Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

De serie ‘de wereld is waar…'[Algemene menskunde [9-5was tot nog toe vooral op de 7e, 8e klas gericht.

Maar wat kun je doen in bv. klas 11 of 12.

Ik ga even terug naar de jaren 1970 toen ik in Den Haag op de vrijeschool begon.
Het was toen de gewoonte dat er in de paasvakantie met de 12e klas een studiereis naar Stuttgart werd gemaakt. Ik werd een aantal keren meegevraagd.
In een kleine week maakten de leerlingen (en ik!) kennis met antroposofische werkgebieden: we brachten een bezoek aan de Weleda- en Walafabrieken; bezochten een biologisch-dynamische boerderij; een heilpedagogisch instituut en er kwamen mensen over hun werk vertellen, waaronder, herinner ik me de artsen Walther Bühler en Leen Mees.

De achterliggende gedachte was te laten zien dat er mooi werk was te doen in het zgn. ‘alternatieve circuit’, zoals dat toen nog heette.

Door hoe de wereld nu is, komen we er steeds meer achter dat het alternatieve van toen, eigenlijk de normale norm zou moeten zijn. Dat zou op het gebied van de landbouw m.n. Nederland een totaal ander aanzien hebben gegeven: geen stikstofcrisis, niet het verdwijnen van biodiversiteit, achteruitgang van waterkwaliteit enz.

Het zal nog wel even duren – de meeste mensen volharden liever in het oude dan radicaal, nu de nood aan de mens is, anders te gaan denken – voordat de gangbare methodes als een slecht alternatief worden beschouwd.

Je hoeft nu met een 11e, 12e klas niet meer naar Duitsland. Nederland heeft prachtige voorbeelden van wat als gevolg van anders-denken is ontstaan: de landbouwschool Warmonderhof, de Weledafabriek in Zoetermeer, diverse zorgboerderijen, akkerbouwbedrijven enz.

Ik weet niet hoe de praktijk op de bovenbouwen is. Bezoeken de leerlingen deze initiatieven, horen zij over de idealen die de wereld ‘meer waar maken’.
Zijn er leraren die deze idealen in het hart dragen en ze vandaar uitstralen naar de bijna volwassen mens?
Verlaat deze de school met ook andere inzichten?….

Hoe kom je aan die idealen als je ‘via, via’ eens op de vrijeschool aan het werk bent gegaan en ook in die hogere klassen les moet geven (onder examendruk?)

In de reeks ‘De wereld is waar…’ vind je al veel waar je enthousiast over kan worden.

In dit (studie)artikel vind je voor de landbouw ideeën uitgewerkt waarvan we nu – tegen de achtergrond van de huidige crisis – kunnen zeggen dat ‘de waarheid’ wel dichterbij is gekomen. 

Ik beschik helaas over te weinig in formatie om voorbeelden te kunnen geven van hoe bovenbouwleraren, bv. zij die economie of maatschappijleer geven, hun idealen behorend bij ‘de wereld is waar..’ in de lessen en gesprekken met de leerlingen kunnen verwoorden. 

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3388-3186

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, deze bv. rangschikt ze onder ‘Spelen van dood en de andere wereld’
w.o.:

HIER IS ’T GROEN

De kinderen staan in een kring. Een of twee kinderen lopen binnen in de kring zoekend langs de anderen. Daarbij maken ze de gebaren die in de tekst van het liedje voorkomen.

Bij: Draai je eens om! blijven de twee staan voor het kind waar ze juist aan toe gekomen zijn, maken een gebaar van draaien met de hand, terwijl het stilstaande kind zich omdraait, en kijken geïnteresseerd of zij het is.

Bij: Nee, nee! maken ze een afwijzend gebaar en gaan verder.
Het volgende kind dat zich omdraait, blijkt het wél te zijn, en bij de regel: En boven op de bergen’ pakken zij elkaar kruiselings bij de handen en dansen samen rechtsom, terwijl de kinderen van de kring op de maat in de handen klappen.

Variatie: de paren gaan binnen in de kring dansen en de kringkinderen huppelen achter elkaar aan met handen klappen. Bij de herhaling dansen en huppelen de kinderen naar de andere kant, dus links om.

Hier is ’t groen, daar is ’t groen, onder mijne voeten,
’k heb verloren m’n beste vriend,
’k zal hem zoeken moeten!
Zoek ik hier, zoek ik daar,
onder jullie allen
is er zeker toch wel een,
die mij zal bevallen!
Draai je ’s om, want ik ken je niet,
ben je het wel of ben je ’t niet?
Nee, nee, je bent het niet!
Keer je maar om, want ik ken je niet!
Draai je eens om, want ik ken je niet,
ben je ’t wel, of ben je ’t niet?
Ja, ja! Ik zie het goed,
dat jij met me dansen moet!

Dit 2x:

En – boven op de bergen,
simperdesim sim sim,
dansen alle dwergen,
simperdesim sim sim! 

De muziek

Dit spelletje is ook, als Twentse boerendans, bekend met een andere tekst:

Wat is ’t nat! Wat is ’t nat! onder mijne voeten,
uitverkoren, uitverkoren, waar zal ik je zoeken?
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal.
Nee, nee, je bent het niet,
draai je maar om, want ik ken je niet!
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal!
draai je maar om, wan ik ken je wel!
draai je om, ik ken je wel!
Hier m’n lieve vrouwtje, ik geef de hand aan jou!
Je zal me niet verlaten, en daarom kies ik jou!

De eerste tekst, waaraan wij persoonlijk de voorkeur geven, lijkt meer op de overeenkomstige Duitse. (Hier ist grün!)

Verklaring

Voor Uyldert is degene die binnen de kring loopt een levende ziel die in het dodenrijk afdaalt om er de geliefde te zoeken die door de dood verloren is gegaan. Hij gaat over het groen der graver en hij waadt – wat is ’t nat! – door de rivier der vergetelheid, of hij steekt die over, gebruik makend van de haardunne brug Bifrost – waarbij hij zelf zijn doel bijna vergeet. Maar zijn verlangen drijft hem voort.
Hier citeert ze: 

Aegidius, waar bestu bleven?
Mi langt naar di, geselle mijn!

En ze noemt Orpheus die Euridyce zoekt onder de schimmen. Is zij al een schim of is zij in Vrouw Holle’s rijk slechts verdwaald? Schimmen zijn van achteren hol, en hij laat elk meisje zich omdraaien, om te zien of zij de echte is!

Of is de geliefde enkel onder de dwergen terecht gekomen? Dan bevindt zij zich in het etherische rijk; daar wordt de mensenwereld vergeten. Is hij haar daar gaan verlossen – waarop de dwergen vrolijk in de maneschijn meedansen?

In het tweede versje danst het paar in de groene wei van Vrouw Holle. Is het de gestalte van de verloren geliefde, waar men mee danst – of is het de gedaante van de eigen ziel, die in de droomtoestand van het bewustzijn na de dood wordt ontmoet?

Zie hier

En hier voor een andere uitleg.
.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3382-3180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Oudjaar – oliebollen

.
Martine Kamsma NRC 30-12-2023

.

oliebollen
.

De oliebol hoort in Nederland bij Oud en Nieuw zoals pepernoten bij Sinterklaas horen. Maar waarom? En is dat altijd zo geweest?

Eerst de afbakening van wat een oliebol of oliekoek nu eigenlijk is.
Karel Knip schreef in NRC al eens dat de oliekoek definitief een oliebol ging heten toen de frituurpan het eind negentiende eeuw overnam van de koekenpan. Culinair historicus Lizet Kruyff begint bij de oliekoek en spreekt van in olie of smout (reuzel of raapzaadolie) gebakken koeken, met een verspreidingsgebied van pakweg Texel tot aan de Marne in Frankrijk. Daar waar grofweg de Lage Landen ophielden, ligt ook de oliebollengrens, of smoutebol, zoals-ie in het Vlaams heet. „Dat zie je nog steeds, tot in Reims staan er oliebollenkramen op straat, daarna houdt het op”, weet Kruyff, die een huis aan de Marne heeft en daar een deel van het jaar woont.

De eerste Nederlandse benamingen voor oliekoek, komen uit de zestiende eeuw, valt op Wikipedia te lezen. De oliekoek uit de Vorstermanbijbel (1528) zou een vertaling zijn uit het Sefardisch, voor een gefrituurde krentenbol die volgens Wiki „een rituele functie” had. De Sefardische joden hadden die oliekoek met krenten tijdens de inquisitie meegenomen van het Iberisch schiereiland.

Dat betekent niet dat hier eerder geen oliekoeken werden gebakken. Waarschijnlijk waren het de Romeinen, zegt Kruyff, die een baksel meenamen naar de Lage Landen dat je als de moeder aller oliebollen kunt zien: de globi. Cato de Oude schreef in de tweede eeuw voor Christus over de deegbolletjes die als streetfood in kramen werden gefrituurd. Kruyff: „Als je in een stad als Rome woonde, kon je niet zomaar een vuurtje stoken, daarom kwamen er straatkraampjes.”
Beignets, churros, donuts en oliebollen zijn allemaal afstammelingen van die Romeinse globi.

In het Dordrechts Museum hangt een schilderij van Albert Cuyp uit 1652 van een vrouw met een aardewerken pot vol oliebollen. Dat straalt iets heel alledaags uit. In die tijd gingen er nog lekker veel specerijen in: kaneel, gember en ‘weynigh nagelen’, volgens het kookboek ‘De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster’. Maar ook dat was niks elitairs. Alle gerechten waren toen veel kruidiger.

Oliebollen waren al kermis-eten, als oud-en-nieuwsnack zijn ze een recenter fenomeen. Kruyff: „Halverwege de negentiende eeuw werd Kerstmis in Duitsland naast een kerkelijk ook een huiselijk feest. Trendsetters waren koningin Victoria en haar Duitse gemaal Albert.”
Nederlanders namen dat over, met alle zoetwaren van dien. „En zoals dat gaat, dan plak je Oud en Nieuw daaraan vast.

Als je om twaalf uur de straat op ging om nieuwjaarswensen uit te wisselen, vroeg je de buren binnen voor een oliebol.
Een ritueel om een voorspoedig nieuwjaar af te dwingen?
Zoals de Sefardische oliebol mogelijk ook een rituele functie had?

Zo ziet Kruyff het toch niet. „Als we iets niet begrijpen, noemen we het al snel een ritueel. Gezellige burgertruttigheid, daar hoort het bij. En zo’n vette hap dempt de alcohol meer dan fantastisch.”

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3370-3169

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (29-2)

.
Lucas Ellerbroek, National Geographic 01-2020
.

