Tagarchief: vrouw Holle

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

Toen ik als kind naar de kleuterschool ging – die heette kort daarvoor nog ‘bewaarschool’ – deed de juffrouw met ons af en toe een kringspel. Ook op de basisschool in de 1e klas – die heette toen nog ‘lagere school’ en ‘groepen’ waren ‘klassen’ – gebeurde dat ook nog wel als het (hard) regende en we niet naar buiten konden in de pauze. Dan deden juffen en meesters ze wel met ons in  de hal.
Zo herinner ik me nog ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmenbesteedt Mellie Uyldert er ook aandacht aan en ze rangschikt het spel onder ‘Spelen van de dood en de andere wereld’.

Bij haar heet het:

KROENE KRANEN, WITTE ZWANEN

.
Twee kinderen staan tegenover elkaar en vormen met hun omhoog gehouden armen, elkaars handen vasthoudend, een poortje. De kinderen lopen achter elkaar en gaan een voor een door het poortje. Ze maken een cirkel en als het laatste kind erdoor is, is het eerste er weer aangekomen en gaat er opnieuw door.

Tijdens het lopen zingen ze het lied:

Kroene kranen, witte zwanen,
wie gaat er mee naar engel-land varen?
Engel-land is gesloten,
de sleutel is gebroken,
en is er dan geen smid in ’t land,
die de sleutel maken kan?
Laat doren, laat doren,
van achteren en van vo—ren!

Muziek

Ik dacht – al wist ik toen nog niets van aardrijkskunde – dat het om Engeland ging, daar had ik weleens over gehoord.
Als je meer informatie zoekt over het liedje, zie je meestal ‘Engeland’, maar er is ook een artikel met achtergronden waar engelland staat.
En wij zongen over een ‘timmerman’. 

Als de laatste kinderen door het poortje moeten, is het liedje ongeveer bij vo—-ren en dan moeten ze zich haasten, want de poort kan ineens de armen laten zakken en een kind vangen. Dan vraagt de poort aan het kind fluisterend om te kiezen tussen een appel of een peer o.i.d. van goud of zilver. Het ene poortkind is ‘is’ goud, het andere zilver. Valt de keus op zilver, dan sluit het gevangen kind daarachter aan.
Dan gaat het spel verder tot alle kinderen of achter goud of achter zilver staan.
Dan wordt er een streep tussen de rijen getrokken. De voorste kinderen ( de poort) houden elkaars handen nu stevig beet, de anderen kinderen pakken elkaar om het middel en nu volgt een trekstrijd wie al eerste iemand over de streep trekt.
Die rij is winnaar en heeft de anderen) verlost.

Uyldert: Het staat vrijwel vast, dat de keuze tussen een gouden en zilveren voorwerp oorspronkelijk de betekenis had van een keuze tussen zon en maan, tussen dag en nacht, tussen het licht en de duisternis en uiteindelijk tussen engelen en duivels.

De kinderen die samen de poort vormden, houden nu nog hun handen laag. 

Wij speelden het zo, dat wie gewonnen had, mochten een voor een op die armen liggen en worden heen en weer gewiegd. De klas zingt: ‘De engelen moeten zweven’. Daarna komen de verliezers tussen de laag gehouden armen en worden heen en weer geschud. De kinderen zingen: ‘De duivels worden geslagen’. Daarbij kregen ze van de poortkinderen wel wat duwen. 
De engelen vormen dan nog een dubbele rij waar de duivels doorheen lopen.

Uyldert weet dat hier en daar het spel eindigde met 2 rondedansen.

Verklaring

Uyldert ziet in de kinderspel een spel van
dood, hemel en hel.
Vroeger of later moet iedereen door de poort van de dood. De keus appel/peer, goud, zilver, die de doodsengelen hem stellen, heeft hij
eigenlijk al door zijn leven op aarde bepaald: zijn houding en daden worden gewogen en beslissen voor hem tot hemel of hel.

Nu is het dus nog mogelijk dat de engelen in staat zijn de zielen uit de hel te redden. En als de andere partij wint?  Zijn de hemelbewoners dan wellicht schijnvromen gebleken die achteraf beschouwd toch de hel verdienen?

Uyldert ziet dit als een christelijke verklaring, maar zij denkt dat het spel veel ouder is. 

Wie zijn de ‘koene kranen’, (verbasterd: groene). Het gaat om kraanvogels, die regelmatig op hun trek het oostelijk deel van ons land aandoen, evenals de wilde witte zwanen!

In verhalen oud oudere tijden komen we vogels regelmatig tegen; kennelijk spraken zij de ziel van de mens aan. Opvallend is hun begeleiden van de mensenziel van de ene sfeer of toestand naar een volgende. Dat is de diepere achtergrond van de ooievaar als ‘geboortevogel’. Het witte vogeltje en de eend in het sprookje van Hans en Grietje die daarmee én bij de heks komen,  (stiefmoeder aarde) en weer thuis, in het vaderhuis. De zwaan zien we bij Lohengrin die hem bij zijn aardse opdracht brengt en later leidt ze hem weer verder; de hamsa in de indische mythe en de eend die Goudkindje met één kousje aan (dus als hemel-kind) naar de aardse weide brengt. Vogelgestalten, die, toen de blik der mensen voor etherische gestalten verduisterde naarmate het verstandelijk en abstract denken toenam, de plaats innamen van de eens aanschouwde engelgestalten en van de beelden der drie nornen, die de drie verblijven der mensen beheersten.
De geleidevogels, als koene of witte zwanen vormen de poort, zoals bv. Anne en Holda. Door die poort gaan we allemaal, net als de meisjes in het sprookje van Vrouw Holle. Bij Vrouw Holle dienen ze hun louteringstijd uit – maar hoe! 

Op de een daalde een goudregen neer: zij kwam in haar nieuwe aardeleven begaafd met veel verworvenheden, de ander moest onder een pekregen doorgaan en ’het zwart ging er nóóit meer af!’ – haar zonden belastten haar in haar nieuwe leven met vele zichzelf berokkende gebreken! De poort kan dus zowel gezien worden als de poort des doods als de poort naar een nieuwe incarnatie op aarde.

Bij Uyldert kan de poort ook uit twee Nornen bestaan.

Bij Steiner komen we veelvuldig tegen dat de mens van nu – in het bewustzijnszielentijdperk – niet meer vanzelfsprekend het vermogen heeft om bovenzintuiglijk te kunnen waarnemen:  het kunnen schouwen in een geestelijke wereld.
Is dat het heimwee naar ‘engelen-land’?  Naar de fase, waarin men de engelen nog zien kon, naar het geluk van de kleuterjaren, en naar het voorgeboortelijk paradijs! Het engelen-land is gesloten en de sleutel is gebroken. De smid, die de sleutel maken kan, is degene, die het heimwee kan oproepen, dat slaapt onder het rationalisme (dat dit spel eens verklaarde als een aardigheid naar aanleiding van Napoleons Continentaal Stelsel, waardoor Engeland werd afgesloten van de handel met het vasteland!)

Wie de wilde zwanen over de eenzame heide ziet vliegen, bedenke dat het land der engelen niet ver achter die horizon ligt en niet in een versluierd verleden – maar achter de horizon van ons afgesloten bewustzijn! Wie het beperkende rationalisme verlaten wil, wordt door een zwaan afgehaald en over de stroom der vergetelheid heen gevoerd naar het rijk dat de ziel zichzelf had verboden: het onbewuste land, dat door beelden bewoond wordt en niet door begrippen! Het verlangen zelf is de zwaan, die het engelen-land voor ons ontsluit met de sleutel der stilte. Daar zien wij, dat de engelen nooit weg geweest zijn, en nog altijd met de kinderen spelen in ’t zand.

In Engel-land, daar stuift het zand,
daar luiden de klokjes van boem!

.
Op Wikipedia

Bij Bert van Zandwijk

Spel: alle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3414-3212

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/19)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VROUW HOLLE

Een weduwe had twee dochters; de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. 

Vrouwelijke gestalten zijn een beeld voor de ziel en voor de wiskrachten van de ziel. Wanneer de levende verbinding met het geestelijk-mannelijke ontbreekt en de ziel op zichzelf is aangewezen, is sprake van een ‘weduwe’. Wanneer deze ‘stief’moeder wordt – het Duitse ‘stiefe’ is ook ‘stijf’, betekent dit dat zij niet meer beschikt over de levende geest, maar materialistisch is geworden. Ze let alleen nog op de zintuiglijke wereld.
Maar iedere ziel is veelzijdig. Uit het oude ontstaan nieuwe wezenlijke krachten, ontwikkelen zich en hebben een doel voor ogen: het zijn de ‘dochters’. 
De ene is meer verwant aan het ‘geest-vaderlijke’: actief, scheppend; de andere, dochter van de stiefmoeder, is passief en lui. En daarom staan ze open voor het edele – schoonheid en voor het onedele – de lelijkheid.

Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vingers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar beneden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het ongeluk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen.

Spinnen is een heel oud beeldwoord voor het denken. Tegenwoordig hebben we het in negatieve zin over bijv. gedachtespinsels; het Duits heeft ‘ausspintisieren’ voor ‘iets denkend zitten uit te broeden’. We hebben het bij iets logisch over ‘het vasthouden van de draad’. En op straat zitten en spinnen betekent het niet meer in een afgesloten plaats de gedachten in stilte koesteren, maar openlijk, in het openbaar op de zintuigwereld richten. Maar daar bevindt zich ook de scheppende diepte, het geheimzinnig opborrelende beleven van de ziel: de bron.
Waar zo intensief gedacht wordt – ‘tot bloedens toe’, moet het gedachtegoed ondergedompeld worden in de ‘reinigende bron’ (de spoel schoonwassen). Maar uiteindelijk is de mens geen meester meer over zijn gedachten, ze vallen weg. 
Want het denken en de inhoud van de gedachten van de ijverige dochter zijn van geestelijke aard en de geest wil ‘de diepte’ in: de spoel zinkt in de bron. 
De stiefmoeder, de vertegenwoordigster van de stoffelijke zintuigwereld, kan niet helpen – in tegendeel – haar hardheid is de aanzet tot nog meer verdieping: de sprong in de diepte moet gewaagd worden. Maar daar geldt wat daarvoor gedacht werd, niet meer: de spoel is verdwenen. Op een ander niveau volgt een nieuw ontwaken.

Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood; het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar.’ Toen ging zij er naar toe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit.

