Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus

.

DE MINDERBROEDER VAN ASSISI

Bijna acht eeuwen geleden werd in een stad tussen de heuvels van Italië een der grootste geesten geboren die ooit in een menselijk lichaam heeft gewoond. Ook nu nog is hij uw vriend en de mijne, en het evangelie dat hij predikte is nog even zuiver als het gezang van vogels. Andere heiligen maken ons soms stil van eerbied door hun bovenmenselijke heiligheid, maar Franciscus van Assisi is zo zuiver menselijk als een mooi kind. Men noemde hem Poverello (Kleine arme man), maar hij was zo rijk in de dingen van de geest dat handelsmagnaten zich bedelaars voelden in zijn aanwezigheid.

Giovanni Bernardone — zo luidde zijn doopnaam — werd in 1181 of 1182 geboren in Assisi, in Midden-Italië. Zijn vader, Pietro Bernardone, een welvarend koopman, noemde hem Francesco, afgekort Cecco. Cecco ging net zo ongaarne naar school als de meeste jongens die meer van pretmaken houden, en kreeg maar weinig onderwijs, zelfs voor die tijd. Omdat hij bestemd was voor de handel, liet zijn vader hem de hele dag werken achter de toonbank en leerde hem hoe hij voordelig zaken kon doen. Maar als het avond werd, was hij de aanvoerder van de vrolijkste pretmakers onder zijn leeftijdgenoten. Kwistig was hij met geld voor al zijn vrienden, royaal schonk hij wijn voor hen. Hij was niet te verzadigen op het punt van mooie kleren. Pietro Bernardone schudde zijn hoofd, maar hield Cecco’s toelage desondanks niet in. Want uit die buitensporigheden maakten de bankiers op, dat hij zo rijk was dat hij zich een verkwistende zoon kon permitteren. Toen in 1203 de andere jonge mannen van Assisi opmarcheerden naar een van die plaatselijke oorlogen die destijds zo gewoon waren, ging de jonge Bernardone mee. Al in het begin van de campagne werd hij gevangen genomen. Na een jaar werd hij vrijgelaten, maar hij werd ernstig ziek, herstelde, nam weer dienst, werd weer ziek en herstelde weer. Maar zijn vroegere leefwijze had de bekoring voor hem verloren. Een geheel nieuwe aandrang begon zich in hem te openbaren. Terwijl hij op een avond door de straten zwierf, bleef hij als getroffen staan luisteren naar iets dat hij niet kende. Zijn makkers liepen hem vrolijk voorbij. Buiten de stad, op een heuveltje, viel hij op zijn knieën en bad.

Het keerpunt van zijn leven naderde. Toen Franciscus eens buiten de stad reed, werd hij aangesproken door een melaatse bedelaar. Als er iets was waar deze kieskeurige jongeman niet tegen kon, dan was dat melaatsheid. Zijn hoofd afwendend, tastte hij naar zijn beurs. Toen begon plotseling een fel wit licht in zijn hart te schijnen. Want de ongelukkige stakker had geen behoefte aan aalmoezen. Verschrikkelijker dan de ziekte moest de eenzaamheid zijn van deze onbeminde medemens. Franciscus sprong van zijn paard, liep op de melaatse af en omhelsde hem. Hierna dwong hij zichzelf, voortdurend het ziekenhuis voor melaatsen te bezoeken. Weldra besteedde hij zijn hele toelage om het ziekenhuis in stand te helpen houden.

Op een dag in 1206, toen Franciscus 25 jaar was, werd hij naar de stad Foligno gestuurd om op een jaarmarkt goederen te verkopen. Hij pingelde en marchandeerde, zoals hij dat had geleerd, om zoveel mogelijk winst te maken. Hij kreeg een bod op zijn paard en verkocht ook dat, als een uitgekookt zakenman. Te voet aanvaardde hij de thuisreis, niet wetend dat hij de laatste zakelijke transactie van zijn leven had afgesloten.

Want terwijl hij daar liep te midden van de rijpende wijngaar­den, beving hem een grote afkeer tegen alle manieren van geld verdienen. Bezit, zo ontdekte hij, veroorzaakte alle ruzie en slecht­heid die de wereld bezoedelden. Al peinzend over deze dingen bleef hij staan bij de kapel van San Damiano en knielde neer te midden van de bouwval. Ginds in de stad was de welvaart god. Maar Gods huis, hier op de vredige heuvel, was een ruïne. Nie­mand zorgde ervoor, behalve een oude priester, even arm als de duiven die onder het dak nestelden. En het leek Franciscus alsof hij de stem van Christus hoorde zeggen: “Herbouw mijn kerk.”

In latere tijden zouden de mensen bitter twisten over de vraag, of Christus slechts had bedoeld: “herstel deze kapel” of “hervorm de Kerk.” Maar Franciscus was een simpele ziel die zich niet ver­diepte in bovenzinnelijke vragen. Hij schudde de oude priester van de kapel wakker en bood hem het geld aan dat hij in Foligno had verdiend. Bij het zien van dit “manna” was de priester met stomheid geslagen, maar hij vond het toch raadzamer het te weigeren. Wel deelde hij zijn karig maal met de jonge zonderling, en gaf hem onderdak.

Toen Pietro Bernardone ontdekte waar zijn zoon was en wat hij wilde doen met het geld, haastte hij zich samen met de bisschop naar de kapel. Zachtzinnig wees de bisschop Franciscus erop, dat het niet zijn geld was en hij het dus niet mocht weggeven. Daarop gaf Franciscus het allemaal terug en trok op de koop toe nog de kleren uit die hij van zijn vaders geld had gekocht. Van nu af aan zou de wereld zijn enige thuis zijn, en alle mensen zijn broeders. Nooit zou bezit iets voor hem betekenen. Zijn zelfverloochening had niets van een starre godsdienstige discipline ter wille van persoonlijk heil. Hij probeerde slechts zichzelf te bevrijden om in navolging van Christus te kunnen leven. Maar hij voelde niets voor het leven van een monnik, ver van Gods schepping. Beter was het leven van een kluizenaar — dan kon hij de hemel zien en de vogels hun ochtendlied horen zingen, en de gezegende lucht van de vrijheid opsnuiven.

Dus ging hij in lompen op weg om te bedelen, niet om eten of geld — maar om stenen, om San Damiano te herbouwen. Als hij geld kreeg, kocht hij er stenen voor en droeg ze op zijn rug naar de vervallen kapel. En nu kwamen vrijwilligers hem helpen. Als hij het woord Gods predikte, stond hij niet op een preekstoel maar blootsvoets te midden van zijn medemensen, nog armer dan zij -hun “arme Cecco”. Hij had geen belangstelling voor de zwakheid van de mensen, maar voor hun kracht, niet voor de lelijkheid maar voor de schoonheid van het leven. Uit een boordevol hart hief hij lofliederen aan.

Zijn eerste volgeling was een rijke man die, tot woede van zijn erfgenamen, al zijn bezittingen verkocht en het geld aan de armen schonk. De volgende was een vooraanstaand rechtsgeleerde, die zijn leven voortaan geheel aan God wijdde. Deze drie stichtten de kleine gemeenschap van “De Mindere Broeders van Assisi.” Zij leefden niet volgens vaste orderegels zoals in de kloosters. Hun enige regel was wat Christus had gezegd tegen de Apostelen: Gaat en predikt; geneest zieken, reinigt melaatsen. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud of zilver in uw gordels, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf.

Al gauw groeide het aantal Franciscanen aan tot twaalf. Franciscus wilde niet dat zij een comfortabel huis accepteerden dat hun werd aangeboden. De minderbroeders huisden in hutten nabij het melaatsenhuis. Voor hun dagelijks brood waren zij afhankelijk van wat ze konden verdienen als dagloner of knecht op een boerderij, in wijngaarden of in steden. Als er geen werk was moesten ze bedelen om voedsel. Hoewel de anderen hem Vader Franciscus noemden, liet hij hen elkaar frater of broeder noemen, volgens een godsdienstige gewoonte van die tijd. En sinds die tijd zijn alle Franciscanen broeders geweest, maar geen monniken. In groepjes van twee tot vier trokken de broeders de wereld in om te prediken. Zij hielden hun ogen niet strak gericht op een gebedenboek; vaak hieven zij hun gezicht ten hemel en zongen. Als ze met elkaar praatten, spraken ze vaak over de bloemen langs de weg en de zang van de leeuwerik, over bergpanorama’s en zuivere bronnen. Maar hun werk lag in de steden, zoals Franciscus hen vermaande. Daar toefden de zielen die gered moesten worden; daar zuchtten de mensen in slaafse gebondenheid aan bezit en stand.

Maar zodra zij Assisi verlieten, waar men hen begreep, werden de Franciscanen bejegend met spot en schimp. Het volk hield hen voor landlopers die zich voordeden als heilige mannen; de rijken verdachten hen van gevaarlijk radicalisme en de priesters vreesden dat ze ketters waren. Menigmaal werden ze met stenen bekogeld en uit een stad verdreven. Bisschoppen weigerden hun toestem­ming tot preken te geven.

Franciscus, die nooit de priesterwijding ontving, begreep nu wel dat hij niet verder kon gaan zonder de pauselijke goedkeuring en hij ging op weg naar Rome. Hij werd voorgesteld in het Vaticaan en bleek even onweerstaanbaar als een kind en even vasthoudend als hij zijn zin wilde doordrijven. Paus Innocentius III gaf de Minderbroeders het recht tot preken en hij beloofde hun verdere gunsten als het goed ging. Hierop maakte Franciscus zich haastig uit de voeten; gunsten wilde hij niet. Opgewekt en blij togen de Franciscanen weer op pad. De mare van de Poverello snelde nu voor hem uit. Vaak werd hij begroet door een menigte die wuifde met groene takken en zong, terwijl de kerkklokken luidkeels beierden van vreugde.

Franciscus zelf voelde vaak de behoefte om weg te glippen naar de natuur. Dan zocht hij een eenzaam bosje op of zat alleen op een
heuvel. Het dierbaarst was hem een klein eilandje, waar slechts de kabbelende golven hem konden vinden. Hij voelde zich verwant met de hele natuur. Hij sprak over “Broeder Haas” en “zuster Zwaluw”, en dat meende hij ook. De aanblik van dieren die werden gekooid of weggevoerd naar de slachtbank kon hij niet verdragen en hij deed altijd een goed woordje voor hen; zo spaarde hij het leven van duiven en lammeren, konijnen en fazanten. Volgens de legende toonden de dieren des velds en de vogelen des hemels hun dankbaarheid door bij hem te blijven en zich door hem te laten vertroetelen.

Het verhaal gaat dat hij eens, in Gubbio, hoorde dat een wolf de bewoners terroriseerde. Hij zocht het dier op en sprak als volgt tegen hem: “Broeder Wolf, je hebt mensen gedood, die gemaakt zijn naar Gods beeld. Hiervoor verdien je te worden gehangen als een misdadiger. Maar ik zou graag vrede met je sluiten. Als jij je slechte begeerten wilt verzaken, beloof ik je dat de mannen van Gubbio geen jacht meer op je zullen maken met honden en eten voor je klaarzetten. En nu moet je het mij beloven.” In vanaf die dag werd de wolf zelfs het troeteldier van de kinderen van Gubbio en deed nooit meer kwaad.

Op de avond van Palmzondag in 1212, terwijl Franciscus en zijn Broeders in gebed verdiept waren, zagen zij hoe een toorts snel naar hen toe werd gedragen door het bos — de brengster was een achttienjarig meisje dat zich aan de voeten van Franciscus wierp. Hij herkende het meisje, Clara, de dochter van een edelman uit Assisi. Zij hunkerde ernaar, zich te wijden aan een vroom leven, maar zij werd gedwongen tot een huwelijk en zij smeekte Franciscus, haar te verbergen. Door dit te doen maakte hij zich schuldig aan ontvoering en stelde hij zich en de Broeders bloot aan een schandaal dat hun ondergang kon worden. Toch aarzelde hij niet. Zelf knipte hij haar haren af; op grond van een machtiging die de paus hem had verleend nam hij haar op in zijn orde. Daarna vond hij onderdak voor haar bij de Benedictijnen en toen Clara’s zuster en weldra andere vrouwen en meisjes zich bij haar voegden, werd de orde van de Arme Clarissen gesticht, de zusterorde van de Minderbroeders van Assisi.

Maar daarbuiten in de wereld was men niet zo vlug als de heilige op zijn sandalen; Franciscus voegde zich bij de Vijfde Kruistocht naar Egypte om het Woord aan de Saracenen te verkondigen. Die Kruistocht was schitterend begonnen. De hertog van Oostenrijk, de koning van Hongarije, Jan van Brienne, de tempelridders, de ridderschap van Italië, de Venetiaanse kooplieden met hun schepen, zij allen waren present, met een vertegenwoordiger van de paus als oppercommandant. Maar er ontstond jaloezie; de soldaten lieten zich niet commanderen door een priester en het voornaamste doel van de pauselijke oppercommandant bleek, een enorme som geld los te krijgen van de sultan. Franciscus gruwde van de ledigheid van de Kruistocht. De Venetianen waren slechts uit op winst, de Tempeliers op bloed aan hun  zwaard, de gewone soldaten op buit.
Daarom drong Franciscus, tot woede van de Kruisvaarders, erop aan dat het vredesaanbod van de sultan, waarbij het Heilige Land teruggegeven zou worden aan de christenen, aanvaard zou worden. Maar op 29 augustus 1219 gaf de pauselijke commandant ongeduldig het sein tot de aanval en de christenen werden volkomen verslagen. Ongewapend, blootsvoets leidde Franciscus zijn groepje broeders over het brandend hete zand naar een vijand in overwinningsroes, die hem aanviel met stokken en stenen. Hij werd ten slotte voor Malik al-Kamil, sultan van Egypte en Syrië, Steun van Allah en Verdediger van het Geloof, gebracht, die meer angst inboezemde dan 50 wolven van Gubbio.
Wat was het dat Franciscus in staat stelde, het beest in dieren in dieren en mensen te temmen? Wij weten slechts dat hij drie keer predikte voor de opgetogen en eerbiedige, ongelovige vorst. Misschien stuurde de sultan Franciscus ongedeerd terug naar het christelijke kamp in de hoop, dat deze vrome kluizenaar betere christenen zou maken van de Kruisvaarders. Met toestemming van de sultan bezocht Franciscus het Heilige Graf, Nazareth en Bethlehem -,  hij was de enige van de mannen van de Vijfde Kruistocht die het doel bereikte. Zou het in Bethlehem zijn geweest dat Franciscus zijn merkwaardigste inval kreeg? Want toen hij terug was in Greccio, Kerstmis 1223, liet hij een miniatuurstal bouwen; deze vulde hij met stro en hij liet houtsnijders geschilderde figuurtjes maken van het Heilige Kind en de Moeder, van de os en de ezel,  van schaapherders en donker getinte Oosterse koningen. Zo verhief Franciscus Kerstmis — tot die tijd alleen een bijzondere Heilige Mis – tot een feest van liefde, met aanbidding van het Kind Jezus stralend als een gouden kaars in het middelpunt.

Intussen groeide het aantal Minderbroeders. Sommige bekeerlingen drongen aan op een meer praktische wijze van leven. Waarom moesten zij langs de wegen zwerven en in de stad kunsten maken als potsenmakers? Waarom moesten zij leven in hutten? Waarom mochten zij geen geld aannemen voor liefdadige doeleinden en waarom mochten zij niet de priesterwijding ontvangen? Waarom konden zij geen Regel aannemen, een gedragslijn, en hun organisatie officieel grondvesten? Sommige van de fraters betoogden met klem dat Franciscus te simpel was om de orde alleen te leiden.
Ook de Kerk was bezorgd. Er waren nu al 1200 Franciscanen; morgen konden het er 12 000 zijn. De enige manier om de onwaardigen te verwijderen, was hen te organiseren volgens de beproefde kloosterregels. Zelfs Franciscus begreep dat er iets gedaan moest worden; mensen die hij nauwelijks ooit had gezien, in wier harten hij niet kon lezen, wier handelingen hij niet kon voorspellen, noemden zich maar Franciscanen. Er zat niets anders op dan de paus te vragen, de Franciscanen een Regel toe te staan en een officiële raadgever aan te wijzen.
Toen liet Franciscus de Kerk zijn orde organiseren – zelf trok hij zich terug. Hij pakte broeder Pietro bij de hand en stelde hem ­aan tot vader van de orde. “Mijn gezondheid zal mij niet toestaan, zo goed voor jullie te zorgen als dat zou moeten,” zei hij. In werkelijkheid was hij moe. Zijn lichaam was uitgeput door voortdurende ontberingen en armoede. Een gevreesde ziekte had hem overvallen en vreemde wonden verschenen op zijn handen voeten. Ze zagen eruit alsof nagels waren geslagen door zijn twee handen en voeten — de “stigmata”, of merktekenen van de Kruisiging, riep de Broeder vol eerbied.

Franciscus sprak nooit over zijn lijden. In plaats daarvan                 componeerde hij op zijn ziekbed een lied. Hij noemde het zijn Hymne aan de Schepping en hij zong het verzaligd steeds en steeds weer; de Broeders moesten het ook leren en om zijn bed staan en voor hem zingen. Dit was die hymne:

Allerhoogste, almachtige genadige Heer!
U zij alle lof, roem en eer en iedere zegening!
Geloofd zij Gij, Heer, met al Uw schepselen,
vooral onze edele broeder zon;
hij schept de dag en door hem geeft Gij ons licht.
Schoon is hij, stralend met grote glans:
Uw beeld weerspiegelt hij, Allerhoogste.
Geloofd zij Gij, o God, voor onze broeder wind,
voor de lucht, voor de wolken, voor goed en voor alle weder, waarmee Gij Uw schepselen in stand houdt.
.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

747-684

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (4)

.

Pieter HA Witvliet
.

fabel en legende
.

De vertelstof van de 2e klas bestaat uit de fabel en de legende.

Hier vind je een uitgebreide beschrijving over het wat en hoe van het vertellen van een fabel.

Er kunnen allerlei aanleidingen zijn waarom je het nodig vindt nu juist DIE fabel te vertellen. Het kan zijn dat een kind of meerdere kinderen iets doen wat minder wenselijk is. Hoe verander je dat. Door het beeld, de inhoud van de fabel.

Je kunt bv. plotseling ontdekken dat sommige kinderen, om iets voor elkaar te krijgen, het instrument van de ‘mooi-praterij, het gevlei, hanteren. Andere kinderen trappen daarin, wat niet fijn is.

Belangrijk is dus dat ‘VOORAF”. Voor de kinderen moet dit ‘iets’ vertrouwd of bekend zijn; iets wat ze zelf weleens gedaan of gedacht hebben; iets wat ze in hun omgeving hebben zien gebeuren. Je kunt ook rustig vragen: ‘Wie heeft er weleens …….’ Voor een leerkracht buitengewoon leerzaam.

Nadat er dan een tijdje van alles geklonken heeft, zeg je bv. ‘Luister eens naar dit verhaal’ en je vertelt de fabel.

Daarna niets meer; dus vooral niet: DE MORAAL

Die ontstaat vaak in het kind zelf om soms pas na jaren tevoorschijn te komen.

InDe vos en de raafworden de vleierij* en de gevolgen daarvan prachtig weergegeven.

Veel fabels zijn van Aesopus; om begrijpelijke redenen ook wel toegeschreven aan Phaedrus en Jean de la Fontaine.

Ik maakte er zelf onderstaand rijm van en reciteerde en speelde de fabel tot deze goed gekend werd en alle kinderen voldoende de rolletjes hadden kunnen spelen; met eenvoudige verkleedmiddelen.

Later kregen de kinderen deze tekst, met hoofd- en kleine letter.
Dit om ze half op weg in de 2e klas nog eens goed het verschil in vorm onder ogen te brengen. Heel bewust schreef ik deze blokletters niet; ik begon in de 1e klas met een verbonden schuinschrift dat het handschrift bleef (tot ergens in de 6e klas de kinderen behoefte kregen aan een ‘eigen’ vormgeving van hun handschrift).

De versie van Phaedrus:

De Vos en de Raaf

Een raaf stal uit het open venster eens een kaas. En zette zich voor ’t feestmaal in een hoge boom. Dat zag de vos, die naderde met zulke woorden: ‘Hoe heerlijk straalt, o raaf, uw vederkleed; waart ge niet stom —- geen vogel kon zich met u meten.” Doch als de dwaas zijn stem nu wil verheffen, Omlaag valt uit de snavel dan de kaas, die sluw de vos met greet’ge tanden opvangt. Nu eerst jammert, maar te laat, de raaf om zijn bedrogen domheid.

mijn versie:

DE VOS EN DE RAAF
de vos en de raaf

EEN RAAF OP ZIJN GEMAK GEZETEN,
een raaf op zijn gemak gezeten,

WILDE VAN DE KAAS GAAN ETEN
wilde van de kaas gaan eten.

DAAR KWAM EEN VOS OVER HET PAD
daar kwam een vos over het pad,

DIE WEL ZIN IN IETS LEKKERS HAD.
die wel zin in iets lekkers had.

TOEN ZAG HIJ MIJNHEER RAAF EN ZEI:                           (zacht voor zich                                                                                                    heen)
toen zag hij mijnheer raaf en zei:

DAT HAPJE IS WEL WAT VOOR MIJ.”
“dat hapje is wel wat voor mij.”

“WELKE VOGEL IS ZO GAAF,
“welke vogel is zo gaaf,

O, BENT U HET MIJNHEER RAAF.
o, bent u het mijnheer raaf.

WAT ZIT U SIERLIJK OP UW TAK;
wat zit u siérlijk op uw tak;

HOE SCHOON IS TOCH UW VERENPAK.
hoe schoon is toch uw verenpak.

WAT ZIJN UW POTEN SLANK
wat zijn uw poten slank

EN DAN UW HALS, ZO RANK.
en dan uw hals, zo rank.

EN UW VLEUGELS ZIJN VOORWAAR
en uw vleugels zijn voorwaar

NOG STERKER DAN VAN EEN ADELAAR,
nog sterker dan van een adelaar.

NOOIT ZAG IK ZO’N DIER
nooit zag ik zo’n dier,

ZO PRACHTIG, JA ZO FIER.”
zo prachtig, ja zo fier.”

ZO SPRAK DE VOS.
zo sprak de vos.

MET ZIJN GEVLEI
met zijn gevlei

MAAKTE HIJ DE RAAF HEEL BLIJ.
maakte hij de raaf heel blij.

“ALS UW STEM ZO MOOI IS ALS UW VEREN,
“als uw stem zo mooi is als uw veren,

MOET MEN U ALS KONING WEL VEREREN”,
moet men u als koning wel vereren.”

“KRA, KRA,” KRASTE DE RAAF.
“kra, kra,” kraste de raaf.

DE KAAS VIEL NAAR BENEDEN
de kaas viel naar beneden

RECHT IN DE VOSSENBEK.
recht in de vossenbek.

HIJ RIEP TEVREDEN:
hij riep tevreden:

“EEN STEM HEB JE, ZOALS IK HOOR,
“een stem heb je, zoals ik hoor,

MAAR HERSENS NIET!”
maar hersens niet!”

EN GING ER MET DE KAAS VANDOOR,
en ging er met de kaas vandoor.

*UVoor vlijen/vleien zie: (4)

Ik heb wat zinnen in de fabel ingelast die het vleien benadrukken. Het is enig om te ervaren hoe snel de kinderen deze zinnen schitterend ‘slijmerig’ kunnen verwoorden.

Voor meer over deze fabel.

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

illustraties

745-682

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Einstein

.

HIJ BRACHT DE KOSMOS IN KAART

.

De constructie van de atoombom is waarschijnlijk de belangrijkste gebeurtenis in de moderne geschiedenis. Ze heeft ons begrip van de oorlog radicaal gewijzigd en is de grondslag geworden waarvan de nuchterste conceptie van wereldstrategie moet uitgaan. En toch is de man, die hier in eerste instantie aansprakelijk voor was, een groot deel van zijn leven een vooraanstaand pacifist geweest, wiens denkbeelden door velen als fantastisch en wereldvreemd werden beschouwd. Het was een brief van Albert Einstein aan Franklin D. Roosevelt die er de stoot toe heeft gegeven dat Amerika de atoombom ging ontwikkelen.

Einstein

Het was Einsteins “Speciale Relativiteitstheorie” die de basis heeft gelegd voor het vrijmaken van de atoomenergie.

Zijn hele leven is Albert Einstein achtervolgd door dingen die hij nooit had begeerd — publiciteit, roem, aanbiedingen van geld en macht. Hij is veel misverstaan en er is veel twistgeschrijf om hem geweest. Honderden geleerden hebben een groot deel van hun loopbaan besteed aan het verklaren, of aan pogingen tot weerlegging, van zijn ontdekkingen. Ofschoon hij geloofde in de vrijheid van het individu en in de democratie, heeft men hem beurtelings uitgemaakt voor een “bolsjewiek” en een “werktuig van Wall Street”. Ofschoon hij een onwankelbaar godsvertrouwen bezat, werd hij aangevallen om zijn atheïsme.

Tot grote verbazing van de slechts het wetenschappelijk onderzoek dienende natuurkundige werden hem bedragen tot bijna een ton geboden voor het aanbevelen van allerlei producten, van likdoornpleisters tot auto’s. Zijn borstbeeld prijkt in bibliotheken universiteiten overal ter wereld, en in Duitsland is een monument voor hem verrezen. Hij is de enige Amerikaanse staatsburger geweest aan wie het presidentschap van een ander land is aangeboden. Dit alles speelde zich af rondom een man die niet meer vroeg dan in stilte te mogen denken en werken. “Ik ben gelukkig omdat ik van niemand iets verlang,” zei hij eens. “Maar natuurlijk vind ik het prettig als ik bij mijn collega’s waardering vind.”

Toen in 1933 de nazi’s in Duitsland aan de macht waren gekomen, verliet Einstein zijn geboorteland en trok naar de Verenigde Staten. Daar werd hij opgenomen in de staf van het Instituut voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek in Princeton, New Jersey. Hij was gelukkig in Princeton; hij vond er de rust waarnaar hij altijd had verlangd. De buren vonden het niet gek dat hij met lange haren liep omdat hij er een hekel aan had naar de kapper te gaan, of dat hij gemakkelijk zittende kleren droeg — een wijde pullover en een slobberig hangende broek.

