Tagarchief: legende

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-5)

 

DE HEILIGE BLASIUS EN ZIJN DIEREN.

Dit is de geschiedenis van een Heilige, die de dieren liefhad en daarom ook door de dieren was bemind.

Sint-Blasius was de zoon van welvarende ouders uit Sebastopol, een stad in Armenië, op de grens van Turkije, en leefde in de tijd, toen de heidenen het meest in aanzien waren. Maar hij was niet ge­lijk aan de andere  jongens, zijn speelmakkers, want hij was een christen die meevoelde met elk levend schepsel. En het was zijn grootste geluk, wanneer hij de schepselen, die hij liefhad, kon helpen, mannen zowel als vrouwen en kinderen en dieren en allen, die leed hadden of ziek waren.
Daarom ging hij in de medicijnen studeren en groeide hij
lang­zamerhand op tot een wijs man, met een ruim en teer hart.  Iedereen had hem lief, want hij deed veel goed onder het volk in zijn dorp: hij verpleegde hun kinderen en genas hun vee en hun huisdieren. Ook de wilde dieren vergat hij niet.
Sint-Blasius hield ervan te zwerven door de bossen en over de velden, waar hij de ongetemde dieren kon bestuderen en hun leren zijn vrienden te worden. Zo kregen de vogels en de viervoetige dieren en de vissen hem alle lief, omdat hij niet alleen hun nooit enig leed deed, maar ook vriendelijk tot hen sprak en hen genas, wanneer zij ziek of gewond waren. In zijn tegenwoordigheid werden de schuwe dieren vrijmoedig, en werden de wilde tam en vriendelijk, alleen door het geluid van zij­n stem. De vogeltjes brachten hem voedsel en de viervoetige die­ren werden zijn dienaren en boodschappers.
De legende zegt, dat zij hem in de woning in het bos, een grot in de berg Argus bij Sebastopol, opzochten. Iedere morgen kwamen zij zien hoe hun meester het maakte, lieten zich zegenen door hem en likten hem de handen uit dankbaarheid. Wanneer zij de Heilige in zijn gebeden verdiept vonden,  stoorden zij hem niet, maar wachtten eerbiedig en geduldig voor zijn hol, tot hij uit zijn knielende houding oprees.
Op zekere dag kwam er een arme vrouw in wanhoop bij hem, omdat een wolf haar biggetje bad weggehaald. Sint-Blasius was zeer bedroefd toen hij hoorde, dat een van zijn vrienden zich aan z’n boze daad had schuldig gemaakt en hij verzocht de vrouw naar huis terug te gaan en beloofde haar, te zullen zien wat hij voor haar zou kun­nen doen. Toen riep hij de wolf tot zich, en schudde ernstig het hoofd, toen de schuldige voor hem stond.
“Jij boze wolf”, zei hij, “wist jij dan niet dat ook dat biggetje een vriend van mij was? Hij is niet mooi, maar hij is aardig en daarbij het enige biggetje van een arme, eenzame vrouw. Hoe kon je zo zelfzuchtig wezen? Ga dadelijk naar huis, breng mijn vriend, het biggetje, terug naar de woning van deze vrouw.”
Toen ging de wolf beschaamd heen, en deed wat de goede Heilige hem bevolen had. En toen de arme vrouw haar biggetje knorrend haar
tuin­tje zag binnenlopen, voortgedreven door de berouwvolle wolf, sloeg zij haar armen om zijn hals en schreide tranen van vreugde. En de wolf keerde terug naar Sint-Blasius, die hem prees, en zei, dat hij een goede wolf was, en hem een schotel verse melk gaf.
Sint-Blasius werd door de christenen, die hem om zijn barmhartig­heid en zijn weldadigheid liefhadden, tot hun bisschop benoemd. En alle dieren uit het woud verheugden zich over deze eer, hun goe­de meester aangedaan.
Maar de arme dieren wisten niet, hoe gevaar­lijk het in die dagen was een christen te zijn en inzonderheid om een bisschop te wezen, die veel invloed had op het volk. Want de heidenen waren jaloers op hem en vreesden, dat hij het volk zou bekeren tot het christendom, wanneer het zijn wonderbaarlijke ge­nezingen zag. Zij konden hem echter nergens vinden, want hij leef­de verborgen in zijn grot  in het woud.

Dit geschiedde alles 516  jaren na de geboorte van Christus, tijdens de regering van den wrede keizer Licinius, die vele christenen ter dood heeft laten brengen. En Agricola, die de gouverneur van de stad Sebastopol was, aangesteld door Licinius, zond zijn solda­ten in de bergen, om wilde dieren te vangen voor de spelen in de arena, waar de christenen zouden worden gedood. Maar zij vonden tot hun grote verwondering geen enkel wild dier in de bergen, noch in de velden, noch in de dalen, noch in het woud, tot zij toevallig  aan de grot kwamen waar Blasius woonde.
En daar nu vonden zij alle dieren, al de wilde dieren, waarvoor zij zo bevreesd waren, leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven, die hun morgengroet aan de Heiligen man brachten.
En midden tussen hen lag Sint-Blasius zo ernstig verdiept in zijn gebeden, dat hij de soldaten, die met hun netten en speren gekomen waren om dieren te vangen, niet eens opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven zij geen enkel geluid, om hun meester niet te storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun gro­te, gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar deze waren zo verbaasd door die aanblik, dat zij stil wegslopen zonder een enkel dier te vangen, noch een woord te zeggen tot de Heilige Blasius. Zij meen­den stellig,  dat hij Orpheus zelf of de een of andere heidense godheid moest wezen, die de wilde dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur en vertelden hem, wat zij gezien hadden.

“Ha, dan moet hij een christen wezen,” antwoordde Agricola, “want de christenen en de dieren zijn zeer grote vrienden. Breng hem mij aanstonds hier.”

Ditmaal trokken de soldaten in de namiddag erop uit, het uur waar­op de dieren hun avondeten gebruikten. En zo vonden zij Sint-Bla­sius geheel alleen, opnieuw verdiept in zijn gebeden. En zij be­valen hem, met hen mee te gaan. In plaats echter van bevreesd te zijn, antwoordde hij blijmoedig: “Ik ben gereed; ik heb u reeds lang verwacht.” Want hij was een heilig man, bereid te sterven voor zijn geloof, en heiligen weten dikwijls reeds lang vooruit, wat er met hen gebeuren zal.

En het geschiedde op weg naar de gevangenis, dat de heilige Blasius zijn laatsten zieke genas – een kindje, door de moeder aan zijn voeten neergelegd, terwijl zij hem smeekte het te helpen. De klei­ne had een botje ingeslikt en zou gestorven zijn. Maar Sint-Bla­sius raakte even de keel van de kleine aan, en meteen was het genezen. Daarom riepen in latere tijden mensen met een zieke keel in hun gebeden altijd de heilige Blasius aan, om hen te ge­nezen.

De goede bisschop werd in de gevangenis gezet, op allerlei manieren gepijnigd, om hem te dwingen zijn christelijk geloof op te geven. Maar Sint-Blasius weigerde standvastig een heiden te worden en aan heidense goden te offeren. En dus werd er besloten, dat hij ster­ven zou. Zij zouden hem wel in de arena gebracht hebben met de wil­de dieren, doch men wist dat deze trouwe makkers hun vriend nimmer enig leed zouden doen. De dieren zouden hem wel is waar niet heb­ben kunnen redden uit de handen van deze mensen, maar zij zouden hem toch ook geen kwaad gedaan hebben. En de dieren die nog in het woud achtergebleven waren, huilden en jammerden voor de verlaten grot en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden, die hun meester verloren hadden. En het was een zéér droeve dag voor de dieren uit het woud, toen Sint-Blasius voor altijd van hen was weggenomen.

De soldaten ontvingen bevel de heilige Blasius in het naburige meer te verdrinken. Maar toen zij hem uit de boot wierpen, maakte hij het teken van het kruis en terstond hief het water hem op, zo­dat hij daarop wandelde als op vasten grond,  juist zoals Jezus eens deed over het meer van Galilea.Toen nu de soldaten dit evenzo wilden doen,  denkend hem te halen en opnieuw gevangen te nemen, zonken zij allen in de diepte. Toen wandelde Sint-Blasius geheel uit vrije wil naar de kust, omstraald door een goddelijk licht, zodat het een heerlijk wonder was hem te zien, want hij was ge­reed en verlangend te sterven. Willig liet hij zich door de heide­nen grijpen en niet lang daarna werd hij onthoofd.

In overoude tijden was het in Engeland gewoonte op de derde februari grote vreugdevuren te zijner ere op de heuvels aan te steken. En bij het zien van deze vreugdevuren kwamen alle dieren uit hun holen en spelonken  en nesten, ter nagedachtenis aan de goede Heilige,  die zo goed geweest was voor hun voorouders, de dieren uit de bossen van Armenië.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

732

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-4)

 

DE HEILIGE KENTIGERNUS EN HET ROODBORSTJE.

