VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/21)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.


.
Uit Roemenië

.

De sprinkhaan*
.

De dieren in de stal van Bethlehem hadden honger en riepen luid om voer. Dat sneed Maria, de goede moeder, door de ziel en zij was bij al haar noden ook bezorgd om de klagende dieren. Uit alle hoeken en gaten van de stal verzamelde ze de verstrooide halmen, maar het was nauwelijks een handjevol dat ze voor de dieren bij elkaar sprokkelde. Toen liep ze, terwijl ze haar Kindje toevertrouwde aan de dieren, naar buiten, naar een boer en vroeg hem met vriendelijke woorden om wat hooi voor de trouwe dieren in de stal. Maar de man wees de smekende vrouw bars terug: hij had zelfs nauwelijks genoeg in zijn schuur, want maaien liet hij liever aan anderen over, de zomer is te mooi om op het veld te gaan staan met een kromme rug en maar zweten.
Hoe moeder Maria ook smeekte, het hielp geen zier: de man kruiste zijn armen achter z’n rug en schudde zijn hoofd: ‘Bedelvolk krijgt niks!’

Maar nu trokken donkere wolken over het gezicht van de lieve vrouw, bij al haar zorgen en noden kwam nu ook de teleurstelling. Hard waren haar woorden in haar boosheid: ‘Wie voor de armen en bedelaars niets over heeft en ook nog een luilak is die niet wil werken, krijgt zijn verdiende loon. Je hele leven lang zal je gras moeten maaien, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, halm voor halm, zonder dat je er zelf wat aan hebt!’ En terwijl de man nog spottend lachte en zei: ‘Wel, wel, wel! Dat denk je maar! Och, och, ha, ha! werd Maria’s woord al bewaarheid: de man schrompelde langzaam ineen, droeg plotseling groene kleren, werd kleiner en kleiner, armen en vingers werden zo dun als een graat en zijn benen ellenlang en daar sprong hij al als een groene sprinkhaan met zijn poten als stelten weg om nu de hele lieve dag lang de grashalmen een voor een af te knagen. En als hij eens een dor hoopje bij elkaar heeft, dan komen de mollen en de vogels en de mieren, die nemen het mee of de wind verwaait het, alle zonder hem te bedanken.
De groene sprinkhaan echter staat daar maar en jammert en moppert, zwaait met die lange poten en heeft het nakijken, hoe hij ook mopperend ratelt, raspt en tsjirpt.
.

*In het Duits staat hier ‘Heupferd’, dat niet alleen ‘sprinkhaan’ betekent, maar ook ‘stommeling’.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2412-2262

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/3)

.

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 11, 28-01-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 3
.

.In het eerste artikel van deze serie is gesteld hoe ons arbeidsbestel gekarakteriseerd wordt door een heilloze verknoping van de drie belangrijkste bestanddelen: de capaciteit die men inbrengt, het werk dat men doet en de beloning die men daarvoor krijgt. Alle drie gebieden worden gekenmerkt door een sterke hiërarchische ordening: zowel het onderwijsbestel waarin capaciteiten ontwikkeld worden, als de organisaties waarin gewerkt wordt als de salarisschalen die de beloningshoogte regelt.

In het eerste artikel werd de verknoping van opleidingsniveau en functieniveau besproken. De psychologische en de organisatorische consequenties werden onderzocht: resp. hoogmoed en verstarring.
In het tweede artikel werd gekeken naar de vervlechting van wijkniveau en beloningsniveau. Arbeidskracht wordt verkocht op de arbeidsmarkt. De prijs ervoor is het loon. Loonkosten verschijnen naast machinekosten en energiekosten in de boeken. Ze zijn uitwisselbaar. De illusie ontstaat dat de ‘bedrijfsbenen’ aan de touwtjes van het ‘bedrijfshoofd’ zitten en het lagere dus door het hogere wordt gedirigeerd. Dit harlekijn-model is onwaar, roept maatschappelijk steeds meer verzet op, maar wordt door de verknoping van loon en arbeid in stand gehouden.
In het tweede artikel werd ook gekeken naar de vervlechting van opleidingsniveau en wijkniveau. We zien hoe mensen (avond)studies volgen alleen maar om daarvoor een hoger inkomen te claimen, ongeacht het werk dat zij doen. Ook leeftijd leidt tot plaatsing in een hogere salarisschaal.

In het volgende artikel zullen we dieper ingaan op de fundamentele menselijke en maatschappelijke consequenties van deze verknoping van capaciteit, werk en loon. Ook op de samenhang met de sociale driegeleding zal worden ingegaan.

De ‘loon-capaciteit’ knoop

Wanneer we de derde zijde van de driehoek in ogenschouw nemen moeten we ons ook hierbij weer realiseren dat we een kunstgreep voltrekken. In de werkelijkheid zijn de drie componenten steeds tezamen aanwezig. Ten einde dieper in de driepoot van ons arbeidsbestel binnen te dringen, bekijken we steeds een relatie tussen twee factoren. Bij de hier aan de orde zijnde relatie is de mens zelf weer in het geding. We praten over zijn capaciteit die hij door opleiding en ervaring verworven heeft c.q. denkt te hebben. De verknoping met het loon betekent nu dat iemand op grond van zijn opleiding en verworven kennis aanspraak maakt op een bepaald inkomen, ongeacht de functie en de prestaties in die functie.

Een academicus verwacht, ook al komt hij meestal met twee linkerhanden zijn eerste baan binnen, op een bepaald niveau ,‘ingeschaald’ te worden. ‘Je verkoopt je opleidingsniveau.’ Wie met veel moeite zich van het mavoniveau tot havo heeft opgewerkt, komt met een hoogwaardiger product op de arbeidsmarkt en verwacht een hogere prijs. Dit is de achtergrond van het feit dat veel opleidingen vercommercialiseren, doordat het
studiemotief minder te maken heeft met een interesse voor het vak maar meer met de rendabiliteit van de investering: wat kost zo’n opleiding, welke offers moet ik brengen en welke inkomenseisen staan er later tegenover, welke opbrengsten kan ik straks verwachten?
Deze verknoping heeft vergaande consequenties: het effent de weg voor mechanisatie en werkloosheid; het maakt mensen loon-gericht i.p.v. werk-gericht, waardoor men het doel (behoeftebevrediging van de consument) uit het oog verliest; het leidt tot verstarring, omdat elke verandering in de werksituatie weerstand oproept. En tenslotte leidt het feit dat de bedrijfshiërarchie eigenlijk een salarishiërarchie is tot een steeds sterker benadrukken van de macht van de hoogst betaalden.

Een andere uitwas van deze knoop is in sommige gevallen de avondstudie. Met veel moeite wordt nog een studie boekhouden volbracht, een examen handelscorrespondentie afgelegd, een Schoeversdiploma gehaald omdat men daarmee aanspraak maakt op een hogere salarisklasse. In de arbeidsvoorwaarden staat b.v. opgenomen dat wie over een SPD (staatspraktijkdiploma) beschikt op een bepaald niveau wordt ingeschaald.

Op een wat andere wijze komt deze verknoping tot uitdrukking in de automatische inkomensverhoging met het toenemen van de anciënniteit. Daarachter ligt de filosofie dat iemands capaciteiten toenemen — dat hij meer waard wordt voor de organisatie — naarmate hij langer in dat bedrijf is. De schalen geven precies aan hoe veel die waarde-toename is voor elk jaar dat men ouder wordt. Pikante bijzonderheid is dat de hiërarchische standenstaat ook hier om de hoek kijkt. Hoe hoger het inkomen, hoe langer de schaal doorloopt. Een bankwerker is met 23 jaar al aan z’n plafond, een research-ingenieur kan tot z’n vijftigste nog ‘periodieken’ claimen. En zo worden jaarlijks honderdduizenden beloond, omdat zij ook dit jaar niet het initiatief hebben genomen van baan te wisselen, en ondanks het feit dat zij ook dit jaar nauwelijks van hun ervaringen geleerd hebben…

Wanneer we het loonbegrip naar z’n immateriële kant bekijken komen we weer in de eerste knoop terecht (capaciteit-werk). Men verwacht zich in zijn werk te kunnen uitleven. Wat men geleerd heeft, wat men kan, wil men kwijt in z’n werk. Eigenlijk verwacht men ook dat dat werk de mogelijkheid biedt tot capaciteitstoename. Men wil zich in en door zijn werk ontwikkelen. Boven bepaalde materiële inkomensgrenzen speelt deze immateriële beloning (bevrediging in de positie, uitleven in het werk) een grote rol. Daarmee zijn we — zoals gezegd — weer bij de eerste knoop terug. Dat wijst op de verknoping van de drie knopen. We moeten nu de totaliteit weer beschouwen.

Ontvlechting gewenst

We hebben in de voorgaand hoofdstukken de relaties tussen de drie hoekpunten van ons arbeidsbestel geanalyseerd en getracht de daarachter liggende paradigma’s bloot te leggen. In hun combinatie en wisselwerking ontstaat het beeld van een hecht doortimmerd bouwwerk. Elke verandering in een van de drie poten, elke poging tot ontvlechting van een van de drie knopen wordt bij voorbaat door de andere twee onmogelijk gemaakt.

Alvorens op de vraag in te gaan hoe concrete ontvlechting mogelijk is, moeten we ons met de veel fundamentelere vraag bezighouden waarom die ontvlechting überhaupt nodig en gewenst is. Wat zijn dan wel de schadelijke gevolgen van deze vervlechting? Aan het begin van dit artikel hebben wij een aantal actuele maatschappelijke verschijnselen genoemd (werkloosheid, afnemende werkmotivatie, gastarbeiders, e.d.) dat een fundamentele herbezinning op ons arbeidsbestel op z’n minst rechtvaardigt.

We hebben in de titel van dit opstel van een heilige driepoot gesproken. Daarmee is verwezen naar een beeld uit de Griekse mythologie. In de Delphische mysteriën speelde het orakel een grote rol. Dicht bij deze mysterieplaats was een spleet in de aarde. Daaruit stegen dampen op. Wanneer nu iemand levensraad kwam vragen bij het orakel, zette de tempelpriesteres — de Pythia — zich op haar gouden driepoot boven de spleet. Haar bewustzijn verhief zich tot de sfeer waarin zij het antwoord op de vraag kon vinden. Dat kleedde zij dan in raadselachtige taal zodat de vraagsteller alleen door grote wakkerheid en innerlijke activiteit de zin van het antwoord kon gaan doorgronden. De vragen en de antwoorden van het orakel hadden bijna steeds betrekking op het menselijk lot en op de juiste ordening van maatschappelijke verhoudingen (bijvoorbeeld: wie moet er regeren?).

De Pythia gezeten op een driepoot, spreekt een orakel. Zij houdt in de ene hand een laurier en in de andere een schaal, waarschijnlijk met water uit een aan Apollo gewijde bron. Schaal uit de 5e eeuw v. C.

We hebben het beeld van de driepoot gebruikt omdat men — in het beeld blijvende de vraag kan stellen welke Pythia er momenteel op deze driepoot celebreert. Uit welke sfeer haalt zij haar antwoorden op de vragen die door het arbeidsbeleid gesteld worden met betrekking tot de maatschappelijke ordening en het persoonlijk lot.

Wat de maatschappelijke kant betreft: de drievoudige verknoping van opleidingsniveau, functieniveau en inkomensniveau is de ideale voedingsbodem voor een totalitair centralistisch regiem.

Laten we een recent voorbeeld noemen. Het is bekend dat de overheid reeds thans een stevige greep heeft op de organisatie van het volksgezondheidsbestel. Wanneer men vervolgt hoe zij deze greep tracht te verstevigen kan men het spel langs de drie zijden van de driehoek exact waarnemen. Een van de ingrepen is in de inkomenssfeer: via de ziekenfondspremies, de behandelingsvergoeding, de verplichte pensioenen en dergelijke tracht zij het inkomen van artsen en specialisten in de greep te krijgen. Het ideaal in de verte is de overheidsarts met een door diezelfde overheid vastgesteld ambtenarensalaris.

Een tweede aanval voltrekt zich via de functie. De overheid stelt beroepsnormen vast, maakt categorieën van specialisaties en heeft via het uitreiken van vestigingsvergunningen de mogelijkheid deze normen ook praktisch te hanteren.

Een derde invalshoek loopt via de diploma’s. We lezen in de NRC van 13 juli ’76: ‘met ingang van 1.1.77 zal de richtlijn van kracht worden waarbij de diploma’s van artsen uit EG-lidstaten wederzijds worden erkend…De specialisaties zijn in drie groepen verdeeld… Er is een comité-consultative ingesteld dat maatregelen beraamt om op den duur alle opleidingen op gelijk niveau te brengen en daarmee het gehalte van alle artsen in de EG…

Aantasting vrijheid

Het behoeft weinig fantasie dat een overheid door dit spel over drie banden (wettelijk vastgestelde opleidingsniveaus gekoppeld aan wettelijk vastgestelde functie-inhouden, gekoppeld aan wettelijk vastgestelde inkomens) een steeds steviger greep op dit deel van het maatschappelijk leven krijgt. Dat hiermee een fundamenteel stuk menselijke vrijheid wordt aangetast behoeft geen betoog.

De beperkte omvang van dit artikel laat niet toe om ook voor andere maatschappelijke sectoren (landbouw, industrie, dienstverlening en dergelijke) vergelijkbare tendensen aan te tonen. De lezer zal weinig moeite hebben ze zelf te vinden. Ze wijzen in dezelfde richting: overal waar de hier beschreven verknoping voortschrijdt, wordt de weg geëffend voor een heilloos overheids-centralisme. De Pythia die hier boven de driepoot zichtbaar wordt lijkt op de ‘invisible hand’ van Adam Smith die op geheimzinnige wijze alle individuele egoïsmen omvormt tot een algemeen welzijn (waarbij dan iedereen wel de laatste rest van individuele vrijheid moet hebben ingeleverd).

De Pythia heeft nog een ander gezicht. Ze versluiert de blik voor de menselijke biografie, ja maakt deze in zekere zin onmogelijk. Wat gebeurt er in een menselijke relatie wanneer deze als het ware afgekocht wordt met geld. Er heeft een ‘eerlijke’ ruil plaats gevonden: de een heeft zijn arbeidskracht geleverd, de ander een som gelds: ‘wat heb ik verder met jou te maken?’

Wat gebeurt er in een relatie tussen mensen die in feite voor elkaar werken (de een produceert wat de ander consumeert en omgekeerd) maar dat niet willen weten omdat ieder in de voorstelling leeft dat hij voor zijn loon, voor zichzelf werkt?

Identificatie

Wat gebeurt er in de biografie en in het zelfgevoel van mensen wanneer zij geïdentificeerd worden met het beroep dat ze uitoefenen en de opleiding die ze gehad hebben? Het zegt toch niets over mijn individualiteit dat mijn vooropleiding halverwege de mavo geëindigd is? Toch roepen de diplomacraten me steeds toe: ‘jij bent een gesjeesd mavo-baasje ’. Het zegt toch niets over mijn individualiteit dat ik bankwerkers-capaciteiten heb, maar de vakbond, en de fiscus en de sociale verzekering roepen mij luide toe ‘je bent een bankwerker’. Ik ga daar langzamerhand zelf in geloven. Als ik werkloos word, vind ik alleen bankwerkers-werk ‘passend’. En ik vind ’t heel normaal, als ik arbeidsongeschikt word en onder de AAW val, dat ik dan eerst door een arts word bekeken op rest-capaciteit als bankwerker, dan door een arbeidsdeskundige vanuit de vraag onder welke voorwaarden en met welke voorzieningen ik in welk bedrijf nog als bankwerker tewerk kan worden gesteld en vervolgens door een wetstechnicus die zich afvraagt wat de loonwaarde is van deze restcapaciteit en op welke aanvullende uitkering ik als bankwerker recht heb.