Wat was de Kerstster?
.

Van de meeste kerstsymbolen is de oorsprong duidelijk.
De dennenboom en de sneeuw horen bij het seizoen, de Kerstman is de Amerikaanse versie van Sint-Nicolaas. De ster was de ster van Bethlehem, die de geboorte van Jezus aankondigde.

Die ster was opgemerkt door de Wijzen uit het Oosten. Volgens het evangelie van Mattheus herkenden zij het verschijnsel als een aankondiging van de geboorte van de nieuwe Koning der Joden. Ze volgden de ster om hem eer te bewijzen: ‘En zie, de ster, die zij in het Oosten hadden gezien, ging voor hen uit, totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond, stil bleef staan.’

De ‘drie Wijzen’, Balthasar, Caspar en Melchior, waren waarschijnlijk sterrenkundigen. Of tenminste, wat er in die tijd voor doorging: astrologen. Het bepalen van de positie van lichtbronnen aan het firmament (astronomie) en deze uitleggen als oorzaak van aardse zaken (astrologie) was destijds al een populaire bezigheid. Nu sta ik op zijn zachtst gezegd sceptisch tegenover astrologie, maar ik ben wel benieuwd. Was de Kerstster een gebeurtenis in het heelal waarvan de oorsprong te herleiden valt? Er bestaan verschillende mogelijkheden. Eén ding lijkt wel zeker: de ster van Bethlehem was geen ster.

Eén optie is dat de ‘ster’ een komeet was: een bevroren modderbal uit de begintijd van het zonnestelsel. Als kometen dichter bij de zon komen, verdampt het ijs uit het binnenste en licht het stof op dat verdampt van het oppervlak. Ze zijn dan soms een tijdje helder zichtbaar, in het fraaiste geval vergezeld van een lichtende staart. Dat de Kerstster een komeet was, is onwaarschijnlijk. Bekende kometen als Halley waren rond het jaar nul niet zichtbaar, weten we nu. Bovendien werden kometen alom gezien als een teken van onheil, niet als een heuglijke aanleiding voor een kraambezoek.

Een alternatieve uitleg is dat de ‘nieuwe ster’ een supernova was: een zware ster die aan het eind van haar leven implodeert tot een ultracompacte neutronenster of een allesopslokkend zwart gat. De buitenste schillen van de ster worden tijdens een supernova door de vrijkomende energie weggeblazen. Als zo’n geweldige explosie binnen onze Melkweg plaatsvindt, is deze wekenlang aan de hemel zichtbaar als een helder lichtpunt. De uitgebrande supernovaresten zijn nog duizenden jaren erna waar te nemen met een röntgentelescoop. Het is wel een ongezellig idee als de Kerstster eigenlijk een zwart gat is. Voor fans van de kerstgedachte heb ik een geruststellende mededeling: wij kennen weliswaar één supernovarest afkomstig van het begin van onze jaartelling, maar deze staat aan de zuidelijke sterrenhemel. Deze explosie kan door de magiërs daarom nooit zijn opgemerkt.

Er is nog een derde mogelijkheid, volgens veel sterrenkundigen de waarschijnlijkste. In het jaar 6 v.Chr. was er een bijzondere ‘samenstand’ van Jupiter en Saturnus. De planeten, zichtbaar als heldere lichtpunten, kwamen vlak voor zonsopgang vlak na elkaar op boven de oostelijke horizon. Dit gebeurde elke ochtend, een paar weken lang. Zo’n samenstand was in de astrologie een omen van belangrijk nieuws. Zelfs het dubieus klinkende verslag dat de Kerstster – het koppel planeten, dus – de Wijzen ‘voorging en bleef stilstaan’ wordt nu aannemelijk. De aarde beweegt namelijk sneller dan Jupiter en Saturnus rond de zon en haalde de planeten als het ware in de binnenbocht in. Ten opzichte van de sterren leken de planeten daardoor van dag tot dag langzamer te bewegen, om uiteindelijk stil te staan en de andere kant op te gaan.

De ster van Bethlehem was dus waarschijnlijk een planeet – sterker nog, twee planeten. Best toepasselijk dus, die ballen in de kerstboom. 

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

3366-3165

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Hier van Leo een aantal speelse rijmen

.

3363-3162

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

‘T SCHIP GAAT ZEILEN
.

Ik ken het liedje al sinds mijn jeugd als ’t schip moet zeilen’.
Zo staat het bv. ook bij ‘Vrijeschoolliederen’.
Een kleine afwijking, evenals ‘we dansen maar’ t.o. ‘we dansen ja’.

De spelwijze is op ‘Vrijeschoolliederen’ veel eenvoudiger weer gegeven dan Uyldert doet.
Ook bij haar staan er twee rijen kinderen tegenover elkaar. Maar wel zo dat er tegenover een jongen, een meisje staat. In de rij staat er daardoor ook afwisselend een jongen naast een meisje.
(Wat er binnen de ‘inclusiviteit’ ook allemaal moet kunnen, laat ik achterwege, bovendien is dat ook de zorg van de kinderen meestal niet)

De 1e twee paren vormen met z’n vieren een molen.
De kinderen die naast elkaar staan geven elkaar de linker of de rechterhand.
(In andere speelwijzen hebben zij de handen in de zij).

Dan wordt het liedje gezongen.

Bij de eerste regel lopen de rijen naar elkaar toe: ‘het schip vaart immers uit’ en weer terug, dat wordt herhaald.

Bij de derde regel zou er een molen gevormd moeten worden van vier kinderen, de twee paren tegenover elkaar, die elkaar met de rechter duim en vinger bij de pols vasthouden terwijl ze naar rechts draaien.
Bij de 4e regel moet de molen weer links, wat betekent dat ook de armen moeten wisselen, dus de linker houdt nu vast.
Bij ‘alle scheepjes’ staan de kinderen weer tegenover elkaar en die tegenover elkaar staande haken hun arm in en maken een rondedans op de plaats. 
Op ‘een, twee, drie’ wordt geklapt. Op het eind doet ieder een stap naar links, zodat er nieuwe paren ontstaan. 
Je kan het tempo opvoeren.

Uyldert ziet in dit dansje een beeld voor de golfslag (het heen en terug) en de werveling, bij de molen.
Twee natuurritmen die ook in ons plaatsvinden: in het lichaam en in de ziel.
Ze vraagt zich af of we hier met een oud ritueel hebben te maken. (Om de wind op te wekken?)

.
Het wordt op nog andere manieren gedaan.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3351-3152

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnige inrichting v/h lokaal – alle artikelen

.
[1-1] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas 
Uit GA 266 waarom er in de basisschoolklassen de prachtigste kunstwerken zouden moeten hangen; uit GA 192 waarom een kunstzinnige omgeving zo belangrijk is.

[1-2] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
In de vergadering van 22 november 1920 spreekt Steiner voor het eerst wat uitvoeriger over de muurdecoratie; hij stelt wat voorwaarden aan de kwaliteit.

[1-3] Rudolf Steiner over de kunstzinnige inrichting van een klas
Kort uit de vergadering van 15 oktober 1920; veel uitgebreider uit de vergadering van 23 januari 1923, met concrete aanwijzingen voor alle klassen, gemeenschappelijke ruimten; een opmerking over de schilderijlijst; aanvulling in vergadering van 31 januari 1923.

[2-1] De kunstzinnige inrichting van een klas 
Ernst Weissert over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 1 t/m 6; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[2-2] De kunstzinnige inrichting van een klas
Ernst Weissert
over: de aanwijzingen van Steiner uit [1-3] nader uitgewerkt.
Door mij gecombineerd met de opvattingen van Clausen/Riedel voor de klassen 7 t/m 12, euritmielokaal, gymzaal, lerarenkamer; veel voorbeelden gezocht van de schilders en hun werk die hier worden genoemd.

[3] Over kleuren en wandversiering in vrijescholen
Oene Schreuder over: kunst en een kunstzinnige omgeving; de aanwijzingen van Steiner [1-3] doorgenomen en van gezichtspunten voorzien.

.

Organische architectuur

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

,

3348-3149

,

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haarVerborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, w.o.:

TWEE EMMERTJES WATER HALEN

.
Bij dit spel staan de kinderen in twee lange rijen tegenover elkaar. De tussenruimte is ongeveer een meter.

Het lied:

Twee emmertjes water halen,
twee emmertjes pompen,
meisje op je klompen,
meisje op je houten been,
rij maar door het poortje heen!

Van je ras, ras, ras,
rij de koning door de plas!
Van je voort, voort, voort, rij de koning door de poort!
Van je sterk, sterk, sterk, rij de koning door de kerk!
Van je één, twee, drie!
Muziek

De kinderen die tegenover elkaar staan hadden elkaars handen vast, dus met gestrekte armen, maar kruiselings en met wat ‘ruimte over’, zodat er door wat naar zich toe te trekken en terug, een pompbeweging ontstaat.
Dan los en een stap achteruit. Belangrijk: het eerste paar blijft staan en houdt de handen nog vast. Zij huppelen nu door ‘de poort’ van de twee rijen naar de andere kant. En weer terug en weer terug: dat moet a.h.w. ‘getimed’ worden om precies aan de andere kant te eindigen. Daar laten ze de handen los en staan ook ‘als poort’.
Tijdens het huppelen klappen de andere kinderen de maat en zingen het lied. 

Dan het volgende paar, enz.

De rij verplaatst zich dus in een bepaalde richting en als leerkracht moet je dus rekening houden met de ruimte, en dat de kinderen ‘in een bocht’ toch nog ruimte houden om te pompen.

Verklaring

Uyldert denkt bij deze dans aan een regenbezwering, zoals men die zoveel tegenkomt in streken, die periodiek van te grote droogte te lijden hebben.

Toen ik het als kind nog speelde in de kleuterklas en in de 1e klas van mijn basisschool, bestond de ene rij uit jongens, de andere uit meisjes. Uyldert heeft dit waarschijnlijk ook voor ogen als ze zegt dat van het door het straatje rijdende paar het meisje waarschijnlijk een waternimf is.

Een houten been, ofwel één been, zou wijzen op een natuurwezen of engel; de jongen verbeeldt de koning.
Dat kon in oudere tijden ook de priester zijn, of de ‘priester-koning’, de levensgeest vertegenwoordigend.
Wordt hier de levensgeest uitgenodigd om zich met het water te verbinden?

Misschien heeft men in vroeger tijden wel de vorst of de priester met een priesteres van het water of van de maan tezamen naar een heilige plaats gereden, door water, door een poort en het heiligdom zelf (kerk) binnen, voor een heilig h u w e l ij k.