Er was een tijd, dat Sint Servatius een school had in Schotland in de nabijheid van Glasgow, waar vele  jongens, grote en kleine kwa­men om te leren.
Onder die  jongens was er één,  die alle anderen overtrof en als leerling uitmuntte. Kentigernus was een van de klein­ste jongens van de school,  en toch was hij de eerste van de hoogste klas. Kentigernus was het, die altijd het antwoord vond op de meest ingewikkelde vraagstukken, en die de moeilijkste Latijnse passages verstond, wanneer niemand anders de zin ervan begreep. Kentigernus was het, die het eerst van allen zijn lessen leerde en ze het best opzegde. Kentigernus was het, die het mooiste zong, nooit te hoog of te laag, altijd zuiver, vandaar dat de goede Servatius van hem het meest hield.

Om al deze redenen en om nog vele andere waren de  jongens jaloers op Kentigernus en verzonnen van alles om hem te plagen en verdriet te doen. Zo trachtten zij hem in de war te maken, wanneer hij zijn lessen moest opzeggen, door onderwijl hard te praten en te lachen. Maar dit was alles vergeefse moeite; zijn antwoorden waren altijd helder en duidelijk, zodat zij dit wel moesten opgeven. En zij be­dachten nieuwe plagerijen en gaven hem spotnamen, om te proberen hem uit zijn humeur te brengen, zodat hij gestraft zou worden. Maar hij was te goedhartig, om boos op hen te worden, en zo moesten zij ook hiermee ophouden. Toen probeerden zij hem door vleierijen op een dwaalspoor te brengen en hem iets te laten doen, waarmee hij de toorn van Sint Servatius zou opwekken. Maar Kentigernus had zijn meester te lief dan dat hij ooit iets doen zou, om hem te mishagen. En zo moesten ten laatste de  jongens ook hiervan afzien. Maar er moest toch een middel gevonden worden, om Kentigernus in ongenade te doen vallen, er moest toch een valstrik wezen om hem te vangen. En weken lang putten zij hun brein uit om iets te bedenken, totdat zij ten laatste meenden wat goeds gevonden te hebben.
Het aanhouden van het vuur bood daarvoor een geschikte gelegenheid. In die dagen bestonden er nog geen lucifers, waarmee men dadelijk licht kon maken, want het was in het jaar 600. De enige manier om vuur te krijgen bestond toen in het zolang tegen elkaar wrijven van twee droge stukken hout,  tot deze warm werden en er vonken uit het hout sprongen, waardoor het in brand raakte. Dit was een zeer lastig en vermoeiend werk, vooral in de winter, wanneer er maar zeer weinig droge houtjes te vinden waren. Vandaar, dat het vuur in de groten haard van de Sint-Servatiusschool dag en nacht met de grootste zorg werd aangehouden, en het een werkelijk ernstig geval was, wanneer men het liet uitgaan. Want hoe zou­den het ontbijt moeten klaar gemaakt, de kamers verwarmd en de was­kaarsen ontstoken moeten worden voor de ochtenddienst in de kapel, wanneer er geen vuur was in de grote haard?

En zo had iedere  jongen op zijn beurt de week van het aanhouden van het vuur en hij, wiens beurt het was, moest te middernacht op­staan en zoveel hout op de haard leggen als nodig was om het vuur tot de morgen aan te kunnen houden. En Sint-Servatius zou heel boos geweest  zijn op de jongen, die de haard gedurende de nacht zou hebben laten uitgaan.

Zo had dan Kentigernus de week om het vuur aan te houden, en hij deed dit reeds verscheidene dagen met de uiterste zorg. Maar de
jon­gens wachtten op een gelegenheid om hem hun poets te bakken. De vierde nacht stond Kentigernus weer op, juist toen de klok van de kapel “twaalf”  sloeg, en ging naar beneden om het nodige hout op de haard te leggen. Maar nauwelijks kwam hij in de grooe voorhal, of hij merkte,  dat er iets niet in orde was. Brr! – het was er kil en koud, en hij zag geen enkel gloeiend vonkje in de haard. Huive­rend liep Kentigernus naar de haard, en pookte uit alle macht de zwarte, verkoolde houtblokken op. Maar er lag niets dan een hoopje witte as en half uitgebrand hout!

Toen voelde Kentigernus zich de moed ontzinken, want hij wist dat hij voor zijn nalatigheid berispt zou worden, al vermoedde hij wel, dat iemand water op het vuur moest hebben gegooid om het zodoende uit te doven. Hij begreep zeer goed, dat de andere  jongens dit ge­daan hadden om hem in ongelegenheid te brengen.
Het eerste ogenblik wist hij niet, wat hij doen zou, tot hij opeens moed vatte, een blok hout uit de hoek haalde en dit op de ashoop legde. En neer­hurkend blies hij het zacht aan. En o, wonder! nauwelijks had hij met zijn adem de as doen opstuiven en het mos, waarmee het grote houtblok begroeid was, doen trillen, of de hele haard was vol dansende vlammen, het hout begon te knetteren en het vuur laaide hoog op. Met een glimlach van geluk op het gelaat kroop Kentigernus weer in bed,  zonder een van de slapende jongens, die getracht hadden hem zo’n part te spelen, wakker te maken.
Toen nu de jongens ’s morgens wakker werden, gaven zij elkaar
veelbetekenend knipoogjes en stootten elkaar geheimzinnig aan, elk ogenblik verwachtend Sint Servatius te zien binnenkomen, met gefronste wenkbrauwen, om de nalatigen Kentigernus een berisping toe te dienen. En iedere jongen nam zich reeds in stilte voor, plechtig te verklaren, dat het vuur vrolijk brandde, toen hij naar bed ging, en dat dus Kentigernus  vergeten moest hebben in de nacht naar bene­den te gaan, om er nieuw hout op te doen. Doch zij waren niet in de gelegenheid deze leugens aan de man te brengen.Want op de gewo­ne tijd werd de bel voor het ontbijt geluid, en toen zij beneden kwamen, vonden zij een goed onderhouden vuur in de haard, en Kentigernus bezig met de waskaarsen in de kapel te ontsteken. En zij hebben niet geweten, hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren tot lang, zeer lang daarna, toen Kentigernus reeds vele andere wonderen verricht had, en hij wijd en zijd bekend was als een Heilige. Maar intussen haatten de  jongens hem meer dan ooit, omdat zij za­gen, dat Sint-Servatius hem steeds meer liefkreeg.
En opnieuw tracht­ten zij een plan te beramen, om hem in ongenade te doen vallen. Ditmaal echter verzonnen zij iets, dat nog veel wreder was. Want als dit plan lukte, zou dit niet alleen Kentigernus een bestraffing bezorgd en Sint-Servatius ongelukkig gemaakt hebben, maar zou het ’t leven gekost hebben aan een onschuldig wezentje, dat nooit iemand kwaad gedaan had.

Sint-Servatius was een goedhartige, vriendelijke oude man, en hij bezat een roodborstje, waarvan hij bijzonder veel hield, – een klein beestje, met ronde, zwarte oogjes, dat zijn ontbijt uit de hand van Sint-Servatius at. En wanneer zijn meester zijn psalmen zong, ging de kleine koorzanger op de schouder van Servatius zitten en sloeg met de vleugeltjes, en tjilpte alsof hij wilde trachten de lofliederen mee te zingen

Op zekeren morgen nu doodden de jongens het roodborstje en sneden het het kopje af. En de grootste van de jongens nam het dode vogeltje in de hand, en gevolgd door de anderen, liep hij huilend naar Sint- Servatius, alsof hij een groot verdriet had. “O Vader,” riep de jongen, “kijk eens wat die boze Kentigernus ge­daan heeft! Kijk eens naar uw roodborstje, dat Kentigernus gedood heeft!”

Toen begonnen zij allen als uit één mond op Kentigernus te schelden, terwijl enkelen van hen beweerden, hem zijn boze daad te hebben zien verrichten.