De paradigma’s achter deze sociale verzekeringswetgeving maken het bijvoorbeeld voor een team van geneeskundigen, arbeidskundigen en wetskundigen bijzonder moeilijk om iemand die voor zijn huidig beroep ongeschikt is geworden te benaderen vanuit de vraag ‘welke betekenis kan deze arbeidsongeschiktheid hebben voor deze mens, welke biografische opening wordt hier geboden, welke kans ligt er om later nieuwe ervaringen op te doen?’

Hiermee is de kern van de problematiek geraakt. Door de beschreven verknopingen worden de mensen niet alleen van elkaar vervreemd maar ook van zichzelf. Zij gaan geloven dat zij hun functie zijn. Zij zwemmen specialistische fuiken binnen waar zij niet meer uit kunnen en waarbij hun zelfgevoel steeds meer samengroeit met het specialisme dat zij uitoefenen. Zij lopen vast in een functionele structuur en krijgen hun lot niet meer in beweging omdat ze bang zijn geworden van mobiliteit.

Het is een smartelijke ervaring wanneer men merkt dat de voorstelling als zou arbeid tegen een prijs (het loon) verkocht kunnen worden het bewustzijn afdempt voor het feit dat de mens op aarde als unieke individualiteit een biografie leeft en dat de bronnen en doelen daarvan ver uitreiken boven het beperkte bereik van het arbeidsbestel waarin wij in dit leven een rol vervullen.

En hier zien we hoe de twee Pythia-gezichten in feite bijeen horen. Want een mens die gaat twijfelen aan zijn biografische uniekheid zakt af naar het niveau van het arbeids-respectievelijk het consumptietje. En voor een termietenstaat geldt maar één ordeningsprincipe: een centralistisch dirigerende overheid…

Onttroning

We zullen in het vervolg van dit artikel spreken over de onttroning van deze Pythia. Het doel daarvan is de ruimte te scheppen voor biografisch bewustzijn in het kader van een maatschappelijke structuur met een menselijk gelaat. We moeten ons daarbij wel realiseren dat ons deze verknoopte driepoot ook al uit het innerlijk van de mens tegemoet treedt. De paradigma’s zijn reeds in het onderbewustzijn verankerd.

Eliot Jaques — een psycho-analytisch psychiater en teven organisatie-adviseur – heeft een boek geschreven over billijke beloning (1). Hoofdstuk XII wijdt hij aan de zogenaamde work-payment-capacity nexus. Hij beschrijft een groot aantal gevallen waarin het capaciteitsniveau, het functieniveau en de beloningshoogte op verschillende wijze gerelateerd waren (ik werk beneden m’n niveau maar de betaling voor dat werk is correct c/p ; ik word voor m’n capaciteiten rechtvaardig betaald maar het werk is beneden niveau pc/w ; werk en capaciteit passen bij elkaar, maar eigenlijk krijg ik te veel geld p/cw etc).

Als psychiater hoorde Jaques hoe de mensen zulke situaties beleefden, welke schuldgevoelens, angstgevoelens, minderwaardigheidsgevoelens en dergelijke ze opriepen. Zijn conclusie was dat er in de door hem onderzochte mensen een verrassend overeenkomstig oordeel (innerlijke stem) was met betrekking tot de in dit artikel genoemde paradigma’s: een bepaald niveau van capaciteit moet zich in een overeenkomstige functie kunnen uitleven en dat geeft het recht op een daarbij horend inkomensniveau.

Drieledigheid

Het arbeidsbeleid is een onlosmakelijk deel van de samenleving. Hoe hangen de
componenten van dat arbeidsbestel samen met de maatschappelijke structuur? Anders geformuleerd: is er in de maatschappij structuur als geheel sprake van een ongezonde vervlechting van bestanddelen waarvan de verknopingen in het arbeidsbestel een afschaduwing zijn?

Dat is inderdaad het geval. In 1919 heeft Rudolf Steiner in schrift (2) en door actie geijverd voor een nieuwe maatschappelijke orde. Hij beschreef de Europese crisis als veroorzaakt door een heilloze verstrengeling van het geestelijk-culturele leven (kunst, wetenschap, religie, opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg) van het economische leven (productie, handel, consumptie) en het sociaal-politieke leven (spelregels voor het samenleven van mensen en groepen).
Hij toonde aan dat de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap (onderlinge hulpverlening) leidende beginselen zijn voor respectievelijk het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven, maar dat diezelfde principes in de andere bereiken chaotiserend en vernietigend werken. Een verdere vervlechting van deze maatschappelijke sub-systemen zou — zo was Steiners visie — alleen maar de bodem kunnen bieden aan staatscentralisme. Een dergelijke maatschappijvorm zou lijnrecht ingaan tegen de ontwikkeling van de mens in de richting van vrijwording, emancipatie, sociale verantwoordelijkheid en dergelijke.

Zijn therapie ging in de richting van een sociale driegeleding: een gelijkwaardig naast elkaar plaatsen van een relatief autonoom geestesleven, politiek leven en economisch leven en een vervlechting daarvan, niet bureaucratisch-institutioneel, maar doordat concrete mensen (op den duur alle) bewust verantwoordelijkheden op zich nemen voor het vormgeven aan de subsystemen en aan hun samenspel (als student, als docent, als patiënt, als burger, als producent — ondernemer en arbeider —, als consument, enzovoort).

In het kader van dit artikel kunnen we deze gedachten niet verder uitwerken. Voor details zij naar actuele publicaties verwezen (3).
Goethe heeft in zijn sprookje van de groene slang en de schone lelie dichterlijk-beeldend op deze problematiek gewezen. Hij beschrijft een rijk dat beheerst wordt door een gemengde koning, bestaande uit een legering van goud, zilver en brons. De tijd van deze koning is voorbij en er breekt een tijd aan waarin drie koningen — een gouden, een zilveren en een bronzen — tezamen zullen heersen.

Is onze blik eenmaal gericht op de problematiek van de gemengde koning dan gaan we deze overal herkennen. Dit opstel tracht de gemengde koning in het arbeidsbestel ‘aan de kaak te stellen’ en te laten zien dat zijn tijd afgelopen is.

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de gemengde arbeidsbestelskoning van dezelfde familie is als degeen die wij hiervoor beschreven. Achter capaciteit en opleidingsniveau verrijst het geestelijk-culturele leven. Alles wat wij aan capaciteiten in de sociale ruimte binnen dragen ten behoeve van het arbeidsproces is resultaat van de wisselwerking tussen een individu en het hem corrigerende geestesleven (opvoeding, overdracht van waarden en normen etc.). Achter werk en functieniveau verschijnt het economische leven. In onderlinge arbeidsverdeling werkt de een voor de behoeftebevrediging van de ander. Door de arbeidsverdeling ontstaan gespecialiseerde organisaties en daarbinnen gespecialiseerde functies. Die zijn het kader waarbinnen de mens zijn capaciteiten ter beschikking stelt.

En achter het loon en het inkomensniveau verschijnt het rechtsleven. De centrale vraag wat een rechtvaardig loon is, vindt haar uitgangspunt in het rechtsgevoel van de betrokkenen. Wetenschappelijk (vanuit het geestesleven) vaststellen wat een rechtvaardig loon is, is even absurd als te denken dat — zoals Adam Smith dat deed — uit het marktmechanisme van vraag en aanbod een rechtvaardig loon resulteert.

Sociale hoofdwet

Wanneer we de gemengde koning in het arbeidsbestel aanpakken, zitten we tevens in het hart van zijn ‘grote broer’. In 1905 publiceert Steiner voor ’t eerst iets op het gebied van sociale vraagstukken (4). Hoewel in die opstellen nog geen sprake is van sociale driegeleding zijn alle kiemen ervan reeds aanwezig. Het is van belang te weten dat hij in deze eerste publicaties de zogenaamde sociale hoofdwet publiceert. Deze wet staat in duidelijke oppositie met Adam Smith die van mening is dat de som van alle egoismen vanzelf (via de ‘invisible hand’) tot een algemeen welzijn leidt.

De sociale hoofdwet luidt: het welzijn van een totaliteit van samenwerkende mensen is des te groter, hoe minder de enkeling de opbrengsten van zijn prestaties voor zichzelf opeist, dat wil zeggen, hoe meer hij van deze resultaten wegschenkt aan zijn collega-werkers en hoe meer zijn behoeften niet uit zijn eigen prestaties maar uit die van de anderen worden bevredigd.’

Deze hoofdwet wijst in feite reeds op de ontvlechting van de drie componenten van het arbeidsbestel. Er is sprake van capaciteit (grondslag voor prestaties) die ter beschikking worden gesteld (niet verkocht) omdat andere mensen daardoor bevrediging van hun behoeften kunnen ervaren. Het werk ontleent zijn zin en motivatie aan de behoeftige medemens, niet aan het feit dat men daardoor in eigen levensonderhoud voorziet of dat men er zijn capaciteiten in kan uitleven. Over loon wordt in deze wet schijnbaar niet gesproken. In feite is dit gebied als het ware uitgespaard. Als men zijn capaciteiten niet verkoopt, en de resultaten van zijn werk niet voor zichzelf opeist, blijft als enige mogelijkheid met betrekking tot het inkomen een overleg in de rechtssfeer over de relatieve inkomenshoogte.

Inrichtingen

Van belang is nog op te merken dat Steiner geen morele eisen stelt, maar dat hij in het vervolg van zijn artikel uiteenzet dat de mens uit inzicht in zijn eigen a-sociale gedragingen en inkomens-egoïsme en uit inzicht in het desastreuse effect van deze a-sociale gedragingen voor de gemeenschap, inrichtingen schept die het onmogelijk maken dat mensen hun arbeidskracht verkopen en de resultaten van hun werk voor zichzelf opeisen.

In het laatste gedeelte van dit opstel zullen we enkele van zulke inrichtingen beschrijven en hoe er in het klein mee geoefend kan worden. In feite is daarmee een aanzet gegeven voor een strategie ter ontvlechting van de componenten van ons arbeidsbestel.

(1) E.Jaques: Equitable Payment, Heineman London 1961
(2) R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23 Rudolf Steiner Verlag Dornach
Vertaald
(3) Bos, Brüll, Henny: Maatschappijstructuren in beweging, deel 1, 2, 3; Uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist 1973, ’74, ’76.
(4) R.Steiner: Anthroposophie und soziale Frage, GA 34  3 Aufsatze 1905, Rudolf Steiner Verlag Dornach.
Niet vertaald

Deel 1 van deze serie
Deel 2 
van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5
van deze serie

Sociale driegeledingalle artikelen

.

2411-2261

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/20)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.

Uit Duitland

.

HET GLIMWORMPJE
.


Boven in het gebinte van de stal waarin het Kindje Jezus in het kribbetje lag, zat een heel klein kevertje en dat keek heel verwonderd naar wat er in de stal gebeurde.
Het keek ook eens met één oog door een gat in het dak en toen zag het vol verbazing de grote ster aan de hemel staan. En met zijn andere oog keek het door een kier in de planken en zo kon het uitkijken over de verre velden en toen zag het hoe een engel de herders op het veld de blijde boodschap bracht en met zijn oortjes, ook al zijn die piepklein, hoorde hij wat voor wonderbaarlijke boodschap de engel bracht. 
Toen besloot het kevertje net zo te doen als de engel en het ging alle dieren in het bos de boodschap brengen van het wonder dat zich in de wereld voltrokken had.
Het vloog eerst naar de lichtende engel op het veld en wilde van hem precies horen wat hij moest vertellen.
Eerst zag de engel het kleine helpertje niet eens, maar hoorde een zacht zoemende vraag. Met plezier sprak de engel hem de tekst voor en toen het vol ijver wilde vertrekken, voelde de engel in zijn gouden haar dat een lichtgevend schijnsel uitstraalde en nam er een klein vonkje uit en plaatste dat op de rug van het kevertje, precies tussen de vleugeltjes, zodat het net een fonkelend diamantje leek. 
Toen vloog het weg en het liet zijn lantaarntje telkens oplichten en vloog van struik naar struik en van bloem tot bloem, van boom naar boom en wekte de vogels en de kevers, de libellen en de vlinders, de grote dieren, de kikkers in de plas en ook de wormen die nieuwsgierig uit de aarde omhoog keken. Ze waren alle zeer verbaasd toen ze dat vliegende lichtje zagen en ze dachten wel dat het een kevertje moest zijn dat nu met een lichtje in het donker rondvloog. En alle dieren in het bos en op de heide hoorden de blijde boodschap van het hemelse kind.

Toen het kevertje de hele ronde had gedaan, vloog het als een bewegend hemelslichtje, helemaal niet moe, terug naar de stal waar de moeder in een donkere hoek bij haar kindje de wacht hield en het bleef er de hele stille nacht trouw met haar lichtje bij zitten. Ze deed het pas uit toen de morgenschemering de dag aankondigde. 
Het kevertje mag vanaf die dag glimwormpje heten.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2410-2260

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/19)

.

Uit Stiermarken

.

DE SPREKENDE DIEREN

.

Zo snel als de gedachte zijn vlucht neemt, bereikte de boodschap van de blijde gebeurtenis in de stal in Bethlehem de dieren die veel slimmer zijn en veel meer bijzonders kunnen horen dan wij, geleerde mensen.
Weldra wisten alle schepsels het die op het veld of in de bossen leven of die rond het huis of de boerderij wonen. En allemaal maakten ze het geluid dat bij hen hoort: gekakel, gesnater, gemiauw, geblaf, gemekker, geblaat en nog veel meer, zoveel vreugde werd er geuit en luid en opgewonden vertelden ze elkaar over de grote gebeurtenis. ‘Heb je het al gehoord, buurvrouw…?’ En: ‘Beste vriend, wat daar toch allemaal gebeurd is!’ ‘Wie weet het nog niet, wie heeft het nog niet vernomen?’
De haan sloeg om middernacht plotseling met zijn vleugels, strekte zich zover mogelijk uit en riep: ‘Kukeleku, Jezus is er nu!’ En de hond die anders zo waaks was en het eerder had moeten weten, vroeg gelijk: ‘Wa, wa, wa, waar?’ De geiten echter wisten het precies en mekkerden belerend naar hem: ‘In Bèèèthlèèm. in Bèèèthlèèm!’ En een lammetje voegde eraan toe: ‘Ik wil erhèèèn, erhèèèn, erhèèèn!’ En de ezel die zich een beetje verslapen had, geeuwde: ‘I-aaa; i-aaa!’ 
Maar de kip die wel wist wat er moest gebeuren, rekte haar hals en ging op weg en ze riep alle dieren en kakelde: ‘We gaan er meteen op af, kom mee, kom mee!’ En toen riepen ze het allemaal naar elkaar en toen wist de hele wereld dat Jezus was geboren. 
Alleen de slak kwam te laat: dat is nu eenmaal een zeer bedachtzaam en langzaam wezen. Maar die zou toch ook niet zoveel hebben kunnen zeggen, dus was het ook niet zo erg dat ze te laat kwam.

