Tagarchief: Pasen

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (22)

.

EEN FEEST VAN EVENWICHT EN BEWEEGLIJKHEID 

De evenwichtige stand van de zon en de maan tegenover elkaar met precies daar tussenin de aarde is een gegeven voor het vaststellen van de datum waarop Pasen wordt gevierd. Deze voorwaarde betekent dat die datum voortdurend wisselt. Daarmee zijn twee essentiële kenmer­ken genoemd voor het paasgebeuren: beweeglijkheid en evenwicht als aan­wijzingen voor het innerlijk meebele­ven van het paasfeest.

In tegenstelling tot de data van het Michaelsfeest, Kerstmis en Sint-Jansdag, die alle vast­liggen, wisselt de datum van Pasen voortdu­rend. Zo beweeglijk als de constellatie van zon, maan en aarde is, zo beweeglijk is de paasdatum, die op de volgende wijze vastge­steld wordt: wanneer de aarde in haar baan het lentepunt heeft bereikt, de maan daarna vol geworden is, valt op de zondag, die daar­op volgt, Pasen.

Deze beweeglijkheid van de datum van Pasen geeft wellicht ook een aanwijzing voor de kwaliteit van dit feest: beweeglijkheid, in­nerlijke dynamiek. Behalve deze beweeglijk­heid, waar we hieronder nog op terugkomen, spreken de uiterlijk astronomische feiten nog een andere taal, namelijk die van het even­wicht, van het midden. Evenals voor het Michaelsfeest, dat kort na de herfstevening valt, dat wil zeggen wanneer dag en nacht even lang zijn, zon en maan even hoog boven de horizon komen en de plaatsen van zonsopgang en zonsondergang precies tegenover elkaar liggen, gelden deze verschijnselen van evenwicht ook voor de tijd dat de aarde het lentepunt passeert. Deze toestand van evenwicht wordt nog versterkt door de tweede voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat het Pasen wordt, na­melijk de volle maan. De aarde staat dan – wat richting betreft – precies tussen zon en maan. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde – en daarmee de mens – in het midden. Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar de baan van de zon en die van de maan dezelf­de ‘helling’ hebben ten opzichte van de hori­zon; de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in te­genstelling tot de winter, waar de zon laag en de maan hoog aan de hemel staat; in de zo­mer is dit omgekeerd.

Het zou hier te ver voeren om ook nog de middenpositie van de zondag in de opbouw van de week na te gaan zoals dat in de Jonas van 4 april 1980 is gedaan. Samenvattend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht is bereikt (Wil­helm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’ aan hoe zestien kosmische even­wichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zon­dag na de lente-volle maan, dus met Pasen). Op deze beide elementen: beweeglijkheid en evenwicht willen we nader ingaan om daarin een aanwijzing te zoeken voor het innerlijk meebeleven, het meeverwerkelijken van het paasgebeuren.

Mercurius
Van de zeven planeten (in de klassieke zin van het woord) vertegenwoordigt Mercurius overduidelijk het element van de beweeglijk­heid. Snel en (schijnbaar) willekeurig be­schrijft hij meerdere malen per jaar een lusvormige baan, steeds een periode langzamer, dan weer sneller gaande ten opzichte van de sterrenhemel. Hij beweegt zich voor het oog voortdurend heen en weer om de zon als midden, waarbij de afstand tot dit middel­punt nooit groot wordt, aangezien Mercurius een binnenplaneet is met de kleinste en daar­mee snelstdoorlopen baan. Hierdoor komt het ook dat Mercurius zelden te zien is, om­dat hij meestal door het zonlicht wordt over­straald. Bij de beweeglijkheid zoekt Mercuri­us kennelijk ook het evenwicht, in die zin, dat hij steeds om het midden schommelt, waar hij nooit ver vandaan is!
Het is in dit verband kenmerkend hoe in de ordening van het weekritme de dag van Mercurius, de woensdag (Frans: mercredi) het midden van de week vertegenwoordigt, hetgeen in de Duitse naam voor woensdag, Mittwoch, duidelijk afleesbaar is.
Mercurius is altijd gezien als de genius, de ‘patroon’ van zowel de handel alsook van de geneeskunde, hetgeen we tot op de huidige dag nog kunnen zien aan bijvoorbeeld het vignet van het jaarbeursgebouw: de gevleu­gelde mercuriushoed, of het symbool van de geneeskunde, de mercuriusstaf met de slang (en).
Hoewel op het eerste gezicht de beroepen van handelaar en arts wel ver uit elkaar lijken te liggen, kunnen we bij nader inzien juist uitgesproken overeenkomsten vaststellen. Hoeveel uiteenlopende oorzaken verschillende ziekten ook kunnen hebben, de oorspron­kelijke oorzaak zal altijd liggen bij een niet of onvoldoende communiceren tussen orga­nen onderling of tussen een orgaan en het ge­hele organisme. Het onderlinge geven en ne­men is dan verstoord of gestagneerd, waar­door opeenhopende, woekerende tendenties of juist het tegenovergestelde het gevolg kan zijn, namelijk afstervende uitmergeling. Het gezondmaken (dus veel meer dan de symptoombestrijding) bestaat dan in een herstellen van het evenwicht, doordat geven en nemen weer in beweging komen. Wat aan stoffen of eigenschappen op de ene plaats te veel is, dient aan een andere plaats, waar te weinig aanwezig is ten goede te komen. De geneeskunde is in dit opzicht een gezondmakende ‘handel’, die opeenhoping enerzijds en ontbering anderzijds door een ‘mercuriaal’  geven en nemen weer in evenwicht brengt.

Jaïrus
Onder andere in het Marcusevangelie wordt een gebeurtenis beschreven, die het mercuriale, gezondmakende ‘handelen’ van Christus beschrijft. Het is de genezing, respectievelijk de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5). Nadat Jezus door de overste van de synagoge geroepen is om te komen en zijn dochtertje dat op sterven ligt te genezen, gaat Jezus inderdaad met hem mee: Onder­weg wordt hij opgehouden door een menig­te, die zich tegen hem opdringt. Daaronder bevindt zich een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen geleden heeft; zij raakt van achteren het gewaad van Jezus aan. Het vertrouwen dat dit haar zal helpen blijkt ge­rechtvaardigd, want ‘zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was’. Jezus bemerkt op datzelfde ogenblik dat een kracht van hem was uitgegaan, keert zich om en vraagt, wie hem heeft aangeraakt. Hij wil aan het schroomvallig van achteren benade­ren een bewuste ontmoeting toevoegen, oog in oog, hetgeen dan ook gebeurt.
Vervolgens blijkt dat deze genezing en ont­moeting veel meer met het lot van het doch­tertje van Jaïrus samenhangen dan alleen door het feit dat deze gebeurtenis plaats­vindt op weg naar het huis van Jaïrus. ‘Ter­wijl hij nog sprak (namelijk tot de vrouw) kwam men uit het huis van de overste der sy­nagoge hem zeggen: uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig?’ Jezus echter stoort zich daar niet aan, vervolgt zijn weg en gaat het huis binnen. In tegenstelling tot het rumoer van de dringende menigte buiten, schept Jezus nu de stilte van een klei­ne intieme kring binnen. Deze polariteit en de schijnbaar onbelangrijke mededeling van de evangelist dat de vrouw twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen had geleden en dat het meisje dat wordt opgewekt (‘maagd, ik zeg u, sta op!’) twaalf jaar oud is, wijzen op een verband tussen beide genezingen. Hetgeen bij de vrouw te veel is, wil bij het meisje niet doorbreken, en Jezus beweegt zich daartus­sen als de mercuriale ‘bemiddelaar’. We krij­gen de indruk dat de opwekking van het dochtertje van Jaïrus niet ondanks het op­onthoud onderweg, maar wellicht mede dankzij deze ‘toevallige’ ontmoeting moge­lijk is geworden.

Hierin ligt – dunkt me – een belangrijk appèl besloten om in ons eigen leven mercuriaal en daarmee genezend te werken; om niet ‘toe­vallige’ situaties of ontmoetingen snel voor­bij te gaan omdat we menen dat deze sto­rend en tijdrovend in de weg staan en slechts afleiden van de veel belangrijkere dingen die we denken te moeten doen, maar dat we – in­tegendeel – dergelijke ‘toevalligheden’ vaak mogen zien als gebeurtenissen die ons inder­daad ‘toevallen’ en bij nader inzien elementen in zich dragen waarvan wij juist dankbaar ge­bruik kunnen maken.

Wanneer we er voldoende wakker voor zijn, kunnen wij ‘onderweg’ veel meer geven en nemen, dan we aanvankelijk vermoeden. Te­meer waar het ons meestal om het doel gaat dat we voor ogen hebben en we de weg er naartoe als een noodzakelijk kwaad beschou­wen, dat we zo snel mogelijk achter ons moeten laten. Voor ontmoetingen met men­sen of gebeurtenissen onderweg menen wij geen tijd te hebben, terwijl daar in nu juist zo’n rijkdom aan ‘toevalligheden’ die juist vaak met ons doel te maken hebben, beslo­ten ligt. Dit doel kan daardoor vaak veel dichter bij ons komen dan dat we het ge­haast en met oogkleppen op hadden kunnen bereiken.

Wanneer deze wetmatigheid niet alleen voor de enkeling, maar juist ook voor het hele weefsel van onderlinge lotsverbondenheden van vele mensen geldt, dan kunnen we ver­moeden, hoeveel mogelijkheden ons zijn ge­geven om de eenzijdigheden van onszelf en/ of van anderen aan te passen en aan te vul­len, zodat het grotere organisme evenwichti­ger en daarmee gezonder wordt. Aangezien wij – meestal onbewust – nogal ge­neigd zijn onze eigen eenzijdigheden en eigen-aardigheden te koesteren, betekent een correctie, aanvulling of aanpassing vaak een onaangename inbreuk en storing in onze le­venswandel. Deze levenswandel kan dan zelfs tot een lijdensweg worden, wanneer we ge­confronteerd worden met die eenzijdigheden of eigenaardigheden. En hoe minder wij ons daarvan bewust zijn, des te smartelijker is die confrontatie. Het is te vergelijken met een diagnose die gesteld wordt; sterker nog: het is een diagnose, hetgeen tenslotte letterlijk ‘door-kenning’ betekent.

Rafaël
Zoals een doelgerichte therapie ondenkbaar is zonder een gestelde diagnose, zo is Pasen ondenkbaar zonder voorafgaande lijdenstijd, zo is de opstanding pas mogelijk door de voorafgaande dood. ‘Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen met zichzelf; indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’, zijn de woorden van Jezus, die hij vlak voor zijn eigen dood uitspreekt (Johannes 12).

Uitgaande van de mercuriale genezende ele­menten van beweeglijkheid en evenwicht, ontdekken we nog andere kenmerken van het paasfeest, die ook met geneeskunde of heelkunde te maken hebben, respectievelijk daarmee vergelijkbaar zijn: de beide grond­pijlers diagnose en therapie. Wij mogen kennelijk de machtige, allesvernieuwende daad van de dood en opstanding zien als genezing voor de mensheid, waarbij wij diegene, die deze daad als eerste volbracht Christus, in dit verband als de wereld-arts mogen beschouwen.

Van de vier aartsengelen die de loop van het christelijke jaar begeleiden, is Rafaël de geni­us van de ‘lentefeesten’, hetgeen in het licht van het bovenstaande kenmerkend is, aange­zien deze naam – uit het Hebreeuws vertaald – betekent: ‘God geneest’ of de ‘genezende kracht van God’.

Met Pasen werkt bij uitstek de genezende kracht van God, doordat een hereniging, een ‘communie’ plaatsvindt tussen geest en stof, tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Deze hereniging heeft indertijd plaatsgevon­den, doordat de goddelijke geest van Chris­tus het menselijk lichaam van Jezus zo ge­heel doordrong, dat alles wat aan ziekte en dood in dit sterfelijke lichaam heerste in het licht van de genezings- en opstandingskracht werd overwonnen, waardoor aan dit lichaam onsterfelijk leven werd verleend.

Opstanding uit de dood wordt nu en in de toekomst daar verwerkelijkt, waar de Chris­tusgeest de sterfelijke, aardse stof doordringt om daaraan eeuwigheidswaarde te verlenen. Een gebeuren dat te vergelijken is met het proces dat de inhoud van een gedicht door­maakt. Oorspronkelijk ontstaat deze als le­vende inspiratie in de ziel van de kunstenaar om zich vervolgens door een meestal moei­zaam proces los te maken en vorm te vinden in het gesproken of geschreven woord. De idee of de inspiratie moet zich letterlijk en figuurlijk ‘verdichten’ totdat het uiteindelijk sterft in drukinkt en papier. Pas wanneer een menselijke geest zich invoelend met het ge­dicht verbindt, wordt de eigenlijke inhoud uit de verdichting bevrijd en staat daaruit op. Hoeveel is er in en door de mens verdicht en heeft daar een graf gevonden? Hoeveel kan er niet door invoelende mensengeesten in het licht van de opgestane Christus daaruit wor­den bevrijd?

Hoeveel meer Pasen kan het worden, naar­mate wij ons op innerlijk beweeglijke, mer­curiale wijze in dienst stellen van de Midde­laar tussen geest en stof, tussen hemel en aar­de, tussen God en mens; ïn dienst van de wereld-arts.

Maarten Udo de Haes ‘Jonas’17,  13 april 1984

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

133-128

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (21)

.

PASEN: FEEST VAN DE OPSTANDING VAN CHRISTUS EN VAN DE NATUUR

Zoals de wintertijd de periode voor de lichtfeesten was, is de lente de periode van de vruchtbaarheidsfeesten. Zoals we bij het kerstfeest de kerstboom als symbool voor de levensboom zien, hoort bij het paasfeest de palmpaasstok. Aan de palmpaasstok kunnen we veel symbolen herkennen:
In de top prijkt de haan. Deze kondigt de nieuwe dag aan in de prilste morgenschemering. De haan staat symbool voor het hoogste deel van de mens. Hij is een verbeelding van ons wakkere IK.

De palmpaasstok draagt vaak een krans, symbool voor het zonnerad. Ook de geestelijke zon, die eeuwig is, wordt hiermee gesymboliseerd. De altijd groene buxustakjes symboliseren het eeuwige leven en de vruchten aan de palmpaastak zijn de dragers van het nieuwe levenszaad.
Ook de andere paasgebruiken zijn symbolen, zoals de haas die eieren brengt. De haas was in verschillende delen van de wereld toegewijd aan godinnen van schoonheid, liefde en vruchtbaarheid. In het noorden was dat de godin Ostara, wier naam we nog herkennen in de Duitse benaming van het paasfeest: ‘Ostern’. Dit is een aanwijzing voor de voorchristelijke geschiedenis van het feest. De Germaanse mythologie vertelt ons dat de godin Ostara nieuw leven aan de natuur gaf door de haas eieren te laten brengen.
De haas heeft geen hol om veiligheid in te zoeken en moet zijn kwetsbaarheid opheffen door zich veel voort te planten. Het is een zeer vruchtbaar dier. In het Christendom staat de haas symbool voor het hogere IK in het fysieke lichaam. De haas is een vreedzaam wezen dat oog heeft voor de nood van een ander, zonder zelfzucht. Hij doet alles om een ander te redden. Een haas die in het veld achternagezeten wordt door een hond, wordt vaak door een andere haas afgelost zonder dat de hond dit in de gaten heeft. Ook heeft de haas het vermogen, door op zijn schreden terug te keren, zijn achtervolger het idee te geven dat hij als bij toverslag verdwenen is.

Wat is het bijbelse verhaal achter het paasfeest?
De voorbereidingstijd voor het paasfeest duurt 4 weken en begint met het carnavalsfeest. De tweede zondag van deze periode wordt passiezondag genoemd. Deze dag, midden in de vastenperiode, wordt beschouwd als het moment waarop de beslissing viel om Jezus te doden. De 2 weken erna, van passiezondag tot de paasnacht, vormen de passietijd of lijdenstijd. De laatste zondag voor Pasen heet palmzondag.
Palmzondag, 1 week vóór Pasen, was de dag van de intocht van Jezus in Jeruzalem. Daar werd het joodse Paschafeest gevierd ter herinnering aan de uittocht uit Egypte, de losmaking uit de slavernij. Jezus reed Jeruzalem binnen op een ezelin, symbool voor het fysieke lichaam als drager van de geest. De mensen, die gehoord hadden over de wonderen van Jezus, kwamen Hem tegemoet om Hem als langverwachte koning binnen te halen. Ze sneden palmtakken van de bomen en legden die op de weg.

De week van palmzondag tot Pasen wordt ook wel ‘stille week’ genoemd, omdat er dan geen klokgelui te horen is. In deze week hebben onder andere de donderdag en de vrijdag een bijzondere naam. De donderdag voor Pasen heet ‘Witte Donderdag, de dag van het laatste avondmaal waar Jezus blijk gaf van Zijn onbeperkte liefde. Wit staat voor heilig of goed. De vrijdag erna heet ‘Goede Vrijdag’. Dit is de dag waarop Jezus, na verraden te zijn door Judas, één van de twaalf discipelen, gevangen genomen, ter dood veroordeeld en gekruisigd werd. In de nacht van vrijdag op zaterdag werd Jezus in zijn graf in een grot gelegd, waaruit hij op paaszondag weer opstond.

Nog meer symbolen rond het paasfeest
Het ei, een onmisbaar attribuut bij het paasfeest, lijkt van buiten een dode steen. Als een kip er echter 21 dagen op heeft gebroed, komt er een levend wezen uit. Het ei vormt dus een mooi symbool voor het wonder van de opstanding uit de dood, ontkiemend leven. Deze onzichtbare kracht zit in alle dingen.
Eieren waren heilig en werden als offergaven aan de goden geschonken, vaak geverfd in voor de Germanen symbolische kleuren zoals bruin (aarde), geel (lentegodin) en rood (oppergod Wodan). Ook werden eieren begraven op plaatsen waarvoor men zegen, vruchtbaarheid of genezing wilde vragen.

Het woord ‘Pasen’ is afgeleid van het Syrisch-Arabisch ‘Passak’. Dat betekent dansen, huppelen en heeft betrekking op de blijdschap om het licht, de overwinning van de zon op de duisternis van de winter.

Door het dubbele van het paasfeest is het een moeilijk feest. Eerst beleven we de lijdensweg en de dood, daarna de opstanding uit de dood. Deze kunnen we, behalve in het verhaal over Christus, ook om ons heen in de natuur beleven. Pasen is het feest van het overwinnen van de fysieke dood. Blijf niet treuren om het fysiek waarneembaar gestorvene, maar ervaar de opstanding, het voortgaan van het leven in een nieuwe vorm.

Het paasfeest op school
In de peuter- en kleuterklassen ligt de nadruk op het vieren van een lentefeest. Er wordt een palmpaasstok gemaakt door juffies en ouders, met een broodhaantje, slingers van gedroogde vruchtjes en groene buxustakjes. De laatste schooldag voor de paasvakantie wordt er een klein palmpaasoptochtje gelopen. De kinderen zingen over de paashaas en er worden paaseieren gezocht en gegeten.

De kinderen van de hogere klassen maken zelf hun palmpaasstok en lopen op palmzondag een lange tocht. Verder wordt er verteld over het paasfeest.

Paasliedje van de peuters:

De paashaas, de paashaas, die is weer in het land.
En aan zijn ene pootje daar hangt een grote mand
En in die mand zitten eieren, bim bam beieren
En volgend jaar komt hij weerom, bim bam bom!

.

 Yolanthe Cornelisse, nadere gegevens ontbreken

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuters-kleuters

 

 

132-127

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (20)

.

PASEN: LIEFDEVOL OMVORMEN VAN HET DODE 

Er zijn mensen die moeite hebben met de herfst, anderen daarentegen vervallen juist in het voorjaar in een zekere melancholie. De lente laat te lang op zich wachten. Weliswaar lengen de dagen opmerkelijk, bloeien de krokussen, fluiten de merels al lang, maar als regel blijft het koud en guur en vallen er — nu heel misplaatst — af en toe sneeuwbuien. De lammetjes staan onbeschut in de wei, de griep waart rond in de stad.
De wintervreug­den: de feesten en de ijspret zijn voorbij en het verlangen naar warmte, zon en onbek­ommerd buiten-zijn wordt steeds intenser. Maar misschien is het ook nog iets anders, dat deze melancholie oproept. Synchroon met het talmen van de lente loopt in onze streken de voorbereidingstijd van het paas­feest. Het is wat in het kerkelijk leven de lijdenstijd wordt genoemd.
Hoewel de over­winning van de koude, donkere wintertijd, de nieuwe opbloei van het leven zich in de natuur al aankondigt en je zelf ook weet dat het paasfeest, het grote opstandingsfeest in aantocht is, ontkom je toch niet aan een zekere neerslachtigheid. Wat is er gebeurd sinds Kerstmis waarbij de geboorte van het Christuskind werd gevierd, waar in de uiterlijke duisternis en de doods­heid van de natuur het licht aan de groene boom hoopvol werd ontstoken? Al gauw daarna verzonk deze warme, blijde stem­ming in de kilheid en rauwheid van het dagelijks gebeuren. Kindermoord te Bethlehem. Machtsstrijd. Grof egoïsme. Keihard materialisme. Afwentelen van verantwoor­delijkheid. Zwakheid, verloochening, ver­raad. Tenslotte kruisiging van datzelfde we­zen dat nog maar kort geleden zo blij ont­vangen werd. Buiten wordt het lente, neemt het licht sterk toe, innerlijk beleef je de duisternis van menselijke ontrouw en on­macht.
Anders dan de adventstijd waarin je je verheugt op de ontvangst van het kerst­kind, het mee-geboren worden, betekent het naderen van het paasfeest in eerste instantie een mee-sterven, het doorstaan van Goede Vrijdag. Het is dit besef dat ook op de natuur in al zijn prilheid: de bloemen, de vogels en de lammetjes, het weemoedige stempel van de vergankelijkheid drukt. Geboorte en sterven, het is kenmerkend voor het leven op aarde, het één is niet mogelijk zonder het andere. En in dit bewustzijn is leven ook lijden. Als je zelf al niet lijdt, lijd je mee met anderen.

De lijdenstijd valt samen met de verwachtingsvolle stemming in de natuur. Een reden om Pasen als ‘geboortefeest’te vieren.

Het is merkwaardig dat een mens zich tegen iets dat zo’n absoluut gegeven is als: leven is lijden, geboren worden betekent ook ster­ven, toch innerlijk verzet. Wat wordt er niet allemaal gedaan om het lijden op te heffen, om de dood te voorkomen of uit te stellen of op z’n minst te verzachten.
Lijden-en-ster­ven wordt eigenlijk als een onrecht beleefd, als iets wat er niet bij zou moeten horen. Individueel kun je het gevoel hebben: ieder ander kan dood gaan, ik toch zeker niet!
Ik zeg niet: de gedachte, maar het gevoel. Voor zijn gevoel is de mens onsterfelijk. Hij is altijd weer geschokt als een ernstige ziekte of een ongeval hem treft.