Uyldert zegt nog van het spel: Wijs en ritme van het liedje werken opwindend, elektriserend, mede door de beweging. De kinderen worden er uitgelaten van en men kan er zich werkelijk mee in trance dansen!

Wat me opvalt is, dat ik altijd heb gezongen ‘rijDT de koning door de plas’ – dat zie je in de meeste teksten – maar dat hierboven (en bv. hier) een gebiedende wijs staat: ‘rij de koning’. De ‘DT’ als spelling kan vanuit de D-klank van De geleid hebben tot ‘rijd’ en dan – de 3e persoon – tot rijdt. 
De veronderstelling dat de koning gereden werd, zou ‘rij’ verklaren. 

Meer
Meer

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3344-3146

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen – dans

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmenbesteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In het hoofdstukje “In den hemel is enen dans’ – de titel van een nog bestaand liedbesteedt ze aandacht aan het fenomeen ‘dans’.
Nu zijn er talloze studies gewijd aande geschiedenis van de dans‘, maar haar opmerkingen komen ons – wanneer we naar (pedagogische) aanwijzingen van Steiner kijken, wel bekend voor.
Zo zegt ze dat wanneer je naar de hemel kijkt, je in de loop van de sterren ‘een reidans kan ontwaren’, ‘ze trekken lijnen’.
Maar er is meer: de hemel oefent een invloed uit op aarde. Dat is duidelijk aan de invloed van zon en maan.
Steiner beschrijft heel duidelijk vanuit allerlei gezichtshoeken dat alle planeten invloed uitoefenen.
Uyldert noemt het ‘krachtstromen die op aarde doortrillen in de natuur en in de mensenzaken. Een krachtenspel dat invloed heeft op ‘werken, lijden en genieten’.

Dansen zou dus ook zijn: de behoefte ‘de kosmische ritmen die hij voelt, na te bootsen in spel en dans.

Ze verbindt de balspelen aan heilige handelingen bij de oude Grieken (sphaeristeria): ‘het opwerken van gouden ballen zoals ze die aan de hemel zagen op- en ondergaan, zich in kringen en lussen bewegend’.
Zo zouden dus ritmische spelen en dansen zijn ontstaan, ‘een meedansen in die grote dans’.

De grafische voorstellingen van de gang van planeten heeft zeker iets weg van een choreografie:

Epicykel - WikipediaPTOLEMÆUS

Mercurius retrograde 2024 | Retrograde betekenis | Retrograde beweging |  Wat is retrograde | Retrograde planeten | Star Walk
De retrogade van Mercurius 2024

Nieuwe ontdekking steunt theorie over onbekende planeet in zonnestelsel |  wibnet.nl
Niet zo lang geleden ontdekte exoplaneet HD 106906 b 
Bron

Beweging in het spelletje ‘Laat ons nu de kluw opwinden

Bron: Het grote spelenboek, blz. 85

En er zijn meer bewegingen in kringspelen die vergelijkbare bewegingen hebben:

In die bewegingen aan de hemel ziet zij eenmeescheppen, een meeverlossen, een toereiken en loslaten, in kruisende banen, in wijken en naderen, in innige samendans of met uitdagende afstand, inhalend, aanrakend, voorbijstrevend.’

Ze haalt een Mexicaanse uitspraak aan: ‘Dansen is werken’ en verbindt dit aan het feit dat wanneer wij dansen, wij meewerken in het grote kosmische leven, dat we ingeschakeld zijn in de grote rondedans en het alles omvattende ritme.’

Niet alleen in de kinderdansen vinden we dit soort bewegingen, ook nog bij de volwassen folklore- volksdansen.
Maar we kunnen wel constateren dat deze gaandeweg overal verdwijnen of verdwenen zijn als spontane dansen bij bepaalde gelegenheden. 
In het begin van de jaren 1970 zag ik nog dat spontane dansen op straat in o.a. Griekenland, het toenmalige Joegoslavië, in het Baskenland.

Het is interessant oorzaken proberen te vinden waarom dit onder de autochtone bevolking van Nederland vrijwel is verdwenen, terwijl een bepaald soort bewegen onder de jeugd op bepaalde vormen van muziek erg populair is geworden.
Zonder directe oorzaken te kunnen aanwijzen, kan ik wel waarnemen dat de muziek zeer mechanisch is geworden – als je het geluid van verre afstand hoort, weet je niet of het ook een machine kan zijn die aanstaat; de bewegingen doen vaak automatisch-mechanisch aan.

De basisschoolleerlingen van nu zullen ongetwijfeld – het zijn kinderen van deze tijd – in aanraking komen met het muzikale geweld van disco en festival en de vorm van bewegen die weinig meer heeft van waarover het in dit artikel gaat.

Misschien is het goed dat in de jaren waarin het nog kan, onze kinderen bewegen met de kringspelen. Of  in de euritmie waarin ook vele ‘kosmische’ vormen een rol spelen.

Uyldert voegt aan haar inleiding deze kringspellen toe:

De boom die wordt hoe langer hoe dikker

‘k Zou zo graag een ketting breien

Rondinella

De zevensprong

Twee emmertjes water halen

’t Schip gaat zeilen

.

Spel: alle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3338-3140

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – voordracht 2 – alle artikelen

.

opvoedkunst – GA 294

Vertaling 2020

Voordracht 2

[2-1] Blz. 24-27  vert. 34/35
Sympathie en antipathie in het spreken; daarover opmerkingen uit GA 81; het gebeurt in het midden van de mens; spreken en adem; voelen: ritmische afwisseling van sympathie en antipathie: spreken ook; 

[2-2] Blz. 25  vert. 36
Over de vocalen A, E, I , O, U (als oe); aangevuld met opmerkingen uit GA 218; GA 300C; GA 305; GA 306; GA 307; GA 308; GA 309; GA 310;  GA 311>
Wat betekent dit voor de beelden om het schrijven en lezen aan te leren.

[2-3] Blz. 27  vert. 37
Over de medeklinkers; uit GA 81; kern: nabootsing van de buitenwereld; sympathie in de klinker, antipathie in de medeklinker; iets over ‘plastisch’- ‘muzikaal’ in verband hiermee.

.

Schrijven en lezenalle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld1e klas letterbeelden

.

3337-3139

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Opvoedkunst – Alle artikelen

.

opvoedkunst

De Duitse uitgaven heeft als ondertitel : methodisch-didaktisches
het methodisch-didactische
De vertaling heeft als ondertitel: het hart van de vrijeschool

GA 294      vertaling

Inhoudsopgave uit de vertaling van 2020.
De link gaat naar de inhoudsopgave van de door mij besproken voordrachten. Die inhoudsopgave is uitgebreider.

Deze pagina is voor het grootste deel nog in opbouw.

TWEEDE VOORDRACHT 22 augustus 1919
Het samenspel van sympathie en antipathie in de mens.
Oorsprong van de taal in het gevoelsleven.
Klinkers als uitingen van zielenroerselen.
O, oe, a, e, i; de bijzondere klank a-o-oe.
Medeklinkers als nabootsing van dingen in de buitenwereld.

Voorbeelden van woordvormingen in verschillende talen.
De getalsmatige ordening van aardse en kosmische processen: het getal 25920. Gevoel voor levensgeheimen noodzakelijk voor de leraar.
Opvoeding van het verstand en van de wil.
De rol van sympathie en antipathie in de opvoeding.

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3336-3139

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookje ‘De twaalf broers’ (1-8)

.
Een sprookje van Grimm (nr. 9)

.
Ulrich Schlechtinger, die Kommenden, nadere gegevens onbekend
.

Sprookjesbeelden  willen altijd méér uitdrukken dan alleen maar wat betrekking heeft op de beschreven feiten. Deze beelden zijn als vensters waardoor we de hogere waarheden kunnen zien.

.

Het geheim van getallen in de sprookjeswijsheid

.
In dit sprookje spelen getallen een grote rol en die worden ook de sleutel om dit sprookje te begrijpen.
De getallen scheppen een ordenend patroon in het tapijt van het lot.
Van de twaalf broers wordt alleen de jongste bij naam genoemd; hij heet, zoals in de Bijbel Benjamin. Dus de twaalf is verdeeld in elf en één. De zuster wiens geboorte op handen is wanneer het verhaal begint, is de dertiende. Zij vertegenwoordigt het begin van een nieuw tijdperk als we een ontwikkelingscyclus in twaalf fasen verdelen.

Voordat wij rond 600 na Christus van de Arabieren het decimale stelsel overnamen, was twaalf het leidende getal. We kennen de termen vandaag de dag nog steeds: een dozijn, een gros; alle tijdsindelingen zijn nog steeds gebaseerd op het oude Indiase systeem: 60 seconden en minuten, 12 uur, 12 maanden. Een muziekoctaaf heeft 12 halve tonen. Als we de getallen optellen die betrekking hebben op de hemel en de mens, dan is 7+5 weer gelijk aan 12. Twaalf is het afrondingsgetal, daarmee wordt iets afgerond. –
Maar wanneer een tijdperk ten einde loopt, treedt decadentie op. De 13 is omgeven door duisternis en bijgeloof – uit angst: wat zal het nieuwe onverwachte brengen? In het gewone taalgebruik zeggen we: Nu heeft de klok 13 uur geslagen; of als het de hoogste tijd is, het is 5 voor 12.
Twaalf is een samengesteld getal dat veel mogelijkheden heeft: 3 + 4 + 5;  3 x 4;  4 x 3;  5 + 7;  2 x 6.
In dit sprookje komen de volgende getallen voor: 20 x de twaalf; 6 x de 11; 11 x de naam Benjamin; 3 x de naam van de koningsdochter en 4 x de gouden ster op het voorhoofd van de koningsdochter.

Als twaalf afronding uitdrukt, waarom zouden de twaalf broers dan moeten sterven zodat het koninkrijk in handen valt van de dertiende – de dochter? Het woord afgerond – het Duits heeft ‘Vollendung – daar zit het woord einde in – betekent: iets is klaar, tot een einde gekomen. Er zou een einde komen aan de ontwikkeling als er geen ruimte was voor het nieuwe. Met de geboorte van het 13e kind begint een nieuwe cyclus van twaalf – 13 is de nieuwe een, de eerste en het begin van de toekomst.

