Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/6)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er worden allerlei bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewerl ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool Amsterdam, okt.1975
.

vrijheid

In onze schoolbeweging kom je nogal eens het woordje “vrij” tegen; vrije school, vrije opvoedkunst, vrije pedagogische academie, vrije hogeschool enz.
Wat wordt met dat begrip “vrij” nu eigenlijk bedoeld? Ouders vragen hier vaak naar.

Om wat voor soort vrijheid gaat het hier nu eigenlijk?

Het woord ‘vrij’ klinkt ons over het algemeen sympathiek in de oren, het wekt op, houdt een belofte in – de mogelijkheid tot veelvoudige keuze. De kinderen juichen als zij vrij krijgen, ook al vinden ze het helemaal niet naar op school. Maar ook wij, volwassenen, zijn – zij het ook beheerster – blij met vrijheid. Het verlangen naar vrijheid zit ons merkbaar in het bloed.

Toch is het bezit van vrijheid helemaal niet zo vanzelfsprekend, In vele gevallen wordt deze ontkend, geloochend, betwist of ontnomen. Dit kan op allerlei gronden gebeuren.

Misschien is het daarom wel interessant dit veelomvattende en veel omstreden ideaal eens van verschillende kanten te bekijken. Uit die overweging hebben wij het voor dit schooljaar als thema voor het Maandbericht gekozen, wel wetende dat het geen eenvoudig thema is – er zijn dikke en moeilijke boeken over volgeschreven! Maar mogelijk kunnen we – en dat kan dan niet anders dan aforistisch zijn, voor wie er meer van wil weten is er de desbetreffende literatuur- wat bijeen brengen waardoor we iets meer zicht krijgen op onze vrijheidsdrang -en op de waarde daarvan.

In het septembernummer [niet op deze blog] hebben we dit thema al aangelopen vanuit de Nederlandse volksaard en vanuit het beeld van de verloren gegane fysieke bewegingsvrijheid; door de steeds toenemende inperking van onze ruimtelijke vrijheid. Die echter samengaat met een tegenovergestelde tendens – de ontwikkeling en groei van een innerlijk beleefde vrijheid, , .

filosofische uitgangspunten

Er was een tijd dat de filosofie als wetenschap hoog aangeschreven stond. Zij doortrok als het ware alle andere wetenschappen. In onze tijd is aan de filosofie weliswaar nog een plaats ingeruimd op de universiteiten, maar waarschijnlijk is het de kleinst bezette faculteit – het studeren van filosofie wordt bijna als een hobby beschouwd.

Interesseert ons in het algemeen de filosofie als wetenschap niet meer – zij beheerst ons wel. Zonder het zich altijd bewust te zijn, leven velen van ons onder de invloed van een bepaalde filosofie en wel van die van Emanuel Kant.

Hoewel Kant al in de 18e eeuw (in Duitsland) leefde en werkte en er na hem andere belangrijke filosofen geweest zijn, staat het hedendaagse wetenschappelijke denken nog steeds voor de grens, die Kant getrokken heeft. En ook al bespeurt hij dat niet, voor vrijwel iedere al dan niet academisch opgeleide burger geldt, dat zijn individuele denkbeelden in hoge mate mee gevormd worden door datgene wat aan “de” wetenschap als filosofie ten grondslag ligt.

Als een sneeuwkap die van een berg geleidelijk omlaag zakt, langzaam smelt, zich omvormt in water en daarna een heel gebied doordrenkt, zo werkt na lange tijden nog door wat van de toppen der wetenschap is neergedaald.

Er is in 1894 een boek geschreven, getiteld “Filosofie der Freiheit“, waarvan de auteur gezegd heeft dat dit ene werk van zijn gehele oeuvre het langste zijn waarde zou blijven behouden. Je vraagt je dan natuurlijk dadelijk af; waarom? Waarom alleen en juist dit? Het antwoord lijkt te zijn, dat in dit boek geen occulte gegevens verwerkt zijn – het is een strikt wetenschappelijk werk in de zin die aan ‘wetenschap’ wordt toegekend. Het is een voortzetting van de lijn, die begint bij Plato en sluit aan bij hetgeen door de eeuwen door de belangrijkste filosofen is ontwikkeld en met name door Kant als de meest invloedrijke.

Wat is filosofie? In het Nederlands wijsbegeerte. Een prachtige uitdrukking; begeerte naar wijsheid! Zelfs naar de allerhoogste wijsheid – de wijsheid die in alle verschijnselen verborgen ligt. Deze wijsheid te kunnen omvatten met het eigen denken kan werkelijk een begeerte zijn! .

In “Mijn levensweg” beschrijft Rudolf Steiner hoe hij als middelbaar scholier met de werken van Kant in aanraking kwam. Deze beschrijving geeft een karakteristiek beeld van de persoonlijkheid van (de jonge) Steiner en maakt al de kiem zichtbaar van zijn latere filosofische ontwikkeling. Nadat hij zich al een paar jaar (in de 3e en 4e klas!) had bezig gehouden met het vraagstuk hoe je denkend tot het wezen van de natuurverschijnselen kunt doordringen, zodanig dat er een overeenstemming ontstaat met wat je er innerlijk aan beleeft, kwam hij op een dag langs een boekhandel en zag in de etalage Kants “Kritik der reinen Vernunft” liggen.

Hij kocht het onmiddellijk omdat de titel hem intrigeerde – van Kant wist hij nog totaal niets- hij wilde alleen weten hoe je met je pure menselijke verstand de dingen kon doorgronden. Omdat hij weinig tijd had om te lezen -hij was dagelijks 3 uur onderweg van huis naar school en vice versa en moest ’s avonds nog huiswerk maken- bedacht hij een manier om toch aan zijn trekken te komen. Hij haalde de “Kritik” uit elkaar, legde de losse blaadjes in zijn geschiedenisboek en las ze op school tijdens de les. Kant – zo schijft hij ter verontschuldiging – de geschiedenisleraar deed in die les niets anders dan het boek citeren, dus kon hij dat ook thuis nalezen. De les stelde verder niets voor. Deze filosofische zelfstudie, die Steiner in de vakanties voortzette, had dan ook geen nadelige invloed op zijn rapportcijfer en, zoals hij er nog aan toevoegt: hij hinderde er niemand mee.

Vermakelijk is in dit verband nog een kleine anekdote, eveneens karakteristiek, maar voor een heel andere instelling.
Enkele tientallen jaren later werd Rudolf Steiner, toen reeds een vermaard spreker, uitgenodigd om voor een groep hoogleraren aan de universiteit van Amsterdam een voordracht te houden-. In de discussie die op deze voordracht volgde, werd hij door één van de toehoorders op de vingers getikt met de opmerking: hij moest Kant eerst maar eens bestuderen!

Rudolf Steiner vond bij Kant echter geen antwoord op zijn vraag. Hij heeft later in zijn ‘’Filosofie van de vrijheid” uiteengezet op welk punt de filosofie van Kant is vastgelopen en daaraan een nieuw perspectief voor de verdere ontwikkeling van deze wetenschap toegevoegd.

Wat is nu het kritieke punt in de filosofie van Kant? Heel kort gezegd komt het hierop neer: de mens neemt door zijn zintuigen de wereld om zich heen waar. Deze waarnemingen vormen zich, volgens Kant, in zijn innerlijk tot voorstellingen. Op deze voorstellingen is ons denken over de wereld gebaseerd. In ieder mens leeft een individuele voorstellingswereld. Volgens Kant is er echter niets wat ons garandeert, dat deze voorstellingswereld klopt met de werkelijke wereld, met het eigenlijke wezen van de dingen om ons heen. Onze voorstellingen hebben daarom geen of weinig waarheidsgehalte. Door het denken kunnen wij dan ook geen toegang krijgen tot het wezen van de dingen zelf – het: “Ding-an-sich” blijft verborgen. Wat zich door de waarneming in ons tot voorstelling vormt is een schijnwereld ten opzichte van de eigenlijke achtergronden. Ons eigenlijke kennen staat daardoor voor een grens, die niet overschreden kan worden. Wij moeten erin berusten dat er twee werelden bestaan; degene die wij waarnemen en waarvan wij ons een voorstelling maken en met behulp waarvan wij thesen bouwen, wetenschap ontwikkelen, techniek voortbrengen én degene die de werkelijke wereld is en die wij in wezen niet kunnen kennen. In vakterm: een dualistische wereldbeschouwing.

Wat zijn nu voor de ontwikkeling van de wetenschap en het maatschappelijk leven de consequenties geweest van deze dualistische wereldbeschouwing?

.

Meer artikelen van Annet Schukking over vrijheid in

Sociale driegeleding: alle artikelen onder nr. 7

.
Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1988-1871

.

4

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-4)

.

Vandaag is het 100 jaar geleden dat er officieel een einde kwam aan Wereldoorlog 1.

40 jaar geleden schreef Arnold Henny in het blad Jonas een serie artikelen over Europa. Hij besteedde ook aandacht aan de Vrede van Versailles – toen 60 jaar geleden. 
Het moge bekend zijn dat Rudolf Steiner zich in 1919 inzette voor de wereldvrede door zijn concept van een driegelede maatschappij. 
Toen hiervoor weinig tot geen belangstelling werd getoond, waarschuwde hij voor een nieuwe catastrofe.

De vraag waar Europa vandaag de dag staat in het geheel van staten en volkeren, is nog even actueel als Henny 40 jaar geleden constateert.

A.C.Henny, Jonas 22, 29 juni 1979

.

Zestig jaar na de vrede van Versailles   
28 juni 1919

Voor sommige historici ligt het begin van de 20e eeuw niet bij het jaar 1900 maar bij het jaar 1919, het einde van Weldoorlog I. Daarmee wordt dan een periode afgesloten, die bekend staat als het ‘tijdperk der zekerheden’. Zekerheden op godsdienstig gebied: dank zij de autoriteit van de Kerken als behoeders van een morele orde. Zekerheden op economisch gebied, dank zij de ‘autoriteit’ van de gouden standaard als behoeder van stabiliteit van lonen en prijzen. Zekerheden op staatkundig gebied, dank zij de autoriteit van gekroonde vorsten als behoeders van de stabiliteit in nagenoeg alle landen van Europa.

Na 1919 wordt dat anders. Typerend hiervoor zijn de woorden van Lord Grey, minister van buitenlandse zaken in Engeland, op de avond van de Engelse oorlogsverklaring aan Duitsland, 3 augustus 1914: ‘Op dit ogenblik gaan in geheel Europa de lichten uit en niemand die vandaag leeft zal ze ooit weer zien schijnen ’.

Wat hij precies hiermee heeft bedoeld, zal de generatie die na 1919 in Europa opgroeit pas beseffen: de betrekkelijkheid van alle zekerheden die de 19e eeuw bood. Deze generatie heeft in revoluties eeuwenoude vorstelijke dynastieën zien vallen, zij heeft een geldontwaarding beleefd die alle spaargelden waardeloos maakte, zij heeft leren twijfelen aan eeuwenoude gevestigde opvattingen. Toch leefde zij, vlak na 1919, in een tijd van grote verwachtingen. Men was vervuld van geloof, de maatschappij te kunnen veranderen, hetzij door opvoeding, hetzij door verwerkelijking van sociale heilsverwachtingen.

Zo’n heilsverwachting was bijvoorbeeld het door president Wilson verkondigde ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’. Waren niet op grond van déze toekomstverwachting, de Verenigde Staten in 1917 de oorlog ingegaan? Dat blijkt wel uit de woorden van Wilson, gericht aan het Congres na de oorlogsverklaring:

‘Ons doel is, de grondslagen van de vrede en van de gerechtigheid in de wereld te verdedigen tegen een zelfzuchtige en autocratische macht. Wij voeren geen strijd tegen het Duitse volk. Wij hebben daarvoor slechts gevoelens van sympathie en vriendschap. Toen dit volk de oorlog begon, was dit niet zijn aangelegenheid maar die van zijn regering. Het is geschied buiten voorafgaande in kennisstelling of inwilliging… ’

In deze woorden lag reeds het zelfbeschikkingsrecht der volken, als basis voor een toekomstige wereldorde waarin oorlogen tot het verleden zouden behoren, besloten.
In een latere rede (11 februari 1918) heet het: ‘Er zullen geen annexaties zijn, geen oorlogsschattingen, geen als straf opgelegde schadevergoedingen. Zelfbeschikkingsrecht is niet slechts een frase. Het is een gebiedend beginsel van actie, hetwelk de staatslieden van nu af aan slechts op eigen verantwoordelijkheid kunnen verwaarlozen. Iedere ter
ritoriale regeling als gevolg van deze oorlog, moet gemaakt worden in het belang en ten voordele van de daarbij betrokken bevolkingen en niet maar zonder meer als een onderdeel van een regeling of onderlinge schikking van aanspraak tussen wedijverende staten’.

Zo werden dan ook in november 1918 deze beginselen, in 14 punten samengevat, als voorwaarde gesteld voor een wapenstilstand, en als leidraad voor een herstructurering van het Europese statensysteem bij komende vredesonderhandelingen.

Het is dus wel begrijpelijk dat bij het begin van deze onderhandelingen te Parijs de verwachtingen hooggespannen waren. Na de verschrikkingen van de oorlog – 23 miljoen doden (dat wil zeggen elke minuut 10 doden) 20 miljoen gewonden en 3 miljoen vermisten – de geboorte van ‘het nieuwe Europa’ met grenzen die de mogelijkheid zouden uitsluiten dat het éne volk het andere kan onderdrukken, zoals bijvoorbeeld dit het geval was geweest in de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, waar een meerderheid van Slaven, Hongaren en Italianen, onder de dwang had geleefd van een minderheid van Oostenrijkers.

Men kan dit alleen nalezen in het dagboek van een jong Brits diplomaat, die als lid van zijn delegatie op een winterochtend tussen Calais en Parijs in de restauratiewagen voor zijn ontbijt zat en zich verdiepte in de fouten die in 1814 in Wenen waren gemaakt bij de liquidatie van de oorlogen tegen Napoleon. Fouten die Europa zodanig hadden gestructureerd dat dit vredesverdrag een grondslag werd voor nieuwe oorlogen en opstanden: van Italianen tegen Oostenrijkers, van Pruisen tegen Oostenrijkers, van Polen tegen Russen, van Tsjechen en Hongaren tegen Oostenrijkers.
‘In Wenen’, zo schreef deze diplomaat, Harold Nicholson, ‘had men uiterst cynisch gesproken over een koehandel van volkszielen. Wij wisten nu dat wij niet het slachtoffer konden zijn van zodanige menselijke verwarring. Wij geloofden in nationalisme, in het zelfbeschikkingsrecht der volken. Volken zijn geen stukken bezit of pionnen op een schaakbord… Bij de woorden ‘pionnen op een schaakbord’ kwamen onze lippen in de plooi van democratische hoffelijkheid… ’

De Grote Drie

Zó begon, 18 januari 1919, de vredesconferentie, in een euforie van verwachtingen. Daarvan was aan het einde, 28 juni, weinig meer over.

Naast de beschrijving van Harold Nicholson in zijn ‘Peacemakers’ is er de beschrijving van John Maynard Keynes ‘The economic consequenses of peace’. De beschrijving die hij hierin geeft van ‘De Grote Drie’ onderhandelaars – Clemenceau, Wilson en Lloyd George – is langzamerhand klassiek geworden:

‘Clemenceau was verreweg het meest eminente lid van de Raad van Vier, en hij wist wat zijn collega’s waard waren. Hij alleen had een vast omlijnd plan, dat hij in al zijn gevolgen had overdacht. ..
Frankrijk was voor hem, wat Athene was voor Pericles: het enige waardevolle, waarnaast niets anders nog enige betekenis heeft. Hij had één illusie, Frankrijk; en één desillusie – het mensdom, de Fransen inbegrepen, en zijn collega’s niet in de laatste plaats. Zijn principes voor de vrede kunnen in weinig woorden worden samengevat: allereerst was hij een overtuigd aanhanger van de bekende theorie omtrent het Duitse volkskarakter – dat men slechts door vreesaanjaging bij een Duitser iets kan bereiken. Daarom moet men met een Duitser nooit onderhandelen of trachten hem te verzoenen, men moet hem eenvoudig de wet voorschrijven…

Dit is de politiek van een oude man, wiens sterkste indrukken en levendigste voorstellingen aan het verleden toebehoren en niet aan de toekomst. Hij ziet de gebeurtenissen in het licht van een strijd tussen Frankrijk en Duitsland, niet als een omhoog streven van de mensheid en de Europese beschaving naar een nieuwe wereldorde. .. 
Welk een plaats vervulde president Wilson niet in de harten en toekomstverwachtingen van de wereld, toen de ‘George Washington’ hem tot ons voerde! Welk een groot man kwam er naar Europa in die eerste dagen onzer overwinning!
De Amerikaanse legers hadden juist het hoogtepunt bereikt in sterke geoefendheid en uitrusting. Europa was voor de voedselvoorziening volkomen afhankelijk van de Verenigde Staten; en op financieel gebied was het zelfs nog meer aan hun genade overgeleverd… Nooit tevoren beschikte een filosoof over zulke wapens om de heersers dezer wereld te binden. Met hoeveel nieuwsgierigheid, verlangen en hoop trachten wij een vluchtige indruk te krijgen van de trekken en het voorkomen van deze afgezant die, uit het westen komende, genezing zou brengen aan de wonden van de grijze Stamvader zijner eigen beschaving en die de grondslagen zou leggen van onze toekomst… De teleurstelling was zo volslagen, dat sommigen van hen die het grootste vertrouwen hadden gehad, er nauwelijks over durfden te spreken…

Men behoefde de president maar even te zien om te weten, dat hij – wat hij overigens ook mocht zijn – zeker niet in de eerste plaats het temperament van een geleerde bezat, en dat hij bovendien die zekere verfijning, dat eigenaardige vernis van beschaving miste, welke M. Clemenceau en Mr. Balfour stempelt tot bij uitstek fijn ontwikkelde mensen van hun stand en generatie. Maar, wat belangrijker was, hij was niet alleen ongevoelig voor de dingen in zijn nabijheid in de uiterlijke betekenis van het woord, hij was absoluut onontvankelijk voor al hetgeen er om hem heen geschiedde.
Wat kon zo’n man uitrichten tegen Lloyd Georges onfeilbare, bijna mediumachtige gevoeligheid tegenover ieder in zijn onmiddellijke omgeving? Men behoefde maar even te zien, hoe de ‘Prime Minister’ het gezelschap waarnam met zes of zeven zintuigen waarover een gewoon mens niet beschikt, hoe hij bezig was karakter, beweegredenen en onbewuste impulsen te beoordelen, radend wat ieder dacht en zelfs wat ieder het volgend ogenblik zou gaan zeggen, en al van tevoren met telepathisch instinct, dat argument of verzoek formulerend, dat het beste geschikt was om de ijdelheid, de zwakheid of het eigenbelang van zijn directe toehoorder te treffen, om te beseffen dat de ongelukkige president voor blindeman ging spelen in dat gezelschap. Nooit had een man de vergaderzaal kunnen betreden, meer voorbestemd om het volstrekte slachtoffer te worden van de buitengewone talenten van de Britse eerste minister. De Oude Wereld was nu eenmaal gehard in de zonde, en het scherpste zwaard van de dappere dolende ridder moest wel afstompen op haar stenen hart.

Maar een blinde en dove Don Quichotte kwam een spelonk binnen, waar het snelle, flikkerende zwaard in de handen van de tegenstander was… ’

Zelfbeschikking en herstelbetalingen

Het is in de afgelopen 60 jaar wel duidelijk geworden, welke tragische gevolgen het Verdrag van Versailles heeft gehad voor de ontwikkeling van Europa. Tragiek die niet alleen heeft te maken met de persoon van Woodrow Wilson maar ook met zijn idealen, die niet levensvatbaar zijn gebleken. Speciaal het zelfbeschikkingsrecht der volkeren is geen reële basis gebleken voor een herstructurering van het nieuwe Europa. Weliswaar kwam na de regeling slechts 3 procent van de bevolking van Europa onder vreemd gezag, maar daar staat tegenover dat door heel deze ‘Balkanisering’ van Midden- en Oost-Europa de Europese grenzen in 1919 ruim 1000 km langer waren dan in 1914.

Economisch gezien, betekende dit een verminking. De nieuwe grenzen waren namelijk zodanig dat hierdoor de bestaande handelsbetrekkingen werden doorbroken. Onafhankelijkheid op staatkundig gebied betekent nog niet dat hierdoor de nieuw gevormde staten ook economisch zelfstandig zijn. Overal waar dit niet het geval was, kwamen deze staten onder de afhankelijkheid van westers kapitaal. Bovendien hield men zich niet aan het zelfbeschikkingsrecht ten opzichte van de landen die de oorlog hadden verloren. Zo bevatte Tsjecho-Slowakije in de noordelijke grensgebieden een minderheid van ongeveer 3 miljoen Sudeten-Duitsers. Zo moest de nieuwe republiek Polen worden voorzien van een ‘Corridor’, dwars door Duits gebied, naar de Oostzee. Wat van het oude Oostenrijk overbleef was een niet levensvatbaar agrarisch land met een hoofdstad van 3 miljoen inwoners. Door het verdrag werd een aaneensluiting met Duitsland onmogelijk gemaakt.

Wij zien dan ook dat later, met de opkomst van het nationaal-socialisme voor de meeste Duitsers het ‘Dictaat van Versailles’ moreel niet bindend was en dat Hitler, op grond van het zelfbeschikkingsrecht, vanaf 1936 bijna ieder jaar het Verdrag eigenmachtig corrigeerde: in 1936 met de bezetting van de linker Rijnoever, in 1938 met de ‘Anschluss’ aan Oostenrijk, en de inlijving van de Sudeten-Duitsers in het Rijk en ten slotte in 1939 met de annexatie van Polen.

Zo lag de kiem van een volgende oorlog reeds in deze vredesregeling, zodat reeds in 1919 de Franse maarschalk Foch het oordeel kon uitspreken: ‘Dit is geen vrede. Dit is een wapenstilstand’.

Daarbij kwam het vraagstuk van de herstelbetalingen op grond van Duitslands schuld aan de oorlog. Het bedrag waarvoor Duitsland werd aangesproken – 132 miljard goudmark – was destijds zó gigantisch dat, economisch gezien, hiermee een belangrijk stuk koopkracht van Midden-Europa wegviel, tot schade van de wereldhandel.

De Amerikanen leenden het geld aan de Duitsers die de overeengekomen bedragen aan de geallieerden betaalden die op hun beurt aan de Verenigde Staten het geld terugbetaalden dat zij hadden geleend.

Zo ontstond een verschuiving van schuldenlast in de wereldeconomie. Hoewel de Verenigde Staten er zich op beriepen dat zij geen enkele aanspraak – territoriaal, of economisch – in Versailles beoogden, zijn zij toch, min of meer vanzelf, financieel in een nieuwe situatie geraakt. Van debiteurstaat ten opzichte van Europa werden zij crediteurstaat. Vóór de oorlog (1914) waren de Verenigde Staten debet aan het buitenland 3.7 miljard dollar. Ten gevolge van de oorlog (1919) was het buitenland debet aan de Verenigde Staten 3 miljard dollar.

Zo werd door het Verdrag van Versailles niet alleen een kiem gelegd voor een volgend gewapend conflict maar ook voor een economische crisis die in de Verenigde Staten in 1929 begon doordat de boeren hun graan niet konden exporteren omdat de Europese debiteuren zich gedwongen zagen de invoer van Amerikaanse goederen te beperken ten einde hun schuldenlast aan de Verenigde Staten niet hoger te laten oplopen.

Nergens blijkt duidelijker dan uit de staatkundige en economische gevolgen van het Verdrag van Versailles, hoe fataal een verstrengeling van politieke machtsverhoudingen en economische betrekkingen kan zijn.

Wilsons idealisme van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren als grondslag voor wereldvrede, is daarom niet alleen stukgelopen op een gebrekkige toepassing door staatslieden, die gebonden bleken te zijn aan de wil hunner kiezers, die op hun beurt verblind waren door nationaal eigenbelang; het zelfbeschikkingsrecht bleek ook zelf een bron te zijn van nationale hartstocht. Het staatkundig klimaat van Europa is er niet vreedzamer door geworden in de periode van 1919 – 1939.

Rudolf Steiner en het Verdrag van Versailles

Twee jaar vóór de afsluiting van het Verdrag van Versailles werden door Rudolf Steiner twee memoranda opgesteld, die hij heeft voorgelegd aan een aantal leidende staatslieden in Duitsland en Oostenrijk (Zie  ‘De eerste jaren van de Driegeleding’.)

Hij verzette zich daarin bijzonder fel tegen de idealen en de beginselen van president Wilson, welke immers als rechtvaardiging waren voorgesteld voor het ingrijpen van de Verenigde Staten in de oorlog. Speciaal het zelfbeschikkingsrecht werd door Steiner ontmaskerd als een valse leuze die in geen enkel opzicht een grondslag kon leggen voor vreedzame betrekkingen tussen volken. Reeds in 1917 voorzag Steiner dat, op grond van dit recht, Midden-Europa in economische afhankelijkheid zou komen van een Engels-Amerikaanse wereldmacht. Verder stelde hij vast dat aan de vrijheid van volkeren de vrijheid van mensen vooraf moet gaan in plaats van omgekeerd: als zou de vrijheid van mensen het gevolg kunnen zijn van de vrijheid van volken. Zeer zeker gold dit destijds wat betreft de situatie in Midden-Europa. Onder vrijheid verstond Rudolf Steiner allereerst de vrijheid op religieus en cultureel gebied, zonder druk van economische of politieke machtsverhoudingen.

In dit zelfde jaar – 1917 – legde Steiner ook de grondslag voor zijn drieledige maatschappijstructuur, waarover hij in een aantal voordrachten in Zürich – op neutraal gebied – sprak. Deze voordrachten zijn later in 1919 in een boek verschenen als ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’. Zoals men weet is daaruit een sociale beweging gegroeid ten behoeve van een ‘drieledigheid van het sociale organisme’. [GA 23, vertaald]

Dit alles is nu historie, evenals het Verdrag van Versailles. De situatie waarin wij thans verkeren is totaal anders dan in 1919. Allereerst moet het vraagstuk Midden-Europa tussen Oost- en West-Europa anders worden gesteld. In 1979 is ‘Midden-Europa’ niet veel meer dan een muur die Oost-Berlijn scheidt van West-Berlijn. Hetgeen niet wil zeggen dat, nu Midden-Europa in geografisch opzicht anders moet worden gezien, Europa als ‘middengebied’ niet een belangrijke rol kan spelen in de sociale spanningen tussen Oost en West. Niet zozeer in geografisch opzicht als wel in functioneel opzicht. Verder is er, naast het probleem van de verhouding tussen Oost en West, voor Europa het probleem gekomen van de verhouding tussen Noord en Zuid met zijn spanningen tussen de ontwikkelde en de onderontwikkelde wereld.

Dit laatste leidt tot een confrontatie van Europa met Afrika en de Arabische wereld in het Midden-Oosten. Sinds de dekolonisatie van Afrika – gebaseerd op het zelfbeschikkingsrecht – zijn de meeste jonge staten in dit werelddeel vervallen tot een militaire dictatuur.

Daarnaast is een aantal Arabische staten, dank zij de beschikking over meer dan 60 procent van de wereldvoorraad aan olie, in een economische machtspositie ten opzichte van Europa gekomen.

Zo ziet Europa als ‘de Oude Wereld, gehard in de zonde’ met verbijstering hoe haar eigen ideeën tot daden zijn uitgegroeid, die voor haar noodlottig dreigen te worden.

Want het zelfbeschikkingsrecht is, historisch gezien, gebaseerd op een 17e eeuwse filosofie die vanuit Engeland (John Locke) naar Amerika is overgebracht. Daar heeft zij geleid tot de ‘koloniale revolutie’ van de Verenigde Staten in 1776.

Na wereldoorlog II leidt zij dan tot de koloniale revolutie van de Afrikaanse staten.
Evenzo zouden de Arabieren hun huidige machtspositie als eigenaars van de oliebronnen, niet kunnen uitoefenen, wanneer er niet in Europa, sinds de 18e eeuw, een ‘industriële revolutie’ was geweest. Het zijn Europese ideeën geweest, die de basis hebben gelegd voor de huidige auto- en vliegtuigindustrie. Daaraan dankt de olie zijn tegenwoordige waarde!

Zo wordt Europa geconfronteerd met zijn eigen ideeën die als ‘daden’ – in het staatkundig vlak van Afrika uit, in het economische vlak van Noord-Afrika en het Midden-Oosten uit, op Europa terugslaan.

In de thans op gang gebrachte ‘Dialoog’ tussen Europa en de Arabisch-Afrikaanse staten, moet déze spanning tussen ideeën en daden, tussen verleden en toekomst worden vereffend.
Hoe kunnen daarbij nieuwe ideeën een tegenwicht vormen tegen de oude ideeën die voor Europa noodlottig dreigen te worden?

Dat is een vraag die 60 jaar na het Verdrag van Versailles wel mag worden gesteld; vóórdat Europa zichzelf buiten spel zet ten opzichte van de rest van de wereld.

.

Sociale driegeledingalle artikelen onder nr. 10 artikelen over Europa

.

1941-1825

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5)

.

Op zoek naar de menselijke maat

Hoe groot mag een organisatie worden, om toch nog mensvriendelijk te blijven? Kun je dat met getallen uitdrukken?

