Categorie archief: niet-nederlandse talen

VRIJESCHOOL – 3e klas – Engels

.

HET VERHAAL VAN DE PANNENKOEK

Een impressie uit het vak Engels

Er was eens een derde klas die veel van de Engelse taal hield. Met veel plezier spraken de jongens en meisjes van deze klas de Engelse gedichtjes, zongen de Engelse liedjes en speelden met overgave de kleine Engelse spelletjes.

In de loop van de 3e klas leerden ze de namen van de verschillende vruchten kennen, ze maakten samen een ‘fruit-salad’ klaar en ze maakten voor het eerst kennis met een ‘pancake’. Deze ‘pancake’ stapte hun leven binnen, toen ze in een derde vakles al wat honger begonnen te krijgen. De Engelse juf voelde dat haar maag net zo leeg was als die van de leerlingen en zij droomde net zoals de haar toevertrouwde jongens en meisjes van lekker middageten, ja van een mooie, grote ‘pancake’.
Ook al lag zo’n pannenkoek niet lekker vers gebakken op een bord, dan moest deze toch op z’n minst maar gefantaseerd worden.

»Mix a pancake,
stir a pancake,
pop it in the pan;
fry a pancake,
toss a pancake,
catch it if you can.«

Het rijmpje toverde de mooiste, grootste, lekkerste pannenkoeken in het lokaal van de 3e klas. Zoveel koks en kokkinnen waren daar nog nooit binnengeweest. Er werd met de koekenpannen gezwaaid en de pannenkoeken draaiden in de lucht. [*]

Het plezier bij het pannenkoekenbakken werd zo groot, dat de lerares voor het overweldigende enthousiasme van haar leerlingen een verhaal moest bedenken om de overijverige koks en kokkinnen weer een beetje tot rust te laten komen. Wat lag er meer voor de hand dan het verhaal van de pannenkoek te vertellen.

THE PANCAKE

»A big fat cook made a big fat pancake. Near the cook were seven hungry little boys. >We like big round pancakes, Mr. Cook,< said all the little boys. >This pancake will be good to eat<, said the cook.

niet Nederlandse talen   Engels pancake

But the pancake in the pan said: >1 will not, not, not be eaten.<

So the big round pancake gave a hop. The pancake gave a jump. And off he rolled out of the pan. Mr. Pancake rolled round and round and round. And oh! so very, very fast. >Stop! Stop! Mr. Pancake!< said the cook.

But the pancake rolled faster and faster. Then the big fat cook began to run after the pancake.

>Stop! Stop!< said all the little boys. But the pancake rolled faster and faster.

Then all the little boys began to ran.

The pancake met a little man. >Stop, pancake, stop! I am hungry! I want to eat you!< said the little man. >The cook can’t stop me. The boys can’t stop me. You can’t stop me<, said the pancake and rolled faster and faster.

Then the little man began to run.

The pancake met a cock **]. >Stop, pancake, stop! I am very hungry! I want to eat you!< said the cock. >The cook can’t stop me. The boys can’t stop me. The man can’t stop me. You can’t stop me<. And the pancake rolled faster than ever.

Then the cock began to run.

The pancake met a duck. >Stop, pancake, stop! I am very, very hungry! I want to eat you<, said the duck. >The cook can’t stop me. The boys can’t stop me. The man can’t stop me. The cock can’t stop me. You can’t stop me.< And the pancake rolled faster and faster.

The pancake met a pig. >Why do you run so fast?< said the pig. >Can’t you see?< The cook, the boys, the man, the cock and the duck, all want to eat me.<

>That ist too bad. I will run with you,< said the pig. So the pig and the pancake went on and on and on. They came to a wide pond. >1 can’t swim<, said the pancake. >1 can<, said the pig. >Jump upon my nose and I will take you across.<
So the pancake jumped upon the pig’s nose. The pig gave a big grunt. And snip! snap! he ate up the big round pancake.

Yes, the pig ate up every bit.«

Dit verhaal werd in de daarop volgende weken nog vaak verteld; steeds meer leerlingen gingen meespreken, tot ze allemaal de tekst volledig, foutloos, uit hun hoofd kenden. Het werd helemaal gespeeld, voor de ouders opgevoerd en ten tonele gebracht op het maandelijkse schoolfeest. Maar daarmee was hun enthousiasme voor het pannenkoekenverhaal nog niet weggeëbd: aan het eind van het schooljaar zorgden de kinderen voor een bijzondere verrassing voor hun ouders, aan wie het enthousiasme voor de pannenkoek niet ontgaan was. Ze schreven en tekenden een prentenboek over de pannenkoek – zo mooi als ze konden.
Toen de kinderen in het begin van de 4e klas van hun Engelse lerares een boek [1] kregen, met daarin de tekst van ‘the pancake’, begroetten ze hun oude bekende met veel plezier en ze konden doordat ze al vertrouwd waren met de tekst, deze zonder fouten lezen – een bemoedigende ervaring!

Chrisl Schultz, Erziehungskunst jrg.58 7/8-1994 (blz.712)

[1]The pancake, James H. Fasset. Ill. by Ernest Shepard. |
Pädagogische Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschulen, Stuttgart 1992.

**in de uitgave staat ‘hen’
[*] Ik deed dit vaak in de 2e klas. Met een echte koekenpan, met een passend stukje gele vloerbedekking als pannenkoek. Voor de kinderen nog een hele toer om de pannenkoek op te gooien en op te vangen, met de onderkant boven.
Het was altijd, lange tijd een succesnummer. En heel goed voor de motoriek, natuurlijk.

wil je ook de overige illustraties zien:
mail naar: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

1120-1041

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Engels in verschillende klassen

.

Vanaf de start van de vrijeschool in Duitsland werden er al vanaf klas 1 ‘vreemde’ talen gegeven.
Ikzelf spreek liever van ‘niet-Nederlandse talen’, daarmee vermijdend dat een niet-Nederlandse taal ‘vreemd’ gevonden zou worden. Anders, dat wel – maar niet vreemd.

Eén van de eerste leerkrachten aan de eerste vrijeschool in Nederland, in Den Haag, H.Janssen van Raay, schreef een artikel over het vak Engels door de jaren heen, met de nadruk op klas 1, 4, 7, 8, 9 en 12
De schoolkrant van de Haagse school heette toen ‘Ostara’. Ook al is het artikel meer dan 80 jaar! oud, het zou ook vandaag* geschreven kunnen zijn, ware het niet dat stijl en spelling een ver verleden verraden.

UIT DE ENGELSCHE UREN!

Een belangrijk en interessant deel van hun leven brengen de kinderen door in de school.
In arbeid en inspanning, in vreugde en leed, in geven en nemen, ontwikkelen, ontplooien zij zich. Zij moeten zich veroveren een kunnen en een kennen, een weten en een begrijpen, een vreugdigen eerbied voor het schoone der aarde, een medevoelend verstaan van het verkeerde en een oprechten wil om zich te scharen onder de strijders in dienst der menschheidsontwikkeling.

Groote wendingen maakt het wezen van het kind door in zijn ontwikkeling gedurende de schooljaren, telkens vertoont het zich op andere wijze, telkens stelt het andere eischen.
Het onderwijs moet dus evenzoo bewegelijk zijn en zich telkens kunnen voegen en keeren al naar de ontwikkelingsphase van het kind.

Een eenvoudig voorbeeld moge hier gegeven worden uit het onderwijs in het Engelsch.

Hoe behandelen we de werkwoorden door de rij van leerjaren?

We hebben een Engelsch uurtje in een 1ste of 2de klas.

Een gedichtje gaan we voorbereiden en tegelijkertijd den kinderen het verstaan en hanteeren van een paar werkwoorden aanbrengen.

In the heart of a seed,
Buried deep, so deep,
A little plant lay fast asleep.
Wake! said the sunshine,
And creep to the light!
Wake! said the voice of the raindrop bright. etc.

De woorden uit het eerste coupletje kennen ze al: ze teekenden zelf op het bord de dichte, donkere aarde, waar het kleine zaadje, met het slapende plantje, diep in begraven lag.

Allemaal kruipen ze nu in elkaar en onder de banken, plantjes zijn ze geworden „fast asleep” in een zaadje. De meisjes trekken hun rokjes over het hoofd.

Fluisterend vraag ik: — Lida, do you sleep? en het antwoord komt: — Yes, I sleep. De heele klas fluistert samen: —. She sleeps.

— Dit kunnen we bij verschillende kinderen herhalen, want kinderen léven in de herhaling en als een spelletje eens prettig gevonden is door de kleintjes, dan kan men het nooit genoeg herhalen.

Dan zetten we er één op de tafel, om flink hoog te zijn; een stralen-hoedje van goudpapier toont duidelijk, dat hij de zon is, en met luide stem roept hij dan ook:

— Wake, and creep to the light!

Een regendrupje, staande op de achterste bank, roept tegelijkertijd: — Wake, wake!

Nu begint het onder de banken te krioelen van ontwakende plantjes, die den weg naar het licht zoeken. En ik vraag: — Every plant awake?

— Yes, we are awake!

Dan wordt dezelfde vraag nog aan verschillende leerlingen apart gesteld, waarop telkens het antwoord, I am awake, door de klas ensemble herhaald wordt in de vormen: You are awake, of She is awake.

Nu kruipen ze allen uit hun duistere schuilhoekjes de zon tegemoet, die nog steeds roept: Creep to the light!

Waarop het werkwoord to creep aan de beurt is en op dezelfde wijze behandeld wordt.

Kennen ze alle werkwoorden uit het gedichtje, weten ze de werkwoorden zoo in kleine zinnetjes, waarmee natuurlijk eerst geholpen is, te gebruiken, dan reciteeren we het rhythmisch en leeren het al spelende.

Dit is de grondslag; hierop wordt later voortgebouwd. Wat is er n.l. gebeurd?

Het hooren en spreken is verbonden met het doen: in het geheele lichaam is het werkwoord opgenomen door het bewegen, het spelen. Het hoofd, het denken heeft er zich nog maar heel even mee beziggehouden, slechts door middel van de fantasie; het rhythmisch systeem was er al wat meer mee verbonden, n.l. door de vreugde, waarmee het kind in het spelen leefde; doch de ledematen waren er geheel door in beslag genomen en zijn er nu mee vervuld: zij hebben het werkwoord en zijn vormveranderingen leeren kennen en begrijpen.

In de 4de klasse wordt begonnen met de grammatica.

Dat klinkt heel straf, maar zoo erg is het niet. Want nog zijn de kinderen niet op dien leeftijd, dat men aan het bewuste denken kan appelleeren.

‘De leerlingen kunnen nu al kleine vertellingen in het Engelsch verstaan en moeten zelf een weg gaan vinden in het proza.
Ze zijn nu in- of reeds dóór den overgang van het 9de jaar en staan voor het eerst met een bewuste belangstelling tegenover het leven op aarde.

Een heerlijk wijd arbeidsveld bieden ons de verschillende ambachten.