De sprekende dieren kregen als dank en ter herinnering de gave om elkaar op het middernachtelijk uur van Kerstmis te kunnen verstaan en te kunnen spreken als de mensen.
En wie dat niet geloven wil, moet in de kerstnacht zijn oren maar eens spitsen, want precies om twaalf uur kan je de dieren horen spreken. En menigeen heeft op dit tijdstip al dingen gehoord waarvan hij denkt dat hij zijn oren niet kan geloven. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2409-2259

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/18)

.
Uit Nederland
.

DE HERDER IN HET VERENBED
.

Waar was het, waar was het niet? Er was eens – zoals men in Nederland weet te vertellen – een goedmoedige herder. Hij had het bij zijn heer heel goed en hij sliep in een bed van veren. Toen hij zich op een nacht wilde omkeren van zijn ene zij op de andere en daarbij behaaglijk mompelde, werd hij plotseling wakker. Hij wist niet hoe het kwam, maar opeens had hij aan het arme Kerstkind moeten denken over wie men vertelde dat het koud en bloot op een handje vol stro in een gammele houten kribbe lag en dat het ook nog eens vroor, want het was rond midwinter. Heel duidelijk stond de herder – droomde hij nu of was hij wakker – een beeld voor ogen, hoe de redder van de wereld nu armzalig naakt in een harde voederbak lag en hij, een herder, behaaglijk zacht en warm in zijn verenbed. Dat is toch niet rechtvaardig – jij – een kerel die het goed heeft en zo’n arm wiegenkind, zo’n beklagenswaardig stumpertje ligt in de vrieskou. 
En met een sprong was de herder van zijn bed af en nam de zak met veren onder zijn arm om die bij het Christuskind te gaan brengen, zoals hij het in zijn droom had gezien. 
En toen hij zo met het bont gekleurde verenbed over zijn schouder geslagen, met blote voeten over de afgegraasde winterweiden liep, stond daar plotseling een lichtende engel voor hem:  ‘Wees niet bevreesd, goede man! Wanneer het Christuskind het koud heeft is dat uit liefde voor alle mensen en ook voor jou, want lijden en ontbering leert men alleen door het voorbeeld te geven en door je eigen lijf. Maar jij zal eens door je kleine en toch zo grote geschenk dat je van harte geeft, aan de zijde zitten van Jezus die in de hemel is en wanneer het dan Christusdag, kerstdag is, mag je samen met het kind Jezus je bed over de aarde leegschudden, zodat de veren vrolijk neerdwarrelen.’

Als het op kerstdag sneeuwt, dan moet je weten dat de herder aan het werk is en zijn verenbed leegschudt, zodat de vlokken vrolijk dansen en alles met een sneeuwwitte laag bedekken. Bomen, struiken, bossen en velden slapen rustig onder deze deken die als donsveertjes uit de hemel komt, de vlokken en vlokjes uit het verenbed van de goedmoedige herder van toen. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2408-2258

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/17]

.

Onbekend

.

DE LAVENDEL
.

Enkele dagen na de geboorte van Jezus, ging Maria in een beekje de kleren van haar kind wassen. Toen zij ze op de oever te drogen wilde leggen, zag ze daar een onooglijk gewas staan. Om de andere bloemen en planten te sparen, besloot zij de kleertjes op deze plant te leggen. Toen zij na enige tijd terugkwam, merkte ze tot haar verwondering dat het gehele veld vervuld was van een heerlijke geur.
Niet wetend waar dit verrukkelijk aroma vandaan kwam, ging zij op zoek naar de plek waar zij haar wasgoed had achtergelaten. Nergens was het onaanzienlijke plantje meer te ontdekken. Plotseling stond de engel Gabriël voor haar en sprak: “Gezegend zij deze plant boven alle andere. Hij werd verkozen de kleren van het Kind te drogen en daarom zal hij vanaf heden bloemen dragen die de geur van het Paradijs verspreiden”.
Maria zag nu dat de plant prachtige, blauwe bloemen had gekregen en zij plukte een takje af en stak het tussen haar kleed, opdat de geur van het Paradijs haar altijd zou vergezellen.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:      Kerstmis    jaartafel

.

2407-2257

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/16)

.

Onbekend

.

De vogelmelk
.

Nadat de Ster van Bethlehem de Wijzen uit het Oosten de weg naar het kind Jezus had gewezen, spatte zij in duizen­den stukjes uiteen. Elk zo’n stukje werd een helder wit bloempje dat de hele nacht na Christus’ geboorte schitterend bloeide.
Sindsdien draagt de Vogelmelk ieder jaar een overvloedige hoeveelheid witte kelkjes, en eigenlijk is deze plant dus de ware Ster van Bethlehem.

De bloem lijkt op een ster

Bron

.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

2406-2256

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/15)

.

Er zijn verschillende verhalen in omloop die de titel ‘De kerstroos’ dragen.
Op deze blog: het onderstaande verhaal; en het (ingekorte verhaal van Selma Lagerlöff (14-2) Er is ook een Zwitsers sprookje over een roos die in de winter bloeide

.

Bron onbekend
.

de kerstroos
.

“Die bloem van wond’ren luister
waarvan Jesaja sprak,
Bloeid’ op, toen door het duister
het licht der wereld brak’,

luidt een oud kerstlied. Die bloem is de kerstroos, aan de grond ontsproten door de vurige wens van het dochtertje van een der herders, de kleine Jezus een geschenk te geven.
Het kleine meisje was echter zo arm dat ze niets bezat om weg te geven. Ze probeerde een bloempje te vinden op de velden van Efrata, maar vergeefs, elk sprietje groen was bedekt door een dik pak sneeuw.
Een engel die medelijden had met het kind, daalde uit de hemel en beroerde met zijn vleugels de sneeuw. Overal sprongen toen de kerstrozen uit de aarde, waarvan het meisje een grote bos plukte en naar de kleine Jezus bracht.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

.

386-364

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/6)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE ZOETE PAP

.

Pap, brij, was toch wel een van de eerste gekookte voedingsmiddelen van de mens en wat absoluut bij dit voedsel hoorde was natuurlijk de pappot, de brijpot.
In oude (scheppings)verhalen is soms sprake van een ‘hemelse brijpot’ (zon en maan), want die be -vat-te de macrokosmische krachten. Zon en maan als een pot waaruit aan de aardse mens kosmisch voedsel geschonken wordt. Dit voedsel kan je ‘vat-ten en be-vat-ten’, het Duitse ‘fassen’ en ‘er-fassen’, beetpakken en begrijpen. Beetpakken, aangrijpen wijst dan meer op het fysieke, stoffelijke; vatten, bevatten, begrijpen op de geestelijke tegenhanger: iets met je verstand ‘grijpen’ = be-grijpen. Vooral de zon – het zonlicht – hoort bij de wakkere mens; de maan werkt door in de levensritmen van groei en voortplanting. 
De vroegere mens, met andere bewustzijnskwaliteiten, beleefde deze krachten meer met een helderziend voelen en waarnemen, daarmee naar geest en ziel zich voedend.

In de loop van de tijd veranderde dit bewustzijn en zon en maan werden ‘gewone’ hemellichamen, uiterlijk bezien stoffelijke voorwerpen. Het gevoel van ‘een kosmisch vat met kracht’ ging verloren. 
De ziel ontving het niet meer en werd ‘arm’. 
Toch blijft de mens een microkosmos in de macrokosmos, in zijn kleine wereld vind je een weerspiegeling van de grote. 
De grote brijketel is er nog, maar de mens moet die zelf weer leren vinden om er geestelijk voedsel uit te halen.

Het sprookje vertelt het zo:

Er was eens een arm, vroom meisje dat met haar moeder alleen woonde en zij hadden niets meer te eten. Toen liep het kind het bos in en daar kwam zij een oude vrouw tegen die haar verdriet al kende en haar een potje gaf waartegen zij moest zeggen: ‘Potje kook’, en dan kookte het lekkere zoete gierstepap, en als zij zei: ‘Potje, stop’, dan hield het weer op met koken. Het meisje bracht de pot naar haar moeder toe en nu leden ze geen armoe en geen honger meer, maar aten zoete pap zo vaak zij maar wilden.

In de ziel – de ‘huishouding’ heerst armoede. Het oude, het overgeleverde en behoudzuchtige (de moeder) heeft honger en ook het kind – het jonge, het vooruitstrevende (de dochter) lijdt. Maar zij gaat op zoek, op pad. Ze is vroom en goed en dit zou haar kunnen helpen. Als je op pad gaat, kan het goede in je ziel voor een keerpunt zorgen. 

Nu komt zij in het bos. Het bos of het woud is in het sprookje vaak het beeld voor de vele groeikrachten in de natuur, voor het vegetatieve leven; vol levenskracht die ook woekeren kan. Het bos zorgt diwijls voor ‘verrassingen’. Dit sprookje wijst daarop. Iets wat al lang vergeten was, waar nog wel een sluimerend gevoel voor bestond, wordt nu opnieuw tot leven gewekt: de oude vrouw helpt het meisje door haar op de magische kracht van het woord te wijzen, op de wil die in het woord leeft: dat zal het voedsel zijn dat nodig is. Het kind krijgt weer een pot, Duits een ‘Ge-fass’! en daaruit zal weer kosmisch voedsel stromen. Naar believen kan ze er gebruik van maken.

Op een keer was het meisje uitgegaan; toen sprak de moeder: ‘Potje kook’, en meteen kookt het en zij eet ervan tot zij genoeg heeft. Daarna wil zij dat het potje weer ophoudt met koken, maar zij weet het woord niet. En dus kookt het verder en de pap loopt al over de rand en kookt maar door, de keuken en het hele huis vol, en dan het tweede huis en daarna de straat op als wilde de pap de hele wereld verzadigen en er heerst de grootste nood en geen mens weet raad. Eindelijk, als er nog maar één huis over is, komt het kind thuis en zegt alleen maar: ‘Potje stop’, en daar stopt het en houdt op met koken; en wie weer naar de stad toe wilde moest zich door de pap heen eten.

Het sprookje laat nu zien dat het zielenleven van het jonge meisje dat ‘op weg is gegaan’ en ‘in het bos is geweest’ een ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar dat de moeder in haar ontwikkeling is blijven stilstaan. Die kan wel iets in beweging brengen, maar ze heeft het overzicht niet en kan het niet beheersen; de mateloosheid zegeviert.

Dit sprookje wordt, volgens Lenz, bijna altijd verkeerd verteld, namelijk zo dat het kind de brijpot aan de kook gebracht zou hebben en dan de juiste woorden zou zijn vergeten. Maar het omgekeerde is het geval.

Het is een klein sprookje, het ziet er op het eerste gezicht bijna nietszeggend uit. Maar het is wel een loflied op het kind in de mens. Kunnen wij iets tegen onze kinderen zeggen dat troostrijker is? Kunnen wij meer zekerheid geven dat er altijd voedsel voor de ziel is als deze het zuivere van het kind heeft en ‘vroom’ is, dan door dit eenvoudige beeld? 

Natuurlijk moet je de beeldtaal van het sprookje nooit aan het kind uitleggen: de beelden moeten tegen het kind hun eigen taal spreken. Als het kind die eenvoudigweg in zijn ziel opneemt, zullen ze net zo voedend werken als de zoete pap in dit sprookje.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2405-2255

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/17)

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 311

Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit

 Torquay, 12 t/m 20 augustus1924

Op deze blog vertaald

Voordracht 1, Torquay 12 augustus 1924

Blz. 15  vert. 15

De 1e en de 2e levensfase zijn hier zo met elkaar verweven, dat de tekst voor de tandenwisseling daar is te vinden: Algemene menskunde [9-1-1/22].

Voordracht 2, Torquay 13 augustus 1924

Blz. 24  vert. 24

Gestern wurde von mir darauf hingewiesen, wie wir uns einen völli­gen Umschwung in der Entwicklung des Kindes zu denken haben beim Zahnwechsel. Es ist ja so, daß dasjenige, was man Vererbung, vererbte Merkmale nennt, durchaus nur in der ersten Lebensepoche des Menschen seine unmittelbare Rolle spielt. Im weiteren wird eben in den ersten sieben Jahren nach und nach ein zweiter Lebensorganis­mus in physischer Körperlichkeit auferbaut, der nach dem Modell des vererbten Organismus gestaltet wird, und der dann sozusagen fertig ist, wenn der Zahnwechsel sich vollzieht. Wenn die Indivi­dualität schwach ist, die aus der geistigen, aus der vorirdischen Welt herunterkommt, dann ist der zweite Organismus dem vererbten ähn­lich. Ist die Individualität stark, so sehen wir aber, wie sich zwischen dem 7. Jahre, dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, also um das 14. Lebensjahr herum, allmählich eine Art Sieg über die ver­erbten Merkmale ausbildet. Die Kinder werden anders, gestalten sich um, selbst in der äußeren Körperform.
Insbesondere aber ist es interessant, die Seelenmerkmale zu ver­folgen, die dann in dieser zweiten Lebensepoche zutage treten. In der ersten Lebensepoche vor dem Zahnwechsel ist das Kind gewisser­maßen ganz Sinnesorgan. Das müssen Sie im allerwörtlichsten Sinne nehmen: ganz Sinnesorgan.

De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens

Gisteren werd er door mij op gewezen dat wij aan een volledige omwenteling in de ontwikkeling van het kind moeten denken bij de tandenwisseling. Het is zo dat wat je erfelijkheid, erfelijke kenmerken noemt, toch alleen maar in de eerste levensfase van de mens een directe rol speelt. In het verdere verloop wordt juist in de eerste zeven jaar stap voor stap een tweede levensorganisme in de fysieke lichamelijkheid opgebouwd die zijn gestalte krijgt naar het model van het geërfde organisme en dit is dan klaar wanneer de tandenwisseling zich voltrekt. Wanneer de individualiteit die uit de geestelijke, uit de voorgeboortelijke wereld naar de aarde komt zwak is, dan lijkt het tweede organisme op het overgeërfde. Is de individualiteit sterk, dan zie je echter hoe tussen het 7e, de tandenwisseling en de puberteit, dus rond het 14e jaar, zich langzamerhand een soort overwinning op de tandenwisseling en erfelijkheid, de geërfde kenmerken voordoet. De kinderen worden anders, veranderen, zelfs in de uiterlijke lichamelijkheid.
In het bijzonder is het volgen van de zielenkenmerken interessant die dan in de tweede levensfase manifest worden. In de eerste fase vóór de tandenwisseling is het kind in zekere zin helemaal zintuig. Dat moet je heel letterlijk nemen: geheel zintuig.
GA 311/24
Op deze blog vertaald/24

Voordracht 6, Torquay 18 augustus 1924

Blz. 96  vert. 96

Wir müssen das Kind noch einmal recht ins Auge fassen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, müssen uns klar seindarüber, daß in den Jahren vor dem Zahn Wechsel durchaus die vererbten Merkmale in dem Kinde das Maßgebende sind. Das Kind erhält sozusagen von Vater und Mutter einen Modellkörper, der bis zum Zahnwechsel vollständig abgeworfen wird, und der wird während der ersten siebenjährigen Lebensepoche durch einen neuen Körper ersetzt. Der Zahnwechsel ist ja nur der äußere Ausdruck dieses Ersatzes durch einen neuen Körper, an dem das Seelisch-Geistige nun arbeitet. Ich habe Ihnen gesagt: Ist das Seelisch-Geistige stark, dann wird unter Umständen das Kind während der Schulperiode vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife sich sehr ändern gegenüber den Eigenschaften, die es vorher gehabt hat. Ist die Individualität schwach, so wird etwas zustande kommen, was den Vererbungsmerkmalen sehr ähnlich ist. Und noch bei dem volksschulmäßigen Kinde werden wir auf tiefgehende Ähnlichkeiten mit den Eltern oder Voreltern hinzusehen haben.

