VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

.

A.C. Henny, Jonas 10,*16-01-1976

 

Intreerede van prof. dr. D. Brüll

Recht en wet in het licht van de driegeleding

Het aanhoren van een rede, uitgesproken door een hoogleraar in het belastingrecht, kan voor academisch niet ingewijde toehoorders, een moeizame beproeving zijn. Men hoeft maar te denken aan de intellectuele foltering, waarmee gewoonlijk het invullen van een belastingbiljet gepaard gaat. Denkt u zich eens in: dit ambtelijke labyrint nog eens in duplo verwetenschappelijkt. Een uur lang!

Voor veel toehoorders in de Lutherse kerk te Amsterdam was het dan ook op 8 december* een een verrassing te horen hoe Prof. Brüll bij zijn intreerede sprak over ‘Recht en Wet’. Wat hier vanaf de kansel klonk riep geen enkele herinnering meer op aan het ministerie van financiën, maar deed direct een beroep op de sociale mens in ons. Voor veel hooggeleerde juristen, in de voorste banken, niettemin interessant trapezewerk op het hoogste academische niveau!

Of zij het gewicht van dit ogenblik ook allen hebben beseft? Krachtens het recht om belasting te heffen, heeft de Nederlandse staat een machtsmiddel in handen ter verdeling van 50-60. procent van het nationaal inkomen. Want dat is het bedrag dat jaarlijks aan belastingen en heffingen wordt opgebracht. De inning en verdeling daarvan vindt plaats krachtens de wetten die door de uitvoerende en de wetgevende macht worden ontworpen en goedgekeurd volgens de spelregels van onze democratische rechtsorde.

Maar volgens deze zelfde spelregels mag de rechter ‘de innerlijke waarde’ van zo’n wet niet beoordelen. Hij mag niet bij zichzelf te rade gaan of hij zo’n wet wél of niet rechtvaardig acht en daarop zijn vonnis baseren. Hij mag zelfs de wet niet toetsen aan de grondwet, wat in de Verenigde Staten en in West-Duitsland de rechter wél mag doen. Bij ons schrijft zijn beroepsplicht hem voor zich bij de wet neer te leggen.

Dat is — gelukkig — niet het geval bij een hoogleraar in de rechtsgeleerdheid. Deze heeft in ons land nog de vrijheid iedere wet te toetsen aan het criterium van de rechtvaardigheid. In veel landen is dat reeds niet meer mogelijk. Daar mist een hoogleraar deze academische vrijheid.

Een hoogleraar in het belastingrecht draagt dus wel een verantwoordelijkheid bij de beoordeling van de machtsmiddelen waarmee de Staat de helft van het nationaal inkomen naar zich toe trekt en herverdeelt.

Vanuit deze situatie betuigde Brüll allereerst eerbied voor zijn leermeester, Prof. De Langen. Hij stond nu op diens plaats. De leerling neemt de fakkel over van de leraar en hij bouwt verder aan een stuk onvoltooid verleden. Dat betekent voor Brüll dat hij de belastingwetenschap niet wenst te zien als een ‘hogere beroepsschool voor uitgeslapen adviseurs en inspecteurs, maar als een klein onderdeel, als een hulpmiddel — zo u wilt — van de maatschappijwetenschap en het algemeen en van de rechtswetenschap in het bijzonder.’

Daarmee kreeg het probleem van ‘recht en wet’ een nieuwe belichting. Een probleem dat in de vorige eeuw vrijwel was doodgepraat, althans bedolven onder de last van bibliotheken vol rechtsfilosofie. Met de Neurenberger rassenwetten van Nazi-Duitsland werd het vraagstuk in deze eeuw weer actueel. ‘Recht ist was dem Volke nützt’, verklaarde Hitler. Daarmee was voor hem het vraagstuk van de moord op 6 miljoen joden ‘entgültig gelöst’. Maar juist daardoor is voor ons het rechts-vraagstuk ten nauwste verbonden geworden met het mensbeeld waarop het recht berust.

