Tagarchief: 1e klas Engels

VRIJESCHOOL – 1e klas – Engels (1-2)

.

Erica von Baravaller, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 1e jrg. nr. 1, okt. 1927

.

UIT DE ENGELSE LES IN DE EERSTE KLAS
.

Rudolf Steiner nam in het leerplan dat hij voor de vrijeschool ontwierp al vanaf de 1e klas twee niet-Duitse talen op: Engels en Frans, samen 6 uur per week. Hij zei erbij meteen bij deze talen met de kinderen te gaan spreken, zonder de moedertaal als brug te gebruiken.
Zelfs een volwassene luistert geïnteresseerd wanneer die in de trein medepassagiers hoort die in een andere taal met elkaar praten; al vóór je een woord begripsmatig kan verstaan, gaat de belangstelling naar de klanken die op je inwerken. Dat is in nog hogere mate ook het geval bij het kind, zeker in de 1e klas.
Hieronder wil ik* aan de hand van een paar voorbeelden uit de Engelse les die ik in de eerste schooljaren in de 1e klas heb gegeven.
Ik begon als Engelse, zonder ook maar één woord Duits te beheersen. Ik was nog niet in staat in het Duits tegen de kinderen te zeggen: ‘Ga zitten, of wees stil’ en ik kwam dus niet in de verleiding het Engels via het Duits te introduceren.

Ik begon niet zonder zorg, want het is makkelijker in Engeland een klas in alle vakken les te geven, dan tegenover dertig Duitse kinderen van zes, zeven jaar te staan en ze iedere keer een uur lang te interesseren, zonder ook maar een woord van hun moedertaal te kunnen gebruiken.
Er wordt in de 1e klas ook nog niet geschreven en gelezen, zodat het steeds op het directe mondelinge contact met de klas aankomt.

In het eerste uur, voor de taalles begon, moest er voor de kinderen een passende aansluiting worden gevonden.
Ik vroeg de klassenleerkracht om de kinderen te vertellen hoe alles verandert, wanneer je steeds verder van huis gaat naar een ander land; niet alleen de omgeving wordt anders, ook de mensen en zelfs hun taal waarmee ze tegen elkaar spreken. De klassenleerkracht vroeg toen aan de kinderen of zij al wel van andere talen hadden gehoord. Het eerste antwoord had nog niet meteen het gewenste resultaat, want een kleine jongen meldde zich en zei; ‘Hoog-Duits’.
Dus moesten de kinderen hun gedachten nog verder inspannen en ze kregen te horen, hoe je over de zee moet varen tot je in een land komt waar alle mensen Engels met elkaar spreken. Groot was de verbazing toen de klassenleerkracht besloot met te zeggen dat uit dit verre land een lerares was gekomen die nu met hen zou praten als die mensen daar, ver over zee.

Nu begon ik meteen tegen de kinderen te praten en herhaalde in het Engels wat de leerkracht in het Duits tegen hen had gezegd; ze hoefden alleen maar naar het verschil in klanken te luisteren.

Een van de eerste oefeningetjes die ik dan in de volgende uren met de kinderen ging doen, bestonden uit verschillende lichaamsbewegingen. Ik liet ze hun armen omhoog bewegen en weer omlaag, bij elkaar brengen en openen enz. en deed met hen het volgende versje dat ze met de bewegingen zongen:

Open close them
Open close them
Give a little clap

Open close them.
Open close them
Lay them in your lapl
…….. enz

Van het kind zelf ging ik dan naar zijn naaste omgeving en verder weg en probeerde het over die dingen te hebben waar voor het kind een natuurlijke interesse heeft: brood, dat het mee naar school neemt, geeft aanleiding om over de bakker en het bakken van brood te spreken.

Dan komt tot besluit weer een klein liedje:

Pat-a-cake, pat-a-cake, baker·s man,
Bake me a cake as fast as you can.
Prick it, and roll it, and mark it with ” T”
And bake in the oven for baby and me!

Toen ik eraan begon om de verschillende kledingstukken en hun kleuren te behandelen en de kinderen de verschillende woorden blijvend wilde aanleren, vond ik het niet goed om ze die woorden alleen maar controlerend te laten herhalen. Ik deed het wel, maar aan de hand van een verhaaltje dat in een verschillende vorm steeds dezelfde dingen herhaalde, wat de kindern dan met plezier oppakten en zo kwamen ze bij het begin van een gesprekje.