Lex Bos, organisatie-deskundige, meent van niet. ‘Ik ga steeds meer ontdekken dat het probleem van de schaal en het vinden van de grenzen, samenhangt met de sleutelwoorden zelfbestuur en associatieve vervlechting’.

Een interview.van Jelle Vermeulen met Lex Bos, Jonas 4, `8-10-1981

In plaats van kleinschaligheid zou je eigenlijk moeten spreken van mensmatigheid. Ik was onlangs met de Griekse mysteriën bezig en stuitte toen op iets heel fascinerends. Als je als leerling de mysterieplaats Delphi binnenkwam, dan stond daar op de poort: ‘Ken Uzelf’. Dat gebeurde dan ook in die mysteriën. Je kreeg steeds meer antwoord op de vraag wie je zelf bent. Als je er dan weer uit ging dan stond er op de andere kant van de poort: ‘Alles met mate’. Dan rijst direct de vraag: welke maat dan? ‘Alles wat ik nu in de buitenwereld ga doen’, dacht de leerling, ‘moet ik aan een maat relateren’. Welke maat? Op die vraag kreeg je antwoord in de mysteriën: ‘De menselijke maat’. De mens is de maat van alle dingen’.

Aan het woord is Lex Bos, medewerker van het NPI (instituut voor organisatie ontwikkeling te Zeist) en schrijver van een groot aantal artikelen over sociale vraagstukken. Als NPI-medewerker houdt hij zich bezig met vernieuwing van sociale structuren van bedrijven en instellingen die een beroep doen op het NPI. Hij draagt de ontwikkeling naar kleinschaligheid (of: mensmatigheid) een warm hart toe. ‘Natuurlijk, als we willen zoeken naar maatschappij-vemieuwende initiatieven, moeten we in de eerste plaats kijken naar kleinschalige initiatieven’.

‘Alles met mate’. Het begrip mensmatigheid is dus niet van gisteren. Van meer recente datum is het gebruik van het woord kleinschaligheid. Met name in de zeventiger jaren, in navolging van de ideeën van Schumacher (Small is beautifull), begon men het idee van kleinschaligheid toe te passen op bedrijfsvoering en sociale organisatievormen. Kleinschalige bedrijfjes schoten overal op als verse sprietjes gras. Nederland mag dan nog wel niet ‘het groene tapijt van Europa’ heten, wel is duidelijk dat een kleinschaligheid bevorderende beweging als Stichting MeMo (Mens en Milieuvriendelijk Ondernemen) de handen vol heeft met het begeleiden van nieuwe kleinschalige initiatieven.

Uit een bericht in de Memo-Krant (nr. 4) blijkt dat ook de werkgeversorganisatie VNO en de vakbeweging (Nijmegen) belangstelling heeft voor kleinschaligheid, vanuit de hoop dat langs deze weg een bijdrage kan worden geleverd aan de oplossing van de werkloosheid. Het woord ‘kleinschaligheid’ is een groene strijdkreet geworden. Otto Munters in genoemde MeMo-Krant: ‘Het ontstaan van de alternatieve beweging in de jaren zeventig kan gezien worden als een eerste manifestatie van de tegenpool van de tendensen naar grootschaligheid, centralisatie en de daarmee gepaard gaande sociale vervreemding, die in de afgelopen decennia sterk overheersend waren’.

Mensen kunnen op zeker moment genoeg krijgen van het werken in grootschalige samenhangen. Aan welke signalen lees je af dat een bedrijf te groot is geworden?

Lex Bos: ‘Ik denk dat dit te maken heeft met het veel gebruikte – en misbruikte -woord vervreemding. Het verschijnsel dat mensen geen relatie meer hebben met het gebeuren om zich heen. Een Amerikaanse socioloog, Robert Blauner, die zelf jarenlang aan de lopende band heeft gestaan, heeft zich hier mee bezig gehouden en komt tot vier soorten van vervreemding: alienation (vervreemding), isolation (afzondering) en powerlessness (machteloosheid). Deze drie vat hij met een accolade samen met het vierde begrip: meaninglessness (zinloosheid). Als je nagaat wat hij onder alienation verstaat, dan zie je dat hij bedoelt dat mensen met hun denken geen verhouding meer hebben met hun omgeving. Dat kan zijn de machine waar hij mee werkt, de organisatie, of het feit dat hij een onderdeeltje maakt voor iets dat hij niet doorziet.

Isolation ligt meer in de gevoelssfeer: geen gevoelsrelatie meer hebben met het product dat je maakt, of met de mensen om je heen. Het kan zijn dat je je een onderdeeltje voelt van een massaal geheel. Powerlessness betekent meer dat je met je wil afgesneden bent van de omgeving. Het reilen en zeilen in een bedrijf kan door een enkeling niet meer reëel worden beïnvloed. Andere mensen hebben de werkvormen gewild, de dag ingedeeld, de werkmethoden vastgesteld, enzovoort. Je voelt je dan ingeklemd tussen wat andere mensen hebben bedacht. Door deze drie verschijnselen voelt het IK zich betekenisloos in het grote geheel staan en kan er geen zin meer in beleven. Dat is meaninglessness. Dit zijn voor mij op het gebied van denken, voelen en willen de signalen dat er een bepaalde schaal overschreden is. Doordat het echter te maken heeft met wat mensen kunnen of niet kunnen, geloof ik dat je niet een bepaalde norm kunt stellen. Voor ieder mens is datgene waarmee het denken een verhouding kan hebben verschillend. Hoeveel kan iemand begrijpen, doorzien?’

Je kunt dan misschien geen normen stellen, toch zal het verschijnsel dat in een bedrijf vervreemding ontstaat samenhangen met de organisatie-vorm ervan. Het hangt niet alleen af van wat individuele mensen kunnen. De ene organisatievorm zal ‘mensmatiger’ zijn dan de andere.

‘Ja, natuurlijk. Al in het voorwoord van ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage’ wijst Rudolf Steiner op twee grondprincipes van sociale ordening. Hij wijst op het principe van zelfbestuur en van de associatieve vervlechting. Bij zelfbestuur gaat het om sociale eenheden, zoals productiebedrijven, dienstencentra, scholen, ziekenhuizen, enzovoorts, die een zekere eigen identiteit hebben en zichzelf besturen. Bij de associatieve vervlechting gaat het om de samenhang die al de verschillende, zichzelf besturende eenheden met elkaar hebben. Wanneer je deze twee principes niet in acht neemt ontstaan sociale en economische ordeningen die niet mensmatig zijn.

Ik ben van mening dat wanneer je het principe van zelfbestuur serieus neemt, dat je dan vanzelf ontdekt waar de grens ligt van de schaal. Je ontdekt dan vanzelf wat een bepaalde groep mensen aankan in een bepaalde werkeenheid. Zodra je het principe van zelfbestuur loslaat, kun je hiërarchieën bouwen tot in de hemel en kun je macro-organisaties vormen die bureaucratisch worden bestuurd. Rudolf Steiner zegt niet dat een organisatie kleinschalig moet zijn, maar dat ze zo’n maat moeten hebben dat de mensen het zelfbesturend aankunnen. Als je dan aan een grens komt, moeten er andere organen ontstaan: een tweede school, een tweede therapeuticum in een andere wijk van de stad met een eigen zelfbestuur.

Interessant is hoe al die verschillende, zichzelf besturende eenheden met elkaar in een sociale samenhang komen te staan. Je moet tenslotte rekening met elkaar houden, bijvoorbeeld om te voorkomen dat twee therapeutica, twee scholen of twee tuinders proberen elkaar weg te concurreren. Zelfbestuur wil iedereen wel. Rekening houden met elkaar is veel moeilijker. Essentieel is dat er associatieve vervlechtingen ontstaan, óók om te garanderen dat er geen grootschaligheid ontstaat. Oneigenlijke concurrentie kan er immers toe leiden dat een bedrijf, een organisatie zich sterk maakt en daardoor gemakkelijk een grens overschrijdt’.

Het kleinschalige IK

Lex Bos: ‘Ik heb wel eens het gevoel dat het probleem van de schaal, een grote of een kleine schaal, een heel fundamenteel mensheidsprobleem is. Je zou kunnen zeggen dat de mensen vroeger in een enorme schaal leefden. De mensen leefden in grote dimensies. Men had nog een samenhang met de kosmos, met Wodan in de wolken. De gehele sfeer was nog vervuld van Goden. De menselijke ziel kon nog veel omvatten in de vorm van mythologische beelden. Langzamerhand wordt de mens wakker voor de zintuiglijke wereld en daarmee ontstaat een IK-besef. Het bewustzijn schrompelt samen en wordt puntvormig. Daarmee is de kleinste schaal bereikt. De mens kan net zichzelf omvatten. De vraag is nu: kunnen we vanuit dit punt de wereld weer vermenselijken. Kan ik van mijzelf uit weer een relatie krijgen met een geestelijke werkelijkheid, met een natuurlijke werkelijkheid. We kunnen hier nog maar hele kleine stapjes doen. Het is al een reuze probleem om een relatie met één ander mens aan te gaan, met je levenspartner, je vrienden, om zo’n stukje geestelijke werkelijkheid echt met bewustzijn te omvatten. Ik probeer zo het verschijnsel van de kleinschaligheid te begrijpen vanuit een grotere ontwikkelingssamenhang.’

Je zegt eigenlijk: vroeger was alles grootschalig. Nu zitten we in een kleinschalige fase. En we zijn op weg weer grootschalig te worden.

‘In zekere zin is dat, geloof ik, ook zo. Maar het is wel iets gecompliceerder. Vroeger was het geestesleven veelomvattend. In zijn geest kon de mens veel omvatten. Het economische leven daarentegen was versplinterd in eindeloze, kleine, zelfverzorgende eenheden. In de nieuwe tijd zie je een soort ompoling.
Het geestesleven raakte steeds meer versplinterd tot al die honderdduizenden ikjes die allemaal hun eigen gedachten, gevoelens en plannetjes hebben. Maar tegelijkertijd is een wereldeconomie en een wereldwijde arbeidsverdeling realiteit geworden, waar je alleen nog maar in de allergrootste schaal kunt denken om überhaupt realistisch economisch bezig te zijn. Ik denk dat je die ontwikkeling ook alleen maar als iets positiefs kunt zien. Aan de ene kant is het Ik-bewustzijn ontwikkeld, terwijl aan de andere kant in het economische leven de mensheidsdimensie opdoemt. Ik vind dit een merkwaardige overkruising van het allesomvattende en het begrensde. In het geestesleven zie je een ontwikkeling van het allesomvattende naar de versplintering. In het economische leven precies het omgekeerde.
Ik geloof dat het schaalprobleem nooit zal worden opgelost wanneer we niet vanuit het ‘kleinschalige’ Ik weer grote verbanden gaan zien. Ik denk dat we moeten durven erkennen dat het sociale vraagstuk alleen oplosbaar is wanneer we gaan denken vanuit geestelijke werkelijkheden.’

Iedereen moet dus antroposoof worden?

Aan tal van ontwikkelingen zie je dat mensen de waarheid van een spirituele gedachte kunnen inzien zonder zelf volkomen bewust op de hoogte te zijn van geestelijke samenhangen. Laat ik een voorbeeld noemen. We weten vanuit de driegeleding dat de wetmatigheid voor het economische leven samenwerking is. Je bent afhankelijk van elkaar en hebt met elkaar rekening te houden. Je kunt je dan afvragen: wat zijn voorwaarden voor het samenwerken van kleinere eenheden? Onder andere het vermijden van de noodzaak om te groeien. In onze economie, het westerse kapitalisme, is de heilige koe van de concurrentie een principe dat daar dwars tegenin gaat. Terwijl de werkelijkheid om samenwerking vraagt, moeten we concurreren met elkaar. De enige manier om dan toch samen te werken is fuseren. De fusie-golf in de zestiger jaren is eigenlijk een karikatuur van het besef dat we eigenlijk met elkaar moeten samen werken. Omdat dat niet mag, is de enige mogelijkheid het scheppen van grotere samenhangen waarbinnen samenwerking kan worden afgedwongen. Zo kwam men vanuit de behoefte tot samenwerking tot grootschalige eenheden, waarvan we de gevaren nu kunnen waarnemen. Van daaruit en aanknopend bij bijvoorbeeld de kleinschaligheidsgedachte, kun je wel degelijk komen tot een sociale orde op basis van spirituele gezichtspunten. Men zal er vanuit een al dan niet helder doordacht besef ja tegen kunnen zeggen, omdat het aanknoopt bij wat men zelf wil’.

Establishment en subcultuur

Je ziet in zelfbestuur en associatieve vervlechting twee principes op basis waarvan het sociale leven vernieuwd zou kunnen worden. Als je zoiets vindt kijk je natuurlijk om je heen met de vraag: waar kan ik bij aanknopen. Ik heb de indruk dat je dan terecht komt bij de kleinschalige beweging in Nederland, en niet bijvoorbeeld bij de grote vakorganisaties.

‘Ik denk niet dat het zin heeft om met de FNV als organisatie hierover van gedachten te wisselen. De vakbeweging is als organisatie dermate grootschalig geworden, dat ik daar weinig van verwacht. Maar aan de andere kant is het natuurlijk zo dat je in gesprek kunt komen met individuen die in de FNV werkzaam zijn. Als je daar mee praat kom je twee dingen tegen: het grote apparaat, waar zo iemand niet meer dan een onderdeeltje van is, maar ook de mens zelf. En die kan zeggen: ik geloof dat je helemaal gelijk hebt. Door zo’n ontmoeting kunnen dingen in beweging worden gebracht. Maar dat zijn wel langademige processen, die er misschien aanleiding toe kunnen geven dat er op de duur gedachten ontstaan over bijvoorbeeld loskoppeling van arbeid en inkomen, meer decentralisatie, meer inspraak enzovoorts.
Het is natuurlijk wel een hele spannende vraag waar in de huidige tijd de kansen liggen voor de driegeleding. In de loop van de decennia zijn de mogelijkheden en constellaties veranderd. Rudolf Steiner heeft zich in de jaren voor 1919 gericht op politici en mensen die op plekken stonden waar ze veel invloed hadden. Op zeker moment heeft hij gezegd dat zo’n werkwijze geen zin meer had en dat alle troeven gezet moesten worden op de Waldorfschool, in de hoop dat een nieuwe
generatie wel oren zou hebben naar de ideeën van de sociale driegeleding. In de zeventiger jaren is de beweging ontstaan dat de dingen in het klein moesten gebeuren, onafhankelijk van de grootschalige samenleving. Robert Jungk bijvoorbeeld meende dat het geen zin meer had om in gevecht te blijven met grote establishment groeperingen en pleitte voor ‘Werkstatte der Zukunft’, voor een subcultuur die zich ontwikkelde onafhankelijk van het establishment.
Ik denk dat het om een wakkerheid vraagt om waar te nemen waar de openingen zijn.
Ik zou de mogelijkheid om vanuit het establishment te werken niet willen afwijzen. Ik denk dat het erg belangrijk is om te blijven praten over de grote samenhangen, de grote concepties vanwaaruit je kunt komen tot sociale vernieuwing. In de subcultuur en in de kleinschalige beweging zie ik het gevaar dat de kleine, zelfverzorgende initiatieven in het slop raken, verburgerlijken ook, doordat er niet vanuit de grote samenhangen wordt gedacht. Daardoor ontbreekt vaak een stootkracht naar het vernieuwen van grotere sociale verbanden. Je kunt wel degelijk verzanden in een situatie waarin iedereen zich stort in zelfbestuur en zelfverzorging, zonder dat de grotere samenhangen worden gezien’.

Ook het NPI houdt zich bezig met het vernieuwen van sociale structuren. Waar knoopt het NPI bij aan? Bij grote, gevestigde instellingen, of bij de kleinschalige wereld?

Het NPI werkt op twee terreinen. Aan de ene kant zeggen we dat we moeten aanknopen bij het gewordene, om die wereld van binnen uit om te vormen. Dat is een therapeutische bezigheid. Daarnaast zien we het als onze opgave om – waar mogelijk – alternatieve initiatieven te helpen ondersteunen. Voor een groot deel gaat dat in je vrije tijd zitten. Maar voor een deel ook in de urenbesteding voor het NPI. Dat is een beetje een probleem aan het worden. Heel wat werkuren van NPI-ers gingen zitten in het werk aan alternatieve initiatieven. Maar dat brengt allemaal geen cent op. Hooguit worden de reiskosten vergoed. Maar daar kun je niet van leven. De basis van het NPI-werk wordt toch mogelijk gemaakt doordat we werken voor ondernemingen die wel financiële mogelijkheden hebben. Dit probleem is ook wel aanleiding geweest om te zoeken naar fondsen die aangeboord kunnen worden om toch het werk in de alternatieve sfeer te kunnen doen’.

Kansen voor de driegeleding en voor de ideeën van zelfbestuur en associatieve vervlechting, verwacht je in de eerste plaats natuurlijk binnen de antroposofische beweging. En inderdaad wordt op allerlei terreinen gezocht naar vernieuwende sociale-economische strukturen. De Triodos Bank (‘Bewust omgaan met geld’), de therapeutica, de verdeelcentra en winkels van biologisch-dynamisch voedsel, enzovoorts. Maar daarnaast zie je binnen de antroposofische beweging het verschijnsel dat wél gewerkt wordt aan bijvoorbeeld een nieuw product, maar dat de sociale vorm waarin dat gebeurt niets nieuws heeft.

‘Het omgekeerde kom je ook tegen. Een macrobiotisch winkeltje met oude oosterse gedachten over voeding, maar met een sociale vorm die heel interessant en vernieuwend is. Als je ziet hoe zulk soort winkeltjes vaak bezig zijn met het zoeken naar nieuwe verhoudingen tussen winkelier en consument, naar associatieve vervlechtingen…

Het is een probleem waar ik veel mee bezig ben, maar waar ik nog niet echt zicht op heb.
Je loopt er voortdurend tegen aan. Wat te zeggen van een Vrije School met een autoritaire sociale vorm? Wat het feit betekent dat vorm en inhoud, sociale structuur en product, niet vanuit dezelfde geestelijke achtergrond tot stand komen, vind ik een heel spannend probleem. Wat betekent dat in spiritueel opzicht, nieuwe wijn in oude zakken, en omgekeerd? Ik heb daar nog niet echt zicht op. Misschien dat er twee ingangen zijn tot de vernieuwing, een via de vorm en een via de inhoud. Mijn gevoel zegt me wel dat de mensen er zich op zeker moment bewust van worden. Mensen gaan merken dat een nieuwe pedagogie vraagt om een sociale structuur die daar bij hoort, die vanuit eenzelfde geest stamt. Je ziet wel eens dat mensen vanuit de kant van de pedagogie komen op de noodzaak van een nieuwe salarisstructuur. Het omgekeerde heb ik nog niet zo gemerkt, dat mensen vanuit een nieuwe sociale vorm zeggen: daar past toch geen macrobiotisch product in?

Maar hoe dat mechanisme precies werkt dat de wijn en de zakken niet met elkaar in overeenstemming zijn, weet ik niet precies. Misschien heeft het wel met de schaal te maken. Als je bijvoorbeeld als handelscentrum niet start met een echt associatieve samenwerkingsvorm in het economische, kan dat leiden tot een grootschaligheid, die op zijn beurt weer leidt tot massaficering, waardoor uiteindelijk de kwaliteit van het product weer wordt benadeeld. Klanten gaan dan aan de bel trekken enzovoort. En als je dan de oorzaak daarvan opspoort, kom je toch weer terecht op de sociale vorm. Ik ga steeds meer ontdekken dat het probleem van de schaal en het vinden van de grenzen, samenhangt met de sleutelwoorden zelfbestuur en associatieve vervlechting.’

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1914-1798

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-7)

.

In dit artikel uit 1974 worden een aantal gezichtspunten uitgewerkt die uiterst actueel zijn, m.n. bij wat er gebeurt en zou moeten gebeuren tussen producent en consument. 
Maar ook de tegenstelling arbeid en vrijetijd wordt door velen nog zo beleefd als hier wordt beschreven.

M.i. biedt dit artikel voor het vak ‘maatschappijleer’ talloze aanknopingspunten met de jonge mens van nu over te discussiëren. 
Dat lijkt noodzakelijk ook zo met de meeste artikelen in de reeks ‘Sociale driegeleding’.

0-0-0

Lex Bos, Jonas 20-12-1974
.

Zinvolle ruimte tussen arbeidstijd en vrije tijd
.

Tegenwoordig* heeft alles de neiging te polariseren. In discussies worden we gedwongen stelling te nemen: vóór of tegen, ter linker- of ter rechterzijde, progressief of conservatief.

In de discussies die momenteel* op gang komen rondom het probleem van de toenemende werkloosheid is dit eveneens het geval.

In deze discussies is slechts sprake van twee soorten tijdsbesteding: arbeidstijd en vrije tijd. We hebben hier te maken met een onvruchtbare polarisering.
Tussen deze beide uitersten blijkt een groot middengebied te zijn dat door deze polarisering uit het blikveld dreigt te verdwijnen.

Om de eigen aard van dit gebied te beschrijven moeten we eerst de polen wat nader beschrijven.

DE ARBEIDSTIJD

Het bezig zijn in de arbeidstijd is daardoor gekenmerkt, dat men behoeften van anderen bevredigt en problemen van anderen oplost. Een arts, een leraar, een restaurant-bedrijf, een schoenenindustrie, een scheepvaartmaatschappij, zij alle zijn bezig resp. gezondheids-, opleidings-, eet-, loop- en transportproblemen van anderen (niet van zichzelf) op te lossen. Een wereldwijde arbeidsverdeling heeft ons in een onafzienbaar net van wederzijdse afhankelijkheden gevangen. Ieder die in een beroep werkzaam is speelt daarin een rol, hetzij als president-directeur, of als klerk, als minister of als hulpmonteur, als graanhandelaar of als barkeeper. En als men in deze ‘legpuzzel’ zijn steentje heeft bijgedragen ontleent men daaraan het recht om aanspraak te maken op een steentje van de ander. Dat recht wordt gehonoreerd door inkomen. Degenen die in een beroep werkzaam zijn, onderhouden met hun inkomsten degenen die dat (nog) niet (meer) zijn (kinderen, niet in een beroep werkzame vrouwen, zieken, gepensioneerden etc.).

We kunnen aan elke beroepsbezigheid een aantal kanten onderscheiden en wel de behoeftebepaling, de ‘éducation permanente’ en de werkgemeenschap.

Behoeftebepaling 
We zeiden zo-even dat een schoenfabrikant niet schoenen produceert, maar loopproblemen voor andere mensen oplost. Zijn het wel loopproblemen? Of heeft de klant hele andere behoeften? Wil hij steun voor zijn voeten, of bescherming tegen beschadiging of beschutting tegen kou? Wil hij modieuze behoeften bevredigen of wil hij zich met ‘Iwanof’ laarzen (en een lange koetsiersjas) oosters voelen? Een deel van de bezigheid van schoenenfabrikanten is het beantwoorden van de vraag: welke behoeften van welke categorieën klanten willen wij op welke wijze met welke technische hulpmiddelen waar en wanneer bevredigen?

Er is weinig fantasie voor nodig om te zien hoe gecompliceerd dit aspect van het beroepsleven is, wanneer we het schoenenvoorbeeld vertalen naar een grote machinefabriek, een modern ziekenhuis, een ministerie, een universiteit of een luchtvaartonderneming.

Er is ook weinig fantasie voor nodig om te zien dat datgene wat hier beschreven is voor de verhouding van de ‘producent’ tot de markt net zo geldt voor de afdelingen binnen een organisatie ten opzichte van elkaar. De dieet-afdeling in een ziekenhuis, de boekhouding in een handelsonderneming, de onderhoudsdienst in een machinefabriek, de roostercommissie in een school, de secretarie op een gemeentehuis; geen van deze groeperingen is een doel in zichzelf. Zij allen hebben hun ‘afnemers’ ergens in de organisatie en moeten zich dus actief en met interesse bezighouden met de mensen en groepen aan wie zij (in dit geval binnen de organisatie waarvan zij zelf ook deel uitmaken) diensten leveren, wier problemen zij oplossen.

‘Education permanente’
De problemen van de klant worden ‘vertaald’ in producten en diensten en deze weer in taken van mensen. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is vakbekwaamheid nodig, meer of minder en van verschillende soort. Of die vakbekwaamheid betrekking heeft op een havenarbeider, een machine- bankwerker, een griffier, een kok, een leraar of een chirurg doet hier niet ter zake. In alle gevallen gaat het om menselijke capaciteiten, die noodzakelijk zijn voor het leveren van een economische prestatie (waartoe in deze beschouwing dus ook een genezen patiënt en een opgeleide student behoren).

Deze capaciteiten nu moeten zich blijven ontwikkelen, omdat de inhoud van het vak verandert, de wetenschap zich ontwikkelt, de techniek voortschrijdt, de sociale omgeving waarbinnen het beroep zich afspeelt zich wijzigt en tenslotte de mens zelf ook ouder wordt en daarmee andere eisen gaat stellen aan de beroepsuitoefening. Het wordt steeds duidelijker dat de snel veranderende beroepssituaties in een dynamische maatschappij een ‘éducation permanente’ noodzakelijk maken. Wat vanuit het beeld van de mens als een wordend wezen een ethische eis is, wordt thans vanuit de beroepssituatie als praktische noodzaak gesteld. Hier ligt een niet te missen kans. Zullen de menselijke ontwikkelingsmogelijkheden dienstbaar worden gemaakt aan de beroepsnoodzakelijkheden of zal het beroepsleven de ontwikkelingsbodem leveren voor toenemende menselijke volwassenheid?

Werkgemeenschap
Wanneer de ‘output’ is vastgesteld d.m.v. de behoeftebepaling en wanneer de ‘in-put’ aanwezig is in de vorm van alle noodzakelijke capaciteiten van mensen (en hulpmiddelen, machines en gebouwen) dan rest nog de vraag hoe al deze individuele capaciteiten tot een geïntegreerde prestatie worden omgevormd. Dat betekent samenspel! Dat samenspel vindt zijn meest formele neerslag in de wet (collectieve arbeidsovereenkomst, regeling van arbeidsvoorwaarden) in het ‘fabrieks-reglement’, daarnaast in de organisatie (formeel en informeel), in de stijl van samenwerking, in de sfeer, in het dagelijkse geven en nemen, in het omgaan met prestige- en machtsvragen, in de relaties tussen leiding en uitvoering, staf en lijn, gastarbeiders of koppelbazen en ‘eigen mensen’ tussen hoofdkantoor en bijkantoor.

Dat alles vormt samen het sociale leven van de organisatie. Het bepaalt in hoge mate of en hoe de individuele capaciteiten tot gemeenschappelijke prestaties worden omgevormd.
Het vorm en inhoud geven aan dit sociale leven van de organisatie wordt meer en meer gezien als een taak waarbij allen gelijkelijk betrokken dienen te zijn. Alle eisen naar medezeggenschap, overleg, inspraak, democratisering en participatie willen zeggen, dat men de vormgeving van dit middengebied niet wenst over te laten aan de leiding, of aan organisatiespecialisten. Men heeft ervaren, dat wanneer het sociale organisme gestalte krijgt vanuit eenzijdig economische en technische gezichtspunten, de mens er geleidelijk ‘uit-georganiseerd’ wordt.

DE VRIJE TIJD

De vrije tijd staat polair tegenover de arbeidstijd. Geen arbeidsverdeling, geen oriëntatie op wat anderen nodig hebben, daardoor ook geen aanspraak op inkomen. Integendeel, vrijetijdsbesteding kost veelal geld.

Wanneer men ziet hoe mensen hun vrije tijd besteden, kan men globaal onderscheiden tussen creativiteit, gezelligheid en recreatie. Deze kwaliteiten lopen sterk dooreen, veel meer dan de in de sfeer van de arbeidstijd onderscheiden drie aspecten.

Recreatie
Het accent ligt hier op het ontspannen. Dit kan passiviteit betekenen, maar ook activiteit op een ander gebied dan waarop men anders bezig is. De scala omvat luieren in de zon, in de natuur zijn, bijwonen van sportmanifestaties, zich laten vermaken door film bv. of andere media, actief sport bedrijven, toerisme etc.

Gezelligheid
Hier ligt het accent op het probleemloos ongedwongen samen-zijn met andere mensen. Veel recreatie vervult mede deze behoefte. Behalve in het gezinsleven speelt zich dit aspect van het vrijetijdsleven vooral af in cafés, restaurants, sociëteiten, marktpleinen, foyers van openbare instellingen, kerken e.d.

Creativiteit
Vrijetijdsbesteding krijgt een creativiteitselement, wanneer er doelen gesteld en prestaties verlangd worden. Dat kan in het kunstzinnige, in het wetenschappelijke, in het technische (hobby) of ook op het gebied van de innerlijke scholing, de godsdienstoefening e.d. Men probeert de wetmatigheden van iets hogers in zich of buiten zich te vinden en daaraan te gehoorzamen. Wanneer dat lukt is er in wezen iets nieuws ontstaan. Daarom is het creatief.

