sie beobachten das Kind vom siebenten, neunten Jahr an, sein seelisch-verstandesmäßiges Leben, und sagen sich: Was jetzt her­auskommt als Verstand, das hat früher, wo es noch im Unter­bewußten war, gearbeitet im Organismus. Das war als Seelisches am Leibe tätig.

einde. Wat daar actief was, was da,t tot aan het doen verschijnen van de tanden. Wel, wie het menselijk leven dieper beschouwt, vindt dat juist vanaf een bepaalde fase in het mensenleven, het geheugen, met name de mogelijkheid tot combineren en de voorstellingskracht, een heel bepaalde structuur krijgt. Wat later intellectueel leven wordt, wordt vanaf dit punt in het leven bijzonder manifest. En volg je nu wat er zich afspeelt in de geest en ziel van het kind tot dit tijdstip waarop voornamelijke de blijvende tanden tevoorschijn komen. vervolg je dat heel zakelijk zoals je een natuurobject volgt onder de microscoop: hoe gaat het met de ziel als de tanden zijn verschenen? Dan ontdek je dat het dezelfde kracht is die eerst het organisme doordrong en doorleefde en die zich nu af, van het organisme losmaakt en vrij in de ziel tot intellectueel vermogen wordt. U kijkt naar het kind van zeven, negen jaar, zijn gevoelsleven, zijn verstandelijk leven en dan zeg je: wat nu naar buiten komt als verstand, heeft vroeger toen het zich nog in het onderbewuste bevond, in het organisme gewerkt. Dat was als iets van de ziel werkzaam in het lichaam.

Ich füge Ihnen jetzt etwas zusammen, was, wie gesagt, Ergebnis einer mehr als drei Jahrzehnte langen Forschung ist. Da haben Sie in ganz konkreter Weise im einzelnen festgestellt, wie das Seeli­sche, das allerdings in den ersten sieben Jahren noch nicht in seiner Urform, seiner Naturform auftritt, am Leibe arbeitet. – So ist es überall mit unserer Geisteswissenschaft. Aus strengen Forscher-prinzipien heraus redet sie über das Verhältnis von Seele und Leib, nicht philosophisch-schwafelnd, sondern nach konkreten Er­gebnissen, wie das einzelne Seelische, also in diesem Falle der Verstand, zuerst gearbeitet hat am Leibe. Wir verfolgen, wie der Verstand drinnen am Leibe arbeitet und allmählich den Leib organisiert, bis die Zähne herausgestoßen sind.
Und so kann man es immer weiter und weiter machen und kann zum Verständnis des ganzen menschlichen Leibes aus dem Geistig-Seelischen

Ik vat nu iets voor u samen wat, zoals ik zei, het resultaat is van meer dan dertig jaar onderzoek. Je hebt dan op een heel concrete manier in detail vastgelegd hoe de zielenkracht die in de eerste zeven jaar beslist nog niet in zijn oervorm, zijn natuurvorm actief is, aan het lichaam werkt. Zo is dat met onze geesteswetenschap bij alles. Vanuit stringente onderzoeksprincipes spreekt zij over de relatie van ziel en lichaam, niet filosofisch kletsend, maar door concrete feiten hoe iets bepaalds van de ziel, dus in dit geval het verstand, eerst gewerkt heeft aan het lichaam. Wij vervolgen hoe het verstand van binnen aan het lichaam werkt en geleidelijk het lichaam organiseert, tot de tanden tevoorschijn komen zijn.
En zo kan je steeds verder gaan en kan je tot het begrijpen van het hele menselijke lichaam komen vanuit geest en ziel.

blz. 209

heraus kommen. Da werden nicht Theorien aufgestellt über die Wechselwirkung von Seele und Leib. Da wird nicht bloß das unmittelbar in einem Zeitabschnitt vorliegende Menschen­wesen angeschaut, sondern das ganze menschliche Wesen wird ver­folgt. Man kann nicht fragen: Wie wirken Seele und Leib zusam­men von der Geburt bis zum Zahnwechsel? Denn dasjenige, was da gewirkt hat, erscheint äußerlich erst vom siebenten bis zum vier­zehnten Lebensjahr. Dann beginnt wiederum eine neue Epoche. Und so wird Stück für Stück aus der Geisteswissenschaft heraus studiert, was dieser Mensch eigentlich ist. Das ergibt dann nicht jene abstrakte, jene graue Theorie vom Menschen, die man heute gewohnt ist, in den gebräuchlichen Lehr- und Handbüchern zu finden; das gibt etwas, was uns so mit der Erkenntnis erfüllt, wie wir in einem individuellen, persönlichen Verhältnis von etwas er­füllt werden, was uns im Leben entgegentritt und uns unmittelbar aus dem Leben heraus interessiert.
Das öffnet den Blick zur Betrachtung des werdenden Menschen, des Kindes: wie die Seele des Kindes sich immer mehr und mehr ausgestaltet im äußeren Leibe.

Hier worden geen theorieën opgesteld over de wisselwerking van ziel en lichaam. Hier wordt niet gekeken naar wat direct waargenomen kan worden in een bepaalde leeftijd van een mensenwezen, maar het totale mensenwezen wordt gevolgd. Je kan niet vragen: hoe werken ziel en lichaam samen vanaf de geboorte tot de tandenwisseling? Want wat daar werkzaam was, verschijnt pas uiterlijk vanaf het zevende jaar tot het veertiende. Dan begint er weer een nieuwe fase. En zo wordt deel voor deel vanuit de geesteswetenschap bestudeerd wat deze mens eigenlijk is. Dat levert dan niet die abstracte, die saaie theorie op over de mens die je tegenwoordig gewend bent in de gangbare leer- en handboeken te vinden; het geeft ons wel zoiets als wat ons zo met kennis vervult als wanneer wij in een individuele, persoonlijke relatie van iets vervuld zijn, wat we in het leven ontmoeten en wat ons direct vanuit het leven interesseert.
Dat opent de blik op het beschouwen van de wordende mens, van het kind, hoe de ziel van het kind zich steeds verder vormt in het uiterlijke zichtbare lichaam.

Und das durchfeuert den Willen, in der pädagogisch richtigen Weise an dieses werdende Kind heranzu­gehen. Da erlangt man dann die Fähigkeit, sich zu sagen, wie das werdende Kind eigentlich steht zu dem, was ihm dargeboten werden soll.
Sehen Sie, wir lehren unsere Kinder Lesen und Schreiben. Wenn man absieht von gewissen Urzeiten der Menschheit, in denen Le­sen und Schreiben noch sehr nahe war dem menschlichen Empfin­den – ich erinnere nur an die alten Bilderschriften -, und wir auf unsere Zeiten, auf unsere Zivilisationszeiten blicken – und das müssen wir ja, in denen leben wir und haben wir zu erziehen -, ja, was sind denn unsere Schriftzeichen, was sind unsere Buchstaben anderes als etwas, was dem ursprünglich-elementaren kindlichen Erleben sehr ferne steht! Das Kind wird ja eigentlich in eine ihm ganz fremde Welt eingeführt, wenn es Lesen und Schreiben lernen soll. Mit dem Rechnen ist es nicht so, denn das liegt mehr im Menschen. Zählen ist etwas viel mehr dem Ursprünglich-Elementaren

En dat spoort de wil aan om op een pedagogisch juiste manier met het wordende kind om te gaan. Dan krijg je het vermogen te zeggen hoe het wordende kind eigenlijk staat t.o.v. wat hem aangereikt moet worden.
We leren onze kinderen lezen en schrijven. Wanneer je afziet van bepaalde oertijden van de mensheid waarin lezen en schrijven nog heel dicht bij de menselijke beleving stond – ik herinner u even aan de oude beeldschriften – en wanneer we dan naar onze tijd kijken, naar onze beschavingstijd – en dat moeten we wel doen want we leven erin en moeten erin opvoeden, wat zijn dan onze schrifttekens, wat zijn onze letters dan anders dan iets wat verre staat van het oorspronkelijk-elementaire beleven van het kind! Het kind wordt eigenlijk in een hem totaal vreemde wereld binnengeleid, wanneer het moet leren lezen en schrijven. Met rekenen is dat niet zo, want dat ligt meer in de mens zelf. Tellen hoort veel meer bij het oorspronkelijk-elementaire

bolz. 210

der Menschenseele Naheliegendes als gerade Lesen und Schreiben. Die Schrift hat sich weiterentwickelt, und aus den Bil­dern sind Zeichen geworden, durch die man wie in eine fremde Welt hineinkommt. Nun haben wir aus ganz wesentlichen Erkenntnissen der Men­schennatur heraus für unseren Waldorf-Lehrplan das in Aussicht genommen, daß das Kind, indem es gerade im Anfang volksschul­mäßig erzogen und unterrichtet wird, aus dem künstlerischen Er­fassen der Schrift heraus das Schreiben lernt und dann aus dem Schreiben das Lesen. Also wir bringen an das Kind nicht die fremdartigen Schriftzeichen heran, sondern wir suchen aus der Kindesnatur – die uns geisteswissenschaftlich die Anleitung gibt, sie genauer zu erkennen – heraus die Art und Weise: Wie möchte sich die Hand bewegen? Was erlebt die Hand, wenn sie einen Strich, eine Handlung vollzieht? Wir lassen das Kind zeichnen. Wir lassen das Kind dasjenige entwickeln, was mit seinem Elementari­schen zusammenhängt; und daraus entwickeln wir erst die Schrift­zeichen. Also wir gehen vom Leben aus und führen zum Abstrak­ten hin. Wir vermeiden überall, das Intellektualistische irgendwie in den Vordergrund zu stellen. Wir gehen vom Leben aus.

wat dichter bij de ziel van de mens staat dan lezen en schrijven. Het schrift is verder tot ontwikkeling gekomen en uit de beelden zijn tekens ontstaan waardoor je in een vreemde wereld binnengaat.
We hebben nu uit heel wezenlijke kennis van de mensennatuur voor ons vrijeschoolleerplan in ogenschouw genomen dat het kind wanneer het met name in het begin van de basisschool opgevoed wordt en onderwijs krijgt, het schrijven leert uit een kunstzinnig begrijpen van het schrift en van daaruit schrijven en lezen leert. Dus we geven het kind niet de vreemde schrifttekens, maar we zoeken vanuit de natuur van het kind – die wij vanuit de geesteswetenschap preciezer willen leren kennen – het hoe en waarom. Hoe zou de hand zich moeten bewegen? Wat beleeft de hand wanneer die een lijn trekt, een handeling verricht? We laten het kind tekenen. We laten het kind ontwikkelen wat in essentie bij hem hoort; en daaruit ontwikkelen we pas het letterteken. Dus we gaan van het leven uit en komen bij het abstracte aan. We vermijden overal dat het intellectualistische op de eerste plaats komt. We gaan van het leven uit.

Und auch so gehen wir vom Leben aus, daß wir zum Beispiel in den Lehrplan hinein nicht jene, von manchem so wohltätig emp­fundene Abwechslung bringen, daß jede Stunde etwas anderes ge­trieben wird, sondern wir treiben irgendeinen Gegenstand in den hauptsächlichsten Schulstunden so lange, bis ihn das Kind be­herrscht, bis das Kind drinnen ist in der Sache. Wir haben daher nicht den stundenmäßigen Lehrplan, sondern für die hauptsäch­lichsten Schulfächer haben wir einen Lehrplan, der etwa durch drei Monate bei dem Gleichen bleibt. Natürlich ist davon ausgeschlos­sen das Sprachenmäßige und so weiter.
Und dann versuchen wir, alles dasjenige, was zu lernen ist, ge­nau in den Zeitpunkt hineinzustellen, in dem das Kind die Sache aus sich selbst heraus entwickeln kann. Wir versuchen zum Beispiel alles das zu studieren, was nun folgt daraus, daß gewissermaßen dasjenige, was zuerst im Organismus gearbeitet hat, dann aufhört

En we gaan ook zo van het leven uit, dat wij bv. in het leerplan niet die, door velen zo als weldadig ervaren afwisseling invoeren dat ieder uur iets anders wordt gedaan, maar wij staan in de belangrijkste schooluren net zo lang bij een onderwerp stil, tot het kind het beheerst, tot het kind erin thuis is. Daarom hebben wij geen urenrooster, maar voor de belangrijkste schoolvakken hebben we een leerplan dat ongeveer gedurende drie maanden [3] bij hetzelfde stilstaat. Natuurlijk zijn de talen enz. daarvan uitgesloten. En dan proberen we alles wat er aangeleerd moet worden, precies op dat ogenblik te doen waarop het kind zoiets vanuit zichzelf kan ontwikkelen. Wij proberen bv. alles te bestuderen wat volgt op wat in zekere zin eerst actief was in het organisme, dan bij

blz. 211

zu arbeiten beim Zahnwechsel, indem das von Jahr zu Jahr im achten, neunten, zehnten Jahr herauskommt. Wir verfolgen, was wir etwa vom Rechnen beibringen können in einem bestimmten Jahr; was wir von den allerersten Anfangsgründen aus der Natur­beobachtung, aus dem Geschichtsleben dem Kinde beibringen können. Wir versuchen wahr zu machen, was heute vielfach gesagt wird, was aber abstrakt bleiben muß. Die Pädagogik, die wir heute haben, soll gar nicht kritisiert werden. Ich schätze dasjenige, was an theoretischer Pädagogik und an Anleitungen zum Pädagogischen vorhanden ist, außerordentlich hoch. Ich glaube nicht, daß wir da etwas Wesentliches hinzufügen können. Aber worin wir, weil es ein Lebendiges ist, aus der Geisteswissenschaft etwas hinzufügen können, das ist in der Erweckung des pädagogischen Handgriffes, des Didaktischen, in der Verwertung der genauen Menschen-erkenntnis beim Kinde. So kann man sorgfältig studieren, wenn einen die Erkenntnisse der Geisteswissenschaft anleiten, wie um das neunte Lebensjahr herum wiederum ein ganz wichtiger Ab­schnitt in der kindlichen Seele ist. Bis dahin ist eigentlich das Kind immer in einer solchen Verfassung, daß es sich von der Umwelt nicht wesentlich unterscheidet. 

de tandenwisseling ophoudt actief te zijn, wanneer dat jaar voor jaar in het achtste, negende, tiende jaar naar buiten komt. Wij volgen wat we bv. van rekenen in een bepaald jaar kunnen aanleren, wat we van de allereerste beginregels bij het waarnemen van de natuur, van het geschiedenisleven de kinderen kunnen bijbrengen. We proberen waar te maken, wat tegenwoordig veel wordt gezegd, wat echter abstract moet blijven. De pedagogie die we tegenwoordig hebben, moet helemaal niet bekritiseerd worden. Ik schat wat aan theoretische pedagogiek en aan pedagogische richtlijnen voorhanden is, buitengewoon hoog in. Ik geloof niet dat we daar wezenlijk iets aan kunnen toevoegen. Maar waarin wij, omdat het iets levends is, uit de geesteswetenschap kunnen toevoegen: het doen ontstaan van pedagogische handgrepen, van iets didactisch, in het toepassen van exacte menskunde bij het kind.  <1> Zo kan je zorgvuldig bestuderen, wanneer kennis van de geesteswetenschap iemand daartoe aanzet, hoe er rond het negende jaar weer een heel belangrijk ontwikkelingsmoment in de kinderziel plaatsgrijpt. Tot die tijd leeft het kind eigenlijk in een dergelijke sfeer waarin hij geen wezenlijk onderscheid maakt tussen zichzelf en de omgeving.

Um das neunte Jahr herum fängt das Kind an, sich soweit von der Umwelt zu unterscheiden, daß wir von da ab anfangen, über die Pflanzen und Tiere mit ihm ganz anders als vorher zu reden. Und der Geschichtsunterricht sollte überhaupt nur in marchenhafter und legendenhafter Weise, in bild­hafter Weise vorher getrieben werden. Er sollte überhaupt – auch in den ersten Anfangsgründen – erst getrieben werden, nachdem das Kind sich unterscheiden gelernt hat von der Umwelt, also so um das neunte Jahr herum. So wird aus dieser prinzipiellen Menschenerkenntnis heraus, die wir anstreben durch Geisteswissenschaft – nicht nur im allgemein Pädagogischen und Didaktischen -, dasjenige, was uns zeigt, was wir Tag für Tag der Wesenheit des werdenden Menschen wegen an diesem Menschen zu vollbringen haben. Aber das alles hat noch immer einen Anstrich von Denken, von Ideenhaftem. Etwas wesentlich Wichtigeres ist noch das andere.

