VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-10)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang: ‘Zingen in een vreemde* taal’.


.
Mark Peterson, exacte bron en datum onbekend*

De in. Basel (Zwitserland) geboren Engelsman Mark Peterson was jongenssopraan in het koor van de Guildford Cathedral onder leiding van Barry Rose. Zijn carrière als beroepszanger bracht hem, na enkele jaren doorgebracht te hebben in Londen bij onder andere het St. Paul’s Cathedral Choir, de BBC Singers, The Sixteen en Covent Garden Opera Chorus, naar een vaste baan in het Groot Omroepkoor. Hieruit is in februari 1998 het Omroep Jongenskoor ontstaan.
Mark Peterson is oprichter en dirigent van het OJK, dat in korte tijd een behoorlijke reputatie opgebouwd heeft als een jongenskoor op beroepsniveau. Het koor is in het bijzonder bekend om zijn ‘Engelse’ klank. De ervaringen van de leden van het OJK met het zingen in het Engels worden in dit artikel meegenomen. Deze kunnen nuttig zijn voor alle Nederlandse zangers en koristen, die hun Engelse uitspraak willen verbeteren.

ENGELS

De Amerikaan Mark Twain schreef ooit: “Foreigners always spell better than they pronounce”. Hiermee wierp hij wat licht (ook al was dat niet zijn bedoeling) op het grootste probleem van de Engelse taal: de spelling. Die spelling loopt immers een paar eeuwen achter de feiten aan, hetgeen de nodige moeilijkheden oplevert. Erger nog, gezongen Engels is niet altijd hetzelfde als gesproken Engels. In dit artikel wordt een aantal probleemgevallen, gehoord of meegemaakt in de praktijk, onder de loep genomen. Hopelijk kan een koor, dat zijn Engelse uitspraak wil verbeteren, hiermee uit de voeten.

Een van de grootste slordigheden – ook bij Engelse koren trouwens – is de stemhebbende ‘d’. Wanneer deze als een ‘t’ uitgesproken wordt, verandert een onschuldig zinnetje zoals “and he heard” (en hij hoorde) heel snel in “ant he hurt” (letterlijk: mier hij pijn deed). De mieren kan men voorgoed verbannen door aan de ‘d’ een duidelijke stem te geven.

Van de medeklinker th’ zijn er twee soorten: de stemhebbende (bijv. “then”) en de stemloze (bijv. “think”). Op de stemhebbende th’ moet je eigenlijk kunnen zingen, op de stemloze niet.

De Engelse ‘v‘ wordt in slechts één versie geleverd: de stemhebbende. Een stemloze ‘v’ bestaat niet, dat zou een’f’ zijn. Desondanks hoor je vaak van een leuke veerboot (“ferry nice”) of zelfs een aardige fee (“fairy nice”). De ‘v’ moet een duidelijke stem hebben, net als de ‘d’.

De ‘f’ is makkelijk, op één uitzondering na: het Engelse woord ‘of’, hetgeen bijna altijd uitgesproken wordt als “off (met stemloze f). In dit geval moet de f toch wel een stem hebben: een klein puntje maar wel storend als dit niet goed uitgevoerd wordt. Denk aan het verschil tussen “he went of course” (hij ging uiteraard] en “he went off course” (hij verdwaalde).

De ‘r‘ heeft twee functies. Als eerste letter van een woord of lettergreep wordt hij met de punt van de tong gerold – helemaal vooraan, niet achter in de keel. Stevig gerold ook, én op de toon die vervolgens moet worden  gezongen. Komt de ‘r aan het eind van een woord of lettergreep dan wordt hij (in het Engels tenminste) niet uitgesproken: zijn functie is enkel om invloed uit te oefenen op de voorafgaande vocaal. Denk aan het verschil tussen ham (ham) en “harm” (kwaad), bij die tweede wordt er een onhoorbare ‘h’ vóór de ‘m’ geplaatst. De ‘r’ verlengt en verdiept de ‘a’ vocaal. In het Amerikaans is deze ‘r’ wel stemhebbend en wordt hij in de mond geproduceerd, zoals de meeste Nederlanders al goed kunnen. Maar let op: zo’n ‘r’ hoort niet thuis in een Engels stuk zoals The Messiah of The Crucifixion.

Wat betreft de klinkers valt het eigenlijk best wel mee. Een van de grootste misverstanden betreft de slotlettergreep ‘-ed’. Eeuwen geleden had deze lettergreep zijn eigen metrische waarde en de klank van de ‘ed’ in pedaal. Dat is in een paar gevallen nog steeds zo, bijvoorbeeld bij “comforted” (getroost] Wel hoor je in gesproken Engels “comfort-id” maar in gezongen Engels moet dat “comfort-ed” zijn. Het woord “blessed” (gezegend) kan twee uitspraken hebben: óf “blest” óf “bless-ed”. Die tweede wordt soms voor alle zekerheid geschreven als blessèd, maar hij mag nooit “bless-id” worden Het woord “promised” (beloofd] is inmiddels “prom-isd” geworden, doch nooit “prom-usd”.

De klinker waarmee de meeste Nederlandse koren de mist ingaan, is de schwa. Deze ‘stomme’ vocaal, (de “ij” van koninklijk) komt vaker voor in het Engels dan men denkt. Een eenvoudig woord zoals “father” (vader) heeft ook een eenvoudige uitspraak: fa(h)-thë (de ‘ë’ is de schwa). Een schwa blijft bijna altijd openstaan en mag niet worden afgesloten met een ‘r. Hieronder enkele voorbeelden, de onderstreepte letters zijn de schwa:

fa-ther               world

mo-ther             Sa-viour

si-ster               hurt

bro-ther            an-ger

bird                  su-per

heard               su-pe-ri-or

word                ge-ne-rous

Nogmaals, de ‘r‘ wordt niet uitgesproken behalve in ‘generous’, alwaar hij een andere functie heeft als de beginletter van de derde lettergreep.

In een woord zoals “Lord” (Heer), zorgt de ‘r’ voor de verkleuring van de ‘o’ vocaal. Er zijn trucjes om dit goed te laten uitspreken. Zing bijvoorbeeld “law” (wet) in plaats van “Lord” en laat daarna een duidelijke ‘d’ horen. “Law” + ‘d’ = “Lord”, maar er is toch geen Y te horen.

De ‘l‘ van calm” en “palm” is net als de verkleurende ‘r’ boven. Hij oefent invloed uit op de vocaal, waardoor je kahm en bahm krijgt. Maar in het Amerikaans wordt deze ‘l’ wel uitgesproken, zij het zachtjes. Je moet dus weten in welke taal je zingt.
(Aan héle gekke woorden zoals “psalm” geven Engelstaligen er toch wel de brui aan. De “p” vervalt dan helemaal, net als de “k” van “knee”, “knight” en “know”)

Van het woord ‘the” zijn er twee uitspraken mogelijk: de’e’ is een schwa als het volgende woord met een medeklinker begint, zo niet dan wordt de ‘e’ als Nederlandse ie uitgesproken.

Het woord “worship” (aanbidden) is een ieuke: vaak spreekt men dit uit als “warship” (oorlogsschip), hetgeen een totaal nieuwe betekenis geeft aan de zin “Lord, accept our humble worship”. In dezelfde hoek zitten “wonder” (wonder] en “wander” (rondzwerven], de verwarring gezaaid door de spelling.
De ‘won-’ van “wonder is een open klank, gelijk aan de ‘u’ van “cup” (zie beneden). De ‘o’ van het Nederlandse donder moet je juist bij “wander gebruiken. 

Het Engelse “all” moet men niet verwarren met het Nederlandse al. De woorden “all”, “ball”, “hall” en “fall” hebben allemaal dezelfde klank: lang en diep met een duidelijke ‘l’ (met de tong) aan het eind. Juist geen al, bal, hal en val. Ook de ‘al-‘ van “although” en “always” heeft dezelfde klank als “ball” en “hall”. Uitzonderingen zijn o.a. “shall” “pall” “mail” en “valley”, hier hoort de “-all” van rallentando te klinken.

Woorden zoals “can” en “crash” gaan dikwijls fout ze worden uitgesproken als ken en crèche, alsof Inspector Clouseau ingehuurd werd als taalcoach
De ‘a’ van “can” en “crash” is dichter bij de Franse ‘a’ van avion, zoals Inspector Clouseau zou moeten weten.

De open ‘u’ van “cup”, “up”, “cut”, “but” e.a. is relatief nieuw in het Engels, in het noorden van Engeland is hij nog steeds niet doorgedrongen. Deze klank kan men het beste inbeelden als de ‘a’ van kat — niet de ‘u’ van mus. Met deze duimregel kan men het woord “cutthroat” weer rustig gaan zingen zonder de indruk te wekken, dat men aan het vloeken is.

Ter afronding, een paar zinnetjes om thuis te oefenen. leder Engels kind kent deze.- “Around the ru-ged rocks the ragged rascal ran” – goed voor de tong-r. Minder bekend, voornamelijk omdat het voor dit artikel verzonnen is, maar toch goed voor de algemene ontwikkeling, is: “Therefore they thought these three things through thoroughly” Veel succes daarmee!

Als laatste een reëel voorbeeld; in dit geval uit Händels Israël in Egypt:

‘The horse and his rider; the horse and his rider, the horse and his rider hath he thrown into the sea”
Oftewel – zoals ooit in een concert te Amsterdam ten gehore gebracht – zuh-oiss-ent-iss-raai-duh, zuh-olss-ent-iss-raai-duh, zuh-oiss-ent-iss-raai-duh, ass-less-roon-in-zuh-zuh-sie.

Zo’n lastig zinnetje had Sir Winston Churchill kunnen bedoelen toen hij schreef: ‘This is the sort of English up with which I will not put” Maar ja, hij kon dan ook geen Nederlands spreken.

*Ik heb ‘vreemde’ taal vervangen door ‘andere’ taal. Ik ben van mening dat we een ons niet-vertrouwde taal niet ‘vreemd’ moeten noemen, alsof deze ‘raar’ zou zijn. Het is een andere taal, gelijkwaardig aan de onze – het Nederlands.

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2324-2180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (47)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

WIJ UIT BOLDERBUREN

In Zweden, Bolderburen woonden zes kinderen met hun ouders, in drie boerderijen: Noordhof, Middelhof en Zuidhof. Lasse, Bosse, Lisa, Olle, Britta en Anna spelen samen, gaan samen naar school, maken ruzie, plagen elkaar en vieren samen alle feestdagen van het jaar.
Al lang geleden schreef Astrid Lindgrin dit verhaal en de wereld van nu ziet er heel anders uit. Maar wat de kinderen doen, hoe ze spelen, hun avonturen, hun fantasieën lijken wel van alle tijden. En daarom vinden kinderen het heerlijk dit boek voorgelezen te krijgen en later ook zelf te lezen.

WIJ UIT BOLDERBUREN

Astrid Lindgren
Illustraties: Els van Egeraat 

BOEK

6-8 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbespreking: alle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2323-2179

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/5)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, hier bijv. is het afkomstig van de plant of van het dier, hoe klaargemaakt, hoe ruikt, smaakt het, enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

5.VOEDING

Brood

Zoals het brood het meest voorkomende, belangrijkste voedsel voor ons lichaam is, zo is voor ons geest-zielenwezen de geestelijke kennis van belang, die in het sprookje ‘brood’ wordt genoemd.

Druivensap = wijn

Ei

Dit bevat de kiem voor nieuw leven, is symbool voor voortbrengende nieuwe levenskracht, ook beeld van het zich steeds vernieuwende Ik van de mens.

Honing

Honing is zonnevoedsel, opwekkend, gezondmakend, harmoniserend; in de Oudheid vormde het in de mysteriën het voedsel voor de priesters. Het beeld van de honing duidt op geestelijke krachten van een zonachtige, het denken stimulerende kracht.

Melk

Melk wordt in een levend wezen gevormd in samenhang met de voortplanting onder invloed van maankrachten. In dit opzicht is het geen onmiddellijk aards voedsel, het komt uit het bereik van het organische, uit de vitaliteit, het is kosmisch voedsel. Melk maakt sterk voor de aarde. Als beeld wijst het naar kosmische krachten.

Water

Wanneer het uit het binnenste van de aarde komt, duidt water als drinken op het element van het oorspronkelijke voelen, op hoe het de mens verkwikt.

Wijn

Wijn is het edelste zonneproduct. Zolang de mens een groepswezen was, door zijn binding aan stam en volk, had hij behoefte aan de wijn die het levensgevoel versterkt en het zelfbewustzijn verhoogt. Zo wordt ze in het sprookje gebruikt: als sterker worden van het Ik en de wilskracht.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2322-2178

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-2/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

In de ontwikkeling van het kind vóór de tandenwisseling ziet Rudolf Steiner het LOPEN, SPREKEN en DENKEN als een belangrijk verschijnsel, waar hij in diverse voordrachten bij stilstaat.

Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken

in de voordrachtenreeks:

Anthroposphische Menschenkunde und Pädagogik

GA 304A

Antroposofische menskunde en pedagogie

Voordracht 2, Stuttgart 26 mei 1923

Pädagogik und Moral

Pedagogie en moraal

Blz. 33

Das erste, wodurch das Kind sozusagen aus einem noch tierähnlichen Dasein in das menschliche Dasein heraufrückt, ist das, was man gewöhnlich mit einem populären Ausdruck das Gehenler­nen nennt. Aber in diesem Gehenlernen liegt die Möglichkeit, seinen Bewegungsapparat als Mensch, die ganze Summe seiner Bewegungsglieder gebrauchen, sie hineinstellen zu lernen in die Welt so, daß sie in ihr in einer gewissen Gleichgewichtslage darinnen stehen.
Das zweite, was der Mensch in den ersten kindlichen Jahren mitbekommt für seinen ganzen Erdenlebensweg, ist das Sprechenlernen. Es ist diejenige Kraft, durch die sich der Mensch in seine menschliche Umgebung hineinorga­nisiert, während er sich durch das Gehenlernen mit Bezug auf seinen Bewegungsapparat in die ganze Welt hineinorganisieren lernt. Das geht alles aus den unbewußten Untergründen des menschlichen Seelenwesens hervor. Und das dritte, das dann der Mensch sich aneignet, ist das Denkenlernen. So unbestimmt, so kindlich es in der ersten Lebensepoche

Het eerste waardoor het kind zogezegd vanuit een nog dierachtig bestaan aansluiting vindt bij het menselijke bestaan, is, wat men meestal met een populaire uitdrukking ‘het leren lopen’ noemt. Maar in dit leren lopen ligt de mogelijkheid als mens zijn hele bewegingsapparaat, het geheel van alles wat hij bewegen kan, te gebruiken, dit te leren op de wereld te richten zodat hij zich daar in een zeker evenwicht bevindt.
Het tweede dat de mens in de eerste jaren van zijn kind-zijn voor zijn hele aardse levensweg meekrijgt, is het leren spreken. Het is die kracht waardoor de mens zich in zijn menselijke omgeving leert oriënteren, terwijl hij door het leren lopen zich wat zijn bewegingsapparaat betreft, in de wereld leert oriënteren. Dat alles komt uit de onbewuste lagen van de menselijke ziel.
En het derde dat de mens zich dan eigen maakt, is het leren denken. Hoe vaag, hoe kinderlijk dat in de eerste levensjaren

Blz. 34

auftritt, es entwickelt sich aus dem Sprechenlernen bei dem Kinde allmählich das Vorstellungsbilden zunächst in primitiver Weise heraus. Und wenn wir dann fragen: In welcher Weise bildet das Kind aus sein Gehenlernen, sein Sprechenlernen, sein Denkenlernen, in welcher Weise bildet es diese drei Fähigkeiten weiter bis zum Abschluß der ersten Lebensepoche, bis zum Zahnwechsel hin? – dann bekommen wir für eine wirkliche Menschenbeöbachtung das Ergebnis, das scheinbar recht einfach klingt, das aber, wenn es in aller Tiefe erfaßt wird, ungeheures Licht über das gesamte Menschenwesen verbreitet, dann bekommen wir das Ergebnis, daß der Mensch in dieser ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel hin im wesentlichen ein nachahmendes Wesen ist, daß er durch Nachahmen, durch Probieren in vollständig unbewußter Weise sich hineinorganisieren lernt in die Welt.

nog is, langzamerhand ontwikkelt zich bij het kind vanuit het leren spreken, het vormen van voorstellingen, in het begin nog op een primitieve manier. En wanneer we dan vragen: op welke manier vormt het kind vanuit het leren lopen, het leren spreken, dan het leren denken, op welke manier vormt hij deze drie vermogens verder tot aan het einde van de eerste levensfase, tot aan de tandenwisseling – dan krijgen we bij een echt waarnemen van de mens, het antwoord, dat schijnbaar heel eenvoudig klinkt, maar dat, wanneer het in alle ernst opgevat wordt, heel veel licht werpt op het mensenwezen als totaliteit, dan krijgen we als antwoord dat de mens in deze eerste levensfase tot aan de tandenwisseling in wezen een nabootsend wezen is, dat hij door nabootsing, door te proberen op een volslagen onbewuste manier zich te leren oriënteren in de wereld.  Zie verder: over nabootsing uit deze voordracht [9-1-1/15]
GA 304A/33-34
Niet vertaald

.

Een artikel over lopen, spreken, denken
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2321-2177

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (46)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

Lianne en Luuk doen in de zomer allerlei ontdekkingen. Ze doen mee aan een wedstrijd wie de hoogste zonnebloem kan kweken. Maar o, wat moet er veel gebeuren om zo’n bloem ook werkelijk mooi te laten bloeien. Ze stellen veel vragen en leren daardoor van alles.
Naast de voorleesverhaaltjes staan er ook leuke knutselideetjes in en recepten.
En kleurige illustraties die – gelukkig – niets karikaturaals hebben, maarecht mooi zijn om naar te kijken.

‘T IS ZOMER

Jolanda Dijkmeijer
Omslag- en binnenillustraties: Marijke Duffhauss

BOEK

tot 6 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2320-2176

.

.

..

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/3)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

3.KLEDING, OPSMUK, WAPENS

Edelsteen

Daar de steen in zijn hardheid de uitdrukking is van de materie, wijst de edelsteen naar het veredelde materiële. Hij wordt uit de aarde gewonnen, staat daarom voor edele aardesubstantie.

Hemd

Het hemd is de omhulling van ons lichaam dat ons het eerst wordt aangetrokken. Mythen en sprookjes schetsen het geheel aan elementaire levenskrachten die door het fysieke lichaam stromen – wat Aristoteles de vegetatieve ziel noemt – als een hemd. Het draagt ons onderbewuste gedachteweven en -leven. Het is belangrijk van welk materiaal dit hemd is gemaakt: linnen duidt op ‘gedachten’, zijde ‘de getuige van een lange metamorfose’ wijst op omvormingskracht.

Hoed

De hoed bedekt het hoofd. Hij drukt het denken met het hoofd uit. Zoals de hoed ons afsluit naar boven, zo doet ons hersendenken dat naar de algemene geestelijke wereld. In het Duitse spreekwoord ‘man muss etwas auf seine Kappe nehmen’, wordt op de persoonlijke verantwoordelijkheid van het bewuste denkvermogen gewezen. 
In gewoonten, profane en religieus-cultische gebruiken vinden we een spiegeling van dit proces.

Jas

Dit kledingstuk. over de borst gedragen, wijst op de belevingen van de ziel. Duits heeft: ‘Die Jacke ist ihm zu eng’.

Jurk 

Over het hemd, als een tweede omhulsel wordt in het sprookje de jurk tot beeld van een tweede omhulling. Die staat voor het totaal aan gewaarwordingen, gevoelens, hartstochten, dus voor het innerlijk leven van de gevoelens.
Duits heeft hier ‘Kleid’ dat meer betekenissen heeft.
Dit totale zielenleven hebben de middeleeuwse schilders van heiligenbeelden als aura gezien en weergegeven. Aan de helderziende verschijnt deze in talrijke kleuren, ook als eivormige goudstralende mandorla en met regenboogkleuren. In de sprookjes zijn de kleurengegevens niet zomaar, ze zijn een uitrdrukking van te onderscheiden zielentoestanden. Is het innerlijk leven nog heel driftmatig en verwant aan dat van het dier, dan verschijnt de mens in het sprookje met een dierenhuid.

Kap = hoed

Kroon

De kroon heeft bij de kroning en zalving van een heerser cultische betekenis. De gouden kroon is het zichtbare teken van verlichting en wijsheid die de heerser in de aura van zijn hoofd moet uitstralen. De ijzeren kroon duidt op de aanwezigheid van het Ik en de ijzeren wil.

Mantel

De zielenomhulling van de mens en van wie bij hem horen. In het beeld van de koning of de koningszoon verschijnt de mantel als een omhulling.
De symboolwaarde van de mantel is nog duidelijker voor ons bij de priester in de cultus, in de toga van de rechter, want in deze samenhang is de mantel heel duidelijk symbool, geen kledingstuk.
De rode kleur van de mantel zegt ons dat de taak van de koning is de behoeder te zijn van het bloed van zijn volk.

Parel

Door water omspoeld groeit de parel in de schelp; het tere glazuur herinnert daar nog aan. Een parelketting verliest haar glans, wanneer deze lange tijd niet wortdt gedragen. Als symbool wijst de ‘in het water geborene’ op de zielenwereld. Ze is tegengesteld aan de edelsteen die ons wijst op de tegenovergestelde wereld van het aardse.

Ring

De in zich gesloten cirkel is het teken van de verbinding, van het ‘samen’. Zo kan ook het op zichzelf staande (gesloten) bewustzijn door het symbool van de ring vertegenwoordigd worden.

Rok

Over het onderlijf gedragen, duidt de rok op de bewegingen van de wil.

Schoen

Met de schoenen sta je op aarde. Als beeld drukt het onze relatie tot het aardse uit; dat is echter de relatie met het leven, tot onze opdracht(en) en mogelijkheden. Wie maar één schoen draagt, staat niet vol meer in het leven; wie schoenen heeft met gaten, heeft vaardigheden verloren en wordt ongeschikt voor de levensloop; afgetrapte schoenen duiden erop dat een levensweg ten einde is.
De witte schoen zegt dat de drager ervan kan leven uit reine, onaardse krachten, heeft de aarde nog niet helemaal betreden of heeft zich daarvan weer losgemaakt.
De rode schoen heeft de kleur van het bloed: gezond rood bloed helpt ons aan een goed Ik-bewustzijn en laat ons een daadkrachtig leven leiden. Er moet een goed onderscheid worden gemaakt wat de vossen- of vlammend rode schoen betreft die op egoïsme duidt.
De gouden schoen: wijsheid en lichtkracht in de levensloop.

Vel = zie bij jurk

Vest

Over de borst gedragen duidt het op het gevoelsleven. zie ook de andere kledingstukken. Duits: ‘er hat eine weisse Weste’, = hij heeft een zuiver geweten.

Wapen = zwaard

Zwaard

De kracht van het woord, is de kracht van het zwaard; het zwaard helpt en beschermt, verwondt en doodt echter ook. Het is tweesnijdend – ook het woord.
In de hand van de strijder, betekent ‘zwaard’: eigen, persoonlijke macht van het woord.
Waar ook in het sprookje wapens, zoals pijl, boog, buks, (jacht)geweer, genoemd worden, wordt gewezen op doelgericht en trefzeker handelen.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2319-2175

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1-1/21)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis

ga 310

GA 310
Vertaald

Menskunde, pedagogie en cultuur

Voordracht 1,  Arnhem 17 juli 1924

Das Erwecken der pädagogischen Gesinnung aus der Erkenntnis des ganzen Menschen

Het wekken van een pedagogische mentaliteit vanuit kennis van de hele mens

Blz. 13   vert. 13

Was einem wirklich vorliegt, ist das kindliche Wesen, das sein Da­sein nicht begonnen hat mit seinem physischen Dasein, sondern das aus vorirdischen Welten sein Geistig-Seelisches heruntergebracht hat und untergetaucht ist in das, was ihm an physischer Leiblichkeit von Eltern und Voreltern überbracht worden ist. Da schaut man hin auf dieses Kind, wie es mit ganz unbestimmter Physiognomie einem in den ersten Lebenstagen entgegentritt, mit ganz unorganisierten, unorientierten Bewegungen. Da verfolgt man von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, wie die Physiognomie immer bestimmter und bestimmter der Ausdruck

Wat er in werkelijkheid voor je staat is het kinderlijke wezen, dat zijn bestaan niet begonnen is bij zijn fysieke bestaan, maar dat zijn geestes-ziele-wezen uit vooraardse werelden omlaag heeft gebracht en ondergedoken is in wat hij aan fysieke lichamelijkheid gekregen heeft van ouders en voorouders. Dan kijk je naar dit kind zoals het je gedurende de eerste levensdagen tegemoet komt met geheel onbestemde fysionomie, onbestemde gelaatsuitdrukking, en met geheel ongeorganiseerde, ongeoriënteerde bewegingen. Dan volg je van dag tot dag, van week tot week hoe de fysionomie steeds sterker tot uitdrukking.

Blz. 14/15  vert. 14/15

desjenigen wird, was vom inneren Seelischen her sich an die Oberfläche arbeitet. Da verfolgt man, wie die Bewegungen, wie das ganze Leben des Kindes immer orientierter und orientierter werden, wie ein Geistig­Seelisches im tiefsten Innern sich an die Oberfläche heranarbeitet. Da fragt man sich mit heiliger Ehrfurcht und Andacht: Was arbeitet sich denn da an die Oberfläche? – Da wird Herz und Sinn zurückgeführt zu dem, was vom Menschen selbst an Geistig-Seelischem da war in der geistig-seelischen, vorirdischen Welt, was aus dieser Welt heruntergestiegen ist in die physische, und man sagt sich: Du Kind, jetzt, nach­dem du durch die Geburt ins irdische Dasein eingetreten bist, bist du unter Menschen; vorher warst du unter geistig-göttlichen Wesenheiten. -Was gelebt hat unter geistig-göttlichen Wesenheiten, das ist heruntergestiegen, um unter Menschen zu sein! Man sieht das Göttliche im Kinde werden. Man fühlt sich wie vor einem Altar. Nur daß auf den Altären, die man in den Religionsgemeinschaften gewohnt ist, die Men­schen den Göttern opfern, damit ihre Opfergaben hinaufsteigen in die geistige Welt; jetzt fühlt man sich gewissermaßen vor dem umgekehr­ten Altar, die Götter lassen ihre Gnadenströme heruntersteigen als gött­lich-geistige Wesenheiten, damit diese sich hier auf dem Altar des phy­sischen Lebens als Göttersendlinge menschlich entfalten! Man schaut in jedem Kinde die göttlich-geistige Weltenordnungsentfaltung: wie Gott schafft in der Welt.

brengt wat zich vanuit het innerlijk van de ziel naar de oppervlakte toe werkt. Dan volg je hoe de bewegingen, hoe het hele leven van het kind steeds meer oriëntatie krijgen, hoe het ziele-geestelijke diep van binnen zich naar de oppervlakte toe werkt. Dan vraag je je met diepe eerbied en vroomheid af: wat drukt zich hier in het uiterlijk af? – Met hart en ziel word je dan teruggevoerd naar wat van de mens zelf als ziele-geestes-wezen aanwezig was in de ziele-geestes-wereld, in de vooraardse wereld, naar wat uit die wereld is afgedaald in de fysieke. En dan zeg je: kind, nadat jij door de geboorte in het aardse bestaan bent binnengekomen, ben je nu onder de mensen; voorheen verkeerde je onder geestelijke wezens. – Wat onder geestelijk-goddelijke wezens heeft geleefd, is afgedaald om onder mensen te zijn! Je ziet het goddelijke in het kind ontstaan. Je voelt je alsof je voor een altaar staat. Alleen, op de altaren die we in religieuze gemeenschappen gewend zijn, offeren de mensen aan de goden opdat hun offergaven opstijgen naar de geestelijke wereld; nu voel je je in zekere zin voor het omgekeerde altaar staan, de goden laten hun genadestromen afdalen als goddelijk-geestelijke wezens, opdat zij zich hier op het altaar van het fysieke leven ontplooien als afgezanten van de goden! In ieder kind zie je de ontplooiing van de goddelijk-geestelijke wereldorde: hoe God in de wereld scheppend werkt.

Am höchsten, am bedeutendsten erscheint es einem, wenn man es anschaut im werdenden Kinde. Dann aber wird einem jedes einzelne Menschenkind zu einem heiligen Rätsel. Denn dann bildet jedes einzelne Kind die große Frage – nicht: Wie soll man es erziehen, daß es, wie man es sich ausgedacht hat, sich einem Idol nähert -, sondern: Wie soll man das pflegen, was einem die Götter her­untergeschickt haben in die irdische Welt? – Man lernt sich erkennen zu einem Helfer der göttlich-geistigen Welt, und man lernt vor allem die Frage aufwerfen: Was kann werden, wenn man mit einer solchen Gesinnung an den Unterricht und an die Erziehung herangeht?
Wahre Pädagogik geht vor allen Dingen von dieser Gesinnung aus. Auf diese Gesinnung, die Pädagogik, den Unterricht zu pflegen, darauf kommt es an! Menschenerkenntnis kann nur erworben werden, wenn die Menschenliebe – also hier die Liebe zum Kinde – zur werktätigen Gesinnung wird. Entsteht eine solche Gesinnung, dann wird der Er­zieherberuf zum Priesterberuf; denn dann wird der Erzieher zum Ver­walter dessen, was die Götter mit den Menschen ausführen wollen.