We moeten nog eens zorgvuldig naar het kind kijken tussen de tandenwisseling en de puberteit, Het moet ons duidelijk zijn dat in de jaren voor de tandenwisseling de geërfde kenmerken bij het kind echt de maatgevende zijn: het kind krijgt zogezegd een modellichaam van zijn vader en moeder, dat tot aan de tandenwisseling volledig afgestoten wordt en daarvoor in de plaats komt tijdens de eerste zeven jaar een nieuw lichaam. De tandenwisseling is slechts de uiterlijke uitdrukking van dit vervangen door een nieuw lichaam waaraan ziel en geest nu werken. Ik heb u gezegd: wanneer zijn ziel en geest sterk zijn, zal onder bepaalde omstandigheden het kind tijdens de schoolperiode van tandenwisseling tot puberteit erg veranderen wat de eigenschappen betreft die het daarvóór had. Is de individualiteit zwak, dan komt er iets tot stand wat erg lijkt op de erfelijke kenmerken. En bij het basisschoolkind moeten we nog rekening houden met diepgaande overeenkomsten tussen de ouders en de grootouders.

Nun müssen wir uns darüber klar sein, daß mit dem Zahnwechsel eigentlich erst die selbständige Tätigkeit des Ätherleibes des Menschen beginnt. Der Ätherleib hat in den ersten sieben Lebensjahren mit allem, was er an selbständiger Betätigung aufbringen kann, zu
tun, um den zweiten physischen Körper wirklich zu bilden. So daß

Nu moet het voor ons helder zijn dat met de tandenwisseling eigenlijk pas de zelfstandige activiteit van het etherlijf begint. Het etherlijf heeft in de eerste zeven levensjaar met alles van doen wat het aan zelfstandige activiteit genereren kan, om het tweede fysieke lichaam daadwerkelijk te vormen. 

Blz. 97  vert. 97

dieser Ätherleib in den ersten sieben Lebensjahren ein ausgesprochener innerer Künstler im Kinde ist, ein Plastiker, ein Bildhauer. Diese bildhauerische Kraft, die da vom Ätherleib auf den physischen Leib angewendet wird, wird frei, emanzipiert sich mit dem siebenten Lebensjahre mit dem Zahnwechsel. Sie kann sich dann seelisch betätigen. Daher hat das Kind durchaus den Drang, Formen plastisch oder auch malerisch zu bilden. Der Ätherleib hat ja die sieben ersten Lebensjahre hindurch an dem physischen Leib plastiziert und gemalt. Jetzt will er diese Tätigkeit, da er an dem physischen Leib nichts weiter oder wenigstens nicht so viel zu tun hat, außen ausführen.
Wenn Sie daher als Lehrer selber recht gut kennen, welche Formen am menschlichen Organismus vorkommen, und daher wissen, was das Kind aus plastischen Stoffen heraus gern formt oder was es mit Farben gerne hinmalt, dann werden Sie dem Kinde eine gute Anleitung geben können. Sie müssen aber selber eine Art künstlerischer Anschauung haben vom menschlichen Organismus. 

Zodat dit etherlijf in de eerste zeven levensjaren een uitgesproken innerlijke kunstenaar in het kind is, een beeldhouwer. Deze beeldhouwerskracht die door het etherlijf voor het fysieke lichaam gebruikt wordt, komt vrij, maakt zich op het zevende jaar los met de tandenwisseling. Daarna kan ze als zielenkracht werkzaam zijn.
Vandaar dat het kind een sterke drang heeft plastisch of schilderend vormen te maken. Zijn etherlijf heeft wél de eerste zeven jaar lang aan het fysieke lichaam geboetseerd en geschilderd. Nu wil het deze activiteit, omdat het aan het fysieke lichaam niet meer verder iets of tenminste niet meer zo veel heeft te doen, daarbuiten uitoefenen. Wanneer je dus als leerkracht zelf heel goed weet, welke vormen er aan het menselijk lichaam voorkomen en daardoor weet, wat een kind met boetseermiddelen graag maakt of wat het met kleur graag schildert, dan kun je het kind goede aanwijzingen geven. Maar dan moet je zelf wel een kunstzinnige blik op het menselijk organisme hebben. 

Blz. 104   vert. 104

Wir werden also sachgemäß mit dem Kinde so beginnen, wie ich es angedeutet
habe, wenn es in die Schule kommt. Es sollte eigentlich nicht in die Schule kommen, bevor der Zahnwechsel beginnt. Alles frühere schulmäßige Lernen ist im Grunde genommen Unfug; wenn wir durch die Gesetze gezwungen werden, müssen wir es ja tun, aber sachgemäß pädagogisch-künstlerisch ist es nicht. Sachgemäß pädagogischkünstlerisch ist, das Kind erst mit dem Zahnwechsel in die Schule hereinzubekommen.

Wanneer het kind dus op school komt, zullen we adequaat zo beginnen, als ik aangegeven heb. Het moet eigenlijk niet op school komen vóór de tandenwisseling begint. Al het voorschoolse leren is in de grond van de zaak een onding; wanneer we door wetten gedwongen worden, moeten we het doen, maar zinvol pedagogisch-didactisch is het niet. Zinvol pedagogisch-didactisch is, het kind pas met de tandenwisseling op school te laten komen.
GA 311/vdr. 6
Op deze blog vertaald/vdr. 6

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskundevoordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2404-2254

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/2)

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 10, 14-01-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 2

In het vorige artikel werd het arbeidsbestel gekarakteriseerd door een sterke verknoping van het
opleidingsniveau, het werkniveau en het betalingsniveau. Bepaalde in het onderwijs verworven capaciteiten behoren bij bepaalde functies en deze geven recht op een bepaald inkomen. In het eerste artikel van deze serie werd het zoeklicht gezet op de relatie tussen capaciteit en werk. Zowel het onderwijsbestel als het werk (in het kader van organisaties) is hiërarchisch geordend. Gewezen werd op de psychologische en de maatschappelijke consequenties van deze hiërarchische verknoping. Psychologisch leidt deze tot discriminatie en gevoelens van meer en minder waardigheid, maatschappelijk en organisatorisch leidt deze tot verstarring en fixaties.

In dit tweede artikel zullen we de vervlechting van werk en loon bekijken, alsmede die van loon en capaciteit.

In het voorgaande is geprobeerd de beloningscomponent buiten beschouwing te laten. Hier en daar verscheen hij reeds. En wie het eerste artikel in deze serie er nog eens op na leest, voelt in vrijwel iedere zin hoe de ‘Dritte im Bunde’ (de derde in het gezelschap) mee-aanwezig is. Door deze component wordt de verknoping nog veel hechter.

Prof. Kuiper van de V.U. heeft onlangs de suggestie los gelaten om iedereen, bijv. vanaf 18 jaar recht op een minimum inkomen te geven of hij werkt of niet. Zijn argument was dat nu reeds ca 1/5 van de beroepsbevolking om een of andere reden niet werkt en toch een inkomen (uitkering) heeft, terwijl ons rechtsgevoel zich daar niet tegen verzet. Wel nu, suggereerde Kuiper, waarom die zaak niet veralgemenen? De storm van verontwaardiging die hij hiermee heeft opgeroepen bewees hoe diep in ons gevoel arbeid en loon verknoopt zijn. ‘Alleen wie door de poort van de arbeid schrijdt heeft recht op de inkomens-wei daarachter te grazen’, zegt de een, en: ‘Wie in staat is tot werken en het niet doet is een parasiet, een klaploper’, vindt de ander. Een diep verworteld paradigma is de opvatting dat arbeid koopwaar is. Loon is de prijs van de koopwaar arbeid. Hoe schaarser het goed, hoe hoger de prijs. Op de arbeidsmarkt wordt de prijs van de arbeid volgens de wetten van vraag en aanbod bepaald. En ook als politieke factoren het economisch prijsmechanisme doorbreken is het paradigma niet minder van kracht. Dan staan vakbonden tegenover georganiseerde werkgevers. Proberen de laatsten het rendement van het geïnvesteerd kapitaal op een redelijk peil te houden, zo streven de eersten naar zo voordelig mogelijke condities waaronder arbeid wordt aangeboden. Door de koppeling met het loon wordt de hiërarchie van capaciteit en werk nog aanzienlijk versterkt. Een loonbedrag is exact en kwantitatief . Het werk wordt geclassificeerd en de punten van de schaal corresponderen met salarisbedragen. Zo ontstaat een heel systeem van op elkaar aansluitende salarisschalen. Dat geeft de hiërarchische standenstaat een veilige verankering in de emotioneel geladen inkomenssfeer.

Ook bedrijfseconomisch is het paradigma achterhaalbaar: loonkosten verschijnen als onkosten in de bedrijfscalculatie. Wanneer bepaalde producten gemaakt of bepaalde diensten geleverd moeten worden, wordt geschat c.q. berekend hoeveel materiaal daarvoor nodig is, hoeveel machine-uren, hoeveel energie etc. en tenslotte ook hoeveel boekhouders-uren, bankwerkers-uren, toezichthouders-uren.

De prijs van de uren is bekend, soms kan er nog over onderhandeld worden. Zo komt de onkostenpost loon tot stand. Daar worden de sociale ‘lasten’ (sic!) nog bijgeteld. De ondernemer kan nu gaan rekenen of het goedkoper is het werk uit te besteden of te mechaniseren i.p.v. er dure arbeidskrachten voor aan te nemen. Doordat arbeidsonkosten en machine-onkosten als vergelijkbaar in de boekhouding verschijnen, doordat machinekracht (c.q. machine-intelligentie) en arbeidskracht (c.q. mensen-intelligentie) als uitwisselbaar beschouwd worden, heeft de mechanisatie gemakkelijk spel. Bedrijfseconomisch is er geen speld tussen te krijgen, dat het voordelig, ja noodzakelijk is, bepaalde arbeid door machines te vervangen.

Macro-economisch leidt dit tot de merkwaardige paradox dat steeds meer mensen uit het arbeidsproces worden uitgeschakeld, omdat machines het goedkoper lijken te kunnen doen, terwijl steeds meer werk van b.v. verzorgende, verplegende, dienstverlenende, educatieve en helpende aard ongedaan blijft omdat het, bij het huidige loonniveau onbetaalbaar wordt. Aan de ene kant een groeiend leger werklozen, aan de andere kant een groeiend reservoir van onverrichte arbeid. En ondertussen kreunen de werkgevers onder de enorme sociale lasten die de loonkosten opdrijven. Ze moeten verder mechaniseren en mensen ontslaan. De lonen zijn te hoog. En die loonkosten zijn (o.a.) zo hoog omdat de toenemende bedragen voor werkloosheidsuitkeringen de sociale lasten zo opdrijven. Een van die benauwende duivelskringen waar onze tijd zo rijk aan is.

In het bovenstaande is gewezen op de maatschappelijke consequentie van de verknoping ‘werk – loon’. We willen nu nog wijzen op meer intern-organisatorische en psychologische consequenties. Wanneer mensen arbeid verrichten in het kader van functies die in geld worden uitgedrukt (‘This is a $ 20.000.-job’) is te verwachten dat zij zich steeds meer
loon-gericht in plaats van werk-gericht zullen opstellen. Dit is inderdaad een algemeen verbreid verschijnsel. Er is bij veel werknemers een opvallende onverschilligheid t.a.v. de consument waarvoor men werkt en het product dat men maakt.

Dit leidt tot voor een levende bewegelijke organisatie uiterst verstorende verschijnselen. O.a. is er het ‘opblazen’ (belangrijk maken) van functies door het inlijven (feitelijk of alleen maar op papier) van allerlei activiteiten die de functie in waarde (en dus in prijs) doen toenemen. In taakomschrijvingen verschijnen dan kreten als ‘coördinatie van werkzaamheden met afdeling x en y, overleg over prioriteiten met stafgroep z etc.’. Dat verhoogt de ‘communicatieve zwaarte’ van de functie en dat kan via de puntenclassificatie en de loonschalen net een paar tientjes in de week schelen.

Natuurlijk zijn er door het bedrijf aangestelde professionele functie-classificeerders die zulke zeepbellen weer doorprikken (en door de vakbond aangestelde
controle classificeerders die ze weer volblazen!). Maar het ‘spel’ is vaak onaangenaam en leidt tot harde uiteenzettingen in bedrijfscommissies en ondernemingsraden.

Het complement van dit verschijnsel is de chef die aan een medewerker vraagt of hij een leerling wil coachen, of hij bepaalde control werkzaamden zelf wil verrichten, of hij 1 dag in de week in de buitendienst wil meelopen etc. etc. en die van deze medewerker te horen krijgt dat hij daarvoor niet gehuurd is. In zijn arbeidscontract is van dergelijke werkzaamheden geen sprake. Of hij zegt dat deze functieverandering in feite een functieverzwaring betekent en dat derhalve eerst her-classificatie nodig is.

Een extreme vorm van dit verschijnsel, waarbij het geld tussen de baas en zijn mensen staat en een soepele samenwerking onmogelijk maakt, is het stukwerksysteem. De prestatie wordt gemeten en er wordt een norm gesteld. Zoveel stuks per uur levert het basisloon op. Elke tien stuks extra betekent zoveel gulden premie. In feite heeft de arbeider hiermee een vrijheidsruimte gekregen waarmee hij zich volledig kan afschermen tegen de leiding.

Ik heb regelmatig meegemaakt hoe extra werkzaamheden, methode-veranderingen, wijzigingen in productievolgorde e.d. op de grootste weerstanden stuitten, zodat ze voor de arbeider een inkomensderving betekenden. Ook maakte ik mee hoe een groep arbeiders om 3 uur het werk beëindigde. De baas sprak zijn verontwaardiging uit, want er was nog een grote achterstand in de productie. De arbeiders zeiden: ‘Wij hebben voor vandaag genoeg verdiend. Dat wij nu niet werken betekent voor ons een zelf gekozen inkomensderving. Dat is ons probleem en niet het jouwe’.

Zo wordt de werkmotivatie steeds meer loongericht en schuift de geldcomponent steeds meer tussen de mensen die het werk verrichten.