DE ‘SPEELTIJD’

tijd besteed aan de ordening van het maatschappelijk spel
Is er nu tussen arbeidstijd en vrije tijd nog een middengebied? Zoals we in het begin schreven zijn we gewend te denken in de tweeheid van arbeidstijd en vrije lijd. Alle tijd die we niet in ons beroep doorbrengen, is vrije tijd. Er vindt al een verschuiving plaats van het arbeidsprobleem naar het vrije-tijdsprobleem. Er zijn mensen die zich al geen zorgen meer maken over arbeidsconflicten, frustraties in het werk e.d. want — zo zeggen zij — binnenkort werken we nog maar twee of drie dagen in de week en dan verdwijnen die problemen vanzelf. Dan is het niet meer belangrijk of er in de werksituatie nog plaats is voor de mens als moreel-geestelijk wezen, want hij heeft in zijn vele vrije tijd volop gelegenheid voor zijn ik-ontplooiing. Deze gedachte is volstrekt irreëel. Ten eerste krijgt een zogenaamde ik-ontplooiing in de vrije-tijdssfeer, die geen tegenhanger heeft in een beroepssituatie, waarin men verantwoordelijkheid draagt en bewust dienstbaar is aan anderen, een sterk egoïstische, wereldvreemde inslag. En ten tweede heeft de samenleving geen waterdicht schot tussen beroepsleven en vrije tijd. Een situatie waarbij men zich in het beroep onvolwassen-instrumenteel laat gebruiken om dan in zijn vrije tijd
volwassen-creatief aan zijn menswording te werken, is niet lang houdbaar. Wanneer men in één sector van de samenleving de mens in feite uitbant, zal weldra in de hele samenleving geen plaats voor de mens meer zijn, ook niet in de vrije tijd. Daar wordt hij dan immers object van een toeristenindustrie, een vermaakbusiness etc.

Deze polarisering vrije tijd-arbeidstijd is een onjuiste en gevaarlijke. Een derde gebied zou krachtig moeten worden ontwikkeld. Een gebied waarin men niet uit noodzaak, geld ontvangend, voor anderen werkt, waarin men ook niet vrijwillig, geld uitgevend, aan zichzelf werkt, maar waarin men — zonder aanspraak op inkomen, hoogstens met onkostenvergoeding — vrijwillig maatschappelijke taken op zich neemt om met anderen samen het maatschappelijk spel te spelen.

Wat voor de beroepssituatie in het klein werd besproken geldt voor de samenleving als geheel in versterkte mate: we kunnen de inrichting van onze samenleving niet overlaten aan economisch belanghebbenden, aan beroepspolitici of aan wetenschappelijke specialisten. Steeds meer zullen alle burgers actief en verantwoordelijk aan dit sociale spel moeten meedoen. Wanneer zij dat niet doen zullen zij ook niet mogen klagen, dat zij door ‘big business, big politics and big Sciences’ worden gemanipuleerd.

Er zijn een drietal grote taakgebieden aan te wijzen in dit middengebied en wel rondom bestuurstaken in organisaties, rondom politieke oordeelsvorming en rondom associaties in het economisch leven.

Bestuurstaken 
Een groot deel van het wetenschappelijke, maatschappelijke, pedagogische, medische, culturele en charitatieve werk gebeurt in instellingen waarvan de bestuurstructuur eindigt in een curatorium, een verenigings- of stichtingsbestuur, een commissarissen-vergadering, een commissie van bijstand of toezicht, een adviescollege, een beroepsinstantie etc. etc. Al deze groeperingen hebben tot taak om degenen die in de betreffende organisatie werkzaam zijn te helpen bij de bestrijding van hun ‘bijziendheid’, bij de oriëntatie op zinvolle doelstellingen, bij de afstemming op gelijksoortige organisaties in hetzelfde veld, bij het scheppen van goede relaties tot lokale, provinciale en landelijke overheden, bij het vinden van geldmiddelen en in het algemeen bij het invoegen van de betreffende organisatie in het maatschappelijk bestel. En dat alles zonder degenen, die verantwoordelijk in het werk staan en er leiding aan geven, te bevoogden.

Dat vereist kundigheid, tijd en interesse. Of het nu gaat om natuurmonumenten, kruisverenigingen, veilig verkeer, arbeidsraden, voogdijraden, duivenmeikersverenigingen, sociëteiten, scholen, orkesten of kerken, overal is een groot tekort aan vrijwillige maar deskundige hulp!

Daar komt nog een categorie bij, die voor de toekomst niet onbelangrijk is. Een van de meest ziekmakende factoren van onze economie is het feit, dat in de goederenhuishouding van ons economisch leven (stroom van waren enerzijds en tegenstroom van geld anderzijds) zaken betrokken zijn, die daar naar hun aard niet in thuis horen zoals bv. grond en kapitaalgoederen.
Grond en productiemiddelen (fabrieken bv.) worden tegenwoordig gekocht en doorverkocht als tafels en stoelen.
Ze worden als onderpand voor leningen gebruikt en er wordt in gespeculeerd.
In feite zijn het maatschappelijke ‘capaciteiten’, die noch in privébezit noch in staatsbezit kunnen zijn, maar die door stichtingen beheerd (niet bezeten) worden en voor beperkte — te verlengen — periodes ter beschikking worden gesteld aan degene(n) die er ten algemene nutte mee kan (kunnen) en wil(len) werken.

Er zijn momenteel interessante pogingen gaande om landbouwbedrijven en fabrieken ‘uit te kopen’ en het eigendomsrecht te neutraliseren door dit over te dragen aan een stichting, waarvan de bestuursleden niet dezelfde zijn als degenen die het gebruiksrecht ontvangen. Dit biedt ook de mogelijkheid om een deel van de winst terug te laten vloeien naar de uiteindelijke bron van alle creativiteit: het geestelijk-culturele leven. Voor dergelijke stichtingsbesturen nu zal ook een dringend beroep worden gedaan op de vrije tijd van capabele mensen.

Politieke activiteiten
Onder politiek kunnen we verstaan het proces waarbij een groep samenlevende mensen de normen en vormen schept om haar samenleving in te richten. Politiek dreigt een zaak van beroepspolitici en specialisten te worden. Dat leidt tot centralisme en bevoogding.

De Nederlandse burger is nog weinig politiek betrokken hoewel daar de laatste tijd duidelijk verandering in komt. De eis naar inspraak, participatie en democratisering die binnen organisaties reeds werd vermeld, klinkt in steeds groter verband. Men wordt zich bewust van het feit hoezeer men als bevolking gemanipuleerd wordt vanuit een waardensysteem, dat door een kleine leidende groep wordt gesteld. Problemen als milieu-verontreiniging, stadsuitbreiding en sanering, industrievestiging, onderwijsvraagstukken, buitenlandse arbeiders, monopolisering van de communicatiemedia, ouden van dagen problemen etc., beginnen de burgers te interesseren. Er ontstaan buiten de politieke partijen om, actiegroepen, burgercomités, buurtschappen, wijkraden, informatiebureaus, politieke-oordeelsvormingscentra e.d. Voorlopig is het effect nog gering. De sluiers over de besluitvormingsprocessen in hogere politieke kringen zijn nog dicht en het centralisme nog sterk. Maar naarmate meer burgers zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor de inrichting van onze samenleving en daar ook tijd en energie in willen steken, zullen de sluiers verdwijnen en het centralisme wijken.

Associaties 
Er wordt vaak negatief gesproken over de overheersende rol die het economisch leven speelt in onze samenleving. We vergeten daarbij, dat wij als consumenten de grote opdrachtgever aan de industrie zijn. Elke koop veroorzaakt een vacuüm waarvan de zuigkracht via detaillist, groothandel en fabrikant tot in de primaire industrieën doorwerkt. En het economisch leven is momenteel zo ingericht, dat als we 10 ijskasten kopen er ca. 12 door worden aangezogen. Welke verantwoordelijkheid nemen we als consument op ons?

Ons consumentengedrag wordt gekenmerkt door een vrijwel slapend
consumentenbewustzijn. Wat weten we van de kwaliteit van hetgeen we kopen, wat weten we van de sociale omstandigheden waaronder het geproduceerd is, wat weten we van de consequenties die de productie heeft voor milieu, ontwikkelingslanden, grondstoffen etc. En hebben we hetgeen we kopen allemaal wel nodig? Er zijn kenteringen zichtbaar. De huisvrouwenverenigingen, de consumentenbond, de klantencoöperaties. Zij willen zich bewust worden van hun behoeften, zij willen die behoeften trapsgewijze zichtbaar maken aan de producent. Zij willen zich uitspreken over wat zij van de reclame, de verpakking, de service, de voorlichting etc. vinden. De producent zou productverbetering c.q.-ontwikkelingen aan de klanten (of vertegenwoordigers van klantengroeperingen) voor moeten leggen. Er moet een ‘volwassen’ oordeelsvorming plaatsvinden tussen consumenten-distribuenten en producenten over mogelijkheid en wenselijkheid van nieuwe producten, andere service, betere distributie etc. Het economisch leven is nog uitermate autocratisch opgebouwd en mechanistisch verlopend. Het ligt mede aan de consument om hierin verandering te brengen.
Voorlopig zal men ‘oefenterreinen’ moeten zoeken in kleine overzichtelijke gebieden zoals agrarische producten, speelgoed, cosmetica en medicijnen, enkele boeken en periodieken, vakantie-organisatie, verzekeringen, aspecten van woninginrichting, volkswoningbouweisen, keukeninrichting e.d.

Op andere gebieden ziet men hetzelfde consumentenprobleem. Hoeveel besturen klagen niet over gebrek aan interesse bij hun leden, hoeveel redacties tasten niet in de mist over het oordeel van hun lezers, hoeveel schoolleiders wensen niet een betere communicatie met de ouders (van hun ‘consumenten’), hoeveel initiatiefnemers in de ruimste zin van het woord vinden geen echte dialoog met degenen op wie het initiatief gericht is?

In een drieledige maatschappijstructuur zijn associaties van producent, handel en consument de organen van het economisch leven. Een economisch leven dat niet onwerkzaam wordt door abstracte centrale plannen, ook niet te gronde gaat aan een meedogenloze strijd op anonieme markten. Ook het bemannen (én bevrouwen! ) van deze waarnemings- en overlegorganen behoort tot de tijdsbesteding in het middengebied.

Naar een drieledige tijdsbesteding
Uit het voorgaande verschijnt het beeld van een drieledige tijdsbesteding. Een vrije-tijd, geheel gewijd aan de eigen geestelijk-creatieve ontplooiing, een arbeidstijd besteed aan het werken voor anderen, een ‘speeltijd’ besteed aan het ordenen van de sociale ruimte die men met anderen deelt.

Men zou eens moeten kijken hoe mensen hun tijd gebruiken. Men krijgt vaak de indruk dat zij meestal een sterk accent op twee van de drie gebieden leggen en een derde verwaarlozen. Het is een onbewezen stelling, een vermoeden, waarmee we dit artikel willen eindigen.
Is de mens niet het meest gezond als hij de uitdaging aanvaardt om steeds opnieuw te zoeken naar een harmonisch evenwicht tussen alle drie gebieden? En zou het omgekeerd ook niet zo zijn dat het sociale organisme pas gezond kan functioneren wanneer iedereen aan alle drie levenssferen verantwoordelijk deelneemt?

*geschreven: 20-12-1974

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1897-1781

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (7-1)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

                        uit/in het archief

Niet alleen werd er in de jaren 1970 en daarna gezocht naar een nieuwe vormen van salariëring. Ook werd er gezocht naar nieuwe bestuursvormen. ‘Republikeins‘ en/of ‘democratisch‘.
Hoe is het werk – naast dat in de klassen – zo over de mensen te verdelen dat er goede besluiten kunnen worden genomen die door de hele schoolgemeenschap gedragen kunnen worden. Als die niet door ‘de directeur’ kunnen worden genomen – al dan niet eenzijdig – omdat deze ontbreekt, hoe moet het dan.

Veel werd verwacht van de zgn. mandaten.

Er werd mee geëxperimenteerd, m.n. in de Geert Grooteschool.
Zelf probeerden we in de nieuw opgerichte scholen met deze bestuursvorm te werken. Dat was niet makkelijk, vroeg een andere mentaliteit en wierp, naast teleurstellingen, toch zijn vruchten af.

Hoe staat het nu – met de aanwezigheid van directeuren, rectoren – met ‘het mandaat’?

Uit het archief nog wat gezichtspunten:

DE MANDAATSTRUCTUUR

De basis van deze vorm van samenwerking in de school, waarin leerkrachten, ouders en bestuursleden werkzaam zijn, is vertrouwen in elkaars inzet en capaciteiten.

Zoals gezegd, ouders kiezen bewust voor de vrijeschool, in het vertrouwen dat hun kinderen vrijeschoolonderwijs zuilen ontvangen.

Deze vertrouwensbasis is nodig, willen de leerkrachten hun taak kunnen vervullen.

Binnen hun onderwijstaak zijn zij autonoom, dat wil zeggen zij handelen – vrij -vanuit hun pedagogische inzichten, hetgeen hen mogelijk maakt om in de klas creatief en situatief te kunnen handelen. Dit is nodig, om een werkelijk levend onderwijs te laten ontstaan.

Maar anderszins is een sfeer van vertrouwen ook onontbeerlijk, dat wil zeggen dat leerkrachten en bestuur vertrouwen hebben in de inzet en capaciteiten van de ouders, die aan de ontwikkeling van de school willen bijdragen.

In deze zin moet aan een groep (in welke samenstelling dan ook), die een bepaalde taak op zich neemt binnen de vrijeschoolorganisatie het vertrouwen geschonken worden, dat zij deze taak zo optimaal mogelijk zal vervullen.

DE MANDAATHOUDER

Binnen de school zijn een groot aantal taakgebieden te onderscheiden, zoals de schoolkrant, de financiën, enz. enz.

Een bepaalde taak kan in de vorm van een mandaat aan een persoon gegeven worden.

Een mandaat is een afgebakende taak, die iemand (alleen of met meerdere mensen) op zich neemt. Deze persoon, de mandaathouder, kan binnen de ramen van het overeengekomen gebied vrij handelen, al naar gelang de situatie en de plannen eisen. Hij/zij is daarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar en verbindt zich voor een periode van minimaal een jaar.

Wel kan de vergadering van mandaathouders een mandaathouder vragen verantwoording van zijn/haar beleid af te leggen. Dit gebeurt in elk geval één keer per jaar in de jaarlijkse evaluatie van mandaten.
In het alleruiterste geval (b.v. bij wanbeleid) heeft het overleg het recht het mandaat terug te nemen.
Na een jaar kan een mandaat verlengd worden of aan een ander overgedragen worden.

OMSCHRIJVING VAN EEN MANDAAT

Van ieder mandaatgebied is (bij een reeds bestaand mandaat) of wordt, (bij een nieuw mandaat) omschreven wat dit gebied inhoudt, dat wil zeggen welke taak, welk doel, welke mogelijkheden plus grenzen zijn van de groep plus mandaathouder.
In de praktijk zal moeten blijken, of deze tevoren vastgelegde grenzen plus mogelijkheden voldoende omschreven zijn. Eventuele bijstelling kan plaatsvinden tijdens de jaarlijkse evaluatie van het mandaat. Daarnaast stelt elke mandaatgroep voor het komende werkjaar een begroting op, die door de mandaatgroep financiën goedgekeurd moet worden.

DE MANDAATGROEP

Meestal vervullen meerdere mensen tezamen een taak; in dat geval is er sprake van een mandaatgroep. Uit en door deze groep wordt een mandaathouder gekozen. Deze mandaathouder moet echter ook het vertrouwen genieten van het mandaathoudersoverleg. De basis van de mandaatstructuur is immers een wederzijds vertrouwen. Alleen in het uiterste geval zal het overleg een voorgedragen mandaathouder kunnen afwijzen, want het feit, dat de leden een persoon aanwijzen, weegt zwaar.

SAMENWERKING EN VERTROUWEN

In de praktijk zal de mandaathouder samen met de mandaatgroep het beleid over het betreffende gebied voeren. De mandaathouder heeft echter een zwaardere verantwoordelijkheid, gezien het feit dat de groep kan veranderen (hoewel dit niet wenselijk is), en de mandaathouder zich voor de periode van een jaar verbindt met het betreffende mandaatgebied. Hij vormt als het ware een verlengstuk van de groep; hij is spreekbuis van de groep en de aanspreekbare, verantwoordelijke persoon vóór de groep.
In het geval, dat de mening van de mandaathouder afwijkt van die van zijn groep, is bij niet verplicht de stem van de meerderheid op te volgen. Hij is immers in eerste instantie verantwoordelijk voor het te voeren beleid.
In dat geval wordt het geschonken vertrouwen op de proef gestold. Wanneer dit in de praktijk zou leiden tot een ernstig conflict tussen mandaathouder en mandaatleden, dan bestaat er de mogelijkheid om advies in te roepen van het overleg.

HET MANDAATHOUDERSOVERLEG

Iedere tweede maandagavond van de maand vindt er het mandaathoudersoverleg plaats. Bij deze bijeenkomst zijn alle mandaathouders (of hun vertegenwoordigers) aanwezig. De vergadering is openbaar: iedereen, die vragen of opmerkingen heeft op welk gebied dan ook dat de school betreft, of die gewoon vanuit interesse daarbij aanwezig wil zijn, is van harte welkom.
De bedoeling van deze bijeenkomsten is, dat alle betrokkenen een breed beeld krijgen van wat zich afspeelt op de verschillende werkgebieden van de school.
Het is van wezenlijk belang, dat ouders, die problemen hebben of vragen. naar het mandaathoudersoverleg komen. Alleen op die manier kan het mandaathoudersoverleg in de school staan en geen eigen leven leiden, ver van de ouders af, omdat datgene wat leeft onder de ouders en leerkrachten dan zichtbaar wordt.

bron: onbekend

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

1876-1761

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-3/1)

.

Er is de laatste jaren veel heisa om Europa. Brexit is een begrip geworden dat inmiddels iedereen kent. ‘Brussel’ wordt vanuit verschillende invalshoeken bekritiseerd. Ook in Nederland zijn er stromingen die terug willen naar ‘vroeger’, in ieder geval: men wil minder Europa.

In de jaren 1970 schreef Arnold Henny veel over politieke kwesties in het blad Jonas, vanuit een visie die duidelijk was geïnspireerd door Steiners idee van de sociale driegeleding.
Bepaalde gezichtspunten zijn nog altijd actueel!

Op deze blog verschijnen af en toe artikelen uit die tijd.

A.C.Henny, Jonas 19, 18-05-1979
.

Gelooft Europa in Europa?

Zes jaar geleden, tweede Paasdag 1973 (23 april) heeft Henri Kissinger het jaar 1973 ‘het jaar van Europa’ genoemd. Hij sprak in zijn rede onder meer over een vernieuwing van het ‘Atlantisch Handvest’ als basis van samenwerking tussen de Verenigde Staten en Europa.

Dit hield verband met de zogenaamde ‘détente’, de ontspanning tussen Oost en West.

In 1973 was ook de vrede tot stand gekomen tussen Noord- en Zuid-Vietnam. Een jaar daarvoor bezocht president Nixon Peking en had een, in het diepste geheim door Kissinger voorbereide ontmoeting plaats met voorzitter Mao. Voor Kissinger was er nu alles aan gelegen dat met de inzet van deze détente -ontspanning tussen Sovjetunie en Amerika en tussen China en Amerika – het integratieproces van Europa niet zou worden vertraagd.

Want hoe zou Europa reageren op deze détente tussen Amerika en Azië? Zouden deze nieuwe verwachtingen de eenheid van Europa bevorderen of zouden de Europese staten terugvallen in de oude ruzies, nu niet langer één gemeenschappelijke vijand ‘ante portas’ stond?

Ruzies tussen Fransen en Duitsers, tussen Fransen en Engelsen. Zouden regionale belangen de overhand krijgen op mondiale belangen?

Door het jaar 1973 tot het jaar van Europa te verklaren, heeft Kissinger een poging gedaan Europa te weerhouden weg te zakken in deze oude ruzies. Daarom stelde hij Europa voor de keus: wél of niet als continent deel te nemen in een mondiale structuur van een ‘five power world’.

In vijf machten werd hiermee de wereld ingedeeld: de Verenigde Staten, de Sovjetunie, Kommunistisch China, Japan en Europa. Europa als geheel en niet als optelsom van nationale staten. Wat zich in deze nieuwe wereld nog als macht wil handhaven – staatkundig en economisch – kan zich niet meer veroorloven regionale belangen te laten voorgaan. Daarvoor is de wereld te zeer vergroeid in een systeem van interdependente verhoudingen. Dat was de nieuwe conceptie van samenwerking tussen Amerika en Europa. In deze ‘Atlantische gemeenschap’ werden nu ook Japan en China ingeschakeld. De belangen van de Verenigde Staten lagen immers niet alleen meer in de Atlantische Oceaan maar ook in de Stille Zuidzee. Dat was de nieuwe oriëntatie van het Atlantisch Handvest.

Na zes jaar is dit nu allemaal geschiedenis.

De ‘Nixon-administration’ is intussen mét Kissinger weggespoeld door de ‘Waterpoort’. Van een hernieuwing van het Atlantisch Handvest’ wordt niet meer gerept. Europa laat zien, met de Europese verkiezingen voor de deur, dat het hiervoor geen vermaning uit Amerika meer nodig heeft.

Bovendien brak – oktober 1973 – de oorlog uit tussen Israël en Egypte. De Amerikanen hadden sindsdien andere zorgen aan het hoofd dan zich te bekommeren om de eenwording van Europa. Er was een energiecrisis. Men had de handen vol beide strijdende partijen tot de orde te roepen.

Thans – 1979 – is er een vredesverdrag gesloten, enkele maanden vóór de verkiezingen voor het Europese parlement.

Is daarom de betekenis van de hier vermelde visie van Kissinger op de internationale politiek niet achterhaald door de gebeurtenissen die ondertussen hebben plaatsgevonden? Niettemin is het opschrift van dit artikel en de vraag die daarin wordt gesteld, niet ongegrond.

Gelooft Europa in Europa?

Reeds in 1952 werd deze vraag gesteld in Le Monde door de Griekse oud-minister Alexander Metaxas. Hij constateerde toen: ‘Wat Europa ontbrak, was een ‘Europese mystiek’. Wat het Europese statenbestel hoofdzakelijk bijeen hield, was angst voor een gemeenschappelijke vijand. Angst voor de bedreiging van de Sovjetunie. Van een eigen opgave was Europa zich nauwelijks bewust.’

Wat is deze opgave? Deze vraag is in 1979 nog even actueel als in 1973 en in 1952, ondanks verkiezingen, die deze vraag eerder toedekken dan stimuleren.

Want leg eens de verschillende Europese verkiezingsprogramma’s naast elkaar op een rijtje: confessioneel, liberaal, socialistisch, met nog een paar randverschijnselen. Verschillen zij essentieel veel van de beginselprogramma’s van de nationale partijen in de negen staten van Europa? Is uit deze, voor het merendeel versleten beginselprogramma’s nog iets te verwachten van een nieuw Europees élan, een nieuwe taak van Europa in de wereld?

Een pedagogische taak voor het nieuwe Europa

Wat is de plaats van Europa in de wereld?

Reeds tijdens de zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten is gebleken dat de beslissingen hierover niet vielen binnen, maar buiten het Europa van de Negen: in Washington, in Moskou, in Kairo en Jeruzalem. Een driehoek om Europa heen.

Dat is thans nauwelijks anders. De vrede van 1979 kwam tot stand dank zij Washington, Kairo en Jeruzalem. Moskou had het toekijken, maar bereidt zich voor op een volgende ronde, waarbij het de Arabische wereld aan zijn kant hoopt te krijgen.
Is Europa dan geheel uitgespeeld bij het spel tussen Amerikanen, Russen en Arabieren? Bij het spel tussen Amerikanen, Chinezen en Japanners? Bij de gebeurtenissen in het Midden-Oosten en die in het Verre Oosten, waar sinds kort -12 augustus 1979 – een ‘renversement des alliances’ heeft plaats gevonden met het verdrag tussen Japan en Communistisch China?

Politiek gezien schijnt het inderdaad zo te zijn: Europa is uitgespeeld.

Maar betrekkingen tussen volken betreffen niet alleen politieke machtsverhoudingen. Ook al lijkt dit zo te zijn in verkiezingstijd. Wanneer Europa in Europa gelooft, spelen nog andere verhoudingen een rol dan politieke machtsverhoudingen.

In een interessant artikel in Vrije Opvoedkunst ‘Een pedagogische taak voor het nieuwe Europa’ (nov. 1955, herdrukt in jan. ) wijst Max Stibbe op de plaats van Europa tussen Oost en West. Hij brengt deze middenpositie in verband met de ontwikkeling van een nieuw wereldburgerschap.

‘Wanneer men onze wereld ‘in het midden’ vergelijkt met het uiterste westen waarin de Verenigde Staten toonaangevend zijn, en met het oosten, het oude Azië, dan kan men wijzen op talloze tegenstellingen. Wij grijpen een enkele er uit voor onze beschouwing. Wij vinden in Amerika een benadering van de wereld, vooral uitgaande van economische en technische motieven…
Deze zijn primair in het Amerikaanse leven. De oosterling benadert de wereld van juist het tegengestelde standpunt: voor hem zijn geestelijke, religieuze dan wel ethische motieven beslissend…
Europa staat tussen deze beide uitersten in. Het kent beide. De wereld van de materie, van de techniek en de natuurwetenschap is van het grootste belang voor de Europese mens. Het materialisme als wereldbeschouwing is in Europa ontstaan. Als algemene levenshouding kan men niet zeggen dat het niet leeft op de zelfde radicale wijze als in het westen. Wel momenteel bij de Russische leiders. De geestelijke benadering van de wereldvraagstukken is bij ons zeker niet afwezig. Zij is nog altijd te vinden bij de religieuze richtingen. Niet echter beslissend voor de hele Europese samenleving, vooral niet in de wetenschap en sociologie. Europa is het gebied van het midden, waarin ook beslissend is dat deel van het menselijk wezen dat in het midden staat tussen lichaam en geest en dat is de ziel. Vandaar dat Europa het continent der volken is, omdat in die vele volken uitgespreid te vinden zijn alle functies van het innerlijk zielenleven, zodat heel Europa tezamen in het groot het hele menselijke zielenbeeld vertoont. Volkenverschillen zijn namelijk gebaseerd op psychische verschillen, die zich uiten in de culturele verschijnselen der volken tot en met hun staatsvormen. De staatsvorm toch is het resultaat van het afwegen van de rechten en verplichtingen der burgers van een volk onderling. Dit is een aangelegenheid der rechtsgevoelens der mensen, die overal ook in de verschillende tijdperken verschillend zijn.
Zo ziet men in Europa voortdurend een zoeken naar de ideaalstaat als een uiting van de wrijvingen op het zielengebied der bevolkingen. Heel iets anders dan in Amerika, waar men gelukkig en tevreden met zijn constitutie van 1787 is. Of Azië, waar het probleem ternauwernood bestaat. ’

Tot zover Stibbe. Zijn beschouwing over Europa geeft u geen aanwijzing, op welke politieke partij u dadelijk moet stemmen. De informatie hierover wordt u echter in de komende weken ruimschoots gegeven.

Wij achten het daarom van belang op enkele aspecten te wijzen dan op de directe verkiezingsaspecten voor het Europese parlement. Stibbe zag een pedagogische taak voor het nieuwe Europa. Hij heeft daaraan zijn gehele leven lang gewerkt: hetzij in de internationale Vrije Schoolbeweging, hetzij werkzaam als volkerenpsycholoog.

Reeds daarom kan een herinnering aan zijn werk thans van belang zijn. Hetzelfde geldt voor het werk van Dr. Zeylmans van Emmichoven die zich intens heeft verdiept in het vraagstuk van Europa en de volkerenpsychologie. Beiden zijn thans overleden. Zeylmans in 1961. Stibbe in 1973.

Europa tussen oost en west

Europa tussen oost en west. Men zou ook kunnen zeggen: Europa tussen technocraten en religieuze verwachtingen.
Technocratische verwachtingen die steeds weer opnieuw vanuit Amerika worden verkondigd en de hoop wekken op de komst van een samenleving, waarin ‘geluk voor het grootste aantal’ en materiële welvaart zijn verwezenlijkt. Waarin het rechtsleven in dienst staat van deze technocratische belangen.

Religieuze verwachtingen. Als toekomstverwachtingen beheersen zij als ‘ideologie’ iedere communistische staat, hetzij de Sovjetunie, hetzij communistisch China. Verwachting van de komst van een samenleving waarin dankzij een dialectisch-materialistisch proces, het klassenverschil wordt opgeheven. Een verwachting, die kan ontaarden tot een intolerant geloof. Religieuze verwachtingen kunnen ook naar het verleden worden gericht. Daarvan is de islamitische republiek in Iran thans een voorbeeld: een samenleving die beheerst wordt door de Koran als wetboek. In beide gevallen – zowel in de communistische als in de islamitische republiek – staat het rechtsleven dan in dienst van een heilsverwachting.

Daartussen Europa. Een samenleving met staatsvormen die ‘het resultaat zijn van het afwegen van rechten en verplichtingen der burgers, als aangelegenheid van rechtsgevoelens der mensen.’ Aldus Stibbe.

Niet dat Europa daar op het ogenblik een goed voorbeeld van is. Europa met zijn verschillende variaties van ‘verzorgingsstaat’, waar staat en maatschappij elkaar steeds meer doordringen en in elkaar overgaan. Waarin bureaucratie en technocratie steeds minder ruimte overlaten voor het ‘afwegen van rechten en verplichtingen’ onder zelfstandige burgers.

Wordt dat de toekomst van de Europese integratie? Europa als super-nationale staat met een superbureaucratie en een supertechnocratie?