Je kunt dat het beste zien wanneer je het bekijkt in het zich ontwikkelende kind. Dan echter wordt ieder individueel kind een heilig raadsel voor je. Want dan stelt ieder kind de grote vraag – niet: hoe moet je het opvoeden zodat het, zoals je het hebt bedacht, zo dicht mogelijk een ideaal benadert-, maar: hoe moet ik verzorgen wat de goden omlaag gestuurd hebben naar mij in de aardewereld? – Je leert jezelf zien als een helper van de goddelijk-geestelijke wereld. En je leert vooral je de vraag te stellen: wat kan er ontstaan wanneer je met zo’n mentaliteit begint met onderwijs en opvoeding?
Ware pedagogie gaat vóór alles van deze mentaliteit uit. Van deze gezindheid bij het opvoeden, bij het lesgeven hangt alles af! Menskunde kan slechts worden verworven als de mensenliefde -hier dus de liefde tot het kind – innerlijk tot even wordt gewekt. Ontstaat zo’n mentaliteit, dan wordt het beroep van opvoeder tot het beroep van priester. Want dan wordt de opvoeder tot beheerder van wat de goden met de mensen willen uitvoeren.

Blz. 17/18   vert. 17/18

Betrachten wir den Menschen, wie er heute vor uns steht: das Kind, zunächst bis zum Zahnwechsel. Wir sehen ganz deutlich, die physische Entwicklung geht parallel der geistig-seelischen Entwicklung. Alles was geistig-seelisch hervortritt, hat sein genaues Gegenbild in dem Leiblichen; beides drückt sich zusammen aus, kommt zusammen aus dem Kinde heraus.

Laten we de mens eens bekijken zoals hij nu voor ons staat: een kind, eerst maar eens tot aan de tandenwisseling. We zien heel duidelijk dat de fysieke ontwikkeling parallel loopt met de ontwikkeling van ziel en geest. Alles wat aan ziel en geest te voorschijn komt, heeft zijn precieze tegenbeeld in het lichamelijke; beide drukken zich samen uit, samen komen ze uit het kind te voorschijn.
GA 310/vdr.1
Vertaald

3e voordracht, Arnhem 19 juli 1924

Die Differenzierung in den menschlichen Lebensaltern. Mit einer Fragenbeantwortung

Differentiëring in de leeftijdsfasen van de mens. – Lopen, spreken, denken; de ontwikkeling van het kleine kind en van de jonge mens

Blz. 43    vert. 45

Wenn das Kind aus dem Embryonalzustand in die äußere Welt tritt, also, wenn wir ein außeres Merkmal nehmen wollen, herantritt an den äußeren Atmungsprozeß, dann ist es ja schon physiologisch zunächst darauf angewiesen, nicht unmittelbar von der äußeren Welt aufgenom­men zu werden; denn es bekommt naturgemäß die Muttermilch, also nicht schon Nahrungsmittel, die aus der äußeren Welt aufgenommen werden, sondern solche, die aus derselben Quelle herstammen, aus der das Kind selber stammt. Nun betrachtet man ja heute Substanzen, die einem in der Welt entgegentreten, mehr oder weniger nur nach ihren äußeren chemischen, physischen Eigenschaften, nicht nach den feineren Eigenschaften, die sie durch ihren geistigen Inhalt haben. Man betrach­tet ja heute alles in dieser Weise. Und mit einer solchen Betrachtungs­weise, die nicht abgekanzelt werden soll, sondern in ihrer Berechtigung durchaus anerkannt werden soll, ist man aber doch, weil man einmal das Äußere betrachten wollte, das in früheren Zivilisationen nicht so betrachtet werden konnte, zu einer starken Veräußerlichung gekom­men.

Wanneer het kind uit de embryonale toestand de wereld binnenstapt, dus als we een feitelijk kenmerk willen aangeven, wanneer hij gaat ademhalen, dan is het alleen al fysiologisch gezien duidelijk dat het kind niet direct in de uiterlijke wereld wordt opgenomen. Want het krijgt – helemaal overeenkomstig de natuur – moedermelk; dus niet de voedingsmiddelen die uit de wereld worden opgenomen, maar die welke uit dezelfde bron stammen als het kind zelf. Nu bekijkt men tegenwoordig substanties die men in de wereld tegenkomt, min of meer slechts naar hun uiterlijke chemische en fysische eigenschappen, en niet naar de ‘fijnere’ eigenschappen die ze door hun geestelijke natuur hebben. Vandaag de dag bekijkt men alles grofstoffelijk. Ik wil die manier niet afkeuren; integendeel, we moeten die zeer zeker als een terechte manier van kijken erkennen. Maar met deze manier is de mens sterk in de veruiterlijking gekomen.

Blz. 45   vert. 47

Denn wenn man das Kind bis zum Zahnwechsel betrachtet, so ist die Entwicklung des Kindes vorzugs­weise von seinem physischen Organismus abhängig. Der physische Or­ganismus muß sich zunächst der Außenwelt anpassen. Aber er kann es nicht gleich, er kann es nicht einmal im gröbsten physischen Sinne gleich. Er kann, weil er dasjenige in sich enthält, was der Mensch sich mitgebracht hat aus der geistigen Welt, in der er im vorirdischen Dasein war, nicht einmal gleich ohne weiteres die Stoffe der Außenwelt auf­nehmen; er muß sie in der Muttermilch vorbereitet aufnehmen. Er muß sozusagen bei dem bleiben, was ihm zunächst gleichartig ist. Er muß erst in die Außenwelt hineinwachsen. Und der Abschluß dieses Hinein­wachsens des physischen Organismus in die Außenwelt ist das Erschei­nen der zweiten Zähne um das 7. Lebensjahr herum. Das ist gewissermaßen der Schlußpunkt des Hineinwachsens des physischen Organis­mus des Kindes in die Außenwelt. 

Want kijk je nu naar een kind tot aan z’n tandenwisseling, dan hangt zijn ontwikkeling met name nauw samen met het fysieke organisme. Dat organisme moet zich eerst aanpassen aan de buitenwereld. Maar het kan dat niet meteen, zelfs in de grofste zin kan het dat niet meteen. Omdat dat organisme bevat wat de mens heeft meegebracht uit de geestelijke wereld, waarin hij tijdens zijn vooraardse bestaan verbleef, kan het niet eens meteen zonder meer de stoffen van de buitenwereld opnemen. Het moet die in de moedermelk toebereid opnemen. Want de moedermelk is zogezegd van gelijke aard als het fysieke organisme zelf. En daar moet het z’n eerste verblijfplaats hebben. Het moet eerst in de buitenwereld ingroeien. De voltooiing van dit binnengroeien van het fysieke organisme in de buitenwereld is het te voorschijn komen van het blijvende gebit, zo rond het 7e jaar. Dat is in zekere zin het eindpunt van dat ingroei-proces.

Blz. 46  vert. 48

Indem der Mensch hereinwächst in die physisch-irdische Welt, ent­wickelt sich sein Inneres so, daß diese Entwickelung zunächst ausgeht von der Geste, von der Gebärde, von Bewegungsverhältnissen. Im Inneren des Organismus entwickelt sich aus den Bewegungsverhält-nissen heraus die Sprache, und aus der Sprache heraus entwickelt sich der Gedanke. Das liegt wie ein tief bedeutsames Gesetz der mensch­lichen Entwickelung zugrunde. Alles was im Laute, in der Sprache zutage tritt, ist, vermittelt durch das Innere der menschlichen Organi­sation, Resultat von Gesten. Wenn Sie Ihre Aufmerksamkeit darauf richten, wie ein Kind, indem es nicht nur sprechen lernt, sondern auch, sagen wir, gehen, auftreten lernt, dann können Sie beobachten, wie das eine Kind stärker auftritt mit dem Hinterfuß, mit der Ferse, ein an­deres mehr mit den Zehen auftritt. Sie können Kinder beobachten, welche, indem sie gehen lernen, mehr die Tendenz haben, ihre Beine vorwärtszubringen, bei anderen können Sie bemerken, wie sie mehr die Tendenz haben, gewissermaßen sich festzuhalten zwischen zwei Schrit­ten. Es ist ungeheuer interessant, ein Kind gehen lernen zu sehen. Das muß man beobachten lernen.

Doordat de mens in de fysiek-aardse wereld binnengroeit, ontwikkelt zijn innerlijk zich zo dat deze ontwikkeling uitgaat van de geste, van het gebaar, van bewegingsverhoudingen. Van binnenuit groeit uit het bewegen het spreken, en uit het spreken ontwikkelt zich het denken. Dat ligt als een diepzinnige en belangrijke wetmatigheid ten grondslag aan de menselijke ontwikkeling. Alles wat in de klank, in het spreken te voorschijn komt, is, met hulp van innerlijke processen in de mens, het resultaat van gebaren. Als u uw aandacht niet alleen richt op hoe een kind leert spreken, maar ook op hoe het leert lopen, dan kunt u zien dat het ene kind sterker rust op de hak of de hiel, en een ander kind meer op z’n tenen loopt. U kunt kinderen zien die, terwijl ze leren lopen, meer de tendens hebben om hun benen naar voren te brengen. Bij anderen kunt u merken dat ze tussen twee stappen in in zekere zin even stilhouden. Het is geweldig interessant te zien hoe een kind leert lopen. Dat moeten we leren waarnemen.

Blz. 47  vert. 49

Aber noch viel interessanter ist es und noch viel weniger wird es berücksichtigt, ein Kind greifen lernen, Seine Hände bewegen lernen anzusehen. Es gibt Kinder, die bewegen, wenn sie irgend etwas haben wollen, ihre Hände so, daß die Finger eben in Bewegung kommen; andere halten die Finger ruhig und greifen mit ruhig gehaltenen Fingern zu. Es gibt Kinder, welche die Hand und den Arm ausstrecken und dabei den Oberkörper festhalten; andere gibt es, die gleich mit dem Oberkörper nachgehen der Bewegung des Armes und der Hand. Ich habe ein Kind kennengelernt, als es ganz klein war, wenn es in seinem Stühlchen etwas vom Tische entfernt war und auf dem Tische eine Speise stand, zu der es hinwollte, dann «ruderte» es hin; da war der ganze Körper in Bewegung. Das konnte überhaupt keine Bewegung mit den Armen und Händen machen, ohne daß der ganze Körper in Bewegung kam.
Darauf muß man zuerst beim Kinde hinschauen, denn das ist die innerlichste Lebensregung zunächst, die allerursprünglichste Lebensregung, wie ein Kind sich bewegt.

Maar nog veel interessanter is het – en daaraan wordt nog minder aandacht geschonken -, naar een kind te kijken dat leert grijpen, dat zijn handen gaat bewegen. Er zijn kinderen die, als ze iets willen hebben, hun handen zó bewegen dat het de vingers zijn die in beweging komen; andere kinderen houden hun vingers stil en pakken dan iets vast. Er zijn kinderen die hun hand en hun arm uitstrekken en daarbij hun bovenlichaam stilhouden; en andere die meteen met het bovenlichaam de beweging van arm en hand volgen. Ik heb eens een kind leren kennen – het was toen nog heel klein – dat wanneer het in z’n stoeltje zat een beetje van tafel af en er stond op tafel iets te eten wat het wilde hebben, dan ‘roeide’ het erheen. Het bracht z’n hele lichaam in beweging. Dat kind kon überhaupt geen beweging met z’n armen en handen maken zonder dat het hele lichaam mee bewoog.
Daarop met name moet je bij het kind letten, want dat is aanvankelijk het meest innerlijke levensgevoel, het alleroorspronkelijkste levensgevoel: de manier waarop een kind zich beweegt.

Blz. 48   vert. 50/51

In der Zeit vom 1. bis 7. Jahre ist das Leben des Kindes in der Geste vorherr­schend – aber Geste im weitesten Sinne, und Geste, die beim Kinde lebt in der Nachahmung. Das müssen wir in der Erziehung scharf berück­sichtigen; denn eigentlich nimmt das Kind bis zum Zahnwechsel nichts anderes auf als die Geste, schließt sich ab gegen alles andere. Wenn wir zum Kinde sagen: Mache das so, mache jenes so, – so hört es das eigent­lich nicht, beobachtet es nicht. Nur wenn wir uns selber hinstellen und es ihm vormachen, macht es das nach. Denn es arbeitet das Kind nach der Art, wie ich selber meine Finger bewege, oder schaut etwas nach der Art an, wie ich es anschaue, nicht nach dem, was ich ihm sage. Es macht alles nach. Das ist das Geheimnis der kindlichen Entwicklung in der Zeit bis zum Zahnwechsel, daß es ganz in der Imitation lebt, ganz in der Nachahmung dessen, was ihm im allerumfassendsten Sinne äußerlich als Geste entgegentritt. Daher die Uberraschungen, die sich ergeben, wenn man dieses kindliche Alter zum Erziehen vor sich hat. -Da kam einmal ein Vater zu mir und sagte: Was soll ich nur machen? Es ist etwas ganz Schreckliches, mein Junge hat gestohlen. – Ich sagte: Wir wollen erst untersuchen, ob er wirklich stiehlt; was hat er denn getan? –

Als het kind op zijn le, 2e, 3e, 4e levensjaar geleidelijk aan in de wereld binnen-groeit, dan doet het dit door middel van het gebaar. Alles is dan afhankelijk van het gebaar. Het spreken, het denken gebeurt in hoge mate onbewust; het richt zich gewoon naar het gebaar, naar het eerste uit het rijtje. Daarom kunnen we bij benadering zeggen: in de periode van het 1e tot en met het 7e jaar overheerst het gebaar in het leven van het kind – maar gebaar in de ruimste zin; het gebaar dat bij het kind leeft via de nabootsing. Dat moeten we in onze manier van opvoeden scherp in het oog houden. Want in wezen neemt een kind tot aan de tandenwisseling niets anders op dan het gebaar; het sluit zich af voor al het andere. Als we tegen een kind zeggen: doe dit zus, doe dat zo, -dan hoort het dat eigenlijk niet, het neemt het niet waar. Alleen wanneer we zelf bij het kind gaan staan en het hem voordoen, doet hij het na. Want het kind gaat te werk op de manier waarop ik zelf mijn vingers beweeg, of het kijkt ergens naar op de wijze waarop ik ernaar kijk; en niet zoals ik het hem zeg. Het doet alles na. Het geheim van de ontwikkeling van het kind in de tijd tot aan de tandenwisseling is dat het helemaal in de imitatie leeft, in de nabootsing van wat hem in de meest omvattende zin van buitenaf als gebaar tegemoet komt.
Vandaar de verrassingen die zich voordoen wanneer je kinderen uit deze leeftijdsfase moet opvoeden. – Er kwam eens een vader naar me toe die me vroeg: wat moet ik doen, er is iets heel vreselijks gebeurd, mijn zoontje heeft geld gestolen. – Ik antwoordde hem: eerst moeten we eens onderzoeken of hij echt steelt; wat heeft hij gedaan?