Voor het innerlijke schouwen is ‘de andere kant’ een groen en bloeiend vlakte. Vanuit de ‘ding’wereld van zintuigen is het meisje nu aangekomen in de sfeer waar voortdurende groei is en levende ontwikkeling. Nu worden er eisen aan haar gesteld en wordt ze op de proef gesteld. In de stoffelijke wereld is het brood wel een van de belangrijkste voedingsstoffen voor het lichaam; in de andere wezenlijke wereld gaat het om de belangrijkste voeding voor de ziel en dat is het kennen van de geest. Een christelijke leerregel is: wij zijn op aarde om God te leren kennen. Kennis van de geest is ‘het brood’ voor de ziel.
Haard, oven, bakoven geven in huis warmte. Het warmtepunt in het huis van het lichaam is het hart, in de droom en het sprookje verschijnt dit vaak in hert beeld van de oven. Daar, wil het sprookje zeggen, in het centrum van de innerlijke hartenwarmte heb je dat geest-kennen verkregen, terwijl er aan de andere kant je wezen werd gedacht, gesponnen. Maar nu moet je actief zijn, je wil gebruiken om het weer aan het licht te brengen; 

Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder.

De oude helderziendheid waaruit de sprookjes stammen, zag in de mens het omhooggroeiende ruggenmerg-zenuwsysteem dat op een boom lijkt dit als symbool. Ook daar wordt kennis vergaard, maar andere dan bij het hart. De vrucht van de boom, de appel, is het symbool van de zondeval geworden als de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Die moet nu geplukt worden.

Tenslotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang, kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen, zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’

Zonder twijfel was vrouw Holle ooit een van drie grote moeder-godinnen die sinds het oudste Keltendom vereerd werden. Wellicht is zij de aarde-moeder. In sommige streken zag men haar als een laatste herinnering aan de lieftallige Freia, de schoonste godendochter uit het geslacht van de Wanen, de stralende goden uit de vroege tijd die als vrouw Hulda waakt over de zegeningen van de velden en over de boom die in het rijk staat, die goud en zilver schenkt wanneer je hem schudt.
Later beschouwde men haar als de brengster van het spinnen. Bij de oudere mens ging de activiteit van de hand samen met die van het hoofd, zoals de taal nog toont. Ze werd de beschermster van het spinnen, loofde de ijverigen en strafte de luien.
En toen men haar niet meer zegen brengend door het land zag gaan, zag men haar toch in haar rijk dat wel verduisterd werd voor de blik tot een geheimzinnige grot (Duits Höhle) en men noemde haar vrouw Holle. Wie de drempel overgaat van het nu naar het hiernamaals – en dat gebeurde in oudere tijden vaak – beleefde deze macht van de lotspelingen.

Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen; in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heimwee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Tenslotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje eronder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent geweest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daarop werd de poort gesloten en het meisje bevond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku,
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aankwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het Duits heeft een uitdrukking: ‘Het weer is, zoals de mensen zijn’.
Dat wordt nog wel gebruikt.
Ik ken in het Nederlands geen equivalent. In deze tijd is het vooral opmerkelijk dat mens en klimaat – en dus ook het weer – met elkaar in verband worden gebracht: de mens als veroorzaker van de opwarming van de aarde.
Volgens een oude zienswijze, aldus Lenz, zag men vroeger dat er een direct verband bestond tussen de zielenwereld van de mens en de elementaire processen in de natuur. De zielen die hun lotsopdracht op de juiste manier vervullen en hun beproevingen doorstaan, zoals onze vlijtige dochter, verstoren de harmonie van de natuur niet, maar ze schikken zich erin en werken mee aan het scheppende proces.
Naar het beeld van het sneeuwen kan je nog op andere manier kijken: de zuivere sneeuwkristallen met hun ontelbare sterrenvormen, van boven komend en de aarde met een helder wit kleed bedekkend, kunnen toch wel gezien worden als een gelijkenis voor de edele, zuivere krachten van een hogere wereld? Zeer zeker wil het sprookje er ook op wijzen dat een ziel die de draden van het leven altijd goed spint en voldoende goede gedachten gevormd heeft, meewerkt aan die werkelijkheid. Het woord van vrouw Holle: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt’, laat ons zien dat zij tot de goede machten behoort die zich ontwikkelen. Want het leven op aarde is een scholingsweg voor de hogere wereld, en wat ‘aan de andere kant’ afgerond wordt, werkt door in het leven op aarde. In de overgang van de geestwereld naar de stoffelijke – de jonkvrouw staat onder de poort – wordt haar de rijkdom van de spirituele ervaring en verandering geschonken: het goud van de wijsheid valt op haar neer en dat is wijsheid die je3 niet kan verliezen. Vrouw Holle geeft haar de spoel terug, die met bloed bedekt in de bron was gevallen: met een gereinigd nieuw denken kan nu worden begonnen. Ze wordt bij terugkeer goed ontvangen, want alles van haar komt ten goede aan hem die niet veranderd zijn.
De luie dochter legt zichzelf op wat de ijverige mens in het denken verwerft. Kennis van de geest kan zij niet verkrijgen (geen brood), noch vanuit 
hartekracht die nooit in haar aanwezig waren, noch dat ze goed leert onderscheiden tussen goed en kwaad (geen appels), want zij kende het goede niet. Zij kan zich niet schikken in de orde van de bovenzintuiglijke wereld, want door haar luiheid kon ze dat ook al niet in de stoffelijke wereld. De heerseres van de bovenzintuiglijke wereld moet haar wegsturen. Haar loon is pek. De spoel krijgt ze niet terug. Wie niet gelouterd, niet veranderd het goud van de wijsheid wil afdwingen, maakt zijn wezen duister, verliest de blik op het licht, ze wordt armer dan ze daarvoor was. En deze duisternis blijft.

Het meisje vertelde alles wat haar overkomen was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag hetzelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervolgens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde echter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen,’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van Vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had gehoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s ochtends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoorde, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten,’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er, zo lang zij leefde, niet meer af.

Is hier de kraaiende haan die beiden begroet, de verkondiger van de dag en was dit een nachtbeleven? Deze wereld waar onder en boven gelijk zijn, kent ruimte noch tijd; dat beleven we in de droom. Er zijn heel wat verhalen bekend van mensen die meegemaakt hebben dat ze in een elementaire wereld terechtkwamen. Ze zeggen dat ze jarenlang bij de dwergen in dienst waren of zalig genoten bij de elfen en bij wonderbaarlijke woudvrouwen of bij vrouw Holle en voor hun omgeving ging het maar om een paar uur of een dag. Ook dat zou in dit sprookje kunnen.
Maar de mens is én een deel van de mensheid en van de wereld en dan kunnen zich daarin nog veel diepere lotsbeschikkingen spiegelen, lotsbeschikkingen die buiten de tijdspanne van een leven op aarde uitgaan. 
Het binnengaan van een bovenzintuiglijke wereld waarin de ziel de ervaringen opgedaan in het aardse leven duidelijk te zien krijgt en met een soort afrekening te maken krijgt en uiteindelijk een terugkeer naar de zintuigwereld, gezegend met de gevolgen van het afgerekend zijn als zegen of belasting, duiden evenzeer op de reïncarnatie van de mens. 
De kennis van de reïncarnatie van de mens was bij de Keltisch-Germaanse stammen algemeen bekend; Julius Caesar, Diodorus van Sicilië maken er melding van. De Edda, de Germaanse godenleer, spreekt ervan in de Karaliederen. Het weten ervan is niet decadent geworden zoals in het Oosten, waar de reïncarnatie geworden is tot slechts een ‘zielenverhuizing’.
In het Avondland is de gedachte van de reïncarnatie een tijd lang verdwenen, de mens moest zich met al zijn kracht richten op de materiële wereld. In een paar sprookjes zijn er nog echo’s van dit oude weten hoorbaar.
Als we op deze manier naar ons Holle-sprookje kijken, dan verschijnt de haan niet alleen om de dag te verkondigen, hij wordt veel meer nog tot het symbool van het instinctieve Ik. Zijn roep duidt dan voor dit leven op dat dit nieuw ontwaakte Ik en op de voorbestemming van het lot: een met wijsheid begaafde mens te zijn of een pechvogel.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2512-2355

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen – spiraal

.

Het vak vormtekenen is er o.a. om bij de kinderen – meteen in de 1e klas – het gevoel voor ‘oer’vormen verder te ontwikkelen.
In het allereerste uur dat ze in de eerste klas zijn, maken ze kennis met de ‘rechte en de ronde’, vormen waarvan Kepler zei: ‘recht en rond, dat is God’.

Er zijn meer van deze geometrische figuren: cirkel, rechthoek, driehoek enz. die we – volgens Steiner – ‘in ons dragen’.
Ze worden in het vormtekenen meer tot bewustzijn gebracht. Als pure vorm, niet naar analogie van wat er in de uiterlijke wereld op lijkt – of nog anders gezegd – een beeld van is: het gaat om de spiraal op zich, maar in de wereld zie je die o.a. als ‘spiralig’ huis van een slak.

Er is vanuit verschillende invalshoeken over de spiraal gedacht en geschreven.
.

Melly Uyldert:
.

DE SPIRAALGANG van DE ZIEL

Het oerlevens- en wereldbeeld is universeel, het wordt over de gehele wereld, bij alle volken, gevonden. Het ligt op de bodem van elke godsdienst. En het is geen geschiedenis, het is ook heden, al ligt het bij de moderne mens van het westen diep in het onderbewustzijn, van waaruit het soms opstijgt in droombeelden, en in tekeningen, die men zo maakt zonder er bij te denken. Het leeft ook voort in de patronen der kantwerksters en pottenbakkers, het verschijnt op moderne schilderijen, en in de moderne psychologie als archetypen. Want wij leven in een tijd, waarin het bedrieglijke vernis van de beschaving is afgeschilferd en men eeuwen lang gehuichelde denkbeelden heeft laten vallen, om weer eindelijk, naakt en eerlijk, zichzelf te zijn. Van alles ontdaan in oorlog en kampellende is de mens op zijn oergrond teruggevallen en herkent in het leven en in de natuur om zich heen de wetten en ritmen, waaruit ook hij zelf leeft. De emigrant, die de stad uitvlucht en in de wildernis zijn huis bouwt van stammen uit het oerwoud, hervindt daar het ritme van het leven, dat met de seizoenen golft en met de zon op en af gaat en herkent er zijn eigen ritme in van werk en bezinning, geboorte en dood, als een golfslag van levens aan de ene en aan de andere zijde. In de herkenning van de eeuwige waarden staat hij naast zijn voorouders en naast zijn nakomeling in de grote kring en zijn oog gaat open voor de eeuwige waarheid, die men overal ziet opblinken uit het puin van het vergankelijke.