Rechtsgeleerdheid en mensbeeld

Machiavelli heeft verkondigd: ‘niemand kan een grondwet of wetten voor een republiek maken wanneer hij er niet van uitgaat dat de mens slecht is. Want de mensen zijn van nature slecht en doen alleen hun plicht wanneer zij daartoe gedwongen zijn’. Op déze filosofie berust in onze ‘vrije westerse wereld’ over het algemeen nog steeds de ‘burgerlijke’ ethiek van de ‘kleine man’. Daartegenover staat de filosofie van de ‘onvrije wereld’ achter het IJzeren Gordijn: de mens is van nature goed maar wordt gecorrumpeerd door de eigendomsverhoudingen in de maatschappij. Deze, aan Rousseau ontleende opvatting, is door Marx en Lenin ‘verwetenschappelijkt’ en tot staatsfilosofie gemaakt. De mens is in wezen sociaal. ‘Mocht de werkelijkheid er anders uitzien’, aldus Brüll ‘des te erger voor de werkelijkheid, de theorie zal hem dan, met behulp van werkkampen, wel maken… ’ Deze anti-these tussen twee geloofsovertuigingen — de mens is van nature slecht en dus onsociaal, en de mens is van nature goed en dus sociaal — is in hoge mate onvruchtbaar omdat zij problemen stelt die krachtens hun natuur onoplosbaar zijn. Vandaar dat wij thans zitten opgescheept met een aantal polarisaties die de mensheid verdeeld houdt in twee vijandige kampen — van ‘rechts’ en ‘links’ — met daartussen een zich steeds verder uitbreidend niemandsland, waar iedere toenadering tussen mensen tot onvruchtbaarheid is gedoemd.

Met dit onvruchtbaar dualisme rekent Brüll af. Het probleem dat hij stelt is niet: is de mens van nature onsociaal of sociaal, maar: waar is de mens van nature onsociaal, en waar is hij van nature sociaal? Daarmee opent hij een ontwikkelingsweg naar sociale vaardigheid. Dat hiermee ook nieuwe per-spektieven worden geopend voor de huidige rechtsgeleerdheid, zou haast vanzelfsprekend kunnen zijn, wanneer niet het labyrint van kronkelwegen dezer rechtsgeleerdheid zó ondoorzichtig was geworden, dat daardoor ieder verband tussen de begrippen ‘rechtvaardig’ en ‘sociaal’ is zoek geraakt.

Anti-sociaal en a-sociaal

Brüll stelt nu het probleem als volgt: ‘Als biologisch wezen kan de mens niet anders dan anti-sociaal zijn… Reeds door de noodzaak te eten, te drinken, zich te kleden, behuizing te zoeken, zijn wij ertoe veroordeeld anti-sociaal te zijn: wat ik consumeer staat anderen niet meer ter beschikking.’
Dit levert op zichzelf geen probleem op ‘gezien de gulheid van de natuur’. Het probleem ontstaat wanneer de mens zijn consumptie uitbreidt naar ‘het oeverloze rijk van de psychologisch bepaalde behoeften en begeerten’.

‘Dit streven leidt er toe, dat men niet alleen van wat de natuur biedt een zo groot mogelijk stuk naar zich toe schraapt doch tevens de medemens als object gaat zien, die ik uit kan buiten door hem te dwingen voor mijn begeertebevrediging te werken. Als wij door de geldsluier heen kijken, dan betekent dit, dat wie vijfmaal het gemiddelde inkomen verdient, grosso modo vijf gemiddelde mensen voor zich laat werken. Wij kennen het verschijnsel maar wij weten eveneens, dat de mens boven het biologisch minimum – pathologische gevallen daargelaten — tot deze gedragswijze door zijn psyche geenszins gedwongen is.’

Tegenover de anti-sociale mens, stelt Brüll de a-sociale mens.

‘In ieder mens leeft de wil om zich te ontplooien te ontwikkelen, dat wil zeggen om hetgeen als aanleg, als gave, als kiem in hem leeft, tot bloei te brengen… Een veroveringstocht: om waarheid, om inzicht, om vaardigheid. Zij onderscheidt zich evenwel van de economische op maatschappelijk kritische wijze: anders dan deze neemt zij aan de medemens niets weg… Het terrein dat hier ontstaat is het geestesleven van de mensheid. Het proces, waarbij de mens zich van bepaalde reeds bestaande samenhangen bewust wordt… is a-sociaal, dat wil zeggen dat de hier bedoelde verovering slechts kan plaatsvinden door zich van de medemens af te sluiten. Als ik een optelsom maak, en iemand zoekt sociaal contact met mij, dan ondervind ik dat als ‘storing’ en ik sta voor de keuze om óf a-sociaal te zijn en de stoorvogel weg te wuiven, óf mijn poging om het onbekende resultaat te weten te komen op te geven respectievelijk op te schorten. Beide tegelijk gaat niet.’

Ook dit van nature a-sociale gedrag behoeft geen maatschappelijk probleem op te roepen, ware het niet dat de mens niet alleen zijn geestelijke horizon wil verruimen maar ook wil getuigen van de ontdekte waarheid. Hij wil zelfs overtuigen en maar al te vaak… opdringen.