Und der Vater erzählte, daß der Junge aus dem Schrank Geld genommen hat, sich dafür Bonbons gekauft und sie unter die andern Jungens verteilt hat. Ich sagte: Das ist wahrscheinlich der Schrank, an dem der Junge oft gesehen hat, wie die Mutter dort Geld herausnahm, um einzukaufen; das macht der Junge selbstverständlich nach. – Und so lag auch die Sache. Ich sagte weiter: Aber das ist nicht gestohlen, sondern das liegt im selbstverständlichen Entwicklungsprinzip des Jungen bis zum Zahnwechsel, daß er nachmacht, was er sieht; das muß er so machen. – Man muß also in der Gegenwart des Kindes alles ver­meiden, was ein Kind nicht nachmachen soll. Dadurch erzieht man es. Wenn man sagt: Du sollst das tun oder nicht tun, – so übt das über­haupt bis zum Zahnwechsel noch gar keinen Einfluß auf das Kind aus. Es wirkt höchstens, wenn man es in die Geste kleidet, indem man sagt:
Sieh einmal, du hast jetzt etwas getan, das würde ich nie tun! – weil dies gleichsam eine verkleidete Geste ist.

De vader vertelde dat de jongen uit de kast geld had gepakt, er snoepjes voor had gekocht en die onder de andere jongetjes had verdeeld. Ik zei: dat is waarschijnlijk de kast waar het jongetje zijn moeder vaak geld uit heeft zien pakken om boodschappen te gaan doen; dat doet die jongen natuurlijk na. – En zo was het ook. Verder zei ik: dat is geen stelen, het ligt in het vanzelfsprekende ontwikkelingsprincipe van de jongen tot aan de tandenwisseling dat hij nabootst wat hij ziet; hij móet dat zo doen. – In de aanwezigheid van het kind moet je alles vermijden wat het niet moet nadoen. Daardoor voed je het kind op. Als je zegt: je mag dit of dat niet doen, – dan heeft dat tot aan de tandenwisseling nog geen enkele invloed op het kind. Dat werkt hoogstens als je het in het gebaar verpakt doordat je zegt: kijk eens, jij hebt nu iets gedaan wat ik nooit zou doen! – dat is als het ware een verpakt gebaar.

Blz. 49  vert.  51

Darauf kommt es an, daß man mit seinem ganzen Menschen durchschaut, wie das Kind bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen ist. In dieser Zeit besteht nämlich ein gewisser innerer Zusammenhang zwischen dem Kinde und der Umgebung, der handelnden Umgebung, der sich später verliert. Denn so sonderbar und paradox es für die heu­tigen Menschen klingt, die gar nicht an Geistiges in der Wirklichkeit, sondern nur in der Abstraktion denken, so ist es doch so, daß das ganze Verhältnis des Kindes zur Geste, zur Gebärde der Umgebung einen naturhaft-religiösen Charakter hat. Das Kind ist durch seinen physi­schen Leib hingegeben an alles, was Gebärde ist; es kann gar nicht anders als sich daran hingeben. Was wir später mit der Seele, noch später mit dem Geiste tun: uns an das Göttliche, also an das wiederum vergeistigte Äußerliche hinzugeben, das tut das Kind mit seinem phy­sischen Körper, indem es sich in die Bewegung bringt. Es ist eigentlich ganz in Religion getaucht, mit seinen guten und schlechten Eigenschaf­ten. Uns bleibt später nur das Seelisch-Geistige zurück, das das Kind auch in seinem physischen Organismus hat. Wenn daher neben dem Kinde ein bärenartiger oder ein löwenartiger Vater lebt, der oft jäh­zornig wird und in der Gegenwart des Kindes seine Emotionen auslebt, so muß man sich klar sein: von dem, was da in den Emotionen lebt, innerlich, versteht das Kind noch nichts; aber an dem, was es da sieht, erlebt es etwas, was nicht moralisch ist.

Het gaat erom dat je met je hele mens-zijn doorziet dat het kind tot aan de ‘tandenwisseling een nabootsend wezen is. In deze leeftijdsfase bestaat namelijk een zekere innerlijke samenhang tussen het kind en de omgeving, en wel dat wat in z’n omgeving wordt gedaan. Later gaat die samenhang verloren. Want hoe zonderling en paradox dit ook voor de huidige mensen klinkt -want mensen denken in de praktijk van alledag helemaal niet aan geestelijke dingen, maar ze denken in abstracties – toch is het zo dat heel de verhouding die het kind heeft tot de geste, tot het gebaar in zijn omgeving een natuurlijk-religieus karakter heeft. Het kind is door zijn fysieke lichaam overgegeven aan alles wat ‘gebaar is; het kan helemaal niet anders dan zich eraan overgeven.
Wat wij later met de ziel, en nog later met de geest doen: ons aan het goddelijke, dus aan het opnieuw vergeestelijkte uiterlijke overgeven, dat doet het kind met zijn fysieke lichaam door zich in de beweging in te voegen. In feite woont het kind met zijn goede en slechte eigenschappen helemaal in het religieuze. Ons rest later alleen nog het psychisch-geestelijke deel, dat bij het kind ook in zijn fysieke organisme zit. Wanneer daarom in de omgeving van het kind een ‘beerachtige’ of een ‘leeuwachtige’ vader leeft die vaak driftig wordt en in de nabijheid van het kind zijn emoties de vrije loop laat, dan laat zich begrijpen: van wat er in de emoties leeft, innerlijk, daarvan begrijpt het kind nog niets; maar aan wat het ziet, beleeft het iets wat niet moreel is.

Blz. 50  vert. 52

Dieses Kind schaut mit dem Jähzorn zugleich das Moralische an, unbewußt; so daß es nicht nur das äußere Bild der Geste hat, sondern den ganzen moralischen Wert der Geste nimmt es mit auf. Wenn ich eine jähzornige Gebärde mache, so geht diese bis in die Blutorganisation des Kindes über, und wenn sich diese Gebärden wiederholen, so werden sie Ausdruck in der Blutzirku­lation des Kindes. Es wird so organisiert in seinem physischen Leibe, wie ich mich gebärdenhaft in seiner Umgebung verhalte. Oder wenn ich mich in der Nähe des Kindes nicht liebevoll verhalte, wenn ich, ohne daß ich das Kind beachte, etwas vollbringe, was nur dem Alter entspricht, und mir nicht stetig bewußt bin, daß ich das Kind in meiner Umgebung habe, dann kann der Fall eintreten, daß das Kind sich liebe­voll an etwas hingibt, was nicht kindlich, sondern nur alterswert ist, und dementsprechend wird dann sein physischer Leib organisiert.

Voor het kind valt de woedeaanval onbewust samen met het morele; zodoende ziet het niet alleen het uiterlijke beeld van het gebaar, maar het neemt daarin de hele morele waarde van het gebaar in zich op. Als ik een gebaar uit drift maak, dan slaat dat op het kind over tot in het bloed; en als deze gebaren zich herhalen, dan worden ze vastgelegd in de manier waarop het bloed in het kind is samengesteld. Het fysieke lichaam van het kind wordt in z’n organisatie gevormd naar hoe ik in zijn omgeving met m’n gebaren omga. Of als ik me in de nabijheid van het kind niet liefdevol gedraag, als ik zonder op hem te letten iets doe wat slechts bij een hogere leeftijdsfase past, en me niet steeds ervan bewust ben dat ik het kind in m’n nabijheid heb, dan kan het gebeuren dat het kind zich liefdevol aan iets overgeeft wat niet des kinds is, maar wat bij een hogere leeftijd past; en dienovereenkomstig wordt dan ook zijn fysieke lichaam georganiseerd.

Wer mit den Anforderungen, von denen ich gesprochen habe, den ganzen Lebenslauf des Menschen von der Geburt bis zum Tode betrachtet, der sieht, daß ein Kind, demgegenüber man sich so benommen hat, wenn man es auch solche, nur für das Alter angemessene Dinge nachahmen ließ, dann später vom 50. Jahre an in die Sklerose verfällt. Man muß das in seinem ganzen Zusammenhange einsehen können. Krankheiten, die im Alter auftreten, sind oft nur die Folge von Erziehungsfehlern, die im allerkindlichsten Alter gemacht werden. Daher darf eine Erziehung, die wirklich auf Menschenerkenntnis begründet ist, auf den ganzen Menschen sehen, von der Geburt bis zum Tode. Und das ist das Wesentliche anthroposophischer Erkenntnis, daß man auf den ganzen Menschen hinsieht. Dann kommt man auch da­hinter, wie ein viel stärkerer Zusammenhang besteht zwischen dem Kinde und der Umgebung. Ich möchte sagen, die Seele des Kindes geht noch heraus in die Umgebung, erlebt die Umgebung intim mit, und zwar in einem viel stärkeren Zusammenhange als im späteren Lebens­alter. In dieser Beziehung steht das Kind – nur vergeistigt, verseelischt -dem Tier noch sehr nahe; das Tier hat das alles nur gröber, aber es hat auch den Zusammenhang mit der Umgebung.

Bekijk je de hele levensloop van de mens, van de geboorte tot aan de dood, vanuit dit soort gezichtspunten, dan zie je het volgende: heb je je ten opzichte van een kind zo gedragen dat je het ook dingen laat nabootsen die uitsluitend bij een hogere leeftijd passen, dan zal het later, vanaf z’n 50e levensjaar, sclerotiseren. Deze samenhang moeten we helemaal kunnen zien. Ziektes die op latere leeftijd optreden, zijn veelal slechts het gevolg van opvoedingsfouten die in de allervroegste kinderleeftijd zijn gemaakt.
Daarom mag het opvoeden dat echt op menskundig inzicht is gebaseerd, naar de gehele mens kijken, van de geboorte tot aan de dood. Het wezenlijke van antroposofische kennis is dat je naar de hele mens kijkt. Dan kom je er ook achter dat er een veel nauwere samenhang bestaat tussen het kind en zijn omgeving. De ziel van het kind treedt nog naar buiten in de omgeving, beleeft de omgeving innig mee, en wel in een veel sterkere verbinding dan op latere leeftijd. In dit opzicht staat het kind -maar alleen wat betreft het geestelijke, het psychische – nog erg dicht bij het dier. Het dier heeft ook een samenhang met zijn omgeving, maar dan grover.

Blz. 52  vert. 54

Eine solche Beziehung (Steiner vertelde net over het paard van van Osten) zur Umwelt ist auch noch in einer feinen Art beim Kinde vorhanden. Sie lebt im Kinde und sollte beachtet werden. Daher kann zum Beispiel die Kindergartenerziehung niemals auf etwas anderem beruhen als auf dem Nachahmungsprinzip. Man muß sich mit den Kindern hinsetzen und ihnen die Dinge, die sie tun sollen, wirklich selber vormachen, so daß das Kind nur nachzuahmen braucht. Alles Erziehen und Unterrichten vor dem Zahnwechsel muß auf das Nach­ahmungsprinzip gestellt sein.
Zo’n relatie tot de omgeving is ook bij het kind nog aanwezig, maar dan op een fijnzinniger manier. Die relatie leeft in het kind en daar moeten we op letten. Daarom kan bijvoorbeeld de opvoeding op de kleuterschool nooit op iets anders berusten dan op het principe van de nabootsing. Je moet bij de kinderen gaan zitten en ze de dingen die zij moeten doen, echt zelf voordoen, zodat het kind ze maar hoeft na te doen. Alle opvoeden en leren vóór de tandenwisseling moet geënt zijn op het principe van de nabootsing.
GA 310/vdr. 3
Vertaald

Voordracht 4, Arnhem 20 juli 1924

Das lebendige Herantreten an die Kindesnatur durch das Begründen eines Verhältnisses zur Welt

Het kind op een levendige manier benaderen door een relatie tot de wereld op te bouwen

Blz. 71    vert. 74

In den ersten 7 Lebensjahren des Kindes sieht man ja das Seelische im Körperlichen wirken. – Wie es da wirkt, das muß man durch Anschauung kennenlernen, nicht durch philosophische Spekulationen oder dergleichen.

In de eerste 7 levensjaren van het kind ziet men dat het psychische in het lichamelijke actief is. – Hoe het daarin actief is, moet je door middel van de waarneming leren kennen, niet via filosofische speculaties of iets dergelijks.

Blz. 82   vert. 86

Die Menschen sind sehr merkwürdig. Da gibt es zum Beispiel eine kultur­historische Anschauung, die sich Animismus nennt. Die sagt: Wenn das Kind sich an einem Tische stößt, so beseelt es den Tisch, es prügelt ihn; es träumt eine Seele in den Tisch hinein; so hätten es auch die Natur­völker gemacht. – Man stellt sich vor, daß da etwas Komplizierteres in der Seele des Kindes vor sich geht: das Kind soll den Tisch belebt, beseelt denken, und deshalb ihn prügeln, wenn es sich stößt. Es ist das eine phantastische Vorstellung. Wer aber etwas beseelt, das ist eben derjenige, der Kulturgeschichte treibt; der beseelt das Vorstellungs­vermögen des Kindes. Aber das Seelische des Kindes ist in einem viel größeren Maßstäbe im Körperlichen drinnen als später, wo es sich emanzipiert und als Seelisches frei wirkt. Wenn das Kind sich am Tische stößt, so beginnt eine Reflexbewegung, ohne daß das Kind den Tisch beseelt; es ist reine Willensbewegung, es unterscheidet sich noch nicht von der Außenwelt. Diese Unterscheidung tritt erst ein, wenn gegen das 12. Jahr beim gesunden Kinde der Ursachenbegriff eintritt. Und wenn man mit dem Ursachenbegriff, überhaupt mit so brutalen äußeren Anschaulichkeiten beim Kind zu früh arbeitet, dann ruft man eigentlich fürchterliche Zustände in der Entwicklung des Kindes her­vor.