De ‘Equal-pay’-filosofie versterkt deze tendens nog. Deze filosofie betoogt dat het volstrekt onbelangrijk is, wie met welke opleiding onder welke omstandigheden het werk verricht. De functie wordt betaald. Of een man of een vrouw, een jeugdige of een oudere, een leerling of een geroutineerde er instapt is niet relevant…’

Tenslotte nog een laatste consequentie van de ‘werk-loon-knoop’ die we hier bespreken. Door de directe koppeling van een functie aan een loonbedrag is het vanzelfsprekend dat iemand die een functie van f 40.000.- bemant meer waard is, dus hoger staat in de hiërarchie dan iemand die f 20.000.- verdient. De bedrijfs-hiërarchie is in feite een salaris-hiërarchie. Hoe hoger, hoe machtiger, hoe meer inkomen. Deze hiërarchie wordt nog extra doortimmerd met rangen en titels (commies, referendaris, procuratiehouder, directeur, hoofd-directeur). Hoewel in alle bedrijven een dagelijkse strijd wordt gevoerd tegen titel-inflatie en rang-erosie, wordt het middel nog steeds gebruikt om het oeroude beeld van de piramide overeind te houden. Wat betekent dit voor de arbeidende mens? Het beeld van de piramide roept de voorstelling op dat het hoofd (de top, de machtigen, de ‘hoge salarissen’) dirigeert en dat de handen en voeten (de werkers, de uurloners) alleen uitvoeren. In veel organisaties gaan de mensen zich ook steeds meer gedragen naar deze voorstelling. Handen en voeten doen niets meer uit eigen initiatief. Zij wachten op directieven van het hoofd. Het hoofd groeit daardoor uit tot een waterhoofd. (Groeiende stafafdelingen op het hoofdkantoor, de ‘over-head’-kosten groeien de directie boven het hoofd etc.) en is steeds onmachtiger het geheel te leiden.

Steiner* heeft erover gesproken dat een dergelijk verziekt arbeidsbestel zo lang zal blijven bestaan als men het onderscheid maakt tussen sensibele en motorische zenuwen. In de klassieke neurologie wordt onderscheid gemaakt tussen zogenaamde sensibele zenuwen die de zintuigindrukken naar de hersenen leiden en de motorische zenuwen die de opdrachten van de hersenen naar de spieren zouden sturen. Een soort harlekijn-model waarbij de
ledematenspieren via zenuwtouwtjes door het hoofd gedirigeerd worden. Steiner heeft beschreven (en de ‘officiële’ neurologie begint na meer dan een halve eeuw schoorvoetend te volgen) dat de zogenaamde motorische zenuwen in feite ook sensibel zijn. Het enige verschil met de sensibele zenuwen is, dat zij niet de buitenwereld via oog, oor, neus, smaak etc. waarnemen, maar de eigen binnenwereld, met name de beweging van de ledematen, de spanning van de spieren, de stofwisselingsprocessen die daarmee samenhangen, het
lichaamsevenwicht e.d.

In feite komt het bewegingsorganisme van de mens tot activiteit als resultaat van een directe wisselwerking tussen het menselijke Ik en de omgeving. Via de motorische zenuwen wordt deze beweging waargenomen en tot bewustzijn gebracht. Het harlekijn model leeft nog zo sterk in de voorstellingswereld van de mensen (als gepopulariseerde medische natuurwetenschap) dat het onbewust ook aan onze organisaties ten grondslag wordt gelegd. En de verknoping van loon en werk kan deze onrealistische voorstelling m.b.t. het functioneren van sociale organismen alleen maar continueren, ja, tot een soort schijn-realiteit maken…Het gaat er dan inderdaad naar uitzien dat de hoger betaalden aan de ledematentouwtjes van de lager betaalden trekken. En wie hanteert de touwtjes van de hoogst betaalden?

*Dr. R. Steiner, Algemene menskunde

Deel 1 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5 van deze serie


Sociale driegeledingalle artikelen

2403-2253

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (52)

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

In Weleda Puur Kind verschenen recensies van verschillende kinderboeken, vaak met een thema zoals deze:

Patricia F.Wessels, Weleda Puur Kind lente 2006 nr. 17
.

Ontdekkingsreizen dichtbij en ver van huis

Wanneer het weer warmer wordt, trekken veel mensen erop uit, de natuur in en tijdens de vakanties zelfs de wijde wereld in. Voor het jonge kind zijn verre reizen niet echt nodig. De verkenningen in en om het huis zijn al ware ontdekkingsreizen. Achter het kleine zit vaak al een hele wereld verscholen. Een kind vindt spelend een fantasierijke invulling voor wat hij tegenkomt. Een holletje in een boom kun je bijvoorbeeld onderzoeken door er iets in te stoppen. Je kunt er dingen in laten verdwijnen, of met een stokje voelen hoe diep het is. Een iets ouder kind zal zo’n holletje ook betekenis geven; het kan een vogelschuilplaats zijn, een elfenhuisje of de bewaarplaats voor een zelf bedacht geheim. Als in het voorjaar de tuindeuren weer open gaan, breidt de wereld waarin van alles ervaren kan worden, zich voor jonge kinderen al enorm uit.

Dat is ook de invalshoek in Kriebelpoten.

Daarin neemt Hans Post de jonge lezer mee op reis door het huis en de tuin van poes Lika. Terwijl de mensen nog liggen te slapen, gaat Lika in de vroege ochtend op avontuur en komt zij allerlei diertjes tegen, van mier tot roodborstje. Dieren die ieder kind in zijn eigen omgeving ook zou kunnen aantreffen en herkennen. Naast het lopende en rijk geïllustreerde verhaaltje over de poes, zijn er op iedere pagina kleine toegankelijke stukjes tekst over de leefwijze van de talloze insecten en beestjes rondom het huis. In die zin is het een meegroei-boek. Als de peuter straks wat groter is en insecten gaat vangen om eens goed te bekijken onder een vergrootglas, dan wordt dit boek opnieuw interessant.

KRIEBELPOTEN

Hans Post
Ill. Irene Goede

BOEK
Uitgegeven door Lemniscaat

Als leeftijd wordt 3 jaar genoemd.
Dat lijkt mij voor het verhaaltje geschikt: langzamerhand van alles leren herkennen en benoemen.
De rechterpagina echter, zoals hierboven al werd aangegeven, is voor een 3-jarige te intellectueel; het is fijne informatie voor ‘later’:

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2402-2252

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/16)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 310

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik

Arnhem, 17 t/m 24 juli 1924

Vertaald

Voordracht 1, Arnhem 17 juli 1924 

Das Erwecken der pädagogischen Gesinnung aus der Erkenntnis des ganzen Menschen

Blz. 18   vert. 18

Betrachten wir den Menschen, wie er heute vor uns steht: das Kind,
Copyright Rudolf Steiner Nachlass-Verwaltung Buch:310 Seite:17
zunächst bis zum Zahnwechsel. Wir sehen ganz deutlich, die physische
Entwickelung geht parallel der geistig-seelischen Entwickelung. Alles
was geistig-seelisch hervortritt, hat sein genaues Gegenbild in dem
Leiblichen; beides drückt sich zusammen aus, kommt zusammen aus
dem Kinde heraus. Dann, wenn das Kind den Zahnwechsel überstanden
hat, sehen wir, wie das Seelische sich schon mehr emanzipiert vom Leiblichen. Wir werden auf der einen Seite eine geistig-seelische Entwickelung beim Kinde verfolgen können, auf der andern Seite eine leibliche.
Beide Seiten aber sind noch nicht stark getrennt. 

Menskunde, pedagogie en kultuur

Het wekken van een pedagogische mentaliteit vanuit kennis van de hele mens. – De voorwaarden voor een pedagogie met werkelijkheidszin.

Laten we de mens eens bekijken zoals hij nu voor ons staat: een kind, eerst maar eens tot aan de tandenwisseling. We zien heel duidelijk dat de fysieke ontwikkeling parallel loopt met de ontwikkeling van ziel en geest. Alles wat aan ziel en geest te voorschijn komt, heeft zijn precieze tegenbeeld in het lichamelijke; beide drukken zich samen uit, samen komen ze uit het kind te voorschijn. Daarna, wanneer het kind de tandenwisseling heeft doorgemaakt, zien we hoe de ziel zich al meer emancipeert van het lichamelijke. Aan de ene kant kunnen we bij het kind een geestes-zielenontwikkeling volgen, aan de andere kant een lichamelijke. Maar beide kanten zijn nog niet sterk van elkaar gescheiden.
GA 310/18
Vertaald/18

Voordracht 2, Arnhem 18 juli 1924

Das menschliche Leben in geisteswissenschaftlicher Beleuchtung
(Goethe, Schiller)

Blz. 38   vert. 40/41

Was entwickelt sich beim Kinde vorzugsweise bis zum Zahnwechsel? – Denn bis zum Zahnwechsel ist das Kind ein ganz anderes
Wesen als später, wenn man auf die Intimitäten des Menschen eingeht.
Eine gewaltige innere Verwandlung macht das Menschenwesen mit
dem Zahnwechsel durch, wieder eine gewaltige innere Verwandlung
mit der Geschlechtsreife. Bedenken Sie nur, was der Zahnwechsel für
den sich entwickelnden Menschen bedeutet. Der Zahnwechsel als solcher ist ja nur das äußere Zeichen für tiefe Veränderungen, die im ganzen menschlichen Wesen vor sich gehen, aber Veränderungen, die nur
einmal vor sich gehen, denn man bekommt nur einmal zweite Zähne,
man bekommt sie nicht alle 7 Jahre. Mit dem Zahnwechsel ist dann die
Zahnbildung abgeschlossen. Man muß dann seine Zähne das ganze Leben hindurch behalten, kann sie sich höchstens plombieren lassen oder
durch falsche ersetzen, aber man bekommt sie nicht wieder aus dem
Organismus heraus. Warum ist das? Das ist deshalb, weil gerade mit
dem Zahnwechsel die Kopforganisation einen gewissen Abschluß erlangt. Durchschaut man das, fragt man sich in jedem einzelnen Falle:
Was erreicht denn da eigentlich mit dem Zahnwechsel seinen Abschluß? – so wird man, gerade von da ausgehend, dazu geführt, die
ganze menschliche Organisation aufzufassen nach Leib, Seele und Geist.

Het menselijk leven geesteswetenschappelijk bekeken.

Wat ontwikkelt zich bij het kind vooral tot aan de tandenwisseling? – Want tot aan de tandenwisseling is het kind een heel ander wezen dan daarna, als je tenminste kijkt naar de meer innerlijke processen bij de mens. Bij de tandenwisseling maakt de mens een geweldige innerlijke verandering door, en bij het aanbreken van de geslachtsrijpheid nogmaals. Denkt u zich maar eens in wat het tandenwisselen voor de zich ontwikkelende mens betekent. De tandenwisseling als zodanig is toch slechts het uiterlijke teken voor de grote veranderingen die in het hele menselijk wezen plaatsvinden. Maar het zijn veranderingen die slechts eenmaal plaatsvinden, want je krijgt maar één keer een nieuw stel tanden, die krijg je niet elke zeven jaar.
Met de tandenwisseling wordt de vorming van de tanden afgesloten. Je moet je tanden dan je hele leven door houden. Hoogstens kun je ze laten restaureren of door valse tanden laten vervangen, maar vanuit het organisme krijg je er geen meer. Waarom is dat zo? Dat is zo omdat juist bij de tandenwisseling de vorming van ons hoofd een zekere afsluiting krijgt. Als je dit doorziet, dan vraag je je bij ieder individu af: wat krijgt bij het tandenwisselen eigenlijk zijn afsluiting? – Dan word je, van die vraag uitgaande, ertoe gebracht om de hele menselijke organisatie op te vatten naar lichaam, ziel en geest.

Blz. 39  vert. 41

Der Kopf des Menschen ist verhältnismäßig schon weit organisiert, wenn der Mensch geboren ist, denn während der Embryonalzeit ist der Kopf bis zu einem gewissen Grade ausgebildet; fertig ist er erst mit dem Zahnwechsel.

Het hoofd van de mens is relatief al verregaand georganiseerd wanneer de mens geboren is. Want in de embryonale tijd is het hoofd tot op zekere hoogte al ontwikkeld; klaar is het pas bij de tandenwisseling.
GA 310/38-39
Vertaald/40-41

Voordracht 3, Arnhem 19 juli 1924 

Die Differenzierungen in den menschlichen Lebensaltern

Blz. 52  vert. 54/55

Ganz anders wird es mit dem Kinde, wenn es den Zahnwechsel überdauert. Da wird sein seelisches Leben ganz anders. Es wird so, daß das
Kind nicht mehr bloß die einzelnen Gesten wahrnimmt, sondern die
Art und Weise, wie die Gesten zusammenstimmen. Während es vorher
zum Beispiel nur ein Gefühl hatte für eine bestimmte Linie, bekommt
es jetzt ein Gefühl für ein Zusammenstimmen, für das, wo etwas symmetrisch ist. Das Gefühl für das Zusammenstimmen und Nichtzusammenstimmen tritt auf, und das Kind bekommt dann in seiner Seele die
Möglichkeit, Bildhaftes wahrzunehmen. In dem Augenblick aber, wo
das Bildhafte wahrgenommen wird, tritt das Interesse für die Sprache
ein.

Differentiëring in de leeftijdsfasen van de mens

Heel anders wordt het wanneer het kind tanden heeft gewisseld. Dan wordt zijn zielenleven volkomen anders. Het neemt dan niet meer alleen de afzonderlijke gebaren waar, maar ook de manier waarop deze gebaren met elkaar overeenstemmen. Terwijl het kind voordien bijvoorbeeld slechts gevoel had voor een bepaalde lijn, krijgt het nu een gevoel voor harmonie, voor waar symmetrie leeft. Het gevoel voor wat wel en niet met elkaar overeenstemt, treedt op. Het kind krijgt in zijn ziel de mogelijkheid om het beeldende waar te nemen. Maar op het ogenblik dat het beeldende wordt waargenomen, komt de interesse voor taal naar boven.
GA 310/52
Vertaald/54-55

Voordracht 4, Arnhem 20 juli 1924

Das lebendige Herantreten an die Kindesnatur durch das Begründen eines
Verhältnisses zur Welt

Blz. 70      vert. 74

Wir können fragen: Wo sind denn die Kräfte des ätherischen Leibes
des Menschen in der ersten Lebensepoche? – Sie sind während dieser
Zeit gebunden an den physischen Leib, sind in seiner Ernährung und in
seinem Wachstum beschäftigt. Das Kind ist in dieser ersten Epoche
anders als später. Die gesamten Kräfte des ätherischen Leibes sind da
an den physischen Leib gebunden; sie werden mit dem Ablauf der
ersten Epoche zum Teil frei, wie die Wärme in den Substanzen frei
wird, die vorher gebunden war. Was aber tritt damit ein? Nur ein Teil
des ätherischen Leibes wirkt nach dem Zahnwechsel im Wachstum und
in den Ernährungskräften; der andere Teil wird frei und wird nun der
Träger des sich ausbildenden intensiveren Gedächtnisses, des Seelenhaften. Wir müssen sprechen lernen von der gebundenen Seele für die
Zeit der ersten 7 Lebensjahre, und von der freigewordenen Seele für
die Zeit nach dem 7. Jahre. Was wir als Seelenkräfte in
den zweiten 7 Lebensjahren anwenden, das ist in den ersten 7 Lebensjahren gebunden an den physischen Leib, unwahrnehmbar; daher tritt
es nicht psychisch hervor. Wie die Seele in den ersten 7 Lebensjahren
wirkt, das muß man dem Leibe abschauen. Und erst vom Zahnwechsel
an kann man in das Seelische hinein.

