VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Onderstaande breinbreker vergt een waarnemingsgave: hoe ziet een verplaatsing van de lucifers eruit en nodigt uit tot rekenen.

Maak de som kloppend door 1 of 2 lucifers een andere plaats te geven en/of weg te nemen:

Oplossing:

Alle breinbrekers

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

5A

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (6)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

.

6. Schuljahr April 1924 bis März 1925
Schooljaar 6 april 1924 tot maart 1925 

Blz. 57

                            1919                                                 1924
                       8 klassen                                         23 klassen
                     12 leerkrachten                               47 leerkrachten
                  256 leerlingen                                 784 leerlingen

Die von Rudolf Steiner geleiteten Konferenzen des ersten (1919/20) und die des letzten Schuljahres (1924) stehen einander seltsam gegenüber.
So riesenhaft sich 1919 alle Anfangsschwierigkeiten auch erheben mochten, sie verbrannten ganz und gar in dem Feuer der Begeisterung darüber, daß diese Waldorfschule nun Wirklichkeit werden sollte. Die anthroposophische Geisteswissenschaft trat weithin sichtbar in das allgemeine Kulturleben ein. Sie sollte der Erziehungskunst neue und befeuernde Impulse geben. Mit schier unerschöpflichem Wagemut wurden die neuen Aufgaben angepackt.

De vergaderingen onder leiding van Rudolf Steiner in het eerste schooljaar (1919/20) en die van het laatste schooljaar (1924) staan ​​in een merkwaardig contrast met elkaar.
Hoe enorm de aanvankelijke moeilijkheden in 1919 ook leken, ze werden volledig overstemd door het enthousiasme dat deze Waldorfschool nu werkelijkheid zou worden. De antroposofische spirituele wetenschap deed op een zeer zichtbare manier haar intrede in het algemene culturele leven. Ze gaf nieuwe en stimulerende impulsen aan de onderwijskunst. De nieuwe taken werden met schijnbaar onuitputtelijke moed aangepakt.

Blz. 58

Im letzten Jahr, 1924, mischen sich in den hellen Glanz, wie in den letzten zwei Jahren, auch wieder unübersehbar getrübte Töne hinein.
Sie gewinnen nicht die Übermacht, gehen sogar zurück, aber sie rufen auf zur Selbstbesinnung und zu erhöhter Anspannung aller Kräfte, um Begeisterung und Geistesgetragenheit ständig neu erstehen zu lassen.
Der äußere Ausbau war in allen Grundzügen an sein Ende gelangt.
Die zwölf Jahrgänge, die die Schulpädagogik umfassen, standen, samt der Hilfsklasse, jetzt da. Parallelklassen wurden auch in diesem Jahr wieder neu eingerichtet (3/145), trotzdem die Schülerzahl für die vier untersten Klassen von der Schulbehörde noch eingeschränkt war (3/145, Einleitung S. 29, 30); auch neue Lehrer wurden noch eingestellt (3/143, 145), aber es wurde nicht, wie bisher, eine neue Klasse auf die eigentliche Schule daraufgesetzt.
Dafür kam der weittragende Entschluß zustande, in diesem Schuljahr nicht mehr die Reifeprüfung am Ende der 12. Klasse abzuhalten.
Dieser Versuch hatte im vorigen Jahr die oberste, 12. Klasse und ihren Lehrplan von Grund aus verdorben.

Het laatste jaar, 1924, vermengden zich, net als in de twee voorgaande jaren, onmiskenbaar duistere tinten met de heldere schittering. Ze kregen niet de overhand, integendeel, ze vervaagden, maar ze riepen op tot zelfreflectie en een verhoogde inzet van alle energie om het enthousiasme en de spirituele scherpte steeds opnieuw te laten ontstaan.
De uiterlijke groei had basaal in alles het einde bereikt.
De twaalf leerjaren die het onderwijsprogramma van de school omvatten, samen met de hulpklas, waren er nu. Ook dit jaar werden er weer parallelklassen gevormd (3/145), hoewel het aantal leerlingen voor de vier laagste leerjaren nog steeds door de schoolleiding afgebakend was (3/145, Inleiding, pp. 29, 30); er werden ook nieuwe leraren aangenomen (3/143, 145), maar in tegenstelling tot voorheen werd er geen nieuw klas aan de bestaande school toegevoegd.
Daarbij kwam het ingrijpende besluit tot stand om dit schooljaar geen eindexamens af te nemen aan het einde van de 12e klas.
Dit had het vorige jaar de hoogste, 12e klas en het bijbehorende leerplan fundamenteel ontwricht.

Rudolf Steiner erwog lange (3/144, 146, 150, 194), wie diese Frage zu lösen sei. Er sprach sie auch mit den Schülern durch, die jetzt in die 12. Klasse eintraten (3/135, 150). Das endgültige Ergebnis war, daß vom übernächsten Jahr, also von 1925 ab, eine eigene Klasse eingerichtet werden sollte für solche Schüler, die ein staatliches Reifezeugnis benötigten für ihren Lebensweg. Damit aber diese
Klasse nicht einfach als die höchste, die 13., angesehen werden könne, sollte sie schon durch die Namensgebung „Vorbereitungsklasse für das Abiturium” (3/194) als eine Sondereinrichtung charakterisiert werden. Die zwölf eigentlichen Klassen sollten „rein gehalten” werden (3/146).
Für die zwölf Schulklassen aber konnte nun, ohne Rücksichtnahme auf Abschlußzeugnisse, der Lehrplan vervollständigt werden, wie immer ausschließlich begründet auf Wesen und Bedürfnisse der jungen Menschen selbst (3/146-149, 150—158). Er wurde ergänzt durch einen jetzt neu gegebenen Gesamtlehrplan für den Unterricht in den neueren Fremdsprachen (3/161 — 165, 170—175).
Das Hinausschieben der Abitursvorbereitung aus der eigentlichen
Schule war aber nur ein Teil eines Kampfes, den Rudolf Steiner
damals führte, um die Waldorfschule „rein zu halten” von den Einflüssen, die aus der üblichen, „bourgeoisen” (1/261) höheren Schule
hineinwehten. Denn diese veranlaßten zum guten Teil die erwähnten
Trübungen des Gesprächstones in den Konferenzen.

Rudolf Steiner dacht uitvoerig na (3/144, 146, 150, 194) over hoe deze kwestie opgelost kon worden. Hij besprak het ook met de leerlingen die nu in het twaalfde leerjaar zaten (3/135, 150). Het uiteindelijke resultaat was dat er vanaf het jaar daarop, in 1925, een aparte klas zou worden gevormd voor leerlingen die een door de staat erkend eindexamendiploma nodig hadden voor hun toekomst. Om te voorkomen dat deze klas simpelweg als het hoogste leerjaar, het dertiende leerjaar, zou worden gezien, moest deze als een speciale vorm worden aangeduid met de naam “Voorbereidende klas voor het eindexamen” (3/194). De twaalf reguliere klassen moesten “puur” blijven (3/146).
Voor de twaalf schoolklassen kon het leerplan nu echter worden afgerond zonder rekening te houden met diploma’s, zoals altijd uitsluitend gebaseerd op de aard en behoeften van de jongeren zelf (3/146-149, 150-158). Het werd aangevuld met een nieuw uitgegeven algemeen leerplan voor het onderwijs in moderne vreemde talen (3/161-165, 170-175).
Het uitstellen van de voorbereiding op het toelatingsexamen voor de universiteit vanuit de school zelf was echter slechts een onderdeel van een strijd die Rudolf Steiner destijds voerde om de Waldorfschool “zuiver” te houden van de invloeden die vanuit het gebruikelijke, “burgerlijke” (1/261) hoger onderwijs binnenstroomden. Deze invloeden waren immers grotendeels verantwoordelijk voor de eerdergenoemde veranderingen in de toon van de discussie tijdens de vergaderingen.

Blz. 59

Die Rücksicht auf die Prüfung drohte, schon bis in die 9. Klasse hinunter, die Oberstufe einseitig intellektuell oder lernmäßig zu machen. Sie verhinderte, die Lebenskunde oder Technologie zu erweitern; sie drohte sogar, die bestehende einzuengen, die doch gerade ins Tätig-Menschliche, ins wirkliche Leben hineinführen sollte. Das ist in den Konferenzen nicht mit direkten Worten gesagt, aber wer diesen Ton in anderen Vorträgen Rudolf Steiners, zum
Beispiel 1/276, 277, oder „Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis”, 7. Vortrag, S. 142—145 (Liste Nr. 26), vernommen hat, hört ihn auch hier immer wieder durch. Manche Enttäuschung und Bitterkeit, mancher Tadel (3/167-169, 182-185 , 187-190), die schon im 5. Schuljahr ausgesprochen waren, kommen jetzt verstärkt wieder. Die strengen Worte beziehen sich, wenn von den Zeugnissen (3/141, 167, 168, 180, 181) die Rede ist, auf sämtliche Klassen, sonst aber vor allem auf die oberen. Und da trifft es besonders die Lehrer des Hauptunterrichts, die selbst einst durch staatliche Oberschule und Universität mit ihren intellektuellen Forderungen hindurchgehen mußten.
Davon war ihnen zurückgeblieben, womit sie jetzt zu ringen hatten: das Dozieren (3/187), die Müdigkeit. „Ein Mensch kann doch nicht müde sein, wenn er im Geiste leben soll” (3/190).

De nadruk op het examen dreigde, zelfs al in de negende klas, de hogere klassen eenzijdig intellectueel of academisch te maken. Het belemmerde de ontwikkeling van levensvaardigheden of technologie; het dreigde zelfs het bestaande leerplan te vernauwen, dat immers juist zou moeten leiden tot actieve menselijke ervaring, tot het echte leven. Dit wordt niet direct in de vergaderingen gezegd, maar iedereen die deze toon in andere lezingen van Rudolf Steiner heeft gehoord, bijvoorbeeld 1/276, 277, of “De pedagogische praktijk vanuit het perspectief van de spiritueel-wetenschappelijke kennis van de mens”, voordracht 7, pp. 142-145 , GA 306/142, vertaald,  zal hem hier ook steeds weer horen. Een deel van de teleurstelling en bitterheid, een deel van de afwijzing (3/167-169, 182-185, 187-190), die al in de vijfde klas was geuit, komt nu met hernieuwde intensiteit naar voren. De harde woorden hebben betrekking op alle klassen wanneer de getuigschriften (3/141, 167, 168, 180, 181) worden genoemd, maar vooral op de hogere klassen. En daar treft het met name de leerkrachten van de hoofdvakken, die zelf ooit de staatsschool voor voortgezet onderwijs en de universiteit met hun intellectuele eisen hebben doorlopen.
Wat hiervan overbleef, was waar ze nu mee worstelden: het lesgeven (3/187), de vermoeidheid. “Een mens mag niet moe zijn als hij in de geest wil leven” (3/190).