Het is een gegeven dat de mensheid al lang en intensief bezig houdt: in het dagelijks leven als je kijkt naar de aandacht die dit onderwerp krijgt in het nieuws bijvoorbeeld, maar ook als een steeds weerkerend thema in de kunst, in de religie en in de wetenschap. Met de daar achterliggende vraag: waarom wekt het toch verzet, waarom is er dat onre­delijke verlangen naar ‘onsterfelijkheid’? Wat is dan eigenlijk het geheim van het leven en wat is dat nog grotere mysterie: de ge­waarwording van en de reflectie op het eigen leven, het eigen ik-bewustzijn? Veel mensen zullen zich exact het moment herinneren waarop dat — je was nog een kind — als een flits ineens door je heen schoot: Ik ben een ik! Het woordje ‘ik’ — je spreekt het ontelba­re malen per dag uit, maar slechts een enkele keer voel je de duizelingwekkende draag­wijdte van zijn eigenlijke inhoud. In het dagelijks leven wordt dit onderge­sneeuwd, min of meer verdoofd en zelfs dat wat er in het alledaagse ik leeft, wordt regel­matig aan het bewustzijn onttrokken. We zijn er aan gewend en vinden het dus ge­woon dat we bijvoorbeeld ieder etmaal een aantal uren buiten bewustzijn doorbrengen, maar is ook dat niet, als je er over nadenkt, een wonderlijke zaak?
Onze cultuur heeft nog geen eensluidend antwoord op de vraag naar het geheim van het leven gevonden. Je kunt natuurlijk alle stoffen die zich op aarde bevinden en alle processen die deze met elkaar aangaan on­derzoeken en uit de resultaten daarvan een theorie opstellen zoals die van de oerknal, maar hoe kun je dit soort deeltjes of krachten een potentie tot zelfbewustzijn toeschrijven?
Ook al zou de oerknal een technisch hulp­middel geweest zijn om op den duur mense­lijk leven op aarde mogelijk te maken, dan zou dit toch nooit het héle verhaal kunnen zijn. Dan wordt het probleem verschoven door de deeltjes op zich een eigen intentie en wil toe te kennen (‘boodschappen’ over te brengen).

Dat leven iets geheimvols is, word je je pas bewust doordat er ook niet-leven, dood, be­staat evenals je je van licht pas bewust wordt doordat er ook duisternis is of van het goede door het kwaad.

Mag het leven dan al moeilijk te doorgron­den zijn, nog moeilijker is het om iets te begrijpen van het leven dat de dood over­wint, van Pasen als opstandingsgebeurtenis. Met je gewone verstand kun je daar absoluut niet bij en dat is toch hetgeen je zo graag zou willen. Want geloven zonder meer kun je als mens van deze tijd eigenlijk ook niet en evenmin kun je er omheen om toch de vraag te stellen wat je aan moet met deze meest cruciale gebeurtenis in de mensheidsge­schiedenis.

Antwoorden
In een vooralsnog denkmatige beschouwing van deze mensheidsgeschiedenis zie je het probleem van de dood duidelijk optreden bij de Egyptenaren. Hun antwoord was: het balsemen van het fysieke lichaam waardoor dit niet kon vergaan. Zodoende werd ook de ziel, die met dit lichaam verbonden was geweest, behouden, naar men dacht.
Het boeddhisme heeft een heel ander ant­woord gegeven: de ziel moet zich juist wel los maken van het fysieke lichaam. Het leven op aarde is een oefenweg die met lijden en dood gepaard gaat en die tot vervolmaking van de ziel moet leiden. Het uiteindelijke doel is een leven in de hoogste hemelen, ver weg van het aardse tranendal. Zolang een mens nog niet de opperste graad van vervolmaking bereikt heeft, zal hij na zijn dood steeds weer op­nieuw moeten incarneren om verder te oefe­nen. Het is een absoluut innerlijke weg die via het perfectioneren van de eigen ziel tot zelfverlossing leidt, dat wil zeggen het over­bodig worden van incarnaties. Typerend is het beeld van de Boeddha: absolute rust en ingekeerdheid, de ogen bijna gesloten, de benen horizontaal, inactief, armen en han­den in een verstild meditatief gebaar, de gelaatstrekken vol wijsheid en harmonie met een uiterst geconcentreerde, soms wat pijn­lijke uitdrukking. Voor de Boeddhist is het aardeleven een soort straf waartoe hij steeds weer veroordeeld wordt zolang hij faalt in zijn eigen vervolmaking en hiermee is voor hem de enige waarde en functie van onze planeet gegeven.
De Griek had weer een heel andere verhou­ding tot de aarde. Voor hem was juist het aardeleven het belangrijkste. ‘Liever een be­delaar op aarde dan een koning in het schimmenrijk.’ Een enorme levensvreugde straalt ons uit de Griekse cultuur tegemoet. Het gebruik van de ledematen werd gesti­muleerd, geoefend en verfijnd tot volmaakt vakmanschap en ten dienste gesteld aan schoonheid en behendigheid als grote nastrevenswaardige idealen. Kunsten en sporten beleefden een weergaloze zomerse bloeitijd. Zelfs de goden waren levenslustige en  zeer menselijke wezens. 
Bij al deze ‘antwoorden’ ging het natuurlijk geenszins om uitgedachte theorieën of leren. Ze berustten op een ingeworteld beleven van de wereld, waaraan door de wijsheid van de in de mysteriën ingewijde grote volksleiders voor het dagelijks leven richting gegeven werd.

Keerpunt
Met het christendom komt er iets totaal nieuws: een hoog goddelijk wezen — Gods zoon! — incarneert zelf op aarde en leeft in een menselijk fysiek lichaam. Gods zoon wordt mensenzoon. Daarmee wordt de mens herinnerd aan zijn oorspronkelijke goddelijke afkomst. Daarmee wordt aan de andere kant de mens door de goddelijke wereld serieus genomen. Zijn leven, maar ook zijn lijden en sterven. Want tot in de dood toe verbindt deze god-mens zich met de aarde-mens.

Christus wordt aan het kruis geslagen, sterft de kruisdood. Het dode lichaam wordt in het graf gelegd. Maar dan gebeurt er iets totaal onverwachts, onbegrijpelijks: deze dood wordt overwonnen! Na drie dagen, op paasmorgen, verschijnt Christus aan de vrouwen bij het graf in een nieuwe gestalte. Wat zij zien is een totaal nieuw verschijnsel: de mens in een opstandingslichaam, een transparant lichaam dat zich aan de wetten van de mate­rie onttrekt.

Dit is een absoluut keerpunt in de mens­heidsgeschiedenis. De treurnis verkeert in blijdschap. De dood heeft dus toch niet het laatste woord. Het lijden aan de materie is weliswaar voor de mens onontkoombaar, maar er kan iets mee gedaan worden. Hij kan die materie omvormen, verlossen uit zijn zwaarte en verstarring. Het blijkt een proces te zijn dat aangegrepen kan worden en dat dan tot de geboorte van een nieuw mensenwezen kan voeren, zo niet direct dan toch in een verre toekomst. Denk niet dat dit zo gemakkelijk even opge­schreven kan worden of nagepraat. Om de waarheid er van te ervaren moet je innerlijk mee door zo’n proces heen. Je ziet dit op kleine schaal wel al gebeuren, bij mensen die een ernstige ziekte of een zware crisis achter de rug hebben. Ze zijn andere mensen ge­worden. Tot in het fysieke toe is er iets veranderd. Ze zijn transparanter, mooier geworden. Het hoeft niet altijd eigen ellende te zijn die zoiets bewerkstelligt. Een mens heeft het vermogen om ook met anderen mee te lijden, met andere mensen of met de natuur. Dit kan zo intensief zijn dat het een soort sterven wordt. Ook hieruit kan iets nieuws geboren worden, een impuls die heel krachtig en levensvatbaar blijkt te zijn. Ster­ke genezende bewegingen zijn op die manier op gang gekomen.

De kern van het menselijk lijden is het ge­richt zijn op de dood in de materie, de misgedachte dat alles terug te voeren is op dode materie, dat zelfs het menselijk leven daaruit geëvolueerd is en daartoe onherroe­pelijk weer terug zal keren. Dat maakt dat de aandacht uitsluitend gericht is op het hier en nu want ‘de toekomst is toch uitzichtloos.’
Pasen geeft een nieuwe dimensie. Er is een daad gesteld die toekomstperspectief heeft. De kracht die deze daad mogelijk gemaakt heeft, is de kracht van een werkelijk leven­wekkende liefde.

Liefde voor de aarde. Voor mij is geen krach­tiger beeld daarvan denkbaar dan het naakte lichaam, met uitgespreide armen op het dode hout genageld, dat zijn hele substantie: bloed en lichaam daadwerkelijk wegschenkt aan de aarde. Alleen een immense liefde voor de aarde, voor de daarop levende we­zens, voor de mensen, kan immers een moti­vatie zijn voor een god-mens om de goddelijke wereld te verlaten en ‘in te ruilen’ voor het leven en sterven in een materie-wereld?
Niet anders dan door dit offer was het mogelijk het ware, hogere wezen van de mens te openbaren, de ware mens als overwinnaar van de dood. Dat het zicht hierop gegeven is, dat daarmee zin, richting en toekomst aan het aardebestaan en aan de aarde zelf ge­schonken is, door de erkenning hiervan wordt de voorjaarsmelancholie omgevormd in een gevoel van lichtende wijdheid en war­me vreugde.

Met Kerstmis wordt de kerstboom, de groe­ne levensboom opgericht en mensenhanden ontsteken tere lichten in de uiterlijke duis­ternis. Op Goede Vrijdag is er hout gekapt, tot grove balken gezaagd, kruiselings aaneengespijkerd — de boom des doods opge­richt. Ook dit gebeurde door mensenhan­den. Innerlijke duisternis valt in. Buiten, in de nawinter, staan de bomen er nog kaal en doods bij. Maar hoe lankmoedig is de natuur! De knoppen zijn gezwollen en ze zullen in de Paastijd openspringen; aan het dode hout ontbloeien de tere bloesems, licht door de zon zelf ontstoken. Hoe aan­dachtiger je er naar kijkt, hoe meer je je gaat verbazen over wat daar gebeurt en dat het nog altijd weer opnieuw gebeurt, ondanks alles. Mensenhanden kunnen zoiets niet be­werkstelligen. Nog geen grassprietje kunnen ze maken. Levenscheppende liefdekrachten zijn daarvoor nodig.

Misschien vindt het onsterfelijkheidsgevoel dat je als mens kunt hebben, zijn oorsprong in het verlangen ook zo levenscheppend be­zig te kunnen zijn, in het besef eigenlijk nog niet écht geleefd te hebben zolang je dat nog niet bereikt hebt, in het omfloerste weten dat leven in zijn wezenlijke betekenis te maken heeft met het liefdevol omvormen van het dode, het gestorvene, de materie. En in het bespeuren van een kruimpje potentie daar­toe, van een heel klein kiempje onder veel stof en gruis, dat verder ontwikkeld wil wor­den en dat dus absoluut niet sterven mág.

Annet Schukking ‘Jonas’ 17, 17 april 1987

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

131-126

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (19)

.

VAN LIJDENSTIJD NAAR PASEN

Werk als oefenweg

We fietsen achter elkaar, want het fietspad is maar smal. In een wijde boog rijden we achter de bushalte langs. Ongeduldig ronkend en brommend staat daar een bus te wachten tot alle reizigers ziJn ingestapt. ‘Kijk mam!, roept ineens mijn zoon. ‘Daar sta ik nou later ook te wachten met zo’n grote bus.’ Hij keert zijn glunde­rend gezicht naar me toe. ‘En dan mag jij ook wel eens bij mij instappen!’ Dat is een heerlijk vooruitzicht. Jongens van acht hebben zo hun eigen idee van de toekomst. Niet alleen buschauf­feurs of tramconducteurs blijken be­nijdenswaardige mensen – ook plaatsen waar met machines wordt gewerkt, hebben een eigenaardige aantrekkings­kracht. De wasserij is zo’n plaats waar ze graag komen.

Terwijl ik sta af te rekenen bij de toon­bank, zijn de kinderen de werkruimte ingelopen. Daar staat een reusachtige strijk- en vouwmachine opgesteld. De kinderen blijven geboeid staan kijken naar enkele witte servetten, die door grote warme rollen glad gewalst wor­den, en daarna op lopende banden statig verder zeilen. Onderweg worden de witte lappen via ingewikkelde klepjes tweemaal gevou­wen. Het geeft telkens een venijnig, ty­pisch machinaal klik-klakgeluid. Ten­slotte belanden ze op een tafel aan het andere einde waar ijverige dames het wasgoed uitzoeken en op stapels leg­gen. Het is zo fascinerend wat daar ge­beurt, dat het mijn zoon de uitspraak ontlokt: ‘Ik ga later in de wasserij wer­ken.’
Hij kent niet of nauwelijks de achtergrond van wat hij daar ziet ge­beuren. Wat is het dan dat hem daarin aanspreekt? Is het iets dat wij door ons te veel weten er niet meer in her­kennen? Het is mij wel duidelijk, dat een kind met andere ogen kijkt naar al die verschillende mogelijkheden van bezig-zijn in de wereld. Het herkent er iets in dat van hogere orde is, juist om­dat het niet meer ‘weet’ dan het ziet.

De werkende mens.
In deze technische tijden zien de kin­deren nauwelijks meer hoe de gewoon­ste dingen om hen heen tot stand ko­men. Oude ambachten worden uitgeoe­fend in verborgen hoeken van de sa­menleving. Soms worden ze op mark­ten of straatfeesten tentoongesteld, als museumstukken, weggehaald uit de ei­gen omgeving. Dat doet wat onwerke­lijk aan. Zodra de kinderen zelf in een werkplaats binnengaan, is de ervaring diep en blijvend. De smid die de paar­den beslaat, de pottenbakker met om zich heen werkstukken in allerlei sta­dia, de timmerman waar het harsig ruikt naar vers hout, en de bakker waar de werkplaats vol ligt met brood­jes in wording.

Als er in de buurt een huis wordt ge­bouwd, is dat een unieke plaats om ve­le ambachten tegelijk ‘in werking’ te zien. De kinderen zien hoe de metse­laar zijn specie mengt en het schiet­lood hanteert. Ze vergeten nooit meer het typische heldere klink-klankgeluid als de troffel op de baksteen slaat. Ze zien de muren groeien, en ze leven mee als de zware steunbalken voor het dak op hun plaats worden gelegd. Ook de dakbedekker wordt bewonderd, die handig en vlug de dakpannen in elkaar haakt.

In een werkplaats als de wasserij is het de ingenieuze machine die de kinderen boeit. Maar wat is dat anders dan be­wondering voor degene, die zo’n ma­chine kan bedenken en maken? Niet de zichtbare mensen die ermee werken, krijgen de aandacht. Deze geldt indirect de onzichtbare ‘maker’.
Bij de buschauffeur gaat de bewondering uit naar degene die zo’n kolos van een wa­gen schijnbaar moeiteloos door nauwe straten stuurt. Het is of er in het kind de vreugdevolle zekerheid leeft, dat zo iets te leren is. En zo ga je dan langza­merhand vermoeden, dat ieder kind een onbewust weten in zich draagt waarom hij hier op aarde is gekomen. Wat ziet hij namelijk om zich heen, dat hem zo intens boeit? Dat is de werkende mens.

Jan Luiken
Enige eeuwen geleden was er een Hol­lander die de toenmalige ambachten tot onderwerp maakte van zijn ets­kunst. In 1694 verscheen een bericht in de Amsterdamse Saturdaagsche Cou­rant:
‘Tot Amsterdam bij Jan Luyken, plaatsnyder, word uitgegeven een Boek, genaemt het Menselyk Bedryf, bestaende uyt 100 kopere plaetjes van ambachten, konsten, hanteeringen en bedryven, met versen toegepast op het Gemoet.’

Het is of de schrijver/etser ieder am­bacht even omhoog tilt als een kristal tegen het licht, zodat het aardse werk ‘door-licht’ wordt. Bij ieder ambacht beschrijft Jan Luiken een beeld van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ziel, waardoor dat speciale beroep in­eens een dimensie erbij krijgt. Een en­kel voorbeeld.

De Kaarsemaaker
Verliest het minst,
Om groote winst

pasen 23

Terwyl het vuur de Kaars verteerd,
Soo word het huis met-licht vereerd;
Dat was het doelwit in het maaken:
o Aardse mens van vlees en bloed,
God wil het Licht
uit uw Gemoed,
Door’s lichaams sterven en versaaken.

Het aardse lichaam werd ‘het minste’ geacht in vergelijking met de ziel en de geest van de mens. Over het temmen en bedwingen van dat lichaam met al zijn hartstochten en driften spreekt het lied van de zadelmaker.

De Saalemaaker
Uw eigen dier,
vereist bestier 

passen 21

 t Geweldich, trots en weelich Paard,
Word nochtans van den Man bereeden,
Beloomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde dier, van
vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.

De strengheid van de calvinistische le­vensopvatting, doortrokken van zonde­last en schuldbesef, dempt alle levens­blijheid. Het is of de calvinistische mens in de lijdenstijd blijft steken en nooit aan de verlossing toekomt, nooit de vreugde van Pasen kent.
Jan Luiken noemt wel ergens het ‘Nieuw Jerusalem’ als stralend eind­punt van een lange weg.
In de Openba­ring van Johannes staat een prachtige beschrijving van deze gouden stad, ge­noemd naar het aardse Jeruzalem:
‘En hij leidde mij in het geestgebied op een berg, groot en hoog, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem…’ (Openb. 21).
De twaalf poorten en de twaalf fundamenten worden beschre­ven. Het is een merkwaardige stad, want het bouwwerk heeft de vorm van een kubus: ‘haar lengte en haar breed­te en haar hoogte zijn gelijk.’
Vanouds hoort het vierkant bij de aarde. Ook het beeld van een stad is een menselij­ke aangelegenheid.
De evangelist Jo­hannes ziet in zijn geweldig visioen dat er door mensenhanden gebouwd wordt in hemelse streken. Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Het werk als oefenweg
Als we ons verdiepen in de sprookjes, kunnen we ontdekken dat de verschil­lende beroepen die daarin voorkomen, een heel bepaalde functie vervullen in het verhaal.
De jager, de visser, de houthakker, de kleermaker, de schoen­maker – ze hebben allen hun geheel ei­gen karakter. Niet wat de houthakker persoonlijk is, maar wat hij doet is be­palend. Dat geeft vorm en richting aan het verhaal. Omgekeerd kan je ook zeg­gen: vele sprookjes geven het beeld van een wordingsproces, van een weg van lijden, van schuld en boete, en van een uiteindelijke verlossing. Maar er zijn oneindig veel mogelijkheden om die weg te beschrijven. Die weg is van­uit de schoenmaker gezien anders dan vanuit de houthakker, en weer anders vanuit de soldaat. Het is of ze verschil­lende facetten zijn van hetzelfde kris­tal. Elk vlak vangt het licht op een an­dere wijze. Er is geen werk zonder strijd en geen strijd zonder leed. Maar zonder leed ook geen verlossing, zon­der lijdenstijd geen Pasen. In het ty­pisch oud-Hollandse beroep van de turf­steker kunnen we dat herkennen.

De Veender
’t Is ongezien
Doch ’t kan geschien

pasen 22

Van onder ’t water word geheeven,
Een Stof, om Vu
ur en Vlam te geeven,
Tot nul en teegenweer der Kouw:
Soo most de Mens Materi vissen,
Van onder’s leevens kommernissen,
Tot Vreugd, die Eeuwig gloorien souw.

Ieder werk kun je zien als een ontwik­kelingsweg, en daarbij doet het er min­der toe wat je doet. Belangrijk is hoe je het doet, wat je ervan maakt en wat je er zelf aan doormaakt. En daardoor komt ‘ongezien’ iets vrij, dat een steen­tje bijdraagt voor de bouw van de gou­den stad.
De verrukkelijke tuin van het paradijs was een geschenk van de goden. Maar toen Adam ‘stevig op zijn voeten’ mocht gaan staan, kwamen zijn han­den vrij om te werken. Na de zondeval werd dat vermogen tot opdracht: ‘In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’. De aarde wacht op verlos­sing. Er wordt op ons gerekend.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’16, 4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

3e klas: heemkunde

 

129-124

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (18)

.

PASEN LOOPT NAAR DE MAAN

Door eeuwenlang geharrewar met kalenders bleef de paasdatum zweven

Terwijl Kerstmis al eeu­wenlang een vaste plaats heeft op de kalender, stelt Pa­sen ons elk jaar weer voor een verrassing. In totaal zijn er 35 data waarop Pasen kan vallen, en dit jaar* vindt Pasen op een van de vroegst moge­lijke dagen plaats.
Het ontbreken van een vaste datum voor het paasfeest heeft in de loop der tijden voor de no­dige hoofdbrekens en conflicten gezorgd. Maar eerst iets over het ontstaan van onze huidige kalender.

De basis hiervoor is gelegd door Julius Caesar, in de eerste eeuw voor Christus. Voordat Caesar zijn Juliaanse kalender invoerde, was de Romeinse ka­lender een behoorlijk rom­meltje. Het jaar telde 355 dagen, die waren verdeeld over twaalf maanden. Om in overeenstem­ming te blijven met de seizoenen werd elke twee jaar een extra maand van 22 of 23 dagen inge­voegd.

Omdat het aldus gevormde jaar nog steeds niet synchroon liep met het zonnejaar (de tijd waarin de aarde een volledige baan rond de zon beschrijft), ging deze kalender steeds meer uit de pas lopen met de jaarge­tijden.
Speciale functionarissen, de pontifices, hadden tot taak deze afwijkingen te corrigeren. Maar dit gebeurde met zoveel willekeur, dat er op den duur voor niemand meer een touw aan vast te knopen was.

Een verblijf in Egypte bracht Caesar op het juiste spoor. Hij raakte hier niet alleen onder be­koring van Cleopatra, maar ook van het kalendersysteem van de Egyptenaren, die een zuivere zonnekalender hanteerden. Cleo­patra schonk hij een kind en het kalendersysteem nam hij mee naar Rome.

Het jaar kreeg 365 dagen, ver­deeld over de twaalf maanden, op een wijze die we nu nog steeds kennen. Ook bepaalde Caesar dat eens per vier jaar een schrikkeldag moest worden ingevoerd om te corrigeren voor het feit dat een volledig zonne­jaar eigenlijk een kwart dag lan­ger duurt dan 365 dagen.
Er gingen enige decennia overheen voor het nieuwe kalen­dersysteem goed doorgedrongen was, maar omstreeks het begin van onze jaartelling waren de meeste plooien gladgestreken.

Joods feest
Terug naar de paasdatum nu. Pasen is van oorsprong het feest waarmee de Joden de uittocht uit Egypte herdenken. Hun paas­feest (Pesach) duurt een week en begint van oudsher op de veer­tiende van de maand nisan, de lentemaand.
Voor de Joden heeft Pesach dus een vaste plaats op de kalen­der. Maar vanuit onze kalender bekeken valt de veertiende nisan elk jaar op een andere datum. Dit komt doordat de Joden een maankalender hanteren; voor het begin van hun maanden gaan ze uit van de stand van de maan.

Met de komst van het chris­tendom kreeg het paasfeest een nieuwe inhoud. Voor de christe­nen werd het de gedachtenis aan de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Al snel ontstond er me­ningsverschil over de vraag wanneer dit christelijke Pasen gevierd moest worden.

Voor de Joodse christenen was de keus niet zo moeilijk. Zij hielden veelal de veertiende ni­san aan, de dag van Jezus’ kruis­dood. De niet-Joodse christenen voelden er echter weinig voor om de datum van hun belang­rijkste feestdag te laten bepalen door de Joodse tijdrekening. Maar wanneer dan?

