Categorie archief: heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – de ploeg

In onderstaand artikel wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van de ploeg.
Die geschiedenis hoeven de kinderen m.i. niet in hoofdzaak te leren. Wat belangrijk is, staat in het artikel: ‘heemkunde: over ‘hand’elingen.
Ook niet allerlei namen van ploegen en onderdelen, een paar soorten natuurlijk wel en wanneer je dit weet en kunt aanwijzen wanneer je bijv. in een museum (Openluchtmuseum Arnhem) bent waar ze staan: ploegboom; ploegstaart; zoolijzer; rister; schaar; slof; meskonter – ja, dan weet je als 9-jarige wel wat!
N.a.v. de verhalen over Thubal-Kaïn kunnen de kinderen meedenken over hoe het gereedschap eruit moet zien om de aarde te kunnen bewerken.
Het uitgangspunt is steeds de hand.
Ze zullen dan ‘vanzelf’ op de hak en ander gereedschap komen en dan kun je laten zien dat de mensen ‘vroeger’ dat ook zo deden.
Gaffel- en hakachtige vormen zijn nog steeds in het bos te vinden.
Ga ze met de kinderen zoeken of stimuleer hen ze zelf op te zoeken en mee te nemen naar de klas.
Dan ermee werken in de grond of in de zandbak.
Als de kinderen met hun handen zelf een soort ploegblad hebben gevormd, begrijpen ze de ontwikkeling naar de grote metalen ploegbladen heel goed en ook dat er met de tractor ‘meer handen’=ploegbladen tegelijk kunnen worden ingezet.
Zo’n tractor met ploeg zou je ook bezig moeten kunnen zien.
Heemkunde is niet terug naar nostalgische tijden, maar vanuit het verleden een verbinding leggen naar vandaag de dag. Met bewondering voor wat de menselijke geest vermag te scheppen en daardoor ook bewondering voor de technische hoogstandjes van nu.

.

ploeg

De ploeg in het heemkunde-onderwijs op de vrijeschool

De wordingsgeschiedenis en de praktische toepassing

Opmerking vooraf:
Deze bijdrage is bedoeld als hulp bij het werk voor zowel de tuinbouw- als ook de klassenleerkracht aan een vrijeschool.

Omdat  het ploegen in de 3e klas vaak sterk afhankelijk is van de plaatselijke omstandigheden, wordt er hier alleen het allernoodzakelijkste over gezegd. Het deel met het ontstaan van de ploeg krijgt de meeste aandacht. Veel illustraties  leek mij* belangrijker en stimulerender voor een verder gebruik in het onderwijs. Wanneer je deze stof bestudeert, doe je interessante ontdekkingen. Zo viel het mij op dat al in heel oude tijden een koehoorn of een gewei een rol speelden, dus van die dieren die we bij het maken van preparaten weer tegenkomen. Ook de beschrijvingen van de ploeg en de woorden daarbij laten belangrijke samenhangen zien. De meeste woorden uit andere talen komen van de ploegenshow in Hohenheim in het jaar 1958. Een paar talen werden er nog bijgezet. Wat ik van de geschiedenis van de ploeg aanduidt, heb ik voornamelijk uit het boek van Emil Werth: ‘Graafstok, hak en ploeg’. De meeste oude afbeeldingen komen, in zoverre niet anders vermeld, uit dit boek; die van de gaffelspade bv. uit het werk van Karutz (zie literatuuropgave).

De ontwikkeling van de ploeg waarvan ik de wezenlijke trekken inzichtelijk wil maken, kan niet los gezien worden van de cultuurplanten, dier en mens. Daarom werd de tabel met de verspreiding van de cultuurstromen toegevoegd.

De eerste ontmoeting met bodem en ploeg hebben de leerlingen in de 3 klas tijdens de heemkunde. De klassenleerkracht schetst de oerberoepen: de boeren en het daarmee verbonden handwerk (smid, molenaar, bakker enz). Op veel vrijescholen is het een gewoonte geworden dat deze beleving niet alleen in de klas plaatsvindt of dat de klas toekijkt hoe de boer ploegt, maar dat de kinderen zelf in de schooltuin ploegen. Hier kunnen ze beleven hoe de grond gekeerd wordt. Die ploegdag zullen leerkracht en kinderen niet gauw vergeten. De leerkracht kan veel waarnemen bij zijn leerlingen. En hoe gelukkig zijn de kinderen bij het ploegen niet, wanneer het hen lukt om een mooie rechte voor te trekken. Ook kunnen de kinderen waarnemen hoe tot hun verwondering als na een paar rondjes de lichte roest verdwenen is en de schaar en het ploegblad glanzen! (Rust-roest). Met het ploegen begint het praktische gedeelte van het heemkunde-onderwijs in klas 3 dat zich over de hele 3e, maar ook tot in de 4e klas kan uitstrekken: zaaien van de belangrijke graansoorten, oogsten, dorsen, broodbakken.

kinderen trekken ploeg
Vrijeschool Kassel: 3A en 3B samen aan het ploegen op de Essenhof: de eerste vore is getrokken!

De wiel- of karploeg
Om met de 3-klassers te ploegen, is de kantelploeg goed geschikt. Hier moet de boer zelf de diepte en breedte bij het ploegen regelen. Veel scholen beschikken over een karploeg. Bij deze kan de diepte en breedte van te voren ingesteld worden, waarbij de ploeg makkelijker te sturen is, maar meestal moeilijker te trekken. Omdat de meeste scholen geen os of paarden bezitten, trekken de kinderen zelf de ploeg en op deze leeftijd spelen ze nog graag de rol van trekdier. Voor een kleine ploeg zijn 8 kinderen genoeg. Het aantal is afhankelijk van de grond en de grootte van de ploeg.
Als de voren breed zijn, is het bijna niet te vermijden dat het trekkende kind aan de rechterkant over de geploegde grond moet lopen. Mij lijkt het belangrijk dat dat de kinderen een stuk ploegen dat dan later in het passende jaargetijde weer bewerkt wordt.Daarom moeten ze ook ervaren hoe de boer op grote stukken ploegt.

Bovengenoemde ploegen werken naar rechts en zijn alleen geschikt voor het zgn. ‘bedden’ploegen. Hierbij ga je aan het einde van een vore of naar links of naar rechts. Bij grote lappen grond worden ze beide afgewisseld naast elkaar
ploeg 21=ploegboom; 2=ploegstaart; 3= zoolijzer; 4=rister; 5=schaar; 6=slof; 7=meskonter

uitgevoerd. In beide gevallen wordt vooraf een ondiepe vore getrokken zodat dan bij de eerste echte vore de aarde niet op ongeploegde grond valt. Bij het spitten in de tuin gaat het net zo.

De kantelploeg om met derdeklassers te ploegen kan makkelijk gebouwd worden. Ploegboom en ploegstaart kunnen van hout worden gemaakt. Het ploegblad kun je beter ergens kopen. De maten die erbij staan zijn die van de ploeg van de vrijeschool in Stuttgart (Uhlandshöhe) die al 30* jaar meegaat.

ploeg 3

Omdat de leerlingen de daaropvolgende jaren weinig meer met de ploeg doen – ook bij de tuinbouw gaat het meer om de spade, volgt nu een kort overzicht over de ontwikkeling van de ploeg. In de 5e klas bij de geschiedenis van de oude culturen kan je er als klassenleerkracht weer op terugkomen. Ook de tuinbouwleerkracht kan, wanneer het buiten te slecht weer is om te werken, het over de ploeg en de ontwikkeling daarvan in de geschiedenis, ingaan en in de klas een paar ploegmodellen tekenen.

Wetenschappelijk onderzoek heeft aan het licht gebracht dat de ontwikkeling van de ploeg ontstaan is in het gebied waar ook de hak gebruikt werd. De ploeg is in een bepaalde streek ontstaan en heeft zich vandaaruit verspreid. Hij is niet bepaalde plaatsen gelijktijdig ontstaan. De verschillende typen ploeg hebben zich wel op een afzonderlijke manier verder ontwikkeld en verspreiding gevonden. De streek waar de hak werd aangetroffen omvat Midden- en Zuidafrika, India, het Maleise eilandengebied en loopt wel tot in Amerika. Het belangrijkste element van de hak is de graafstok.

ploeg 4Gaffels uit Klein-Azië, van de Basken en uit Nuristan (Afghanistan)

ploeg 5Werken met twee graafstokken. Batak (Sumatra)

ploeg 6Baskenland: werk met de gaffel (daar Laya geheten)
Een man werkt er met twee; meerdere mannen naast elkaar stoten in een ritme de laya in de grond

Er waren ook huisdieren: kippen, honden en geiten; in bepaalde streken ook runderen, schapen en varkens; in Afrika zou al een eenvoudige bijenhouderij zijn geweest. Als voedingsgewas speelt de banaan een belangrijke rol. Het gebied waar de ploeg werd gebouwd strekte zich uit van Noord-Afrika en Europa tot in Azië. In India en de Maleise eilanden overlapt deze de gebieden van de hak. Als begin van de ploegcultuur worden India en Afghanistan genoemd. Met de ploeg raakt ook het rund en later het paard in zwang. Je treft er gerst en tarwe (vooral de oervorm ervan) als cultuurplanten aan. In Voor-India en de buurlanden vind je de grootste variatie aan ploegvormen binnen het gebied van de ploegbouwcultuur.

ploeg 7Graafstokvormen uit Zuidoost-Azië. Rechts een graafstok met koehoorn als punt – eiland Sylt.

ploeg 8Hakken uit Zuidoost-Azië en Afrika.
Naast hout werden ook antilopenhoorns, koehoorns, hertengeweien gebruikt; later metaal.

ploeg 9Bijlen uit het neolithische tijdperk

De ploeg is niet uit de hak ontstaan, maar uit de graafstok ontwikkeld. De graafstokploeg bestaat uit een graafstok die een bepaalde trekmogelijkheid heeft (ploegboom, soms een touw)

ploeg 10Graafstokploeg, haakploeg. De vorm is een van de oudste.