Mit harten Worten bezeichnet Rudolf Steiner diese Fehler, die noch nicht durch
Anthroposophie überwunden sind, und wiederholt das immer wieder. „Es fehlt der moralische Einfluß der Lehrerschaft auf die Schülerschaft von der 8. Klasse ab eigentlich doch sehr stark” (3/183). Die Schwierigkeiten seien „vorzugsweise eine Sache des Interesses an den Kindern . . . und eine Sache des Enthusiasmus”
(3/189).
Aber so streng die Worte klingen mögen, so sind sie doch niemals in Resignation gesagt. Sie sind positiv gemeint, wollen weiterhelfen.
„Ich muß einen neuen Einschlag geben” (3/189). Für die herandrängenden Aufgaben soll sich der Blick stärker und klarer nach innen wenden, damit die Arbeit der Lehrer immer tiefer angeschlossen werde an das Geistige, an die wahre Menschenkunde. „Ich will Vorträge halten im September oder in der ersten Oktoberwoche über die moralische Seite der Erziehung und des Unterrichts” (3/194). Aber dieser Kurs wurde nicht gehalten. Die eingetretene Krankheit Rudolf Steiners verhinderte es. Ebenso wird erwähnt ein zugesagtes
Seminar über den Sprachunterricht, das nicht mehr zustande kam.
Diese Lücken schmerzen seither wie brennende Wunden. Denn die
Aufgaben wurden größer und größer.

Rudolf Steiner beschrijft deze fouten, die nog niet door de antroposofie zijn overwonnen, in harde bewoordingen en herhaalt dit steeds weer. “De morele invloed van het onderwijzend personeel op de leerlingen is vanaf de achtste klas eigenlijk zeer gering” (3/183). De moeilijkheden liggen “vooral in de belangstelling in de kinderen… en in het enthousiasme” (3/189).
Maar hoe hard de woorden ook mogen klinken, ze worden nooit met berusting uitgesproken. Ze zijn positief bedoeld, om te helpen. “Ik moet een nieuwe koers uitzetten” (3/189). Voor de dringende taken die voor ons liggen, moet de focus sterker en duidelijker naar binnen gericht zijn, zodat het werk van leerkrachten steeds dieper verbonden raakt met het spirituele, met de ware kennis van de mens. Ik ben van plan om in september of in de eerste week van oktober voordrachten te geven over het morele aspect van opvoeding en onderwijs” (3/194). Maar deze lezingen werden niet gehouden. Rudolf Steiners ziekte verhinderde dit. Er wordt ook melding gemaakt van een beloofd seminar over taalonderwijs, dat nooit heeft plaatsgevonden.
Deze lacunes zijn sindsdien pijnlijk gebleven, als brandende wonden. Want de taken werden steeds groter.

Die erste Gruppe der Absolventen, der ,,ehemaligen” Schüler stand schon da. Mit ihnen wurden zwei Besprechungen abgehalten (Zeittafel), und Rudolf Steiner stellte weitere Fürsorge in Aussicht.
Auch der Kreis der Jugendgruppen, die auf die Waldorfschule hinschauten, war gewachsen. Erwähnt werden die in Breslau (3/177) und die in Dornach (3/137, 143 und Einleitung S. 35).
Die Schulbewegung erweiterte sich. Es wurden neue Schulen jetzt auch in Holland und England errichtet, für die Rudolf Steiner pädagogische Kurse hielt mit Hinweisen auf das Stuttgarter Urbild. Und ebenfalls wuchs das Bedürfnis, aus dem Munde der Lehrer Näheres über Waldorf-Pädagogik zu hören. Solche Vorträge waren gehalten oder in Aussicht genommen in Nürnberg und München (3/192).
Die Eltern der Waldorfschüler hatten gebeten um Belehrung und Hilfe. Ihnen hielt Rudolf Steiner einen Vortrag am 1. Juni 1924 (Zeittafel. Liste Nr. 8).
Überall tönte aus den Worten Rudolf Steiners die vertiefte Kraft heraus, die er in die Schule einfließen ließ. Aber das geschah wohl niemals intensiver, freudiger, strahlender als in seiner Ansprache an Kinder, Eltern, Lehrer beim Schulbeginn am 30. April 1924 (3/145).

De eerste groep schoolverlaters, de “oud-leerlingen”, was er al. Er werden twee bijeenkomsten met hen gehouden (tijdlijn), en Rudolf Steiner beloofde verdere steun. De kring van jeugdgroepen die naar de Waldorfschool keken, was ook gegroeid. Die in Breslau (3/177) en Dornach (3/137, 143 en Inleiding p. 35) worden genoemd.
De schoolbeweging breidde zich uit. Er werden nu ook nieuwe scholen opgericht in Nederland en Engeland, waarvoor Rudolf Steiner pedagogische cursussen gaf met verwijzingen naar het Stuttgarter model. En de behoefte groeide ook om meer te horen over de Waldorfpedagogie van de leraren zelf. Dergelijke lezingen waren gegeven of gepland in Neurenberg en München (3/192).
De ouders van de Waldorfleerlingen hadden om instructie en ondersteuning gevraagd. Rudolf Steiner gaf hen een lezing op 1 juni 1924 (tijdlijn. Lijst nr. 8)

Overal klonk de diepe kracht van Rudolf Steiners woorden, de kracht die hij in de school bracht. Maar dit gebeurde waarschijnlijk nooit intenser, vreugdevoller en stralender dan in zijn toespraak tot kinderen, ouders en leerkrachten aan het begin van het schooljaar op 30 april 1924. (3/145)

Und niemals war die Stimmung gelöster und trotz allem hoffnungsfreudiger als in der Konferenz vom 3. September (3/191) in der Nacht, ehe Rudolf Steiner nach Dornach fuhr zum Kurs über Sprachgestaltung, auf den er sich so sichtlich freute.
Es war die letzte Lehrerkonferenz mit ihm.

Während der ganzen zweiten Hälfte dieses Schuljahres lag Rudolf Steiner krank in Dornach. Die Sorgen und Nöte der Lehrer konnten nur durch Briefe zu ihm gelangen, die dann durch ganz kurze Randbemerkungen oder durch nach Stuttgart zu schreibende Anweisungen beantwortet wurden. Am letzten Schultag, am 30. März 1925, starb Rudolf Steiner.
Zwei Wochen vorher hatte er noch einmal selber einen Brief an die
Waldorflehrer geschrieben (abgedruckt in „Die Konstitution der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft . . .”, S. 405; Liste Nr. 50). In diesem Brief faßt Rudolf Steiner noch einmal die Kernkräfte der Waldorf-Pädagogik zusammen. Er spricht da von der Fruchtbarkeit der Anthroposophie und sagt: ,,Wenn die Lehrerschaft treu im Herzen das Bewußtsein trägt von dieser Fruchtbarkeit, dann werden die guten über dieser Schule waltenden Geister wirksam sein können, und in den Taten der Lehrer wird göttlich-geistige Kraft walten.”

En nooit was de sfeer zo ontspannen en, ondanks alles, zo hoopvol als tijdens de vergadering op 3 september (3/191) de avond voordat Rudolf Steiner naar Dornach vertrok voor de cursus spraakvorming, waar hij zo zichtbaar naar uitkeek.

Het was de laatste lerarenvergadering met hem.

Gedurende de hele tweede helft van dat schooljaar lag Rudolf Steiner ziek in Dornach. De zorgen en bezorgdheid van de leraren bereikten hem alleen via brieven, die vervolgens werden beantwoord met zeer korte kanttekeningen of met aanwijzingen die naar Stuttgart gestuurd moesten worden. Op de laatste schooldag, 30 maart 1925, overleed Rudolf Steiner.

Twee weken eerder had hij zelf nog een brief geschreven aan de Waldorfleraren (afgedrukt in GA 260A/405. In deze brief vat Rudolf Steiner nogmaals de kernprincipes van het Waldorfonderwijs samen. Hij spreekt over de vruchtbaarheid van de antroposofie en zegt: “Als de docenten het besef van deze vruchtbaarheid trouw in hun hart dragen, dan zullen de goede geesten die over deze school heersen, effectief kunnen zijn en zal goddelijk-geestelijke kracht de overhand krijgen in het handelen van de leerkrachten.”

Erich Gabert

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3484-3280

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs – alle artikelen

.

Zelf heb ik nooit ‘godsdienst’ gegeven en ik ben er ook nooit zo mee bezig is geweest.
Maar bij de verdere bestudering van de pedagogische voordrachten, viel mij t.a.v. ‘godsdienst’ iets merkwaardigs op. In de jaren 1970 (en daarvoor) en later, was er op de oudere scholen voor ALLE kinderen godsdienstonderwijs zoals Steiner dit formuleerde voor de kinderen van ouders die erom gevraagd hadden.
Maar dat het voor alle kinderen een vak moest worden, vind je niet als aanwijzingen van Steiner.
Hij gaf de ouders die dat wilden gelegenheid hun kinderen godsdienst te laten geven door de vertegenwoordiger van hun geloof. Die kwamen dus van buiten de lerarengroep. De andere kinderen kregen GEEN godsdienst. Dat is er wel gekomen op vraag van de andere (vaak antroposofische) ouders. Maar alleen voor hun kinderen.
Op verdere vragen is voor die kinderen de zgn. ‘zondagshandeling’ in het leven geroepen, later uitgebreid met andere ‘Handelingen’. Alleen voor die kinderen! 
Hoe ‘men’ er in de tijd na Steiner toe is gekomen om (ongevraagd aan de ouders?) godsdienst te gaan geven, weet ik (nog) niet.Hier de voordrachten waarin Steiner op de een of andere manier over godsdienst in het vrijeschoolonderwijs spreekt.
De links gaan naar de betreffende vertaalde voordracht
.
GA 295
Over: religie(s), materialisme, plaats in het onderwijs.
.
GA 297
Over:  vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienstles door dominee en/of pastoor; een algemeen godsdienstonderwijs voor kinderen van ouders die dit wensen.
.
GA 297A
Over: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienstles door dominee en/of pastoor; over de inhoud van de niet-confessionele godsdienstlessen voor kinderen van ouders die dit wensen.