Er was eens een klein jongetje in een warm land dat voor zijn verjaardag allemaal nieuwe dingen kreeg. De lieve moeder maakte een klein rood jasje voor hem, dan een blauw broekje en zijn lieve vader gaf hem een mooi nieuw groen parasolletje en een paar kleine schoenen. De kleine jongen klapte van plezier in zijn handen, trok eerst het rode jasje aan, dan het blauwe broekje, nam zijn parasol en trok zijn schoenen aan en ging wandelen. Hij was nog maar net onderweg of hij kwam een tijger tegen die hem op wilde vreten. De jongen smeekte om zijn leven en zei: ‘Tijger, eet mij niet op, ik geef je in ruil mijn rode jasje.’ De tijger nam het jasje en verdween. Na een poosje kwam de jongen een andere tijger tegen die hem wilde opvreten. De jongen smeekte weer om zijn leven en zei: (hier begonnen de kinderen al zelfstandig verder te gaan en te zeggen, wat hij aan de tijger gaf). Dat ging zo verder tot het jongetje niets meer aan had en zich achter een boom verstopte. Nu zag hij dat alle tijgers bij elkaar kwamen, elke met zijn eigen buit, (de kinderen begonnen weer en zeiden wat iedere tijger had: de ene een rood jasje, de andere de blauwe broek, enz. Maar nu kregen de tijgers ruzie, legden hun buit neer onder de boom en begonnen te vechten en elkaar achter na te zitten. Uiteindelijk sloop de jongen tevoorschijn, pakte eerst weer het rode jasje, zijn blauwe broek enz. en liep snel naar huis terug. Nu vertelde hij het hele verhaal nog aan zijn moeder.

Op dezelfde manier kon ik later de verschillende zintuigen, ogen en zien, oren en horen, neus en ruiken aan de hand van het sprookje van Roodkapje doen. Meteen begrpen de kinderen wat er bedoeld werd, toen bijv. in het Engels het stukje verteld was hoe Roodkapje voor het bed van haar grootmoeder staat waarin de verklede wolf ligt en dat Roodkapje dan tegen hem zegt: ‘O, grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ ‘Dat is om beter te kunnen zien’……. O, grootmoeder, wat heb je grote oren.’ ‘Dat is om beter te kunnen horen’…….

Veel succesvolle uren heb ik ook te danken aan uiterlijke omstandigheden. Op een keer moest de les in een ander lokaal worden gegeven. Dat maakt op de kinderen wel indruk.
Met belangstelling kijken ze naar de andere ramen, de andere kleur van de banken, de andere muurplaten en ze zouden zeker veel minder aandacht gehad hebben voor wat ik mij had voorgenomen te gaan doen. De omstandigheden gaven mij echter de gelegenheid op een bepaalde manier als herhaling op alles in te gaan wat we in de eigen klas allang gedaan hadden: ramen, banken, platen. Daar deden de kinderen met alle plezier aan mee.

Een andere keer werd het tijdens de les steeds donkerder en er brak een donderbui los. Die trok natuurlijk hevig de aandacht van de kinderen. Ik ging over tot het praten over onweer en besloot met een klein rijm dat op zo’n mooie manier in klank de weersverschijnselen uitdrukt:

I hear thunderl
I hear thunderl
Hark! don’t you?
Hark! don’t you?
Pitter-pat-ter rain drops.
Pitter-pat-ter rain drops.
I’m wet throughl
All wet throughl

Een bijzonder welkome gelegenheid voor het onderwijs is het steeds, wanneer een kind jarig is. Dan zeggen de kinderen altijd dat ze hun mooie kleren aan hebben en ze vertellen welke cadeautjes ze gekregen hebben, die ze dan vaak meenemen naar school. Daar mengen de kinderen zich levendig in en ze willen graag vertellen wat zij voor hun laatste verjaardag hebben gekregen. Dan is het vaak mogelijk de kinderen woorden te laten horen, die anders nauwelijks te verduidelijken zouden zijn zonder de moedertaal te gebruiken.

Hoe meer het lukt om bij alles wat er in een klas gebeurt, een stukje onderwijs aan te knopen, des te meer je de natuurlijke gang van zaken volgt die in iedere klas levendig aanwezig is, des te meer hoort wat er geleerd wordt bij het volle leven van de kinderen en draagt daardoor bij hun liefde voor wat je doen moet te versterken.
.

.