Rond het negende jaar begint het kind zich in zoverre van zijn omgeving te onderscheiden, dat we vanaf dat ogenblik beginnen over de planten en dieren te spreken, op een heel andere manier dan daarvoor. Daarvóór moet geschiedenisles alleen maar op een sprookjesachtige en legendenachtige manier, op een beeldende manier worden gegeven. Dat zou eigenlijk – ook met de eerste beginmotieven – pas gegeven moeten worden, nadat het kind geleerd heeft zich van de buitenwereld te onderscheiden, dus rondom het negende jaar. <1>
Zo ontstaat uit deze principiële mensenkennis die wij door geesteswetenschap nastreven – niet alleen algemeen pedagogisch en didactisch – datgene wat ons laat zien wat wij dag voor dag door het wezen van de wordende mens met deze mens te doen hebben. Maar dit alles heeft nog steeds de schijn van denken, van iets ideëels.
Iets wat wezenlijk belangrijker is, is nog iets anders.

blz. 212

Denken Sie nur einmal nach, was es für die Erziehung heißt, wenn man auf dem Standpunkt steht: Wir haben im Menschen bloß das höchste Wesen der Tierreihe vor uns, und wir haben das in ihm zu entwickeln, was er durch die physische Geburt mitbekommt. Durch die Geisteswissenschaft geht der Lehrer dagegen von der Grundlage aus: Aus der geistigen Welt ist ein geistig-seelisches Wesen heruntergestiegen; es hat sich in einem Menschenwesen physischer Art verkörpert. Es hat Geistiges aus der geistigen Welt gebracht und mit dem verbunden, was aus der Vererbungs­strömung herstammt. Wir haben dieses ganze lebendige Menschen-rätsel vor uns und haben an seinem Werden zu arbeiten. – Wie überkommt einen da eine ungeheure Ehrfurcht vor dem werden­den Menschen! Denn ehrfurchtgebietend steht vor uns, was uns die Götter vom Himmel zur Erde heruntergeschickt haben.
Und das zweite Gefühl, was uns beschleicht, wenn wir dem Kinde gegenüberstehen, das ist ein ungeheures Verantwortungs­gefühl; aber ein Verantwortungsgefühl, das uns trägt, das uns wirk­lich Kraft und Wollen gibt zum Erziehen und zum Unterrichten.

Denk eens na wat het voor de opvoeding betekent, wanneer je op het standpunt staat: we hebben in de mens alleen maar het hoogste wezen van de dieren voor ons en we moeten bij hem ontwikkelen wat hij door zijn lichamelijke geboorte meekrijgt. Door de geesteswetenschap gaat de leraar daarentegen van de grondregel uit: vanuit de geestelijke wereld is een geest-zielenwereld neergedaald; dat heeft zich in een fysiek mensenwezen belichaamd. Het heeft uit de geestelijke wereld iets geestelijks meegebracht en daarmee verbonden wat uit de erfelijkheidsstroom komt. Dit totale levende mensenraadsel staat voor ons en wij moeten aan zijn wording werken.
Wat krijg je dan een ongekende eerbied voor de wordende mens! Want wat de hemelse goden naar de aarde gestuurd hebben, staat voor ons en gebiedt ons eerbied.
En het tweede gevoel dat ons bekruipt, wanneer we tegenover het kind staan, is een ongekend verantwoordelijkheidsgevoel; maar een verantwoordelijkheidsgevoel dat ons draagt, dat ons werkelijk kracht geeft en de wil tot opvoeden en onderwijzen.

Es ist also das etwas, was lebendig in den Menschen hineinfahren kann. Ich möchte nicht mißverstanden werden, ich meine: was als Leben – nicht als Theorie, nicht als theoretische Pädagogik, nicht als lehrhafte Pädagogik – in den Menschen hineingeht, das ist dasjenige, was uns durch Geisteswissenschaft zukommt. Denn Geisteswissenschaft will [nicht] nur in den Ideen wiedergeben das allgemeine Weltenleben; sie will den Menschen teilhaftig werden lassen an diesem allgemeinen Weltenleben. Deshalb spielen bei dem aus der Geisteswissenschaft hervorgehenden pädagogischen Tun Dinge eine Rolle, die man eigentlich erst bemerkt, wenn man auf dieses Geisteswissenschaftliche sich einläßt.
Wir kommen oftmals in die Lage, den Kindern irgend etwas zu sagen, was zunächst, wenn wir es ihnen in Begriffen beibringen, über ihr Verständnis hinausgeht. Nehmen wir an, wir wollen einem Kinde das Wesen der unsterblichen Menschenseele beibringen. Wer Erfahrung hat, weiß, wie schwierig das ist, wenn man die Sache verantwortungsvoll und ehrfurchtsvoll nehmen will. Nehmen

Dat is iets wat levendig in de mens post vatten kan. Ik zou niet graag verkeerd begrepen worden, ik bedoel: wat als leven – niet als theorie, niet als theoretische pedagogie, niet als didactische pedagogie – in de mens post vat, is wat we krijgen door geesteswetenschap. Want geesteswetenschap wil niet alleen maar het algemene wereldleven in de ideeën weergeven; ze wil de mens deelgenoot laten worden van dit algemene wereldleven. Daarom spelen bij het pedagogische handelen dat uit de geesteswetenschap stamt, dingen een rol die je eigenlijk pas merkt, wanneer je je bezighoudt met deze geesteswetenschap.
We komen dikwijls in de positie dat we de kinderen iets zeggen, wat aanvankelijk, wanneer we hen dat in begrippen aanleren, boven hun begrip uitgaat. Laten we aannemen dat we een kind het wezen van de onsterfelijke mensenziel willen bijbrengen. Wie ervaring heeft, weet hoe moeilijk dat is, wanneer je dit met verantwoording en met eerbied wil. Laten we

blz. 213

wir an – ich will von einem Vergleich ausgehen -, wir schauen eine Schmetterlingspuppe an. Wir sagen zu dem Kinde: Sieh, der Schmetterling fliegt heraus aus dieser Puppe; den Schmetterling siehst du, wenn er aus der Puppe kommt. So ist es auch mit der Menschenseele; die Menschenseele verläßt die Puppe des Leibes im Moment des Todes. Diese Seele kannst du nur nicht sehen. – Ein Bild stellt sich vor die Kinder hin. Die Menschen denken nun oftmals, wenn einer dies so macht, sei es dasselbe, als wenn es ein anderer so macht. Geisteswissenschaft zeigt uns, daß das nicht so ist. Wenn ich aus meiner Gescheitheit heraus erst nachzudenken habe, um darauf zu kommen, daß die Schmetterlingspuppe mit dem herausfliegenden Schmetterling ein Bild für die unsterbliche Menschenseele ist, wenn ich, weil das Kind dümmer ist als ich, mir das Bild zusammenstopple und es ihm bringe, damit es die Unsterblichkeit verstehen kann – wenn man mit dieser Gesinnung an das Kind herangeht, bringt man die Sache dem Kinde nicht bei. Nur, wenn man selber an das Bild glaubt, bringt man auch dem Kinde das Richtige bei. Und ich gestehe Ihnen offen: aus der Geisteswissenschaft heraus ist das für mich kein zusammengestoppeltes Bild, sondern da ist es eine Tatsache; die Menschenseele macht das durch, was der Schmetterling im Bil­de zeigt.

eens aannemen – ik wil van een vergelijking uitgaan -, we kijken naar een vlinderpop. We zeggen tegen het kind: kijk, de vlinder vliegt uit deze pop naar buiten; de vlinder zie je, wanneer die uit de pop komt. Zo is het ook met de ziel van de mens; de mensenziel verlaat de pop van het lichaam op het ogenblik van de dood. Alleen, deze ziel kan je niet zien. Nu staat er een beeld voor het kind. De mensen denken nu dikwijls, wanneer iemand dit zo doet, is dat hetzelfde als wanneer iemand anders dat doet. Geesteswetenschap laat ons zien, dat dat niet zo is. Wanneer ik uit mijn schranderheid eerst moet nadenken om erop te komen dat de vlinderpop met de wegvliegende vlinder een beeld is voor de onsterfelijke mensenziel, wanneer ik, omdat het kind dommer is dan ik, het beeld in elkaar flans en het dan aan hem geef, zodat het de onsterfelijkheid kan begrijpen – wanneer je met deze stemming het kind benadert, breng je de zaak het kind niet bij. Alleen wanneer je zelf in het beeld gelooft, breng je het kind ook het juiste bij. En ik beken u ronduit: vanuit de geesteswetenschap is dit voor mij niet een in elkaar geflanst beeld, maar het is daar een feit; de mensenziel maakt dat door, wat de vlinder in het beeld laat zien.

Und nicht mein Verstand hat in diesem Schmetterling das Bild gefunden für die Unsterblichkeit, sondern: auf einer unteren Naturstufe steht ganz derselbe Vorgang da. Durch die Natur, durch den Geist der Natur selbst ist das Bild gemacht. Nicht ich mache das Bild, sondern ich glaube, daß die schöpferischen Kräfte der Natur in dem Ausfliegen des Schmetterlings dasselbe hinstellen wie die Menschenseele, die aus dem Leibe geht. Ich glaube nicht: das Kind ist dumm und ich bin gescheit, sondern ich stelle mich auf dieselbe Stufe, weil ich ehrlich mir dasjenige errungen habe im Bewußtsein, was ich dem Kinde sage. In demselben Maße und in derselben Art, wie ich es dem Kinde beibringen will, muß ich es glauben. Dann ist da etwas Imponderables, dann ist es wirklich meine Seele und die Kindesseele, die in diesem Momente noch durch ganz andere Kräfte miteinander verbunden sind als durch die

En niet mijn verstand heeft in deze vlinder het beeld gevonden voor de onsterfelijkheid, maar: op een ander natuurniveau bevindt zich dit hele zelfde proces. Door de natuur, door de geest van de natuur zelf is dit beeld gemaakt. Niet ik maak dit beeld, maar ik geloof dat de scheppende krachten in de natuur in het uitvliegen van de vlinder hetzelfde neerzetten als de menselijke ziel die het lichaam verlaat.
Ik geloof niet dat het kind dom is en ik ben niet knap, maar ik begeef me op hetzelfde niveau, omdat ik eerlijk met inspanning in mijn bewustzijn heb gekregen wat ik tegen het kind zeg. In dezelfde mate en op dezelfde manier zoals ik het het kind wil bijbrengen, moet ik het zelf geloven. Dan bestaat er iets imponderabels, dan is het werkelijk mijn ziel en die van het kind die op dit ogenblik nog door heel andere krachten met elkaar zijn verbonden dan door de

blz. 214

Worte, die in Begriffen und Gedanken und Theorien leben. Dieses Verbundensein mit der werdenden Kindesseele durch solche Din­ge, das ist es, worauf es oftmals ankommt.
Und wiederum sehen wir, wie in der letzten Zeit manches in einseitiger Weise mißverstanden worden ist. Man hat immer mehr und mehr danach gestrebt, dem Kinde dasjenige beizubringen, was es verstehen kann. Aber dadurch kommt man ja immer mehr und mehr in die furchtbarste Trivialität hinunter. Man denke nur dar­über nach, wie banal man die Dinge vorbringen müßte, wie ge­wöhnlich, um sie dem Kinde verständlich zu machen! Und wenn man die methodischen Lehrbücher daraufhin anschaut, die darstel­len, wie man die Dinge behandeln soll, was für Banalitäten man dem Kinde zumuten soll – es ist zum Die-Wände-Hinaufkriechen!
Man weiß eben eines nicht, das für das Menschenleben so wich­tig und bedeutungsvoll ist. Lernt man das Menschenleben kennen, so ist es doch so: Man erinnert sich zuweilen, vielleicht mit fünf­unddreißig Jahren, an etwas, was man vielleicht im achten Jahr gelernt hat. Hat man es richtig gelernt, aus dem richtigen Geiste heraus, so weiß man es so deutlich, als wenn es gestern geschehen wäre.

woorden die in begrippen en gedachten en theorieën leven. Deze verbondenheid met de wordende kinderzielen door dergelijke dingen: daar komt het dikwijls op aan.
En we zien weer hoe de laatste tijd veel op een eenzijdige manier verkeerd begrepen is. Men heeft er steeds meer naar gestreefd het kind bij te brengen wat het kan begrijpen. Maar daardoor kom je steeds meer uit bij de vreselijkste trivialiteit. Je hoeft er maar aan te denken hoe banaal je de dingen zou moeten brengen zoals dat gewoonlijk gaat, om ze het kind duidelijk te maken! En wanneer je de de methodiekboeken erop naslaat hoe je de dingen moet behandelen, welke banaliteiten je het kind moet meegeven – dat is om uit je vel te springen!

Eén ding weet men niet, wat voor het mensenleven zo belangrijk en betekenisvol is. Wanneer je het mensenleven leert kennen, dan is het toch zo: soms herinner je je, misschien wanneer je vijfendertig bent, iets van wat je misschien op je achtste geleerd hebt. Heb je het goed geleerd, vanuit de juiste stemming, dan weet je dat net zo goed, als was het gisteren gebeurd.

Man erinnert sich auch: Das hast du nicht verstanden, das hast du auf Autorität hin angenommen. – Du hast das gefühlt: Ich bin jünger, der Lehrer ist älter, der versteht es, ich verstehe es nicht. Jetzt, mit fünfunddreißig Jahren, kommt das Ganze wieder herauf. Jetzt verstehst du es dadurch, daß du reifer geworden bist. Wenn einmal die Menschen schätzen werden, was das bedeuten kann, wenn man sich im späteren Leben durch eigene Reife befähigt fühlt, etwas zu verstehen, was man früher nur geglaubt hat, weil man den Menschen geschätzt hat, der es einem sagte, weil der ei­nem Autorität war – wenn das einmal die Menschen begreifen werden, dann werden sie auch schätzen können, was es heißt, daß Geisteswissenschaft sagt: Man muß hinschauen auf das werdende Kind bis zum siebenten Jahr ungefähr, da findet man, daß das Kind vor allen Dingen ein Nachahmer ist. Es tut alles das, was seine Umgebung tut. Das ist ein Grundgesetz der sich in diesen Jahren entwickelnden Menschennatur. Da kann man nicht durch Ermahnungen

Je herinnert je ook: dit heb je niet begrepen, dit heb je aangenomen op gezag. Je hebt het gevoel: ik ben jonger, de leraar is ouder, hij begrijpt het, ik begrijp het nog niet. Nu, met vijfendertig jaar, komt alles weer boven. Nu begrijp je het omdat je rijper geworden bent. Wanneer de mensen eens zouden waarderen wat het kan betekenen als je op latere leeftijd door je eigen volwassenheid je in staat voelt iets te begrijpen van wat je vroeger alleen maar aannam, omdat de mens naar waarde schatte wat iemand hem zei, omdat deze een autoriteit was – als de mens dat eenmaal eens zou begrijpen, dan zouden ze ook kunnen waarderen wat het betekent dat de geesteswetenschap zegt: je moet naar het wordende kind kijken tot ongeveer het zevende jaar, dan zie je dat het kind vooral een nabootser is. Het doet alles na wat zijn omgeving doet. Dat is een basale wet in de ontwikkeling van de zich ontwikkelende mens in deze jaren. Je kan niet door vermaningen opvoeden,

blz. 215

erziehen, sondern nur durch das Vorbild, bis in die Gedan­ken hinein. Wer unreinliche Gedanken in der Kinderstube hat, wirkt schlecht auf die Kinder. Denn die Seelen haben einen unter­bewußten Zusammenhang. Also bis zu den Gedanken hin wird von dem Kinde bis zum Zahnwechsel hin alles nachahmend erlebt und nachahmend dem ganzen Menschenwesen einverleibt.
Dann aber beginnt mit dem Zahnwechsel, mit dem Eintreten des Verstandesteiles der Seele, dasjenige, was die Menschenseele bis zur Geschlechtsreife will: Hingabe an eine verehrte Autorität. Beson­ders unserer Zeit sollte das gesagt werden, daß das einem mensch­lichen Entwicklungsgesetz entspricht. Das Kind kann deshalb Wahrheiten aufnehmen in dieser Zeit, weil es sieht: die verehrte Autorität hängt an diesen Wahrheiten. Wer das nicht erlebt hat, ungefähr vom siebenten bis zum vierzehnten Jahr aus dem Autoritätsgefühl heraus Wahrheiten aufzunehmen, der steht später kaum als ein selbständiger und freier Mensch im Leben drinnen, denn er hat in seinem Menschenwesen nicht das richtige Verhältnis von Mensch zu Mensch entwickelt!

maar alleen door het voorbeeld, tot in de gedachten aan toe. Wie in de kinderkamer onzuivere gedachten heeft, werkt slecht op de kinderen in. Want de zielen hebben een onderbewuste verbinding. Dus tot in de gedachten wordt door het kind tot de tandenwisseling alles nabootsend beleefd en nabootsend in het mensenwezen opgenomen.
Dan echter begint met de tandenwisseling, met het optreden van de verstandsdelen van de ziel, wat de mensenziel tot aan de puberteit wil: zich richten op een vereerde autoriteit. In het bijzonder in onze tijd moet worden gezegd, dat dit in overeenstemming is met een menselijke ontwikkelingwet. Het kind kan dus in deze tijd waarheden in zich op nemen, omdat het ziet: de vereerde autoriteit is aan deze waarheden gehecht. Wie ongeveer vanaf het zevende tot het veertiende jaar niet heeft beleefd, waarheden in zich op te nemen, vanuit het gevoel voor autoriteit, staat later nauwelijks als een zelfstandig en vrij mens in het leven, want hij heeft in zijn menselijk wezen niet de juiste relatie van mens tot mens ontwikkeld.