De 12 kisten zijn niet leeg, maar gevuld met houtkrullen. Geeft dat niet aan dat de dode zonen er toch later niet in gelegd zullen worden? Er staat ook geen straf op het overtreden van het koninklijk gebod als de koningin de twaalf doodskisten twee keer aan Benjamin en haar dochter laat zien. De ouders hebben niet de dood op het oog, maar ze willen de op de dood lijkende transformatie die in het sterven het nieuwe voortbrengt.
De twaalf broers moeten in de toekomst niet langer leiding geven aan de ontwikkeling, maar ze moeten terugtreden. Ze moeten het koninklijk hof en later het huis in het bos verlaten en de leiding aan hun zuster overdragen. In twee fasen moeten ze zich losmaken van wat zij zagen als de erfenis van hun vader.
De 12 is dus het teken van de tijd die rijp is geworden in de ruimte, waar net als in het zaad alle groei en ontwikkeling tot stilstand is gekomen. De 12-voudige ontwikkelingsmogelijkheden zijn uitgeput, de erfenis is opgebruikt. Daarom kan de koning het koninkrijk niet aan hen overdragen.
Wanneer de koning dit wijselijk voorbereidt en regelt om de toekomst te dienen, kan de moeder dit nog niet volgen: “ze zat de hele dag te treuren”, staat er. Ze leeft zoveel mogelijk volledig in en voor het heden.
Ze heeft een zeer nauwe band met haar jongste, Benjamin, die altijd bij haar was. Er wordt benadrukt dat ze hem naar de Bijbel Benjamin noemde (zie hieronder).
Ze heeft het eerst ook alleen maar over Benjamin en pas veel later over de 11 broers en verdeelt zo de eenheid 12 in 2 delen: de één en de elf. De 11 zijn de dragers van het verleden, de 13 staat voor de toekomst en Benjamin als de 12e is de verbindende schakel. Benjamin krijgt van zijn moeder de opdracht om met de broers het bos in te vluchten. Daarmee gaat ze tegen de wil van de koning in en bereidt Benjamin zo voor dat hij zijn zuster kan herkennen en kan leren lief te hebben. Het verleden moet zich met de toekomst verbinden.

Eén van de broers moet altijd de wacht houden vanaf de hoogste boom, achteromkijkend naar de kasteeltoren, waar de geboorte van de nieuweling wordt aangekondigd. En na 11 dagen is het Benjamin die als 12e het nieuws van zijn moeder ontvangt dat er een dochter is geboren. Als de elf broers dit horen, worden ze boos en zweren wraak op elk meisje: “Waar we ook een meisje vinden, zal haar rode bloed vloeien’. Wat hun geboorte betreft, stammen ze af van de koningin-moeder en verdedigen ze zichzelf, net als zij tegen al het nieuwe; ze willen hun ouderlijke erfenis niet opgeven.

De vraag rijst: waarom bewaart de koning de sleutel van de doodskamer met de twaalf doodskisten niet zelf en overhandigt deze aan de koningin? Wat volgt daaruit? Als de koning de sleutel zelf had bewaard, zouden de zonen zich niet in het bos hebben verstopt en zou de dochter niet op pad zijn gegaan om de broers te zoeken. Een oude stroom in de mensheid mag niet sterven voordat deze zich een tijdje met de nieuwe stroom heeft verenigd. Het nieuwe moet nog steeds op het oude kunnen voortbouwen en er iets uit kunnen opnemen. Dit wordt gegarandeerd door het overhandigen van de sleutel. De koning wil de verantwoordelijkheid voor de voortgang van de ontwikkeling niet alleen dragen, maar samen met de koningin.
Twee keer opent de moeder de doodskamer en toont de doodskisten aan haar liefste zoon en dochter; allebei gaan ze dan van haar en het ouderlijk huis weg.

Man en vrouw vertegenwoordigen een gespleten eenheid, net zoals de wereld uit vele paren van tegenstellingen bestaat. Uit deze twee kunnen de 13 kinderen zich volgens hun eigen wetten ontwikkelen. De koning bereidt alles voor, hij brengt het voort; de vrouw baart het uit haarzelf en zorgt ervoor dat het gevolg heeft: zij heeft de sleutel en doet deze open. Wat de relatie tussen beide geslachten betreft, begint de man met aandacht geven, maar de vrouw opent de harten. Later wordt de sleutel tot stilte aan een vrouw gegeven en moet ze zeven jaar lang een geheim bewaren en het zwijgen beoefenen.

Vragen brengen altijd iets in beweging

Benjamin merkt de emotionele verandering van de moeder op en vraagt ​​waarom ze zo verdrietig is. Door vragen komt er iets in beweging, er gaat iets vooruit. Hij valt op tussen zijn broers, simpelweg omdat alleen zijn naam wordt genoemd. Hij geeft de naam aan de kring van twaalf en wordt als 12e de bemiddelende schakel voor de 13e, die op een dag de oudste zal worden in de nieuwe kring van twaalf.
Omdat hij als eerste van zijn moeder verneemt dat er nog een kind wordt verwacht, verzet hij zich niet tegen het nieuwe – omdat hij heel goed weet welke gevolgen deze geboorte zal hebben voor de 12. Hij bereidt de vlucht naar het bos voor en vertelt dat aan zijn broers. Maar hij zweert niet met de 11 dat hij wraak zal nemen op alle meisjes. Hij is geen jager die doodt, maar hij maakt eten klaar voor iedereen en zorgt voor het huishouden: hij neemt meer moedertaken op zich – later ook samen met zijn zuster. – Als het getal 12 voor de 12e keer in het sprookje verschijnt, herkent Benjamin zijn zuster aan de 12 getoonde hemden – en daarmee is de verbinding tussen oud en nieuw voltrokken Het enige wat nog te vrezen is, is dat de broers geen genade zullen tonen en, in overeenstemming met hun gelofte, hun zuster willen doden. – En het is echt ontroerend hoe zorgvuldig Benjamin de blijde boodschap en het nieuwe aan zijn broers verkondigt; omdat hij een heel ander karakter heeft, omdat hij tussen de twee vrouwelijke figuren, moeder en zuster, staat. Als de elf vragen: “Is er nog nieuws?”, vraagt ​​hij: “Weten jullie niets?” – Hoe kan hij iets nieuws te weten komen als hij de hele dag in huis moet werken? Alleen de elf die elke dag buiten jagen, kunnen iets nieuws ervaren. Benjamin is “in huis”, hij is de innerlijke ziel. Hij weet niet helemaal zeker hoe zijn broers zullen reageren als ze erachter komen dat de zuster aanwezig is. Daarom wil hij van de jagers zeker weten of ze net zo als hij, voelen dat het meisje genade verdient. Zo verbindt hij zich met de 11 broers en vormt opnieuw de eenheid 12, voordat de 12 zich verzoenen met de 13e. “Toen was iedereen gelukkig en hielden ze van elkaar met heel hun hart.” Vanaf dit uur blijven Benjamin en zijn zuster in huis nauwer met elkaar verbonden.

De naam Benjamin komt uit het eerste boek van Mozes, hoofdstuk 35, vers 24 en hfst. 42-45. Jacob had 12 zonen: 6 van zijn vrouw Lea, 2 van Rachels dienstmeisje, 2 van Lea’s dienstmeisje en de 11e en 12e zoon van zijn lievelingsvrouw Rachel zelf: dit waren Jozef en Benjamin. – Jozef werd door de broers aan kooplieden verkocht en kwam in Egypte, waar hij al snel de vertrouwde minister van de farao werd. – Toen er hongersnood uitbrak in Kanaän, het thuisland van Jakob, stuurde hij zijn tien zonen naar Egypte en hield Benjamin als jongste bij zich. Pas toen Benjamin met hem meeging op de tweede reis naar Egypte maakte Jozef zich aan zijn broers bekend. Dit gebeurde op zo’n manier dat Jozef zijn tranen van emotie niet kon bedwingen toen hij zijn echte broer Benjamin zag (de anderen waren halfbroers van Josef) –
Benjamin legde ook hier de verbinding tussen de broers en zussen vast. En Jozef, die eerder door zijn broers dood verklaard was, vergaf zijn broers en zei: ‘Ik ben niet boos op je omdat je me naar Egypte hebt verkocht; God heeft mij hierheen gebracht zodat jullie levens door mij gered konden worden.’ Hij ziet een door God ingesteld, noodlottig verband tussen de intentie van de broers om hem te doden en het feit dat hij nu hun redder kan worden. –
En als derde parallel met deze beschrijvingen in het Oude Testament wordt over de bejaarde vader Jacob verteld, hoeveel hij om zijn jongste zoon geeft en hem bij zich houdt als de andere 10 zonen voor de eerste keer naar farao gaan om graan te kopen.
En hoe de koningin twee keer huilt in het sprookje als ze Benjamin en de dochter de doodskisten laat zien; zo huilt ook Jacob bitter en denkt dat hij zal sterven als hij Benjamin bij de tweede keer naar Egypte mee moet laten gaan.

Hoewel het middelpunt van ons sprookje de zuster is, heeft ze geen naam. Onzelfzuchtig doet ze bij het vervullen van haar opdracht, een stap terug. Maar ze wordt wel drie keer de koningsdochter genoemd: wanneer ze Benjamin ontmoet – wanneer ze de elf broers erkent – en wanneer de koning haar in de boom ontdekt.
En over haar gouden ster op haar voorhoofd wordt vier keer gesproken als teken van het tijdperk dat aanbreekt. Maar de twaalf broers worden nooit de zonen van de koning genoemd.

In tegenstelling tot haar broers, die uit angst om dood te gaan het bos in vluchten, neemt het meisje zelf het besluit het huis van haar ouders te verlaten om haar broers te zoeken. De dood wordt aan de broers aangekondigd omdat de ontwikkeling anders tot stilstand zou komen. Ze zijn volledig toegewijd aan de zorg voor het fysieke; daarom staan ​​de kisten al voor hen klaar. Het ligt in de aard van het lichaam en al het materiële om zijn eigen graf en dood voor te bereiden.

De zuster draagt ​​de ster op haar voorhoofd

Maar de zuster is van nature anders, zij draagt ​​de ster op haar voorhoofd. Ze denkt niet zoals haar broers; in haar denken licht de helderheid van een hemelster op. Alle gedachten die om materiële dingen gaan of die construeren, dienen ook het stoffelijke en hebben uiteindelijk een destructief effect op het leven. In zulke gedachten is er geen goddelijke geest, geen licht en geen leven. Maar in de mens is een streven naar een hoger leven aanwezig. Dit is wat de ster die het meisje draagt ​​laat zien: zij wil dat dienen en een spiritueel wereldbeeld toevoegen aan het materiële wereldbeeld. Nieuw leven moet aan de dood worden ontworsteld. Hier weerspiegelt een paasmotief de wederopstanding.