‘Hij wil met zijn waarheid de hele mensheid gelukkig maken en andere heersende waarheden uitroeien… Met een vaak tot terreur leidende intolerantie wordt de eigen waarheid desnoods via hersenspoeling aan de medemens opgedrongen.’

Sociale driegeleding

Tussen deze natuurlijke polariteiten – in het economisch leven anti-sociaal, in het geestesleven a-sociaal – staat de sociale kracht in de mens.

‘Zij wordt door de kapitalistisch-darwinistische ideologie en haar wetenschappelijke aanhang absolutistisch zelfs als mogelijkheid ontkend (‘de mens is een uitsluitend uit eigenbelang handelend wezen’) – even ten onrechte als de marxistisch-communistische ideologie haar verabsoluteert: de mens is van nature sociaal, alleen door de eigendomsverhoudingen onsociaal geworden. Juist is, dat de mens een a-sociaal én een anti-sociaal wezen moet zijn door de noodzaak zich te ontwikkelen en zich te voeden. Juist is ook, dat hij zelf deze tendenzen kan inperken. En juist is tenslotte, dat de mens geen sociaal wezen moet, daarentegen wel degelijk kan zijn.’

Tussen de anti-sociale mens in het economisch leven en de a-sociale mens in het geestesleven, liggen de mogelijkheden in het rechtsleven, waarbinnen ‘als totaliteit de noden en de behoeften van de (mede)mens wel degelijk tot motief van handelen worden gemaakt, zeer in het bijzonder in de wetgeving.’ Want door de wet kunnen grenzen worden gesteld, tussen anti-sociaal en sociaal gedrag enerzijds, tussen a-sociaal en sociaal gedrag anderzijds.

Zo verschijnt een sociale driegeleding en wel vanuit de mens die met zijn sociale krachten tussen anti-sociale en a-sociale tendenzen staat.

‘Vanhieruit verschijnt de samenleving als een rechtsprobleem: hoe ver mogen en moeten wij de schrapende en de gelijkhebberige mens – in ons, in de maatschappij – zijn gang laten gaan? Vanhieruit stelt zich de rechtstaak, niet om alle gebieden onder de hoede van de staat te brengen, doch om aan het economisch leven die middelen te ontnemen, die uitbuiting van mens door mens eerst mogelijk maken: het door het economisch leven geüsurpeerde recht om arbeid, grond en productiemiddelen als waren te behandelen. De taak tevens, om aan het geestesleven die rechten te geven, die de staat noodzakelijkerwijs aan de kerk heeft ontnomen, maar in gebreke is gebleven aan de rechthebbenden terug te geven: de volstrekte vrijheid om eigen overtuiging binnen het geestesleven op therapeutisch, pedagogisch, wetenschappelijk, informatief etc. vlak — uit te dragen’.

De wet en het natuurrecht

Eeuwen lang hebben de juristen zich beziggehouden met de vraag in hoeverre de wet een uitvloeisel is van het natuurrecht.

Reeds Thomas van Aquino stelde tegenover de ‘lex humana’ de ‘lex naturalis’. Daarbij bouwde hij voort op de eeuwenoude erfenis van de Romeinse juristen. De wet, waarin men kan terugvinden alle menselijke tekorten. Het natuurrecht als afspiegeling van eeuwig geldende waarden en normen, voor alle tijden, voor alle volken. Eens werd deze afgelezen uit de wil der goden, uit de samenhang tussen mens en kosmos – een Grieks woord dat orde betekent -. Sinds dit verband verloren is gegaan, sinds de stem der goden en ook de Openbaring uit de Heilige Schrift niet meer doordringt in de chaos van de samenleving, zijn de discussies over het ‘natuurrecht’ steeds verder van de sociale werkelijkheid vervreemd geraakt.

Prof. Brüll heeft het aangedurfd het vraagstuk van natuurrecht en wet opnieuw aan de orde te stellen vanuit een drieledige maatschappijstructuur. Ditmaal als een vraagstuk, waarmee onze belastingwetgeving wordt geconfronteerd. Daarmee is ook ter discussie gesteld, de competentie van de Staat, die als machtsapparaat vervreemd is geraakt van zijn eigenlijke rechtsbasis.

Er is moed voor nodig om een dergelijk gigantisch probleem opnieuw te stellen, en wel vanuit een zo gespecialiseerde hoek als dat van het belastingrecht. Het lijkt mij belangrijk hier nog eens op te wijzen, na de bestudering van deze intreerede, een rede waarbij zowel aan de sociale driegeleding als aan het levenswerk van Rudolf Steincr vanuit een eigen overtuiging werd recht gedaan. Hoe ver zal de golfslag die deze steen in een vijver heeft teweeggebracht, zich buiten de universiteit uitbreiden?

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1750

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.