Daher geht als Grundimpuls durch unsere Pädagogik: die päd­agogische und didaktische Erziehung bis zum siebenten Jahr durch Nachahmung. Es sieht sich dann der Lehrer der Volksschulzeit bis zum vierzehnten Jahr so auf sich selbst gestellt, daß er die selbst­verständliche Autorität ist. Es hat eine ungeheure Bedeutung für das Leben, wenn man sich später erinnern kann: Durch eigene Reife hast du jetzt etwas errungen, was in der Schulzeit veranlagt war. Das gibt eine besondere Kraft. Da wirkt die Schule und Erzie­hung in das spätere Leben hinein, wenn der Lehrer durch selbstver­ständliche Autorität das dem Kind beibringt, was es erst später versteht. Es ist im allgemeinen leicht und für die oberflächliche Betrachtung einleuchtend: Man will dem Kinde nur beibringen, was es versteht. Dann macht man aber die Menschen früh alt. Man zerstört das Leben. Man gibt dem Menschen nicht das richtige Erdengut für das spätere Leben.
Durch diese Wahrheiten wollte ich nur klarmachen, wie nicht aus theoretischer Pädagogik, sondern durch das im lebendigen

Vandaar dat als een grondimpuls door onze pedagogiek gaat: pedagogische en didactische opvoeding tot het zevende jaar: door nabootsing. De leerkracht van de basisschool tot aan het veertiende jaar moet zo zichzelf zijn dat hij de vanzelfsprekende autoriteit is. Voor het leven is het van buitengewone betekenis wanneer je je later kan herinneren: door eigen rijping ben je nu zover met iets gekomen, wat in de schooltijd aangelegd is. Dat geeft een bijzondere kracht. Dán werkt school en opvoeding tot in het latere leven door, wanneer de leraar door vanzelfsprekende autoriteit het kind bijbrengt wat het pas later begrijpt. In het algemeen is het makkelijk en voor de oppervlakkige beschouwing duidelijk: men wil het kind alleen aanleren wat het begrijpt. Dan echter, maak je de mens vroeg oud. Je verstoort het leven. Je geeft de mens niet de juiste aardebagage voor het latere leven mee.
Door deze waarheden wilde ik alleen duidelijk maken hoe er niet vanuit theoretische pedagogiek, maar door dat in de levende

blz. 216

Menschen, was er werden kann durch das Sich-Durchdringen mit der Geisteswissenschaft, im menschlichen Verhältnis eben das­jenige geleistet wird für das Kind, was wir hinzufügen möchten zu dem, was an Großartigem die Pädagogik des 19. Jahrhunderts hervorgebracht hat, in ganz großartige Prinzipien gebracht hat. Geisteswissenschaft möchte aus dem Bedürfnis unserer Zeit heraus das lebendige Leben befruchten, weil sie ja ein Erkennen ist, das den Menschen ganz durchdringt in seiner innersten Wesenheit. Deshalb muß das auch in allen Einzelheiten so durchgeführt wer­den. Aus der unmittelbaren Menschenerkenntnis heraus sollen unsere Pädagogen und Didaktiker wirken. Daher beurteilt derjeni­ge schlecht, was wir wollen, der uns nachsagt, wir wollten ein neues Bekenntnis, eine Weltanschauung in die Schule hineintragen.
In unserer Freien Waldorfschule in Stuttgart, deren oberste Lei­tung mir ja unterstellt ist und die ich von Zeit zu Zeit wiederum zu inspizieren habe, da habe ich, da von mir der Lehrplan und die ganze Konstitution herrührt, von vorneherein gesagt: Das ist un­möglich, daß wir den Inhalt einer Weltanschauung in die Schule hineintragen. Die evangelischen Kinder werden von evangelischen Pfarrern, die katholischen Kinder von katholischen Pfarrern in ih­rem Bekenntnis unterrichtet. 

mens wat hij worden kan doordat hij vervuld raakt van de geesteswetenschap, in de menselijke relatie met het kind bereikt wordt, wat wij zouden willen toevoegen aan wat aan grootsheid de pedagogiek van de 19e eeuw opgeleverd heeft en aan heel grootse opvattingen heeft gebracht. Geesteswetenschap zou vanuit de behoefte van onze tijd vruchtbaar willen zijn voor het vitale leven, omdat zij een kennen is dat de mens geheel doordringt tot in zijn diepste wezen. Daarom moet dit ook in alle details worden doorgevoerd. Vanuit een praktische menskunde moeten onze pedagogen en didactici werken. Daarom beoordeelt degene die ons nadraagt, dat wij een nieuw geloof, een wereldbeschouwing in de school brengen. slecht wat wij willen. [4]
In onze school in Stuttgart waarover ik de leiding heb gekregen en die ik van tijd tot tijd moet inspireren, omdat het leerplan en de hele opbouw van mij komt, heb ik meteen gezegd: het is niet mogelijk dat wij de inhoud van een wereldbeschouwing in de school opnemen. De evangelische kinderen worden door een evangelische dominee, de katholieke kinderen door een katholieke pastoor in hun geloof onderwezen.

Dissidentenkinder können Dissiden­tenkinder bleiben. Wenn dann eine ganze Anzahl von diesen Kin­dern beziehungsweise die Eltern dieser Kinder gekommen sind und uns gesagt haben: Ja, dasjenige, was Ihr die Kinder lehrt, das er­weckt in ihnen das Gefühl, sie müßten auch einen religiösen Impuls empfangen – so sind die Dissidenteneltern gekommen, nicht etwa bloß diejenigen, die in irgendeinem Bekenntnis drinnenstehen; die gegenwärtigen Bekenntnisse bringen es nicht zustande, daß un­mittelbar ein so reges religiöses Bedürfnis entsteht. Wir waren ge­nötigt – weil bei den anthroposophisch erzogenen Kindern aus dem Geiste unseres Unterrichts heraus das religiöse Bedürfnis kam und weil die Dissidenteneltern ihre Kinder in konfessionellen Religionsunterricht nicht schicken wollen -, einen allgemeinen Religionsunterricht einzurichten. Die Kinder, die diesen Unterricht genießen, die hätten sonst überhaupt keinen genossen. Und wie

Afvallige’ kinderen kunnen afvallige kinderen blijven. Toen er dan een groot aantal kinderen, resp. de ouders van deze kinderen naar ons toe zijn gekomen en zeiden: ‘Ja, wat jullie de kinderen leren, wekt bij hen het gevoel dat ze ook een religieuze impuls zouden moeten krijgen – dus op die manier zijn de dissidentenouders gekomen, niet degenen die al bij een of ander geloof hoorden; de kerken van nu krijgen het niet voor elkaar dat er zo’n onmiddellijke religieuze behoefte ontstaat. Wij werden gevraagd – omdat bij de antroposofisch opgevoede kinderen vanuit de geest van ons onderwijs het religieuze gevoel ontstond en omdat de dissidentenouders hun kinderen niet naar het confessionele godsdienstonderwijs wilden sturen, een algemeen godsdienstonderwijs te geven. De kinderen die dit onderwijs krijgen, hadden dat anders niet gekregen. En zoals gezegd,

blz. 217

gesagt, die katholischen Kinder genießen einen katholischen Reli­gionsunterricht, die evangelischen Kinder einen evangelischen. Wir können, weil wir eben nicht eine Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen, durchaus im wahren, echten Sinne tolerant sein in dieser Beziehung. Und diese Toleranz trägt in der Praxis wahrlich keine schlechten Früchte. Denn dasjenige, was wir suchen, ist nicht, eine Weltanschauung in die Schule hineinzutragen oder ein Bekenntnis, sondern eine praktische Pädagogik und Didaktik, die aus Geisteswissenschaft und nur aus Geisteswissen­schaft kommen kann. Ein ganz sachliches pädagogisches Interesse haben wir bei der Einrichtung unserer Schule und nicht, Propagan­da zu machen für irgendeine Weltanschauung. Und derjenige, der das letztere behauptet, wir hätten ein Interesse aus unserer Gei­steswissenschaft, für diese Propaganda zu machen, für eine Weltan­schauung Propaganda zu machen, der lügt. Nur derjenige beurteilt das, was wir wollen, richtig, der da weiß, wie wir nichts anderem dienen wollen als dem praktischen Leben durch dasjenige, was diesem Leben gegenüber nicht in weltfremden Fernen steht, son­dern gerade durch diese Erkenntnis, wie ich sie Ihnen eben ge­schildert habe, mit dem praktischen Leben zusammenhängt.

de katholieke kinderen krijgen katholiek godsdienstonderwijs, de evangelische kinderen het evangelische. Wij kunnen, omdat we geen wereldbeschouwing in de school willen brengen, wat dit betreft in de ware, echte zin van het woord beslist tolerant zijn. En deze tolerantie werpt in de praktijk echt geen slechte vruchten af. Want wat wij zoeken, is niet een wereldbeschouwing de school binnen te brengen of een geloof, maar een praktische pedagogie en didactiek die uit geesteswetenschap en alleen uit geesteswetenschap kan voortvloeien. Wij hebben een heel zakelijke pedagogische interesse bij de inrichting van onze school en niet om propaganda te maken voor een of andere wereldbeschouwing. En wie dit laatste beweert, als zouden wij erin geïnteresseerd zijn vanuit onze eigen geesteswetenschap propaganda te maken voor een wereldbeschouwing, die liegt. Alleen degene beoordeelt juist wat wij willen, die weet hoe wij niets anders willen dienen dan het praktische leven door wat t.o.v. dit leven niet wereldvreemd staat, maar juist door dit weten zoals ik u zojuist geschetst heb, met het praktische leven samenhangt.

Daher konnten wir auch in den Lehrplan die Eurythmie aufneh­men als obligatorischen Unterrichtsgegenstand. Sie werden mich nicht für so albern halten, daß ich gegen die segensreiche Wirkung des Turnens, die im 19. Jahrhundert mit Recht hervorgehoben worden ist, etwas einwenden werde. Aber es wird einmal eine Zeit kommen, in der man über diese Dinge etwas objektiver denkt. Dann wird man finden: Ja, das Turnen, es entspricht der Physiolo­gie des Menschen; es bringt diejenigen körperlichen Bewegungen an das Kind, an den Menschen heran, welche dem Studium der menschlichen Körperlichkeit entsprechen. Dazu fügen wir nun -aber nicht, indem wir das Turnen anfechten – unsere Eurythmie.
Was ist diese Eurythmie? Es ist zunächst eine Kunst, wie sie hier in öffentlichen Vorstellungen dargeboten wird. Aber daneben hat sie auch ein hygienisch-therapeutisches und außerdem ein starkes pädagogisch-didaktisches Element in sich. Sie beruht nicht auf irgendwelchen

Vandaar dat wij ook de euritmie in het leerplan konden opnemen als een verplicht vak. U zal mij niet voor zo onnozel verslijten dat ik tegen de zegenrijke invloed van de gymnastiek die in de 19e eeuw met recht naar voren is gekomen, iets zou willen inbrengen. Maar er zal een tijd komen waarin men over deze dingen iets objectiever gaat denken. Dan zal men zeggen: Ja, de gymnastiek is in overeenstemming met de fysiologie van de mens; die brengt het kind, de mens, de lichamelijke bewegingen die in overeenstemming zijn met de studie over het menselijk lichaam. Daar voegen wij nu – maar niet  omdat we de gymnastiek aanvechten – onze euritmie aan toe.
Wat is deze euritmie? Allereerst een vorm van kunst die hier in openbare voorstellingen uitgevoerd wordt. Maar daarnaast heeft deze ook iets hygiënisch-gezondmakends en bovendien een sterk pedagogisch-didactisch element. Ze berust niet op een of ander

blz. 218

ausgedachten Gebärden – durch zufällige Zusammen­hänge der äußerlichen Gebärden oder der Mimik mit dem, was in der Seele vorgeht -, sondern sie beruht auf dem, was man im sorg­fältigen Studium gewinnen kann durch das, was ich im Sinne Goethes «sinnlich-übersinnliches Schauen» nennen möchte. Wenn man das menschliche Sprachorgan mehr von innen studiert und das, was sich – jetzt nicht an Bewegungen, Modulationsbewegun­gen, sondern an Bewegungsanlagen – vollzieht, durch sinnlich­übersinnliches Schauen erschaut, dann kann man es, ganz nach dem Prinzip der Goetheschen Metamorphosenlehre, auf den ganzen Menschen übertragen. Goethe sieht in der ganzen Pflanze nur ein komplizierter ausgestaltetes Blatt. Was Goethe im Hinblick auf die Formen in seiner Morphologie ausgeführt hat und was erst später einmal geschätzt werden wird, das versuchen wir funktionell in der menschlichen Tätigkeit künstlerisch zur Anwendung zu bringen. Wir versetzen den ganzen Menschenorganismus oder Menschen­gruppen in solche Bewegungen, die abgelesen sind von der Laut-sprache. 

uitgedacht gebaar – door toevallig samengaan van uiterlijke gebaren of mimiek met een gevoel, maar ze berust op wat je door zorgvuldig bestuderen te weten kan komen door wat ik met Goethe ‘zintuiglijk-bovenzintuiglijk’ waarnemen zou willen noemen. Wanneer je het menselijk spraakorgaan van binnenuit bestudeert en door het zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen ziet-  niet alleen aan bewegingen, modulatieveranderingen, maar aan de aanzet van de bewegingen – dan kun je, geheel volgens de metamorfoseleer  van Goethe, deze op de hele mens toepassen. Goethe ziet in de totale plant alleen maar een gecompliceerd gevormd blad. Wat Goethe uitgewerkt heeft in zijn morfologie wat betreft de vormen en wat ooit later naar waarde geschat zal worden, proberen wij functioneel in de menselijke activiteit kunstzinnig toe te passen. Het menselijk organisme of een groep mensen laten we bewegingen maken die afgelezen zijn aan de spraakklank.

Das heißt, wir lassen Hände, Beine und den Kopf solche Bewegungen ausführen, die den Bewegungstendenzen des Kehl­kopfes und seiner Nachbarorgane entsprechen. Wir machen sozu­sagen den ganzen Menschen zum Kehlkopf und schaffen so eine tonlose, aber sichtbare Sprache – nicht eine Gebärdensprache, die der Willkür der Phantasie entstammt. Wir schaffen eine Sprache, die wir auf den Menschen und seine Bewegungen übertragen. Sie ist ebenso gesetzmäßig ausgebildet – nur eben durch Studium aus­gebildet – wie von der Natur ausgebildet ist, was vom Kehlkopf und den Nachbarorganen ausgeführt wird.
Und wenn wir nachher, nach einer kurzen Pause, etwas von Kindern vorführen lassen werden, damit auch das pädagogisch-di­daktische Element zum Ausdruck kommt, dann werden Sie sehen, daß diese Eurythmie neben dem, daß sie eine Kunst ist, zu gleicher Zeit ein beseeltes Turnen ist. Jede Bewegung wird nicht ausgeführt aus physiologischer Einsicht, sondern aus der Erkenntnis des Zu­sammenhanges zwischen Körper und Seele. Jede Bewegung ist durchseelt, wie der Laut durchseelt ist. Der ganze Mensch wird

Dat betekent dat we de handen, benen en het hoofd die bewegingen laten uitvoeren die met de bewegingsimpulsen van het strottenhoofd en de aangrenzende organen in overeenstemming zijn. We maken zogezegd de hele mens tot strottenhoofd en creëren op deze manier een geluidloze spraak, maar wel een zichtbare – niet een gebarentaal die uit de willekeur van de fantasie komt. We scheppen een taal die we op de mens en zijn bewegingen overbrengen. Die is dus wetmatig gevormd – juist slechts door studie gevormd – zoals door de natuur gevormd is wat door het strottenhoofd en de aangrenzende organen uitgevoerd wordt. Euritmie is een bezielde gymnastiek. Iedere beweging wordt niet gemaakt door inzicht in het lichamelijke, maar uit de kennis van de samenhang tussen lichaam en ziel. Iedere beweging is bezield, zoals de klank bezield is. De hele mens wordt

blz. 219

zum Sprachorgan. Daher tritt da auch zutage, was in der Dichtung künstlerisch gestaltet werden kann. Heute haben die Menschen keine Ahnung davon, daß der Prosainhalt nicht die Hauptsache ist in bezug auf die Dichtung. Es wird ja heute überhaupt neunund­neunzig Prozent zuviel gedichtet! Dasjenige, was Dichtung ist, beruhte entweder in Goethescher Art auf Gestaltung der Sprache, oder auf dem Rhythmus der Sprache – man braucht nur auf Schiller hinzuweisen; man könnte viele andere Beispiele anführen. Schiller sagte, Gedichte wie zum Beispiel «Der Taucher» oder «Der Spa­ziergang» hätten nicht zuerst prosamäßig in seiner Seele gelebt, sondern etwas wie Musik, etwas wie ein Bild, etwas Visionäres lebte in ihm. Und aus diesem Wortlos-Melodiösen, aus dem Wort­los-Bildlichen haben Schiller und auch Goethe erst die Worte ge­bildet, haben sie gleichsam angefügt an das Wortlose oder Musika­lische oder innerlich Plastische. Und so sind wir auch, wenn zum Beispiel rezitiert werden muß, genötigt, auf das Rhythmische der gewöhnlichen Sprache zurückzugehen. Denn Sie werden hören,

tot spraakorgaan. Daardoor wordt ook duidelijk wat er in het dichten kunstzinnig tot stand kan worden gebracht. Tegenwoordig hebben de mensen er geen idee van dat de proza-inhoud niet het belangrijkste van het gedicht is. Tegenwoordig wordt er zeker negenennegentig procent te veel gedicht. Wat dichten is berustte of op het vormen van taal op de manier van Goethe, of op het ritme van het spreken – je hoeft maar op Schiller te wijzen; je zou vele andere voorbeelden kunnen geven. Schiller zegt dat hij gedichten zoals bijv. ‘Der Taucher’ of ‘Der Spaziergang’ niet eerst als proza beleefde, maar enigszins als muziek, of als een beeld, iets visionairs in hem. En uit dit woordeloos-melodieuze, uit deze woordloze verbeelding vormden Schiller en ook Goethe pas de woorden, voegden ze a.h.w. toe aan dat woordloze of muzikale of innerlijke beeld. En daarom zijn ook wij wanneer er bijv. gereciteerd moet worden, genoodzaakt terug te vallen op het ritme van de gewone spraak. Want u zal horen

daß die eurythmische Vorstellung – wie ich sagte, der Mensch als lebendiger Kehlkopf vor Ihnen auf der Bühne sich bewegend – auf der einen Seite durch Rezitation, auf der anderen Seite durch Musik begleitet sein wird. Man kann es auch begleiten von dem, was man nicht ausdrückt mit der Dichtung. Dann muß aber nicht so rezitiert werden, wie in unserem unkünstlerischen Zeitalter rezitiert wird, wenn man eben den Inhalt der Dichtung aus dem Untergrund der Seele herausholt, sondern dann muß gerade Takt und Rhythmus und die Zusammenhänge, die gestaltet sind im Reim, also das eigentlich Künstlerische, in der Rezitation zum Ausdrucke kom­men. Denn mit dem gewöhnlichen heutigen unkünstlerischen Rezitieren könnte man die Eurythmie nicht begleiten. Daher wird die Eurythmie auch gesundend zurückwirken auf das, was in unseren übrigen Künsten im Rückgang ist. Vor allen Dingen wird es Sie gewiß interessieren, daß die Eurythmie ein pädagogisch-didaktisches Element in sich hat. Das Turnen ist etwas Ausgezeichnetes für den Menschen, aber es ent­wickelt nur den äußeren, physischen Organismus. Eurythmie als

dat de voorstelling – zoals ik zei, de mens als levend strottenhoofd voor u op het toneel zich bewegend – aan de ene kant door recitatie, aan de andere kant door muziek begeleid wordt. Je kan het ook begeleiden* met wat je niet tot uitdrukking brengt in een gedicht. Dan moet er echter niet zo gereciteerd worden zoals dat in onze onkunstzinnige tijd gebeurt, wanneer men de inhoud van een gedicht uit de onbewuste ziel naar bovenhaalt, maar dan moeten juist maat en ritme en de samenhang met het rijmen, dus eigenlijk het echte kunstzinnige, in het reciteren tot uitdrukking komen. Want met het gebruikelijke onkunstzinnige reciteren van tegenwoordig kan je geen euritmie begeleiden. Vandaar dat de euritmie ook gezondmakend terug kan werken op wat in onze andere kunsten achteruit gaat. Bovenal zal het u interesseren dat de euritmie een pedagogisch-didactisch element bevat. Gymnastiek is iets uitstekends voor de mens, maar ontwikkelt alleen het uiterlijk, fysiek organisme. Euritmie als