De graafstokploeg vind je verspreid over heel het gebied waar ploegen worden gebouwd en in een paar streken is hij tot kort geleden blijven bestaan, ook voor speciale doeleinden. In Bohuslän (Zweden) ontdekte men rotstekeningen uit de bronstijd die zo’n type ploeg met runderen ervoor en de ploeger laten zien.

ploeg 11Indiase ploeg uit Bengalen

De Indiase ploeg onderscheidt zich boven alles door zijn korte zool die meestal met de schuin naar achter gerichte ploegstaart uit één stuk bestaat. In een stompe hoek zit met pen- en gatverbinding de ploegboom eraan vast, schuin naar voren omhoog; aan het vooruiteinde kan het dubbele juk voor de trekdieren bevestigd worden. Er zijn ook Indiase ploegen waarbij zool en staart samengesteld zijn, waarbij de pen- en gatverbinding voor de ploegboom door deze combinatie geboord wordt.

ploeg 12Ploeg uit Pendik aan de Zee van Marmora

ploeg 13Eenvoudige ploeg (Duits: Vierkantpflug -geen juiste vertaling kunnen vinden-) uit Breddin (Oostpriegnitz)

De Maleise ploeg kan uit de Indiase ploeg worden afgeleid. De zool is sterker ingekort, bovendien heeft deze een ploegschaar die vervangen kan worden; deze bestaat  uit bijzonder hardhout, later ook uit ijzer vervaardigd.
Graafstokploeg, Indiase en Maleise ploeg zijn uitgesproken  jukploegen.

Dat de ploegen zich niet alleen na elkaar, maar ook gelijktijdig ontwikkeld hebben, is te zien aan de Chinese ploeg die terug te voeren is tot de graafstokploeg. Bij de Indiase ploeg vind je vaak een houten steunstuk tussen ploegstaart en ploegboom, aangebracht in de bovenhoek. Bij de chinese ploeg zit dit in de benedenhoek tussen staart en boom, omdat hier geen jukbespanning gebruikelijk is; de ploeg wordt met trekbanden en zwenghout getrokken. Daarom zit de ploegboom schuin naar beneden en is er een steun van onderaf nodig. Door dit verstevigingshout zet de ontwikkeling naar zoolploeg in. Het steunhout wordt zoolijzer en zo zie je een vierkante ploeg voor je. Er is wel verschil met het Europese vierkant dat maar een ploegstaart heeft, steeds zwenkploeg blijft en een rister voor het zoolijzer heeft. Deze ontwikkeling kun je aan de oude Chinese rijstploeg aflezen.

ploeg 14Zuid-Chinese ploeg

De kruimelploeg is vanaf de nieuwste steentijd tot in de laathistorische en het jongste verleden te vinden. Hij kan wel de meest bekende ploeg van de wereld worden genoemd. De kruimelploeg is genoemd naar het deel achteraan dat gebogen is, dus een kromme ploegboom is, die in het onderhavige geval met de zool uit één stuk is samengesteld. De aan de voorkant spits toelopende  zool dient als schaar of er wordt een opzetstuk opgezet. Achter aanhechtpunt van de kruimel bevindt zich dikwijls de loodrecht opgebrachte staart met handgreep.

ploeg 15Ploeg uit Walle (jonge steentijd)

Een heel goed voorbeeld is de ploeg van Walle bij Aurich (Oost-Friesland – Duitsland). Hij werd gevonden onder een 1.70m diepe turflaag. De ploeg is van eikenhout, die zool is 60 cm., de kruimel(stok?) 3 meter lang. Door analyse van pollen heeft men vast kunnen stellen dat de ploeg uit een jongere fase van de jongste steentijd stamt. Ook in Papau bij Thorn vond men in een moeras een ploeg van dit type uit eikenhout met gelijke maten, ook uit die tijd. De kruimelploeg is ons bekend uit vondsten en afbeeldingen uit het neolithicum, de bronstijd, ijzertijd, maar ook uit afbeeldingen uit de Hallstadtijd, de Etruskische, Griekse en Romeinse tijd. In het Middellandse Zeegebied kun je deze vorm ook nu nog vinden.

ploeg 16Ploeg uit Dabergotz

Een verdere ontwikkeling van de kruimelploeg vind je in de prehistorische ploeg van Dabergot (Brandenburg). Deze heeft een roeipootvormig blad, voor de zoolpunt is een versterking bevestigd en de steel ervan gaat door een gat.
Deze ploeg heeft zich later ontwikkeld tot de Mecklenburger haak die tot in de 19e eeuw in gebruik was.

ploeg 17Mecklenburger haakploeg

De Mecklenburger haakploeg is een hoog ontwikkelde vorm van een kruimelploeg die wel beperkt bleef tot het Duitse gebied. Hij staat in samenhang met het Nederduits en de daarbij horende boerderijvorm. De Mecklenburger haakploeg onderscheidt zich vooral door de staart die door de kruimel naar de zool gaat. Met de verdere ontwikkeling hangt ook de verbouw van (amel)koren samen.

Naast de al genoemde rotstekeningen in Bohuslän zijn daar ook afbeeldingen te vinden van voorlopers van de vierkantploeg.
Hier zie je het gespan, de horizontale ploegboom en de sterk gebogen achterboom die tegelijkertijd de ploegkop en de staart voorstelt met de loodrechte verkruimelaar. Zulke ploegen bestaan nog steeds.

ploeg 18Rotsgraveringen uit Bohuslän, Zweden, bronstijd

Ook de Turkse ploeg hoort hierbij. Bestaan bij de kruimelploeg ploegboom en zool meestal uit één stuk, staan bij de vierkantploeg staart en zool in verband. De ploegboom zit in of dichtbij de hoek van de zool en de staart, bovendien is er nog een steun voorhanden.
In Turkije laten deze ploegen een belangrijke verbetering zien. Meteen na de kruimelstok schuin naar achter gericht zitten twee ‘oren’die de ploegvoor verbreden. Je kunt er het begin van onze strijkborden in zien. Later worden uit deze oren smalle borden waaruit zich dan weer de ploeg met het eenzijdig grote strijkbord kan ontwikkelen. Een nog verdere ontwikkeling komt met de voorsnijder, de kouter. Tenslotte krijgt de ploeg een betere beweeglijkheid door de wielen. Een technisch volmaakte vorm is bereikt, die tot nu toe gebleven is (tot de trekker het trekdier verdrong).
In de vorm met dubbelstaart, eenzijdig strijkblad en wielen treffen we de ploeg aan in de 10e eeuw na Chr. Ook Plinius (79 na Chr.) zou de wielploeg al beschreven hebben.
Kouter en ijzeren ploegschaar zijn al in de laatste eeuwen voor Chr. in gebruik. Dit type ploeg was sterk verbonden met de cultuur van het noorden.
De Romeinen hebben de vierkantploeg hoofdzakelijk van de Germanen overgenomen. Het uitbreidingsgebied van de vierkantploeg dekt in hoofdzakelijk het gebied waar eenkoren verbouwd werd.  Het gebogen strijkblad zoals wij het kennen bij de aangespannen ploeg verschijnt voor het eerst in hert begin van de 18e eeuw.

ploeg 19Oud-Chinese voorstelling van een ploeger

ploeg 20Graafstokploeg uit Libanon

ploeg 21Oud_Egyptisch, twee staartenploeg, dubbele schaar. Grafschildering

ploeg 22Voorstelling van een kruimelploeg op een oud-Griekse drinkschaal van Nikosthenes uit de 6e eeuw v.Chr.

Een ander type is de ploeg met twee ploegstaarten, soms met twee ploegscharen die in de Egyptisch-Babylonische tijd heel belangrijk waren. Nu zie je hem nog in de Russische (Duits: Zoch). De ploegboom is een vorkdissel geworden.
Door de grafschilderingen zijn er mooie afbeeldingen van de Egyptische ploeg.
Uit de Babylonische tijd zijn er afbeeldingen die deze ploeg met een daarop geplaatste zaaitrechter laten zien.

Om de ontwikkelingsgang van de ploeg verder te volgen, zullen we nu het oerverleden verlaten en ons richten op de nieuwe tijd.
We kunnen aansluiten bij de al genoemde aangespannen ploeg. Tot de 2-schaarploeg behoren ook de meerscharenploegen die hoofdzakelijk vroeger voor het vlakploegen werden gebruikt. De keerploeg (draaiploeg, wentelploeg) kunnen in dezelfde voor terugploegen. Ze hebben zich bijzonders bewezen op glooiend terrein.

Wanneer je met de leerlingen over de ploegen in deze tijd spreekt, zij gewezen op het boek van Max Eyth: ‘Hinter Pflug und Schraubstock’
Hierin wordt o.a. op een aanschouwelijke manier een wedstrijd tussen twee systemen van stoomploegen (Fowler en Howard) weergegeven die 100 jaar geleden in Egypte plaatsvond. Deze vertelling is heel geschikt als een spannend verhaal. Zo’n ‘locomobiel’ met een bijbehorende ploeg staat tegenwoordig op het terrein van de landbouwhogeschool in Stuttgart-Hohenhem.

ploeg 23Oude ploegtypen die er nu nog zijn: houten ploeg uit de Hunsrück

ploeg 24Houten ploeg uit Tenerife

ploeg 25Vanuit het centrum van de ploegbouw uitgaande ploegcultuurstromen

Op veel vrijescholen worden in de bovenbouw landbouwpractica gehouden** Zo zou er nog een keer een ontmoeting met de ploeg kunnen plaatsvinden.
Van een beschrijving van moderne ploegen en apparaten kan hoer worden afgezien. Door de zich ontwikkelende techniek zullen de leerlingen nauwelijks gelegenheid krijgen  met een aangespannen ploeg het ploegen te leren. Ook ploegen met een tractor kan maar in een paar gevallen mogelijk zijn.
De leerlingen kunnen wel bekend worden gemaakt met de problemen van het bewerken van de bodem.
Het moet nog worden opgemerkt dat de boer die achter de aangespannen ploeg loopt, zijn akker zeer grondig leert kennen. Door zijn voeten weet hij hoe de verschillende plaatsen zijn. Vanaf de tractor kun je dat niet meer zo subtiel vaststellen. Ook is het bij het ploegen met de trekker de kans groter dat je te diep of te nat ploegt, waarbij je de bodem beschadigt.

De moderne landbouw houdt zich voor een deel  met de vraag bezig of er nog wel geploegd moet worden of dat het losmaken van de grond genoeg is. Beantwoording van die vraag zal steeds afhankelijk zijn van de bodemstructuur en de manier van landbouw bedrijven.
Al deze vraagstukken moeten voor de leerlingen tijdens het practicum aan de orde komen
Het werken met de biologisch-dynamische landbouwmethode  maken het mogelijk de techniek op een positieve manier in te schakelen; meer nog moeten de kosmisch-aardse samenhang in ogenschouw worden genomen die nodig is voor een gezondhouden van de plantengroei. Daarom is het belangrijk dat een practicum op een biologisch-dynamische boerderij nog volgt.

Wanneer er tijdens de schooltijd een herhaalde ontmoeting met de ploeg (praktisch en theoretisch) plaatsvindt, kunnen de leerlingen later misschien inzien hoe sterk de ploeg met name de ontwikkelingsgang van de mens begeleid heeft.