Het Duits heeft ‘Fremdspracher’, in het Nederlands ‘vreemde talen’. Ik pleit voor ‘andere talen’ of  ‘niet-Nederlandse talen’, omdat het woord ‘vreemd’ in eerste instantie door kinderen toch opgevat wordt als ‘raar’, ‘niet-van-ons’.

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 1e klas

.

1718

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – Engels

.

‘OPEN THEM AND CLOSE THEM’

Uit de eerste Engelse les

Vol verwachting staan de eerste-klassers bij de deur van het klaslokaal, om door mij, hun lerares Engels, een voor een te worden begroet.

‘Good morning’, ieder individueel kind neemt al bij de eerste begroeting de nieuwe, nog anders klinkende taal in zich op. Vol spanning gaan de jongens en meisjes hun klas binnen, die in die paar weken nadat de school is begonnen, al hun thuis is geworden.
Nu zal er, na een paar weken waarbij uitsluitend de klassenleerkracht het onderwijs gaf, weer iets anders komen: les in andere talen.

Als de kinderen zitten, hoef ik maar ‘stand up, please’ met mijn handen te ondersteunen en daar staan ze al. We hebben elkaar meteen begrepen. De spanning stijgt en nu wordt de groet: ‘Good morning, boys and girls. My name is Mrs. Schulz’. vrolijk beantwoord met ‘Good morning, Mrs. Schulz.
Sommige kinderen gaan onbevangen op de Engelse taal in, andere daarentegen staan zich met open mond nog wat te verbazen.

Nu begin ik met het gedichtje:

God made the sun
and God made the tree.
God made the mountains
and God made me.

I thank you, oh God,
for the sun and the tree,
for making the mountains
and for making me.

Aansluitend een tweede gedichtje*

The earth is firm beneath my feet.
The sun shines bright above.
And here I stand
so straight and strong,
all things to know and love.

De meisjes en jongens staan nu nog sprakeloos voor me en nemen met al hun zintuigen die nieuwe taal in zich op. Ze ademen de taal a.h.w. in.
Maar er moet ook uitgeademd kunnen worden en dat doen de kinderen graag bij de nu volgende rijmen die ze tot actief bewegen aansporen: ze klappen in de handen, stampen met de voeten, met de vingers wordt geknipt:

‘Clap your hands!’- ‘Stamp your feet!’- ‘O, strap your fingers!’-;
‘Show me your arms, your fingers, your eyes….

Het ligt voor de hand om met het eigen lichaam te beginnen: met de verschillende delen. Er ontstaan geen begripsroblemen, wanneer alles getoond en voorgedaan wordt.

I have ten little fingers,
I have ten little toes,
I have two eyes,
I have two ears, and just one nose.

Two eyes to see with,
two ears to hear with,
a mouth to speak with,
a mouth to eat with,
two hands to work with,
two hands to pray with.

Two little eyes
to look around,
two little ears
to hear each sound.
One little nose
that smells what’s sweet,
one little mouth
that likes to eat.

Clap, clap, clap hands,
one, two, three,
put your hands upon
your knee.
Lift them high
to touch the sky,
clap, clap hands
away they fly.

De armen worden omhooggestoken, handen, vingers enz. getoond, niets is de kinderen ontgaan – en ze hebben niet één keer hun moedertaal hoeven te gebruiken.

Ook dit rijm wordt begeleid door de bewegingen van de handen:

Open them and close them
and lift them in the air.
Open them and close them,
and put them on your hair

Open them and close them
and give a little clap.
Open them and close them
and put them on your lap.

‘Open them and close them’ – zoals de handen zich openen, openen de kinderen zich voor wat anders is; zoals de handen zich sluiten, zo sluit het wat het gehoord heeft als een schat in zich op – als een schat die hem toebehoort, die echter weer getoond wordt wanneer de versjes weer uitgesproken worden.
Wanneer het lukt om deze bewegingen van openen en sluiten in het leren mee te laten doen, dan wordt het overbrengen van een andere taal een buitengewoon levendige en gezonde aangelegenheid. Niet de aanhoudende overgave aan de indrukken die van buiten komen, is gezond, noch een te sterk in zich afzonderen. Pas de ritmische afwisseling tussen opnemen en innerlijk verwerken, opnieuw tevoorschijn laten komen en dieper eigen te laten maken, doet het meevoelen en het begrip rijpen.

Na de verschillende versjes is de ruimte gevuld met de klank van de nieuwe taal. De jongens en meisjes staan nu helemaal open voor de anders klinkende klanken en ze lachen hard wanneer ik ze verschillende keren achter elkaar oproep: ‘Stand up!’ – ‘sit down!’.
Het moge duidelijk zijn hoe graag de kinderen een taal leren, wanneer ze erbij mogen bewegen.