*Je kan het ook begeleiden: deze niet helemaal te begrijpen zin stond zo in de bewoordingen van mevrouw Hummel. Ook het ernaast leggen van de originele stenotekst gaf geen bevredigende oplossing omdat de twee woorden tussen ‘wat….uitdrukt, onleesbaar zijn.

blz. 220

obligatorischer Gegenstand in der Schule wirkt vor allen Dingen auf dasjenige, was ich nennen möchte die Willensinitiative, die Selbständigkeit der menschlichen Seele. Und das ist dasjenige, was wir eigentlich für das nächste Zeitalter der Menschheit brauchen. Wer hineinschaut in das heutige Chaos unserer sozialen Zustände, der weiß, daß den Menschen vor allen Dingen diese Seeleninitiative fehlt.
Ich sagte schon, der Lehrer und der Erzieher können nicht aus­kommen ohne das Bewußtsein, das sie mit Ehrfurcht erfüllen kann, aber auch mit Verantwortung: daß er zu arbeiten hat an den Seelen, die aus der geistigen Welt kommen, aber so, daß sich die nächste Generation in einer richtigen Weise in die Welt hineinstellt. Wer die heutige Zeit ansieht, der fühlt schon, wie wichtig es ist, was wir als nächste Generation in die Welt hineinstellen. Und deshalb hat man eine solche innere Befriedigung, wenn man sehen kann, wie, ohne daß man Weltanschauung in die Schule hineinträgt, von un­seren Lehrkräften zum Beispiel in der fünften Klasse Anthropolo­gie behandelt wird: nicht in trockenem Sinne, nicht etwa anthropo­logisch-theoretische Erkenntnisse, sondern so, daß man dasjenige, was man als erste Anthropologie an die Kinder heranbringt, durch-leuten und durchwärmen läßt vom Geiste aus.

verplicht schoolvak werkt met name op wat ik zou willen noemen de wilsinitiatieven, de zelfstandigheid van de menselijke ziel. En dat hebben we eigenlijk voor het komende tijdperk van de mensheid nodig. Wie een blik werpt op de chaos van onze sociale toestand weet dat de mensen boven alles die initiatieven van de ziel missen. Ik zei al, de leraar en de opvoeder komen niet verder zonder het bewustzijn dat hen met eerbied kan vervullen, maar ook met verantwoordelijkheidsgevoel: dat hij moet werken aan de zielen die uit de geestelijke wereld komen, maar zo, dat de volgende generatie op een goede manier zijn plaats in de wereld inneemt. Wie naar de huidige tijd kijkt, voelt al hoe belangrijk het is wat wij als de komende generatie in de wereld een plaats geven. En daarom kan je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, hoe, zonder dat je een wereldbeschouwing de school binnenbrengt, door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie gegeven wordt: niet op een droge manier, niet met wat antropologisch-theoretische kennis is, maar zo, dat je, wat je aan eerste antropologie aan de kinderen geeft, deze doorlíchten en doorwarmen laat vanuit de geest.

Wenn man das den Kindern so beibringt, dann fangen die Kinder an, in ganz anderer Weise beim Unterricht dabei zu sein; da gründen sie etwas in sich, was ihnen für das ganze Leben bleibt.
Ebenso habe ich die tiefste Befriedigung gehabt, wie von unse­rem Lehrer der siebenten Klasse in dieser geisteswissenschaftlichen Weise Geschichte vor den Kindern entwickelt worden ist – aber wie gesagt, nicht Geisteswissenschaft, sondern die Geschichte gei­steswissenschaftlich-methodisch behandelt. Da verwandelt sich dasjenige, was sonst mehr oder weniger den Kindern fremd bleibt, in etwas, was das Kind unmittelbar verwandt mit seiner eigenen Wesenheit weiß. Und da kann man überall die Brücke herstellen zwischen dem, was das Kind erfährt vom Entwicklungsgang der Menschheit und dem, was in das Kind hineinsprühen kann, damit es ein brauchbares Mitglied der künftigen Menschheit sein soll.

Wanneer je dat de kinderen zo bijbrengt, beginnen ze op een heel andere manier aandacht te hebben voor het onderwijs; dan leggen ze in zichzelf iets aan, wat het hele leven blijft.
Net zo was ik diep tevreden met hoe door onze leraar van de zevende klas op deze geesteswetenschappelijke manier geschiedenis is ontwikkeld – maar niet, zoals gezegd, de geesteswetenschap, maar de geschiedenis geesteswetenschappelijk behandeld. Dan metamorfoseert zich iets, in wat anders voor de kinderen min of meer vreemd blijft, in iets, wat het kind omdat het verwant is met zijn eigen wezen, meteen weet. En dan kan je overal een brug slaan tussen wat het kind ervaart van de gang van de ontwikkeling van de mensheid en wat in het kind sprankelen kan, zodat het een bruikbaar lid van de toekomstige mensheid zal zijn.

blz. 221

Diese paar Worte wollte ich voranschicken den eurythmischen Darbietungen. Und nun möchte ich noch einmal am Schlusse sa­gen: Wenn ich hinschaue auf solche Leute wie Spitta, auf dasjenige, was fließen kann aus einer Erneuerung des Geisteslebens, wenn ich, auf diesen hinschauend, dasjenige Werturteil über die Geisteswis­senschaft ausdrücken soll, was mich selbst beseelt, so lassen Sie mich meine Freude ausdrücken. Diese Freude erfüllt ganz gewiß diejenigen, die hier am Goetheanum und vom Goetheanum aus sich geisteswissenschaftliche, anthroposophisch-orientierte Auf­gaben gestellt haben. Und ich hoffe nicht, daß es gerade unbedingt das allein Richtige sein könnte, Ihnen zu wünschen, daß Sie – nach­dem Sie die Güte gehabt haben, mich fünf Viertelstunden anzu­hören und nachdem Sie noch die Güte haben werden, nach einer kurzen Pause die eurythmische Vorstellung sich anzuschauen und anzuhören, was gespielt und rezitiert wird – danach noch nötig haben werden, sich nach den Worten des englischen Journalisten von dem «Schock», den Sie erlitten haben, just zu erholen in einer sechs Tage langen Zeit!

Deze paar woorden wilde ik voor de euritmische opvoeringen laten klinken. En nu zou ik tot slot nog een keer willen zeggen: wanneer ik kijk naar zulke mensen als Spitta, naar wat vanuit een vernieuwing van het geestesleven kan vloeien wanneer ik kijkend naar wat als waardeoordeel over de geesteswetenschap moet uitdrukken, wat mijn ziel bezieling geeft, laat u mij dan mijn vreugde tot uitdrukking brengen. Deze vreugde vervult zeer zeker de mensen die hier aan het Goetheanum en vanuit het Goetheanum zichzelf aan geesteswetenschappelijk georiënteerde opgaven gesteld hebben. En ik hoop in ieder geval niet dat het alleen het juiste is, u toe te wensen dat u – nadat u de goedheid had, mij vijf kwartier aan te horen en daarna nog de goedheid hebt, na een korte pauze naar de euritmische voorstelling te kijken en te luisteren, het nog nodig is, volgens de woorden van de Engelse journalist, dat u nog zes dagen moet herstellen van de ‘schok’  die u onderging!.

.
[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 8e voordracht Duits
[3] meestal gaat het bij periodeonderwijs om 3 tot 4 weken
[4] Steiner benadrukt op veel meer plaatsen dat het niet gaat om een wereldbeschouwelijke school: zie Steiner over antroposofisch onderwijs
.

Over ongeborenheid

Over schrijven en lezen

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1940-1824

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-4)

.

Enkele gedachten bij blz. 69, 70 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.

Tot nog toe ging het in de vorige artikelen over de opvattingen van Steiner over instinct, drift en begeerte. Die maken deel uit van het dierenleven en ook bij ons mensen vinden we deze aspecten van de wil.

Ook in ons wordt het driftleven wakker in de begeerte (Julius**): als we erge honger krijgen of hebben, MOETEN we eten en komen we in beweging, stellen we een daad, m.a.w. we ontplooien wilsactiviteit, om aan voedsel te komen. Je zou kunnen zeggen: hoe sterker de kracht van de drift – de levensdrift – in bovenstaand voorbeeld gespecialiseerd in voedingsdrift – wordt, des te krachtiger, heviger wordt de begeerte merkbaar: het sterke verlangen naar.

Als de behoefte aan voedsel nog niet zo sterk is, maar wel aan het ontstaan, kan het gebeuren dat de geur van iets wat we lekker vinden, ons plotseling bewust maakt van een bepaalde trek, een bepaalde zin in. ‘Dat zou ik wel lusten’, is nog niet zo krachtig als ‘ik móet wat hebben, anders val ik om’. 
Op dit ‘grensgebied’ kan je bij jezelf ook waarnemen dat er dan een soort tweegesprek met of in jezelf begint. In zekere zin hebben we hier te maken met een soort ‘tweeledig Ik’, het ‘dagelijkse, alledaagse’, en een die daarboven uitgaat. Aan die laatste stel je dan vragen als: ‘Is het wel verstandig om nu toe te geven aan die ‘lekkere trek’ of is het toch beter dat ik….enz.

MOTIEF

En dan komen er ook allerlei gezichtspunten in je op; argumenten, kortom er dienen zich motieven aan om iets wel of niet te doen. Je doordringt je gevoel – hier de begeerte – met bewustzijn.
Stel, de lekkere trek richt zich op een soort koek die je zo heerlijk vindt. De stem in je komt aandragen met wat je weet over de ingrediënten, brengt bv. je gewicht in stelling of je hoge bloeddruk. 
Allerlei argumenten bij even zoveel toestanden waarin je verzeild kan raken waarin de begeerte strijdt met de rede. En die laatste heeft motieven nodig. Jouw motieven, of desnoods die van anderen, maar MOTIEVEN. 

Motieven komen niet van de kant van het lichaam, maar vanuit de andere kant: die van de geest ofwel uit onze mentale wereld, onze voorstellingswereld. 
In voordracht 2 is er al zoveel over de voorstelling gezegd dat we meteen kunnen beseffen dat deze ‘oude’ – ‘vastleggende’ denkkracht, een rem betekent voor het nieuwe, toekomstige wat wil ontstaan, nog geen daad is, maar op het punt staat dat te worden in de handeling: de winkel binnenlopen en kopen. 

Hier verlaten we a.h.w. de fysiek, etherische, gewaarwoordingskant van de mens en komen meer in de ziel terecht waar gemoed-verstand en bewustzijn zetelen, met als kern daarin het Ik.

Kon Julius nog spreken van 12 driften, en zien we in de begeerten ook nog wel een patroon dat voor velen geldt, bij de motieven is het veel moeilijker deze vaste patronen te zien: zodra het Ik actief wordt, speelt het individuele zijn rol en ieder mens is daarin een rijk op zich.

Steiner stelt nu een vraag en merkt daarbij op dat, nu het om het Ik gaat, dit niet bij de dieren kan gebeuren:

blz. 69             vert. blz. 69

Jetzt fragen wir uns: Wenn nun der Mensch – was also beim Tiere nicht mehr auftreten kann – in sein Ich, das heißt in Empfindungsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Bewußtseinsseele dasjenige herein nimmt, was als Instinkt, Trieb und Begierde in seinem Leiblichen lebt, was wird dann daraus gemacht?

Nu is de vraag: wat ontstaat er, wanneer de mens zich met zijn ik (en dit kan dus niet bij dieren gebeuren), dat wil zeggen met zijn gewaarwordingsziel, verstands- of gemoedsziel en bewustzijnsziel eigen maakt wat er als instinct, drift en begeerte in zijn lichaam leeft?

Wanneer Steiner de mens als zevenledig wezen bespreekt, maakt hij een scherp onderscheid tussen deze wezensdelen.
Maar telkens zegt hij over deze (onder)scheidingen dat ze in werkelijkheid niet zo gescheiden bestaan: alles leeft en is staat met elkaar in verband.
Ook hier komt dat voor: vanuit zijn optiek hier, kan het niet gaan om een grove onderscheiding – het gaat om de ziel waarin het Ik werkt, nu eens ‘daar’ en dan weer ‘daar’:

Da unterscheiden wir nicht so streng, wie innerhalb des Leiblichen, weil Sie in der Seele tatsächlich, namentlich beim gegenwärtigen Menschen, alles mehr oder weniger durcheinandergemischt haben.

Daarbij trekken we niet zulke strenge grenzen als binnen het lichamelijke, omdat alles in de ziel – vooral bij de mens van nu – min of meer met elkaar vermengd is. 

(Steiner wijdt hier nog uit over het probleem dat de psychologie heeft met deze aspecten van de menseliljke natuur. 
Daarover in een apart artikel – nog niet oproepbaar)

blz. 70     vert. blz. 70

Aber im allgemeinen bezeichnen wir das beim Menschen, was als Instinkt, Trieb, Begierde vom Ich erfaßt wird, als Motiv, so daß wir, wenn wir von dem Willensantriebe in dem eigentlichen Seelischen, in dem «Ichlichen» sprechen, vom Motiv sprechen und dann wissen: Tiere können wohl Begierden haben, aber keine Motive. Beim Menschen erst wird die Begierde erhoben, indem er sie in die Seelenwelt hereinnimmt, und dadurch wird der starke Antrieb bewirkt, innerlich ein Motiv zu fassen. Bei ihm erst wird die Begierde zum eigentlichen Willensmotiv. Dadurch, daß wir sagen, im Menschen lebt noch von der Tierwelt her Instinkt, Trieb und Begierde, aber er erhebt diese zum Motiv, dadurch haben wir, wenn wir vom Willen sprechen, dasjenige, was beim gegenwärtigen Menschen vorliegt. Das ist deutlich vorhanden. Und wer überhaupt den Menschen beobachten wird hinsichtlich seiner Willensnatur, der wird sich sagen: Weiß ich beim Menschen, was seine Motive sind, so erkenne ich ihn. Aber nicht ganz!

Maar in het algemeen noemen we dat wat als instinct, drift of begeerte door het ik is opgenomen, bij de mens een motief. We spreken van motief, wanneer we het over de wilsimpulsen in het eigenlijke ziele-gebied, het gebied van het ik, hebben. We weten dan dat dieren wel begeerten, maar geen motieven kunnen hebben. Pas bij de mens komt de begeerte op een hoger plan, doordat hij de begeerte opneemt in zijn zielengebied en daardoor de sterke impuls ontstaat om innerlijk een motief te bepalen. Pas bij de mens wordt de begeerte tot een werkelijk wilsmotief. We kunnen het nu als volgt formuleren: instinct, drift en begeerte uit de dierenwereld leven ook nog in de mens, maar de mens verheft deze tot motief. Daarmee is beschreven hoe de wil zich in de mens van nu manifesteert. Dat is duidelijk aanwezig. En wie de wil in de mens van alle kanten observeert, zal kunnen zeggen: weet ik van een mens wat zijn motieven zijn, dan ken ik hem. Maar niet volledig!

Dit ‘maar niet volledig’ is a.h.w. het begin van het volgende artikel (nog niet oproepbaar)

Ik merkte hierboven op: Motieven komen niet van de kant van het lichaam, maar vanuit de andere kant: die van de geest ofwel uit onze mentale wereld, onze voorstellingswereld.
De psychiatrie heeft echter aangetoond dat de mens ook motieven kan hebben die – zonder dat hij zich dat bewust is – wel degelijk gericht zijn op het bevredigen van een begeerte.
Maar dat kan ook bewust: we kunnen allerlei motieven aandragen om uiteindelijk ‘onze zin’ te krijgen. Dan is het Ik werkzaam op het gebied van het egoïsme, het heeft er belang bij. De andere kant staat het altruïsme en het handelen zonder eigen belang, belangeloos.