Over: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienstles door dominee en/of pastoor

GA 301
Over: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienstles door dominee en/of pastoor; over de inhoud van de niet-confessionele godsdienstlessen voor kinderen van ouders die dit wensen.

GA 303
Over: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienstles door dominee en/of pastoor; de niet-confessionele godsdienstlessen voor kinderen van ouders die dit wensen. Dit  wordt hier antroposofisch godsdienstonderwijs genoemd. 
Wat is een religieuze, ethisch-morele opvoeding. Dankbaarheid en liefde.

[304A] Over: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienst door dominee en/of pastoor; antroposofisch godsdienstonderwijs; het wekken van religieuze stemming, moraliteit door dankbaarheid en liefde; sociale gevolgen.

[305] Over: Dankbaarheid, liefde, plicht <1>Geen wereldbeschouwelijke school <2>
Ontstaan antroposofisch godsdienstonderwijs <3> <4>Het christelijke karakter van de vrijeschool <5>Wat wil de vrijeschool <6>

Wordt vervolgd
.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3483-3279

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2026: het getal 26

.

Wolfgang Held, ‘das Goetheanum’,01-01-2026
.

Wat goddelijk was

.

Het komende jaar zullen we het getal 26 op brieven en documenten schrijven. Dit maakt het de moeite waard om het getal 26 eens nader te bekijken. Mathematisch gezien is dit getal uniek vanwege zijn buren. De wiskundige Pierre de Fermat bewees dat wat voor 26 geldt, voor geen enkel ander getal geldt: het heeft een kwadraatgetal (25 = 5²) en een derdemachtsgetal (27 = 3³) als buren. Het getal 26 wordt gedefinieerd door zijn positie.

Het getal 26 speelt ook een rol in een ander gebied waar locatie ertoe doet: het Latijnse alfabet heeft 26 letters! Dit geldt zowel in de Engelstalige wereld als in Zuid-Amerika: het meest gebruikte schrift bestaat uit 26 letters! Interessant is dat het getal 26 al 1000 jaar vóór het Latijnse alfabet als geschreven getal voorkomt.
De Hebreeuwse letterreeks voor de goddelijke schepper is JHWH. In de oude numerologie wordt aan elke letter een numerieke waarde toegekend. Tien voor Yod, twee keer vijf voor He, en zes voor vav (waw): dat maakt 26.

En het duurt 26 generaties na Adam en Eva tot Mozes komt en de Schrift ontvangt. Zesentwintig is het getal van de Schrift.

En wat is de Schrift? De Egyptenaren beantwoorden deze vraag door het schrift “hiërogliefen” of “heilige tekens” te noemen. Door de Schrift wordt het goddelijke aards.

Verwezen wordt naar: Wolfgang Held, Alles ist Zahl.

.

Rekenen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3482-3279

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 24 juli 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

Steiner houdt hier a.h.w. een korte pedagogische voordracht. <1>
Daarin: bij vernieuwende pedagogen goede ideeën, maar daar blijft het bij. <2>
Materialisme en geest; het gevaar voor de mens wat ziel en geest betreft. <3>
De cultuur gaat achteruit. Wat kan de vrijeschool doen. Het gaat om de geest van de school, niet om het kopiëren van het model. <4>
Geen compromissen. <5>
Leraar moet in hart antroposoof zijn; wij zijn eerder uit de geestelijke wereld gekomen; kind brengt boodschap mee <6>
Praktisch-pedagogische psychologie moet verder worden uitgewerkt <7>
Vanaf <8> gaat het om zaken die direct te maken hebben met de omstandigheden toen: zitten er geen kinderen in te hoge/lage klassen; te veel leerlingen in een klas; splitsen; ruimtetekort.
Verschil in koor spreken en individueel. <9>
Bij taal [ik neem aan vreemde talen] onderwijs kinderen van verschillende leeftijd bij elkaar, zodat ze van elkaar kunnen leren. <10>
Vanaf <11> allerlei op te lossen problemen: hoeveel uur beschikbaar; verhouding euritmie-gymnastiek; kunnen jongens en meisjes samen in gymn.; huisvesting; geldgebrek

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 162

Vergadering van woensdag 24 juli 1920, 18  uur

Dr. Steiner: Ich darf Herrn Molt das Wort erteilen.

Ik geef het woord aan de heer Molt.

Molt dankt den Lehrern für ihre Arbeit im verflossenen ersten Schuljahr und
spricht insbesondere den Dank aus an Herrn Dr. Steiner. Er erinnert an dessen
Worte über Kraft, Mut, Licht beim Kursbeginn 1919.

Molt bedankt de leraren voor hun werk in het afgelopen eerste schooljaar en
spreekt in het bijzonder zijn dank uit aan Dr. Steiner. Hij herinnert aan diens
woorden over kracht, moed en licht bij de start van de cursus in 1919.

Dr. Steiner: Meine lieben Freunde, auch ich muß gedenken der
Stunde, in der wir unsere Kursbemühungen begonnen haben im
Herbst des vorigen Jahres, und es wird wohl so sein, daß in unseren
Seelen die dazumal angeregten Impulse, die versucht worden sind
aus dem geistigen Leben herab in unsere eigenen Geister zu leiten,
nachgewirkt haben. Ich möchte gerade an diesen Augenblick erinnern und von allen über unserer Sache waltenden guten Geistern erflehen: Möge in unsere Herzen hinein der Segen und die Kraft für unsere Arbeit herabfließen.
Ich möchte an dasjenige noch einmal anknüpfen, das ich schon am
Morgen mit einigen Worten berührt habe. Ich sagte zu Ihnen, meine
lieben Freunde, daß es besonders zu schätzen ist, daß Sie in einem
bedeutungsvollen Augenblicke der europäischen Menschheitsentwickelung den Glauben gehabt haben, Sie müßten Ihre Tätigkeit und Ihre ganze Persönlichkeit einsetzen für dasjenige, was mit der Waldorfschule gewollt werden soll. Bedenken wir doch das Folgende:
ich habe auf das, worauf jetzt hingedeutet worden ist, in einem Kurs,
den ich in Basel über Pädagogik hielt, gleich in der Einleitung hingewiesen.

<1> Beste vrienden, ook ik moet terugdenken aan het het moment waarop we onze cursusinspanningen zijn begonnen in de herfst van vorig jaar, en het zal wel zo zijn dat in onze zielen de toen opgewekte impulsen, die zijn geprobeerd om vanuit het spirituele leven naar onze eigen geest te leiden, een nawerking hebben gehad. Ik wil juist aan dit moment herinneren en alle goede geesten die over onze zaak heersen smeken: moge de zegen en de kracht voor ons werk in onze harten neerdalen.
Ik wil nog eens terugkomen op wat ik vanochtend al in enkele woorden heb aangestipt.
Ik zei tegen u, mijn beste vrienden, dat het bijzonder te waarderen is dat u op een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Europese mensheid het geloof had uw activiteiten en uw hele persoonlijkheid in te zetten voor datgene wat met de Waldorfschool beoogd wordt. Laten we het volgende eens overwegen:
ik heb in een cursus die ik in Bazel over pedagogiek gaf, in de inleiding al gewezen op datgene waar nu op is gewezen.

Ich habe gesagt: Pädagogen, die Erziehungs- und Unterrichtsgrundsätze hervorragender Art aufgestellt haben, gibt es sehr viele, und es kann nicht die Aufgabe derjenigen pädagogischen Kunst sein, an die wir uns wenden als Anthroposophen, etwa gegenüber demjenigen, was durch das Erarbeiten von Pestalozzi, Fröbel und durch alles dasjenige, was durch Diesterweg und Dittes heraufgekommen ist, zu ersetzen. Im Prinzip ausgesprochen: die abstrakten Grundsätze, die von großen Pädagogen des 19. Jahrhunderts herüberkamen, werden sich vor einer didaktisch-pädagogischen Beurteilung im Grunde recht gut ausnehmen, und man setzt sich einer gerechten Kritik aus, wenn man von einer Erneuerung der pädagogischen Wissenschaft sprechen will.
Aber in Wirklichkeit handelt es sich um etwas ganz anderes. Wer heute Pestalozzi liest, wer Fröbels Schriften liest, wer Herbart liest und außerdem bis zu Dittes herauf, der wird finden, daß viel Schönes

<2>Ik heb gezegd: er zijn heel veel pedagogen die uitstekende opvoedings- en onderwijsprincipes hebben opgesteld, en het kan niet de taak zijn van de pedagogische kunst om ons als antroposofen te richten op bijvoorbeeld wat Pestalozzi, Fröbel en Diesterweg en Dittes hebben ontwikkeld. In principe gezegd: de abstracte principes die door grote pedagogen uit de 19e eeuw zijn overgeleverd, zullen in principe vrij goed uit de bus komen bij een didactisch-pedagogische beoordeling, en men stelt zich bloot aan terechte kritiek als men wil spreken van een vernieuwing van de pedagogische wetenschap.
Maar in werkelijkheid gaat het om iets heel anders. Wie vandaag Pestalozzi leest, wie de geschriften van Fröbel leest, wie Herbart leest en bovendien tot aan Dittes, zal ontdekken dat er veel moois