Nicea
Na een lange periode van he­vige conflicten over deze kwes­tie werd uiteindelijk in 325 na Chr. op het concilie van Nicea de strijdbijl begraven. De kerkva­ders besloten dat Pasen zou val­len op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Meestal betekent dit de eerste zondag na het joodse paasfeest; dit jaar* vindt het joodse paas­feest echter in april plaats.

Ook onze paasdatum is dus afhankelijk van de maanstand en dit veroorzaakt de grilligheid van de paasdatum. Op zijn vroegst valt Pasen op 22 maart, wat in 1919 voor het laatst is voorgekomen en pas in 2285 weer zal gebeuren. De uiterste datum is 25 april; dit was in 1943 het geval.

Maar nog waren alle proble­men niet opgelost. Dat zat hem in een subtiel foutje van de Ju­liaanse kalender. Volgens deze kalender duurt een jaar 365 en een kwart dag. Maar in werke­lijkheid is dit elf minuten korter. Dit had tot gevolg dat na verloop van tijd de Juliaanse kalender achterliep bij het ‘echte’ jaar. Elke vier eeuwen leverde een achterstand van drie dagen op.

Afwijking
Een dergelijke afwijking had natuurlijk ook consequenties voor de paasdatum. Doordat het begin van de lente op de Ju­liaanse kalender te laat kwam, zou Pasen op het verkeerde mo­ment kunnen vallen. Vele kerk­geleerden hebben hun tanden in dit probleem gezet, maar pas in de zestiende eeuw werd een op­lossing gevonden, die de reli­gieuze gevoeligheden voldoende tegemoetkwam.

Op last van paus Gregorius XIII werden in 1582 tien dagen weggestreept om zodoende de opgelopen achterstand in één keer goed te maken. Na 4 okto­ber 1582 volgde onmiddellijk 15 oktober. Door deze ingreep viel 21 maart 1583 weer op de juiste plek, waarmee ook het paasfeest weer op de goede datum terecht kwam.
Bovendien besloot Gregorius om per vier eeuwen drie schrikkeldagen af te schaffen. In de Gregoriaanse kalender zijn de eeuwjaren alleen schrikkeljaar als ze deelbaar zijn door vier­honderd, bijvoorbeeld 1600 of 2000. De andere eeuwjaren (1800, 1900,2100) zijn gewone jaren.
De geringe populariteit van het pausendom stond een vlotte invoering van deze hervormin­gen echter in de weg. Of zoals Kepler het uitdrukte: men was het liever oneens met de zon dan eens met de paus.

Oktoberrevolutie
In Nederland was pas in 1701 de Gregoriaanse kalender volle­dig ingevoerd. Rusland en Griekenland gingen pas in het begin van deze eeuw overstag. Om deze reden viel de oktoberrevo­lutie van 1917 volgens onze ka­lender op 7 november, terwijl het volgens de Juliaanse 25 okto­ber was.

De orthodoxe christenen in Rusland hanteren nog steeds de Juliaanse kalender. Zij vieren om deze reden Pasen dertien da­gen later dan de christenen in het westen.

Gezien het geharrewar rond de jaarlijkse paasdatum, is re­gelmatig geopperd om het voor­beeld van Kerstmis te volgen en ook voor Pasen een vaste datum af te spreken. Deze eeuw is dit punt meerdere malen aan de orde geweest, samen met de mo­gelijkheid om tot een nieuwe ka­lender te komen. Want ook tegen de Gregoriaanse kalender zijn nogal wat bezwaren in te bren­gen, met name economische.

De stap naar een andere ka­lender is tot nu toe steeds gestuit op verzet vanuit Rome die geen inbreuk willen op de zeven­daagse week. De aanvankelijk weerstand tegen een vaste paas­datum is in de loop van deze eeuw echter weggeëbd. Op het concilie van 1963 verklaarde de paus hiertegen geen bezwaar te hebben.
Omdat de kalenderhervor­ming in het slop is geraakt, is ook aan het paasfront weinig be­weging meer geweest. Voorlopig blijft Pasen dus naar de maan lopen.

pasen 20

De twintig vierkantjes bevatten de paasdagen voor de jaren 1175-1176. Onderin staan twee regels uit de kalender, met het begin van de maanden januari en februari. De paasdata zijn aangegeven door vertikale strepen, de feestdagen door een of twee dwarsstreepjes. Onder 1 jauari staat de letter a. De Romeinse cijfers duiden op zogeheten ‘gulden getallen’. De kalender stamt uit de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg.

.

Paul van Laare, ‘De Gelderlander’van 25 maart  *1989

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

128-123

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen (8)

.

PALMPASEN IN DE BETUWE

Met haantje op stok zingend langs de deur

De palmpaas eeuwenoud kindervermaak

TIEL – Palmzondag. In volle luister lacht het lentezonnetje de aarde toe. Er waait een zwoele wind, die het ontluikende groen aan de bomen zachtjes doet trillen. Onderwijl heerst er in de kerk een zekere vreugde. Het is namelijk de dag waarop de glo­rieuze intocht van Christus in Jeruzalem wordt herdacht. Gezeten op een ezel werd Christus destijds door een met palmen wuivende menigte feeste­lijk ingehaald. En dat kort voor zijn gevangenneming en kruisi­ging.

Het wordt die zondag opval­lend druk op straat. Her en der verschijnen kinderen met vrolijk versierde stokken in hun handen. Aan de stokken hangen appels, krentenbroodjes, vijgen en ge­kleurde eieren. Tussen dit spul prijken vlaggetjes en palmtakjes. En boven op de stok pronkt een fiere zwaan of haan van brood­deeg. Soms zitten er zowaar nog enige piepkleine zwaantjes op de rug van de vogel. De glinsterende krentenoogjes van het gevogelte blikken de kleine dragers onverpoosd aan. De feestelijk getooide stokken zijn alom bekend als palmpasens. Daags tevoren zijn vaders en moeders in de weer geweest met het optuigen van de stokken voor hun kroost. De bakker heeft zich uit de naad gewerkt om de grote vraag naar broodversieringen te kunnen bijbenen. Groot was de verrassing voor de kinderen toen ze op palmzondag ’s ochtends een fraai uitgedoste palmpaas voor hun bed aantroffen. Eenmaal op straat stapt het kroost zo trots als een pauw naar een oom of tante. Om daar ver­volgens een fooitje of wat lekkers te ontvangen. Na al die visites verenigen de kinderen zich. Twee aan twee lopen ze door het dorp. Krampachtig houden ze de palm­paas voor zich uit. Onderwijl klinkt voortdurend uit de kindermonden:

Palm, palmpasen,
Eikoerei!
Over een zondag dan krijgen wij een ei,
een ei is geen ei,
twee ei is een half ei,
drie ei is een paasei!

Al zingende trekt de jeugd naar het huis van de burgemeester of dat van de do­minee, waar zij wordt getracteerd op koekjes. Het hoogtepunt van de dag vindt echter bij thuis­komst plaats, als eindelijk de lek­kernijen uit de palmpaas soldaat kunnen worden gemaakt.

Dit alles was in de vorige eeuw grofweg het beeld van de palm-paasrondgangen in veel dorpen en stadjes. Populair was het kin­dervermaak ook in de Betuwe, ja zowel bij katholieken als bij pro­testanten. Al legden de laatsten bij het palmpaasgebruik wel te­rughoudendheid aan de dag. De palmpaas mag dan een ver­trouwde verschijning zijn, om­trent zijn oorsprong is nog veel onzeker. Als we de volkskundige Van de Graft mogen geloven, is de palmpaas uit christelijke en niet-christelijke elementen sa­mengesteld. Het begon allemaal met de palmprocessies. Al in de Middeleeuwen was het op veel plaatsen gebruikelijk om de in­tocht van Christus in Jeruzalem na te bootsen. Dikwijls werd dan in een processie een houten ezel, waarop een meestal uit hout ge­sneden Christusfiguur zat, mee­gevoerd. Tijdens die processie werden ook gewijde palmtakken gedragen. Geen echte palmtak­ken die waren er immers niet hier te lande maar takken van de buksboom. Gaandeweg nu werden die ‘palmtakken’ met een keur van lekkernijen behangen. Het ver­sierde palmgroen had daardoor veel weg van de meibomen die rond 1 mei overal werden ge­plant. Deze bomen of takken wer­den in bosrijke gebieden gekapt en met veel bombarie stad of dorp in gebracht. Dikwijls wer­den in de bomen eetwaren en groene kransen gehangen, waaraan vergulde eieren bungelden. Bovenop de bomen waren vaak ook nog vogels bevestigd. De op­geschikte meibomen werden van huis tot huis gedragen. Voor een fooitje konden de bewoners reke­nen op de beschuttende kracht van het meigroen. Eigenlijk ging achter de mei­bomen een diepe betekenis schuil. Het frisse groen, de eieren, de vo­gels en de vruchten vormden na­melijk symbolen van vruchtbaar­heid, ontkiemend leven en de len­te. Mettertijd moeten die mei­boomspullen zijn verhuisd naar de palmtak op palmzondag die bijgevolg werd omgetoverd tot een verkapt meiboompje. Als onderdeel van de palmpaas kregen de mei-attributen echter een zuiver christelijke betekenis. Ze gingen niet zozeer ontwakend leven als wel de opstanding van Christus symboliseren. Zo ook versmolt de onheilwerende kracht van het meigroen in het volksgeloof met de goddelijke be­scherming die de gewijde palm­takken bood. De oude palmprocessies raak­ten na de Reformatie in onbruik. Maar wat bleef waren de  paasoptochten die gaandeweg verwerden tot een kindervermaak. Pas in de vorige eeuw begon deze kinderpret uit te doven. En rond de eeuwwisseling was het palmpaasgebruik op tal van plaatsen al als een nachtkaars uitgegaan. Zo bakte de bakker van Doornenburg destijds tegen palmzondag nog wel broodvogels. Maar de broodhaantjes werden niet meer op een stok gestoken,  maar gewoon als feestbrood gepeuzeld. Ongetwijfeld was modernisme van de vorige eeuw debet aan deze teloorgang. Gelukkig werd er rond 1906 hier en daar nog met de versierde stokken rondgegaan. De volkskundige Van de Graft ontdekte dat daarbij grote verschillen in de uitdossing voorkwamen. Aan de palmpaasjes in Bemmel bijvoorbeeld trok de broodhaan de meeste aandacht. Terwijl in Huissen, Tiel en Culemborg een krans van brood het markantste onderdeel van de stok vormde. Het zal met die palmpasens net zo zijn geweest als met andere tradities: door hun geïso­leerde ligging ontwikkelden veel streken eigen kenmerken. Van de Graft beweerde dat de broodkrans in Huissen horizon­taal aan de stok werd geregen. Deze bevindingen stroken met uitlatingen van oude Huissenaren over de palmpaasuitdossingen van begin deze eeuw. Meermalen onthulden ze dat de broodkrans plat op een viertal uitlopers van een gespleten stok op de tanden werd gestoken. Zo’n stok was dik­wijls een sterke, blank geschilde tak van wilgenhout, geleverd door een plaatselijke mandenmaker. Met zorg werd op elk van de vier tanden die door de brood­krans heen staken een haantje ge­zet. En op het staartje van iedere vogel werd een palmtakje ge­plant. Verder werd de palmpaas nog getooid met een sinaasappel en met slingers met suikereitjes. Iemand wist overigens nog te vertellen dat het kroost met de palmpaasjes zingend de deuren afliep. In de meegenomen busjes werden de fooien gestopt, nu eens een stuiver, dan weer een cent of een halfje. Lang niet overal waren de palmpasens indertijd rijk ver­sierd. In Andelst bleken, naar ver­luidt, sommige kinderen slechts met een broodhaantje op de stok rond te gaan. De ongeschilde, povertjes ogende stok was van een wilg afgezaagd. Op de staart en de kop van het haantje prijkte een gewijd palmtakje. Het sobere uiterlijk van de palmpaas was in de Betuwe veelal een gevolg van gebrek aan geld. Vooral kinder­rijke arbeidersgezinnen konden het snoepgoed en de vruchten niet bekostigen. Vaak was de armoe zo groot dat zelfs een sobere palmpaas uit den boze was. Hoewel het palmpaasgebruik begin deze eeuw een kwijnend be­staan leidde, kon het voor totale ondergang worden behoed. Oude­ren namen later op palmzondag het voortouw. Her en der werden door hen voor de jeugd palmpaasoptochten opgezet. Let wel zon­der gebedel en gezang. Maar wel met fanfares en prijzen voor de mooist versierde stokken. Aldus ging het palmpaasvermaak na de Tweede Wereldoorlog weer fu­rore maken. Zo liepen op palmzondag 1956 in Elst, Huissen, Haalderen en Tiel honderden kinderen in een lange stoet door hun woonplaats. Met het jaar werd het voor de ju­ryleden moeilijker de fraaiste stokken aan te wijzen. De feeste­lijke rondgangen werden toen trouwens op touw gezet door ka­tholieken. Maar met folklore gaat het dikwijls op en af. Stilaan begon de belangstelling voor de palmpaas weer af te nemen. Sinds de jaren tachtig is de animo voor het oude vermaak echter weer flink aan het toenemen. In verschillende plaatsen worden (weer) optoch­ten gehouden. Initiatiefnemers zijn ditmaal peuterleidsters, buurt-, wijk- en dorpsverenigin­gen en zelfs een Oranjecomité. Zo kunnen vandaag kinderen in Tiel haantjes pik maken en deelne­men aan een optocht door de bin­nenstad. Ook in Opheusden houdt de buurtvereniging Opheusden-Zuid een optocht.

pasen 19 in april 1951 trekken honderden kinderen met palmpasenstokken door Tiel. Hier een beeld van de stoet in de Tweede Achterstraat

Ferdinand van Hemmes. ‘De Gelderlander’, 23 maart 1991

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

127-122

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (17)

.

HET MYSTERIE VAN PASEN

Fit zijn, dat is de lijfspreuk van miljoe­nen. Wij moeten en willen gezond zijn. Als je maar vitaal blijft! Professor J.H. van den Berg zegt in zijn Metabletica over deze vitaliteit:
‘Wel rijst de (vervelende) vraag, wat het doel is van het nagejaagde vitale le­ven. Kon ook dat gezegd worden, dan was de inspanning bekroond. Doch op deze vraag ontbreekt het antwoord, zelfs principieel, omdat de gezochte vitaliteit doel in zichzelf is. Wie vitaal is, gezond, krachtig en levenslustig, heeft alles bereikt. Hij kan niet verder. Hij mag nog creatief zijn, nodig is dat niet. Het is eigenlijk overbodig en daardoor ook storend. Zo ziet het lichaam er ook uit: het is gebruind om bruin te zijn, vitaal om vitaal te zijn. Er reikt niets boven uit’.
Toch is er wel een onverwacht antwoord op deze vraag: het mysterie van Pasen.
Van den Berg spreekt uitsluitend over de lichamelijke vitaliteit, maar het doel daarvan is de geestelijke vita­liteit.
Steeds meer komt er – óók bij miljoenen -de vraag op: is er niet méér te doen in die weinige jaren tussen geboorte en dood? Waarom zijn wij eigenlijk op deze wereld? Is er geen vitaliteit, geen levenskracht, die ver­der reikt dan dit aardse leven?
Wij zien de zon ondergaan, maar wij weten dat zij weer op zal komen. Wij zien de planten verwelken, maar weten dat er nieuwe planten zullen gaan groeien. Wij zien het winter worden met sneeuw en ijs, maar weten dat eens de dooi weer zal invallen en dat het eens weer lente wordt. Is die vitaliteit dan niets anders dan een sterven en geboren worden, een inslapen en wakker worden,…totdat er geen wakker worden meer bij is?De keren dat je dit in verschillende bewoordingen hebt gehoord, gelezen of gedacht, heb je niet geteld. Maar de vraag is misschien ook nog nooit werkelijk helemaal tot je doorgedrongen: is er iets waaraan geen einde komt? De consequenties van deze vraag heb je misschien nog nooit volledig be­seft. Hoe komt dat? Je hebt de grens bereikt van je hersendenken. Het eindeloze kan de mens met z’n eindige hersenapparaat niet be­reiken. Dan slaat het dicht. Dan wordt alles zwart: niets! Dan komt er op mijn calculator een e. De e van error, vergissing. Of is het de e van eindeloos? Als de mens alleen maar zijn hersens had om na te denken en tot zichzelf te komen, dan was een eindeloos mens, in de hemel of waar dan ook, een ver­gissing. Een eindeloze vergissing is onmoge­lijk. De mens is niet eindeloos en hij is ook geen vergissing.De wijsgeer Kant bewees van tien stellingen zowel de stelling als haar tegendeel. Bijvoor­beeld: ruimte is eindig, én: de ruimte is on­eindig. Daaruit trok hij de conclusie, dat ons denken geen werkelijkheidskarakter heeft.
Maar zó is het niet, zegt Rudolf Steiner. Hij wijst erop, dat in al die tien stellingen het be­grip ‘oneindig’ voorkomt en dat is nu juist de grens van ons denken, voorzover het aan de hersenen gebonden is. Ook de wiskunde bereikt haar grens in het oneindige. Bijvoorbeeld: twee evenwijdige lijnen snijden elkaar in het oneindige. Zijn zij daar dan niet meer evenwijdig? Of: er is een oneindige reeks gewone getallen denkbaar: 1,2,3,4,5,6,7, enzovoort, maar ook een on­eindige reeks even getallen: 2,4,6,8,10,1 2,14 enzovoort. Nu zijn er toch twee maal zoveel gewone getallen als er even getallen zijn, nietwaar? Maar een oneindige reeks kan toch niet twee maal groter zijn dan een andere? Oneindig is oneindig. Minder dan oneindig is niet oneindig en meer dan oneindig is een contradictie in zich. Eindeloos is niet te den­ken. Hier zijn wij aan de grens van het hersengebied.
Een mens is ook geen vergissing. Hoe kan een vader tegen z’n kind zeggen, dat het een vergissing, een ongelukje was? Iets wat ik helaas meerdere malen heb mee­gemaakt. Omdat de vader alleen maar denkt aan de stoffelijke, lichamelijke, en dus eindi­ge bevruchting en geen besef heeft van de conceptie (in het Nederlands ‘ontvangenis’) van een eeuwig wezen.
Tegenwoordig zijn de mensen van mening, dat hun gedachten door hun hersens worden voortgebracht. Dat is bijna net zo vernuftig als te menen dat het water, als ik een glas wa­ter drink, uit m’n tong komt en niet van bui­tenaf. Onze hersens brengen evenmin gedach­ten voort als mijn calculator op eigen initia­tief gaat rekenen. Net zo min als een compu­ter zonder input, zonder software, iets kan presteren.Ons orgaan is alleen maar een vat, waarin wij met ons ik gedachten gieten, die wij vanuit de wereld om ons heen hebben geschept. Levende en vitale gedachten zijn als werken­de krachten in de gehele wereld aanwezig, onzichtbaar en ontelbaar. En de mens schept ze uit die onzichtbare wereld en giet ze in zijn eigen ziel. Maar doordat ons zielevat in de tegenwoordige tijd een apparaat is ge­worden, dat vrijwel uitsluitend werkt met zintuiglijke en vergankelijke voorstellingen, verschralen de gedachten erin en worden ze dood, abstract.Deze vergissing, dat onze hersens gedachten kunnen scheppen, kan ons echter slechts ge­durende ons leven op aarde overkomen. Voordat wij op aarde ontvangen worden, we­ten wij dat een levende gedachtenwereld al­les vervult om ons heen, zoals in ons aardeleven de lucht ons omhult en doordringt. Het abstracte denken van heden ten dage is een dode rest van wat wij vóór onze ont­vangenis aan vitale gedachtenkrachten om ons heen en in ons hadden. Zo is de eeuwigheid voor de aardemens tot eindeloosheid gewor­den. De eeuwigheid der onzichtbare wereld, die vol concrete beweging, vol wording en ontwikkeling is, stierf in de abstractie van een eindeloze herhaling.
De zon komt hier op, de zon gaat hier onder. Wat beleven wij nog van dat onnoemelijke wonder dat, geestelijk gezien, het zonnewezen de hele aarde doordringt, omhult en le­ven doet? Zouden wij nog in een toestand zijn, waarin, zoals bij vele mensen vóór 1500, zulk een belevenis in haar volle hevigheid over ons zou kunnen komen, dan zouden wij ons volkomen gedreven voelen door onzicht­bare krachten, maar wij zouden het ons nooit geheel bewust kunnen worden. Dat de mens vrij kon worden om zichzelf te zijn en zelf te gaan denken, dankt hij aan het feit dat hij uit vrije wil gedachten kan opnemen en als dode gedachten in zijn denken kan gie­ten. Wij danken ons vrije bewustzijn juist aan het doodsproces van ons denken. Het abstrac­te denken brengt ons echter niet over de drempel van de onzichtbare wereld. Het denken brengt ons slechts aan de grens van het land dat wij met een abstract woord ‘on­eindig’ noemen.Wij hebben voor het land, dat buiten het bereik van het zintuiglijk denken ligt, een heel ander begrip nodig. Wij noemen het ‘eeuwig’.
Christelijk gesproken heet het: in God. Het is daar, waar alle tellen ophoudt, daar, waar de tijd in zijn opeenvolging van het een na het ander er niet meer is. In God is geen begin en geen einde. Daar begint de opstanding uit de vergankelijkheid, daar overwint het werkelijke leven het niets van de dood, daar zegeviert het hemelse licht over de aardse duisternis, daar begint het feest van Pasen.
Het is ons bewustzijn, dat ons kan binnenleiden in dat eeuwige land. Want het vrije bewustzijn van de mens wordt veroorzaakt door het eeuwige in de mens: het ik dat geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis en dus goddelijk is. Vóór zijn conceptie ziet de mens nog vanuit de wijde kosmos de goddelijkheid van de geestelijke zon, naar de mate van het bewust­zijn, dat zijn ik heeft kunnen ontwikkelen. Nadat hij in de fysieke wereld is ontvangen en op aarde geboren werd, wordt de zon voor hem steeds meer tot een samenballing van atoomexplosies, een warmtebron, die slechts het fysieke leven in stand houdt. Het vóórgeboortelijke wordt vergeten. Het eeuw­ige godswezen is voor zijn aan het lichaam gebonden verstand meer en meer onbereik­baar geworden. Vreugde en leed, geluk en ongeluk, tijdelijke gebeurtenissen, talloze vergankelijke dingen begeleiden de mens op zijn weg naar een uiteindelijke dood. Het denken zoekt naar het oneindige, maar kan het niet bereiken. Dat geldt in meerdere of mindere mate voor ieder mens op aarde. Vol angst verzet ons hart zich ertegen, maar toch kan ons starre verstand ons niets anders voor­spellen dan een onontkoombare ondergang, een definitieve afsluiting, het einde van ons bestaan: de dood.