Maar in deze voordracht gaat het nu niet in de eerste plaats om de complexiteit van motieven. Het gaat hier om ‘de begeerte op een hoger plan te brengen door deze op te nemen in het gebied van de ziel, door de activiteit van het Ik.

Uiteraard heeft Steiner op meer plaatsen over ‘motief’ gesproken. Zo bv. in de ‘Filosofe van de vrijheid‘:

blz. 149

Für den einzelnen Willensakt kommt in Betracht: das Motiv und die Triebfeder. Das Motiv ist ein begrifflicher oder vorstellungsgemäßer Faktor; die Triebfeder ist der in der menschlichen Organisation unmittelbar bedingte Faktor des Wollens. Der begriffliche Faktor oder das Motiv ist der augenblickliche Bestimmungsgrund des Wollens; die Triebfeder der bleibende Bestimmungsgrund des Individuums. Motiv des Wollens kann ein reiner Begriff oder ein Begriff mit einem bestimmten Bezug auf das Wahrnehmen sein, das ist eine Vorstellung. Allgemeine und individuelle Begriffe (Vorstellungen) werden dadurch zu Motiven des Wollens, daß sie auf das menschliche Individuum wirken und dasselbe in einer gewissen Richtung zum Handeln bestimmen. Ein und derselbe Begriff, beziehungsweise eine und dieselbe Vorstellung wirkt aber auf verschiedene Individuen verschieden. Sie veranlassen verschiedene Menschen zu verschiedenen Handlungen. Das Wollen ist also nicht bloß ein Erlebnis des Begriffes oder der Vorstellung, sondern auch der individuellen Beschaffenheit des Menschen. Diese individuelle Beschaffenheit wollen wir – man kann in bezug darauf Eduard von Hartmann folgen – die charakterologische Anlage nennen. Die Art, wie Begriff und Vorstellung auf

Voor de afzonderlijke wilshandeling komen het motief en de drijfveer in aanmerking. Het motief is een aan een begrip of aan een voorstelling gebonden factor. De drijfveer is de wilsfactor, die direct verband houdt met de constitutie van de mens. De begripsfactor of het motief is de momentele beweegreden van het willen; de drijfveer is de blijvende beweegreden van het individu. Een wilsmotief kan een rein begrip of begrip met ’n bepaalde relatie tot het waarnemen, d.i. een voorstelling, zijn. Algemene en individuele begrippen (voorstellingen) worden tot motieven van het willen, doordat zij op de individuele mens werken en hem in deze of gene richting tot handelen aanzetten. Een en hetzelfde begrip (resp. een en dezelfde voorstelling) heeft echter op verschillende individuen een verschillende uitwerking. Het verschaft verschillende mensen aanleiding te reageren met verschillende handelingen. Het willen is derhalve niet louter resultaat van het begrip of van de voorstelling, doch ook van de individuele geaardheid van de mens. Deze individuele geaardheid zullen wij — men kan in dit opzicht Eduard von Hartmann volgen — de karakteraanleg noemen. De wijze waarop begrip en voorstelling

blz. 150

die charakterologische Anlage des Menschen wirken, gibt seinem Leben ein bestimmtes moralisches oder ethisches Gepräge.
Die charakterologische Anlage wird gebildet durch den mehr oder weniger bleibenden Lebensgehalt unseres Subjektes, das ist durch unseren Vorstellungs- und Gefühlsinhalt. Ob mich eine in mir gegenwärtig auftretende Vorstellung zu einem Wollen anregt, das hängt davon ab, wie sie sich zu meinem übrigen Vorstellungsinhalte und auch zu meinen Gefühlseigentümlichkeiten verhält. Mein Vorstellungsinhalt ist aber wieder bedingt durch die Summe derjenigen Begriffe, die im Verlaufe meines individuellen Lebens mit Wahrnehmungen in Berührung gekommen, das heißt zu Vorstellungen geworden sind. Diese hängt wieder ab von meiner größeren oder geringeren Fähigkeit der Intuition und von dem Umkreis meiner Beobachtungen, das ist von dem subjektiven und dem objektiven Faktor der Erfahrungen, von der inneren Bestimmtheit und dem Lebensschauplatz. Ganz besonders ist meine charakterologische Anlage durch mein Gefühlsleben bestimmt. Ob ich an einer bestimmten Vorstellung oder einem Begriff Freude oder Schmerz empfinde, davon wird es abhängen, ob ich sie zum Motiv meines Handelns machen will oder nicht. – Dies sind die Elemente, die bei einem Willensakte in Betracht kommen. Die unmittelbar gegenwärtige Vorstellung oder der Begriff, die zum Motiv werden, bestimmen das Ziel, den Zweck meines Wollens; meine charakterologische Anlage bestimmt mich, auf dieses Ziel meine Tätigkeit zu richten. Die Vorstellung> in der nächsten halben Stunde einen Spaziergang zu machen, bestimmt das Ziel meines Handelns. Diese Vorstellung wird aber nur dann zum Motiv des Wollens

op het karakter van de mens werken, drukt zijn leven een bepaald moreel of ethisch stempel op.
Het karakter wordt door het meer of minder blijvende gehalte van de levensinhoud van ons subject gevormd, d.w.z. door de inhoud van onze voorstellingen en gevoelens. Of een in dit moment bij mij opkomende voorstelling mij tot een wilsuiting aanzet, hangt af van de verhouding waarin deze tot de overige inhoud van mijn voorstellingen en ook tot de bijzondere aard van mijn gevoelens staat. Mijn voorstellingsinhoud is echter weer bepaald door het aantal van die begrippen, die in de loop van mijn individuele leven met waarnemingen in aanraking gekomen zijn, dat wil zeggen tot voorstellingen zijn geworden. Dit hangt weer af van mijn groter of geringer intuïtie-vermogen en van de omvang van mijn waarnemingskring; dit is derhalve, van de subjectieve en objectieve factor van ervaringen, van de innerlijke gesteldheid en van de plaats op het levenstoneel. Zeer speciaal wordt mijn karakter door mijn gevoelsleven bepaald. Van de omstandigheid of ik bij een bepaalde voorstelling of bij een begrip, vreugde of smart gevoel, zal afhangen, of ik deze al of niet tot motief van mijn handelen zal maken.
Dit zijn de elementen, die bij een wilshandeling in aanmerking komen. De onmiddellijk aanwezige voorstelling of het begrip, die tot motief worden, bepalen het doel, het waarom, van mijn willen; mijn karakter brengt mij ertoe op dit doel mijn activiteit te richten. De voorstelling in het komende half uur een wandeling te gaan maken, bepaalt het doel van mijn handelen. Deze voorstelling wordt echter eerst dan tot motief

erhoben, wenn sie auf eine geeignete charakterologische Anlage auftrifft, das ist, wenn sich durch mein bisheriges Leben in mir etwa die Vorstellungen gebildet haben von der Zweckmäßigkeit des Spazierengehens, von dem Wert der Gesundheit, und ferner, wenn sich mit der Vorstellung des Spazierengehens in mir das Gefühl der Lust verbindet. Wir haben somit zu unterscheiden: 1. Die möglichen subjektiven Anlagen, die geeignet sind, bestimmte Vorstellungen und Begriffe zu Motiven zu machen; und 2. die möglichen Vorstellungen und Begriffe, die imstande sind ,meine charakterologische Anlage so zu beeinflussen, daß sich ein Wollen ergibt. Jene stellen die Triebfedern, diese die Ziele der Sittlichkeit dar.
Die Triebfedern der Sittlichkeit können wir dadurch finden, daß wir nachsehen, aus welchen Elementen sich das individuelle Leben zusammensetzt.

van het willen verheven, wanneer zij het daartoe geschikte karakter aantreft: d.w.z. wanneer zich in mij door mijn tot dusverre verlopen leven mogelijk voorstellingen gevormd hebben omtrent het nut van uit wandelen gaan, omtrent de waarde voor de gezondheid en voorts, wanneer zich met de voorstelling van uit-wandelen-gaan een gevoel van lust voor mij verbindt.

Wij moeten bijgevolg onderscheiden:

1. De mogelijke subjectieve aanleg, die geschikt is, bepaalde voorstellingen en begrippen tot motieven te verheffen.

2. De mogelijke voorstellingen en begrippen, die in staat zijn mijn karakter zo te beïnvloeden, dat een wilsuiting volgt.

Het eerste geval doet de drijfveren, het tweede de doelstellingen der zedelijkheid ontstaan.

De drijfveren van de zedelijkheid kunnen wij vinden door na te gaan uit welke elementen het individuele leven is samengesteld.
GA 4/149 e.v.
Vertaald

Motief komt als belangrijk onderwerp op meer plaatsen in ‘De filosofie van de vrijheid’ aan de orde.

In GA 207  blz. 95:

Aber es sind eben Gedanken, die wir hineinleiten in dieses Willens­ieben. Wann aber nur? Nur dann, wenn wir uns nicht unseren Instink­ten, unseren Trieben, wenn wir uns also nicht bloß der sogenannten niederen Menschennatur hingeben, denn die ist schon da unten, die treibt uns dann zum Wollen und zum Handeln. Dann aber bekommen wir unseren Willen herein in dasjenige, was unser subjektives Erleben ausmacht, wenn wir ihn beherrschen mit unseren reinen Gedanken, die nach dem Wollen sich hinrichten, das heißt, wenn wir ihn beherrschen mit unseren intuitiv erfaßten moralischen Idealen. Diese intuitiv er­faßten moralischen Ideale können wir dem Gedankenwillen mit auf den Weg geben hinunter nach der Willensregion. Dadurch wird unser Wille durchsetzt von unserer Moralität, und im Inneren des Menschen findet daher fortwährend dieser Kampf statt zwischen demjenigen, was der Mensch hinunterschickt aus seinen moralischen Intuitionen in die Wiilensregion, und demjenigen, was da unten wühlt und brodelt in seinem instinktiv-traumhaften Leben. Das ist alles das, was im Menschen vorgeht. Aber das, was da unten im Menschen vorgeht, ist zu gleicher Zeit dasjenige, in dem sich vorbereitet seine Menschenzukunft

Het zijn nu eenmaal gedachten die wij in dit wilsleven brengen. Wanneer dan wel? Alleen dan, wanneer wij ons niet overgeven aan onze instincten, onze driften, wanneer we ons niet alleen maar overgeven aan de lagere mensennatuur, want die zit daarbeneden al, die zet ons dan aan tot wil en tot handelen. Dan echter plaatsen we onze wil in wat ons subjectieve beleven is, wanneer we dat beheersen met onze zuivere gedachten, die zich op het willen richten d.w.z. wanneer we ze beheersen met onze intuïtief aanvaarde morele idealen. Deze kunnen wij de gedachtewil mee op weg geven in de richting van de wilsregionen. Daardoor wordt onze wil doortrokken van onze moraliteit en in het innerlijk van de mens vindt daarom voortdurend de strijd plaats tussen wat de mens naar beneden stuurt vanuit zijn morele intuïties naar de wilsregionen en wat daar beneden gist en kookt in zijn instinctief-dromend leven. Dat vindt allemaal in de mens plaats. Maar wat daar beneden gebeurt, is tegelijkertijd datgene waarin zijn toekomst als mens voorbereid wordt .
GA 207/94
Niet vertaald

Op vele terreinen van het leven is de vraag: waar halen wij onze motieven voor ons handelen vandaan?

Steiner heeft in zijn (pedagogische) voordrachten veel uitspraken gedaan die, tot inzicht geworden, tot motief kunnen worden bij het pedagogisch handelen.

Vele daarvan zijn op deze blog verschenen in Rudolf Steiner – wegwijzers

**De twaalf driften

Campagne over motief

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1937-1821

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 69 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.
Het zichtbaar worden van de wil, gebonden aan het fysieke lichaam, noemt Steiner instinct. Gedrag in het verlengde van zijn lichaamsbouw.

Als we de wil als kwaliteit beschouwen hoort deze als instinct bij het fysieke lichaam.

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

DRIFT

We moesten ook vaststellen dat het taalgebruik van het woord instinct zich niet beperkt tot puur iets lichamelijks. Dat geldt ook voor de tweede kwaliteit van de wil, die Steiner ‘drift’ noemt.

Van Dale omschrijft ‘drift’ uitvoerig:

1. inwendige werking die iem. tot niet vooraf overwogen of onbeheerste handelingen brengt, hartstocht, aandrift: de driften van het bloed;-(psych.) drang, onbewuste neiging waarin de wil om te leven zich uit, vooral die om zich te voeden en de geslachtsdrift: de drift tot zelfbehoud;-(in alg. zin) heftige neiging of begeerte: een edele drift tot weldoen;-vuur, geestdrift;-
2. haast die uit een sterke begeerte of drang voortkomt; –
3. sterke en plotselinge toornachtige opwelling, of heftige uiting van ongeduld: in drift geraken; een opkomende drift onderdrukken; rood van drift; in drift gesproken woorden;-ook: neiging tot een derg. gemoedsgesteldheid;-
4. het drijven op een vloeistof, meest in de verb. op drift; het ijs is op drift geraakt; een schip op drift; de deklast ging op drift, spoelde weg;-vand.: aantal planken enz. dat tegelijk aanspoelt;-
5. stroming in vloeistoffen of in de lucht: er is veel drift, de wolken jagen, drijven snel; vand.: wolken die langs het uitspansel jagen;-wolk van sneeuwvlokken, sneeuwvlaag: waar de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neerdaalde (v. Schendel);-
6. afwijking van de koers (van een schip) door de werking van de wind op romp en tuig;-
7. (luchtv.) weerstandskracht der lucht(stroming), een der componenten van de kracht die nodig is om een vliegtuig op te houden in de lucht;-
8. beweging, stroming van het zeeijs en van het smeltwater van diluviale gletsjers;-
9. (elektr.) het verlopen van instellingen van een versterker met de tijd; —
10. kudde, troep, m.n. van vee dat voortgedreven of geweid wordt: een drift ossen;-troep lopende honden, meute; —
11. recht om vee over een stuk grond te drijven of om watervogels te houden in bep. wateren (vgl. zwanendrift); –
12. steeg; weg waarlangs men vee drijft of mag drijven: van de drift, die de helling van de heide opging, zagen zij het ezelwagentje komen (v. Schendel); (vgl. Dreef 1.)-
13. terrein dat wordt afgedreven (bij een drijfjacht);-
14. (timm.) toestel voor het aandrijven van de naden van schotwerk.

Overduidelijk is dat het overal gaat om ‘beweging’ van ‘het een naar het ander’. Dus om ‘wil’. En nergens vinden we dat het om iets ‘bewust’ gaat: ‘vooraf niet overwogen – onbewuste neiging waarin de wil om te leven zich uit, vooral die om zich te voeden en de geslachtsdrift: de drift tot zelfbehoud.’

In zijn boek ‘De twaalf driften‘ merkt Frits Julius op:

‘Een van de grootste moeilijkheden van de huidige dierpsychologie ligt in het feit, dat men de(ze) lagen van de wil niet goed weet te onderscheiden. Men kan zonder dit te doen echter nooit een zuivere systematiek van de wilsuitingen ontwikkelen.

In verband met de buitengewone veelvormigheid van het dierenrijk zijn de instincten uitermate gedifferentieerd. Elke instincthandeling apart is veelal scherp omschreven en lokt daardoor tot studie en heldere analyse, maar men komt, wanneer men op de veelheid van de instincthandelingen ingaat, in een zee van onoverzichtelijke bijzonderheden terecht.

Wij nemen dus de driften als uitgangspunt, die veel overzichtelijker en veel gelijkvormiger over het gehele dierenrijk heen zijn. Bijna alle dieren hebben b.v. de behoefte om te eten. Aan deze behoefte ligt een drift ten grondslag. De instincten daarentegen regelen de aard van het voedsel en de wijze, waarop het opgenomen wordt. Zij doen dit bij iedere diersoort verschillend. Dit staat natuurlijk in verband met de bouw van de bek, de tanden, de darmen, enz. Een zoetwaterpoliep, een koe, een zwaluw, stoppen zichzelf telkens vol met deeltjes. Op dit punt lijken zij op elkaar. Dat er ook verschillen zijn merkt men pas goed, wanneer men een koe in de gedachten muggen laat vangen of een zwaluw gras laat eten. Op deze wijze kunnen wij ons oefenen driften en instincten zo scherp mogelijk te onderscheiden.’

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

D.w.z. in het instinct zien we een ‘hoe’.
Aan dit ‘hoe’ ligt een ‘waarom’ ten grondslag. En het antwoord op dit waarom heeft alles te maken met ‘leven’. 