»Andy, Mandy, sugar candy,
out goes he (she).«

»One, two, three, four,
Mary at the cottage door,
five, six, seven, eight,
eating cherries off a plate.«

Vijf kinderen staan na de ‘counting-out-rhymes’, de aftelversjes, voor de klas: in spanning wachtend op wat komen gaat.
Mijn ‘golden ring’ helpt echter meteen: we spelen: ‘Ring, you must wander’ en zo worden de kinderen weer een beetje vertrouwder met de Engelse taal.
Het spel gaat zoals het Duitse ‘Ringlein, ringlein, du muss wandern’, maar wij hoeven het Duits niet één keer te hulp te roepen.

‘Have you got the ring?’, ‘yes, I have.’ ‘No, I haven’t.’

Hier wordt een begin gemaakt met kleine gesprekjes. Door het spel vaker te spelen, worden de kinderen zekerder en dat is voor het eerste leren van een andere taal absoluut noodzakelijk. Wanneer de kinderen zich zeker voelen, dan zijn ze veel beter in staat de taal zich echt eigen te maken.

Wanneer nu een paar kinderen voor de klas wat gedaan hebben, moeten armen en benen weer een beetje in beweging komen.

Met het rijm:

Head and shoulders,
knees and toes,
head and shoulders,
knees and toes,

eyes and ears,
and mouth and nose,
head and shoulders,
knees and toes.

gaan we weer naar de lichaamsdelen terug. Stimulerend werken hier de meest verschillende variaties: meer herhalingen van de enkele zinnen, snel, langzaam, met diepe of met hoge stem gesproken.

Het eerste Engelse vingerspelletje:

Two little dicky birds
sitting on a wall.
One named Peter,
the other Paul.

Fly away, Peter,
fly away, Paul, c
ome back, Peter,
come back, Paul.

spreekt heel erg aan en waar het erbij hoort, vliegen beide duimen omhoog.

Ook het volgende liedje moet het van de vingerbewegingen hebben:

Tommy Thumb, Tommy Thumb,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Peter Pointer, Peter Pointer,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Ruby Ring, Ruby Ring,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Baby Small, Baby Small,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Moeiteloos doen de kinderen het na en ze hebben veel plezier wanneer de pink, ‘baby small’, aan de beurt is. Van hoe de kinderen meedoen en wat ze op kunnen nemen hangt het af of ik meteen al in het eerste uur een andere variant van dit liedje ga doen.**

»Where is thumbkin,
where is thumbkin?«
»Here I am,
here I am!«
»How are you this morning?«
»Very well, I thank you.«
»Run away, run away!«

»Where is pointer?«

»Where is middleman?«

»Where ist ringman?«

»Where is pinky?«

Na het zingen, tellen we onze tien vingers: One, two, three, four, five, six, seven, eight, nine, ten….
Als leerkracht voel je of je dit twee of meer keren kan herhalen. Juist na het tellen, merk je bij de kinderen enige trots: nu kunnen wij al op z’n Engels getallen zeggen. En veel kinderen zullen thuis deze nieuwe verworvenheid willen laten horen.

Mijn bal en springtouw die in de laagste klassen steeds met me meegaan, komen nu uit mijn tas tevoorschijn.

We gooien de bal naar elkaar over: ‘One, two, three, four…’en dát springt het kind met het touw: ‘One, two…’. We kunnen hier verder tellen – dat kunnen de kinderen weldra ook.

Bij de op elkaar aansluitende opdrachten: ‘Go to the door. Open the door. Close the door. Go to the window. Open the window. Close the window’, wil iedere eerste-klasser wel aan de beurt komen.

Wanneer de kinderen weer lekker hebben kunnen bewegen, spreken we de versjes nog een keer die met het lichaam te maken hebben en we sluiten af met een van de gedichtjes:

‘The earth is firm beneath my feet’ en ‘God made the sun’.

Thank you for the world so sweet,
thank you for the food we eat,
thank you for the birds that sing,
thank you God for everything.

Op mijn ‘good bye, boys and girls’ antwoorden de eerste-klassers na de Engelse les: Good bye, Mrs Schulz.’