Van het eerste ogenblik af dat hij zijn intrede deed in het Instituut, is Einstein meer dan louter waardering om zijn vakkennis ten deel gevallen. Mannen van wetenschap, gewoonlijk gereserveerd in hun uitingen, gebruikten onbeschroomd woorden als “bijna een heilige”, “nobel”, “beminnelijk”, wanneer zij het over hem hadden. “Zelfs in een gedachtewisseling over theoretische fysica,” zei een wiskundige, “straalt hij humor, warmte en vriendelijkheid uit.” Toch bleef Einstein, na bijna een halve eeuw een beroemdheid te zijn geweest, voor iedereen behalve zijn vrienden en naaste buren een teruggetrokken figuur.

Iedere werkdag ’s ochtends om half elf trok hij een oude zwarte jas aan — en ’s winters zette hij er nog een zwarte gebreide muts zoals zeelui wel dragen, bij op — stapte zijn houten huis uit en wandelde de ruim twee en een halve kilometer naar het Instituut. Zijn lange, onverzorgde haren en zijn druipsnor waren wit. Zijn ogen stonden, hoewel ze u geduldig en met vriendelijke belangstelling aankeken, dikwijls vermoeid en waren rood omrand. Hij sprak zacht, zijn Engels gekleurd met een licht Duits accent.

In zijn ruime, gerieflijke werkkamer met het riante uitzicht op een stukje bos, placht hij zich onmiddellijk te zetten aan de verdere uitwerking van zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld, waarop hij zich gedurende meer dan drie decenniën geheel concentreerde. Deze theorie verbindt de twee grote krachten van ons fysisch heelal, gravitatie en elektromagnetisme, en toont derhalve de onderlinge relaties aan die er tussen alle bekende natuurkundige verschijnselen bestaan.
Hij ging achterovergeleund in zijn stoel zitten en begon in een klein, keurig handschrift te schrijven op de grote blocnote die hij op een knie in evenwicht hield. Wanneer hij met een probleem vastliep, bleef hij er, nu en dan een lok haar om een vinger windend, net zo lang kalm en geduldig over zitten peinzen tot hij weer verder kon gaan. Elk van zijn theorieën was het resultaat van maanden en jaren onvermoeibaar werken aan wat hij noemde “gedachte-experimenten”.  Potlood en papier vormden zijn wetenschappelijke uitrusting; zijn geest was het laboratorium. Hij kon op dwaalsporen raken, verkeerde conclusies trekken — hij gaf het nooit op.

Het juiste antwoord, voelde hij, moest kunnen worden gevonden, omdat “God wel een raadsel, maar nooit boosaardig is.”
Einstein was diep overtuigd van de eenvoud en logica van het ordenend beginsel in de natuur. “Een soort geloof heeft mij er mijn hele leven voor behoed moedeloos te worden tegenover de grote moeilijkheden waarop ik bij mijn onderzoekingen stuitte.”
Wanneer hij zijn eigen conclusies op hun juistheid toetste, vroeg hij zich af: “Zou dit de manier kunnen zijn waarop God de wereld heeft geschapen?” Als creatief wetenschappelijk werker zag hij van een ontdekking zowel de “schoonheid” als de “juistheid”.
Evenals vele grote mannen was Einstein bescheiden en verlegen. Toen hij in Washington op een vergadering over Palestina binnenkwam, rees iedereen overeind om hem toe te juichen. Van zijn stuk gebracht, fluisterde hij een vriend toe: “Ze moesten maar eerst eens afwachten wat ik zal zeggen.”
Op een diner te zijner ere putte de ene spreker na de andere zich uit in loftuitingen op zijn genie. Einstein wist niet waar hij zich bergen moest. Ten slotte wendde hij zich tot de schrijfster Fannie Hurst en bracht haar op de begane grond terug met de nuchtere mededeling: “Weet u, ik draag nooit sokken.”

Op een aanbod president van Israël te worden antwoordde Einstein met zijn gewone bescheidenheid dat hij zich onbekwaam achtte voor het vervullen van een functie, die veelvuldig contact met mensen inhield. Het leek hem beter, zei hij, de studie voort te zetten van de stoffelijke natuur, waarvan hij “enige kennis” bezat. Einstein heeft nooit met hart en ziel tot een bepaalde maatschappelijke groep behoord. Hij stelde zich niet gemakkelijk voor andere mensen open. Dit was niet een uitvloeisel van zijn werk, maar lag veeleer in ’s mans aard. Deze terughoudendheid sprak reeds uit de eerste foto’s die er als kind van hem waren genomen.

Hij werd op 14 maart 1879 geboren te Ulm in Duitsland, maar bracht zijn eerste jeugdjaren door in München. Door zijn stille verlegen aard had hij weinig omgang met andere kinderen. Het duurde zo lang voor hij leerde spreken, dat zijn ouders vreesden dat hij achterlijk was. Zijn onderwijzers vonden hem een buitenbeentje. Hij had weinig vriendjes en deed niet mee met spelletjes. Zijn manier om zich te vermaken bestond in het componeren van kleine godsdienstige gezangen op de piano, om ze op eenzame wandelingen voor zich heen te neuriën. Zo tegen zijn twaalfde jaar had hij zich reeds op eigen houtje aan de studie van wiskunde en natuurkunde gezet. Op school kon hij echter lang niet in alle vakken goed meekomen. Ofschoon hij uitblonk in wiskunde en fysica, had hij geen aanleg voor talen. Hij wilde in Zwitserland verder studeren, maar zakte voor het toelatingsexamen tot de polytechnische school te Zürich. Een jaar later probeerde hij het nog eens en slaagde.

De eerste twee jaar na beëindiging van de studie had Einstein drie baantjes bij het onderwijs, raakte ze alle drie weer kwijt, leefde van de hand in de tand en trouwde met Mileva Marec, die eveneens natuurkunde had gestudeerd en hem twee zoons schonk.
In 1902 — hij was toen 23 — kreeg Einstein een betrekking als inspecteur bij het Berner octrooibureau. Het baantje vergde niet al te veel van zijn krachten en hij kon zich aan zijn eigen studie blijven wijden. Hij had zich de opgave gesteld tijd met ruimte, massa met energie te verbinden. Soms wanhoopte hij aan de mogelijkheid van slagen, en uitgerekend op de dag voordat hij het juiste bewijs vond, zei hij tegen een collega-inspecteur: “Ik geloof dat ik het maar opgeef.”

Op 26-jarige leeftijd stuurde hij, in de wereld der natuurwetenschappen nog een volslagen onbekende, zijn “Speciale Relativiteitstheorie” naar een wetenschappelijk tijdschrift. Hij vatte zijn theorie samen in wat nu de beroemdste vergelijking op het gebied van de natuurwetenschap is: E = mc2; globaal uitgedrukt: energie is gelijk aan massa maal het kwadraat van de lichtsnelheid. De vergelijking toonde aan dat, indien alle energie, opgehoopt in honderd gram van welke materie ook, kon worden vrijgemaakt, dit een kracht zou opleveren, overeenkomend met de explosiekracht van ruim drie miljoen ton TNT. Ofschoon de theorie een omwenteling teweeg bracht in de voorstelling, die de mens zich van het heelal had gevormd, beseften slechts weinig fysici op dat ogenblik de wereldschokkende betekenis ervan. Jarenlang was E= mc2 een onderwerp voor levendige discussies; na de ontploffing van de atoombom op Hirosjima was het grimmige werkelijkheid geworden.

Einstein deed meer dan de theoretische basis leggen voor de vervaardiging van de atoombom. Tegen het einde van de jaren dertig wisten vele geleerden dat de nazi’s er koortsachtig naar streefden tot ontwikkeling van de atoomkracht te komen. De Amerikaanse geleerden trachtten bij de militaire autoriteiten van de V.S. belangstelling te wekken voor een soortgelijk project, maar vonden weinig gehoor. Zij deden toen een beroep op Einstein om zijn invloed aan te wenden. Op een avond in 1939 stelde hij de brief op die een van de belangrijkste documenten van de Amerikaanse geschiedenis zou worden. “Recente onderzoekingen,” schreef hij aan president Roosevelt, “wekken de verwachting dat het element uranium in de naaste toekomst zal kunnen worden omgezet in een nieuwe en belangrijke bron van energie……Van deze nieuwe energie zou ook gebruik kunnen worden gemaakt voor de constructie van bommen.”
President Roosevelt machtigde onmiddellijk het Manhattan-Project de ontwikkeling van de atoombom ter hand te nemen, en de Verenigde Staten waren begonnen met de noodlottigste bewapeningswedloop die de geschiedenis te zien heeft gegeven.

Einstein bleef aan het werk met dezelfde voortvarendheid die hij 50 jaar had gedemonstreerd. Zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld was het resultaat van 35 jaar ingespannen arbeid. De kwintessens ervan is samengevat in vier vergelijkingen, die slechts twee regels van deze bladzijde zouden beslaan. In deze reeks vergelijkingen verbond hij de natuurkundige wetten die de krachten van licht en energie beheersen met de geheimzinnige zwaartekracht waaraan alle stoffelijke dingen zijn onderworpen.
Einstein geloofde dat zijn theorie “in hoge mate overtuigend” was, maar kon niet met zekerheid zeggen dat ze juist was.

Albert Einstein is op 18 april 1955 in Princeton gestorven. Hij was toen 76 jaar, en tot het laatst heeft hij zich ingespannen om nog meer geheimen van tijd en ruimte te ontraadselen. De kans op mislukking heeft hem nooit ontmoedigd. Hij wist dat de mens nooit de werkelijkheid zal kunnen doorgronden en dat “de schoonste ervaring die wij kunnen opdoen de belevenis van het mysterie is.”

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

Einstein wordt door Rudolf Steiner in verschillende voordrachten genoemd, m.n. om zijn relativiteitstheorie.

( )um einmal die ganze Relativitätstheorie in ihrer Berechtigung und Unberechtigung darzustellen. Ich glaube, die Leute sollten doch einmal einen Begriff bekommen von folgendem: Nicht wahr, man kann doch ein Problem der Relativitätstheorie so behandeln: eine Kanone wird in Freiburg i. Br. abgeschossen, man hört sie in einiger Entfernung, man kann die Entfernung berechnen. Man geht jetzt dazu über, zu berechnen, wie die Zeit sich ändert, wenn man sich dem Schall entgegenbewegt oder vom Schall weg. Die Fortpflanzungszeit wird verlängert, wenn Sie von Karlsruhe nach Frankfurt sich bewegen. Dann, wenn Sie sich nach der anderen Rich­tung bewegen, wird die Zeit verkürzt, bis Sie zu null kommen, wenn Sie die Kanone in Freiburg selber hören. Sie können über Freiburg hinausgehen, dann müssen Sie dazu kommen, die Kanone zu hören, bevor sie losgeschossen wird. Das ist der Grundfehler, der darin steckt.

Om nu eens de hele relativiteitstheorie recht te doen, maar ook om aan te tonen waar ze niet terecht is. Ik geloof dat de leerlingen toch een keer een begrip moeten krijgen van het volgende: Je kan een probleem van de relativiteitstheorie zo behandelen: in Freiburg i.B. wordt een kanon afgeschoten, op een bepaalde afstand hoor je dat; die afstand kan je berekenen. Nu ga je berekenen hoe anders de tijd wordt, wanneer je in de richting van de knal gaat of ervandaan. De geluidsvoortplantingstijd wordt langer als je van Karlsruhe naar Frankfurt gaat. Als je de andere kant op gaat, wordt de tijd korter, tot aan 0 toe, wanneer je het kanon in Freiburg zelf hoort. Je kan Freiburg dan voorbij gaan, dan zou het moeten gaan gebeuren het kanon eerder te horen dan het afgeschoten is. Dat is de basale fout die erin zit.
GA 300C/159
Niet vertaald

Ook op andere plaatsen: gebruik daarvoor deze zoekmachine

742-679

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lincoln

DE PALENSPLIJTER

Lincoln

Vijf gebeurtenissen, die naar tijd en plaats slechts in een ver verwijderd verband met elkaar stonden, hebben Abraham Lincoln tot president der Verenigde Staten gemaakt. Noch door zijn karaktereigenschappen en welsprekendheid, noch door zijn politieke wijsheid was Lincoln in het uur van het grootste gevaar aan het hoofd van zijn volk komen te staan, indien toevallige omstandigheden daar niet toe hadden meegewerkt.

Welke omstandigheden? Een uitnodiging om een lezing te komen houden tegen een honorarium van tweehonderd dollar. Het feit dat een jongeman zakte voor zijn toelatingsexamen voor Harvard. De onverwachte zin voor publiciteit, die een politicus in Decatur, Illinois, aan den dag legde. Een drukker die zijn belofte niet nakwam. En ten slotte een nachtelijke politieke samenzwering in een hotelkamer. Indien dit alles nogal ongerijmd lijkt en geheel verschillend van de algemeen aanvaarde historische versie, laten wij dan de gebeurtenissen zelf eens bezien — die toen schuilgingen achter de politieke opwinding van die dagen en nu verbleekt zijn omdat zij al zoveel jaren achter ons liggen – en vaststellen hoe Lincoln nu eigenlijk aan de macht is gekomen.

Eerst dienen wij kennis te maken met een mismoedig man in zijn kale advocatenkantoor in Springfield, Illinois. Dat was in de herfst van 1859. Lincoln was toen 50. Meer dan twintig jaar had hij het beroep van advocaat uitgeoefend, waarmee hij ongeveer 3000 dollar per jaar verdiende, hoewel het kantoor nog niet lang geleden aan enige zaken goed had verdiend. Zijn aardse bezittingen bestonden uit het huis, waarin hij woonde, 80 hectare land in de districten Crawford en Tama, in de staat Iowa, en wal bouwgrond en nog wat kleine percelen in de buurt van Council Bluffs, Iowa, die hij met een wissel had betaald. Zijn inkomen in geld was niet groot, en zijn kredietwaardigheid evenmin.
Onder zijn confrères begon men over hem te praten als kandidaat voor het presidentschap. Hijzelf kwam daartegen op. Waarom,  vroeg hij, zou de Republikeinse Partij hem in overweging nemen, terwijl men vooraanstaande figuren als William H. Seward uit New York of Salmon P. Chase uit Ohio had? Niettemin wilde hij zelf wel president worden en nam daarvoor merkwaardig ge­noeg zijn toevlucht tot het houden van lezingen, misschien als middel om bij het publiek bekend te worden. Bovendien had hij het extra inkomen nodig en hij had dus wel belangstelling voor een aanbod van tweehonderd dollar plus onkosten voor een lezing in de Plymouth-kerk te Brooklyn. Het aanbod was nog om een andere reden aantrekkelijk. Het zou hem in de buurt van zijn oom Robert brengen, die in de herfst naar Cambridge was gegaan in de hoop op Harvard toegelaten te worden. Maar op het toelatingsexamen was Robert op vijftien van de zestien onderwerpen gezakt en was toen naar de Philips Exeter Academie in New Hampshire gegaan. Lincoln was benieuwd hoe zijn zoon het maakte en de lezing gaf hem een goede gelegenheid hem te bezoeken.
Nadat men de Plymouth-kerk voor Lincoln had besproken, vernamen de organisatoren dat hij zou spreken over een politiek onderwcrp en zij kozen toen een andere plaats van samenkomst, het Cooper Union-gebouw in het hartje van New York, dat meer mensen kon bevatten. Hoewel het op die 27ste februari een stormachtige avond was, kwamen er ongeveer vijftienhonderd mensen en met een toegangsprijs van 25 cent kwam men tot een recette van 367 dollar. De Newyorkers hadden al dikwijls over die lange advocaat uit het westen gehoord en waren benieuwd hem te zien.
Zelfs Lincolns vrienden maakten zich zorgen over de indruk die hij zou maken. “Maar,” aldus een van hen die de lezing bijwoon­de, “hij hield het enorme gehoor geboeid met zijn logica en aan het eind kreeg hij een oorverdovend en langdurig applaus.” De volgende dag drukten de Newyorkse kranten de volledige redevoering af, met het gevolg, dat in heel Nieuw-Engeland de Repu­blikeinse leiders een dringend beroep op Lincoln deden om langs zijn reisroute naar Exeter spreekbeurten te komen vervullen. In de daaropvolgende week gaf hij elf lezingen in Connecticut, Rhode Island en New Hampshire en maakte daarbij, gezien de latere gebeurtenissen, een onuitwisbare indruk. Robert Lincoln zou later altijd beweren, dat, indien hij niet gezakt was voor het toelatingsexamen voor Harvard, zijn vader die winter waarschijnlijk niet naar New York en Nieuw-Engeland zou zijn gekomen en misschien nooit president zou zijn geworden.

Laat ons nu terugkeren naar Springfield, waar Lincoln voor het eerst begon te geloven dat een kandidaatstelling voor het presi­dentschap tot de mogelijkheden behoorde. Seward, de eminente en populaire Republikeinse leider, had zich in Illinois reeds een sterke positie verworven. Daarom begon Lincoln aan invloedrijke werkers voor de partij brieven te schrijven. Hij wist dat hij geen kans zou hebben, tenzij hij op de Nationale Conventie van de partij zijn eigen staat achter zich had. Hij schreef Norman B. Judd aan, die Noord-Illinois vertegenwoordigde in het nationale partijbestuur, en vroeg hem: “Kunt u mij vanuit uw hoekje van de wijngaard een handje helpen?” Judd deed het zo goed, dat hij gedaan kreeg dat de Nationale Conventie in Chicago werd gehouden.

Lincoln had een andere goede vriend in Richard J. Oglesby uit Decatur, die een voor de grensstreek in de jaren ’60 zeldzaam gevoel voor publiciteit bezat. De vergadering voor de staat Illinois zou in Decatur worden gehouden en Oglesby stelde zich ten doel, de afgevaardigden hun steun aan Lincoln te laten geven.
Oglesby had gehoord, dat Lincoln in zijn jeugd in de buurt vau Decatur samen met John Hanks, die nog altijd in de streek woonde, palen had gespleten. Hij ging Hanks dus opzoeken en vroeg hem of er nog enkele van die palen in gebruik waren. Hanks herinnerde zich dat zij een omheining hadden gemaakt op een boerderij een kilometer of vijftien ten westen van de stad, van gespleten acacia- en notenboomstammetjes. Oglesby nam de oude John Hanks daarop mee in zijn sjees en reed naar de boerderij, waar zij ontdekten dat de omheining nog altijd dienst deed. Zij namen er twee gespleten stammetjes uit, sjorden die vast op de sjees, namen ze mee naar Decatur en verstopten ze in Oglesby’s schuur. Een week later stond Oglesby op het juiste ogenblik in de vergadering op en deelde mee dat een vroegere Democraat de vergadering iets kwam aanbieden. Daarop verscheen de oude John Hanks ten tonele met de stammetjes die hij en Lincoln in 1830 hadden gespleten. Er was een bord aan bevestigd met:

ABRAHAM LINCOLN
DE PALENSPLIJTER
KANDIDAAT VOOR HET
PRESIDENTSCHAP IN 1860

De vergadering werd wild enthousiast. Seward en zijn aanhang leden een verpletterende nederlaag en op staande voet zegde Illinois officieel zijn steun toe aan Lincoln. En dat niet alleen; John Hanks en zijn palen werden een vaste verschijning op alle politieke vergaderingen. “Abraham Lincoln, de palensplijter” werd een nationale politieke leuze.

Maar er wachtten nog twee beslissende gebeurtenissen in dit spel van het lot. De Nationale Conventie van de Republikeinse Partij kwam op woensdag 16 mei 1860 in Chicago bijeen. Op donderdag werd het kiesprogramma aangenomen. Die avond zou de partijkandidaat worden benoemd. Over het resultaat scheen geen twijfel mogelijk. Seward was de eerste keuze. Proefstemmingen onder de passagiers van vier treinen, die de stad binnenliepen, gaven Seward 860 stemmen, Lincoln 144 en alle anderen samen 288. De stemming van de afgevaardigden scheen louter een formaliteit en op die donderdagavond nam iedereen als vaststaand aan, dat Seward kandidaat en daarna president zou worden.
Maar de tellijsten, die de drukker beloofd had tegen negen uur af te leveren, kwamen niet opdagen. Na enige tijd werden er boodschappers uitgestuurd om ze te gaan halen. Na een half uur waren die nog niet terug, de afgevaardigden werden rusteloos en ten slotte kwamen er twee met het voorstel, de vergadering tot de volgende ochtend tien uur te verdagen. Aldus werd besloten en zo werd een onbekend en onbetrouwbaar drukkertje een werktuig van het lot. Want in die nacht veranderde de loop der geschiedenis.

Toen de vergadering verdaagd was, gingen Lincolns vrienden koortsachtig aan het werk. Hun redenering was, dat Seward, indien hij benoemd werd, Pennsylvania, Indiana en Illinois niet zou kunnen winnen en zonder ten minste twee van die staten plus New Jersey zou de Republikeinse zaak verloren zijn.

Dit argument sloeg in bij vele weifelende afgevaardigden. Maar men had hele groepen nodig, niet alleen individuele stemmen en de nacht vorderde. In afzonderlijke hotelkamers begonnen twee van Lincolns politieke agenten de strijd om hele staatsdelegaties. Lincoln, die zich in het op 250 kilometer afstand gelegen Springfield bevond, moet iets vermoed hebben, want hij zond hun een boodschap: “Doe niets dat mij bindt.” De onderhandelaars waren verbijsterd. Eerst werden ze nijdig, maar toen besloten zij snel: “Wij doen alsof wij die boodschap nooit ontvangen hebben.”
In de tijd die hen nog van de dageraad scheidde, maakten zij twee afspraken. In ruil voor twee posten in het kabinet beloofden  Pennsylvania en Indiana hun stemmen op Lincoln te zullen uitbrengen.
Toen de vergadering de volgende ochtend weer bijeenkwam, had Seward een flinke voorsprong in de eerste ronde, terwijl verscheidene staatsdelegaties voor eigen kandidaten stemden. In de tweede ronde gingen Pennsylvania en Indiana als eersten naar Lincoln over. In de vierde ronde kwam Ohio zich bij hen voegenm rn toen was het pleit beslist. Van de 466 stemmen, uitgebracht in de laatste ronde, waren er 354 voor Lincoln. Met zijn benoeming als Republikeins kandidaat was het presidentschap voor hem verzekerd, want de Democraten, hopeloos verdeeld over de kwestie van de slavernij, hadden drie afzonderlijke kandidaten aangewezen.
In november werd Lincoln tot president gekozen, met veertig percent van het totale aantal stemmen.
Zo had een vreemde reeks op zichzelf staande gebeurtenissen tot gevolg dat hij in het Witte Huis kwam. Maar was het wel toeval? Was het louter een kwestie van politieke intrige? …. Of móést het zo zijn? Is het niet mogelijk, dat op die beslissende dag de hand van het lot op Abraham Lincolns schouder rustte?

Meer over Lincoln

Zie ook: Trevithick;    Stephenson

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

737-674

.

,

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar (2)

(voor kinderen van 5 – 8)
Voorleestijd ca 9 min.

De oudejaarsnacht
.

Het was de laatste dag van het jaar. Een dikke laag sneeuw lag over de wegen en velden. Er was een kleine jongen onderweg; hij droeg nieuwe schoenen en had een grijze das en een rode puntmuts. Hans heette hij.
Op zijn rug droeg hij een kleine rugzak. Zijn moeder had daarin een kerstbrood en een driekoningenkaars gepakt. Ze had hem op het hart gedrukt zich goed te gedragen. Hans moest zijn grootmoeder en grootvader opzoeken. Hij moest vooral niet vergeten netjes te groeten en te bedanken en ze een vrolijk en gezegend Nieuwjaar te wensen. Ja, daar zou hij aan denken.

De dagen in de winter zijn maar kort; de sneeuwwolken hingen zwaar in de lucht; en al spoedig vielen de sneeuwvlokken naar beneden, stil en dicht bij elkaar, zoals het dons van een dekbed.
Toen Hans een stukje gelopen had, bedacht hij, dat hij een kortere weg kon nemen over een bospad.
De sneeuw viel in steeds grotere vlokken en tussen de bomen begon het al donker te worden. Voor Hans het wist, was het nacht geworden. De weg was dichtgesneeuwd; hij kon hem niet meer vinden.
Had hij maar lucifers bij zich gehad, dan had hij de kaars kunnen aansteken en zo misschien via zijn voetsporen de weg weer terug vinden. Nu wist hij niets beters te doen, dan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de sterren en misschien zelfs de maan te voorschijn zouden komen.
Hoe lang hij daar gezeten had, wist alleen de duisternis. Hij was al bijna helemaal ingesneeuwd, toen hij plotseling in de verte een licht zag. Moeizaam stond Hans op en ging op het licht toe en na korte tijd stond hij voor een groot vuur. Nog nooit had hij een vuur zo helder zien branden. Om het vuur zaten twaalf grote mannen, die wijde mantels droegen,
Ze zaten daar stil en ernstig, bijna als koningen en staarden in de vlammen. En enkele droeg een kroon van ijs op het hoofd of kronen van dennenappels; weer anderen hadden kransen van groene bladeren of korenaren.
Hij die de oudste leek, hield een stok in zijn hand en pookte in het vuur. Hij wendde langzaam het hoofd om en vroeg: ‘Ken je ons?’ ‘Dat dacht ik wel,’ antwoordde Hans. Want hij begreep dat de wijze mannen die hij hier zag, de twaalf maanden van het jaar moesten zijn. De oudste die de stok vasthield, dat was zeker december. Daarom droeg hij ook een donkere mantel.
‘Vertel ons dan wie we zijn’, moedigde de grijsaard hem aan terwijl hij het vuur aanwakkerde. En Hans zei het versje op dat grootvader hem geleerd had:

Geef januari een sneeuwtapijt,
dan zijn we gauw de winter kwijt.

Is februari kil en nat,
hij brengt ons koren in het vat.

Nooit is maart zo zoet,
of ’t sneeuwt op de boer zijn hoed.

Als april blaast op zijn horen,
is ’t goed voor hooi en koren.

Veel onweer in mei,
dan zingt de boer joechei.

Juni meer droog dan nat,
vult met goede wijn het vat.

Wil september vruchten dragen,
dan in juli hitte om te klagen.

Geeft augustus zonneschijn,
zeker krijgen we goede wijn.

Septemberregen op het zaad,
komt het boertje wel te staad.

Oktober met groene blaân,
duidt een strenge winter aan.

als ’t in november ’s morgens broeit,
wis dat de storm dan ’s avonds loeit.

December veranderlijk en zacht,
geeft een winter waar men om lacht.

De grijsaard met de stok knikte goedkeurend.
‘Omdat jij ons kent’, sprak hij, ‘kennen wij jou ook’.