Blz. 163

in pädagogischer Beziehung ausgesprochen worden ist. Aber wer da ins innere Getriebe des Unterrichts-unddesErziehungswesenshineinschaut, selbst wenn man in das innere Getriebe der Pestalozzischen Schule selbst hineinschaut, dann zeigt sich, daß ein Geist darin nicht waltet, der diesen ausgesprochenen Grundsätzen, zu denen man sich durchaus in abstrakter Beziehung bekennen kann, entspricht. Man braucht nur zu verfolgen, was Fröbel an herber Kritik gegenüber Pestalozzischen Anstalten geschrieben hat. Und gerade wenn man
die Entwickelung des Erziehungs- und Unterrichtswesens im 19. Jahrhundert verfolgt, wird man sehen, daß, trotzdem die Leute vielfach richtig denken, das Richtige nicht bewirkt, nicht getan wird.
Woher kommt das? Darauf gibt es nur eine Antwort. Es ist die, daß das 19. Jahrhundert — gleichgültig aufweichen Kulturzweig man die Aufmerksamkeit richtet, es ist überall dasselbe —, daß das ganze Jahrhundert stand unter dem Einfluß der materialistischen Zeitströmung. Und wenn wir heute aus unserer anthroposophischen Grundüberzeugung heraus irgendeinen Erziehungsgrundsatz formulieren, so kann er wörtlich gleichklingen dem, was Pädagogen des 19. Jahrhunderts gesagt haben — wir müssen es anders meinen. Wir sprechen aus dem Geiste heraus, diese haben aus dem sie überwältigenden Impuls der materialistischen Weltanschauung gesprochen.

in pedagogisch opzicht is uitgesproken. Maar wie in de interne werking van het onderwijs- en opvoedingswezen kijkt, zelfs als men in de interne werking van de Pestalozziaanse school zelf kijkt, dan blijkt dat daar geen geest heerst die overeenkomt met deze uitgesproken principes, waartoe men zich in abstracte zin weliswaar kan bekennen. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat Fröbel aan scherpe kritiek op de Pestalozziaanse instellingen heeft geschreven. En juist als men de ontwikkeling van het onderwijs en de opvoeding in de 19e eeuw volgt, zal men zien dat, hoewel de mensen vaak juist denken, het juiste niet wordt bewerkstelligd, niet wordt gedaan. <2>
<3> Waar komt dat vandaan? Daar is maar één antwoord op. Dat is dat de 19e eeuw – ongeacht op welke tak van cultuur men zijn aandacht richt, het is overal hetzelfde – dat de hele eeuw onder invloed stond van de materialistische tijdsstroom. En als we vandaag vanuit onze antroposofische basisovertuiging een opvoedingsprincipe formuleren, kan dat letterlijk hetzelfde klinken als wat pedagogen uit de 19e eeuw hebben gezegd – wij moeten het anders bedoelen. Wij spreken vanuit de geest, zij spraken vanuit de overweldigende impuls van het materialistische wereldbeeld.

Wenn die Dinge noch so idealistisch klingen, so sind sie dennoch aus dem Geiste des Materialismus gedacht. Es handelt sich nicht darum, in abstrakter Beziehung etwas Neues zu finden, sondern darum, einen neuen Geist zu finden.
Sehen Sie, auch Ihnen möchte ich heute etwas vorbringen, was ich in der letzten Zeit an einzelnen Orten schon wiederholt gesagt habe, was gerade in unserer Zeit berücksichtigt werden muß. Man hat heute die Meinung, wenn man von Materialismus spricht, daß der Materialismus eine falsche Weltanschauung ist, daß er abzulehnen ist, weil er nicht richtig ist. So einfach verhält sich die Sache nicht.
Der Mensch ist ein seelisch-geistiges Wesen, er ist ein leiblich-physisches Wesen. Aber das Leiblich-Physische ist ein getreues Abbild des Seelisch-Geistigen, insofern wir leben zwischen Geburt und Tod.
Und wenn die Menschen so verphilistert sind in den materialistischen Gedanken, wie das geworden ist im Laufe des 19. Jahrhundertsund bis in die Gegenwart hinein, dann wird immer mehr das LeiblichPhysische ein Abdruck dieses Seelisch-Geistigen, das selbst in den materialistischen Impulsen lebt. Dann ist es nicht etwas Falsches, wenn man sagt, das Gehirn denkt, dann wird es richtig. Es werden durch das Fest-darin-Stecken im Materialismus nicht bloß Menschen

Hoe idealistisch dit ook klinkt, het is toch vanuit de geest van het materialisme bedacht. Het gaat er niet om iets nieuws te vinden in een abstracte relatie, maar om een nieuwe geest te vinden.
Ziet u, ook aan u wil ik vandaag iets voorleggen wat ik de laatste tijd op verschillende plaatsen al herhaaldelijk heb gezegd, en wat juist in onze tijd in aanmerking moet worden genomen. Tegenwoordig is men van mening dat, als men het over materialisme heeft, het materialisme een verkeerde wereldbeschouwing is, die moet worden afgewezen omdat ze niet juist is. Zo eenvoudig ligt de zaak echter niet.
De mens is een ziels-geestelijk wezen, hij is een lijfelijk-fysiek wezen. Maar het lijfelijk-fysieke is een getrouwe afspiegeling van het het ziels-geestelijke, voor zover we leven tussen geboorte en dood.
En als de mensen zo bekrompen zijn in het materialistische denken, zoals dat in de loop van de 19e eeuw en tot op de dag van vandaag is gebeurd, dan wordt het lijfelijk-fysieke steeds meer een afdruk van dit ziels-geestelijke, dat zelf leeft in de materialistische impulsen. Dan is het niet verkeerd om te zeggen dat de hersenen denken, dan wordt het juist. Door het vastzitten in het materialisme worden niet alleen mensen

Blz. 164

erzeugt, die schlecht denken über das Leibliche, Seelische und Geistige, sondern es werden materiell denkende und materiell fühlende Menschen erzeugt. Das heißt, der Materialismus bewirkt, daß der Mensch ein Denkautomat wird, daß der Mensch ein Wesen wird, das als physisches Wesen denkt, fühlt und will. Und es ist nicht bloß die Aufgabe der Anthroposophie, an die Stelle einer falschen Weltanschauung eine richtige zu setzen — das ist eine theoretische Forderung —, das Wesen der Anthroposophie heute besteht darin, daß angestrebt wird nicht nur eine andere Idee, sondern eine Tat: das Geistig-Seelische wieder herauszureißen aus dem Leiblich-Physischen, den Menschen heraufzuheben in die Sphäre des Geistig-Seelischen, damit er nicht ein Denk-, Fühl- und Empfindungsautomat sei.
Die Menschheit steht heute in der Gefahr — einiges soll auch morgen im Zweigvortrag angedeutet werden —, das Seelisch-Geistige zu verlieren. Denn das, was leiblich-physisch ein Abdruck des Geistig-Seelischen ist, das steht heute, weil viele Menschen so denken, weil das Geistig-Seelische schläft, vor der Gefahr, in die ahrimanische Welt überzugehen, und das Geistig-Seelische wird sich verflüchtigen im Weltall. Wir leben in einer Zeit, in der die Menschen die Gefahr vor sich haben, durch den materialistischen Impuls die Seele zu verlieren. Dies ist eine ernste Sache. Dieser Tatsache steht man gegenüber.
Diese Tatsache soll eigentlich heute das Geheimnis, das immer mehr und mehr offenbar werdende Geheimnis werden, aus dem heraus wir überhaupt fruchtbar wirken wollen.

die slecht denken over het lichamelijke, het zielsmatige en het geestelijke, maar er worden materieel denkende en materieel voelende mensen voortgebracht. Dat wil zeggen dat het materialisme ervoor zorgt dat de mens een denkende automaat wordt, dat de mens een wezen wordt dat als fysiek wezen denkt, voelt en wil. En het is niet alleen de taak van de antroposofie om een verkeerde wereldbeschouwing te vervangen door een juiste – dat is een theoretische eis –, de essentie van de antroposofie bestaat er vandaag de dag in dat niet alleen naar een ander idee wordt gestreefd, maar naar een daad: het het geestelijk-zielsmatige weer uit het lijfelijk-fysieke te rukken, de mens op te heffen naar de sfeer van het geestelijk-zielsmatige, zodat hij geen denk-, voel- en waarnemingsautomaat is.
De mensheid loopt vandaag het gevaar – een en ander zal morgen ook in de voordracht worden aangegeven – het zielsmatige-geestelijke te verliezen. Want wat lijfelijk-fysiek een afdruk is van het geestelijk-zielsmatige, staat vandaag, omdat veel mensen zo denken, omdat het geestelijk-zielsmatige slaapt, voor het gevaar om over te gaan in de ahrimanische wereld, en het geestelijk-zielsmatige zal verdampen in het heelal. We leven in een tijd waarin mensen het gevaar lopen door de materialistische impuls hun ziel te verliezen. Dit is een ernstige zaak. Men wordt met dit feit geconfronteerd.
Dit feit zou vandaag eigenlijk het geheim moeten zijn, het steeds meer en meer openbaar wordende geheim worden, van waaruit we überhaupt vruchtbaar willen werken.