Het ‘open them and close them’, het zich openstellen en in zich opnemen is voor de eerste-klasser echt van belang. Nog altijd hebben de kinderen het vermogen na te bootsen, met het vermogen zo open te staan voor de wereld dat ze de waargenomen handelingen innerlijk en uiterlijk nadoen. Het is verbazingwekkend en voor volwassenen benijdenswaardig hoe snel kleinere kinderen door luisteren en naspreken een taal leren. In de loop van de eerste klas neemt dit vermogen wat af ten gunste van nieuwe geestelijke krachten. Daarom is het een eenmalige kans met het onderwijs in andere talen meteen in de eerste klas te beginnen en dat op die speels-nabootsende manier, die we geschetst hebben. Het wordt vaker door vrijeschoolleerkrachten opgemerkt en betreurd dat de nabootsingskracht bij veel eerste-klassers van nu minder sterk gevormd is dan vroeger. Dit is echter geen reden om de methode te veranderen. Als deze krachten maar opgeroepen worden en actief mogen zijn, worden ze levendiger en sterker.

‘Open them and close them’ – dit motief heeft niet alleen een bijzondere betekenis van dag tot dag, maar ook in samenhang tot de grotere schoolfasen. De taalschat die de kinderen in de lagere klassen zich luisternd en nabootsend eigen maken, wordt in klas vier weer opgheaald en dient als basis voor het leren schrijven en lezen en om de grammatica te begrijpen. Zo wordt het lezen weer een nieuw kennismaken met oude bekenden, het grammaticale werk om op een ander niveau het gewonnen goed te leren kennen. Ook in de andere vakken is dit de ontwikkelingsweg: eerst levend opnemen, dan er kennend in doordringen.

.

*In het Duits staat hier ‘Spruch’. In wezen hebben we hier aan het begin van de les te maken met een stemmig gedichtje, waarmee ook afgesloten kan worden.

**uiteraard zal iedere leerkracht moeite doen om erachter te komen, hoeveel hij de kinderen aan kan bieden en kan laten doen.

.

Christl Schultz, Erziehungskunst jrg. 58, 9-1994

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

1564

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Engels in verschillende klassen

.

Vanaf de start van de vrijeschool in Duitsland werden er al vanaf klas 1 ‘vreemde’ talen gegeven.
Ikzelf spreek liever van ‘niet-Nederlandse talen’, daarmee vermijdend dat een niet-Nederlandse taal ‘vreemd’ gevonden zou worden. Anders, dat wel – maar niet vreemd.

Eén van de eerste leerkrachten aan de eerste vrijeschool in Nederland, in Den Haag, H.Janssen van Raay, schreef een artikel over het vak Engels door de jaren heen, met de nadruk op klas 1, 4, 7, 8, 9 en 12
De schoolkrant van de Haagse school heette toen ‘Ostara’. Ook al is het artikel meer dan 80 jaar! oud, het zou ook vandaag* geschreven kunnen zijn, ware het niet dat stijl en spelling een ver verleden verraden.

UIT DE ENGELSCHE UREN!

Een belangrijk en interessant deel van hun leven brengen de kinderen door in de school.
In arbeid en inspanning, in vreugde en leed, in geven en nemen, ontwikkelen, ontplooien zij zich. Zij moeten zich veroveren een kunnen en een kennen, een weten en een begrijpen, een vreugdigen eerbied voor het schoone der aarde, een medevoelend verstaan van het verkeerde en een oprechten wil om zich te scharen onder de strijders in dienst der menschheidsontwikkeling.

Groote wendingen maakt het wezen van het kind door in zijn ontwikkeling gedurende de schooljaren, telkens vertoont het zich op andere wijze, telkens stelt het andere eischen.
Het onderwijs moet dus evenzoo bewegelijk zijn en zich telkens kunnen voegen en keeren al naar de ontwikkelingsphase van het kind.

Een eenvoudig voorbeeld moge hier gegeven worden uit het onderwijs in het Engelsch.

Hoe behandelen we de werkwoorden door de rij van leerjaren?

We hebben een Engelsch uurtje in een 1ste of 2de klas.

Een gedichtje gaan we voorbereiden en tegelijkertijd den kinderen het verstaan en hanteeren van een paar werkwoorden aanbrengen.

In the heart of a seed,
Buried deep, so deep,
A little plant lay fast asleep.
Wake! said the sunshine,
And creep to the light!
Wake! said the voice of the raindrop bright. etc.

De woorden uit het eerste coupletje kennen ze al: ze teekenden zelf op het bord de dichte, donkere aarde, waar het kleine zaadje, met het slapende plantje, diep in begraven lag.