Natuurlijk was Sint Servatius zeer bedroefd en boos. Zacht en teer nam hij het levenloze lichaampje in de hand en ging Kentigernus zoeken, terwijl de jongens hem op de tenen naslopen om te zien hoe deze ontmoeting wel zou aflopen. En achtereenvolgens kwamen zij aan het venster, waarin Kentigernus op de vensterbank zat. En Sint Servatius, naar hem toegaande, legde zwaar de hand op zijn schouder. “Zie eens hier, knaap,” riep hij met droeve stem, “aanschouw deze wrede daad,  en zeg zelf, op welke manier de moordenaar  gestraft moet worden. Had ik het roodborstje niet even lief als ik u liefheb, on­dankbare  jongen?”
Kentigernus werd bleek van schrik en verdriet, en grote tranen kwamen, hem in de ogen. “Och, dat arme vogeltje,”  zei hij.”Hield ook ik niet even goed van hem? Wie heeft het gedood, Vader?”
“Jij, jij hebt het gedaan, we hebben het zelf gezien!” riepen de jongens allen in koor uit.
Kentigernus, zich omkerend, zag hen met de grootste verwondering aan. Hij zei geen enkel woord terug, maar zijn wangen werden
vuur­rood en zijn ogen flikkerden. Dit was meer dan zijn geduld
verdra­gen kon.
“Wat hebt je hier tegenin te brengen?” vroeg Sint-Servatius stren. Toen, vol droefheid zich tot hem kerend, sprak Kentigernus: “O,Vader, hoe kunt u geloven,  at ik tot zo iets wreeds in staat zou zijn, dat ik het vogeltje zou kunnen doden en u ver­driet aandoen? Ik heb het niet gedaan.” “Kun je dat bewijzen?” vroeg Sint-Servatius op steeds strenge toon, want hij meende, dat de jongen een leugen had bedacht om zijn schuld te verbergen.
“Geef mij het roodborstje, Vader”, zei Kentigernus, de hand
uitstrekkend. “Ik zal het bewijzen, dat het niet deze hand was, die zich lafhartig vergreep aan zo’n teer wezen als dit kleine vogeltje.” En het dode, slappe lijfje in de ene hand, en het kopje in de an­dere hand nemend, stond hij daar vóór hen allen, opziend naar den hemel, terwijl hij een kort gebed sprak.
“O Vader in de hemel,” bad hij, “geef mijn beminde vader op de aarde het bewijs, dat ik deze wrede daad niet beging. Wanneer ik onschuldig ben, geef mij dan de macht het kwaad ongedaan te maken en het leven weer te geven aan de kleinen zanger, die met zijn liefelijk lied zo graag uw lof verkondigde.
Toen zette hij zacht het kopje op de plaats waar het behoorde, en terwijl zijn tranen vielen op de hals van het roodborstje, scheen het alsof het weer aan zijn lichaampje vastgroeide. De veertjes be­wogen zich en de zwakke vleugeltjes trilden zwak. De zwarte oogjes openden zich, en uit het keeltje kwam een zacht getjilp. Toen wip­te het roodborstje uit Kentigernus’ hand, huppelde over de grond tot voor  de voeten van Sin-Servatius en vloog op zijn meesters schouder. En daar zittend zong het een jubellied,- dat klonk door de gehele voorhal. Maar de schuldige, boze jongens staken allen hun vingers in de oren en verbleekten, alsof zij verstonden wat hij zei, en alsof het hun jaloezie, hun wreedheid en hun valsheid aan het licht bracht.

Zo kwam Sint-Servatius te weten dat Kentigernus onschuldig was, en hoe alles zich had toegedragen. En meer dan vroeger was Kentigernus zijn meester dierbaar, die hem op allerlei manieren hielp een grote, goede Heilige te worden. Ook het roodborstje werd zijn trouwe,  liefhebbende vriend, want nooit scheen het vogeltje te vergeten, dat Kentigernus het door zijn gebed het leven weergegeven had. Daarom zong het zijn mooiste lied voor de knaap. Zijn schoolmakkers hadden van die tijd af de grootste eerbied voor Kentigernus, die onder bijzondere hoede van God scheen te staan.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

 

2e klas vertelstof: alle artikelen 

729

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-3)

 

DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

Sint Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed, en voelden zij op hun beurt, een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen komt je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.

Sint Launomarus nu had een koe, die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster, en die ieder­e avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe, men kon dat af­meten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen; en ook nog, en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launo­marus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, moest wel wijs wezen.

Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande, en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te sla­pen, tot de morgen opnieuw zou aanbreken.

Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen , of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de bin­nenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels, waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen, en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal geko­men om de koe van Launomarus te stelen,  die bekend stond als de mooi­ste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur, en zeer behoedzaam
kro­pen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo
voor­zichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loei­en kon om het gehele klooster zodoende te waarschuwen,  in wat voor
ge­vaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte, dat de mannen geen vrienden, maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.

Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te
ver­zetten, en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken wa­ren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen, zonder maar enigszins te vermoeden, wat er zo dicht bij hen ge­beurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevel­de : “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dier­bare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners,  die haar gestolen hadden.

De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk kon­den verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden, en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad, dat zij eigenlijk ne­men moesten. En zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie, alleen naar het land van Launomarus gekomen, omdat zij gehoord hadden van zijn
be­roemde koe, en omdat zij begerig waren, die te bezitten.
Het duurde niet lang, of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet meer, waar zij waren, of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het Noorden, en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,”  en hij wees recht naar het Zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,”  en hij wees naar het Oosten, terwijl de vierde Mignon naar het Westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige, die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord, dat de dieren ons goed lei­den, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen.

En zij stroopten het touw over Migons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”

Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan,  in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten, en vroegen haar, hun de weg uit het bos te wij­zen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard, dat de rovers dachten, dat zij stikte, en namen de prop uit haar mond. Dit was juist, wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.”
Maar in werkelijkheid dacht ze zij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje la­ten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen ge­graasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het Noorden naar het Zuiden, zowel als van het Oosten naar het Westen. Zelfs in donker wist zij de weg  door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” En zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de helen nacht door. En zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen, om haar eens even te doen stilstaan. En zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet gaarne uit het oog verliezen. Gebeurde dat,  dan zou­den zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
En zo liet Mignon hen de hele nacht hij­gend en blazend, door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. En toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang, op een open plek bracht,  straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof, dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover.”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker  dicht bij huis wezen,”  zei de tweede.”We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde,  dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?”
En terwijl ze in de aangewezen richting keken,  begonnen de rovers
op­eens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij ver­rast: “Boe!”  en rende naar de man toe,  die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevon­den,  en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen, welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heiligen Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te  jagen. En hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden, en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,”  zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben,  die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin, en ik zou heel ongelukkig geweest zijn, wanneer ik haar kwijt geraakt was.”

De rovers staarden Launomarus  sprakeloos van verbazing  aan en
kon­den hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man van­daan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwa­men, hoe vriendelijk zijn stem was, en merkten, dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd, en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende, hoe alles zich had toegedragen en hem vergif­fenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,”  zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,”  zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,”  zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader,  smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechten levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van  afgedwaald”.

“Neen, neen,” antwoordde Sint Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo? en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien,  zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid, om ook maar aan
on­gehoorzaamheid te denken.
En zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn, en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mig­nons glanzende nek geslagen.

Maar hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het kloos­ter vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur, waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden!
Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis ge­leid. En na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder ge­komen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.

De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was be­zwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
En toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin,  zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”

En toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen
uit­geleide en wees hun de weg, die zij te gaan hadden zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heu­vel en keken hen na, of zij wel het goede pad hielden. En toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken el­kaar aan,  de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas: alle vertelstof

727

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-2)

DE HEILIGE BRIGITTA EN DE WOLF VAN DE KONING

Iedereen heeft wel eens gehoord van Brigitta, het kleine heilige meisje van Ierland. Haar naam is dan ook even goed bekend als die van de heiligen Patricius,  die de slangen van het eiland verdreef.
De heilige Brigitta had lange,  gouden haren en was heel mooi. Vele wonderlijke dingen zijn met haar gebeurd, die opgeschreven staan in de heilige boeken. Maar ik vermoed toch,  dat je nog nooit gehoord hebt over wat zij deed met de wolf van de koning. Het is een heel wonderlijke geschiedenis,  die aldus gebeurde.

De koning van Ierland bezat een tamme wolf,  die een paar jagers voor hem gevangen hadden,  toen hij nog een teer, klein,  pas geboren wolfje was. En deze wolf liep,  als hij eer zin in had, helemaal vrij rond in het park bij het paleis,  en had een heerlijk leven.

Maar op zekere morgen sprong hij over de hogen muur,  die het park omgaf,  en dwaalde een heel eind van huis af,  wat heel dwaas en onvoorzichtig van de wolf was. Want in die dagen waren de wilde wolven zeer gehaat en gevreesd bij de mensen, van wie zij dikwijls het voedsel  sta­len,  en wanneer iemand  zo’n boze wolf wist te doden, voelde hij zich een heel gewichtig man. Bovendien had de koning zelf een prijs uitgeloofd aan iedereen die hem een dode wolf bracht. Want bij wilde dat zijn koninkrijk een gelukkig en vredig rijk zou zijn, waar de kinderen de gehele dag in de bossen konden spelen,  zonder dat zij gevaar liepen door wilde dieren te worden opgegeten.

Het is niet moeilijk te raden, wat er gebeurde met de wolf van de koning.

Een grote, domme boerenjongen was met zijn boog en pijlen uitgetrokken naar het bos, toen hij opeens een groot,  bruin beest over een heg zag springen en over de wei zag weglopen. Het was de wolf van de koning,  die van huis wegliep en zich erg vrolijk en dartel voelde,  omdat dit de eerste keer was,  dat hij zoiets deed. Maar de boerenjongen wist van dit alles niets.
“A ha”,  zei hij in zichzelf, “ik zal  je wel gauw krijgen, mijn beste wolf,  en dan zal de koning me een geldstuk geven, waarvan ik een hoed en een nieuw pak kleren kan kopen voor de feestdagen.
En zonder er verder over na te denken of de wolf,  die het koninklijk merk op zijn oor had,  eerst nog eens van dichtbij te bekijken,  schoot de  jongen zijn pijl recht op hem af. De wolf van de koning maakte een hoge sprong in de lucht en toen viel dood op het gras neer, het arme dier.De boer was erg in zijn schik,  en sleepte het dode dier regelrecht naar het paleis van de koning en klopte aan de poort.

“Doe ópen!” riep hij. “Open de poort voor de moedige jager,  die een wolf heeft geschoten voor de koning. Doe open, zodat ik mijn beloning kan ontvangen.”

En hij werd eerbiedig verzocht binnen te komen en de opper­kamerheer geleidde hem naar de koning, die op een rood fluwelen troon in de grote zaal gezeten was. En de man trad de zaal binnen, terwijl hij het levenloze lichaam van de wolf van de koning bij de staart achter zich aansleepte.