De mensen zijn heel merkwaardig. Er bestaat bijvoorbeeld een cultuurhistorische wereldbeschouwing die zich animisme noemt. Deze zegt: wanneer een kind zich aan een tafel stoot, dan meent hij dat deze tafel een ziel heeft en slaat hij deze; hij ‘droomt’ een ziel in de tafel ‘binnen’; zo deden de natuurvolkeren dat ook. – Zij stellen zich voor dat er in de ziel van het kind zich iets gecompliceerders afspeelt: het kind moet zich voorstellen dat de tafel tot leven gewekt, bezield is, en daarom slaat hij de tafel wanneer hij zich daaraan stoot. Dat is een fantasie-voorstelling. Degene die iets bezielt, dat is nu juist degene die cultuurhistorie bedrijft; die bezielt het voorstellingsvermogen van het kind. De ziel van het kind echter is in veel grotere mate aan het lichaam gebonden dan later, wanneer de ziel zich emancipeert en vrij werkzaam is. Als het kind zich aan een tafel stoot, dan begint er een reflexbeweging zonder dat het kind de tafel bezielt. Het is een pure wilsbeweging, het onderscheidt zich nog niet van de buitenwereld. Dit onderscheid treedt pas op wanneer tegen het 12e jaar bij het gezonde kind het causale begrip opkomt. Als je bij het kind te vroeg met het causale begrip, überhaupt met brute uiterlijke aanschouwelijkheden begint te werken, dan roep je eigenlijk verschrikkelijke toestanden op in de ontwikkeling van het kind.
GA 310/vdr.4
Vertaald

Voordracht 6, Arnhem 22 juli 1924

Das Hineintragen des Lebens und der Weltperspektiven in die Pädagogik

Leven en wereldperspectieven inbrengen in de pedagogie

Blz. 118  vert. 125

Man muß wissen, wie das Kind ein anderes ist von der Geburt bis zum Zahnwechsel, ein anderes zwi­schen Zahnwechsel und Geschlechtsreife und ein anderes zwischen Ge­schlechtsreife und dem 21. Lebensjahr. Warum tut das Kind etwas in der Zeit bis zum 7. Lebensjahr? Weil es nachahmen will. Da will es das tun, was seine Umgebung macht. Das muß aber auch Leben haben, muß in lebendige Regsamkeit übergehen können. Dazu kann man nun sehr viel tun, wenn man das Kind daran gewöhnt, das, was es von der Umgebung empfängt, in Dankbarkeit zu empfinden. Dankbarkeit ist die Grundtugend des Kindes von der Geburt bis zum Zahnwechsel.

We moeten weten dat het kind van de geboorte tot aan de tandenwisseling anders is dan tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid, en weer anders tussen geslachts­rijpheid en het 21e levensjaar. Waarom doet het kind in de tijd tot aan het 7e jaar iets? Omdat hij wil nabootsen. Hij wil doen wat zijn omgeving doet. Dat moet echter ook leven in zich krijgen, dat moet in levende activiteit kunnen overgaan. Je kunt daar heel veel voor doen door ervoor te zorgen dat het voor het kind gewoonte wordt dankbaar te zijn voor wat hij krijgt. Dankbaar­heid is de hoofddeugd van het kind tussen geboorte en tanden­wisseling. Als het kind aan iedereen tot wie hij in de buitenwereld een bepaalde relatie heeft, kan zien dat die de dingen die hij van de buitenwereld krijgt, in dankbaarheid ontvangt; als het kind tegenover alles wat hij aan de buitenwereld ervaart en wat hij wil nabootsen, gebaren ziet die in de richting van dankbaarheid gaan, dan doe je zeer veel voor de juiste morele standvastigheid van de mens. Dankbaarheid is dat wat in de eerste 7 levensjaren thuishoort.
GA 310/118
Vertaald

.

Uit deze voordrachten: Rudolf Steiner over spel GA 310

Uit deze voordrachten: Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken GA 310 (nog niet oproepbaar)

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2318-2174

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-9)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

Max van Egmond, exacte bron en datum onbekend*

.

DUITS

Max van Egmond bespreekt de uitspraak van het Duits. Max van Egmond (63 jaar*) debuteerde in 1959. Daarna volgde een carrière van veertig jaren als bariton-solist op internationale podia met talloze opnamen op lp en cd. Aan het Sweelinck Conservatorium (nu Conservatorium van Amsterdam) doceerde Van Egmond hoofdvak zang. Daarnaast had hij er een speciale onderwijsopdracht voor de dictie van vreemde talen. Tegenwoordig* is Max van Egmond privédocent zang en leraar uitspraakverbetering.

Nederlanders die klassieke muziek zingen moeten veelzijdig zijn. In de moedertaal zingen we zelden; en met één andere** taal zijn we nog niet klaar. De redactie heeft me gevraagd, mij tot het Duits te beperken. Andere talen zal ik dan ook alleen noemen ter vergelijking.

Het gaat hier om het Hochdeutsch en daarin om de Bühnensprache. Dat laatste betekent, dat alleen de tongpunt-r wordt gebruikt en niet de huig-r, zoals in de spreektaal.***

Onze onderwerpen zijn: klinkers, medeklinkers (waaronder ich-Laut en ach-Laut), binding of niet-binding, dubbele of enkele medeklinkers.

Klinkers

In het algemeen zuiver, helder, niet dof en niet gemengd . Uitleg van ‘gemengd’: Nederlanders neigen tot een dubbelklank (diftong): Ga je mee klinkt als mee-ie; zozo klinkt als zozo-oe. Doe dat niet in het Duits. Am See wordt geen zee-ie; loben wordt geen loo-oeben.

De A

Kan lang zijn.- Vater, Abend, Ahnung. Kan kort lijken en toch lang klinken: er bat, sie ass (= hij verzocht, zij at) klinken als baat en aas.

Kan kort zijn: Er stand am Anfang; maar dan minder dof als Ned. varken of land; dus iets neigend naar aa.

Ä (gefährlig, Mädchen) klinkt niet als ee in Ned. zee, maar als è in ver of in het Franse trés.

Au is vergelijkbaar met het Nederlandse blauw of mouw, maar het Duits neigt meer naar aa en het Nederlands meer naar o (als in vol).

De E

Kan ‘gesloten’ zijn (die Seele, das Leben) of ’open’ (herzlich, sternen). De gesloten versie is daadwerkelijk nauwer dan het Nederlands, dus bijna neigend naar ie.

Enkele valkuilen zijn: den (als Ned. leem) en denn (als Ned. held); weg (als Ned. spek) en Weg (als Ned. leep); hin und her (als Ned. speer).

NB: In de (zuid-)Duitse spreektaal hoort men der erste wel eens met de open è van spek. Dat is geen Hochdeutsch.

De I

Kan lang zijn als in Ihnen of kort als in Himmel. ‘Kort’ betekent iets neigend naar de i van stip. ie als in Liebe is vergelijkbaar met het Nederlands.

De O

Kan lang zijn als in loben of kort zoals in Holz. De lange versie moet tamelijk gesloten zijn: bijna neigend naar onze oe. Een valkuil: Was ist los (Zeg loos.)

Ö klinkt ongeveer als het Ned. heus, maar heeft subtiele kleurverschillen. B.v. schön is als kleuter; hört is als deur; völlig is als stuk.

De U

Kan lang zijn als in Blume en zur of kort als in schlummern en Hund. ’Kort’ wil zeggen iets neigend naar de o van Ned. los (maar heel weinig!).

Ü Ook hiervan is een lange versie: Frühling, süsser en een korte: Glück, dürr (neigend naar de u in stuk.)

De Y

Klinkt als de uu in stuur: typisch wordt tuupiesj; lyrisch wordt luuriesj.

Medeklinkers

De B en de D

Als in het Nederlands. Aan het eind van een woord zijn ze stemloos, in tegenstelling tot het Engels.

De C

Klinkt in het algemeen als ts: Cellophan, Cis, Caesar Maar ook wel als k: Café, Chor, Code, chaotisch; of als sj: Chance, Chocolade. Klinkt nooit als s.

Speciale aandacht verdient de ch aan het einde van een woord. Men spreekt van ‘ach-Laut als het als harde g wordt uitgesproken. DIT GEBEURT ALLEEN NA A, O EN U ZONDER UMLAUT: Bach, Buch, Loch. Men spreekt van ‘ich-Laut als het als zachte ch wordt uitgesproken. DIT GEBEURT IN ALLE ANDERE GEVALLEN. Dat wil zeggen na de a, o en u MET UMLAUT: Büchlein, Bücher, Löcher. Ook na de andere klinkers: sicher, frech. Ook na alle medeklinkers: Milch, Mädchen (zeg niet meetsjenl), solche, horch, München (zeg niet muunsjenl), ein Bisschen (zeg vooral niet biesjenl).

De F,H, J, M, N, W, X

Overeenkomend met het Nederlands. (NB: de slot-n altijd hoorbaar zingen: einen Mann.)

De K, P, T

Zoals in het Nederlands, maar met een neiging tot aspiratie (d.w.z. gevolgd door een lichte h): ich kom-me klinkt als khomme; passen klinkt als phassen; tanzen als thantsen. NB: In het Engels treffen we precies hetzelfde, maar in het Frans en Italiaans is het taboe.

De G

In het algemeen hard (als in het Eng. goal): gut, Gott, Glieder, grausam. Soms als k: Berg, Weg, arg. Na de i meestal als als zachte ch: ewig, König. NB: Dit verandert bij toevoeging van -lich: ewiglich wordt ee-wiek-liech; Königlich wordt keu-niek-liech.

De L

Als in het Nederlands, maar beslist slanker (met een spitser tong-gevoel). Vergelijk: de Engelse I is het dikste, de Nederlandse iets minder dik en de Franse en Duitse I is het slankste.

De Q

Komt vrijwel alleen voor in combinatie met de u en klinkt dan als kW; niet als koe. Dus Qual is kwaal; kreuz-und-quer (=schots-en-scheef) wordt kweer.

De R

Zoals in de inleiding gezegd: alleen de tongpunt-r komt in aanmerking. In de spreektaal wordt de slot-r vaak bijna onhoorbaar: liebe(r) Vate(r). Doe dat niet in de kunstzang.
***In de spraakoefeningen op de vrijeschool wordt altijd gestreefd naar het aanleren/bevorderen van de tongpunt-r. Zie: alle spraakoefeningen

De S

Aan het begin van een woord als z uitspreken: im Sommer, wir singen, sowieso, Salome, selig. Aan het eind van een woord uiteraard stemloos: das, los, ist.

Ss en sz kinken ook als s.

De s voor een p of t klinkt als sj: Spannung, Streit. Maar voor de k blijft het een s: Sklaverei.

Sch klinkt niet als het Nederlandse school of Schiphol, maar als sj: schlummern, schwung.

De V

Aan het begin van een woord beslist als f uitspreken: Vater, von, Vogel, verbrennen, vier. In woorden van andere** oorsprong wordt evenwel de stemhebbende klank gehandhaafd (en wel zo vol dat het bijna een w lijkt): die Violine, das Vibrato.

De Z

Klinkt altijd als ts.- zahlreich, zuwieder, Zoll.

Binding of niet-binding

De ene taal heeft een meer legato-karakter dan de andere. Het Frans wordt het meest legato gesproken: woorden worden aan elkaar gelijmd. Het Duits heeft deze neiging het minste: dikwijls scheidt een minuscule opening de woorden van elkaar. Daarom: am Abend klinkt niet als am-maabent, maar als am / aabent; das offene Feuer wordt niet dassoffene, maar das / offene.

Evenzo: die ewige Liebe wordt niet diejeewiege, maar die / eewiege. Dit betekent dat een lichte ’glottis-aanzet’ mag klinken waar hierboven een / staat.

Deze gewoonte van niet-binden heeft ook gevolgen voor clusters van medeklinkers. In het Nederlands mag ’met dat’ klinken als mettat of meddat. In het Duits moeten de t en d achter elkaar hoorbaar blijven in mit dem. In het Nederlands wordt ‘als zodanig’ gezegd als alssodanig. In het Duits blijven s en z beide te horen in als Sie kamen. Zo blijft het verschil te horen tussen muss ich en muss sich.

Een andere consequentie betreft de assimilatie van medeklinkers. In het Nederlands gebeurt aanpassing van stemloze aan stemhebbende medeklinkers (en andersom): ‘Was daar iemand’ wordt wazdaariemand; ‘als voorbeeld’ wordt alsfoorbeelt. Ook dit is in het Duits taboe: das bunte Haus wordt niet dazboente. Oefening: zing es schleichen die Wellen zonder dat es ontaardt in esj.

Dubbele en enkele medeklinkers

In het Frans worden dubbel geschreven medeklinkers niet dubbel uitgesproken: la femme, massive. In het Italiaans wel: fatto, spesso, fiamma. In het Duits ook. Dit heeft niet alleen consequenties voor de betreffende medeklinkers, maar ook voor de voorafgaande klinker. Luister b.v. naar bitten en ihnen, naar Blume en schlummern, naar früher en schmücken. Telkens hebben gelijk ogende klinkers een iets andere klankkleur: i van stip tegen ie van stief, oe van stoer tegen ietsje o van stof, uu van stuur tegen u van stuk.

**ik heb ‘vreemde’ taal vervangen door ‘andere’ taal. Ik ben van mening dat we een ons niet-vertrouwde taal niet ‘vreemd’ moeten noemen, alsof deze ‘raar’ zou zijn. Het is een andere taal, gelijkwaardig aan de onze – het Nederlands.

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2317-2173

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/2)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een bepaald beroep nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de gereedschappen, de uitrusting enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n beroep anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

De beroepen vertonen zich meestal in een mannelijk beeld, omdat ze samenhangen met het Zelf, het Ik en voor dit laatste kiest het sprookje voor het mannelijke aspect. Daar drukt de scheppende mens zich in uit. 
Een beroep kan een gegeven zijn om daarmee je opdracht te vervullen, het kan een overgangsfase betekenen, maar ook het doel
Wanneer het sprookje over de ‘boerin’ spreekt, de kokkin, de molenaarsdochter, dan wijst dat naar hetzelfde proces, maar dan vanuit de ziel gezien.

2.AMBT EN BEROEP

Boer

Hij bewerkt de aarde eb oogst de vruchten daarvan. Beeld van de mens of een vermogen van hem: de fysieke levensgrond, het aardse wordt bewerkt, omgewerkt om de beste vruchten te verkrijgen. Beeld voor het verkrijgen van alle wijsheid die aanwezig is op aarde.

Dienaar = knecht

Herder

Hem is het pure en onschuldige leven toevertrouwd dat hij moet verzorgen en voor gevaar moet behoeden. Hij staat voor het vermogen van overgave en bereidheid om wat geestelijk ontvangen is te bewaren en te verzorgen op een sappige weide (gezonde groeikrachten) en voor wilde dieren  (driften) te behoeden.

Houthakker

Hij is in zekere zin het tegenovergestelde van de tuinman: een eenzijdig abstract denkend theoreticus, analyserend, begrippen klovend, daarbij het geheel van het levende uit het oog verliezend. De houthakker staat voor een zekere eindfase in die persoonlijkheidsontwikkeling die eenzijdig de weg van het intellectuele is gegaan.

Jager

Hij staat voor die waakzame, doelgerichte wezenskracht die driften en instincten opzoekt en doodt om te voorkomen dat ze de overhand krijgen; hij verzorgt de dieren en temt ze af en toe. Verder is hij het beeld voort een doelgericht streven in de jacht naar meer kennis.

Kindermeisje

Zielenkrachten die het geesteskind verzorgen en onderhouden, verschijnen in de sprookjes als kindermeisjes.

Kleermaker

Het sprookje noemt het intellect ‘snijder’, want hij gaat het ‘geheel’ te lijf, verdeelt dit en zet die naar eigen ‘maat’staf weer voor iets nieuws in elkaar. Hij werkt analytisch en synthetisch. Wanneer het sprookje over het slimme of dappere kleermakertje spreekt, dan wordt het productieve, voortschrijdende intellect gebruikt. Maar we kennen ook het verwaande kleermakertje (bijv. in ‘De reus en de kleermaker’ (Grimm nr. 183).