De klas is een smidse, onder het bord brandt een vuur, de banken zijn aambeelden en allen zijn aan het smeden. Of we zijn in een tuin en helpen den tuinman. Ieder verzint een werkje, dat hij in een tuin kan doen. Zelfs de luiaard, die in het gras wil liggen slapen, krijgt zijn zin. Maar we leeren alle werkwoorden en ieder moet zijn eigen werkje in het Engelsch leeren zeggen. Nu stellen we er samen een eenvoudig prozastukje van op, bijv.:

What are we to do in the garden? One is raking the path; Mary gathers the roses, etc.

Tot zoover zijn we dus weer uitgegaan van het doen: doch nu nemen we een werkwoord er uit, d.w.z. één der kinderen komt voor de klas en mag zijn eigen werkje voordoen waarbij hij het noemt: I mow (the grass). De klas herhaalt: You mow; een ander loopt voorbij, ziet wat de eerste doet en zegt: he mows. Zoo komen we tot alle vormen van den tegenwoordigen tijd. Nu wordt de heele tijd klassikaal en in een streng rhythme gereciteerd. Bij het volgende werkwoord behoeven we de brug over het voordoen niet meer; maar, voor we het kleine prozastukje opschrijven, — want in deze klas beginnen we ook met het schrijven van de vreemde talen —, reciteeren we alle werkwoorden, die er in voorkomen.

De volgende les brengt dan van zelf den verleden tijd met de vraag: What did we do last time?

Uit het stofwisseling-ledematen-systeem, dat we voornamelijk gebruikten in de eerste leerjaren, zijn we nu gekomen tot het rhythmisch systeem, waaraan we appelleeren, niet meer alleen door vreugde en leed, die het kind in de klas bij het spelen ondervindt, maar ook door het bewust reciteeren van de werkwoordsvormen op velerlei wijzen. Het kennen, begrijpen en gebruiken der werkwoorden gaat dus nu ook over het rhythmisch systeem.

In de 7de en 8ste klassen kunnen we langzamerhand appelleeren aan het denken. De vragen: „welke werkwoorden zijn regelmatig, welke onregelmatig?” of „hoe wordt de verleden tijd gevormd?” komen aan de orde, nu de kinderen ze in het gebruik al kennen.

Beginnend bijvoorbeeld bij de onregelmatige werkwoorden, die de oudste zijn, gaan we schilderen den vorm van het werkwoord, zooals zij is in den tegenwoordigen tijd in een actieve kleur en vorm, – bijvoorbeeld een sterfiguur in licht rood —. Dan als ’t droog is, schilderen we er een violetten of blauwen sluier overheen, den sluier van het verleden, en we zien dat de kleur van rood tot paars verandert, zoo verandert ook de heldere kleur van de i (ai), in to rise in de meer gesloten o van rose, en de o van to draw in de doffe oe van drew.

We schilderen daarna, hoe bij de regelmatige werkwoorden die nieuwer zijn, d.w.z. later ontstaan en nog steeds ontstaan, de sluier van’het verleden niet meer zoo’n macht heeft, niet meer zoo ingrijpend werkt, maar eerder licht over den stam heen glijdt, nu echter hierdoor gegrepen wordt en een slipje achterlaat: to work – workcd.
— Immers toen de spraak nog aan ’t ontstaan was en de verschillende woorden nog moesten worden gevormd, worstelde de menseh om met de taal uit te drukken, wat hij meende, en schiep, met alle kracht van zijn nog ontluikend bewustzijn, in de klankformaties zich te doen verstaan. Vanzelf werden de vormveranderingen ingrijpender.

Tegenwoordig spreken we haast mechanisch en gebruiken onwillekeurig de eenvoudigste wijzen om de nieuw ontstaande woorden aan de taal aan te passen.
Ook bij het gebruik van de verschillende tijden kunnen we beelden geven, die geteekend of geschilderd worden. Men kan bijv. de progressive form, die een durende werking aangeeft, voorstellen door geleidelijke lijnen, in een passieve kleur: deze worden dan plotseling doorbroken door een of andere actieve figuur: den verleden tijd, die het onmiddellijk gebeuren aangeeft.

„I was writing a letter, when he entered.”

Natuurlijk blijft men nog steeds gebruik maken van het reciteeren.

Doch door het vinden van beelden komt men het ontwakend denken tegemoet en men dwingt het niet onmiddellijk in abstracte begrippen, zoodat het zich vrij kan ontwikkelen.

In de 9de klas staat de grammatica als hoofdzaak in het leerplan.
De kinderen zijn nu ongeveer 15 jaar, de puberteit gepasseerd en vol geïnteresseerd in het leven op aarde: ze voelen zich of ze de aarde gevonden hebben en haar zoo snel mogelijk moeten veroveren : en wenschen zich nu ook gauw thuis te gevoelen in de maatschappij en haar techniek.

Veel belangstelling voor poëzie is er niet meer en nog niet. In de talen willen ze nu ook met hun denken houvast krijgen en vinden daarvoor in de grammatica gelegenheid.
Uit de taal worden de regels gedestilleerd, opgeschreven en geleerd. Zelf moeten ze telkens weer voorbeelden en uitzonderingen vinden.
Van alle verschillende vormen en gebruikswijzen geven ze zich nu rekenschap, logisch en exact denken voert hen tot het skelet van de taal: de grammatica.

In de hoogste klassen houden we ons bezig met de taal der groote dichters en schrijvers van alle eeuwen, we bestudeeren Shakespeare, poetiek, metriek, etc.

Dan valt er tot slot nog te leeren hoe de verschillende werkwoorden gebruikt worden. Hoe de beteekenis verandert door het figuurlijk gebruik, door een overmatige accentueering, enz. Hoe sommige werkwoorden veel gebruikt zullen worden in het epos, hoe hun synoniemen zich meer leenen voor de lyriek. En wonderlijk is het dan te vinden, hoe deze verschillen in beteekenis, in gebruik ten nauwste samenhangen met de klanken, waaruit de woorden zijn opgebouwd, hoe bijv. woorden met veel vocalen in de lyriek graag gewild zijn, terwijl de sterk consonantische woorden beter te gebruiken zijn in het epos.

Zoo zijn we dus eigenlijk weer terug gekomen tot het luisteren naar de klanken, hetzelfde wat gedaan wordt in de eerste klassen. Waar we toen luisterden zonder het bewustzijn, maar met het lichaam in het doen, trachten we nu met ons bewustzijn te luisteren naar wat de klanken en hun samenstellingen ons willen openbaren uit het Oerwezen der menschheid.

Behandelt men op een dergelijke wijze ook de verschillende andere elementen van de taal, dan heeft in den loop van zijn ontwikkeling zoo het geheele wezen van het kind zich ermee kunnen verbinden en hiermee de gelegenheid gekregen zich voor haar te interesseeren en zich haar eigen te maken zoover als persoonlijke aanleg dit toestond.

H. JANSSEN VAN RAAY, Ostara 3e jrg. 5/6-okt.1930
.

*Dat het in de bovenbouw (9 t/m 12) om wat voor redenen dan ook anders toegaat, blijft hier buiten beschouwing.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

1113-1034

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits

Enkele gedichtjes die in de kersttijd kunnen worden gebruikt in de Duitse les:

Klas 1, 2, 3:

Es leuchten die Kerzlein,
es freut sich mein Herzlein.
Die Kerzen sind Augen vom Christkindlein
und leuchten in mein Herz hinein.

0-0-0

Ich schaue in das Licht.
Das fromme Glanzen spricht:
Du stammst vom Gottessein,
von ihm kommt aller Schein.

Ich strebe in die Höh,
wenn ich das Kerzlein seh,
erinnert mich die Flamme,
dass ich vom Himmel stamme.

0-0-0

Liebes Kerzlein, halte still,
weil ich dich bewundern will.
Kerze ist der feste FuB
drauf das Lichtlein ruhen muB.

Sorg nur, daB es grade steh.
’s Lichtlein deutet in die Höh.
Liebes Kerzlein, flackre nicht,
sei mein gutes, stilles Licht.

Vanaf klas 3, 4:

Das Licht strahlt durch die ganze Welt
und alles erwarmt und durchstrahlt und erhellt.
Es strömt und warmt, immer schenken mag,z
als Sterne bei Nacht, als Sonne bei Tag.
Das Licht laBt mich sinnen und denken:
wie kann auch ich andern schenken?

0-0-0

(of ouder)

Feuer gibt dem Licht die Kraft,
das gezähmte Leidenschaft.
Wilde Flamme viel vernieht’,
Ruhe strömt das edle Licht.

Dieser Zwiespalt wie bekannt
ist’s dem Menschen, urverwandt.
Denn im Menschen ungeheuer
Tief verborgen lebt das Feuer.
Ob es heilt, ob es verletzt,
ist in unsre Kraft gesetzt.

0-0-0

Eine Kerze sah den Sonnenschein
und sprach: „Ich leuchte mir allein.
Ich brauche andre Sonnen nicht.
Seht her, ich habe eignes Licht.”

Daneben eine Kerze stand,
die eine andre Antwort fand:
„Eignes Feuer hab ich nicht,
ich stamme von dem einen Licht.
Und leuchtet mir der Sonnenschein,
dann will die Kerze ausgelöscht sein.
Mein Leuchten nachts im Dunkien spricht
als Zeichen von dem groBen Licht.”

So lebten sie und dachten
und leuchteten und wachten.

Und in dem Menschenherzen
gibt’s auch die beiden Kerzen.
.

Elisabeth Klein, der Elternbrief 11-1966

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

958-887

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits – lagere klassen (3-2)

De jaarfeesten bieden een prachtige gelegenheid om de leerlingen kennis te laten maken met wat zo karakteristiek is voor een andere taal. Zo zullen er rond Kerstmis in vrijwel alle klassen ‘Christmas carrols’ gezongen worden – zo typisch Engels.

Maar ook de andere talen hebben hun specifieke jaarfeestenliederen en gedichten. Soms traditioneel, soms ook recent gemaakt.

Voor het Duits is het werk van Hedwig Diestel en Norbert Thomsen erg waardevol.

PASEN

Oster-Gedicht

Der Hase kommt! Seid alle still,
Ihr Kinder, haltet Ruh’!
Weil er euch überraschen will,
macht eure Augen zu!

Er hüpft zum Neste in der Nacht,
Springt fort in schnellem Lauf.
Was hat er schönes mitgebracht?
Macht eure Augen auf!

Hedwig Diestel

Voor de 1e klas een heerlijk spelletje. Wanneer je een klein ‘hazenmaskertje’ hebt, met de oren, voelt ieder kind dat ‘m mag zijn, zich een echte haas.
Hij komt ergens uit een hoekje van de klas vandaan; alle kinderen hebben hun ogen dicht en of hun hoofd op tafel, verstopt in hun armen.
‘Hoor je wel, waar hij hupt?’
De haas heeft enkele voorwerpjes bij zich die hij ergens op een tafeltje neerlegt en gaat er dan vlug vandoor – heerlijk voor de kinderen die graag bewegen of veel beweging nodig hebben. De voorwerpjes moeten door de kinderen in het Duits benoemd worden: ‘Was hast du bekommen?” –“Ich habe einen Ball bekommen.” Enz.
Maar ook: ‘Was hat der Hase dir gebracht?’, zodat ook het spreken weer geoefend wordt.