Wanneer Steiner over ‘leven’ spreekt, zal hij niet nalaten telkens te benadrukken dat ‘leven’ geen gevolg is van ‘materie’; dat ‘leven’ a.h.w. ‘vooraf’ gaat aan de materie; dat de fysieke stof niet het leven voortbrengt, maar dat het fysieke (lichaam) pas kan functioneren wanneer het doortrokken is van leven en dat dit zonder het leven in zijn ware aard terechtkomt: die van de ontbinding, de ontbonden stoffen. 
Zie voor een uitgebreidere karakteristiek: [1-7-2/1]  en  [1-7-2/2]

Bij de beschouwingen over de wil gaat Steiner in deze voordracht bij de driften dan ook uit van het etherlijf: 

blz. 68/69            vert. 68/69

Nun lebt in unserem physischen Leibe, diesen ganz durchgestaltend, durchdringend, der Atherleib. Er ist für die äußeren Sinne übersinnlich, unsichtbar. Aber wenn wir auf die Willensnatur schauen, dann ist es so, daß ebenso wie der Ätherleib den physischen Leib durchdringt, so ergreift er auch das, was sich im physischen Leibe als Instinkt äußert. Dann wird der Instinkt zum Trieb. Im physischen Leib ist der Wille Instinkt; sobald der Ätherleib sich des Instinktes bemächtigt, wird der wilie lrieb. Es ist dann sehr interessant, zu verfolgen, wie in der Beobachtung der Instinkt, den man in der äußeren Form mehr konkret erfassen kann, sich verinnerlicht und sich auch mehr vereinheitlicht, indem man ihn als Trieb betrachtet. Von Instinkt wird man immer so sprechen, daß er, wenn er sich im Tiere oder in seiner Abschwächung im Menschen vorfindet, dem Wesen von außen aufgedrängt ist; beim Trieb ist schon daran zu denken, daß das, was sich in einer mehr verinnerlichten Form äußert, auch mehr von innen kommt, weil der über- sinnliche Ätherleib sich des lnstinktes bemächtigt und dadurch der Instinkt zum Trieb wird.

Nu leeft in ons fysieke lichaam het etherlichaam, dat het fysieke lichaam geheel doordringt en vormt. Het is voor de gewone zintuigen bovenzinnelijk, onzichtbaar. Maar wanneer we naar de aard van de wil kijken, dan is het zo dat het  etherlichaam, op dezelfde wijze waarop het het fysieke lichaam doordringt, ook opneemt wat zich als instinct in het fysieke lichaam uit. Dan wordt het instinct drift.° In het fysieke lichaam is de wil instinct; zodra het etherhchaam zich het instinct eigen maakt, wordt de wil drift. Het is zeer interessant om dan te volgen hoe het instinct – dat men in de uiterlijke vorm concreter kan zien – wordt verinnerlijkt en meer een eenheid wordt als drift. Het instinct kan men altijd als volgt omschrijven: het is aan het wezen, aan het dier of in mindere mate aan de mens, van buitenaf opgedrongen. Bij de drift moet men al bedenken dat wat zich in een meer verinnerlijkte vorm uit, ook meer van binnen komt – omdat namelijk het bovenzinnelijke etherlichaam zich van het instinct meester maakt, waardoor dit instinct tot drift wordt.

°drift: het woord slaat op het driftleven, niet op driftigheid. De Duitse term is ‘Trieb’.

blz. 69     vert. blz. 69

Beim Trieb sprechen Sie so, daß er doch, ich möchte sagen, von der Geburt bis zum späten Alter sich einheitlich äußert;

Van de drift zult u zeggen dat deze zich, laten we zeggen, van de geboorte tot op hoge leeftijd toch op steeds dezelfde wijze manifesteert; 

Julius: De driften vloeien vooral voort uit de levenstoestanden en de levensprocessen van het organisme.

Zoals het etherlijf het fysieke lichaam vormgeeft, zo ook dus de drift het instinct.

Julius blz. 30: Drift: doffe, ongericht drang – vaag onbewust
Instinct: het vormgeven aan de drift – geheel onbewust

Hij onderscheidt in zijn studie o.a.: de eet- of voederdrift, de vechtdrift, de voortplantingsdrift, de drift tot broedverzorging, de jachtdrift, een totaal van twaalf die hij ook in verband brengt met de tekens van de dierenriem.

.

Campagne over drift
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1925-1809

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 67 en 68 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Verschillen in de wezensdelen

Om de overeenkomsten en de verschillen in kaart te brengen van de vier wezensdelen, gaat dat vaak zo:

In het natuurrijk vinden we het aardrijk: de mineralen, gesteenten – het fysieke.
Dat stukje aarde draagt de mens met zich mee in het fysieke lichaam.

We vinden er ook het plantenrijk. De planten hebben alle een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang de plant leeft. Dit stukje van de plantenwereld draagt de mens met zich mee in wat we leven noemen: het levens- of etherlijf.
T.o.v. het fysieke kan je het leven niet ‘een hogere lichamelijkheid’ noemen: het is totaal iets nieuws en dat kenmerkt dit rijk.

We vinden er ook het dierenrijk. De  dieren hebben alle een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang het dier leeft. Wat het dier tot dier maakt, is de wereld van zijn belevingen, zijn gevoelens. Dit stuk van de dierenwereld draagrt de mens met zich mee in wat we een deel van het menselijk zielenleven kunnen noemen.
T.o.v. het leven(de) kan je de be-leving niet ‘een hogere levensvorm noemen: het is 

We vinden er ook het mensenrijk. De mensen hebben allen een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang de mens leeft. De mens heeft evenals het dier belevingen en gevoelens. Wat de mens tot mens maakt, is zijn eigen wereld, die van zijn Ik, het feit dat hij niet alleen bewustzijn heeft, maar over zijn eigen bewustzijn kan reflecteren: zelfbewustzijn.
T.o.v. de belevingen en gevoelens kan je het Ik-beleven als unieke persoonlijkheid niet een ‘hogere’ beleving noemen in de zin van ‘nog meer beleving en gevoelens’, het is volstrekt een nieuw element wat bij de dieren ontbreekt.  Het Ik is totaal iets nieuws en dat kenmerkt dit rijk.
In dit opzicht kan je daarom ook niet spreken van de mens als hoger dier.

Dat kan ook al niet, volgens Steiner, wanneer je naar het fysieke lichaam kijkt:

( ) wissen: so wie der Mensch in seiner Seele umkleidet ist mit dem physischen Leib, so ist auch das Tier mit einem physischen Leib umkleidet, aber der physische Leib des Tieres ist in vieler Beziehung anders gestaltet als der des Menschen. Der physische Leib des Menschen ist nicht eigentlich vollkommener als der des Tieres. 

Zoals de menselijke ziel door een fysiek lichaam omhuld wordt, wordt ook het dier door een fysiek lichaam omhuld, maar het fysieke lichaam van het dier is in velerlei opzicht anders ge­vormd dan dat van de mens. Men kan eigenlijk niet zeggen dat het fysieke lichaam van de mens volmaakter is dan dat van het dier.

Dat een mens in velerlei fysiek opzicht niet zoveel kan als het dier, zou er al toe moeten leiden dat men niet ‘zo maar’ spreekt van de mens als hoger dier. In fysiek opzicht staat de mens vaak lager, als je bij deze terminologie blijft.
Waar het om fysieke prestaties gaat die de mens evenals het dier kan leveren, blijft de eerste ver achter. Letterlijk al, als we kijken naar bijv. de snelheid die sommige dieren kunnen bereiken met rennen:

Hoe knap de perstatie ook is: 100m in 10 sec., het komt niet in de buurt van de 174 km/u die het jachtluipaard haalt. 
Naar welke menselijke lichamelijke prestatie je ook kijkt die je ook bij de dieren kan waarnemen: de mens komt er zeer bekaaid vanaf – een nachtvlinder is al sneller – om niet te spreken van ‘onbeholpenheid’.
En vanuit deze optiek kun je inderdaad niet zeggen dat het lichaam van de mens volmaakter is dan dat van een dier.

Anderzijds kan de mens met zijn lichaam prachtige prestaties leveren: de vingervlugheid van de pianist(e), violist(e) enz. De enorme behendigheid die sporters aan de dag kunnen leggen: de kunstrijders op de schaats, de turners enz. 
Wanneer je deze fenomenen bekijkt, zie je dat waar de mens tot grote lichamelijke prestaties komt, deze niets meer te maken hebben met wat de dieren lichamelijk kunnen: in het dierenrijk vinden we geen turners, snookerspelers, streetdancers of drummers.

En kijk je bijv. naar een triatlon, dan zie je mensen die op drie gebieden heel goed kunnen zijn. Als je dat wil vinden in het dierenrijk, zoek je tevergeefs.
Een dier is goed in één ding; een mens kan goed zijn in veel meer dingen.
Hij kan ook kiezen waar hij voor gaat. Dat is in het dierenrijk volkomen afwezig: daar is geen keuzevrijheid.
Of, zoals Leen Mees zo simpel als treffend opmerkte: ‘een dier doet wat het moet’.

En ‘hoe’ het moet, wordt in zeer sterke mate bepaald door hoe het dier is gebouwd. De vorm dicteert a.h.w. de gedragingen. 

Met deze poten kun je niet in een boom klimmen:

wel uitstekend zwemmen! (poot van zwaan)

En met deze uitstekend klimmen! (poot van eekhoorn)

Aan de vorm kun je zien wat er wel en niet mee kan. Voor een dier bestaat, zoals gezegd, de keuze niet om er ‘dit of dat’ mee te doen. Het doen ligt a.h.w. in het verlengde van de vorm.
Met onze handen en voeten kunnen we beide – wel niet zo goed – zwemmen en klimmen.

Steiner neemt de bever als voorbeeld:

Der physische Leib des Menschen ist nicht eigentlich vollkommener als der des Tieres. Denken Sie an solche aus der Reihe der höheren Tiere, wie an den Biber, wenn er seinen Biberbau formt. Das kann der Mensch nicht, wenn er es nicht lernt, wenn er nicht sogar eine sehr komplizierte Schulung dazu durchmacht, wenn er nicht Architektur lernt und dergleichen. Der Biber macht seinen Bau aus der Organisation seines Leibes heraus. Es ist einfach sein äußerer, physischer Leib so geformt, daß er sich in die äußere physische Welt so einfügt, daß er das, was in den Formen seines physischen Leibes lebt, zur Herstellung seines Biberbaues verwenden kann. Sein physischer Leib selbst ist in dieser Beziehung sein Lehrmeister. Wir können die Wespen, die Bienen, können auch die sogenannten niederen Tiere beobachten und werden in der Form ihrer physischen Leiber finden, daß darin etwas verankert ist, was im physischen Leibe des Menschen in dieser Ausdehnung, in dieser Stärke nicht vorhanden ist.

Men kan eigenlijk niet zeggen dat het fysieke lichaam van de mens volmaakter is dan dat van het dier. Denkt u maar aan de hogere diersoorten, hoe bijvoorbeeld de bever zijn bouwsels vormt. Dat kan de mens niet, wanneer hij het niet leert, wanneer hij niet – op hoog niveau! – ge­schoold is en architectuur en dergelijke bestudeerd heeft. Het bouwwerk dat de bever maakt, wordt bepaald door de bouw van zijn lichaam. Zijn stoffelijke, fysieke lichaam is eenvoudig zo gebouwd, dat de bever zich zo in de fysieke wereld om hem heen voegt, dat hij voor de vervaardiging van zijn bouwwerken kan gebruiken wat in de vormen van zijn fysieke lichaam leeft. Zijn fysieke lichaam zelf is in dit opzicht zijn leermeester. We kunnen wespen, bijen en ook de zogenaamde lagere dieren waarnemen en we zullen vinden dat in de vorm van hun fysieke lichaam iets verankerd ligt, dat in dezelfde omvang, in dezelfde mate niet aanwezig is in het fysieke lichaam van de mens.

Dit ‘iets’ dat daar verankerd ligt en dat in het gedrag van het dier naar buiten komt, moeten we, als we vasthouden aan ‘een binnenwereld die buitenwereld kan worden’ wat we dus onder ‘wil’ rangschikken, dan dus ook ‘wil’ noemen. Met de aantekening dat er eigenlijk niets te willen valt: het dier móet zich zo gedragen. Gedrag in het verlengde van zijn lichaamsbouw: dat is voor Steiner instinct.

In het dagelijks taalgebruik wordt ‘instinct’ niet alleen gebruikt om aan te geven wat er hierboven over werd opgemerkt.

Hier worden een aantal omschrijvingen gegeven. Daaronder ook op een bepaalde manier gedefinieerd, wat Steiner er hier over zegt:
Een instinct is een soortspecifiek en erfelijk vastgelegd gedragspatroon, waarbij ervaring of leren geen rol speelt. Het instinct van een organisme is genetisch vastgelegd, waarbij specifieke actiepatronen (stimulus-respons) optreden als een gebonden keten van reflexen (Eng: fixed action patterns),

Waar Steiner een verschil maakt tussen instinct en drift, wordt dat in het huidige spraakgebruik soms door elkaar gebruikt:

instinct: aangeboren aandrift bij (dierlijke) wezens om onbewust doeltreffend te handelen. Aangeboren, onbewuste, innerlijke drang, natuurdrift.

Het is soms nog lastiger wanneer het in één adem wordt genoemd met ‘intuïtief’. ‘Instinctief voelde hij aan, dat…..’ Wij zeggen dat ook van dieren in de natuur die bijv. ‘weten’ wat ze wél of niet moeten eten. ‘Ze voelen dat instinctief aan.’ Ook Steiner gebruikt instinctief in deze betekenis. In GA 106/152, vertaald, 11e vdr. spreekt hij over de mens die in vroegere ontwikkelingsfasen ook instinctief aanvoelde wat goed of niet goed voor hem was wat voedsel betreft.

In de Algemene Menskunde gaat het hier over kwaliteiten van de wil. Behorend bij het fysieke lichaam, is dat het instinct.

Steiner:

Das ist alles das, was wir umfassen mit dem Begriff des Instinktes; so daß wir den Instinkt in Wirklichkeit nur studieren können, wenn wir ihn im Zusammenhange mit der Form des physischen Leibes betrachten. Studieren wir die ganze Tierreihe, wie sie sich außen ausbreitet, so werden wir in den Formen der physischen Leiber der Tiere überall drinnen die Anleitung haben, die verschiedenen Arten der Instinkte zu studieren. Wir müssen, wenn wir den Willen studieren wollen, ihn zuerst aufsuchen im Gebiete des Instinktes und müssen uns bewußt werden, daß wir den Instinkt auffinden in den Formen der physischen Leiber der verschiedenen Tiere. Wenn wir die Hauptformen der einzelnen Tiere ins Auge fassen und aufzeichnen würden, so würden wir die verschiedenen Gebiete des Instinktes zeichnen können. Was der Instinkt als Wille ist, das ist im Bilde die Form des physischen Leibes der verschiedenen Tiere. Sie sehen, da- durch kommt Sinn in die Welt hinein, wenn wir diesen Gesichtspunkt anlegen können. Wir überschauen die Formen der physischen Tierleiber und sehen darin eine Zeichnung, welche die Natur selbst von den Instinkten schafft, durch die sie verwirklichen will, was im Dasein lebt.

Dat alles vatten wij samen in het begrip instinct. We kunnen dus het instinct in feite alleen bestuderen, wanneer we het in verband brengen met de vorm van het fysieke lichaam. Bestuderen we de dierenwereld in zijn geheel, in al zijn uiterlijke vormen, dan zullen we in de vormen van de fysieke lichamen van de dieren altijd de richtlijn vinden voor de bestudering van de verschil­lende soorten instinct. Wanneer we de wil willen bestuderen, moeten we deze het eerst zoeken op het gebied van het instinct; we moeten ons bewust worden dat we het instinct vinden in de vormen van de fysieke lichamen van de verschillende dieren. Wanneer we de hoofdvormen van de afzonderlijke dieren zou­den bekijken en tekenen, dan zouden we de verschillende ge­bieden van het instinct kunnen tekenen. Wat het instinct als wil inhoudt, dat wordt duidelijk in het beeld dat de vorm van de fysieke lichamen van de verschillende dieren vertoont. Wan­neer we dit gezichtspunt kunnen hanteren, dan krijgt de wereld zin, zoals u ziet. We laten onze blik gaan over de vormen van de fysieke lichamen der dieren en zien daarin een tekening die de natuur zelf maakt van de instincten en waardoor ze wil realise­ren wat er in het bestaan leeft.
GA 293/68
Vertaald/68

Een schema maken kan verhelderend werken. Zoals al vaker opgemerkt: een schema benadrukt de ‘losse’ delen, die echter meestal in een verband staan met elkaar. Bij het schematiseren mag je dat verband eigenlijk niet uit het oog verliezen. 
Ook hier is dat heel belangrijk. Zoals het fysieke lichaam in stand wordt gehouden door het etherlijf, staat dit laatste dus ‘hoger’, doordringt het fysieke lichaam. Het instinct, dus hier gekoppeld aan het fysieke lichaam, wordt óók doordrongen door wat als wil bij het etherlijf hoort. Dat noemt Steiner ‘drift’. Maar nog weer ‘hoger’ vinden we eerst het gewaarwordingslichaam als de omhulling van de gewaarwordingsziel en het wilsaspect dat daar bijhoort, is de begeerte, die op haar beurt de drift doordringt. 

In zijn boek ‘De twaalf driften‘ merkt Frits Julius op:

‘Een van de grootste moeilijkheden van de huidige dierpsychologie ligt in het feit, dat men deze lagen van de wil niet goed weet te onderscheiden. Men kan zonder dit te doen echter nooit een zuivere systematiek van de wilsuitingen ontwikkelen.

In verband met de buitengewone veelvormigheid van het dierenrijk zijn de instincten uitermate gedifferentieerd. Elke instincthandeling apart is veelal scherp omschreven en lokt daardoor tot studie en heldere analyse, maar men komt, wanneer men op de veelheid van de instinct-handelingen ingaat, in een zee van onoverzichtelijke bizonderheden terecht.