‘Je bent precies op tijd gekomen, want in deze nacht waarin het oude jaar voorbij is, kan jij ons helpen. Zie je hoe klein ons vuur geworden is? Let nu goed op wat er gebeurt, als ik de stok aan broeder januari reik. Kruip gauw onder zijn mantel, dan zul je zien hoe het nieuwe jaar uit de sterren neerdaalt. Haast je dan en bezorg ons nieuw vuur met je kaars, want weldra zal het oude vuur uitgaan.’

Toen de oude man dit gezegd had, klonk er in de lucht een geluid. Het was of machtige klokken luidden. Het geluid kwam van ver weg en van dichtbij. Het leek wel over alle landen en alle rijken op aarde te weerklinken. December richtte zich op, hief zijn stok op en riep met luide stem: ‘Nu broeders, gaat de staf van hand tot hand. Terwijl de nieuwjaarsklokken klinken over het land.
Zegene God die in de hemelen troont, nu alles wat op aarde woont. ‘

Terwijl hij sprak was Hans onder de mantel van januari gekropen die hem omhulde als een grote witte nevel. Boven hem straalden en glinsterden de sterren en beneden hem bewogen de zaadjes en de kiemen in de aarde.

Er kwam een klein volkje aangelopen; ze droegen lantaarns in de hand. ‘hier komen wij met het nieuwe jaar!’, zeiden ze.
En werkelijk, toen Hans goed keek, zag hij dat alle wortels kleine gezichtjes hadden. het leek wel of de aardmannetjes en de elfjes bruiloft vierden. Hans was zo verbaasd over dit alles, dat hij bijna zijn opdracht vergat. Maar toen zag hij dat zijn eigen driekoningenkaars al brandde. Een van de aardmannetjes had hem aangestoken. Hans hield zijn hand voor de kaarsvlam om hem te beschermen en sloop onder de mantel van januari vandaan.
Van het vuur was nog slechts een klein beetje gloed over. Nu reikte december de staf aan zijn broeder januari. Deze nam het licht dat Hans in de hand hield en stak daarmee het nieuwe vuur aan. De vlammen sloegen hoog op, het licht was zo overweldigend dat Hans zijn handen beschermend voor zijn ogen moest houden.
Toen hij weer opkeek, was het vuur er niet meer en de twaalf maanden waren ook verdwenen. Maar de hemel was opgeklaard en boven de boomtoppen stond een volle ronde maan. Hans stond op en ging weer op weg. In het maanlicht was het makkelijk de sporen in de sneeuw te volgen tot aan de weg; en daar was het huis van zijn grootouders al. In het donker was hij het voorbij gelopen.

‘Gelukkig nieuwjaar’, wenste Hans, toen hij over de drempel de warme kamer binnenging. De oude mensen waren verbaasd en verheugd hem te zien, want grootvader wilde juist het bos in gaan om Hans te zoeken. Grootmoeder maakte op de kachel warme melk met kandij, maar Hans was zo moe dat hij nauwelijks kon drinken.

‘Laten we hem liever in bed stoppen’, meende grootmoeder.
‘Het kerstbrood is geloof ik nog wel heel’, mompelde Hans, ‘maar de driekoningenkaars is al bijna op, want daarmee heb ik nieuw vuur voor de twaalf maanden gehaald.’

Daarop viel hij in een diepe slaap.

Uit: ‘zo zijn de sterren ontstaan’ – Dan Lindholm
Uitg. Christofoor  – uitverkocht
.

Oudjaar: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

736-673

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Toscanini

DE MAESTRO
.

Daags voor de tachtigste verjaardag van zijn beroemde vader, in 1947, vroeg iemand aan Walter Toscanini wat de maestro zelf als zijn belangrijkste prestatie beschouwde. ‘Dat begrip kent hij eigenlijk niet,” antwoordde de zoon van de dirigent. “Het belangrijkste ding in zijn leven is altijd datgene waar hij toevallig juist mee bezig is — of hij nu een symfonie inzeept of een sinaasappel schilt.”

Op zijn tachtigste jaar werd Arturo Toscanini nog altijd de grootste musicus ter wereld genoemd, een eretitel die hij steeds opnieuw recht deed wedervaren. In zijn persoon verenigde hij alle eigenschappen die vereist zijn voor het ware artistieke leiderschap, en wel in een zeldzaam harmonische dosering. Dit, gevoegd bij zijn hartstochtelijk perfectionisme, maakte dat vrijwel niemand ongevoelig bleef voor de magische kracht die van zijn vertolkingen uitging. Zeker de orkestleden niet, of ze nu vermoeid, ongedis­poneerd of alleen maar lui waren. En hoe verstrooid de luisteraars er ook bij mochten zitten, ook onder hen waren er maar weinig die aan Toscanini’s betovering ontkwamen. Hij was beroemd tot in de verste uithoeken van de aarde. Een vrouw uit Patagonië maakte eens een vliegreis van ruim drieduizend kilometer voor een staanplaats op een Toscanini-concert in Buenos Aires.

Toscanini is een van de grootste geldmakers in de geschiedenis van de muziekbeoefening geweest. Bij de heropening van de Scala te Milaan, in 1946, deden de plaatsen 15 000 lire per stuk, wat ge­lijkstond met het maandinkomen van een gezin uit de Italiaanse middenklasse. Elke avond was de opera tot de laatste plaats bezet, terwijl meer dan tienduizend mensen de voorstelling via de luidsprekers op het plein vóór de Scala volgden. Men fluistert dat zijn honoraria voor de uitzendingen met het NBC symfonie-orkest in 1937 aanvingen met een bedrag waarvan hij, na aftrek van de belasting, 4000 dollar overhield, en dat voor anderhalf uur optreden. Aan de andere kant wees hij de aanbiedingen uit Hollywood van meer dan een kwart miljoen dollar voor één enkele film, geregeld van de hand (wat niet wegneemt dat hij in de Tweede Wereldoorlog Verdi’s cantate “Hymne der Volkeren”’ gratis dirigeerde voor een film die in opdracht van de regering werd gemaakt. Verleidelijke financiële voorwaarden betekenden niets voor hem, zo lang de zaak zelf zijn sympathie niet had. Publiciteit over zijn persoon was de maestro een gruwel. Dit hield verband met zijn diepgewortelde overtuiging dat hij zelf niets betekende vergeleken bij de muziek die hij dirigeerde. Ook voelde hij zich weinig op zijn gemak als het publiek hem zo dikwijls op het podium terugriep. Dikwijls fluisterde hij al na de derde keer bij het afgaan tegen de concertmeester: “Gaan jullie maar naar huis.”
Het orkest stond dan dadelijk op om te vertrekken, zodat het applaus vanzelf ophield en hij niet meer hoefde te komen bedanken.

Toscanini, die van nature de schuwheid in eigen persoon was, voelde zich nooit méér in zijn nopjes dan wanneer hij, verborgen voor het publiek, in een onzichtbare orkestbak kon dirigeren. Zijn leven lang heeft hij geen enkele redevoering in het openbaar gehouden. Verslaggevers en fotografen konden hem uitermate ergeren. “Ik ben een gewone burger,” protesteerde hij. “Wat doet het er toe hoe ik eruit zie, waar ik woon en wat voor kleur dassen ik draag.”
Vaker nog sprak hij over zichzelf als over un contadino, een boer. Toscanini probeerde nooit zijn nederige afkomst te verheimelijken.

Hij was de zoon van een arme kleermaker in Noord-Italië. Op zijn negende jaar kwam hij op het conservatorium van Parma, waar hij door zijn klasgenoten al spoedig “het genie” gedoopt werd. Toen hij tegen de schoolregels in clandestien een orkestje oprichtte, schaarden zijn makkers zich enthousiast onder zijn lei­ding. Ze werden allemaal disciplinair gestraft.
Daarop volgde een periode met veel schnabbels als cellist in verschillende opera-orkesten, totdat de negentienjarige Arturo in 1886 op een juni-avond in Rio de Janeiro, met één klap de wereld van de roem binnentuimelde.
Een Braziliaanse dirigent was door het gasterende Italiaanse operagezelschap net zo lang gesard tot hij een paar uur voor de eerste opvoering van Aïda zijn stokje neerlegde. Het patriottische publiek jouwde de beide Italiaanse plaatsvervangers achtereen volgens de orkestbak uit. Toen dacht iemand aan de jeugdige cellist die aan boord tijdens de overtocht de zangers bij het instuderen van hun rollen had geassisteerd, en die iets van opera’s scheen te weten. Bij het zien van die baardeloze jongeman, die op de bok stapte en voor de lessenaar ging staan, kwam het publiek tot bedaren. Waarschijnlijk half onbewust klapte hij de partituur dicht op het ogenblik dat hij de eerste inzet gaf. De zaal hapte naar adem. Na het eerste bedrijf was Toscanini de held. In dat zomerseizoen dirigeerde hij in Rio de Janeiro nog achttien opera’s  — allemaal uit het hoofd.

Over de staaltjes van Toscanini’s griezelige geheugen zijn boekdelen volgeschreven. Hij kon een gehele opera tijdens een weekeinde in het geheugen prenten, en zich nog jaren daarna elk detail herinneren. Een hoboïst kwam eens in de pauze bij hem klagen dat er een mankement was aan zijn es-klep. “Maak je niet bezorgd,” zei Toscanini na enkele ogenblikken. “Er komt in de rest van je partij geen es meer voor.”
Eens, toen hij trachtte een zeer weinig bekend kamermuziekwerkje te identificeren, liep hij naar de piano en speelde het hele tweede deel. Hij had de partituur in 62 jaar niet onder ogen gehad.

Niet minder verbluffend was Toscanini’s fenomenale gehoor. In een fortissimo met honderd bolgeblazen wangen en zagende strijkstokken wist hij de kleinste onoplettendheid bij een verafgezeten tweede viool of contrabas onmiddellijk te signaleren. De orkestleden moesten alle hoop laten varen om bij hem ongestraft te kunnen smokkelen. Ook al gaf de maestro niet dadelijk zijn commentaar ten beste, dan kwam na verloop van tijd onherroepelijk een opmerking zoals: “Vorige donderdag hebt u in de vijfde maat een zestiende rust vergeten,” of: “U hebt die fout verleden jaar óók gemaakt, dacht u soms dat ik het niet zou horen?”

Toscanini’s verbeten strijd om artistieke volmaaktheid dreef hem van het ene concertpodium naar het andere. Het onnozelste voorval ontketende een bliksemsnelle reactie — de maestro nam op staande voet ontslag, en prompt volgde een donderende tirade dat “het tegenwoordige tijdperk blijkbaar geen musici meer opleverde die de grote componisten recht kunnen laten wedervaren”. Vrijwel nooit produceerden zijn orkesten die smetteloze ideaalklank die hem zelf steeds in de oren klonk.

Was hij ontevreden over een repetitie of een uitvoering, dan hulde hij zich in een ijzig stilzwijgen, reed naar huis en wenste niet te eten. Als het heel erg slecht geweest was, achtte hij het vanzelfsprekend dat zijn gezin met hem mee vastte. Eens schold hij zijn NBC-orkest uit voor een troep schooljongens en een stelletje halve garen, brak de repetitie af en rende drijfnat van het zweet de studio uit zodat hij een zware kou opliep. “De Baas hééft het weer,” grinnikte een orkestlid. “Wat was-ie kwaad!”

Wanneer hij te maken kreeg met onverschilligheid of middelmatigheid of met onbescheiden mensen, kon hij ontzettend grof worden, zoals in het geval van de beroemde zangeres die op een repetitie zijn aanmerkingen beantwoordde met de mededeling dat zij de ster was en niet hij. De maestro bekeek haar met soevereine minachting. “Dame,” zei hij sarcastisch, “sterren zijn er aan de hemel. Hier beneden hebben we alleen goede en slechte muzikanten, en u hoort kennelijk tot de slechte.”

Aan de andere kant zag hij tekortkomingen graag door de vingers wanneer hij de echte muzikale vonk bespeurde. Een sopraan die om haar prachtige stem bijzonder geliefd was, beging bij haar eerste repetitie met Toscanini een paar slordigheden. Dadelijk riep hij haar toe: “U bent de slechtste muzikant van de hele wereld!” Maar vrijwel in één adem voegde hij eraan toe: “Maar u zingt als een engel.”

Als de maestro op het podium was gestapt om met repeteren te beginnen, vlamden zijn diepliggende, bijziende ogen terstond op. Het stokje striemde door de lucht als een zweep. Dan onderbrak een schril “Nee, nee, nee, nee!” de eerste maten van een stuk dat de orkestleden, naar hun eigen mening, wel konden dromen.

Toscanini hield ervan iets uit te beelden, hij deed dat liever dan mondeling uitleggen. Hij gooide bijvoorbeeld een zakdoek op om aan te duiden dat hij een luchtige, zwevende klank wilde hebben. Om een zangerig effect te krijgen, poseerde hij als een moeder die een baby in haar armen in slaap wiegt. In een Newyorks orkest verlangde hij eens van een bepaalde instrumentengroep een afstand-effect”, alsof de muziek vanuit de verte klonk. “Niet al te ver,” lichtte hij toe, “zo in de buurt van Brooklyn.”

Op een vergissing van het orkest reageerde Toscanini als een bezetene. Hij balde dan zijn vuisten, brak zijn stokjes, scheurde de muziek in stukken en vertrapte zijn horloge of zijn onmisbare bril. Eens, nadat een prachtig horloge dat hem ten geschenke was gegeven, het had moeten ontgelden, gaven de orkestleden hem een Ingersoll cadeau, een stevige knol van een uurwerk, met de inscriptie: “Voor de repetities.” Geluidstechnici hebben buiten medeweten van de maestro wel eens opnamen van zijn repetities gemaakt, die in muziekkringen furore maakten. Zij die deze opnamen kennen, hebben zich verbaasd afgevraagd hoe iemand Toscanini’s aanwijzingen ooit heeft kunnen verstaan, laat staan opvolgen, in dat heetgebakerde Engels-Frans-Duits-Italiaanse koeterwaals. Buiten de repetities beheerste Toscanini deze vier talen volkomen.

De tiran van het podium was in zijn vrije tijd de goedhartigheid zelf. Hij deed veel aan liefdadigheid, maar probeerde zoveel mogelijk anoniem te blijven, dan hoefden de mensen hem niet te bedanken. Toch is bekend geworden dat hij na de Tweede Wereld oorlog 30 000 paar schoenen naar Italië liet sturen. Hij stichtte een pensioenfonds voor de leden van het symfonieorkest van Los Angeles, door zijn gage voor een concert met dit orkest aan de leden te schenken; hij declareerde zelfs zijn reiskosten niet. In 1944 kreeg hij een briefkaart van een jongetje uit Brooklyn met een verzoek om de “Eroïca-symfonie van Beethoven” te spelen, omdat zijn vader, die in Italië gesneuveld was, daar zoveel van had ge­houden. Toscanini zette de symfonie dadelijk op het programma, en trachtte bovendien “Jimmy” per advertentie op te sporen, wat helaas niet gelukte.

Toscanini was voor zichzelf al even precies als in zijn geliefde muziek. Niemand kon beweren dat hij hem ooit in hemdsmouwen gezien had. Op de concerten droeg hij celluloid boorden die bij het overmatige transpireren niet konden omvallen. Gewoonlijk knapte hij zich in de pauze grondig op, en verkleedde zich; eenmaal voerde hij in Londen die poetsbeurt zelfs aan als excuus om niet in de koninklijke loge te hoeven verschijnen.

Ondanks het feit dat hij driemaal in zijn leven een vrij lange periode in de Verenigde Staten heeft doorgebracht, is zijn smaak maar op enkele punten door Amerika beïnvloed geweest, waaronder de Mickey-Mousefïlms waarvoor hij een zwak had, en de jazz, die hem bepaald boeide. Tijdens een goodwillreis van het NBC-orkest naar Zuid-Amerika organiseerden een stuk of wat eerste houtblazers geregeld in het geheim swingconcerten aan boord. Toen de maestro eens toevallig in hun buurt kwam, spitste hij de oren. Kort daarna werden zij opgecommandeerd om in Toscanini’s luxehut te komen; hij wilde dat wel eens horen.

De maestro bleef echter weinig in zijn schik met de experimentele wanklanken die moesten doorgaan voor “moderne muziek ” en die hij stuitend voor het oor noemde. Verstokte nieuwlichters die de oude heer om zijn conservatisme meenden te moeten hekelen zouden er intussen goed aan hebben gedaan te bedenken hoe moedig Toscanini zich destijds inzette voor de muziek die in zijn eigen jeugd “nieuw” was: die van Wagner, Verdi, Brahms, Puccini, Debussy, Ravel — nu algemeen erkende klassieken.

In april 1954 dirigeerde Toscanini zijn afscheidsconcert met het symfonie-orkest van de NBC in de Carnegie Hall in New York. Nauwelijks drie jaar later, kort voor zijn negentigste verjaardag, klopte de dood aan bij de oude maestro. Twee generaties van muziekliefhebbers hebben getracht de oorzaak van zijn magische kracht als dirigent te doorgronden. Volgens sommigen moet ze worden toegeschreven aan een uitzonderlijke combinatie van ritmische precisie en souplesse in gebaren, volgens anderen aan zijn hypergevoelige oren, of aan zijn fenomenale geheugen. En toch, elk van deze kwaliteiten kan men ook bij andere dirigenten aantreffen.

Met ontwapenende openhartigheid placht Toscanini zelf toe te geven dat geen enkele andere dirigent met hem te vergelijken was, maar tegelijk hield hij staande dat de artistieke maatstaven die hij aanlegde, regel behoorden te zijn en geen uitzondering. “Het is niet waar dat ik de beste dirigent van de wereld zou zijn,” zei hij met een knipoog. “Het nare is: ik ben de enige goede.”

.

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

731-668

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Nansen

.

DE REUS DIE MILJOENEN LEVENS REDDE
.

Buiten Noorwegen is Fridtjof Nansen bijna vergeten. Ten onrechte. Hij was een der reuzen van zijn tijd. Hij was een poolvorser wiens expeditie werd geprezen als “het grootste wapenfeit van de negentiende-eeuwse mens”. En in de twintigste eeuw verrichtte hij een der grootste daden van menslievendheid die de wereld ooit gekend heeft: door zijn inspanningen werden miljoenen als gevolg van de oorlog van huis en haard verdreven vluchtelingen gered en werden hele volkeren naar elders overgebracht. Toen hij in 1930 stierf werd van hem gezegd dat hij meer mensenlevens had gered en het bestaan voor meer mensen draaglijk had gemaakt dan enig ander in de geschiedenis.

Hij blonk zijn leven lang uit, zelfs in fysiek opzicht. Hij was 1 meter 88 lang, had blond haar en blauwe ogen, was zo sterk als een paard en deed denken aan een Viking-god uit de oudheid. Hij had een hartstocht voor de wildernis en voor de ongereptheid van eenzame plaatsen, en hij had een hekel aan steden — “waar de mensen net zo lang tegen elkaar aan wrijven tot zij stuk voor stuk ronde, gladde nummers zijn geworden.”

Zijn jeugd bracht hij door op een boerderij aan de rand van het prachtige Nordmarka-woud. Zijn vader, een welvarende advocaat uit Oslo, stond hem toe wekenlang alleen in dat woud rond te zwerven en de met bomen bedekte bergen daarachter te doorvorsen. Hij leerde dat het beter is weinig te verlangen dan veel te verdienen. Terwijl hij hier eindeloos dieren en planten verzamelde en classificeerde werd Fridtjofs interesse in de natuur­wetenschappen en in de exploratie van het onbekende gewekt – een speurzin die hem tot een groot zoöloog en oceanograaf zou maken. Later, toen hij in Bergen — de bakermat van de Noorse wereldscheepvaart — aan zijn doctoraal werkte, vernam hij dat er grote behoefte bestond aan nauwkeurige weervoorspellingen in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan. Deze wetenschap kon uitsluitend worden verkregen door het vrijwel ontoe­gankelijke binnenland van Groenland in kaart te brengen. Zo begon Nansens eerste grote avontuur.

Vanuit enkele eenvoudige Deense nederzettingen in de westelijke havens van Groenland hadden diverse expedities, waaronder een onder leiding van Peary, gepoogd de grote ijskap over te steken. Maar zij hadden allen moeten terugkeren nog voor zij halverwege waren. Er bevonden zich geen nederzettingen aan de oostzijde. Een verheven bergwand omrandde die kust en van deze muur gleden reusachtige gletsjers in het water. Kilometers in het rond was de zee een malende, ziedende nachtmerrie van heen en weer geslingerde ijsblokken. Ontoegankelijk, zeiden de experts. Nansen echter ontvouwde een stoutmoedig plan: hij zou Groen­land van oost naar west oversteken. In geval van een catastrofe zou er geen basis zijn om op terug te vallen, maar Nansen was vol vertrouwen. “Als wij weten dat wij niets achter ons hebben,” zei hij, “zijn wij wel gedwongen vooruit te gaan.”

Het voorstel kreeg veel publiciteit en werd vrijwel unaniem verworpen. Maar een Deense koopman werd overgehaald de expeditie te financieren en drie Noorse sportlieden benevens twee Laplandse gidsen boden aan om mee te gaan. Er volgde een perio­de van intensieve voorbereidingen. Nansen vond allerlei dingen uit en bouwde ze met eigen handen, zoals de Nansen-slede die van brede, buigzame lopers was voorzien om de schokken te ab­sorberen wanneer zij over ruw ijs werd voortgesleept. Hij trachtte alle denkbare gebeurlijkheden te voorzien en stelde eigenhandig elk onderdeel van zijn uitrusting in de winterse sneeuwbuien van Noorwegen op de proef.

In de zomer van 1888 bracht een robbenjagersvaartuig het gezelschap naar een punt in de nabijheid van de spookachtige oostkust van Groenland. Wekenlang hield het pakijs het schip 50 mijl van de kust. Maar op 17 juli opende het ijs zich en kon het schip zich tot negen mijl van de kust wurmen, waarna met twee roeiboten zes jonge avonturiers werden neergelaten. Zij hadden twaalf dagen nodig om de kust te bereiken! Soms vroren de boten vast in het drijfijs, soms werden zij zover meegevoerd dat de mannen het land uit het gezicht verloren. Vaak werden zij door golven besprongen en heftig op en neer geslingerd; er was dan weer een ijsberg met een gewicht van duizenden tonnen van de gletsjer afgebroken en in zee gestort. Toen zij zich eindelijk een weg naar het land hadden gebaand, roeiden zij meer dan twee weken langs de kust om een doorgang door de fantastisch verstrengelde bergen en ijsmassa’s te vinden. Eindelijk vonden zij een opening en begonnen zij zich langs de 1800 meter hoge bergwand omhoog te klauwen. Zes dagen later stonden zij op de top van de ijskap.
De zes mannen hadden zeer te lijden van de bittere koude en van sneeuwblindheid. Op een keer werden zij drie dagen in hun tent vastgehouden door een storm waar niemand tegenop kon. Hun baard en hun haren vroren vast aan hun parka’s van Eskimo-vachten, zodat zij soms moeite hadden hun mond open te krijgen. “Goeie hemel,” merkte een der mannen op, “en dan te bedenken dat er mensen zijn die zich vrijwillig aan zo’n verschrikking onderwerpen!”

Toch verliep alles in feite volgens Nansens zorgvuldig opgestelde plannen. Hij hees de zeilen van de skisleden en in zes weken be­reikten zij Godthaab aan de westelijke rand van Groenland.

Nansen keerde naar Noorwegen terug om de tijdens de expeditie verzamelde wetenschappelijke gegevens te publiceren. Op zijn 28e was hij beroemd en de held van de jeugd van alle landen. Maar zijn overwinning had “niets van het onverwachte” en weldra smeedde hij plannen voor een nieuw avontuur.

De noordpool was evenals de oceaan die zich honderden kilometers eromheen uitstrekte, bedekt met een omvangrijk ijsveld.
Alle noordpoolvorsers waren met hun schepen tot aan dit ijs gevaren en hadden vervolgens gepoogd te voet de pool te bereiken. Men meende dat het fataal zou zijn een schip door het ijs te laten insluiten en vastvriezen. Maar op een keer had Nansen bij Groenland vanaf het schip van een robbenjager een stuk drijfhout op een ijsschots waargenomen. Groenland had geen bomen; er moest dus een constante stroming bestaan die de gehele ijskap van Siberië naar Groenland voerde, waar zij in de warmere wateren in stukken uiteenviel. Als drijfhout over de Noordelijke IJszee kon reizen, waarom dan geen schip?

Nansens plan begon vaste vorm aan te nemen. Hij zou een schip vast laten lopen in het ijsveld ten noorden van de Siberische eilanden en het daar laten invriezen. Binnen drie à vijf jaren moest het dan bij Groenland weer te voorschijn komen. Met een beetje geluk zou het zich over de pool bewegen of er althans dicht langs gaan. Opnieuw trof hij zorgvuldig zijn voorbereidingen. Zijn vaartuig van 400 ton was van een nieuw ontwerp; de zware houten romp had een zodanige ronding dat het ijs het schip niet zou kunnen fijnknijpen, maar het omhoog zou duwen. Nansens vrouw Eva doopte het schip Fram, het Noorse woord voor “Voorwaarts”; terugkeer zou immers onmogelijk zijn.

In september 1893 stuitte de Fram met Nansen en twaalf uitge­lezen geleerden en zeelieden aan boord op het pakijs ten noordwesten van de Bering-Straat. Toen de ijsmassa’s het schip hadden ingesloten en het in de tang begonnen te nemen, wankelde en kreunde de Fram, maar geleidelijk rees het schip omhoog en kwam het tot rust op het ijs — zoals Nansen had gehoopt “als een bal op een presenteerblaadje”. De bemanning van het schip verdiepte zich in de zorgvuldig uitgekiende werkzaamheden: registratie van de temperatuur, het verrichten van dieptelodingen onder de ijsvloer en het verzamelen van monsters van de oceaanbodem. Aan het eind van het eerste jaar bleken zij 302 kilometer te zijn afgedreven. In dat tempo zou het hun bijna vier en een half jaar kosten om over de top van de wereld te reizen en Spitsbergen te bereiken — de noordelijkste buitenpost van Noorwegen.