“Wat is dat hier?” vroeg de koning op ontevreden toon, toen de opper­kamerheer onder een diepe buiging hem met zijn staf op de vreemde­ling wees. De koning had een slecht humeur, en hield er niet van in de morgen bezoeken te ontvangen. Maar de domme boer was te trots op zijn daad,  en te  zeer vervuld daarvan, dan dat hij de misnoegde trek op het gelaat van de koning opmerkte.

“Hier hebt U een wolf, Sire,” zei hij trots. “Ik heb een wolf voor U geschoten, en nu kom ik om de beloning vragen die U hebt uitgeloofd.”
Doch op hetzelfde ongelukkige  ogenblik sprong de koning met een kreet van toorn op.  Hij had het merk op het rechteroor van de wolf gezien.

“Hier! Grijpt de booswicht!”riep hij tot zijn soldaten, “Hij heeft mijn tamme wolf vermoord, hij heeft mijn lieveling doodgeschoten! Weg met hem naar de gevangenis; morgen moet hij sterven!”
Het hielp de arme man niets, of hij al gilde en schreeuwde en trachtte uit te leggen,  dat alles een ongelukkige vergissing was. De koning was woedend. Zijn wolf was gedood,  en de moordenaar moest sterven.
In die dagen was dit de wijze, waarop koningen degenen straften, die hen in enig opzicht mishaagd hadden. Uitstel bestond niet,  alle dingen geschiedden onmiddellijk. En zo werd de arme man, naar een donker, duf gevangenishol gesleurd, waar hij schreiend, zich in wanhoop de haren uittrekkend, werd achtergelaten, wensend, dat de wolven maar nooit door Noach in zijn ark uit de zondvloed gered waren.

Niet ver van deze plaats leefde de kleine, heilige Brigitta.

Toen zij zich die mooie plek tot woning koos, was er nog geen enkel huis in de nabijheid;  alleen stond er een grote eik5 waaronder zij haar hutje bouwde. Dit bestond slechts uit één vertrek,  en het dak was bedekt met gras en stro. En het was zó klein, dat het op een poppenhuis leek,  en Brigitta zelf was als een grote pop met gouden haren – de mooiste pop die ooit bestaan had.

Zij was zó mooi en zó goed, dat de mensen wensten dicht bij haar te wonen, om haar zacht,  lief gelaat dikwijls te kunnen zien en haar stem te horen. En toen zij ontdekt hadden, waar zij haar hut gebouwd had, kwamen de lieden van alle kanten uit de omtrek met hun vrouwen en kinderen en hun huisraad, hun koeien en var­kens en kippen aanzetten, en vestigden  zich op het groene gras, on­der de grote eik,  en ze zeiden: “Wij willen wonen waar de heilige Brigitta woont.

En zo werd het ene huis na het andere gebouwd,  en ontstond er een heel dorp rondom haar kleine hut,  en het dorp werd Kildare genoemd, wat in het Iers betekent: ‘hut van de eik’.
En weldra was Kildare zo gezocht,  dat zelfs de koning er een paleis en een park wenste te hebben. En in dit park nu was de wolf van de ko­ning gedood.

Brigitta nu kende de man,  die de wolf had doodgeschoten,  en toen zij hoorde,  in welke diep ongelukkige toestand hij zich bevond, was zij zeer bedroefd, want zij was een zeer goedhartig, klein meis­je. En zij vond het wel heel dom van hem,  dat hij de tamme wolf had gedood, maar het was toch een ongeluk geweest van hem,  en zij vond,  dat hij daarvoor niet zo streng moest gestraft worden. En zij wilde dat zij iets kon doen om hem te helpen,  te redden zo dit mogelijk was. Maar dit was zeer moeilijk, want zij wist, wat voor een slecht humeur de koning had,  en zij wist ook, hoe trots hij geweest was op die wolf,  die de enige tamme wolf was in het hele land.

Brigitta liet haar wagen met haar witte paarden inspannen en reed daarmee naar het paleis van de koning,  zelf nog niet wetend wat zij doen moest om de koning tot bedaren te brengen en hem te be­wegen,  de man vrij te laten,  die, meende ze, niets kwaads gedaan had.

Maar ziet! terwijl de paarden langs de lersche venen renden,  zag de heilige Brigitta opeens een grote, witte gedaante op haar af­stormen. Eerst dacht zij,  dat het een hond was. Maar neen,  een hond kon zo groot niet zijn en weldra zag zij,  dat het een wolf was, met grote ogen en een rode tong, die uit zijn bek hing. En toen hij de verschrikte paarden had bereikt, kwam hij met een groten sprong opeens in de wagen, waarin Brigitta zat, en legde zich aan haar voeten neer, even kalm en rustig als een hond dit gedaan zou hebben. Hij was geen tamme wolf, maar een wilde, die nooit te voren de aanraking van een mensenhand gevoeld had. En hij liet zich door Brigitta strelen en liefkozen en allerlei lieve dingen in zijn oor fluisteren. En hij bleef volkomen stil aan haar voeten liggen tot de wagen voor de poort van het paleis reed. Toen strekte Brigitta de hand uit en riep hem,  en het grote witte dier volgde haar rustig door de poort en de trappen op en door de lange zaal, totdat zij voor de roodfluwelen troon stonden waar­op de koning met gefronst, bars en streng gelaat gezeten was. Het moet een eigenaardig gezicht zijn geweest, die twee, het klei­ne meisje in haar groen gewaad met haar gouden haren, als een slui­er neervallend tot op haar knieën, en staande naast haar sterke, witte wolf, even groot als zij, met zijn gele, schitterende ogen scherp voor zich uitstarend,  de rode tong uit zijn bek.

Bri­gitte  legde zacht haar hand op zijn kop, die dicht aan haar schou­der kwam,  en boog voor de koning.
Doch de koning zat onbewegelijk op zijn troon,  zozeer had deze aanblik hem verrast.
Brigitta be­schouwde zijn stilzwijgen evenwel als toestemming hem te mogen toe­spreken.
“U hebt uw tamme wolf verloren,  o Koning,”  zei ze. “Maar ik heb een betere voor U meegebracht. Nu Uw eigen wolf dood. is,  is er geen andere tamme in het gehele land. Maar zie deze aan! Geen enkele witte wolf is er ergens te vinden in Uw rijk, en deze is èn tam en wit. Ik heb hem getemd, mijn Koning. Ik, een klein meisje, heb hem tam gemaakt,  zodat hij vriendelijk is en zacht,  zoalsU ziet.  Kijk,  ik kan hem aan zijn grote oren trekken en hij gromt niet. Kijk,  ik kan mijn kleine hand in zijn groten, rode muil leg­gen,  en hij bijt niet.  Sire,  ik geef hem U. Spaar om mijnentwil dan het leven van die armen,  dwaze man, die onwetend Uw dier doodde. Geef mij zijn arm leven in ruil voor deze goede, vriendelijke wolf,”  en zij glimlachte zacht, terwijl zij zo pleitte.

Zwijgend keek de koning eerst naar het grote, witte dier, waarin hij groot behagen schiep, toen naar het schone meisje, dat hem met haar blauwe ogen zo ernstig aankeek. En in die blik beviel hem wel.

Toen verzocht hij haar, hem de gehele geschiedenis te vertellen, hoe zij aan dit dier kwam, en waar en hoe zij hem gekregen had. En toen zij haar verhaal gedaan had en de koning eerst zijn grote verbazing er over had laten blijken, begon hij te lachen. Dat was een goed teken, want ook in het verhaal van Brigitta schiep hij groot welbehagen. En het was zo iets vreemds voor de koning om in de morgen reeds te lachen, dat de kamerheer bijna flauw viel van verrassing,  en Brigitta wist nu zeker, dat haar bede verhoord zou worden. Nog nooit had men de koning zo goedgehumeurd gezien. Want hij was een ijdel mens, en het denkbeeld, dat hij dit mooie, grote dier, wiens gelijke in het gehele land niet te vinden en wiens geschiedenis zo wonderbaarlijk was,  zou bezitten,  streelde hem uitermate.                                                                                       En toen Brigitta hem zo smekend aankeek, kon hij geen weerstand bieden aan de vragende blik van haar zachte, blauwe ogen, uit vrees, dat zij zich met tranen zouden vullen.

En zo schonk hij, op verzoek van Brigitta, de boer vergiffenis, stelde zijn leven in haar handen, en beval de soldaten hem vrij te laten uit de ge­vangenis.
Toen zij de koning zeer vriendelijk bedankt had, verzocht zij de wolf  naast de roodfluwelen troon te gaan liggen, en voor­taan trouw en goed te zijn voor zijn nieuwe meester. En nadat zij nog eenmaal voor het laatst zijn ruige kop gestreeld, had., ver­liet zij de wolf en haastte zich, de onnozele boer in haar wa­gen mee te nemen, voordat de koning nog tijd had zich misschien te bedenken.