Een pentatonisch paasliedje van Norbert Thomsen:

Duits paasliedje

bij ‘Ewigkeit’ – de 2 g’s – staat als muzikale aanwijzing: iets vertragen, gevolgd door ‘a tempo’ – evenzo bij  ‘der’ (Christ) en ‘Herrscher’

Osterlied

Willkommen sei die fröhlich Zeit,
uns zu begehn in Ewigkeit,
die Hölle überwand der Christ,
und nun im Himmel Herrscher ist.

Wie ist die Welt uns schön erneut!
Die Erde sich im Innern freut,
dass der Herr aller Gnaden Gab
vom Himmel hat gebracht herab.

Denn da er in die Erde kam
seins Wesens Kraft er mit sich nahm
und hat erneut durch seine Gewalt
so Stein und Meer, so Feld und Wald

(woorden: volks)
.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

790-725

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen (1-0)

Algemene doelstelling:


Gevoel voor het eigene van de taal te ontwikkelen door rechtstreekse beleving.

  • gedichten, rijmpjes, verhalen etc.
  • poëzie en proza
  • grammatica
  • literatuur
  • woordvormen en zinsbouw
  • schrijven van brieven
  • poëtica en metriek

Leerplan

Doel van het niet-Nederlandse talen onderwijs op de vrijeschool is het beweeglijk houden van het beeldend vermogen en van het denken, doordat je in het moderne talenonderwijs een gewoonte van de patronen van de moedertaal doorbreekt. Zielennuances, die binnen de andere taal leven, komen het innerlijk van de kinderen verrijken. Zo bezien zijn de moderne talen van groot pedagogisch, mensvormend belang.

Het eigene van onze methode is, dat we de taal als een kunstwerk willen beschouwen en daardoor in onze lessen de taal als een totaliteit aanbieden. Dat betekent in de praktijk, dat de kinderen eerst de andere taal leren spreken.
Pas in hogere klassen (4e, 5e, 6e enz.) wordt de taal ook analyserend, denkend benaderd.

Van belang is het in de klas kunstzinnig bezig te zijn. Via de fantasie en het ritme wordt geprobeerd om het kunstmatige van het bijbrengen van een taal zo veel mogelijk te ondervangen. Zo jong met andere talen beginnen heeft het voordeel dat een brede basis kan worden gelegd en een diepe band met de talen ontstaat, die een gunstige invloed heeft op het begrijpen van de taal.
Er wordt intensief gebruik gemaakt van het feit, dat jonge kinderen vanuit hun nabootsingsgedrag graag en snel in de stroom van een andere taal, dan hun moedertaal, mee bewegen.

De leraar zal zoveel mogelijk van meet af aan in de andere taal tot de kinderen spreken. Met “verklarende” gebaren ondersteunt hij zijn woorden. De kinderen leren spreken door imitatie, zowel klassikaal als ook groepsgewijs en individueel. Er wordt zo min mogelijk vertaald.

Bij de opbouw van de lessen zullen de volgende gedeelten aan bod komen: spreekoefeningen – gedichten – spelletjes – opdrachten – toneelstukjes – verhalen -liederen.

In de hogere klassen teksten om te schrijven en te lezen.

Op veel vrijescholen krijgen de leerlingen vanaf de 1e klas 2 talen, meestal Duits en Engels.

Klas 1 en 2
Tellen, dagen, maanden kleuren, seizoen, voorwerpen in de klas, lichaamsdelen, kleding, voedsel, weer, huis en school worden geïntroduceerd middels spelletjes, rijmpjes en opdrachten.

Klas 3
Toegevoegd worden: beroepen in woord en gebaar                                      volksliedjes e.d.; begrippen uit de wijdere omgeving, vraag en antwoord opdrachten, dialogen, spreekoefeningen.

Klas 4
Men maakt een begin met het overschrijven van reeds bekende gedichten en woorden. Gelezen worden uitsluitend die teksten die eerst (in de eerste 3 klassen) mondeling aan de orde waren.
Een eerste begin kan gemaakt worden met grammatica aangeknoopt bij gesproken taal. B.v. werkwoordsvormen, vervoegingen.

Klas 5
Onbekende eenvoudige teksten worden gelezen, vervolg grammatica, gezamenlijk vinden we korte opstelletjes, briefjes, anekdotes, raadsels, data.

Klas 6
Grammatica voortzetten, aandacht besteden aan zinsbouw.
Toevoegen spreekwoorden, bank, geldverkeer etc; spreekbeurten laten houden over zelf gekozen onderwerpen. Leesboeken kunnen worden ingevoerd.

Klas 7
Grammaticale regels uit het hoofd leren, grote gedichten, balladen, zelf schrift vormen van kleine opstellen en brieven, globaal vertalen; land- en volkenkunde, gebruiken en gewoonten.

Deutsche Sprachlehre der Volksschulzeit, van Martin Tittmann
Vertaling op deze blog
Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfcchulen.
Dritte Abteilung von E.A. Karl Stockmeyer.

Fremdsprachen in der Waldorfschule, Johannes Kiersch

Die Praxis des Fremdsprachenunterrichts an der Waldorfschule, Alain Denjean

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule
.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

770-705

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans (1-3)

.
J.M. in Ostara 3e jrg. 5/6-okt.1930
.

HET FRANSCH IN DE LAGERE KLASSEN
.

De spelling met -sch- heb ik laten staan: het is een artikeltje uit 1930!

De schookrant van de vrijeschool Den Haag heette toen “Ostara”.

Opvattingen en praktijk doen absoluut niet gedateerd aan!

‘Homines enim formamus, non psittacos.”
( “wij vormen immers mensen, geen papegaaien”.)
 Comenius ~ Didactica magna.

Daar het onderwijs in de moderne talen, indien het op de juiste wijze gegeven wordt, krachtig kan meehelpen, de ontwikkelings­mogelijkheden van den mensch tot volle ontplooiing te brengen, en het tevens den wordenden mensch in staat stelt, bewuster in de hem omringende menschheïd te staan, heeft Rudolf Steiner het een zeer belangrijke plaats in zijn paedagogie toegewezen.

Zijn kennis van de vormingsphasen van het kind noodzaakte hem, ook op dit gebied met alle conventioneele sleur te breken en het taal­onderwijs grondig te hervormen.

Zoo oordeelde hij het buitengewoon gewichtig, om den fantasierijken nabootsingsdrang en de plasticiteit der spraakorganen, die het kind na het tandenwisselen nog tot zijn negende, tiende jaar behoudt, niet verloren te laten gaan, maar vol in het taalonderwijs te benutten.
In de eerste klas van de Vrije School wordt dan ook reeds met twee moderne talen begonnen, terwijl de derde er in de derde klas bijkomt.

Nu zou de natuurlijke ontwikkeling van het jeugdige kind, dat nog zoo goed als uitsluitend leeft in wils- en gevoelsuitingen, onherstel­baar geschaad worden, indien we zouden trachten, het op de ge­bruikelijke intellectualistische manier kennis bij te brengen van de moderne talen. Geen leçons de choses dus over dingen, die het kind koud laten, geen rijen woordjes-met-of-zonder-plaatjes, die van buiten geleerd moeten worden, geen thema’s en, gedurende de eerste drie jaren, geen grammatica-onderwijs, geen geschreven of gedrukte taal zelfs. Maar wel alles, wat het kind op dezen ontwikkelingstrap met zijn geheele wezen kan opnemen, wat zijn wils- en gevoelsleven beroert en zijn rijke fantasie oproept.

Een rijke bron hiervoor vinden we in de chansons populaires, die voor een groot deel stammen uit een tijd, toen het wils- en gevoels­leven der menschen nog niet overheerscht werd door het abstracte denkleven. Door hun fantasiewekkend vermogen, gesteund door hun rhythme, rijm en melodie, zijn die liederen ondanks eeuwen levend gebleven. Voor het onderwijs in de moderne talen aan kleine kinde­ren zijn ze, mits goed gekozen, van groote waarde, te meer, daar het meerendeel er van als kleine tooneelstukjes gespeeld kan worden.

Het kind, dat b.v. in het bekende “Meunier, tu dors!” de rol heeft gespeeld van den wind, die zich verbergt, als de molenaar hem roept en wacht, tot deze slaapt om hem de poets te spelen, de wieken bijna dol te laten draaien, vergeet niet licht zinnetjes als: „Je suis le vent. Je souffle, je siffle. Meunier, tu dors, ton moulin va trop vite!”, daar ze intens beleefd worden. En op hun beurt worden alle kinderen meunier, moulin, vent, réveilleur, want ze zingen en spelen derge­lijke liederen zóó gaarne, dat deze telkens weer herhaald kunnen worden.

Zoo worden ze — om een greep te doen uit het overvloedige materiaal, dat de chansons populaires ons bieden — in „Le Loup et l’Ane’ de bloeddorstige wolf, het slimme ezeltje en de knechts, die de schuurdeuren achter den gefopten wolf sluiten; in „Lorsque j’étais chez mon père” de herderin, die haar schapen laat verdwalen, en de herder, die ze met zijn doedelzak weer weet te verzamelen; in „Frère Jacques’ de slapende monnik, die door de kloosterlingen gewekt moet worden en de klok, die de uren slaat; in „Le petit Navire” de kapitein, de kok, de scheepsjongen en de matrozen; in „Mon Garçon” de verschillende muziekinstrumenten; in „La Main” de vingers, en zoo verder.

Klassikale en individueele commando’s, die uitgevoerd moeten worden en talrijke spelletjes, zooals Le Jeu des Couleurs, Colin-maillard au son, Colin~maillard au toucher, Les Cris des Animaux, Pigeon~vole, Le Jardinier, helpen eveneens krachtig mee om de kin­deren — ook die met minder taalbegaafdheid — in de sfeer van de levende taal te brengen.

Ten slotte leveren in de eerste klas de sprookjes, in de tweede de dierfabels, in de derde de chansons de métier dankbare en bijna on­uitputtelijke leerstof.

Mimiek, gestes en teekenkrijt ondersteunen de voorbereiding, die aan al deze liederen, recitaties, enz. voorafgaat, zoodat de moedertaal slechts zelden te hulp geroepen behoeft te worden.

Hebben de kinderen op deze wijze in de eerste drie jaren al zin­gende en spelende een vrij omvangrijke taalschat gewonnen, die niet alleen passief begrepen, maar langzamerhand ook actief gebruikt wordt, dan kan nu, naast de voortzetting van de gesproken taal, begonnen worden, de moeilijkheden van de geschreven taal te over­winnen.