Al vroeg in het tweedejaar werd het duidelijk dat de Fram de pool zou missen. Nansen maakte toebereidselen om het tweede deel van zijn plan ten uitvoer te leggen. Met een metgezel en drie hondensleden zou hij het schip verlaten en zo ver mogelijk naar het noorden doorstoten. Het tweetal zou het schip nooit meer kunnen terugvinden. Maar, zo meende Nansen, door kajaks op de sleden mee te nemen zouden zij zowel over ijs als in open water kunnen reizen en weer land kunnen bereiken. En zo verlieten hij en Hjalmar Johansen op 14 maart 1895 de Fram op 664 kilometer ten zuiden van de pool. Hun reis naar het noorden was een der zwaarste welke ooit door mensen is overleefd. Het poolijs was een eindeloze opeenvolging van troggen en ijskammen, alsof de zee plotseling was bevroren op het hoogtepunt van een woedende storm. De sleden en de honden over 6 meter hoge ijswallen te voe­ren was een worsteling die het uiterste van hun krachten vroeg. Op 8 april beklom Nansen de top van een ijsrichel en plantte er de vlag van Noorwegen. Hij deed een waarneming: 86 graden 14 minuten Noorderbreedte — 300 kilometer noordelijker dan enige poolvorser ooit was gekomen. De zomer was nu in aantocht en het ijs dreef sneller naar het zuiden af dan zij zich naar het noorden worstelden. En dus moesten zij terugkeren. Hun reis werd nu nog zwaarder. Zij werden doorweekt door smeltend ijs en sneeuwstormen en hun voorraad proviand slonk voortdurend. Op een keer geraakten hun kajaks met al hun uitrusting op drift zodat Nansen 180 meter door het ijskoude water moest zwemmen om ze te redden. Op een enkele na stierven alle achtentwintig honden aan uitputting. Zij deden er vier maanden over om de eilandengroep te bereiken die als Frans Jozefsland bekend staat — het eerste land dat zij in twee jaar onder de voeten kregen.

De ontdekkingsreizigers bereidden zich nu voor op hun derde poolwinter. Zij bouwden muren van steen en mos en een dak van drijfhout en walrushuiden. Om aan proviand te komen doodden zij negentien ijsberen. Als brandstof sloegen zij walrusspek op.
En toen sloot de poolnacht zich over hen. In latere jaren gaven de mannen in het openbaar slechts twee ongemakken toe die hen tijdens die negen maanden in de kleine hut hadden geplaagd. Johansens probleem was: “Elke keer als ik snurkte gaf hij mij een schop.” Nansens klacht: “Maar het hielp nooit.”

Toen de lente aanbrak gingen zij opnieuw op weg naar het zuiden. Buiten medeweten van Nansen had een Engelse expeditie, onder leiding van Frederick Jackson, Frans Jozefsland geëxploreerd en 150 kilometer verderop overwinterd. Op een dag zag de verblufte Jackson een morsige gestalte van achter een ijsheuvel opduiken en op hem toe rennen. “Goede hemel, wat ben ik blij u te zien,” stamelde hij ten laatste.
Met Jacksons schip bereikte het gezelschap in augustus 1896 Noorwegen. Een week daarna kwam de Fram de haven binnen; iedereen aan boord was gezond en wel.

Nansen werd verwelkomd als de grootste noordpoolvorser in de geschiedenis. Hij had zijn theorie van de polaire zeestroom bewezen; hij had het spits afgebeten van een nieuwe, efficiënte methode van poolonderzoek. Waar hij ook ging werd hij door juichende menigten begroet en gehuldigd. Maar het leven in de openbaar­heid drukte hem. Hij voelde dat “zijn ziel werd weggespoeld, vertreden door vreemde mensen, zodat een man gedwongen wordt zich te verschuilen om zichzelf terug te vinden.” Alleen in de natuur kon hij vrede vinden, en hij wenste nu met vrouw en kinderen in eenvoud te leven en naar zijn laboratorium terug te keren.

Maar zijn grootste avonturen had hij nog voor de boeg.

In 1905 maakte het opkomende nationalisme een einde aan de negentigjarige unie tussen Noorwegen en Zweden. Nansen werd leider van de Noorse afscheidingsbeweging. Zweden had 60 00o soldaten; Noorwegen slechts 4000. Het scheen een dwaas moment om zelfstandigheid te vragen, maar Nansen had een les uit zijn avonturen getrokken: “Er is altijd een manier om de dingen te doen die gedaan moeten worden.” Hij reisde naar Kopenhagen en naar Londen, sprak met hoofdredacteuren en politici en pro­duceerde met ongelooflijke energie artikelen en lezingen. In het buitenland wist men maar weinig van Noorwegen, maar Nansens naam opende alle deuren. Zijn stoere ernst en zijn heldere argu­menten leidden tot de tussenkomst van Denemarken en andere staten, en Zweden stemde toe in een vreedzame regeling.

De Eerste Wereldoorlog bracht Noorwegen in een gevaarlijke positie. De voor zijn voortbestaan noodzakelijke import- en exporthandel werd verstoord en de nationale economie bijna vernietigd. Nogmaals werd Nansen van zijn wetenschappelijke bezigheden weggeroepen. Hij reisde heen en weer tussen Washington, Londen en andere steden om geduldig de overeenkomsten uit te werken die Noorwegen voor verhongering moesten behoeden. Zelfs de vrede van Versailles bracht hem geen rust. Een der eerste problemen waarvoor de nieuwe Volkenbond zich gesteld zag was de repatriëring van de krijgsgevangenen. Maar Ruslands communistische regering wilde niet onderhandelen met de “vijandige” Volkenbond en trok zich weinig aan van de gevangenen die in Siberische kampen stierven, of zelfs van de Russen die in het buitenland werden vastgehouden. De Volkenbond deed wat Noorwegen al zo lang gewend was te doen: hij deed een beroep op Nansen.
Nansen begaf zich zonder verwijl naar Moskou. Tsjitsjerin, de volkscommissaris van Buitenlandse Zaken, weigerde hem te erkennen als vertegenwoordiger van de Volkenbond. Goed, zei Nansen, beschouw mij dan maar als de persoonlijke vertegenwoordiger van de betrokken landen. Er waren geen transportmogelijk heden voor gevangenen, zei Tsjitsjerin. Waarop Nansen hem een gedetailleerd plan voor hun transport voorlegde. Ten slotte gaven de Russen toe en werden er 427 000 gevangenen bevrijd. Volkenbondsexperts hadden berekend dat de repatriëring per gevangene meer dan 700 gulden zou vergen; Nansen deed het voor dertig.

Opnieuw trachtte hij terug te keren naar zijn arbeid als hoogleraar in de oceanografie aan de universiteit van Oslo. Maar opnieuw kwam er een politiek S.O.S. Anderhalf miljoen vluchtelingen voor de communistische revolutie werden her en der door Europa gestuurd en vluchtten van het ene land naar het andere. Als Hoge Commissaris voor het Vluchtelingenwezen van de Volkenbond zorgde Nansen ervoor dat de Witrussen zich konden vestigen in Frankrijk, Bulgarije, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Palestina en de Verenigde Staten. Om de ontwortelde mensen voor zichzelf te kunnen laten zorgen, zorgde hij voor baantjes, gereedschappen, zaden en nieuwe industrieën. De actie van de Volkenbond werd ten zeerste belemmerd door het feit dat de vluchtelingen als regel geen paspoorten hadden. Nansen loste dat probleem op door zelf paspoorten voor hen uit te schrijven die na verloop van tijd door 52 regeringen werden erkend. Dit Nansenpaspoort was niet van een nationaal embleem voorzien, doch van het  vastberaden profiel van Fridtjof Nansen.

Terwijl hij nog bezig was de Russische vluchtelingen te helpen werd er opnieuw een beroep op hem gedaan, ditmaal door de slachtoffers van de Grieks-Turkse oorlog. Een bij het vredesverdrag getroffen grensregeling bracht honderdduizenden Grieken en Armenen onder een hun niet welgezind Turks regime, hetgeen een lawine van vluchtelingen ontketende. Nansen zag in dat slechts  de overbrenging van de Grieken naar het Europese vasteland de basis voor een duurzame vrede zou kunnen leggen. Hij stelde de overdracht voor, en hij voerde haar ook uit. Na acht jaren van moeizaam onderhandelen vond een half miljoen Turken een tehuis in Klein-Azië en werden anderhalf miljoen Grieken in hun eigen vaderland aan land geholpen.

En toen kwam de verschrikkelijke Russische hongersnood van 1922. Dertig miljoen boeren aten boomschors, bladeren en zelfs gezouten mensenvlees. Er waren epidemieën in aantocht die een bedreiging voor geheel Europa vormden. Nansen was nu zestig, maar hij aarzelde niet. Toen de Volkenbond, die Rusland wantrouwde, hem fondsen weigerde, reisde hij door Europa en Amerika om door middel van lezingen zoveel mogelijk geld bijeen te brengen. Herbert Hoovers American Relief Administration redde het grootste deel van de slachtoffers, maar het was door Nansens persoonlijke inspanningen dat een miljoen mensen te eten kregen. Hij nam zelf de leiding over de keukens en assisteerde persoonlijk met de nederigste details van het koken en het opdienen van het voedsel. Miljoenen gezinnen in de gehele wereld zegenden hem voor het behoud van een dierbaar familielid.

Fridtjof Nansen was in Genève een vertrouwde, patriarchale figuur geworden. Als Noors gedelegeerde bij de Volkenbond toonde hij zich een nerveus maar oprecht spreker die voortdurend aandrong op hulpverlening aan Russen, Armeniërs en hier of daar gestrande Grieken. Hij was zulk een vurig voorvechter van de kleine naties dat de afgevaardigden elke september als de Assemblée bijeenkwam tegen elkaar fluisterden: “Laten wij hopen dat Nansen niet opnieuw een kleine natie heeft ontdekt.” In typerende Nansen-stijl gaf hij het geld weg dat hij in 1922 won met de Nobelprijs voor de Vrede. Een deel ervan bestemde hij voor de herplaatsing van Griekse vluchtelingen.

Nansen droomde reeds lang van een nieuwe ontdekkingstocht – misschien een zeppelinreis over de noordpool. Maar zijn heldhaftige inspanningen hadden hem uitgeput. Op een zonnige namiddag in mei 1930 zat hij voor zijn huis bij Oslo over het pijnbomenbos naar de bergen te turen. Plotseling boog hij het hoofd in zijn handen en was dood. Zijn grafschrift had hij zelf reeds uitgesproken in 1926 toen hij de studenten van de St. Andrewsuniversiteit in Schotland toesprak: “Laat mij u een geheim verklappen over de zogenaamde successen die ik in mijn leven behaald heb: ik heb altijd mijn schepen verbrand en de bruggen achter mij vernietigd. Dan is er geen andere keuze dan Voorwaarts!”

.

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

725-662

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Marconi

.

MarconiDE TOVENAAR VAN DE RADIO

Marconi, zittend en zijn medewerker Kemp in 1901 tijdens hun eerste experimenten met draadloze transmissie over de Atlantische Oceaan

“Hier is iets dat u zal interesseren,” zei een ambtenaar van de Congresbibliotheek in Washington en hij zette een plaat op de grammofoon. Bij de eerste woorden begon mijn hart te bonzen. Ik herkende de rustige, zachte stem van mijn vader. Ernstig en exact vertelde hij, in het Italiaans, hoe hij in 1894, toen hij twintig jaar was, voor het eerst met zijn proefnemin­gen met draadloze verbindingen was geslaagd. Maandenlang had niets willen lukken, maar op een nacht drukte hij op een knop, de vonk sprong over en in een kamer negen meter verder begon een bel te rinkelen. Guglielmo Marconi ging haastig zijn moeder wakker maken om haar te zeggen dat het hem eindelijk gelukt was geluid over te brengen zonder draden!

Luisterend naar die stem zag ik mijn vaders tengere gestalte over zijn instrumenten gebogen zitten, met de koptelefoon over zijn grote oren. Ik dacht eraan hoe de radiokamer bij ons het belangrijkste vertrek was geworden — of we nu in Rome woonden of in Engeland, of op de Elettra voeren, het jacht van 730 ton dat vader vlak na de Eerste Wereldoorlog had gekocht en waarop we de helft van het jaar woonden. Vader bracht het grootste deel van zijn tijd in dat heiligdom door; wij kinderen liepen op onze tenen als we er binnenkwamen.

Toen vader pas geboren was, riep een oude gedienstige van zijn ouders in Bologna uit: “Wat heeft hij een grote oren!” En zijn moeder antwoordde met een trots die profetisch zou blijken te zijn: “Met die oren zal hij de geluidjes uit de lucht kunnen horen.”

Mijn grootvader, Giuseppe Marconi, was een welgesteld zaken­man; mijn grootmoeder, Anna Jameson, kwam uit een familie van bekende distillateurs in Dublin. Zij was half Schots, half Iers, overtuigd protestants en zeer muzikaal. Door haar werd vader een bijbelkenner en een bekwaam pianist, van haar leerde hij ook taai volhouden.

Vader werd al vroeg aangetrokken door de natuurwetenschap­pen. Toen hij twaalf jaar was, boeiden natuur- en scheikunde hem al mateloos. Op zekere dag vroegen zijn ouders hem waarom hij vriendschap had gesloten met een oude blinde man; hij antwoord­de: “Die is telegrafist geweest; hij leert me de morseseinen.” Hij was twintig toen hij in een necrologie van de Duitse natuurkundige Heinrich Hertz een beschrijving las van diens proeven met elek­tromagnetische golven. Waarom zouden er geen signalen zonder draden door de lucht kunnen worden overgebracht?

Zijn eerste geslaagde proefneming in 1894 werd gevolgd door meer, over steeds grotere afstanden. Hij bood zijn uitvinding aan de Italiaanse regering aan, maar het ministerie van Posterijen en Telegrafie had er geen belangstelling voor. Zijn moeder moedigde hem aan en zei: “Misschien heb je in mijn land meer kans.” In februari 1896 kwam hij met twee koffers vol instrumenten in Londen aan. De Engelse douane was argwanend en “onderzocht” ze zo nauwkeurig, dat er niets van overbleef. Hij moest alle toe­stellen opnieuw maken.

Gelukkig begrepen de Britse regering en enkele particulieren dat deze tweeëntwintigjarige amateur een revolutionaire uitvin­ding had gedaan die het eenmaal mogelijk zou kunnen maken verbinding tot stand te brengen met schepen op zee. In 1897 werd er een Engelse maatschappij gevormd voor de exploitatie van “draadloze telegrafie”. Vader kreeg de helft van de aandelen en 15 000 pond in contanten. Met zijn 23ste jaar was hij een rijk man.

Het eerste radiostation, dat in 1897 op het eiland Wight werd gebouwd, kreeg verbinding met een schip op dertig kilometer afstand. Een jaar later kreeg vader van een Ierse krant, de Daily Express te Dublin, het verzoek berichten te zenden van een sleepboot die de jachten zou volgen welke deelnamen aan de grote zeilwedstrijd van Dublin. De eerste dag mislukte de proef jam­merlijk. Maar vader probeerde het opnieuw en verzond over de honderd telegrammen. Hierdoor kreeg hij de steun van de pers.

In hetzelfde jaar gaf koningin Victoria de wens te kennen een draadloze verbinding aan te brengen tussen haar zomerresidentie op Wight en het koninklijke jacht de Osborn, waarop haar zoon, de latere koning Eduard VII, herstellende was van een gebroken been. Op een morgen was vader in de paleistuin aan het werk, toen de koningin voorbij kwam zonder groeten. Vader was erg gevoelig; hij zei dat hij de proefneming eraan gaf en niet langer in het paleis wou blijven. “Haal een andere elektricien,” gelastte Victoria. “Helaas, mevrouw,” was het antwoord, “we hebben geen Engelse Marconi!” De koningin fronste het voorhoofd. “Vraag dan meneer Marconi morgen te komen lunchen.” Vader liet zich vermurwen, hij bleef en voerde de opdracht uit.

In 1899 had vader voor het eerst de grote voldoening dat zijn uitvinding werd gebruikt om mensenlevens te redden. Een Engels lichtschip dat met Marconi’s draadloze was uitgerust hoorde noodsignalen met de fluit van een schip in het Kanaal. Het seinde een bericht naar de wal, vanwaar reddingboten werden
uitge­zonden om de bemanning op te pikken. De hele wereld sprak nu over vaders uitvinding. In Engeland en op het vasteland werden er radiostations gebouwd en Engelse en Italiaanse schepen werden met radio uitgerust. Maar vader was niet tevreden; hij wilde een draadloze verbinding tussen Engeland en Amerika tot stand brengen. Hoewel tal van natuurkundigen volhielden dat de krom­ming van de aarde de voortplanting van signalen over de oceaan heen zou beletten, wist hij zijn maatschappij te bewegen hem de proef te laten nemen.

Als Europees station koos hij Poldhu op de zuidwestelijkste punt van Engeland. Na een jaar van hard werken werd het station door een storm vernield. Vader liet zich niet ontmoedigen; hij bouwde het opnieuw en vertrok naar Newfoundland, dat hij als Amerikaans beginpunt van de trans-Atlantische verbinding had uitgekozen. Hij was zeer verheugd toen hij daar op een bergtop een toren vond, gebouwd ter herinnering aan de Italiaanse ont­dekkingsreiziger Giovanni Caboto (in het Engels: John Cabot).

Het weer was slecht en er moesten veel technische moeilijkheden worden overwonnen. Maar eindelijk was het zover dat mijn vader, op 12 december 1901, met de koptelefoon op zat te wachten. Afstemmen was in die dagen een onnauwkeurige bezig­heid zonder wetenschappelijke grondslag. Vader moest zoeken naar het sein. Een half uur lang kwam er geen geluid door. Had de een of andere geheimzinnige kracht de seinen uit de baan getrokken? Was de kromming van de aarde werkelijk een beletsel? Dit en nog veel meer ging hem door het hoofd. Ineens hoorde hij een harde tik, gevolgd door drie tikjes — onmiskenbaar een morsesein.

Het geweldige nieuws, dat vader twee dagen later aan de pers bekend maakte, werd sceptisch ontvangen. Om een einde te ma­ken aan de twijfel zou vader een vast station op Newfoundland moeten neerzetten. Maar vier dagen na dat eerste trans-Atlantische bericht eiste de Engels-Amerikaanse Kabelmaatschappij, eigena­res van de trans-Atlantische telegraafkabel die op Newfoundland begon, dat hij zijn proeven zou staken, anders zou zij hem een proces aandoen. Gelukkig stelde William Stevens Fielding, minis­ter van financiën van Canada, 16 000 dollar ter beschikking om een station te bouwen aan de Glace-baai op Nova Scotia.

Voor hij naar Engeland terugging, deed vader New York aan, waar het Amerikaans Instituut van Elektrotechnici hem huldigde aan een maaltijd waar velen van de grootste vertegenwoordigers van de wetenschap in Amerika aanzaten. Thomas Edison, die verhinderd was, stuurde een telegram. Twee jaar later nodige Ir Edison vader uit voor een lunch in zijn laboratorium te Orange in New Jersey. De twee raakten zo verdiept in een gesprek, dat Edison de hele lunch vergat.

In het voorjaar van 1902 zette vader een ploeg assistenten aan het werk aan de Glace-baai, en begin oktober was het station klaar. Maar pas op 18 december, na vele dagen en nachten van spannen­de proefnemingen, kon Poldhu berichten dat het succes behaald was. Alle telegrammen werden ontvangen. Vader keerde in triomf naar Europa terug. Hij was nog maar achtentwintig. Zijn vaderstad Bologna ontving hem geestdriftig. Livorno en Rome schonken hem het ereburgerschap. Bij een bezoek aan Kronstadt in Rusland sloeg een oude heer zijn armen om hem heen en riep uit: “Ik verwelkom de vader van de radio!” Het was Alexander Popoff, een radiopionier, die nu door de Russische propaganda als de uitvinder van de draadloze wordt uitgebazuind.

In de herfst van 1904 voelde vader behoefte aan rust; hij had aan diverse nieuwe uitvindingen gewerkt. Hij ging naar zijn radio­station in Pool, bij Bournemouth in Engeland, en daar ontmoette hij mijn moeder, Beatrice O’Brien, een dochter van lord en lady Inchiquin. Zij was negentien jaar, knap en levendig. Zij vertelde mij dat hij haar op een alleronwaarschijnlijkste plaats gevraagd had — boven op de Albert Hall in Londen. Kort daarna trouwden ze en meteen daarop vertrokken ze naar Nova Scotia, waar vader verbeteringen ging aanbrengen in zijn radiostation aan de Glace-baai. Het ging goed — hij was erin geslaagd ook overdag ont­cijferbare telegrammen over te brengen — maar ineens werd hij naar Londen teruggeroepen. Het kapitaal van de maatschappij was opgegaan aan onderzoek en proefnemingen en de Londense banken weigerden verdere kredieten. Vader ging naar Italië in de hoop bij Italiaanse banken steun te zullen vinden, maar ook deze weigerden.

Weer in Londen reorganiseerde vader de onderneming; hij ontsloeg een deel van het personeel en beperkte de onkosten drastisch. Maar alles scheen mis te gaan. Zijn eerste kind stierf toen het drie maanden oud was. Duitse en Amerikaanse radiomaatschappijen begonnen inbreuk te maken op zijn octrooien. En het grote station aan de Glace-baai, waarin hij zoveel inspanning, tijd en geld had gestoken, werd door brand verwoest. Toen hij van deze ramp hoorde, zette hij zich aan de piano en speelde een sonate van Beethoven. Vervolgens stond hij op en zei tegen mijn moeder: “Nu weet ik wat ik te doen heb!”

Hij was vastbesloten harder te werken dan ooit. Hij zou aantonen dat de radio economisch bruikbaar was. En hij zou de strijd aanbinden tegen alle inbreuken op zijn octrooien. Een jaar later was het station aan de Glace-baai herbouwd en het eerste proces in New York gewonnen. Vader was bezig er weer bovenop te komen. In 1909 ontving hij de Nobelprijs voor natuurkunde, en een nieuwe directie had zijn maatschappij een gezonde basis gegeven.

Terwijl hij werkte aan nieuwe uitvindingen op het gebied van de radio — zoals een richtingzoeker — om de veiligheid van schepen op zee te vergroten, verging in 1912 de Titanic. Deze ramp bewees hoe goed zijn raad was geweest dat alle schepen radio aan boord dienden te hebben. De radio van de Titanic had schepen naar de plaats van de ramp geroepen die anders nooit iets van het drama zouden hebben geweten. Hij ontving een gouden medaille; de aandacht van de ganse dankbare wereld was op hem gericht. In Engeland werd hij in de adelstand verheven. In Italië werd hij tot senator benoemd en kreeg hij de titel van markies.

Toen hij alle mogelijkheden van lange radiogolven had uitgeput begon hij met korte golven te werken. In 1927 bracht hij de menselijke stem van Engeland naar Australië over. In 1930 ontstak hij de lampen op de grote tentoonstelling te Sydney in Australië door in Londen op een knop te drukken. Hij nam ook
proeven met teruggekaatste radiogolven, waar ten slotte de radar uit zou voortkomen. En hij wees op de ultrakorte golven als de sleutel tot de televisie.

Bij een bezoek aan de tentoonstelling “Een eeuw van vooruitgang” te Chicago in 1933 — er was daar een “Marconidag” georganiseerd — bekeek mijn vader met bijzondere belangstelling de radio-installatie van een amateur. “Dit is echt een mooi stukje werk,” zei hij bij het bestuderen van een gedeeltelijk voltooide zender. De jongeman die eraan werkte kreeg een kleur en zei: ’t Zal wel niet veel bijzonders zijn, meneer Marconi, ik ben maar een amateur.”

“Ik ben zelf ook maar een amateur,” zei vader grinnikend. Hij was inderdaad grotendeels autodidact en had nooit een hoge school bezocht.

Zij die met hem leefden of werkten bewonderden zijn eenvoud, geduld en liefderijkheid. Hij had er een hekel aan bij zijn werk gestoord te worden, maar voor zijn kinderen had hij altoos tijd. Hij kon urenlang met mijn broertje Giulio op de grond zitten om met zijn elektrische trein te spelen. Eens waadde hij in de winter tot aan zijn knieën door het ijskoude water van de Fontana Paola bij ons oude huis in Rome om Giulio’s bootje op te halen. Hij vatte zo’n zware kou dat hij dacht te zullen sterven en maat­regelen begon te treffen voor zijn begrafenis. Maar voor Giulio had hij niet één kwaad woord. Op wandelingen of autotochtjes met Giulio en mij was hij even vrolijk en zorgeloos als wij. Op een keer kregen we een lekke band terwijl we op weg waren naar Southampton om aan boord van de Elettra te gaan voor onze zomerkruistocht. We lachten ons slap toen we merkten dat vader, de geniale technicus, er geen flauw idee van had hoe je een band moest verwisselen. Er kwamen geen auto’s langs, en daarom haalde vader een boekje te voorschijn en verdiepte zich een kwar­tier lang in de theorie van het bandomleggen. Ten slotte stroopte hij zijn mouwen op, wij hielpen een handje en we konden weer verder rijden naar Southampton.

Toen vader in 1937 aan een hartaanval overleed, brachten geleerden uit de hele wereld hulde aan zijn pioniersgeest, zijn wetenschappelijke eerlijkheid en zijn volhardend onderzoek. Maar van alles wat er over hem geschreven is hecht ik de meeste waarde aan een hoofdartikel in de Londense Times:

“Als eenmaal het begin van de twintigste eeuw zal worden beschreven door historici die nu nog niet geboren zijn, dan zal wellicht Guglielmo Marconi beschouwd worden als de bij uitstek kenmerkende figuur van zijn tijd, de naam waarnaar het tijdvak wordt genoemd.”

(Degna Marconi)
.

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen
.

721-658

.

VRIJESCHOOL- Vertelstof – biografieën – Newton

.

EXPLORER VAN HET HEELAL

 

Op de ochtend van Eerste Kerstdag 1642 aanschouwde een te vroeg geboren en zielig zwak jongetje het levenslicht in een stenen boerenhuisje in het Engelse graafschap Lincolnshire. De beide vroedvrouwen die bij de bevalling hadden geholpen, voorspelden meewarig dat het knaapje de avond wel niet zou halen. Maar de baby leefde nog 84 jaar en het “arme zwakke hoofdje”, dat in de eerste levensjaren door een speciale lederen kraag moest worden ondersteund, bleek een schitterend stel hersens te bevatten, een van de machtigste wetenschappelijke breinen die de wereld ooit heeft gekend. De bezitter van dit brein, geridderd en met eerbewijzen overladen, heette Isaac Newton.

Er was in het voorgeslacht van dit tere kind niets dat op genialiteit duidde. Zijn vader was een nietsnut, die al op 37-jarige leeftijd stierf, enige weken voor de geboorte van Isaac. Zijn moe­der onderscheidde zich in geen enkel opzicht van de andere platte­landsvrouwen uit het dorpje Woolsthorpe. Genetici hebben in latere jaren meer dan drie generaties van Newtons voorgeslacht tevergeefs nagesnuffeld naar enigerlei indicatie voor zijn uitzon­derlijke begaafdheid.