Het kind op een levendige manier benaderen door een relatie tot de wereld op te bouwen

We kunnen ons afvragen: waar zijn de krachten van het etherische lichaam van de mens in de eerste levensfase? – In die periode zijn ze gebonden aan het fysieke lichaam van het kind. Ze zijn dan aktief bezig met zijn voeding en groei. Het kind is gedurende deze eerste levensfase anders dan erna. Het geheel van krachten van het etherische lichaam is dan aan het fysieke lichaam gebonden; deze krachten komen bij het beëindigen van de eerste levensfase ten dele vrij, net zoals de warmte in de substanties, die eerst gebonden was, vrijkomt.
Maar wat gebeurt daarmee? Slechts een deel van het etherische lichaam is na de tandenwisseling in de groei en in de voedingskrachten actief. Het andere deel komt vrij en wordt nu de drager van het zich vormende, intensievere geheugen, de drager van het psychische. We moeten leren spreken over de gebonden ziel in de periode van de eerste 7 jaar, en over de vrijgekomen ziel in de tijd na het 7e jaar. Want zo is het. Wat wij als psychische krachten, als zielentandenwkrachten in de tweede 7 levensjaren gebruiken, dat is in de eerste 7 levensjaren gebonden aan het fysieke lichaam, onwaarneembaar; daarom komt het niet psychisch te voorschijn. Hoe de ziel in de eerste 7 levensjaren werkt, moet je van het lichaam afkijken. En pas vanaf de tandenwisseling kun je in het psychische binnenkomen.

Blz. 71 vert. 75

So wird für die z5weite Lebensepoche, für die Zeit vom Zahnwechsel
bis zur Geschlechtsreife, für die Erziehung vorzugsweise der ätherische
Leib des Menschen in Betracht kommen. In ihm sind für den Lehrer
und das Kind vor allem die Kräfte wirksam, die im Kinde vorzugsweise Gefühle auszulösen haben, noch nicht Urteile und Gedanken.
Denn tief drinnen in der kindlichen Natur steckt noch, zwischen Zahnwechsel und Geschlechtsreife, das dritte Glied der menschlichen Wesenheit, der astralische Leib, der der Träger des gesamten Gefühls- und
Empfindungslebens ist. Er steckt noch, auch während dieser zweiten
Lebensepoche, tief im ätherischen Leibe. Daher haben wir die Aufgabe,
den ätherischen Leib – weil er etwas frei wird – so zu entwickeln, daß
er seinen eigenen Neigungen bei der Erziehung nachgehen kann. Wann
kann er das? Das kann er dann, wenn wir das Kind im ganzen Umfange unterrichten und erziehen durch Bildlichkeit, wenn wir alles
bildlich an das Kind heranbringen. Denn der ätherische Leib ist ja der
Bildekräfteleib; er bildet die wunderbaren Formen der Organe, Herz,
Lungen, Leber und so weiter. Der physische Leib, den wir vererbt bekommen, ist nur wie ein Modell; er wird in den ersten 7 Lebensjahren abgelegt. Nach dem Zahnwechsel wird von diesem ätherischen Leib dann der zweite physische Leib ausgebildet. Da müssen wir jetzt in der Erziehung diesem Plastisch-Bildhaften des ätherischen Leibes entgegenkommen.

Zo zal in de tweede levensfase – de tijd van de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid – de opvoeding zich met name richten op het etherische lichaam van de mens. In dat etherische lichaam kan de leraar en het kind werken met die krachten die in het kind vooral gevoelens teweegbrengen, nog geen oordelen of gedachten. Want diep binnen in de natuur van het kind tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid zit nog een derde aspect van het menselijk wezen, het astrale lichaam. Dat is de drager van heel het gevoels- en gewaarwordingsleven. Dit astrale lichaam zit tijdens deze tweede levensfase nog diep in het etherische lichaam. Daarom hebben wij de taak om het etherische lichaam -omdat het enigszins vrij komt – zo te ontwikkelen dat het zijn eigen neigingen bij de opvoeding kan volgen. Wanneer kan het dat? Dat kan het wanneer we bij het onderwijzen en opvoeden over de hele linie beelden gebruiken. We moeten het kind alles via het beeld aanreiken. Want het etherische lichaam is het vormkrachtenlichaam; het modelleert de wonderlijk mooie vormen van de organen, hart, longen, lever enzovoort. Het fysieke lichaam dat we als erfenis krijgen, is alleen maar een model; het wordt tijdens de eerste 7 levensjaren afgelegd. Na de tandenwisseling wordt door het etherische lichaam het tweede fysieke lichaam ontwikkeld. Dan moeten we in de opvoeding tegemoetkomen aan dit plastisch-beeldende van het etherische lichaam.
GA 310/70-72
Vertaald/73-75

Voordracht 8, Arnhem 24 juli 1924 

Das Zusammenschauen des Körperlichen und des Geistig-Seelischen
durch die vollkommene Menschenerkenntnis

Blz. 139  vert. 146/147

Der Mensch bekommt zunächst, wenn ich mich so ausdrücken darf,
seinen ersten physischen Leib mit aus der Vererbung heraus. Der wird
ihm zubereitet von Vater und Mutter. Dieser physische Leib wird im
Laufe der ersten 7 Lebensjahre abgeworfen, und er dient in dieser Zeit
dem Ätherleib als Modell, um den zweiten Leib aufzubauen.

Het waarnemen van het lichamelijke en het psychisch-geestelijke als eenheid door inzicht in de totale mens

Ons fysieke lichaam erven we, als ik me zo mag uitdrukken, aanvankelijk. Dit fysieke lichaam wordt door vader en moeder vorm gegeven. Na ongeveer 7 jaar is het echter omgevormd. In die periode dient het voor het etherlichaam als model om het tweede lichaam op te bouwen.

Blz. 141  vert. 148

Ebenso wie der Ätherleib da arbeitet, um herauszukommen und
selbständig zu werden mit dem Zahnwechsel, so arbeitet wiederum der
astralische Leib, der dann selbständig wird mit der Geschlechtsreife.
Der Ätherleib ist ein Bildhauer, der Astralleib ein Musiker.

Evenals het etherlichaam zich emancipeert en zelfstandig wordt rond de tandenwisseling, zo wordt op zijn beurt het astrale lichaam zelfstandig bij het aanbreken van de geslachtsrijpheid. Het etherlichaam is een beeldhouwer, het astraallichaam een musicus.
GA 310/139-141
Vertaald/146-147

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2401-2251

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/1)

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 8/9 17-12-1976
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 1

Wie de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven waarneemt en in de eigen levenssituatie deze ontwikkelingen meer of minder sterk meebeleeft, kan vrijwel dagelijks in zichzelf twee conflicterende gevoelens vaststellen. Aan de ene kant het gevoel van uitzichtloze vertwijfeling omdat de problemen steeds complexer, ondoorzichtiger en onoplosbaarder worden. Sociale entropie (uiteenvallen van de structuur in atomen zonder samenhang) roept een steeds krachtiger centralisme op. En daarmee wordt sociaal leven eerst recht gedood: een vicieuze spiraal van beklemmende omvang! Aan de andere kant een feestelijk gevoel dat oude structuren, oude opvattingen en oude tradities, die niet meer levensvatbaar en draagkrachtig zijn, zichzelf in snel tempo ad absurdum voeren en hun onbruikbaarheid soms pijnlijk duidelijk tonen. En daarmee ontstaat ruimte voor iets wezenlijks nieuws.

De klemmende vragen daarbij zijn ten eerste of het oude duidelijk genoeg herkend en benoemd wordt, zodat men zich er ook bewust tegen af kan zetten en ten tweede of er voldoende zicht is op iets wezenlijk nieuws.

Wie voortschrijdt moet zich oriënteren in de ruimte vóór zich. Hij richt zijn blik op een doel in de verte. Maar tegelijkertijd zet hij zich met zijn voeten af tegen de grond. Als die geen weerstand zou bieden zou hij geen stap kunnen doen. Oriënteren op het toekomstige en afzetten tegen het gewordene (met gevoelens van dankbaarheid dat het die weerstandkracht biedt) dat is de dubbele bezigheid, zowel bij het fysieke schrijden als bij het proces van sociale verandering. We willen in dit artikel het huidige arbeidsbestel zó trachten te beschrijven dat duidelijk wordt waar we ons ‘tegen af moeten zetten’ en in welke richting nieuwe ontwikkelingen wenselijk zijn.

Werkloosheid, gastarbeiders, uitzendbureaus, vlucht in de ziekte, verhardingen in de loononderhandelingen, afnemende werkmotivatie, het zijn enkele trefwoorden waarmee we het beeld willen oproepen van een arbeidsbestel dat fundamenteel in beweging is.

Wat betekent zo’n predicaat fundamenteel? Lichtvaardig vloeit het uit de pen om het betoog wat aan te scherpen. Maar welke zijn die fundamenten? Sinds het beroemde boek van Kuhn* is het woord paradigma in zwang. Kuhn was op zoek naar de onuitgesproken, onbewezen axioma’s die een wetenschapsgebied begrenzen. Hij laat zien hoe de wetenschap doorbreekt naar nieuwe gebieden, nieuwe probleemstellingen, nieuwe methoden telkens als een paradigma onderkend, niet-erkend, ontkend wordt.

Meestal geschiedt dit door vrijdenkers, piraten van de geest, ongebondenen. Zij worden met kracht genegeerd, bespot, geëxcommuniceerd door de ‘officiële wetenschap’. Tot de dijk doorbreekt en het nieuwe gebied erkenning! vindt. In de gezondheidszorg vindt een dergelijke strijd momenteel plaats. Hugo Verbrugh** stelde in zijn boek ‘De paradigma’s van de medische wetenschap’ duidelijk aan de kaak. Illich*** deed dat zelfde voor de praktijk van de gezondheidszorg.

Zo kan men ook op zoek gaan naar de paradigma’s van ons arbeidsbestel. Dit opstel komt tot de conclusie dat ons arbeidsbestel krachtig verankerd is in een drietal onderling verweven paradigma’s: de vanzelfsprekende verknoping van opleidingsniveau en wijkniveau, de even vanzelfsprekende vervlechting van functieniveau en betalingsniveau en de vanzelfsprekende samenhang tussen het inkomensniveau en de duur van de vooropleiding die men heeft gehad. We zullen beschrijven hoe deze paradigma’s er in de praktijk uitzien, welke negatieve werking ze hebben en wat de praktische mogelijkheden en consequenties zijn van hun overwinning.

‘Passend werk’

In de sociale verzekeringswereld wordt het begrip ‘passend werk’ gebruikt. De inhoud van dit begrip wordt steeds onduidelijker en in de toepassing wordt het steeds onhanteerbaarder. Welk paradigma schuilt er achter? Dat paradigma zegt: wie 10 jaar in de administratie heeft gezeten moet bij werkloosheid vooral niet in een baan komen waarin hij de kans krijgt hele nieuwe ervaringen op te doen, daardoor nieuwe vermogens te ontwikkelen en misschien voor de samenleving ook nog bruikbaar te worden. Nee, wie door zijn opleiding en zijn werk eenmaal groen is geworden heeft het recht al het werkaanbod te weigeren dat van een andere kleur is. [Wat Bos hier opmerkt is in de loop van de jaren langzaam opgeschoven naar het begrip ‘omscholing’.]

Het paradigma zegt ook: wie eenmaal het niveau havo heeft gehaald moet zorgvuldig vermijden om werk beneden zijn niveau te doen en daarmee in aanraking te komen met mensen en werksituaties die eigenlijk beneden zijn stand zijn. Wie academicus is, heeft recht op een bepaald soort werk, c.q. heeft het recht minderwaardig werk af te wijzen.

De hier beschreven verknoping van niveau van opleiding en soort opleiding enerzijds en niveau van werk en soort werk anderzijds is de achtergrond van de hiërarchische standenstaat waarin wij nog steeds overwegend leven.

De ene kant van deze hiërarchische standenstaat komt tot uitdrukking in de opleidingshiërarchie. Een uiterst doorwrocht stelsel van opleidingstrappen vormt het skelet van een soort capaciteiten-piramide. We spreken over lavo,- mavo,- woonniveau. Er zijn tussenniveaus, schakel- en brugklassen, sluizen en wissels, zodat ieder op het niveau van zijn capaciteit kan landen! Dat hele stelsel wordt, naar oeroude Chinese traditie met examens doortimmerd. Examens geven de mogelijkheid van ingangs- en uitgangscontrole en niveaubewaking.

We moeten daarbij wel bedenken dat reproduceerbare intellectuele kennis het gemakkelijkste examineerbaar is. Alles wat te maken heeft met praktische kunstzinnige, morele, sociale en andere vaardigheden valt door de gebruikelijke examenzeef. (Eerst recht wanneer de massificatie van het onderwijs naar de meerkeuzentestmethode doet grijpen). En wanneer iets niet achter blijft op de examenzeef valt het weldra ook buiten de opleiding: eerst recht wanneer de onderwijsduur onder economische druk komt te staan en er direct toetsbare resultaten geleverd moeten worden. De hele capaciteitenhiërarchie verschraalt daarmee tot een bouwwerk waarvan de structuur door één principe bepaald wordt: reproduceerbare intellectuele kennis, een zowel voor de ontwikkeling van de individuele mens als voor de samenleving uiterst onwezenlijke kwaliteit. Ambachtelijke en industriële handvaardigheden zijn natuurlijk op een bepaalde manier wel degelijk te examineren. En dat gebeurt ook allerweg in zogenaamde lagere beroepsopleidingen. Ze vormen de basis van de opleidingspiramide, het fundament van de standenstaat. Zodra er echter sprake is van zogenaamde hogere en voortgezette opleidingen, ten behoeve van het beklimmen van de piramide, gaat het vrijwel steeds om opleidingen waarin de examineerbare intellectuele leerstof alles overheersend is.

Werk-hiërarchie

De andere kant van de hiërarchische standenstaat komt tot uitdrukking in de werkhiërarchie. In grote organisaties is het werk volgens het cascadesysteem geordend, (getrapte zeef). De directeur doet uitsluitend werk dat bij zijn niveau past. Alleen als hij overspannen en overwerkt raakt zal de arts hem misschien voorschrijven een paar weken bladeren te harken omdat deze ritmische bezigheid in de buitenlucht zeer harmoniserend en gezondmakend is. Maar normaliter laat hij dit werk over aan gemeentearbeiders. Hij doet alleen wat des directeurs is en al het andere delegeert hij aan de bedrijfsleider. Ook deze zal het werk waarvoor hij te duur is en dat beneden zijn stand is, afschuiven naar beneden. En zo ontstaat de functie van afdelingschef. Ook deze zorgt dat alleen die zaken op zijn zeef blijven liggen, die bij zijn opleidingsniveau behoren. De rest valt er doorheen en vormt de taak van de baas.
En zo gaat het verder: de onderbaas, de 1e voorwerker, de 2e voorwerker, en dan steeds fijnere trapjes, hoe lager we in de standenhiërarchie komen: 1e hoofdmonteur, 2e hoofdmonteur, assistent-hoofdmonteur, monteur, hulmonteur, 1e operator, 2e operator, hulpoperator, aankomend-hulpoperator, etc. etc. En op de onderste zeef blijft tenslotte drab liggen dat niemand meer wil doen omdat het te min is en wij allen het daarbij behorende opleidingsniveau reeds gepasseerd zijn. Voor dat werk halen we dan een wagonlading Turken, Marokkanen of Spanjaarden en schuiven die als een vierde stand onder onze standenhiërarchie. Deze twee hiërarchische systemen nu, zijn zorgvuldig en hecht verknoopt. Functieniveaus verwijzen naar opleidingsniveaus (zie de advertenties: gevraagd chef administratie met havo). Bepaalde functies zijn alleen toegankelijk voor mensen met bepaalde beroepsopleidingen en deze opleidingen zijn alleen toegankelijk voor mensen van een bepaald vooropleidingsniveau (de opleiding tot kleuterleidster is bijv. alleen toegankelijk voor mavo- (straks vermoedelijk havo-abituriënten). Bepaalde opleidingen geven rechtstreeks toegang tot een bepaald niveau in de organisatie. Wie bijv. een tertiaire opleiding heeft gevolgd weet zich verzekerd van een rang op het niveau van het MHP, d.i. de verzamelnaam in sommige organisaties voor Middelbaar en Hoger Personeel! Dit heeft bijv. tot gevolg dat deze mensen leiding moeten geven aan een wereld die ze niet uit ervaring kennen. Dat leidt vaak tot beslissingen die verraden hoe ver de leiders van de realiteit verwijderd staan.