Allemaal kruipen ze nu in elkaar en onder de banken, plantjes zijn ze geworden „fast asleep” in een zaadje. De meisjes trekken hun rokjes over het hoofd.

Fluisterend vraag ik: — Lida, do you sleep? en het antwoord komt: — Yes, I sleep. De heele klas fluistert samen: —. She sleeps.

— Dit kunnen we bij verschillende kinderen herhalen, want kinderen léven in de herhaling en als een spelletje eens prettig gevonden is door de kleintjes, dan kan men het nooit genoeg herhalen.

Dan zetten we er één op de tafel, om flink hoog te zijn; een stralen-hoedje van goudpapier toont duidelijk, dat hij de zon is, en met luide stem roept hij dan ook:

— Wake, and creep to the light!

Een regendrupje, staande op de achterste bank, roept tegelijkertijd: — Wake, wake!

Nu begint het onder de banken te krioelen van ontwakende plantjes, die den weg naar het licht zoeken. En ik vraag: — Every plant awake?

— Yes, we are awake!

Dan wordt dezelfde vraag nog aan verschillende leerlingen apart gesteld, waarop telkens het antwoord, I am awake, door de klas ensemble herhaald wordt in de vormen: You are awake, of She is awake.

Nu kruipen ze allen uit hun duistere schuilhoekjes de zon tegemoet, die nog steeds roept: Creep to the light!

Waarop het werkwoord to creep aan de beurt is en op dezelfde wijze behandeld wordt.

Kennen ze alle werkwoorden uit het gedichtje, weten ze de werkwoorden zoo in kleine zinnetjes, waarmee natuurlijk eerst geholpen is, te gebruiken, dan reciteeren we het rhythmisch en leeren het al spelende.

Dit is de grondslag; hierop wordt later voortgebouwd. Wat is er n.l. gebeurd?

Het hooren en spreken is verbonden met het doen: in het geheele lichaam is het werkwoord opgenomen door het bewegen, het spelen. Het hoofd, het denken heeft er zich nog maar heel even mee beziggehouden, slechts door middel van de fantasie; het rhythmisch systeem was er al wat meer mee verbonden, n.l. door de vreugde, waarmee het kind in het spelen leefde; doch de ledematen waren er geheel door in beslag genomen en zijn er nu mee vervuld: zij hebben het werkwoord en zijn vormveranderingen leeren kennen en begrijpen.

In de 4de klasse wordt begonnen met de grammatica.

Dat klinkt heel straf, maar zoo erg is het niet. Want nog zijn de kinderen niet op dien leeftijd, dat men aan het bewuste denken kan appelleeren.

‘De leerlingen kunnen nu al kleine vertellingen in het Engelsch verstaan en moeten zelf een weg gaan vinden in het proza.
Ze zijn nu in- of reeds dóór den overgang van het 9de jaar en staan voor het eerst met een bewuste belangstelling tegenover het leven op aarde.

Een heerlijk wijd arbeidsveld bieden ons de verschillende ambachten.

De klas is een smidse, onder het bord brandt een vuur, de banken zijn aambeelden en allen zijn aan het smeden. Of we zijn in een tuin en helpen den tuinman. Ieder verzint een werkje, dat hij in een tuin kan doen. Zelfs de luiaard, die in het gras wil liggen slapen, krijgt zijn zin. Maar we leeren alle werkwoorden en ieder moet zijn eigen werkje in het Engelsch leeren zeggen. Nu stellen we er samen een eenvoudig prozastukje van op, bijv.:

What are we to do in the garden? One is raking the path; Mary gathers the roses, etc.

Tot zoover zijn we dus weer uitgegaan van het doen: doch nu nemen we een werkwoord er uit, d.w.z. één der kinderen komt voor de klas en mag zijn eigen werkje voordoen waarbij hij het noemt: I mow (the grass). De klas herhaalt: You mow; een ander loopt voorbij, ziet wat de eerste doet en zegt: he mows. Zoo komen we tot alle vormen van den tegenwoordigen tijd. Nu wordt de heele tijd klassikaal en in een streng rhythme gereciteerd. Bij het volgende werkwoord behoeven we de brug over het voordoen niet meer; maar, voor we het kleine prozastukje opschrijven, — want in deze klas beginnen we ook met het schrijven van de vreemde talen —, reciteeren we alle werkwoorden, die er in voorkomen.

De volgende les brengt dan van zelf den verleden tijd met de vraag: What did we do last time?