Lang voordat het materialisme zich meester maakte van de westerse mensheid en haar aandacht afsloot voor al wat buiten de jacht naar stoffelijke welvaart en lichamelijk genot ligt – en zelfs vóór de kerstening te vuur en te zwaard in Europa het bewustzijn der mensen afsloot met de muren van kerkelijke dogma’s – beseften onze voorouders hun lot en hun taak als schakel in de eeuwig wentelende samenhang van hemel en aarde. In zielsgerustheid leefden en stierven zij, wetend dat hun ziel op het eiland der schimmen vergaderd zou worden tot die van het voorgeslacht, om eens in de stam terug te keren, als hun dienst daar nodig zou zijn. Wel zou hun ziel na de dood in de onderwereld door Vrouw Holle worden beproefd en loon naar werken van haar ontvangen, maar vandaar uit zou zij het tijdstip afwachten, waarop zij met nieuwe kansen een nieuw leven op aarde zou kunnen beginnen. Men wist, dat dit verblijf in de schimmenwereld de achter-ommegang, de nachtzijde, van een spiraal-boog was, vanwaar de ziel, naar gelang van het nut, uit de levensles getrokken, op een hoger of een lager ommegang weer aan de dag-zijde van de spiraal zou verschijnen.

Deze spiraalgang van de ziel, analoog met de schijnbare spiraalgang der zon, met de beweging van het water in een bergstroom, en met de spiraal die in het slakkenhuis en in het mensenoor door kosmische spiralende trilling ontstaat, beeldde men uit in een lange rij mensen, die om een heuvel heen spiraalgewijs en zingende opklom, op midzomer: de hoogtijdag van de zon! Die heuvels heetten draaibergen of tri-bergen (de naam Driebergen is daar waarschijnlijk van over). Wat bleef daarvan? Het spel: De boom wordt hoe langer hoe dikker! Een lange rij kinderen draait daarbij om de laatste, die stilstaat, heen en wikkelt zo een spiraal om de kern, onder het zingen van: De boom wordt hoe langer hoe dikker! – Daarna wordt de spiraal weer afgewonden, al zingend: De boom wordt hoe langer hoe dunner!

Ook vinden wij die spiraal in de spiraalvormige hinkelbanen, die nog in sommige streken in zwang zijn, en die weer de plattegrond heten te zijn van de oude trojaburchten: dit troja zou samenhangen met troje, troyes en tri, en zo’n burcht werd oudtijds bewoond door wijze mannen of vrouwen, die astrologen, magiërs en in de praktijk geneeskundigen waren. De spiraal was in vertrekken verdeeld (zoals de hinkelbaan in hokken) en de dikke muren maakten de burcht tegen vijandelijke aanvallen bestand. Erom heen liep nog een gracht. Men heeft in Scandinavië de fundamenten van zulke burchten gevonden.

Bij het hinkelspel wordt een scherf in een hok geworpen, telkens één hok verder, door een kind dat vóór het eerste hok, aan de buitenkant, staat. Daarna moet dat kind, van hok tot hok hinkend, de scherf gaan terughalen, zonder op strepen te trappen, want dan is men ’af’ en moet de opgave overdoen, als men weer aan de beurt is, Wat stelt dit voor? Het is de reïncarnatie van de ziel, haar terugkeer in telkens een ander stoffelijk lichaam of ’hok’. Want dit denkbeeld van de zielsverhuizing was bij onze heidense voorouders een vanzelfsprekend weten (het werd door de R.-K. kerk in de vijfde eeuw van de christelijke jaartelling officieel afgeschaft!). Elke keer dat de ziel in de spiraalgang terugkeert, brengt zij haar verworvenheden mee uit het vorige leven, en zo gaat zij voort naar de volmaking. Wie veel wijsheid verworven heeft, valt reeds als kind op, en wordt de gekozen leider van de levenden. Zijn wezen brengt zijn stam heil, omdat hij reeds meer dan de anderen de kern van de spiraal: het geestelijk einddoel, de godstaat, genaderd is! Zo voelde de oer-Europeaan zijn bestemming: van elk leven lerend, toe te nemen in daadkracht en wijsheid, moed en volharding, trouw aan zichzelf en de stamgemeenschap, wier wezen door de enkeling sprak en vervuld werd. Men stierf tevreden: ’t was immers nooit te vroeg of te laat. Eens zou de begeleidende engel (dat hemelse wezen, dat Oerd heette of Anne, en dat werd gezien als een zwaan, ooievaar of eend) de ziel komen afhalen en over de wateren terugvoeren naar diezelfde gemeenschap op aarde, waar hij velen begroeten zou die hij herkende. Om, steeds heen en weer gaande met de zwaan, uiteindelijk het geluk te bereiken, en het verblijf der volkomen vrijen: het einddoel van de ontwikkelingsgang van de ziel.

In het hinkelspel is het hinkelende kind die engel of geleide-vogel, die behoort tot de wereld van de eenheid en daarom op één been zich beweegt! Deze brengt de ziel in haar nieuwe lichaams-tehuis: de scherf in het hok. En dan gaat zij de ziel terughalen bij het sterven, als Skoeld, Holle of Holda, de engel van de stervenden. Het is de eend, die Goudkindje over het water draagt, en Hans en Grietje; het zijn de witte zwanen, die de ziel naar engel-land varen!

Zo zag de oudste bewoner van Europa de weg van de mensen als een spiraal, waarlangs de ziel opklimt naar haar doel, beurtelings onderduikend in de grove materie van de aarde en ontwijkend naar het etherische maan-rijk of de onderwereld van Vrouw Holle, beurtelings in en uit een stoffelijk lichaam, bijgestaan door een on-aardse macht. Hij had geen haast en geen angst – evenmin als de natuur haast kent of angst. Er is enkel ritme en wet. Angst kreeg de mens pas, toen hij gaan moest door het dal van de verduistering: toen zijn vertrouwd een-zijn met de natuur hem ontnomen werd. Toen die eenheid verbroken werd door een tweeledig stelsel van Goed en Kwaad, en zijn gemoed werd benard door de vele plichten jegens de middelaars die men hem aanwees: de kerk en haar heiligen, de geestelijke overheid, die de verschieten van het heelal voor hem afsloot met haar gewichtig middelaarschap, en de ziel in de weg trad, waar zij nog de verbinding zocht met de bevriende natuurwezens en de stemmen van de overzijde. ’Honderd jaren’ moest de mensenziel slapen, als Doornroosje, vereenzaamd binnen de doornhaag van verstandelijke begrippen, terwijl oeroude zeden, gebruiken en spelen de gekristalliseerde zielenwijsheid van de oudheid bewaarden, hardnekkig door kinderen aan kinderen overgegeven, door eeuwen en eeuwen. Ofschoon vaak iets van die oude rijkdom verloren ging, ontglipten ook steeds weer onschuldig uitziende vormen van vermaak en spel aan de algemene verkettering, spot en kritiek. Al golden ze als zinloos of bijgelovig, het onderbewuste gebied van de ziel bleef ze trouw, ook waar het beperkte verstand aan de wanen van de dag moest toegeven. Men voelde: in die zinnebeelden, wier zin voor ons verduisterd is, is ook ons leven en lot vervat; het behoort bij ons, al zien wij niet waarom. En nu is de tijd van de herkenning gekomen, de eenheid van mens en natuur gaat zich herstellen. Doornroosje, de ziel, is ontwaakt en herkent haar bruidegom: de zo lang bewaarde oerwijsheid, die uit het onderbewustzijn is opgestaan en de troon van het denken bestijgen zal.

Behalve in de spiraaldans van de boom, en in het hinkelspel, herkent men de spiraalgang van het menselijk leven in het ganzenbord, waarin de gans weer de geleidevogel der ziel is!

.

Hinkelen

De boom die wordt

Ganzenbord

Kinderspel en jaargetijde

Vormtekenen: alle artikelen

.

2234-2097

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

OP ZOEK NAAR VROUW HOLLES RIJK

Vrouw Holle is een zeer bijzondere vrouw.

Stralend mooi kan zij als “ de hoge witte vrouw” aan de mensen verschijnen, maar ook afschrikkend lelijk; grauw, oud en krom. Haar gestalte kan de ganse hemel vullen, maar ook verschijnt zij in het kleinste hutje op de hei. Zij voedt en laaft de ongeboren kinderen, beschermt de dieren, zegent het gewas en waar haar voet de aarde raakt, bloeien in de zomer de liefelijkste bloemen.
In haar liefde voor de mensen kan zij vol genade schenkend of wijs straffend zijn; het lot  in een mensen leven loopt als een draad door haar hand.
Haar rijk strekt zich eigenlijk over de gehele aarde uit. In Midden-Europa is zij echter het meest door de mensen ervaren; hier zijn de sagen en sprookjes over Vrouw Holle het talrijkst.

Tussen het Harzgebergte in het noorden en het Thuringer woud in het zuiden, in de streek Hessen, verheft zich de Meiszner, de berg  waar Vrouw Holle het liefst verblijft. Hier rust zij uit van haar tochten over de aarde, baadt zij zich in haar vijver, die toegang geeft tot haar onderaardse rijk, waar zij de moeder is van de ongeboren kinderen.

Deze zomer zijn wij op zoek gegaan naar de Meiszner. Het was heet en ver voor een oude Lelijke Eend, volgeladen met kinderen, tent en kampeergerei. Vanuit het groene, vlakke Holland reden wij de heuvels en bergen van Duitsland in, het Westerwoud, kwamen in Marburg, de oude universiteitsstad, waar wij alleen verkoeling vonden in de Elizabethskathedraal. Verder moesten we; met spanning keek ik uit naar de Meiszner en eindelijk op een zondagmiddag zagen wij haar opdoemen, maar hoe anders was ze dan ik mij had voorgesteld! Langgerekt en afgeplat, het hoogste punt wel 750 m hoog; een geweldig heuvelmassief, niet zoals je je in Holland een berg voorstelt. De bergen, voor Zwitsers zullen het heuvels zijn lijkt mij, daar tussen de rivieren de Fulda en de Werra en zuid- oostelijk van Kassel zijn langgerekt en donker.

Ze doemen tegen de horizon op zoals in Holland, tegen de avond langgerekte wolken zich formeren, donker en samen met de aarde, terwijl de lucht daarboven nog licht is. En de grootste van alle is de Meiszner, Vrouw Holles uitverkoren berg.

We reden er langzaam naar boven; het was er druk met zondagsmensen, die kwistig hun ijspapiertjes en lege limonadebekertjes rond strooiden en we merkten dat zondag geen geschikte dag was om de Meiszner te bezoeken.

‘S nachts kwam er een geweldig onweer, dat tussen al die bergen heen en weer gegooid werd en daardoor uren duurde; Vrouw Holles verontwaardiging over al die zondagsdrukte?

Maar gelukkig vonden wij de volgende dag de Blaue Kuppe, een  hoog oprijzende heuvel, middenin een groot breed golvend akkerland. Daar was het stil, daar bloeiden de prachtigste bloemen, daar flitste een salamandertje tussen de stenen en daar vonden we plotseling een alleenstaande kruisbessenstruik, waarvan de takken diep door bogen onder het gewicht van de ontelbare vruchten; had Vrouw Holle die daar neergezet om onze dorst te lessen ?