Knecht

De knecht, de dienaar, betekent vooral een zielenkracht die het Ik als heerser, dient en handelingen voltrekt die de heerser niet wil doen of niet kan.
Zo is er bij de mens innerlijk een vermogen nodig als aanvulling op het heersende deel. Deze knecht in het innerlijk verkrijgt andere inzichten en heeft soms ook meer wisheid fan het heersende aspect van het Ik.
Knecht kan een noodzakelijke overgangsfase betekenen naar een succesvolle afsluiting.

Kok

Symbool voor dát vermogen dat kan kennen en onderscheiden, die voedsel bereidt voor ziel en geest en dit voedsel smakelijk klaarmaakt. Wanneer hij dit vermogen niet heeft, wordt hij een slechte kok.

Koning

Koning zijn betekent: onbeperkte macht bezittend. In het sprookje duidt het ambt en beroep van koning aan dat de hoogste trap van innerlijke ontwikkeling is bereikt. Het rijk van de koning kan zowel de innerlijke wereld van de geest (bijv. de oude koning – de vader in het sprookje van het Ezeltje) als ook de binnenwereld van de ziel (bijv. de vreemde koning – de vader van de bruid – in hetzelfde sprookjes) omvatten, dus het geheel van de innerlijke mens. In het woord ‘zelfbeheersing’ zit dit innerlijke koningschap al. De koning kan ook zijn macht misbruiken en een boze koning worden.

Koopman..

Hij koopt en verkoopt, handelt met goederen die hij niet zelf geproduceerd heeft. Vandaag kan hij rijk zijn, morgen arm. Hij is het beeld van de mens die niet meer vanuit de volheid van de scheppende wijsheid leeft, maar alleen nog uit des chatten van het verleden die vandaag nog gelden, morgen echter hun waarde verloren kunnen hebben.

Molenaar

Hij is het symbool voor die werkzaamheid die de vruchten van de aarde, vreugde en smart van de aardse ervaring zo weet te verwerken, dat de voorwaarde om tot geestelijke kennis te komen geschapen wordt. Geestelijke kennis is ‘brood’.

Ridder

De ridder heeft een ijzeren harnas en is bewapend; hij trekt te paard ten strijde. Offerbereid wil hij zich inzetten. Taal: een ‘ridderlijk gemoed’. In het sprookje wordt hij de gepantserde wil en het Ik dat zich met doodsverachting inzet, door de kracht van het verstand (paard) gedragen, uitgerust met alle deugden.

Rover

Ook dit is een beroep, ook al is het negatief. Waar rovers inbreken of ergens bezit van nemen, werken ze destructief. De mens kan tot krachten vervallen die niets anders hebben dan begerig zintuigindrukken op te doen , de mooie wereld te plunderen, zonder haar dank te bewijzen.

Schoenmaker

Hij maakt schoenen of herstelt ze. Zoals je met je schoenen over de aarde gaat en staat, zo moet de innerlijke ‘schoenmaker’ in ons het vermogen ontwikkelen, met zekerheid in het leven te staan, goede vooruitgang te boeken, onze levenswandel op de juiste wijze te voeren.

Smid

Zoals de smid in het vuur het ijzererts smeedbaar maakt en naar zijn wil vormt, zo wordt de mens de smid van zijn levenslot wanneer hij de ijzerprocessen van zijn bloed aan zich dienstbaar maakt. Met de natuurkracht van het ijzer in het bloed vormt de innerlijke smid zijn eigen wezen tot persoonlijkheid, tot Ik.

Soldaat

Hij is het beeld voor de innerlijke strijder.

Tuinman

Hij is het beeld voor die wezenskracht die in het innerlijk van de mens het goede, het bruikbare, het waardevolle door liefderijke verzorging tot ontwikkeling brengt. Wie het zaad van ‘het goede woord’ uitstrooit, de ‘wilde’ zielendriften snoeit, wie de zich louterende ziel omringt en verzorgt en geestelijke groei steunt en bevordert, wie met geduld kan wachten, is zover tot ontwikkeling gekomen dat hij tuinman kan zijn.

Visser

Visser is de mens die tast naar de diepten van de zielenwereld en die de gedachten kan ophalen die uit de oergrond opduiken om zich als beelden te openbaren. Dat is het echte zielenvoedsel. Tegenover de visser staat de wever.

Wever

Hij weeft de gesponnen draden tot een weefsel. Overdrachtelijk: losse gesponnen gedachtedraden (hersenpinsels) worden tot een patroon geweven. Aan het weven gaat het spinnen vooraf. Onder spinnen verstaat de beeldspraak het aan elkaar rijgen van gedachten tot gedachtedraden, tot logische draden. Dat vermogen om deze draden tot een geheel samen te voegen, heet ‘wever’.

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2316-2172

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

In de ontwikkeling van het kind vóór de tandenwisseling ziet Rudolf Steiner het LOPEN, SPREKEN en DENKEN als een belangrijk verschijnsel, waar hij in diverse voordrachten bij stilstaat.

Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken

in de voordrachtenreeks:

Erziehung zum Leben

GA 297A 

Aan de vertaling wordt op deze blog gewerkt

Opvoeding voor het leven

Das übersinnliche in Mensch und Welt

Het bovenzintuigelijke in mens en wereld

Voordracht 4, Rotterdam 22 november 1922

Blz. 118

Das Erste, was uns entgegentritt am Menschen, wenn er, ich möchte sagen seine ersten Lebenserfahrungen als ganz kleines Kind im Kampfe mit der Umwelt durchzumachen hat, ist, daß er aus seinem Wesen, dem in der Welt noch nicht seine eigene Lage gege­ben ist, diese eigene Lage sich erkämpft: den aufrechten Gang, das Stehen.
Das Zweite, in das der Mensch sich hineinfindet, das ist das Sprechenlernen. Und erst aus dem Sprechen heraus – wer das kind­liche Lebensalter unbefangen zu beobachten vermag, weiß das -entwickelt sich die Gabe des Denkens. Sich selbst in der Welt zu orientieren, so daß man nicht wie das Tier zur Erde hinunterschaut, sondern frei hinaus in den Weltenraum zu den Sternen blickt,  sein eigenes Inneres hinaustragen zu können zu seinen Mitmenschen in der Sprache, hereinzubekommen in das seelische Leben die Welt in der Form der Gedanken: das empfand eine ältere Weltanschauung als etwas, was gewissermaßen hier herunten im Sinnlichen eine Gabe des Übersinnlichen für den Menschen ist.

Het eerste dat we bij de mens zien, wanneer deze als heel klein kind in zijn eerste levenservaringen door moet maken in de uiteenzetting met de wereld om hem heen, is dat hij vanuit zijn wezen, dat in de wereld nog geen plaats gekregen heeft, zich een eigen plaats verovert: het rechtop gaan, het staan.
Het tweede waarmee de mens zich vertrouwd maakt, is het leren spreken. En pas vanuit het spreken – wie de kinderleeftijd onbevangen weet waar te nemen, weet dat – ontwikkelt zich de gave van het denken. Zich in de wereld te oriënteren, zodat je niet zoals het dier je naar de aarde hoeft te richten, maar vrij het universum in kan kijken naar de sterren, je eigen innerlijk te uiten naar je medemens in de taal, in je gevoelsleven de wereld in je te kunnen opnemen in de vorm van gedachten: een oudere wereldbeschouwing ondervond dat als iets wat in zekere zin hier op aarde in het zichtbare een gave is voor de mens, uit het bovenzinnelijke.

Den Zusammen­hang des übersinnlichen Menschen mit der übersinnlichen Welt empfand man, indem man nach diesen drei Eigentümlichkeiten der Menschennatur hinblickte. Daß der Mensch so gebaut ist, daß aus seinem Bau heraus der aufrechte Gang, das Hinausblicken in Him­melsweiten entspringt, das sah eine ältere Weltanschauung, die auf das Moralische und Religiöse der Weltordnung hinsah, als eine Gabe göttlich-geistiger Mächte, die im Menschen wirkten. Und das Sprechenlernen sah man erst recht als eine Gabe dieser göttlich-geistigen Mächte an. Niemals war es in älteren Zeiten der Menschheitsentwicklung anders, als daß der Mensch sich sagte: Wenn Gedanken in seinem Inneren Platz greifen, dann leben in diesen Gedanken engelhaft­geistgleiche Wesenheiten. – Erst im Laufe des Mittelalters hat der Mensch die Diskussionen begonnen, ob seine Gedanken nur seine eigene Schöpfung seien oder ob in seinen Gedanken sich göttlich-geistige Mächte innerhalb seiner Leibesorganisation ausleben.
So hat man diese drei Gaben in älteren Zeiten als etwas angesehen, was von übersinnlichen Welten in den Menschen hereinkommt und

De samenhang van de bovenzintuiglijke mens met de bovenzintuiglijke wereld ondervond men, wanneer men naar deze drie eigenschappen van de menselijke natuur keek. Dat de mens zo gebouwd is, met een  rechtop gaande houding, zodat hij \ in hemelverten kan kijken, is gelegen in zijn bouw: dat zag een oudere wereldbeschouwing die het morele en religieuze van de wereldorde beschouwde als een gave van goddelijk-geestelijke machten die in de mens doorwerkte. En vooral het leren spreken beschouwde men als een gave van deze goddelijk-geestelijke machten.
Nooit was het in oudere tijden van de ontwikkeling van de mensheid anders dan dat de mens zei: wanneer er innerlijk in hem gedachten leven, dan leven in deze gedachten wezens die van een engelachtige geestelijke orde zijn. 
Pas in de loop van de Middeleeuwen begon de mens erover te discussiëren of zijn gedachten nu zijn eigen voortbrengselen zijn of dat goddelijk-geestelijke machten zich binnen zijn lichamelijke organisatie manifesteren.
Op deze manier heeft men in oudere tijden naar deze drie gaven gekeken als iets wat vanuit bovenzintuiglijke werelden in de mens komt en 

Blz. 119

da west und lebt. Daher hat man angeknüpft an diese drei Gaben, die dem Menschen während seiner Kindheit zukommen, wenn man den Menschen, der auf der Erde steht und auf der Erde lebt und auf der Erde seine Arbeit zu verrichten hat, hinauflenken wollte zu den Mächten der moralischen, der religiösen Weltordnung.

actief werkzaam is. Daarom verbond men aan deze drie gaven die de mens gedurende zijn kindertijd krijgt, toen men de mens die op aarde staat en op aarde leeft en op aarde moet werken, wilde wijzen op de machten van de morele, religieuze wereldorde,
GA 297A/118-119
Nog niet op deze blog vertaald – in voorbereiding

.

Een artikel over lopen, spreken, denken
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2315-2171

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/0)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

De schrijfster maakt een indeling.

Ze gaat in op deze beelden – hier alle bij elkaar in alfabetische volgorde

Aardbei
Adelaar
Afhakken van hand, hoofd, voet
Appel
Appelboom
Bakken
Braden
Beek
Beer
Berg
Bij
Boer
Boom
Bos
Brood
Bron
Bruiloft
Centaur
Dal
Dienaar
Dochter
Dorp
Draak
Druivensap
Duif
Dwerg
Edelsteen
Eend
Egel
Ei
Eik
Ekster
Elf
Ezel
Fee
Feniks
Gans
Geit
Gras
Gras
Griffioen
Grijp vogel = griffioen
Grijsaard
Haan
Haas
Haard
Hangen
Havik
Hazelaar
Hazelnoot
Hemd
Herder
Hert
Hoed
Honing
Hond
Hooi
Hooi
Houthakker
Huis
Hut
Jager
Jas
Jeneverbes
Jeneverbesboom
Jongeling
Jonkvrouw = jonge vrouw
Jurk
Kap
Kasteel
Kat
Kikker
Kinderen (laten) verdwalen
Kindermeisje
Kleermaker
Knecht
Knol
Koe
Kok
Koken
Koning
Koopman
Knaap
Kraai
Kroon
Kuip
Land
Leeuw
Leeuwerik
Lelie
Man
Mantel
Meer
Meisje
Melk
Mier
Moeder
Moeras
Molenaar
Muis
Nachtegaal
Nix
Ogen uitsteken
Ophangen
Opvreten
Oude man = oude vrouw
Oven
Paard
Pad
Parel
Panter
Pauw
Peer
Perenboom
Raaf
Ree
Reus
Ridder
Ring
Rivier
Rok
Roos
Rover
Schoen
Schoenmaker
Slang
Slot
Smid
Soldaat
Spinwerktuigen
Stad
Stiefmoeder
Stier
Tijger
Ton
Toren
Tuin
Tuinman
Undine
Vader
Valk
Varken
Vat
Vel
Verbranden
Verdrinken
Verdwalen
Verhangen
Verslinden
Vest
Vierendelen
Vijver
Vis
Visser
Voorvader = voormoeder
Vos
Vrouw
Vuurvogel = feniks
Walnoot
Wapen
Water
Water
Waterman/vrouw
Weide
Wever
Wijn
Woestenij
Wolf
Wortel
Woud
Zee
Zeehaasje
Zoon
Zwaan
Zwaard
Zwijn

Wordt vervolgd     

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2314-2170

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/1)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchensomt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je in een bos bent, of over een weiland gaat, aan een beekje zit, kan je alle indrukken in je opnemen: wat hoor ik, wat zie ik, hoe ruikt het, enz.
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: het woud betekent dit, de berg betekent dat.

1.LANDSCHAP

Beek – zie rivier

Berg:

We zijn ‘hooggestemd, vol goede moed’; 
We zien ‘van bovenaf’, zien ‘neer’, kennen de ‘verheven’ stemming, het ‘overkoepelende’ weten. 
Er wordt een ‘hogere waarheid’ verkondigd, d.w.z. in de beeldentaal: ‘de berg beklimmen, bestijgen’. 
De mens werd naar de ‘berg’ van/in zijn zielenlandschap geleid om het overzicht te krijgen; daar kan hij wel in verzoeking gebracht worden.

Bos = woud

Bron

Duits heeft ‘Brunn’: Beeld voor de scheppende diepte; voortdurende vernieuwing van de ziel of wat ermee samenhangt.

Duits heeft ‘Quelle’: ‘het bruisende, scheppende nieuwe. Taal:’tot de bron teruggaan; bronnenonderzoek’.

Dal

Laagte, i.t.t. de berg. Het dal van het dagelijks leven waarin de mens zich dienend realiseert. Hier staat hij dicht bij de aarde, maar hij is er niet in. Hij woont beneden aan de berg, maar niet erin.

Dorp

Beeld van het sociale samenleven en – werken.