Van deze begaafdheid viel aanvankelijk nog niet veel te be­speuren. Op school was Newton dikwijls de laatste of een van de laatsten van zijn klas — tot op de dag dat hij een grotere jongen een pak slaag toediende. Deze jongen nam op de klassenlijst een hogere plaats in dan hij en Newton besloot zijn overwinning
vol­ledig te maken door zich nu ook een betere leerling te tonen. Een oom, aan wie zijn grotere ijver niet was ontgaan, vond dat hij verder moest studeren en wist te bereiken dat de jonge Isaac op zijn 18de jaar werd toegelaten tot Trinity College in Cambridge.

De Grote Pestepidemie van 1665 – ’66 brak uit in het jaar waarin Newton promoveerde en zou merkwaardigerwijs van grote invloed op zijn loopbaan blijken. In een afschuwelijke drie maan­den sleepte de ziekte een tiende deel van de bevolking van Londen ten grave. De universiteit van Cambridge moest tijdelijk worden gesloten en Newton, inmiddels 23 geworden, keerde naar Woolsthorpe terug om er te “peinzen”. Deze volle anderhalfjaar duren­de periode van overpeinzing legde de grondslag voor al zijn latere prestaties. Als jongen had Newton de naam gehad een “dromer” te zijn. De ware aard van deze “verstrooidheid” trad aan den dag tijdens zijn gedwongen verblijf op het platteland. De jonge­man bezat kennelijk een bijna beangstigend concentratievermo­gen, dat hem in staat stelde zich urenlang te verdiepen in de meest ingewikkelde problemen. En daar hing een andere grote gave ten nauwste mee samen — het intuïtief weten door te stoten naar de kern van een probleem zonder de draad te verliezen.

Van de oudste tijden af hadden geleerde mannen veronder­steld dat de zon, de sterren en de planeten bijzonder hemelse eigenschappen bezaten, totaal verschillend van welke krachten ook op aarde. Iets anders aan te nemen was ondenkbaar — totdat Newton zich aanmeldde. Het kan best waar zijn wat Voltaire later heeft beweerd: dat Newton een appel van de boom zag vallen en dit er hem toe bracht zich af te vragen of de kracht, die de appel op de grond deed neerkomen, niet dezelfde kracht kon zijn die de maan in haar baan hield. Deze gedachte leek Newton aannemelijker dan de algemeen aanvaarde theorie van Descartes, volgens welke de maan en de planeten in hun baan worden ge­houden door “wervelingen” in een onzichtbare, niet te voelen en niet aan te tonen substantie, die “aether” genoemd werd. Hij zette zich aan de uitwerking van dit probleem en had, ofschoon zijn resultaten eerst twintig jaar later werden gepubliceerd, nog voor de voltooiing van zijn 24ste levensjaar zowel de wet der beweging als de wet van de universele zwaartekracht ontdekt. Hij vond ook een nieuw wiskundig systeem uit om zijn theorieën te bewijzen: de infinitesimaalrekening.

In deze achttien maanden hield Newton zich nog met een ver­bazingwekkende verscheidenheid van andere onderzoekingen bezig. Hij ontdekte de wetten die eb en vloed beheersen. In een reeks schitterende proeven met prisma’s, voor enkele stuivers ge­kocht op een jaarmarkt, toonde hij aan dat het witte licht is
sa­mengesteld uit al de kleuren van het spectrum en dat iedere kleur zijn eigen typische brekingshoek vertoont wanneer het licht door een glazen prisma valt. Hij sleep lenzen en spiegels en maakte een nieuw type telescoop. Toen hij eens op zijn oude dag werd ge­prezen om de grote bijdragen die hij had geleverd tot ‘s mensen kennis van het heelal, zei hij: “Ik bezat geen speciale knobbel — slechts het vermogen tot geduldig doordenken.” Zijn ontdek­kingen, voegde hij eraan toe, had hij kunnen doen “door zich onafgebroken op een onderwerp te concentreren, net zolang totdat de eerste vage vermoedens tot volle klaarheid waren gekomen”.

Newton repte voorlopig met geen woord over de ontdekkingen die hij tijdens zijn verblijf in Woolsthorpe had gedaan. Deze ge­woonte om niets los te laten zou hem later in een weinig verheffen­de polemiek verwikkelen. In 1667 keerde hij naar Cambridge terug, met een toelage om zijn onderzoekingen aan Trinity College voort te zetten. Isaac Barrow, professor in de wiskunde, zag in hem “een man van buitengewoon talent en zeldzame be­kwaamheid”. Toen Barrow in 1669 zijn professoraat neerlegde zorgde hij ervoor dat Newton, eerst 26 jaar oud, tot zijn opvolger werd benoemd, waarmee Newton een functie aanvaardde die hij 32 jaar zou bekleden. Kort na zijn benoeming kreeg het Konink­lijk Genootschap van Londen ter Bevordering van de Natuur­wetenschap Newtons nieuwe spiegeltelescoop te zien en bood hem onmiddellijk het lidmaatschap aan. Verrast door het enthousiasme van het genootschap stuurde Newton een verslag in van de proe­ven met licht die tot zijn uitvinding hadden geleid.

De verhandeling ontketende een storm — niet omdat de be­schreven proeven niet met de uiterste nauwkeurigheid zouden zijn genomen of de daaruit getrokken conclusies aanvechtbaar waren, maar omdat zijn resultaten niet klopten met bepaalde toen aan­gehangen theorieën. Zoveel stemmen verhieven zich beschuldi­gend tegen hem dat Newton ten slotte geërgerd uitriep: “Ik zie wel dat een man er óf maar van moet afzien met iets nieuws te komen óf de slaaf moet worden van de noodzaak het te verdedi­gen.” Van dat ogenblik af werd hij er nog huiveriger voor zijn ontdekkingen bekend te maken.

Newton had reeds in zijn eerste studententijd de ontwikkeling van de infinitesimaalrekening ter hand genomen, maar er met niemand behalve Barrow over gesproken. Enkele jaren later kwam Gottfried Wilhelm von Leibnitz, de grote Duitse wiskundige, met een in grote trekken overeenkomstig systeem voor de dag. Aan­vankelijk gaf Leibnitz toe dat hij en Newton gelijktijdig aan het­zelfde systeem werkten. Nochtans ontbrandde er een strijd over de prioriteitsvraag, waarin de aanhangers van Leibnitz zeiden dat Newton bij Leibnitz leentjebuur had gespeeld.

Om dit te bewijzen publiceerde Jean Bernoulli, een beroemde Zwitserse wiskundige, twee problemen en daagde iedereen uit ze binnen een jaar op te lossen. Leibnitz loste er een van op en zwoeg­de nog op het tweede toen het jaar al bijna om was. Toen Newton de problemen zag loste hij ze prompt allebei binnen 24 uur op. Hij stuurde zijn antwoorden naar het Koninklijk Genootschap. Nadat het genootschap ze, zonder te vermelden wie de auteur was, had gepubliceerd en Bernoulli ze had gezien moest hij spijtig erkennen: “Men herkent de leeuw aan zijn klauw.” Het “examen” toonde onweerlegbaar aan dat Newton inderdaad de infinite­simaalrekening had uitgevonden, want anders zou hij de proble­men niet hebben kunnen oplossen.

Tot de publicatie van de Principia, Newtons belangrijkste werk, kwam het grotendeels door een toeval. In een poging de banen der planeten te berekenen was de uitzonderlijk begaafde jonge Edmund Halley, die later koninklijk astronoom zou worden, vastgelopen. Toen hij zich tot Newton om hulp wendde vernam hij tot zijn verbazing dat Newton de banen reeds had berekend. Maar de berekeningen konden niet zo een-twee-drie uit de chaos op Newtons lessenaar worden opgevist — weshalve Isaac New­ton ze vlug allemaal nog maar eens uitvoerde.

Halley had zich intussen gerealiseerd van hoe grote waarde de onderzoekingen waren waarvan de nooit gepubliceerde uitkomsten achteloos verspreid lagen in allerlei laatjes en vakjes van Newtons lessenaar, en hij bood aan het werk voor eigen rekening uit te geven. Newton ging ermee akkoord en zo zagen dan de Principia, begroet als het grootste wetenschappelijke boek dat ooit van de persen was gekomen, het licht. Eerst in de twintigste eeuw, waarin Albert Einstein zijn relativiteitstheorie lanceerde, kon één enkele wetenschappelijke verhandeling weer van een zo be­slissende betekenis worden voor de ontwikkeling van het menselijk denken. Newton ontcijferde de mechanica van het heelal; Ein­stein maakte de atoomkracht vrij en stelde de identiteit van energie en materie vast.

In de Principia heeft Newton alles wat hij over de bewegingen van de planeten en hun satellieten had ontdekt, bijgeschaafd en gepreciseerd. In de maanden waarin hij het boek persklaar maakte zat hij dikwijls uren aan één stuk onbeweeglijk na te denken, om dan naar zijn lessenaar te stuiven en nog weer eens uren achtereen het overdachte neer te pennen, zonder zelfs de moeite te nemen een stoel bij te schuiven. Zijn secretaris heeft verteld dat hij zelden vóór twee uur ‘s nachts — en soms eerst om vijf of zes uur — naar bed ging en dikwijls vergat te eten. Newton heeft zijn boek een soort ondertitel meegegeven: “Het geraamte van het wereld­stelsel”. Zelfs wiskundigen vonden het moeilijke lectuur, niet slechts vanwege de ingewikkelde problemen die het behandelde, maar omdat Newton het met opzet moeilijk had gemaakt — opdat de “kleine beunhazen in de wiskunde” hem niet aan het hoofd konden komen zeuren. De in het Latijn, de universele taal der wetenschap van die dagen, geschreven Principia bestaan voor een groot deel uit wiskundige formules en vergelijkingen. Gedurende twee eeuwen heeft het voor de gehele beschaafde wereld de richting aangegeven van het wetenschappelijke denken.

Alle vroegere denkers hadden aangenomen dat er een voort­durend werkzame kracht moest zijn die de planeten in hun baan voortstuwde. In de Principia zei Newton dat een bewegend lichaam zich ten eeuwigen dage in een rechte lijn blijft voortbewegen, tenzij een of andere kracht optreedt die het tot stilstand brengt. De planeten bewegen zich in gesloten banen omdat de aantrek­kingskracht van de zon precies gelijk is aan de middelpuntvlie­dende kracht van hun beweging door de ruimte. Daar er in de ruimte geen wrijving bestaat is er geen speciale kracht nodig om ze hun omwentelingen te laten volbrengen met een constante snelheid en door aeonen van tijd.

Newton ontwikkelde en formuleerde zijn wet van de universele zwaartekracht: elk lichaam trekt ieder ander lichaam aan met een kracht, recht evenredig met het product van hun massa’s en omgekeerd evenredig met het kwadraat van hun onderlinge af­stand. Hij toonde aan hoe de massa van de zon en van de planeten kan worden bepaald. Hij stelde de regels op voor de berekening van de banen der kometen. Hij bewees dat de aantrekkingskracht van de maan en van de zon de getijden veroorzaakt in de oceanen van de aarde, dat springtij optreedt wanneer maan en zon in conjunctie, doodtij wanneer ze in oppositie staan. Zo’n
wonder­bare eenheid als hij in het planetenstelsel had ontdekt moest, zei Newton, “wel worden toegeschreven aan de beschikking” van een Opperste Schepper.

Een van Newtons grootste triomfen werd ruim een eeuw na zijn dood behaald. Zijn zwaartekrachtwet was zo onvoorwaardelijk aanvaard dat, toen astronomen bij de planeet Uranus een kleine afwijking van de op grond van de berekeningen te verwachten positie vaststelden, het niet in hen opkwam een foutje in de theorie te veronderstellen. In plaats daarvan concludeerden zij dat Ura­nus de ‘invloed moest ondergaan van de aantrekkingskracht van een nog niet ontdekte planeet. Aan de hand van Newtons wet bepaalden U. J. J. Leverrier in Frankrijk en J. C. Adams in Enge­land onafhankelijk van elkaar de positie van deze onbekende pla­neet. Leverrier stuurde zijn berekeningen naar de astronoom Galle in Duitsland. Galle ontving ze op 23 september 1846, stelde zich nog diezelfde nacht achter zijn telescoop op en ontdekte de nieuwe planeet precies op de aangegeven plaats. Ze werd Neptunus gedoopt.

Newton is nooit gehuwd geweest. Zijn gerieflijke Londense huis werd bestierd door zijn mooie en levenslustige nicht, Catherine Barton. In uiterlijke verschijning was Newton van middelbare lengte, met niet onknappe, nogal scherp getekende gelaatstrekken, een frisse, gezonde kleur en sprankelende ogen. In zijn levens­gewoonten was hij matig. Toen hem eens werd gevraagd waarom hij niet rookte, antwoordde hij : “Omdat ik geen nieuwe behoeften wens aan te kweken.” Hij verstond de kunst geld te verdienen en speculeerde zo gelukkig dat hij een vermogen van bijna een half miljoen gulden naliet, een kapitaal bedrag voor die dagen. In 1705 werd Newton bij een speciale plechtigheid in Cambridge door koningin Anna tot ridder geslagen, de eerste wetenschapsman aan wie deze eer te beurt viel.

In zijn 85ste jaar werd Isaac Newton, betreurd door Engeland en de wereld, naar zijn laatste rustplaats gedragen in de West­minster Abdij, waar zijn gebeente nog heden ten dage rust en zijn naam prijkt als die van een der grootsten onder de groten. Met betrekking tot zijn levenswerk heeft hij geschreven: “Ik weet niet welke indruk de wereld van mij heeft gekregen, maar in mijn eigen ogen was ik als een jongen die aan het strand speelt, mij ermee vermakend af en toe een gladdere kiezelsteen of een mooiere schelp dan gewoonlijk te vinden terwijl de grote oceaan der waar­heid met al zijn geheimenissen onontdekt vóór mij lag.”

Alle biografieën

.

714-651

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Marco Polo

.

KONING DER WERELDREIZIGERS

Voor de meesten van ons is Venetië even romantisch als China of Japan in de middeleeuwen voor Venetianen was. En een bezoek aan Venetië heeft nog altijd veel van een droom. De opalen koepels en paleizen lijken broos als porselein en de gebeeldhouwde bogen doen denken aan ragfijne kant. Uw gondel vaart traag onder de Rialtobrug door waar eens Shylock placht te komen, en langs het paleis dat naar men zegt Desdemona’s woonstee was. Langs een weinig bevaren, klein kanaal staat een bord: “Het Huis van Marco Polo.” Marco Polo! U beseft met een schok dat déze man echt heeft bestaan. Hij was de grootste koopman van Venetië die ooit heeft geleefd, de onverschrokkenste reiziger die de wereld ooit heeft gekend. Het relaas van zijn won­derbaarlijke reizen is het eerste ooggetuigenverslag van land en volk van Azië.

Het Venetië van de dertiende eeuw was een stad van zeevaarders waar men wel aan sterke verhalen gewend was, maar wat Marco Polo verhaalde over zijn reizen naar het einde der wereld overtrof alles. Hij beschreef hoe hij in China een zwart gesteente had zien delven dat branden kon en dat langzamer verteerde dan hout. De Venetianen lachten hem vierkant uit; in steenkool konden ze niet geloven. Hij vertelde over een ander gesteente, waarvan garen kon worden gesponnen dat onbrandbaar was — en ze lachten zich krom. Asbest was helemaal onvoorstelbaar. Ook het verhaal over een fontein in de Kaukasus die olie spoot in plaats van water vond geen geloof.

Destijds was Venetië het belangrijkste handelscentrum ter wereld, en geen reis zo ver, hetzij over zee, hetzij over land, of het einddoel was deze legendarische stad. Uit India kregen de koop­lieden van Venetië hun parels, diamanten en saffieren. Uit Tartarije (Siberië) kwam hermelijn voor de mantels van de dogen en sabelbont voor de vrouwen van de handelskoningen. Gathay (China) leverde specerijen, kamfer en kostbare weefsels. Maar geen enkele Venetiaan had ooit de landen gezien waar al die rijk­dommen vandaan kwamen.

In Venetië woonden echter twee kooplieden die vermeteler waren dan de overige. Hun naam was Polo; zij waren de vader en de oom van Marco. Op een handelsreis door Zuid-Rusland werden ze overvallen door een plaatselijke oorlog die hun de terugweg naar Italië afsneed. Ze maakten van de nood een deugd en namen een kloek besluit: ze trokken verder, het onbekende Oosten tegemoet. Al kopend en verkopend, talen lerend en nieuwe markten verkennend, bereikten Niccolo en Maffio Polo de grote stad Boechara in Zuid-Turkestan, 5000 kilometer van hun woon­plaats. Drie jaar lang dreven zij hier handel. Op zekere dag kregen zij bezoek van afgezanten van de grote Koeblai Khan, wiens rijk zich uitstrekte van de Indische Oceaan tot de Poolzee en van de stranden van de Grote Oceaan tot aan de grenzen van Midden-Europa. De Khan had nog nooit tevoren een westerling ontmoet, en hij was een man met een veelzijdige belangstelling. Zouden de gebroeders Polo naar Peking, de ver afgelegen hoofdstad van China, willen komen?

Negen jaar waren de beide Polo’s op reis geweest toen zij op een dag — met verweerde gezichten en diepliggende ogen — in Venetië terugkeerden. Maar ze waren niet gekomen om in hun vaderstad te blijven; hun vriend Koeblai Khan had hun een brief meegegeven voor de paus met het verzoek honderd geleerde monniken te zenden om de Mongolen tot het christendom te bekeren en om hen met de kunsten en wetenschappen van Europa bekend te maken. Nimmer kreeg de kerk een schonere gelegenheid om haar missiewerk te verrichten! Maar door onverschilligheid ging deze kans teloor. Slechts twee dominicanen waagden zich met de gebroeders Polo op weg naar het Verre Oosten; de eerste keer de beste dat er gevaar dreigde, maakten ze rechtsomkeert.

Maar dat gold niet voor Marco Polo, de jongste reisgenoot die net zijn zeventiende verjaardag had gevierd. Er zal wel geen jon­gen zijn geweest die zich ooit in zulk een avontuur heeft begeven of die zich op deze wijze op de studie van de aardrijkskunde heeft geworpen — een cursus die 24 jaar zou duren. Als telg van een adellijk geslacht was Marco geheel vertrouwd met alle regels der etiquette die een jongeman van zijn stand destijds werden bijge­bracht. Bovendien had hij een goed stel hersens, een levendige belangstelling en het vermogen om alles wat hij waarnam te ont­houden en ordelijk te rangschikken.

Uit Marco’s reisverslag blijkt dat het in de lente van 1274 moet zijn geweest dat hij diep in Midden-Azië voor het eerst de vallei van de Oxus aanschouwde, want volgens zijn beschrijving baadde het landschap in een weelde van wilde krokussen, gele narcissen en sneeuwklokjes. Het lijkt of we het klaaglijke geluid der kamelen kunnen horen en het gehinnik en geloei van vee op de stoffige marktpleinen; we ruiken de gekruide spijzen die op het vuur staan en zien de kleurige kledij van Arabieren, Perzen, Turken, Tar­taren, Koerden, Mongolen, Russen en Chinezen — ze spreken talen waarvan de klanken doen denken aan cimbaalgetokkel en het trillen van strak gespannen snaren. Nu, bijna 700 jaar later, zijn Marco Polo’s beschrijvingen nog even sprankelend als op die lenteochtend toen de amandelbomen in bloei stonden en in het zuiden de besneeuwde toppen van de Hindoe Koesj glinsterden in de droge, blauwe lucht.

Maar de natuur was niet altijd zo lieflijk, en soms werden de Polo’s belaagd door wolkbreuken, overstromingen, zandstormen of lawines. Zij zwoegden tegen de duizelingwekkende hellingen van het Pamirgebergte op en waagden hun leven op zwiepende hangbruggen boven huiveringwekkende ravijnen. Zij klommen tot hoogten waar zelfs geen vogel zich meer vertoonde en waar zij grote, wilde schapen zagen met ontzaglijke horens, “meer dan zes palm lang”. Deze beesten met hun monsterachtige horens zijn eeuwenlang beschouwd als een van de vele staaltjes van “marco-polo-latijn”. Maar de geleerden van onze tijd hebben exemplaren van deze zeldzame dieren weten te bemachtigen. Men kan de Ovis poli thans in musea vinden.

Na hun tocht door het Pamirgebergte betraden de reizigers de woestijn Gobi, waar het water soms giftig is van het zout; waar luchtspiegelingen de reizigers misleiden en waar her en der het gebeente van mens en dier in de zon ligt te bleken. Uit dit woeste gebied waren de nomadenstammen afkomstig die honderd jaar voordien onder Djengis Khan het grootste gedeelte van Azië overstroomden en zelfs oprukten tot aan de poorten van Boedapest.

Koeblai Khan, de kleinzoon van Djengis Khan, was geen vandaal; hij was een verlicht man, een heerser die beschaving bracht. Toen hij vernam hoe langzaam de Polo’s vorderden, zond hij hun een gewapend geleide om het laatste deel van hun tocht wat lichter te maken. Een groots onthaal wachtte de Polo’s toen ze na een reis van bijna vier jaar eindelijk verschenen voor de Khan voor wie heel Azië beefde. Een vrij tengere gestalte, schreef Marco later, met “grote, mooie, zwarte ogen, een welgevormde, goed inge­plante neus en een blanke huid die vaak door een blos wordt gekleurd”. De Khan had hem strak aangekeken. “En wie,” zo vroeg hij de oudste Polo, “is deze jonge ridder?” Trots stelde Niccolo Polo de jongeman aan hem voor. “Mijn zoon, sire, en uw dienaar.”

Van meet af aan had de Khan een zwak voor de jonge Polo. Hij nam hem mee op jacht — met behulp van valken en gezeten op de rug van een olifant — en toonde hem zijn lustslot in Xanadoe. Drie jaar lang was Marco gouverneur van de rijke stad Sangui (Nanking); in opdracht van de Khan reisde hij naar Birma, naar het onherbergzame westen van China, waar de grens met Tibet loopt en naar India. Inmiddels had hij vier talen leren spreken. De levendige verslagen die hij over zijn dienstreizen uitbracht, tintelend van de duizend kleine trekjes waarmee hij ze dank zij zijn wonderbaarlijke geheugen kon opfleuren, waren steeds weer een verademing voor de Khan, die gewend was aan de saaie rapporten van zijn ambtenaren.

Marco zag en beschreef een indrukwekkende beschaving: het hechte en vredelievende China van de middeleeuwen. Hoe ver dit land in sommige opzichten Europa vooruit was, blijkt uit de dingen die Marco Polo opsomt omdat ze hem nieuw en bewonde­renswaardig voorkwamen: brede straten, bankbiljetten, politie-surveillance na zonsondergang, huurrijtuigen die met onze taxi’s zijn te vergelijken, bruggen die zo hoog waren dat zeil­schepen eronderdoor konden varen, riolering onder de straten om het regenwater en het huisvuil af te voeren, verfraaiing van de wegen door plantsoenen aan weerskanten en hoofdwegen over viaducten.

Marco Polo diende de Khan zeventien jaar; zijn vader en zijn oom werden intussen welgestelde kooplieden. Maar ten slotte beving hen een sterk heimwee — een verlangen naar de zilte geur van de Adriatische Zee, naar de glinsterende koepels van de San Marco, naar de doordringende roep van de gondeliers en de zoete klank van het Italiaans. Keer op keer vroegen ze toestemming om te vertrekken, maar telkens werd hun die geweigerd. Plotseling kwam hun kans. Koeblai Khan ontving een delegatie van zijn achterneef, de heerser over Perzië, wiens gemalin juist was gestorven. Het was haar laatste wens geweest dat hij slechts zou hertrouwen met een van haar familieleden die aan het hof van China woonden. De keus viel op een meisje van zeventien jaar — “bijzonder knap en innemend,” aldus Marco Polo, de kenner. De afgezanten vroegen of de Polo’s, vermaarde en ervaren reizigers, hen op de terugweg naar Perzië mochten vergezellen. Met tegen­zin stemde de Khan toe.

De aanstaande bruid kreeg een huwelijksgift mee en de Polo’s ontvingen een fortuin aan goud. Dertien schepen werden uitgerust. Zo begon een reis vol tegenspoed; een reis waarop verscheidene schepen verloren gingen en tal van zeelieden om het leven kwa­men. Drie jaar later, op een winterdag in 1295, verschenen er drie zonderlinge mannen, gehuld in vuile, versleten kleren, bij het huis van de Polo’s aan de San Grisostomo in Venetië. Niemand herkende hen. Ze spraken moeizaam Italiaans en de bedienden weigerden hun de toegang. Hierop maakte het drietal zo’n mis­baar dat er familieleden van de mannen uit het huis te voorschijn kwamen. Maar zelfs die schudden het hoofd, niet wetend wat ze ervan moesten denken.

Om heel Venetië te overtuigen, richtten de Polo’s een banket aan. Bij iedere gang verschenen ze in een ander gewaad, het ene telkens nog prachtiger en kostbaarder dan het andere. Tot besluit hulden ze zich in de lompen die ze bij hun aankomst hadden ge­dragen. Voor de verbaasde blikken van hun gasten scheurden ze de voering los en daar tuimelde een fortuin aan kostbare edelstenen te voorschijn — zo hadden deze reizende kooplieden hun rijk­dommen door alle rampen en gevaren meegedragen.

Heel het wonderbaarlijke relaas van hun avonturen zou mis­schien met Marco Polo het graf zijn ingegaan als de grillige fortuin van de oorlog niet had meegewerkt. Marco Polo was als “edelman-bevelhebber” in dienst van dc stad Venetië en voerde het bevel over een galjoen tijdens een van de vele gewapende con­flicten met de Genuezen. Hij werd gevangengenomen, en het toeval wilde dat hij zijn cel moest delen met een klerk, bedreven in de schrijfkunst. Om de tijd te korten en zijn herinneringen te staven, dicteerde Marco hem het boekwerk dat ons als De reizen van Marco Polo lief is geworden. Zo kon het verbaasde Europa kennis maken met de beierende tempelklokken van het Oosten en de geur opsnuiven van de kampvuren der Mongolen die met distels en buffelmest worden gestookt. Ze reisden mee naar Japan, Korea, Indo-China, Birma, Java, de Andamanen, Siberië, Ethiopië en Madagascar. Voor velen was het boek één grote ver­zameling “marcopolo-latijn” en voordat de onversaagde reiziger als zeventigjarige stierf, werd hem gevraagd zijn leugens te her­roepen, nu hij weldra voor zijn Schepper zou moeten verschijnen. Zijn antwoord was: “Ik heb nog niet de helft verteld.” Marco Polo heeft nooit bevroed dat de wereld rond is, maar bijna 200 jaar later bracht zijn vermelding van een grote oceaan die Azië in het oosten bespoelde, Christoforus Columbus op de gedachte dat men China wel eens zou kunnen bereiken door de Atlantische Oceaan in westelijke richting over te steken. Een exemplaar van Marco Polo’s reisverhalen begeleidde de ontdekker van Amerika op zijn historische tocht. Nog heden ten dage is De reizen van Marco Polo als een hand die naar het Oosten wenkt. Het valt niet te ontkennen dat er een gordijn is neergelaten tussen onze wereld en het China dat Marco Polo zo lief was. Maar zijn avontuur — een bewijs van de goede wil die in de harten der mensen leeft — geeft ons hoop dat China en het Westen eens weer in vrede zullen samenleven en als ware vrienden elkander de blijken van hun gevoelens niet zullen onthouden.

alle biografieën

709-646

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Voltaire

.