De tot dusverre domineerende poëzie moet nu een groot deel van haar plaats afstaan aan het proza, terwijl tevens een eenvoudige grammatica wordt ingeleid. In de vierde klas bepaalt deze laatste zich tot de woordleer. De kinderen leeren de voornaamste woordsoorten onderscheiden, ze merken de woordveranderingen op en leiden er de voornaamste taalregels uit af. Voorbeelden zoeken ze en vinden ze in overvloed in de leerstof der eerste drie jaren, die daarbij ongemerkt herhaald wordt. Ook leeren ze al handelende en reciteerende de vormen van het werkwoord.

In de vijfde klas voegen zich daar de eenvoudigste regels van de zinsleer bij, in de zesde klas de belangrijkste spreekwoorden en uit­drukkingswijzen.

In deze klas krijgen de kinderen hun eerste leesboekje en beginnen ze, in aansluiting met de geleerde chansons populaires en vooral met de chansons de métier uit de verschillende deelen van Frankrijk, het leven en werken van het Fransche volk te leeren kennen, hetgeen voortgezet wordt in de zevende en achtste klas.

In de beide laatste klassen maken ze daarenboven kennis met de voornaamste figuren uit de Fransche literatuurgeschiedenis, terwijl in de achtste klas ook de poëtica en de metriek worden ingeleid, die in de tiende klas uitvoerig worden behandeld.

Als dan ten slotte in de negende klas, door een samenvatting en uitbreiding van het geleerde in de vierde tot achtste klas, de gram­matica volledig is herhaald, hebben de leerlingen een voldoende praktische en theoretische kennis van de Fransche taal om aan de hand van de belangrijkste dramatische en prozawerken dieper in de Fransche literatuur door te dringen.

Fremdsprachen in der Waldorfschule, Johannes Kiersch

Die Praxis des Fremdsprachenunterrichts an der Waldorfschule, Alain Denjean

Zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

769-704

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse taal – Engels (1-1)

.

Over het leerplan

.

Vanaf het ogenblik dat de eerste vrijeschool in Duitsland in 1919 begon, stonden er op het lesrooster vanaf de 1e klas 2 andere talen: Engels en Frans.
De Nederlandse vrijescholen kregen te maken met drie andere talen: naast het Engels en Frans ook het Duits.

Drie talen vanaf klas 1 is wel veel voor de kleintjes en meestal viel de keuze op Engels en Duits; vanaf klas 3 kwam het Frans er dan bij; in principe is het mogelijk om ook het Frans vanaf klas 1 te doen.

Belangrijk bij het geven van deze talen is, wanneer je er eenmaal aan bent begonnen, moet er continuïteit zijn in het aanbod.

Frans heeft het daarbij moeilijker, lijkt het wel. Het is me (te) vaak opgevallen dat er in de 3e klas werd gestart, maar dat er – om welke reden ook – in de 4e of 5e geen leerkracht meer voor was. Dan ging het vooraf geleerde en geoefende min of meer weer verloren en dat is geen goede zaak.

In de jaren 1970 en daarna ontstonden er in het land vele vakwerkgroepen om de inhoud van de vakken te verdiepen. 
Er was er ook een voor de ‘niet-Nederlandse talen’. Er werd gezocht naar wat de leerstof voor de verschillende leerjaren zou kunnen omvatten.
Uiteraard is deze lijst niet allesomvattend, maar geeft genoeg leerstof om per jaar mee te kunnen werken.

Hier is zo’n lijst voor het Engels, maar kan evengoed zo voor Duits en/of Frans (of eventueel nog een andere taal) worden gebruikt.

Klas 1 t/m 4

werkvormen:
nursery rhymes + herhaalversjes + tonguetwister + liedjes met beweging, spelletjes + vingeroefeningen/spelletjes, verhaaltjes vertellen, toneelstukjes; kleuren, voorwerpen in de klas, kledingstukken.
Jaargetijden, klokkijken, tellen 1 t/m 20, familie.

vanaf klas 4:
schrijven en teruglezen wat al geleerd is – gedichten, getallen dagen etc. evt. kleine tekenopdrachten.

onderwerpen:
voorwerpen uit de klas, lichaamsdelen, kleuren, dagen van de week, tellen tot 100, dieren/fabels, seizoenen, maanden van het jaar, ambachten, huizenbouw, klok ( hele uren en evt. halve ), alfabet.

Al doende (bv.): I am standing, I am sitting, I am writing. I am knitting, I am reading, I am counting, I am swimming, I am mounting, vandaar komen tot: wat doe jij, doen wij etc. Dus alle personen: I am, you are etc.

Tegelijkertijd: to stand, to sit, to write en vanuit de aanwijzing dat de kinderen zelf “de regel” moeten ontdekken. Hoofdstukje: regels (in de multo-map)

  • Voor het hele ww (of doe-woord) komt To
  • Op de y geen puntjes
  • I met een hoofdletter etc.

Veel oefenen!

Daarna de verleden tijd. Uiteraard gaat e.e.a. samen met uitbreiding woordenschat (in dit geval time, yesterday, last week etc.) to have – had 3e pers.
veel voorkomende losse woorden: and, but, hour, who. woorden die we nodig hebben om iets over onszelf te vertellen.
Do you make music? Instruments: guitar, violin etc.

Klas 5
Lezen: eerst verhalen met bekende inhoud later nieuwe.
werkwoorden (sterke) mondeling oefenen in 3 tijden.
klok tot op 5 minuten
trappen van vergelijking
gedichten
eenvoudige raadsels

verleden tijd
voltooide tijd
shall/will can/could

begin sterke ww op rijm:
to begin-began-begun
to bear-bore-borne
to wear-wore-worn
to do-did-done   enz.

Uitbreiding woordenschat in samenhang met interesse klas (bv. animals, sports, clothes)

Klas 6
Pas in 6 en 7 af en toe vertalen

Lezen: Robin Hood, evt. The Ship that turned over
Het weer
ww in 3 tijden, schriftelijk en toepassen in zinnetjes
winkelen: allerlei praktische zaken leren kennen, winkels en producten, restaurant
spreekwoorden en gezegdes
langere gedichten, individueel opzeggen
tweegesprekjes over het weer, in een restaurant
voorzetsels
to do: vragend en ontkennend, zinsbouw, toekomende tijd, may-might-must, meervoud, trappen van vergelijking, aanw.vnw., bijwoorden, voorzetsels, passief/actief.

(De laatste jaren heb ik veel in combinaties van klassen gewerkt, zodat een exacte verdeling over de jaren moeilijker te geven is; wel is duidelijk wat ik probeerde te bereiken van 4 t/m 7.)

Klas 7
Lezen: Around the world en Climbing of Everest
Moeilijke gedichten waarin spreken en schrijven uitgeplozen worden bv.:Though the tough cough

afkortingen: I am- I’m
ontkenningen: I did not -» I didn’t
oefeningetjes met werkwoordstijden
evt. klein toneelstukje schrijven over iemand in restaurant
met woordenboek leren werken
Liederen, gedichten, toneelstukjes, spraakoefeningen, spreekwoorden, raadsels in alle klassen.
En vooral proberen veel door de kinderen te laten vertellen.

(Wanneer nog niet alles gaat, zoals de bedoeling is, moet er worden gekozen voor andere wegen. Hier een ervaring van een leerkracht:)

Deze 7e klas heeft tot in klas 6 Engels gehad van hun eigen leerkracht. Ze deed dit vooral via korte gedichtjes en liedjes. In 6 werd voor het eerst  gelezen uit The Secret Garden van Burnett.
In klas 7 kreeg ik de klas lx per week gedurende 45 min., wat wel erg weinig was. Wat ik met de ll. heb gedaan:

We schreven en lazen teksten van gekende liederen en gedichten. Ik controleerde of de inhoud bekend was. Vragen stelde ik in het Engels, leerlingen antwoordden in Engels of Nederlands. Ik bewerkte een gevonden verhaal voor de klas als toneelstuk Young Kate, het verhaal gebruikten we ook als leestekst, het stuk speelden we uit.

Verder introduceerde ik de o.t.t. + o.v.t. van to have, to be, to do + van de regelmatige ww. We schreven die regels in en oefenden met de vormen in spelletjes en vraag en antwoord. Woordenschatarbeid hebben we niet gepleegd, maar de klas heeft vooral een aardig gevoel voor het Engels. Ze kunnen het redelijk volgen. Dit jaar vertelde ik bijv. ook delen uit het verhaal van ‘The little House on the Prairie”, en liet de kinderen dan weergeven wat ze gehoord hadden of ik liet hen antwoorden op vragen. Ze gaven er dan blijk van goed te kunnen luisteren. Hun exacte weten is zeer beperkt en mondeling kunnen ze het Engels hanteren wanneer het om simpele vragen en antwoorden gaat. Grammaticale kennis is dus een hoofdstuk wat ik dit jaar pas voor het eerst heb gedaan. De uitspraak is niet onverdienstelijk.
Heb aangekaart dat ik volgend jaar 2 uur wil gebruiken voor de 7e en het ziet er naar uit dat dat ook wel gaat gebeuren.

.

Alle artikelen over Engels bij niet-Nederlandse talen: alle artikelen

 

768-703

 

 

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans (1-1)

.

In blauw: Pieter W; rest van de tekst: auteur onbekend.
.

schets van een leerplan voor het Frans
.

Vanaf het ogenblik dat de eerste vrijeschool in Duitsland in 1919 begon, stonden er op het lesrooster vanaf de 1e klas 2 andere talen: Engels en Frans.
De Nederlandse vrijescholen kregen te maken met drie andere talen: naast het Engels en Frans ook het Duits.

Drie talen vanaf klas 1 is wel veel voor de kleintjes en meestal viel de keuze op Engels en Duits; vanaf klas 3 kwam het Frans er dan bij; in principe is het mogelijk om ook het Frans vanaf klas 1 te doen.

Belangrijk bij het geven van deze talen is, wanneer je er eenmaal aan bent begonnen, moet er continuïteit zijn in het aanbod.

Frans heeft het daarbij moeilijker, lijkt het wel. Het is me (te) vaak opgevallen dat er in de 3e klas werd gestart, maar dat er – om welke reden ook – in de 4e of 5e geen leerkracht meer voor was. Dan ging het vooraf geleerde en geoefende min of meer weer verloren en dat is geen goede zaak.

In de voorbije jaren werd er steeds gekeken wat de leerstof voor de verschillende leerjaren zou kunnen omvatten.]

Hier volgen verschillende gezichtspunten:

In de klassen t/m 3

Spelletjes, liedjes, kleine gedichtjes, eenvoudige spraakoefeningen; tellen, dagen/maanden, benoemen van voorwerpen in de klas, korte commando’s: “frappe sur le tableau-noir” bv., antwoorden op korte vragen: hoe heet je? ik heet….Waar woon je?…Ik woon in …..Hoe oud ben je?……
kleuren, dieren, lichaamsdelen, kleding, fruit, korte toneelstukjes.
letten op uitspraak.