Hoe kan ons bewustzijn nog levende gedachten scheppen uit de geestelijke wereld om ons heen? Scheppende gedachten, die ons ik bewust kunnen doen voortbe­staan voorbij de poort van de dood. Hoe kan ons goddelijke, eeuwige wezen hier op deze eindige aarde zijn oorsprong weer terugvin­den? Ons bewustzijn komt met abstracte ge­dachten niet verder dan de drempel. Daar­mee kunnen wij God nooit bereiken. Wel zegt ons de stem van ons hart, wanneer wij ernaar willen luisteren, dat wij voor een be­ter leven zijn geboren. Maar is dat geen mooie wensdroom, geen illusie? Door de verstarring van zijn denken, door de chaos in zijn voelen en door de zwakte van zijn willen zal het de mens nooit gelukken om uit zichzelf te komen in het rijk van zijn Vader, die in de hemel, in de buitenzintuig­lijke wereld is. Hoe kan iemand zichzelf aan z’n haren uit het moeras trekken?
Toch is het voor de mensenziel, in zoverre zij behoort tot de wereld van het vóóraardse le­ven, noodzakelijk dat zij gaat inzien dat zij eigenlijk niet kan sterven. Haar gevoel komt ertegen in opstand en zij wil het niet…

Voor de mens is de eeuwigheid der gees­telijke wereld onbereikbaar geworden. Hij ziet zijn onvergankelijke, goddelijke we­zen verloren gaan. Hij kan God niet meer te­rugvinden. Daarom vindt de geweldige ge­beurtenis aller gebeurtenissen plaats, de om­mekeer in de mensheidsontwikkeling op aar­de: het mysterie van Golgotha. Dat vieren wij op Pasen: de opstanding van Christus, de overwinning van Christus op de dood. Een God wordt mens. Een God daalt af in een menselijk lichaam.
Als wij willen, dan kunnen wij dat enorme moment van geluk en vrede inzien. Wij herdenken het van Kerst­mis tot Driekoningen. Het geheim van de goede wil.

Dan begeleidt de mens geworden God, Chris­tus, ons verder vanaf onze eigen conceptie, zodra wij ons in Hem herboren weten, door ons hele aardeleven. Hij geleidt ons als God én mens, door zijn leven op aarde, dat tevens een herscheppend kosmisch leven is, steeds verder op onze weg naar de dood. Terwijl ons contact met ons vooraardse bestaan door ons stervend denken steeds onmogelijker wordt, leidt Christus ons, vrijwillig, van on­schuldig kind-zijn naar bewuste volwassen­heid. Het is de weg, die vele sprookjes be­schrijven. Het is de unieke biografie van ie­der mens. Ons toevertrouwen aan een mens, hoe geestelijk ver gevorderd hij ook mag zijn, zou ons doen afdwalen van die weg. Christus schonk zich aan de mensheid en daarmee schonk Hij haar een begrip voor dat wat in haar eigen bewustzijn niet meer leven kon. Want evenals ieder mens ging Christus door de dood. Maar als God kon Hij de ziele-dood overwinnen, omdat een God niet ster­ven kan. En als God zal Hij aan iedereen, die Zijn leven brengende kracht in zich kan voe­len, het vermogen geven om met levende ziel door de poort van de dood te gaan en steeds bewuster het land van het eeuwige leven te betreden.
Dat is het mysterie van Pasen. Dank zij Christus’ offerdaad op Golgotha kan de mens eeuwig vitaal, dat wil zeggen ‘le­venskrachtig’, zijn en geestelijk steeds levens­krachtiger worden.

Slechts in het licht van die gebeurtenis krijgt alle strijd, ellende en leed hier op aarde zin. Om steeds krachtiger te kunnen worden in het geestelijk leven, daartoe ko­men wij steeds weer op deze aarde. Zo zal ook ons denken weer levend en schep­pend kunnen worden door de kracht van de Geest die Hij ons zendt.
Dat is het feest van Pinksteren, het feest van de Heilige Schepper-Geest.

De antroposofie heeft evenals het christelijk geloof, dat zij niet wil verdringen, maar ver­diepen en versterken, haar hoogtepunt in de vitaliteit van de lentezon, die opkomt in de vroege morgen van Pasen.

.

Henk Sweers , ‘Jonas’ 16 29 maart 1985

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

126-121

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (16)

.

DICHTER BIJ PASEN

‘Ik ben het afgelopen jaar voor het eerst een beetje bewust met de jaarfeesten bezig. Ik heb ze altijd gevierd, maar nu probeer ik er anders mee om te gaan. Waar ik mee in de knoop kom is dit. Ik heb gehoord dat oude natuurfeesten, feesten uit de voorchristelijke tijd, samenvallen met de christelijke feesten. Hoe voeg je dat nou bij elkaar?

Bij het paasfeest is dat heel duidelijk: er is de dood en de opstanding van Christus en er is het lentefeest. Ik vind het ontzettend moei­lijk die twee gegevens samen te voegen. Hoe kun je je er een beeld van vormen? Zo, dat ik meer beleef aan de paashaas en de eieren, dan vroeger, toen ik er ook plezier aan gehad heb. Alleen het weten dat een haas zich op­offert en het ei een beeld is voor een nieuwe levenskiem, is toch niet het specifieke van het paasfeest?

De lente, de haas en de eieren die waren er ook al voor het gebeuren op Golgotha. Daarna is het voor de mensen anders gewor­den.’

‘Wat jij zegt is voor mij in het paasfeest toch al erg belangrijk.

Met jonge kinderen begin je met beschilder­de eieren, de paashaas en de uitlopende na­tuur, meer het lentefeest dus, terwijl ik nu met grotere kinderen en ook voor mezelf, het christelijk element erbij zoek.’

‘Als de kinderen groter worden is het lente­feest ze ook niet meer genoeg, dat voel ik best. Ze doen nog wel mee, maar meer voor elkaar en ook omdat het zo gezellig is om te doen. We hebben vorig jaar voor het eerst, de jongste was toen acht, niet meer in het ge­heim de eieren beschilderd en verstopt. Met z’n allen hebben we eieren beschilderd en de volgende morgen mocht iedereen, de jongste het eerst, een ei kiezen. Niet iedereen kreeg z’n eigen ei, maar je koos het ei dat je mooi vond. Dat had iets heel nieuws. Maar hoe je nu voor jezelf beelden vindt die er inhoud aan kunnen geven?’

‘Ik word zelf erg geholpen door de mensenwijdingsdienst van de Christengemeenschap. Een deel van de teksten past in de tijd van het jaar. Ik merk dat ik aan wat daar gespro­ken wordt veel heb.’

‘Hoe lang voor Pasen begint dat?’

‘Vier weken, ’t Is eigenlijk net zo’n voorbe­reiding als met de advent, dan bereid je je ook vier weken op kerstfeest voor.’

‘Maar dat is toch feitelijk wat vasten voor pasen is? Vanaf carnaval, vanaf Aswoensdag, veertig dagen.’

‘Als ik van jullie hoor dat jullie het christe­lijke element zoeken in het lentefeest, dan ligt het bij mij omgekeerd. Ik heb meer het christelijke feest in mijn jeugd mee gekregen: met Aswoensdag een kruisje halen en het vastentrommeltje daarna. Wat jullie vertellen over het lentefeest, eieren verstoppen en be­schilderen, dat ken ik van vroeger niet.’

Goede Vrijdag

‘Heb je nu houvast aan de dingen die je van­uit de katholieke traditie meegekregen hebt?’

‘Nou carnaval werd bij ons in Amsterdam niet gevierd, als kind ging je in zoiets als de vas­ten gewoon mee. Je deed de snoepjes en de koekjes gewoon in het trommeltje. Dat werd gedaan, er werd niet over gesproken.’

‘Wat wel een enorme indruk op me maakte, was de paaswake, de mis in de nacht van za­terdag op zondag. Terwijl de kerk helemaal donker was, stak iedereen bij de priester te beginnen, één voor één zijn kaars aan, tot er een zee van licht was. Ook het bidden op Goede Vrijdag, ’s midddags op de tijd van de kruisiging, heeft toen indruk op me gemaakt. Ik merkte later toen we naar de Matthäuspassion gingen, dat die stemming weer op­nieuw naar boven kwam. Hoewel vooral het vasten en de kruisiging, als kind indruk op me hebben gemaakt, meer dan de opstanding.’

‘Dat is toch wel gek eigenlijk, dat je de dood en de kruisiging meer mee beleeft dan de opstanding.’

‘Ik geloof dat je daar – bij de kruisiging — ook niet zou moeten blijven staan. Hoe kom je zover dat je ook tot de opstanding komt?’

‘Als je iets van het opstandingsproces zou willen beleven, moet je niet bij de dood blij­ven staan. Het is niet het lijden op zich dat belangrijk is, maar door het offer van het lij­den is de opstanding mogelijk gemaakt. Dan kun je het christuswezen ontmoeten, door de opstanding juist.’

‘Ik vind het moeilijk te bevatten wat dat is.’

‘Misschien ben ik lui en stel ik niet zulke hoge eisen aan mezelf, maar ik heb het ge­voel dat je dat ook niet kunt eisen, als je net over zulke dingen begint na te denken. En na één avond praten kun je ook niet weten hoe het moet, maar misschien kun je kijken, wat je moet doen om een weg te vinden. Wat zijn ervaringen waar je het opstandingsproces wel aan beleeft?’

Stille Zaterdag
‘Vorig jaar hoorde ik dat iemand vertelde over stille zaterdag, die merkwaardige dag tussen Goede Vrijdag en paaszondag. Als je erop gaat letten, is dat een hele spannende en afwachtende dag.’

‘Ja, heb je dan zo’n dag in de gaten of vul je hem gewoon met boodschappen doen?’ ‘Maar soms moet je op zo’n dag wel allerlei klussen doen!’

‘Dan zou je toch een moment er bij stil kunnen staan, dat zo’n dag anders is, ergens door opvalt.’

‘Jawel, maar al die drukte, al dat gehol om alles klaar te krijgen, leidt soms zo af!’

‘Maar dan wordt toch juist erg aan je bewustzijn geappelleerd, zo’n moment van rust en bezinning juist in de gaten te hebben. Wat je vertelde over het naar de kerk gaan op Goede Vrijdag om te bidden, dat werd vroeger gedaan, en nu doe je dat misschien niet meer, maar is het juist nu niet aan de orde dat je zélf momenten in de paastijd kiest waar op je bewust probeert ermee bezig te zijn?’

‘Ik moest laatst aan een mogelijkheid om paasfeest te beleven, denken, toen ik iemand hoorde vertellen, dat het heel opvallend is dat planten in het voorjaar tegen de zwaartekracht in gaan. In de herfst gaat de plant met de zwaartekracht mee. ’t Lijkt zo doodgewoon dat alle bloemen weer te voorschijn komen, tot je je realiseert wat er eigenlijk gebeurt, dan is het de moeite waard daar extra op te letten.’

“t Gekke is, dat je het al jaren gezien hebt en het ook best weet, maar pas als je het zo hoort, kun je er een opstandingsproces in herkennen.’

‘Je bedoelt dat je door het waarnemen van planten, dat mee zou kunnen beleven?’

‘Er zijn in de natuur natuurlijk meer dingen om op te letten. Je zat net zo omhoog te wijzen en daardoor dacht ik aan de zon en de maan. Je kunt in het voorjaar zien dat de zon steeds hoger aan de hemel komt en steeds warmer wordt. Als je naar de maan kijkt, tot hij helemaal vol is en de zondag daarna is het Pasen.’

‘De lucht is ook zo nieuw in de lente. Dat proef je gewoon, je ademt het in. Dat vind ik zo indrukwekkend, zelfs in de stad merk je dat.’

‘De planten, de lucht, de zon en de maan, als je op de processen daarvan let, zou dat je dan dichter bij het paasfeest brengen?’

‘Dan ben je wel alleen gevoelsmatig bezig!’

‘Nee, het gaat om het waarnemen, als je dat intensief doet, kun je het geluk hebben iets te zien wat er allang is, maar wat je daarvoor nog niet zo kende. Het spreekt dan anders tot je. Opeens ga je echt zien, dat planten die net uit de grond komen, inderdaad tegen de zwaartekracht in groeien. Als je dat regelma­tig oefent, zie je dingen die je nooit opvielen, en vandaaruit ga je er iets aan beleven. Dan zit je natuurlijk in het gevoel. Misschien kun je dat niet onder woorden brengen, maar blijft het een innerlijk beleven, waardoor je iets dichter bij het paasfeest komt. Wij heb­ben eens een zomer een tijdlang elke avond opgeschreven, wat er voor licht was ge­weest. Dan geef je je indrukken in woorden weer; daardoor heb ik geleerd anders naar de lucht en het licht te kijken. Maar als jullie nu zeggen: vertel eens iets over licht en lucht, dan zou ik dat niet kunnen. Tegen de tijd dat ik daar woorden voor heb, zijn m’n kin­deren al het huis uit!
Ik vraag me dus af of die dingen geen proces zijn. Ik kom nu niet direct zover, maar ik ben er mee bezig en daaraan heb ik ook deze Pasen wat. Begrijp je?’

‘En dat is voor jou voldoende, om wat verder te komen in dat proces, wat je een stukje dichter bij het paasfeest brengt?’

‘Daar ben ik best tevreden mee, als ik er van­uit mijn gevoel een verhouding toe krijg, iets proef aan de lucht, aan alles wat uitloopt. Ik krijg daardoor iets geschonken, waarmee ik het paasfeest beleef.
Als je me vraagt, wat is er dan precies ge­beurt, dan kan ik je er niets over zeggen. Al zou ik het wel willen, het lukt niet. Ook niet als ik deze lente heel intensief bijv. het uitlo­pen van planten waar zou nemen. Ik geloof niet dat ik aan jullie dan iets interessants zou kunnen vertellen. Alleen zo van: eerst is het heel klein, dan wat groter en wat kleur erbij en dan zeggen jullie: ach, ach, worden de knoppen groter? Ja leuk, dat wisten we al­lang!’

‘Nee, ’t gaat om jouw beleven, wat jij eraan hebt.’

‘Maar wat ik me dan afvraag is dit: temidden van het lentegebeuren, afhankelijk van de stand van de zon en de maan is het Pasen. Pasen is nog iets meer dan alleen de natuur in de lente, al neem je daar ook het opstan­dingsproces in waar. Ik heb behoefte eraan tot het christelijke een verhouding te zoe­ken.’

‘Gaat het er niet om iets te horen of te zien, waardoor je weet dat je paasfeest kunt vie­ren? Je moet er wel naar zoeken…’

‘Dat ligt voor ieder anders, je leest een voor­dracht over Pasen van Rudolf Steiner, je luis­tert naar de Matthäuspassion, je beleeft iets aan de natuur…’

‘Of je gaat naar de mensenwijdingsdienst…’

‘Ja, dat is het. Ik heb naast het waarnemen van de natuur, de zon en de maan, ook behoefte er innerlijk mee bezig te zijn.’

‘Misschien is de traditie een goede leermees­ter. Vroeger werden die feesten vanzelfspre­kend gevierd, nu moet je er als volwassenen zelf iets mee doen. Als je aan zo iets als stille zaterdag ruimte wil geven, kun je er met je planning rekening mee houden. Je kunt op zo’n dag iets lezen of aan de kinderen een verhaal vertellen; in Russische sprookjes komt vaak een opstandingsproces voor, dat zijn prachtige verhalen.’

‘Heb jij je kinderen het verhaal van de kruisi­ging en de opstanding weleens verteld?’

‘Ik heb vorig jaar voor het eerst over de op­standing voorgelezen uit de Bijbel. Ik had het een paar dagen voorbereid door het zelf te lezen. Ik moet zeggen dat ik het indrukwek­kend vond, ze waren heel stil, terwijl we ’s morgens aan de paastafel zaten. Voor jon­gere kinderen geef je in paasverhalen eigen­lijk beelden voor de opstanding, de overwin­ning op de dood, en daar kun je bij aankno­pen als ze oud genoeg zijn om het verhaal uit het evangelie te horen. Als je het niet aan je kinderen voorleest kun je het voor je zelf doen.’

‘Wat die traditie betreft, als je daaruit ge­groeid bent of als je het niet gekend hebt, dan moet je nu je eigen vorm vinden.’ Ik weet wat ik ga doen! Wat ik ontzettend moeilijk vind, ik ga vasten! De koekjes bij de koffie en de thee, je raakt met de kinderen thuis in zo’n vaste traditie: één koekje bij de thee, één koekje bij de koffie. Dat éne koek­je daar zit ik zo ongelooflijk aan vast! Dat éne stomme koekje ga ik nog eens weglaten, kijken of het tot Pasen lukt! De kinderen mogen mee doen, maar ik doe het vooral voor me zelf. ’t Is ook tegen de zwaarte in gaan.’

“t Kan misschien een hulp zijn, de verbin­ding te zoeken tussen de diverse jaarfeesten, hoe je van het Michaelfeest in de herfst, via het kerstfeest naar het paasfeest gaat. En te merken dat niet alleen de planten tegen de zwaartekracht in groeien, maar dat je zelf ook tegen de voorjaarsmoeheid en de neiging om helemaal naar buiten te trekken in, moet proberen een beetje wakker te blijven.’

‘Ja, je hebt zo’n zin om alles los te laten, naar buiten te gaan, vakantieplannen te mak­en, in de tuin te werken, dan is het niet zo simpel om echt aandacht te hebben voor het paasfeest.’

“t Is net een weegschaaltje: je moet het evenwicht tussen beide vinden, innerlijk wak­ker blijven en ook naar buiten trekken!’

‘Als ik probeer te begrijpen- hoe summier ook- wat het gebeuren op Golgotha voor de mensheid, dus ook voor mij, betekent, dan vind ik iets heel essentieels van het paasfeest. Dan beschilder ik dezelfde eieren en zet dezelfde narcissen neer, maar toch is het paas­feest anders.’

‘Met Kerstmis zetten we de boom neer, halen het stalletje tevoorschijn en vieren we de geboorte van het Christuskind. De drie koningen kwamen nog na nieuwjaar, de laatste kaarsen brandden, het stalletje en de boom werden opgeruimd.
En nu is het lente, het volgende jaarfeest, in aantocht: Pasen!

Hoe vier je dat? Is het een lentefeest en hou je het bij de paashaas en de eieren? Of vier je een christelijk feest. We stelden die vraag aan onszelf en aan el­kaar en kwamen al pratend wat dichter bij het paasfeest. Het gesprek dat we voerden staat — wat ingekort — op deze bladzijde.

Fiona van Mansvelt, Maria Ploeger, Willemijn Otte, Jenny Crum

in ‘het kind op weg’ in ‘Jonas’ van 8 april 1977

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

124-119

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (8)

.

Paashaas/vingerhaaspopje

1.stofdoek 20-30 cm, opengeslagen, smalle kant boven,
bovenste punten samenbinden: oren
2.krantenpapier, wol, watten in oren stoppen, tevens vulling voor kop,
onder de vulling afbinden tot hals,
3.van een krant die u gevouwen heeft tot een reep van 12 cm hoog en
40 cm lang, rolt u om uw hand een toetervorm,
4.de rechte onderkant van de stofdoek vouwt u om dit lijf, de punten
van de rechte hoek, van buiten naar binnen draaien, naar voren trekken
en vast naaien: achterpoten
5.de voorpoten maakt u door een plukje van de stofdoek onder de kop
samen te binden met een draadje, omwikkelen met bruine wol,
achterkant dichtnaaien, oorschelpen naar voren duwen en vasthouden,
6.de staart maakt u op dezelfde manier aan de achterkant,
7.snuitje: stof bij elkaar trekken met bruine wollen draad, ca 1/3 hoogte
vanaf de nek- en snorharen

pasen 17

pasen 18

bron onbekend

.

Paashaas/vingerhaaspopje

Materiaal:
wollen stof of badstof,
voor de binnenkant van de oren een bijpassende afstekende stof,
kralen voor de ogen,
een stukje vilt voor de mond,
draadjes touw voor de snor­haren,
schapenwol of watten voor vulling.

Knippen: middenkopdeel 1 maal,
zijkopdeel 2 maal,
lichaamsdeel 2 maal,
oren 2 maal en 2 maal van afstekende stof.

Oren in elkaar zetten en invouwen en aan de zijkopdelen vast zetten,
het middenkopdeel tussen de zijkopdelen bevestigen,
de streepjes op de romp en het middenkopdeel precies op elkaar vast zetten. Voor de vingerhaas het patroon vergroten en bij het vullen van de kop ruimte laten voor de vinger.

pasen 6

bron onbekend

.

Paashaas/vingerhaaspopje

Kokertje breien of haken
Eén kant dichtmaken, tegen deze dichte kant opvullen, met strikje afbinden: kopje.
Oortjes van vilt
Oogjes en snorhaartjes
Aan de onderkant een staartje.

Bron: ‘Jonas’ 6 april 1979

Paashaasje

Haasje of kuikentje van pompoentjes.
Wagentje: walnotendopje.
Wieltjes: plakje kurk, vastgeplakt.
Eitjes: van gekleurde bijenwas.
Het haasje trekt het wagentje m.b.v. een wollen draadje, vastgeplakt op de walnotendop.

pasen 13

.

Paashaasje, kuiken, lam van pompoen 

De zon schijnt niet iedere dag, ook moet de regen er zijn om alles weer te laten groeien en bloeien. Een binnenwerkje, dat veel plezier geeft bij klein en groot is van twee pompoenen een kuiken, lammetje of ook wel een mooie paashaas te maken.
We knippen twee kartonnetjes rond uit met een gat in het midden; nemen een lange wollen draad en trekken deze steeds regelmatig door het middengat heen.
als het middengat helemaal dicht zit, knippen we de draden aan de buitenkant door tussen de twee kartonnetjes in.
We binden nu een draad tussen de twee kartonnetjes, trekken het goed aan en maken een knoop.
Nu schuiven we de kartonnetjes eraf en de wollen draden vormen zich tot een bal.

pasen 27

Een grote bal en een kleine tezamenbinden en je hebt al een kuikentje, lammetje of haas.
De oortjes en ’t snaveltje maak je van vilt.

Veel plezier!

Thea Goedhart, nadere bron onbekend

.

Paastuintje

Een heel gezellig werkje in deze tijd van het jaar, als het weer het nog niet toe­laat, de kinderen zo erg lang buiten te laten spelen, is het maken van een paastuintje.

Men heeft er voor nodig:

1.een stukje karton (misschien de deksel van een schoenendoos)
2.lichte lentekleuren crêpepapier (voor zoveel knutselpartijtjes goed te gebruiken dat de aanschaf geen weggegooid geld is)
3.wat pijpenwissers
4.tubelijm (Collal, Velpon)
5.stijfsel of gluton
6.wat stevig papier (bv. tekenpapier of dun karton)
7.tijd voor de kinderen en plezier om iets met hen te maken.

Men begint met op het karton de plaats aan te geven waar een bloesemboompje  komt, en een nestje op de grond en eventueel een vijvertje.

Waar het boompje komt, wordt met een priem een gaatje geprikt; daar doorheen steekt men 3 of meer pijpenwissers, waarvan men het onderstuk ca. 2 cm ombuigt en in 3 of meer richtingen met Collal tegen de onderkant van het karton vastplakt door middel van een stukje tekenpapier. (tek. A)

Nu blijven de pijpewissers dus rechtop staan.

We knippen een “vijvertje” van teken­papier en een wat groter stukje blauw crêpe­papier, dat om het eerste stukje heen ge­plakt wordt,  zó,  dat de gluton alleen op de rand aan de onderkant komt (crêpepapier verkleurt zo erg door vocht!)
Dit vijvertje plakken we op de aangegeven plaats op het kartonnen ondergrondje en daarna kunnen we de rest daarvan met kleine (losse) propjes van lichtgroen helemaal volplakken behalve op de plaats waar het nestje komt.

Dat nestje maken we weer van een rondachtig stukje tekenpapier (voor de gewenste grootte maken we even een probeerseltje) volgens het schetsje. (tek. B)

De stippellijn geeft de bodem van het nestje aan, de stralen zijn knippen,  de kruisjes de plaats waar de tubelijm komt.    o wordt op x geplakt.
Met wasknijpers vastgezet, geeft men het tijd om te drogen.