.

Literatuur:
Emil Werth: Grabstock, Hacke und Pflug -niet vertaald
Eduard Hahn: Die Entstehung der Pflugkultur  – niet vertaald, vanaf de link te downloaden
R.Karutz: Die Völker Europas – niet vertaald
K.Dieckmann: Der kleine Schlipf – niet vertaald

*Reinhart Ziller, Erziehungskunst *7/8- 1976

**Voor zover bekend: niet in Nederland. De practica vinden plaats in het bedrijfsleven, winkels, scholen, zorginstellingen enz.
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

Musea:o.a.

Anna Pauwlona
Arnhem
Borculo
Luttenberg
Oldenbroek: video met voorbeelden van werken op het land
Overasselt
Reusel

aanvulling welkom: pieterhawitvliet -voeg toe apenstaartje gmail punt com

1019-945

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (7)

3e klas heemkunde

Over de vierde klas kun je soms lezen hoe het kind van 9 à 10 daar kan gaan veranderen. Hoe daar een ontwikkelingsperiode wordt afgesloten en een nieuwe begint. “De poort is-gesloten”, staat daar dan te lezen.

Niet zonder begeleiding laten wij het kind de poort uitgaan.

In de derde klas proberen we het kind zekerheid en geborgenheid mee te geven. De vertelstof geeft dit gevoel zeer nadrukkelijk.

In de scheppingsverhalen [1] beleven ze nog eens hoe de gehele aarde doordrongen is van de God-Vaderwereld.
De verhalen van de drie Kaïnszonen vertellen hoe de mens langzamerhand. burger van de aarde wordt; hoe hij de aarde gaat ontdekken en bewerken.
Dan volgt de geschiedenis van het volk Israël; een doorlopende geschiedenis van vallen en opstaan, van het zich onttrekken aan de macht van Jahwe en dan weer terugvinden. Steeds weer is Jahwe er die hen tegemoed komt, die tot hen spreekt, die hun de helpende, hand reikt.

Geborgenheid en vertrouwen ook in de leerstof die in de derde klas duidelijk het karakter van oefenstof heeft.
Dat wat in de eerste twee jaren is aangelegd moet in de 3e klas een vaardigheid worden. Het kind moet er zich zeker in gaan voelen; van zichzelf het gevoel hebben dat hij de vaardigheden van schrijven, lezen, rekenen kan hanteren.

En dan de heemkunde, een vak waar voor het eerst in de derde klas periodes aan gewijd worden, in de lagere klassen wordt het eerder verwerkt in de leerstof.

In de verhalen laten we zien hoe de aarde is opgebouwd uit de krachten van de vier elementen. ln een verhaal heb ik verteld hoe wij aan onze bakstenen komen (later nodig voor de huizenbouw).

Hoe regen, wind, zon en vorst uitwerken op de massieve bergmassa’s en door de rivier afgezet, wij langs onze wateren de klei vinden, die later tot bakstenen gevormd in de wind staan te drogen en dan door het vuur weer tot bikkelhard gesteente wordt gevormd.

Steeds weer komen de elementen terug. Ook als we later met de hele klas bij de smid staan en de  smid het in het vuur verhitte ijzer in één slag buigt, (Een klassikaal ooh’! onderschrijft de verbazing én beleving van de kinderen).

Ja ook de ambachten horen tot de heemkunde, naast de periodes over het graan en de huizenbouw.
.

M.Brouwer in ‘Triangel, Zutphen, datum onbekend
.

[1] En het werd licht – Jakob Streit

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

heemkunde 4

.
1005-931

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – huizenbouw (4-3)

.

huizenbouw in de derde klas

Ha fijn, huizenbouw. De hele klas gonsde van genoegen. Vol goede moed en met een blijde verwachting in hun ogen kwamen de kinderen – op maandagmorgen de klas in. Het beloofde een periode te worden vol verrassingen en fijne dingen. Nadat ik. maandag verteld had hoe Jabal, zoon van Kain, het eerste huis bouwde en hoe de mensen in die tijd hun hutten hadden gebouwd van takken en zand, gingen we het dinsdag zelf proberen in het bos. De drie groepen kinderen begonnen ijverig te sjouwen met takken, De eerste groep bouwde over een kuil ’n vlechtwerk van takken, takjes en bladeren heen, dat steunde op een stevige paal. De volgende groep koos een mosrijk stukje grond waar een boom bij stond. Deze boom had een lage vertakking zodat er met behulp van twee vorkachtige palen een driehoekig huis ontstond, want drie dwarspalen werden tussen de vork van de drie “steunen” geplaatst. Tegen deze dwarspalen werden takken neergezet en er bovenop een bladerdak. De derde groep bouwde rond een kuil en ’n boom een ronde hut. De takken werden tegen de boom aan gezet, daar waar een vertakking was. Sommige meisjes begonnen hun hut al gezellig te maken voordat de muren klaar waren.

Toen het tijd was om terug naar school te gaan zijn we met elkaar de hutten gaan bekijken. Alle drie waren het gezellige hutten, warm en veilig. Op school schreven en tekenden de kinderen in hun periodeschrift hierover.

Niet altijd hebben de mensen hun huizen van hout gemaakt. Immers, niet in elk land is er volop hout. Waar het koud is en altijd vriest, bouwen de mensen hun huizen van ijs – waar het droog en warm is maken de mensen huizen van doek – waar veel bergen zijn bouwen de mensen hun huizen van brokken steen – waar veel water en klei is, maken de mensen hun huizen van bakstenen. Uit het water en de klei vormen ze stenen en bakken die in hete ovens.

Met cement bouwen de mensen van deze stenen een muur en dat ging de derde klas ook leren.

We trokken, gewapend in overall of in werkkleding, naar de technische school op de Dijnselburgerlaan, waar we hartelijk ontvangen werden door de metselleraar in zijn grote metselklas. Aan een kant van de klas waren jongens bezig allerlei verschillende muurtjes te bouwen. Aan de andere kant stonden speciale tafels klaar waar wij op mochten metselen. Grote emmers specie en stapels stenen. De metselleraar liet zien hoe hij met zijn troffel de eerste laag specie op de tafel neerlegde. Daarna mochten de kinderen met z’n vieren aan een tafel (twee aan elke kant) het ook proberen. Vakkundig werd de eerste laag specie aangelegd, nadat er flink geoefend was kon het echte werk beginnen.

Hoe stoer stonden daar die kleine derdeklassers met hun grote troffels steen voor steen neer te zetten in de specie. En laag voor laag groeide daar een muurtje in halfsteensverband. Jammer dat de tijd juist dan zo snel gaat en dat de muurtjes weer afgebroken moesten worden en de stenen schoongemaakt. Maar we wisten in ieder geval hoe we moesten metselen. De volgende dagen hebben we veel samen gepraat over hoe je huizen bouwen moest en telkens ontdekten we weer nieuwe dingen. Elk huis heeft een stevig fundament nodig, anders is het niet stevig genoeg. We oefenden ijverig de verschillende verbanden. We tekenden ze heel precies op een groot stuk papier. Dat was behoorlijk moeilijk want als je de ene kop (dit is de korte kant van de steen) kleiner maakte dan de andere, dan klopte het hele verband niet. We leerden veel vaktermen: de kop is dus de korte kant van de steen. De strek de lange kant. Is er een laag van alleen koppen dan is dit een koppenlaag en een laag met alleen strekken heet een strekkenlaag. De specieranden tussen de stenen heten voegen. De horizontale voegen zijn lintvoegen en de vertikale stootvoegen. Bij een verband moeten stoot- en lintvoegen op een zodanige afstand van elkaar zijn dat de muur stevig wordt en niet omvalt. Dit hebben de kinderen zelf ontdekt toen ze aan het oefenen waren met “droge” stenen die vooraan in de klas op een tafel lagen.

Over het bouwen van een huis speelden we toneel. De gravers, heiers, metselaars, timmerlui, leidekkers, schilders, stucadoors, schrijners vulden de klas met hun gereedschap. Elk beroep werd door en door beleefd en met enthousiasme en ernst gespeeld. Jongens, wat was dat een feest, samen te bouwen aan een warm en gezellig huis. En de pret kon niet op toen we samen naar een steenfabriek gingen in Lienden.

In auto’s met de pont over het water, een steenfabriek vol dichtgevroren plassen – heerlijk baantje glijden; over enge bruggetjes lopen die tussen de machines in stonden en ademloos kijken hoe daar honderden, duizenden stenen gevormd werden uit die grote vette brokken klei; de lange hoge droogovens waar de stenen in drogen en dan het meest spannende van allemaal: de vuurovens. Als je door een luikje keek zag je langwerpige vlammen uit ’t plafond komen die vreselijk heet waren. We hebben lang naar het vuur staan kijken Na al die hitte was een flesje prik nog lekkerder dan anders en na een dankuwel aan de vriendelijke meneer en nog één keertje baantje glijden terug naar school.

De kinderen hebben genoten van dit alles. Heel belangrijk voor ze was de beleving, dat de vier elementen nodig waren voor het bouwen van ons huis en hoe alles in z’n werk ging. Ze hebben stenen gevoeld, ze hebben gezien hoe stenen worden gemaakt, ze hebben leren metselen, Ze hebben gegraven, geheid, gemetseld, getimmerd, daken gesloten, geschilderd, meubels gemaakt. We hebben op straat naar de verschillende vormen van huizen gekeken en naar hun verbanden.

We hebben bij de bouw van ’n huis stilgestaan, een huis om in te wonen. Samen met elkaar, maar ook ons eigen huis. Dat huis dat een derde klasser die naar z’n 10e levensjaar gaat, voor zichzelf moet gaan bouwen. Ons huis met een stevig fundament. Dat huis van het kind zelf van waaruit het de wereld kan gaan bekijken.

Tine Timmermans-van Merwijk, nadere gegevens onbekend)
.

huizenbouwspel; de paalwoning; voorbeelden van huizen

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

915-846

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (4-2)

.


VAN HOLEN TOT PAALWONINGEN


Duizenden jaren lang woonden de mensen uit het stenen tijdperk in natuurlijke grotten en holen. Deze diepe, donkere holten werden zeer gewaardeerd door onze voorouders: Allereerst waren het door de natuur geboden schuilplaatsen die goed te verdedigen waren tegen aanvallen van wilde dieren.
Bovendien boden ze beschutting tegen regen en kou.