Eind 3 begin 4

Als alle kinderen behoorlijk lezen krijgen ze een schrift. Aanvankelijk schrijven we op wat we al kennen aan versjes en woorden, met tekeningetjes. Dit wordt iedere les terug gelezen. Dan ook, vanaf 4: niet alleen spreken maar ook schrijven: getallen, klok, verhaaltjes/toneelstukjes

Vanaf klas 5

Ook gedrukte teksten, kleine verhaaltjes – uit La Claire Fontaine, bv. – klassikaal en individueel lezen. Een door de leerkracht verteld verhaaltje. Verder werkwoordsvormen: avoir, être, ww op -er.
Langere gedichten en moeilijkere teksten. Aan de hand van de teksten : le – la, pers./bez.vnw., ontkenningen, meervoud, teg.tijd, verl.tijd, volt.tijd. Woordjes opschrijven + leren. Woordbeeld-uitspraak.
Reciteren, spraakoefeningen, zingen.

vanaf klas 6

Overhoren, ook (schriftelijk). Ook zelfst.ww. vervoegen en verder het geleerde in praktijk brengen.

Alles schuift op, wanneer je later begint. Je moet dan e.e.a. van het bovengenoemde aanpassen aan de leeftijd.

Als je pas vanaf de 6e klas begint, bv.

Kleine beschrijving door een leerkracht:

Deze taal dus helemaal nieuw voor de kinderen. Heb in het begin vooral laten horen en doen. Daarvoor greep ik naar liedjes, onzingedichtjes, aftelversjes en de getallen die je fijn ritmisch kunt oefenen. We speelden ook een paar dialoogjes: Qui est la? C’est Jean Madame.

Hoewel het nog zeer simpel van taal bleef, hadden de kinderen er veel plezier aan. Zo konden ze al proeven van die Franse taalwereld. Al vlot beloofde ik de kinderen dat we een mooi “cahier” zouden maken. Ik nam een groot formaat schrift teken/schrijven, 1 op 1, want ik wilde hen niet te snel of te veel aan het schrijven zetten. We besteedden iedere les ook een deel aan het zorgvuldig maken van een titelpagina, uitschrijven van naam of een kort gedichtje/raadsel dat we al kenden. Een spreuk werd uitgebreid versierd. Na verloop van tijd schreven we ook liedjes in die we ook gebruikten bij het leren lezen. Verder in het jaar kwam daar steeds meer bij: dialogen, de getallen (t/m 100.000), de kleuren, dagen, maanden, parties du corps, allerlei liedjes. Op een gegeven moment introduceerde ik het verhaaltje van la Petite Poule Rouge. Daar zijn we uitgebreid mee bezig geweest. Taferelen als strip getekend, korte tekstjes eronder (ww-er). Het hele versje (4 strophes) gespeeld, uitgeschreven. Nieuwe zinnetjes gemaakt en gelezen. Daarna voor het eerst gesproken over de woorden- begonnen met een gedichtje over het ww porter, uitgespeeld als modeshow en vervolgens het paradigma uitgeschreven + regel o.t.t. Andere ww op -er ‘ingeslepen’ door samen hardop te zeggen. Verder hebben we zo in de loop van het jaar geoefend met vraag en antwoord: Où est?, Qui est? Qui sont etc. We deden een leuke beweegoefening met de voorzetsels: sur-sons- en dessus- en dessons, devant, derrière. Die voorzetsels probeerden we te gebruiken bij onze vraag en antwoordspelletjes.

We speelden Quine (getallen en maakten sommen). We werkten een keer met het woordenboek en kunnen nu zelf al wat terugvinden (f-n).

Aan woordenschatarbeid ben ik (nog) niet begonnen. Ik weet ook nog niet of ik dat echt via een boekje wil doen. Wel denk ik erover om bijv. na Kerstmis echt vanuit een boekje te gaan lezen (le Tarasque?)

Heb het gevoel dat de kinderen nu pas rijp zijn om ook dingen te gaan leren. Ik vond het erg belangrijk om ze eerst het Frans te laten beleven (gekke spraakoefeningen) voor ik ze van alles over die taal laat weten.,..ik merk wel dat ook van hun kant die vraag nu komt!

klas 7

Hhet spreekt voor zich dat deze stof in de 7e alleen kan worden aangeboden als daar al een aantal jaren Frans aan vooraf is gegaan)
Grammatica:
expliciet: begin van de grammatica.
Onderwerpen: lidwoord (bepaald en onbepaald)
zelfstandig naamwoord: meervoudsvorming
voorzetsels en contracties
delend lidwoord
onregelmatige werkwoorden in de o.t.t

Woordkennis

Mots de passé: een hoofdstuk per week (+25 woorden) N-F mondeling en schriftelijk, lees en spreekvaardigheid

Lezen: Surcouf: eenvoudig leesboekje (klassikaal).

Wanneer dit het 1e jaar is waarin Frans wordt gegeven:

Een leerkracht:
Voor mij leek belangrijk dat ik de leerlingen niet meteen van alles liet leren. Daarom ook begon ik met allerlei oersimpels: een nonsens gedichtje dat Frans klonk een aftelversje en een echt gedicht. Verder liedjes: Bonsoir, Feuilles volages, Saint Michel, een Noel. We o
efenden met de getallen eerst 1 t/m 12 dan 1 t/m 21 vervolgens 1 t/m 100 tot nu 100.000. We leerden de namen van de dagen en de maanden. Het een en ander werd ook opgeschreven. De uitgeschreven teksten gebruikten we als leestekst. Via gedichtjes introduceerde ik de o.t.t., de ww être en avoir en de ww op -er. We oefenden de paradigma’s (klassikaal) en schreven de regels in. Er werd geoefend met de ontkenning. Ondertussen vertelde ik het verhaal van Jean le Fou (stond in o.t.t.). We schreven dit later in en gebruikten het als oefentekst voor het lezen. Apart werken aan vocabulaire heb ik niet gedaan en ik weet ook nog niet of ik dat volgend jaar wil doen. In deze 7e vond ik het moeilijk te kiezen tussen het aanbieden van het levende Frans d.m.v. recitatie, dialoogjes, spelletjes, liedjes en het werken aan grammatica. Vooral omdat de leerlingen nog niets van het Frans gemaakt hadden. Ik was bang om het meteen tot iets doods te maken als ik meteen in regels en leren verviel. Wellicht kan ik er in de volgende klas makkelijker toe komen, en meer geven omdat ik ze al iets anders heb mogen geven. Nu was het nog heel erg zoeken wat wel en wat niet…

Behandeld/gedaan/gezongen:
Poëzie, liedjes, getallen 1-100.000, avoir être : o.t.t., ww op -er, ontkenning (ne…pas), dagen en maanden.

Voor het aanleren van grammatica kan het werk van Tittmann een hulp zijn:
Deutsche Sprachlehre der Volksschulzeit, van Martin Tittmann
Vertaling op deze blog

Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfcchulen.
Dritte Abteilung von E.A. Karl Stockmeyer.

Fremdsprachen in der Waldorfschule, Johannes Kiersch

Die Praxis des Fremdsprachenunterrichts an der Waldorfschule, Alain Denjean

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

765-701

.

VRIJESCHOOL – Duits – spraakoefeningen voor alle klassen

.

Spraakoefeningen
.

Spraakoefeningen – vooral de tongbrekers – vergen een grote(re) wakkerheid van je spraakorganen, m.n. natuurlijk tong en lippen. Tegelijkertijd brengen ze je in nauw contact met het taaleigen van de taal waarin ze worden gesproken: de typische klanken voor die taal.

In geen taalles mogen ze ontbreken – ook in de bovenbouw niet.
Dat geldt ook voor het Nederlands.
Veel mensen spreken ronduit slordig: binnensmonds, eindlettergrepen worden ingeslikt, veel te vlug.

Spraakoefeningen vormen daartegen een remedie.

Steiner bracht het spreken m.n. in verband met het IK: daarin o.a. openbaart het zich. Spraakvorming is dus in zekere zin het Ik een mogelijkheid verschaffen zich adequaat van de spraakorganen te kunnen bedienen.

De oefeningen zijn o.a. van Steiner en M.Tittmann

Aanwijzing:

Regelmatig in ALLE klassen, in koor en individueel spreken, niet oplezen!
Duidelijk en scherp iedere letter uitspreken, wel vloeiend, het gaat niet om de inhoud.
Ook in omgekeerde volgorde, tempowisselingen en afwisselend hard en zacht.

B             voor klanken: volg link     

Bang und bänglich bellen böse Hunde.

Bei biedern Bauern bleib brav.

Baldur bannt Böses.

Blühende Seringenbüsche schütten ihre süssen Blüten nieder.

Bunte Blumen blühen bald.

Braver Bruder bring mir Brot und Brei.

D

Donar dröhnt im Donner.

Drei drehen sich um und drohen.

Dringe nicht in das Wasser, wenn du trinkst.

Bedeutung suche in jedem Ding.

Was du tust, tue durch deinen tatkräftigen Willen.

Tritt dort die Türe durch.

Tiere hüpfen durch die Türe.

Tausend düstere Tannen decken tief dunkle Täler drunten.

F

Freue dich der freien Natur.

Frisch, fromm, fröhlich, frei, aber nicht frech.

Fenriswolf faucht gefangen in Fesseln.

Führe vier Kühe, Kind, über die Brücken.

Fürchte dich vor Niemand und fliehe nicht feige,
dich findet im Finstern der Furchtbare Feind.

G

Grabe kräftig Gras und Kräuter.

Gönne jedem Können sein ganzes Können.

Gierige Krähen greifen und kratzen mit greulichen Krallen.

H

Heimdal hört hell.

Hirt und Hund hüten die Herde.

Helligkeit hege das Haupt,
Heiligkeit hüte das Herz,
Hand sei hurtig zu helfen.

J

Ja, der junge Jäger jagt jeden Tag und jede Nacht.

K

Komm kurzer, kräftiger Kerl.

Kämpfe kühn mit kecken Kerlen.

Ganz kurze krumme Christbäume kann man kaufen.

Kurze knorrige knochige Knaben knicken manchem Männchen manchmal manchen Knorpel.

Es hat geknackt im Takt gehackt,
gekollert wie ein Knochenkatarakt.

L

Loki lügt listig.

Auf linden Lüften leicht und lieblich lockend lacht der Lenz.

Lalle Lieder lieblich lipplicher Laffe,
lappiger, lumpiger, laichiger Lurch.

M

Meine Mühe macht mich mutig.

Mäuse messen mein Essen.

Menschlein, müh dich mit munterem Mut,
mach du manches mit Mühsal gut.

N

Nimmermüde Mühlen mahlen mächtige Mengen Mehl.

Nimm nicht Nonnen in nimmermüde Mühlen.

Nimm mir nicht mürrisch neidisch meine Nüsse.

Oh,  sch?l und schmor mühevoll mir mit Milch Nüss und Muss.

P

Perlen rollen rund umher.

Prüge, Probe und Preis, dann preise die Wahl.

Plötzlich platzen pelzige Pilze.

Peter Purzel plumst vom Pappelbaum.

Pfui, pfeife pfiffiger Pfeifer Pfiffe.

R

Es reiten drei Reutlinger Reiter ums Reutlingsr Rathaus herum.