De Blaue Kuppe is een bijzondere heuvel. Zij is begroeid met naald- en loofbomen; je klimt omhoog en dan opeens sta je aan de rand van een diepte, een geweldige wijde ronde kom en daarin ligt een blok rots, puntig omhoog wijzend, hoger dan een huis. De kinderen renden er om heen en probeerden er tegenop te klauteren.

Lang geleden, zo gaat het verhaal, was Vrouw Holle thuis gekomen van een lange tocht over de aarde. Zij was vermoeid en stoffig van de reis bij de Meiszner aan gekomen en een stekende pijn in haar voet zei haar dat zij een steentje in haar schoen had gekregen.
Zij schreed over de rivier de Werra en zag bij het stadje Eschwege een heuvel, die haar goed als voetenbank kon dienen.
Zij bukte zich, gespte haar gouden schoen los en keerde hem om. Met donderend geweld sloeg daar een rotsblok in de grond. Het ligt er heden ten dage nog en is wijd en zijd bekend als de Blaue Kuppe; het steentje uit vrouw Holle haar schoen.

Ons zoeken naar Vrouw Holles rijk werd in dat zelfde stadje Eschwege bekroond: ik vond daar in een boekwinkeltje het boek wat ik al tijden zocht. “Volkssagen en Sprookjes over Vrouw Holle” van Karl Paetov.  Deze Duitse uitgave is jaren later in het Nederlands vertaald en uitgegeven, naar ik meen, bij Christofoor. Vast nog wel 2e hands te krijgen.

Ybel Pronk – Sluyter, door de auteur op 21-03-2017 aan deze blog ter beschikking gesteld.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1262-1177

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1260-1176

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (43)

.

Hans Harres, Der Elternbrief 04-1992
.

wij vieren Pasen
.

Tot het leven van de mens in het ritme van het jaar behoren al sinds ‘de eeuwigheid’ de vier jaarritmen: lente, zomer, herfst en winter.
Is het ‘toeval’ of de bedoeling van hogere geestelijk-goddelijke machten dat ook de grote feesten die de christenheid in het jaar viert, dikwijls aan het begin van een nieuw jaargetijde liggen?

Tegen het begin van de lente, dus in maart of begin april wordt het paasfeest gevierd. Pasen is wat de datum betreft een beweeglijk feest; het valt – door een besluit van het Concilie van Nicea in 325 altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente.

De voorloper van Pasen daarentegen, het joodse paasfeest, viel steeds precies op de eerste vollemaansdag na het begin van de lente, zonder rekening te houden met de dag van de week.

Het eerst mogelijke feest kan dus volgens de huidige regeling op 22 maart vallen, het laatste op 25 april, daar zitten dus 35 dagen tussen. Van deze datum is ook die van Pinksteren afhankelijk; dit hoort dus ook tot de beweeglijke feesten.

Bij het begin van de zomer en wel op 24 juni wordt het Sint-Jansfeest ter herinnering aan Johannes de doper gevierd, dikwijls met grote vreugdevuren. In dit jaargetijde staat bij ons de zon op de zomerdag om 12 uur in de middag op het hoogste punt; dit is de langste dag en daar tegenover staat dus de kortste nacht.

Het Michaëlsfeest vieren de christenen tegenwoordig zeker niet meer zo als een 100 jaar geleden, dus bij het begin van de herfst wanneer dag en nacht even lang zijn.

Bij het begin van de winter, op 21 december,  de kortste dan en langste nacht beleven, wordt het zeker bekendste (en waarschijnlijk door de geschenken ook het meest gewilde) van alle christelijke feesten gevierd op 25 december: Kerst als het geboortefeest van Jezus Christus.

Maar niet alleen de christenen vieren hun grootste feesten aan het begin van een nieuw seizoen, ook veel andere ‘natuur’volken, heidense enz. hadden op deze tijdstippen uit kosmische wijsheid en kosmisch weten dikwijls hun heilige feesten.

Waar komt de naam Pasen vandaan

De naam Pasen (omdat dit artikel uit het Duits werd vertaald staat hier Ostern) komt als Ostern alleen in het Engels (Easter)  en het Duits voor. Hij berust blijkbaar op een vergissing. De kerklatijnse naam voor paasweek (Osterwoche) ‘Albae paschales’ werd abusievelijk lang verwisseld met het Oud-Hoogduits ‘austro’ – in het meervoud: ostarun – wat zoveel betekent als ‘morgenrood’. Rond ongeveer 600 na Chr. kwam deze verkeerde naam in Engeland door de vertalers van Augustinus, die de Angelsaksen tot het christelijk geloof bekeerd had.

Zeker bestaat ook de afleiding van de naam Ostern uit het Germaanse spraakgebruik die toch nog meer van toepassing lijkt. Lang voor de Germanen bekeerd werden, vierden ze het feest van de lentegodin Ostara aan het begin van de lente en het is vrij zeker dat deze naam later door de bekeerde Germanen voor het feest van de opstanding van Jezus – Ostern – werd overgenomen.

Hoe vieren we Pasen met de kinderen
.
De christelijke opvatting, de christelijke cultuur verbindt met het paasfeest de kruisiging en de lichamelijke dood van Jezus Christus op ‘de eerste’ Goede Vrijdag in de wereldhistorie en zijn opstanding drie dagen later op de historisch ‘eerste’ paasmorgen. Voor de gelovige en belijdende christen behoort wat er met Pasen plaatsvindt tot de centrale gebeurtenis van de geschiedenis der mensheid; volgens zijn inzicht en geloof is Jezus Christus voor alle mensen voor hun verlossing als mens geboren en heeft hij ook de fysieke dood (door de kruisiging) geleden en op zich genomen.

Daarom is het wel te begrijpen dat met name in het verleden, gelovige ouders, kerkelijke en niet – kerkelijke opvoeders – van godsdienstfanaten afgezien – er betrokken mee bezig waren de historische achtergrond en de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen de kleine kinderen zo vroeg als mogelijk mee te geven en te verklaren, opdat zij zoveel mogelijk ‘goede’ en gelovige christenen zouden worden.

Het kan zijn dat deze goed bedoelende mensen juist het tegenovergestelde hebben bereikt: welk kind zou dood en opstanding nu al in begrippen kunnen vatten. Hebben wij zelf als volwassenen niet vaak problemen met het begrijpen van de diepere achtergronden van de werken van Christus en zijn daden en uitspraken?

Zijn er andere, misschien betere mogelijkheden om aan de kinderen het paasfeest op het niveau van hun leeftijd bij te brengen, de gebeurtenissen voor hen levendig te omschrijven?

Pasen in de natuur

Het paasfeest is onlosmakelijk verbonden met het begin van de lente. Naar aanleiding van deze bijzondere tijd van het jaar waarin het nieuwe leven uit de door het winterproces afgestorven natuur weer opnieuw ontspringt, werd sinds mensenheugenis bij vele volken een opgewekt, vrolijk voorjaarsfeest gevierd en werden de goden dank en offers gebracht. Oorspronkelijk was het lente- respectievelijk paasfeest noch joods noch christelijk, het was een ‘heidens’ feest. De weer uitlopende, ontkiemende natuurkrachten hebben de ‘doodskrachten’ van de winter overwonnen; de hoop voor het nieuwe begin, de hernieuwde opstanding van licht- warmte- en groeikrachten kiemde. In die oudere tijden was de winter met zijn ijzige kou, duisternis, vele ontberingen en last en de weinige voedingsmiddelen – er was geen centrale verwarming, elektrisch licht enz. ook geen moderne mogelijkheid om voorraden te bewaren – het hardste van alle seizoenen waarin de meeste mensen stierven en wel het meest door honger, kou, ontbering en talloze ziekten. 

Daarom begrijpen wij en de kinderen wel, wanneer we terugkijken in de cultuurgeschiedenis, dat de mensen het begin van de lente met jubel en vrolijke feesten gevierd hebben en hun goden en heiligen dankten, omdat zij de winter overleefd hadden en voor een hoopvol nieuw begin stonden.

Maar niet alleen de mensen begroetten en vierden de terugkeer van de lente, ieder jaar begroet en viert ook heel de natuur de opklimmende warme zon, het terugkerende levend brengende licht; de vogels jubileren met hun zang; vele mensen vinden elkaar in de liefde en verbinden zich en de voorjaarsbloemen betonen hun vreugde met de allermooiste bonte kleuren.

Wie herinnert zich dan nu niet ‘Osterspaziergang’ uit de Faust van Goethe:

Vor dem Tor

Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden
Blick,Im Tale grünet Hoffnungsglück;
Der alte Winter, in seiner Schwäche,
Zog sich in rauhe Berge zurück.
Von dort her sendet er, fliehend, nur
Ohnmächtige Schauer körnigen Eises
In Streifen über die grünende Flur.
Aber die Sonne duldet kein Weißes,
Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben;
Doch an Blumen fehlts im Revier,
Sie nimmt geputzte Menschen dafür.
Kehre dich um, von diesen Höhen
Nach der Stadt zurück zu sehen!
Aus dem hohlen finstern Tor
Dringt ein buntes Gewimmel hervor.
Jeder sonnt sich heute so gern.
Sie feiern die Auferstehung des Herrn,
Denn sie sind selber auferstanden:
Aus niedriger Häuser dumpfen Gemächern,
Aus Handwerks- und Gewerbesbanden,
Aus dem Druck von Giebeln und Dächern,
Aus der Straßen quetschender Enge,
Aus der Kirchen ehrwürdiger Nacht
Sind sie alle ans Licht gebracht.
Sieh nur, sieh! wie behend sich die Menge
Durch die Gärten und Felder zerschlägt,
Wie der Fluß in Breit und Länge
So manchen lustigen Nachen bewegt,
Und, bis zum Sinken überladen,
Entfernt sich dieser letzte Kahn.
Selbst von des Berges fernen Pfaden
Blinken uns farbige Kleider an.
Ich höre schon des Dorfs Getümmel,
Hier ist des Volkes wahrer Himmel,
Zufrieden jauchzet groß und klein:
Hier bin ich Mensch, hier darf ichs sein!