Maar na een zekere tijd ruilde de mens deze schuilplaats voor een geriefelijker en gezonder onderkomen. Men had zich bekwaamd in het vervaar­digen van gereedschap en jachtwapens. Men kon dus het hout bewerken en vaartuigen bouwen. Het bouwen van een hut aan het water bood aanzienlijke voordelen: het onderkomen was in ver­houding veel geriefelijker en veiliger. De paalwoningbewoner kon vis vangen om in zijn behoefte aan voedsel te voor­zien. Hij had drinkwater bij de hand en hij kon gemakkelijk aanvallen van vijanden afwenden.

De oudste nederzettingen van paalwoningen ontstonden in de loop van het nieuwe stenen tijdperk (6000 tot 4000 jaar v. Chr.). Ze kwamen tot bloei in het daaropvolgende late stenen tijdperk  (3500-2500 v. Chr.) en zetten zich voort in de bronzen- en ijzeren tijdperken (van 2500-1000 v. Chr.)   Ze kwamen voornamelijk voor in een gebied dat te vergelijken is met het tegenwoordige Duitsland, Zwitserland en Italië.

3e klas 1

In het jaar 1854 zakte, als gevolg van een langdurige droogte, het waterpeil van het Meer van Zürich tot ver beneden normaal.

De bewoners van het dorp Obermeilen benutten de kans om hun akkers uit te breiden door een stuk van het meer met een dam af te sluiten. Tijdens het aan­leggen van die dam kwamen de arbeiders een laag zwarte klei tegen, waar een woud van palen tot vier meter diepte in geheid was. Tussen de palen vond men een grote hoeveelheid voorwerpen, zoals gereed­schappen van steen en beenderen, handgemaakte potten, overblijfselen van kookplaatsen en ander huisraad.
Voor de eerste keer had men een grote nederzetting van paalwoningen uit het stenen tijdperk ontdekt, woningen die op palen boven het water waren ge­bouwd.

De gebruiksvoorwerpen die uit de modder te voorschijn kwamen waren vier tot zesduizend jaar geleden voor het laatst gebruikt. Later heeft men in heel Europa tientallen zeer gaaf bewaarde overblijfselen van paalwoning-neder­zettingen ontdekt en onderzocht.

Bouwen op palen

Om zo’n paaldorp te bouwen, waren tientallen mannen enige jaren bezig. In die tijd leefden de gezinnen bij elkaar in stammen. Er was geen gebrek aan mankracht.
Als bouwplaats voor zulke nederzettingen gaf men de voorkeur aan meren en moeras­sen. Rivieren waren minder geschikt vanwege hun steeds veranderende waterstan­den: de perioden van droogte en gevaarlijke overstromingen.

Allereerst werden boomstammen, voorzien van een scherpe punt, in de modderachtige bodem geslagen. De palen staken ongeveer twee meter boven de waterspiegel uit. Op de palen werd een vloer van boomstammen gelegd, die men vastzette met behulp van houten pennen. Op de zo tot stand gekomen vlonder ging men hutten bouwen.
De hutten waren vierkant of rond. Ze werden ook uit boomstammen opgetrokken. De kieren tussen de stammen werden dichtgesmeerd met klei. Deze klei, verhard onder invloed van zon en lucht, veranderde in een zeer sterke pleisterlaag.

3e klas 2

3e klas 3

3e klas 4

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

862-794

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (2-1)

.

Een gedichtje voor de heemkunde of ‘gewoon’ tussendoor; om te reciteren en te schrijven; kan ook zo op het bord met de tekening.

Ook geschikt voor klas 2

meiliedje

(bron onbekend)

Klein, klein kuikentje,
waar kom jij vandaan?
Ik kom gekropen uit het ei,
toen dat was stuk gegaan.

Klein, klein kuikentje,
waar slaap jij vannacht?
Onder moeders vleugels,
dat is warm en zacht.

.

Heemkunde 1e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over heemkundealle artikelen

1e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas

.

846-778

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (1-1)

.

Oene Schreuder, nadere gegevens ontbreken
.

OVER STEEN, PLANT EN DIER IN DE EERSTE KLAS
.

Wanneer je de kinderen aankondigt, dat we het over stenen, planten en dieren zullen hebben, rijzen er enthousiaste en verwachtingsvolle geluiden op uit de klas.

Waar cijfers en letters nog nieuw en misschien moeilijk zijn, daar is de natuur herkenbaar en in zekere zin al “bezit” van de kinderen.

Vanuit dat gezichtspunt hoeven wij als volwassenen de kinde­ren in de eerste klas eigenlijk niets (aan) te leren over die natuur; meer is het m.i. van waarde iets bij te dragen aan dat mooie begrip “verwondering voor de wereld om ons heen”.

Wanneer zon periode klassikaal wordt ingezet hebben we hiervoor al een goed uitgangspunt, de opdracht: “Ieder neemt volgende week stenen mee!”, is al genoeg om de kinderen met andere ogen om zich heen te doen kijken (zoeken). Als we dan met de klas rond de “stenentafel” staan, liggen daar de prachtigste vondsten: stukken bergkristal, amethist uit vaders verzameling, kleine halfedelstenen uit eigen collectie, maar ook vuurstenen, kiezelstenen, stukken leisteen, hier en daar een potscherf en (niet minder origineel) een stuk hard plastic van een schroevendraaier…..

Plotseling is voor een ieder de hele minerale wereld (weer?) interessant geworden en er wordt gretig bewonderd, verzameld, getekend, en geluisterd naar het periode-verhaal over een jongetje dat naar de bron van de grote rivier zoekt en in het kristallenrijk terechtkomt.

Dan hebben wij de stenen, of de stenen ons, met rust gelaten en zijn we na de voorjaarsvakantie doorgereisd naar het plan­tenrijk.

Ook hier hebben we weer het heerlijke gegeven dat voor kinde­ren de natuur zo levend is en dat, (om met Gezelle te spre­ken) “elke blomme zijn taal spreekt”.

Je kunt in de verhaalstof de bloemen en planten nog echt met elkaar laten spreken (evenals de stenen), hetgeen een dank­baar hulpmiddel is om die plant in beeld te brengen, te ka­rakteriseren (de behoedzame, verlegen krokus en de joviale rondborstige, soms overmoedige tulp bijv.). En weer wordt er geschilderd, met bijenwas geboetseerd, ge­tekend en gewandeld. Dan wordt het een sport om als eerste in de tuinen een krokusje te mogen ontdekken en we merken hoe de zonnestralen de koude aarde tot leven kussen.[1]

Tijdens de dierenweek hebben we de hele ark van Noach in de klas kunnen onthalen. Alle huisvrienden van hond tot hamster werden vol trots gedemonstreerd. Ook de schildpad kwam erbij en een rupsje dat in de sla was gevonden.

Bij deze week hoorde een uitstapje naar de kinderboerderij in Lunteren: tot onze schrik bleek deze nog gesloten, maar desondanks mochten de kinderen toch bij de dieren (in de stallen) komen: ezels, jonge bokjes, wilde zwijnen en prachtige pauwen werden bekeken en betast. Een enkel gelukskind vond tussen de struiken een grote pauwenveer met gekleurd oog.

1e klas 1

Je merkt aan de kinderen hoe hun waarneming nog veelomvat­tend is (de totaliteit van het dierenrijk spreekt hen aan)de gerichtheid op details komt meer aan het daglicht in de vierde klas bijvoorbeeld (dierkunde).

Ook bij deze periodeweek werden de indrukken op kunstzinni­ge wijze verwerkt in de vorm van boetseren (met klei), een tekenvelletje en niet te vergeten in het uitbeelden (en ra­den) van dieren.
Grappig is dan te zien hoe sommige kinderen zich “identificeren” met juist één bepaald dier; een jongen of meisje, dat zich stier- of ram of hertje voelt, zal juist zo’n dier ten tonele willen voeren.

Nu restte ons nog de ontbrekende schakel, het verbindende element te midden van deze natuurrijken, nl. de mens.

In de laatste dagen van de periode hebben we alles wat de afgelopen weken de revue heeft gepasseerd nog een keer teruggeroepen en zo nodig uitgebeeld. In een afrondend ge­sprek komen we al doende op de boeiende vraag hoe de mens te zien valt te midden van deze drie rijken. Geheel uit zichzelf komen de kinderen dan op verrassende vondsten en geven feilloos aan, hoe onze botten en ons (harde) hoofd doen denken aan de minerale wereld, hoe in- en uitademen en bijv. haargroei doen denken aan de steeds weer afster­vende en opkomende plantenwereld, en hoe wij in ons ver­mogen tot bewegen, en in onze voeding bijvoorbeeld over­eenkomsten hebben met het dierenrijk (een kind noemde zelfs het bloed als overeenkomst).

Bij de vraag wat nu het verschil was tussen mens en dier antwoordde een der kinderen onder andere, dat een mens kan “leren”.

Wanneer je daarover later nadenkt merk je, wat daar voor subtiel onderscheid wordt bedoeld: het betreffende kind zal zich dat “leren” waarschijnlijk heel ‘concreet hebben voorgesteld (b.v. zittend in een schoolbankje met een schrift), toch wordt er m.i. een stukje waarheid aangetipt: een dier kan niet “uit zich zelf” leren, wel kunnen wij het als men­sen iets “aanleren”.

Bij zoiets wordt bij mij eens te meer het gevoel bevestigd, dat (om met Lievegoed te spreken) opvoeden niet betekent: een emmer vullen, maar een vuur ontsteken.
Laten we hopen dat het een vuur van enthousiasme voor de wereld om ons heen is.

1e klas 2

 

[1] in de heemkundeperiode is het mogelijk ‘vooruit’ te grijpen op de perioden die in hogere klassen nog komen. Dat kun je ook aan de kinderen zeggen: later, als we in de 5e klas zijn, gaan we weer over de planten spreken en leren jullie nog zoveel meer. Iets dergelijks kan gezegd worden voor bv. de mineralogie of de dierkunde.
Daarmee wek je in de kinderen een bepaalde verwachting – iets om naar uit te kijken – de ‘toekomstkant van de wil’. (PHAW)
.

Heemkunde 1e klas: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas

802-737

VRIJESCHOOL- 3e klas – alle artikelen

.

Kind en leerplan

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Heemkunde:
alle artikelen

Muziek
Over het aanleren van het notenschrift

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel

[3] Interpunctiespel
Freerk Weerstra: klassenspel voor de interpunctie>
Aanvulling Pieter HA Witvliet: kun je, wat in de tijd verloopt, ruimtelijk uitbeelden; het grote belang van ‘luisteren’; aanwijzingen voor het lezen.

[4] Het begin van de taalkunde; de woordsoorten in de 3e klas
Martin Tittmann: Uit zijn boek ‘Deutsche Sprachlehere der Volksschulzeit’ (Duitse grammatica in de basisschool), waarbij in de vertaling vooral de nadruk ligt op de Nederlandse; met achtergronden en voorbeelden.