Sehen Sie, aus einer Erkenntnis dieser Notwendigkeit eines Hinwendens der Menschheit zu einer spirituellen Betätigung — nicht bloß zu einer Umänderung einer Theorie —, aus dieser Erkenntnis heraus sind solche Dinge entstanden wie die Didaktik und Pädagogik der Waldorfschule. Und aus einem solchen Geiste heraus sollte hier gewirkt werden.
Da ist vor allem zu schätzen, daß sich in Ihnen hier ein Kreis gefunden hat, der aus einem mehr oder weniger deutlichen Gefühl heraus sich sagt: es muß so gewirkt werden. Sie brauchen nur die Keime, die hier gelegt werden in der Waldorfschule, mit all dem wüsten Zeug, das als feindlicher Sturm heraufzieht, zu vergleichen.
Wir haben die Schule begründet unter den letzten Nachwirkungen dessen, was wir von Stuttgart vom April 1919 an versuchten. Seit der Zeit hat sich ja so herrlich viel vollzogen. Vollständig versagt, meine lieben Freunde, das dürfen wir nicht vergessen, vollständig ins Wasser gefallen ist dasjenige, was da unternommen werden sollte mit dem gutgemeinten Aufruf zum Kulturrat im vorigen Jahre. Warum er versagen mußte, das zeigt der wüste Skandal am Goetheanum, das

Ziet u, vanuit het besef dat de mensheid zich moet richten op spirituele activiteiten – en niet alleen op een verandering van theorie – zijn zaken als de didactiek en pedagogiek van de Waldorfschool ontstaan. En vanuit een dergelijke geest moet hier worden gewerkt. <3>
Het is vooral te waarderen dat er hier een kring is gevonden die vanuit een min of meer duidelijk gevoel zegt: zo moet er gewerkt worden. U hoeft alleen maar de kiemen die hier in de Waldorfschool worden gelegd te vergelijken met al het woeste gedoe dat als een vijandige storm opkomt.
<4> We hebben de school opgericht onder de laatste nawerkingen van wat we vanaf april 1919 in Stuttgart hebben geprobeerd. Sinds die tijd is er zoveel moois gebeurd. Volledig mislukt, mijn beste vrienden, dat mogen we niet vergeten, volledig in het water gevallen is wat er vorig jaar met de goedbedoelde oproep tot een cultuurraad moest worden ondernomen. Waarom het moest mislukken, blijkt uit het woeste schandaal rond het Goetheanum, dat

Blz. 165

zeigt dieser krasse Niedergang des deutschen Geisteslebens, das sich doch nur als in einem Symptom in den Dingen am Goetheanum ausdrückt. Wir werden natürlich jetzt nötig haben in einer noch ganz anderen Weise, als wir es getan haben, unsere Kräfte darauf zu verwenden, um diesem Niedergang entgegenzuarbeiten. Das kann ja natürlich nicht von der Waldorfschule allein ausgehen, aber durch jene Erkenntnis, die unsere Waldorflehrer gezeigt haben, indem sie sich dieser Aufgabe gewidmet haben, sind sie die Berufenen, um nach dieser Richtung hin allgemein anthroposophisch-kulturell zu wirken.
Das ist dasjenige, was ich heute am Schlüsse des ersten Schuljahres so lebhaft empfinden mußte, was ich mit den ernsten Worten gemeint habe, die ich in Gegenwart der Kinder heute morgen ausgesprochen habe. Die Kinder werden die Worte nicht verstanden haben, aber das macht nichts. Wir wissen, daß es sich nicht darum handelt, daß nur das herangebracht wird, was die Kinder verstehen, sondern manches, was später in den Seelen der Kinder lichtvoll aufgeht. Der Dank, den Herr Molt ausgesprochen hat, der wird auch von mir selbst warm empfunden im Namen desjenigen Geistes, der die Waldorfschule
durchdringen soll, der immer mehr und mehr der Geist der mitteleuropäischen Kultur werden soll. Diejenigen, die sich selbst materialistisch machen, die ihre Seele verlieren, so daß die Zivilisation eine materialistische Zivilisation würde, diejenigen Menschen wären heute noch zu retten, wenn das, was wir hier an Waldorfschulgeist haben, weiter in der Welt verbreitet werden könnte.

deze flagrante achteruitgang van het Duitse geestesleven toont, dat zich toch alleen maar als een symptoom in de zaken rond het Goetheanum uitdrukt. We zullen nu natuurlijk op een heel andere manier dan we tot nu toe hebben gedaan onze krachten moeten aanwenden om deze achteruitgang tegen te gaan.
Dat kan natuurlijk niet alleen vanuit de Waldorfschool gebeuren, maar door het inzicht dat onze Waldorfleraren hebben getoond door zich aan deze taak te wijden, zijn zij de aangewezenen om in deze richting algemeen antroposofisch-cultureel te werken.
Dat is wat ik vandaag, aan het einde van het eerste schooljaar, zo levendig heb gevoeld, wat ik bedoelde met de ernstige woorden die ik vanmorgen in aanwezigheid van de kinderen heb uitgesproken.
[Rudolf Steiner in der Waldorfschule GA 298/57 Vertaald/49]
De kinderen zullen de woorden niet hebben begrepen, maar dat maakt niet uit. We weten dat het er niet om gaat alleen datgene aan te bieden wat de kinderen begrijpen, maar ook veel wat later in de zielen van de kinderen lichtrijk tot bloei komt. De dank die de heer Molt heeft uitgesproken, wordt ook door mijzelf warm gevoeld in naam van de geest die de Waldorfschool moet doordringen, die steeds meer en meer de geest van de Midden-Europese cultuur moet worden. Degenen die zichzelf materialistisch maken, die hun ziel verliezen, zodat de beschaving een materialistische beschaving zou worden, die mensen zouden vandaag nog te redden zijn, als datgene wat we hier aan Waldorfschoolgeest hebben, verder in de wereld verspreid zou kunnen worden.

Wir müssen selbstverständlich die Waldorfschule behüten vor jedem Scheinwesen. Wir müssen uns klar sein darüber, daß wir gewissermaßen immer zurückhaltender und zurückhaltender sein müssen gegenüber all denjenigen Leuten, die, nachdem sie gehört haben, die Waldorfschule ist begründet worden, es nun als nächste Aufgabe betrachten, ihr Welt-Herumlungern darauf auszudehnen, daß sie auch in die Waldorfschule hineinriechen, um hier zu hospitieren, um hier einiges mitzunehmen, um etwas Ähnliches da oder dort einfließen zu lassen. Wir müssen uns klar sein darüber, daß es sich nicht darum handelt, das zu fördern, daß möglichst viel Welt-Herumlungerer hier hospitieren, sondern daß es darauf ankommt, daß der anthroposophische Geist klar da sein muß, aus dem heraus die Nachfolgeschaft der Waldorfschule entstehen soll.
Zu mir kam vor einigen Monaten eine Persönlichkeit, die auch in Frankreich etwas Ähnliches begründen will wie eine Waldorfschule, und fragte, ob ich nicht Ratschläge dazu geben könne, ob sie nicht

We moeten natuurlijk de Waldorfschool beschermen tegen elke schijnwereld. We moeten ons ervan bewust zijn dat we in zekere zin steeds terughoudender moeten zijn ten opzichte van al die mensen die, nadat ze hebben gehoord dat de Waldorfschool is opgericht, het nu als hun volgende taak beschouwen om verder in de wereld rond te kijken, zodat ze ook in de Waldorfschool kunnen rondneuzen, om hier te komen kijken, om hier het een en ander mee te nemen, om hier en daar iets soortgelijks te laten instromen. We moeten ons ervan bewust zijn dat het er niet om gaat om zoveel mogelijk mensen die in de wereld rondneuzen hier te laten meelopen, maar dat het erom gaat dat de antroposofische geest duidelijk aanwezig moet zijn, waaruit moet voortkomen hoe het met de Waldorfschool verder gaat.
Enkele maanden geleden kwam er iemand bij mij die ook in Frankrijk iets soortgelijks als een Waldorfschool wil oprichten en vroeg of ik advies kon geven over de vraag of zij niet

Blz. 166

hier in der Waldorfschule hospitieren könne. Ich habe ihr gesagt, anerkannt, als im Geiste der Waldorfschule gehalten, würde dasjenige, was sie in Frankreich, in Paris, begründen will, von mir nur dann, wenn es ganz genau ebenso eingerichtet würde, wie die Waldorfschule eingerichtet ist. Es müßten sich sodann die französischen Freunde zunächst bereit erklären, mich dorthin zu rufen, um einen Kurs abzuhalten, nicht wahr, und ausdrücklich erklären, daß die Schule aus demselben Geist hervorgegangen ist. Sonst würde ich es strikt ablehnen, daß so etwas wie eine Nachfolgerschaft vorliegt.
Glauben Sie nicht, daß solche Antworten nur eigensinnige Dinge sind. Sie müssen sich klar sein darüber, wir kommen nicht weiter, wenn wir uns nicht auf den Standpunkt des bestimmt Anthroposophischen stellen, wenn wir uns nicht freihalten von jeder irgendwie gearteten Kompromißlerei. Stellen wir uns auf einen scharfbegrenzten Standpunkt, dann ist es nicht ausgeschlossen, daß wir selbst in Paris eine Waldorfschule begründen können. Es kommt nur darauf an, daß wir uns nicht bewegen lassen, irgendwie Kompromisse zu schließen. Heute ist es so, daß man am weitesten kommt, wenn man sich fest auf einen bestimmten Standpunkt stellt. Nach außen mag man konziliant sein, aber innerlich, wenn es sich um Prinzipielles handelt, da kommt es darauf an, daß man ganz fest auf seinen Standpunkt sich stellt. Dazu ist es notwendig, die Kraft zu haben, die Dinge wirklich radikal zu durchschauen und keine Neigung zu irgendwelchem Kompromiß zu haben. Sie wissen ja, wenigstens im Sinne und Geist der Führung nach haben wir uns bemüht, während des ersten Jahres solche feste Standpunkte anzustreben.

hier in de Waldorfschool stage konden lopen. Ik heb haar gezegd, dat wat zij in Frankrijk, in Parijs, wil oprichten, door mij alleen dan erkend wordt als de geest van de Waldorfschool, als het precies zo zou worden ingericht als de Waldorfschool is opgezet. De Franse vrienden zouden dan eerst bereid moeten zijn mij daarheen te roepen om een cursus te geven, nietwaar, en uitdrukkelijk verklaren dat de school uit dezelfde geest is voortgekomen. Anders zou ik het strikt afwijzen dat er sprake is van een soort opvolging.
Denk niet dat zulke antwoorden alleen maar eigenzinnige dingen zijn. <4>
<5> U moet zich realiseren dat we niet verder komen als we niet het standpunt van het uitgesproken antroposofische innemen, als we ons niet vrijhouden van elke vorm van compromis. Als we een scherp afgebakend standpunt innemen, is het niet uitgesloten dat we zelfs in Parijs een Waldorfschool kunnen oprichten. Het komt er alleen op aan dat we ons niet laten verleiden tot het sluiten van compromissen
Vandaag de dag is het zo dat je het verst komt als je vastberaden een bepaald standpunt inneemt. Naar buiten toe mag je verzoenend zijn, maar innerlijk, als het om principes gaat, is het belangrijk dat je heel vastberaden je standpunt inneemt. Daarvoor is het nodig om de kracht te hebben om  de dingen echt radicaal te doorzien en geen neiging te hebben tot enig compromis. U weet immers dat we, althans in de zin en geest van het besturen, ons tijdens het eerste jaar hebben ingespannen om zulke vaste standpunten na te streven. 