In de tussentijd nemen we een onaangebroken pakje lichtgroen crêpepapier. We knippen er langs de korte kant wat reepjes van af, van een paar mm breedte. “Uitgeslagen” een verrassend werkje voor een kleuter,  wordt het een sliert van een paar meter (de lengte van de rol crêpepapier) en een paar van die slierten in elkaar gekreukeld geeft een zachte vulling voor het nestje (ook bij het spelen met blokken, of met huisjes-boompjes­-beestjes is dit als “gras” heel inspirerend.) Maar voordat we er het nestje mee vullen, omplakken we dit met een stukje donkergroen crêpepapier, d.w.z. we plakken het gewoon in, met alleen op de bodem van binnen wat lijm.
Tenslotte plakken we het met Collal op de aangegeven plaats.

Als nu het “tuintje met gras,  en daartussen gekleurde propjes als bloemen, is volgegroeid – ik vergat nog te zeggen dat die crêpe­papieren stukjes altijd gescheurd moeten worden en niet geknipt – moeten we zien dat we ons boompje ook spoedig in bloei krijgen!

Daartoe plakken we de pijpenwissers rondom vol met stukjes van ca. 2 cm in ’t vierkant, waarvan we het  onderstukje helemaal rondom het stengeltje plakken, de losse rest is het bloesempje.

Nu ziet het tuintje er al echt lenteachtig uit.

Als we zo ver zijn, kunnen we met de “bevolking” beginnen. Kuikentjes, lammetjes, paashaasjes zouden we van pompoentjes kunnen maken. Maar met crêpepapier komen we ook een heel eind. Als we tenminste van het idee afkomen dat, wat we maken ‘net echt’ moet zijn.

We bewijzen onze kleuter de grootste dienst als bv. het geknutselde “haasje” slechts bij benadering op een haasje lijkt, want de fantasiekracht, die hij nu gaat opbrengen om het vormloze ding als een “echt haasje” te beleven, is belangrijk voor zijn hele verdere leven.

Als U als moeder van een langwerpig propje wit crêpepapier een stukje stevig afbindt, en aan dat afgebonden propje een stukje geel plakt aan de voorkant dat U tot een puntje draait, zult U zeker niet het trotse gevoel hebben dat U een eend gecreëerd hebt, maar Uw kleine kleuter zal er dagenlang mee rondsjouwen en het aan iedereen laten zien! “mijn eendje!”

Beginnen we dus met moed aan een haasje bijvoorbeeld!
De grondvorm voor zowel popjes als dieren is een langwerpig stuk crêpepapier (bijv. 25-16 cm) voor een figuurtje van ca.7 cm hoog.
De maat moet men natuurlijk aanpassen aan de proporties van het tuintje.
Men maakt van toiletpapier of watten een propje of bolletje van ca. 1  1/2 cm,  in het geval van het haasje een beetje eivormig. (tek. C)
Dit wordt in  t midden van het papier afgebonden: het kopje. De twee punten opzij bovenaan, in elkaar gedraaid, geven de voorpootjes, een dik propje
tussen de rest van het papier (de voorkant van het papier wordt naar achteren,  en de achterkant naar voren vastgeplakt) wordt het buikje. En dan hoeft men alleen nog maar het geheel op een stukje karton te plakken (met Collal) opdat het niet omvalt, achteraan een propje voor staartje, 2 puntige snippers als oren (in de breedterichting van het papier geknipt, anders blijven ze niet recht staan), oogjes met de ballpoint, en, klaar is….. haas.
Als het een lammetje moet worden, bindt men, behalve om het halsje, ook een draadje om het achterlijfje, nadat men een propje als buikje heeft toegevoegd. De rest wordt verdeeld in twee achterpootjes, waarvan wel de loshangende snippers moeten worden vastgeplakt.

Het beste plakt men de vier pootjes ook weer op een kartonnetje. Met het draadje van het achterlijfje bindt men er nog een staartje aan, twee snippers als oortjes, een roze snipper als snoetje en uw kleuter zal dolgelukkig zijn met zijn ‘lammetje,’. Natuurlijk is het niet voor de eeuwigheid gemaakt, maar wie wenst dat!

Nu U het principe weet, kunt U misschien nog allerlei dieren zelf verzinnen.

Wat denkt U bijv. van een vogeltje dat op het nestje zit en met zijn vleugeltjes  (ze zijn van tekenpapier geknipt en versierd met kleurpotloden) de paaseitjes bedekt die U, als iedereen gezwoegd heeft en alles klaar is, als verrassing in het nestje verstopt hebt? Of eendjes voor het vijvertje?  Er zijn nog zoveel mogelijkheden en, hoe primitiever, hoe beter!

Als we een popje willen maken (men hoeft natuurlijk niet alles in een tuintje te verwerken: men kan een keuze maken) laten we zeggen een kaboutertje, is het begin zoals bij het haasje. Nadat we de armpjes hebben gemaakt, wordt om het middel een katoenen draad gebonden en van de rest daar­onder twee beentjes gedraaid. Kleding: een langwerpig stukje crêpepapier, schouder­breedte, lengte is 2x van hals tot boven de knieprecies in het midden knipt men een kruisje en dat trekt men over het kopje, waarna men een gekleurde katoenen draad om het middel bindt als ceintuur: een prachtig hesje! (tek. D)

De muts is weer rechthoekig, de breedte: ruim de hoofdomtrek. Als het om het hoofdje vastgeplakt zit, moet de rest een behoorlijk eindje daarbovenuit steken, zodat men het tot een punt in elkaar kan draaien.
Schoentjes: 2 vierkante stukjes, die om de onderste punt van de beentjes worden vast­gebonden.
De afgebonden stukjes, omgevouwen, zijn de voetjes, die weer stevig op een kartonnetje gelijmd worden, iets van elkaar af.

Bij zo’n kabouter hoort natuurlijk ook een kabouterhuisje. Voor een huisje van 5 cm hoog (zonder het dak) neemt men een stukje van 16 cm lang en 9 cm hoog. Stevig tekenpapier is daarvoor geschikt, men kan het door de kinderen mooi laten kleuren met waskrijt.
De inknippingen onderaan zijn om het huisje op een kar­tonnetje te plakken (daarna lipjes camoufleren met propjes groen gras). Bovenaan,  ook naar buiten gevouwen dienen ze om het dak erop te bevestigen.
(tek. E stippellijn vouwen; ononderbroken lijn knippen)

Als alles gevouwen en geknipt is, plakken we de beide zijkanten 1 cm over elkaar heen, zodat het huisje rond wordt.
Terwijl het, weer met wasknijpers vastgezet, droogt, maken we het dak, een schijf van 12 cm middellijn, waarvan we één straal inknippen en dan over de oppervlakte van een kwart cirkel over elkaar heen plakken (x komt op x)

Nadat het huisje op een stukje karton geplakt is, doen we lijm op de bovenste inknipsels (na het horizontaal vouwen op de bovenkant) en zetten het dak erop. Ook dat klemmen we weer met was­knijpers vast. Boven de deur knippen we een stukje uit het dak (a) zodat die beter open en dichtgaat. Een splitpennetje is een mooie deurknop. (tek. F)

Andere dakvorm:
4x  inknippen, gelijke tekens op elkaar plakken.
Voor zo’n klein huisje kan men natuurlijk ook kaboutertjes maken van boetseerklei of ge­kleurde bijenwas. (tek .G)

Als men daarentegen het huisje wat groter wil maken, kan men het beste fotokarton gebruiken, dat in verschillende mooie kleuren verkrijg­baar is. Dat is heel stevig.

En nu tot slot nog iets over het hoe’..
Kleine kinderen hebben een ongelofelijke nabootsingsdrang en tegelijkertijd willen ze daarbij vrijgelaten worden, hoe paradox dat ook moge klinken.

Dit wetende, gaat U, als het uurtje voor de kinderen is aangebroken, zonder iets uit te leggen, heel rustig alles klaar leggen wat U nodig hebt, zodat U niet meer hoeft weg te lopen als U eenmaal aan de gang bent. U neuriet er zelfs een beetje bij, want U hebt ook wel pret in dit avontuur!

U bent nauwelijks begonnen,  of de kinderen staan al om U heen en ze zijn zo brandend nieuwsgierig dat ze onder Uw armen doorkruipen om maar niets te missen. Ze gissen naar wat het worden moet en U kunt zelf wel aan hen aflezen op welk moment U dat gaat vertellen. Zeker zal het niet lang duren of ze willen “meehelpen” of “ook zoiets maken” en ge­lukkig zijn er in dit knutselwerkje een
aan­tal dingen die zelfs de hele kleintjes kun­nen doen.

Natuurlijk is van het ogenblik af dat ze zelf aan de gang gaan, Uw belangrijkste taak om het wat te laten worden zonder al te veel in te grijpen, vooral niet als de kinderen zelf er niet om vragen. Bij de kleintjes zal waarschijnlijk iets totaal anders ontstaan dan een lentetuintjemisschien zelfs iets volkomen onherkenbaars. En waarom ook niet, ze blaken van trots over hun prestatie! Het voornaamste is, dat ze in een ontspannen sfeer iets mogen doen dat hen diep bevredigt. Dat is als het ware proviand voor hun tocht door het leven.

U zelf kunt nog ongelofelijk veel bijdragen tot die sfeer als U het zingen erbij
inscha­kelt, neen, niet uit volle borst,  maar “zacht-gezellig”.

Als U  h e u s niet zingen kunt, is neuriën net zo “stemmingmakend”, vooral als het “zo maar wat” isDit kan iedereen. (proberen bij de afwas, t is een kwestie van wennen.)

Als U wel kunt zingen, probeert U dan eens het volgende liedje, ’t is heel toepasselijk bij het werkje dat we aan t doen zijn.

Blauw viooltje

En ’t wordt nog aardiger als we een beetje met de woorden gaan spelen en bv. “blauw viooltje” vervangen door: roze tulpje,  of hyacintje, groen groen grasje, bloesemboompje, of kleine paashaas, wollig lammetje, donzig kuikentje, sneeuwwit eendje, enz.  enz.  Mogelijkheden te over. Kinderen zijn heel vindingrijk. En als we nu voor “Pasen” “Lente” zingen, kan dit liedje ons door het hele voorjaarsseizoen begeleiden.

pasen 7

 M.T.P, vrijeschool Den Haag

Paasfiguren van papiermaché

Voor het maken van paasfiguren van papiermaché hebben we nodig:
een stapeltje oude kranten,
een emmer of wasketel,
heet water,
behangerslijm of Glutofix (blijft langer goed),
lege kartonnen houders van wc-rollen,
een paar pijpenragers.

Begin met de kranten te versnipperen. Giet er daarna het hete water over. Laat de massa een paar uur weken en stamp er zo af en toe in met een gootsteenontstopper of aardap­pelstamper. Het papier zal langzaam uiteen­vallen. Het proces is te versnellen door het geheel te koken. Daarna met de handen het overtollige water zo veel mogelijk uit de grijze pulp knijpen. Maak nu de Glutofix aan tot een stevige brij en kneed dit door de grij­ze massa. Doe er zoveel Glutofix bij tot het papiermaché goed kneedbaar en vormbaar is geworden. Kneed eventueel een paar drup­pels chloor erdoor tegen bederf en bewaar het geheel in plastic.
Snij of knip het kartonnen rolletje af op maat van een eierdopje en boetseer er het haasje omheen. Druk het papiermaché glad aan anders valt tijdens het drogen het werk­stuk uit elkaar. In de oren eventueel een stukje pijperager als versteviging. Na het dro­gen met plakkaatverf of waterverf beschilde­ren. Als conserverende laag lak gebruiken.

Jonas 17, 13 april 1984

.

Bloempotten beschilderen

met plakkaatverf:
*effen ondergrond
*schildering maken
*goed laten drogen
*lakken
*aarde erin, sterrenkers zaaien
*(later: berkentak, met uitgeblazen beschilderde eieren


eierenkrans

uitgeblazen eieren doorsteken met soepel ijzerdraad

pasen 8

nestjes

vlechten van dikke wol, vlas, sisal.
Ook van walnoten, met vogeltjes erin
vogeltje: 2 kralen op elkaar, vleugels van crêpepapier, snaveltje van bijenwas

haaseierdopje

deze haas 2x uitknippen van dun karton; kop en staart aan elkaar plakken, zo ontstaat een eierdopje voor de paastafel

pasen 9

Paaseierdop

Laat ieder kind een strookje karton versieren, lijm of niet de einden aan elkaar,
’s ochtends vindt ieder kind een mooi gekleurd ei in zijn eigen dop.

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend.

.

Paasmobile

Van een uitgeblazen of gekookt ei maak je in een wip een kuiken door er een snavel, oogjes, vleugels en een paar pootjes aan te plakken. Vijf kuikens van uitgeblazen eieren maken samen een leuke paasmobile. Je kunt de eieren wit laten, maar knalgele kuikens vallen nog meer op: een dag van te voren schilderen en de volgende dag de kuikens met veertjes of papier versieren.

Ei op stok

Zaai een week voor Pasen met de kinderen voor ieder in een schaaltje of bloempotje wat graszaad of sterrenkers. Geef de potjes een warm, licht plaatsje, niet in de felle zon en laat ieder zijn eigen zaaisel water geven.
Al gauw kunnen we zien hoe het zaad ontkiemt en gaat groeien. Als verrassing komt op paasmorgen in elk potje een ei op een stokje te staan.
Daarvoor zijn nodig:
=eieren uitgeblazen en beschilderd
=ronde stokjes, bijv. uit de winkel voor tuinartikelen
=lint, 1 cm breed

De stokjes (plm. 25 cm) kunnen blank blijven of in allerlei kleuren geschilderd worden. Maak de gaatjes in het ei zo groot dat het ei op het stokje geschoven kan worden. Strik het lint onder het ei en zet het met tubelijm vast.
Om de punt van het stokje dat uit het ei steekt, komt ook een strikje.
Steek nu het stokje in het potje met sterrenkers en zet het op paasmorgen naast ieders bord.

Paasboom

Geraamte maken van latjes. Met takjes buxus (of liguster) en lint kan het hout bekleed worden. De boom staat in een pot aarde, waarin sterrenkers of bieslook is gezaaid.
Bo­venop kan de broodhaan staan. De boom wordt gesierd met beschilderde eieren.
Zet een stuk oases stevig vast in een bakje. Plaats in de oases een plantenstokje. Aan het stokje komt aan linten een eierkrans te hangen. Krans maken van pitriet of geplasti­ficeerd elektriciteitsdraad. Tussen de be­schilderde eieren een kraal rijgen. Oases vol prikken met voorjaarsbloemen.

In een plat mandje, bijvoorbeeld een kaas­mandje, met 3 houten stokjes een driehoek vormen. Boven op deze stokjes komt de fa­milie broodhaan te staan. In het mandje kunnen rondom een voorjaarsboeket, de eie­ren liggen.

(bron onbekend)

.

Lentefee

Op onze paastafel komt ook een lentefee te staan, die uit haar toverstokje alle bloemetjes wakker maakt.
We hebben nodig: papier (bijv. rose, paars, lila, geel, lichtgroen), een closetrol, een uitgeblazen ei, pijpenrager of chenilledraad, gele wol, restjes papier en lijm.
Het ei op de closetrol lijmen (bv. met bisonkit). Met allerlei kleuren crêpepa­pier het popje aankleden. De lentefee krijgt een mantel van een stukje crêpe­papier dat aan de bovenkant omgeslagen en ingerimpeld wordt. Een gaatje prikken in de closetrol om de armen van chenilledraad of de pijpenrager door te halen (evt. met papier omplakken). Van wol maken we de haren en met kleur­potlood of viltstift tekenen we op het ei een gezichtje. Nu nog een punthoed, beplakt met bloemetjes of een bloemenkransje in haar haar, een toverstokje in de hand en een mooiere lentefee kun je je niet wensen! .

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’5 april 1974

.

Eierschaal met bloemetjes

3/4 eierschaal met voorjaarsbloempjes

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Haasje van aardappel

Kleine haasjes van aardappels op elkaar prikken met een lucifer; oren van bruin papier, snorharen van raffia of stro.

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Paasweitje

Een paasweitje: diep bord met aarde of mos vol met voorjaarsbloemen

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Paashaantje

Als de broodhaantjes zijn opgegeten!
Haantje tekenen,
2 x knippen uit karton,
op elkaar plakken,
behalve waar hij op de stok gaat.
De kinderen kunnen ze mooi kleuren met waskrijt

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend

.

Voor het raam

Hang eieren aan een draad voor het raam,
zet bakjes zaad (gierst, koren, sterrenkers) op de vensterbank
zet er kuikentjes bij
katjestakken ertussen

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend

.

Beweegbare paaskaart

Op een stuk karton maak je een tekening waar je een venster in knipt. (aangegeven met een dikkere lijn)
knip uit een stuk karton een cirkel en teken daar een zon plus paashaas op;
de cirkel komt achter de tekening en wordt vast gemaakt met een splitpen
inkleuren met waskrijt, verf of potlood.

pasen 14

bron onbekend

.

‘Kiek-kiek’

Een ei uit een karton knippen en doorknippen.
Punten vastzetten met splitpen.
Kuikentje knippen en vastplakken aan onderkant.

pasen 15

Kuikentje van karton knippen met lipje
Kuikentje kan weg duiken in zijn eigen ei en weer tevoorschijn komen.
De randen vastplakken, de onderkant natuurlijk niet helemaal.

pasen 16

bron onbekend

 

Wortel- en bloemenkindjes

Tussen de wortels van de bomen,
liggen kind’ren stil te dromen.
Moeder Aarde houdt de wacht,
in de donk’re winternacht.

Uit: De gouden poort – Beatrijs Gradenwitz. tekst: J. Jurriaanse.
Nr.41 (uitgave 1973-1975)

Voor velen is de lente een heerlijk verrassend jaargetijde. Vooral voor kinderen, voor wie alles wat ze mee­maken nog niet zo vanzelfsprekend is. Bruine, doodlijkende takken krijgen bladeren en bloesems en uit de bruini­ge aarde komen de prachtigste bloe­men en kleuren.

In veel kleuterklassen van de vrijeschool verschijnen in deze tijd Moeder Aarde en haar wortelkindertjes. Naar­mate er in de natuur meer bloemen gaan bloeien, komen er meer bloemenkindertjes bij. Ze worden leuk neerge­zet op een tafel tussen boomstronken, takken en stenen.
Als het Pasen is, staan er heel wat kleurige bloemen te bloeien. Het hangt erg af van het ka­rakter van de samensteller van de lente-paastafel hoe het zal worden. Bij de één lijkt moeder Aarde op een len­tefee, bij de ander is ze heel bruin in aardekleuren met een bloemenschortje om.

Mijn patroon voor wortel- en bloemenkindertjes is:

Een rondje van 15 lossen haken. Dan verder gaan met vasten en in de vol­gende vijf toeren er 10 steken bij ma­ken, (katoen, en haaknaald nr. 3, ste­vig haken). Met deze 25 steken nog 5 à 8 toeren haken. Het rokje is nu klaar. Nu het mutsje: Eén rondje lossen van 3 steken, dan met vasten verder haken en in de volgende 3 toeren ongeveer 15  steken erbij maken. Aan deze 18 steken nog 4 à 5 toeren haken. Wat het nu voor bloem gaat worden, hangt werkelijk af van wat de maker wil. Moet het echt op een krokus of een narcis of op een klein hoefblad lijken, dan kun je met behulp van vilt en met gehaakte schulprandjes prach­tige bloemenkindertjes maken. Moeder Aarde haak ik ook met haaknaald nr. 3, maar dan met een dubbele draad bruine wol; begin met 16  steken en meerder in de eerste 4 toeren 20 steken, zo haak ik verder tot ik 16 toeren heb. De onderste rand van de rok haak ik dan met heel dik, stevig garen zodat ze goed blijft staan. Voor de armen haak ik een rondje van 10 lossen, daarop 12 toeren tot ik een kokertje heb. De handen zijn witte, met wol gevulde knuistjes. De hoofd­jes van moeder Aarde en de bloemen­kindertjes maken we op dezelfde ma­nier als de poppen, zoals die in het boekje ‘Speelgoed‘ van Freya Jaffke beschreven staan  (of gewoon een stukje katoen met een dot wol vullen, mooi rond vormen, en dat als hoofdje gebruiken).

Zo tegen Pasen, vertel ik de kinderen een verhaal dat met Pasen te maken heeft. In elk geval moeten we over ‘de haas’ vertellen. Dat heel bijzondere, zachte wollige dier, dat niet in gevan­genschap kan leven. Friedel Lenz schrijft er zo over: ‘Hij leeft vreed­zaam en is niemand tot last. Alleen in doodsnood schreeuwt hij en dan nog niet zo luid. Een vaste woonplaats heeft hij niet. Elke dag maakt hij zijn leger ergens anders, het hele veld is zijn thuis. De haas heeft goede ogen en lange oren. Zijn ogen zijn niet scherp, maar hij voorvoelt gevaar. De haas schijnt met open ogen te kunnen slapen. Hij heeft veel vijanden: roof­vogels jagers, honden. Als de haas zijn hazenbroeder achtervolgd ziet, springt hij te voorschijn om de aandacht van zijn broeder in nood af te leiden, zo­dat deze laatste kan vluchten. Maar door zijn makker te redden, loopt hij zelf grote kans om te sterven. Het is begrijpelijk dat de haas door deze eigenschappen in de loop der tijden tot paassymbool geworden is. Voor kleine kinderen kunnen we misschien zelf wel een mooi verhaal be­denken en deze eigenschappen van de haas erin verwerken. Voor kinderen vanaf zes jaar staat er een mooi ver­haal in Zonnegeheimen deel II van D. Udo de Haes: ‘De Paashaas’. Tot slot nog een oud Duits roepversje:

‘Paashaas, Paashaas, loop niet aan ons huis voorbij maar breng ons een mooi bont ei!’

Boeken voor deze tijd:
Etwas von den Wurzelkindern door Sibylle von Olfers. Verlag J.F. Scnreiber, Esslingen. Gebonden f 15,80; ingenaaid f 6,90.
Mit Kindern Feste feiern door Friedel Lenz. Ver­lag Novalis, Schaffhausen ca. f 10,-.
In den Wurzelstübchen door Ida Bohatta. Verlag Josef Muller, München ca. f 4,-.
*   Fritz Osterhas und Sohn door Ida Bohatta. Verlag Josef Muller, München ca. f 4,-.
Zonnegeheimen, Lente, deel II door D. Udo de Haes. Uitg. Patljnlaan 200 Zeist, ca. f 10,-.
De Gouden Poort. Beatrijs Gradenwitz-van Bemmelen. Uitg. Vrij Geestesleven, f 15,-.
*    Florinoor’s  poppenspel  (Pasen).  Hermien IJzerman.
*    Florinoor’s Lenteboek. Hermien IJzerman f 4,50.
Legenden van de kerstnacht en de paasmorgen. Hermien IJzerman.

Op volksverhalen staat een ander verhaal over de paashaas

Godelieve van Gemen, Jonas 16, 6 april 1979

.

Bloemenkinderen

De afgelopen doe-avond hebben we bloembollenkindjes gemaakt met behulp van houten kegeltjes en vilt.

pasen 28

Echte beschrijvingen hoeven we niet te geven, omdat het een ieder zal lukken een bollenkindje te maken door te kijken naar de bloemen die uit de bollen tevoorschijn komen in deze tijd van het prille begin van de lente.