DE VONK DER REDE
.

‘Met geen uwer woorden ben ik het eens, maar uw rechgt van meningsuiting zal ik tot aan mijn dood verdedigen.’

Ve­len schrijven deze beroemde zin aan Voltaire toe. Ze vloeide evenwel uit de pen van één zijner biografen die zo op vol­maakte wijze Voltaires leven van strijd voor vrijheid van denken samenvatte. Hij was in een tijdperk van kwezelarij de eerste ver­lichte denker, en hij veranderde het in het Tijdperk van de Rede. 

Men heeft Voltaire wel een cynicus genoemd omdat hij zich het recht voorbehield te twijfelen aan hetgeen hij niet kon ge­loven. Voltaire is ook wel een atheïst genoemd. Hij gaf hiervan uitleg aan zijn Schepper, niet aan degenen die hem beschuldigden:

O verborgen God die spreekt uit Zijne werken
Hoor mijn laatste woorden nu:
Zo ik dwaalde, ik dwaalde zoekend naar Uw Wet,
Doch mijn dwalend hart was immer vol van U.

Dit zijn woorden uit een berouwvol, nederig hart. Nimmer be­streed Voltaire het eenvoudige geloof, wel echter bespotte hij de bijgelovige goedgelovigheid, die onterende vervalsing van het geloof.

Het kind dat als man het pseudoniem “Voltaire” zou voeren, werd op 21 november 1694 te Parijs geboren en Francois-Maric Arouet gedoopt. Op zevenjarige leeftijd verloor hij zijn moeder. Hij had een zwakke gezondheid en was erg klein voor zijn leef­tijd. Deze vurige kabouter had een schelmse lach en een onna­tuurlijke liefde voor de wetenschap. Op zeventienjarige leeftijd gaf hij het voornemen te kennen, letterkundige te worden. Papa Arouet, een maatschappelijk streber, die bovendien benauwend vroom was, vond dat een onfatsoenlijk beroep en dwong de jongen te gaan werken op een advocatenkantoor, waar hij glorieus mis­lukte. Hij werd daarna in diplomatieke dienst naar Nederland gezonden, alwaar hij prompt probeerde een meisje van arme ouders te schaken, en met schande overladen naar huis terugge­zonden werd. En nog steeds wilde hij schrijver worden.
“Schrijver zijn betekent honger lijden,” riep papa Arouet uit, en hij pro­beerde het lot een handje te helpen door hem te onterven. Binnen tien jaar was de jonge “monsieur Voltaire” een beroemd man.

Zijn succes was ook een beetje te danken aan de omstandigheid dat de censors bijna al zijn boeken verboden en na twee opvoerin­gen meestal ook zijn toneelstukken. Het gevolg was, dat de voor­aanstaande Parijzenaars de premières van zijn stukken in drom­men bijwoonden en de bijtende volzinnen in het geheugen prent­ten; zijn boeken deden de ronde alsof het de vlugschriften van de een of andere ondergrondse organisatie waren, en ook in het bui­tenland werden ze gretig gelezen. De officiële beschuldiging, die luidde dat Voltaire de openbare zeden bedierf, sloeg niet op de burgerlijke fatsoensnormen; het betekende wat het tegenwoordig in Rusland zou kunnen betekenen — dat kritiek op de regering de hoogste graad van “immoraliteit” was. De toneelstukken en fantastische romans speelden weliswaar gewoonlijk in exotische en vreemde landen, maar iedereen begreep de politieke dubbel­zinnigheden en schudde van het lachen. Nu is vrolijkheid een vlam die regeringen niet kunnen doven. Voltaire werd derhalve veroordeeld tot bijna een jaar gevangenisstraf in de Bastille.

Aan hem begaan onrecht kon Voltaire wel verdragen, maar niet het onrecht dat anderen werd aangedaan. Toen de beroemdste toneelspeelster van Frankrijk, Adrienne Lecouvreur, een vreselijke doodsstrijd streed, hoorde Voltaire die aan haar sponde zat, de priester van haar verlangen dat ze haar kunst als een zondig kijkspel zou verloochenen. Adrienne Lecouvreur weigerde fier. De priester verliet haar zonder geestelijke bijstand te hebben gegeven, en ze werd door de politie in een naamloos graf begraven. Vanaf die dag koesterde Voltaire haat — niet tegen het christen­dom, zoals wel wordt beweerd, maar tegen onchristelijkewreed­heden. “De man die mij zegt: ‘Geloof als ik, of God zal u ver­doemen,” vermaande hij, “zal al gauw zeggen: ‘Geloof als ik of ik zal u doden.”

Het duurde niet lang of Voltaire werd ten tweede male in de Bastille geworpen. Onder de belofte dat hij Frankrijk zou verlaten, werd hij vrijgelaten, waarop hij scheep ging naar Engeland. In Londen werd hij getroffen door de liefde — in plaats van de vrees — die men voor de koning koesterde. Hij kwam ook diep onder de indruk van de begrafenis van Isaac Newton in de Abdij van West­minster — in Frankrijk zou men zo’n onbelangrijk man als een geleerde niet hebben geridderd, laat staan met zoveel pracht begraven. Hij verbaasde zich over de macht en de onafhankelijk­heid van het parlement en bovenal over de rechtspleging in Engeland.

Voltaire heeft in zijn leven slechts één Amerikaan gekend, Benjamin Franklin, en die bewonderde hij zeer; maar hoeveel meer zou hij zich verwant hebben gevoeld met Jefferson die later schrijven zou dat “alle mensen gelijk geschapen zijn,” en dat ze “het onvervreemdbare recht hebben op vrijheid, leven en het nastreven van geluk!” Want dat waren gedachten waaraan Vol­taire lang voordat Thomas Jefferson werd geboren uitdrukking had gegeven.

In 1729 kreeg de toen 35-jarige Voltaire toestemming om naar Frankrijk terug te keren. Hij maakte handig gebruik van een ver­gissing die de regering bij het uitgeven van loterijbriefjes had be­gaan en wist een syndicaat op te richten dat alle briefjes opkocht. Hij schepte openlijk genoegen in zijn aldus verworven rijkdom. Hij hield van comfort, mooie kleren en fraaie rijtuigen. Hij was zich echter scherp bewust van het lijden om hem heen dat hij niet, zoals de genotzieke rijken en de op weelde gestelde geestelijkheid, gemakshalve toeschreef aan “Gods wil”. Hij had fouten in over­vloed. Hij was zelfzuchtig en twistziek; hij placht zich met om­standige leugens uit moeilijkheden te draaien, en als hij in we­zenlijk gevaar kwam te verkeren, koos hij het hazenpad. Niettemin bezat hij een van de belangrijkste zedelijke waarden: hij zag de mens als een vrij individu dat verantwoordelijk was voor zijn eigen daden, met zijn geweten als rechter.

Hij verafschuwde wreedheid en onverdraagzaamheid en be­streed ze op een geestige manier die voortkwam uit zijn gevoel voor rechtvaardigheid, door “woede te veranderen in een lach en vuur in licht.”

“Het is mijn vak,” zei hij, “om te zeggen wat ik meen.” En wat hij dacht vulde 99 boekdelen met toneelstukken, gedichten, romans en artikelen. Hij schreef ongeveer 8000 brieven aan be­roemde mensen. Catharina de Grote van Rusland schreef te hopen dat haar antwoordbrieven niet zo veelvuldig waren dat ze hem verveelden. Christiaan VII van Denemarken maakte zijn verontschuldigingen voor het feit dat hij niet alle hervormingen tegelijk doorvoerde. Gustaaf III van Zweden schreef dat hij poog­de te leven naar de door Voltaire gestelde maatstaven van men­selijkheid, en Frederik de Grote, toentertijd kroonprins van Prui­sen, kwam incognito om aan de voeten van de meester te zitten.

Degenen met wie Voltaire briefwisseling onderhield hadden moeite om zijn adresveranderingen bij te houden, want hij werd vaak gedwongen, onder te duiken. Herhaaldelijk lieten de censors zijn boeken in het openbaar verbranden, en geheel Europa kon bij het licht van die vlammen zien wat Voltaire dacht van hoge militairen, wondergenezingen, de goddelijke rechten van konin­gen, en het Heilige Officie van de inquisitie. Met één zin kon hij iemand vernietigen: kardinaal Mazarin, zo schreef hij, was schul­dig aan “alle goede daden die hij niet had begaan”.
In 1749 aan­vaardde Voltaire een veel vroeger gedane uitnodiging van Frede­rik de Grote om het nieuwe en boerse Pruisische hof te Potsdam met zijn aanwezigheid op te luisteren. Al gauw werd Voltaire, die zich ergerde aan het militarisme van de Pruisische Junkers, en die zich amuseerde om hetgeen het hof zich aanmatigde, Frederik een doorn in het oog, die hem gestadig meer last be­zorgde. Hij joeg Voltaire van het hof weg. Door wraakgierige invloed van Frederik, vond Voltaire daarop vrijwel elke grens voor hem gesloten.

In 1755 vond de bejaarde filosoof in de kleine, vrije Republiek van Genève een toevlucht. Drie jaar later kocht hij grond in Ferney, een kilometer of zes buiten Genève, op Frans grondgebied. Vrijwel een ieder die in Europa iets betekende, kwam hem daar opzoeken. Daar amuseerde Voltaire, het broodmagere lichaam gehuld in een prachtige geelsatijnen mantel, en de bekende schelmse lach op het gerimpelde gelaat, zijn gasten met de meest onderhoudende tafelgesprekken in Europa. Men kwam voor drie dagen en bleef drie maanden. “God behoede me voor mijn vrien­den!” verzuchtte hij. “Ikzelf bescherm me wel tegen mijn vijan­den.”

Ontelbare slachtoffers van godsdienstige en politieke vervol­gingen stelden zich onder zijn bescherming. Hij liet huizen voor hen bouwen en hielp de vaklieden onder hen, hun eigen zaak te beginnen — timmerlieden, schoenlappers, melkveehouders, we­vers en pottenbakkers. Het duurde niet lang of hij had een heel dorp op zijn landgoed, en hij bouwde er een kerk en een school voor de dorpskinderen. Men zou mogen hebben verwachten dat hij zijn laatste jaren in rust en vrede zou slijten, maar zijn bitterste strijd en zijn belangrijkste werk wachtten hem nog. In het jaar 1762 — een jaar waarin godsdienstfanatici nog immer de jaardag van de kettermoorden herdachten — vond men in een winkel in Toulouse een jongeman dood in een strop. Het gerucht wilde dat hij een protestant was die zich tot het katholicisme had willen bekeren, en dat zijn vader, Jean Calas, een zwak en zachtmoedig man, zijn grote, potige zoon had opgehangen. Galas werd na afgrijselijke martelingen terechtgesteld zonder dat hij een beken­tenis had afgelegd. Naarmate Voltaire zich meer in deze zaak ver­diepte, werd hem de erbarmelijke toestand van het strafrecht zoals dat in bijna geheel Europa — behalve in Engeland — ge­pleegd werd, steeds duidelijker. Er was geen jury geweest; men had de aangeklaagde geen rechtsbijstand verleend; de getuigen a charge legden in het geheim hun verklaringen af, en de rechters gedroegen zich als openbare aanklagers. Erger nog, Voltaire kwam erachter dat het merendeel der strafwetten zelfs niet op schrift stond, maar in de hoofden van de juristen werd bewaard en werd “uitgelegd” zoals dat voor het bewerkstelligen van een veroordeling het beste uitkwam.

Voltaire bestreed deze misstanden met inzet van al zijn invloed en zijn gehele vermogen. Drie jaar lang, zo zei hij, kon hij zich in feite geen lachje veroorloven. Hij wijdde doorwaakte nachten aan het bestormen van advocaten, geestelijken, koningen en de ganse Europese pers met de eis dat de zaak Calas werd heropend. Op het laatst moest de koning zelve voor de aandrang van het publiek zwichten, en de hele zaak opnieuw in beschouwing ne­men. De dode werd onschuldig verklaard. Deze zaak zette een hervorming van de sinds 800 jaar door de regeringen verwaarloos­de strafwetten aan het rollen.

De zaak Calas was nog niet gewonnen, of de slachtoffers van gelijksoortige onrechtvaardigheden klopten bij Voltaire aan. Niets wekte zijn woede meer op dan de macht van de geestelijkheid om leken die de godsdienstige wetten hadden overtreden te beschul­digen, te martelen en terecht te stellen. Hij eiste dat de geestelijk­heid zich van het bedrijven van politiek en het plegen van recht zou onthouden, en zich om de verwaarloosde zielszorg zou be­kommeren. Hiermee stelde Voltaire zich bloot aan een stortvloed van scheldtaal, maar stapje voor stapje wist hij het verschil tussen wetsovertreding en zondigen duidelijk te maken.

Deze stekelige oude man aanbad zijn vaderland en was bezeten van een onbedwingbaar verlangen, vóór zijn dood nog eenmaal zijn geliefde Parijs te aanschouwen. Op een februaridag in 1778 hield een Franse douanier een rijtuig aan om het op smokkelwaar te controleren. “Niets aan te geven,” klonk een vrolijke oude stem vanuit het rijtuig. “Ik ben de enige contrabande.” De douanier wierp het portier open. “Mon Dieu” riep hij uit, “het is monsieur Voltaire!” Miljoenen mensen kenden zijn rimpelige oude glim­lach.

Parijs haalde hem uitgelaten binnen. De Académie Française die hem tot zijn benoeming tot lid in 1746 jarenlang had afgewe­zen, opende haar armen. Op de trappen van de Comédie Française verzamelden zich alle acteurs om de toneelschrijver te begroeten. Zijn nieuwe toneelstuk kreeg een denderend applaus waaraan geen einde wilde komen. De feestelijkheden werden de oude man in mei echter te veel, en hij stierf op 83-jarige leeftijd. Hij liet ons in zijn laatste wil zijn gehele geloofsbelijdenis na.

“Ik sterf,” liet hij zijn secretaris opschrijven, “in aanbidding van God, in liefde voor mijn vrienden en in afschuw van bijgeloof.”

De geestelijkheid weigerde hem te begraven, en zijn lijk zou het lot van dat van Adrienne Lecouvreur hebben gedeeld, als zijn vrienden zijn lichaam niet tussen zich in hadden genomen, de wachtposten niet in de waan hadden gebracht dat Voltaire nog leefde, en het lijk niet haastig buiten de stad een behoorlijke begrafenis hadden gegeven.

Ten slotte echter begreep het Franse volk, dat worstelde met zijn tirannen, de man die had uitgeroepen: “Ontwaak, volk! Slaak uwe ketenen!”

In 1791, toen de Revolutie in volle gang was, werd het lichaam van Voltaire naar Parijs teruggebracht, waar het triomfantelijk een nacht lang te midden der puinhopen van de Bastille lag opgebaard. Een kwartmiljoen mensen verdrong zich langs de erewachten om zijn stoffelijk overschot eer te be­wijzen, alvorens het werd overgebracht naar het Panthéon, waar Frankrijks grote mannen begraven liggen. En terwijl de stoet voorwaarts ging, wapperde er een banier in de wind, met de woorden:

“Hij gaf de menselijke geest vleugels. Hij bereidde ons voor op de vrijheid.”

 

alle biografieën

702-641

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Peter de Grote

.

DE “ECHTE” TSAAR
.

De huidige* machthebbers in Rusland koesteren een buiten­sporige bewondering voor tsaar Peter de Grote. Zij noemen hem “de echte”. Ze stellen hem bijna op één lijn met Lenin. De redenen zijn duidelijk. Peter maakte Rusland, dat door West-Europa veracht en als minderwaardig beschouwd werd, tot een krachtige militaire mogendheid. Hij versloeg het Westen door Rusland een westerse beschaving op te dringen — en hij deed het alleen, dwars tegen alle gezapige traagheid en heftige tegenstand in.

De tsaren vóór Peter hadden zwakke pogingen gedaan om van West-Europa te leren. Er waren wat beroepssoldaten en technici binnengehaald. Maar zij werden afgezonderd in een kleine voor­stad van Moskou en mochten slechts weinig contact hebben met de Russen. Peter bracht een groot deel van zijn jongelingsjaren door in deze buitenlandse voorstad. Een Zwitserse avonturier, François Lefort, en een Schot, Patrick Gordon, behoorden tot zijn beste vrienden. Wat zij hem over het Westen vertelden wekte bij hem een intense nieuwsgierigheid — hij wilde meer weten.
Toen hij zelf de regering in handen kreeg stelde hij zich als eerste doel “vensters op de wereld” te krijgen. Er waren twee mogelijkheden: de Oostzee en de Zwarte Zee. De Oostzeekust was in handen van Zweden, de grote staat in het Noorden, met veel invloed in alle Europese aangelegenheden; de Zwarte Zee behoorde aan de Turken toe.
De tsaar was al jarenlang zeer geïnteresseerd in de scheepsbouw en de scheepvaart, en ten einde de Turken te kunnen aanvallen besloot hij een vloot te bouwen, de eerste in Ruslands geschiedenis. Onmiddellijk werden er horden werklieden zonder veel omslag de wouden langs de Don ingestuurd om het benodigde hout te hakken, en scheepsbouwers werkten dag en nacht. Peter werkte zelf mee, hij was de ijverigste scheepsbouwer van allemaal. Er werden tien­tallen kleine oorlogsschepen gebouwd.

Peter viel nu de Turkse havenstad Azof over land en over zee aan. Hij voerde het bevel over de vloot vanaf een galei dat hij zelf gebouwd had. Hij wist Azof een tijdlang te bezetten maar het avontuur bracht de zwakheid van Rusland aan het licht: de troepen waren slecht geoefend; de verbindingen waren abomi­nabel; er stond geen doeltreffende industriële productie achter het leger. Peter besloot een nieuw Rusland te maken naar het model van het Westen; hij zou naar West-Europa gaan om de militaire en industriële technieken daar te leren.

De delegatie die in maart 1697 uit Moskou vertrok was een vreemd uitziend gezelschap. De hooggeplaatste afgezanten, aan­gevoerd door Lefort, droegen schitterende oosterse gewaden en zoveel juwelen als ze maar konden plaatsen. Iedere afgezant had een gevolg van dienaren, en voorts clowns, dwergen en hans­worsten, alles bij elkaar zo’n 270 mensen. Een van de leiders, die zich Peter Mikhailow noemde, was eenvoudig gekleed en droeg geen juwelen. De tsaar had besloten incognito te gaan.

Om de scheepsbouw te leren ging Peter naar de kleine Neder­landse havenstad Zaandam. Hier leefde hij als een gewoon werk­man, hij sliep in een huisje waar hij zijn eigen potje kookte, en stond bij het aanbreken van de dag op om te gaan werken bij de werven. Tijdens bezoeken aan andere delen van Nederland steeds met een notitieboekje in de hand — inspecteerde hij hout­zaagmolens, korenmolens en allerlei fabrieken, waarbij hij voort­durend vragen stelde. En overal waar hij kwam nam hij technici en handwerkslieden aan — en stuurde ze ook naar Rusland met de belofte van een goed loon.

Zijn weetgierigheid strekte zich ook uit naar de geneeskunde en de chirurgie. In Amsterdam zag hij toevallig eens een tandarts aan het werk. In Rusland kende men geen tandartsen. Peter nam de man mee naar zijn kamers, leerde hoe hij zijn gereedschappen moest gebruiken, en kocht ze van hem. Dagen achtereen oefende hij op de leden van zijn gevolg, waarbij hij zonder onderscheid gezonde en rotte kiezen trok.

De delegatie reisde verder naar Engeland. Een waarnemer heeft beschreven hoe de Russen door de straten van Londen liepen en “kwistig parels en ongedierte verspreidden.” In Deptford hervatte Peter zijn studie van de scheepsbouw.

Toen hij naar het vasteland van Europa terugkeerde, begon Peter zijn studie te beperken tot zaken van praktische aard — vervoermiddelen, mijnbouw, fabricagemethoden, militaire op­leiding. Hij had weinig belangstelling voor cultuur. Ondertussen had hij van een barbaarse methode gehoord om misdadigers te executeren — radbraken. Hij vroeg het eens te mogen zien. Toen men hem zei dat er geen misdadiger beschikbaar was die zo’n straf verdiende, werd hij ongeduldig. “Waarom maakt u zich zo druk om een mensenleven?” vroeg hij. “Neem maar een van mijn bedienden.”

De tsaar was nu gereed om een geheel nieuw Rusland te maken. Hij probeerde het uiterlijk van zijn volk te verwestersen door hun oude klederdrachten en hun baarden en snorren te verbieden; op een avond joeg hij de voornaamste edellieden de schrik op het lijf door hen te grijpen en zelf hun baard af te knippen. Hij probeerde zelfs de tafelmanieren te veranderen. Hij liet boeken over etiquette rondgaan waarin de Russen verteld werd dat ze geen botten meer mochten afkluiven als ze aan tafel zaten en niet op de vloer mochten spuwen en dat ze binnenshuis geen hoed moesten dragen.

Hij begon een nieuw economisch systeem in te voeren: een productievere industrie en verbeterde landbouw. Rusland werd afgezocht naar kolen- en ijzerertslagen. Het vervoer werd sterk verbeterd door de aanleg van verbindingskanalen. Nieuwe soorten vee werden ingevoerd en de schapenteelt werd bevorderd.

Het doel van de hervormingen was militaire macht — een modern beroepsleger op westerse wijze geoefend en gebaseerd op een stelsel van algemene dienstplicht. Geen enkele van Peters hervormingen had de bedoeling het lot van zijn volk te verbeteren. Dat gold voor alle standen. De oude adel werd beroofd van zijn onafhankelijkheid. Ze werd verdrongen door grote aantallen nieuwe edelen die door Peter in de adelstand waren verheven. De kerk die vroeger een grote onafhankelijkheid had, werd volledig onder het gezag van de tsaar gebracht. Zelfs de nieuwe industriëlen wonnen er niet veel bij. De winsten werden afgeroomd door nieuwe en vernuftige belastingmethoden. Het ergst van alles was het lot van het volk. Voordat Peter aan de regering kwam waren sommige kleine boeren lijfeigenen, anderen waren betrekkelijk vrije
land­eigenaren. Peter maakte er allemaal lijfeigenen van, aan wie het op gevaar van strenge straffen verboden was bij hun eigenaar weg te lopen. Ze werden gebracht waar ze het meest nodig waren. Men kwam aan arbeidskrachten voor de nieuwe fabrieken door een verplichte arbeidsdienst voor lijfeigenen.

Vele jaren lang, terwijl Peter zijn strijdmacht opbouwde, werd Karel van Zweden elders in Europa beziggehouden. Vandaar dat Peter naar de Oostzee begon op te dringen. Ten slotte kreeg hij vaste voet aan de kust, waar de Newa uitmondt. Nu kon Peter het plan ten uitvoer brengen dat hij al zo lang gekoesterd had. Voor hem was Moskou, de hoofdstad van het oude Rusland, een sta-in-de-weg voor het nieuwe. Hij wilde een nieuwe, moderne hoofdstad bouwen, een zeehaven met het gezicht naar het Westen in plaats van het Oosten.

Hij bouwde Sint Petersburg, dat tegenwoordig Leningrad heet. Het was een ongelooflijke prestatie. Voordat de funderingen konden worden gelegd, moesten er honderdduizenden palen geslagen worden in de moerassen langs de oevers van de Newa. Er was weinig gereedschap beschikbaar, maar er waren
arbeids­krachten in overvloed. Peters lijfeigenen groeven in de modder met stokken en hun blote handen. Ze werden opgejaagd met de zweep — door de snikhete zomer en de bitterkoude winter. Soms hanteerde Peter zelf de knoet. Volgens de verhalen zijn er bij de bouw van de stad 200 000 mensen omgekomen.

Eindelijk kwam de krachtmeting met Karel en Zweden. De laatste veldtocht tijdens de barre winter van 1708 lijkt op die waarin later Napoleon en Hitler verslagen werden in Rusland. Peters leger trok terug voor Karel, en ontweek de strijd. De Russen verwoestten het land tijdens hun terugtocht. De Zweden stierven van honger en koude; tegen het voorjaar was er nog maar een schaduw van het leger over. In de slag bij Poltawa verpletterde Peter hen volkomen. Bij de Vrede van Nystadt in 1721 kreeg hij de Oostzeekust van Finland tot aan de rivier de Njemen in het tegen­woordige Polen vast in handen.

In zijn laatste jaren leefde Peter aan de grens van krankzinnig­heid, misschien overschreed hij die grens wel. Vroeger had hij wreedheden bedreven met een bepaald doel; nu deed hij het om de wreedheid zelf. Hij liet vrouwen en priesters afranselen, martelen en ombrengen — zonder enige reden. Hij wantrouwde iedereen. Er ging een golf van haat tegen hem over Rusland en er werden vele aanslagen op zijn leven gepleegd.

Peter stier fin 1725 op 52-jarige leeftijd. Op eigen kracht had hij Rusland tot een nieuwe natie gemaakt, sterk in de oorlog, een machtige agressor. Hij had zichzelf absoluut dictator gemaakt.

Maar het valt te betwijfelen of zijn leven iets had bijgedragen tot het geluk van enig levend mens op aarde.
*geschreven rond 1960

697-637

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Washington

.