Daarin ligt niet de ‘pedagogische taak van Europa’ die Stibbe bedoelde. Hetgeen niet wil zeggen, dat deze niet ter hand zou kunnen worden genomen als een hoopvol perspectief voor de toekomst. Europa’s middenpositie wordt dan een ruimte waar plaats is voor het zoeken naar evenwicht. Evenwicht tussen materiële en ideologische en religieuze belangen, zodat deze niet behoeven te ontaarden in economische roofbouw, of geestelijk terrorisme.

Aanwijzingen hiertoe zijn reeds zichtbaar. De energiecrisis, die door toedoen van de Arabieren, buiten Europa op gang is gekomen (1973), brengt binnen Europa een mentaliteitscrisis op gang, gepaard aan een nieuw verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van de grondstoffen die de aarde voortbrengt. Daarnaast het vraagstuk van geestelijk terrorisme, als uitdaging bijvoorbeeld aan het onderwijs, en aan scholen met voldoende geestelijke ruimte om zich in vrijheid te kunnen ontwikkelen tot een eigen identiteit. Dat zijn essentiële vraagstukken, die op Europees niveau thans wel onder ogen worden gezien, maar die met verkiezingen van een Europees parlement niet worden opgelost, zolang niet de nationale parlementen meer ruimte bieden aan de burgers voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid op economisch en op geestelijk gebied.

Meer ruimte, opdat Europa zal kunnen geloven; ieder volk vanuit zijn eigen aard, zijn eigen identiteit.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1873-1758

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-4-1)

.

In de jaren 70 van de vorige eeuw lieten ‘de consumenten’ van zich horen.

Aanleiding voor Lex Bos om hun streven te bekijken vanuit de ‘driegeleding van het sociale organisme. Het begrip associaitie wordt belicht.

A.H.Bos, Jonas 17 mei 1974
.

consumenten-inspraak

In de NRC van 14 maart 1974 stond het volgende berichtje: “Tram- en
buspassagiers in de hoofdstad krijgen inspraak in het openbaar vervoersbeleid. De wethouder zei dat het gemeentebestuur best bereid is te onderzoeken in hoeverre deze inspraak zin kan hebben. Men had er al eens over gedacht, zei hij, om een selectie te maken van abonnement- en lijnkaartbezitters die de stem van het publiek zouden moeten vormen”.

Zulke berichtjes maken iets zichtbaar van een vernieuwingsproces dat zich voltrekt, tegen alle reactionaire krachten in. Een proces waarbij de samenleving zelf haar gezonde organisatievormen toont. Althans in welke richting deze vormen zich willen ontwikkelen. Of het ook zal lukken
concrete levensvatbare vormen te scheppen, hangt af — in dit geval — van de vraag of de consumenten die deze bal krijgen toegeworpen, er met voldoende wakkerheid, sociale vaardigheid en verantwoordelijkheidsgevoel mee aan het spelen gaan en of de vroede vaderen, als zij de consequenties zien van hetgeen zij in in gang hebben gezet, niet bang zullen worden van hun eigen overmoed en het project in ambtelijk slob zullen laten verzanden…

Er is in dit blad al eerder geschreven over de sociale drieledigheid, een maatsehappijstructuur gekenmerkt door een autonoom geestelijk-cultureel leven dat vorm en inhoud vindt uit de vrije initiatieven van degenen die er zelf verantwoordelijk-creatief in staan- een autonoom economisch leven dat zijn organisatievorm vindt in een bewegelijk netwerk van associatieve verbanden tussen producenten-handelaren en consumenten-groepen; en een politiek leven waarin op democratische wijze wordt beslist uitsluitend over die zaken waarover de betrokkenen een oordeel kunnen hebben omdat zij er als mens mee te maken hebben.

De sociale drieledigheid is geen theorie die in de werkelijkheid moet worden gedrukt. Het is de verwoording van een maatschappijstructuur die als mogelijkheid in de werkelijkheid leeft. Men hoeft haar er niet “in te stoppen”, men kan haar “eruit halen”, Daarom hebben we het krantenberichtje geciteerd. Het zijn maar kleine symptoompjes, maar als we ze herkennen en de ruimte geven kunnen ze de zelfde werking hebben als de kiemende zaadjes in de spleet van een rots…

Wat betekent deze consumenten-in-spraak nu eigenlijk in het kader van een drieledige maatschappijstructuur?

Door de arbeidsverdeling die het hele economische leven doortrekt, ontstaat een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Een dergelijke
structuur is alleen levensvatbaar wanneer daarin het principe van de samenwerking, de wederzijdse dienstverlening het leidend beginsel is. Het Vecht principe, waarop de concurrentie-economie in het Westen is gebaseerd, hoort in het geestesleven thuis: Vechten om de waarheid, strijden voor een ideaal, worstelen met jezelf! Daarom is het goed dat in het geestesleven gelijkgezinden elkaar vinden en versterken. Bv. onderzoekers die in een zelfde probleem zijn geïnteresseerd, of pedagogen en ouders die van een zelfde mensbeeld uitgaande een school willen inrichten. Zulke groepen kunnen, door het samen bundelen van hun gelijke gerichtheid, hun creativiteit versterken.

In het economische leven is dat omgekeerd. Rudolf Steiner — degene die het eerst de gedachte van de sociale drieledigheid uitsprak — heeft er voortdurend op gewezen dat de organisatievorm voor het economische leven de associatie tussen producent, handelaar en consument is, waarbij dus tegengestelde belangen elkaar moeten vinden. Elke eenzijdige
belangen-groepering berekent hier een potentiëring van het egoïsme en dat werkt als gif in het economische leven en daarmee in het sociale organisme.

Wij zijn zo gewend aan het vechtprincipe als uitgangspunt voor sociale vormen, dat wij vrijwel niet anders meer kunnen denken dan in termen van “proletariërs aller landen verenigt u” tegen de boze kapitalisten.

Op het moment dat de consument zich bewust wordt van het feit dat hij gemanipuleerd wordt, ontstaan er consumenten-bonden, die, vooral door de militante houding van Ralph Nador (Consumerism), sterk het karakter krijgen van: consumenten aller landen verenigt u” tegen de boze producenten.

Het associatie-principe betekent een samenbundeling in één orgaan van de tegenstelde belangen van producent, handel en consument. Door  overleg moeten zij zichtbaar maken wat de behoeften zijn, welke de mogelijkheden zijn deze te bevredigen en hoe deze in reële afspraken bij elkaar gebracht kunnen worden.

DRIE SOORTEN ASSOCIATIES

In het boekje “Maatschappijstrukturen in beweging” is een hoofdstuk over driegeleding in het meso-sociale. Daarin wordt onderscheiden tussen professionele organisaties (waarin ideeën en mensen worden ontwikkeld), service-organisaties (die diensten leveren) en product-organisaties (die materiële goederen produceren die het bedrijf ruimtelijk verlaten).

Voorbeelden van de eerste zijn bv: een artsenpraktijk, een universiteit, een research instituut, een adviesbureau; voorbeelden van de tweede zijn bv: Horeca bedrijven, reisbureaux, bankinstellingen, transportondernemingen; voorbeelden van de derde zijn: schoenenfabrieken, agrarische bedrijven, scheepswerven. Natuurlijk zijn er allerlei overgangs-en mengvormen.

Wij wijzen hier op dit onderscheid omdat het verschil in “out-put” (idee, dienst, product) ook te maken heeft met de relatie tussen de consument en de producent en daarmee van belang is voor ons denken over associaties. In een professionele organisatie vindt de productie in zekere zin plaats als een unieke creatieve prestatie in directe wisselwerking met de consument. Wanneer een artsenspreekuur niet is gedegenereerd tot een verwijsbureau wordt in aanwezigheid van de patiënt een uniek consult ontwikkeld.

Wanneer een school niet is gedegenereerd tot een leer-fabriek, betekent het lesgeven een creatief pedagogisch gebeuren. De consumenten zijn in de werkplaats aanwezig. Zij zijn a.h.w. tegelijk grondstof en productiedoel. Er wordt aan en met hen gewerkt.

MANIFEST

In deze sfeer zijn consumenten-bewegingen het eerst manifest geworden. Het studentenverzet is in wezen een verzet tegen het “stenen i.p.v brood moeten eten”. Wanneer de greep van de staat op het volksgezondheidswezen doorzet, is te verwachten dat ook patiënten zullen gaan ontdekken dat wat overheid en commercie hen voorschrijven aan medicamenten en hen voorzetten aan ziekenhuis-acommodatie, met genezen en verzorgen evenveel te maken heeft als stenen met brood.

Wat zich in onderwijskringen als democratiseringsgolf afspeelt, is in wezen het zoeken naar de juiste verschijningsvorm van de associatiegedachte in organisaties binnen het geestesleven. Hoe komt het dat al dit “gedemocratiseer” door velen als onbevredigend wordt beleefd? Een gezond geestesleven is gekenmerkt door initiatief en diversiteit. Bureaucratisering betekent initiatief-verlamming, normalisering betekent negatie van de diversiteit waarin het individuele zich kan ontplooien.

VRIJ GEESTESLEVEN

Een vrij geestesleven wordt gekenmerkt door de mogelijkheid dat vele initiatieven — komend uit de meest verschillende geestelijke richtingen en aansluitend op de meest verschillende geestelijke behoeften – naast en in wisselwerking met elkaar hun levensvatbaarheid kunnen tonen (concurrentie!) Patiënten zoeken hun arts, studenten hun docent, kunstzoekenden hun artisten, gelovigen hun religieuze gemeenschap. Zo vormen zich in een vrij geestesleven reële associaties tussen mensen.

Wat gebeurt er nu wanneer dit streven naar diversiteit, naar initiatief-moge-lijkheid, naar associaties met een eigen gezicht zich af moet spelen binnen de muren van een staatsuniversiteit, waarin door de overheid aangestelde leerkrachten in door de overheid gefinancierde accomodaties, door de overheid goedgekeurde leerstof overdragen t.b.v. de voorbereiding van door de overheid gesanctioneerde examens?
Het resultaat is revolutionair geweld, destructieve kracht, politiek dynamiet. Wanneer het “vecht-element” van het geestesleven zich niet kan realiseren in een vrije ruimte die door de overheid wordt gegarandeerd (maar niet betreden), richt deze kracht zich op destructieve wijze naar binnen, tegen de bureaucratie en tegen andere groepen binnen deze onvrije ruimte.

ASSOCIATIES IN DE DIENSTVERLENENDE SECTOR

Organisaties in de dienstverlenende sector (ongeacht of ze in particuliere dan wel overheidshanden zijn), worden o.a. daardoor gekarakteriseerd dat de consumenten gedeeltelijk binnen, gedeeltelijk buiten de organisatie zijn. In een ziekenhuis, een restaurant, een vervoersbedrijf of een kapperszaak verschijnen zij voor langere of kortere tijd in “lijfelijke vorm” en laten iets “met zichzelf doen”; soms echter verschijnen zij alleen aan de balie (bv. in een bank of een reisbureau) en laten iets met hun rechten doen of met hun (gebrek aan) informatie; soms ziet de organisatie de klanten helemaal niet omdat zij bv. alleen diens goederen versleept of diens vuil ophaalt.

Zodra we dus met de associatie-gedachte in de dienstverlenende wereld binnentreden — en het uitgangscitaat van dit artikel had de bedoeling te wijzen op een positieve ontwikkeling in deze richting — moeten we rekening houden met het feit dat de afstand tussen producent en consument groter wordt, zowel ruimtelijk (de klant verschijnt niet altijd meer binnen de organisatie) als persoonlijk (het cliëntsysteem is niet altijd meer duidelijk aanwijsbaar, naast de trouwe eigen klanten maakt ook “het publiek” gebruik van de diensten) als organisatorisch (er begint zich iets van “handel” tussen producent en consument te schuiven, bv. reisbureaux tussen reizigers en vervoersmaatschappijen).

Er zal tijd en persoonlijke inzet nodig zijn om deze afstand te overbruggen. Consument en producent zullen veel moeite moeten doen om een voorstelling te krijgen van en begrip te tonen voor de behoeften van de een en de mogelijkheden van de ander. De consumenten zullen zich reël met hun achterban moeten stellen (die op zichzelf eerst zichtbaar moet worden gemaakt) om na te gaan waarin welke behoeften bestaan en of het reëel is deze behoeften aan — in ons voorbeeld — het vervoersbedrijf kenbaar te maken.
De producent zal een duidelijke voorstelling moeten kunnen overbrengen waar de grenzen van haar mogelijkheden liggen (“vrije trambaan”) en hoe deze afhankelijkheden op hun beurt in beweging kunnen worden gezet.

ASSOCIATIES IN DE PRODUCTEN-SECTOR

De moeilijkste stap op het nog nieuwe associatie-vlak is in de industriële sector d.w.z. daar waar producent en consument volledig gescheiden zijn. Vele schijven van vervoer, handel en tussenopslag bevinden zich dan tussen beide. Hier zal het de allergrootste inspanning kosten de anonieme markt doorzichtig te maken en de commercie te vermenselijken. Allereerste ervaringen worden opgedaan in het nog overzichtelijke gebied van de biologisch-dynamische land- en tuinbouw. Misschien moeten wij eerst meer ervaring opdoen met associaties in de educatieve sector en in de dienstensector, voordat deze nieuwe organisatievorm in het “harde” industrieel-economische leven een voet aan de grond krijgt.

Het is daarom dat de aandacht werd gericht op het verschijnen van de associatie-gedachte in de dienstensector. Wij dienen zulke aanzetten met aandacht te vervolgen, en, voor degenen op wier weg het ligt, kans van slagen te geven door persoonlijke inzet. Het slagen van zulke experimenten kan een poort zijn naar veel verderstrekkende maatschappelijke vernieuwingen in de zin van de sociale drieledigheid.

Sociale driegeledingalle artikelen
.

1860-1745

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

.

A.C. Henny, Jonas 10,*16-01-1976

Intreerede van prof. dr. D. Brüll

Recht en wet in het licht van de driegeleding

Het aanhoren van een rede, uitgesproken door een hoogleraar in het belastingrecht, kan voor academisch niet ingewijde toehoorders, een moeizame beproeving zijn. Men hoeft maar te denken aan de intellectuele foltering, waarmee gewoonlijk het invullen van een belastingbiljet gepaard gaat. Denkt u zich eens in: dit ambtelijke labyrint nog eens in duplo verwetenschappelijkt. Een uur lang!

Voor veel toehoorders in de Lutherse kerk te Amsterdam was het dan ook op 8 december* een een verrassing te horen hoe Prof. Brüll bij zijn intreerede sprak over ‘Recht en Wet’. Wat hier vanaf de kansel klonk riep geen enkele herinnering meer op aan het ministerie van financiën, maar deed direct een beroep op de sociale mens in ons. Voor veel hooggeleerde juristen, in de voorste banken, niettemin interessant trapezewerk op het hoogste academische niveau!

Of zij het gewicht van dit ogenblik ook allen hebben beseft? Krachtens het recht om belasting te heffen, heeft de Nederlandse staat een machtsmiddel in handen ter verdeling van 50-60. procent van het nationaal inkomen. Want dat is het bedrag dat jaarlijks aan belastingen en heffingen wordt opgebracht. De inning en verdeling daarvan vindt plaats krachtens de wetten die door de uitvoerende en de wetgevende macht worden ontworpen en goedgekeurd volgens de spelregels van onze democratische rechtsorde.

Maar volgens deze zelfde spelregels mag de rechter ‘de innerlijke waarde’ van zo’n wet niet beoordelen. Hij mag niet bij zichzelf te rade gaan of hij zo’n wet wél of niet rechtvaardig acht en daarop zijn vonnis baseren. Hij mag zelfs de wet niet toetsen aan de grondwet, wat in de Verenigde Staten en in West-Duitsland de rechter wél mag doen. Bij ons schrijft zijn beroepsplicht hem voor zich bij de wet neer te leggen.

Dat is — gelukkig — niet het geval bij een hoogleraar in de rechtsgeleerdheid. Deze heeft in ons land nog de vrijheid iedere wet te toetsen aan het criterium van de rechtvaardigheid. In veel landen is dat reeds niet meer mogelijk. Daar mist een hoogleraar deze academische vrijheid.

Een hoogleraar in het belastingrecht draagt dus wel een verantwoordelijkheid bij de beoordeling van de machtsmiddelen waarmee de Staat de helft van het nationaal inkomen naar zich toe trekt en herverdeelt.

Vanuit deze situatie betuigde Brüll allereerst eerbied voor zijn leermeester, Prof. De Langen. Hij stond nu op diens plaats. De leerling neemt de fakkel over van de leraar en hij bouwt verder aan een stuk onvoltooid verleden. Dat betekent voor Brüll dat hij de belastingwetenschap niet wenst te zien als een ‘hogere beroepsschool voor uitgeslapen adviseurs en inspecteurs, maar als een klein onderdeel, als een hulpmiddel — zo u wilt — van de maatschappijwetenschap en het algemeen en van de rechtswetenschap in het bijzonder.’

Daarmee kreeg het probleem van ‘recht en wet’ een nieuwe belichting. Een probleem dat in de vorige eeuw vrijwel was doodgepraat, althans bedolven onder de last van bibliotheken vol rechtsfilosofie. Met de Neurenberger rassenwetten van Nazi-Duitsland werd het vraagstuk in deze eeuw weer actueel. ‘Recht ist was dem Volke nützt’, verklaarde Hitler. Daarmee was voor hem het vraagstuk van de moord op 6 miljoen joden ‘entgültig gelöst’. Maar juist daardoor is voor ons het rechts-vraagstuk ten nauwste verbonden geworden met het mensbeeld waarop het recht berust.

Rechtsgeleerdheid en mensbeeld

Machiavelli heeft verkondigd: ‘niemand kan een grondwet of wetten voor een republiek maken wanneer hij er niet van uitgaat dat de mens slecht is. Want de mensen zijn van nature slecht en doen alleen hun plicht wanneer zij daartoe gedwongen zijn’. Op déze filosofie berust in onze ‘vrije westerse wereld’ over het algemeen nog steeds de ‘burgerlijke’ ethiek van de ‘kleine man’. Daartegenover staat de filosofie van de ‘onvrije wereld’ achter het IJzeren Gordijn: de mens is van nature goed maar wordt gecorrumpeerd door de eigendomsverhoudingen in de maatschappij. Deze, aan Rousseau ontleende opvatting, is door Marx en Lenin ‘verwetenschappelijkt’ en tot staatsfilosofie gemaakt. De mens is in wezen sociaal. ‘Mocht de werkelijkheid er anders uitzien’, aldus Brüll ‘des te erger voor de werkelijkheid, de theorie zal hem dan, met behulp van werkkampen, wel maken… ’ Deze anti-these tussen twee geloofsovertuigingen — de mens is van nature slecht en dus onsociaal, en de mens is van nature goed en dus sociaal — is in hoge mate onvruchtbaar omdat zij problemen stelt die krachtens hun natuur onoplosbaar zijn. Vandaar dat wij thans zitten opgescheept met een aantal polarisaties die de mensheid verdeeld houdt in twee vijandige kampen — van ‘rechts’ en ‘links’ — met daartussen een zich steeds verder uitbreidend niemandsland, waar iedere toenadering tussen mensen tot onvruchtbaarheid is gedoemd.

Met dit onvruchtbaar dualisme rekent Brüll af. Het probleem dat hij stelt is niet: is de mens van nature onsociaal of sociaal, maar: waar is de mens van nature onsociaal, en waar is hij van nature sociaal? Daarmee opent hij een ontwikkelingsweg naar sociale vaardigheid. Dat hiermee ook nieuwe per-spektieven worden geopend voor de huidige rechtsgeleerdheid, zou haast vanzelfsprekend kunnen zijn, wanneer niet het labyrint van kronkelwegen dezer rechtsgeleerdheid zó ondoorzichtig was geworden, dat daardoor ieder verband tussen de begrippen ‘rechtvaardig’ en ‘sociaal’ is zoek geraakt.

Anti-sociaal en a-sociaal

Brüll stelt nu het probleem als volgt: ‘Als biologisch wezen kan de mens niet anders dan anti-sociaal zijn… Reeds door de noodzaak te eten, te drinken, zich te kleden, behuizing te zoeken, zijn wij ertoe veroordeeld anti-sociaal te zijn: wat ik consumeer staat anderen niet meer ter beschikking.’
Dit levert op zichzelf geen probleem op ‘gezien de gulheid van de natuur’. Het probleem ontstaat wanneer de mens zijn consumptie uitbreidt naar ‘het oeverloze rijk van de psychologisch bepaalde behoeften en begeerten’.

‘Dit streven leidt er toe, dat men niet alleen van wat de natuur biedt een zo groot mogelijk stuk naar zich toe schraapt doch tevens de medemens als object gaat zien, die ik uit kan buiten door hem te dwingen voor mijn begeertebevrediging te werken. Als wij door de geldsluier heen kijken, dan betekent dit, dat wie vijfmaal het gemiddelde inkomen verdient, grosso modo vijf gemiddelde mensen voor zich laat werken. Wij kennen het verschijnsel maar wij weten eveneens, dat de mens boven het biologisch minimum – pathologische gevallen daargelaten — tot deze gedragswijze door zijn psyche geenszins gedwongen is.’

Tegenover de anti-sociale mens, stelt Brüll de a-sociale mens.

‘In ieder mens leeft de wil om zich te ontplooien te ontwikkelen, dat wil zeggen om hetgeen als aanleg, als gave, als kiem in hem leeft, tot bloei te brengen… Een veroveringstocht: om waarheid, om inzicht, om vaardigheid. Zij onderscheidt zich evenwel van de economische op maatschappelijk kritische wijze: anders dan deze neemt zij aan de medemens niets weg… Het terrein dat hier ontstaat is het geestesleven van de mensheid. Het proces, waarbij de mens zich van bepaalde reeds bestaande samenhangen bewust wordt… is a-sociaal, dat wil zeggen dat de hier bedoelde verovering slechts kan plaatsvinden door zich van de medemens af te sluiten. Als ik een optelsom maak, en iemand zoekt sociaal contact met mij, dan ondervind ik dat als ‘storing’ en ik sta voor de keuze om óf a-sociaal te zijn en de stoorvogel weg te wuiven, óf mijn poging om het onbekende resultaat te weten te komen op te geven respectievelijk op te schorten. Beide tegelijk gaat niet.’

Ook dit van nature a-sociale gedrag behoeft geen maatschappelijk probleem op te roepen, ware het niet dat de mens niet alleen zijn geestelijke horizon wil verruimen maar ook wil getuigen van de ontdekte waarheid. Hij wil zelfs overtuigen en maar al te vaak… opdringen.

‘Hij wil met zijn waarheid de hele mensheid gelukkig maken en andere heersende waarheden uitroeien… Met een vaak tot terreur leidende intolerantie wordt de eigen waarheid desnoods via hersenspoeling aan de medemens opgedrongen.’

Sociale driegeleding

Tussen deze natuurlijke polariteiten – in het economisch leven anti-sociaal, in het geestesleven a-sociaal – staat de sociale kracht in de mens.

‘Zij wordt door de kapitalistisch-darwinistische ideologie en haar wetenschappelijke aanhang absolutistisch zelfs als mogelijkheid ontkend (‘de mens is een uitsluitend uit eigenbelang handelend wezen’) – even ten onrechte als de marxistisch-communistische ideologie haar verabsoluteert: de mens is van nature sociaal, alleen door de eigendomsverhoudingen onsociaal geworden. Juist is, dat de mens een a-sociaal én een anti-sociaal wezen moet zijn door de noodzaak zich te ontwikkelen en zich te voeden. Juist is ook, dat hij zelf deze tendenzen kan inperken. En juist is tenslotte, dat de mens geen sociaal wezen moet, daarentegen wel degelijk kan zijn.’

Tussen de anti-sociale mens in het economisch leven en de a-sociale mens in het geestesleven, liggen de mogelijkheden in het rechtsleven, waarbinnen ‘als totaliteit de noden en de behoeften van de (mede)mens wel degelijk tot motief van handelen worden gemaakt, zeer in het bijzonder in de wetgeving.’ Want door de wet kunnen grenzen worden gesteld, tussen anti-sociaal en sociaal gedrag enerzijds, tussen a-sociaal en sociaal gedrag anderzijds.

Zo verschijnt een sociale driegeleding en wel vanuit de mens die met zijn sociale krachten tussen anti-sociale en a-sociale tendenzen staat.

‘Vanhieruit verschijnt de samenleving als een rechtsprobleem: hoe ver mogen en moeten wij de schrapende en de gelijkhebberige mens – in ons, in de maatschappij – zijn gang laten gaan? Vanhieruit stelt zich de rechtstaak, niet om alle gebieden onder de hoede van de staat te brengen, doch om aan het economisch leven die middelen te ontnemen, die uitbuiting van mens door mens eerst mogelijk maken: het door het economisch leven geüsurpeerde recht om arbeid, grond en productiemiddelen als waren te behandelen. De taak tevens, om aan het geestesleven die rechten te geven, die de staat noodzakelijkerwijs aan de kerk heeft ontnomen, maar in gebreke is gebleven aan de rechthebbenden terug te geven: de volstrekte vrijheid om eigen overtuiging binnen het geestesleven op therapeutisch, pedagogisch, wetenschappelijk, informatief etc. vlak — uit te dragen’.

De wet en het natuurrecht

Eeuwen lang hebben de juristen zich beziggehouden met de vraag in hoeverre de wet een uitvloeisel is van het natuurrecht.

Reeds Thomas van Aquino stelde tegenover de ‘lex humana’ de ‘lex naturalis’. Daarbij bouwde hij voort op de eeuwenoude erfenis van de Romeinse juristen. De wet, waarin men kan terugvinden alle menselijke tekorten. Het natuurrecht als afspiegeling van eeuwig geldende waarden en normen, voor alle tijden, voor alle volken. Eens werd deze afgelezen uit de wil der goden, uit de samenhang tussen mens en kosmos – een Grieks woord dat orde betekent -. Sinds dit verband verloren is gegaan, sinds de stem der goden en ook de Openbaring uit de Heilige Schrift niet meer doordringt in de chaos van de samenleving, zijn de discussies over het ‘natuurrecht’ steeds verder van de sociale werkelijkheid vervreemd geraakt.

Prof. Brüll heeft het aangedurfd het vraagstuk van natuurrecht en wet opnieuw aan de orde te stellen vanuit een drieledige maatschappijstructuur. Ditmaal als een vraagstuk, waarmee onze belastingwetgeving wordt geconfronteerd. Daarmee is ook ter discussie gesteld, de competentie van de Staat, die als machtsapparaat vervreemd is geraakt van zijn eigenlijke rechtsbasis.

Er is moed voor nodig om een dergelijk gigantisch probleem opnieuw te stellen, en wel vanuit een zo gespecialiseerde hoek als dat van het belastingrecht. Het lijkt mij belangrijk hier nog eens op te wijzen, na de bestudering van deze intreerede, een rede waarbij zowel aan de sociale driegeleding als aan het levenswerk van Rudolf Steincr vanuit een eigen overtuiging werd recht gedaan. Hoe ver zal de golfslag die deze steen in een vijver heeft teweeggebracht, zich buiten de universiteit uitbreiden?

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1843-1728

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (6-2)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

Of het nu de vroegere Bond van vrijescholen was of de huidige Vereniging van vrijescholen, een schoolbeweging die pal staat voor vrijheid van onderwijs, is nooit ontstaan.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw leek het erop dat de idee van een ”vrij geestesleven’ ingebed in een drieledige sociale maatschappijstructuur bij velen begon te leven – vooral ook bij groepjes leerlingen van de vrijeschoolbovenbouw, bij ouders die hun krachten bundelden in een Landelijke Oudervereniging, wat leidde tot initiatieven: het houden van een congres bijv. en manifestaties op het Binnenhof in Den Haag.
Uiteindelijk verwaterde het initiatief.
Naast vele positieve zaken die wél tot stand zijn gekomen, moet toch de conclusie getrokken worden dat er bij de mijlpaal van 100 jaar vrijeschool, voor de vrijheid van onderwijs, laat staan voor een vrijgeestesleven, niets is bereikt.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

In verschillende vrijescholen werden in de bovengenoemde jaren pogingen ondernomen om ook het besturen van een vrijeschool vanuit de idee van de driegeleding, vorm te geven.
De Geert Grooteschool in Amsterdam maakte er serieus werk van:

MAATSCHAP

Wouter de Gans, Forum Internationaal nr. 4, dec./jan.1977-78
.

Geen loon naar werken

Over de inkomensverdeling op de Geert Groote School

In de jaren voorafgaand aan de oprichting van de eerste ‘Waldorfschule’ in Stuttgart 1919, werd er door Rudolf Steiner (1861-1925) in vele voordrachten en in zijn werk ‘Die Kern-punkte der socialen Frage’ met klem gewezen op de noodzaak te komen tot een bewust geleden en hanteren van drie wezenlijk van elkaar te onderscheiden gebieden van onze samenleving. Een in vrijheid zich ontwikkelend cultureel leven, een op het gelijkheidsprincipe berustend rechtsleven en een van broederlijkheid doortrokken economisch leven zijn, zo toonde Steiner aan, de voorwaarden voor een gezond functioneren van onze maatschappij. Zonder elkaar te verdringen, zouden deze drie gebieden op harmonieuze wijze – als in een organisme – een eenheid moeten kunnen vormen. Deze ‘Driegeleding van het sociale Organisme’ is van toepassing op de ‘grote ’ samenleving, maar ook op de middelgrote (scholen, bedrijven, enz.) en de kleinere leefgemeenschappen.

Om werkelijkheid te worden, vraagt zij niet alleen om inzicht maar moet zij vooral ook gedaan, geoefend worden.