Hyacint:
houten kegeltje aankleden met roze of lila vilt, onder het mutsje wat schapenwol als haar vastplakken.

pasen 29

Narcis:
stralend geel vilt gebruiken; voor het hoedje twee tinten geel.
Maak gebruik van de vaak al aanwezige gekartelde rand van het lapje vilt.

pasen 30

pasen 31

 

 

 

 

 

 

 

Krokus:
paars, geel of wit vilt; maak blaadjes voor het lijfje iets langer dan het kegeltje, zodat het hout niet meer zichbaar is.

pasen 32Sneeuwklokje:
wit en groen vilt, wit zijn de blaadjes van het mutsje en de spikkeltjes op het groene lijfje.

Zo maakten we nog tulpenkindjes en ook de frêle Franse narcis werd uitgebeeld.
Aldoende merkten we dat het een heel leuk werkje is en elk bollenkindje wordt weer anders, je krijgt telkens nieuwe ideeën.

pasen 33

Al gauw staan ze naast elkaar te pronken en maken ze het plekje voor Koning Winter op de seizoenentafel zichtbaar kleiner en kleiner: het teken voor Moeder Aarde de poort te ontsluiten en de Wortelkindertjes al wat groeit en bloeit naar boven te laten brengen, vanuit de warmer wordende aarde.

pasen 34

Bloemenkindertjes maken is een en al uitbundigheid. Niet gehinderd door beperkingen wat betreft verschijningsvorm, kan iedereen de fantasie de vrije loop laten.

pasen 35

Je kunt uitgaan van de basisvorm van het houten kegeltje of zelf een lijfje maken van vilt. Met een dichte onderkant en opvullen met rijst of droog zand, zodat ze goed kunnen staan. Gebruik voor de steeltjes van de bloemen pijpenragers omwikkeld met stof of met een hoesje van vilt.

Bron onbekend

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

122-117

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (15)

.

Hulpjes bij het schilderen

Een breinaald met onder een kurk. Daarop het ei.
Een satéprikker kan natuurlijk ook en de kurk kan ook door iets anders vervangen waarop/in de breinaald/prikker blijft staan.

Eieren beschilderen

Eieren verven voor Pasen is een oude tradi­tie. Vroeger gebruikte men natuurlijke kleurbronnen van fruit, groente of bloesem (uien, peen, rode bieten, brandnetels, malva enzovoort). Later kwamen poeders in de handel, ongiftige kleurstoffen. De eieren worden erin gekookt en staan te pronken op de paastafel. Soms worden ze liefdevol be­schilderd of beplakt. Iedereen vindt het jammer, al dat moois kapot te moeten ma­ken, om de inhoud op te kunnen eten.

Dit is zeker een van de redenen, waarom men eieren leegblaast en zich op de hulzen creatief gaat uitleven. Ieder jaar opnieuw zijn vele moeders van plan, om vroegtijdig met dat leegblazen te beginnen, zodat ze omstreeks Pasen tientallen keurig nette hol­le-bolle eitjes hebben liggen om met zijn al­len gezellig te gaan beschilderen. Maar hoe gaat dat? Even gauw spiegeleieren of pannenkoeken bakken. Geen tijd voor die blaastoestanden, want dat duurt even. Vol­gende keer dan maar… En drie dagen voor Pasen wordt wat verf uit de drogisterij ge­haald en het is het oude liedje!

Ga dus meteen beginnen!
Als je net een cake wilt bakken, neem de moeite, blaas de eieren leeg. Voor degenen, die misschien een beetje onwennig tegenover deze ademoefening staan, een kleine uitleg:
Prik aan de top en precies er tegenover een gaatje in het ei (stopnaald, satéstokje). Houdt het ei licht maar stevig in de holte van je hand. Het gaat niet stuk en het loopt ook niet vanzelf leeg! De gaten voorzichtig wat groter maken, en dan maar blazen. Bij kleine eitjes duurt het meestal wat langer dan bij grotere. Maar de inhoud komt beslist d’r uit!

Blijvende paasversiering

De hulzen schoonspoelen met koud water, en daarna een poos deponeren in warm zout water. Voor het drogen de eieren (ook later bij het schilderen) op bijvoorbeeld schroefdoppen van limonadeflessen zetten. Ze moe­ten werkelijk kurkdroog zijn, alvorens je be­gint met het artistieke werkje! Ik gebruik de verfdoos uit mijn schooltijd en werk nauwkeurig met penseeltjes — voor ie­dere kleur een ander. Zo droog mogelijk werken.

Voor het schrijven van dit stukje nam ik een proef met viltstiften. Gaat prima. Kinderen doen dat liever. Het resultaat is minder sub­tiel.

Voor de verdere — conserverende — bewer­king is het enorm belangrijk, dat de schilde­rijtjes enkele dagen rusten alvorens de be­schermende laag erop te brengen. Je kunt met vernis werken, met kleurloze nagellak of — dat vind ik het gemakkelijkst — met vetvrije haarlak. Ook daarmee lukt het pas na acht à tien dagen zonder uitlopen. Het drogen van de verf is mede afhankelijk van de tijd, die het ei leeg is geweest.

Knoop een houten kraal vast aan een lint of draad, trek deze door het ei, en hang het he­le clubje op een veilige plaats (tochtig!) aan wasknijpers op. Besproeien met haarlak op een afstand van 15 centimeter, anders be­schadigt de straal de verf! Ik hang ze op aan kale takken, maak er een boompje van en heb nog een krans van ‘henneneitjes’ liggen, die vijftien jaar geleden zijn beschilderd (toen zaten wij nog in Ham­burg!) en alle verhuizingen hebben doorstaan Ze worden ieder jaar verpakt in een karton­nen doos in watten. Het is een schat — wer­kelijk iets kostbaars! De kinderen, die ze be­schilderd hebben, zijn nu al grote mensen. Het is daarom leuk, als ieder kind zijn naam heel klein erop zet en het jaartal.

Ik heb enkele suggesties getekend (hier niet afgebeeld)— beestjes, bloemen, ornamenten. Ieder kind kan het terrein kiezen, waarop het meent het beste resultaat te bereiken. In deze keuze spiegelt zich al vroeg het karakter van onze oogap­pels! Het is een boeiend schouwspel, als er een groep met elkaar zit te werken. Als moeders meteen afspreken, vanaf vandaag al­le eitjes leeg te blazen (mits er geen sneeuw geklopt moet worden!), kunnen de kinderen spoedig aan de slag gaan. Wie ook een krans (voor onder de lamp of aan het plafond) wil maken, adviseer ik: Rijg steeds niet meer dan vijf eitjes aan een touw, en knoop deze dan aan elkaar. Op deze manier ontstaat een mooie boogkrans.

Katja Lobbe, ‘Jonas”, 12 maart 1976

.

Eiertak(ken)

Blaas een ei uit door er aan twee kanten een gaatje in te prikken, dan voorzichtig blazen boven een kopje.
Hang het ei op door in het gaatje een halve lucifer aan een draadje te laten zakken. Hang de uitgeblazen eieren op aan een uitlopende tak of aan een hoepel die omwikkeld wordt met groen crêpepapier.

Bron: ‘Jonas’ 5 april 1974

.

Paaseieren versieren

U zult het wel allemaal met mij eens kunnen zijn, wanneer ik zeg: Pasen en eieren horen bij elkaar.
Ik wilde wel, dat u het ook  met mij eens bent, dat bij Pasen geverfde eieren – en niet gewone witte – horen, waardoor u zoveel de nadruk legt op het eten van de eieren, wat toch niet de hoofdzaak van het paasfeest is….

Denkt u ook niet, dat speciaal onze kinderen het veel meer een “paasfeest” zullen kunnen vinden als de eieren mooi ge­kleurd en beschilderd zijn?

Er zijn nog grote gebieden in Midden-Europa, waar een paasei alleen maar een beschilderd ei kan zijn;  waar in elk gezin op Witte Donderdag een schaal met eieren op tafel komt, en waar iedereen, die maar enigszins een penseel kan hanteren, de paaseieren beschildert.

In Rusland werd op paasmorgen je ei door de Pope gezegend en het werd dan zuinig bewaard, want, nietwaar, een paasei is géén gewoon ei; in Czecho-Slowakia versiert men elk drie ei­eren en biedt deze als paasgeschenk aan.

Ongetwijfeld denkt u, dat het heel moeilijk is, om eieren kun­stig te beschilderen – enhet kan inderdaad tot kunstwerk worden -. Maar we moeten eens eenvoudig beginnen,  en als we dan de techniek beter beheersen en de verschillende mate­rialen ons geen poets meer kunnen bakken, dan kunnen we kunstiger patronen of voorstellingen gaan tekenen.

De meest gebruikte manier, die ook voor niet – ervaren moeders (èn vaders! èn kinderen!) tot leuke resultaten leidt, is de z.g. batiktechniek.
U tekent daarvoor met een dun houtje of lucifer, die U in au-bain-Marie verwarmde bijenwas doopt, of met een penseel en vloeibare Arabische gom, patroon­tjes of motieven op de eieren. Begint u vooral zo simpel mo­gelijk; er zijn in de natuur en in de volkskunst motieven te over te vinden, als u zelf geen ontwerpersgaven heb. (Ik noem bv. een zonnetje, bloem, plant of blad, een haasje, lammetje of engel, het zonnerad of de levensboom, ja zelfs nóg eenvoudiger: kruisjes, lijntjes en stippeltjes!) U moet met de was vooral snel werken, en steeds opnieuw in­dopen, want de was stolt bijna onder uw handen; het is in het begin niet makkelijk om een egale,  ononderbroken lijn te maken, en toch moet de lijn niet dun of beverig zijn, anders kruipt later de kleurstof eronder. Na het tekenen van de motieven gaan de eieren n.l. in een verfbadje..
Zult u niet te veel motieven op een ei zetten? Het moet rustig en fijntjes worden en niet te bont, zoals tegenwoordig vaak alle versieringen zijn!

Het is werkelijk al heel leuk, als u het ei door lengte- of breedtelijnen in een paar grote vlakken verdeelt, die U dan vult met bv. een paar stipjes, of een schuin kruisje, of een sterretje. Let U er ook op, vóórdat u begint, dat handen en eieren goed droog en schoon zijn, anders pakt de verf soms niet!

Als u nu een aantal eieren met de was beschilderd hebt, gaan ze in een verfbad. U kunt hiervoor speciale eierverf kopen, in kleine envelopjes met nogal sprekende vormen.’ Wat ook heel leuk is: de kleurbadjes maken volgens de oeroude methode van planten- en vruchtensappen, waarvan bv. het kooknat van spi­nazie, rode kool of biet, en het sap van vlierbessen of rode bessen goed bruikbaar zijn. Dat koffie bruin verft, weet u na­tuurlijk al; verder geeft lindebloesemaftreksel rosig-,  en sterke camillenthee zacht-geel.

Ik moet u wel waarschuwen, dat de plantensappen veel zachtere kleuren geven dan de (chemische) eierverf, die u in de winkel koopt, en velen onder u zullen dat maar “flauwe” kleuren vinden. U moet zelf beslissen wat u wilt doen. Vindt U, dat een paasei een sterke kleur mag hebben, dan kan ik beter de eierverf aanraden, anders bevredigt het resultaat U toch niet. Neemt U de verf niet warm, anders smelt de was er weer af en is al Uw werk voor niets geweest! Daardoor moeten de eieren wel lang in de verf blijven liggen, wel meerdere uren!

Voor degenen, die nog huiverig staan tegenover de gesmolten  wastekeningen is er de omgekeerde manier, n.l. eerst de eieren in het verfbad en als ze droog zijn, er met andere, afstekende kleuren de motieven op aanbrengen. Dat gaat heel aardig met plakkaatverf, en er is ook een synthetische verf op basis van aceton in de handel, die het voordeel heeft, dat ze direct droogt. Past u bij het drogen van de eieren na het verven wel op, dat de “onderkant” niet “smet”, anders krijgt u daar een witte plek. Een goed hulpmiddel daarvoor is een touwtje of draadje katoen er kruiselings omheen te binden en het ei op te hangen.

Als u de wasfiguren er na het verfbad afkrabt, steken de lij­nen of motieven goed af tegen de geverfde ondergrond. Als u in tweekleurentechniek werkt, kunt u de gom ook laten zitten. Vindt u het zo al heel wat, dan bent u klaar; de moedigen on­der ons gaan nu nog de witte lijnen en motieven in een andere, afstekende kleur (of misschien zelfs wel meerdere kleuren?) verven. Als de gewaste plekken niet heel goed gereinigd zijn, zullen ze niet makkelijk andere verf aannemen,  daarom ried ik u die synthetische verf aan, die tenminste “pakt”Om te be­ginnen is het tweekleurenwerk heus heel fijntjes en mooi, en het is toch beter een geslaagd ei in twee kleuren, dan een mislukt met meerdere kleuren!!!

Als de eieren heel goed droog zijn, kunnen we ze wat met een wollen lap poetsen,  waardoor ze gaan glanzen; in vroeger tij­den gebruikte men daarvoor een stukje spekzwoerd en tegen­woordig wel vaseline.

U kunt nu begrijpen, dat de beroemde, Russische paaseieren heel wat werk vragen,  want de motieven worden daar wel in zes kleuren uitgevoerd, waarvoor nodig is, dat telkens was opge­bracht, de eieren in een verfbad gaan, en dan weer nieuwe mo­tieven geschilderd worden, soms hele taferelen of voorstellin­gen, die ons aan de ikonen doen denken.

Maar als ons mandje met zelfversierde eieren dan op paasmorgen op tafel staat – en de kinderen, die ons gezwoeg en gezucht niet hebben meegemaakt, zien ze voor het eerst, zul­len ze het heus prachtig vinden! En voor onze kinderen willen we het paasfeest toch een blij en kleurig feest maken?

Wie weet, kunt u het dan achteraf toch wel met mij eens zijn, dat bij Pasen beschilderde eieren horen!?

P.Rijs-Bruyn, schoolblad Haagse vrijeschool, jaar onbekend

.

Eieren verven en versieren

eieren hard koken: als je ze een half uur kookt, kunnen ze nauwelijks meer  bederven

verven met natuurlijke kleurstoffen:
geel:                   uien (grof gesneden), even koken, saffraan
bruin:                thee, koffie, uienschillen, eikenschors
rood:                  uienschillen + azijn, bietjes (grof gesneden) meekrap
groen:                spinazie, klimopbladeren, wortels en blaadjes brandnetel
zwart/grijs:      elzenschors, elzenkatjes

Al dit materiaal koken in water en zeven. Hoeveelheid per liter heel verschillend, zelf uitproberen. Scheutje azijn verhoogt intensiteit van kleur. In warme vloeistof de eieren leggen; wil je zachte tinten: kort; wil je krachtige kleuren ca 1 uur. Eieren afdrogen en opwrijven met wollen lapje waarop druppeltje olie.

versieren:
geverfde eieren kun je versieren met goed geknede, gekleurde bijenwas of versierwas. Heel geschikt voor kleintjes.

technieken van versieren vóór het verven:
Jonge, groene blaadjes plukken (topje varen of fluitekruid, bv.) even laten verwelken en met tipje olie voorzichtig op ei plakken. Stukje nylonkous er stevig omheen binden. Verven. Kous losknippen. Motief van blaadjes is dan uitgespaard. Beeldig effect. Grassen en fijne bloempjes doen het ook goed.

Doe bijenwas en stearine (gewone witte kaars) half om half in vuurvast kommetje en verwarm dit op waxinelichtje of spirituslichtje. Het mag niet gaan koken!
Prik spijkertje met kleine kop in oud potlood of houtje (handvat) en doop dit in vloeibare was. Tip snel op het ei, voor ieder motiefje even indopen. ’t Gaat ook met fijn penseeltje. Verven niet warm en onder 40′, anders smelt de was. Afdrogen en voorzichtig was wegwrijven met warm doekje, niet krabben.

bron onbekend

.

Paaseieren kleuren met bloemblaadjes

Benodigdheden: eieren, uienschillen, jonge blaadjes en bloempjes, koffiedik, wit katoenen lapjes, garen.

Enkele dagen voor Pasen gaan de kinderen buiten allerlei kleine blaadjes en bloempjes zoeken: speenkruid, madelieven, hondsdraf, krokussen, blaadjes van fluitenkruid, van vroege heesters en wat er nog meer aan jong groeisel is te vinden.
Op een vierkant oud wit lapje wordt een laagje uienschillen ge­legd. Daarop komt een laagje bloem-en-blad, liefst van verschillen­de soorten. Het ongekookte ei wordt dan midden op dat bloemenlaagje gelegd en het lapje met schillen en groen wordt voorzichtig om het ei dichtgevouwen en met een stevige witte draad omwonden zodat alles goed op zijn plaats blijft zitten.

Die ingepakte eieren worden nu 15 à 20 minuten gekookt in water waarin flink wat koffiedik gedaan is.

Na het koken worden de eieren voorzichtig uitgepakt en tot ver­bazing van oud en jong zijn de eieren dan prachtig geverfd – men zou het beter “gebatikt” kunnen noemen – in geel (van de uien­schillen), bruin (van het koffiedik) en wit (waar de blaadjes hebben gezeten), zelfs met hier en daar een blauw, lila, of roze kleurtje van een bloempje dat af gaf.

Men moet eerst eens een proef-ei gemaakt hebben om te begrijpen dat het de kunst is zoveel mogelijk de eierschaal met fijn getekende blaadjes af te dekken – ook weer niet teveel, niet over elkaar heen, maar zo, dat een fijn varenachtig blaadje of een straalbloempje van de madelieven gaaf afgedrukt wordt.

Met een stukje spek of een vet lapje worden de gekookte eieren nog even opgewreven. Het worden natuurlijk erg hard gekookte eieren.

Paaseieren verven

Je kunt prachtige eieren krijgen door er allerlei planten- of bloemblaadjes omheen te leggen, dit geheel vervolgens in een lapje te wikkelen en 20 minuten koken in water of koffie.

Als planten kun je o.a. gebruiken: viooltjes, spinazie, krokussen, grasjes, uienschillen, enz.
Als je de nog warme eieren nawrijft met spekzwoerd, krijgen ze een prachtige glans.
Je kunt ook de eieren voor het verfbad met vloeibare bijen­was beschilderen. De eieren worden daarna koud geverfd en de met was beschilderde plekken nemen dan geen verf aan. Later wordt de was er voorzichtig afgekrabd. De restjes was worden er afgehaald door de eieren even in warme doeken te wikkelen.
Ook kunnen we op gekleurde eieren met een gewone stalen pen, die we in een oplossing zoutzuur (1/2 zoutzuur- -1/2 water) hebben gedoopt. Ook dit is een oude volkskunst.

bron onbekend

.

Verrassingseieren van chocola

Verse eieren leeg maken: geef een zacht tikje op de stompe kant, prik een behoorlijk groot gaatje en laat het ei (na zacht schudden) leeglopen. Uitspoelen en laten drogen.
Vullen met een mengsel van gesmolten chocola (au bain-marie) stukjes marsepein, koekkruimels, stukjes noot, oranjesnippers, evt. zuidvruchten, sucade.
Bij het vullen af en toe schudden, zodat het ei goed vol is. In de koelkast hard laten worden.

bron onbekend

.

Feest van de chocola

Pasen is het feest van de banketbakkers, van de chocolade-eieren, hazen en wat dies meer zij.
Het Studiecentrum Snacks en Zoetwaren (SSZ) rekent voor dat we per hoofd van de bevolking, per jaar, in totaal zo’n vier kilo choco­lade wegwerken. Hoeveel paaseitjes daar exact tus­sen zitten, is niet bekend. Ze vallen met de chocola­deletters en kerstkransjes onder de ‘seizoensartikelen’. Daarvan peuzelen we per saldo vier ons op. Dat is toch mooi zeventig mil­joen euro. Oftewel één-achtste van de totale berg repen, candy-bars, chocolaatjes en bonbons.
Een willekeurige Leonidaszaak meldt in de twee weken voor Pasen normaal zeker een verdub­beling van de omzet te kunnen boeken. Het loopt overigens wat minder hard dan vorig jaar* – de recessie eist overal zijn tol.

Vanwaar chocola?
Vanwaar die chocolade-eitjes met Pasen? Dat is een een-tweetje tus­sen de paassymboliek en de chocolade-industrie. Chocola was lange tijd een luxe, iets voor de aristocra­tie en de rijke bourgeoisie. Het drinken van chocolade – de vaste vorm moest nog bedacht worden -gaf status. Het persen van chocolade tot een harde massa lukte rond 1828. Begin 19e eeuw is begonnen met de productie van chocoladepaaseieren. “Deze, aanvankelijk zeer harde en korrelige eieren, wer­den in eerste instantie vooral in Frankrijk en Duitsland vervaardigd”, schrijft Gert-Jan Maaskant op de site van SSZ. “Deftige mensen wilden eieren snoepen. Het was een echte luxe. Na 1900 konden er ook holle figuren van hazen en kippen gemaakt wor­den. De producten werden goedko­per en dus toegankelijk voor het gewone volk”, voegt Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur eraan toe. “Mensen gaven elkaar eieren en deden er een chocolade-eitje bij. Frappant is dat het eten van chocolade in die tijd gestimuleerd werd door de arbeidsbeweging. Het voorzag in de behoef­te aan veel calorieën.”

Heidens
“Het ei en de paashaas hebben hun betekenis gekregen in een ver hei­dens verleden”, stelt Maaskant. “Het ei gold eeuwenlang als symbool van de vruchtbaarheid, weder­geboorte en zelfs als symbool van alle begin. De Germaanse gewoon­te om eieren te offeren aan hun lentegodin Eostre is hiermee ook te begrijpen. Het christendom heeft het ei een plaats kunnen geven. Het werd symbool voor de weder­opstanding.”

Maar daar gelooft Ineke Strouken geen sikkepit van. “Daar is geen enkel bewijs voor. Het ei is een heel oud christelijk symbool. Het wordt al in 325 genoemd in een liturgie. Het ei staat voor het graf waar Christus uit opstaat.” “Na maanden van schaarste, met als dieptepunt de vastenperiode, werd met de paasmaaltijd de komst van vers voedsel gevierd. Eieren gol­den als bijzonder voedzaam en dus geschikt om de verzwakte mens na de winter aan te laten sterken”, zegt Strouken. “Als ultiem
vrucht­baarheidssymbool werden eieren bovendien geverfd of verpakt in mooie papiertjes cadeau gedaan om de medemens een goed sei­zoen te wensen.”
Zo ontstond ooit de traditie om elkaar eieren te geven.Van daar­uit verschenen de beschilderde (kippen- en eenden-) eieren. Eivormig speelgoed kwam in de handel.

Toppunt van luxe: Carl Fabergé bezette eieren met juwelen. Oma’s en opa’s die eitjes in de tuin verstoppen, een kleurrijk lichtsnoer, het zijn varianten op een stokoud thema.

Maarten van Rakt in Brabants Dagblad 10 april 2004

.