Als Benjamin ernaar vraagt, laat zijn moeder hem de twaalf doodskisten zien en wijst hem erop: jullie staat op het punt om te sterven. Het meisje neemt eerst iets bovenzintuiglijks waar aan haar broers voordat haar hun doodskisten worden getoond. Ze ziet de twaalf hemden die de broers hebben achtergelaten.
Wat zijn deze hemden?
Een hemd is de eerste bedekking voor het lichaam; het lijkt erg op het lichaam en is op maat gesneden, zodat het de romp en armen bedekt. Bovenaan en onder zijn er openingen voor hoofd, armen en benen. Vijf delen van het lichaam worden dus niet bedekt door het hemd.
Wij werken met onze handen en geven met eigen verantwoordelijkheid vorm aan ons lot. Op plekken waar mensen wonen en werken laten ze onzichtbare omhulsels achter als resultaat van hun handelen en denken.
Goethe wist hiervan toen hij zei: De plaats die een edel mens betreedt, wordt ingewijd.
De zuster neemt dit onzichtbare wat de broers achtergelaten hebben, waar en vermoedt dat haar lot daar ook iets mee te maken moet hebben. Deze hemden als wasgoed zijn voor haar iets onvolmaakts dat veranderd moet worden. Pas na deze waarneming hoort ze van haar moeder over het lot van haar broers en neemt ze de mentale beslissing om naar hen op zoek te gaan. De hemden zijn de leidraad voor haar weg.

Overal waar mensen werken, laten ze gedachtevormen achter die bovenzintuiglijk op hemden lijken, zodat mensen zich later de acties van anderen kunnen herinneren. Als we het ons herinneren, brengen we onbewust iets in onszelf tot leven dat anderen als hun hemd hebben achtergelaten. Elke gedachte, gevoel en handeling laat sporen na in het leven. – De zuster volgt deze sporen van de hemden van haar broers en vindt zonder omwegen hun hut.

Laten we ook opmerken dat deze delicate waarneming plaatsvindt op het moment dat de zuster samen met de moeder kleren aan het wassen is. De twee vrouwen wassen iets schoon dat tijdens het leven vervuild is. De hemden van de broers waren niet meer schoon. In hun hemden, die bij elke geboorte onschuldig en puur lijken, hebben ze geestelijk vuil achtergelaten. De laatste onreinheid zal hun gevoel van wraak in de hemden hebben gedrukt. Vanwege deze schuld werd er een draad van het lot getrokken van de zielen van de broers naar de ziel van de zuster.

Vanuit haar onschuldige hart ziet de zuster aan de hemden deze verbinding en stelt ze ook een vraag aan de moeder van wie deze hemden zijn. Nadat ze de 12 doodskisten te zien krijgt, weet ze dat het haar taak is om haar broers te zoeken en met hen in contact te komen. Haar geboorte is verweven met het lot van haar broers, omdat die tien jaar geleden het ouderlijk huis moesten verlaten.

Door de hemden worden de ziel en het morele niveau van de broers aan haar onthuld, en pas later komt ze oog in oog met hen te staan. En ze is al zo vertrouwd met de geest-zielnatuur van Benjamin dat het herkennen en liefhebben van elkaar voor beiden als vanzelfsprekend is. “Ze omhelsden en  kusten elkaar innig.”

Wanneer Benjamin zijn zus vertelt over de gelofte van wraak, is het net zo vanzelfsprekend dat zij wil sterven om haar broers te verlossen.
In sprookjes komen we voortdurend de drempel van de dood tegen. In het aangezicht van de dood worden nieuwe zielskrachten onthuld. Het meisje staat voor ons  met een ziel van koninklijke grootte.
De naam Benjamin wordt nu voor het laatst genoemd als hij en zijn zuster voor de broers in het boshuis zorgen: zijn naam komt elf keer voor; als de 12e dient hij de 11 broers. Hij voorkomt het ongeluk dat de 11 hun zuster zouden hebben gedood. Benjamins taak is voorbij; Hij neemt weer bescheiden zijn plaats in onder zijn broers en deelt hun toekomstige lot. Hij werkte slechts korte tijd samen met zijn zuster in het huis.

De verandering van de broers in raven –
het breken van de lelies

Nu begint de eigen activiteit van de koningsdochter met de opdracht voor een nieuw tijdperk van ontwikkeling. De broers woonden al 10 jaar in het huis; maar daar gebeurt eigenlijk niets nieuws. Hoe vaak zullen ze elkaar niet hebben gevraagd: “Wat is er iets nieuws?” De ene dag gaat voorbij als de andere. Ze zorgen voor voedsel en zijn bezorgd over hun fysieke welziin.
Van koninklijke opdrachten en doelen is geen sprake. In dit huis zouden de wereld en de tijd stilstaan.
Als de zuster de leiding heeft over het huis, wordt er gesproken over een kleine tuin waarin 12 lelies groeien. De zuster doorbreekt de eentonigheid van de dag en wil de broers blij maken en elk een lelie geven. Ze grijpt onschuldig en schuldig in hun lot in en veroorzaakt zo het vertrek en twee metamorfoses van haar broers: ze worden raven, maken zich los van de aarde, vliegen de lucht in en moeten hun vroegere levensgewoonten (gewoonte wijst op wonen) opgeven; later veranderen ze weer in nieuwe mensen die de geest in de lucht hebben ontmoet.

Ze moeten hun huis verlaten, hun woning in het lichaam – ze moeten lichaamsvrij in de lucht leven – overgegeven aan de geest. Hiervoor waren het volkomen eenzijdige aardwezens. – Nu geeft de zuster voor de tweede keer de reden waarom ze worden verdreven, net zo onbedoeld en onschuldig als toen ze werden geboren. Haar vader wilde hen laten sterven, hun zuster heeft hen getransformeerd zodat hun leven een nieuwe richting en een nieuwe inhoud kan krijgen.
Hun pure levenskrachten zijn opgeslagen in de lelies; ze moeten worden opgeofferd zodat ze kunnen uitgroeien tot hun nieuwe betekenis in het leven. Ze waren hun ware, hogere natuur vergeten; Die moeten ze nu zoeken in het geestelijke, in de lucht.

Vanuit het standpunt van de zuster gezien is het breken van de lelies nog steeds een geschenk voor de broers, omdat geen van hen deze stap van verandering uit zichzelf zou hebben gezet. Ze leren en ervaren dat het lichaam en al het stoffelijke slechts één kant van onze menselijkheid uitmaakt. Iedereen die zich tot de geest wendt, transformeert voortdurend het fysieke in het spirituele en laat het spirituele in het materiële stromen. Zo bouwt de mens mee aan de brug tussen de twee werelden. –
De 12 raven bevinden zich in de lucht dichter bij het licht van de hemel zodat hemelse kennis weer in aardse kennis kan worden geplant. Om deze vooruitgang op gang te brengen, worden de twaalf broers door de zuster in raven veranderd.

Dit heeft nu ook voor haar tot gevolg dat zij dakloos wordt. De zuster moet ook ontwikkelingspijnen doormaken en haar aard veranderen. Als meer gevorderde ziel heeft ze andere taken. Deze worden ons in het sprookje veel gedetailleerder beschreven dan bij haar broers.
Toen ze haar moeder verliet, zei ze: “Ik wil mijn broers gaan zoeken.” Deze eerste beslissing komt uit haar wil. Nu wil ze haar broers verlossen en zegt ze in haar hart: ‘Ik weet zeker dat ik ze zal verlossen.” Deze tweede beslissing komt uit haar hart en geest. Ze transformeert alle drie de zielsvermogens in spirituele organen waarmee ze na 7 jaar transformerend kan ingrijpen en verlossing kan bewerkstelligen.

Omdat de broers zich te diep met het fysieke verbonden hadden, moeten ze in een toestand zonder lichaam, ver van de aarde – dicht bij de geest leven. Hun verlossing bestaat erin hen weer dicht bij de aarde te brengen, zodanig dat zij als nieuw geboren aardse mensen ook de geest in hun lichaam herkennen en ervaren. Daardoor vinden ze een heilzame balans tussen lichaam en geest.

Van de koningsdochter wordt gezegd dat ze op zoek gaat naar een hoge boom, erop gaat zitten, gaat spinnen en geen woord zegt. Haar ziel heeft alleen een kleinere hoogte op een boom nodig; ze blijft nog steeds verbonden met de aarde en vanuit haar wetende hart spint ze boomgedachten.

Het zijn zulke zuivere, plantachtige [bedoeld is waarschijnlijk: niet vervuild door astraliteit] gedachtevormen die alleen de zuivere vrouwenziel kan voortbrengen. En al het andere in haar ziel is stil. Deze stilte betekent niet alleen dat ze niet spreekt, maar dat alle verlangens die nog uit een egoïstische ziel voortkomen, tot zwijgen worden gebracht. Ze beoefent dit 7 jaar lang met volledige onbaatzuchtigheid. – De manier waarop haar ziel op de proef wordt gesteld, wordt voor haar nog moeilijker gemaakt door het feit dat ze na een tijdje in de boom wordt ontdekt door een koning. Haar ster schijnt helder naar de koning toe. Hij draagt ​​haar uit de boom en leidt haar uit haar eenzaamheid naar zijn hof. Als je als een kluizenaar helemaal alleen leeft, is zwijgen niet zo moeilijk. Maar de koningsdochter wil ook de nog moeilijkere proef doorstaan ​​van het zwijgen in het gezelschap van veel mensen – aan het hof van de koning.
Ze weet dat alleen met grotere weerstand de krachten van de ziel zich sterker zullen ontwikkelen.

Aan het hof komt ze ook alle tegenmachten tegen die door de moeder van de koning worden vertegenwoordigd. Nu moet ze leren zwijgen als haar onrecht, haat en laster overkomen. Ze kan zichzelf niet verdedigen tegen het kwaad dat lijkt te winnen. Als een heks moet ze op de brandstapel worden verbrand. Wanneer ze nu ook de vuurdood voor ogen heeft, komt de tijd van de zwijgbeproeving ten einde.
In de lucht verschijnen de raven. Wanneer ze de aarde weer raken, worden ze nieuwe mensen en kunnen ze hun zuster bevrijden. Wederzijdse redding treedt op. Niemand weet wie hij moet bedanken. Iedereen is in de lange tijd innerlijk gegroeid. Dit zou nooit zijn gebeurd als ze bij elkaar waren gebleven in het boshuis.