Ich hoffe, daß sie immer mehr zum Ausdruck kommen werden. Sie selbst als
Lehrer der Waldorfschule werden sich immer mehr in die Durchschlagskraft des Geistes hineinfinden und die Möglichkeit finden, alle Kompromisse beiseite zu lassen. Wir können nicht darum herum kommen, daß allerlei Leute von außen in die Angelegenheiten der Schule hineinreden. Wenn wir nur selbst in unserem Gemüte nichts von der notwendigen Anschauung, die wir haben müssen, aufgeben, daß im Grunde genommen jede Zustimmung, die von irgendwelcher pädagogischen Seite von heute kommt, zu dem, was in der Waldorfschule geschieht, uns eher traurig stimmen könnte als heiter. Wenn solche Leute, die im heutigen pädagogischen Leben drinnenstehen, uns loben, da müssen wir denken, da muß etwas bei uns nicht stimmen. Wir brauchen nicht jeden gleich hinauszuwerfen, der uns lobt, aber wir müssen uns klar sein, daß wir sorgfältig untersuchen, was wir nicht richtig machen, wenn wir gelobt werden

Ik hoop dat ze steeds meer tot uiting zullen komen. Uzelf als leraar aan de Waldorfschool zult steeds meer de slagkracht van de geest ontdekken en de mogelijkheid vinden om alle compromissen terzijde te schuiven. We kunnen er niet omheen dat allerlei mensen van buitenaf zich mengen in de zaken van de
school. Als we zelf maar niets opgeven van de noodzakelijke visie die we moeten hebben, dat in feite elke instemming die van welke pedagogische kant dan ook komt met wat er in de Waldorfschool gebeurt, ons eerder verdrietig dan vrolijk zou kunnen stemmen. Als zulke mensen, die deel uitmaken van het huidige pedagogische leven, ons prijzen, moeten we denken dat er iets niet klopt bij ons.
We hoeven niet iedereen die ons prijst meteen weg te sturen, maar we moeten ons wel realiseren dat we zorgvuldig moeten onderzoeken wat we niet goed doen als we geprezen worden

Blz. 167

von denjenigen, die im heutigen Erziehungswesen drinnenstehen.
Das muß unsere gründliche Überzeugung werden.
Indem ich ganz lebhaft empfinde, was es eigentlich von Ihnen bedeutet, daß Sie sich mit Ihrer ganzen Persönlichkeit der Angelegenheit der Waldorfschule gewidmet haben, möchte ich an das Gesagte dieses eine noch hinzufügen: Wir müssen auch innerlich, dem Gemüte nach, tatsächlich Anthroposophen sein im tiefsten Sinne des Wortes als Waldorflehrer und müssen Ernst machen können mit einer Idee, die auf anthroposophischem Boden wiederholt ausgesprochen worden ist, die für uns wichtig ist: Wir sind zu einer bestimmten Zeit heruntergestiegen aus den geistigen Welten in die physische Welt.
Diejenigen, die uns als Kinder entgegentreten, sind später heruntergekommen, sie haben die geistige Welt noch eine Zeitlang durchlebt, in der wir schon hier in der physischen Welt waren. Es ist etwas ungeheuer innerlich Erwärmendes, etwas ganz in der Seele Wirkendes, wenn man in einem Kinde sieht ein Wesen, das einem etwas herunterträgt aus der geistigen Welt, das man nicht selbst mitgemacht hat, in der geistigen Welt, weil man älter ist. Dieses Ältersein bedeutet für uns noch etwas ganz anderes. Wir empfangen mit jedem Kinde eine Botschaft aus der geistigen Welt über Dinge, die wir nicht mehr miterlebt haben.

door degenen die vandaag de dag in het onderwijs werkzaam zijn.
Dat moet onze diepe overtuiging worden. <5>
<6> Omdat ik heel levendig voel wat het eigenlijk voor u betekent dat u zich met uw hele persoonlijkheid aan de zaak van de Waldorfschool hebt gewijd, wil ik aan het gezegde nog dit toevoegen: We moeten ook innerlijk, in ons hart, werkelijk antroposofen zijn in de diepste zin van het woord als Waldorfleerkrachten en we moeten serieus kunnen omgaan met een idee dat herhaaldelijk op antroposofische grond is uitgedrukt en dat voor ons belangrijk is: we zijn op een bepaald moment uit de geestelijke werelden naar de fysieke wereld afgedaald.
Degenen die we als kinderen ontmoeten, zijn later neergedaald, zij hebben de geestelijke wereld nog een tijdje doorleefd, terwijl wij al hier in de fysieke wereld waren. Het is iets ongelooflijk hartverwarmends, iets dat diep in de ziel werkt, wanneer je in een kind een wezen ziet dat voor jou iets meebrengt uit de geestelijke wereld, iets wat je zelf niet hebt meegemaakt in de geestelijke wereld, omdat je ouder bent. Dit ouder zijn betekent voor ons nog iets heel anders. Met elk kind ontvangen we een boodschap uit de geestelijke wereld over dingen die we niet meer hebben meegemaakt.

Dieses Bewußtsein gegenüber der Botschaft, die das Kind herunterträgt, das ist ein positives Gefühl, das in vollem Ernst Platz greifen kann in der Waldorflehrerschaft, das der abwärtsgehende Kulturverlauf bekämpft, sogar getreten hat. Das tun auch die traditionellen Religionsbekenntnisse, die von allen Kanzeln die Ewigkeit predigen, die Post-mortem-Ewigkeit, jene Ewigkeit, auf die die Leute hinschauen aus dem raffinierten Egoismus ihrer Seele heraus, weil sie nicht zugrunde gehen wollen. Der Mensch geht nicht zugrunde, aber
es handelt sich darum, wie man zur Überzeugung kommt von der Ewigkeit der Seele, ob aus Egoismus heraus, oder ob man lebendig, aus der Anschauung, drinnensteht in der Erfassung der ewigen Menschenseele. Hier in dieses lebendige Darinnenstehen führt das Hinschauen auf die Präexistenz der Seele, das Hinschauen auf das, was der Mensch vor der Geburt erlebt, das Hinschauen auf den Menschen hier in der physischen Welt, wie sein Leben eine Fortsetzung desjenigen ist, was er vorher erlebt hat. Die traditionellen Bekenntnisse, die versumpft sind, diese Bekenntnisse bekämpfen am schärfsten die Präexistenz, dasjenige, was den Menschen selbstlos machen kann, dasjenige, was niemals zielt auf dieses dumpfe, versumpfte erkenntnislose Glauben, das zielen muß auf Wissen, auf das klare Licht der Erkenntnis.

Dit bewustzijn van de boodschap die het kind uitdraagt, is een positief gevoel dat in alle ernst zijn intrede kan doen bij Waldorfleerkrachten, die de neergaande culturele ontwikkeling bestrijden, zelfs hebben bestreden.
Dat doen ook de traditionele religieuze geloofsbelijdenissen, die vanaf alle preekstoelen de eeuwigheid prediken, de postmortale eeuwigheid, die eeuwigheid waarnaar de mensen kijken vanuit het geraffineerde egoïsme van hun ziel, omdat ze niet ten onder willen gaan. De mens gaat niet ten onder, maar het gaat erom hoe men tot de overtuiging komt van de eeuwigheid van de ziel, of dat nu uit egoïsme is, of dat men levendig, vanuit de aanschouwing, staat in het begrip van de eeuwige mensenziel. Hier, in dit levendige binnenstaan, leidt het kijken naar het voorbestaan van de ziel, het kijken naar wat de mens vóór de geboorte ervaart, het kijken naar de mens hier in de fysieke wereld, hoe zijn leven een voortzetting is van wat hij eerder heeft meegemaakt. De traditionele geloofsbelijdenissen, die zijn verzand, bestrijden het scherpst het voorbestaan, datgene wat de mens onbaatzuchtig kan maken, datgene wat nooit gericht is op dit doffe, verzande, onwetende geloof, dat gericht moet zijn op kennis, op het heldere licht van het inzicht.

Blz. 168

Solche Dinge werden praktisch, wenn wir sagen: Dieses Kind ist später heruntergekommen aus der geistigen Welt als ich selbst. Ich kann erraten aus dem, was es mir entgegenlebt, was geschehen ist in der geistigen Welt, nachdem ich selbst die geistige Welt verlassen habe. Daß wir das als lebendiges Gefühl in uns tragen, das ist eine rechte Lehrermeditation, von einer ungeheuer großen und starken Bedeutung. Und durch ein solches bestimmtes Ausleben des anthroposophischen Wesens werden wir in Wahrheit dasjenige, was Lehrer
sind, die aus anthroposophischem Geist heraus wirken. Das Beste, was hier in Anthroposophie entwickelt wird, ist nicht dasjenige, was die Welt-Herumlungerer bei uns heraushospitieren wollen, das Beste ist dasjenige, was sich in Ihren Gemütern,in Ihren Seelen, als der Geist der Waldorfschule entwickelt. Es ist wirklich im ersten Jahre dieser Geist in Ihren Seelen schon lebendig. Und es soll unser Bemühen sein — das wollte ich mit diesen Worten zu Ihnen sprechen —, gerade diesen Geist in der Folgezeit weiter zu pflegen.
Aus diesem Geiste heraus wollen wir auch versuchen, alle Einzelmaßnahmen vorzunehmen. Es hat mir leid getan, daß ich erst am 24. kommen konnte, denn bei der Ausgestaltung der Zeugnisse wäre ich gerne dabei gewesen. Das was ich sage, praktisch-pädagogische Psychologie zu treiben, das muß ausgebaut werden. Ich sehe, wie sehr Sie sich haben angelegen sein lassen, diese Psychologie sich zur Kraft werden zu lassen. Wir wollen weiter streben, denn wenn wir uns entschlossen haben, Waldorflehrer zu sein aus einem welthistorischen Impuls heraus: wir wollen es im ernstesten Sinne bleiben,
wiederum aus einem großen welthistorischen Impuls heraus.