GRONDLEGGER VAN EEN NATIE

Het tweede Continentale Congres, dat na de veldslagen bij Lexington en Concord in 1775 te Philadelphia bijeenkwam, koos vrijwel zonder aarzeling de man, die het Amerikaanse leger zou aanvoeren in de strijd tegen de Engelsen. Met zijn drieënveertig jaar was George Washington een blonde, breedgeschouderde en voor zijn tijd zeer lange man — 1 meter 80 bij een gewicht van 90 kilo — met de gespierde dijen van een ruiter, doordringende blauwe ogen en de persoonlijkheid van een leider. Als Virginiër was hij politiek aanvaardbaar. Hij had te­voren al troepen aangevoerd en bovendien bezat hij het voorko­men van een generaal. Gezeten op een wit ros, in een rood en blauw uniform, maakte hij een indruk, die maar weinigen konden vergeten. De afgevaardigden op het Congres waren ook onder de indruk van zijn kalm, gezond verstand, zijn vermogen om het juiste moment af te wachten en zijn besluitvaardigheid.
De afgevaardigden hadden er evenwel geen besef van hoe goed hun keus was geweest. Washington werd de Amerikaanse Revolu­tie. Zijn machtige wil, zijn onuitputtelijk geduld waren dikwijls de enige factoren, die de revolutie nog overeind hielden. Hij maakte zich geen illusies over de zwakheden van zijn land, maar hij bleef altijd intuïtief beseffen hoe sterk het was. Zijn doorzicht maakte het mogelijk met stalen zenuwen de zwaarste militaire risico’s te nemen wanneer hij met de rug tegen de muur stond. In al zijn strengheid kende George Washington zichzelf bovendien heel goed, al had hij zijn kleine zwakheden en ijdelheden. Hij liet zijden kousen en schoenen met zilveren gespen uit Engeland komen en wanneer zich de gelegenheid maar voordeed liet hij zijn bruine haardos verzorgen en poederen. Heel zijn leven leed hij aan slechte tanden (hij had verschrikkelijke kiespijn tijdens de belegering van Yorktown). Hij was dol op dansen. Hij ging vissen, schoot eenden en ging met de meute op de vossenjacht, steeds met dezelfde roekeloze bekwaamheid. Hij kon slecht tegen zonnebrand en in zijn latere jaren schaamde hij er zich niet voor zijn landerijen te inspecteren met een grote parasol op zijn zadel gebonden.

Al kwam hij voort uit de heersende klasse, hij was toch aardser, praktischer, eerzuchtiger en uit harder hout gesneden dan uit de latere geschiedschrijving zou blijken. Zoals zovele Virginiërs uit het patriciërsmilieu in het begin van de achttiende eeuw, was zijn familie rijker in land dan in geld. George had maar voor korte lijd, te hooi en te gras, een eigenlijke schoolopleiding gehad. Hij kreeg een paar jaar les in lezen, schrijven en aardrijkskunde. Daarna studeerde hij wiskunde. Toen hij zestien was, verliet hij het ouderlijk huis om hulpopzichter te worden op de woeste gronden aan de westelijke grens, die het eigendom waren van een rijke Engelsman, Lord Fairfax. Hij brandde van verlangen zelf land en rijkdom te bezitten en bovenal om eer te behalen in de ogen van zijn medevirginiërs. Op 21-jarige leeftijd vertrok hij, als gevolg van zijn eigen enthousiasme en dank zij de goedgun­stigheid van Robert Dinwiddie, koninklijk gouverneur van de kolonie, op een militaire missie, die ten doel had de Fransen te waarschuwen dat zij hun handen van de kroondomeinen in het Ohiodal moesten afhouden.

De op pelzen beluste Fransen weigerden in te binden en zo werd Washington de man op wie Virginia al zijn hoop vestigde. Zijn moed werd op een zware proef gesteld toen een expeditieleger onder generaal Edward Braddock vrijwel werd gedecimeerd in de bossen bij de rivier Monongahela. Washington, zwak en wankelend onder een “hevige ziekte”, reed twaalf uur aan één stuk naar het slagveld, waarbij twee paarden onder hem werden neergeschoten en hij vier kogels door zijn kleren voelde suizen. Maar geen ogenblik weifelde hij. Hij was er zeker van dat de Goddelijke Voorzienigheid hem zou beschermen.

Hij kreeg het bevel over alle troepen in Virginia en werd ver­antwoordelijk gesteld voor de veiligheid van alle verspreid wo­nende kolonisten aan de staatsgrenzen. Het was een harde leerschool: de moeilijkheden Amerikanen te rekruteren voor de mili­taire dienst, de harde noodzaak de tucht te handhaven (eenmaal liet hij twee deserteurs ophangen als afschrikwekkend voorbeeld voor zijn manschappen), en de jaloezie en intriges die aan de openbare dienst eigen zijn. Ten slotte kreeg hij een geschil met het Britse leger over zijn rang en rechten als officier.
Hij werd ge­kozen in het Huis van Afgevaardigden van Virginia en gaf vol ontgoocheling zijn militaire loopbaan op om voortaan het leven van een landedelman te gaan leiden. Maar 16 jaren later, toen de koorts van de opstand alle koloniën aangreep, schreef hij: “De vredige vlakten van Amerika zullen óf wel in bloed gedrenkt wor­den óf bewoond door slaven. Mag een oprecht man aarzelen bij die keus?”

Men moet het de Britse generaals vergeven, dat zij de opstand beschouwden als de roekeloze onderneming van een paar heet­hoofdige kolonels. Die kolonels waren slechts losjes met elkaar ver­bonden en berucht om hun onderlinge rivaliteit. Zij hadden slechts een kleine industrie achter zich, geen militaire traditie, bijna geen voorraden, geen vloot, geen bondgenoten en, naar Europese maatstaven gemeten, geen leger dat die naam waardig was. Tegenover zich vonden zij een grote militaire mogendheid, die beschikte over rijkdom en een geoefend leger, ondersteund door de grootste vloot van de wereld, wilde Indianen en zwermen Amerikaanse loyalisten.

Bij Bunker Hill hadden de schutters van Nieuw Engeland al zo iets als een wonder verricht. Zij hadden bewezen dat kolonialen een Britse charge konden weerstaan en dat de Britten voor hen onderdeden in trefzekerheid en in de kunst van het vechten vanuit een hinderlaag. Maar bij het beleg van Boston werd Washington er zich van bewust welk een verschrikkelijke verantwoordelijkheid hij op zich had genomen. Vijftienduizend Amerikanen, in een wijde kring om Boston gelegerd, moesten gevoed worden en tucht leren, terwijl hun de grondbeginselen van militaire zaken moest worden bijgebracht. Er waren maar weinig manschappen in uni­form en weinigen hadden voldoende kruit. De mannen hadden een lawaaiige dronk, haalden omheiningen van boerderijen omver voor brandhout en maakten ruzie met hun officieren. En daarbij kwam nog een veel schrikwekkender verschijnsel: Washingtons leger begon te verlopen. Men nam slechts voor een paar maanden dienst bij de militie. Als die tijd voorbij was, keerden de mannen naar huis terug en probeerden daarbij hun musket mee te nemen.
Hij ontkwam aan de noodzaak zijn logge, ongeoefende en steeds kleiner wordende legermacht bij een bestorming van de stad in te zetten, doordat geduldige soldaten met een aantal zware kanonnen helemaal van Fort Ticonderoga, aan het Champlainmeer, over de sneeuw kwamen aanzeulen. Toen die op Dorchester Heights wer­den opgesteld, voeren de Britten weg. Maar de volgende zomer al begon voor Washington het gezwoeg opnieuw, in het zuiden van New York. Zijn leger, op Long Island verslagen, wist onder dek­king van de mist over de East River naar Manhattan te ontkomen. Het moest zich al vechtend terugtrekken op White Plains, dan over de rivier de Hudson en dwars door New Jersey, en vervolgens over de rivier de Delaware Pennsylvania in. In het hartje van de winter waren er nog maar 2400 in lompen gehulde, ondervoede manschappen van het continentale leger over. Op 20 december 1776 schreef Washington aan het Congres: “Nog tien zulke dagen en wij hebben geen leger meer. . .”

Toen waagde hij een gok. Vijf dagen later, op kerstavond, leidde hij zijn troepen over de met ijsschotsen bedekte Delaware. Nat, half bevroren, onder striemende hagelbuien, marcheerde het leger over een afstand van negen mijl naar Trenton, waar men het Hessische garnizoen bij verrassing overviel. Na nauwelijks twee uur vechten hadden de Amerikanen gewonnen, zonder één man te verliezen. Slechts één week later deden zij bij Princeton weer een vermetele inval in New Jersey. Bij het verzamelen van zijn troepen reed Washington tot op dertig passen van het vijandelijke musketvuur zonder een schram op te lopen. Het land had een schok gekregen en de Revolutie was gered.

Volgens dat patroon verliep de oorlog — maanden van ont­moediging, nederlagen en rampen — en dan, wanneer alles ver­loren leek, een gewaagde aanval, waardoor men weer even aan de overwinning geloofde. Het was een grootscheepse oorlog, waarvan het toneel zich uitstrekte van Georgia tot Quebec en van New York tot aan de Mississippi. Ten slotte kwamen er zowel de vloot van Engeland als die van Frankrijk aan te pas. Men kwam slechts langzaam vooruit. Dikwijls gingen er maanden voorbij zonder een treffen van enige betekenis. Men bleef ook beleefd tegenover el­kaar. Krijgsgevangenen werden uitgewisseld, men eerbiedigde de witte vlag als er een bestand was overeengekomen en de
bevel­hebbers aan weerszijden wisselden correcte boodschappen met elkaar. Washington zond de hond van generaal Sir William Howe terug, toen die door de Amerikanen bij Germantown was buit­gemaakt.

Toch werd er dikwijls bitter gevochten, zelfs volgens moderne maatstaven. Eenheden van Amerikaanse vrijwilligers werden vrij­wel tot de laatste man gedood of gewond bij het doorbreken van de Britse stellingen bij Stony Point aan de Hudson. Toen hun vuursteengeweren door de regen onbruikbaar geworden waren, gingen Amerikanen en Britten elkaar bij Oriskany, in de Newyorkse
wil­dernis, te lijf met messen, musketkolven en strijdbijlen. Cowpens, Krandywine, Germantown — overal vloeide er veel bloed. En de last, die Washington te torsen kreeg, werd steeds zwaarder. Woe­dende leden van het Congres beschuldigden hem ervan te trachten het land een militaire tirannie op te leggen, die nog erger was dan die van de Britten. Het duurde anderhalfjaar voor hij verlof kreeg een leger op de been te brengen, waarvan de soldaten verplicht waren voor de duur van de oorlog in dienst te blijven. Er was altijd te weinig geld.

Washington had begrip voor de vrees van het Congres, res­pecteerde de wens het toezicht in civiele handen te houden en won het pleit ten slotte door zijn eerlijkheid — en zijn verbeten hoop op de overwinning. Hij onderschatte zijn leger niet. Al mochten er dan soldaten deserteren, zij keerden dikwijls terug om opnieuw te vechten. Zij mochten dan wel eens in elkaar storten in het aangezicht van de Britse bajonetten, maar dan hergroepeerden zij zich wel weer en vochten de volgende dag. Onder behoorlijke leiding doorstonden zij ongelooflijke ontberingen, dikwijls zonder soldij te ontvangen, zonder behoorlijke kleding en onvoldoende gevoed. In de herfst van 1777 was bij Saratoga het keerpunt van de oorlog gekomen, toen het Britse plan om de vallei van de Hud­son in te nemen mislukte. Generaal John Burgoyne kwam met 11000 Britten en Hessen vanuit Canada naar het zuiden afzakken, vrijwel zonder tegenstand te ontmoeten. Maar een Amerikaanse legermacht onder generaal Horatio Gates sneed Burgoyne de pas af op een stuk hooggelegen grond aan de westelijke oever van de Hudson. Opgesloten tussen een horde snel naderbij komende militiemannen en de wildernis in het noorden, gaf Burgoyne zich over.

Dat was een grote overwinning, die voor Frankrijk aanleiding was geld, manschappen en schepen te zenden, terwijl men er de actieve sympathie van Spanje en Holland voor de Amerikaanse zaak mee won. Maar men zou nog vier jaar moeten vechten. De Amerikanen kregen Valley Forge te verwerken, konden voor noch achteruit in het noorden en zagen het zuiden bijna verloren gaan door de veldtochten van Cornwallis in de beide Carolina’s.

Toen trok Cornwallis met zijn leger, dat het zwaar te verduren had gehad van de nimmer aflatende Amerikanen, Virginia bin­nen en sloeg in Yorktown zijn hoofdkwartier op. Washington was in Nieuw Engeland, waar hij een aanval op New York overwoog. De Fransen hadden 5000 man aan land gezet om hem te steunen en een grote Franse vloot maakte zich zeilklaar in West-Indië. Vrijwel van de ene dag op de andere besloot hij nu in plaats van tegen New York tegen Cornwallis op te trekken. De Franse oor­logsbodems zetten eveneens koers naar Virginia. Na vijf weken snel marcheren sloeg Washington het beleg voor Yorktown, met 16 000 Franse en andere Europese soldaten.

Cornwallis had zich op een smal schiereiland tussen de rivieren York en James verschanst, hetgeen voor een Britse bevelhebber, die op de vloot vertrouwde, een normale manoeuvre was. Maar de Franse vloot van De Grasse beheerste de Chesapeake Baai. Op­gesloten en dag en nacht blootgesteld aan de mokerslagen van de artillerie, zag Cornwallis, een uitstekend soldaat, geen uitweg meer. Op 19 oktober 1781 marcheerden zijn 7000 manschappen de stad uit, waarbij de fanfare een mars speelde met de toepasse­lijke titel “De wereld ondersteboven”, en gooiden hun wapens op een hoop. De oorlog was nu praktisch voorbij. De opstandelingen hadden gewonnen.

Toen hij op het punt stond het leger te verlaten, schreef Washington: “Daar ik voor mijzelf geen beloning vraag, zal ik voldaan zijn indien ik het geluk mag hebben de goedkeuring van mijn landgenoten weg te dragen. Op hen blijft de taak rusten mijn wensen geheel te vervullen door een zodanig politiek stelsel op te bouwen, dat de toekomstige reputatie, de rust, het geluk en de glorie van dit uitgebreide rijk verzekerd zullen zijn.” Uit deze passage komt de hele mens naar voren — zijn nederigheid, zijn trots, zijn eergevoel en zijn visie op “dit uitgebreide rijk”.

De natie was echter nog niet geboren en het “politiek stelsel” nog niet opgebouwd. Alle moed en alle oorlogsleed zouden nog kunnen verzanden in een verwarde vrede zonder politiek of systeem. Voor hij zich op Mount Vernon terugtrok, schreef Washington aan zijn vrienden dat “er iets gedaan moet worden, anders stort het hele gebouw nog in elkaar….. ”

Hij sprak niet voor dovemans oren. Zijn invloed was van be­slissende betekenis voor hen, die de Constitutionele Vergadering in 1787 bijeenriepen, waarvan hij voorzitter was. Met de bril­jante geesten, de politieke geleerden en de grote stilisten, die op die vergadering aanwezig waren, kon Washington zich niet meten. Dat probeerde hij ook niet. Hij sprak weinig, nam zelden een initiatief en kon geen enkel onderdeel van de Grondwet het zijne noemen. Maar het hele document is even goed van hem als van ieder ander. Het is immers doordrenkt van zijn praktische zin, zijn koene visie en zijn conservatisme.

Voor de eerste president der Verenigde Staten was er slechts één keus. Het ambt was minder nauwkeurig omlijnd dan de rechterlijke en wetgevende machten en het had in een marionettenpresidentschap kunnen ontaarden. Door het op zich te nemen gaf Washington er een definitie aan. Hij gaf het de waardigheid die in zijn eigen karakter lag.

Tijdens zijn ambtsperiode van acht jaar weigerde hij iemand de hand te schudden — zulk een familiariteit kwam volgens hem niet overeen met het presidentschap — en maakte in plaats daar­van altijd een buiging. Hij droeg kostbare fluwelen kostuums, verplaatste zich in een rijtuig met zesspan en beschouwde zich als de gelijke van om het even welke vorst op aarde. Maar hij zag zichzelf altijd als de “Zeer gehoorzame, nederige dienaar” van het volk der Verenigde Staten, waarop hij jarenlang het stempel van zijn karakter heeft gedrukt. Na het einde van zijn tweede ambtstermijn heeft hij maar twee jaar meer geleefd. In zijn laatste ogenblikken zei hij: “Ik sterf moeilijk.”

En zo is het ook geweest.

alle biografieën

Vertelstofalle artikelen
.

693-633

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Darwin

.

DE EVOLUTIE VAN CHARLES DARWIN
.

Toen Zijner Britse Majesteits brik Beagle in 1831 zee koos voor een karteringsexpeditie om de aarde, kon niemand dromen dat dit de belangrijkste tocht sinds de dagen van Columbus zou worden. Al evenmin had de jeugdige Darwin, die de reis als natuuronderzoeker meemaakte, er het flauwste ver­moeden van dat hij daarmee op weg was een nieuwe wereld van kennis te ontdekken. De toen nog slechts 22-jarige, kersvers van Cambridge gekomen Charles Darwin, was een bescheiden, ge­voelige, vriendelijke jongeman, die de gehele tocht bijna door­lopend te kampen had met zeeziekte. Maar onaangetast bleef de gretige weetgierigheid van zijn scherpe geest, die de hebbelijkheid bezat voor alles een verklaring te bedenken. Hij kon eenvoudig een feit niet klakkeloos als feit aanvaarden. Hij moest en hij zou achter het hoe en waarom komen.

Hij begon dan ook terstond als een nieuwsgierige hond rond te snuffelen zodra hij voet aan wal had gezet op de onbewoonde Galapagos Eilanden, honderden kilometers uit de kust van Zuid-Amerika in de Grote Oceaan gelegen, op een der eenzaamste plekken van de streek der windstilten. Hier vond hij een levend museum uit een lang vervlogen geologisch tijdperk; reuzenhage­dissen, die al lang uitgestorven hadden moeten zijn, leefden er naast kolossale landschildpadden, en enorme, exotisch gekleurde krabben kropen rond tussen blaffende zeeleeuwen. Zo volslagen onbekend was het verschijnsel mens voor de dieren in deze Hof van Eden, dat een havik rustig op zijn boomtak bleef zitten toen iemand met een stok op hem afkwam, en de wilde duiven argeloos op de schouders van de mannen neerstreken.

Maar de merkwaardigste ontdekking die Darwin op deze afge­legen archipel deed, was dat ieder afzonderlijk eiland, dat toch hetzelfde klimaat en dezelfde bodem had als de andere, zijn eigen specifieke fauna bezat. Daar waren bijvoorbeeld de zwermen vinken, kennelijk alle met elkaar en met de vinkenfamilies op het Zuid-Amerikaanse vasteland verwant; toch kon hij geen twee eilanden ontdekken waarop precies dezelfde soort voorkwam. Wat voor de vinken gold, constateerde Darwin, gold ook voor de duiven, de hagedissen, de schildpadden, de insecten, de slakken. Maar waarom zou moeder natuur de  moeite hebben genomen om, ogenschijnlijk zonder enige reden, afzonderlijke soorten van nauw verwante levensvormen te creëren op vlak bij elkaar gelegen eilanden? Dat leek onlogisch. Maar in die dagen in twijfel te trek­ken dat de ettelijke miljoenen levende wezens, planten zowel als dieren, de aarde hadden bevolkt van de eerste dag der Schepping af – dat betekende het gezag trotseren, niet slechts van Genesis, maar ook van toonaangevende mannen van wetenschap.

Darwins dagboek vermeldt het eerste gloren van het licht dat hem begon op te gaan. “Men zou zich kunnen voorstellen,” schreef hij, “dat één soort veranderingen had ondergaan voor verschillende doeleinden. Op deze kleine, kale, rotsachtige eilanden schijnen wij dichter te worden gebracht bij de oplossing van het grootste aller raadselen, de eerste verschijning op aarde van nieuwe levende wezens.”

Vijf jaar kruiste de Beagle rond — naar Tahiti, Nieuw-Zeeland, Tasmanië, Australië, Ascension, de Kaap Verdische Eilanden, de Azoren. En overal stelde het eilandleven Darwin voor dezelfde verwarrende vraag en gaf het hem hetzelfde ongelooflijke ant­woord in.

Terug in Engeland, dat hij verder nooit meer zou verlaten, bleek Darwin zich daar, zo jong als hij was, reeds een bescheiden naam te hebben gemaakt — vanwege zijn boeiende brieven en prachtige verzamelingen. Enige jaren later vestigde hij de aan­dacht op zich met zijn boek over het ontstaan van ringvormige koraaleilanden (atollen) en met zijn studies op het gebied van de mariene biologie. Maar slechts aan heel enkele vrienden vertrouw­de hij het geheim toe van zijn theorie. Ze stond opgetekend in een notitieboekje dat hij altijd bij zich droeg en waarin hij met on­eindig geduld alle gegevens vastlegde die op zijn idee betrekking schenen te hebben. Hij ging zijn licht opsteken bij kwekers en fokkers, wier aantekeningen hij grondig doornam en vergeleek.

Hij kocht duiven — alle soorten die hij kon bemachtigen — ging ze fokken, bestudeerde ze en paste er sectie op toe. Ofschoon onze tamme duiven allemaal afstammen van de gewone Europese Rotsduif, bleek het Darwin dat kroppers, pauwstaarten, Engelse postduiven en tuimelaars als gevolg van de eeuwenlang door duivenhouders toegepaste selectie zozeer van elkaar zijn gaan ver­schillen, dat een zoöloog ze tot verschillende families zou rekenen als hij een dergelijke verscheidenheid in het wild zou aantreffen. Hetzelfde verschijnsel merkte Darwin op bij honden en verschil­lende soorten tarwe. Evolutie moest derhalve niet slechts hebben plaatsgehad op geïsoleerde eilanden, eeuwigheden geleden; ze leek zich vlak onder zijn ogen nog altijd te voltrekken.

Twintig jaar was Darwin bezig met het geduldig uitwerken van zijn theorie, volstrekt onverschillig voor mogelijke roem en nauwe­lijks denkend aan publicatie. Een vriend vertrouwde hij ten langen leste toe: “Eindelijk begint het mij te dagen, en ik ben er nu vrijwel van overtuigd (in tegenstelling tot wat ik aanvankelijk dacht) dat de soorten niet onveranderlijk zijn (het is mij te moede of ik een moord beken).” Maar een moord zal in de regel uitkomen, en op een ochtend vond hij op de ontbijttafel een brief, die bij opening een theorie bleek te ontvouwen, zo frappant overeenkomend met de zijne, dat men zou kunnen menen dat de aan het andere einde van de wereld vertoevende auteur ervan heimelijk een blik moest hebben geslagen in de 231 bladzijden van Darwins eigen onge­publiceerde manuscript. Op een reis in de Indische Archipel was Alfred Russel Wallace, een bekend dierenverzamelaar, ziek ge­worden en had, met de vreemde helderheid die koorts soms kan teweegbrengen, in een flitsend moment van intuïtie gezien hoe de natuur de wereld heeft verrijkt.

“Er is,” schreef Wallace, “in tegenstelling tot wat men vroeger dacht, geen grens aan de variabiliteit van een soort. Het leven van dieren in de vrije natuur is een strijd om het bestaan. De talrijk­heid of het zeldzaam worden van een soort wordt bepaald door de meer of minder perfecte wijze waarop ze zich weet aan te passen aan de omstandigheden waaronder ze moet leven. Nuttig blijkende variatievormen zullen in aantal toenemen, onbruikbare of schadelijke variaties zullen een achteruitgang gaan vertonen. Superieure variëteiten zullen ten slotte de oorspronkelijke soort uitroeien. Er is in de natuur een tendentie tot een stapje voor stapje voortschrijdende vooruitgang.”

“Strijd om het bestaan”, “aanpassing aan de omstandigheden”, “een stapje voor stapje voortschrijdende vooruitgang” — het waren Darwins eigen woorden! Darwin was opgetogen over deze bevestiging van zijn ontdekking, maar tegelijkertijd ook danig overstuur door het pijnlijke ethische probleem waarvoor hij werd gesteld. Hoe kon hij nu zijn eigen bevindingen publiceren zonder de indruk te wekken de ideeën van de zich in het Verre Oosten bevindende natuurvorser te hebben gestolen en te handelen in strijd met het wetenschappelijk fatsoen? Er werd een gelukkige oplossing gevonden — beide mannen kwamen overeen aan hun nieuwe theorie van evolutie door natuurlijke selectie gezamenlijk bekendheid te geven op de eerstvolgende vergadering van het biologisch genootschap, de Linnaean Society. De stellingen, op die historische avond van 1858 aan het geleerde gezelschap voorge­legd, luidden als volgt:

Eerste feit: Levende wezens planten zich voort volgens een meet­kundige reeks (door vermenigvuldiging).

Tweede feit: Toch pleegt het aantal individuen van elke soort, op de lange duur beschouwd, min of meer constant te blijven.

Gevolgtrekking uit deze beide feiten: Concurrentie tussen individuen en tussen soorten houdt hun aantallen binnen zekere perken. Dit is de strijd om het bestaan.

Derde feit: Alle levende wezens geven duidelijke onderlinge verschillen te zien. Geen twee individuen zijn volmaakt gelijk en binnen dezelfde soort kunnen sommige opvallend van elkaar verschillen. Ofschoon niet al zulke variaties overerfelijk zijn, tonen fokproeven aan dat sommige dit wel zijn.

Gevolgtrekking uit deze feiten: Daar er een strijd om het bestaan wordt gevoerd en niet alle individuen precies gelijk zijn, zullen bepaalde gunstige variaties, die een kleine voorsprong geven aan de individuen die ze hebben ontwikkeld, zich handhaven. Minder gunstige variaties zullen worden geëlimineerd. Dit is de natuurlijke selectie.

Conclusie: Doorgevoerd van generatie op generatie zal de natuurlijke selectie op den duur zoveel kleine verschillen kunnen teweegbrengen, dat ze gezamenlijk tot een groot verschil worden. En dit is evolutie.

Na sluiting van de vergadering steeg uit de leden van de Lin­naean Society een beleefd geroezemoes van stemmen op. Als Wallace en Darwin het bij het rechte eind hadden, dan zou het levenswerk van menig ouder man reeds zijn verouderd. Aan de andere kant — uit de tot dan zo mysterieuze fossielen van uitgestorven dieren en planten zou het beeld oprijzen van een ononder­broken schepping, nog grootser dan dat, opgeroepen door de letterlijke Bijbeltekst. Het volgende jaar deed Darwin Het ont­staan der soorten het licht zien. De eerste druk was reeds op de dag van verschijning uitverkocht. Het ontketende een storm van hefti­ge disputen in woord en geschrift. De man was gek! De man was een genie! De man haalde de anarchie in de wetenschap binnen!