Laten we nog eens het spoor volgen waar langs het sprookje ons leidt: 12 vertegenwoordigers van een oud tijdperk zien hun cultuur ten onder gaan. Hun woede richt zich niet tegen hun vader omdat ze ongeschikt worden geacht als erfgenamen, maar tegen het nieuwe dat met hun zuster wordt geboren. De vonk van kennis van de 13e wordt ontstoken door wat ze achterlaten als hun hemden en wat moet worden gereinigd. De ster van de koningsdochter neemt de leiding, en de beslissing tot verlossing komt voort uit wat ze weet met haar hart. Het kennen ervan dient het leven omdat het hart erbij betrokken is. Alleen een dergelijke erkenning kan het leven van vandaag en de toekomst dienen. Iedere eenzijdige, materieel georiënteerde kennis is bedrog. Aan de ene kant moeten we, net als de broeders, het sterven ervaren in verbinding met het lichaam; aan de andere kant moeten we vanuit de wil ons ontwikkelen tot het punt waarop we ons tijdelijk van het lichaam losmaken en ons overgeven aan de geest. Dan worden we in gedachten net zo levend als vogels tussen hemel en aarde.

En het is de moeilijke taak van de mens om het een of het ander niet te verwaarlozen of te overdrijven; noch om uit gelukzaligheid in de hemel te willen blijven en onze aardse plichten te veronachtzamen, noch om ons te laten misleiden alsof we een technisch perfect paradijs op aarde zouden kunnen bouwen waar in de toekomst alleen robots ons werk zullen doen. Deze twee afwijkingen komen in het sprookje tot uiting wanneer de moeder Benjamin haar afscheidszegen geeft: ze wil vragen dat de zonen zich in de winter kunnen verwarmen aan een vuur en in de zomer niet hoeven te versmachten van hitte. Dit wijst op de twee zielsvermogens om deze tegenstellingen in evenwicht te kunnen brengen. Omdat aardse dingen de neiging hebben te verstarren en te bevriezen; het liefdeshartvuur kan ons hiertegen beschermen. En elk enthousiasme kan ontaarden in zweverij en mystiek; dan is de innerlijke warmte te heet, de ziel zou gespleten raken, haar gezonde vormende krachten verliezen. Dit wordt tegengegaan door een ordelijke, geduldige en strikte beoefening van meditatie.
Als het nieuwe tijdperk het christelijke tijdperk moet zijn, kunnen we niet doorgaan op de oude paden, maar moeten we moedig de moeilijkheden aanpakken.
Voor zijn twaalf discipelen was Christus ook de dertiende, de nieuwe. Hij wil mensen genezen van de ziekte van de zonde. Wat is zonde dan? Als we ons gedragen zoals de twaalf broers deden voordat ze raven werden. Wanneer we de levende geest steeds meer verliezen of ontkennen.

Fysiek dragen we de dood in ons. In de geest kunnen we de dood overwinnen. Ook onze intellectuele rijkdom aan kennis is doodse kennis; ze begrijpt alles wat niet leeft, ze dient niet langer het leven. Kennis heeft vaak slechts het karakter van het graf. Onze wetenschap van vandaag is net zo perfect als de 12: eenzijdig-perfect – alsof ze aan het einde is gekomen. Veel werkprocessen vinden plaats zonder mensen. – Het is de vrije beslissing van ieder individu hoe en of hij zichzelf wil voorbereiden om het nieuwe te dienen en uit de beperkingen en ketenen te breken.
Laten we de koningsdochter als voorbeeld nemen. Laten we ons verbazen over de grootte van haar hart, haar moed om op te offeren, haar doorzettingsvermogen en iedereen kan tegen zichzelf zeggen: ik weet zeker
dat ik mijn broers kan verlossen. Dat moet uit het hart komen.
En daarom zijn sprookjes christelijk.

.
Grimm

Sprookjes: alle artikelen

Rudolf Steiner over: sprookjes, sagen, mythen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas sprookjes

.

3332-3136

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind

.

Herhaaldelijk heeft Rudolf Steiner zich uitgesproken over het belang van de opvoeding in de eerste jaren van een kind.
In GA 297 o.a. citeert hij Jean Paul Richter die zei dat een  kind de eerste drie jaar van zijn  leven meer leert, dan in de drie academische jaren:

Wir lernen gewiß in unseren drei ersten Lebensjahren mehr als in unseren drei akademischen Lebensjahren, weil wir sozusagen ein organisch entwickeltes
Gedächtnis ja noch haben, weil da das Gedächtnis noch organisch wirkt. 

Het is zeker zo dat wij in onze eerste drie levensjaren meer leren dan in onze drie academische levensjaren’- omdat wij zogezegd nog een organisch ontwikkeld geheugen hebben, omdat het geheugen nog organisch werkt.
GA 297/179
Op deze blog vertaald/179

Door Richter (1763-1825) wordt al een verband gelegd tussen geheugen en organen en Rudolf Steiner doet dat veelvuldig wanneer hij spreekt over de levenskrachten die aan het lichaam werken en met de tandenwisseling vrijkomen.
Pas dan kunnen deze krachten volledig gebruikt worden voor leren, dus onthouden, dus het geheugen.

In de eerste zeven jaar is een van de grootste vormende krachten bij de ontwikkeling de nabootsing.
Hier vind je de uitspraken van Steiner daarover.
Daar staan er ook bij de niet zomaar te begrijpen vallen. Juist daar waar hij een verband legt tussen deze eerste jaren en de latere gezondheid van de mens.

In 1907 al:

Was in der physischen Umgebung vor­geht, das ahmt das Kind nach, und im Nachahmen gießen sich seine physischen Organe in die Formen, die ihnen dann blei­ben.

Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activiteit van het nabootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven.
GA 34/324
De opvoeding van het kind/32 

In GA 309, voordracht 1, gaat hij er uitgebreid op in:

Bv.

Aber bei dem Kinde geht alles Seelische in das Leibliche hinunter. Wenn das Kind einen Schreck erfährt an den Eindrücken der Umgebung, aber ebenso alles, was an Freude und Erhebung lebt, geht über, wenn auch nicht in so grober Art, sondern in feiner Weise, in die Wachstums-, Zirkulations- und Verdauungspro­zesse. Ein Kind, das jede Stunde zu fürchten hat die Eindrücke, die von einem Jähzornigen ausgehen, der jeden Augenblick einen Zorn be­kommt, erlebt etwas Seelisches, das sogleich eindringt in Atmung und Blutzirkulation und auch in seine Verdauungstätigkeit.

Maar bij een kind gaat alles wat ziel is over op het lichamelijke. Wanneer het kind schrikt door indrukken uit de omgeving, maar ook net zo bij plezier en een verheven stemming, gaat dat door, weliswaar niet op zo’n ruwe manier, maar subtiel, tot in de groeikrachten, de circulatie en stofwisselingsprocessen. Een kind dat ieder uur bang moet zijn voor de indrukken die een opvliegend mens op hem maken; die ieder ogenblik een woede-aanval krijgt, beleeft iets in zijn ziel wat tegelijkertijd in adem- en bloedcirculatie en ook in de stofwisseling binnenkomt.
GA 309/15
Op deze blog vertaald/15

De wetenschap is steeds aan het onderzoeken en aan de Harvard Universiteit, de afdeling ontwikkeling van het kind, komt men nu met deze bevindingen.
.

Het verbinden van de hersenen met de rest van het lichaam: ontwikkeling in de vroege kindertijd en levenslange gezondheid zijn nauw met elkaar verweven

De snel voortschrijdende grenzen van de biologische wetenschappen van de 21e eeuw leveren nu overtuigend bewijs dat de fundamenten van levenslange gezondheid ook vroeg worden gebouwd, met toenemend bewijs van het belang van de prenatale periode en de eerste paar jaar na de geboorte.

Wat er tijdens deze periode gebeurt, kan aanzienlijke gevolgen hebben voor zowel de korte- als langetermijnresultaten op het gebied van leren, gedrag en zowel lichamelijke als geestelijke gezondheid.

Al deze domeinen zijn opmerkelijk van elkaar afhankelijk en het potentieel om te leren is onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit van de fysieke en mentale gezondheid.

Af en toe voeg ik in dit verslag opmerkingen tussen [  ] toe, die alle terug te vinden zijn in het pedagogisch voordrachtenwerk van Steiner.
Daarnaast een enkele opmerking en cursief.

Een kind dat leeft in een omgeving met ondersteunende relaties [het kind in eerbied ontvangen en met liefde opvoeden] en consistente routines  [gewoontevorming = versterking van het etherlijf] heeft meer kans om goed functionerende biologische systemen te ontwikkelen, waaronder hersencircuits, die een positieve ontwikkeling en levenslange gezondheid bevorderen.
Kinderen die zich bedreigd of onveilig voelen, kunnen fysiologische reacties en copinggedrag ontwikkelen dat is afgestemd op de moeilijke omstandigheden die ze op dat moment ervaren, wat op de lange termijn ten koste gaat van hun fysieke en mentale welzijn [in de verschillende voordrachten over de gevolgen van de omgeving op de latere gezondheid], zelfregulatie en effectief leren.

De uitkomsten van het onderzoek zijn bestemd voor allen die met opvoeding en onderwijs te maken hebben om innovatieve oplossingen te creëren om ziekten te voorkomen en vroegtijdige sterfgevallen en het verlagen van de hoge kosten van de gezondheidszorg voor chronische ziekten die hun oorsprong vinden in de vroege kinderjaren te voorkomen.

Bijna alle aspecten van vroege ontwikkeling en latere gezondheid worden beïnvloed door interacties tussen ervaringen, genen, leeftijd en de omgeving waarin jonge kinderen leven. Deze interacties beïnvloeden elk biologisch systeem in het lichaam, met vooral krachtige effecten in de vroegste jaren.

Systemen met betrekking tot de ontwikkeling van de hersenen, hart en longfunctie, spijsvertering, energieproductie, infectiebestrijding en lichamelijke groei zijn allemaal met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaars ontwikkeling en functie. Elk systeem “leest” de omgeving, bereidt zich voor om te reageren en deelt die informatie met de andere systemen. Elk systeem “geeft dan signalen terug” aan de andere systemen via feedbacklussen die al bij de geboorte functioneren.

Kinderen die leven in omstandigheden van bedreiging en ontbering lopen als volwassenen een groter risico op verschillende vormen van cardiometabole ziekten [hierboven GA 309: circulatie- en stofwisselingsprocessen] . Kortom, de omgevingen die we creëren en de ervaringen die we jonge kinderen en hun families bieden, hebben niet alleen invloed op de zich ontwikkelende hersenen, maar ook op veel andere fysiologische systemen, van cardiovasculaire functie en immuunrespons tot metabolische regulatie. Al deze systemen zijn verantwoordelijk voor ons hele leven

Ook uit GA 309:

In jedem Lebensalter muβ eben durchaus darauf gesehen werden, daβ man nicht bloβ für dieses Lebensalter erzieht, sondern für das ganze irdische Menschenleben, ja noch darüber hinaus.