Uit het stofwisseling-ledematen-systeem, dat we voornamelijk gebruikten in de eerste leerjaren, zijn we nu gekomen tot het rhythmisch systeem, waaraan we appelleeren, niet meer alleen door vreugde en leed, die het kind in de klas bij het spelen ondervindt, maar ook door het bewust reciteeren van de werkwoordsvormen op velerlei wijzen. Het kennen, begrijpen en gebruiken der werkwoorden gaat dus nu ook over het rhythmisch systeem.

In de 7de en 8ste klassen kunnen we langzamerhand appelleeren aan het denken. De vragen: „welke werkwoorden zijn regelmatig, welke onregelmatig?” of „hoe wordt de verleden tijd gevormd?” komen aan de orde, nu de kinderen ze in het gebruik al kennen.

Beginnend bijvoorbeeld bij de onregelmatige werkwoorden, die de oudste zijn, gaan we schilderen den vorm van het werkwoord, zooals zij is in den tegenwoordigen tijd in een actieve kleur en vorm, – bijvoorbeeld een sterfiguur in licht rood —. Dan als ’t droog is, schilderen we er een violetten of blauwen sluier overheen, den sluier van het verleden, en we zien dat de kleur van rood tot paars verandert, zoo verandert ook de heldere kleur van de i (ai), in to rise in de meer gesloten o van rose, en de o van to draw in de doffe oe van drew.

We schilderen daarna, hoe bij de regelmatige werkwoorden die nieuwer zijn, d.w.z. later ontstaan en nog steeds ontstaan, de sluier van’het verleden niet meer zoo’n macht heeft, niet meer zoo ingrijpend werkt, maar eerder licht over den stam heen glijdt, nu echter hierdoor gegrepen wordt en een slipje achterlaat: to work – workcd.
— Immers toen de spraak nog aan ’t ontstaan was en de verschillende woorden nog moesten worden gevormd, worstelde de menseh om met de taal uit te drukken, wat hij meende, en schiep, met alle kracht van zijn nog ontluikend bewustzijn, in de klankformaties zich te doen verstaan. Vanzelf werden de vormveranderingen ingrijpender.

Tegenwoordig spreken we haast mechanisch en gebruiken onwillekeurig de eenvoudigste wijzen om de nieuw ontstaande woorden aan de taal aan te passen.
Ook bij het gebruik van de verschillende tijden kunnen we beelden geven, die geteekend of geschilderd worden. Men kan bijv. de progressive form, die een durende werking aangeeft, voorstellen door geleidelijke lijnen, in een passieve kleur: deze worden dan plotseling doorbroken door een of andere actieve figuur: den verleden tijd, die het onmiddellijk gebeuren aangeeft.

„I was writing a letter, when he entered.”

Natuurlijk blijft men nog steeds gebruik maken van het reciteeren.

Doch door het vinden van beelden komt men het ontwakend denken tegemoet en men dwingt het niet onmiddellijk in abstracte begrippen, zoodat het zich vrij kan ontwikkelen.

In de 9de klas staat de grammatica als hoofdzaak in het leerplan.
De kinderen zijn nu ongeveer 15 jaar, de puberteit gepasseerd en vol geïnteresseerd in het leven op aarde: ze voelen zich of ze de aarde gevonden hebben en haar zoo snel mogelijk moeten veroveren : en wenschen zich nu ook gauw thuis te gevoelen in de maatschappij en haar techniek.

Veel belangstelling voor poëzie is er niet meer en nog niet. In de talen willen ze nu ook met hun denken houvast krijgen en vinden daarvoor in de grammatica gelegenheid.
Uit de taal worden de regels gedestilleerd, opgeschreven en geleerd. Zelf moeten ze telkens weer voorbeelden en uitzonderingen vinden.
Van alle verschillende vormen en gebruikswijzen geven ze zich nu rekenschap, logisch en exact denken voert hen tot het skelet van de taal: de grammatica.

In de hoogste klassen houden we ons bezig met de taal der groote dichters en schrijvers van alle eeuwen, we bestudeeren Shakespeare, poetiek, metriek, etc.

Dan valt er tot slot nog te leeren hoe de verschillende werkwoorden gebruikt worden. Hoe de beteekenis verandert door het figuurlijk gebruik, door een overmatige accentueering, enz. Hoe sommige werkwoorden veel gebruikt zullen worden in het epos, hoe hun synoniemen zich meer leenen voor de lyriek. En wonderlijk is het dan te vinden, hoe deze verschillen in beteekenis, in gebruik ten nauwste samenhangen met de klanken, waaruit de woorden zijn opgebouwd, hoe bijv. woorden met veel vocalen in de lyriek graag gewild zijn, terwijl de sterk consonantische woorden beter te gebruiken zijn in het epos.