In welke verhouding staan nu Steiners sociale impulsen, tot zijn pedagogische?! Om daar enig zicht op te krijgen, zullen wij vanuit meerdere richtingen opdoemende vragen met elk hun eigen aspect, moeten bezien.

lste: School-Maatschppijstructuur

Hoe zien de in diverse instituten over de gehele wereld met Rudolf Steiners pedagogische impulsen werkzame mensen, de plaats van die instituten binnen een niet driegelede maatschappijstructuur? Zijn de ‘vrije’vcholen werkelijk vrij? Zo niet, zijn er wegen om die vrijheid te veroveren. En zo die er al zijn, staat die verovering dan uitsluitend in het teken van het eigenbelang, of hebben wij hier te maken met waarden van algemeen menselijk belang ?

2de: Schoolorganisatiestructuur

Hoe wordt er binnen die instituten – met name de scholen – door de betrokkenen gestreefd naar het realiseren van een driegelede sociale structuur.

3de: Leerplan-Driegeleding van het sociale organisme

Op welke scholen, op welke manier en in welke mate wordt Rudolf Steiners concept van de sociale driegeleding in de geschiedenis en/of maatschappijleerlessen, naar voren gebracht?

In een serie artikelen – deels met berichtend/ practisch karakter, deels van meer algemeen beschouwende aard – willen wij een bijdrage leveren tot beeldvorming t.o.v. het gehele in dit inleidinkje aangeduide complex van vragen.

Met betrekking tot het onder ten eerste gestelde thema zal er in een volgend nummer [niet op deze blog] aandacht besteed worden aan de zgn. ‘Initiatiefwet’. Een wet die werkelijk vrije scholen mogelijk zal kunnen maken. Aansluitend op het thema: ‘Leerplan-Driegeleding van het sociale Organisme’ zal Mouringh Boeke in nummer 5 [niet op deze blog] berichten over zijn ervaringen mei driegeledingsonderwijs op de Haarlemse Rudolf Steiner School. Allereerst echter in het hiervolgende artikel van Wouter de Gans, een verslag van een stuk baanbrekend pionierswerk op de Amsterdamse Geert Groote School. Een oefening in ‘broederschap des gemenen levens’, die alle respect afdwingt!

Bijna alle leraren van Vrije Scholen zijn ambtenaar. Dat is naar maar waar. Al voelen zij zichzelf niet zo en al geven zij naar buiten toe niet zo’n indruk, toch hebben zij formeel gezien de ambtenarenstatus. Kleuterleidsters onderscheiden zich daarin niet van doctorandussen. Maar juist daardoor worden onderscheidingen wél zichtbaar. Deze groepen immer worden in ons maatschappelijk bestel verschillend gekwalificeerd. In de salariëring komt tot uitdrukking dat eerstegraadsleraren een meerwaarde hebben boven kleuterkeidsters. Tussen deze uitersten is de hiërarchische ladder te vinden, waarvan elke trede geplaveid is met een nieuwe onderwijsakte. Een volgende stap betekent een paar honderd gulden per maand méér salaris. Althans wanneer de betrokkene ook voor een hogere onderwijsvorm kiest. Want de eerstegraadsleraar die bij het mavo werkt, krijgt tweedegraads betaald… blijkbaar omdat mavo-leerlingen wat minder waard zijn. Door meer voorbeelden is aan te tonen hoe ons huidige onderwijsstelsel bij uitstek een plaats is waar een klassiek standensysteem wordt bestendigd.

Een vrijeschool is een maatschappelijk alternatief en het laat zich raden dat er binnen de bestaande structuur een geweldige strijd nodig is, om dat waar te maken. Een volledige vrijeschool met kleuteronderwijs en twaalf leerjaren heeft ambtenaren als leerkrachten, vanaf het moment dat de school erkend is en subsidie ontvangt. Zonder geld van de overheid een school stichten en in stand houden is wel wenselijk maar vrijwel onmogelijk.

Uitvoerders

Nu lijkt het voorlopig nog alsof de ambtenarenstatus alleen perikelen met zich meebrengt bij de salariëring. Er is veel meer. Op het gebied van de rechtspositie kunnen ook worden genoemd de vaste aanstelling, de pensioenregeling, de urengaranties, de akten van benoeming. Maar bovenal plaatst de leerkracht zich in de rol van uitvoerder, gehoorzamend aan de directie, het bevoegd gezag en de ministeriële regelingen. Al deze aspecten blijven hier buiten beschouwing, omdat het nu alleen gaat om het vraagstuk van de inkomensverdeling. In een vrijeschool kunnen de leerkrachten moeite hebben met de officiële salariëring vanuit het inzicht dat die principieel onjuist is. Het recht op een vast inkomen alleen al is op grond van de driegeleding een vloek.
Maar veel sterker nog kan het gevoel van strikte onrechtvaardigheid werken, wanneer de collega’s moeten merken dat zij een verschillend inkomen ontvangen op argumenten van buiten die zij niet zelf delen. Als je elkaar kent, ieders inzet kan schatten dan is het beschamend dat de één meer en de ander minder verdient op grond van een handgeschept papiertje. Hoe is de waarde van iemands werk ooit in een maandelijks bedrag uit te drukken?

Maatschap

Nu is er vanaf de eerste vrijeschool (Stuttgart, 1919) gezocht naar andere vormen van salaristoekenning. Enerzijds is dat gebeurd op ideële gronden: een systeem ontwikkelen in overeenstemming met Steiners driegeleding. Anderzijds dwongen de praktische omstandigheden daartoe. In veel vrijescholen was en is er geld te weinig, zeker in de fase van oprichting. Het is verbluffend om te horen welke offers mensen zich getroosten, die in zo’n situatie aan een school verbonden zijn. Het is gebruikelijk geworden om de groep leraren die los van de vaste salarisschalen, hun inkomen onderling regelen, de maatschap te noemen, hoewel die naam misschien niet exact is. Ook de Geert Groote School kent vanaf haar oprichting (1933) een vorm van maatschap. Daarbinnen waren de geldzorgen vroeger heel groot. Nu doen daarover vrolijke anecdotes de ronde: hoe die eerste juffies dagelijks op ouderbezoek gingen om tenminste aan een warme hap te komen en hoe een lerarenechtpaar door zijn bed zakte, terwijl de schoolkas een extra uitkering niet toestand. Deze voorgeschiedenis heeft trouwens -als op zo veel plaatsen – de onjuiste opvatting ingeslepen als zou een maatschapssalaris altijd minder zijn dan een subsidiesalaris. Bovendien heeft dit een aantal leerkrachten tot martelaren gemaakt en hen op zwakke momenten vertwijfeld laten uitroepen: ‘En ik verdien nog zo weinig ook aan deze school!’ Zo’n opmerking is een les, omdat daaruit geleerd kan worden hoe moeilijk het is om een eigen inkomensverdeling innerlijk waar te maken. Dan nog een belangrijk misverstand. Wanneer met name de zwaarbetaalde leraren een maatschapssalaris ontvangen dat lager ligt, dan waarop ze volgens de normen recht hebben, dan is het verschil geen schenking aan de school. Zeker geen persoonlijke schenking. Immers de betrokkene doet afstand van het recht op een vast salaris; vervolgens ontvangt hij via de maatschapsafspraken een bepaald inkomen. Net doen alsof dat een deel van het eigen subsidiesalaris is en vervolgens het gevoel hebben de rest aan de school te kunnen schenken, is in strijd met het uitgangspunt. Het geld waar je afstand van doet (omdat je vindt er geen recht op te hebben), kan je vervolgens moeilijk wegschenken.

Deze punten kwamen heftig boven toen in de de Geert Groote School het vraagstuk van de maatschap weer eens nieuw in bespreking werd genomen. Het was oktober 1975; de toestand gaf alle aanleiding om schoon schip te maken.

Wanorde

De administratie was een onoverzichtelijk geheel. Zowel in de uitvoering van alle administratieve handleidingen, als in het financiële beleid heerste wanorde. Een ondeugdelijk administratiekantoor zorgde daarvoor, alsook de te geringe mankracht en deskundigheid in deze sector binnen de school. Het is een weinig opwekkend verhaal, te complex en te vol met details om daar in deze kolommen verder aandacht aan te besteden. Gelukkig staan de zaken nu weer op een rijtje; in achterstanden en hiaten is weer grotendeels voorzien. Ook het salarisbeleid was in die tijd niet verschoond gebleven van onduidelijkheid. Een groep leraren ontving het subsidiesalaris*. Anderen behoorden tot de maatschap; deze kende gedurende enkele jaren een interne norm. Daarin was het aktenbezit uitgeschakeld; wel speelden mee criteria als burgerlijke staat, leeftijd en kindertal; het salaris werd afgelezen op grond van het opgedragen aantal lesuren en taakeenheden. Veel leraren wilden echter innerlijk tot de maatschap behoren, vonden de daar geldende norm te laag, behóefden evenmin hun subsidiesalaris te ontvangen en gingen er tussenin zitten. Je gooide het met je geweten op een accoordje, marchandeerde een beetje en regelde vervolgens de zaak met de interne penningmeester. Die kon – bij gebrek aan een helder beleid – niet veel anders doen dan ermee instemmen. Veel van die mensen werkten nu immers ónder hun subsidiesalaris en dat was voor de school toch altijd meegenomen. Een overzicht van hoe de salarissen lagen, was bij de leerkrachten niet bekend. Wat lekkages in de wandelgangen zorgden ervoor dat bij geruchten wat gegevens rondgingen. Alle niet even fris. Geld brengt trouwens gemoederen in beweging, dan nog zakelijk blijven is een geweldige opgave.

Op 2 oktober 1975 was toen in de Geert Groote School de eerste van een serie maatschapsbesprekingen. Die was uitgeschreven op persoonlijk initiatief van een van de leraren; om de tafel zaten 25 personen, bij wie de oproep was aangeslagen. Als studiemateriaal was van te voren uitgereikt een overdruk van een tekstgedeelte uit het boek van Stefan Leber**, waarin vanuit de driegeleding de uitgangspunten voor een maatschap worden beschreven en waarin voorbeelden worden gegeven op welke manier scholen uit verschillende landen met het inkomensvraagstuk omgaan.

Uitgangspunten

Centraal in de driegeleding staat de opvatting dat loon en prestatie moeten worden losgekoppeld. Dat is een bevrijdende gedachte. Wat mensen in de school brengen door hun visie en inzet is niet in geld uit te drukken. Het werk dat mensen doen, is het geschenk dat zij aan anderen geven. Het is oneerbaar om daarvoor te willen betalen. Waardenormen passen wel helemaal niet. Wie zal uitmaken dat het werk van de kleuterleidster anders betaald moet worden, dan dat van de tekenleraar in de bovenbouw?

En dat van de eurythmiste? Van de klasseleraar in de benedenbouw? Van de conciërge? Elk normenstelsel vormt een nieuwe standenmaatschappij. Bovendien, hoe zit dat met die urenbetaling? Moet een eurythmiste met 14 lesuren de helft verdienen van de vakleraar Nederlands met 28 uur? En de harde werkers in de scholen die naast al hun lessen nog in tien commissies zitten, moeten die opeens veel meer verdienen? Als je hiervoor al een systeem wil maken, dan verzand je in bureaucratie. Daarbij komt dat niet elk mens dezelfde is. De één draait zijn 26 lesuren met gemak én verricht daarnaast nog diverse taken; de ander heeft aan zijn 22 muzieklessen een meer dan volle baan. Op grond hiervan werd het begrip zwevende weektaak ingevoerd, d.w.z. de volledige betrekking kan van persoon tot persoon verschillen, afhankelijk van zijn vermogens. Degene die dat in eerste instantie te beoordelen heeft is de persoon zelf. Hij kan dat doen in het vertrouwelijke gesprek met anderen.

En nu het slaris. Gewoon maar nivelleren en iedereen met een volle baan hetzelfde geven? Omdat een onderling waardestelsel niet is te maken? Het zou een soort communistisch model worden. Maar zo verschillend als de mensen zijn in wat ze aan de school kunnen schenken, zo verschillend zijn zij ook in wat ze nodig hebben om te kunnen leven. Op dit vlak de individuele mens serieus nemen, betekent; een salaris naar behoefte. Daarbij past het begrip zwevend inkomen. Voor iedereen een ander salarisbedrag, bepaald door wat nodig is; ook dit te beoordelen door de persoon zelf. Vertrouwelijke gesprekken hoe moeilijk en persoonlijk ook kunnen helpen bij de bewustwording van de behoeften. Dat kan in slechte en in goede zin uitwerken. In slechte zin: het opwekken van begeerten en het vragen naar meer; in goede zin: het verwerven van inzicht en het komen tot redelijkheid en beperking.

Zo over mens, werk en salaris denken heeft tot gevolg dat je je kan onttrekken aan niet-mens-waardige structuren en aan onheuse normenstelsels. De betrokkenen komen weer bij elkaar aan; bij de levensrealiteit dat ieder mens anders is: anders naar zijn mogelijkheden en anders naar zijn noden. Iedereen komt ook weer bij zichzelf aan, bij zijn eigen verantwoordelijkheid en zijn vertrouwen in de ander.

Zwevend realisme

Zwevend werd nu niet meer als verwijt opgevat, maar als toepasselijke term voor de realiteit, en als beter Nederlands woord dan flexibel. De eerste maatschapsbespreking kreeg maandelijks een vervolg en ook al liep het aantal deelnemers terug, de rode draad werd vastgehouden. Tenslotte kon er een nieuw model worden uitgeschreven, dat in mei aan de beleidsvergadering van de school werd aangeboden. Daar werd het met ieders instemming principieel aanvaard en er werd besloten om het in de cursus 1976/77 in te voeren op vrijwillige basis. Alvorens in te gaan op de inhoud van het stuk, lijkt de gevolgde procedure van veel belang. Op persoonlijk initiatief wordt een groep mensen bijeengebracht die een onderwerp, hier: de maatschap, gaat uitspitten. Zij doen dat in vrijheid. Iedereen was er in hoge mate als belanghebbende bij betrokken; ook de formele functionarissen namen deel, zoals de voorzitter van de beleidsvergadering, de interne penningmeester, enz. Maar iedereen zat er vanuit zijn persoonlijke gevoel van verantwoordelijkheid. De dagelijkse gang van zaken interfereerde niet in de besprekingen. De spanning tussen wat ideëel werd uitgesproken en hoe het op dat moment nog toeging, werd uitgehouden. En tenslotte heerste er een krachtig vertrouwen in de onderneming; wanneer je de maatschappelijke uitganspunten van Rudolf Steiner principieel en consequent neemt, dan zullen zich vormen voordoen voor de realisatie. Het uiteindelijke model was dan ook werkelijk een gemeenschappelijk stuk geworden, dat via de beleidsvergadering kon binnenkomen in de bestaande schoolstructuur. Met deze werkwijze is – mede door de hulp van het NPI – in de Geert Groote School meer ervaring opgedaan. Het is een vorm, waarmee in een sociaal organisme in de zin van de driegeleding vernieuwingen tot stand kunnen worden gebracht. Een persoonlijk initiatief, een gemeenschappelijk ontwikkelde conceptie, een bekrachtiging door het rechtsorgaan. Dan volgt de uitvoering.

Ja of nee

Zo kreeg iedereen op 21 mei schriftelijk de vraag voorgelegd om wel of niet tot de maatschap toe te treden in het schooljaar 1976/77.

Ja betekende: ik kies voor de maatschap; ik wil in vrijheid en in gemeenschappelijkheid komen tot het bepalen van een redelijke weektaak en een redelijk inkomen; tezamen met andere collega’s die datzelfde proberen. Nee betekende: ik wil een subsidiesalaris, of een salaris volgens een lagere schaal, ik beschouw dan de rest als een schenking aan de school. Dat laatste kan natuurlijk nog steeds! Maar met een maatschap heeft het niets te maken.

Er kozen 33 leerkrachten om deel te nemen aan de maatschap; nu in de cursus 1977/78 zijn dat er 38 geworden. Er worden dan twee stappen genomen: het bepalen van de weektaak en het bepalen van het salaris. Beide stappen kennen twee kanten: de persoonlijke afweging van wat je opgeeft, en het aan elkaar bekend maken daarvan en het gemeenschappelijk maken. In het eerste jaar lagen die stappen nog uiteen; bovendien werd er nog geprobeerd om de weektaak in percentages uit te drukken, hetgeen dan weer bepalend was voor het percentage van een volledig inkomen. Nu is ingezien dat die weg onjuist is; toch zou dan het principe van salaris naar prestatie weer doorbreken. Hoe dan wel?

Nu, in mei 1977 werd aan alle maatschapsleden gevraagd het gewenste maandelijkse netto-inkomen op te geven. Iedereen kon zelf de consequenties van volle weektaak of deelbetrekking volgens persoonlijk inzicht in zijn opgave verwerken. De opgaven werden op de administratie doorberekend naar bruto-bedragen en vervolgens getotaliseerd. Dit totale salarisbedrag kwam – gelukkig genoeg – overeen met wat er op de begrotingspost beschikbaar was. De
maatschapsvergadering fiatteerde vervolgens de totaal gevraagde som en onmiddellijk daarna alle persoonlijk gevraagde bedragen. Die waren op dat moment voor elkaar nog onbekend. Ze werden nu gepubliceerd voor de maatschapsleden. Onderlinge verschillen? Zeker. Soms misschien onbegrijpelijk. Soms verrassend? Vragen komen op: hoe sta ik? anderen in een vergelijkbare situatie? hoe kan dat? Enzovoort. Maar iedereen kreeg, wat hij zelf gevraagd had. Terecht.

Het is interessant te weten – als een soort indicatie – dat de gehele maatschap (1977/78) een bedrag heeft opgevraagd, dat ongeveer 80pct bedraagt van de totale salarissen die in geval van subsidienormen zou moeten worden uitgekeerd. Mede hierdoor kon die begroting ook sluitend blijven. Maar wat te doen als er in volgende jaren tekorten zouden ontstaan? Het maatschapsmodel voorziet erin dat de oplossing gevonden moet worden in het redelijk overleg tussen de maatschap, de beleidsvergadering en de ouders. Een begroting sluitend krijgen kan op veel manieren. Door inkomsten te vergroten (subsidie opvoeren, ouderbijdragen verhogen, schenkingen verwerven) of door uitgaven te verkleinen (snoeien in exploitatie, maatschap vragen nieuwe beperktere opgaven te doen). De oplossing is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid geworden.

Nog te doen

Het nieuwe maatschapsmodel is nog duidelijk in ontwikkeling! In de loop van één jaar is het uitgewerkt. Daarna is het twee jaar in de praktijk gebracht. In ieder geval liggen er nog de volgende vragen:

– de maatschap moet in principe alle leerkrachten en stafleden (niet-onderwijzend personeel) omvatten; hoe maak je de stap van vrijwilligheid naar vanzelfsprekendheid?
de subsidieregeling voor ziektekosten en de vakantietoeslag worden ook aan maatschapsleden nog afzonderlijk uitgekeerd; wanneer worden die in de gevraagde netto-inkomens doorberekend?
– de pensioenbijdrage baseert zich wel op subsidiesalarissen; welke regelingen moeten worden getroffen voor de toekomst?
– hoe geef je verder vorm aan de onderlinge gesprekken tussen de maatschapsleden om het proces van behoefte-bepaling in het bewustzijn te heffen?
– hoe verzorg je bij voortduring het sociale draagvlak dat de onderlinge verschillen tussen mensen (naar mogelijkheden en noden) inziet, accepteert en creatief maakt?

Door deze vragen is het duidelijk, dat de ontwikkeling moet voortgaan. Overigens is het verheugend dat de belastingen slechts betaald behoeven te worden over het werkelijk ontvangen salaris. Nog verheugender is het, dat de rijksaccountant van het ministerie van onderwijs en wetenschappen bij controle van de boeken het systeem van de maatschap heeft geaccepteerd. Hij verlangt slechts een schriftelijke verklaring van de maatschapsleden, dat zij instemmen met dit alternatieve model.

Voor de Geert Groote School hebben de hier beschreven ontwikkelingen veel betekenis. Weliswaar zijn niet alle problemen uit de wereld. Sommige zijn verdwenen; er zijn ook nieuwe bijgekomen. Maar de ervaring is dat er een grote kracht vanuit gaat wanneer het lukt de juiste inzichten tot in de werkelijkheid te voeren. Menselijke ontplooiing en sociale vormen varen daar wel bij. De twee vermogens, die ten grondslag liggen aan het republikeinse model van de vrijeschool, worden krachtig aangesproken: verantwoordelijkheid nemen en vertrouwen geven. Wie dat alles serieus neemt, is geen ambtenaar meer; ook al noemt de wet hem zo.

* met subsidiesalaris wordt hier bedoeld het salaris dat iemand ontvangt wanneer hij wordt uitbetaald voor de opgedragen lessen en taak-eenheden op basis van zijn aktebezit en leeftijd; dat behoeft niet hetzelfde te zijn als het bedrag dat de school via de subsidie voor hem ont-vant, dat is afhankelijk van welke lessen op de officiële staten (kunnen) worden opgevoerd.

** bedoeld is hier blz 101-104 uit: Stefan Leber – ‘Die Sozialgestalt der Waldorfschule’. Stuttgart, 1974.

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1827-1713

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-2)

.

In het tijdschrift Jonas (eind jaren 1960 tot 2006) verschenen regelmatig artikelen over politiek tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Met name Arnold Henny schreef deze artikelen.

Hoewel uiterlijke omstandigheden, data e.d. aan die tijd zijn gebonden, spreekt uit de artikelen vaak een visie die de nu ruim 40, 50 jaar verstreken tijd heeft doorstaan en eigenlijk nog steeds actueel zijn.

Wat er van deze politieke artikelen nog in mijn bezit is, zal ik op deze blog publiceren.

In onderstaand artikel worden veel (statistische) cijfers gebruikt. Die kunnen sterk verschillen met de cijfers die nu actueeel zijn. De wereld achter deze cijfers lijkt nauwelijks veranderd…..

.

EUROPA, blinde vlek op de wereldkaart

Europa ligt ingeklemd tussen Amerika en Rusland. Twee machtsblokken die ieder hun eigen voorstelling hebben van het behoud van democratie. De tweedeling dateert niet van na 1945, maar voert terug tot 1917 toen in Rusland de revolutie uitbrak en Amerika besloot tot deelname aan de Eerste Wereldoorlog.

Per minuut wordt er anderhalf miljoen dollar uitgegeven aan bewapening. Het grootste deel daarvan komt op rekening van NAVO en Warschaupact. Samen beschikken zij over ongeveer 40 procent van alle wapens en besteden ze ongeveer 75 procent van het totale militaire budget. De kosten ter beveiliging van eigen inwoners en die van buiten de grenzen van Amerika en de Sovjetunie zijn langzamerhand onvoorstelbaar geworden. Wat zou voor de 700 miljard dollar [in 2017: 1739] die de mensheid per jaar uitgeeft voor beveiliging niet allemaal kunnen worden besteed? De organisatie ‘Vrouwen voor vrede’ heeft onlangs een verlanglijstje samengesteld van noden: 2 miljard mensen moeten leven van minder dan 500 dollar per jaar; 450 miljoen mensen zijn hongerig of ondervoed [in 2017: 821 miljoen] ; 50 miljoen sterven jaarlijks als gevolg van armoede; 12 miljoen kinderen sterven vóór hun eerste verjaardag; 5 miljoen kinderen worden nooit vijf jaar; 870 miljoen volwassenen zijn nog analfabeet [ in 2011 werd dit geschat op 880 miljoen] ; 130 miljoen kinderen gaan nooit naar school [laatste cijfers: 250 miljoen leren niet lezen en schrijven]; 250 miljoen mensen leven in slums en krottenwijken; 2 miljard mensen zijn zonder drinkwater. Deze cijfers zijn even onvoorstelbaar.

Naast het psychologische aspect dat de afweermiddelen uitsluitend een afschrikwekkende werking zouden hebben, en geproduceerd worden om nooit tegen de tegenstander te worden gebruikt is het economische aspect net zo absurd. Meer dan 40 procent van de industriële productie in de vrije westerse wereld wordt besteed ten gunste van bewapeningsdoeleinden. Het doet denken aan de man die spaarde om een brandkast te kopen. Toen hij deze gekocht had, merkte hij dat hij niets meer bezat om er in te stoppen.
Nu is veiligheid door middel van gewapende vrede reeds lang niet meer een aangelegenheid van individuele beveiliging; zij is een verschijnsel van massapsychologie. Een verschijnsel waarmee elke staatsman moet leren leven. In 1908 schreef Tolstoi:

‘De mensen bouwen een verschrikkelijke machinerie van de macht op, om die vervolgens over te laten aan de eerste de beste die de macht weet te bemachtigen. Zij zijn bang voor dieven en anarchisten, maar vrezen het verschrikkelijke apparaat dat hen dagelijks bedreigt niet. Zolang regeringen elkaar wantrouwen, hun legers niet verkleinen maar juist, naar gelang het groeien van het militaire apparaat van hun buurman, steeds meer vergroten, zolang zal iedere vredesconferentie een schertsvertoning zijn of een bedrog of een onbeschaamdheid, of alles tegelijk. Het is heel wel mogelijk dat het christendom zijn tijd heeft overleefd en dat de moderne mens, indien hij voor de keuze zou worden gesteld, zich uit te spreken voor het christendom en de naastenliefde, of voor de staat en het doden, hij voor het laatste zou kiezen en het christendom vergeten.’

Regels, die bijna tachtig jaar geleden werden geschreven. Tussen toen en nu liggen Verdun, Stalingrad en Hiroshima. De lijn der afschrikking loopt van West naar Oost, en niemand weet waar zij zal eindigen. De bewapeningswedloop van de twintigste eeuw zet zich voort op iedere schaal van de weegschaal tussen Oost en West. Totdat – misschien eens – de weegschaal zelf onder zijn gewichten wordt verpletterd? Ik herinner mij een bezoek van Winston Churchill aan Leiden, kort na de oorlog. Na een eredoctoraat te hebben gekregen aan de universiteit – als ‘presidium libertatis’ – sprak hij in de studentensociëteit een menigte studenten toe. Hij sprak daar over het winnen van de laatste oorlog. ‘Veel moeilijker echter dan het winnen van een oorlog is het winnen van de vrede’. Hij vond dat het tijd was nu daaraan te gaan werken. Kort daarvoor – 1946 – had hij in Fulton in de Verenigde Staten een enigszins andere rede gehouden. Daar sprak hij voor het eerst over ‘the iron curtain’, het ijzeren gordijn, dat tussen Oost- en West-Europa was neergelaten en waarachter de Russen zich hadden teruggetrokken. Sindsdien werd de verhouding tussen West- en Oost-Europa beheerst door de ‘koude oorlog’, een begrip, afkomstig van de Amerikaanse journalist Walter Lippmann. De vrede, waarover Churchill in Leiden sprak, werd nu in de koelkast der beveiliging geconserveerd, door beide machten ingevroren.

Propageert men de vrede in de stijl van de Sovjet-vredesduif of in die van de korte afstandsraket, in beide gevallen is vrijwel zeker dat het Europa nooit zal lukken ‘de vrede te winnen’. Vrede met als inzet de eindfase van de klassenstrijd of vrede met als inzet het ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’? Daarover praten de staatslieden van West en Oost nauwelijks meer met elkaar. Zij vertegenwoordigen nog slechts de collectieve angst van hun achterban en is deze niet even zeer onbespreekbaar? Toch zal achter deze onbespreekbaarheid naar iets anders moeten worden gezocht dan cijfers en getallen van versterking van krachtsverhoudingen die een ‘gestoord evenwicht’ moeten herstellen, wil men ooit in staat zijn de vrede te winnen.

Tegenstelling

Waardoor is Europa een soort blinde vlek op de wereldkaart geworden, ingeklemd tussen de strategische machtsverhoudingen van Amerika en de Sovjetunie? Een vraag die niet eens terugvoert naar de afloop van de Tweede Wereldoorlog in 1945, maar naar het keerpunt tijdens de Eerste Wereldoorlog toen in 1917 zowel de deelname van de Verenigde Staten aan deze oorlog als het uitbreken van de revolutie in Rusland een verandering bracht in de machtsverhoudingen. Vanaf dat ogenblik stond Europa voor de keuze van twee vormen van democratie: die van de Verenigde Staten en West-Europa en die van Oost-Europa. Voor het behoud van beide kunnen ‘kruistochten’ worden ingezet. De rede die president Wilson uitsprak voor het Amerikaanse congres, waarmee de deelname van de Verenigde Staten aan de Eerste Wereldoorlog werd ingeleid, verwoordde de grondslag van haar democratie in het roemruchte ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’. Wilson: ‘Wij zullen vechten (…) voor democratie, voor de rechten van hen die een gezaghebbende stem moeten hebben in hun eigen regering, voor de rechten en de vrijheden van de kleine volkeren, voor een universele heerschappij van het recht onder een samenwerking van vrije volkeren ter verwezenlijking van vrede en veiligheid van alle volkeren, opdat de wereld zichzelf vrij kan maken.’
Na de bevrijding van Europa in 1945 heeft de overwinning op het Duitse en Italiaanse imperialisme – met een beroep op het zelfbeschikkingsrecht – geleid tot herhaaldelijk ingrijpen in de buitenlandse betrekkingen: met het Marshallplan, naar aanleiding van een communistische staatsgreep in Griekenland (Truman-doctrine), in 1948 met dreigen van intrekking van de Marshallhulp aan Nederland, in geval van voortzetting van de politionele actie tegen de republiek Indonesië. Daarbij diende ook de Declaration of Independency van 1776 ter rechtvaardiging van dekolonisatie. In 1949 werd de NAVO opgericht, naar aanleiding van een communistische staatsgreep in
Tsjecho-Slowakije. Ten slotte de interventie in 
Indo-China, ter ondersteuning van Zuid-Vietnam tegenover Noord-Vietnam. Een van de ‘historische vergissingen’ in de ‘Grote Mars der Dwaasheid’, (waaraan Barbara Tuchman onlangs een boek heeft gewijd). Dit alles met als motivering, de bescherming van door grondwet en wet gewaarborgde individuele vrijheden, als geldend ‘voor alle volken, voor alle tijden’: vrijheid van godsdienst en meningsuiting op geestelijk gebied, vrijheid in mededinging en individuele kapitaalvorming op economisch gebied, en algemeen kiesrecht op staatkundig gebied.