In iedere leeftijdsfase moet er dus volstrekt op gelet worden dat je niet alleen voor deze leeftijdsfase opvoedt, maar voor heel het aardse mensenleven, zelfs voor wat daar op volgt.
GA 309/80
Op deze blog vertaald/80

De hersenen en alle andere organen en systemen in het lichaam, elk met een gespecialiseerde vaardigheid die de andere aanvult zijn allemaal toegewijd aan een gemeenschappelijk doel. Ze lezen elkaars acties, passen hun eigen acties aan op basis van wat er om hen heen gebeurt en leren voortdurend van elkaar. Na verloop van tijd groeien biologische systemen in het lichaam uit tot een fijn afgestemde eenheid en reageren ze als één geheel op een veelheid aan uitdagingen. Als hun gedeelde ervaringen of omgevingen veranderen, moeten deze systemen zich aanpassen. Elke prestatie bouwt voort op wat ervoor kwam en hoewel aanpassingen altijd mogelijk zijn, is het moeilijker – en kostbaarder – om strategieën, patronen en gewoonten later te veranderen dan om vanaf het begin een goed functionerende en efficiënte samenhang op te bouwen.
Elk kind is daarin anders. 

De onderzoekers wijzen erop dat resultaten van deze verstoringen slechte onderwijsprestaties, lagere economische productiviteit, hogere criminaliteitscijfers en hogere kosten voor gezondheidszorg betekenen.

Alle biologische systemen in het lichaam interageren met elkaar en passen zich aan aan de context waarin een kind zich ontwikkelt – ten goede of ten kwade – en aanpassingen in het ene systeem kunnen aanpassingen in andere systemen beïnvloeden. Bedenk hoe alle systemen in het lichaam van een jong kind op een sterk gecoördineerde manier moeten functioneren om te reageren op uitdagende omstandigheden. De initiële biologische respons is hetzelfde, of het nu gaat om een kortstondige, normatieve ervaring, zoals de eerste dag in een kinderdagverblijf, of het aanhoudende trauma van herhaaldelijk fysiek misbruik – het zijn de duur, de ernst en de timing van de ervaring (samen met de beschikbaarheid van ondersteunende relaties) die bepalen of de respons uiteindelijk schadelijk of groeibevorderend is.
In beide situaties reageren de stresssystemen van het lichaam door meerdere interactieve componenten te coördineren: het autonome zenuwstelsel verhoogt de hartslag en de ademhaling, zodat het cardiovasculaire systeem wordt geactiveerd.

De hersenen ontvangen signalen van elk systeem, die de werking ervan beïnvloeden (en zelfs de chemie en architectuur ervan kunnen veranderen), en sturen vervolgens signalen terug naar andere organen.
Verschillende onderzoeken tonen bijvoorbeeld aan dat lichaamsbeweging de gezondheid van hart en bloedvaten bevordert en ook de processen stimuleert die leiden tot nieuwe neurale verbindingen en een verhoogde bloedstroom in de hersenen die het geheugen en de stemming verbeteren. [hier kunnen we denken aan de opmerkingen datde handen het hoofd beïnvloeden‘]

Metabole verstoringen kunnen ook veranderingen in de hersenarchitectuur veroorzaken die kunnen leiden tot een verminderde stemming en geheugen, evenals een verhoogd risico op latere dementie. [In GA 59 legt Steiner een verband met een bepaalde manier van opvoeden en dementia preacox.
Dit zijn slechts enkele van de vele voorbeelden die de connecties tussen de hersenen en de rest van het lichaam illustreren.

Verschillende keren geeft Steiner het voorbeeld van de driftige ouder en de hartproblemen op latere leeftijd.
De onderzoekers:
Bij een kind dat de aanhoudende dreiging van mishandeling ervaart, is er een voortdurende activering van de stressrespons die de investering van het lichaam in groei in gevaar brengt. Het proces waarbij het lichaam zich aanpast aan bedreigingen, zoals een verhoogde bloeddruk als reactie op stress, noemen wetenschappers allostase. Als een bedreiging of ontbering te intens of langdurig is, resulteert dit in allostatische belasting of overbelasting. Zoals bij elk overbelast systeem kan allostatische belasting leiden tot storingen (d.w.z. fysiologische en gedragsveranderingen die zowel de lichamelijke als geestelijke gezondheid kunnen ondermijnen). Een verhoogde bloeddruk is bijvoorbeeld in eerste instantie onderdeel van de stressrespons die ervoor zorgt dat het benodigde bloed, voedingsstoffen en zuurstof naar alle cellen in het lichaam gaan, maar als de bloeddruk te lang te hoog is, beschadigt hij de slagaders, wat kan leiden tot een hartaanval of beroerte. 

Om mijn artikel hier niet te lang te maken, verwijs ik naar de Engelse tekst [ Bron ]   waarin nog veel meer staat, dat we zullen herkennen als ‘wat we ook bij onze achtergronden’ tegenkomen.

.

Algemene menskunde voordracht 9 over nabootsing  en  tandenwisseling

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfase     0 – 7 jaar

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3330-3134

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

IK STOND LAATST VOOR EEN POPPENKRAAM
.

Ook dit spelletje was in mijn jeugd heel bekend. Vooral op de kleuterschool, die toen door oudere inwoners van ons dorp nog ‘bewaarschool’ werd genoemd, deden wij het.

Mellie Uyldert heeft vele van deze kringspelen beschreven met een achtergrond waarvan ik soms ook bij Steiner dingen tegenkom.
Vandaar dat ze in mijn  belangstelling staan, al weet ik ook niet wat ik met sommige verklaring moet.
Misschien iemand anders wel en daarom geef ik hier weer wat Uyldert zegt.

In het midden van de kring staan 1 kind; er wordt gezongen:

Ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o!
Daar zag ik mooie poppen staan: zó, zó, zó!
De poppenkoopman ging op reis,
de poppen raakten van de wijs,
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!

Lied

Bij: O! o! o! wordt het hoofd geschud en met de rechterhand een gebaar gemaakt van: o zo mooi!

Bij: zó, zó, zó! wordt met de hand een bepaalde grootte, van de grond af gerekend, aangegeven, steeds hoger.

Bij: ze deden allemaal zó! doet het kind midden in de kring een gebaar of beweging voor, die door de kring-kinderen wordt nagevolgd. Na enige tijd mag een ander kind midden in de kring gaan staan.

Verklaring

Uyldert deelt het spel in bijSpelen van geboorte‘.
In dat artikel vind je een verklaring, ook voor de namen die hier worden gebruikt.

Dat de spelers eerst onbeweeglijk staan, zou een uitbeelding zijn van de ongeboren zielen bij Moeder Holda. 
In “Anneke Tanneke Toverheksis er een ‘afwezigheid’ van vrouw Holda die ‘naar de pap gaat kijken’ met het gevolg dat de zielen incarneren.
Hier raken ‘de poppen van de wijs’ wanneer de poppenkoopman weg is. 

Meer zegt ze er niet over. 

Vanuit dezelfde achtergrond wordt nu het spel

POTTENWINKEL – STOELENWINKEL

vermeld.

Een van de kinderen houdt een winkel, de andere kinderen min één zijn de potten of de stoelen die zij verkoopt en zitten gehurkt achter haar. (Zij is weer Holda, de hoedster der zielen.)

Het andere, overgebleven kind komt de winkel binnen en er ontspint zich weer een gesprek:

Heb je stoelen (potten) te koop?

Ja, bekijk ze maar eens!

De klant draait nu de potten om en om, of gaat op de stoelen zitten! Bij het laatste: neiging tot luid gegil van de ’stoelen’, dat zij echter moeten bedwingen! Wie lacht of beweegt, wordt meegenomen.

Deze zal ik maar nemen!

De klant betaalt en verdwijnt met de pot of stoel. Dit herhaalt zich tot alle potten of stoelen verkocht zijn. Daarna worden de rollen omgekeerd.

Bekender voor mij is dit spel, dat ik als kind ook deed:

ALLES IN DE WIND

De kinderen staan weer in een kring en houden elkaar bij de hand. Binnenin de kring staan een paar kinderen, 3, 4, dicht bij de kring. Die begint nu linksom te huppelen, de andere kinderen rechtsom.
Er wordt gezongen:

Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!
Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!

Hier blijft de kring staan en de  andere kinderen ook, die staan dus vóór een kind van de buitenkring. Daarvan pakken ze de handen kruiselings en dansen in de kring in het rond, waarbij ze zingen:

Rozi, roza,
 ’k heb een zusje!
’k heb een zusje!
Rozi, roza,
’k Heb een zusje, trala!

Ik herinner me deze tekst:

Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
je bent m’n zusje
Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
ja, ja.

De stilstaande kinderen klappen in hun handen op de maat. Als het liedje uit is, gaan de binnen-kinderen in de kring en de andere waarmee gedanst is, komen ni in de binnenkring en het spel gaat opnieuw.
Het is natuurlijk belangrijk dat alle kinderen een keer aan de beurt komen.

De verklaring zou zijn dat kinderen die binnen in de kring zijn, in een aparte toestand zijn, andere wezens zijn, hier de ongeboren zielen die een plaatsje op aarde zoeken. Misschien zullen die wel Roza heten omdat ze hemelwei met de gouden rozen afkomstig zijn! Ze komen, volgens de overlevering, door ’het land van wind, zon en maan’: de sferen van denken (wind), willen (zon) en voelen (maan), die zij in deze sferen in het stoffelijk lichaampje vastgelegd hebben met het bind-band.

En dan: de ene ziel kómt, de andere gaat!

Nu zijn er nog een paar coupletten, maar daar zegt Uyldert niets over.
Hier, samen met de melodie, zijn ze afgedrukt, tevens met een andere manier van spelen.

DAAR LIEP EEN OUDE VROUW OP STRAAT

De kinderen vormen een stilstaande kring, handen los. Eén kind is ‘de oude vrouw’. Zij loopt binnen langs de kring, terwijl deze zingt:

Daar liep een oude vrouw op straat,
jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
en waar die oude vrouw ook liep,
vergat ze haar rode mutsje niet!
Jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
Jutekei, sa sa!

Melodie

Op de laatste twee regels keert de oude vrouw haar gezicht naar het kind, waar zij dan juist aan toe is, en maakt danspassen voor dat kind, dat dezelfde passen maakt, beide beginnen tegelijk met het rechterbeen vóór (schrede-sprong). Aan het eind wisselt zij met dat kind van plaats, en laat dat kind nu de oude vrouw zijn. Daarna begint het spel opnieuw. Er moet op gelet worden, dat elk kind een beurt krijgt om de oude vrouw te zijn. Is de kring heel groot, dan kan men beter twee of meer kinderen tegelijk, over de kring verdeeld, oude vrouw laten zijn.