Rasende Rachsucht, rastloses Rigenruchloses Reden, brausende
Brandung der brennenden Brust.

Rauhe Herbststürme brausen über Wiesen und Felder,
welke Blätter rascheln sausend durch die Frühe, durch die Wälder.

S

Süsse Sommersonne sendet heisse Strahlen nieder.

Die Säule sei dir Waagezeichen des Weges.

Seile winden schaum Säulen.

Sieh,  silberne Segel auf fliessendem Wasser.

Sieh auf dem stillen See die sieben besonnten Segel.

Schäume scheinen mehr als sie sind.

Schaue die schlanke Schwalbe schweben.

Günstig schaue auf künstlerisches Schaffen.

Stich mich nicht flüchtiger Wicht.

Ein kleines Mäuschen schlich ins Häuschen,
wollt ein bisschen naschen von den süssen Nüssen,
kam die Katze es haschen,
hat!s bitter büssen müssen.

Die schnige Krebse sicher suchend schmausen dass schmatzende Schmachter schmiegsam schnellstens schnurrig schnalzen.

T

Was du tust, tue durch deinen tatkräftigen Willen.

Tritt dort die Türe durch.

Tiere hüpfen durch die Türe.

Tausend düstere Tannen decken tief dunkle Täler drunten.

Trabe nicht mit der Trommel die Treppe herab.

Traust du dich tapfer mit dem Teufel zu streiten?

Thor tötet törische Riesen.

Trüb und traurig träufelt Regenwasser Sommers Abschiedssegen.

W

Wirke wacker weil du wach bist.

Wir wollen wacker werken und wirken.

Wodan weht im Winde.

Und es wallet und woget und brauset und zischt,
wie wenn Wasser mit Feuer sich mengt.

Da wallen und wogen die Wipfel des Waldes,
da brausen die Bäume und beu­gen sich bange.

Weiche wehendem Wind auf Wiesenwegen.

Was du erfährst auf Lebenswegen weitet dir Sinne und Denken.

Gute Menschen weisen den Waisen wägend den Weg.

Schätze ebene Wege und wäge deine Schritte,
dass du wacker wagen kannst,
was du vorsätzlich als Ziel dir setzest.

Welke Blatter rascheln sausend durch die Frühe, durch die Wälder.

Eile ohne Weile vor dem Sturm, greulich heulen Eulen hoch vom Turm.

Tief in die Wiesen fliegen die Bienen.

Es ritten und stritten viel Ritter.

Wäge dein Wollen klar,
Richte dein Fühlen stark.

Z

Zwei zischende Schlangen zwischen zwei spitzigen Steinen.

Auf den Zaun sitzen zwei Zeisige und zwitschern.

Zier zwingt Zwist.

Zuwider zwingen zwar zwei zweckige Zwacker,
zuwenig zwanzig Zwerge,

Ja, ich weiss woher ich stamme,
Ungesattigt wie die Flamme glühe und verzehr ich mich.
Licht wird alles, was ich fasse,
Kohle alles was ich lassef
Flamme bin ich sicherlich.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

759-695

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Duits (1)

.
Eine Kinderszene von Hans Rutz, Mitteilungen 6-Dez.1924

.

Dit spelletje dat nu zo’n 100! jaar geleden werd geschreven, vinden kinderen ook nu nog heerlijk om te spelen.
Twee uitgesproken rollen: voor het naar binnen gekeerde, rustige kind – we kunnen hier spreken van flegmatische uitingen – de koe – en voor het veel meer op de buitenwereld gerichte kind – we kunnen hier spreken van cholerische uitingen – de stier -, waarin we met gemak de cholerische kwaliteit zien.

Een jaar later – in klas 4 – zal in de dierkundeperiode de koe opnieuw ter sprake komen. Het nog eens reciteren van dit spelletje zal het karakteriseren van de koe eenvoudiger maken.

Naturkunde bei den Kleinen (3. Klasse)

‘Naturkunde’ kunnen we niet vertalen met ‘natuurkunde’, daaronder verstaan we een ander vak. Hier gaat het om iets uit de natuur: biologie, dierkunde.
Duidelijk is dat het nog vóór het 9e à 10 jaar bedoeld is. De dieren spreken nog – in die zin is het ook te rangschikken onder de heemkunde.

Das Rind

Personen:

Die Kuh
Der Stier
Ein Kind im roten Kleid
Ein Zuschauer

Die Kuh

(zum Kind, behabig und breit)

Ich bin die Kuh
Und mache »Muh!«
Und mahl’ in Ruh’
Mein Futter dazu;
Ich fresse stündlich,
Doch dafür gründlich,
Und dreh’ mit Fleiss
Mein Maul im Kreis

(lafit sich langsam nieder)

Und beug’ die Glieder
Und lass mich nieder
Und kaue wieder,
Was ich da frass
Vom grünen Gras,
Und durch mein Euter
Geb’ ich es weiter
Als fromme Milch.
Auch mach’ ich Mist,
Der nützlich ist.
Ja, ich bin gut,
Hab’ ruhig Blut,
Hab’ keine Eil’ und keine Sorgen,
Und, komm’ ich heut’ nicht, komm’ ich morgen

Der Stier

(feurig kraftvoll)

Der Stier bin ich,
Mit StoB und Stich
So wehr’ ich mich!
Hab’ Feuer im Blick,
Kraft im Genick,
Die Adern strotzen,
Wer kann mir trotzen?!

(gegen das Kind)

Ein rotes Tuch
Reizt mich genug:
Die Beine steil’ ich,
Die Muskeln schwell’ich,
Den Kopf gesenkt
Und losgesprengt!
In schnellem Lauf
Spiess’ ich dich auf!
Zu nah nicht mir!
Das rat’ ich dir!
Ich bin der Stier.

(Stösst das Kind um.)

Der Zuschauer

(hebt das weinende Kind auf und spricht zu ihm in belehrendem Ton)

Mein liebes Kind,
Zusammen sind
Die zwei das Rind!

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

Zie ook: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

.

758-694

.

VRIJESCHOOL- 3e klas – alle artikelen

.

Kind en leerplan

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Heemkunde:
alle artikelen

Muziek
Over het aanleren van het notenschrift

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel

[3] Interpunctiespel
Freerk Weerstra: klassenspel voor de interpunctie>
Aanvulling Pieter HA Witvliet: kun je, wat in de tijd verloopt, ruimtelijk uitbeelden; het grote belang van ‘luisteren’; aanwijzingen voor het lezen.

[4] Het begin van de taalkunde; de woordsoorten in de 3e klas
Martin Tittmann: Uit zijn boek ‘Deutsche Sprachlehere der Volksschulzeit’ (Duitse grammatica in de basisschool), waarbij in de vertaling vooral de nadruk ligt op de Nederlandse; met achtergronden en voorbeelden.

[5] 3e klas grammatica
Kleine impressie uit een vrijeschool.

taalspelletjes vanaf klas 1

Niet-Nederlandse talen: Duits   [2]
Niet-Nederlandse talen:Engels
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen:
alle artikelen

Schilderen
N.a.v. de vertelstof: de scheppingsdagen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

de natuur in

Vertelstof:
alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

.

658-603

.

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – bovenbouw

.

De ‘bovenbouw’ bestond oorspronkelijk uit de klassen 9, 10, 11 en 12.
De ‘onderbouw’ uiteraard dus uit de klassen 1 t/m 8.

Op scholen zonder een middelbare afdeling kon nog geruime tijd – tot in de negentiger jaren van de vorige eeuw – de onderbouw bestaan uit de klassen 1 t/m 7; dientengevolge schoof de 8e klas aan bij de oorspronkelijke bovenbouw.

Nu ook de onderbouw van overheidswege niet uit meer klassen mag bestaan dan 6, is ook klas 7 bij de bovenbouw gekomen. Veel scholen hebben nu klas 7 en 8 als ‘middenbouw’, zodat de oorspronkelijke bovenbouw ook nu weer de huidige bovenbouw is.

Wat in onderstaand artikel wordt beschreven is wellicht geen actuele inhoud meer voor de niet-Nederlandse taallessen in de huidige bovenbouwen. Dat kan te maken hebben met de exameneisen van de overheid – ook andere motieven kunnen een rol spelen.
.

(Uit ‘Child and man’ 16 nr 1 door René M.Querido, vertaling M.v.d.Made, nadere gegevens ontbreken)
.

Een creatieve benadering van de vreemde* talen

 

De Bovenbouw, klas 9,  10,  11 en 12

Schatten uit de literatuur in hun verschillende vormen worden voortdurend aan de leerlingen aangeboden: te beginnen met poëzie, dan het korte verhaal en later de roman en het toneelstuk. In de 9e t/m 12e klassen moet een met zorg samengestelde lite­ratuurlijst worden aangelegd, maar dit kan natuurlijk niet ondernomen worden voordat de basale vaardigheden van spreken, lezen, schrijven, dictaat en conversatie stevig gefundeerd zijn in de lagere klassen.

De volgende aanwijzingen kunnen wellicht bruikbaar zijn.

In de negende klas zijn de jongeren nogal revolutionair, in de zwart/witfase van hun ontwikkeling, wisselend van het komische naar het tragische. Hier kan men dan de Sturm und Drang-periode in de Duitse literatuur introduceren: de jonge Schiller, de jonge Goethe. Bij Frans kan men de Franse Revolutie behandelen en gedichten van Victor Hugo, André Chenier, met een zekere relatie naar die periode. De korte verhalen van Alfred de Vigny, Balzac, gedeeltes van Les Miserables’ door Victor Hugo en De Graaf van Monte Christo‘ door Alexandre Dumas zijn zeer bruikbaar. Het lesgeven in deze klas zou vergezeld moeten gaan van wat toneelwerk, gekruid met humor. Dit is ook de tijd om, nu de intellectuele mogelijkheden groter worden,  de grammatica en de structuur van de taal te herhalen en stevig te behandelen.

In de tiende klas speelt de Romantiek een belangrijke rol in het leven van de teenager. Men kan voorbeelden kiezen uit de lyriek en de geschiedenis van de taal behandelen. De leerlingen zijn geïnteresseerd in de etymologie en de structuur van een taal zolang het maar op een levendige manier gebracht wordt. Zij beginnen nu aandachtiger te genieten van de eigenaardigheden van een taal en hoe meer vergelijkbare voorbeelden men kan geven, ook uit het Latijn of Grieks of een andere taal, hoe beter het is.

De elfde klas leent zich goed voor het aanpakken van een toneel­stuk. Geen enkele leerling van de Bovenbouw zou de school moeten verlaten zonder het verschil geprobeerd te hebben tussen Racine, Corneille en Molière.

De Grand-Siècle, bijvoorbeeld, kan gebruikt worden als een hoofdonderwerp en korte excursies kunnen dan naar nog vroegere poëzie gemaakt worden, tot aan gedeelten van Chrétien de Troyes.