De man was zeer gelukkig en dankbaar. Maar zij gaf hem een ernstige vermaning op weg naar huis, en raadde hem aan voortaan  niet meer zo on­bedacht te zijn.
“Heer Domheid,” zei zij, toen zij hem bij de deur van de hut af­zette, “veel beter is het,  in het geheel  niet te doden dan het le­ven te nemen van arme, tamme creaturen.  Ditmaal heb ik u het leven gered, maar een volgende keer zou je het weleens kunnen verliezen. Bedenk, dat het beter is, dat twee boze wolven ontvluchten, dan dat een vrien­delijk dier gedood wordt. Wij kunnen onze goede dieren niet missen, Heer Domheid. Beter nog kunnen wij zo’n domme jongen als jij missen.”

En ze verdween in haar hut onder de eik,  de onnozele jongen
ach­terlatend, om na te denken over wat zij hem gezegd had, en zich te schamen over zijn daad.

De nieuwe wolf van de koning leefde verder gelukkig in Het park van het paleis, en Brigitta kwam hem dikwijls opzoeken,  zodat hij geen tijd had heimwee te krijgen of zich eenzaam te voelen.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas: alle vertelstof

 

727

VRIJESCHOOL – 2 klas – vertelstof (4)

Vertelstof: alle artikelen

 

DE VRIENDELIJKE HUT

Ierse legende

Lang, lang geleden trok er over de weg van Donegal naar Killybegs een groepje zigeuners. Het waren arme lieden die met het lappen van ketels probeerden aan de kost te komen en hier en daar een ei of een lam stalen als de pot té schraal was. Maar van karige beetjes kan men niet veel monden vullen en toen de zigeuners door Cam-Na-Ween trokken, besloten zij afstand te doen van het jongst-geboren kind en legden het te vondeling op de drempel van de hut van Bridget en Gonal Hegarty.

Nu waren in die dagen de tijden zwaar en Bridget en Conal hadden zelf al een groot gezin, maar een kind onderdak weigeren doet men in Ierland niet en dus werd het liefderijk opgenomen. De kleine Oona groeide op tot een mooi meisje, misschien wel het mooiste van heel Cam-Na-Ween en de landen daar ver omheen en de jongens uit die streek hadden haar graag tot vrouw genomen. Maar men was er niet vergeten dat zigeuners dit kind hadden gebracht en iedere jongeling wiens hart in vuur en vlam stond voor de lieftallige Oona, vergat maar gauw hoe aantrekkelijk dat meisje in de hut van Bridget en Gonal was en koos zich een degelijke Ierse huisvrouw. En dus bleef Oona alleen bij de twee oudjes van wie zij veel hield en die ze liefderijk verzorgde. In haar hart koesterde zij een schone droom: als eens Bridget en Conal zouden zijn overleden zouden zij misschien aan haar de hut achterlaten. Zij zou dan een eigen huis hebben, met voor de ramen zonnig-gekleurde gordijnen en boven het vuur een grote koperen ketel die altijd glimmend zou zijn gepoetst. Maar voor Bridget stierf zei ze: ‘Oona, de hut is voor mijn zoon Michael en zijn jonge vrouw. Neem uit de kist het linnengoed dat je toekomt. Misschien zal er ergens een man zijn die nog met je wil trouwen.”

En Oona vouwde haar linnengoed tot een bundel en vertrok, vastbesloten ooit haar schone droom waar te maken. En overal was wel een hutje dat haar wachtte, waar zij een ziek kind kon verzorgen of waar zij de taak van de overleden huisvrouw kon overnemen. Want Oona kon hard werken en er was veel liefde in haar hart. Maar nergens was er een plekje voor haar alleen en geen man kon vergeten dat zij een zigeunerkind was.

De jaren verstreken en hoe ouder en krommer Oona werd, hoe meer haar bezittingen groeiden; overal waar ze had gewerkt hadden de mensen haar linnen en potten en pannen geschonken ~- zoveel dat ze tenslotte wel een wagen nodig had om ze te vervoeren.

Toen zij al heel oud was, woonde ze in de hut van Brian MacManus. Het was in de tijd van de grote hongersnood en voor ieder was er niet meer dan de dagelijkse lepel pap. Het deed Oona pijn te zien hoe hongerig de ogen van de kinderen waren, maar zij kon haar eigen kleine hapje niet afstaan, want de vrouw was ziek en zonder dat beetje eten had ze niet kunnen werken en het gezin zo goed mogelijk verzorgen. Maar toen het midwintertijd werd en de restanten van de laatste mislukte oogst nog kariger geworden, kon zij de ellende en het verdriet niet langer aanzien en pakte haar bezittingen bijeen.
‘Jullle kunnen nu wel voor jezelf zorgen. Je hebt mij niet langer nodig’ zei ze. ‘God weet dat dat waar is’, zei vrouw MacManus.

Maar de man zei: ‘Zwijg toch, vrouw! Weet je niet wat voor avond dit is?’ En de vrouw sprak verbitterd: ‘Ik weet het. Het is kerstavond. Maar in deze tijden is iedere avond gelijk aan de andere. De oude vrouw is gek. Laat haar gaan!’  En Oona zei: ‘Mogen God en Maria u op deze avond bijstaan!’ en zij nam haar bundel over de schouder en stapte de heldere vriesnacht in. Ze nam de weg door Carn-Na-Ween die naar zee leidt en bij ieder hutje stond ze stil en keek naar binnen. Bijna iedere haard was haar vertrouwd, bijna ieder gezin had ze gekend. Langzaam volgde ze het steile pad de heuvels in, en toen zij de laatste hutten ver achter zich had gelaten, ging ze zitten aan de rand van het veen.

‘Ik heb nog nooit zo gezeten’, bedacht ze verwonderd. ‘Voor het eerst is er niemand voor wie ik moet zorgen, niemand die eenzaam, ziek of verdrietig is’. En terwijl de sneeuw zich zachtjes om haar schouders legde, dacht ze: ‘Hïer heb ik altijd willen zijn. Het is hier stil en mooi en hier zal ik wachten tot hij komt. En hij zal komen als een geliefde, die mij in zijn armen neemt en zegt: ‘Kom Oona, wees niet bang!’ en ik zal mijn hand in de zijne leggen en voor altijd mogen rusten.
Eigenlijk wist Oona niet .goed meer wat er hierna gebeurde. Vaag herinnerde zij zich dat ze nog het Elfenland had willen bezoeken, dat naar men zei aan de rand van het veen en de moerassen lag. Maar ze was te moe, haar hoofd viel op haar schouder en ze droomde van het verhaal van ‘Conall van de Duizend Zangen’, die eens op een midzomernacht op dezelfde plek had liggen slapen en die was wakker geworden met een hoofd vol feeënmuziek en van Willy Donogue die op een late voorjaarsavond door het elfenrijk was gereden en had gezien hoe de bewoners daar buiten rondreden, om hun schouders kleedjes van dauw en bloemen in de goudblonde lokken. Van dit alles droomde Oona, terwijl de sneeuw haar langzaam toedekte. Het zou zeker een Witte Kerstmis worden en men vertelde wel dat dan het Vriendelijke Volkje de huizen verliet om gezamenlijk het wonder van de geboorte te aanschouwen. En als dat zo was zou de oude vrouw in deze nacht zeker niet alleen zijn.

Toen Oona, na vele uren te hebben geslapen, wakker werd, had ze het gevoel dat iemand naar haar stond te kijken. Voorzichtig probeerde zij haar benen te strekken en ze voelde hoe ze daarbij iets aanstootte. Toen zij naar haar voeten keek, dacht ze dat de duisternis en haar oude ogen haar parten speelden. Zij zag daar een heel klein mannetje staan; een dwerg nog kleiner dan de hand van een man.
Maar toen Oona goed keek, zag zij rechts en links, voor en achter haar honderden van die dwergen en ze zei:
‘Wees maar niet bang. Ik wist niet dat jullie hier waren. Zoeken jullie iets?’ ‘Jou en niemand anders,’zeiden de mannetjes met lachende knopgezichtjes. En Oona begreep dat dit het Vriendelijke Volkje moest zijn. ‘Waarom lachen jullie?’, vroeg ze verwonderd.

‘Om jou natuurlijk! Je leven lang heb je voor anderen gezorgd en nooit heb je iets gevraagd en nooit heeft een mens je zichzelf of zijn woonplek geboden. En daarom zijn wij nu hier. Slaap nog maar wat, kind van zigeuners, vanaf heden doen wij het werk!’

En van onder haar deken van sneeuw zag Oona hoe het Vriendelijke Volkje heen en weer rende, hoe het stenen en riet aansjouwde en hoe het die stenen begon te stapelen en er balken op aanbracht en hoe op die balken het dak werd gelegd en hoe daar een Vriendelijke Hut werd gebouwd. En toen het werk gedaan was zeiden de dwergen: ‘Word wakker, Oona Hegarty, word wakker!’ ‘Maar ik ben wakker,’zei Oona, ‘hoewel ik het gevoel heb alsof ik droom.’ ‘Dan pakken we nu je bundel en kun je eindelijk naar huis gaan.
De duizenden kabouters pakten haar bundel en droegen hem de hut binnen en toen Oona over de drempel stapte zag ze dat alles net zo was als zij haar leven lang had gedroomd: voor de ramen hingen zonnige gordijntjes en boven het vuur een glimmend gepoetste koperen ketel. En zij zag dat er nog veel meer was: tafels en stoelen, potten en pannen en de lepel waarmee men het ‘griddle-bread’ roert.