Tegenover deze, op bescherming van het individu gerichte grondslag van de westerse democratie, staan de grondslagen van de democratie in Oost-Europa. Weliswaar zijn ook daar de westerse vrijheden in een grondwet vastgelegd, maar zij worden daarbij getoetst aan de ‘belangen van de volksgemeenschap’. Belangen die voornamelijk worden geïnterpreteerd door het Centraal Comité van de Communistische Partij. Dit kan zelfs zóver gaan, dat de individuele burger  ‘beschermd’ dient te worden tegen zijn eigen anti-sociale neigingen, waardoor ‘dissidenten’, hetzij in Siberië, hetzij in een sanatorium, weer ‘tot zichzelf’ moeten worden gebracht.

Tweespalt

Zo blijkt duidelijk dat Amerikanen en Russen ieder hun eigen voorstelling hebben van het ‘behoud van de democratie’. Daardoor ook kreeg de ‘tweespalt der wereldrijken’ vaste vorm. Deze tweespalt kwam tot uiting in de verdragen van Jalta en Potsdam, waar de deling van Europa en de deling van Duitsland door de bondgenoten werden vastgelegd. Toen in 1955 de voormalige gemeenschappelijke vijand – West-Duitsland – als bondgenoot in de NAVO werd opgenomen, kwam als antwoord van het communistische Oostblok het Pact van Warschau met een militair verdrag ter beveiliging van de Sovjetunie en de satellietstaten tegen een aanval van een derde mogendheid. De ‘tweespalt’ werd hiermee bevestigd, waarbij dan de periode tussen 1941 en 1945 slechts als een intermezzo door middel van een monsterverbond kan worden gezien. In 1941 viel Hitler met zijn ‘Operatie Barbarossa’ de Sovjetunie binnen en in hetzelfde jaar vernietigden de Japanners de Amerikaanse vloot bij Pearl Harbour. Dat leidde tot de oorlogsverklaring aan Duitsland en het bondgenootschap met de Sovjetunie. Na de capitulatie van Duitsland herleefde ‘het grote wantrouwen’. Wat sindsdien als ‘Europese Eenheid’ tot stand kwam – de Kolen en Staalgemeenschap (1951) en het Verdrag van Rome, dat wil zeggen de stichting van de Europese Gemeenschap in 1957 – voltrok zich geheel buiten het Oostblok. ‘Een herleving van Europa’, had Churchill reeds in 1946 te Ztirich verkondigd, ‘is onmogelijk zonder een geestelijk groot Frankrijk en een geestelijk groot Duitsland’. West-Duitsland wel te verstaan, welks grenzen ongeveer samenvielen met die van het Karolingische Rijk dat eens werd gezien als een ‘bolwerk’ van Latijns-katholieke cultuur tegen de opdringende barbaren vanuit het Oosten…

Het sociale vraagstuk

De feiten uit het geschiedenisboekje camoufleren nog steeds een derde absurditeit van het veiligheidsvraagstuk. Naast het psychologische en het economische aspect is er het sociale aspect, dat een blokkade vormt voor werkelijke vrede. Nog steeds waart het conflict tussen arbeid en kapitaal als een ‘spook door Europa’. Zoals het eens door Marx en Engels op geniale wijze werd geformuleerd in het Communistisch Manifest. Maar Marx schreef dit uit heilige verontwaardiging óver de arbeidsverhoudingen die in Engeland door de industriële revolutie waren ontstaan: twaalfurige werkdagen van kinderen van 5 jaar, analfabetisme van 40 procent van de mannen en 65 procent van de vrouwen, een gemiddelde levensduur van de arbeiders en dagloners van 15 jaar vanwege de kindersterfte. Niet dat kindersterfte en analfabetisme tegenwoordig niet meer bestaan, zij hebben zich slechts verplaatst van Europa naar de ontwikkelingslanden. Zie het verlanglijstje samengesteld door de Organisatie ‘Vrouwen voor vrede’.

Ook heeft zich in Europa de ‘kern van het sociale vraagstuk’ inmiddels verplaatst. Dit dankzij de verhoging van het welvaartspeil enerzijds en de sociale voorzieningen in de verzorgingsstaat anderzijds. Het industrialisatieproces zelf verloopt thans geheel anders dan 130 jaar geleden. Met de ‘managerial revolution’ heeft de kapitalistische eigenaar van de productiemiddelen voor een groot deel plaats gemaakt voor de ‘manager’ die zelf niet meer over kapitaal beschikt maar er slechts een beheersfunctie over uitoefent. Anderzijds oefenen de arbeiders steeds meer zeggenschap uit in het bedrijf. Zij worden daarbij gesteund door een machtige vakbeweging die nu ook structuurveranderingen in de maatschappij eist en bovendien, als ‘institutionele belegger’ zelf optreedt op de kapitaalmarkt. In de huidige West-Europese welvaartsstaat is het begrip ‘proletariër’ – uit het Communistisch Manifest – een anachronisme. Zelfs binnen de bestaande communistische partijen is de ‘dictatuur van het proletariaat’ een omstreden aangelegenheid.

Intussen is het ‘arbeidsvraagstuk’ in Europa een essentieel probleem in de sociale verhoudingen. Ook al is arbeid dan niet meer in alle opzichten ‘koopwaar’, onderhevig aan de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt – laatste overblijfsel van slavernij – het vraagstuk van motivering en verantwoordelijkheid in het arbeidsproces staat als thema van mentaliteitsverandering centraal in vele discussies en conferenties van werkgevers en werknemers. Meer en meer wordt ook het vraagstuk van de vrije tijdsbesteding, als begeleidingsverschijnsel van structurele werkloosheid en arbeidstijdverkorting aan de orde gesteld. Deze drie vraagstukken blijven verontrustend voor alle sociale partners, ook als het dogma van de klassenstrijd in de ijskast wordt gestopt. Dat zou eveneens het geval zijn bij invoering van een minimum basisloon, waardoor een volledige ontkoppeling plaats vindt van arbeidsprestatie en inkomen, hetzij bij de wet, hetzij bij CAO.

Hier kan voor het onderwijs een sociaal-pedagogische taak liggen, waartegen zijn structuur van verzuiling – in openbaar en bijzonder onderwijs – nog in het geheel niet is opgewassen. Zolang in het schoollokaal nog hoofdzakelijk wordt gewerkt voor het cijfer en voor het examen, is niet te verwachten dat zich ooit in de fabriek een andere motivatie zal kunnen handhaven dan het uitzicht op beloning aan de hand van de geleverde prestatie. Een zelfde sociaal-pedagogische taak kan men zien in de verantwoordelijkheid van de school voor de belangen van de maatschappij. Zolang de ‘vermaatschappelijking van het onderwijs’ nog geheel in handen ligt van de overheid en aan staatszorg wordt toevertrouwd, lijkt er weinig aanleiding voor ‘directe communicatie’ tussen school en maatschappelijke organen, voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid.  (cursief: phaw)

Niettemin wordt een meer ‘organische’ oplossing van het sociale vraagstuk door het verkrijgen en het dragen van eigen verantwoordelijkheid nog steeds geblokkeerd door de dialectische spanning van kapitalisme en communisme, die als twee versteende credo’s vanuit West en Oost het eigen oordeelsvermogen beïnvloeden. Deze dialectische spanning maakt ook Europa’s identiteit steeds moeilijker bepaalbaar. Ligt deze ‘identiteit’ nog in het christendom? Ligt zij nog in het humanisme, zoals dit eeuwen lang het geval is geweest? Ongetwijfeld liggen daarin nog steeds de wortels van de Europese cultuur. Maar door een zich verkrampen in het verleden, kunnen ook christendom en humanisme een blokkade vormen voor de toekomst. Dat is het geval wanneer zij zich niet mee ontwikkelen met de sociale revoluties die zich sinds de achttiende en negentiende eeuw in Europa hebben voltrokken. Wat dat betreft, is een kortsluiting ontstaan tussen de wereld van de ideeën en die van de machtsverhoudingen en zoekt men naar oplossingen van het sociale vraagstuk, hetzij door idealisme afgewend van de macht, hetzij door macht, afgewend van idealisme.

Waar zal het in de toekomst van het sociale vraagstuk om gaan? Is het arbeidsvraagstuk tot zijn menselijke maat terug te brengen in de spanning tussen individueel belang en gemeenschapsbelangen? Arbeid, niet alleen als middel voor zelfverzorging en het zich verschaffen van ‘status’, maar tevens als dienstverlening bij de ontmoeting van ‘de ander’ in het arbeidsproces. Een drievoudig verantwoordelijkheidsproces: verantwoordelijkheid ten opzichte van de medewerker in het eigen bedrijf, verantwoordelijkheid ten opzichte van het milieu en de ‘infrastructuur’ buiten het eigen bedrijf – de aarde als levend organisme – en verantwoordelijkheid ten opzichte van de verhouding tussen mens en God of, wanneer men hierin niet meer gelooft – tussen de aardse mens en zijn eigen geestelijke identiteit. Een nieuw incarnatieproces van humanisme en christendom in de tijd van industrialisatie en wereldeconomie, waarin immers over de gehele aarde mensen steeds afhankelijker van elkaar worden. Een proces van bewustzijnsontwikkeling van fase tot fase in het ontwaken van de individuele mens aan de mensheid.

.
A.C. Henny, Jonas 15, 20-03-1986

.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1814-1700

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (6-1)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

Of het nu de vroegere Bond van vrijescholen was of de huidige Vereniging van vrijescholen, een schoolbeweging die pal staat voor vrijheid van onderwijs, is nooit ontstaan.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw leek het erop dat de idee van een ”vrij geestesleven’ ingebed in een drieledige sociale maatschappijstructuur bij velen begon te leven – vooral ook bij groepjes leerlingen van de vrijeschoolbovenbouw, bij ouders die hun krachten bundelden in een Landelijke Oudervereniging, wat leidde tot initiatieven: het houden van een congres bijv. en manifestaties op het Binnenhof in Den Haag.
Uiteindelijk verwaterde het initiatief.
Naast vele positieve zaken die wél tot stand zijn gekomen, moet toch de conclusie getrokken worden dat er bij de mijlpaal van 100 jaar vrijeschool, voor de vrijheid van onderwijs, laat staan voor een vrij geestesleven, niets is bereikt.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

In verschillende vrijescholen werden in de bovengenoemde jaren pogingen ondernomen om ook het besturen van een vrijeschool vanuit de idee van de driegeleding, vorm te geven.

IDEAAL

Op een tweetal pas opgerichte scholen waaraan ik verbonden was, wilden mensen werken met een ideaal: om de vrijeschoolpedagogie zo optimaal mogelijk te realiseren. We formuleerden het ‘wat en hoe’ van onze school, zo ideaal mogelijk. Alsof ons alle middelen ten dienste stonden om dit ideaal te verwerkelijken.
Maar, uiteraard stonden niet alle middelen ons ten dienste: we zaten in aftandse noodgebouwen bijv. met ongeschikte speelplaatsen; er was geen fysieke ruimte voor euritmie; een lesrooster maken was o.a. afhankelijk van de tijden waarop we in de gymzaal van een andere school zouden kunnen, enz.
De mensen die vaklessen gaven, konden ook niet altijd op de gewenste tijdstippen aanwezig zijn door hun persoonlijke levensomstandigheden.

En dan was er natuurlijk ‘de kas’ waaruit alles betaald zou moeten worden.

In die kas vloeiden alleen overheidsgelden: voor salarissen, leermiddelen, onderhoud e.d. 
Wat de salarissen betrof: die werden alleen voor gesubsidieerde leerkrachten vergoed. Extra vakleerkrachten: voor euritmie, handwerken, handenarbeid, bijv. werden van overheidswege niet betaald.
Het moge duidelijk zijn: om het schoolideaal te kunnen verwezenlijken waren er simpelweg te weinig inkomsten.

MAATSCHAP

Iedere gesubsidieerde leerkracht ging dan voor zichzelf na hoeveel salaris hij of zij dacht nodig te hebben om naar zijn of haar maatstaven redelijk te kunnen leven en of er dan iets van het salaris zou overblijven voor het schoolideaal.

Door de wettelijke bepalingen had de school verplicht een ‘schoolhoofd’, de latere directeur, die voor het werk een hoger salaris kreeg – de hoofdentoeslag -dan het ‘personeel’.
Maar door de ‘republikeins-democratische’ bestuursvorm (die we ook nog moesten leren hanteren) bestond er geen hoofd, dus ook geen hoofdentoeslag.
Deze kwam dus altijd ten goede aan het geheel. 

Nadat er een raming was gemaakt van de kosten van ‘het ideaal’ en nadat bekend was wat er van de salarisinkomsten van de overheid overbleef, was het ‘tekort’ bekend. 

OUDERBIJDRAGE

Daarmee gingen we dan naar de ouders. En vroegen van hen, middels een ouderbijdrage, dit tekort te vullen.
De ouders leverden dan hun toezegging in en er werd gekeken of dit voldoende was om het tekort te dekken.
Wanneer dit niet het geval was, werden er alternatieven voorgesteld: concreet betekende dit: wat er van het ideaal dan niet verwezenlijkt zou gaan worden.

Na een tweede ronde waren inkomsten en uitgaven helder geraamd en werden op grond daarvan bijv. nieuwe collega’s aangesteld. 

Er waren geen lijsten met ouderbijdragetabellen – dat is later gekomen. Ouders bepaalden zelf – ongeacht het aantal kinderen – welke ouderbijdrage ze wilden geven. Zo waren ook zij samen medeverantwoordelijk voor het ideaal dat de leerkrachten wilden realiseren voor hun kinderen.

NIETS BIJDRAGEN GEEN OPTIE

Wel was het zo, dat niets bijdragen geen optie was. Als je zo’n school wilt, heb je er iets – jouw keuze – voor over: heb je er niets voor over, dan is het jouw keuze niet en dan moet je er ook niet tóch bij willen horen.

Zo simpel als ik het hier schets, was het niet. Het kostte veel tijd, spanning ook om alles op tijd voor het nieuwe schooljaar klaar te krijgen.
Ook het kiezen van wat er niet gerealiseerd zou worden, bij onvoldoende middelen, was vaak een bron van langdurig overleg, met ook de bijkomende irritaties, de onenigheid.

Je kan rustig zeggen: het realiseren van een maatschap is een moeilijke sociale scholingsweg.
Inleveren op je salaris doet onmiddellijk een appel op je minder egoïstisch zijn en dat voelt voor velen moeilijk.
Maar ‘minder voor jezelf, betekent meer voor de gemeenschap’ en wil je vanuit de driegeledingsidee meer socialiteit onder de mensen brengen, dan is dit zonder dit uitgangspunt niet mogelijk.

Dan waren er nog talloze problemen i.v.m. de wet.
Van je wettelijke salaris werd een bepaald gedeelte ingehouden voor je latere pensioen. Bij vrijwillig minder salaris zou dit aandeel ook minder worden. Daarvoor was geen wettelijk kader, dus moest dit vastliggende pensioendeel werden afgedragen.
Dat bracht veel administratie met zich mee.

CENTRALE ADMINISTRATIE VOOR VRIJESCHOOLEN

In Haarlem stelde zich iemand beschikbaar om dit voor de Haarlemse school te regelen en al spoedig ook voor andere scholen: hier ontstond wat later de centrale administratie voor vrijescholen’ is geen heten.

Deze drijvende kracht was Jan Kluën en zijn medewerker – ik  vermoed de heer Mommersen/son?.
Ik bezocht hem verschillende keren om over bepaalde zaken te spreken en hij heeft mij, dus ons, veel geholpen en van goede raad voorzien.

In dit artikel past daar een welgemeende dank voor.

Bij het ontstaan van de Centrale Administratie voor vrijescholen:

Het Nederlands Pedagogisch Instituut legde zich ook toe op de ideële kant van de maatschap, maar ook op de praktische.

Ik weet niet of er nu nog vrijescholen bestaan die een maatschap vormen.

Op veel scholen is er de directeur – met het daarbij horende salaris. Je ontvangt simpelweg je subsidiesalaris. 
In bepaalde gevallen is het zo dat als je meer doet dan bij je uren hoort, je voor die uren een vergoeding krijgt: dan is er van driegeleding helemaal geen sprake meer: dan is arbeid gelijk aan geld, wat het niet zou moeten zijn.

Kortom: in deze zaken is er na 100 jaar vrijeschool niets tot stand gekomen.

De artikelen over ‘maatschap’ die nog in mijn bezit zijn, zullen op deze blog worden gepubliceerd.

Het ziet er nu naar uit, als een soort archief, maar misschien wel als impuls voor de komende 100 jaar.

De tijd zal het laten zien.

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1808-1694

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-1)

.

In het tijdschrift Jonas (eind jaren 1960 tot 2006) verschenen regelmatig artikelen over politiek tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Met name Arnold Henny schreef deze artikelen.

Hoewel uiterlijke omstandigheden, data e.d. aan die tijd zijn gebonden, spreekt uit de artikelen vaak een visie die de nu ruim 40, 50 jaar verstreken tijd heeft doorstaan en eigenlijk nog steeds actueel zijn.

Wat er van deze politieke artikelen nog in mijn bezit is, zal ik op deze blog publiceren.

A.C.Henny, Jonas 20, *01-06-1979

EUROPA, een labyrint van tegenstrijdigheden

Volgens de Griekse sage heeft de god Zeus zich in de gedaante van een stier op het strand van Phoenicië – het tegenwoordige Libanon – meester gemaakt van de nymf Europa en deze ontvoerd naar zijn geliefde Kreta. Daar, tegen de berghelling van de met sneeuw bedekte Ida, lag immers de grot waar Zeus ter wereld is gekomen.

Europs en de stier

Uit de verbintenis van Zeus en Europa kwamen drie zonen voort: Minos, Rhadamanthys en Sarpedon. Wie tegenwoordig door Kreta reist kan de overblijfselen bezoeken van de paleizen die deze drie heersers eens hebben bewoond: het paleis van Minos in Knossos, dat van Rhadamanthys in Phaestos en dat van Sarpedon in Mallia.

Het meest bekend van deze drie is tegenwoordig Knossos, een toeristische attractie, waar duizenden vreemdelingen, door middel van de reisbureaus, doorheen worden gespoeld.

Een merkwaardige ervaring: tussen Amerikanen, Afrikanen en Aziaten rond te wandelen in dit doolhof van gangen en vertrekken: op de geboortegrond van de mythe van Europa.

In het begin van deze eeuw is dit paleis van koning Minos opgegraven door Arthur Evans. Evenals Schliemann was hij er van overtuigd dat antieke mythen berusten op historische waarheid. Daarom wilde hij het labyrint opgraven, het doolhof van koning Minos, waarin de Minotaurus huisde.

De Minotaurus was een monster, half stier, half mens, een misgeboorte, verwekt uit de omhelzing van koningin Pasiphae – de vrouw van Minos – en de zeegod Poseidon, die in de gedaante van een witte stier haar verleid had, toen Minos verzuimd had hem als offer een witte stier te schenken. Zo wordt de geboorte van de Minotaurus een straf, opgelegd door de godheid, wanneer de mens, eigenzinnig en verblind door eigen aardse heerszucht, niet meer voldoet aan zijn verplichtingen jegens de goden.

De Minotaurus werd door Minos veilig opgeborgen in het labyrint, een kunstig doolhof, ontworpen door de bouwmeester van de koning, Daedalos.

Het was dít labyrint dat de verbeeldingskracht van Arthur Evans heeft geprikkeld en hem tot graven heeft aangezet, overigens geheel voor particuliere rekening…

Dit labyrint is tevens de schakel geworden die Kreta met Griekenland verbindt. Want – zo zegt de mythe – eens in de negen jaar moest vanuit Athene een mensenoffer aan de Minotaurus worden gebracht: zeven maagden en zeven jongelieden. Toen dit de tweede maal zou plaats vinden, stelde Theseus, een natuurlijke zoon van Aegeus, koning van Athene, zich ter beschikking. In de arena van Knossos voorgeleid, beviel hij de dochter van de koning, Ariadne, zózeer, dat zij hem tersluiks een kluwen toestopte, waarmee hij de terugweg uit het labyrint zou kunnen vinden door deze kluwen op de heenweg af en op de terugweg weer op te winden. Theseus doodde de Minotaurus en zeilde van Kreta weg met Ariadne aan boord. Het verdere verloop van de Theseussage is vol van tragiek maar heeft met het onderwerp van dit stuk, weinig meer te maken, zodat het mij beter lijkt ons van de sage verder te distantiëren.

Mythe en mysteriewijsheid

Ondertussen hebt u zich reeds afgevraagd: wat voor zin heeft het dit verhaal op te diepen uit de mythologie van Griekenland, aan de vooravond van de Europese verkiezingen? Wat heeft het huidige Europa te maken met het labyrint van koning Minos?

Ook al hebben dan de opgravingen van Arthur Evans en Heinrich Schliemann aan het licht gebracht, dat mythologische verhalen berusten op historische achtergrond, het lijkt toch wel erg gezocht het labyrint in Kreta – uit de tijd van 2000 v.Chr. – in verband te brengen met het huidige Europa, ook al kan dit dan met recht worden genoemd een ‘labyrint van tegenstrijdigheden’.

Nu zijn mythen niet alleen aanwijzingen van historische achtergrond. Wanneer men ze weet te duiden, onthullen zij tevens grote geheimen, niet alleen van het verleden maar ook van de toekomst van volk en mensheid. Rudolf Steiner spreekt hierover in zijn boek ‘Het christelijk opstandingsmysterie’ (Das Christentum als mystische Tatsache). Daarin wijst hij op de mysteriewijsheid die in iedere mythe verborgen ligt. Hij wijst ook op het beeld van het labyrint waarmee in de Theseussage een diepere waarheid symbolisch tot uitdrukking wordt gebracht.

De mythe geeft aan hoe de mens verstrikt kan raken in de doolhof van de zintuigelijke wereld, waarin zijn verbinding met de goddelijke wereld, waaruit hij is voortgekomen, verloren gaat. Door de kracht van de herinnering – de draad van Ariadne – kan, na een reeks van beproevingen, de weg naar deze goddelijke samenhang weer worden gevonden, via zelfstandig inzicht. Deze weg is vol beproevingen. Niet alleen Theseus, ook Odysseus gaat deze weg. Uit de ondergang van Kreta en Troje verrijst de wereld van Athene, de wereld waarin weliswaar de mens tot eigen oordeelsvermogen komt, maar een wereld die door de grote Griekse zangers en tragediedichters als een tragische wordt beschreven, waarin de mens wordt geteisterd door de lotsbeproevingen die hem door de goden wordt opgelegd. Waarom gaat deze ontwikkelingsweg gepaard met tragiek?

Weliswaar komt de mens tot eigen oordeelsvermogen. Door een begin van natuurwetenschappelijk denken maakt hij zich los uit de oude kosmische samenhang van mens en wereld. Hij ontwerpt zelf, als individualiteit, een democratisch bestuur van de stad, in tegenstelling tot de door priester-koningen geregeerde theocratieën in Klein-Azië en Kreta. Maar daarmee gaan de oude zekerheden verloren, van de door priesters behoede mysteriewijsheid, zoals wij die kennen in Egypte en Babylon.

Zó ontstaat de geboorte van het continent Europa: uit de verdeeldheid van de Griekse stadsgemeenschappen na de afrekening met de Perzisch-Aziatische theocratie; uit de verdeeldheid binnen de Romeinse republikeinse rechtsorde met zijn strijd tussen patriciërs en plebejers, optimaten en populares.

Later ontstaat, uit de erfenis van Griekenland en Rome, tijdens de Renaissance, de verdeeldheid van Europa in nationale staten, in nationale kerken, in nationale handelscompagnieën.
Want sinds de wedergeboorte van de antieke wereld, sinds de reformatie en de ontdekkingsreizen schijnt Europa zichzelf te verliezen in de rivaliteit van de volkeren. Na de heerschappij van de Spanjaarden en Oostenrijkers – 16e eeuw – komt de heerschappij van de Fransen – 17e eeuw -. Daarna de heerschappij van de Engelsen -18e en 19e eeuw -. Dit alles, ten slotte, uitmondend in twee wereldoorlogen van de 20e eeuw. Sindsdien wordt Europa zich ervan bewust, dat het als continent, zijn overheersende positie in de wereld gaat verliezen; dat het een onderdeel is geworden van de mensheid als totaliteit, de mensheid als ‘eenheid in verscheiden heid’ van volkeren en rassen.

Uit dit relativisme is uiteindelijk de integratie van Europa voortgekomen na Wereldoorlog II en de vraag ontstaat: wat is Europa? Een kolonie – economisch gezien – van Amerika?
Of een schiereiland – ideologisch gezien – van Azië?
Of een middengebied dat een kiem in zich kan dragen van evenwicht tussen Oost en West?

De integratie van Europa

Met de totstandkoming van de Europese organisaties – de Raad van Europa in 1949, de Europese Kolen- en Staalgemeenschap in 1951, en de Europese Gemeenschap in 1957 – schijnt de onderlinge tegenstrijdigheid tussen de volken van Europa opgeheven. Naar het voorbeeld van de nationale regeringsvorm – scheiding tussen uitvoerende en wetgevende macht en rechtspraak – ontstaat iets van een supranationale eenheid: het Verenigd Europa met haar Raad van Ministers, haar Europese Commissie, haar Europees Parlement en Europees Gerechtshof.

Dadelijk wordt een volgende stap gezet in dit integratieproces: de Europese verkiezingen, waardoor de parlementariërs in Straatsburg niet langer meer indirect – via de Europese parlementen – maar direct gekozen worden, door de ‘burgers van Europa’.

Zijn hiermee de oude tegenstrijdigheden opgeheven, of worden zij alleen maar toegedekt: door een illusie van eenheid?

Het antwoord is pas de komende jaren mogelijk. Een aantal vraagstukken zal daarbij steeds van gewicht blijven:

1. Het vraagstuk van de verschillen van de volkeren.
Hoe wordt bijvoorbeeld de verhouding tussen de Engelse parlementariërs en de parlementariërs van de Benelux, Ierland, Frankrijk, West-Duitsland, Italië en Denemarken? [Duitsland is weer één en inmiddels zijn er nog veel meer landen toegetreden].Want historisch gezien, berust het Engelse parlement – het moederparlement van Europa! – op geheel andere tradities dan dat van de hier genoemde acht staten. ‘Het aparte van het Britse parlement is, dat daar geen breuk tussen vorst en volksvertegenwoordiging is gekomen’ – aldus drs. Joh. Wijne in de Reflector van april* – ‘Er wordt nog steeds geregeerd door ‘The King (of Queen) in Parliament’. Bij alle bijeenkomsten van zowel Lager- als Hogerhuis is de vorst vertegenwoordigend aanwezig. In het Hogerhuis wordt hij vertegenwoordigd door de Lord Chancellor. In het Lagerhuis door een voorwerp: ‘the Mace’. Dit is een mooie staf, die voor de voorzitter van het Lagerhuis uit wordt gedragen wanneer deze een zitting gaat openen.

De breuk tussen uitvoerende macht en wetgevende macht, die op het ‘continent’, sinds het uitbreken van de Franse revolutie bestaat, gaat in Engeland veel minder diep. Dat heeft te maken met de ‘consideratie’ (considerness) die in het Engelse parlementaire stelsel bewaard is gebleven ten opzichte van de oppositie, ‘his Majesty loyal opposition’. Juist deze loyale verhouding, die ook op het sportveld aanwezig is – men kan niet op zijn eentje een partij tennis spelen – ontbreekt op het continent dikwijls volledig. Regeringspartij en oppositie zitten, om zo te zeggen, met het mes op tafel tegenover elkaar, om elkaar te bestrijden.

2. Dadelijk zal in Straatsburg uit de volksvertegenwoordiging van de negen Europese staten, één socialistische, één christelijk-democratische en één liberale fractie worden samengesteld. Hoe verhouden bijvoorbeeld de socialisten zich onderling tot elkaar? Historisch gezien, is het socialisme in Europa gegroeid uit drie verschillende benaderingen: in Duitsland, Engeland en Frankrijk. De Duitsers, meer theoretisch ingesteld: Marx voorop met zijn ‘dialectisch materialisme’. De Engelsen, meer pragmatisch: Robert Owen met zijn praktisch-sociaal experiment in New Lanark. De Fransen, meer vanuit het gevoelssentiment van Jean Jacques Rousseau: Proudhon, Fourier als ‘utopisten’.

Zullen deze verschillen worden opgeheven, zodra de Duitse-, de Engelse- en de Franse socialisten broederlijk naast elkaar zitten in Straatsburg, of zullen ook daar deze volkerenpsychologische verschillen van invloed blijven?