Verknoping

De verknoping van capaciteit en werk heeft een psychologische en een maatschappelijke consequentie. Psychologisch leidt deze verknoping tot hoogmoed, eerzucht en superioriteitsgevoelens. Het denken in termen van meer- en minderwaardig werk, van werk dat boven en beneden mijn stand ligt, van werk dat vervulling geeft en werk dat dat niet doet, het denken in zulke termen werkt als een splijtzwam tussen mensen (en als onechte verbroedering tussen ‘standgenoten’). Het is maar een kleine stap van het spreken over minderwaardig werk, via het spreken over mensen die minderwaardig werk doen naar het spreken over minderwaardige mensen. Natuurlijk probeert men zelf tot de meerwaardigen te behoren. Daarvoor moet men zich veel inspanning getroosten, want de trapjes van de piramide zijn niet gemakkelijk te nemen. De maatschappelijke consequentie van de hier beschreven verknoping is functionele verstarring. Functies worden zorgvuldig naar beneden en opzij afgeschermd. Naar beneden opdat niet mensen met geringer opleiding in de functie penetreren en daarmee de functie van een stuk status beroven (wat mag een medisch dentiste van een tandarts overnemen?). Afscherming opzij opdat niet uit andere vakgebieden grensoverschrijdingen plaats vinden, en de functie daarmee iets van zijn specialisme verliest (psychologen die het medisch-psychiatrische gebied betreden). Exclusiviteit betekent immers status (en een gunstige loononderhandelingspositie!). Het extreme voorbeeld hiervan zijn de Engelse vakbonden die via hun ‘shop-stewards’ er streng op toezien of een timmerman geen lamp inschroeft (dat is werk voor de elektricien), of een elektricien geen gaatje boort in een metalen plaat (dat is werk voor de plaatwerker), en of de bankwerker geen klampje vastzet (dat moet de timmerman doen).

Het spreekt van zelf dat de gevallen waarin een professie terecht tegen beunhazerij beschermd wordt hier niet bedoeld zijn, maar wordt dit argument niet al te vaak gebruikt om de eigenlijke motievenangst voor status en positieverlies toe te dekken?
Wat is het gevolg van deze functieverstarring?
De technologie en daarmee het economische, ja het hele beroepsleven is van een grote dynamiek. Functies moeten kunnen ontstaan en vergaan, moeten kunnen worden gesplitst en samengevoegd, moeten zich tijdelijk kunnen afkapselen teneinde in professionaliteit toe te nemen en zich kunnen ‘oplossen’ ten einde de kwaliteit er van te socialiseren, d.w.z. hun omgeving ermee te doordringen.

Wie ziet hoe een dergelijke dynamiek inherent zou moeten zijn aan een
economisch leven dat zich helemaal richt naar de behoeften van de
consumenten, kan ook inzien hoe verstarrend, ontwikkelingsremmend en daardoor sociale-schokken-veroorzakend de hier beschreven functieverstarring is. Hiermee is geduid op de maatschappelijke gevolgen van de verknoping van opleidingsniveau en functieniveau.

* Thomas S. Kuhn. The structure of scientific revolutions.
Univ of Chicago press 1962.
** H. Verbrugh. Geneeskunde op een dood spoor.
Rotterdam Lemniscaat 1972.
*** IIllich. Het medische bedrijf een bedreiging voor de gezondheid?
Het wereldvenster Baarn 1975.

Deel 2 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5 van deze serie

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2400-2250

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/5)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

HANS EN GRIETJE

Aan de rand van een groot bos woonde een arme houthakker met zijn vrouw en zijn twee kinderen; het jongetje heette Hans en het meisje Grietje. Er was maar weinig te eten en toen alles erg duur werd in het land kon de houthakker zelfs niet meer voor het dagelijks brood zorgen. Toen hij nu ’s avonds in bed daarover lag te tobben en zich van de ene zij op de andere wierp zuchtte hij en sprak tot zijn vrouw: ‘Wat moet er van ons worden? Hoe kunnen wij onze arme kinderen te eten geven nu wij zelf niets meer hebben?’ – ‘Weet je wat, man,’ antwoordde de vrouw, ‘wij zullen morgen in alle vroegte de kinderen naar het bos brengen, daar waar de bomen het dichtst op elkaar staan, daar maken wij een vuur voor hen en geven ze allebei nog een stukje brood en dan gaan wij aan ons werk en laten hen alleen achter. Zij vinden de weg naar huis nooit terug en wij zijn hen kwijt.’ -‘Nee, vrouw,’ zei de man, ‘dat doe ik niet; hoe zou ik het over mijn hart kunnen verkrijgen mijn kinderen in het bos alleen achter te laten; het zou niet lang duren of de wilde dieren zouden hen verscheuren.’ – ‘O, jij dwaas,’ zei zij, ‘dan moeten wij alle vier van honger omkomen; dan kun je nu alvast de planken voor de doodkisten gaan schaven,’ en zij liet hem niet met rust totdat hij toegaf. ‘Maar de arme kinderen gaan mij toch aan het hart,’ zei de man.

Wijsheid is volgens Lenz altijd levend en neemt toe, groeit zoals een boom naar de hemel. Of zoalsa Goethe zegt: ‘Dood, beste vriend is alle theorie, groen des levens gulden boom’ (Faust 1)

Als de mens een abstracte denker is geworden, verdort deze boom. Hij blijft hangen in doodse theorieën; hij geeft geen ruimte om al waarnemend nieuwe ervaringen op te doen en deze te veranderen, te laten rijpen tot inzicht dat hij uit het leven haalt. Hij hakt deze boom om, ziet het leven niet meer in zij totaliteit, alleen de details die hij analyseert en indeelt. Hij heeft exacte gedachten, maar droog, dor. 
Het Duits heeft ‘begrippen kloven’; ‘versplinteren’ en je kan je op de ‘houtweg’ (auf der Holzweg’= met een voorstelling of mening vastlopen) bevinden.

In dit sprookje verschijnt de houthakker en deze heeft te maken met zo’n ‘verhoutingsproces’. Het beeld van de houthakker komt ook in positieve zin voor, want houthakken is nuttig en nodig.
In dit sprookje is de houthakker het drama van de mens die de arme houthakker, zoals beschreven, is.

Ook zijn vrouw – het beeld van de ziel – verlaat hem: zij kan hem geen warmte meer schenken, zijn ziel niet meer rijker maken: ook zij vervalt tot het harde, materialistische denken. Voor de jonge, nog zo samenhorende – zusje en broertje – gevoels- en wilskrachten, wordt ze een ‘stief’moeder. Het kan niet anders dan dat deze gevoel- en wilskrachten daaronder lijden. Ze staan echter nog ver van het ‘verhoute’ zielenleven af; het zijn geen abstracte krachten, maar levende, wezenlijke krachten in de mens. Aan de ene kant de erfelijkheidskrachten die naar het verleden wijzen en aan de andere kant de krachten die op de toekomst zijn gericht. De mens staat altijd tussen gisteren en morgen. 

De houthakker lijdt honger en daarom zijn kinderen ook: er is geen brood meer. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, heet het in het Onze Vader: een wezenlijk bestanddeel van ons mens-zijn. Ook Christus gebruikt het brood als beeld: ‘Ik ben het brood des levens’. ‘Stenen voor brood’ duidt erop dat ‘brood’ de betekenis heeft van ‘gezond geestelijk voedsel’. 
.
De twee kinderen hadden van honger ook niet kunnen inslapen en hadden gehoord wat hun stiefmoeder tegen hun vader had gezegd. Grietje weende bittere tranen en sprak tot Hans: ‘Nu is het met ons gedaan.’ – ‘Stil maar, Grietje,’ sprak Hans, ‘treur maar niet, ik vind voor ons beiden wel uitkomst.’ En toen de ouders waren ingeslapen stond hij op, trok zijn jasje aan, deed de achterdeur open en sloop naar buiten. De maan scheen helder en de witte kiezelstenen die voor het huis lagen glansden als zilveren kwartjes. Hans bukte zich en stopte er zoveel in de zak van zijn jasje als er maar in gingen. Daarop ging hij weer terug en sprak tot Grietje: ‘Wees maar gerust, lief zusje, en ga rustig slapen, God zal ons niet verlaten,’ en hij ging weer in zijn bed liggen.
Toen de dag aanbrak kwam de vrouw nog voor zonsopgang de kinderen wekken: ‘Opstaan, luilakken, wij gaan naar het bos om hout te halen.’ Daarop gaf ze ieder een stukje brood en sprak: ‘Daar hebben jullie wat voor het middaguur maar eet het niet van tevoren op, want verder krijgen jullie niets.’ Grietje stopte het brood onder haar schort omdat Hans de stenen in zijn zak had. Daarop begaven zij zich gezamenlijk op weg naar het bos. Toen zij een tijdje gelopen hadden, stond Hans stil en keek om naar het huis, en dat deed hij keer op keer. De vader sprak: ‘Hans, waar kijkje toch naar en waarom blijf je achter? Let op en vergeet niet je benen te gebruiken.’ – ‘Ach, vader,’ zei Hans, ‘ik kijk naar mijn witte katje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen.’ De vrouw sprak: ‘Zot, dat is je katje niet, het is de morgenzon die op de schoorsteen schijnt.’ Hans had echter niet naar het katje gekeken maar telkens een van de witte kiezelstenen uit zijn zak op de weg gegooid.
Toen zij midden in het bos waren gekomen sprak de vader: ‘Nu hout sprokkelen, kinderen, ik ga een vuur maken zodat jullie het niet koud hebben.’ Hans en Grietje droegen een berg sprokkelhout aan. Het werd aangestoken en toen de vlammen goed hoog brandden zei de vrouw: ‘Gaan jullie nu bij het vuur liggen, kinderen, en rust wat uit, wij gaan het bos in om hout te hakken. Als wij klaar zijn komen we terug om jullie te halen.’
Hans en Grietje zaten bij het vuur en toen het middaguur aanbrak aten zij ieder hun stukje brood. En omdat zij de slagen van de bijl hoorden geloofden zij dat hun vader in de buurt was. Het was evenwel niet de bijl maar een tak die hij aan een dorre boom had gebonden en de wind sloeg hem heen en weer. En toen zij zo een hele tijd gezeten hadden, gingen hun ogen dicht van vermoeidheid en zij vielen in slaap. Toen zij eindelijk ontwaakten was het al pikdonker. Grietje begon te huilen en sprak: ‘Hoe komen we nu uit het bos?’ Hans troostte haar echter: ‘Wacht nog maar even totdat de maan is opgekomen, dan vinden wij de weg wel.’ En toen de volle maan was opgegaan, nam Hans zijn zusje bij de hand en volgde de kiezelstenen die glansden als pas geslagen kwartjes en hun de weg wezen. Zij liepen de hele nacht door en kwamen bij het ochtendkrieken weer bij het huis van hun vader. Zij klopten aan de deur en toen de vrouw opendeed en zag dat het Hans en Grietje waren sprak zij: ‘Jullie stoute kinderen, om zo lang in het bos te blijven slapen, wij dachten dat jullie nooit meer terug zouden komen.’ De vader echter was blij want het was hem aan het hart gegaan dat hij hen zo alleen had achtergelaten.

Niet lang daarna heerste er alom weer nood en de kinderen hoorden hoe de moeder ’s nachts in bed tot hun vader sprak: ‘Alles is weer op, wij hebben nog een half brood en daarna is het uit. De kinderen moeten weg, wij zullen hen dieper het bos inbrengen zodat zij de weg eruit niet meer kunnen vinden; er blijft ons geen andere uitweg over.’ Het viel de man zwaar en hij dacht: Het zou beter zijn je laatste hap met je kinderen te delen. Maar de vrouw luisterde niet naar hem, wat hij ook zei, schold hem uit en maakte hem verwijten. Wie A zegt moet ook B zeggen en aangezien hij de eerste keer had toegegeven, moest hij dat de tweede maal ook doen.
De kinderen hadden echter nog wakker gelegen en het gesprek gehoord. Toen de ouders sliepen stond Hans weer op en wilde naar buiten om kiezelstenen te verzamelen net als de vorige keer, maar de vrouw had de deur op slot gedaan en Hans kon er niet uit. Maar hij troostte zijn zusje en sprak: ‘Huil maar niet, Grietje, ga rustig slapen, de goede God zal ons wel bijstaan.’
’s Morgens vroeg kwam de vrouw de kinderen uit bed halen. Zij kregen ieder hun stukje brood dat echter nog kleiner was dan de vorige keer. Op weg naar het bos verkruimelde Hans het in zijn zak en stond dikwijls stil om een stukje op de grond te gooien. ‘Hans, waarom sta je steeds stil, waarom kijk je telkens om?’ zei de vader, ‘loop toch door.’ – ‘Ik kijk naar mijn duifje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen,’ antwoordde Hans. ‘Zot,’ zei de vrouw, ‘dat is je duifje niet, het is de morgenzon die daarboven op de schoorsteen schijnt.’ Hans wierp echter allengs alle kruimels brood op de weg.
De vrouw bracht de kinderen nog dieper het bos in, waar zij van hun leven nog niet geweest waren. Toen werd er weer een groot vuur gemaakt en de moeder zei: ‘Blijf daar maar zitten, kinderen, en als jullie moe bent, kunnen jullie wat slapen; wij gaan het bos in om hout te hakken en als wij vanavond klaar zijn komen wij jullie weer halen.’

Toen het midden op de dag was deelde Grietje haar brood met Hans die zijn stuk op de weg gestrooid had. Daarop vielen zij in slaap en de avond verstreek maar niemand kwam de arme kinderen halen. Zij ontwaakten pas toen het donker was en Hans troostte zijn zusje en zei: ‘Wacht maar, Grietje, tot de maan opgaat, dan zien wij de broodkruimels die ik heb gestrooid en die wijzen ons de weg naar huis.’
Toen de maan opkwam begaven zij zich op weg maar zij vonden geen kruimeltje meer want de duizenden vogels die in bos en veld rondvliegen hadden ze weggepikt. Hans zei tegen Grietje: ‘Wij zullen de weg wel vinden,’ maar zij vonden hem niet. Zij liepen de hele nacht en nog een dag van ’s morgens tot ’s avonds maar zij kwamen het bos niet uit en zij hadden zo’n honger want zij hadden niets dan de paar bessen die er groeiden. En omdat zij zo moe waren dat zij geen voet meer voor de andere konden zetten gingen zij onder een boom liggen en vielen in slaap.
Nu was het reeds de derde morgen sinds zij het huis van hun vader hadden verlaten. Zij gingen weer op weg maar zij raakten steeds dieper het bos in en als er niet spoedig hulp kwam zouden zij omkomen. Toen het middag was zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. En toen het klaar was met zingen sloeg het zijn vleugels uit en vloog voor hen uit en zij gingen het achterna tot zij bij een huisje kwamen waar het op het dak ging zitten en toen zij vlakbij kwamen zagen zij dat het huisje van brood gemaakt was en met koek bedekt; maar de vensters waren van witte suiker.