Wij nemen dus de driften als uitgangspunt, die veel overzichtelijker en veel gelijkvormiger over het gehele dierenrijk heen zijn. Bijna alle dieren hebben b.v. de behoefte om te eten. Aan deze behoefte ligt een drift ten grondslag. De instincten daarentegen regelen de aard van het voedsel en de wijze, waarop het opgenomen wordt. Zij doen dit bij iedere diersoort verschillend. Dit staat natuurlijk in verband met de bouw van de bek, de tanden, de darmen, enz. Een zoetwaterpoliep, een koe, een zwaluw, stoppen zichzelf telkens vol met deeltjes. Op dit punt lijken zij op elkaar. Dat er ook verschillen zijn merkt men pas goed, wanneer men een koe in de gedachten muggen laat vangen of een zwaluw gras laat eten. Op deze wijze kunnen wij ons oefenen driften en instincten zo scherp mogelijk te onderscheiden.’

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

Campagne: instinct

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1916-1800

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

over de wil – vervolg

Deze voordracht gaat vooral over de wil.
Als het over de wil gaat, is deze bij Steiner onlosmakelijk verbonden met ‘toekomst, met wat nog komen moet: o.a. wil als nog niet uitgevoerd gevoel [4-1] en in het veelvuldig karakteriseren: teruggehouden gevoel;

kijk je naar de fysieke kant: het steeds zich vernieuwende bloed;
kijk je naar de geestelijke kant: de scheppende gedachtestroom van de fantasie, van het creëren;

de ideeën in een soort ‘status nascendi’. Het verwezenlijken = verwerkelijken, het woord zegt het al – van de wil, betekent dat ‘iets’ in verschijning treedt, werkelijkheid wordt, aards wordt, concreet, wat zonder beweging, activiteit, niet tot stand komt.

Deze ‘in-de-wereld-plaatsing’ legt Steiner nu a.h.w. langs de negen- of zevenledige mens – zie voor een uitgebreide uiteenzetting de artikelen van [1-7-2]

Ik heb in de verschillende psychologische gezichtspunten van anderen geen indeling van de wil kunnen vinden die zo direct met de verschillende aspecten van het menselijk zijn samenhangt, dan die Steiner naar voren brengt.

Bij ieder wezensdeel waarmee we ‘iets’ in de wereld zetten – grofweg gezegd: waarmee we onze wil manifesteren, geeft Steiner een speciale nuancering van de wil bij dit wezensdeel. 

Tegelijkertijd komt hij hiermee over de dieren te spreken. Zij zijn het immers die in de vier natuurrijken: mineraal, plant, dier en mens, het eerste rijk zijn waarbij sprake is van een beweging van binnen naar buiten. In ander verband werd opgemerkt dat de dieren – niet de gesteenten en de planten – een ziel hebben en ‘ziel’ werd al gekarakteriseerd als ‘het vermogen om de binnenwereld tot buitenwereld te maken’.
En aangezien wij als mens een deel van de ziel gemeenschappelijk hebben met de dieren, is dus de logische consequentie dat iets opmerken over de menselijke wil ook inhoudt dat je iets opmerkt over de dierlijke wil. Of weer anders gezegd: over het naar buiten komen van het dierlijke gevoel, van wat de dieren beleven en de manier waarop ze die belevingen vertonen.

Steiner komt tot deze indeling:

GA 293/72   
Vertaald/71

Ook hier gelden weer zijn opmerkingen over het eigenlijk niet kunnen indelen van wat er zich in een levend organisme afspeelt: zie [1-7]

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je met je kennis in wil gaan op de werkelijkheid, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar zetten, maar het moet duidelijk zijn voor je, dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden dat er op de een of andere manier iets te voorschijn komt dat het meest opvalt, dat echter wel de overige elementen van de werkelijkheid daar ook in zitten en dat overal waar anders iets op de achtergrond blijft, dit aan de andere kant op een ander terrein van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond komt te staan.
GA 202/58
Vertaald

Vanaf 4-3-1 wordt er nader ingegaan op deze ‘metamorfosen van de wil’:
Instinct
drift
begeerte
motief
wens
voornemen
besluit

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen
.

1913-1797

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 297)

.

Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311

De belangrijkste opmerkingen vind je hier uit:

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

vertellen met een boek in de hand

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 297  blz. 48/49           vertaald op deze blog blz. 48/49

Man tut in diesem Lebensalter nämlich gut, wenn man, sagen wir Tiere oder auch Pflanzen nur so betrachtet, daß ein gewisses Moralisieren­des durchscheint durch die Betrachtung – zum Beispiel wenn man Fabeln dem Kinde so beibringt, daß es durch die Fabel die Tierwelt erkennen lernt. Aber man soll nur ja sich hüten, in der Besprechung im sogenannten Anschauungsunterricht solch banales Zeug an die Kinder heranzubringen, wie es sehr häufig herausgebracht wird. Vor allen Dingen aber soll man sich hüten davor, eine Fabel dem Kinde so zu erzählen, daß man sie zuerst erzählt, und nachher alle möglichen Erklärungen an diese Fabel anfügt. Alles, was Sie durch das Erzählen dieser Fabel erreichen wollen, das zerstören Sie durch die nachherige Interpretation. Das Kind will das, was in der Fabel drinnen ist, wirk­lich fühlend aufnehmen. Und es ist in seinem Innersten, ohne daß es sich Rechenschaft davon gibt, entsetzlich berührt, wenn es nachher die oftmals recht banalen Erklärungen hinnehmen muß.
Was wird daher derjenige tun, der nicht gleich auf die eigent­lichen Feinheiten der Erzählungskunst gegenüber einer solchen Erkenntnis eingehen will? Er wird sagen: Also lasse man die Erklä­rungen hinterher weg und erzähle dem Kinde bloß die Fabel. Nun, schön. Dann versteht es aber die Fabel nicht, und dann wird es erst recht an der Fabel keine Freude haben, wenn es sie nicht versteht. Wenn man zu jemandem chinesisch sprechen will, muß man ihm ja auch zuerst Chinesisch beibringen, sonst wird er doch nicht das richtige Verhältnis zu dem gewinnen können, was man ihm auf chinesisch mitteilt. Also damit ist es auch nicht getan, daß man sagt: Also lasse man die Erklärungen hinterher weg. Man muß versuchen, das, was hinterher durch eine Erklärung sehr häufig versucht wird, zuerst zu geben. Haben Sie die Absicht, dem Kind eine Fabel, solch ein Lesestück wie, sagen wir «Der Wolf und das Lamm» beizubringen – wir könnten das auch anwenden auf das Pflanzenleben -, dann sprechen Sie zuerst mit dem Kinde über den Wolf, seine Eigenheiten, über das Lamm, möglichst in Anlehnung an den Menschen. Suchen Sie alles zusammen, wovon Sie das Ge­fühl haben, daß das Kind Bilder, Empfindungen bekommt, die dann aufklingen, wenn Sie ihm die Fabel oder das Lesestück vor­lesen. Wenn Sie das, was Sie nachher als Erklärung geben wollen, in einer anregenden Vorbesprechung machen, dann töten Sie nicht die Empfindungen, wie Sie es in einer Erklärung hinterher machen, sondern Sie beleben sie gerade. Wenn das Kind vorher gehört hat, was der Lehrer spricht über Wolf und Lamm, dann werden seine Empfindungen lebhafter, dann hat es mehr Freude an der Fabel. Alles, was zum Verständnis geschehen muß, soll vorher geschehen. Das Kind darf vorher die Fabel oder das Lesestück nicht hören. Wenn es sie hört, muß es auf die Höhe gebracht sein in seiner Seele, sie zu verstehen. Dann muß der Abschluß gemacht werden damit, daß man das Lesestück vorliest, die Fabel mitteilt, aber nun nichts mehr tut, als die Empfindungen, die erregt sind, im Kinde verlaufen zu lassen. Man muß das Kind die Empfindungen mit nach Hause nehmen lassen.

Je doet er op deze leeftijd namelijk goed aan, wanneer je b.v. dieren of planten zo beschouwt dat er een bepaalde moraliteit door die beschouwing heenloopt – b.v. wanneer je voor het kind een fabel zo brengt, dat het door die fabel de dierenwereld leert kennen. Maar je moet er wel voor waken dat je bij een bespreking in het zgn. aanschouwelijkheidsonderwijs de kinderen die banale flauwekul aanreikt, zoals dat erg vaak gedaan wordt.
Maar vooral moet je er voor waken het kind de fabel zo te vertellen, dat je daarmee begint en dat je dan daarna alle mogelijke uitleg van die fabel erbij geeft. Alles wat je wilde bereiken door die fabel te vertellen, verstoor je door de uitleg achteraf. Het kind wil de inhoud van de fabel echt met zijn gevoel opnemen. En in zijn diepste innerlijk, zonder dat het daar wat aan kan doen, is het diep geschokt, als het achteraf die vaak echt banale uitleg voor lief moet nemen. Wat doet degene die niet meteen in wil gaan op de eigenlijke finesses van de vertelkunst dan?
Die zal zeggen: dan laat ik de uitleg achteraf weg en vertel ik het kind alleen de fabel. Nou, vooruit dan maar. Dan begrijpt het de fabel maar niet en dan zal het pas echt geen plezier aan de fabel beleven, als het die niet begrijpt.
Wanneer je met iemand Chinees wil praten, moet je hem eerst Chinees leren, anders kan hij toch niet de juiste verbinding maken met wat je hem in het Chinees wil zeggen. Dus, je bent er dan ook niet klaar mee te zeggen dat je de uitleg achteraf maar weglaat. Je moet proberen om dat wat dikwijls als verklaring achteraf wordt gegeven, van te voren te geven. Wanneer je b.v. van plan bent het kind een fabel, een stukje om te lezen, b.v. ‘De wolf en het lam’, te geven – dat geldt ook voor de planten – dan praat je eerst met de kinderen over de wolf, z’n eigenschappen, over het lammetje, zoveel mogelijk aanknopend bij de mens. Zoek alles bij elkaar waarvan je het gevoel hebt dat het kind beelden krijgt, er wat bij voelt en dat werkt dan mee wanneer je de fabel of het leesstuk vertelt.
Wanneer je, wat je als verklaring achteraf had willen geven, in een enthousiasmerende voorbespreking doet, dan maak je de gevoelens niet dood, zoals je dat wel doet als je die achteraf geeft, maar je maakt het juist levendiger. Wanneer het kind van tevoren hoort wat de leerkracht zegt over de wolf en het lam, worden zijn gevoelens levendiger, dan beleeft het meer plezier aan de fabel.
Alles wat voor het begrijpen moet gebeuren, moet vooraf gedaan worden. Het kind moet voor die tijd de fabel of het leesstuk niet horen. Wanneer het ernaar luistert, moet het in zijn beleven op de hoogte gebracht zijn om het te begrijpen. Afgesloten moet worden met het voorlezen [1] van het leesstuk of het vertellen van de fabel, daarna moet je niets meer doen dan de belevingen die ontstaan zijn in het kind hun gang te laten gaan. Je moet het kind de ervaringen mee naar huis laten nemen.
GA 297/48-49
Op deze blog vertaald/48-49

.

[1]  vertellen met een boek in de hand

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1908-1792
.
.

,

,

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 34)

.

Op de vrijescholen neemt het vak ‘vertellen’, de vertelstof, een belangrijke plaats in.
In zijn pedagogische voordrachten sprak Steiner er herhaaldelijk over, maar ook al vele jaren daarvoor in ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’, vertaald als ‘De opvoeding van het kind’
.

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN
.

GA 34      blz. 330/331             vertaling   blz. 42/43

Vor dem Zahnwechsel werden die Erzählungen, Märchen usw., die man an das Kind heranbringt, Freude, Er­frischung, Heiterkeit allein zum Ziele haben können. Nach die­ser Zeit wird man bei dem zu erzählenden Stoff außer diesem da­rauf  Bedacht zu nehmen haben, daß Bilder des Lebens zur Nach­eiferung vor die Seele des jungen Menschen treten.
Immer ist eben festzuhalten, daß nicht abstrakte Vorstellungen auf den sich entwickelnden Ätherleib wirken, sondern lebensvolle Bil­der in ihrer geistigen Anschaulichkeit. Allerdings muß das zu­letzt Erwähnte mit dem größten Takte ausgeführt werden, da­mit die Sache nicht in das Gegenteil umschlage. Bei Erzählun­gen kommt alles auf die Art des Erzählens an. Es kann daher nicht ohne weiteres die mündliche Erzählung etwa durch Lek­türe ersetzt werden.
Das Geistig-Bildhafte, oder wie man auch sagen könnte, das sinnbildliche Vorstellen kommt auch noch in einer anderen Weise für die Zeit zwischen dem Zahnwechsel und der Ge­schlechtsreife in Betracht. Es ist notwendig, daß der junge Mensch die Geheimnisse der Natur, die Gesetze des Lebens möglichst nicht in verstandesmäßig nüchternen Begriffen, son­dern in Symbolen in sich aufnehme. Gleichnisse für geistige Zusammenhänge müssen so an die Seele herantreten, daß die Gesetzmäßigkeit des Daseins hinter den Gleichnissen mehr ge­ahnt und empfunden wird, als in verstandesmäßigen Begriffen erfaßt wird. «Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis», das muß geradezu ein durchgreifender Leitspruch für die Erzie­hung in dieser Zeit sein. Es ist unendlich wichtig für den Men­schen, daß er die Geheimnisse des Daseins in Gleichnissen empfängt, bevor sie in Form von Naturgesetzen usw. ihm vor die Seele treten.

Vóór de tandenwisseling kunnen de verhalen, sprookjes enzovoort, die men aan het kind vertelt, alleen tot doel hebben, dat er vreugde, verkwikking en vrolijkheid geschonken wordt. Na die tijd moet men er bij de vertelstof bo­vendien nog op letten, dat voor de ziel van de jonge mens levensbeelden worden opgeroepen, die hij met geestdrift wil navolgen. Het is niet te veronachtzamen, dat slechte gewoonten gecorrigeerd kunnen worden door toepasselijke afschrikwekkende beelden. Tegen dergelijke slechte gewoonten en neigingen helpen ver­maningen meestal weinig; laat men echter het leven­dig gekleurde beeld van een mens, behept met dezelf­de slechte neigingen als die, welke het kind moet over­winnen, op zijn fantasie inwerken, en laat men zien tot welke gevolgen een dergelijke neiging in werkelijk­heid voert, dan kan men tot het uitroeien ervan veel bijdragen. Steeds moet voor ogen gehouden worden, dat abstracte voorstellingen op het zich ontwikkelende etherlichaam geen effect hebben, maar wel beelden, die reëel en levendig voor de innerlijke aanschouwing staan. Natuurlijk moeten deze dingen met de grootst mogelijke tact gehanteerd worden, opdat ze geen ave­rechtse uitwerking hebben. Bij het vertellen komt alles aan op de manier, waarop het gedaan wordt. Daarom is het niet mogelijk het mondelinge verhaal willekeu­rig door voorlezen te vervangen. [1]
Het innerlijke aanschouwen van beelden, of, zoals men ook zou kunnen zeggen het zinnebeeldige voor­stellen, komt ook nog op andere wijze in aanmerking voor de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puber­teit. Het is noodzakelijk, dat het kind de geheimen van de natuur, de levenswetmatigheden zo min moge­lijk in de vorm van intellectuele, nuchtere begrippen opneemt, maar in symbolen. De geestelijke samen­hang der dingen moet in de vorm van gelijkenissen voor de ziel treden op zodanige manier, dat de wet­matigheden van het leven onder het beeldgewaad meer vermoed en aangevoeld dan verstandelijk begre­pen worden.
GA 34/330-331
vertaald
/42-43
.

[1]  vertellen met een boek in de hand

.
Rudolf Steiner over vertellen: alle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1904-1788

.

.

34/330

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

over de wil

In deze voordracht gaat het vooral over de wil en wat daarmee samenhangt. In de 2e voordracht heeft Steiner ook al over de wil gesproken en een van de belangrijkere eigenschappen van de wil bracht hij in verband met ‘de toekomst’.
[2-3] blz. 33-35

Een bijna vanzelfsprekende gedachte: wanneer je iets wil doen – we kunnen ook zeggen: wil gaan doen, hebben we het nog niet gedaan: onze daad ligt nog in de (nabije) toekomst. Die is nog geen realiteit. 
Maar als we dan wél tot het uitvoeren zijn overgegaan, is het vaak zo, dat niet alles is gelukt, tot standgekomen, wat je wilde. Door allerlei oorzaken kan het zijn dat je plan niet volledig uit de verf is gekomen. Vaak gaat dit met de gevoelens gepaard: ‘Dat komt dan later nog wel een keer’, in alle mogelijke varianten. Of je weet dat het er niet of nooit meer van komt: ‘Het is nu eenmaal zo; niets meer aan te doen.’
Interessant is dit ‘later’. Komt het er echt nog van, ooit, of niet meer. 

Maar ook al zou het allemaal wél gelukt zijn, blijft er, volgens Steiner altijd toch nog iets liggen:

Blz. 62  vert. 62

Es bleibt im Menschen, wenn er einen Willensentschluß ausführt, immer etwas übrig, was sich nicht erschöpft in dem Leben bis zum Tode hin; es bleibt ein Rest, der im Menschen fortlebt und der gerade von jedem Willensentschluß und jeder Willenstat durch den Tod sich fortsetzt.

Wanneer de mens een wilsbesluit uitvoert, blijft er altijd iets in hem over wat in het leven tot de dood niet volledig wordt verbruikt. Van ieder wilsbesluit en iedere wilsdaad blijft er een rest over die in de mens voortleeft en zich voortzet door de dood heen.

Dieser Rest muß durch das ganze Leben und insbesondere auch im kindlichen Alter berücksichtigt werden.

Met deze rest moet gedu­rende het hele leven en in het bijzonder ook in de kindertijd rekening worden gehouden.

Hoe we daar in de kindertijd rekening mee kunnen houden, staat o.a. in GA 294, de 3e en 4e voordracht.