Zulke dingen worden praktisch als we zeggen: dit kind is later uit de geestelijke wereld neergedaald dan ikzelf. Ik kan uit wat het mij tegemoet leeft raden wat er in de geestelijke wereld is gebeurd nadat ik zelf de geestelijke wereld heb verlaten.
Dat we dat als een levend gevoel in ons dragen, dat is een echte lerarenmeditatie, van een enorm grote en sterke betekenis. En door een dergelijke bepaalde beleving van het antroposofische wezen worden we in werkelijkheid datgene wat leraren zijn, die vanuit de antroposofische geest werken. Het beste wat hier in de antroposofie wordt ontwikkeld, is niet datgene wat de wereld-rondhangers bij ons willen ontfutselen, het beste is datgene wat zich in uw gemoed, in uw ziel ontwikkelt als de geest van de Waldorfschool. Deze geest leeft werkelijk al in het eerste jaar in uw ziel. En het moet ons streven zijn – dat wilde ik u met deze woorden zeggen – om juist deze geest in de komende tijd verder te koesteren.
Vanuit deze geest willen we ook proberen alle afzonderlijke maatregelen te nemen. <6> Ik vond het jammer dat ik pas op de 24e kon komen, want ik had graag bij de opstelling van de getuigschriften aanwezig willen zijn.
<7> Wat ik bedoel met praktisch-pedagogische psychologie, moet verder worden uitgewerkt. Ik zie hoe zeer u zich heeft ingezet om deze psychologie tot kracht te laten komen. We willen verder streven, want als we hebben besloten om Waldorfleerkracht te worden vanuit een wereldhistorische impuls, dan willen we dat ook in de meest serieuze zin blijven, opnieuw vanuit een grote wereldhistorische impuls. <7>

(Dr. Steiner, der bis dahin stehend gesprochen hatte, setzt sich nieder.)

(Dr. Steiner, die tot dan toe staand had gesproken, gaat zitten.)

Dr. Steiner: Wir wollen jetzt weitergehen in unseren Verhandlungen. Namentlich werden wir einiges zu besprechen haben, was sich uns in der letzten Zeit ergeben hat, und dann werden wir zu sorgen haben
für die Art und Weise, wie unser Unterricht und die Führung weitergehen sollen.

<8> Laten we nu verdergaan met onze besprekingen.
We zullen met name een aantal zaken bespreken die zich de laatste tijd hebben voorgedaan, en daarna zullen we ons moeten buigen over de manier waarop ons onderwijs en ons leiderschap verder moeten worden vormgegeven.

X. berichtet über die Zeugniskonferenzen. Es sei bei einzelnen Kindern die Frage entstanden, ob sie nach Alter und Kenntnissen auch wohl in der richtigen Klasse wären.

X. brengt verslag uit over de getuigschriftvergaderingen. Bij sommige kinderen is de
vraag gerezen of zij, gezien hun leeftijd en kennis, wel in de juiste klas zitten.

Dr. Steiner: Eine sehr wichtige Frage, und es wird ja natürlich berücksichtigt werden müssen, daß die Lösung der Frage praktisch nicht ganz leicht sein wird. Aber wenn Sie jetzt, namentlich beim
Durchsprechen der Dinge, die zum Verfassen der Zeugnisse geführt

Een zeer belangrijke vraag, en er zal natuurlijk rekening mee moeten worden gehouden dat het antwoord op deze vraag in de praktijk niet zo eenvoudig zal zijn. Maar als u nu, met name bij het bespreken van de zaken die hebben geleid tot het opstellen van de getuigschriften

Blz. 169

haben, nach dieser Richtung bestimmte Eindrücke bekommen haben, so wird es notwendig sein, diese vielleicht im einzelnen zu besprechen. Die ganze Frage nimmt sich anders aus, wenn es sich nur um einzelne Fälle handelt, oder wenn in einem erheblichen Maße Schüler nicht in der richtigen Klasse gesessen haben. Wir müssen eine Vorstellung bekommen darüber, wie groß die Anzahl der Schüler sein könnte, die wir das nächste Mal nicht in eine nächsthöhere Klasse setzen, sondern in eine niederere Klasse zu setzen haben; wir müssen das im einzelnen durchgehen, namentlich die Zahl. Natürlich, eine neue Verteilung der Schüler im größeren Maße wirkt zurück auf unsere unzulänglichen Maßnahmen bei diesem Schulanfang, bei dem wir uns haben leiten lassen, einfach die Kinder hereinzunehmen nach Maßgabe der Klassen, in denen sie draußen waren. Wir werden vielleicht nicht davor zurückschrecken dürfen, uns in dieser Beziehung zu desavouieren. Das müssen wir im einzelnen durchprüfen. Ich würde die Lehrer, die solche Kinder in den Klassen haben, von denen sie glauben, daß sie nicht richtig in der.Klasse waren, bitten, sich auszusprechen. Kann man etwas über solche sagen?

indrukken in die richting hebt gekregen, dan zal het nodig zijn om deze misschien in detail te bespreken.
De hele kwestie ziet er anders uit als het alleen om individuele gevallen gaat, of als een aanzienlijk aantal leerlingen niet in de juiste klas heeft gezeten. We moeten een idee krijgen van het aantal leerlingen dat we de volgende keer niet in een hogere klas, maar in een lagere klas moeten plaatsen; we moeten dat in detail doornemen, met name het aantal. Natuurlijk heeft een nieuwe verdeling van de leerlingen in grotere mate een terugwerkende kracht op onze ontoereikende maatregelen bij deze schoolstart, waarbij we ons hebben laten leiden door de kinderen gewoon op te nemen op basis van de klassen waarin ze op een andere school zaten. We zullen misschien niet mogen terugdeinzen om er in deze relatie afstand van te nemen. We moeten dat in detail onderzoeken. Ik zou de leraren die zulke kinderen in de klassen hebben waarvan zij denken dat ze niet in de juiste klas zaten, willen vragen zich uit te spreken. Kan men iets over zulke kinderen zeggen?

X. erwähnt den G. T. in der 4. Klasse, der zu alt ist.

X. noemt G. T. in de 4e klas, die te oud is.

Dr. Steiner: Bei G. T. würde es sich darum handeln, ob wir ihn in eine andere Klasse setzen. Es fragt sich, ob wir das nächstes Jahr noch nachholen können. Er ist beinahe zwölf Jahre alt. Ich glaube doch, daß wir es versuchen sollten. Die Sache mit dem Französischen und Englischen, die kann nebenbei geregelt werden. Er lernt sehr gut. Das Zeugnis ist so, daß er mit Unrecht in der 4. sitzt. Man ist verpflichtet, diesen Unterschied wieder gut zu machen.
(Zu Fräulein Dr. v. Heydebrand:) Haben Sie mit dem F. R. schon
irgendwelche Erfahrungen gemacht?

Bij G. T. zou het erom gaan of we hem in een andere klas plaatsen. De vraag is of we dat volgend jaar nog kunnen inhalen. Hij is bijna twaalf jaar oud. Ik denk
toch dat we het moeten proberen. De kwestie met het Frans en Engels kan terloops worden geregeld. Hij leert heel goed. Het rapport laat zien dat hij ten onrechte in de 4e zit. Men is verplicht om dit verschil weer goed te maken.
(Tegen juffrouw Dr. v. Heydebrand:) Heeft u al ervaring met F. R.?

X.: Sein Betragen ist ausgezeichnet. Er hat nicht die Kenntnisse der Kinder meiner Klasse.

X.: Zijn gedrag is uitstekend. Hij heeft niet de kennis van de kinderen in mijn klas.

Dr. Steiner: Aber die Reife hat er. Mitkommen wird er sicher. Dann ist dies kein Fehlschluß gewesen.
Im Zusammenhang damit können wir auf die Frage eingehen, von  der ich gehört habe, daß sie Ihnen sehr viel Kopfzerbrechen machte.
Nicht wahr, ich kann mir denken, wie ungeheuer schwierig es werden soll, aber es muß sachlich erwogen werden, ob wir nicht eben eine Klasse zusammenstellen als 6., die psychologisch alle die Eigentümlichkeiten hätte, die die jetzige 5. hat; ob wir nicht doch eine Nebenklasse einrichten. Es ist nicht notwendig, daß wir sie in der

Maar hij heeft de rijpheid. Hij zal zeker meekomen. Dan is dit geen verkeerde beslissing geweest.
In verband hiermee kunnen we ingaan op de vraag waarvan ik heb gehoord dat u zich daar veel zorgen over maakte.
Ik kan me voorstellen hoe ontzettend moeilijk het zal worden, maar we moeten objectief overwegen of we niet gewoon een klas samenstellen als 6e klas, die psychologisch gezien alle eigenaardigheden heeft die de huidige 5e klas heeft; of we toch niet een nevenklas moeten instellen. Het is niet nodig dat we ze 

Blz. 170

Mitte auseinander schneiden, es kann so sein, daß Sie als bisherige Klassenlehrerin absolut das freie Vorschlagsrecht hätten. Es sind einundfünfzig Kinder; also ich meine, es würde so sein müssen, daß Sie das Vorschlagsrecht hätten, daß Sie eventuell Ihre 6. Klasse aus dreißig zusammenstellen und zwanzig abspalten würden. Und da würde ich absolut das Vorschlagsrecht für jeden einzelnen nehmen. Wählen Sie fünfzehn Buben und fünfzehn Mädchen aus.

zonder meer halveren, het kan zijn dat u als huidige klaslerares absoluut het vrije recht van keuze zou hebben. Het zijn eenenvijftig kinderen; dus ik bedoel, het zou zo moeten zijn dat u het recht van keuze zou hebben, dat u eventueel uw 6e klas uit dertig zou samenstellen en twintig zou afsplitsen. En dan zou ik absoluut het recht nemen bij de keuze voor elk individu een voorstel te doen.
Kies vijftien jongens en vijftien meisjes uit.

X.; Ich hatte eine Liste, sechsundzwanzig für mich.

X.; Ik voor mij had een lijst, zesentwintig.

Dr. Steiner: Wie Sie es wollen. Dieser Vorschlag steht ganz bei Ihnen.
Aber es scheint doch, daß dies gemacht werden müßte, denn die Klasse war etwas zu groß.
Was haben Sie gegen die Teilung der Klasse? Sie haben sie alle so gern, daß Sie keinen weggeben wollen. Es ist doch besser. Sie werden mit dem Pensum der 6. Klasse leichter zurechtkommen, wenn Sie nicht mehr als dreißig haben. Wenn Sie also selbst die zurückbehalten, die Sie für richtig halten, und eine Klasse von zwanzig abspalten, werden Sie auch einverstanden sein können. Das ist richtig. Dann wird ja auch das leichter sich machen lassen mit solchen Leuten wie G. T. Ist noch jemand, der in Betracht käme?