[5] 3e klas grammatica
Kleine impressie uit een vrijeschool.

taalspelletjes vanaf klas 1

Niet-Nederlandse talen: Duits   [2]
Niet-Nederlandse talen:Engels
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen:
alle artikelen

Schilderen
N.a.v. de vertelstof: de scheppingsdagen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

de natuur in

Vertelstof:
alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

.

658-603

.

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 2e klas (2)

.

In de heemkundeperiode van de 2e klas – maar ook zeker in klas 1 – kunnen de zgn. sinnige Geschichten verteld worden.

Voorbeelden daarvan zijn bijv. de ‘Marialegenden’ of ‘Christuslegenden’. Onderwerpen zijn bijv: hoe ‘iets’, plant of dier aan zijn naam of vorm gekomen is.

Bekende zijn: het roodborstje: een druppeltje bloed uit de wonden van de Gekruisigde; de korenbloem die het blauw aannam van de mantel van Maria en sindsdien zo blauw gebleven is; de kruisspin die snel een web spon voor de ingang van de grot waarin de heilige familie was weggekropen.

Jakob Streit heeft er veel opgetekend in het boekje: ‘Kindheitslegenden’, vertaald: ‘Immanuel, legenden van het kind Jezus (momenteel 26-02-2014 uitverkocht)

Het ‘sinnige’ zou je kunnen omschrijven als ‘er zit iets zinnigs in – zo zou het kunnen zijn (gegaan)’; het heeft met moraliteit te maken: dat er door het verhaaltje eerbied, sympathie enz. ontstaat of wanneer er in het verhaaltje zich iets moreels afspeelt.

Ik heb hier een voorbeeld gegeven dat ‘eerbied’ inderdaad kan ontstaan.

En ik heb zoiets nog eens meegemaakt, toen ik met een 2e klas naar een kinderboerderij was gegaan. Een aantal kinderen riep met dezelfde kreet: ‘Meester, meester, kom ‘s, deze heeft het óóóók!
Het ging om de ezel, die op zijn hals zo’n mooi – iets anders van haarkleur- kruis heeft.

Ook in de boeken van Dan Udo de Haes: ‘Zonnegeheimen’ staan voor dit doel bruikbare verhalen.

Eveneens in werk van Hermien IJzerman. Bijv. ‘Bloemensprookjes, fabels en legenden (beide alleen 2e hands te koop).

Het gevaar bij deze verhaaltjes (in het algemeen) is dat de moraal er te dik bovenop ligt of te duidelijk aanwezig of de gebeurtenis té bedacht, gekunsteld. Dat kun je soms met een bepaalde aanpassing wel corrigeren.

Iets anders is nog dat in sommige ‘Christuslegenden’ het Jezuskind zelf bloemen en dieren schept. Uiteraard zijn die mooi en liefelijk. De duivel wil dan niet achterblijven en schept ook. Uiteraard afzichtelijke wezentjes.  Ik heb deze laatste nooit in die hoedanigheid verteld. Ik vind dat je wel sympathie voor het geschapene moet ontwikkelen, maar geen antipathie. Ook al roepen sommige dieren bijv. dit wel bij je op. Dat is eigenlijk al genoeg. Een bepaalde sympathie – meestal in de vorm van een zeker medelijden, zou wél kunnen ontstaan. Als Jezus mooi helder zingende vogeltjes creëert en de duivel alleen tot de vleermuis komt, dan is het toch de verdienste van de vleermuis dat deze de vele voor ons hinderlijke muggen vangt.
Kortom: vermijd dat de kinderen een hekel krijgen aan…Dat je daar gemakkelijk je voet op zet; kapot of dood maakt (al kan ik het zelf bij muggen nauwelijks laten!)

Zie ook deze heldere uiteenzetting van Magchiel Mathijssen, tevens auteur van Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’
(Paidosuitgave nr.14)

.

Pieter HA Witvliet
.

heemkunde: alle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen: alle artikelen

.

488-451

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (8)

.
MEESTER, MEESTER, KOM’S! DEZE HEEFT HET ÓÓÓÓK!

Het is mij een keer overkomen dat ik met deze kreet naar een plaats werd geroepen waar een aantal kinderen over ‘iets’ gebogen stond. Gezien hun opwinding was ik er niet helemaal gerust op wat daar te zien zou zijn.
‘Kijk, kijk’, wezen een aantal vingers en toen ik goed keek – het duurde  even – zag ik een kruisspin in zijn web zitten. ‘Deze heeft het óók’, bevestigden ze nogmaals.

Het was al weer enige weken na een heemkundeperiode in een tweede klas. Ik had daarin een aantal zgn. Marialegenden verteld. Prachtige, korte verhaaltjes over hoe planten en dieren aan datgene gekomen waren, wat hen zo typeert.

Steiner gebruikte een aantal keren de uitdrukking ‘sinnige Geschichte’. Vertellingen met een bijzonder karakter:  ze hebben iets ‘sinnigs’ – er zit een bepaalde zingeving in – op een bepaalde zinnige manier maken ze iets duidelijk. Er gaat ook een morele werking vanuit: ze roepen vertedering op, een begrijpen op een ‘dromerige’ manier. Ze roepen iets op van ‘verbonden-zijn’, van sympathie, van eerbied.

Ze hoeven voor deze leeftijd, 7 à 8 jaar, niet historisch of biologisch ‘waar’ te zijn. Op de een of andere manier zijn ze toch ‘waar’. (Of hadden het kunnen zijn).

Laatst sprak ik een oud-leerling van me. Ze vroeg naar ‘het’ boek met deze verhaaltjes. Die moest haar kind per se horen…….

==Wanneer de heilige familie een goed heenkomen zoekt in een grot, weeft een spin voor de ingang een web. Wanneer een soldaat van Herodes de grot binnen wil gaan om te zoeken, ziet hij het web en trekt de conclusie dat daar dus niemand kan zitten, ‘anders was dat web niet heel geweest’.

Als het gevaar is geweken, bedankt de kleine Jezus de spin en raakt hem even aan, met een kruisbeweging die zich aftekent op de rug van de spin en daar sindsdien zit.==

De kinderen herkenden het: ‘Meester, meester, kom’s! Deze heeft het óóóók!’

Een gouden ogenblik in je loopbaan als vrijeschoolleerkracht.
Een ogenblik ook om heel even dankbaar te zijn voor de ‘ontmoeting’ met Steiners diepere inzichten in het wezen van het kind.

.

Pieter HA Witvliet

.

Vertelstof: alle artikelen

Jakob StreitImmanuel

.

487-450

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (6)

.

OVER ‘HAND’ELINGEN

De heemkundeperioden vond ik altijd heel fijne perioden. Je voelt dat je met de kinderen voor het eerst eigenlijk, met het ‘echte’ leven te maken krijgt. In de artikelen over heemkunde vind je suggesties om met de kinderen dit echte leven ook te kunnen beleven.

Wanneer de kinderen kennis maken met de ‘handvakken’ is het belangrijk dat ze leren zien dat de handen essentieel zijn om al die verschillende ambachten te kunnen uitoefenen. In de vierde klas, bij de dierkunde, kun je daarop dan weer terugkomen.
En dat er samenhang is tussen de hand – in bepaald opzicht tussen delen van het lichaam – en het ontstaan van gereedschap, dat zich in vele gevallen ontwikkelde tot machine.

Ik gebruikte vaak – uit het Oude Testament – Thubal-Kaïn als ‘uitvinder’ van gereedschap. Zo zat hij eens sterk na te denken, hoe hij iets kon maken waardoor de getemde dieren niet meer zouden kunnen ontsnappen. Hij had palen nodig en zag wel dat die in mooie rechte boomstammen staken. Terwijl hij zo nadacht, kauwde hij achteloos op een grashalm daarbij de kaken in een wilskrachtige beweging heen en weer bewegend. Plotseling was de halm doormidden. Een stukje nog in de mond, de rest op de grond. Dit bracht hem op het idee ‘iets’ te maken, zoals zijn tanden, daarmee kreeg je iets doormidden. Zo bootste hij de ribbels van de tanden na in een stuk ijzer – hij was tenslotte smid – en ontwierp een zaag.

Wanneer je de kinderen vraagt naar gereedschappen en hoe die zijn afgekeken van menselijke handelingen, komen zij met van alles: je vuist als hamer; je nagel als schroevendraaier; duim en wijsvinger vlak bij elkaar als tang enz. enz. Zelfs iets wat niet direct met de hand gedaan wordt, kan ‘handig’ zijn. Uit het eenmaal ontstane gereedschap ontwikkelden zich andere vormen: nog grotere vuisten: mokers; maar ook heel kleine hamertjes met een speciale slagkant om bv. koper mee te slaan.

En het kan vaak groter en sneller. Het koren werd in vroeger tijden afgeslagen met  een zeis. Toen de eerste maai- en dorsmachines (2 handelingen in 1 machine!) ontworpen werden, waren de snijmessen nog steeds in de vorm van een zeis – alleen minder gebogen en naast elkaar gebracht, a.h.w. 2 zeisen tegelijk. Wie erop gaat letten ziet in de machines nog altijd de ‘oer’ –handbeweging terug.

Zo ook bij de ploeg. Wanneer je in zand voren wil trekken, houd je je hand vanzelf zo als nu het ploegblad nog steeds is. Eggen: de vingers als een soort klauw. En natuurlijk op de echte eg: veel meer vingers, zoals nu met de sterke tractoren meer dan 1 ploeg de aarde omgooit.

Dat de tractor over paardenkrachten (pk’s) beschikt duidt weer op het paard dat ooit voor het landwerk werd gebruikt.

Techniek is in veel gevallen: een oorspronkelijk menselijke beweging omgezet in een die sneller gaat, meer tegelijk kan enz. Die oorspronkelijke beweging op te sporen vanuit een machine is ook een interessante weg voor kinderen.
(De elektrische klopboor als combinatie van een hamer (vuistje) en een boor (de draaiende vinger die met de nagel een gaatje uitpeutert) en dat alles in een razend tempo: hoge toeren met slagkracht).

Het met de kinderen teruggaan naar de oude ambachten, is geen nostalgisch onderwijs dat de kinderen verre wil houden van wat er in deze tijd in die beroepssfeer gebeurt. Deze vorm van onderwijs wil daar juist méér begrip voor wekken door terug te kijken naar de ‘bron’.

Het is belangrijk ‘mens en wereld’ in samenhang te brengen – daar is heemkunde een bijzonder middel toe.

.

Pieter HA Witvliet

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

hand en intelligentie

.