VOOR DE POORT

Van ijs bevrijd zijn rivier en beken,
door de stralende blik van de lente ontdooid,
het dal is hoopvol met groen getooid;
de oude winter is uitgeweken
naar barre hoogten, al vluchtende gooit
hij machteloos, met bevende hand
ijzige korrels in straffe vlagen
over het groen-gestreepte land.
Maar de zon kan geen wit verdragen,
overal is er een kiemen en streven,
alles probeert ze weer kleur te geven,
maar bloemen ontbreken nog op de wei,
dus neemt ze mensen in feestkledij.
Draai je om! Daarbeneden ligt onze stad.
Zie wat er alles staat te gebeuren:
uit de poort, dat sombere holle gat,
stromen de mensen in vrolijke kleuren.
Ze zoeken de zon op, hun grootste gemis,
en vieren dat Christus herrezen is
want zijzelf zijn opgestaan:
uit hun muffe hokjes naar buiten gegaan,
moe van het juk van nering en werken,
te lang onder gevels en daken gebukt,
door gangen en steegjes benauwd en bedrukt,
ontsnapt aan de heilige nacht van hun kerken
vonden ze allen de weg naar het licht.
Kijk al die mensen, een prachtig gezicht-
krioelen langs velden, tuinen en perken.
Op de brede rivier zie je boot na boot
aan komen drijven, een vrolijke vloot;
en kijk, tot zinkens toe beladen
sluit dat pleziervaartuig de rij.
Zelfs op de berg trekt langs de paden
in de verte een bonte stoet voorbij.
Het dorpje is vol gegons en gewemel,
hier vindt het volk zijn ware hemel,
je hoort het gejuich van groot en klein:
hier ben ik mens, hier mag ‘k het zijn.

(vertaling: Ard Posthuma)

Offerfeesten in het voorjaar

Toen de individuele mens in het stadium verkeerde waarin hij veel meer een deel van een groep was en in de mensheidsontwikkeling nog niets individueels ontwikkeld had, dus nog geen ‘Ik’ of een persoonlijkheid was zoals wat we daar nu onder verstaan, was er in veel volksgroepen verspreid over de hele wereld sprake van mensenoffers – naast dier- en plantenoffers – als dankgave aan hun hogere goden. Toen in de loop van de ontwikkeling het menselijke bewustzijn zich steeds verder ontwikkelde, werden de mensenoffers steeds vaker vervangen door het offeren van dieren; dat hield later ook op naarmate een volk of een volksgroep zich verder ontwikkelde.

Aan het offeren van mensen herinnert ons nog het verhaal rond Abraham die voor God zijn zoon Izaak moet doden en moet offeren, waartoe Abraham zonder aarzelen bereid was. Toen hij het mes om de dodelijke steek toe te brengen al getrokken had, gaf een stem uit de hemel hem het gebod niet verder te gaan en in plaats van zijn zoon een lam te offeren. Hieruit ontstond het gebruik om met Pasen – lentetijd – het paaslam te offeren.

Toen later het gevangen volk van Israël Egypte wilde verlaten en moest, was het tegen de Pasen, eind maart, begin april; toen at men gemeenschappelijk het paaslam met de ongezuurde broden met bittere kruiden, zoals het heet. Het bloed van het paaslam werd op de deurposten van de huizen gestreken; daarmee zou het onmogelijk worden dat ‘de boze’ het volk van Israël zou vernietigen. Zoals in Exodus 12 – 12, 23 is beschreven, gaat de ‘boze’, ook de ‘verderver’ genoemd aan die mensen voorbij en spaart hen die afzien van het verdere verblijf in Egypte. Dat ‘sparen van het leven’ en in zekere zin ‘het voorbijtrekken’ heet in het Hebreeuws ‘pe’sach’ en dat werd tot Passahfeest’ d.w.z. het offerlam werd onderdeel van het joodse paasfeest.

Het opstandingsbeleven bij andere volken

Wat er in de jaargetijden gebeurt, het sterfproces van de natuur in de winter en het weer opbloeien in het voorjaar, kennen vanzelfsprekend talloze volken over de hele aarde, zoals we dat uit hun mythen en vertellingen tegenwoordig precies weten.

In het oude Egypte was het Osiris die stierf en altijd weer opnieuw tot leven kwam.
Al het leven van de Egyptenaren werd enkel en alleen bepaald door de Nijl die eenmaal per jaar de smalle stroken land tussen de beide grote woestijnen rechts en links van de rivier met haar levensbrengend water en vruchtbaar slib overstroomde en zo het land niet alleen van water, maar ook van vruchtbare meststof voorzag.

In het tweestromenland van de Assyriërs en Babyloniërs was het de god van de vegetatie Tammuz die tegen de tijd van Pasen in het voorjaar tot nieuw leven werd opgewekt.

Een symbool voor het proces van sterven en weer opstaan is ook de geschiedenis van de vogel Phoenix  die zichzelf steeds weer in het vuur verbrandt en daaruit steeds weer jong, met nieuwe levenskrachten begiftigd, opstaat.

In het land van de Syriërs , Kanaän genoemd, werd aan het begin van de lente de semitische weer- en hemelsgod Baäl, de grootste van alle goden van dit volk, weer geboren.

Ook het volk van de Oude Grieken kende de dood en de wederopstanding; bij hen was het de schone jongeling Adonis, die ook na zijn aardse dood tijdens de winter in de onderwereld moest verblijven, maar die met het voorjaar weer terug mocht in het licht van de wereld, dus opstond.

Zo is er nog bij veel meer volken het feest van de wederopstanding van de natuur- en levenskracht, dat met grote dankbaarheid en blijdschap wordt gevierd.

Pasen in de sprookjes

Op de diepere en wijsheidsvolle betekenis van het zich steeds weer herhalende leven in de natuur kun je je bezinnen en dat loont de moeite want het is het lot van ieder van ons dat we dit, doordat we geboren worden en weer sterven (en weer geboren worden voor zover je dit kunt aannemen) meemaken.

Aan de jonge kinderen kun je dit leven dat zich steeds weer in de natuur herhaalt op een begrijpelijke manier bij brengen door bijv. het prachtige sprookje van Grimm ‘Doornroosje’.
Het 15-jarige Doornroosje viel, nadat ze zich op haar verjaardag aan een spintol had geprikt, in een honderdjarige doodsslaap, waaruit ze door een prins met een kus werd opgewekt.

Wellicht nog dieper wordt de wijsheid van dood en wedergeboorte van de mens, dus het beeld van de vernieuwde opstanding van de ziel, dat is het paasmotief, in het sprookje van de wachtelboom verbeeld.
Wijze leiders der mensheid hebben deze en andere verhalen, ook sproken genoemd, zeer lang geleden gevormd om de mens van die tijd die beeldend dacht, en nog niet zo zeer met het verstand kon leren en gevormd worden, te vertellen over kosmisch-geestelijke en aardse natuurgebeurtenissen, over de achtergronden van hemel en aarde.

In het sprookje van de wachtelboom wordt het paasmotief van dood en opstanding van de ziel duidelijk verbeeld.
De boze stiefmoeder doodt haar stiefzoon. Zijn zusje legde zijn beenderen in een witte doek onder een wachtelboom, waaronder zijn moeder al begraven lag. Uit de boom stijgt een nevelwolk omhoog die tot een vlam wordt. Daaruit vliegt een wonderschone vogel op, (het Phoenixmotief), die prachtig begint te zingen, zo dat alle mensen hun werk en waarmee ze bezig zijn laten voor wat het is om naar hem te luisteren en hem te bewonderen. Hij is als de weergeboren paaszon.
Op het eind van het sprookje wordt de boze stiefmoeder door een zware molensteen verpulverd; uit een vuur komt haar zoon, levend herboren.

Als deze twee sprookjes zijn er nog veel andere waarin het motief van dood en opstanding tot nieuw leven wordt geschilderd.

Sneeuwwitje die na een beet in de vergiftigde appel voor dood in de glazen kist ligt en weer levend wordt, kent ieder kind, net zoals Roodkapje die door de wolf met huid en haar wordt verslonden en door de jager weer in het licht van de zon teruggehaald wordt.

Ook in Vrouw Holle zit hetzelfde motief; Goudmarie en Pekmarie vallen in de met water gevulde bron en komen – lichamelijk dood – in een andere wereld waaruit ze, na goede of slechte werken, weer terugkeren naar de andere wereld.

Wie de sprookjes van de gebroeders Grimm kent of leest, zal nog een paar andere vinden die verhalen van dood en opstanding.

Deze sprookjes zijn zeer geschikt om aan kinderen tot (en met) de tweede klas te vertellen, als je ze beeldend bij wilt brengen wat er aan het begin van de lente, rond Pasen gebeurt. Wanneer je de kinderen deze sprookjes vertelt is het wel heel belangrijk dat je ze die met een inlevend bewustzijn vertelt, wanneer je zelf probeert je in te leven in wat met Pasen gebeurt.
Net als met het vertellen van andere sprookjes; wanneer je als volwassene deze met hun diepe wijsheidsvolle beelden doorgronden en accepteren kan, werken ze bij het vertellen aan de kinderen met veel inniger kracht verder waardoor zij in hen waardevolle opbouwende en sterker makende helpers kunnen vinden voor hun toekomst.

Verhalen voor de oudere kinderen

De kinderen die op een vrijeschool zitten, krijgen in de 3e klas de grootse verhalen uit het Oude Testament; in de 4e klas de sagen van de Germanen, door hun leerkracht verteld.

De kinderen hebben nu een ander bewustzijn gekregen (zijn de Rubicon overgestoken) en zij kunnen nu de verhalen over het Joodse volk horen. De uittocht uit Egypte van het volk Israël (tot aan de Sinaï) en de betekenis van het offer van het paaslam – hierboven beschreven.

Vanaf klas 6-7 , dus vanaf 12-13 jaar kun je de kinderen ook verhalen uit het Nieuwe Testament vertellen zonder over hun hoofden heen te spreken. Met hun bewustzijn kunnen ze steeds beter het dode, abstracte opnemen. Bij de dood echter, hoort ook steeds het leven, het opnieuw geboren worden; die feiten mag je niet verre van hen houden om hun niet het gevoel van angst, maar dat van vertrouwen en uitzicht te geven.

Paasgebruiken – paasgewoonten

Wat zou het paasfeest in een gezin zijn zonder  hopelijk zelf beschilderde bonte paaseieren en zonder de paashaas.
Wat heeft dat met het ei, met het ‘paasei’ van doen

Wel, steeds al gold het ei als symbool van het (nieuwe) leven en van de vruchtbaarheid. Je moet bij deze beschouwing niet meteen aan het kippenei denken; vele zaden die in zich de kiem van de nieuwe plant dragen, vele eieren van dieren – en natuurlijk ook die van de vrouw – zijn bolvormig rond en zijn daarmee niet alleen een beeld van de aarde, maar ook van de totale kosmos. De kosmos echter draagt – zoals ook het ei – alle krachten voor het nieuwe leven dat ontstaat, in zich. Omdat het kippenei ook nog eens goed te verteren is, dus als voedsel te gebruiken, heeft men het wellicht als plaatsvervangend voor alle zaden en kiemen als symbool voor het nieuwe, wordende leven genomen en heeft zich juist in de lente daaruit in vele volken een gewoonte  ontwikkeld.