Bijzondere eieren uit Perzië

In het eerste begin was er Ahoera-Mazda, de Grote Geest uit wie alle licht voort­kwam. Het licht kwam uit de Grote Geest en uit dit licht kwamen Ormoezd en Ahra-Manyu. Twee broers, maar Ahra-Manyu (Ahriman) hield niet van Ormoezd en be­streed hem waar en wanneer hij maar kon en bedierf de goede werken van Ormoezd. Daar­om veroordeelde de Grote Geest Ahriman en werd hij voor drieduizend jaar naar de diep­ste duisternis verbannen. In de duisternis nam de haat van Ahriman jegens zijn broer alleen maar in hevigheid toe. Tenslotte bestond hij alleen nog maar uit leugen, boosheid en duisternis. Toen de drieduizend jaar verstreken waren, schiep Ahriman een groot aantal boze gees­ten en stuurde hen ten strijde tegen de goede geesten die Ormoezd dienden. Toen maakte Ormoezd, de Heilige Geest, een ei en vulde dat met goede geesten. Ahriman, de Verwoes­tende Geest, zag het en maakte eveneens een ei maar vulde het zijne met de boze geesten van leugen en boosheid. En het geschiedde dat de eieren braken en de inhoud zich ver­spreidde over de aarde. Naar alle uithoeken van de aarde gingen de boze en de goede geesten en zetten hun strijd voort.
Zo is goed en kwaad onder de mensen gekomen.
(Perzische legende)

Net als veel andere vóór-christelijke cultuurvolken vierden de oude Perzen, die ons deze legende hebben nagelaten, aan het begin van de lente een voorjaarsfeest. En net als overal was dat het feest van het nieuwe leven dat triomfeert over dood en duisternis.
Naast het ‘nieuwe vuur’, speelden eieren de hoofdrol bij deze feesten. De koude witte steen die het geheim van het leven in zich draagt, dat moet een goddelijk teken, een godsgeschenk zijn. Geen mens kan dat zelf nemen. Bij het opstandingsfeest schenkt men de ander middels het ei hoop op (levens)-kracht, vruchtbaarheid op aarde en in de geest, onkwetsbaarheid voor ziekte en betovering, kortom de zegen der Goden.
Vaak was het ei het eerste, geheiligde voedsel na de kortere of langere vastentijd die van oudsher aan dit feest vooraf ging. Zelden in ‘natuurlijke’ staat, maar gekleurd, gezegend, van spreuken voorzien of…als doosje.

Doosjes van eieren kennen we in onze tijd uit Rusland en andere Oost-Europese landen waar de paasviering nog steeds het religieuze feest bij uitstek is.
In het westen is dat Kerstmis. Hier geden­ken wij het begin van de lijdensweg om onzer wille, daar viert men de glorieuze overwinning van het licht op de duisternis en begroet men elkaar op paasmorgen met:
‘Hij is waarlijk opgestaan’.
Men schenkt el­kaar eieren, het wit gepleisterde graf waaruit het leven met Christus is opgestaan.
De oude Perzen vierden hun opstandingsfeest met dezelfde blijheid, maar zij waren een nuchter volk. Had niet ook Ahriman een ei gescha­pen? Dus schonken zij sommigen van hun vrienden doosjes in de vorm van eieren ge­vuld met plagerijtjes.

Het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om van een ei een doosje te maken. Het vraagt van ons dat wat elk jong leven vraagt, behoed­zaamheid.

Een ganzenei is wel het grootste ei waar men vrij eenvoudig, bij poelier of goede markt­koopman, aan kan komen. Een ganzenei geeft ook een zeer spectaculair resultaat. (Met kippeneieren gaat het natuurlijk ook. Neem dan alleen wel echte scharreleieren. Ik heb met een legbatterij-ei meegemaakt dat hij bij het uitblazen gewoon plofte.)
Zo wie zo is dit een knutsel waarbij de tem­peramenten zich al snel verraden, eerst bij het uitblazen en later bij het doorzagen. Er zijn mensen die kunnen volstaan met twee kleine blaasgaatjes, zelf heb ik meer midden­maat gaatjes nodig, voor mensen als ik de volgende hint: een ganzenei kan heel wat hebben.

Blaas het ei uit en spoel het schoon.Teken een lijn op de schaal waar u hem wilt doorza­gen, zo recht mogelijk en plak een stuk plak­band langs deze lijn. Eventueel meerdere lagen over elkaar om de rand wat dikker te maken. Dit plakbandrandje geleid de ijzer­zaag over de gladde schaal. Neem een fijn ijzerzaagje en begin zachtjes langs het randje te zagen steeds rondom, niet drukken! Ei­genlijk is het meer doorslijpen dan zagen. Bij zagen ontstaan er onherroepelijk schilfers terwijl de snede helemaal gaaf kan zijn. Een zacht kussentje onder het ei maakt het ge­makkelijker. Wanneer de schaal is doorgesle­pen is het beter om het vliesje dat taaier is met een scherp mesje door te snijden. Nu hebben we eigenlijk al een doosje maar het is zo erg breekbaar. Verstevigen van de binnenkant gaat het beste met een laagje Darwiklei, een spierwitte kleisoort die goed aan het ei hecht en niet gebakken hoeft te worden. Hiermee maken we ook een voetje voor de schaal en een knopje voor de deksel. Laat het een dag drogen en beschilder het met hobbyverf.

Nicole Karrèr,  ‘Jonas”29 maart 1985

.

Wat doen we met de eieren?

Wat doen we met al die koude geverfde eieren ?

Eierragout                                  b.v. met 4 à 5 eieren.
Uitje fruiten, mosterd,(flinke theelepel) knoflook (naar believen), 1 laurierblad, 1 bouillontablet oplossen (bv. kerrie bouillon van Hügli of uienbouillon) met 3/4 I melk, nootmuskaat, beetje kerrie.

binden:   met een drupje citroen, paar korrels suiker en zout en met wat peterselie afmakenDe fijngesneden eieren er door roeren.

geven: bv. met geroosterd brood.

Kerrieragout
ui fruiten, fijn gesneden appel erbij, flinke hand rozijnen, kerriepoeder erbij, een bouillonblok en water toevoegen. Binden en op smaak maken met snufje zout/suiker en citroen. Eieren in plakjes erdoor heen roeren..

geven: met rijst en sla of als rauwkost

Kruidenboter met ei;
3/4 pakje roomboter – zout, peper, knoflook, peterselie, wat
druppels citroensap – bieslook (als er is) en of dillekruid-
fijn gewreven eieren erdoor (evt. een dopje sherry toevoegen]
Heerlijk op warm stokbrood!
Lege eierdoppen kunnen prachtig in onze lente- en paastuintjes gebruikt worden.
Zet er kleine bloempjes in: speenkruid en klein hoefblad of zaai er (in een piepklein beetje aarde) sterrenkers in. Lekker op een beschuitje met een beetje citroensap.

bron onbekend

.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

121-116

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (14)

.

PASEN EN DE MAAN

De bijbel laat er weinig twijfel over bestaan.
In de week na het joodse Passahfeest vindt de kruisiging en de opstanding van Jezus Christus plaats.
Het joodse Passahfeest dat Ín oorsprong een lentefeest was, viel samen met de volle maan in de lentemaand Nissan.
De joodse kalender was geregeld volgens de maan.
Om toch de overeenkomst met het zonnejaar te behouden werd om de drie jaar een schakelmaand ingevoerd.
Het maanjaar telt namelijk maar 355 dagen. Het zonnejaar 365 dagen. Het Joodse volk maakt gebruik van een maanjaar, dat echter zoveel mogelijk in overeenstemming werd gebracht met het zonnejaar. In de landen waar de mohammedaanse godsdienst wordt beoefend is de zuivere maankalender ingevoerd. Dat betekent dat in landen zoals Iran, Irak, Arabië het begin van het jaar onafhankelijk zal zijn van de zonnestand. Met een maankalender is het onmogelijk om seizoenen te onder­scheiden volgens kalenderdagen.

In sommige vroeg-christelijke gemeenschappen werd het christelijke
paasfeest gezamelijk met het joodse Passah gevierd.
Op het concilie van Nicea werd vastgesteld dat het paasfeest op de
zondag na de eerste volle maan  in de lente moest worden gevierd.
Vanaf 325 is altijd aan deze regel vastgehouden.

Om de paasdatum vast te kunnen stellen, werd gebruik gemaakt van de Griekse kennis over de bewegingen van dit hemellichaam. In 1582 werd door paus Gregorius voor het laatst een hervorming van de kalender doorgevoerd.

De kerk gebruikt voor het vaststellen van het paasfeest de tabellen van 1582.

Dat heeft tot gevolg dat de kerkelijke maan niet altijd met de werkelijke maan in overeenstemming is.

Zo was het in 1974 op 6 april volle maan. Volgens de kerk was het echter op 7 april volle maan. 7 april was een zondag en viel het paasfeest dus één week daarna op 14 april.
In het jaar 1981 zal de werkelijke paasviering weer verschillen met het kerkelijke paasfeest.
In dit jaar, 1976, zal het volle maan zijn op 14 april om 14.49uur. Het paasfeest wordt dan gevierd op zondag en maandag 18 en 19 april.

 J.Oele, nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

117-114

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (13)

.

PASEN

1977 in ons gezin*.

We staan als ouders of verzorgers weer voor de opdracht er iets goeds van te maken.
In de kringloop van de jaarfeesten die zo wonderwel aansluiten bij de grote ritmen van de natuur van onze aarde is het paasfeest weer aan de beurt.

Weer kruipen we uit de beslotenheid van de donkere winter te voorschijn, zien met blijdschap de zon steeds hoger klimmen. We merken dat we niet meer in het donker opstaan en dat de vaders (of moeders) thuiskomen van hun werk als de zon de aarde nog beschijnt! Als het kind onze blijdschap over de ontwakende natuur voelt, en wij die vreugde bewust hanteren, werken we aan een gezonde genezende basis van de jonge mens. Daaruit kan voor het latere leven vertrouwen groeien in ons aardeleven, en zelfvertrouwen voor onze daden.

Als de avonden lichter worden is het een belevenis, om de rommel in de keuken even te laten staan en met het hele gezin een avondwandeling te maken in de buurt of nabij het park. Een lichte gekleurde lucht, soms laag beschenen wolken, eerste groentjes in de tuinen, groene puntjes aan de bomen en een verrukkelijk vogelgefluit. Ook onze neuzen vangen kruidige geuren op. Nu komen we in de goede stemming om Palmpasen en Pasen voor te bereiden en er iets levends en goeds van te maken.

Dat bewust voorbereiden (denk aan adventtijd) hebben wij moderne mensen erg nodig.
Wij hebben n.l. te maken met vijanden: een soort tegenmachten die ons belagen en het ons heel moeilijk maken.
Overladen programmas, innerlijke onrust, onzekerheid, haast, ongezonde leefsituaties of gewoonten, en zo voort…

Hoe chaotisch wij ons ook gedragen, wij hebben steeds met ritmen te maken. Hartslag – adem­haling (in en uit), waken – slapen, dag en nacht, eb en vloed…Het steeds terugkerende lente-zomer-herfst- en winterbeleven biedt ons een ritmisch houvast voor ons gezin.

In vroeger tijden was het jaarritme en het vieren van feesten een heilig gebeuren. Nog leven de mensen die naar de kerk gaan met de cyclus van het kerkelijk jaar. De boer had zijn hou­vast aan de zaaitijden die hij op zijn beurt van zijn vader en grootvader ‘wist’. Dat weten duidt op een samenhang die wij allang losgelaten hebben.
Wij ouders van nu in onze nieuwe zelfstandige?’ situatie, wij moeten zelf onze weg zoeken, iedere moeder of vader op zijn eigen manier, met zijn eigen talenten. De een is muzikaal, de ander knutselt graag. Nog een ander bakt voortreffelijke taarten en koek. En nog een ander verstaat de kunst om zomaar gewoon blij te zijn.

Een vader komt vol zorgen en problemen thuis. Een hele dag binnen in een rokerige ruimte met velerlei mensen en velerlei meningen. Een kleuter rent naar hem toe. Pap, ik ken een liedje voor je en ik heb al gele bloemetjes gezien en vertel je nu een bloemenverhaalje en ….’ Als Pappie dan bekomen is van deze stortvloed en automatisch naar zijn krant wil grijpen, klinkt daar in de kleuterhoek een stemmetje:

‘Krokusbolletje,
kom ereens uit je holletje,
met je bloempjes paars en geel
op een dunne steel’.

En dan volgt heel beslist een opdracht: Mam, en zo moet jij een kerokusvrouwtje maken, weet je wel met een paars hoedje.’

Ja, de jaarfeesten blijken steeds weer opnieuw steunpilaren te zijn voor gezin en school. Hoe meer je naar het kind luistert, hoe meer je oefent, hoe fijner het wordt!
Is het niet een soort cultus, een gevoel te ontwikkelen over de samenhang tussen, en het weer verbinden van mens en natuur. En tenslotte heeft Christus zich met deze aarde, deze natuur en deze mens verbonden. Dan is Pasen in de toekomst niet alleen een opstanding, een ontwaken van de natuur om ons heen, maar een opstanding van Christus, van het geestdeel van de mens.

Religie = Religia = weer verbinden.

Met de kleintjes hebben wij het niet over dood en opstanding als uitgangspunt. Met hen gaan we in de eerste plaats de natuur om ons heen bekijken. Wij vragen ons met hen af welk wonder dat zaadje in dat potje liet groeien.

Wij kunnen met onze kleuters een paastuintje maken van aarde, mos of een graspolletje. We steken er takjes in, maken vlindertjes van zijdevloei. Een leeg eierschaaltje kan als vaasje dienen, gevuld met wat voorjaarsbloemetjes. Een wollig kuikentje steken we op een kaal takje en verstopt in een schaaltje van zilverpapier een suikereitje. Een ieder vult aan naar zijn ver­mogen!

Eieren zoeken in tuin, park of kamer doet de paashaas eer aan. Wat een handig vlug dier is dat. We vinden aansluitend aan beschreven stemmingen in een liedjesboek ‘Een mandje vol amandelenpassende liedjes. Hoe zaait de boer zijn korentje’.
Ook De Gouden Poort‘, liedjes voor kleuters van Beatrijs Gradenwitz is een steun voor het gezin. We kunnen ook best eens een liedje zelf verzinnen met het kind. Dat valt altijd in goede aarde, als we er maar zelf in geloven.

Zo wordt de voorbereiding voor en het vieren van Palmpasen en Pasen voor de kleintjes een  bron van vreugde en levensblijheid. Voor de groteren betekent dit een gezamenlijk beleven, een stukje creativiteit en inzet.

Voor allen een gelegenheid om weer een jaarfeest te ‘beoefenen” en zo vanuit het gezin een bolwerk te vormen en te zoeken naar het geestelijk element van ons mensenbestaan. Zulke gezinnen zijn nodig voor een sterke school en voor een nieuwe spirituele wereld.

* Erica Mathijsen. Nadere gegevens ontbreken.

.

PASEN IN HET GEZIN

Hoe kunnen wij dit nu in de praktijk verwezenlijken?

We zijn er niet, door weer, net als ieder jaar, eitjes te verven en te verstoppen, paashazen te boetseren, mandjes te vlechten, palmpaasstokken te maken, hoe plezierig het ook is, samen met de kinderen daaraan te werken.
Het is veel zinvoller, voor iedere week van de lijdenstijd, voor iedere dag van de Heilige Week, iets uit te kiezen, een verhaal, een gedicht, een gerecht, een baksel, wat juist zinvol is voor die week, voor die dag.
De grote kinderen vertellen we het paasevangelie, de kleinere „begrijpen” de beelden van sprookjes en sagen, van symbolen als het zonnerad, het kruis, het ei en de paashaas beter.

Voor het hele gezin kunnen we een paastuin maken, door wat snelgroeiende planten te zaaien in een bak met aarde. Voor de kleintjes komen daar met Pasen kleine eendjes en kuikentjes tussen te staan, en lammetjes van schapenwol. Met alle kinderen kunnen we brood kneden, de jongere kinderen maken daar haasjes en mannetjes van, de oudere vormen ingewikkelde vlechtbroden. Samen zingen we liederen en misschien maakt een van de groteren wel een speciale spreuk voor de paasmaaltijden. We kunnen de hoepel van de adventskrans gebruiken voor een lentering, met berkentwijgen versierd en met 12 kaarsen, voor iedere apostel één.

Wanneer de Heilige Week dan begint, op palmzondag (15 april*), houden we met de in de week ervoor gemaakte palmpaasstokken een palmpaasoptocht, ter herdenking van Christus’ intocht in Jeruzalem. Misschien lezen we de kinderen het verhaal uit het Evangelie voor of een gedicht, dat ons getroffen heeft, zoals het gedicht op deze bladzijde, dat uit Duitsland stamt:

De Heilige Week

Toen Jezus van zijn Moeder wegging
en de Grote Heilige Week aanving,
toen had Maria veel hartepijn
en zij vroeg haar Zoon bedroefd

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zondag zijn?
Op Zondag zal ik een Koning zijn
dan zal men mij met kleren en palmen bestrooien.”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn,
wat zul je op de Heilige Maandag zijn?
op Maandag ben ik een zwerveling
die nergens een onderdak vinden kan”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Donderdag zijn?
“Op Donderdag ben ik in de etenszaal
het Offerlam bij het Avondmaal”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Vrijdag zijn?
“Ach Moeder, ach liefste Moeder mijn,
kon je de Vrijdag maar verborgen zijn! ”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zaterdag zijn?
,,Op Zaterdag ben ik een Tarwekorrel,
die in de aarde opnieuw wordt geboren”

“Op Zondag, verheug je, o Moeder mijn,
dan stap ik over des Graves steen
en draag een kruis al in mijn hand
dan straalt Glorie over alle land.”

In de oude gebruiken vinden we wellicht aanknopingspunten, iedere dag van de Heilige Week een eigen, zinvolle vorm te geven. Hier enige suggesties:
De Donderdag wordt ook wel Groene Donderdag genoemd. Het is de dag van de Voetwassing. Misschien kunnen we dat in ons bewustzijn hebben, kan dat de sfeer van die dag bepalen. Vroeger klonken ook de ratels waarmee men de Dood probeerde te verjagen. Men kookte een soep van negen voorjaarskruiden en het zaad, op deze dag gezaaid, gold als bijzonder vruchtbaar.
Goede Vrijdag is de dag van het Kruis. In een vlechtbrood, in een weefwerk, in kruissteken kunnen ook kleine kinderen daarvan iets beleven. Misschien kunnen we ook een kruisbrood bakken, zoals men vroeger wel deed. Men hing deze broden op in huis, legde ze op de velden en voedde er mens en dier mee.
In de huiskamer staan kersentakken. Eerst leken zij dood en we vroegen ons af, of er ooit bloemetjes te voorschijn zouden komen. Maar de knoppen worden toch steeds dikker en groener en opeens is op een morgen één knop opengebarsten en ontvouwt zich de eerste kersenbloesem. Voor de kinderen is het een belevenis, een klein wonder. Ook de op de kale takken bloeiende Hamamelis, de sneeuwklokjes en de narcissen zijn voor hen echte gebeurtenissen; intens leven zij mee, met het opengaan van de bloemen en een kind van vier kan dan vragen stellen als: ,,Waarom bengelen die sneeuwklokjes toch zo heen en weer? ” Zelf vindt hij het antwoord en zachtjes hoor je hem tot zichzelf zeggen: ,,0 ja, natuurlijk, dat doen ze om de aarde wakker te bengelen.” De kinderen hebben gezien, hoe uit de dode bruine aarde het leven weer omhoog is geschoten, naar het zonlicht toe. Het lijkt hun, alsof de zon met haar stralen de aarde heeft versierd ter ere van een feest. Is het een paasfeest, waarvoor de natuur zich met bloesem tooit?

Sinds heel lang wordt het paasfeest als lentefeest gevierd. Men kent al voorjaars­spelen uit de tijd der Hethieten, 2000 jaar voor Christus. Ook uit Babylonië, Egypte, India, China en het oude Amerika zijn overleveringen van gevechten, waarin Leven en Dood met elkaar in het strijdperk treden. In de oude Duitse volksspelen, die zelfs nu nog op de vierde vastenzondag, de zondag Laetare, worden gehouden, vinden we de strijd tussen zomer en winter, en optochten, die herinneren aan onze Sint- Maartensoptocht. In ons land vinden we weinig echte paasgebruiken. In het oosten van het land worden nog paasvuren ontstoken, maar in het westen herinneren alleen de chocoladefiguren bij de banketbakker, de mooi opgemaakte mandjes en de paasbroden nog aan het paasfeest. Zelfs een palmpaasoptocht wordt lang niet overal gehouden.
Als we in ons gezin zinvol een paas­feest willen vieren, zullen we ons eerst af moeten vragen, wat Pasen voor ons, anders, betekent.

We moeten op zoek gaan naar de achtergrond van al de oude paas­gebruiken, die we overal in boekjes kunnen vinden; naar het waarom van paashaas en eieren. Beleven wij nog iets bij de woorden: Pasen is opstanding, Pasen is triomf van het leven over de dood? Het paasfeest vormt het sluitstuk van de paastijd, de Lijdenstijd. Dit jaar* is die begonnen op 24 maart. Palmzondag is de vierde Lijdenszondag, en als de paasklokken beieren op paaszondag vieren wij de opstanding van Christus, de triomf van het Leven over het sterven.
Gelaten herleven, dat althans te proberen, vergt veel denkwerk en vindingrijkheid, maar onze moeite wordt beloond, want juist door veel zwoegen wordt het paasfeest een echt Opstandingsfeest.
Stille Zaterdag is een dag, waarbij alles de adem inhoudt, in afwachting van Pasen. Op deze dag kunnen we het paasbrood bakken, de eieren verven, en hout verzamelen voor een paasvuur(tje).
Vroeger trok men ook paaskaarsen van de eerste witte was van de bijen; die werden door de priester ,,versierd” met een kruis, met het jaartal, met een alfa- en omegateken en 5 wierookkorrels met bloedrode wasnagels. Zij werden dan aangestoken met het paasvuur.
Op paasmorgen mogen de kinderen vroeg hun bed uitkomen. Zij stormen de tuin in om de eieren te zoeken, die de paashaas daar ’s nachts verborgen heeft.
In triomf worden ze naar binnen gedragen en op de paastafel gelegd, waar al een mandje klaarstaat. Op tafel kunnen we een door allen samen versierd kleed van papier leggen, of bijv. een paarse loper met daaroverheen een gele, waarin allerlei motieven zijn uit­geknipt. In het midden staat het paastuintje, nu ook nog met bloemen versierd, ernaast staan het aangesneden paasbrood, eierdopjes, gemaakt van papier of klei, een boterlammtje en de broodjes zijn tot hazen en kuikens geworden, misschien zijn er zelfs wel door moeder gebakken eiermannetjes.

Op deze dag kunnen we met elkaar zingen of musiceren en er is vast wel een sprookje, dat juist „gemaakt” schijnt voor Pasen. Vroeger ging men buiten paaswater halen, om zich daarmee te wassen en daardoor schoonheid en kracht te verkrijgen. De kinderen mochten met een roede ieder het bed uitjagen. Deze roede was ook weer versierd, net als de palmpaasstok, en gesneden van een wilg of berk. Men ging vroeg naar de kerk waar de priester de paasbroden en de eieren zegende.
Voor ieder was er een rood ei, rood als beeld voor het bloed van Christus.
Op paasmaandag maken we een wandeling, we kijken hoe feestelijk alles er nu buiten uitziet.
Het is de dag van de Emmaüsgangers en het besef daarvan kan onze wandeling tot iets heel bijzonders maken.
Dan is het paasfeest voorbij, maar door alles heen, wat we samen hebben gemaakt en gedaan, door het vlechtwerk en het kruis, door de eieren en de hazen is iets tot ons doorgedrongen, van wat werkelijk met Pasha, in het Duits Ostern = Zonsopgang te maken heeft.
Zo kan Pasen het grote feest worden, dat het zou moeten zijn, het feest van de Opstanding.
Misschien wensen we elkaar dan ook op een gegeven moment niet meer gewoon „Vrolijk Pasen,” maar zeggen we, zoals de Russen: “Christus is opgestaan”, waarop de ander antwoordt: “Ja, hij is waarlijk opgestaan.”

rubriek ‘het kind op weg’ in ‘Jonas” 13 april (jaar onbekend)

.