486-449

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (5)

.

DE AMBACHTENPERIODE VAN DE DERDE KLAS

Een van de leukste periodes van de derde klas is de ambachtenperiode. De kinderen kijken er heel lang naar uit, want van oudere zusjes of broertjes hebben ze natuurlijk al lang gehoord, dat je dan veel uit­stapjes gaat maken, dat er ambachtslieden in de klas komen, kortom, dat er veel te beleven valt.

Wij zijn eind januari met deze periode begonnen en we zijn uitgegaan van ons dagelijks brood. En de eerste die voor de grondstoffen van het brood moet zorgen is de boer. Wij hebben een akker kunnen huren van de gemeente Leiden. Die was al geploegd, daarna heeft de klas geëgd en in maart hebben we tarwe gezaaid. Direct na het zaaien hebben we vier prachtige vogelverschrikkers gemaakt om de vogels ervan te weer­houden al het net gezaaide graan op te eten en het heeft geholpen. Vorige week stond het graan al 10 cm boven de grond. Oogsten kunnen we pas in klas 4 en dan zullen we het graan laten malen in molen de Put als we het gedorst en verzameld hebben.

Ons eerste uitstapje was naar deze molen de Put, een nieuw gebouwde graanmolen die bij het Galgewater staat. Via een grote steile trap gingen we de molen in. Eerst had de molenaar ons al laten zien hoe de zeilen opge­spannen werden en hij liet ons zien, dat het hele houten bovenstuk van de molen geheel los op het stenen onder­stuk stond. Door het grote gewicht van de molen blijft deze staan en hoeft niet verankerd te worden. Niet alle kinderen hadden daar evenveel vertrouwen in toen we bovenin stonden en de hele molen bewoog zodra de wieken gingen draaien. Het piepte, kraakte en schudde en sommigen werden wat wit rond de neus en waren blij weer vaste grond onder de voeten te voelen.

Anderen vroegen de molenaar honderduit over de molenstenen, de wieken,  tandwielen, etc. die hadden de hele dag wel willen blijven!

We kochten meel waar we op carnaval pannenkoeken van ge­bakken hebben en gingen weer terug naar school. Later bezochten we nog een houtzaagmolen en een poldermolen. Tijdens deze bezoeken was er niets meer te merken van de vrees voor het enorme geweld van het draaien der houten raderen, de enorme zagen die heen en weer gingen en het scheprad dat het water menshoog deed opspatten. De kinderen waren nu zo vertrouwd geraakt met de molens, dat die angst overwonnen was.

In de klas hebben we lied­jes gezongen over molens. En voor elke molenaar (alle drie jonge vrijwilligers, die deze molens in hun vrije tijd draaien – Molen de Put en Molen d’Heesterboom bij de firma Noordman op zaterdag en de poldermolen tussen Rijnsburg en Oegstgeest langs het Oegstgeesterkanaal op zondag, (alle drie een bezoekje waard), zei de klas het volgende versje uit volle borst op:

“Wij zijn molenaar en werken met de wind.
We vrezen geen gevaar en zijn altijd gezwind.
Begint het nu te waaien
Spannen wij de zeilen aan.
De molen gaat aan ’t draaien,
Zo malen wij het graan.
Begint het dan te stillen
Gaan wij met lust en vlijt
De steen wat scherper billen.
Zo werken wij altijd.”

(“billen = met hamer en beitel de inkepingen in de molensteen wat scherper inhakken. )

Zo staat er ergens op een molen ook geschreven:

“As de meulen staet in t kruus
Is de mulder an ’t billen of nait thuus.”

Als de molenaar zijn werk gedaan heeft en het graan gemalen is, dan gaat het meel naar de bakker. En van het meel, gemengd met gist en water, bakt de bakker ons dagelijks brood. Bakker Verhoog uit Voorschoten liet ons zien en proeven, dat er behalve brood nog vele lekkere taarten en gebakjes van het meel gemaakt worden.

heemkunde 2

In de klas hebben we zelf voor bakker gespeeld en deeg gekneed en bruine bolletjes gebakken en daar­na heerlijk opgegeten.

Ook van de bakker hebben we liedjes gezongen en versjes opgezegd zoals het volgende, dat door meester Stoop gemaakt is:

“De bakker laat zijn oven laaien
nog voor het eerste hanenkraaien
Meel en water, gist en zout
worden bij elkaar gesjouwd.
Hij roert en duwt en tilt het op.
Het deeg krijgt flink wat op zijn kop.
Nu kan het warm en stil genieten,
rijzen, hoog de lucht in schieten.
Brood wordt het deeg pas in de oven,
luchtig droog en warm van boven.”

Het volgende uitgangspunt was onze kleding. We zongen en speelden over de spinster, de wever, de schoenmaker, de klompenmaker,  etc.
De spinster kwam in de klas. Dat was onze “oude” euritmiejuf Manja Wodowoz-de Boon en zij vertelde ons over de verschillende wolsoorten en ieder kind mocht een keer zelf spinnen. Ook Anneke Barendsen hielp de kinderen met het spinnen. Een weefgetouw hadden we ook in de klas. De klompenmaker in Zoeterwoude hebben we bezocht en deze liet zien, hoe hij van een blok popu­lierenhout binnen een uur een prachtige, met hout­snijwerk versierde, klomp maakte.

Een waar feest was het bezoek van de nettenboetsters uit Katwijk. Vier dames op klompen, wat witte schorten aan en rooie zakdoeken om, stapten de klas binnen. Ze haalden een groot net te voorschijn, sneden er grote gaten in en gingen aan het werk. Hun handen gingen net zo snel als hun mond en de kinderen keken hun ogen uit. Ze vertelden over het werk vroeger. Hoe koud het was op de boetzolder ’s winters en dat ze niet mochten praten met elkaar, alleen mocht bij uitzondering een lied uit de bundel van Johannes de Heer gezongen worden. ’s Middags kregen ze één kopje thee, maar dat er dan eerst iemand een emmer heet water moest gaan kopen voor 3 cent in de water-en-vuurwinkel. U begrijpt, dat dit wonderlijke verhalen zijn voor de kinderen van nu die alle luxe van elektriciteit en een warmwaterkraan van jongsaf kennen.

heemkunde 1

Heerlijk waren natuurlijk ook de verhalen om bij te griezelen van de vissers in de storm op zee en dat de boetsters soms netten moesten repareren van schepen die net binnen waren gevaren en nog dezelfde dag weer moes­ten vertrekken, zodat de netten niet gespoeld of uit­gekookt konden worden, maar direct met vissenkoppen, krabben, zeewier en inktvistentakels er nog in geboet moesten worden! De kinderen smulden van deze verhalen. Al gingen de handen van de boetsters ondertussen razend­snel en werd het ene gat na het andere gemaakt,  toen we zelf gingen proberen te boeten bleek het nog niet zo eenvoudig als het leek. Sommige kinderen lukte het wel, maar op de vraag van de dames of ze later dan misschien nettenboeter of -boetster wilden worden, riepen allen hartgrondig nee. Jammer, vonden de boetsters, want het is een uitstervend beroep en ze kunnen hun kennis en vaardigheid aan niemand overdragen, want er is geen be­langstelling voor.

Over de nettenboetsters leerden we het volgende vers:

‘We slaan er de pezen en boeten het net.
Ook wordt er vakkundig een stuk in gezet.
We maken de scheuren al zijn ze vaak groot.
Daarmee verdienen we ons dagelijks brood.
Twee pezen, twee zijen, het net is gereed.
En honderd netten vormen een vleet.
Zo’n hele vleet neemt de logger dan mee.
Dus zonder ons kunnen de vissers niet naar zee.

Aan het eind van de periode werden we nog bezocht door pottenbakker. Hij liet alle kinderen een vaasje of schaaltje maken, glazuurde en bakte ze voor ons, zodat het kind ook nog een concreet aandenken aan deze periode had.
.

 (Ria Buscop, vrijeschool Leiden?; nadere gegevens onbekend)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

 .

485-448

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (4-1)

.

HUIZENBOUWPERIODE IN DE DERDE KLAS

Op de lang verwachte morgen waarop in de derde klas de huizenbouwperiode begon,  stapten de kinderen – vele met zware tassen beladen ~ ongeduldig de klas binnen. Van thuis meegebrachte hamers, troffels, voegspijkers en zagen gingen van hand tot hand en werden met kenners­blik gekeurd. Maar ook gingen de kinderen nieuwsgierig langs de vogel­nesten, slakkenhuisjes, zeeappels, die op een tafel waren uitgestald. Huizen?

Daarover ging ons eerste gesprek. Ook sommige dieren maken ‘huizen’ – maar hoe komt het dat zwaluwen altijd dezelfde nesten maken, dat slakken nooit eens een buitenissige kronkel bouwen? Hoe komt het dat mensen steeds weer verschillende huizen kunnen bouwen? Een open vraag, die bleef staan tot het einde van de periode. In de vier daar­op volgende weken ‘groeide’ langzamerhand het huis van fundament tot nok. We maakten zelf bakstenen ‘gezand en ‘geplaamd’, heiden met katrol en gewicht, tekenden plattegronden, goten met – kippengaas – ge­wapend beton, metselden een grote plantenbak,  bouwden met zand….

Vlak bij school konden we van dag tot dag het bouwen van een nieuwe woonwijk volgen,  terwijl de uitvoerder ons voorging van spouwmuur naar spant. Maar ook in de klas schoten huizen als paddenstoelen uit de grond – niet met stenen, maar met woorden:

Wij mengen kalk,  zand en cement
Met water in ons instrument.
Rommel, dommel, dommel, dan
Draait die molen om en om.
Ho maar, Keesie! Goeie specie!

Zodra meester met de troffel specie aanmaakte, werd het onvermijdelijk : ‘Ho maar, meesie!  …’

De huizenbouw – gedichten en prozateksten werden op schrift gesteld, begeleid door tekeningen. Met zelfgemaakte héél kleine heipaaltjes (om een lucifer de grond in te slaan]) met bouwtekeningen, waterpas en schietlood kwamen de kinderen naar school.