De oude vrouw is geen gewoon mens: daar duidt het rode mutsje op dat vaak een teken is dat het om een etherisch wezen gaat. De kabouters dragen ook een rode puntmuts!
Is deze vrouw een elf, die een elfenkind verwisselt met een mensenkind, dat pas geboren is.? Dan zou het om een ‘wisselkind‘ gaan. Zo’n kind bleek zich anders te gedragen dan de ‘gewone’ kinderen.

’Jutekei’ is wellicht een verbastering van het Duitse Juch-hei!

DAAR ZIT ER EEN IN DE HOGE TOREN

Dit lijkt weer veel op Anneke Tanneke Toverheks, maar met een andere tekst.
Door aftellen wordt een kind gekozen. Dat gaat op de knieën zitten. Behalve één kind, gaan de andere om de geknielde staan en houden de jurk op die de geknielde draagt. 
Dit zittende kind zou weer vrouw Holle, Holda kunnen zijn die de zielen een schuilplaats onder haar rokken aanbiedt.) Het overblijvende kind loopt om de kring heen en vraagt:

Wie zit daar in die hoge toren?

Het knielende kind antwoordt:

Een jonkvrouw, een koningsdochter.

En dan volgt dit gesprek:

Anne, buiten de kring:

Van wie zijn al die kindertjes?

Holda: van mij!

Anne: Mag ik er eentje nemen?

– Nee! –

Mag ik er eentje stelen?

– Nee! –

Ik zal de schoutendiender halen, die zal jou de kop af slaan!

Dit kind zal meegaan!

Anne tikt een van de kinderen in de kring op de schouder, dat dan opstaat en achter Anne aan gaat lopen, haar rok vasthoudend. Nu herhaalt zich het gesprek en dit gaat zo door, tot alle kinderen uit de kring achter Anne aan lopen en Holda geheel alleen gebleven is.

Ook de volgende tekst bestaat:

Daar zit er een in de gouden ketel, die kan naaien, die kan breien, die kan gouden poppetjes maken!

Mag ik er eentje nemen? — enzovoort.

Bij Uyldert doet de gouden ketel aan de baarmoeder denken, de poppetjes zijn de wordende kinderen.

Een andere variant is:

Daar zit er een in de brouwersketel
Die kan naaien
Die kan spinnen
Die kan mooie popjes winnen!
.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3322-3126

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.
IK STOND LAATST VOOR EEN POPPENKRAAM
.

Ook dit spelletje was in mijn jeugd heel bekend. Vooral op de kleuterschool, die toen door oudere inwoners van ons dorp nog ‘bewaarschool’ werd genoemd, deden wij het.

Mellie Uyldert heeft vele van deze kringspelen beschreven met een achtergrond waarvan ik soms ook bij Steiner dingen tegenkom.
Vandaar dat ze in mijn  belangstelling staan, al weet ik ook niet wat ik met sommige verklaring moet.
Misschien iemand anders wel en daarom geef ik hier weer wat Uyldert zegt.

In het midden van de kring staan 1 kind; er wordt gezongen:

Ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o!
Daar zag ik mooie poppen staan: zó, zó, zó!
De poppenkoopman ging op reis,
de poppen raakten van de wijs,
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!

Lied

Bij: O! o! o! wordt het hoofd geschud en met de rechterhand een gebaar gemaakt van: o zo mooi!

Bij: zó, zó, zó! wordt met de hand een bepaalde grootte, van de grond af gerekend, aangegeven, steeds hoger.

Bij: ze deden allemaal zó! doet het kind midden in de kring een gebaar of beweging voor, die door de kring-kinderen wordt nagevolgd. Na enige tijd mag een ander kind midden in de kring gaan staan.

Verklaring

Uyldert deelt het spel in bijSpelen van geboorte‘.
In dat artikel vind je een verklaring, ook voor de namen die hier worden gebruikt.

Dat de spelers eerst onbeweeglijk staan, zou een uitbeelding zijn van de ongeboren zielen bij Moeder Holda. 
In “Anneke Tanneke Toverheksis er een ‘afwezigheid’ van vrouw Holda die ‘naar de pap gaat kijken’ met het gevolg dat de zielen incarneren.
Hier raken ‘de poppen van de wijs’ wanneer de poppenkoopman weg is. 

Meer zegt ze er niet over. 

Vanuit dezelfde achtergrond wordt nu het spel

POTTENWINKEL – STOELENWINKEL

vermeld.

Een van de kinderen houdt een winkel, de andere kinderen min één zijn de potten of de stoelen die zij verkoopt en zitten gehurkt achter haar. (Zij is weer Holda, de hoedster der zielen.)

Het andere, overgebleven kind komt de winkel binnen en er ontspint zich weer een gesprek:

Heb je stoelen (potten) te koop?

Ja, bekijk ze maar eens!

De klant draait nu de potten om en om, of gaat op de stoelen zitten! Bij het laatste: neiging tot luid gegil van de ’stoelen’, dat zij echter moeten bedwingen! Wie lacht of beweegt, wordt meegenomen.

Deze zal ik maar nemen!

De klant betaalt en verdwijnt met de pot of stoel. Dit herhaalt zich tot alle potten of stoelen verkocht zijn. Daarna worden de rollen omgekeerd.

Bekender voor mij is dit spel, dat ik als kind ook deed:

ALLES IN DE WIND

De kinderen staan weer in een kring en houden elkaar bij de hand. Binnenin de kring staan een paar kinderen, 3, 4, dicht bij de kring. Die begint nu linksom te huppelen, de andere kinderen rechtsom.
Er wordt gezongen:

Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!
Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!

Hier blijft de kring staan en de  andere kinderen ook, die staan dus vóór een kind van de buitenkring. Daarvan pakken ze de handen kruiselings en dansen in de kring in het rond, waarbij ze zingen:

Rozi, roza,
’k heb een zusje!
’k heb een zusje!
Rozi, roza,
’k Heb een zusje, trala!

Ik herinner me deze tekst:

Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
je bent m’n zusje
Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
ja, ja.

De stilstaande kinderen klappen in hun handen op de maat. Als het liedje uit is, gaan de binnen-kinderen in de kring en de andere waarmee gedanst is, komen ni in de binnenkring en het spel gaat opnieuw.
Het is natuurlijk belangrijk dat alle kinderen een keer aan de beurt komen.

De verklaring zou zijn dat kinderen die binnen in de kring zijn, in een aparte toestand zijn, andere wezens zijn, hier de ongeboren zielen die een plaatsje op aarde zoeken. Misschien zullen die wel Roza heten omdat ze hemelwei met de gouden rozen afkomstig zijn! Ze komen, volgens de overlevering, door ’het land van wind, zon en maan’: de sferen van denken (wind), willen (zon) en voelen (maan), die zij in deze sferen in het stoffelijk lichaampje vastgelegd hebben met het bind-band.

En dan: de ene ziel kómt, de andere gaat!

Nu zijn er nog een paar coupletten, maar daar zegt Uyldert niets over.
Hier, samen met de melodie, zijn ze afgedrukt, tevens met een andere manier van spelen.

DAAR LIEP EEN OUDE VROUW OP STRAAT

De kinderen vormen een stilstaande kring, handen los. Eén kind is ‘de oude vrouw’. Zij loopt binnen langs de kring, terwijl deze zingt:

Daar liep een oude vrouw op straat,
jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
en waar die oude vrouw ook liep,
vergat ze haar rode mutsje niet!
Jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
Jutekei, sa sa!

Melodie

Op de laatste twee regels keert de oude vrouw haar gezicht naar het kind, waar zij dan juist aan toe is, en maakt danspassen voor dat kind, dat dezelfde passen maakt, beide beginnen tegelijk met het rechterbeen vóór (schrede-sprong). Aan het eind wisselt zij met dat kind van plaats, en laat dat kind nu de oude vrouw zijn. Daarna begint het spel opnieuw. Er moet op gelet worden, dat elk kind een beurt krijgt om de oude vrouw te zijn. Is de kring heel groot, dan kan men beter twee of meer kinderen tegelijk, over de kring verdeeld, oude vrouw laten zijn.

De oude vrouw is geen gewoon mens: daar duidt het rode mutsje op dat vaak een teken is dat het om een etherisch wezen gaat. De kabouters dragen ook een rode puntmuts!
Is deze vrouw een elf, die een elfenkind verwisselt met een mensenkind, dat pas geboren is.? Dan zou het om een ‘wisselkind‘ gaan. Zo’n kind bleek zich anders te gedragen dan de ‘gewone’ kinderen.

’Jutekei’ is wellicht een verbastering van het Duitse Juch-hei!

DAAR ZIT ER EEN IN DE HOGE TOREN

Dit lijkt weer veel op Anneke Tanneke Toverheks, maar met een andere tekst.
Door aftellen wordt een kind gekozen. Dat gaat op de knieën zitten. Behalve één kind, gaan de andere om de geknielde staan en houden de jurk op die de geknielde draagt. 
Dit zittende kind zou weer vrouw Holle, Holda kunnen zijn die de zielen een schuilplaats onder haar rokken aanbiedt.) Het overblijvende kind loopt om de kring heen en vraagt:

Wie zit daar in die hoge toren?

Het knielende kind antwoordt:

Een jonkvrouw, een koningsdochter.

En dan volgt dit gesprek:

Anne, buiten de kring:

Van wie zijn al die kindertjes?

Holda: van mij!

Anne: Mag ik er eentje nemen?

– Nee! –

Mag ik er eentje stelen?

– Nee! –

Ik zal de schoutendiender halen, die zal jou de kop af slaan!

Dit kind zal meegaan!

Anne tikt een van de kinderen in de kring op de schouder, dat dan opstaat en achter Anne aan gaat lopen, haar rok vasthoudend. Nu herhaalt zich het gesprek en dit gaat zo door, tot alle kinderen uit de kring achter Anne aan lopen en Holda geheel alleen gebleven is.

Ook de volgende tekst bestaat:

Daar zit er een in de gouden ketel, die kan naaien, die kan breien, die kan gouden poppetjes maken!

Mag ik er eentje nemen? — enzovoort.

Bij Uyldert doet de gouden ketel aan de baarmoeder denken, de poppetjes zijn de wordende kinderen.

Een andere variant is:

Daar zit er een in de brouwersketel
Die kan naaien
Die kan spinnen
Die kan mooie popjes winnen!
.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3318-3122

.

.

.

.