In de Duitse literatuur kan men een toneelstuk van Goethe en Schiller laten contrasteren, alhoewel een echte studie van ‘Faust’ het best tot de twaalfde klas uitgesteld kan worden. Daarnaast kan men enkele aspecten van Wolfram von Eschenbach en andere “minstrelen” laten horen. Het is in de elfde klas dat we in het hoofdonderwijs het verhaal vanParcival” be­handelen, de reine dwaas, die het nalaat om de enige juiste vraag te stellen.

In deze klas wordt ook de muziekgeschiedenis gegeven en de talenleerkracht kan hiervan gebruik maken door de levens­loop te behandelen van grote componisten die specifiek bij een bepaald land horen: Rameau, Berlioz, Chopin, Debussy – voor Frankrijk; Bach, Mozart, Beethoven, Wagner – voor Duitsland,

In de twaalfde klas wordt speciale nadruk gelegd op de moderne literatuur. In de Franse les krijgen de leerlingen Albert Camus, Antoine de Saint-Exupéry, Anouilh, lonesco en in de Duitse les: Max Frisch, Dürrenmatt, Wolfgang Borchert, Heinrich Böll e.a.
Verder kunnen de leerlingen in de hogere klassen aangemoedigd worden de vruchten van een zelfgekozen onderzoek te tonen. Sommige houden misschien een spreekbeurt over de politiek, de sociale omstandigheden of aspecten van regering of recht in een bepaalde staat. Anderen kiezen misschien een onderwerp dat psychologischer van aard is door de opvattingen van de Fransman en de Duitser te vergelijken. Weer anderen behandelen de industrie in een bepaalde streek. Zulke onderwerpen worden mondeling, in de vreemde taal voor de klas gebracht en dan schriftelijk samenge­vat door iedere leerling.

Gezien de bovenstaande beschouwingen is het wel duidelijk dat het talenonderwijs niet slechts voor pragmatisch gebruik is. We streven ernaar om ver boven een basiskennis uit te gaan zoals die tegenwoordig gebruikelijk is.

Wat kan het belang zijn van deze meer omvattende benadering? Zonder twijfel is taal een middel tot communicatie tussen mense­lijke wezens. En het is misschien ook een van de belangrijkste. Het is ook de poort tot het begrijpen van een bepaald volk dat zijn eigen ziel, zijn eigen individualiteit, zijn eigen muzikaliteit heeft en zichzelf uitdrukt in ontelbare handelingen in het dage­lijks leven.

Taal wordt aangelegd in het kind door nabootsing gedurende de eerste jaren van de kindertijd. Eerst beweegt het zich, kruipt, leert lopen en dan, uit de beweging komt de spraak te voorschijn – als moedertaal. Het is door middel van het spreken dat het eerste denken gewekt wordt tegen het derde jaar. Onze hele denkwijze is om te beginnen vastgelegd door de taal die we spreken, en het is bekend, dat, zodra we een andere taal gaan leren, we ook anders beginnen te denken.

Iedere taal vormt zo op zijn eigen wijze gedachten. Er zijn uit­drukkingen en woorden die onvertaalbaar zijn van de ene taal in de andere.

De Fransman zegt: J’ai raison   – I have reason?   no, I am right.

Fr. Ik heb gelijk, Eng. Ik ben gelijk. De Duitser: Ich habe recht.

De Duitser heeft Weltanschauung, de Engelsman is trots op zijn ‘sense of humor’ en de Fransman claimt “savoir vivre”. Er zijn ook deze subtiele verschillen:

penser à   –   to think about   –   über (etwas) nachdenken

Bij vertalingen gaat vaak meer verloren dan men zich realiseert en een van de taken van het lesgeven op vrijescholen is om de geest van de taal te “vatten”, dat – als we de taal behoorlijk beheersen – het begrijpen van een andere natie, een andere denk­wijze , een andere manier van leven kan stimuleren. Zonder deze brug gaat er veel betoverends verloren en wantrouwen en vooroordelen tussen de mensen worden gezaaid. Als we eenmaal twee vreemde talen hebben geleerd, dan komt de derde, vierde of vijfde steeds gemakkelijker en onze innerlijke activiteit en beweeglijkheid zijn vergroot.

Iedere taal kan vergeleken worden met een muziekinstrument in een orkest. Het heeft zijn eigen rijkdom, maar ook zijn beperkingen. Engels leent zich het best voor iets suggererends, het uitdrukken van de dingen-tussen-de-regels, het zit vol dubbelzinnigheden, veel halve-woorden-voor-de-goede-verstaander.

Duits daarentegen is vanwege zijn beeldend karakter bepaald geschikt voor een filosofische verhandeling. Het streeft er altijd naar de diepten te peilen   en zich te verheffen boven de al-omgevende hoogten.

Het Frans is dan het onberispelijke precisie-instrument, het rapier dat dóórdringt met een beheerste stoot.

De ervaring leert, dat we door het leren van een vreemde taal ons op subtiele wijze bewuster worden van onze eigen moedertaal. We her-ontdekken haar eigen mogelijkheden om iets in het ge­sproken woord, in proza of in poëzie uit te drukken. Vanaf ongeveer de vierde klas wordt trouwens speciale aandacht besteed aan het vergelijken van verschillende uitdrukkingen en gezegdes in de verschillende talen. Met een aantal aardige voor­beelden, beetje bij beetje gebracht, komt er vrolijkheid en humor in de lessen,

Tenslotte, de ernstige sociale taak van het onderwijzen van vreemde talen zou benadrukt moeten worden. In dit verband is het leuk om enige aandacht te schenken aan twee vroegere vrijeschoolleraren die zeer veel voor de ontwikkeling van het talen­onderwijs gedaan hebben: Dr. Konrad Sandkühler en Dr. Herbert Hahn. Konrad Sandkühler onderwees Engels en Frans als vreemde taal op de eerste Waldorf Schule in Stuttgart, vele tientallen jaren ge­leden. Zijn benadering was zeer stimulerend. Vele van zijn leerlingen werden onder zijn leiding later uitstekende taal­kundigen.

Misschien staat u mij een persoonlijke noot toe: Ik herinner mij met veel vreugde een lang gesprek dat ik had met Konrad Sandkühler, terwijl we over de Boulevard Saint-Germain in een Parijse lente wandelden, zon 20 jaar geleden. We spraken in het Frans over de Troubadours en de Scholastiek en de ontwikkeling van het oud-Frans naar het moderne idioom. Na dit gedeelte van ons gesprek met kopjes koffie op een terrasje onderstreept te hebben, vervolgden wij onze conversatie in het Engels over Shakespearo en de evolutie van het Engels door de eeuwen heen, wat uitmondde in het moderne Amerikaans idioom en het gebruik van het Engels tegenwoordig. Vervolgens, Duits spre­kend, keerden we terug naar Quartier Latin, terwijl we het over Goethe en Schiller hadden en hun plaats in de ontwikkeling van de Duitse taal.

De andere opmerkelijke persoonlijkheid en taalkundige was Herbert Hahn, samen met Rudolf Steiner een van de stichters van de eerste “Waldorf Schule”. Hij beheerste absoluut vloeiend 12 talen en later in zijn leven gaf hij ons zijn uitstekende boek Vom Genius Europas’, waarin hij de unieke bijdrage behandelt van de Italianen, de Spanjaarden, Portugezen, Fransen, Nederlanders, Engelsen, Zweden, Denen, Noren, Finnen, Russen en de Duitsers, door middel van de uniciteit van hun taal, hun folklore, hun aardrijkskundige ligging en hun manier van leven,  om zo ieder aan het totale spectrum bij te dragen.

Daarnaast gaf hij talloze adviezen voor de praktijk en de schrijver van dit artikel is hem veel dank verschuldigd.

Hij werd het nooit moe om de nadruk te leggen op het belang van het mondelinge werk, de recitatie, de poëzie, de conversatie, het trainen van het oor om de imponderabiliën van een taal te kunnen ontvangen.

Om Goethe te citeren:

“Wat is van groter waarde dan goud?'”
“Het licht.”
Wat is verkwikkender dan licht?”
“Het gesprek….”

Conversatie, datgene wat plaatsvindt in taal tussen het ene men­selijke wezen en het andere. Misschien kunnen we zeggen dat de leerkracht vreemde talen op een vrijeschool zijn pogingen op­draagt aan het opnieuw met leven doordringen van de taal, zodat een ware broederschap tussen de mensen mag opbloeien.

 

* ‘vreemde’ is m.i. een woord dat we i.v.m. andere talen niet zouden moeten gebruiken. Er is in wezen niets ‘vreemds’ aan deze talen – zijn alleen anders dan de onze.
Wellicht is het goed dat kinderen ‘anders-zijn’ niet associëren met ‘vreemd’= raar.
.

 

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

628-577

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Niet- Nederlandse talen – lagere klassen (1-2)

.

 Tom de Greeuw, nadere gegevens onbekend
.

vreemde talen in de onderbouw*
.

Lang voordat het jonge kind zelf gaat spreken is het omgeven door een wereld, waarin klanken klinken. Heel vanzelf, onbewust, neemt het deze klanken op en zal deze na verloop van tijd gaan nabootsen. Op de lange duur ontstaat hieruit het zelf gaan spreken. Aanvankelijk in korte aanduidingen, later in steeds langer wordende woordenreeksen. De goede luisteraar kan daarin de ‘taal’-wereld van de volwassen mens herkennen, maar eveneens het vermogen van het jonge kind om klanken tot nieuwe woorden te boetseren, die haast altijd heel treffend zijn in hun dynamiek en betekenis. (Zo vroeg mijn kleine nicht­je van 3 een tijdje geleden, bij het bakken van koekjes, aan haar moeder; “zal ik ze alvast even inmelen?” Een niet-bestaand, doch prachtig beschrijvend woord borrelde al doende zo uit die kleine meid op.)

Juist ieder mens draagt in zich een zintuig voor ‘taal’. Een jong kind proeft a.h.w. van de klanken, geniet ervan, drinkt ze naar binnen. Met het ouder worden heeft dit vermogen de neiging op te drogen, te verschrom­pelen. Voor ons volwassenen is het leren van een andere taal meestal een moei­zaam gebeuren. Het duurt lang, woord voor woord moeten we ons alles eigen maken: structuur, melodie, betekenis; niets komt vanzelf. Neem een jong kind mee naar bv. Frankrijk en het spreekt in korte tijd die taal. Het begeeft zich in de me­lodie en pikt alles spelenderwijs op. Het denken zit er niet tussen, bewustzijn ontbreekt. Zonder kurken begeeft het kind zich in de zee van nieuwe klanken en zwemt daarin vanzelf rond.

Het doel van vreemde talen in de vrijeschool is om dit vermogen, deze
klank­mens, voeding te geven, opdat het niet verschrompelt en op den duur verdwijnt. Dat pas in de eerste klas met een nieuwe taal wordt begonnen heeft alleen te maken met het ontwikkelingsproces, dat omstreeks die leeftijd in/aan het kind plaatsvindt. Langzamerhand ontstaat de mogelijkheid tot zelfstandig denken, het hoofd ontwaakt a.h.w. Daarom is dit moment bij uitstek geschikt om een nieuwe klankwereld ritmisch te leren kennen. Vanuit het doen en het beleven wordt Frans of Duits of Engels gegeven; twee van voornoemde drie en in klas 3 komt de laatste nieuwe taal erbij. NIET om die te leren, maar om die te on­dergaan, te beleven, ervan te genieten. Het gaat er dus alleen maar om een gevoelsmatige verhouding tot het Engels/Frans/Duits te laten ontstaan, niets meer, niets minder.