Oona keek naar de dwergen. ‘Ik weet niet waarom jullie dit deden’, zei ze  ‘en ik wil ook niets vragen, behalve één ding: breng mij iedere Witte Kerstmis mensen die ongelukkig, ziek of eenzaam zijn. Ik zal het vuur dan opstoken, waaraan zij zich kunnen verwarmen en ik zal het brood bakken waarmee zij hun maag kunnen vullen. Hier zullen zij dan tevreden en gelukkig zijn.’ ‘Wij beloven het je, Oona Hegarty’, zeiden de elfjes. En toen waren ze weg Nog even hoorde Oona hun heldere stemmen in de verte, daarna werd alles stil.

Doodmoe viel de oude vrouw in een diepe slaap en toen zij wakker werd hoorde ze hoe de klink van de deur werd opgelicht. Vriendelijk zeï ze: ‘Kom binnen Maggie MacManus, ik heb al op je gewacht.’

Het uitgehongerde kind was verbaasd de stem van Oona te horen en een vrouw te zien die Oona misschien wel, maar misschien ook niet was. Zij lag geknield voor de haard en keerde het ‘griddle-bread’ en ze was jong en mooi; haar ogen waren hemelsblauw en haar lokken goudblond en zij leek wel iemand die tot het elfenvolk hoort.

‘Ga maar bij de haard zitten, Maggie,’ zei ze. ‘Je mag zoveel eten als je wilt en als je buik vol is mag je weer naar huis gaan.’

En toen Maggie weer thuis kwam vertelde ze van de Vriendelijke Hut en van Oona die weer als een jonge bruid was. Maar hoewel alle inwoners van Carn-Na-Ween nog maanden naar het hutje zochten, vonden zij het niet. En pas toen er weer een Witte Kerstmis was, zag de weduwe Molly Maclntyre, die was weggelopen omdat men haar naar het armenhuis wilde brengen, een kleine hut, waar achter de ramen een warm licht scheen. Maar zij is nimmer teruggekomen om in Carn-Na-Ween te vertellen hoe behaaglijk het daar was in die hut aan de rand van het veen.

Maar in Carn-Na-Ween weet men dat áls er een Witte Kerstmis is, er altijd hoop is voor een arm, eenzaam mens, dat de weg zal gaan die naar Killybegs leidt en daar zal worden ontvangen door een jonge vrouw die een Vriendelijke Hut bewoont.

(Bron bij mij onbekend)

Vertelstof: alle artikelen

 

717

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus

DE MINDERBROEDER VAN ASSISI

Bijna acht eeuwen geleden werd in een stad tussen de heuvels van Italië een der grootste geesten geboren die ooit in eeu menselijk lichaam heeft gewoond. Ook nu nog is hij uw vriend en de mijne, en het evangelie dat hij predikte is nog even zuiver als het gezang van vogels. Andere heiligen maken ons soms stil van eerbied door hun bovenmenselijke heiligheid, maar Franciscus van Assisi is zo zuiver menselijk als een mooi kind. Men noemde hem Poverello (Kleine arme man), maar hij was zo rijk in de dingen van de geest dat handelsmagnaten zich bedelaars voelden in zijn aanwezigheid.

Giovanni Bernardone — zo luidde zijn doopnaam — werd in 1181 of 1182 geboren in Assisi, in Midden-Italië. Zijn vader, Pietro Bernardone, een welvarend koopman, noemde hem Francesco, afgekort Cecco. Cecco ging net zo ongaarne naar school als de meeste jongens die meer van pretmaken houden, en kreeg maar weinig onderwijs, zelfs voor die tijd. Omdat hij bestemd was voor de handel, liet zijn vader hem de hele dag werken achter de toonbank en leerde hem hoe hij voordelig zaken kon doen. Maar als het avond werd, was hij de aanvoerder van de vrolijkste pretmakers onder zijn leeftijdgenoten. Kwistig was hij met geld voor al zijn vrienden, royaal schonk hij wijn voor hen. Hij was niet te verzadigen op het punt van mooie kleren. Pietro Bernardone schudde zijn hoofd, maar hield Cecco’s toelage desondanks niet in. Want uit die buitensporigheden maakten de bankiers op, dat hij zo rijk was dat hij zich een verkwistende zoon kon permitteren. Toen in 1203 de andere jonge mannen van Assisi opmarcheerden naar een van die plaatselijke oorlogen die destijds zo gewoon waren, ging de jonge Bernardone mee. Al in het begin van de campagne werd hij gevangen genomen. Na een jaar werd hij vrijgelaten, maar hij werd ernstig ziek, herstelde, nam weer dienst, werd weer ziek en herstelde weer. Maar zijn vroegere leefwijze had de bekoring voor hem verloren. Een geheel nieuwe aandrang begon zich in hem te openbaren. Terwijl hij op een avond door de straten zwierf, bleef hij als getroffen staan luisteren naar iets dat hij niet kende. Zijn makkers liepen hem vrolijk voorbij. Buiten de stad, op een heuveltje, viel hij op zijn knieën en bad.

Het keerpunt van zijn leven naderde. Toen Franciscus eens buiten de stad reed, werd hij aangesproken door een melaatse bedelaar. Als er iets was waar deze kieskeurige jongeman niet tegen kon, dan was dat melaatsheid. Zijn hoofd afwendend, tastte hij naar zijn beurs. Toen begon plotseling een fel wit licht in zijn hart te schijnen. Want de ongelukkige stakker had geen behoefte aan aalmoezen. Verschrikkelijker dan de ziekte moest de eenzaamheid zijn van deze onbeminde medemens. Franciscus sprong van zijn paard, liep op de melaatse af en omhelsde hem. Hierna dwong hij zichzelf, voortdurend het ziekenhuis voor melaatsen te bezoeken. Weldra besteedde hij zijn hele toelage om het ziekenhuis in stand te helpen houden.

Op een dag in 1206, toen Franciscus 25 jaar was, werd hij naar de stad Foligno gestuurd om op een jaarmarkt goederen te verkopen. Hij pingelde en marchandeerde, zoals hij dat had geleerd, om zoveel mogelijk winst te maken. Hij kreeg een bod op zijn paard en verkocht ook dat, als een uitgekookt zakenman. Te voet aanvaardde hij de thuisreis, niet wetend dat hij de laatste zakelijke transactie van zijn leven had afgesloten.

Want terwijl hij daar liep te midden van de rijpende wijngaar­den, beving hem een grote afkeer tegen alle manieren van geld verdienen. Bezit, zo ontdekte hij, veroorzaakte alle ruzie en slecht­heid die de wereld bezoedelden. Al peinzend over deze dingen bleef hij staan bij de kapel van San Damiano en knielde neer te midden van de bouwval. Ginds in de stad was de welvaart god. Maar Gods huis, hier op de vredige heuvel, was een ruïne. Nie­mand zorgde ervoor, behalve een oude priester, even arm als de duiven die onder het dak nestelden. En het leek Franciscus alsof hij de stem van Christus hoorde zeggen: “Herbouw mijn kerk.”

In latere tijden zouden de mensen bitter twisten over de vraag, of Christus slechts had bedoeld: “herstel deze kapel” of “hervorm de Kerk.” Maar Franciscus was een simpele ziel die zich niet ver­diepte in bovenzinnelijke vragen. Hij schudde de oude priester van de kapel wakker en bood hem het geld aan dat hij in Foligno had verdiend. Bij het zien van dit “manna” was de priester met stomheid geslagen, maar hij vond het toch raadzamer het te weigeren. Wel deelde hij zijn karig maal met de jonge zonderling, en gaf hem onderdak.

Toen Pietro Bernardone ontdekte waar zijn zoon was en wat hij wilde doen met het geld, haastte hij zich samen met de bisschop naar de kapel. Zachtzinnig wees de bisschop Franciscus erop, dat het niet zijn geld was en hij het dus niet mocht weggeven. Daarop gaf Franciscus het allemaal terug en trok op de koop toe nog de kleren uit die hij van zijn vaders geld had gekocht. Van nu af aan zou de wereld zijn enige thuis zijn, en alle mensen zijn broeders. Nooit zou bezit iets voor hem betekenen. Zijn zelfverloochening had niets van een starre godsdienstige discipline ter wille van persoonlijk heil. Hij probeerde slechts zichzelf te bevrijden om in navolging van Christus te kunnen leven. Maar hij voelde niets voor het leven van een monnik, ver van Gods schepping. Beter was het leven van een kluizenaar — dan kon hij de hemel zien en de vogels hun ochtendlied horen zingen, en de gezegende lucht van de vrijheid opsnuiven.

Dus ging hij in lompen op weg om te bedelen, niet om eten of geld — maar om stenen, om San Damiano te herbouwen. Als hij geld kreeg, kocht hij er stenen voor en droeg ze op zijn rug naar de vervallen kapel. En nu kwamen vrijwilligers hem helpen. Als hij het woord Gods predikte, stond hij niet op een preekstoel maar blootsvoets te midden van zijn medemensen, nog armer dan zij -hun “arme Cecco”. Hij had geen belangstelling voor de zwakheid van de mensen, maar voor hun kracht, niet voor de lelijkheid maar voor de schoonheid van het leven. Uit een boordevol hart hief hij lofliederen aan.