Onder de ruimdenkende elementen in de kerken had het reeds lang gegist onder de loodzware druk van een onwrikbaar leerge­zag. Na de publicatie van Het ontstaan der soorten vloog het deksel van de hermetisch gesloten kookketel en kwamen de opgekropte gevoelens naar buiten. Felle discussies ontbrandden. Als gij de onfeilbare waarheid van het Evangelie niet meer letterlijk aan­vaardt, riepen de Victoriaanse fundamentalisten vertoornd uit, dan zet ge de sluizen wijd open voor het ongeloof en zullen alle morele maatstaven worden weggespoeld. Klets! antwoordden de opgetogen vrijzinnigen. Hier wordt ons een nieuwe vrijheid ge­boden ons te buigen voor de waarheid Gods zoals die staat
ge­grift in de gesteenten der aarde!

Dit was het klimaat waarin bisschop Samuel Wilberforce de uitdaging aanvaardde tot een debat in Oxford met Darwins felle jonge “schildknaap”, de bioloog Thomas Huxley. De grote zaal was stampvol. Dames wuifden met hun zakdoekjes de knappe bisschop Wilberforce “met de fluwelen tong” toe. Vele geestelij­ken waren opgekomen, stoere verdedigers van de publieke moraal. Mannen van wetenschap gaven acte de présence om te zien hoe “Zalvende Sam”, zoals zij de bisschop noemden, zou worden ge­vloerd.

Met het beetje wetenschappelijke kennis, dat Wilberforce inder­haast was bijgebracht, zou hij twintig jaar eerder misschien nog niet eens zo’n slecht figuur hebben geslagen. Maar hij wilde zich blijkbaar niet alleen op die kennis verlaten; hij trachtte ook de lachers op zijn hand te krijgen. Zich tot Huxley wendend met wat de genadeslag moest zijn, vroeg hij: “Is mijn geachte opponent van grootvaders of van grootmoeders zijde geparenteerd aan een aap?”

Opspringend zei de jonge Huxley op scherpe toon: “Ik zou liever langs beide ouders afstammen van een aap dan van een man die zijn schitterende talenten om godsdienstige vooroordelen op te roepen gebruikt in discussies over onderwerpen waarvan hij niets afweet.” Kreten van woede bij de geestelijken, hoerageroep bij de Oxford-studenten. De zege was aan Huxley —- en aan Darwin.

Intussen leefde Darwin teruggetrokken op zijn landgoed in Kent. Hij zou net zo lief zijn gestorven, zei hij, als te hebben moeten deelnemen aan het debat in Oxford. Darwin had ge­gronde reden om de afzondering van een rustig huiselijk leven te verkiezen. Hij tobde met een wankele gezondheid, en de minste opwinding kon hem ziek maken. Rust en vrede waren nood­zakelijk voor zijn werk. En werk kwam er bij stromen uit zijn studeerkamer en laboratorium, ieder jaar opnieuw. De afstamming van de mens, dat de stamboom van het menselijke dier naploos, gaf aanleiding tot nieuwe uitbarstingen van gramschap bij de kerkelijken. Daardoor niet van zijn stuk gebracht, schreef Darwin Het uitdrukken der gemoedsaandoeningen bij de mens en de dieren, waarin wordt aangetoond dat onze dierbaarste menselijke trekjes reeds zijn terug te vinden in het gedrag van het redeloze dier. Juist als zijn criticasters dan in angst en beven zaten te wachten op weer zo’n “lasterlijke aanval” op de goddelijke afkomst van de mens, overrompelde hij hen met een onschuldige verhandeling over de bevruchting bij orchideeën of over de wijze waarop bij primula’s zelfbestuiving wordt voorkomen.

Tevergeefs werd Darwins leven nagesnuffeld naar de morele defecten, die naar de vaste overtuiging van zijn vijanden aan­sprakelijk moesten zijn voor zijn vrijdenkerij. Alles wat er voor hen viel te ontdekken was een vriendelijke oude heer die zijn dagen sleet te midden van bloemen en kinderen — zijn twee grootste vreugden. Met geen woord had hij ooit God, of de men­selijke ziel, geloochend.

Onder de mannen der wetenschap was er nooit iemand meer geliefd dan hij. Wanneer hij in latere jaren op een wetenschappe­lijke bijeenkomst verscheen, plachten alle aanwezigen als één man op te staan om hem toe te juichen. Het was moeilijk te geloven dat rond deze stille man de verbitterdste filosofische strijd van de negentiende eeuw was ontbrand. Zelf had hij aan die strijd nauwe­lijks deelgenomen. Als een nijvere tuinman had hij zijn stukje grond omgespit en er het ene jaar na het andere grote klompen vruchtbare gedachten uit opgedolven, zich weinig aantrekkend van het ruziënd gekwetter der vogels die hem in de voren van zijn ordelijk werk volgden.

Aan wetenschappelijke kritiek placht Darwin echter aandachtig het oor te lenen, want hij was te allen tijde bereid de warmst aan­gehangen theorie te laten vallen voor een betere. En aan diep­gaande kritiek heeft het niet ontbroken. De tegenwerping werd gemaakt dat de natuurlijke selectie wel een vernietigende maar geen scheppende rol kan spelen en geen verklaring geeft van het ontstaan van de eerste variaties die de selectie in werking doen treden. Het belangrijke werk van Mendel over de erfelijkheid, dat deze vragen helpt beantwoorden, is eerst na Darwins dood ver­schenen. De erfelijkheidsleer moest in zijn tijd nog worden gebo­ren. En de mutatietheorie — inhoudend dat de evolutie zich voltrekt in plotselinge grote sprongen (“spelingen der natuur”) in plaats van stapje voor stapje — was nog niet door Hugo de Vries opgesteld. Maar deze latere ontdekkingen hebben Darwin niet in het ongelijk gesteld; integendeel, ze hebben zijn evolutiegedachte bevestigd en verder uitgewerkt. Want evolutie is allang geen theorie meer, maar een door vrijwel alle wetenschappelijke den­kers aanvaard feit.

Darwin was niet de eerste die de evolutie ontdekte, zomin als Columbus de eerste was die Amerika ontdekte, maar hij was de eerste die de feiten onweerlegbaar vaststelde. Zijn ontdekking heeft tot ver buiten het domein van de biologie haar nawerking gehad. Astronomen spreken nu over de evolutie der sterren; fysici constateren evolutie in alle stoffelijke dingen. De geschiede­nis wordt nu gezien in het licht der evolutie, en sociologen onder­kennen de evolutie in de maatschappij. Niets blijft onveranderlijk wat het eens was — zomin de zon als ’s mensen gedachten over God of de soevereiniteit van staten.

Het leven van Charles Darwin, begonnen op 12 februari 1809, eindigde kalm en zacht op 19 april 1882 — een leven zonder opvallende gebeurtenissen behalve het grote avontuur van zijn geest. Hij had begraven willen worden op zijn landgoed, maar de Britse natie eiste zijn stoffelijk overschot op. Zijn kist werd over­gebracht naar de Westminster Abdij — tot de slippendragers be­hoorden o.a. Huxley, Wallace en James Russell Lowell — en bij­gezet in een tombe naast die van Sir Isaac Newton. En daar rust, geëerd en in vrede, een van de edelste typen van homo sapiens die in de opmars der beschaving ooit zijn aangetreden.

alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

.

687-628

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de waarde van de biografie

.

Dr. Wolfgang Suchhardt, Die Menschenschule  22-11-1948
.

OVER DE VORMENDE WERKING VAN BIOGRAFIEËN
.

Zoals wellicht bekend was de dichter Christian Morgenstern bevriend met Friedrich Kayssler, de beroemde Berlijnse toneelspeler die na de eeuwwisseling (1800/1900) onder Max Reinhardt zijn loopbaan begon en ook door gedichten en essays op literair gebied op de voorgrond trad.

Morgenstern werd peetvader bij Kaysslers zoon, die in de voetsporen van zijn vader trad en een zeer gewaardeerd acteur werd, maar hij stierf vroeg, nog voor het midden van het leven. Hij werd vernoemd naar Morgenstern en zijn vader: Christian Friedrich. N.a.v. zijn geboorte schreef Morgenstern in 1899 een vierregelig gedicht, dat later in de ‘Epigrammen en spreuken’ opgenomen werd. Het had als titel: ‘Voor Christian Friedrich’ en gaat als volgt:

Woran sollen wir uns erziehen       waarmee moeten wij onszelf                                                                                opvoeden
An grossen Biographien                   met  grote biografieën
Plutarch unters Kopfkissen             Plutarchus onder het hoofdkussen
Wie wir es von Napoleon wissen!   Wat we van Napoleon weten!

De aansporing van Morgenstern is een oude en steeds weer een actuele pedagogische wijsheid. Rudolf Steiner [1] heeft er bij herhaling op gewezen dat biografieën van grote persoonlijkheden, levendig verteld, vanaf een bepaalde leeftijd, zo rond het 12e jaar, diepe, onuitwisbare sporen kunnen nalaten in de kinderziel. Je kunt de kinderen iets meegeven wat waar is en blijvend, wat dan a.h.w. latent aanwezig is onder de oppervlakte van het bewustzijn, wat het hele leven als een versterkend en krachtgevend geestesvoedsel  kan begeleiden. Wanneer er zich later bepaalde kritische of bedreigende situaties in het leven voordoen, dan kan een beeld onverwacht uit het duister van de herinnering opduiken, het kan er plotseling zijn, levend en fris.

Zo kan het gaan met een paar beelden van de daden van de groten uit de geschiedenis die je in een bepaalde, individuele situatie, bij een beslissing, bv. waarbij geen compromissen mogelijk zijn, geen andere wegen, voor je ziet. Deze als meteoren in de zielenhemel opstijgende beelden kunnen beslissende helpers zijn, zwijgende geestvrienden, wanneer de ziel voor de keuze staat of-of en nog niet weet of er een impasse dreigt en er geen uitweg meer is.

Steeds opnieuw, ook van de kant van de pedagogen die in de geest van Rudolf Steiner werken, is op de betekenis gewezen die het vertellen van verhalen en in het bijzonder van biografieën heeft.

Hier volgt een autobiografie. Werner von Siemens, de bekende natuurkundige en ontdekker uit de 19e eeuw heeft zijn levensherinneringen opgetekend. Voor pedagogen zijn die in velerlei opzicht verhelderend. Bovendien zijn er twee plaatsen die aan de psychologen het duidelijke bewijs leveren dat er niet te miskennen objectieve metamorfosewetten zijn, niet alleen in het organisch-plantaardige, maar ook op een hoger niveau, op het gebied van de ziel en de geest, wetten die Goethe al voorvoeld had en die Rudolf Steiner onvermoeibaar naar voren bracht en verklaarde.

Het eerste voorbeeld dat wij als bewijs voor deze samenhangen aanvoeren, is een jeugdervaring van de kleine Werner von Siemens, die als zodanig niets bijzonders of ongewoons voorstelt. Zeker talloze mensen hebben zo’n ervaring met een gans gehad, zoals Siemens hier schildert. De charme van deze beleving die hij voor de pedagoog heeft, is erin gelegen dat hij hier – wat zelden gebeurt – heel precies ervaart hoe zo’n gebeurtenis doorwerkt en vormt en tot een uitgesproken desem wordt voor de karaktervorming, dat de berichtgever hem zijn hele leven door, zoals hij steeds weer benadrukt, tot op hoge leeftijd  bij gebleven is.
Tegelijkertijd is dit kleine voorval de vroegste herinnering van de verteller, zodat hij zijn boek begint met deze aanschouwelijke schets:

‘Mijn eerste jeugdherinnering betreft een kleine heldendaad, die zich misschien daarom zo in mijn herinnering vastgezet heeft, omdat hij een blijvende invloed op mijn karakter uitgeoefend heeft. Mijn ouders woonden tot mijn 8e jaar in mijn geboorteplaats Lenthe bij Hannover, waar mijn vader het aan de Heer van Lente toebehorende landgoed ‘Obergut’ gepacht had. Ik moet ongeveer 5 jaar zijn geweest en ik was op een dag op mijn kamer aan het spelen toen mijn 3 jaar oudere zus Mathilde luid huilend door moeder naar haar kamer werd gebracht. Ze moest naar het parochiehuis, naar breiles, maar klaagde dat een gevaarlijke gans haar steeds maar de toegang tot de parochietuin versperde en haar al een paar keer gebeten had. Ze weigerde zeer beslist, ondanks moeder die op haar inpraatte, naar de les te gaan. Ook mijn vader slaagde er niet in haar van mening te laten veranderen; toen gaf hij mij een stok die aanzienlijk groter was dan ik zelf en zei: ‘Dan zal Werner je wel wegbrengen, die heeft hopelijk meer moed dan jij.’ Het leek mij eerst nog wel wat bedenkelijk, want vader gaf me voor onderweg de raad mee: ‘Als de gans komt, loop je hem dapper tegemoet en geef je hem er van langs met de stok, dan loopt hij wel weg!’ En zo gebeurde het ook. Toen we het tuinhek opendeden kwam de gans ons al met hoog opgerichte hals en een vreselijk gegak tegemoet. Mijn zusje keerde huilend om en ik had grote zin haar te volgen, maar ik vertrouwde op vaders raad en liep, wel met mijn ogen dicht, op het monster af en sloeg dapper met de stok om me heen. En kijk, de gans werd bang en liep luid gakkend naar de troep ganzen die er eveneens vandoor ging’.

Tot zover de belevenis van Werner von Siemens.

Als wij slechts dit hadden, beschikten we voor de pedagoog en de liefhebber van biografieën over een kostelijke anekdote. Maar er komen nog opmerkingen bij die voor de moderne psycholoog van onschatbare betekenis zijn. Want die bewijzen juist de geldigheid van de metamorfosewet voor het leven van de mens. Daarom leggen we op de vervolgzinnen van Werner von Siemens bijzonder de nadruk:

‘Het is merkwaardig wat voor een diepe, blijvende indruk deze eerste overwinning op mijn kinderlijk gemoed maakte. Nu nog, na bijna 70 jaar, staan alle personen en de omgeving die met deze belangrijke gebeurtenis verbonden waren, mij helder voor ogen. De enige herinnering aan hoe mijn ouders eruit zagen toen ze jong waren is er mee verbonden en zo vaak in latere moeilijke levensomstandigheden heeft de overwinning op de gans me ertoe aangezet dreigend gevaar niet uit de weg te gaan, maar het te overwinnen door het moedig onder ogen te zien.’

Het gaat om deze laatste zin. Daarop komt het in het bijzonder aan. Voor wie het geheel van een biografie bekijkt en erover spreekt, is het van vergaande strekking. Het bewijst duidelijk hoe bepaalde, morele gebeurtenissen in het eerste morgenrood van een mensenleven als desem verder werken en in het latere leven en het allerlaatste leven als vormende kracht groter worden. Deze alchemie van de fijnste lichtwerkingen van een hogere wereld in het troebele en donkere medium van de aardse omstandigheden verlangt een voorzichtige en tegelijkertijd eerbiedige beschouwing. Dat is de grote verheven les die een kijkje in een biografie en in het bijzonder in een autobiografie ons leert, een les die de leraar steeds weer aan de leerling overbrengt als het om de grote omvattende wetten van het wereldgebeuren gaat.

Nog een voorbeeld, niet minder indrukwekkend, is in de genoemde biografie te vinden.

Een jaar later, toen Werner von Siemens 11½ jaar oud was, stelde zijn vader voor de talrijke zonen een huisonderwijzer aan, een theologiekandidaat, Sponholz van naam, een nog jonge, maar hoogontwikkelde man, die over uitzonderlijke gaven moet hebben beschikt. Weliswaar stond hij bij zijn meerderen van het kerkelijk bestuur slecht aangeschreven, omdat hij niet ‘positief’ gezind genoeg was’, zoals Siemens het uitdrukt. Wij kunnen vermoeden dat het een innerlijk onafhankelijke, zelfstandige, geestelijk vrije persoonlijkheid was die zijn eigen diepgaande gedachten over de wereld en het bestaan had. Hij moet een zeer diep nadenkend mens zijn geweest, want in de loop van het verhaal komen we te weten, dat Sponholz sterk neigde naar hypochondrische stemmingen en hij moet het wel zwaar hebben gehad om met zichzelf en de wereld in het reine te komen. Maar ook al zag de burgerlijke maatschappij hem aan voor een mislukkeling, Werner von Siemens heeft in zijn levensherinnering toch een standbeeld voor hem opgericht wat bewijst hoe diep het beeld van deze anders volledig onbekende, anonieme figuur in de ziel van de jongen wortelde. Deze gecompliceerde, problematische natuur had wel het vermogen om voor de ‘halfwilde’ jongen een voortreffelijk leraar en opvoeder te zijn. Laten we naar de schets van von Siemens zelf luisteren

‘Hij wist al  in de eerste weken over ons, halfwilde jongens, een voor mij nu nog raadselachtig overwicht te krijgen. Hij heeft ons nooit bestraft, laat staan vermanend toegesproken; deed vaak met ons spel mee en verstond de kunst zo echt mee te spelen dat hij onze goede eigenschappen stimuleerde en de slechte weg hield. Zijn lessen waren erg prikkelend en stimulerend. Hij kreeg het steeds voor elkaar ons doelen voor ogen te laten stellen die we zouden kunnen halen en maakte onze daadkracht en onze ambitie sterker door het plezier over het bereiken van het gestelde doel, wat hij dan zelf oprecht met ons deelde. Zo lukte het hem in een paar weken uit verwilderde, luie jongens de ijverigste en vlijtigste leerlingen te maken die hij niet tot werk hoefde aan te sporen, maar voor overmoed moest behoeden. Het wekte in mij een gevoel van vreugde dat nooit meer weg is gegaan, aan zinvol werk en de ambitieuze drang iets te presteren. Een belangrijk middel dat hij daartoe gebruikte, waren zijn verhalen.’

Wij zien uitstekende eigenschappen als opvoeder, in deze persoonlijkheid zien we zijn mens vormende kracht aan de ene kant en een mislukt type, ongeschikt, aan de andere kant. Een ‘raadselachtig overwicht’ had hij over het hart van de jongens. Wij zouden zeggen, hij was niets anders dan een echte, vanzelfsprekende autoriteit, een persoonlijkheid met innerlijke zekerheid. Straf en berisping had hij niet nodig, want hij was de echte vriend, wanneer de vrije tijd lokte en het spel begon. Maar hij beschikte ook over methodiek in zijn onderwijs!

Hij was in staat de stof levendig te brengen, van veel kanten naar voren te brengen en de opgaven goed af te stemmen, niet te veel, maar ook niet te weinig te eisen. Daardoor plantte hij de eerste kiemen voor een levenslange vorming van het zo belangrijke plichtsgevoel. Ook al gaf hij de jongens maar een jaar les, Siemens benadrukt in het verdere verloop van zijn schets steeds weer: een overduidelijk plichtsbesef dank ik met name aan deze leraar.

Verder is er nog iets bijzonder origineels: hoe hij ’s avonds aan de knapen regelmatig verhalen vertelde. Je kunt vele verhalen vertellen: sprookjes, legenden, sagen, geschiedenisverhalen en biografieën van grote persoonlijkheden. Op hoe sterk de vormende waarde van de laatste is, is hierboven al gewezen.

Maar er bestaat nog een andere, niet minder belangrijk genre verhalen met een bepaalde werking, waarop Rudolf Steiner in het bijzonder heeft gewezen: de zelf bedachte, zelf gevonden, met eigen fantasie gezien, doortrokken met levenservaring! Hoor wat Siemens te zeggen heeft over deze herinneringen aan zijn geliefde leraar:

‘Wanneer ’s avonds onze ogen boven het werk toevielen, wenkte hij ons naar de oude leren sofa te komen waarop hij altijd zat en die naast de tafel stond waar wij aan werkten en terwijl wij ons tegen hem aanvlijden, schilderde hij ons beelden voor ogen van ons eigen toekomstige leven, enerzijds op de hoogtepunten van ons maatschappelijk leven die we door ijver en morele flinkheid hadden bereikt en dat ons in staat stelde ook de zorgen voor onze ouders – die namelijk in die moeilijke tijd voor iedere pachter zeer groot waren- te verlichten, anderzijds beelden die ons ook lieten teruggevallen in droevige levensomstandigheden, wanneer we onze ambities lieten varen en de verleiding tot het kwaad niet konden weerstaan.’

Wat Sponholz hier uit een fijn, rijp pedagogisch instinct doet, is die vorm van verhalen vertellen die we tegenwoordig in de geest van Rudolf Steiner als een nieuwe bouwsteen van moderne pedagogie moeten invoegen. Hier vinden we een wonderbaarlijk voorbeeld wat geniale figuren ook al veel vroeger vanuit een echt levensinstinct gedaan hebben. De verteller verzint een verhaal, laat zijn eigen scheppende fantasie zijn gang gaan – maar niet breidelloos, niet zomaar of subjectief, maar vanuit een diepere verantwoording aan de hogere machten van de geestelijke werkelijkheid, uit een echte wijze levenservaring. Een kind dat zulke zelf geweven beelden, als waren ze met het levensbloed van de verteller doortrokken, in zich opneemt, wordt tot in het diepst van zijn persoonlijke belevingswereld geraakt en gepakt. Wat op deze manier aan de jonge mens gegeven wordt, vormt zijn ziel tot in de diepste nuances, blijft een herinnering voor het verdere leven die op bepaalde ogenblikken weer in het bewustzijn komt* en aanwezig is. Op wat voor een fijnzinnige manier weet de jonge theoloog de morele kracht van de jongens, hun sociale plicht, aan te spreken! Hij schets hun hun eigen leven met hoogtepunten in hun bestaan, maar tegelijkertijd brengt hij de zorgen van de ouders in de beleving en roept zo hun verantwoordelijkheid op. Wanneer je je dit allemaal voor ogen stelt, moet je zeggen: deze onbekende jonge theoloog die door de maatschappij niet echt serieus wordt genomen, beschikt over een echt begenadigd pedagogisch talent, een gave die ook nu nog voor ons in menig opzicht een voorbeeldfunctie heeft.

Des te meer stof tot nadenken geeft het aan iedereen die voor de eerste keer deze autobiografie ter hand neemt, wanneer hij verder leest over het toekomstige lot van deze jonge opvoeder. Werner von Siemens zegt er in een paar zinnen over:

‘Helaas duurde dit gelukkigste deel van mijn jeugd  niet lang, niet eens een vol jaar. Sponholz had vaak last van diep melancholische aanvallen, die wellicht voor een deel te maken hadden met zijn mislukte beroep als theoloog en zijn levensloop en voor een deel veroorzaakt werd door dingen waar wij als kinderen nog niet voor open stonden. Tijdens een van die aanvallen verliet hij op een donkere winternacht met een jachtgeweer het huis en werd na lang zoeken op een afgelegen plek van het landgoed met een verbrijzelde schedel gevonden. Ons verdriet over het verlies van de geliefde vriend en leraar was grenzeloos. Mijn liefde en dankbaarheid is tot op de dag van vandaag bewaard gebleven.’

Wat een aangrijpend levenslot komt hier naar voren! We blikken in een diepe verbondenheid tussen een leerling en een leraar, tussen een kind en een zeker nog jonge persoonlijkheid wiens hoogtepunt van het leven nog lang niet bereikt was en dat nu zo plotseling en abrupt eindigt. Je kunt duidelijk ervaren dat er tussen leerling en leraar een diepe lotsverbondenheid bestaat. Juist in die levensfase van deze individuele ontvankelijkheid, van een sterker actief wordende persoonlijkheidskracht, valt het jaar waarin de jonge Werner deze bijzondere opvoeder als leraar krijgt. Wanneer Sponholz de opvoeding op zich neemt, is Werner 11½, wanneer hij door zelfmoord omkomt, een jaar ouder. Hoe diep moet een zo ingrijpende slag van het lot in het kindergemoed zijn binnengekomen, hoe niet te doven zo’n jeugdherinnering in de ziel gebrand.

Het beeld van deze bijzondere opvoeder wordt compleet wanneer je hoort hoe het met de opvoeding van de jongen en zijn broers verder ging. Siemens bericht daarover het volgende:

‘De opvolger van Sponholz was een oudere heer, die lang bij de adel de plaats van huisleraar ingenomen had. Hij was bijna in alles het tegendeel van zijn voorganger. Zijn opvoedingssysteem was heel formeel. Hij eiste allereerst dat wij gehoorzaam waren en ons netjes gedroegen. Jeugdige onstuimigheid stond hem tegen. De voorgeschreven uren moesten we opletten en ons werk doen; netjes met hem meelopen op de wandelingen en hem buiten schooltijd niet lastig vallen. De oude man was ziekelijk en stierf binnen twee jaar bij ons thuis aan longontsteking. Op ons was zijn invloed niet stimulerend en vormend; en zonder de invloed die Sponholz op ons had gehad, zouden de jaren voor mij en mijn broer Hans nutteloos verlopen zijn. Door Sponholz waren bij mij de wil om mijn plicht te doen en ijverig te leren vast verankerd en ik liet me niet in de war brengen en omgekeerd me niet door de leraar meeslepen.’

Wij zien aan deze schets wat een uitstekende leraar in een tijdsbestek van maar een jaar voor onuitwisbare invloed kan hebben op de kinderziel. Die kan zo diep ingrijpend, zo diep geworteld zijn dat ze alle schade en tekortkomingen van het onderwijs overleven en overstralen kan. Dat is een van de vele aspecten die we uit  deze tweede levensfase van Werner von Siemens kunnen leren kennen.

Wij wilden met deze voorbeelden laten zien, wat voor bron van lering, van aanzet, van waarneming van de meest subtiele levenswetten zo’n zelf beschreven levensweg kan zijn.
Daarbij hebben wij nog helemaal niet genoemd hoe leerzaam het hele leven van deze grote uitvinder met zijn reeks ontdekkingen voor pedagogen kan zijn. Het geschiedenisonderwijs van de 19. eeuw, de economische geschiedenis, de geschiedenis van de uitvindingen, van de techniek enz. kan het vertellen van zo’n biografie aanzienlijk rijker maken. Ook valt er te denken aan een natuurkundeleraar die mechanica geeft of een scheikundeleraar die deze stof eens tot zich neemt om te ervaren wat hij daarvan aan zijn leerlingen mee wil geven. Daar zal veel stimulans vanuit kunnen gaan.

Het was ons er vooral om te doen zo veel als mogelijk sprekend bewijs te leveren hoe de wet van de metamorfose in het leven van de mens werkt.

 

*Dat gebeurt; en kan ook gebeuren met bv. de inhoud van een fabel

[1] GA 294/112  
Vertaald/117

 

Alle biografieën

Rudolf Steiner: over vertellen

Vertelstof: alle artikelen

 

683-624

 

 

 

 

 

 

 

.