Het is bekend dat de Chinezen 4- tot 5-duizend jaar geleden al elkaar bij het begin van de lente bont versierde eieren cadeau gaven. Ook uit de geschriften en verhalen uit de Oudperzische cultuur; die van de Indiërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken, Finnen en Germanen en andere volksgroepen weten wij, dat de mensen elkaar beschilderde eieren gaven of dat het ei een bijzondere offergave voor de goden betekende.

In een Indische mythe wordt verteld dat in het oerbegin alle Zijn uit een reusachtig ei dat in een zilver en een gouden helft splitste, zich de hemel en de aarde hebben gevormd.

Een oude Perzische sage verhaalt dat eens een reusachtige stier met zijn puntige hoorns het grote wereldei opengestoten heeft en dat alle levende wezens voor de aarde daaruit kwamen. In het geloof van de Oude Perzen was de wereld waarin nog geen kwaad bestond, een reusachtig groot licht-ei. Zij gaven elkaar later bij het begin van de lente vooral rood beschilderde eieren.

In een Fins scheppingsverhaal ontstaat uit een groot gouden ei dat in twee helften brak, hemel en aarde. Uit de gele dooier werd de stralende zon gevormd.

In de Romeinse catacombengraven heeft men nagemaakte eieren gevonden uit louter zilver.

Uit al deze mythen en sagen ontstonden steeds weer nieuwe gebruiken om elkaar versierde en geschilderde eieren te geven. Eieren van kippen en ook van andere vogels, maar ook kunstzinnig gemaakt van goud, zilver en edelsteen.
Na de uitvinding van het horloge werden er ook kostbare uurwerken in de vorm van een ei gemaakt.

Wij beschilderen eieren
Wie zelf graag eens eieren met natuurverf zou willen beschilderen, kan dat als volgt doen:

Een tot twee handjes uienschillen een paar minuten in een liter water gekookt en daarbij dan de eieren koken tot ze hard zijn. Hoe langer de eieren hierin koken, des te donkerder de schalen worden; je kunt het uitproberen.

Ook met zwarte thee kun je de witte schalen bruiner maken. Groen krijg je door brandnetels; rood door rode bieten, geel door saffraan of karwei als je dit van te voren eerst kookt. Doe je azijn in het water, dan worden de kleuren vaak intenser. Wie na het koken de eieren met olie of spekzwoerd inwrijft, krijgt mooie, glanzende exemplaren.
Plak je vóór het schilderen kleine blaadjes erop, of grashalmpjes o.i.d. en je doet er dan verband of tule omheen en je kookt ze dan in het plantenvocht, zie je naderhand de mooie patroontjes op de eierschalen als je de blaadjes er dan afhaalt.

Je kan de eieren natuurlijk ook met bonte waslaagjes beplakken of met waskrijt bewerken. Wanneer de eieren nog warm zijn, smelt de kleur van de waskrijtjes en dan kun je dit mooi uitwrijven of dat weer mengen. Je kunt – papier eronder – het drogen met de föhn.

Er zijn nog veel meer technieken om eieren te beschilderen of met kleurig papier te versieren, nesten en diertjes te knutselen.

Er zijn veel boekjes in omloop met voorbeelden.

Wie het geluk heeft in een omgeving te wonen waar in het bijzonder de dorpsbronnen met honderden eieren versierd worden, rijdt door die dorpen om ze te bewonderen. Je vindt ze soms in de kleinste dorpjes. In deze streken is het ook de gewoonte om struiken en bosjes in de tuin en in huis met bont beschilderde eieren te versieren.

Natuurlijk behoort het voor de kinderen wel tot het mooiste van de paasbelevingen om in de tuin of de vrije natuur eieren te zoeken die de ouderen daar van te voren hebben verstopt. Misschien krijg je onderweg nog een idee om een zinvol verhaal te vertellen over de paashaas.

 

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

 

815-750

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (1)

.
bron onkekend
.

MARIA-LICHTMIS
.

Achtergronden
De meeste bijzonderheden omtrent Maria worden ons aangereikt in het Lucasevangelie. Daarin wordt verhaald hoe de engel Gabriël haar van Godswege begroet als de begenadigde en haar boodschapt dat zij op maagdelijke wijze moeder zal worden van de Messias, de zoon van de Allerhoogste en de Verlosser van het mensdom. Wanneer Maria de 40ste dag na de geboorte van haar zoon het kind Jezus opdraagt in de tempel, voorspelt Simeon haar dat een zwaard haar ziel zal doorboren. Jozef moet vervolgens met moeder en kind vluchten naar Egypte en vestigt zich nadien weer in Nazareth. Maria vindt haar 12-jarige zoon, die zij verloren had, in de tempel terug.

Tijdens het openbare leven van Jezus verschijnt Maria zelden ten tonele, maar zij staat bij het kruis op Golgotha, waar de stervende Jezus haar aan Johannes toevertrouwt, die haar bij zich opneemt. Zij is bij de apostelen aanwezig wanneer de Heilige Geest over hen neerdaalt.

Beeldende kunst
.
De oudste voorstelling van Maria is te vinden in de catacombe van Priscilla in Rome (2de eeuw). De profeet Jesaja staat voor haar en wijst op een ster. Van de 6de eeuw af wordt Maria steeds met een nimbus (wolkje) afgebeeld. In de romaanse en vroeg-gotische periode wordt Maria voorgesteld als Zetel der Wijsheid. In de latere middeleeuwen overheerst het menselijke beeld van Moeder en Kind. In de late 13de en de hele 14de eeuw heerst een voorkeur voor de kroning van Maria door Christus: de hereniging van de mystieke bruidegom Christus met zijn bruid de Kerk.

7b catacombs nursing

Jonger is het motief van de Piëta of Nood Gods, waarbij Maria het lichaam van de van het kruis afgenomen Christus op haar schoot draagt. Tijdens de contra-reformatie gaat men Maria steeds meer zien als de Vrouw uit de Openbaring, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en met sterren gekroond, die de helse draak, voorgesteld als slang, vertreedt.

Maria wordt in verband gebracht met het Oude Verbond als zij wordt aangeduid als de nieuwe Eva, naast Christus als de nieuwe Adam. Het brandende braambos, Gideons vacht, de gesloten poort, waardoor geen man naar binnen gaat en de bloeiende staf van Aäron gelden als typologieën van haar vrijdom van de erfzonde en haar goddelijke moederschap.

De eenhoorn die zijn toevlucht zoekt in de schoot van een maagd is het beeld van de menswording van Christus in Maria. In samenhang met de rozenkransdevotie ontstaat ook de viering van de zeven vreugden en de zeven smarten van Maria, een motief dat door de kunst wordt overgenomen. Maria is ook de omhullende figuur, bij wie de ongelukkigen troost vinden en beschutting onder haar opengespreide mantel.

Maria-Lichtmis

Maria-Lichtmis wordt gevierd op 2 februari en heet ook wel Opdracht van de Heer in de tempel en ook wel Hypapante: de ontmoeting van Maria en Jezus met Simeon in de tempel.

De naam Lichtmis heeft betrekking op de processie met brandende kaarsen die op die dag gehouden wordt.

Legenden

Over de figuur Maria gaan vele legenden en veel wonderlijke gebeurtenissen worden aan haar voorspraak toegeschreven. De meeste verhalen dateren uit de middeleeuwen. Overbekend is de Beatrijslegende en de legende van Theophilus, die een verbond met de duivel had, maar door Maria werd gered.
Jacob van Maerlant heeft een serie Mariamirakelen gebundeld en zo ook de Fransman Gautier de Coinci in de middeleeuwen en in de 20ste eeuw Gabriël Smit, die zeven Marialegenden publiceerde in versvorm.

Maria-Lichtmis en de vrijeschool

Volgens de Joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Ook Jozef en Maria deden dat op 2 februari, 40 dagen na Kerstmis.

Tijdens de plechtigheid in de kerk dragen priester en gelovigen een brandende kaars. In de kringloop gaat de aarde weer ontwaken. Het licht laat zich weer zien, De dagen worden langer en de eerste lenteboden kondigen zich aan. Na een tijd van bezinning en naar binnen gekeerd zijn breekt de tijd aan dat we weer langzaam naar buiten komen. Gereinigd en vol licht gaan we weer op weg. De kersttijd is afgesloten.

Bij de Grieken werd omstreeks dezelfde tijd het feest gevierd van de Aardemoeder: Demeter (Grieks: Godsmoeder).
De Romeinen kenden daar de naam Ceres aan toe. Ceres was de godin van de vruchtbaarheid.
De Germanen noemden deze godin Freia. Het is de Vrouw Holle uit de sprookjes, een van de drie moeder-godheden der Kelten. Soms een lichte, hoge gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. Veel sprookjes, verhalen en sagen zijn over haar bewaard gebleven. Zij is Moeder Aarde en verschijnt in verschillende vormen aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog ongeboren zielen.

Het is begrijpelijk dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats gaat innemen van deze grote Moeder-Maagd.

De gehele, intense Mariaverering is een verinnerlijking en een realisatie van de verering van deze moeder van God en de moeder van het aardeleven, de draagster van levenskrachten.

Een liedje
De vlokken dwarrelen zachtjes neer,
En buiten bloeit de kerstbloem teer,
Vrouw Holle gaat daar heen en weer,
Snorre wieltje, snorre.

De maan gluurt over de wolkenrand,
Wijst haar de weg in het witte land,
Zij kijkt waar nog een lichtje brandt,
Snorre wieltje, snorre.

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle jaarfeesten

.

443-412

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (2)

.