Zijn eerste volgeling was een rijke man die, tot woede van zijn erfgenamen, al zijn bezittingen verkocht en het geld aan de armen schonk. De volgende was een vooraanstaand rechtsgeleerde, die zijn leven voortaan geheel aan God wijdde. Deze drie stichtten de kleine gemeenschap van “De Mindere Broeders van Assisi.” Zij leefden niet volgens vaste orderegels zoals in de kloosters. Hun enige regel was wat Christus had gezegd tegen de Apostelen: Gaat en predikt; geneest zieken, reinigt melaatsen. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud of zilver in uw gordels, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf.

Al gauw groeide het aantal Franciscanen aan tot twaalf. Franciscus wilde niet dat zij een comfortabel huis accepteerden dat hun werd aangeboden. De minderbroeders huisden in hutten nabij het melaatsenhuis. Voor hun dagelijks brood waren zij afhankelijk van wat ze konden verdienen als dagloner of knecht op een boerderij, in wijngaarden of in steden. Als er geen werk was moesten ze bedelen om voedsel. Hoewel de anderen hem Vader Franciscus noemden, liet hij hen elkaar frater of broeder noemen, volgens een godsdienstige gewoonte van die tijd. En sinds die tijd zijn alle Franciscanen broeders geweest, maar geen monniken. In groepjes van twee tot vier trokken de broeders de wereld in om te prediken. Zij hielden hun ogen niet strak gericht op een gebedenboek; vaak hieven zij hun gezicht ten hemel en zongen. Als ze met elkaar praatten, spraken ze vaak over de bloemen langs de weg en de zang van de leeuwerik, over bergpanorama’s en zuivere bronnen. Maar hun werk lag in de steden, zoals Franciscus hen vermaande. Daar toefden de zielen die gered moesten worden; daar zuchtten de mensen in slaafse gebondenheid aan bezit en stand.

Maar zodra zij Assisi verlieten, waar men hen begreep, werden de Franciscanen bejegend met spot en schimp. Het volk hield hen voor landlopers die zich voordeden als heilige mannen; de rijken verdachten hen van gevaarlijk radicalisme en de priesters vreesden dat ze ketters waren. Menigmaal werden ze met stenen bekogeld en uit een stad verdreven. Bisschoppen weigerden hun toestem­ming tot preken te geven.

Franciscus, die nooit de priesterwijding ontving, begreep nu wel dat hij niet verder kon gaan zonder de pauselijke goedkeuring en hij ging op weg naar Rome. Hij werd voorgesteld in het Vaticaan en bleek even onweerstaanbaar als een kind en even vasthoudend als hij zijn zin wilde doordrijven. Paus Innocentius III gaf de Minderbroeders het recht tot preken en hij beloofde hun verdere gunsten als het goed ging. Hierop maakte Franciscus zich haastig uit de voeten; gunsten wilde hij niet. Opgewekt en blij togen de Franciscanen weer op pad. De mare van de Poverello snelde nu voor hem uit. Vaak werd hij begroet door een menigte die wuifde met groene takken en zong, terwijl de kerkklokken luidkeels beierden van vreugde.

Franciscus zelf voelde vaak de behoefte om weg te glippen naar de natuur. Dan zocht hij een eenzaam bosje op of zat alleen op een
heuvcl. Het dierbaarst was hem een klein eilandje, waar slechts de kabbelende golven hem konden vinden. Hij voelde zich verwant met de hele natuur. Hij sprak over “Broeder Haas” en “zuster Zwaluw”, en dat meende hij ook. De aanblik van dieren die werden gekooid of weggevoerd naar de slachtbank kon hij niet verdragen en hij deed altijd een goed woordje voor hen; zo spaarde hij het leven van duiven en lammeren, konijnen en fazanten. Volgens de legende toonden de dieren des velds en de vogelen des hemels hun dankbaarheid door bij hem te blijven en zich door hem te laten vertroetelen.

Het verhaal gaat dat hij eens, in Gubbio, hoorde dat een wolf de bewoners terroriseerde. Hij zocht het dier op en sprak als volgt tegen hem: “Broeder Wolf, je hebt mensen gedood, die gemaakt zijn naar Gods beeld. Hiervoor verdien je te worden gehangen als een misdadiger. Maar ik zou graag vrede met je sluiten. Als jij je slechte begeerten wilt verzaken, beloof ik je dat de mannen van Gubbio geen jacht meer op je zullen maken met honden en eten voor je klaarzetten. En nu moet je het mij beloven.” In vanaf die dag werd de wolf zelfs het troeteldier van de kinderen van Gubbio en deed nooit meer kwaad.

Op de avond van Palmzondag in 1212, terwijl Franciscus en zijn Broeders in gebed verdiept waren, zagen zij hoe een toorts snel naar hen toe werd gedragen door het bos — de brengster was een achttienjarig meisje dat zich aan de voeten van Franciscus wierp. Hij herkende het meisje, Clara, de dochter van een edelman uit Assisi. Zij hunkerde ernaar, zich te wijden aan een vroom leven, maar zij werd gedwongen tot een huwelijk en zij smeekte Franciscus, haar te verbergen. Door dit te doen maakte hij zich schuldig aan ontvoering en stelde hij zich en de Broeders bloot aan een schandaal dat hun ondergang kon worden. Toch aarzelde hij niet. Zelf knipte hij haar haren af; op grond van een machtiging die de paus hem had verleend nam hij haar op in zijn orde. Daarna vond hij onderdak voor haar bij de Benedictijnen en toen Clara’s zuster en weldra andere vrouwen en meisjes zich bij haar voegden, werd de orde van de Arme Clarissen gesticht, de zusterorde van de Minderbroeders van Assisi.

Maar daarbuiten in de wereld was men niet zo vlug als de heilige op zijn sandalen; Franciscus voegde zich bij de Vijfde Kruistocht naar Egypte om het Woord aan de Saracenen te verkondigen. Die Kruistocht was schitterend begonnen. De hertog van Oostenrijk, de koning van Hongarije, Jan van Brienne, de tempelridders, de ridderschap van Italië, de Venetiaanse kooplieden met hun schepen, zij allen waren present, met een vertegenwoordiger van de paus als oppercommandant. Maar er ontstond jaloezie; de soldaten lieten zich niet commanderen door een priester en het voornaamste doel van de pauselijke oppercommendant bleek, een enorme som geld los te krijgen van de sultan. Franciscus gruwde van de ledigheid van de Kruistocht. De Venitianen waren slechts uit op winst, de Tempeliers op bloed aan hun  zwaard, de gewone soldaten op buit.
Daarom drong Franciscus, tot woede van de Kruisvaarders, erop aan dat het vredesaanbod van de sultan, waarbij het Heilige Land teruggegeven zou worden aan de christenen, aanvaard zou worden. Maar op 29 augustus 1219 gaf de pauselijke commandant ongeduldig het sein tot de aanval en de christenen werden volkomen verslagen. Ongewapend, blootsvoets leidde Franciscus zijn groepje broeders over het brandendhete zand naar een vijand in overwinningsroes, die hem aanviel met stokken en stenen. Hij ten slotte voor Malik al-Kamil, sultan van Egypte en Syrië, Steun van Allah en Verdediger van het Geloof, gebracht, die meer angst inboezemde dan 50 wolven van Gubbio.
Wat was het dat Franciscus in staat stelde, het beest in dieren in dieren en mensen te temmen? Wij weten slechts dat hij drie keer predikte voor de opgetogen en eerbiedige, ongelovige vorst. Misschien stuurde de sultan Franciscus ongedeerd terug naar het christelijke kamp in de hoop, dat deze vrome kluizenaar betere christenen zou maken van de Kruisvaarders. Met toestemming van de sultan bezocht Franciscus het Heilige Graf, Nazareth en Bethlehem -,  hij was de enige van de mannen van de Vijfde Kruistocht die het doel bereikte. Zou het in Bethlehem zijn geweest dat Franciscus zijn merkwaardigste inval kreeg? Want toen hij terug was in Gréccio, Kerstmis 1223, liet hij een miniatuurstal bouwen; deze vulde hij met stro en hij liet houtsnijders geschilderde figuurtjes maken van het Heilige Kind en de Moeder, van de os en de ezel,  van schaapherders en donker getinte Oosterse koningen. Zo verhief Franciscus Kerstmis — tot die tijd alleen een bijzondere Heilige Mis – tot een feest van liefde, met aanbidding van het Kind Jezus stralend als een gouden kaars in het middelpunt.