Of kinderen het ‘begrijpen’ is van geen belang. Vertalen gebeurt in lagere
klas­sen in principe nooit. Door middel van versjes, rijmpjes, liedjes, gebaren en bewegingen worden de kinderen meegenomen in de stroom van de taal. De onder­werpen die aan bod komen sporen met het leerplan. Alles wordt steeds herhaald en langzamerhand breidt het repertoire zich uit. De klassen 1, 2 en 3 onder­scheiden zich van 4 t/m 8 vanwege het feit, dat de taal niet wordt opgeschre­ven. Het hoofdaccent ligt op doen en beleven, met af en toe een tekening als toetje.

Vanaf de 4e klas wordt het schriftelijke beoefend. Aanvankelijk het opschrijven van de bekende liedjes en rijmpjes uit de voorgaande klassen, later de bekende woorden. Ondertussen gaan de voordrachten, toneelstukjes, etc. gewoon door. Het accent verschuift wat meer naar de denk-kant: meervouden leren, rijtjes onthouden, voorzichtig grammatica leren kennen. Het spelenderwijs wordt tot  vanzelf sprekenderwijs, wordt tot basis en fundament.

Doel is dus niet perfect leren beheersen van Frans/Duits/Engels, maar het voeden van de klankmens in het kind. Daar gaat het om.

0-0-0

* ‘vreemde’ is m.i. een woord dat we i.v.m. andere talen niet zouden moeten gebruiken. Er is in wezen niets ‘vreemds’ aan deze talen – zijn alleen anders dan de onze. Wellicht is het goed dat kinderen ‘anders-zijn niet associëren met ‘vreemd = raar’.

alle artikelen niet-Nederlandse talen

.

627-576

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans 1e klas (1-2)

.
(M.v.d.Made, nadere gegevens ontbreken)
.

MODERNE TALEN: FRANS IN DE 1E KLAS
.

Pomme de reinette et pomme d’api
Petit apis rouge
Pomme de reinette et pomme d’api
Petit apis gris!

Als de Franse les begint in de 1e klas zingen de kinderen dit opgewekte liedje. Mensen van buiten de school reage­ren altijd zeer verbaasd als ze horen dat de 1e-klasser al zeker twee talen “krijgt”. Meestal* Frans en Engels in de 1e en vervolgens komt Duits in de 2e klas erbij. Men associeert de lessen in de Vreemde Talen** dikwijls alleen maar met woordjesleren, werkwoordsvormen en grammatica, zoals velen van ons de lessen inderdaad meestal hebben genoten. Het kan ook anders: meer met het accent op het “verwerven” van een taal. Hierbij moet men zich voorstellen het kunnen spelen, zingen en inleven in een taal.

In onze scholen staan de talen in het leerplan vanaf de 1e klas; iets, dat voor het Nederlandse schoolbestel zeker niet gewoon was en is. Lange tijd was het zelfs verboden, werd gezien als een versteviging van de con­currentiepositie, het zou niet eerlijk zijn ten opzichte van andere (openbare) scholen. Een eigenaardige ziens­wijze, waar ieder toch moet toegeven dat talen bijdragen aan de ontwikkeling van het kind. Welke ontwikkeling?
In de eerste jaren de musische en de motorische – we zingen en spelen immers in de vreemde taal – daarnaast horen kinderen de uitspraak en de klanken en spreken dat na. Dan wordt het goed-luisteren ontwikkeld en het goede spreken ondersteund. (Van zeer groot belang in deze jaren (klas 1, 2, 3) is een goede uitspraak van de leerkracht.)

Eigenlijk zijn al deze factoren van groot belang voor de sociale ontwikkeling van kinderen. Het maakt ze van jongs af aan vertrouwd met het bestaan van andere cul­turen en andere uitdrukkingsmogelijkheden. Dan zullen ze er als jonge man of vrouw straks ook met een andere attitude tegenoverstaan. Ze zullen de mogelijkheid hebben om een andere cultuur of iemand daaruit te res­pecteren, te waarderen, te verstaan en te “begrijpen”.

Een aardige illustratie van deze intermenselijke be­nadering van het talenonderwijs is het lied: Vader Jacob, slaapt gij nog?

De klasseleraar zal dat op z’n-Hollands zingen, d.w.z. in een enigszins traag en zwaar tempo, zoals we dat allen nog kennen van onze eigen lagere school.
Het Franse “Frère Jacques” klinkt’ in de Franse les vlug. licht, als een allegretto.

Frère Jacques,  (bis)
Dormez-vous? (bis)
Sonnez les matines (bis)
Ding, ding, dong!  (bis)

En hoe zing je dat op z’n Engels?

Are you sleeping,  (bis)
Brother John? (bis)
All the bells are ringing (bis)
ding, dang, dong!   (bis)

[dit is ook leuk]

Zo beleven de kinderen al zeer spoedig de stijlver­schillen tussen landen en volken.

Hoe leer je ze bv. Frans in een lagere klas. In een 1e en 2e klas worden veel Franse kinderliedjes gezongen: Sur le pont d’Avignon, Ah! Mon beau château, La mist’ en laire, Gugusse avec son violon, Voulez-vous venir danser?, Au clair de la lune, Trempe ton pain, Marie, dans la sauce, etc.

Dat zijn de liedjes waarmee Franse kindertjes opgroeien, tenminste, als ze nog zingen. Want ook in Frankrijk moet de “chanson enfantine” het vaak afleggen tegen modernere geluidsapparaten.

Naast deze oude kinderliedjes zijn er aftelversjes en aftelrijmpjes (comptines):

Am stram gram
Pic et pic et colégram
Bour et bour et ratatam
Am stram gram.

Of voordat je gaat verstoppertje spelen (jeu de cache-cache)

(compter jusqu’a 30)
Trente et un
Cachez-vous bien
Trente-deux
Cachez-vous mieux
Trente-trois
Voila le chat!

Er wordt niet alleen gespeeld in zo’n les; gereciteerd worden bv. de maanden, de dagen, er wordt geteld, kleuren en voorwerpen in de klas worden benoemd en aangewezen. Er wordt geen woord Nederlands bij gesproken! Het leuke is, dat de jonge kinderen zoveel begrijpen. Gaandeweg neemt dat vermogen af en zo tegen het eind van de 3e klas is het zeer moeilijk om een hele les in het Frans te doen. Bij een verhaal moet dan veel op het bord getekend worden.

Pas in de 4e klas komt er echt schriftelijk werk. Weliswaar is in de 3e een woordje, een naam of een kleine mededeling in het Frans opgeschreven, bij een verjaardag of een teke­ning na een verhaal bv., maar in de 4e klas krijgen de kinderen hun Franse schrift.

0-0-0

*In wezen zijn alle combinaties mogelijk. Veel voorkomend is: vanaf klas 1 Engels en Duits en pas vanaf de 3e Frans.
Belangrijk bij het geven van een moderne taal is ook dat er enige continuïteit gewaarborgd is. Het ene jaar wél en het andere weer geen Frans, bv. is niet stimulerend voor de kinderen.

**  ‘vreemde’ is m.i. een woord dat we i.v.m. andere talen niet zouden moeten gebruiken. Er is in wezen niets ‘vreemds’ aan deze talen – zijn alleen anders dan de onze.
Wellicht is het goed dat kinderen ‘anders-zijn’ niet associëren met ‘vreemd’= raar.

Fremdsprachen in der Waldorfschule, Johannes Kiersch

Die Praxis des Fremdsprachenunterrichts an der Waldorfschule, Alain Denjean.

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

.

626-575

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Engels – lagere klassen

.
(Mrs Riet (Simmers) vrijeschool Groningen, nadere gegevens onbekend.
.

ENGLISH IN THE LOWER FORMS
.

The first form:

Mr. Ebe has introduced me as Mrs Riet, having just arrived from a country
far away over the sea. A “little goblin” straight from the English fairy-
tale world kept me company and bought little treasures for the children,
stones, marbles, ,  flowers etc.

Trying to be as English as possible we clap hands together and concentrate on our fingers, which are lost and found again in the song;

Tommy Thumb, where are you?
Here I am; How do you do?

The same goes for Peter Pointer, Toby Tall, Ruby Ring and Baby Small

If we get hungry we mix a pancake:

mix a pancake
stir a pancake,
put it in the pan,
fry the pancake,
toss the pancake
catch it, if you can !*

Finally there is a story to be told, “The three little pigs”

By now mrs Riet has been discovered to learn the Dutch language very quickly, but we try to remain English; polite, formal (with a hidden roughness) and following the invitation which, I think, the language offers so clearly of moving into drama.

The second form:  (Mr. Ric)

In the second form the “little goblin” is sent back to his homecountry. The fingers move about less innocently as in:

Ten little soldiers stand op straight
make a gate
make a ring
go to the king
dance all day and hide away.

And “Old King Cole” is there to reign over them, in the song:

Old King Cole was a merry old soul.
and a merry old soul was he,
he calïed for his pipe,
he called for his bowl
and he called for his fiddlers three.

Also a few animals are being played and and sung about:

Look at the terrible crocodile
J-oh, J-oh, J-oh.
He’s swimming down the River Nile
J-oh, Joh-, J-oh.
Look at his jaws are open wide.
J-oh, J-oh, Joh,
A little fish is swimming inside
J-oh, J-oh5 J-oh.

At the moment we are very buzy with boats especially sailing boats.

We have little conversations with the captain of the boat about the interior of the classroom.

Is this the floor?   Yes, it is.
Is this blue?, no, it isn’t.

And at the moment there is a little play, with Henny, Penny, Cocky, Hocky, Wucky-Waddles, Goosey – Poosey and take care!   Foxy Woxy.

The third form  (Miss Mart)

Trades and handcrafts are in the air.

There is a cobbler down the street
Mending shoes for little feet.
With a bang and a bang and a bang, bang, bang
Cobbler, Cobbler mend my shoe
get it done by half past two.

and

Blow, Wind, Blow
Go, mill, go
that the miller may grind his corn
that the baker may take it,
and into bread make it,
and bring us a loaf in the morn.

0, the brave old Duke of York
he had ten thousand men.

(the children will surely know how it goes on).

We learn the days of the week and more and more words are being introduced in our conversations.

At the moment we talk a lot about houses, and we have a little play about
“Six little men”, that built a house together.

Tinker, Tailor,
Soldier, Sailor,
Rich man, Poor man,
beggar man, thief,
Goodbye to all of you,
I will take my leave.
.
Zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule
.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen
.
1e klasalle artikelen
.
Vrijeschool in beeld1e klas

.

624-573

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.