MARIA-LICHTMIS

Alle grote feesten van het jaar hebben een voorbereidingstijd. Zij duren ook na hun hoogtepunt nog voort en klinken nog lang na. De dag waarop de kersttijd definitief wordt afgesloten is van oudsher een feestdag. Het is Maria-Lichtmis, 2 februari.
Zoals bij zeer veel feesten is dit een oud feest, dat verchristelijkt is. Paus Innocentius III (paus van 1198-1216) zegt in een preek: ‘De heidenen hadden de maand februari toegewijd aan de goden der onderwereld, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin van deze maand Proserpina door Pluto geroofd was. Men geloofde, dat haar moeder Ceres haar heel de nacht had gezocht met brandende fakkels. Ter nagedachtenis hieraan hielden zij in het begin dezer maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd het feest Amburbate (Stadsrondgang) genoemd. Maar omdat onze heilige voorouders deze gewoonte niet helemaal konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter ere van de H.Maagd brandende kaar­sen dragen zou…’
Februari was oorspronke­lijk de laatste maand van het jaar. De naam komt van het Latijnse Februa, dat ‘reinigingsfeest’ betekent. Het was tevens een
verzoeningsfeest.
Lang vóór Christus’ geboorte werd omstreeks deze tijd het feest gevierd van de Aarde-Moeder. Bij de Grieken was dit Dè-Mèter (God-Moeder). Haar functie werd bij de Romeinen overgenomen door Ceres, wier dienst een van de oudste erediensten was die in Rome werden ingevoerd. Ceres was de Italische, vóór-romeinse godin van land- en graanbouw, van beschaving en vruchtbaarheid en van het huwelijk. Zij werd aanbeden als de Moeder der goden, de Magna Mater (Grote Moeder). Zij was de Moeder Aarde, moeder en maagd tegelijk, die zelf geen moeder had gehad en die naast Zeus (Jupiter, God-Vader) zetelde op zijn troon. Vesta (Grieks: Hestia), de godin van de hui­selijke haard, was een van haar aspecten. Haar ronde tempel, waarin door de Vestaalse Maagden het vuur altijd brandend werd gehouden, staat nog aan de voet van de Palatijnse heuvel in Rome. Na de laatste februa­ridag, op 1 maart, mocht het vuur even uit­gaan en vernieuwd worden. De Grote Moeder droeg ook de erenaam Libera (Vrije). En deze naam is identiek aan die van de Germaanse godin van aardekracht en vruchtbaarheid: Freia – het is Vrouw Holle uit de sprookjes. Het is een der drie Moedergodheden der Kelten. Soms een hoge, lichte gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. In het land Hessen zijn zeer veel verhalen, sprookjes en sagen over haar bewaard ge­bleven. Zij is Moeder Aarde. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog on­geboren zielen. Zij geleidt de gestorvenen vlak na de dood. Zij beloont op strikt recht­vaardige wijze het goede en straft het kwaad.
Het is begrijpelijk, dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats ging inne­men van deze Grote Moeder-Maagd. De gehe­le intense Mariaverering is een verinner­lijking en een realisatie van de verering van deze Moeder van God en Moeder van het Aardeleven, deze Draagster van de Levens­krachten. Sprak niet Christus op het kruis tot haar: ‘Vrouw, ziedaar Uw zoon’? Daarbij duidend op de eerste ingewijde Christen, door Christus zelf ingewijd: de apostel Joannes. En tot Joannes: ‘Ziedaar Uw Moeder’. Vanaf dat ogenblik neemt de wetende Chris­ten Maria als Moeder bij zich op. (Joh. 19:26-27).

Volgens de joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Een mannelijke eerstgeborene moest dan aan God worden aangeboden. Dit deden ook, zoals Lukas ons verhaalt (Luk. 2:22-39), Josef en Maria. Zij ontmoetten in de tempel de heilige grijsaard Simeon en de profetes Anna, die spraken en profeteerden over het kind. Nu is 40 dagen na Jezus’ geboorte (25 dec.) de 2de februari, de Amburbate-dag, het begin der reinigingsmaand bij de Romeinen. Zo was deze dag reeds door het lot aangewe­zen om de feestdag van ‘Maria-Zuivering’ te worden.

Op deze dag worden, vóór de Mis, de kaarsen gewijd. Dan volgt een processie (omme­gang), waarbij allen, priesters en gelovigen, een brandende kaars in de hand dragen en ook gedurende de Mis in de hand blijven houden. Vandaar de naam lichtmis. Tijdens de ommegang wordt een prachtig, zeer oud lied gezongen, waarschijnlijk afkomstig uit de oosterse kerk: ‘Adorna…’
De woorden zijn: ‘Versier Uw bruidsvertrek, Sion, en ont­vang Koning Christus. Omvat Maria, die de Deur des Hemels is. Want zij draagt de Koning der openbaring van het Nieuwe Licht. Zij blijft Maagd, aanbrengend met haar handen de Zoon, verwekt vóór Lucifer, waarvan Simeon, Hem ontvangend in zijn ar­men, predikte tot de volkeren, dat Hij de Heer is van leven en dood en de Redder der wereld.’

Een passender metamorfose van een vóór­christelijk feest is nauwelijks denkbaar. En als wij nu weten, dat ook het Germaanse Joelfeest in het begin van februari werd afge­sloten met een feest ter ere van Freia, dan beseffen wij, hoe dit Maria-Lichtfeest zowel de gehele westerse en noordse cultuur­kring als ook de christelijke eredienst omvat.
In vele streken (o.a. Oostenrijk en Noorwe­gen) blijft de kerstboom, de Levensboom, de Lichtboom, volgens traditie tot 2 februari staan. Deze dag heette in onze streken (b.v. in Amsterdam) ‘Vrouwendag’. Op die dag verlieten of wisselden de dienstboden haar dienst. Dit was een der oorzaken van de losbandigheden en verkwistingen, die dan plaats vonden. Daardoor kreeg het werk­woord ‘lichtmissen’ (eig. Lichtmis vieren) de betekenis van uitspatten, losbandig zijn en zo kon een nieuw woord ‘lichtmis’ ontstaan in de betekenis van ‘losbol’. Hierop wijst misschien ook de West-Vlaamse benaming: ‘O.L.Vrouwe-Schud-de-panne.’ Of is dat Vrouw Holle, die de donsdeken uitschudt?
Nu begon ook de tijd van volksspelen en -vermaak. En ook in de volksweerkunde is dit feest vermaard. ‘Op Lichtmis, kun je het licht (kunstlicht) missen.’ ‘Lichtmis donker: de boer een jonker. Lichtmis helder: de boer naar de kelder.’ enz. enz. De dagen zijn merkbaar aan het lengen. De eerste lenteboden kondigen het naderend voorjaar aan. De aarde ontwaakt. Het licht komt terug. Met St.-Maarten, het begin van de voorbereiding op het Kerstfeest, droegen wij ons hartelicht in een knolraap of wortel. In de kerstboom, de Mensen-levens-boom, schitterden al onze lichtjes als één groot Christuslicht te samen. Nu dragen wij de kaars van ons leven, dat zich verteert in de lichtende vlam van ons hart weer opnieuw de wereld in.
Een oud gebruik is het ook, om op deze dag alle kaarsresten brandend op een grote, platte schaal met water te laten drijven. Het water is het symbool van de aardse levenskracht. In de tempel van ons lichaam wordt Christus, het Licht der wereld, binnengedra­gen door de Moeder-Maagd, die de levensziel der aarde is. De aarde is voor ons de Poort des Hemels. Moeder Aarde, die het Nieuwe Licht draagt, het aanbiedt aan God en er door gereinigd wordt, ons lichaam als drager van onze geest, onze ziel als drager van de Christus, de Verlosser der wereld, dat zijn de motieven van dit oeroude feest. Het is de moeite waard, om te midden van alle leugen en bedrog, geweld en losbandigheid in deze schijnbaar tot zinloosheid gedoemde wereld, deze beelden van Moeder Maria, van ver­zoening, reiniging en Licht ons opnieuw voor ogen te stellen en nu, wetend en bewust, aan het eind van de kersttijd te trachten dit feest te vieren. Het zou voor ons en voor onze kinderen een weldaad zijn.

(Henk Sweers, Jonas 11, 28-01-1977)
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle jaarfeesten

 

.
444-413

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-1/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Een weduwe had twee dochters: de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vin­gers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar be­neden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het onge­luk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen. Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood: het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar’. Toen ging zij ernaartoe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit. Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn alle­maal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder. Ten­ slotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang. kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen. zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’
Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen: in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heim­wee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Ten slotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw ge­diend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje er­onder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent ge­weest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daar­op werd de poort gesloten en het meisje be­vond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku.
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aan­kwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het meisje vertelde alles wat haar overko­men was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag het­zelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken, prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervol­gens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelf­de pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn ap­pels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde ech­ter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had ge­hoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s och­tends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoor­de, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten.’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er zo lang zij leefde, niet meer af.

Vrouw Holle
In de sprookjesbundel van de gebroe­ders Grimm, komt een sprookje voor met de titel Vrouw Holle. Het begint als volgt: ‘Een weduwe had twee doch­ters; de ene was mooi en vlijtig, de an­dere lelijk en lui. Maar zij hield veel meer van de lelijke en luie, omdat die haar eigen dochter was en de andere moest al het werk in huis doen…’

Het sprookje vertelt verder hoe het mooie meisje elke dag aan de weg moet zitten spinnen, zóveel, dat het bloed uit haar vingers springt en ook hoe zij de spoel van bloed wil schoon wassen en hem in de put verliest. Wan­neer zij dit huilend komt vertellen aan haar stiefmoeder, zegt deze onbarm­hartig: ‘Als jij je spoel in de put hebt laten vallen, moet je hem er weer uit­halen ook!’
In haar angst springt het meisje in de put en verliest haar bewustzijn. Wan­neer zij ontwaakt en tot zichzelf komt, is zij in een weide waar de zon schijnt en duizenden bloemen bloeien. Zij gaat op weg en vindt enkele taken op haar pad: een oven met gaar brood en een appelboom met appels. Zij haalt het brood uit de oven en plukt de ap­pels van de boom. Na verloop van tijd komt zij bij het huisje van Vrouw Hol­le.

Nu kan men zich afvragen waar zich dit gebied van Vrouw Holle bevindt. Is het een onderaards rijk, waarin zij te­recht is gekomen? Het meisje is naar beneden gesprongen, de put in en juist als zij in de grootste benauwenis ver­keert en denkt dat er geen uitweg meer is, blijkt er een toegangspoort tot een weide te zijn. De put wordt een poort. Alleen weet het meisje niet hóe zij door de poort gaat, want zij verliest het bewustzijn en wordt ergens anders wakker. Vrouw Holle wordt beschreven als een oude vrouw met grote tanden. Aanvan­kelijk is het meisje bang voor haar, maar zij overwint haar vrees en treedt bij Vrouw Holle in dienst. Zij moet hard werken om het huisje schoon te houden en de dekbedden flink schud­den, zodat de veren in het rond vlie­gen: ‘dan sneeuwt het in de wereld.’
Nu moeten wij wel bewegelijk en soe­pel worden in onze gedachtegang: het rijk dat eerst onderaards leek te zijn, blijkt nu een oord te zijn waar de sneeuwvlokken vandaan komen, die op aarde neerdalen. Het meisje heeft het goed bij Vrouw Holle, maar na een tijdje krijgt zij heimwee en wil zij weer naar huis. Vrouw Holle brengt haar zelf ‘naar boven’, naar een poort en wanneer zij daar doorheen gaat, stroomt er goud over haar heen, dat aan haar blijft kle­ven. Ook krijgt zij van Vrouw Holle haar spoel terug. Zij komt weer op aarde, vlak bij haar eigen huis, bij de put waar nu de haan op de rand zit en haar welkom heet: ‘Kukeleku, onze gouden jonkvrouw zien we nu!’