3. Wélk Europa wordt voortaan in Straatsburg vertegenwoordigd? Ook wanneer dadelijk de Grieken, de Spanjaarden en de Portugezen meedoen?
De vertegenwoordiging blijft daarmee beperkt tot West- en Zuid-Europa. Oost-Europa is buitengesloten, dat wil zeggen de landen achter het Ijzeren Gordijn. Ziedaar een tegenstrijdigheid die sinds de rede van Churchill te Zürich in 1946 is blijven bestaan, ondanks Europese verkiezingen. Churchills oproep destijds, ‘Europa arise!’ was een appel aan West-Europa zich aaneen te sluiten. Hij wilde in de eerste plaats een verzoening tussen Frankrijk en Duitsland (West-Duits-land wel te verstaan) tot stand brengen. Met name om het hoofd te bieden aan de Sovjetdreiging. Daarvoor stelde hij zijn oude idee voor: een Raad van Europa. Deze is later uitgegroeid tot de Europese Gemeenschappen. Oost-Europa is hiermee afgestoten. Voor West-Europa vormt Oost-Europa een bedreiging. (Zie Jonas 19). Daarmee is een volkerenpsychologische basis voor samenwerking tussen West en Oost verloren gegaan. Maar is deze staatkundige aaneensluiting van West-Europa een gezonde basis tegenover de staatkundige aaneensluiting van de landen van het Warschaupact? Zou, voor de totstandkoming van een ‘Europa van de Atlantische Oceaan tot aan de Oeral’ – zoals eens door De Gaulle is gesuggereerd – niet naar een geheel andere basis moeten worden gezocht, dan die, waarop het huidige West Europa berust?

Europa tussen West en Oost

Op de hier gestelde vragen is maar niet zo, een twee drie, een antwoord te geven. Vooral de tegenstelling tussen West- en Oost-Europa is na 1945 een onoplosbaar probleem geworden. Maar juist daardoor kan duidelijk zijn dat Europa voorlopig een ‘labyrint van tegenstrijdigheden’ blijft, ook al zijn deze toegedekt, door een vertegenwoordiging van Europese parlementariërs.

Rudolf Steiner heeft sinds 1917 vele malen gewezen op de taak van Midden-Europa tussen West en Oost. Daarmee wees hij niet alleen op de volkerenpsychologische tegenstelling tussen Amerika en Azië, maar ook op die tussen Rusland en Engeland.

In 1953 is in Den Haag door het ‘Centrum voor Vrij Geestesleven’ een internationale conferentie georganiseerd over het thema, ‘De geboorte van Europa, een geestelijk vraagstuk’. Vooral dank zij de bezielende leiding van Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, vonden daarbij gesprekken plaats onder de circa 800 deelnemers, behorende tot 18 verschillende nationaliteiten. Gesprekken over volkerenpsychologie, als basis voor internationale samenwerking op economisch en cultureel gebied. Daarbij werd uitgegaan van een drieledig aspect: Europa tussen West en Oost, in tegenstelling tot het dualistische aspect dat destijds en ook nu nog, de tegenstrijdigheid tussen West- en Oost-Europa beheerst. Historisch gezien, berust deze tegenstrijdigheid niet alleen op een tegenstelling tussen kapitalistische en communistische wereld, maar ook op een tegenstelling, die veel dieper ligt en door de gehele geschiedenis van Europa heenloopt: een geestelijke tegenstelling, vanaf het grote kerkelijke Schisma tussen de katholieke en de Russisch-orthodoxe kerk in 1054.

Voor een werkelijke ‘eenwording van Europa’ kan het daarom van belang zijn om, aan de hand van een ‘draad van Ariadne’ door te dringen in het labyrint van raadselvragen, die de geschiedenis van Europa ons stelt. Daarvoor moet men zich inzicht veroveren in de bewustzijnsontwikkeling van de volkeren, die zich in verschillende fasen voltrekt.

Daarvoor is ook nodig, dat men door de machtsverhoudingen die Midden-Europa tegenwoordig hebben toegedekt, leert heenzien. Want wat is – sinds het neerlaten van het IJzeren Gordijn – nog overgebleven van het oude Midden-Europa? Wat komt er voor in de plaats?

Reeds deze vragen verduidelijken de gecompliceerdheid van de situatie, waarin het huidige Europa verkeert, de tragiek van Europa als labyrint, waarin de verschillende volken nog verstrikt zijn onder de schijn van eenheid van een supra-nationale Europese staat.

Wat zijn de problemen die in Straatsburg aan de orde zullen worden gesteld na de totstandkoming van het nieuwe parlement? Voor welke taken zal dit parlement zich geplaatst zien? Twee voorbeelden:

1. De toetreding tot de Gemeenschap van de drie kandidaten, Griekenland, Portugal, Spanje. Economisch zullen daarbij offers moeten worden gebracht, vanuit de welvaart van de negen staten. Zal hiervoor het nodige volkerenpsychologische begrip aanwezig zijn?

2. De verhouding van Europa tot Afrika, waarbij Europa aan een vijftigtal Afrikaanse staten een bepaalde hoeveelheid export waarborgt, voor gestabiliseerde prijzen. Een test-case voor Europese economische samenwerking, bijvoorbeeld tussen het rijke West-Duitsland enerzijds en het arme Italië en Engeland anderzijds. Een samenwerking, die reeds bij de ‘Dialoog’ tussen Noord en Zuid op de proef werd gesteld, kan wederzijdse afhankelijkheid op economisch gebied worden aanvaard, wanneer de basis ontbreekt, voor wederzijds begrip voor verscheidenheid van volksaard?

Voor hoelang nog zullen de nationale belangen hierbij gerelativeerd kunnen worden? Niet alleen in het Europese parlement maar ook in de Europese Commissie en de Raad van Ministers, waar uiteindelijk de beslissingen zullen vallen.

In het ‘labyrint van Europa’ is de Minotaurus een vergeten monster uit de Griekse mythologie. Hetgeen niet wil zeggen dat hij ons niet nog steeds bedreigt!

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1806-1692

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-4)

.

In de jaren zevntig van de vorige eeuw was er – bij de ene vrijeschool meer, bij de andere minder – enige belangstelling voor de sociale driegeleding. 
Er werden pogingen gedaan om op bestuurlijk niveau ‘anders’ te besturen dan wat maatschappelijk de gewoonte was. 
Ik herinner me nog levendig dat we het boek van Dieter Brüll bestudeerden: ‘De sociale impuls van de antroposofie’ om de school op bestuurlijke vlak zo in te richten dat deze sociale impuls ook sociaal zou uitwerken. Dat daardoor bestuurlijke processen beter verliepen, er meer collegiaal begrip zou ontstaan, een juiste verhouding tot de ouders en hun rechten. Enz.

Het Nederlands Pedagogisch Instituut – opgericht door Prof. Lievegoed – gaf cursussen voor dit ‘nieuwe’ besturen; om meer bewustzijn te wekken voor wat er sociaal zich onder de mensen – leraren en ouders – afspeelt en hoe er gezonde sociale verhoudingen zouden kunnen worden gecreëerd. 
Inzicht in sociale processen kan veel leed, misverstand, teleurstelling voorkomen en werkwijzen scheppen die tijdwinst opleveren, helderheid scheppen voor wie doet wat, respectg en waardering voor de inzet van de ander(en) enz.

Goed omgaan met elkaar is geen vanzelfsprekendheid; het leren kennen van allerlei processen ook niet: je moet er echt een studie van maken en die in de praktijk verder leren kennen en uitdiepen.

Onderstaand artikel is daar een handreiking voor.
.

HOOFDPRINCIPES VOOR HET SOCIALE ORGANISME

een ruwe schets

In deze tijd* trachten wij – ieder moment van ons leven – de

WAARHEID – de zin van de dingen, datgene dat werkt, los van wat er “van gevonden” wordt, los van het oordeel.

SCHOONHEID – de verhouding tot de dingen, onze individuele relatie, een gevoel van (dynamisch) evenwicht.

GOEDHEID – de dingen die ons leven schenken, waardoor we kunnen blijven bestaan, te realiseren.

De WAARHEID moeten wij DENKEN, d.w.z. door middel van het denken vinden wij de zin, “erkennen” (Dts.) wij de waarheid.

De SCHOONHEID moeten wij VOELEN, d.w.z. door middel van het voelen vinden wij een evenwicht “erleben” (Dts.) wij de schoonheid.

De GOEDHEID moeten wij WILLEN, d.w.z. door middel van het willen doen wij het goede; “verwirklichen” (Dts.) wij de goedheid.

N.B.: De uiterste vorm van willen vormt de daad, vandaar het goede doen.

Andere termen voor:           WAARHEID – SCHOONHEID – GOEDHEID
ethisch-moreel:                    WIJSHEID – GERECHTIGHEID – LIEFDE
in termen van vermogens: WETEN – HOUDING – KUNNEN

De lichamelijke mogelijkheden om bij de WAARHEID – SCHOONHEID en GOEDHEID te kunnen komen worden ons geboden door respectievelijk:

voor de WAARHEID          – DENKEN > ZENUW-ZINTUIGSTELSEL

voor de SCHOONHEID     – VOELEN > RITMISCHE STELSEL

voor de GOEDHEID           – WILLEN > STOFWISSELINGS-                                                                                                         LEDEMATENSTELSEL

Deze stelsels voeren a.h.w. lichamelijke “voertuigen” voor de menselijke zielenvermogens DENKEN – VOELEN – WILLEN.

Omdat we als mens een ondeelbaar geheel vormen (entiteit) kunnen we ons denken-voelen-willen niet scheiden, maar wel ONDERSCHEIDEN, dat wil zeggen: door middel van ons denken deze zielenvermogens naast elkaar te beschouwen als kwaliteiten met een verschillende dynamiek en uitwerking. Daarin zit ook de grote moeilijkheid in het sociale leven: we zijn ons er vaak niet van bewust wat we zoeken, waardoor er zaken mislopen, irritaties geven, spanningen oproepen, tot en met maatschappelijke ontwrichtingen.

Een paar voorbeelden ter illustratie:

=Als we een afspraak maken met iemand op een bepaald tijdstip is het GOEDHEID om op tijd aanwezig te zijn.
Als door oponthoud door welke oorzaak dan ook we te laat aankomen is excuus aanbieden GOEDHEID, terwijl niet wordt gevraagd waardoor je te laat bent: dat is WAARHEID geven.

Als je toch waarheid als goedheid geeft in zo’n geval, loop je het risico dat de ander je laat weten dat hij of zij dat antwoord niet vindt voldoen aan zijn wet van de SCHOONHEID.

=Je kunt aan een ander de WAARHEID vragen waardoor het antwoord voor jezelf GOEDHEID oplevert, terwijl je dat antwoord toetst op SCHOONHEID.

Als je iemand vraagt: “Hoe kwam het dat je er zaterdag niet bij kon zijn?” En je krijgt als antwoord: “Dat zeg ik je niet”, dan levert je dat niet de waarheid waar je om vroeg en is daarmee ook niet de goedheid verkregen die je vraag wegneemt. Tenslotte zal in de relatie duidelijk worden dat daarmee ook geen evenwicht, geen schoonheid is bereikt.

Wat is nu het SOCIALE ORGANISME?

Men zou kunnen stellen: alle menselijke ikken zoeken de waarheid-schoonheid-goedheid. Het SOCIALE ORGANISME is als het ware DIENSTBAAR aan de zoekende (en zich zelf daarmee realiserende) persoonlijkheden. Kort gezegd: het SOCIALE ORGANISME maakt het mogelijk dat de waarheid-schoonheid-goedheid gevonden worden t.b.v. ikken. In dat opzicht is er met de menselijke natuur iets boeiends aan de hand, we onderscheiden:

IK ↔ WERELD en                      IK ↔ MEZELF : 2 instanties
(denk b.v. als we zeggen            IK (1) zie mezelf (2) als een leek
.                                                    .IK (1) neem mezelf (2) waar
.                                                    .IK (1) twijfel aan mezelf (2), enz.

Je zou het zo kunnen zeggen: IK hoort niet tot de andere, de (geworden) wereld; mezelf dus-wel.

Onder “mezelf” zouden we dus kunnen verstaan: mijn fysieke lichaam, mijn levens- en vormkrachtenlichaam, mijn gewaarwordings- en gemoedslichaam. Mijn (hogere) ik is meer een geestelijke, onstoffelijke realiteit en maakt daarin deel uit van een geestelijke wereld (in plaats van de aardse wereld!)

Hoe zoeken we de waarheid – schoonheid – goedheid?

In het dagelijkse sociale leven, het leven binnen het sociale organisme, zoeken we deze kwaliteiten door het stellen van een VRAAG.

Daaronder te verstaan: al of niet door gebruik van woorden aangeven dat iets gezocht wordt.
Dat hoeft dus niet te zijn: een zin met een vraagteken aan het eind .
(Denk b.v. aan de hulproep “HELP!”)

Hoe vinden we wat we zoeken?

Simpel gezegd: door het geven van een ANTWOORD.
Daaronder te verstaan: al of niet door gebruik van woorden aangeven dat iets beschikbaar is dat mogelijkerwijs de vraag oplost.
Dat hoeft dus niet te zijn: een zin met een uitroepteken aan het eind.
(Denk b.v. aan retorische vragen zoals “vind jij ook niet ?”)

Hoe vinden we of de vraag past bij het antwoord?

Om te voorkomen dat er een antwoord gegeven wordt op een vraag die niet gesteld is of om te voorkomen dat er een vraag wordt gesteld aan iemand die geen antwoord kan of wil geven, sluiten we in het sociale een                                                                           OVEREENKOMST

Daaronder te verstaan: het scheppen van een ruimte tussen vraag(-steller) en antwoord(-gever) om tot een evenwichtige afstemming te komen.

De vraag heeft eigenlijk 3 dimensies:

VRAAG ←———–→ BEHOEFTE ←———–→ TEKORT

In het bewustzijn          Onlustgevoel dat               Het gemis zoals zich
gekomen verantwoor- aangeeft dat er                    dat voordoet in de
ding  van het tekort      iets gemist wordt               werkelijkheid

De kunst van het vragen stellen bestaat erin, dat deze drieheid-dimensies van een en hetzelfde zijn.

Wat we echter veel zien is:

– dat de vraag niet aangeeft, wat werkelijk gemist wordt en meer in de richting van een voorstelling over mogelijke oplossingen gaat;

– dat de behoefte wel wordt beleefd, maar dat de vraag in een andere richting gaat dan het werkelijke tekort.

(b.v. veel mensen die eenzaam zijn zoeken hun oplossing in andere richtingen dan vriendschapsbanden met mensen, bij voorbeeld in vriendschapsbanden met veel eten, televisie).

Zo is het belangrijk, dat we leren onze behoeften te ontdekken in de alledaagse werkelijkheid: in situaties waar we tegen dingen oplopen, weerstanden ervaren, ons opgezadeld voelen met zaken, niet verder komen, enz.

Het antwoord kent ook 3 dimensies

ANTWOORD ←———–→ DRANG ←———–→ OVERSCHOT

In het bewustzijn ge-           Lustgevoel dat           Capaciteit dat werke-
komen verwoording van     aangeeft dat er            lijk beschikbaar is
het beschikbare over-          iets beheerst wordt
schot 

Ook hierbij zouden deze drie dimensies van een en dezelfd kwaliteit moeten zijn. Wat we hier op het sociale vlak in tegenkomen is:

– dat het antwoord niet echt beschikbaar is, maar ook voor de antwoordgever nog onduidelijkheden (vragen!) kan bevatten;

– dat men wel een gevoel heeft het te beheersen, dus een antwoord te hebben, maar dit in de praktijk meer op zelfoverschatting neerkomt.

Zo heeft ook de OVEREENKOMST 3 dimensies:

OVEREENKOMST ←——→ OVEREENSTEMMING ←——-→ AFSPRAAK
In het bewustzijn                      Gevoel dat aangeeft            In de werkelijkheid
gekomen verwoording             dat er afstemming              bereikt evenwicht als
van het bereikte                         bestaat tussen                      resultaat van een evenwicht                                   vraag(-steller) en                afstemmingsproces                                                          antwoord(-gever)

In dit voorbeeld is het ook belangrijk ervoor te zorgen de drieheid van een en dezelfde kwaliteit zijn. Veel storingen in het sociale organisme komen voort uit deze ‘middenruimte’:

– men meent afspraken gemaakt te hebben conform het gevoel van overeenstemming en vastgelegd in een overeenkomst, maar  ontdekt – later – dat de gemaakte afspraak ingaat op iets anders dan wat de overeenkomst aangeeft: of wel de vraag was onduidelijk of wel het antwoord bleek een ander te zijn dan de opgeroepen voorstelling erover deed geloven.

Wat is nu het beste voor de VRAAG:

Dat er een antwoord wordt gegeven dat het aan de vraag ten grondslag liggende tekort opheft. Anders gezegd: dat het antwoord werkelijk ingaat op het aanwezige tekort, zoals de vraagsteller zijn behoefte in een vraag heeft verwoord. Dit nu zouden wij BROEDERLIJKHEID willen noemen. Broederlijkheid is m.a.w. af te lezen aan daden!

Wat is nu het beste voor het ANTWOORD:

Dat het antwoord werkelijk beschikbaar is, een reëel overschot, dat geworden is. De antwoordgever moet in staat zijn, zijn echte vermogens ongedwongen en onverwrongen ter beschikking te stellen.

Dit nu zouden we VRIJHEID willen noemen.

N.B. Hierbij te onderscheiden VRIJDOM (afgedwongen sociale ruimte) en VRIJHEID (geschonken sociale ruimte).

– Als je een antwoord geeft dat niet een werkelijk overschot is, schenk je jezelf geen vrijheid, maar dwing je jezelf dingen te doen die niet echt helpen!

– Slechts d.m.v. het denken kunnen we ons zelf de vrijheid schenken: het gevoel “overkomt” ons, de Wil schept consequenties voor de wereld; het lot en onze omgeving bepalen onze keuze.

Door met bewustzijn keuzen te maken schenkt het denken ons de vrijheid. Bewustzijn voor de resultaten van onze handelingen.

Wat is nu het beste voor de OVEREENKOMST:

Dat de afstemming plaatsvindt tussen mensen die zich niet te groot of te klein hoeven te voelen vanwege hun behoeften of hun vermogens; dat los van die tekorten of overschotten mensen zich tot elkaar richten en tot elkaar trachten te komen “als mens”. Dit nu zouden we GELIJKWAARDIGHEID willen noemen.

Let op: – het stellen van een vraag kan een antwoord zijn op de vraag: “Zou je je vraag willen stellen.”
Dan krijgt de vraagsteller “antwoordgelegenheid” , of wel VRIJHEIDSRUIMTE om zijn tekort toe te lichten;

– het stellen van een vraag kan een vermogen zijn in de zin van: het kunnen verwoorden van mijn tekorten. De inhoud van de vraag blijft echter onverkort een behoefte, een oproep om de BROEDERLIJKHEID;

– het is noch je schuld, noch je verdienste dat je iets wel of niet weet, kunt: je hebt het meegekregen, geschonken gekregen, het is je door anderen geleerd of niet. Ondanks hun inspanningen lukte het de anderen niet omdat zij het niet meekregen, geschonken kregen…….

Zo kunnen we de opgave van het sociale leven met behulp van deze begrippen als volgt formuleren:

LATEN WIJ ONS ZO ONTWIKKELEN DAT WE IN STAAT ZIJN – ALS DE VRIJHEID ONS GESCHONKEN WORDT – OVEREENKOMSTEN IN GELIJKWAARDIGHEID TE SLUITEN MET ANDEREN OM BROEDERLIJK TE KUNNEN ZIJN IN HET OPHEFFEN VAN ZIJN/HAAR TEKORTEN!

Wat zien we met behulp van deze begrippen en principes in het macro-sociale organisme, in de maatschappij?

De mensen die we tegenkomen met vragen zou je BEHOEFTIGE MENSEN kunnen noemen.

De mensen die we tegenkomen die zich richten op overeenkomsten zou je RELATIONELE OF AFSTEMMENDE MENSEN kunnen noemen.

De mensen die we tegenkomen die zich richten op het geven van antwoorden zou je VERMOGENDE MENSEN kunnen noemen.

Let op: we zijn het altijd alledrie, echter op bepaalde terreinen ben je óf behoeftig óf vermogend óf je sluit overeenkomsten. In de tijd gezien ben je echter maar 1 categorie, hoewel zich dat vaak moeilijk laat begrijpen:

Ik kan behoefte hebben aan eten, in staat zijn dat in een vraag te verwoorden en ervan uit te durven gaan, dat ik deze “ruimte ” mag nemen om aanspraak te maken op beschikbaar voedsel. Echter voorop staat: ik heb honger.

Waarop richten BEHOEFTIGE MENSEN
RELATIONELE MENSEN
VERMOGENDE MENSEN zich, met andere woorden: op welke levensvragen geven zij antwoord?

Behoeftige mensen trachten aan te geven, dat zij het leven willen houden en het ontbreekt hun aan iets wat zij daarvoor nodig hebben. Zij richten zich op de TIJD (vgl.: geef mij de tijd!).
Relationele mensen trachten aan te geven, dat zij het leven iets te vragen of te bieden hebben, dat zij iets hebben te geven of te nemen, zij willen daarover afstemmen om tot evenwicht te komen. Zij vragen RUIMTE.
Vermogende mensen trachten aan te geven dat zij een overschot beschikbaar hebben wat anderen kan helpen bij het vervullen van hun levensvragen. Zij creëeren daardoor een nieuwe WAARDE.

Let op: de kwaliteiten TIJD, of werken vanuit RUIMTE en WAARDE zijn de levenskwaliteiten waarmee de ikken zich uiteenzetten, d.w.z. het ik van de mens tracht zich voortdurend een verhouding te vinden met de tijd, de ruimte en de (individuele) waarden die hij/zij koestert in zijn/haar leven. Dit weerspiegelt zich in de vragen:

. hoe kan ik in leven blijven?
. wat is er voor/door mij te geven/nemen?
. waartoe dient het eigenlijk, wat is de zin ervan?

Als we ons richten op behoeftige mensen, dan is het belangrijk dat zij datgene krijgen wat zij nodig hebben. Je daarmee bezig houden zouden wij ECONOMISCH LEVEN willen noemen.

Als wij ons richten op relationele mensen, dan is het belangrijk dat zij in staat worden gesteld evenwichtige afspraken te maken. Je daarmee bezighouden zouden wij RECHTSLEVEN willen noemen.

Als wij ons richten op vermogende mensen, dan is het belangrijk dat zij in staat worden gesteld die overschotten die (latent) aanwezig zijn ter beschikking te stellen. Je daar mee bezighouden zouden wij GEESTESLEVEN willen noemen.

Let op: enige gevaren die er vaak insluipen bij het hanteren van deze begrippen:

. je staat als mens altijd in het hele leven en nooit in een deel. Vandaar dat je nooit kunt zeggen: ik sta in het geestesleven of in het economische leven, enz. Wel: met hem heb ik een economische relatie en in die relatie gelden de wetmatigheden van het economische leven; prestatie-tegenprestatie, enz.

.                                     .je kunt wel zeggen: ik richt mijn                                            .                                      .vermogens op de tekorten van anderen. Dan sta ik met                                         die ander samen in een ECONOMISCHE RELATIE.
WAARDEREN →      In die economische relatie: geef ik mijn vermogens
(aangeven wat het  ->( prestatie)
je waard is!).                    .↑         geeft de ander aan wat het hem waard is          .                                           .↑         (tegenprestatie)

.                                           .↑          en we sluiten een overeenkomst(prijs)
LEVENSNOODZAKELIJKE __
____________________________
MIDDELEN/PRODUCTEN                    – ik kan ook trachten met anderen de    .                                                   .beschikbare dingen te verdelen (b.v. de grond,
.                                                   .de snoepjes, de werkzaamheden. Dan heb ik        .                                                   .met die anderen een SOCIALE (of                          .                                                    .rechts-)RELATIE

VERDELEN ——–>  In die sociale relatie: geef ik aan wat ik denk nodig
(evenwichtig geven—>         te hebben (nemen) geeft de ander aan wat
nemen) .                 .↑               .hij denkt nodig te hebben (geven) en sluiten we  .                                 .↑              .een overeenkomst {afspraak)
.                                 .↑
RECHTVAARDIGE  _____________________________________

VERDELING                      ik kan mij ook richten op mijn overschotten:
.                                             .het richten op de ontwikkeling van mijn vermogens.
KIEZEN.                            .Als ik dat doe samen met anderen, waarbij het dus
(vanuit je idea-.               .gaat om de keuze van het ontwikkelen en beschik-
len tot een keuze.             .baar stellen van vermogens spreek je over
komen)           →                een GEESTVERWANTE RELATIE.

.                         →.             . In die geestverwante relatie geef ik aan wat ik zou    .                                            . kunnen (doen) of (nog) niet kan (laten) en sta ik de .                                            .ander toe me daarop te beïnvloeden. De  overeen-
MORELE           /               komst die ik daarover sluit geeft aan welke waarden KEUZEN         /                 ik nastreef (idealen) en deel met die ander.

.                                             .Anders gezegd: in een ECONOMISCHE                      .                                             .VERWANTSCHAP zijn we op de producten            .                                                . /letterlijk: voortbrengsels) gericht.
.                                             . in een SOCIALE VERWANTSCHAP zijn we op de
.                                             .verhouding, de relatie gericht, in een                          .                                             . GEESTVERWANTSCHAP zijn we op (elkaars)      .  .                                             . idealen gericht.

N.B.
.                       .> – materiele producten (goederen)
Er bestaan:    > – sociale producten (diensten)
.                       .> – geestelijke producten (know-how)

In het economisch leven worden producten tot waren, nl. verhandelbaar, los van de mensen die ze voortbrengen. We hebben vele economische verwanten (bakker, slager, C en A, school, museum, enz.);
minder sociale verwanten (gezin, werk-, leefgemeenschap, vriendenkring);
nog minder geestverwanten (levenspartner, intieme vriend).

.

*Dit artikel -genummerd 6468.8410 werd gemaakt door het NPI, datum onbekend. (1984 01e maand?) De auteurs zijn waarschijnlijk LB en LG, dat kunnen Lex Bos en Leo van Goudoever zijn geweest.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1796-1683

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-2/2)

.

Wie zich verdiept in Steiners ideeën over de sociale driegeleding en deze voor de maatschappelijke realiteit vruchtbaar wil maken, krijgt ook te maken met de opvattingen over arbeid en inkomen. Beloond worden voor werk komt in een ander daglicht te staan. Het woord ‘basisinkomen’ valt.
Dergelijke geluiden klinken regelmatig ook vanuit een ander vertrekpunt. Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest, waarin een aantal duidelijke parallellen met de visie van Zwart (en Brüll) 

ARBEID EN INKOMEN

In juli van dit jaar* drukten wij een vraaggesprek af met Minister Albeda van Sociale Zaken.[niet op deze blog]
Het onderwerp: loskoppeling van arbeid en inkomen. Alhoewel Albeda van mening was dat we toe zijn aan een nieuwe ethiek ten aanzien van arbeid, zag hij geen heil in het op losse schroeven zetten van het uitgangspunt dat iemands inkomen gebaseerd is op de arbeid die hij verricht. “Wanneer iemand iets presteert, dan mag daar een beloning tegenover staan’, waren zijn woorden. We legden hem de vraag voor wat hij dacht van het alternatief inkomen niet op prestatie, maar op individuele behoeften te baseren. De Minister: ‘Een behoefte is geen aanknopingspunt. Behoeften zijn in principe onbeperkt’. Professor Zwart denkt hier iets anders over. Naast zijn professoraat aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, is hij medewerker van het NPI, een instituut voor organisatieontwikkeling. De medewerkers van dit instituut hebben het automatisme dat bestaat tussen prestatie en inkomen in zoverre doorbroken, dat de traditionele loonschalen overboord zijn gegooid. In onderstaand vraaggesprek met Professor Cees Zwart wordt duidelijk dat het wel degelijk mogelijk is arbeid en inkomen te ontkoppelen. Maar eenvoudig is het niet. De gedachte dat prestatie als criterium voor het bepalen van het inkomen met een eenvoudige kunstgreep vervangen kan worden door het criterium behoefte, blijkt wat al te simplistisch.

Behalve dat Cees Zwart uit de doeken doet hoe het NPI werkt met de inkomens van de medewerkers, zet hij uiteen waarom naar zijn mening het probleem van de werkeloosheid niet kan worden opgelost zonder een loskoppeling van arbeid en inkomen.

Naar het oordeel van de Minister (zie Jonas 23,11 juli 1980) is het niet mogelijk arbeid uit de sfeer van het marktmechanisme te halen. De nerf van ons huidige arbeidsbestel bestaat uit het spanningsveld tussen vraag en aanbod. Specialisten in de gezondheidszorg – om maar eens een voorbeeld te noemen – hebben een stuk ‘schaarste’ in handen en kunnen dan ook een hoog inkomen vragen als tegenprestatie voor hun arbeid. Ongeschoolden hebben in de regel geen schaarste te bieden en moeten dan ook met een lager inkomen genoegen nemen. De Minister meent dat ‘ondanks het feit dat het marktmechanisme leidt tot onrechtvaardige inkomensverschillen, het marktmechanisme op zichzelf niet onrechtvaardig is. Vervelende bijverschijnselen van het mechanisme moeten worden bijgesteld’, aldus de Minister. ‘Probeer als overheid (…) invloed uit te oefenen op schaarste-verhoudingen. Voorkom dat een enkeling een stuk schaarste in handen kan krijgen, dat hij kan gebruiken om daar een hoger inkomen uit te halen’.