Gras = weide

Hooi = weide

Huis

Beeld van de lichamelijkheid als ‘behuizing’, ‘onderkomen’ voor de geest en de ziel. In de beeldspraak van de taal: ‘Iemand gaat uit zijn dak’, Duits heeft o.a. ‘Jemand ist aus dem ‘Häuschen’ (Iemand is uit zijn huisje). Iemand heeft ‘einen Dachschaden’ (dakschade); ‘er klopt iets niet in het bovenkamertje’; iemand heeft geen fundament, basis, grond onder de voeten. 
Ook in de vorm van hut, toren, slot.

Hut = huis

Kasteel = slot

Land

In materiële zin staan wij wat de zintuigwereld betreft op ‘vaste bodem’, op ‘zekere grond’; de ‘vaste basis van de feiten’; en we hebben ‘standpunten’. Het grondwoord ‘verstaan’ (begrijpen) heeft als kernwoord ‘staan’. Men ‘zet stappen voorwaarts’, ‘gaat vooruit’ in de wereld die zich als ‘dingwereld’ laat meten en becijferen. In de taal: ‘vaste grond onder de voeten hebben’, ‘stevig op de aarde/de grond staan’; ‘(vast)geworteld zijn’,’met beide benen op de grond’

Meer = zee

Moeras

Wanneer de mens in een situatie raakt, waarin hij noch in het bewustzijn van zijn zintuigen (d.w.z. op het land) noch in zijn zielenbewustzijn (d.w.z. op het water) zekerheid heeft, ‘verliest hij de grond onder zijn voeten’. Deze onheilspellende ‘tussentoestand’ verschijnt als ‘moeras’, taal: ‘in het moeras belanden’, ‘wegzinken’, ‘zompig’. 

Rivier (stroom)

Beeld voor de beweeglijke ziel, het stromende leven, vgl. het woord ‘geestelijke stroming’; ‘alles stroomt’ (Duits: es ist alles in der Fluss’ (Fluss = stroom/rivier); de ‘stroom van de tijd’.

Slot

Het slot dat zich door grootte en rijkdom onderscheidt van het huis, is een beeld voor de ‘behuizing’ van het lichaam. Het wordt gebruikt wanneer het lichaam meer betekenis heeft, ‘voller’ is en rijker beleefd wordt; zo woont het kind overwegend in een slot want het kent de grenzen van zijn lichamelijkheid niet.
‘Stenen slot’ duidt op het hoofd als ‘woning’, omdat de schedel de hardste botstructuur heeft.

Stad

Als grootste bewoning duidt dit woord in de taal op de grootste sociale gemeenschap.

Toren

Lijkt op huis, hut, slot, heeft betrekking op de lichamelijkheid. In het bijzonder duidt de toren op de afzondering, de afgesnoerdheid; aan de andere kant kan de toren niet alleen maar het symbool van de lichamelijkheid zijn, maar eigenlijk ook staan! voor standvastigheid en zelfstandigheid.

Tuin

Gebied van de diverse groeikrachten, waar gezaaid wordt en levenskiemen bedachtzaam worden geplant, zodat er vruchten kunnen rijpen. Zie ook ‘de tuinman’. (nog niet oproepbaar)

Vijver = zee

Water

Symbool voor het gebied van de ziel; wijst op een bewustzijn dat boven het door de zintuigen begrensde bewustzijn uitgaat. In de ‘oerschoot’ van de ziel ‘golven’ gevoelens heen en weer, ‘wellen driften op’; daar kan het ‘kolken’. Droomachtige gevoelens en gedachten ‘duiken op’ en ‘verstarren’ (ijs?) De mens moet zichzelf behoeden voor dromend ‘wegstromen’ of ‘onder gaan’. Taal: ‘iemand gaat kopje onder’, is in zichzelf ‘verzonken’; ‘het water staat tot aan de lippen’.

Weide

Innerlijk veld waar de levenskrachten spruiten, uitlopen, die door de zon beschenen tot bloei kunnen komen. Gras is een bijzondere uitdrukking voor vegetatieve krachten. Hooi is het beeld van het verdrogen daarvan.

Woestenij

Toestand van verarming en verdroging, de kale verdorde vlakte. Taal: ” iemand heeft zijn leven verwoest’; ‘bij hem is alles woest en leeg’

Woud

Het is het gebied waar het vegetatieve leven met woekerende groeikracht met beklemmende dichtheid werkzaam is. Het is een grensgebied tussen de wereld van de zintuigen en de geest. Hier kan de driftnatuur op een bijzondere manier tevoorschijn komen (wilde dieren). Hier worden ontwikkelingswegen gezocht, je kan je vergissen, maar ook de juiste weg vinden. Het woud is beeld voor een innerlijke toestand met meer kanten, die iedere zoeker naar de geest door moet maken.

Zee

Tussen het vaste, de voorwerpen op deze wereld hier en de geestelijke wereld ‘daar’, ligt ‘schommelend’, ‘op  – en afgaand’ de wereld van de ziel; de oneindigheid verschijnt hier in het beeld van de zee of van het meer. Kleinere wateren, zoals vijver, plas duiden op een meer begrensd bereik van de zielenwereld. Zie ook water (hierboven)

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2313-2169

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (2-3/1)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boekDie Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Lenz maakt een indeling met deze onderwerpen:

1.Landschap

2. Ambt en beroep

3.Kleding, opsmuk en wapens

4.Planten

5.Voeding

6.Voorwerpen

7.Fabelwezens

8.Iets over de ‘wreedheden

9.Dieren 
veld- en bosdieren, huisdieren, waterdieren; 

10.Vogels
luchtvogels, watervogels

11.Elementairwezens in menselijke gedaante

12.De mens

De besproken beelden staan ook in alfabetische volgorde

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2312-2168

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-8)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.
.

Dirkjan Horringa, exacte bron en datum onbekend
.

TSJECHISCH en SLOWAAKS

Slavische talen hebben Dirkjan Horringa altijd al gefascineerd. Als hij naar een Slavisch land op vakantie ging, leerde hij de basisprincipes van de taal. Zo maakte hij zich wat Servo-Kroatisch, een mondje Pools en wat Russisch eigen. Toen hij echter in 1989 voor het eerst in Tsjechië kwam, werd hij zo gegrepen door de muzikale rijkdom van dat land en het optimisme dat er direct na de val van het Communisme was, dat hij doorzette en de taal werkelijk leerde. Hij moest wel, want al gauw organiseerde en leidde hij er zomercursussen en werkte er als gastdirigent met diverse Tsjechische ensembles. Dirkjan Horringa studeerde koor- en orkestdirectie aan het Utrechts Conservatorium en muziekwetenschap aan de Universiteit van Utrecht. Hij legt zich sindsdien toe op het dirigeren van kamerkoren, zoals de Utrechtse Studenten Cantorij, het Utrechts vocaal ensemble Trajecti Voces en Cappella ad Fluvium Arnhem. Hij is regelmatig actief als gastdirigent in Tsjechië, Wit-Rusland en de Oekraïne. Daarnaast leidt hij dirigenten op aan de Meerjarige Dirigentenopleiding van de SNK.

Het Tsjechisch heeft een ingewikkelde grammatica. De uitspraak is echter heel regelmatig en logisch en de klemtoon ligt altijd op de eerste lettergreep van ieder woord. Iemand die geen Tsjechisch kent maar zich de paar bijzondere klanken eigen maakt, kan de taal uitspreken op een manier dat een Tsjech dat heel acceptabel vindt. Het Tsjechisch wordt gesproken door ongeveer 10 miljoen mensen in Tsjechië. Het Slowaaks is een zeer verwante taal, zo verwant dat een Tsjech en een Slowaak ieder in hun eigen taal met elkaar kunnen praten en elkaar dan zonder grote problemen verstaan. Het verschil tussen beide talen is iets groter dan tussen Nederlands en Vlaams, met dien verstande dat Nederland en Vlaams officieel hetzelfde zijn en hetzelfde geschreven worden, terwijl Tsjechisch en Slowaaks als twee talen gelden en een verschillende spelling hebben. Het Slowaaks wordt door 5 miljoen mensen in Slowakije en het westelijke deel van de Oekraïne gesproken. Beide talen horen tot de Westslavische talen, samen met het Pools.

Geschiedenis van beide talen

Om iets te begrijpen van de relatie tussen beide talen, moeten we even iets over de geschiedenis van beide landen weten. Tsjechië, Moravië (het oostelijke deel) en Slowakije waren in de Middeleeuwen zelfstandige koninkrijken. In 1620 lijfde het Habsburgse Oostenrijk Tsjechië in en zorgde ervoor dat de bovenlaag van de bevolking Duits sprak. Tsjechisch was een taal voor de boeren en het lagere volk. Slowakije werd een onderdeel van Hongarije en werd sterk ‘vermagyariseerd’, Hongaars gemaakt. Oostenrijk en Hongarije verenigden zich in 1867 tot de k.u.k. (kaiserliche und königliche) Doppelmonarchie. Na de Eerste Wereldoorlog viel dit wereldrijk uiteen. In een conferentie te Trianon bij Parijs werd in 1919 bepaald wat er moest gebeuren met de diverse landen. De toenmalige Amerikaanse president Wilson stelde voor de twee kleine landjes Tsjechië en Slowakije, met talen die erg op elkaar leken, maar samen te voegen. Het aldus ontstane Tsjecho-Slowakije heeft altijd onder de spanning van die kunstmatige constructie gestaan. De Slowaken voelden zich achtergesteld, omdat het land geregeerd werd vanuit het Tsjechische Praag: “Pragocentrismus!!!”. Ook was er een groot verschil in cultuur en bijvoorbeeld muziek: de Tsjechen waren duidelijk beïnvloed door de Duits-Oostenrijkse cultuur, terwijl de Slowaakse cultuur veel gemeen had met de Hongaarse. Deze spanningen werden ten tijde van het Communisme effectief onderdrukt, maar direct na de val daarvan laaiden zij op. In 1993 werd de ‘echtscheiding’ van beide landen een feit. Op dit moment zijn de eerste tekenen van een verdere uiteengroei van beide talen waar te nemen. Tsjechische kinderen worden nauwelijks meer met Slowaaks geconfronteerd en verstaan die taal praktisch niet meer Veel Tsjechen en Slowaken betreuren de scheiding, maar alles wijst er op dat die niet meer is terug te draaien.

Verbuigingen en het effect daarvan

Het Tsjechisch kent zeven naamvallen. Elk woord wordt verbogen en dat is ook nodig om de relatie tussen woorden te kunnen begrijpen. De stad Praag heet in het Tsjechisch Praha. Maar ‘ik zie Praag’ is vidim Prahu, ‘ik ben in Praag’ echter jsem v Praze. Ook namen worden verbogen, zelfs buitenlandse. Mijn naam, Dirkjan, is gelukkig heel geschikt, want Jan is een Tsjechische naam, dus iedere Tsjech weet wat hij met mijn naam aanmoet. ‘Hij geeft het aan Dirkjan’ is On to dá Dirkjanovi. Maar een naam die zich niet volgens een Tsjechische verbuiging laat behandelen, geeft problemen, want een Tsjech kan niet goed duidelijk maken in wat voor relatie hij tot die persoon staat. Vrouwelijke achternamen krijgen altijd het achtervoegsel ‘ová’, ook buitenlandse. Zo zijn de thrillers van Agatha Christieová en de liedjes van Barbara Steisandová erg populair in Tsjechië. Ook die uitgangen worden weer verbogen, enz. Het is dus belangrijk bij het zingen van Tsjechisch al die verschillende versies van één woord ook werkelijk verschillend uit te spreken, anders snapt een Tsjech er niets meer van.

De Tsjechische uitspraak

Het Tsjechisch wordt geschreven in het Latijnse alfabet, dat met een aantal eigen tekens is uitgebreid tot 42 letters. De q, de w en de x komen alleen in leenwoorden voor.

Klinkers

Elke Tsjechische klinker bestaat in een lange en een korte variant. De lange worden doorgaans met een accent aangeduid. Dit heeft niets met de klemtoon te maken, die zoals al gezegd altijd op de eerste lettergreep ligt. De naam Janáček heeft dus een korte eerste ‘a’ en een lange tweede ‘á’, maar die laatste heeft dus NIET de klemtoon. Daarmee krijg je al een ‘kort-lang’ ritme dat heel kenmerkend is voor het Tsjechisch.

De a is vergelijkbaar met die van ons ‘bak’, de á een lange versie daarvan, dus NIET die van ‘baak’.

De e klinkt als in ons ‘bek’; de é is wederom een lange versie daarvan, dus NIET die van ‘beek’.

De ĕ, een ‘e’ met een zogenaamde ček oftewel haakje, klinkt als ‘je’ in ‘jennen’.

De i en de y klinken als in ‘kip’, de í en ý als in ‘kiep’.

De o klinkt als in ‘dor’, de ó als in ‘door’.

De u klinkt als de ‘oe’ in boek, de ú en de ů zijn lang als in ‘boer’.

De volgende diftongen (tweeklanken) komen voor:

De ou klinkt als ‘o-oe’ in één lettergreep, ongeveer als plat-Amsterdams ‘kopen’.

De au klinkt als Nederlands;
de eu is niet één klank, maar twee lettergrepen ‘e-oe’.

De duidelijkste valkuil bij de klinkers is de e. Het Tsjechisch en het Slowaaks kennen dus maar één è-klank, terwijl het Nederlands er minstens vier heeft: de è van ‘pen’, de ee van ‘peen’, de i-achtige klank van ‘peer’ en de stomme ȗ van ‘lopen’. Een woord als ‘weggeven’ heeft dus drie verschillende klinkers en zal door een Tsjech worden uitgesproken als ‘wèggèvèn’. Omgekeerd moeten wij oppassen om geen ee’s en ȗ ’s te gebruiken in Slavische talen.

Medeklinkers

Alle medeklinkers worden als in het Nederlands uitgesproken, met uitzondering van:

c is altijd ‘ts’ als in ‘trots’

č is altijd ‘tsj’ als in Tsjech. Let op, het verschil tussen c en č kan een totaal andere betekening veroorzaken, zoals bij de woorden moc (macht) en moč (urine).

ch is onze ‘g’ zoals in geld.

d’ is ‘dj’ zoals in ‘djellaba’, waarbij de j niet apart, maar als het ware als één geheel met de d wordt uitgesproken.

g is zoals in het Duitse ‘Geld’

l is tamelijk dik, zoals in plat-Amstërdams.

ň is ‘nj’ zoals in ‘oranje’.

r is een tongpunt-r, behalve bij president Václav Havel, die een spraakgebrek heeft en de ‘r’ niet kan zeggen.

ř wordt uitgesproken als ‘rzj’ of ‘rsj’, samengesmolten tot één klank. De componist Dvořak heet dus’Dvorzjaak’.

š is ‘sj’ als in ‘meisje’,

t’ is ‘tj’ als in ‘ventje’,

v is een ‘w’ als in ‘wat’,

ž is een ronde ‘zj’, als in ‘journalist’

Voor Nederlanders is het verschil tussen s, š, z en ž vaak moeilijk te horen, omdat het er in het Nederlands niet zoveel toe doet en die klanken in verschillende dialecten steeds meer uitwisselbaar worden. Dat kan in het Tsjechisch tot de meest vreselijke misverstanden leiden.