Intussen groeide het aantal Minderbroeders. Sommige bekeerlingen drongen aan op een meer praktische wijze van leven. Waarom moesten zij langs de wegen zwerven en in de stad kunsten maken als potsenmakers? Waarom moesten zij leven in hutten? Waarom mochten zij geen geld aannemen voor liefdadige doeleinden en waarom mochten zij niet de priesterwijding ontvangen? Waarom konden zij geen Regel aannemen, een gcdragslijn, en hun organisatie officieel grondvesten? Sommige van de fraters betoogden met klem dat Franciscus te simpel was om de orde alleen te leiden.
Ook de Kerk was bezorgd. Er waren nu al 1200 Franciscanen; morgen konden het er 12 000 zijn. De enige manier om de onwaardigen te verwijderen, was hen te organiseren volgens de beproefde kloosterregels. Zelfs Franciscus begreep dat er iets gedaan moest worden; mensen die hij nauwelijks ooit had gezien, in wier harten hij niet kon lezen, wier handelingen hij niet kon voorspellen, noemden zich maar Franciscanen. Er zat niets anders op dan de paus te vragen, de Franciscanen een Regel toe te staan en een officiële raadgever aan te wijzen.
Toen liet Franciscus de Kerk zijn orde organiseren – zelf trok hij zich terug. Hij pakte broeder Pietro bij de hand en stelde hem ­aan tot vader van de orde. “Mijn gezondheid zal mij niet toestaan, zo goed voor jullie te zorgen als dat zou moeten,” zei hij. In werkelijkheid was hij moe. Zijn lichaam was uitgeput door voortdurende ontberingen en armoede. Een gevreesde ziekte had hem overvallen en vreemde wonden verschenen op zijn handen voeten. Ze zagen eruit alsof nagels waren geslagen door zijn twee handen en voeten — de “stigmata”, of merktekenen van de Kruisiging, riep de Broeder vol eerbied.

Franciscus sprak nooit over zijn lijden. In plaats daarvan                 componeerde hij op zijn ziekbed een lied. Hij noemde het zijn Hymne aan de Schepping en hij zong het verzaligd steeds en steeds weer; de Broeders moesten het ook leren en om zijn bed staan en voor hem zingen. Dit was die hymne:

Allerhoogste, almachtige genadige Heer!
U zij alle lof, roem en eer en iedere zegening!
Geloofd zij Gij, Heer, met al Uw schepselen,
vooral onze edele broeder zon;
hij schept de dag en door hem geeft Gij ons licht.
Schoon is hij, stralend met grote glans:
Uw beeld weerspiegelt hij, Allerhoogste.
Geloofd zij Gij, o God, voor onze broeder wind,
voor de lucht, voor de wolken, voor goed en voor alle weder, waarmee Gij Uw schepselen in stand houdt.

alle biografieën

over het vertellen van legenden

701

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – 2e klas (3)

Steiner over vertellen in klas 2; over fabels en legenden; idem; idem;  fabel en legende in de taalles;  idem
vertelstof: alle artikelen
2e klas: alle artikelen

 

‘Hoe groter geest, hoe groter beest’

Als er in de klas een leuke fabel verteld iszoals van de vos en de ooievaar en de hele klas zich heeft verkneuterd om het gebeurde, roepen plotseling enkele kinderen: ‘Nog één, nog één!’ Het is waar: een fabel is maar kort. Het is voorbij voordat je het weet.Wel kun je er veel omheen vertellen, maar het uiteindelijke verhaal is maar kort. Toch is er, denk ik, nog een andere reden waarom de kinderen er “nog één” wilden horen. De fabel is zó hun wereld, dat ze er maar niet genoeg       van kunnen krijgen. De kinderen van de tweede klas léven in de slimheid. Ook de fabel waarin de vos de wolf te slim af is en hem in een put laat neerdalen in een emmer, gaf aanleiding tot groot enthousiasme. Toen de kinderen daarna nog het een en ander naar voren brachten zei één van hen: ‘Maar ik ben ook slim hoor!’ Als ik op mijn fiets zit en de vos komt eraan, dan rij ik lekker gewoon door.” Op mijn vraag of hij echt dacht dat da vos niet zo slim was om hem van zijn fiets af te lokken, antwoordde hij: “Nee hoor, ik ben slimmer.”
Het is overigens niet alléén de slimheid die de kinderen hogelijk waarderen, maar toch steekt ze met kop en schouders uit boven de andere voortreffelijkheden van de mens. Goed beschouwd is deze vossennatuur niet altijd prijzenswaardig. Door zijn slimheid berokkent de vos meestal aan anderen grote schade of groot leed. De slimheid, gulzigheid, leedvermaak, hoogmoed en vele andere capriolen van de menselijke ziel behoren niet tot onze beste eigen­schappen, maar liggen vaak wel het éérste klaar om naar buiten te treden.
Wie oplet en naar de kinderen kijkt, ziet dan ook niet alleen deze eigenschappen, maar ontdekt na enige tijd ook met welk dier het kind zich erg verwant voelt of op welk dier het, in het fabelverhaal, lijkt. Zo ontdekte ik in de klas een echte ‘poes’: poeslief, maar pas op: ze kan ook ineens kattig zijn. Ook een ‘keffend straathondje’ en een ‘wolf’ lieten zich snel ontdekken en ‘vossen’ zijn er eveneens. De dierenkarakters in hun eenzijdigheid leven overigens in ons allemaal.
Vooral de mensen die zeggen: ‘Zo ben ik eenmaal’,  en vervolgens doorgaan even bot, hoogmoedig of schrokkerig te zijn, leven als een tweedeklasser in zijn onhebbelijke eigenschap. Er is echter een groot verschil tussen de volwassene die weigert een beetje aan zelfopvoeding te doen. De tweedeklasser is het onbewust, de volwassene is het zich vaak wel bewust. Omdat het bij kinderen onbewust is, moet men daar ook verwachten dat allerlei maatregelen om het kind een bepaalde onhebbelijkheid af te leren of te bespreken, het beste helpen. Natuurlijk moet een kind dat zich lomp gedraagt, erop gewezen worden dat het een goede hand geeft en netjes eet, enz. Het achterwege laten van zulke correcties leidt alleen maar tot onverschilligheid en egoïsme. Hierbij laat ik achterwege dat de manier waarop ook nog heel belangrijk is: hoe corrigeer je die lompheid.                                                   Toch is het mijn stellige overtuiging dat iets wat onbewust leeft het sterkst geholpen kan worden als het onbewust wordt gecorrigeerd. Waar kun je als leerkracht hier een geweldige serie verhalen te hulp roepen, die mits ze goed verteld worden, een diepe werkzaamheid kunnen hebben op het kind.

Nu vertelt men de legende. Ik plaats de legende nu naast de fabel.
Waar we in de fabel de meer directe en vaak onhebbelijke eigenschappen vinden uitgebeeld die de mens kan bezitten, vinden we in de legenden uiteindelijk het tegenbeeld.
De tweedeklasser wordt een beeld voorgehouden van een mens die moet worstelen tegen smaad, eenzaamheid, ziekte en armoede en die overwint doordat hij oprecht het edelste en zuiverste wil zoeken en dienen. Uit deze strijd komt een “andere” mens tevoorschijn: een Christen, in de ware zin van het woord. Iemand die de lijdensweg wil gaan en daaruit weer opstaat en dan zegenend kan werken voor andere mensen. Zoals de slimheid gebruikt wordt ten eigen nutte, zo gebruikt men verstand en later zelfs zijn wijsheid in het voordeel van andere mensen.
Toen ik in de klas de schitterende legende van de heilige Beatus had verteld, verzuchtte één van de kinderen: ‘Ik wou dat ik Beatus was’. Deze wens staat lijnrecht tegenover het slim zijn, gulzig zijn, enz. Het
is als een wens, ‘zich richten op iets heel hoogs en edels”.

Zo treden in wisselwerking fabel en legende op in de tweede klas. Men kan daar niet alleen maar legenden vertellen, maar moet ook de slechte eigenschappen laten klinken en uitspelen die in de fabels naar voren komen (er komen overigens ook edeler eigenschappen in fabels voor, zoals standvastigheid en edelmoedigheid, het gaat echter om de grote lijn)Herkenning van het lagere in ons innerlijk, moet worden opgeheven door het ‘streven’ wat ons toeklinkt vanuit de legenden. Niet alles ineens veranderen, maar langzaam, stap voor stap: altijd. Wie zo  oefent als volwassene zal ontdekken dat er steeds meer beesten de kop in ons opsteken.
Voorwaar, een grote geest worden, is geen gemakkelijke weg. Want hoe groter geest, hoe groter beest erop je afkomt en soms nog ook in een aardige vermomming.
Er is echter nog een kant aan dat aardige spreekwoord, waarmee dit artikel begon. En dat is namelijk dit: wie denkt al een aardige grote geest te zijn, heeft vaak nog menig groot beest in zich verscholen.

Als een tweedeklasser een jaar lang de kleurrijke menselijke eigenschappen heeft doorleeft en telkens weer tussendoor het grote voorbeeld heeft zien op­lichten, dan is er voor de opvoeding van deze tweedeklasser al bijzonder veel gedaan. Het zou echter een illusie zijn te verwachten dat de resultaten hiervan direct aan het licht zouden treden. Ik denk dat de beeldentaal van fabels en legenden evenals die der sprookjes wordt opgeslagen in de diep gelegen schatkamers van de menselijke ziel waaruit ze pas veel later weer te voorschijn zullen komen. Waar ze dan hopelijk, de mens tot steun kunnen zijn in zijn levensloop.

Anne Machiel, vrijeschool Middelburg, nadere gegevens onbekend)
Steiner over vertellen in klas 2; over fabels en legenden; idem; idem;  fabel en legende in de taalles;  idem
vertelstof: alle artikelen
2e klas: alle artikelen

In de passages uit Steiners voordrachten, vermeld onder de link, wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.

Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.
Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.

Jakob Streit heeft in zijn ‘Ich will dein Bruder sein’ op een bijzondere manier over een aantal heiligen geschreven in zijn beeldende verteltrant – erg geschikt om te gebruiken.