Hoe kijkt Cees Zwart tegen zulke uitspraken aan?

‘Als ik de stelling van Albeda hoor dat wanneer iemand iets presteert, daar inkomen tegenover mag staan, klinkt mij dat oercalvinistisch in de oren. Daar klinkt voor mij een cultuur door heen waar straf en beloning een grote rol spelen. Belangrijke gezichtspunten binnen die calvinistische cultuur zijn, dat het goede beloond, en het kwade gestraft moet worden. Arbeid adelt, en ledigheid is des duivels oorkussen. Dat is een religieuze normering – die ik overigens respecteer – die met het economische leven eigenlijk niets te maken heeft. Het wortelt in een oude ethiek, waar goed en slecht streng gescheiden zijn.

In onze tijd lijkt het mij juist te gaan om een openlijke ontmoeting met het slechte, het boze. Goed en kwaad kunnen niet langer streng gescheiden worden. Dit soort oude dogma’s werken ook niet meer, hoe graag sommigen dat ook zouden willen. De werkelijkheid laat zien dat het niet meer zo is dat het goede altijd beloond en het slechte altijd gestraft wordt. Het omgekeerde gebeurt regelmatig: het goede wordt gestraft en het kwade beloond. Als je met name in het economische gebied kijkt – en Albeda weet dat natuurlijk – kom je tegen dat fraude en zwart geld lucratieve zaken zijn. De schematiek van het goede en het kwade en de daaraan gekoppelde economische beloning, heeft zijn cultuuropgave gehad.

De mens moest vroeger door de Goden, of door de representanten daarvan zoals de priesters, behoed worden voor het kwade. Beloning hield in: iemand op het goede spoor houden. Daar komt de stelling vandaan dat een prestatie beloond moet worden. Vrijwel iedereen beleeft ook nu nog deze stelling als een vanzelfsprekendheid. Toch is het nodig, gezien de ontwikkeling, er afstand van te nemen en er over na te denken. We zien eenvoudig dat de oude ethiek niet meer vanzelfsprekend vruchtbaar werkt in het sociale leven. Op allerlei gebieden in het economische en sociale leven blijken vanzelfsprekendheden niet meer te werken. In onze samenleving is het begrip eigendom al even vanzelfsprekend. We kunnen grond bezitten, persoonlijke vermogens in eigendom hebben. Als Albeda er steeds op wijst dat op de arbeidsmarkt schaarste veroorzaakt dat mensen wat hun inkomen betreft eisen kunnen stellen, baseert hij zich op de gedachte dat iemand zijn vermogens persoonlijk in eigendom heeft. Maar Albeda weet ook dat je bij het begrip eigendom, zoals dat in onze rechtsorde verankerd is, allerlei vraagtekens kunt zetten. Kijk maar naar de krakersbeweging. Je ziet dat het decadente van het eigendomsrecht in onze cultuur nadrukkelijk naar voren komt. Je moet de vragen gaan stellen: wanneer is eigendom terecht, en wanneer niet? Kun je grond, kapitaalgoederen en arbeid in eigendom hebben? Kun je arbeid kopen en verkopen? De gedachte dat je vermogens in eigendom kunt hebben is voor mij een volstrekt onspiritueel gezichtspunt.’

Waarom onspiritueel?

Cees Zwart: ‘Natuurlijk kun je zeggen dat vermogens bij je horen. Het feit echter dat we bepaalde vermogens hebben kunnen ontwikkelen, hebben we te danken aan andere mensen. Vermogens ontwikkel je dankzij dat geestesleven, dankzij de cultuuroverdracht die steeds plaats vindt. Het feit dat ik vermogens heb geeft mij de verplichting te vragen: waar kan ik die vermogens zo inzetten, dat mensen die die vermogens niet hebben, daar optimaal baat bij hebben? Dat is heel iets anders dan jezelf afvragen hoe je je vermogens zo voordelig mogelijk kunt verkopen’.

Behoefte en prestatie

Als je vindt dat vermogens niet verkocht kunnen worden, kom je vanzelf bij de gedachte dat inkomensvorming niet gebaseerd kan zijn op vermogens en prestaties. Vindt Cees Zwart behoefte een criterium vanwaaruit inkomens vastgesteld kunnen worden? ‘Het klinkt natuurlijk fantastisch om te zeggen: het inkomen moet bepaald worden door de behoeften van de individuele mensen. Vanuit je rechtvaardigheidsgevoel zeg je daar onmiddellijk ja tegen. De zaak zit echter iets gecompliceerder in elkaar. Het is onzin te beweren dat het zou betekenen dat prestatie ineens niets meer met het inkomen te maken heeft. Macro-economisch hebben prestatie en inkomen alles met elkaar te maken. Het nationaal inkomen van een land hangt af van de totale geleverde prestatie. Het is naïef te  denken dat mensen een behoefte-inkomen zouden hebben, zonder je daarbij af te vragen wat de totale prestatie is die geleverd wordt door een groter geheel, zoals een land, een bedrijf of een instituut. Dit macro-economische gegeven, dat een koppeling inhoudt tussen prestatie en inkomen, is ook van invloed op de inkomensmogelijkheden van individuele mensen. Het druist tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in om te zeggen: twee mensen werken beiden acht uur per dag, terwijl de één driemaal zoveel verdient als de ander, alleen doordat de arbeid van de eerste door schaarsteverhoudingen hoger gewaardeerd wordt. Maar evenzeer gaat het tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in, wanneer van twee mensen de eerste slechts drie uur per dag werkt – en dus minder bijdraagt aan het totale inkomen van een bedrijf – maar tweemaal zoveel inkomen heeft als de tweede, die de hele dag werkt. Het feit dat iemand een bepaald inkomen heeft op grond van zijn behoeften, ontslaat hem niet van de verplichting een prestatie te leveren. Men moet zich steeds realiseren dat inkomen vragen voor de dekking van behoeften betekent: anderen voor mij laten werken, anderen vragen een prestatie voor mij te leveren. Met andere woorden: wanneer ik verlang dat die prestatie groter is dan mijn eigen prestatie, wil dit macro-economisch zeggen dat ik van de samenleving meer vraag dan ik zelf aan die samenleving economisch bijdraag. Daarvoor kunnen allerlei goede redenen bestaan, maar dat verandert aan die economische wetmatigheid niets’.

Hoe komt binnen het NPI de inkomensvorming tot stand?

‘We hebben wel pogingen in die richting gedaan. We hebben de traditionele loonschalen laten vallen. Voor de totaliteit van het instituut gaan we als volgt te werk: aan de ene kant berekenen we voor een komend jaar wat de totale opbrengst ongeveer zal zijn. Deze totale opbrengst – het resultaat van de gezamenlijke prestaties dus – wegen we af tegen de kosten, waaronder die van de inkomens. Die begroting bespreken we met elkaar. De voorgecalculeerde inkomenssom kan dan stijgen of dalen.

Er zijn grote inkomensverschillen tussen de verschillende medewerkers en daar speelt het element van de behoefte een grote rol. Maar niet alleen de behoeften. We zijn tot de conclusie gekomen dat het veel te simpel is om alleen van behoeften uit te gaan. Dat roept allerlei menselijke spanningen op. Bovendien is het fundamenteel onwaar dat inkomen uitsluitend op behoefte gebaseerd moet worden’.

Hoe worden die inkomens vastgesteld?

Iedere medewerker schat aan het begin van het werkjaar welk inkomensvoorschot hij denkt nodig te hebben voor zijn levenssituatie. De totale inkomenssom is dan een begrotingspost, die wordt afgewogen tegen de geschatte opbrengst van het instituut en andere posten, zoals opleiding, onderzoek en schenkingen.
Naast de behoeften zijn er ook andere criteria, zoals bijvoorbeeld wat elders voor soortgelijk werk wordt betaald en hoe de inkomens zich verhouden tot politieke ontwikkelingen ten aanzien van het vrije beroep. Verder speelt een rol de vraag hoe landelijk de inkomens stijgen of dalen’.

Iedereen schat dus zijn inkomensvoorschot. Ontstaan er daarover gesprekken? Zegt iedereen ja tegen de behoeften die ieder ander heeft opgegeven?

‘Nee. Het enige dat we zeggen is: klopt de totale begroting? Zolang dit niet het geval is gaan we in een intensief overlegproces tussen mandaatgroepen en medewerkers. Net zolang heen en weer tussen individuele medewerkerssituaties en instituutsituaties, totdat de begroting sluitend is. We gaan zeker geen processen beginnen van ‘jij mag dit wel en dat niet’. Dat is een sociaal
onhygiënische manier van doen. We hebben met elkaar experimenten gedaan waarin we elkaar het huishoudboekje lieten zien en aan elkaar de levensstijl zichtbaar maakten. Na afloop van zulke gesprekken kun je alleen maar zeggen ‘Oh, dus dat zijn jouw behoeften’. Meer niet. Het is onvruchtbaar om in discussie te gaan over de behoeften van een ander. Als je eerlijk bent heb je ook geen poot om op te staan. Hoe kun jij uitmaken wat een ander nodig heeft? Mij is tijdens dergelijke gesprekken altijd weer gebleken dat je in feite je eigen dingen naar buiten zit te projecteren. Dat zogenaamde bespreken van elkaars inkomens beschouw ik als een ongezonde weg, die mensen in enorme benauwenissen kan brengen.

Iets heel anders is dat je iemands hulp kunt vragen. Je kunt iemand kiezen waarvan je weet dat hij dezelfde levensstijl heeft als jijzelf, of iemand die je vertrouwt. Je kunt in zo’n gesprek natuurlijk over je eigen behoeften spreken. De ander kan daarbij als spiegel fungeren. Het is heel zinnig om op deze manier te praten over de onduidelijkheden en problemen die je tegen komt bij het vaststellen van je eigen inkomensbehoefte.

Maar hoe dan ook: bij de vraag naar mijn behoeften hoort altijd de vraag: wat draag ik bij? Die vraag stellen wij hier ook. Bij de voockalculatie hoort ook wat iedere medewerker het volgende jaar denkt te gaan doen. Welke economische bijdrage hij denkt te gaan leveren. Maar ook welke activiteiten hij wil gaan ontplooien. Zowel in het economische als in het spirituele moet je jezelf steeds betrekken op de totaliteit. Economisch houdt dat in dat je je afvraagt welke bijdragen je denkt te kunnen leveren aan de totale opbrengsten. In spirituele zin betekent dat dat je je afvraagt: heeft wat ik wenselijk acht voor mijn persoonlijke levensloop nog iets te maken met de identiteit van het instituut? In traditionele organisaties worden deze twee aspecten bepaald door diegenen die het bedrijf leiden, wij verdelen dat soort taken onder elkaar, omdat we collegiaal werken’.

‘Het probleem van het behoefte-inkomen is veel genuanceerder dan in het algemeen wordt aangenomen. Ik moet er met grote klem voor waarschuwen dat mensen niet in ondoordachte experimenten stappen. Dat veroorzaakt ongelooflijk veel spanningen. Er wordt wel eens gezegd: we stoppen alle persoonlijke inkomens in een pot en gaan het verdelen. Als je daarbij geen verdeelsleutel hanteert waar iedereen mee akkoord gaat, kan dat enorme spanningen opleveren. Er kunnen dan vruchteloze gesprekken ontstaan over kwesties als: is het wel rechtvaardig dat jij zus of zo behoeften hebt? Ik zet voor mijzelf grote vraagtekens bij zulke ontwikkelingen’.

Praten over elkaars behoeften is natuurlijk moeilijk. Maar dat hoeft toch niet te betekenen dat je het daarom niet moet doen. Je kunt zulke gesprekken ook zien als ontwikkelingswegen, waar mensen elkaar op onbekend terrein tegen komen

Cees Zwart: ‘Natuurlijk. Alles kun je zien als een ontwikkelingsweg. Dat is duidelijk. Maar je kunt ook mensen boven hun morele spankracht belasten. De opgave kan te zwaar zijn, juist in dit gebied. Het morele en het immorele grenzen hier heel dicht aan elkaar. Het is heel moeilijk om hierin voor jezelf en voor anderen objectief te zijn. Als je mensen voor opgaven stelt waar ze niet aan toe zijn, kunnen ze verlammen. Dat ken ik uit ons eigen instituut. De vraag is: kun je mensen dwingen om zo’n ontwikkelingsweg te gaan? Ik denk van niet. Mijn indruk is dat men daar vaak veel te luchthartig mee omgaat. Vanuit een soort groepsdwang besluit men dan om mee te doen. Dat heeft niets meer met een ontwikkelingsweg te maken. Op zo’n moment gaan mensen onvrij mee in een stroom’.

Werkgelegenheid

Het voornaamste probleem in het huidige sociaal-economische klimaat is de werkgelegenheid. Of beter: het gebrek daaraan. Tot voor kort was de vakbeweging (vooral de FNV) niet bereid om een gedeelte van het inkomen in te leveren ten gunste van de werkgelegenheid. In de zomer maakte de voorzitter van de Industriebond FNV, Arie Groenevelt, een opmerkelijke ommezwaai. De spanningen trotserend die zijn opvattingen ook in zijn eigen achterban opriepen, hield hij de opvatting staande dat de vakbeweging moet inleveren tijdens het overleg in de Stichting van de Arbeid tussen de sociale partners en de overheid. Binnen de FNV is het vooral de Voedingsbond die zich met hand en tand tegen deze opstelling verzet. De strijdvraag luidt: leidt inleveren tot een grotere werkgelegenheid? In feite schuilt achter dit probleem ook een soort koppeling tussen arbeid en inkomen. Het inleveren van inkomen zou leiden tot meer arbeidsplaatsen.

Denkt Cees Zwart dat er meer werkgelegenheid ontstaat wanneer de werknemers bereid zijn af te zien van een verdere loonstijging?

‘Je moet twee dingen onderscheiden. Macro-economisch zitten we met een onevenwichtigheid op het vlak van prestatie en tegenprestatie. Bovendien is er tegelijkertijd inflatie ‘ (met de gulden van vandaag kun je morgen minder doen) en stagnatie (de economische groei is opgehouden). Een van de gevolgen is structurele werkeloosheid. Werkeloosheid ontstaat wanneer het arbeidsaanbod groter is dan de vraag. De vraag is weer afhankelijk van hetgeen geproduceerd wordt. Een werkgever kan alleen iemand aanstellen, als er ook vraag is naar het product dat gemaakt wordt. Als de groei van de vraag stagneert, worden er ook niet langer extra arbeidsplaatsen geschapen. Het is duidelijk dat er aan die evenwichtigheid gesleuteld moet worden. Ik constateer dus dat er teveel geld in omloop is in verhouding met wat er aan economische waarden aan goederen is. Nationaal bezien is het economische draagvlak te klein voor wat we allemaal willen. In die zin kan inleveren een bijdrage zijn. Het gevaar van bezuinigen is natuurlijk dat de koopkracht daalt en de mensen dus minder kunnen kopen, met als gevolg dat de producenten nog minder inkomsten hebben. Het hele rad van avontuur steunt in de huidige economische orde juist op de koopkracht. Toch geloof ik dat het nodig is dat we gaan beseffen dat we boven onze stand leven. Het zou terecht zijn wanneer we met ons allen één of twee procent inleverden. Daarmee zou iets gedaan kunnen worden aan de onevenwichtigheid. Het grote probleem is alleen: hoe doe je dat? Vraag je iedereen dat vrijwillig te doen? Dan zegt de vakbeweging: als ik begin, welke reden heb ik dan om aan te nemen dat een ander het ook doet?

Als we niet vrijwillig bezuinigen, dan zullen de economische wetten ons dat afdwingen. We zullen dan door een recessie heen gaan, of zelfs een catastrofe beleven. Dat is niet ondenkbaar. In het onderwijs, in de gezondheidszorg en ook in het bedrijfsleven zie je dat van alles op instorten staat.

Ik denk dat het een illusie is dat inleveren vanzelf tot meer werk leidt. Dwars door het werkeloosheidsprobleem heen loopt een bepaald arbeidsethos. Arbeid verrichten betekent voor velen: betaald arbeid verrichten. Je bent werkeloos als je geen arbeid verricht waarvoor je betaald krijgt. Deze dwanggedachte is een enorme belemmering. Het is onzinnig om te veronderstellen dat er werkeloosheid zou moeten zijn. Er is zoveel werk in de wereld te doen. Ieder mens kan in beginsel zinvol werk verrichten. Iets anders is of iedere vorm van arbeid ook betaald moet worden. We zitten in de grote dwang dat je niet mag werken als je werkeloos bent. Je loopt dan het risico je uitkering te verliezen. Meer werkgelegenheid ontstaat pas als we ons arbeidsbestel anders inrichten. Dat kan alleen wanneer we prestatie loskoppelen van inkomen’.

‘Het werkgelegenheidsvraagstuk hangt nauw samen met de vraag: welke behoeften hebben de mensen? Albeda meent dat behoefte geen aanknopingspunt is om de inkomens op te baseren, doordat behoeften onbeperkt zouden zijn. Daarnaast meent hij dat de middelen begrensd zijn. Dat is in menskundige zin onjuist. Als econoom heeft hij misschien gelijk, maar als je gaat kijken hoe mensen in elkaar zitten, moet je zeggen dat dat onjuist is. Behoeften zijn beperkt. Er zijn – alleen al op het fysieke vlak – grenzen aan het voedsel dat je tot je kunt nemen. Maar ook behoeften van een hogere orde zijn beperkt. Die beperking ligt hierin dat je niet meer behoeften kunt bevredigen dan in je levenslot verankerd ligt.
.
Cees Zwart, Jonas 6, 14-11-1980

Professor C.J. Zwart werd in 1934 te Rotterdam geboren. In dezelfde plaats studeerde hij van 1954 tot 1960 economische wetenschappen. Hij specialiseerde zich tijdens de studie in bedrijfspsychologie en sociale pedagogie.
Vanaf 1960 was hij werkzaam bij NV Philips te Eindhoven, waar hij zich de eerste jaren toelegde op de scholing en begeleiding van het lagere kader. Later legde hij zich meer toe op de organisatiestructuren.
In 1966 werd hij wetenschappelijk medewerker aan de Technische Hogeschool in Twente. Naast een onderzoekende, had hij een onderwijzende taak in de sociale bedrijfskunde. Ook raakte hij in dezelfde tijd als medewerker betrokken bij het NPI (Instituut voor Organisatieontwikkeling) te Zeist. De medewerkers van dit instituut begeleiden veranderingsprocessen in bedrijven, overheidsinstellingen, scholen en andere organisaties. Rond 1954 begon het NPI te functioneren als een op zichzelf staand instituut, terwijl het daarvoor verbonden was aan de leerstoel Sociale Pedagogie te Rotterdam, die door professor Lievegoed werd bekleed. Er zijn thans* over de hele wereld instituten, die kunnen worden beschouwd als loten aan de NPI-stam. Het instituut in Zeist heeft thans bijna dertig medewerkers.
Cees Zwart promoveerde in 1972. De handelseditie van het proefschrift is bij uitgeverij Lemniscaat verschenen onder de titel: ‘Gericht veranderen van organisaties’. Het boek is gebaseerd op de ervaring die Cees Zwart opdeed tijdens de begeleiding van een bedrijf dat in korte tijd twee fusies te verwerken kreeg. Vanuit de concete ervaring komt Cees Zwart tot algemene gezichtspunten omtrent het veranderen van organisatievormen. In 1974 werd Cees Zwart benoemd als buitengewoon hoogleraar in de Sociale Pedagogie aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam. Als zodanig was hij de opvolger van professor Lievegoed.
In 1977 verscheen (ook bij Lemniscaat) van zijn hand’ Samen leven met het oog op morgen’. Cees Zwart brengt in dit boek de vernieuwende ideeën in kaart die na de bewogen jaren rond 1966 de samenleving overspoelden. Hij vraagt zich af welke van die ideeën in de praktijk vruchtbaar zijn gebleken. Ook ontwikkelt hij in het boek een aantal gedachten over samenleven die vruchtbaar kunnen zijn voor de toekomst.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1740-1630

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-4)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

UIT/IN ARCHIEF

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In de jaren ’70 – ’90 van de vorige eeuw stond de vrijheid van onderwijs nog wel  meer in de belangstelling van het vrijeschoolonderwijsveld dan nu – de belangstelling lijkt helemaal verdwenen – , maar te weinig om een beweging te worden die zich daadwerkelijk inzette voor m.n. de vrijheid van inrichting.

In de jaren na ca 1970 werden veel meer vrijescholen gesticht dan in de jaren daarvoor.
Die konden niet beginnen zonder de financiële steun van de overheid.
Soms gebeurde dat wél, zoals bijv. met de bovenbouw in Groningen.
Bij het verkrijgen van de benodigde financiële middelen was natuurlijk niet alleen de vraag: waar halen we het geld vandaan, maar vooral hoe geven we het uit.

En daarmee werd de vraag ‘wat is geld eigenlijk’ weer actueel.

In Steiners concept van de driegelede maatschappijstructuur neemt ‘geld’ een andere plaats in, dan bijv. in een kapitalistisch stelsel.

In de genoemde jaren werd er, vooral in het tijdschrift Jonas, over ‘geld’ geschreven. Een aantal van die artikelen bevindt zich op deze blog:

de artikelen onder nr. 6

Vanuit die visie was ook de Triodosbank opgericht.

Directeur Peter Blom hield lezingen over ‘geldstromen binnen de vrijeschool.

Daarvan vond ik nog een verslag.

INLEIDING VAN DE HEER PETER BLOM – (TRIODOSBANK)

GELDSTROMEN BINNEN DE VRIJE SCHOOL

Het bestuur van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst had Peter Blom uitgenodigd om over bovenstaand onderwerp te spreken. Daarbij stond een tweeledig doel voor ogen: het schetsen van de verhouding tussen mensbeeld (pedagogie) en de zakelijke kant van de school, daarnaast leek het goed daarmee de Triodos-bank in de aandacht te brengen, vooral nu deze bank ook aan de scholen vraagt mee te dragen aan haar toekomstige financiële verplichtingen.

Peter Blom is zelf vrijeschoolleerling geweest. De geldstroom binnen een vrijeschoolinstelling kent hij door het penningmeesterschap van de Tobiasschool te Amsterdam. Hij is* werkzaam bij de Triodosbank, waar hij speciaal belast is met financieringen in de vrijescholen.

Een geldstroom is geen eenduidig begrip, je kunt daar vanuit allerhande invalshoeken naar kijken:
=de geldstroom als subsidiestroom
=vergelijkend met de geldstromen binnen het andere onderwijs
=de beweging van het geld in het geheel van de vrijeschool.

Hoe kijk je nu aan tegen dat geld in de vrijeschool?

In het gehele onderwijs heeft er een verschuiving plaats gevonden van particulier initiatief naar overheidszorg.

Ook voor de vrijeschool geldt die ontwikkeling.

Voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de afhankelijkheid van de vrijeschool m.b.t. het stichten van bovenbouwen.
Als voordeel zou je kunnen aanvoeren: de vrijeschool is doordat ze gesubsidieerd wordt een erkende maatschappelijke factor; nadeel is gelijkertijd dat er daarmee een grote afhankelijkheid ontstaat t.o.v. de subsidiegever.
Naar verhouding wordt in Nederland het onderwijs sterk gesubsidieerd. In België b.v. draagt* de overheid slechts 1/3 van de kosten.

Wat is het effect van dat subsidiegeld?

Allereerst moet de school aan allerlei voorwaarden voldoen, de school krijgt te maken met allerhande administratieve structuren, waardoor het inzicht in de geldstroom verloren dreigt te gaan.
Het geld krijgt greep op de school en de penningmeesters verliezen op hun beurt de greep op het gebeuren. De school wordt door het geld geleefd.
Dit proces overvalt de school niet plotseling, maar sluipt allengs in.
Het geld dat de overheid geeft is “koud geld”, de kilte daarvan is ook voelbaar in de school.

Aanvankelijk wordt er op een enorm betrokken manier met het geld omgegaan:

In de initiatiefsituatie van een school, voelen bestuur, ouders en leerkrachten zich tezamen staan tegenover de overheid:

bestuur
ouders                                               ↔                          overheid
leerkrachten

In een later stadium echter wordt die structuur veel gecompliceerder. Niet iedereen heeft nog greep op het grote geheel. Er ontstaan allerlei deelrelaties:

Er treedt een splitsing op, die heel anders beleefd wordt dan de situatie die in het beginstadium optrad.
De ouders gaan het bestuur van een school ervaren als betrokken bij de overheidssfeer. Ook de leerkrachten hebben rechtspositioneel een binding met de overheid, die hen zakelijk gezien in de overheidssfeer brengt.
Op die manier worden relaties binnen de school veel losser.

Als die eenheid verdwijnt is er natuurlijk een toverwoord: driegeleding.
Er worden dan modellen opgesteld die weer verband in het geheel moeten brengen. Zulke modellen zien er vaak als volgt uit:

GEESTESLEVEN        RECHTSLEVEN        ECONOMISCH LEVEN

leerkrachten                       bestuur                            ouders
overheid

<——————–<<———————<<———————geldstroom

Op deze manier echter ontstaat geen gelede structuur, maar een pure driedeling waar financieel gezien de relaties wel erg simplistisch liggen.

Hoe zou dat beeld er dan wel uit moeten zien?

Allereerst moet gesteld worden, dat het de taak van de hele schoolgemeenschap is om met het geld binnen de school om te gaan.
Geestesleven en rechtsleven hebben ook belangrijke financiële aspecten.

Die gebieden worden als volgt verzorgd:

BEGROTING

inkomsten uit

* giften                                                          ———->  ONTWIKKELING
* subsidie                 ——–> SCHOOL   ———->  SALARISSEN
* ouderbijdragen                                        ———-> EXPLOITATIE, KOSTEN e.d.

De valkuil in deze opstelling is, dat heel eenvoudig de lijnen doorgetrokken worden:

giften————————————->  ONTWIKKELING
subsidie———————————->  SALARISSEN
ouderbijdragen————————–> EXPLOITATIE, KOSTEN e.d.

Men zou de inkomsten eigenlijk moeten scheiden in harde en zachte inkomsten:

Ook in de uitgaven zou een onderscheid gemaakt moeten worden in harde en zachte uitgaven. Welke uitgaven zijn onontbeerlijk, wélke zijn gewenst, maar niet echt noodzakelijk.

Ook hierbij moet er geen koppeling gemaakt worden tussen zaken als:

subsidie —————————————–> gesubsidieerde leerkrachten

ouderbijdrage ———————————-> ongesubsidieerde leerkrachten

Er moet juist van het geheel worden uitgegaan.

Ook wat betreft de post ontwikkeling is er zeker wel te spreken van ‘harde’ uitgaven. Met name de steun aan landelijke initiatieven of de financiering van een vrij jaar kunnen daartoe gerekend worden.

Kiest men voor een dergelijke opstelling, dan worden de ouders ook weer geactiveerd, doordat ze zich bij het geheel betrokken weten.

De leerkrachten zouden zich betrokken moeten voelen bij drie gebieden:

1. Ondernemerschap; de leerkracht moet zich ondernemer voelen in de school. Hij moet ook kennis hebben van de financiële situatie

2. Maatschapsgedachte; leerkrachten realiseren samen de vrijeschool, niet iedere leerkracht voor zich in zijn klas.

3. De inhoud van het onderwijs; in dit gebied moet er overleg zijn met de ouders, discussie is daar op zijn plaats.

Er is sprake van een associatieve relatie:

de ouders zien waarvoor ze betalen, de ouders voelen zich mee in ondernemersschap van de leerkracht betrokken.

Vraag: Wat wordt bedoeld met het associatieve aspect van de relatie ouders – leerkracht?

P.B. Je zou met de ouders moeten praten over de economie van de school. Dat is wat anders dan praten over geld. Daarin mag betrokken worden: wat heeft de leerkracht op pedagogisch gebied te bieden.
Het heeft veel meer te maken met het toetsen van de waarneming op economisch gebied, dan met het sturen van geldstromen.

Zo wordt het een oefening in driegeleding.

W. Veltman: Het is goed dat de neiging tot driedeling (in plaats van driegeleding) aan de kaak wordt gesteld.
Tenslotte is alles in de school een instituut van het geestesleven; de geledingen binnen de school hebben daarboven een bepaald drie-geleed aspect.

De woorden ‘ondernemer, associatie’ zijn haast te beladen als economisch begrip, om de lading te dekken die er eigenlijk aan gegeven wordt. Je zou eigenlijk nieuwe woorden moeten zoeken.

Het gaat erom dat men in de school elkaars verantwoording gaat voelen, dat moet de basis zijn voor associatie. Als tweede aspect komt dan pas het geldelijke om de hoek.

De school is nu eenmaal geen bedrijf; er worden geen “broodjes gebakken”, het gaat niet om “productverbetering”.

Vraag: Hoe behoud je de warme- of koude kwaliteit van het geld in de geldstroom in de school?

W. Veltman: Je moet in elk geval nooit koud en warm op één hoop vegen: dan krijg je lauw geld.

Als de schoolgemeenschap zich verantwoordelijk voor de gehele geldstroom voelt, dan krijgt die geldstroom als geheel een warm karakter.

Als de scholen die ontwikkelingsweg willen aangaan, dan kan het geld daarmede van zijn bedenkelijke kanten ontdaan worden.

Samenvatting: Kees Verhage, *nadere gegevens ontbreken

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

.
1723-1617

.

.