De uitspraak van het Slowaaks

De taalmelodie van het Tsjechisch is vrij vlak, een beetje zeurderig. Het Slowaaks echter heeft een wat levendiger melodiek, met meer accenten en grotere hoogteverschillen. Het is dan ook geen wonder dat ook Tsjechen graag Slowaakse liedjes zingen. De rijke Slowaakse volksmuziek lijkt wat op de Hongaarse en is vaak erg opzwepend, maar soms ook vol melancholie.

De uitspraakregels van het Slowaaks zijn grotendeels hetzelfde als die van het Tsjechisch, met de volgende uitzonderingen:

De klinker ä is een soort open ‘e’, zoals in het Duitse ‘Märchen’.

De ö is een ‘wo’ met een dikke, welhaast Surinaamse ‘w’.

Een van de meest in het oog springende verschillen met Tsjechisch is de tweeklank ie. Veel Tsjechische woorden met een e worden in het Slowaaks met ie geschreven. Zo is het Tsjechische woord chleb (= brood) in het Slowaaks chlieb. De uitspraak is niet de Nederlandse ‘ie’, maar steeds de tweeklank ‘i + è’.

De ŕ is een lange rollende ‘r’. De ř bestaat niet in het Slowaaks. Het telwoord ‘drie’ is in het Tsjechisch ‘tři’; in het Slowaaks is het ‘tri’.

De i’ is een ‘lj’, waarbij de l met de punt van de tong en de j heel licht wordt uitgesproken, als in ‘viel je?’. De í echter is een lange, dikke I.

Muziekvoorbeelden

De bekendste componisten van koormuziek in het Tsjechisch zijn Antonin Dvořák en Leos Janácek. Beiden schreven veel en goed voor koor. Janaček is een Moraviër uit Brno en gebruikte soms Moravisch dialect. Het Tsjechisch heeft namelijk minstens even grote verschillen tussen dialecten als het Nederlands. Verder is er de Boheemse (= Tsjechische) Herdersmis van Jakub Jan Ryba, met zeer veel Tsjechische tekst. Een gemotiveerd koor kan zich de tekst eigen maken en wordt beloond met een bijzonder fris en leuk stuk voor de kersttijd dat niet vaak te horen is.

De in Nederland bekendste Slowaakse muziek is van de Hongaar Béla Bartók. Bij zijn onderzoekingen naar volksmuziek in de uithoeken van Hongarije richtte hij zijn belangstelling ook op het toen al niet meer Hongaarse, maar wel ongerepte Slowakije. Onder zijn alom geliefde Vier Slowaakse Volksliederen staat de tekst in vier talen, Engels, Duits, Slowaaks en Hongaars. Het is niet altijd alle dirigenten duidelijk welke taal de oorspronkelijke is, maar dat is heus de Slowaakse.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2311-2167

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-2)

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

de beeldentaal van de sprookjes

In de inleiding van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ zegt de schijfster Friedel Lenz:

Wilhelm Grimm zegt:

‘Wat de sprookjes gemeen hebben zijn de overblijfselen van een geloof dat in oude tijden teruggaat en dat verwoord wordt in een beeldende opvatting van bovenzintuiglijke dingen. 
Dit mythische lijkt op een edelsteen die kapot gesprongen is en die op de grond ligt waar gras en bloemen rijkelijk groeien en alleen door een scherp oog ontdekt kan worden. De betekenis ervan is allang verloren gegaan, maar wordt nog wel gevoeld en geeft aan de sprookjes de waarde, terwijl ze tegelijkertijd het natuurlijke verlangen naar het wonderbaarlijke bevredigt; nooit zijn ze alleen maar een kleurenspel van inhoudsloze fantasie.’

Hoe komt de mensheid ertoe te spreken in een taal die van inhoud beeldend is? En welke bovenzintuiglijke dingen worden dan in de sprookjes uitgedrukt?

Modern sprookjesonderzoek zegt: sprookjes zijn de ware dromen van de volkeren. In dromen wordt niet gedacht. In een bonte afwisseling komen de beelden in de ziel op. Vandaag de dag zijn deze beelden in de meeste gevallen chaotisch, nabeelden van wat er overdag gebeurde.

Een andere manier van dromen duidt op diepere samenhang. Wij kunnen bijv. dromen dat het huis waarin we wonen, in brand staat. We vluchten voor de brand, worden wakker en – hebben koorts. Het lichaam is het huis, de koorts de brand. Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis zoeken. Of we zijn verdwaald in een bos en vinden maar geen uitweg of rotsen en bergen rijzen hoog voor ons op en we komen niet verder. En dan moeten we zeggen: dit zijn niet alleen maar beelden van het dagelijks leven, of van de gewone chaotische droom, ze spiegelen uitzichtloze situaties waarin wij ons bevinden.

Een derde vorm van dromen is nu wel zeldzaam geworden, maar komt nog voor, vooral bij schokkende gevoelservaringen. Dat is de lotsdroom, de profetische waarheidsdroom die zich binnen in de mens uitspreekt.
Hier kom je op het terrein van de precieze waarheidsbeelden, op het terrein van het bewustzijn dat beelden schept en daaruit stammen ook de sprookjes.

In een vroegere fase van de mensheid hadden alle volkeren zo’n bewustzijn. De droom van ’s nachts is daar een laatste overblijfsel van. De mens leefde toen oorspronkelijk ook overdag, later voornamelijk ’s nachts, met een droomachtig beeldbeleven. Hij zag niet alleen – zoals de moderne mens – de wereld van de tastbare voorwerpen in de buitenwereld van de zintuigen met zijn lichamelijke ogen, maar hij nam ook de wereld waar die daarin werkzaam is. Toen zijn veel plooibaardere wezen in aanraking kwam met andere wezens, vormde hij die in zich na: een wezen sprak zich in een wezen uit met innerlijke waarheidsbeelden. Deze helderziendheid leefde als natuurkracht in hem.

Het was het mythologische tijdperk. Uit het beleven van de goddelijke oerwereld kreeg de mens zijn grootse imaginaties (imago = beeld)  over het ontstaan van de wereld en de mensheid: de mythe. 
Hij kon de goddelijke machten innerlijk zien. Ook de leidende geest van zijn volk beleefde hij niet abstract denkend zoals wij, maar schouwend als een werkzaam wezen. 
Zo werd bijv. de Duitse volksgeest die zich nog niet in één enkel volk kon uitspreken, maar nu eens in deze stam en dan weer in een andere, imaginatief als ‘Wanderer’ wandern = wandelen, rondtrekken, dwalen zonder doel’ beleefd. 

Op deze manier werden voor de mensen het lot en de ontwikkelingen van het volk waartoe ze behoorden of waarmee ze te maken kregen, in de beelden van de grote heldensagen duidelijk.
Vanuit de beleving van zijn eigen wezen en zijn eigen lot vormde de mens een nieuwe manier van vertellen: de sprookjes.

Sprookjes zijn beelden van het innerlijk lot en de ontwikkelingen van de individuele mens.

In het mythische tijdperk werden de waarheidsbeelden geschouwd (droomachtige imaginaties). Tijdens de ontwikkeling van het denken werden ze in woorden gekleed en verteld, De vroegere vertellers waren in het vrouwelijk tijdperk van de mensheid de vrouwen die de stammen leidden, de helderziende vrouwen, de profetessen, zoals Tacitus nog over de grote zieneres Weleda spreekt.
In het mannelijk tijdperk was het de opdracht van de barden en rapsoden, uitgezonden van de mysterieplaatsen van de Druïden bij de Kelten, van de koningshoven bij de vroegere Germanen om mythen, heldenagen en sprookjes te vertellen.

In het middelpunt van onze Germaanse mythen staat die grote bewustzijnsverandering die Simrock in de 19e eeuw in het beeldende woord ‘godenschemering’ samenvatte. Het helderziend waarnemen van een goddelijke wereld verbleekt en de op zich staande verbinding met de wereld die steeds zo als aanwezig werd beleefd, wordt steeds vager. Tegelijkertijd wordt in de mens van het Avondland de zelfstandige persoonlijkheid wakker, het Ik. Deze grandioze gebeurtenis heeft voor iedere individuele mens betekenis voor het lot.

De sprookjes die de gebroeders Grimm met niet aflatende ijver verzameld hebben, spiegelen wezenlijk deze bewustzijnsverandering: een rijk moet worden verlaten, een koningschap opgegeven; je leeft in armoe en wordt op de proef gesteld. Uiteindelijk wordt er op eigen kracht een nieuw rijk en koningschap gevonden. We herkennen de weg van de persoonlijkheidsontwikkeling, het individu-worden. 
De sprookjes tonen de gevaren van deze weg, de opdrachten  die tot een goed einde moeten worden gebracht, de beproevingen die moeten worden doorstaan; wat je bereikt hebt, moet blijvend worden. De hoogste trap die kan worden bereikt is de mens die Christus in zichzelf meedraagt. Dat wordt niet uitgesproken door christelijke namen, maar wordt duidelijk door de daden. Het gaat om het woord in Johannes: ‘Ik heb jullie tot koning gemaakt.”

Het is wel zo dat het beeldende vermogen algemeen was en sommige sprookjes kunnen hier of daar wel onder het volk ontstaan. Maar onze belangrijkste sprookjes laten zo’n diep weten van het mensenwezen zien, zo’n gave leiding van innerlijke ontwikkeling, wijzen zo doelgericht naar een toekomst, dat wij daarin de hand van grote pedagogen herkennen. De namen zijn onbekend, maar zorgvuldig waarnemen van de leerweg en de symboliek die erbij hoort, laat ons in de gangbare vertellingen bepaalde centra zien:

Sprookjes zijn bewuste ‘leerstof’, net zoals de grote opvoedings- en vormingsmiddelen van de volkeren

Tot de 9e eeuw gold in het Avondland de zgn. trichotomie, de indeling van de mens naar lichaam, ziel en geest. De pedagogen die de sprookjes schiepen, hanteerden de leer van de drieledige mens die Aristoteles al begripsmatig had geformuleerd, hoewel de tweedeling van de mens in lichaam en ziel intussen tot dogma verheven was. 

Dit is een belangrijke sleutel om de sprookjes van hieruit te bekijken. De geest van de mens, zijn eeuwige kern, het Ik verschijnt ten tonele in het mannelijke beeld en alle krachten die daarbij horen worden als mannelijk voorgesteld.
De ziel spreekt zich in de beeldentaal van alle volkeren uit als een vrouwelijk wezen en alle zieleneigenschappen verschijnen als vrouwelijke wezens.
Het lichaam als beschermende omhulling vertoont zich als huis, slot, hut, toren.
Ieder sprookje is een klein drama dat zich afspeelt op ons innerlijk toneel. De menselijke figuren zijn personificaties van de krachten van geest en ziel; driften en instincten daarentegen verschijnen in deze samenhang als dieren. De gebeurtenissen worden als handelingen in hun beelden uit de uiterlijke wereld met de dingen, de voorwerpen, genomen, maar moeten als volledig zich in het binnenste afspelende gebeurtenissen worden gezien. Ieder landschap is een innerlijk toneel.
We moeten tegenwoordig met vernieuwde inzet proberen om het sprookje te begrijpen, want de moderne mens begrijpt de beeldentaal niet meer. Hoewel onze taal vol beeldspraak zit.
De meeste woorden zijn uit beelden ontstaan. Taal is verstard beeld. Maar het intellectuele denken ziet het beeld niet meer. De beelden in woorden te herkennen is nog een belangrijke sleutel.

Waarom zijn sprookjes belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling van een kind?

Een sleutel om de betekenis van het sprookje en dat bij de opvoeding van het kind te betrekken, kan wel de uitspraak zijn van een tijdgenoot van Goethe: ‘De geschiedenis van een individu dat volledig tot ontwikkeling is gekomen is tegelijk de geschiedenis van zijn soort’ (Wieck).

De ontwikkeling die de mensheid als geheel gaat, wordt in een individueel mens herhaald, de vroege tijd van de mensheid vindt een spiegel in het kind, het herhaalt die mythische tijd. Het kind is nog geen abstract denkend wezen, maar een wezen dat in zijn beleving beelden schept, zoals ieder spel van een kind direct laat zien. En daar komt een belangrijke wetmatigheid bij: de mensheid heeft te maken met de verandering van het bewustzijn. (R.Steiner) Het bewustzijn is voortdurend aan verandering onderhevig en daarmee moet de opvoeding rekening houden.
Het kleine kind herhaalt het mythische tijdperk. Dat speelt zich af tussen het vierde en het achtste jaar, de eigenlijke fase van de beelden.
Hier heeft het kind de echte volkssprookjes nodig met die onvervalste beeldspraak en ook als je met het kind spreekt moet de beeldspraak overheersen.

Na dit mythische tijdperk begon de ontwikkeling van het denken en de mens bevond zich in een droomachtig-helderziend waarnemen, maar ook in het denken. 
De vertellingen spreken zich nu uit in beelden én in gedachten. uiterlijke gebeurtenissen worden in de taal van alledag onder woorden gebracht, de innerlijke in beelden. Deze fase vindt een herhaling in het kind als een beeld-denkfase, vanaf zo het achtste jaar Hier horen de sagen en de legenden bij, ook de heldenverhalen van het eigen volk en andere sagen. Een groot document van deze mensheidsfase is het Oude Testament, dat deze twee talen spreekt.

Met de beginnende aarderijpheid wordt de eigenlijke fase van het denken bereikt. In deze fase hoort pas het kunstsprookje. Dat komt volledig uit een andere sfeer, het is een product van het verstand en de fantasie. Het kunstsprookje is literatuur, het echte sprookje imaginatie.

De uitleg van de hier besproken sprookjes is niet bedoeld voor het kind, vanzelfsprekend. In de kinderleeftijd moet de ziel nog niet vanuit het beeld naar het intellectuele begrip worden geleid. 
Maar ouders, kleuterleid(st)ers, leerkrachten krijgen meer verantwoording bij de keuze van de sprookjes en bij het mondeling vertellen, wanneer ze over de zin en de betekenis van deze oude overleveringen iets weten.

De interpretaties die in dit boek bij elkaar zijn gebracht, zijn gedeelten uit voordrachten die in verschillende steden in diverse landen gehouden werden.
Ze staan hier wel als een afrondend verhaal.
Omdat ieder sprookje een zelfstandig geheel moet blijven, was het niet te vermijden dat bepaalde motieven en beelden steeds terugkomen.

Een klein overzicht van de symbolen die in deze sprookjes voorkomen, staat achterin het boek {3-3]

[3-3/0] In alfabetische volgorde 

Een aantal opvattingen: De beeldentaal van de sprookjes

.

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2310-2166

.

.

.