In de sprookjes zijn ‘drie dagen’ een belangrijke ontwikkelingstijd. Hans en Grietje zijn drie dagen onderweg en weten eigenlijk ‘heg noch steg’. De verwarring is groot. 
Je kan in de het sprookje ook een vorm van een ‘mystieke weg gaan’ zien. Na drie dagen moet er een weten zijn ontstaan, er moet een besluit genomen worden. Er staat: (op die derde dag:) zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. 
Lenz wijst erop dat het vogeltje ’s middags verschijnt. En van de middag zegt zij dat wanneer de zon op z’n hoogst staat, de mens niet meer zo wakker is als bij het opstaan in de frisse morgen. 
In vroegere tijden vermeed de landbouwbevolking het om ’s middags op de akker te zijn. In oude sagen is nog sprake van een ‘middagvrouw’ (Mittagsfrau) met een sikkel – om het bewustzijn te splijten; of het ondervragen door sfinxachtige monsters. 
Pas ervoor op dat je ’s middags geen verdragen sluit, want ‘dat is het uur van Lucifer’.
Het luiden van de klok om 12u ’s middags moet de mens eraan herinneren wakker te blijven, het luiden met de ‘verleidende geesten verdrijven’.
Als het vogeltje ’s ochtends was verschenen, zou het een beeld zijn geweest voor een verhelderde inspiratie, maar ’s middags wordt zijn stem een verlokking die tot dwaling leidt. Het vliegt voor de kinderen uit en brengt ze bij het huisje van de heks. Dat is ook een ‘brood’huis, maar van heksenbrood.

‘Daar zullen wij maar eens aan beginnen,’ sprak Hans, ‘en genieten van een gezegende maaltijd. Ik ga een stuk van het dak eten, Grietje, jij kunt van het raam eten, dat smaakt zoet.’ Hans reikte omhoog en brak een stukje van het dak af om te proeven hoe dat smaakte en Grietje ging voor de ruiten staan en knabbelde eraan. Toen riep een zachte stem vanuit de kamer:

‘Knabbel, knabbel, knuisje,
Wie knabbelt aan mijn huisje?’

De kinderen antwoordden:

‘De wind, de wind,
dat hemelse kind.’

en aten verder zonder zich van de wijs te laten brengen. Hans die zich het dak goed liet smaken, brak er een flink stuk vanaf en Grietje drukte een ronde ruit in zijn geheel in en ging zitten om er zich te goed aan te doen. Daar ging opeens de deur open en een stokoude vrouw kwam leunend op een stok naar buiten schuifelen. Hans en Grietje schrokken zo geweldig dat zij, wat zij in hun handen hadden, lieten vallen. De oude vrouw echter schudde met haar hoofd en sprak: ‘Wel, lieve kinderen, wie heeft jullie hierheen gebracht? Kom maar binnen en blijf bij mij, er zal jullie geen kwaad geschieden.’ Zij nam hen beiden bij de hand en leidde hen haar huisje binnen. Toen werd er heerlijk eten opgediend, melk en pannenkoeken met suiker, appels en noten. Hierna werden er twee mooie bedjes met schone lakens opgemaakt en Hans en Grietje gingen er in liggen en dachten dat zij in de hemel waren.

Een Duitse oorsprong van het woord ‘heks’ gaat terug op ‘hagazussa’. ‘Hag’ is in het Duits een soort bosgebied, struikgewas e.d. Van Dale geeft voor het woord de betekenis ‘heks’. We moeten denken aan een wijze vrouw, een zieneres, een profetes, zoals die nog voorkomt in bijv. de Edda of bij de Grieken als ‘orakel’. Een helderziende hoedster van een stam. 
Maar dit schouwende vermogen ging langzamerhand verloren; het ‘zuivere’ verdween en iets demonisch kwam ervoor in de plaats. Magie werd zwarte magie en valse invloeden deden zich gelden op het oerweten. De hagazussa veranderde in haar tegendeel van weleer. Nu is ze het beeld van een verleidingsmacht die de mens een pseudoweten aanbiedt van atavistische oorsprong en daarmee raakt hij verstrikt in waan en oppervlakkigheid. 
Lenz ziet bij het occulte een vorm van wetmatigheid: wat in een bepaalde tijd voor een bepaalde ontwikkeling van geest en ziel juist is, ‘aan de tijd’, kan later volledig omkeren. Methoden die eeuwen juist waren, kunnen voor de moderne mens niet goed meer zijn. 
Het sprookje wil ons daarvoor waarschuwen. De heks is oeroud, heeft rode ogen en kan niet ver zien, ze neemt de zintuiglijk waarneembare wereld niet echt waar. Ze heeft zoals de dieren een bijzondere gevoeligheid; ze voelt de dingen aan, maar doordringt ze niet met heldere gedachten, met de geest. Ze lokt de kinderen naar zich toe: de onschuldige jonge krachten in de mens trekken haar aan en ze biedt die een verlokkende betovering aan: ‘ze dachten dat ze in de hemel waren.

De oude vrouw had alleen maar gedaan alsof zij zo vriendelijk was; zij was echter een boze heks die op kinderen loerde en zij had het broodhuisje alleen gebouwd om ze te lokken. Als zij er een in haar macht kreeg maakte zij het dood, kookte het en at het op en dat was voor haar een feestdag.
Heksen hebben rode ogen en kunnen niet ver zien, maar zij hebben een fijne neus net als de dieren en zij merken het als er mensen aankomen. Toen Hans en Grietje in haar buurt kwamen, lachte zij boosaardig en sprak honend: ‘Die heb ik, die zullen mij niet meer ontsnappen.’

’s Morgens vroeg, nog eer de kinderen wakker waren, stond zij al op en toen zij hen beiden zo lief zag slapen met hun dikke rode wangen mompelde zij voor zich uit: ‘Dat zal een lekker hapje worden.’ Toen pakte zij Hans met haar dorre handen beet en bracht hem naar een klein hokje en sloot hem op achter de tralies; hij kon schreeuwen zo hard hij wilde het hielp hem niets. Daarop ging zij naar Grietje, schudde haar wakker en riep: ‘Sta op, luilak, haal water en kook iets lekkers voor je broer die buiten in het hok zit om dik te worden. Als hij vetgemest is, eet ik hem op.’ Grietje begon bitter te schreien maar het was allemaal tevergeefs, zij moest doen wat de boze heks wilde.

Nu werd voor de arme Hans het beste eten gekookt maar Grietje kreeg niets anders dan kreefteschalen. Elke morgen sloop de oude vrouw naar het hok en riep: ‘Hans, steek je vinger naar buiten, zodat ik kan voelen of je al vet bent.’ Maar Hans stak een botje naar buiten en de oude vrouw die slechte ogen had zag het niet goed en zij dacht dat het Hans’ vinger was en zij verbaasde zich dat hij maar helemaal niet vet wilde worden. Toen er vier weken waren verstreken en Hans maar steeds mager bleef verloor zij haar geduld en zij wilde niet langer wachten. ‘Hé, Grietje,’ riep zij het meisje toe, ‘ga vlug water halen: Hans mag vet of mager zijn, morgen slacht ik hem en dan kook ik hem.’ Ach, wat jammerde het arme zusje toen zij water moest aandragen en hoe stroomden de tranen over haar wangen. ‘Lieve God, help ons toch,’ riep zij uit, ‘hadden de wilde dieren in het bos ons maar opgegeten, dan waren wij tenminste samen gestorven.’ – ‘Schei uit met dat geblèr,’ zei de oude vrouw, ‘dat helpt je toch niets.’

Hans, de jonge wil, wordt opgesloten, van zijn vrijheid beroofd. Grietje, het zuivere gevoel van het kind, kan niet meer haar eigen impulsen volgen: ze moet het kwade dienen.
Koken en braden e.d. hebben met het vuur te maken. Wanneer je in de taal naar uitdrukkingen met vuur zoekt, kom je erachter waarom het gaat. Waar het gaat om iets met enthousiasme in de wereld te zetten, moet je ‘in vuur en vlam’ staan voor het idee; je moet er warm voor lopen, in jezelf een vuur, vlam ontsteken, enz. Het vurig enthousiasme en de edele gloed van de liefde duiden daarop. 

Geestdrift heeft als tegenhanger de lichamelijke drift, de gloeiende begeerte; de brandende hartstocht. Wat aan de kant van de geest ‘laaiend’ wordt, wordt hier tot een duivelse illusie daarvan en brandt je op.
Het oude, boosaardig geworden atavisme wil de jeugdkrachten van het kind – de toekomst – verslinden, verteren. 

’s Morgens vroeg moest Grietje opstaan om de ketel met water op te hangen en het vuur aan te maken. ‘Eerst gaan wij bakken,’ zei de oude vrouw, ‘ik heb de oven al vóórver-warmd en het deeg gekneed.’ Zij duwde het arme Grietje naar buiten naar de oven waar de vlammen al uitsloegen. ‘Kruip erin,’ zei de heks, ‘en kijk of het al warm genoeg is om het brood erin te schuiven.’ En als Grietje er dan in was wilde zij de oven dichtdoen zodat Grietje daarin zou braden en dan zou zij haar ook opeten. Maar Grietje merkte wat zij van plan was en sprak: ‘Ik weet niet hoe ik dat moet doen, hoe kom ik erin?’ – ‘Domme gans,’ zei de oude vrouw, ‘de opening is groot genoeg, zie je wel, zelfs ik kan erin.’ Zij krabbelde er heen en stak haar hoofd in de oven. Toen gaf Grietje haar een duw zodat zij er een eind in Schoof, sloot de ijzeren deur en schoof de grendel ervoor. Oei, wat begon zij daar te jammeren, het was gewoon griezelig; maar Grietje liep weg en de goddeloze heks moest ellendig verbranden.

Hans, de jongen, zijn mannelijke wil is volkomen passief gemaakt. Maar Grietje, het meisje, de vrouwelijke ziel schuift het boze terug in zijn eigen element: het vuur van de illusie, begeerte en hartstocht; het vuur wordt een louterend vuur. Het boze richt zichzelf ten gronde wanneer de moed van het hart en de dapperheid zich ertegen keren. De wil wordt erdoor bevrijd.

Grietje echter liep regelrecht naar Hans, maakte zijn hokje open en riep: ‘Hans, wij zijn verlost, de oude heks is dood.’ Toen sprong Hans naar buiten als een vogel uit een kooi waarvan de deur wordt opengezet. Wat waren zij blij, zij vielen elkaar om de hals, sprongen in het rond en kusten elkaar. En omdat zij nu niet meer bang hoefden te zijn gingen zij het huis van de heks binnen en daar stonden in alle hoeken kasten vol parels en edelstenen. ‘Dat is nog beter dan kiezelstenen,’ zei Hans en hij stopte zijn zakken vol, en Grietje zei: ‘Ik zal ook iets mee naar huis nemen,’ en zij vulde haar schortje.

Negatieve ervaringen, het overwinnen van het kwaad kan tot positieve inzichten leiden die de mens rijker maken en Hans en Grietje vinden in het huisje van de heks grote schatten. 
De parel wijst ons op de zee, op het water; de edelsteen op de aarde. Ze blijven niet ‘opgepot’, maar worden voor de fysieke wereld en de levenskrachten bevrijd. Zo is ook de heks dus weer een deel van ‘die kracht die steeds het kwade wil en steeds het goede schept’. (Goethe, Faust 1)

‘Maar laten wij nu gaan,’ zei Hans, ‘om weg te komen uit het heksenbos.’ Toen zij echter een paar uur gelopen hadden kwamen zij aan een groot water. ‘Wij kunnen er niet over,’ zei Hans, ‘ik zie geen vlonder en geen brug.’ -‘Hier vaart ook geen bootje,’ antwoordde Grietje, ‘maar daar zwemt een witte eend; als ik het die vraag dan helpt hij ons wel naar de overkant.’ Toen riep zij:

‘Eendje, eendje,
Hier staan Hans en Grietje,
Er is geen vlonder en geen brug,
Neem ons op je witte rug.’

Het eendje zwom naar hen toe en Hans ging op zijn rug zitten en hij vroeg zijn zusje naast hem te komen zitten. ‘Nee,’ antwoordde Grietje, ‘dat is te zwaar voor het eendje, ‘het moet ons na elkaar overzetten.’ Dat deed het goede diertje en toen zij goed en wel aan de overkant waren en een poosje hadden gelopen kwam het bos hun steeds bekender voor en tenslotte zagen zij in de verte het huis van hun vader.

Na het bos komen de kinderen nu voor een groot water. In het dichte woud is er geen uitzicht, de blik over het water is ruim. Er is weer ruimte, ook in de ziel, nu de spanning, de angst verdwenen zijn. Het is een witte eend die t.o.v de zwarte heks te vertrouwen is. Grietje voelt zich als prille ziel verwant met dit wezen dat weliswaar op het land een onbeholpen indruk maakt, maar op het water in zijn element is. Er is geen kans meer dat de kinderen nu wegzinken of ten onder gaan.
De witte eend komt in de symboliek van het Oosten meer voor dan in het Westen. De zonnewagen van Apollo wordt door drie eenden getrokken; op Indische tempels zit ze naast de zwaan; in het Russische sprookje Elena. de wonderschone, vraagt ze aan de held als gave een witte eend. Hier ervaar je dat ze staat voor de zekerheid van de ziel op de ‘beweeglijkheid van de gevoelswateren’.

Er zijn wel uitgaven van sprookjes waarin dit beeld van het water en het eendje is weggelaten, maar het hoort wel bij de afronding van het verhaal.

Toen begonnen zij te hollen, stormden de kamer binnen en vielen hun vader om de hals. De man had geen gelukkig ogenblik meer gekend sinds hij zijn kinderen in het bos had achtergelaten; de vrouw echter was gestorven.
Grietje schudde haar schortje uit zodat de parels en edelstenen door de kamer rolden en Hans gooide er de ene handvol na de andere bij. Daarmee was er aan alle zorgen een eind gekomen en zij leefden te samen in grote vreugde. – Mijn sprookje is uit, daar loopt een muis, wie hem vangt, mag er een grote, grote bontmuts van maken.

Het kan niet uitblijven: de ziel van de vader moet veranderd zijn om de kinderen weer ‘van harte’ te kunnen omhelzen. We lezen dan ook dat de verhardende invloed op zijn ziel – de stiefmoeder – is gestorven, Het moge ook duidelijk zijn dat deze ontwikkeling van de ziel voor ieder rijkdom oplevert. het oude Ik hoeft geen houthakker meer te zijn; vanaf nu kan de fris-willende en opnieuw bezielde mens de groeiende boom van de gouden wijsheid verder leren kennen. 

15-grimm-hans-en-grietje-2

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2399-2249

.

.

.