KINDEREN HELPEN MEE!

Pasen is een feest dat echt geschikt is om samen met kinderen voor te bereiden. Als kinderen mee mogen helpen aan de voorbereiding van een feest, staan ze er anders tegenover, voelen ze zich er meer mee verbonden. Bovendien genieten ze van de voorbe­reiding minstens zo veel, als van het feest zelf. Juist met Pasen is er voor groot en klein van alles te bedenken om zelf te maken.
Het samen plannen maken, eieren verven, de tafel versieren of iets bakken, brengt een feestelijke stemming in huis, dat zijn hoog­tepunt vindt in het zoeken naar de, door de paashaas verstopte eieren! Er zijn een paar dingen die we bij zo’n gezamenlijke voorbereiding in het oog houden om alles vlot te laten verlopen.

Probeer niet te veel te willen maken, want kinderen ervaren het dan gauw als “moeten” en verliezen hun plezier erin. Liever wat minder versierd en ge­bakken dan een doodvermoeide moeder en mopperige kinderen. Overleg ook tijdig met de kinderen wanneer wat gedaan zal worden, zodat ieder in eigen tempo zijn bijdrage kan leveren. Vaak ontstaan er pas tijdens het werk allerlei plannen en ook bij iets wat mislukt, is het fijn nog een middag beschik­baar te hebben om het nog eens te proberen. Naar aanleiding van de plannen moet er natuurlijk allerlei materiaal in huis zijn zoals: verf, penselen, allerlei pa­pier, gum, lint etc. Verder hebben we een heleboel geduld nodig, want er vallen vast verfpotjes om en lijm, papier en vingertjes kleven vaak op de verkeerde ma­nier aan elkaar. Hou ook in het oog dat het bij jonge kinderen vooral om het doen gaat en niet om het resultaat. Hoewel ze ook reuze trots zijn als hun ei, vol klod­ders verf, aan een tak komt te hangen. Een uitgeblazen ei schilder je gemakke­lijker als je het op een stokje steekt waarop halverwege een kraal gelijmd is, die het ei tegenhoudt. Het ei op het stokje (dat ergens in geprikt wordt) laten dro­gen en later ophangen.

Tot slot twee boekjes waarin van alles over paasversieringen te vinden is:
Serie Vaardige Handen, uitg. Gebr. Zomer en Keunings;
Paasversieringen door Hans Fasold (nr. 21)
Eieren Kleuren (nr. 18).

eieren verven         Pasen (15)

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’ 5 april 1974

.

PAASMENU

Saffraanrijst of
nieuwe aardappeltjes in de schil
kropsla met radijs, geschikt rond een bord waarop 8 dagen van te voren gezaaide sterrenkers

hardgekookte eieren met gesmolten boter en kappertjes

toe: zonnepudding

‘Jonas’ 6 april 1979

.

ZONNEPUDDING

Benodigdheden:
200 gr- suiker
12 blaadjes gelatine
12 sinaasappels
2citroenen
1/4 liter slagroom
3 eieren
een beetje olie

125 gr. suiker ,
7 geweekte blaadjes gela­tine oplossen in een weinig water op het vuur.
Sap van 6 sinaasappels en 1 citroen er­bij gieten als de massa koud, maar nog vloei­baar is.
De 1/4 liter slagroom stijfkloppen en het mengsel langzaam erbij gieten.
Drie stijfgeslagen eiwitten luchtig erdoor scheppen.
Als de puddingmassa niet meer uitzakt in een ronde vorm doen die wat ingeolied is.
In de ijskast minstens 5 uur laten opstijven.

75 gr. suiker,
5 geweekte blaadjes gela­tine in 1 dl. water oplossen,
sap van 6 sinaasappels en 1 citroen erbij doen als de massa koud maar nog vloeibaar is.
De halve sinaasappels van binnen schoonmaken door met een scherp lepeltje het witte velletje met vruchtvlees eraan eruit te halen.
De bak­jes vullen met de gelei als die begint stijf te worden.
Minstens vijf uur laten opstijven.

Pudding keren (als hij niet wil, de vorm heel even in flink warm water houden) en de hal­ve gevulde sinaasappels doorsnijden, eventu­eel nog eens doorsnijden en als stralen om de pudding heenleggen.

Prachtig om te zien, heerlijk om te eten en ondanks bovenstaande niet ingewikkeld om te maken.

“Jonas” 6 april 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

116-113

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (12)

.
Tijdens een paasviering op school is onderstaand verhaal aan de kinderen verteld. Het was vooral bedoeld voor de lagere klassen en is een zeer vrije en “verhollandste” weergave van een Boeddhistisch sprookje.


HET HAASJE IN DE MAAN

Er leefden eens in een groot woud vier dieren:  een eekhoorn, een otter,  een vos en een haasje. Gedurende de zomer ontmoet­ten zij elkaar geregeld en zo waren zij vrienden geworden; maar in de barre wintertijd zagen zij elkaar niet zoveel;  dan zocht ieder van hen beschutting in zijn eigen veilige hol en alleen als de honger er hen toe dwong ondernamen zij een haastige speurtocht door het stille en eenzame woud. Op een keer wer­den zij vroeg in het voorjaar alle vier tegelijk door de eer­ste warme zonnestralen naar buiten gelokt en ontmoetten el­kaar na lange tijd weer voor het eerst. Zij waren zo blij dat zij elkaar weer zagen en dat de zomer weer in aantocht was, dat ieder van hen aan de ander begon te vertellen, wat hij van de komende tijd voor goeds verwachtte.
Nu zullen straks de sloten en vijvers niet meer dicht gevroren zijnn, sprak de otter ” en de vis is zo voor het grijpen'”  “Ik begin al te watertanden als ik denk aan al het jonge ge­vogelte, dat straks weer uit het ei zal kruipen”, zei de vos. Dan wordt ieder maal voor mij weer een feestmaal.” “Ik verheug mij op het malse jonge gras, dat straks weer gaat groeien en waar ik maar nooit genoeg van krijg”, zei het haasje. “En ik kan de laatste noten van mijn wintervoorraad nu rustig oppeuzelen, want straks is er voor mij voedsel te kust en te keur, snapte de eekhoorn blij.

Opeens werd het haasje stil. Het dacht een poos na en zei tenslotte: “Wij kunnen God heel dankbaar zijn voor het feit, dat Hij steeds weer, na iedere lange winter een voorjaar laat komen, waarin wij zo blij en onbezorgd kunnen leven. Konden wij Hem maar op de een of andere manier onze dankbaarheid tonen.
Weet je wat, wij spreken af, dat wij alle vier aan de eerste de beste mens, die wij ontmoeten, wat zullen geven. De mens ver­tegenwoordigt voor ons toch Gods beeld op aarde.
De andere dieren stemden hiermee in en zij gingen uit elkaar.
Maar toen het haasje weer naar zijn leger was teruggekeerd en nog eens nadacht over wat zij hadden afgesproken, werd het onrustig. “Wat zal ik de mens kunnen geven”,  dacht het bij zichzelf. “Dat, wat voor mij van de allergrootste waarde is, nl. het jonge, malse gras, wat heeft dat als geschenk voor hem te betekenen?” – Het haasje dacht en dacht en opeens had het een antwoord op zijn vraag gevonden. “Het beste wat ik geven kan ben ik zelf; zo gauw ik een mens ontmoet zal ik mijzelf aan hem geven.” En vol spanning wachtte het op het mo­ment, dat dit gebeuren zou.

En zie, vanuit zijn hemelhuis keek God omlaag naar de aarde, want steeds als er op aarde een belangrijk besluit wordt geno­men, begint zijn hemeltroon te gloeien. En God zag, dat het voornemen van het haasje, om zichzelf te offeren, dit keer de oorzaak was van de warmte die Hij voelde. Hij was hierover zeer verheugd en besloot zelf naar de aarde te gaan, om het op de proef te stellen. Zo wandelde Hij in de gedaante van een eenvoudig man op aarde en ging op weg naar het woud, waarin de dieren leefden.
Eerst kwam hij langs een vijver en daar kroop opeens een druipnatte otter te voorschijn en legde een zieltogende vis aan zijn voeten. De man dankte de otter, nam de vis in zijn handen, tot deze weer vol levenslust ging spartelen en schonk hem terug aan het water. Een eind verderop kwam opeens een vos uit de struikenHij droeg een jonge duif in zijn bek en legde hem neer aan de voeten van de man. Deze dankte de vos, nam de bloedende duif in zijn handen en zie, de wonden van het diertje heelden,  het hartje begon weer te kloppen en even later klapwiekte het blij de lucht in, de zon tegemoet.
Toen de man weer verder was ge­gaan, sprong hem opeens een eek­hoorn tegemoet en legde hem een dennenappel in de uitgestrekte hand. De man dankte de eekhoorn, schudde de zaadjes uit de rijpe appel en borg ze in de aarde. nNu kunnen er nieuwe bomen gaan groeien”,  sprak hij “en over een poos zullen je nakomelingen  s winters nooit honger hoeven te lijden in dit bos.”
De man liep weer verder, tot hij bij een plek kwam, waar het haasje nog altijd in zijn leger over zijn grote plan lag na te denken. Het schrok op toen het de man zag en deze zei: “Ik ben een otter, een vos en een eekhoorn tegengekomen, die hebben mij alle drie wat gegeven; heb jij mij ook wat te geven?”
En het haasje sprong verheugd op en zei:  “Zou u voor mij wat takken willen verzamelen en deze aansteken?”
De man deed dat en toen het vuur helder en warm brandde, sprong het haasje er opeens midden in. Het sloot zijn oogjes om zich schrap te zetten tegen de pijn, die het dacht te voelen, maar…. o het voelde niets en toen het verbaasd zijn ogen weer opende, was het vuur verdwenen en de man was zo stralend en licht, dat het zijn ogen opnieuw sloot, en het hoorde een stem die sprak: “Jij hebt me het allerbeste gegeven, wat er te geven is, namelijk jezelf. En opdat mens noch dier zullen vergeten wat je hebt gedaan, zal je een plaats krijgen dicht bij mij, waar iedereen je altijd kan zien.”
Als het volle maan is kan je hem daar zien, maar je ziet hem het allerbeste, als in de lente de paasmaan aan de hemel staat.

vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend

.

haasje-en-de-maan

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

114-111

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (11)

.

EEN OVERWEGING BIJ ONDERSTAANDE LEGENDE

Aan de etalages merk ik het al, het is weer zo ver. Vreemdsoortige hazen staren me aan. Lange flapperoren, een vreemde grijns, soms een paar uitstekende tanden, halverwege een broek en sjouwend of duwend met eieren: de paashaas.
Ik krijg dan het benauwende ge­voel: ‘daar is hij weer’, ‘we moeten weer zo nodig’ en ‘waarom eigenlijk’.
Pasen-hazen, het rijmt, en dat is op dat ogenblik de enige verbinding die ik tussen die twee beleven kan.

Vanuit het verleden kan ik me nog herinne­ren dat het toch wel wat had; eieren zoeken; bijna de paashaas gezien hebben. Met het stijgen der jaren verdwijnt het geheimzinnige, opgewonden gevoel. Je gaat andere motieven zoeken die met Pasen verband houden. De paashaas dreigt zich dan al snel in de rij van de vele cultuurfrasen te scharen waarin het kerstmannetje, de cultuurkabouter, en kerstengeltjes al marcheren.
Ik vraag vrienden: wat doe jij met de Paas? Ideeën waarin ‘vroeger’ herleeft, donzen kui­kens, suikereitjes in rood- wit- blauwe netjes, chocolade ei, narcissen.
Of laten we nu maar ophouden met al dat kinderachtige ge­doe, een gezellige dag waarin de eieren nog hun plaats behouden, maar waarin het haasje het loodje heeft gelegd. Geen van de geboden alternatieven maakt me enthousiast, ergens zoek ik naar een aanknopingspunt om de paashaas weer in mijn paasgebeuren bin­nen te laten stappen.

Dit gevoel komt hoofdzakelijk door mijn goede herinneringen aan de paashaas toen hij er nog was voor mij. Maar die haas was een heel andere in mijn beleving, als die ik nu om me heen zie. Vanuit mijn manier van met dingen omgaan, kan ik ten opzichte van het ‘grut’ thuis, hun alleen maar een paashaas aanbieden, waar ik zelf ook iets in herken, wat met mijn paasmotivatie te maken heeft. Anders zijn het twee dingen die los staan van elkaar. In die zin zou ’t het gevoel van ‘het moet weer zo hoognodig’ bevestigen.
Hier­door bleef een zeurderig gevoel van niet te­vreden zijn me bezig houden. Zelfs in die mate dat, als ik ergens het woord al gedrukt zag, ik nieuwsgierig de tekst begon te lezen.

‘De haas is een veel geplaagd dier. Niet alleen de mens schijnt zijn vlees een heerlijke hap te vinden, ook zijn medewoners in het veld’.
Je zou denken dat hij daarom langzamer­hand uitgestorven zou zijn. Maar moedertje Natuur heeft hem een grote vruchtbaarheid toegekend, tevens heeft hij een optimaal gehoor, een onopvallende kleur en hij kan heel hard rennen. Haasje rep-je. Hazen-asso­ciatie: groen groen knollenknollenland, er wordt er één geschóten. Hazen zijn dus blijkbaar dieren op wie veel gejaagd wordt. Angsthaas. Zijn ze laf? Wan­neer een hond een haas achtervolgt dan kan een andere haas bliksemsnel voor hem in de plaats springen en rent verder in plaats van die eerste, die gered is en kan uitrusten.
Mis­schien wordt dit ‘spelletje’ nog een keer her­haald, maar dikwijls zal de tweede haas het leven moeten laten ten behoeve van de eer­ste.

In een boek met verklaringen van maanvlekken, kwam ik ‘de springende haas in de maan’ tegen. Maan-pasen (associatie), de paasdatum houdt verband met de maan: de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart) moet voorbij zijn, dan is de eerste zondag daarna de paaszondag.
Veel verder kwam ik niet, totdat ik de Hin­doelegende van het haasje in de maan las. Het verhaal gaat over drie hazen die een vroom leven leidden in drie grotten in de Himalaya. Deze sage gaf mij een mogelijkheid om pasen-haas-dood-opstanding met elkaar te verbinden en er voor dit jaar een paasge­beuren van te maken met haas en al. Hier volgt het:

Marijke Roetemeijer in ‘Jonas’ 8 april 1977

.

De legende van de drie hazen

Er waren eens drie hazen, die elke dag tot God gingen bidden of Hij hun hartewens zou willen vervullen: éénmaal in de hemel te mogen komen.
De eerste haas had een bruin vel, de tweede was wit gevlekt, de derde was wit en heette “Sneeuw”. De drie hazen waren erg aan elkaar gehecht, en wat de een deed, deden de anderen ook. Veel uren waren aan het gebed gewijd, maar om niet te verhongeren moesten ze toch ook voor hun voedsel zorgen.

In drie grotten leefden zij zo vele jaren. Hun gebeden reikten tot in de hemel en God besloot om de hazen te belonen. Hoewel hij hen kende, wilde hij ze toch op de proef stellen. Dus sprak Godvader tot de maan:”Je hoeft vannacht pas om twaalf uur te schijnen, ga dus voor die tijd het Himalaygebergte in, zoek de drie hazen op en vraag aan iedere haas iets om je honger te stillen. Als je bij alle drie geweest bent, kom je bij mij en breng verslag uit.” De maan gehoorzaamde en ging het eerst naar de bruine haas.

Die maakte zijn maaltijd klaar en toen hij zag dat de maan voor zijn hol stond, vroeg hij hem vriendelijk het maal met hem te delen. De maan bedankte hem en ging naar de tweede haas. Toen die hoorde dat er iemand aankwam, riep hij opgewekt: “Welkom, vriend!.” Toen de maan gezegd had waarvoor hij kwam, zei de haas :  “Graag zou ik u iets te eten willen geven maar…..ik heb vandaag te lang gebeden en daardoor vergat ik om voor voedsel te zorgen. Als u even wacht haal ik iets.” En toen hij wat bij elkaar had gezocht, gaf hij alles wat hij had aan de maan. Daarna, als laatste, kwam de maan bij de derde haas, Sneeuw.
Hij moest een hele tijd aankloppen, maar eindelijk kwam de haas naar buiten en begroette hem. “Ik zoek iemand, die me wat te eten kan geven”, zei de maan. Na die verre tocht over de besneeuwde toppen ben ik erg moe en hongerig.” “Rust eerst wat uit”, zei Sneeuw,  “intussen zal ik zien of ik u iets kan bezorgen”. De maan hurkte neer bij de ingang van de grot. Intussen zocht de haas in zijn voorraadkamer. Maar o wee! Sedert dagen had hij geen voedsel verzameld, zo diep was hij in gebed verzonken geweest.
Sneeuw dacht aan een spreuk: “Hij die een gast niet herbergt, zijn honger
niet stilt en zijn dorst niet lest, heeft vergeefs tot God gebeden.”
Wat moest die arme haas nu beginnen? In dit moeilijke ogenblik kreeg hij een
goede inval. Hij ging naar binnen, maakte een vuur en nodigde de gast uit om het zich bij de koesterende vlammen makkelijk te maken. Daarna zei hij : “Heer, ik heb de laatste dagen zo veel gebeden, dat ik geen voedsel zoeken kon, en dus heb ik niets in huis dat ik u zou kunnen voorzetten.”
De maan zei boos: “Dan ga ik maar weer en bij je vuur wil ik ook niet zitten.”
“O blijft u alstublieft”, riep Sneeuw.  “Is het u hetzelfde welk soort vlees
ik u voorzet?” De”maan antwoordde : “Nu ik zie hoe serieus je het meent, zal
ik elk soort vlees eten dat je me voorzet.”
“Goed”, zei Sneeuw blij,  “maar daar ik niet anders bezit dan mezelf, zal
ik nu mijn eigen lichaam in het vuur werpen, dan hebt u een maal om uw honger te stillen.”  “Neen!” riep de maan verschrikt, “neen, niet doen.”

Maar het was al te laat. Voor de maan het kon verhinderen was de haas al in
de vlammen gesprongen. Geen kreet weerklonk, de zelfgekozen dood werd door geen enkel geluid begeleid.

Na deze derde ervaring vloog de maan terug naar de hemel. Daar vond hij in de schoot van God een mooie witte haas. God sprak: “Kijk naar deze haas, o maan, die zichzelf offerde en voor u in het vuur sprong. Hoe zal ik zijn opoffering belonen?” Toen vroeg de maan: “Heer, wil mij het haasje tot vriend en levens­gezel geven. Ik zal het altijd bij me houden, waar ik ook heenga.” “Zo zal het zijn”, antwoordde Godvader. “Als ge uw glans op de aarde doet neerstralen, laat dan de haas mèt u glanzen, zodat alle mensen hem kunnen zien en een voorbeeld kunnen nemen aan zijn vroomheid en zijn zelfverloochening.” Sinds die dag kun je in het zilveren licht van de maan de haas zien.

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

113-110

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (10)

.

WAAROM VALT PASEN NOOIT OP DEZELFDE DAG

Een vraag in ons vorige nummer, waarop ik zou willen ingaan, ofschoon in zon kort bestek, uiteraard aanduidend.

Pasen wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Men gaat uit van het lentepunt, als de zon op het snijpunt is van de ecliptica met de hemelequator.  (De ecliptica is de baan, die de zon in een jaar aflegt door de dierenriem. De hemelequator : van de aarde af gezien, draait de sterrenhemel om de PoolsterSterren dichtbij de Poolster zijn de hele nacht zichtbaar. Sterren, die verder van de poolster af staan, zijn maar een gedeelte van de nacht zichtbaar. Ze komen op en gaan onder. De sterren, die op- en ondergaan op precies tegenoverliggende punten   – oost en west    –   beschrijven de baan die hemelequator wordt genoemd. Deze twee banen vallen niet samen, maar maken een hoek.)

Wij zeggen dus kort in verband met het begin van de lente: 21 maart. Daarna is het wachten tot de maan vol is. Pasen valt dan op de eerste zondag daaropvolgend.

Het kan dus best gebeuren,  dat, na doorschrijding van het lentepunt door de zon, de maan lang op zich laat wachten tot hij vol is. Maar ook omgekeerd. Komt de volle maan snel na het lentepunt, dan is het vroeg Pasen.

Het betekent, dat de buitenaardse, kosmische invloeden in verband gebracht worden met de Christus en het gebeuren op Golgotha.

Doordat het materialisme de geest in de kosmos ontkende    – er zelfs een dieptepunt was, waarin de mens de eigen geest ontkende – is het logisch dat de beweeglijkheid van de paasdatum (nog vanuit een oud weten van voor het materialisme) niet als iets zinvols gezien wordt.

Met het paasfeest wordt het lijden en de opstanding van de Christus herdacht. De samenhang met de kosmos is men kwijt. Ook Paulus kende Jezus. Bij Damascus werd hem echter duidelijk, dat in de mens Jezus de kosmische Christus had gewoond, die reeds zo lang door de profeten was aangekondigd. Vanuit oud mysterieweten wist Paulus, dat de oude Indiërs die kosmische geest van voorbij de zon zagen komen en de Perzen hem zagen als de zon zelve en dat de Joden hem beleefden vanuit de maan werkend in de natuurkrachten, als Jehova. (Zon en maan worden dus nog steeds vanuit deze achtergronden erbij betrokken om Pasen vast te stellen.)

Dan beleeft Paulus, dat die krachten, die ten tijde van het begin van onze tijdrekening de Christus worden genoemd, de aardse wereld binnengetrokken zijn. Hij ziet de Christus, die de materie overwonnen heeft.

Het positieve van het materialisme is, dat het de aanleiding kan zijn ons denken weer actief te maken, zoals bv. nu, met de dreigende vastzetting van Pasen.

Het aannemen van oude overleveringen zijn we echter ontgroeid. Willen we niet verstarren in de eenzijdigheden van verworven kennis, maar in het beweeglijke paasfeest de diepere zin gaan beleven, dan openen zich nieuwe perspectieven. Dan laat zich bevroeden, dat, wat amper 2000 jaar geleden plaatsvond,  een verjonging en vernieuwing kan gaan betekenen –  krachten, die als zuurdesem werkend aarde, mens en kosmos doordringen.

Zo beschrijft Rudolf Steiner: Van het moment, dat het van kosmische krachten doortrokken bloed van dit hoge Christuswezen op aarde viel, is voor degene, die geestelijk zien kan, de aarde aan het veranderen. Deze wordt doortrokken met krachten, die (zoals zuurdesem in brood) het leven hergeven aan de reeds verstarrende mensheid.

Christus’ woorden werkten bij zijn leven voor Golgotha al omvormend, genezend, opwekkend. Deze krachten verbinden zich met aarde en mens. En hij sprak : ‘Ik zal bij u zijn tot aan het einde der tijden.’

In dit bewustzijnsproces kan die goddelijke kiemkracht in iedere mens tot ontwikkeling komen. Het spirituele leven zal dan geen ‘hinder’ betekenen in de menselijke samenleving. Het zal niet los van het sociale en economische leven staan, maar een integrerend deel ervan uitmaken.

Amy de Rhoter. Nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

112-109

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.