Zoo zijn we dus eigenlijk weer terug gekomen tot het luisteren naar de klanken, hetzelfde wat gedaan wordt in de eerste klassen. Waar we toen luisterden zonder het bewustzijn, maar met het lichaam in het doen, trachten we nu met ons bewustzijn te luisteren naar wat de klanken en hun samenstellingen ons willen openbaren uit het Oerwezen der menschheid.

Behandelt men op een dergelijke wijze ook de verschillende andere elementen van de taal, dan heeft in den loop van zijn ontwikkeling zoo het geheele wezen van het kind zich ermee kunnen verbinden en hiermee de gelegenheid gekregen zich voor haar te interesseeren en zich haar eigen te maken zoover als persoonlijke aanleg dit toestond.

H. JANSSEN VAN RAAY, Ostara 3e jrg. 5/6-okt.1930
.

*Dat het in de bovenbouw (9 t/m 12) om wat voor redenen dan ook anders toegaat, blijft hier buiten beschouwing.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

 

1051

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Engels – lagere klassen

.
(Mrs Riet (Simmers) vrijeschool Groningen, nadere gegevens onbekend.
.

ENGLISH IN THE LOWER FORMS
.

The first form:

Mr. Ebe has introduced me as Mrs Riet, having just arrived from a country
far away over the sea. A “little goblin” straight from the English fairy-
tale world kept me company and bought little treasures for the children,
stones, marbles, ,  flowers etc.

Trying to be as English as possible we clap hands together and concentrate on our fingers, which are lost and found again in the song;

Tommy Thumb, where are you?
Here I am; How do you do?

The same goes for Peter Pointer, Toby Tall, Ruby Ring and Baby Small

If we get hungry we mix a pancake:

mix a pancake
stir a pancake,
put it in the pan,
fry the pancake,
toss the pancake
catch it, if you can !*

Finally there is a story to be told, “The three little pigs”

By now mrs Riet has been discovered to learn the Dutch language very quickly, but we try to remain English; polite, formal (with a hidden roughness) and following the invitation which, I think, the language offers so clearly of moving into drama.

The second form:  (Mr. Ric)

In the second form the “little goblin” is sent back to his homecountry. The fingers move about less innocently as in:

Ten little soldiers stand op straight
make a gate
make a ring
go to the king
dance all day and hide away.

And “Old King Cole” is there to reign over them, in the song:

Old King Cole was a merry old soul.
and a merry old soul was he,
he calïed for his pipe,
he called for his bowl
and he called for his fiddlers three.

Also a few animals are being played and and sung about:

Look at the terrible crocodile
J-oh, J-oh, J-oh.
He’s swimming down the River Nile
J-oh, Joh-, J-oh.
Look at his jaws are open wide.
J-oh, J-oh, Joh,
A little fish is swimming inside
J-oh, J-oh5 J-oh.

At the moment we are very buzy with boats especially sailing boats.

We have little conversations with the captain of the boat about the interior of the classroom.

Is this the floor?   Yes, it is.
Is this blue?, no, it isn’t.

And at the moment there is a little play, with Henny, Penny, Cocky, Hocky, Wucky-Waddles, Goosey – Poosey and take care!   Foxy Woxy.

The third form  (Miss Mart)

Trades and handcrafts are in the air.

There is a cobbler down the street
Mending shoes for little feet.
With a bang and a bang and a bang, bang, bang
Cobbler, Cobbler mend my shoe
get it done by half past two.

and

Blow, Wind, Blow
Go, mill, go
that the miller may grind his corn
that the baker may take it,
and into bread make it,
and bring us a loaf in the morn.

0, the brave old Duke of York
he had ten thousand men.

(the children will surely know how it goes on).

We learn the days of the week and more and more words are being introduced in our conversations.

At the moment we talk a lot about houses, and we have a little play about
“Six little men”, that built a house together.

Tinker, Tailor,
Soldier, Sailor,
Rich man, Poor man,
beggar man, thief,
Goodbye to all of you,
I will take my leave.
.
Zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule
.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen
.
1e klasalle artikelen
.
Vrijeschool in beeld1e klas

.

624-573

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.