Na dit aanstippen van het ‘kiemkarakter’ van de wil, herhaalt Steiner met een paar woorden enige aspecten van de drieledige mens. Daar is v.a. [1-7-2/1] uitvoerig aandacht aan besteed.

Blz. 63  vert. 62/63

Wir wissen, wenn wir den vollstandigen Menschen betrachten, so betrachten wir ihn nach Leib, Seele und Geist. Der Leib wird zunachst, wenigstens seinen gröberen Bestandteilen nach, geboren. Das Genauere darüber finden Sie in meinem Buche «Theosophie». Der Leib wird also in die Vererbungsströmung einbezogen, tragt die vererbten Merk-male und so weiter. Das Seelische ist schon in der Hauptsache das, was aus dem vorgeburtlichen Dasein sich verbindet mit dem Leiblichen, hinuntersteigt in das Leibliche.

Beschouwen we de mens in zijn totaliteit, dan doen we dat, zoals u weet, naar lichaam, ziel en geest. Het lichaam, althans de grovere bestanddelen, wordt het eerst geboren. Hoe dat precies zit, kunt u vinden in mijn boek Theosofie.0 Het lichaam wordt dus opgenomen in de erfelijkheidsstroom, het draagt de erfelijke kenmerken, enzovoort. De ziel is al in hoofdzaak dat­gene wat komt uit het bestaan voor de geboorte en zich verbindt met het lichamelijke, wat afdaalt tot in het lichamelijke.
GA 293/62-63
Vertaald/62-63

0Theosofie. GA 9, vertaald. Essentie van het mens-zijn. Dit boek, dat tot
de basiswerken van de antroposofie behoort, beschrijft op systematische
wijze het wezen van de mens, reïncarnatie en karma, het leven na de
dood en de weg tot inwijding. Onder het kopje ‘De zielenwereld’ schetst
Steiner hoe in de zielenwereld de verschillende ‘zielsvormen’ elkaar aantrekken of afstoten; deze wereld wordt beheerst door de twee fundamentele krachten sympathie en antipathie.

In de 2e voordracht:

Wenn nun das Kind auf den physischen Plan herausgetreten ist, dann müssen wir uns bewußt sein, was eigentlich für das Kind geschehen ist im Übergang von einem geistigen zu einem physischen Plan. Sehen Sie, da müssen wir vor allen Dingen uns bewußt werden, daß sich das Menschenwesen wirklich aus zwei Gliedern zusammensetzt. Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; dem Geist, insofern wir darunter verstehen dasjenige, was in der physischen Welt heute noch ganz verborgen ist und was wir anthroposophisch-geisteswissenschaftlich nennen: der Geistesmensch, der Lebensgeist, das Geistselbst. Mit diesen drei Wesensgliedern des Menschen ist es ja so, daß sie gewissermaßen in der übersinnlichen Sphäre vorhanden sind, zu der wir uns nun hindurcharbeiten müssen, und wir stehen zwischen dem Tod und einer neuen Geburt schon in einer gewissen Beziehung zu Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst. Die Kraft, die von dieser Dreiheit ausgeht, die durchdringt das Seelische des Menschen: Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Empfindungsseele.

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen0 in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; onder geest wordt hier verstaan dat wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is en wat we in de antroposofische geesteswetenschap noemen: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Met deze drie wezensdelen van de mens is het zo, dat ze zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer bevinden, een sfeer waar wij nu weer naar toe moeten werken. Wij hebben tussen de dood en een nieuwe geboorte al een zekere verbinding met de geestesmens, de levensgeest en het geesteszelf. De kracht die uitgaat van deze drie samen door­straalt de ziel van de mens: de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en de gewaarwordingsziel.
GA 293/22-23
Vertaald/22

0geestzelf: Al naar gelang de situatie koos Steiner een wisselend gezichtspunt om het wezen van de mens te beschrijven. De termen die hij in deze cursus meermalen gebruikt (zie m.n. de vierde voordracht) zijn ontleend aan het negenledige mensbeeld, dat in lichaam, ziel en geest telkens drie componenten onderscheidt. Het geestzelf (geestelijk zelf
of hoger ik), de levensgeest en de geestesmens (in hindoeïstische terminologie: manas, boeddhi en atma) zijn de geestelijke ‘voorbeelden’ van resp. het astrale lichaam (met het lagere ik), het etherische en het fysieke lichaam. De mens moet zich deze geestelijke lichamen in de toekomst nog eigen maken.
Zo worden ook in de ziel drie aspecten onderscheiden: de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel, die tegelijkertijd stadia van individualisering van de ziel uitdrukken.
Het lichaam tenslotte is te onderscheiden in een fysieke, een etherische
of vitale en een zintuiglijke component.
Zie De wetenschap van de geheimen der ziel, GA 13,  het hoofdstuk ‘Het wezen van de
mens’ en het gelijknamige hoofdstuk in Theosofie. Zie ook het nawoord
‘Rudolf Steiner en de pedagogie

Hier noemt Steiner geest: ‘wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Deze wezensdelen bevinden zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer.’

Op blz. 63 komt hij er zo op terug:

Aber das Geistige ist im gegenwartigen Menschen – in dem Menschen einer femeren Zukunft wird es ja anders sein – eigentlich nur seiner Anlage nach vorhanden. Und hier, wo wir die Grundlagen zu einer guten Padagogik legen wollen, müssen wir auf das Rücksicht nehmen, was im Menschen der heutigen Entwickelungsepoche nur der Anlage nach als Geistiges vorhanden ist. 

Maar de geest is in de mens van deze tijd – in de verre toekomst zal het anders zijn — eigenlijk slechts in aanleg aanwezig. En nu we de basis willen leggen voor een goede pedagogie moeten wij rekening houden met de geest die, zij het slechts in aanleg, aanwezig is in de mens in het huidige stadium van ontwikke­ling.

Wat in de 2e voordracht even werd aangegeven, wordt hier verder uitgewerkt:

Machen wir uns zunachst einmal ganz klar, was als solche Anlagen des Menschen fur eine feme Menschheitszukunft vorhanden sind.

Laten we ons eerst heel duidelijk voor ogen stellen wat voor kiemen voor de mensheid in de verre toekomst in de mens van nu aanwezig zijn.
GA 293/63
Vertaald/64

GEESTZELF

Omdat er in de 2e voordracht weinig over werd gezegd, heb ik er in [1-7-2/8] nog e.e.a. bij gezocht. 
Steiner gaat er in deze 4e voordracht zo mee verder:

Da ist zunächst das vorhanden, eben nur der Anlage nach, was wir nennen das Geistselbst. Das Geistselbst werden wir nicht unter die Bestandteile, unter die Glieder der menschlichen Natur ohne weiteres aufnehmen können, wenn wir von dem gegenwärtigen Menschen sprechen; aber ein deutliches Bewußtsein vom Geistselbst ist insbesondere bei solchen Menschen vorhanden, die auf das Geistige zu sehen vermögen. Sie wissen, daß das gesamte morgenländische Bewußtsein, insofern es gebildetes Bewußtsein ist, dieses Geistselbst «Manas» nennt und daß von Manas als etwas im Menschen Lebendem in der morgenländischen Geisteskultur durchaus gesprochen wird. Aber auch in der abendländischen Menschheit, wenn sie nicht gerade «gelehrt» geworden ist, ist ein deutliches Bewußtsein von diesem Geistselbst vorhanden. Und zwar sage ich nicht ohne Bedacht: ein deutliches Bewußtsein ist vorhanden; denn man nennt im Volke – hat wenigstens genannt, bevor das Volk ganz ergriffen worden ist von der materialistischen Gesinnung – das, was vom Menschen übrigbleibt nach dem Tode, die Manen. Man spricht davon, daß nach dem Tode übrigbleiben die Manen; Manas = die Manen. Ich sagte: ein deutliches Bewußtsein hat das Volk davon; denn das Volk gebraucht in diesem Falle den Plural, die Manen. Wir, die wir wissenschaftlich mehr das Geistselbst noch auf den Menschen vor dem Tode beziehen, sagen in der Einzahl: das Geistselbst. Das Volk, das mehr aus der Realität, aus der naiven Erkenntnis heraus über dieses Geistselbst spricht, gebraucht die Mehrzahl, indem es von den Manen redet, weil der Mensch in dem Augenblick, wo er durch die Pforte des Todes geht, aufgenommen wird von einer Mehrzahl von geistigen Wesenheiten. Ich habe das schon in einem anderen Zusammenhang angedeutet: Wir haben unseren per- sönlichen führenden Geist aus der Hierarchie der Angeloi; darüberstehend aber haben wir die Geister aus der Hierarchie der Archangeloi, die sich sogleich einschalten, wenn der Mensch durch die Pforte des Todes geht, so daß er dann sofort sein Dasein in gewisser Beziehung in der Mehrzahl hat, weil viele Archangeloi in sein Dasein eingeschaltet sind. Das fühlt das Volk sehr deutlich, weil es weiß, daß der Mensch, im Gegensatz zu seinem Dasein hier, das als eine Einheit erscheint, sich dann mehr oder weniger als eine Vielheit wahrnimmt. Also die Manen sind etwas, was im naiven Volksbewußtsein von diesem der Mehrzahl nach vorhandenen Geistselbst, von Manas, lebt.

Ten eerste is er – slechts in aanleg dus – dat wat we het geesteszelf noemen. Sprekend over de mens van nu zullen we het geesteszelf niet zonder meer kunnen rekenen tot de be­standdelen, de wezensdelen, van de mens. Maar een duidelijk bewustzijn van het geesteszelf  hebben met name die mensen die in de geestelijke wereld kunnen schouwen. U weet dat in het bewustzijn van het gehele Morgenland – althans in ontwikkel­de kringen – dit geesteszelf ‘manas’ genoemd wordt en dat er in de geestelijke cultuur van het Morgenland zeer zeker ook sprake van is dat het manas in de mens leeft. Maar ook bij de mensheid van het Avondland – tenminste bij mensen die nu juist niet ‘geleerd’ zijn — bestaat er een duidelijk bewustzijn van dit geesteszelf. Ik zeg dit weloverwogen: er bestaat een duidelijk bewustzijn van. Want men noemt in het volk – althans dat heeft men gedaan, voordat het volk volledig in de ban is geraakt van de materialistische zienswijze — datgene wat van de mens na de dood overblijft: de manen. Men zegt dat na de dood de manen overblijven.0 Manas = de manen. Ik zei dat het volk daar een duidelijk bewustzijn van heeft. Het volk gebruikt namelijk in dit geval het meervoud: de manen. Wij die vanuit wetenschap­pelijk oogpunt het geesteszelf meer relateren aan de mens voor de dood, gebruiken het enkelvoud: het geesteszelf. Het volk dat meer redeneert vanuit de realiteit, vanuit naïeve kennis, ge­bruikt het meervoud: manen, omdat de mens op het moment dat hij door de poort van de dood gaat wordt ontvangen door meerdere geestelijke wezens. Dat heb ik in ander verband al aangeduid: we hebben onze persoonlijke geestelijke leider in de hiërarchie van de engelen;0 daarboven zijn er de geesten uit de hiërarchie van de aartsengelen, die zichzelf onmiddellijk in­schakelen zodra de mens door de poort van de dood gaat. Na de dood heeft de mens dan ook onmiddellijk als het ware een bestaan in meervoud, omdat vele aartsengelen deel uitmaken van zijn bestaan. Dat voelt het volk heel duidelijk, omdat het weet dat de mens zichzelf daar min of meer als meervoud waar­neemt – in tegenstelling tot zijn bestaan hier, dat zich als enkel­voud voordoet. Wat in het naïeve volksbewustzijn leeft van dit in meervoud aanwezige geesteszelf, het manas, dat zijn dus de manen.

0 Het woord – dat alleen in het meervoud voorkomt – hangt samen met het Latijnse woord ‘manes’:
00geesten van de gestorvenen. de hiërarchie van de engelen: In zijn benamingen van de hogere geestelijke wezens knoopt Steiner o.a. aan bij Dionysius de Areopagiet (een
leerling van Paulus), wiens leer volgens Steiner in de zesde eeuw voor een deel te boek is gesteld. Dionysius onderscheidde negen rangen (hiërarchieën) van geestwezens, waarvan de laagste rang, de engelen, tot taak heeft de individuele mens te begeleiden. Zie o.m. De wetenschap van de geheimen der ziel, GA 13 en Kosmische hiërarchieën GA 110.
.

Maar evenals in de 2e voordracht, besteedt Steiner niet veel aandacht aan de levensgeest en de geestmens. In [1-7-2/8] gaf ik nog een paar aanvullingen.

LEVENSGEEST    GEESTMENS

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist dann das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Er ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird. Und dann das Höchste, was im Menschen ist, was gegenwärtig eben nur der ganz geringfügigen Anlage nach vorhanden ist, das ist der eigentliche Geistesmensch.
Wenn nun aber auch im gegenwärtigen, hier auf der Erde zwischen Geburt und Tod lebenden Menschen diese drei höheren Glieder der Menschennatur nur der Anlage nach vorhanden sind, so entwickeln sie sich, allerdings unter dem Schutze höherer geistiger Wesenheiten, zwischen Tod und neuer Geburt doch sehr bedeutsam. Wenn also der Mensch stirbt und sich in die geistige Welt wieder hineinlebt, entwickeln sich diese drei Glieder, gewissermaßen vordeutend ein zukünftiges Menschheitsdasein, sehr deutlich. Also geradeso wie der Mensch sich in seinem jetzigen Leben geistig-seelisch zwischen Geburt und Tod entwickelt, so hat er auch nach dem Tode eine deutliche Entwicklung, nur daß er dann, gleichsam wie an einer Nabelschnur, an den geistigen Wesenheiten der höheren Hierarchien dranhängt.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel wei­nig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomst van de mensheid zal ontwikkelen. En dan is er het hoogste in de mens, wat tegenwoordig nog maar als uiterst kleine aanzet bestaat, en dat is de eigenlijke geestesmens.
Ook al zijn in de mensen die nu tussen geboorte en dood op aarde leven deze drie hogere wezensdelen van de menselijke natuur slechts in aanleg aanwezig, ze ontwikkelen zich – welis­waar onder de hoede van hogere geestelijke wezens – toch in belangrijke mate tussen dood en nieuwe geboorte. Wanneer de mens dus sterft en zijn levensweg weer vervolgt in de geeste­lijke wereld, ontwikkelen zich deze drie wezensdelen heel dui­delijk en laten in zekere mate al een toekomstig mensheidsbestaan zien. Dus net zoals de mens in zijn leven nu tussen ge­boorte en dood zijn ziel en geest ontwikkelt, maakt hij ook na zijn dood een duidelijke ontwikkeling door – zij het dat hij dan als het ware met een navelstreng verbonden is met de geeste­lijke wezens van de hogere hiërarchieën.

Met het noemen van de de ziel rondt Steiner a.h.w. dit overzicht van de drieledige mens af om dan te beginnen met de lichamelijke kant van de mens:

Fügen wir nun jetzt zu den heute kaum wahrnehmbaren höheren Gliedern der Menschen natur dasjenige hinzu, was wir jetzt schon wahrnehmen. Das ist zunächst das, was sich ausprägt in der Bewußtseinsseele, in der Verstandes- oder Gemütsseele und in der Empfindungsseele. Das sind die eigentlichen Seelenbestandteile des Menschen. Wollen wir heute beim Menschen von der Seele sprechen, wie sie im Leibe lebt, so müssen wir von den eben angeführten drei Seelengliedern sprechen.
Wollen wir von seinem Leibe sprechen, so sprechen wir von dem Empfindungsleib, dem feinsten Leib, den man auch astralischen Leib nennt, von dem ätherischen Leib und dem groben physischen Leib, den wir mit unseren Augen sehen und den die äußere Wissenschaft zergliedert. Damit haben wir den ganzen Menschen vor uns.

Aan deze tegenwoordig nog maar nauwelijks waar te nemen hogere wezensdelen van de mens voegen we vervolgens toe wat we nu al wel waarnemen. In de eerste plaats is dat datgene wat tot uitdrukking komt in de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en in de gewaarwordingsziel.0 Dat zijn de ei­genlijke zielenelementen van de mens. Willen we in deze tijd spreken over de ziel van de mens, levend in het lichaam, dan moeten we het hebben over de zojuist genoemde drie zielenelementen. Willen we over het lichaam spreken, dan moeten we het hebben over het gewaarwordingslichaam, het fijnste lichaam, dat men ook wel het astrale lichaam noemt, het etherlichaam en het grove fysieke lichaam dat we met onze ogen zien en dat door de reguliere wetenschap geanalyseerd wordt. Dat is de mens in zijn totaliteit.
GA 293/64-65
Vertaald/64-65

0zielengeest of geestziel en het lichamelijk-lijfelijke of lijfelijk-lichamelijke samengevoegd: Steiner hanteert hier op een wat speelse manier twee dubbele begrippen voor de twee zijden van de mens. Het eerste, ‘geestziel of
zielengeest’, verwijst duidelijk naar de nauwe verbinding tussen de geest
en de ziel van de mens; het tweede – in het Duits Körperleib resp. Leibeskörper – verwijst naar de verbondenheid van het fysieke (körperliche) aspect
van het lichaam met het etherische, van levenskracht doortrokken (leibliche) aspect ervan

Over de hierboven genoemde wezensdelen sprak Steiner ook in de 2e voordracht. Ik heb daar aandacht aan besteed in:  vanaf [1-7-2]

De ‘wil’ lijkt even verdwenen, maar die komt straks weer terug en wordt in verband gebracht met de in deze voordracht opnieuw gekarakteriseerde wezensdelen.

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 4: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1900-1784

.

**