In de derde klas verlaat het kind zijn oude, sprookjesachtige klein kinderparadijs. Hij opent zijn ogen voor de werkelijkheid om hem heen. Het is de taak van de opvoeder, hen een zinvolle en overzichtelijke realiteit te laten beleven. Dat wordt geprobeerd in een dergelijke periode.
Op deze leeftijd verinnerlijkt zich langzamerhand het zielsleven van het kind. Het beleven van een ‘buiten’ en ‘binnen’ van een omhulling die buiten- en binnenwereld scheidt, (dat is immers de functie van een huis), is tegelijk beeld voor datgene, wat zich in de kinderen afspeelt.
We eindigen, zoals we begonnen waren: met vragen. Het antwoord daarop was tegelijk voorspel van de dierkundeperiode, die in de vierde klas gegeven wordt. We spraken over de menselijke hand, die tot ‘alles’ in staat is – én de dierlijke poot of  klauw, die ‘gevangen’ is in zijn eenzijdigheid, zodat het dier ook in zijn gedragingen gevangen is. Op zulke momenten kunnen de kinderen iets beleven van die vrijheid die de mens tot mens maakt.
In hogere klassen wordt zo’n essentieel vraagstuk stap voor stap verder ontraadseld. Door alle klassen van de vrijeschool lopen zulke ‘rode draden’, die niet leiden naar ontnuchterende feitenkennis, maar naar het begin van wezenlijk inzicht.
.

(Vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend)
.

een paar voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

484-447

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (3)

.

Van zoet tot brood.

Wat moet er niet een werk verricht worden, hoeveel handen zijn er nodig, hoeveel zweetdruppels worden er gezweet om te maken, dat wij iedere dag opnieuw ons dagelijks brood kunnen nuttigen.
Dit is in het kort de strekking geweest van een periode ‘zaakonderwijs over het brood’ die de 2e en 3e  klas net heeft ge­consumeerd.
We begonnen met te spreken over het geschikt maken van de grond door bemesten,  ploegen en eggen. Al deze bewer­kingen werden door middel van gebaar en beweging, aan de hand van verschillende versjes, zo goed mogelijk ingeleefd en nage­bootst. Daarna werd er gezaaid en toen trad er een wachttijd in, waarin het zaad ontkiemde en tot koren kon gaan groeien en rijpen. Deze wachttijd voor de boer is niet een tijd waarin niets ge­beurt, nu is het de taak van de elementen, om in te grijpen en van zon, wind en regen zal het afhangen hoe tenslotte de oogst zal uitvallen. Over deze periode heeft de boer nog altijd geen zeggenschap.

Jan Ligthart heeft dit afhankelijk zijn van de natuur uitgedrukt in het kleine spreukje:

Wij ploegen, wij  eggen, wij zaaien op het land,
Maar wasdom en gedijen ligt in Gods hand.

De klas heeft deze wachttijd gebruikt om vier verschillende korensoorten,  die men hier in ons land op de velden kan ont­moeten,  beter te leren kennen.  Het waren de tarwe, de rogge, de gerst en de haver. Zij werden zo behandeld als of ieder van hen een eigen karakter bezat,  een eigen persoonlijkheid was.

De haver met zijn speelse beweeglijke pluimen, was de vrolijk­ste van de vier.  De gerst met zijn lange baardnaalden en om­laag knikkende aren maakte een beetje een droefgeestige, kla­gerige indruk.  De tarwe wat stijf,  zonder naalden en zich als het ware helemaal concentrerend op het maken van dikke, voedzame korrels, leek daarnaast nogal prozaïsch. En tenslotte was daar dan nog de strijdlustige rogge, die er prat opging dat hij het best aandurfde om op de schrale zandgrond te tonen wat hij waard was.

Na dit meer beschouwelijke intermezzo, waarin over iedere korensoort een kleinigheid werd opgeschreven en waarbij veel werd getekend, brak de oogsttijd aan. Nu was er wel weer veel werk aan de winkel.  Het maaien,  dorsen, wannen, malen en bakken zijn allemaal aan de orde geweest.

Tenslotte hebben wij  een schoolreisje gemaakt naar de “Ervekots”, een oude Saksische boerderij in de Achterhoek.
(Hierover hoort U meer van een van de ouders)
Dank zij de hulp van een van de moeders, Mevr. de Veld,  hebben wij ook van alles kunnen proeven. Wij zijn begonnen met roggebrood met stroop,  daarop volgden: door enkele kinderen met Mevr. de Veld samen gemaakte
havermoutkoekjes. Iedereen was het er over eens,  dat het roggebrood naar de strijdlustige rogge smaakte en de havermoutkoekjes (die heel smakelijk en bros waren uitgevallen) naar de vrolijke haver. De gort (van gerst afkomstig) met krenten en stroop, viel niet bij iedereen in de smaak. Sommigen kregen er geen theelepel van door hun keelgat. (Herinnert U zich nog de gortepap uit Uw jeugd?) Anderen daarentegen verorberen er drie borden van, (dat moeten kinderen zijn met uitzonderlijke sterke magen).
En tenslotte als bekroning van deze periode hebben wij in de klas ieder ons eigen broodje gemaakt, dat de volgende dag bruingebakken weer terug kwam op school en heerlijk smaakte!
Nu is deze periode voorbij en men kan zich afvragen hebben de kinderen veel geleerd?
Vanuit het standpunt: weten en kennen bekeken, is het misschien niet veel geweest, maar er is wel veel beleefd en men hoopt door dit beleven de gevoelens van eerbied en dankbaarheid voor het dagelijks brood – dat wij iedere dag maar weer zo vanzelfsprekend accepteren, verdiept en versterkt zijn.

Nu nog een ander facet: in zijn boekje  “de opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie” zegt Rudolf Steiner: Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van gelijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten”.

Wanneer men met de kinderen over het koren spreekt,  biedt men hun onwillekeurig een schat van gelijkenissen aan. Hoeveel het zijn geweest, realiseer ik mij nu pas. Nu ik dit artikeltje voor U zit te schrijven. Vele daarvan vindt men terug in het Nieuwe Testament, als wij denken aan de gelijkenissen van de zaaier of de zuurdesem die het brood doortrekt. En dan wil ik eindigen met het volgende beeld uit Johannes 12: “Ik zeg U, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort”.
Hier is in een enkel beeld samen gevat, wat wij ieder jaar mee kunnen beleven in de tijd van Pasen tot Pinksteren. Met de Goede Vrijdag wordt de kruisdood herdacht- het sterven.

Maar zoals bovengenoemde gelijkenis ons zegt,  door het teniet gaan van het zaad,  dat in de aarde is gevallen,  zullen wij later veel vredige vrucht mogen ontvangen,  zoals met het eerste Pink­sterfeest, velen de openbaring van de Heilige Geest deelachtig zijn geworden. En wat speelt zich af tussen de zaaitijd en de oogsttijd? Het ontkiemen en gaan groeien van de nieuwe plant, wat met Pasen,  als lente- en Opstandingsfeest herdacht en ge­vierd wordt.

(nadere gegevens onbekend)

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

De grassen en ons broodgraan

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

483-446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde 3e klas (2)

.

EEN PERIODE HEEMKUNDE IN DE DERDE KLAS

De oude ambachten

De kinderen in de derde klas krijgen oog voor het feit hoe ZINVOL een handeling is. In de lagere klassen leerden ze spelenderwijs hun motoriek te verfijnen en stimuleerde de leerstof spelenderwijs hun denkvermogen. In de vierde klas verliezen de kinderen hun intuïtieve band met hun omgeving vaak dusdanig, dat de omgeving en medemens als “vreemd” be­leefd worden.

De acht- à negenjarige kinderen zien hun medemens echter voornamelijk als individuen, die met een zeker gemak hun weg in de wereld weten te vinden. Onze huidige wereld zit echter zeer gecompliceerd in elkaar en is voor kinderen vaak niet meer te begrijpen.

DE OUDE AMBACHTEN geven de derde klassers een mogelijkheid zich te identificeren met medemensen die hun plaats in de maatschappij hebben en zinvol werk verrichten voor het gemak en genot van anderen. In de oude ambachten valt ook de ZAKELIJKE omgeving t.o.v. mens en natuur nog goed te ont­dekken. Door de kinderen in meerdere ambachten wat mee te laten werken kan het RESPECT voor de werkende mens en de door de mens gemaakte producten groeien.

Het leven op de BOERDERIJ kan in zo’n periode een goed begin zijn, omdat daar vele ambachten verzameld zijn en vele am­bachten daar hun oorsprong hebben.

Deze derde klas is eerst opgewarmd door verhalen uit het Oude Testament. Kaïn was de eerste landbouwer, Abel de eerste schaapherder. Jabal temde wilde dieren en bouwde de eerste huizen, Jubal bracht de muziek en de muziekinstrumenten aan de mensen, Tubal-Kaïn is de vader van alle smeden. Daarna hebben we naar aanleiding van verhalen over de boerderijdieren ze met hun typische karakter met behulp van gedichten nagespeeld. Bij het varken bijvoorbeeld liepen er eerst vier kinderen door de klas te wroeten terwijl we het eerste ge­deelte van een varkensgedicht reciteerden. Daarna dirigeerde ik het knorrenkoor en gingen de vier wroeters over elkaar slapen, terwijl wij spraken:

Er lagen vier biggetjes in het land te ronken.
Ze sliepen in ’t slik aan de waterkant en stonken.
Ze waren zo zat van het smakken en smullen,
ze konden niet eens meer hun staarteindje krullen.

Bij de geit deden we het volgende spel, nadat we gehoord hadden hoe de geiten voor gezonde, dikke bomen zorgen door alle onderbegroeiing op te eten. We gingen in een kring zitten en twee kinderen waren een paal. Daaromheen kon aan een touw een geit rondlopen die alles op mocht knabbelen waar hij bij kon. Dat was rekken en strekken!  Zo verzamelde de geit schoenen, sokken, truien en haarbanden terwijl er in koor gesproken werd:

Wit geitje, gebonden
aan koord en paal
weidt ronden op ronden
zijn kantje kaal

Het scharrelt en krabbelt
zo danig en dol;
en knaagt en knabbelt
zijn buikje vol.

Elke keer spraken we het gedicht opnieuw en was er een nieuwe geit.
Zo kwamen de koe, het paard, de haan, de kippen en de schapen ook aan bod.

Zo waren we spoedig rijp voor een bezoek aan boer Roodenburg. Vele ouders reden ons in auto’s naar Wassenaar en daar ont­vingen boer en boerin Roodenburg ons onder de walnotenboom. Eerst walnoten zoeken en eten en daarna de stallen in. We mochten de varkens voeren in stinkende donkere stallen. We mochten wat hooi voeren aan pinken op de grup. We hebben naar de stier gezocht tussen meer dan 50 koeien.  “Ik heb hem gevonden,” klonk het meer dan eens. “Hij heeft geen uier!” “Hij heeft veel kortere horens!” En: “Hij heeft zijn trouwring door zijn neus!” klonk er schaterlachend. We bezochten het oude broodbakhuisje naast het washok en mochten allemaal hout in de huidige allesbrander stoppen (huisverwarming). En dan!  Eten in het stro naast een pasgeboren kalfje. Wat een aandacht kreeg het beestje. Lekker knus en warm in het stro kregen we ook allemaal nog verse melk van de koeien die we net bezocht hadden. Na het eten gingen we de weide in. Gedwaald door het hakhoutbosje, gekeken naar het slotenschonen én de boswachter ontmoet,  juist toen er drie hazen opschrokken en zigzaggend voor ons vluchtten. Tenslotte het hek overgeklommen en de strobalen allemaal weer keurig de berg opgetrokken.