Dan krijgen we dit hele avontuur nog eens, maar allemaal een beetje anders. Het stiefzusje wordt er nu op uit ge­stuurd om met goud thuis te komen. Zij komt ook bij Vrouw Holle, maar zonder te werken. Je zou kunnen zeg­gen dat zij vals speelt. Zij spint niet, maar prikt zich in de vingers en smeert het bloed aan de spoel. Zij laat de ta­ken van brood en appels ongedaan. Zij kan het niet laten sneeuwen. Toen zij nog bij haar moeder was heeft zij niet gewerkt en bij Vrouw Holle kan ze het niet meer leren. Ten slotte komt ze met pek bedekt weer thuis. In dit deel van het verhaal heerst een onwerkelijke stemming. Alles speelt zich veel sneller af dan de eerste keer, omdat de blik van het meisje steeds gericht is op het resultaat van haar verblijf bij Vrouw Holle. Je zou haar kunnen beschouwen als de schaduw van de eerste tocht, zoals je haar kunt beschouwen als de schaduw van het lichte, gouden meisje. Wij moeten niet denken dat deze zusjes twee verschillende personages zijn. Veeleer zijn zij twee aspecten van de mensenziel, waartoe ook de moeder en de haan behoren.

Maar wie is nu Vrouw Holle? Nu zij wij gelukkig niet alleen op dit sprookje aangewezen om een antwoord te vinden op deze vraag. Er bestaat een bundel sprookjes en sagen, geheel aan Vrouw Holle gewijd en verzameld door Karl Paetow*, waaruit wij een duidelijk beeld kunnen krijgen. Hierin komen wij Vrouw Holle tegen onder verschillende namen, in verschillende gedaanten en werkzaamheden.

(Margreet van der Heijden in ‘Jonas’ nr.11, 25-01-1980)

.

Sprookje nr. 24 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.
Beschrijving van het sprookje in deze uitgave:

24.Vrouw Holle
Frau Holle
Uit Westfalen en Hessen
Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven vqn het leven onder de bron, één zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje.
Dr. W.C. de Graaf: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen: holderterre, holluntaar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood.
Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria Lichtmis.
Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: ‘Frau Holle macht ihr Bett.’
Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone) en Noorwegen.

*Vrouw Holle;  De koningin van de Rosentuin

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

209-198

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (10)

.

CARNAVAL

Toen bij ons thuis in december de doos met kerstversieringen geopend werd, bleek tussen de dingen verdwaald een zwart-fluwelen masker te liggen. Onze kleuters pakten dat meteen en waren in een mum van tijd gehuld in allerhande lappen, kappen en franjes,  liepen blazend, sissend en brullend door het huis, en iedereen, die volgens hun inzicht iets had gedaan, dat niet in de haak was, werd naar hun “hol” gesleept “voor straf”. ’t Ging onstuimig toe onder het mom van het masker: een oer-weten bleek daar om­hoog te komen, van midwinter, van vroeger tijden in onze streken.

In Germaanse landen vierden de mensen, nog vol overgave levend in het na­tuurlijk ritme van het bestaan, midwinter en lentebegin op deze wijze: een wilde dans van maskers en schimmen, reeds aan het begin van de winter hier en daar opduikend, met een eerste bloei in de tijd tussen, winter- ­en jaarkentering (naar onze begrippen zo tussen kerstmis en nieuwjaar en op z!n hoogtepunt in de tijd van het toenemende licht en de ontwakende natuur. De dreigingen van de winternacht en de bevrijding van de winterse verstarring, ondergang en overwinning, dood en leven, dit zijn de achter­gronden van het ontstaan van gebruiken, waarin de mensen, hunkerend naar het veilig lichte, en de spanning van het donker belevend, zich ont-spanden.

In de tijd van maskers en schimmen werden voor een korte tijd de strenge sociale wetten van de groep opgeheven; vooral de ongehuwde jonge mannen, anders strikt gebonden in hun optreden, werden op vele plaatsen de dragers van deze gebruiken (zoals nu nog op sommige Waddeneilanden tijdens ’t  “Sinterom“).

Bij deze “natuurlijke” achtergrond van de feesten kwam nog een heel directe voorstelling, waardoor deze gebruiken misschien pas goed konden worte­len, dat was de dodencultus. De verering van de doden, het geloof in hun door de dood niet te breken werkzame kracht, deze gedachte vinden wij over­al op aarde aanwezig, bij alle volkeren, in alle tijdperken. En altijd is er een tegenstrijdig beleven, aan de ene kant is er de vrees, want de bo­venaardse kennis, de bovenmenselijke macht waarover de doden beschikken, is onpeilbaar voor de mens. Aan de andere kant houden de mensen van de doden: het zijn de voorouders van het eigen leven, aan wie zij alles te dan­ken hebben, en aan wie ook een toekomstig welslagen te danken zal zijn.

Als nu de geesten,  de zielen der doden, in de nachten tussen midwinter en jaarwisseling onder de hoede van vrouw Ferchta, d.i. vrouw Holle, naar het aardse terugkeren om te kijken bij de levenden, waren de mensen werkelijk bereid de berechting door de “wilde Jagd” te aanvaarden, hun straf op zich te nemen, en zo verzoend te worden en gerechtigd verdere zegeningen te ontvangen. Huis en hofstede hadden van onder tot boven in orde te zijn, luiheid werd door vrouw Holle gestraft (je kunt in Noord-Duitsland nog me­nige huisvrouw haar waslijnen voor de Kerstnacht binnen zien halen. Op je vraag hoor je dan: “dat brengt ongeluk voor t nieuwe jaar.’ Jazeker: als vrouw Holle en de haren erin verward mochten raken.) Je mocht geen nieuws­gierigheid naar het wezen buiten tonen; symbolisch vinden wij dat nog te­rug b.v. op Texel en Terschelling, waar in de winternamiddagen de straten door “Sinterklazen” en anderen worden schoongeveegd. Wie zich na bet aanbreken van de avond nog buiten vertoont, kan door de “witte midwintermannen” (gehuld in witte lakens en met een dicht net voor het  gezicht) en de afschuwelijke heks “Rix van t Oerd” op de mesthoop gedragen worden. Op uitnodiging komen deze midwintermannen en hun gevolg graag in huis voor een versnapering: het dodenoffer. (In Finland houdt men op sommige boer­derijen nog vast aan een oud jul-gebruik: in een hoek van de kamer, of in een apart vertrekje, wordt een tafel gedekt met alles wat het boerengezin tijdens dit ‘oogstfeest’ nuttigt – voor de dode zielen. En opdat niemand deze nachtelijke gasten zou horen – ‘dat is onbehoorlijk’ – wordt de kamer dik met stro uitgelegd.)

Deze kosmische en mythische voorstellingen zijn het in wezen, die tijdens deze donkere weken worden na-voltrokken met deze masker-optredingen: mas­ker: dat is het woord “masca” van de Longobarden en betekent oorspronke­lijk het net, waarmee de doden omhuld werden;  later omschreef men de terugkerende “boze” geest zelf met “masca”. Het masker vervreemdde zijn drager van de rest van de groep. Daardoor werd, wat dit maskerwezen deed en zei, des te indringender ervaren en beleefd door deze gemeenschap. (Het kon zelfs gebeuren, dat de beleving van zo’n masker als belichaming van een gestalte uit andere kosmische regionen zo sterk was, dat – nog in de 18e eeuw – iemand, die in de vermomming van het Ferchta-masker overleed, geen christelijke begrafenis kreeg.)

Maar het is niet alleen deze duister-dramatische stroming, die is geworden tot de “dolle dagen” van onze tijd. Er is nog een andere, en die heeft ons naar men aanneemt, de naam van het feest gebracht: carnaval. Een stroming van heel ver, uit het oude Babylonië.

Daar was het ’t feest van de landbouwers, de viering van de komende lente en de terugkerende zon: de zon had haar kracht ingeboet, de natuur was ge­storven – maar nu, met het stijgende licht, werd alles weer herboren. Men dacht het  heelal als een oceaan, waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer; de weg van de jaarlijkse tocht, die door de dierenriem leidde, om te eindigen in een zwart gat, nl. dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Daar was voor de Babyloniërs en Sumeriërs de “Zee van het dode Water”, het rijk van de dood. Deze voorstelling vinden wij beschreven in het Gilgamesj-epos:  de held,  Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek -is op zoek naar onsterfelijk­heid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water,  om te sterven en uit de dood te herrijzen.

Tijdens de lentevieringen werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur werden meegevoerd.  Ook het goden­beeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over t wa­ter naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meege­voerd in de stoet langs de hoofdstraat van de stad: zo werd de reis van de zonnegod over de wereldoceaan naar het dodenrijk, aan het langs de weg zich verdringende volk getoond (een eerste schouw—burg).  Boot op wielen of te wel “carrus navalis”. Carnaval.

De Grieken namen deze gebruiken over: bij hen echter was Dionysos de god van het ontluikende leven,  die op de boot werd neergezet, vergezeld door een vrolijke saterschare.  De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd met grote maaltijden,  dans en drinkgelagen. Maar ook hier was het niet  al­leen het feest van de lente,  ook hier een viering ter nagedachtenis van de doden: het leven overwint de dood,  zoals de lente de winter overwint. Ge­leidelijk aan werd het aantal personages op deze “carrus navalis” uitge­breid,  en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling: het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over.  (Onze praalwagens van het bloemencorso, in Babylonië hebben zij hun oorsprong).

Toen de Romeinen Germaans gebied introkken en de eerste steden stichtten, bv. Keulen, maakten ook de gebruiken van hun lenteviering hier hun entree. En hier begon “ons” carnaval: Germaanse schimmen en maskers met hun strak en straffend optreden versmolten, of bestonden naast het uitbundige lentevieren uit verre landen.

Carnaval is niets voor ons noorderlingen? Toch vieren wij nog een klein restje carnaval, als wij op oudejaarsavond naar Wim Kan luisteren, naar zijn schertsend of bijtend relativeren van het dagelijks gebeuren. En als wij, rond de jaarwisseling, een lijstje met goede voornemens schetsen, dan zijn wij, als onze voorvaderen, in gevecht met het boze duister, ver­langen naar licht en helderheid. Onze tijd heeft een ander licht zien ver­schijnen, dat zijn boodschap van verlossing en verzoening uitstraalt boven ons bestaan: het licht van het kerstgebeuren.

Carnaval – we mogen het best een beetje meebeleven met onze kinderen, dit heidens-heilige feest, ter nagedachtenis aan ons verleden.

(zie ook: “Carnaval”  door Boris Raptschinsky;
en “Ons eigen volk in het feestelijk jaar” van D.J. van der Ven)

 E.Eshuis-Schütt, schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool in febrauri, jaar onbekend.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

86-83

.