In de klas reciteerden we het volgende gedicht:

Dagelijks werk voor alle boeren:
Elke dag de beesten voeren.
Hooi en haver voor het paard.
Stro en stronken voor likkebaard  (geit).
Kuilgras, hooi en bieten toe
of maïs en brokken eet de koe.
Kippen krijgen velerlei graan.
De varkens nemen alles aan.
Schapen vreten takken en stro
De kat krijgt alle muizen cadeau.
Nu zijn we toch de hond vergeten,
die moet dan maar dieven eten.

We zijn echter ook het land gaan bewerken. Bij de Cronestijn-schooltuinen mochten we graan gaan telen. Piet Anker leende ons een oeroude paardenploeg uit zijn museum “De Gesloten Beurs” (Vlietweg). In twee ploegen, de witte en de zwarte paarden, trokken we de ploeg door het land. Elke voor met een nieuwe boer en om en om trekkend. De “paarden” raakten spoedig nat van het zweet en telkens moest de “boer” ze aanmoedigen met een “Hu, paard! Hu!” Gelukkig was er een pauze en konden we in het in aanbouw zijnde leslokaal eten bij de timmerman en -vrouw. Na de pauze ploegden we de rest en toen lag er 2 are zij aan zij, net als in ons ploegspelletje waarbij geklonken had:

De boer, hij ploegt zijn akker om.
Hij keert de klei in felle zon.
Al koel en klef ligt zo de klei,
van buik op rug en zij aan zij.

Het ploeglied heeft op het land echter minder geklonken dan in de klas, want daarvoor waren ze al spoedig veel te moe en was het soppen in de modder veel te inspannend.

Ploeglied:
Hé, hó, span de paarden in.
Stevig trekken, kijk, ze hebben zin.
Akker laat het groeien.       2x      (5 strofes totaal)

Een week later zijn we gaan zaaien. Allemaal een echte zaai­doek om met zijn speciale knoop! Toen heeft het zaailied wél stevig geklonken, want op het ritme werd gezaaid. Alle handen graaiden en spreidden zich in een soepele 8-beweging op het ritme van het lied. De korrels vlogen met duizenden in grote bogen door de lucht en vielen door de zaaikunst mooi regelmatig verspreid op het land. Het lied zoemde nog weken daarna in de klas:

Zaailied
Joe hé, joe hé, de akkerman zaait.
De vogeltjes zingen, de korreltjes springen.
Joe hé,  joe hé, de akkerman zaait.

Ja, nu hadden we een reusachtige vogelvoerakker! Daarom zijn we toen nog gaan eggen. Dwars door het pas ingezaaide land trokken we de eg en heel langzaam verdwenen alle korrels om rustig in de donkere akker te ontkiemen. En dan? We wachten nu al maanden!
In de klas is ook wat graan gezaaid en zo kunnen we het toch nog vervolgen.  Maar in deze periode gaan we weer naar het land om te kijken en later nog eens om onkruid weg te eggen. Dan willen we het nog zien bloeien en tenslotte gaan
we het graan van de zomer oogsten, dorsen met vlegels, schonen in de wind, zeven, malen en tot brood bakken.

Nu zijn we echter net begonnen met een tweede periode heemkunde (de eerste was in november (1988). In deze periode gaan we meer naar de verschillende gereedschappen en hun gebruik kijken. We gaan op bezoek bij de molenaar, de bakker, de pottenbakker, de klompenmaker, de melker, de kaasmaker, de smid, de schoenmaker, de visser (netten boeten), de spinster en de plankenzager (molen).

We hebben net een kraal gemaakt van palen en takken ertussen gevlochten. Ook hebben we een pad gemaakt zoals een straten­maker en wel rond het kippenhok. Eerst zand gehaald,  gewicht leren verdelen in de kruiwagen, gegraven, zand gestort en toen passen tot alle stenen in verband en sluitend lagen. Invegen met zand én…. schone schoenen!

Nu zijn we bezig van het boerengeriefhout gereedschap te maken. Sommigen maken een bezem van wilgentakken, anderen een hooivork of een herdersstaf van essenhout. Er wordt hard gewerkt in de derde.

(Martin Stoop, nadere gegevens ontbreken)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

481-444

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde (1-1)

.

HEEMKUNDE

Wij, volwassenen,  weten veel van de wereld om ons heen. Daarvoor hebben vakken als aardrijkskunde, scheikunde, biologie en natuurkunde gezorgd. Dat is kennis.
We hebben ook een verantwoording voor die wereld. Dat houdt in dat we ons geweten, of onze morele kant, met die kennis samen gebruiken om die wereld goed te beheren.

Tjonge, wat een zware aanhef voor een artikel over heemkunde voor de lagere klassen. Eens kijken wat dat met elkaar te maken heeft.

Er is echter een tijd in ons leven, dat de morele kant en de kenniskant nog één zijn en dat duurt voort tot in de lagere klassen van de onderbouw. Even een voorbeeld uit de tweede klas. Stelt u zich eens voor dat u langs een laan loopt met hoge, rechte populieren. Maken ze geen statige, deftige indruk, zoals ze daar ieder takje zo snel mogelijk hoog in de lucht steken? Heel anders van karakter is dan die knoestige oude appelboom in de boomgaard ernaast. Hij is dan wel niet zo hoog als de populieren zijn,  maar hij heeft al vele mensen en dieren gediend, met zijn glanzende, sappige appels. Voor kleine kinderen is het vanzelfsprekend dat twee bomen, die er zo uitzien een gesprek met elkaar kunnen hebben, waarin hun karakters naar voren komen. Ze zien de wezens en de dingen om zich heen nog als zijnde van hetzelfde plan, “antropomorf* dit is: in een menselijke vorm.
Zo kunnen in een eerste klas nog heel goed verhalen verteld worden over de zon, de maan, en de sterren. Het kennisaspect (sterrenkunde?) komt eigenlijk nauwelijks aan bod. Wel komt er veel over deze helpers aan de orde, wat door de kinderen als vanzelfsprekend herkend wordt. De zon als schenker van warmte, en licht en de maan die zich met zijn bleke licht soms helemaal niet durft te laten zien. Maar dan komt hij later weer heel moedig met z’n volle gezicht de donkerste nacht toch nog verhelderen. Ook stenen, lucht, water, planten en dieren spelen een rol in de eerste klas.

In de tweede klas wordt de heemkunde op onze school in de vorm van een “bomenperiode” gegoten.

In de derde klas wordt het kennisaspect weer wat meer aangesproken. Op de boerderij met al z’n dieren en planten waarmee de kinderen een gevoelsband hebben,  blijkt al gauw dat alle wezens elkaar aanvullen, ja zelfs nodig hebben. De mensen hebben de planten nodig, vooral de granen. De planten hebben de dieren nodig voor o.a. bemesting en bestuiving.  De mensen verzorgen weer de planten en de dieren. Ook de plantenwereld op zich past zo in elkaar, dat we voor elkaar verantwoordelijk zijn.

Voor het bouwen van een huis, dat alle mensen nodig hebben, zijn vele vaardigheden nodig. Dat kan één mens alleen niet! (smeden, stenen bakken, metselen, timmeren, stukadoren enz.) Daarom zijn er vele ambachten die samen het uiteindelijke werkstuk (het huis) tot stand brengen.

Buiten het horen van verhalen in alle drie de klassen, waarin alles zo levendig   mogelijk beschreven wordt, is er natuurlijk voor alles een gepaste verwerking.   Versjes, geïmproviseerde en vaste toneelstukjes, recitaties, tekeningen en schilderingen laten alle aspecten van het onderwijs aan de orde komen. Voor de leerkracht is het een hulp dat hij bij het aanbieden van verhalen en de verwerking ervan, gebruik kan maken van de 4 temperamenten.

Om een voorbeeld te noemen: het cholerische temperament, waarbij de jambe (kort-lang) heel goed past, kan een hulp zijn bij het maken van een gedicht over de eik.

De eik

De eik die kan
de storm wel aan
ja stevig stoer
zo blijft hij staan

Of de flegmatische trocheus (lang~kort) bij de linde

De linde

Zie de grote lindeboom
staat verzonken
in haar droom
rond haar blaad”ren
rond haar kruin
ronde vruchtjes
geel en bruin

zie haar schaduw valt zo wijd
als haar kroon is uitgespreid,
of haar onbewogen laat
alles wat zij gadeslaat

Hoewel het misschien voor de hand lijkt te liggen dat je bij onderwijs over dit thema er veel op uittrekt om buiten te gaan kijken hoe de bomen er uitzien, gebeurt het toch vrij sporadisch. Bijvoorbeeld als een soort afsluiting van de periode.

Het is de bedoeling dat de leerkracht vooraf met zijn beeldend vermogen, vanuit z’n vertellen en vanuit de andere klassenactiviteiten iets oproept dat de kinderen herkennen.
(Wat fijn dat er bij ons zulke sterke eiken in de straat staan!) Of de ogen worden geopend voor wat er in de omgeving te zien is. (Die bomen op het kerkhof dat zijn échte treurwilgen).

Als de kinderen, naast het onbezorgd spelen en omgaan met planten en dieren, lucht en water, ook op een morele manier kennis met de natuur hebben gemaakt, kunnen ze er later ook gemakkelijker liefde voor opvatten.

Nu wil ik graag even teruggrijpen op het begin van dit stukje. De volwassene die naar kennis en geweten met de hem omringende wereld omgaat. De bodem voor het geweten wordt namelijk al heel vroeg gelegd. Dat is de gevoelsband met de natuur die het kind in zijn vroegste jeugd kan krijgen. De heemkunde tot het 10e levensjaar kan daar een waardevolle bijdrage aan leveren.

In de 4e klas gaat het objectieve kennisaspect een wezenlijker rol spelen. In plaats van dromend in de wereld op te gaan, ervaren de kinderen voor het eerst hun eigen ik tegenover de wereld.
.

(Mathieu Baeten, nadere gegevens onbekend)
.

Heemkunde: alle artikelen

Temperamenten: artikelen  onder nummer 15

Rudolf Steiner over vertellen; alle artikelen

.

480-443

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.