Zoals u wilt. Dit voorstel is geheel aan u.
Maar het lijkt erop dat dit moet gebeuren, want de klas was iets te groot.
Wat heeft u tegen het splitsen van de klas? U vindt ze allemaal zo aardig dat u niemand wil laten gaan. Toch is het beter. U zult gemakkelijker met de lesstof van de 6e klas kunnen omgaan als u niet meer dan dertig leerlingen heeft. Als u dus zelf degenen behoudt die u geschikt acht, en een klas van twintig afsplitst, zult u het daar ook mee eens kunnen zijn. Dat klopt. Dan wordt het ook makkelijker met mensen als G. T. Is er nog iemand anders die in aanmerking komt?

X.: Ich hätte den A. S. K. in der 6. Klasse. Er ist Epileptiker und mußte monatelang wegbleiben.

X.: Ik zou A. S. K. in de zesde klas hebben. Hij is epileptisch en moest maandenlang wegblijven.

Dr. Steiner: Der müßte wieder in der 6. bleiben. Den würde man in die neue 6. setzen. Wir wollen im allgemeinen mit dem Sitzenbleiben vorsichtig sein. Bei ihm müßte mit den Eltern gesprochen werden.

Hij zou weer in de zesde klas moeten blijven. Hij moet in de nieuwe zesde klas worden geplaatst. Over het algemeen willen we voorzichtig zijn met doubleren.
In zijn geval zou er met de ouders moeten worden gesproken.

X.: Heikel ist es. Die Eltern werden es nicht verstehen. Sie sind nicht sehr
günstig eingestellt; es gibt mit dem Buben immer Schwierigkeiten.

X.: Dat is een delicate kwestie. De ouders zullen het niet begrijpen. Ze staan er niet erg positief tegenover; er zijn altijd problemen met die jongen.

Dr. Steiner: Das darf kein Grund sein. Nun gewiß nicht! Der Vater ist ja ein vernünftiger Mensch; er ist kein wahrer Mensch, vernünftig ist er doch. Man wird am besten mit ihm reden, nicht mit seiner Frau.
Der Bub, der erweist sich als verwahrlost. Nicht wahr, es würde ja an sich nichts machen, wenn er in der 6. Klasse bleibt; es ist nur die Frage, ob er nicht hinausgenommen wird, und ob wir es dazu kommen lassen sollen. Es liegt auch der Grund vor: bei dem Buben ist es so, wenn er wirklich herauskommt, dann ist es Schluß. Wenn er hier bleibt, wird er nicht weiter herunterkommen. Nach dem Zeugnis ist es nicht gut anders möglich, als daß man ihn in der 6. zurückläßt. Zunächst würde ich vorschlagen, man redet einmal mit dem Vater. Es braucht erst zu geschehen, wenn das neue Schuljahr beginnt. Es hat Vorteile, wenn der Junge die 6. noch einmal

Dat mag geen reden zijn. Zeker niet! De vader is een redelijk mens; hij is geen reëel mens, maar hij is wel redelijk. Je kunt het beste met hem praten, niet met zijn vrouw.
De jongen blijkt verwaarloosd te zijn. Het zou op zich niets uitmaken als hij in de zesde klas blijft; het is alleen de vraag of hij niet van school wordt gestuurd en of we dat moeten laten gebeuren. Er is ook een reden: bij deze jongen is het zo dat als hij echt van school wordt gestuurd, het voorbij is. Als hij hier blijft, zal hij niet verder achteruitgaan.
Na het rapport is er geen andere mogelijkheid dan hem in de zesde klas te laten zitten. Ik zou voorstellen om eerst eens met de vader te praten.
Dat hoeft pas te gebeuren als het nieuwe schooljaar begint. Het heeft voordelen als de jongen de zesde klas nog een keer doet.

Blz. 171

macht. Ich würde dem Vater das einfach objektiv auseinanderlegen; so wie Sie ihn beurteilen müßten, muß man sagen, wenn er manches von dem, was er lückenhaft gehört hat, noch einmal hören würde, wäre es gut. Wenn Sie dann bemerken, daß der Vater ihn herausnehmen würde, so nehmen wir ihn herauf in die 7. Klasse. Aber es ist eine schwierige Sache. Es sind nur diese paar Fälle?

Ja. Ik zou het gewoon objectief aan de vader uitleggen; aangezien je hem moet beoordelen, moet je zeggen dat het goed zou zijn als hij sommige dingen die hij nu maar gedeeltelijk heeft gehoord, nog eens zou horen. Als je dan merkt dat de vader hem van school wil halen, zullen we hem tot en met de zevende klas laten meedoen. Maar het is een lastige kwestie. Gaat het hier alleen om deze paar gevallen?

X. fragt wegen des F. M. in der 4. Klasse.

X. vraagt ​​naar F.M. in de vierde klas.

Dr. Steiner: Da liegt kein richtiger Grund vor, den müßten wir schon
mitnehmen. Das ist ein schwer zu behandelnder, schwacher Schüler.
Den müssen wir vorläufig mitnehmen. Man kann etwas tun, daß er das eine oder das andere lernt, daß er nachkommt. Da würde man sich zu stark desavouieren.

Er is geen echte reden waarom we hem mee zouden moeten nemen. Hij is een lastige, zwakke leerling. We moeten hem voorlopig wel meenemen. Er kan iets gedaan worden zodat hij dit of dat leert, zodat hij zijn achterstand inhaalt. Je zou te veel afstand kunnen nemen.

X. fragt wegen K. A. in der 5. Klasse und schlägt vor, daß er ein Vierteljahr in
die Hilfsklasse kommt.

X. vraagt ​​naar K.A. in de vijfde klas en stelt voor dat hij een kwart jaar naar de ondersteuningsklas gaat.

Dr. Steiner (zu Dr. Schubert): Vielleicht können Sie sich für ein Vierteljahr die Aufgabe setzen, ihn nachzubringen. Offenbar liegt eine gewisse Gehirnweiche in der Familie. Da würde ich doch raten,
ihn mitzunehmen.
Die H. bleibt weiter bei Ihnen in der Hilfsklasse, und man kann es dann entscheiden, wenn Sie finden, daß sie soweit nachgeholt hat, daß sie in eine Klasse kommen kann. Die Hilfsklasse bleibt wie bisher
zusammen.

Dr. Steiner (tegen Dr. Schubert): Misschien kunt u zich voornemen hem een ​​kwart jaar mee te nemen. Blijkbaar is er een bepaalde hersenzwakte in de familie. Ik zou u aanraden hem mee te nemen.
H. blijft in jullie hulpklas en er kan dan een besluit worden genomen wanneer jullie vinden dat ze voldoende heeft ingehaald om deel te kunnen nemen aan een reguliere klas. De ondersteuningsklas blijft zoals voorheen bij elkaar.

Ich dachte, die M. G. wird in der nächsten 2. Klasse nicht mitkommen können. Sie wird ziemlich lange in der Hilfsklasse bleiben müssen, das ist so ein Kind, bei dem doch eines schönen Tages der Knopf aufspringen könnte. Es könnte sein, daß der Knopf kommt.
Wir behalten sie doch in der Hilfsklasse und entscheiden später. Wenn Sie sie in der untersten Klasse mitmachen lassen wollen, das schadet nichts, wenn sie da mitmacht. Da kann sie auch sein. Lassen Sie sie da in der untersten Klasse mitmachen. Im allgemeinen ist es ja nicht so, daß wir eine Revision vornehmen müssen. Die Fälle, die wir vorgehabt haben, lassen sich ohne weiteres lösen. Eine richtige Revision brauchen wir nicht vorzunehmen.
Beim Fremdsprachenunterricht ist es so, daß man leichter zurechtkommt, weil es immerhin da nicht so streng klassenweise eingeteilt ist. Wir sollten nicht so streng klassenweise gehen im Sprachunterricht. Es hat sich so herausgebildet, aber im ganzen braucht der Sprachunterricht nicht klassenmäßig eingerichtet zu werden.

Ik dacht dat M.G. het in de volgende tweede klas niet zou redden. Ze zal nog een tijdje in de ondersteuningsklas moeten blijven; ze is het type kind dat misschien ooit een doorbraak zal hebben. Het is mogelijk dat die doorbraak er komt. We laten haar in de hulpklas en beslissen later. Als je wilt dat ze meedoet in de laagste klas, kan dat geen kwaad. Ze kan daar ook bij zijn. Laat haar meedoen in de laagste klas. Over het algemeen hoeven we niets te herzien. De gevallen die we in gedachten hadden, kunnen gemakkelijk worden opgelost. We hoeven geen echte herziening door te voeren.
Met vreemdetalenonderwijs is het makkelijker te organiseren omdat het niet zo strikt in klassen is ingedeeld. We zouden niet zo strikt moeten zijn met de klassenindeling in taalonderwijs. Het is nu eenmaal zo ontwikkeld, maar over het algemeen hoeft taalonderwijs niet per klas te worden georganiseerd. <8>

Blz. 172

Beim Sprachunterricht, da ist dieser tatsächlich grandiose Unterschied zwischen Chorsprechen und Einzelsprechen. Die Kinder reden im Chor alle glattweg mit und können es einzeln nicht. Es würde sich darum handeln, daß man es ausnützt. Das werden wir bei den pädagogisch-methodischen Fragen im nächsten Jahre behandeln, daß man versucht, bei den Kindern, nachdem sie es im Chor gesprochen haben, rasch es einzeln zu machen. Man soll es machen als Grundlage des Lernens. Das ist zweifellos so.

<9> In het taalonderwijs is er een opmerkelijk verschil tussen spreken in koor en individueel spreken. De kinderen spreken allemaal vloeiend in koor, maar kunnen dat niet individueel. Het is belangrijk om hier optimaal gebruik van te maken. We zullen dit volgend jaar bespreken in de pedagogisch-methodologische vragen, namelijk hoe we de kinderen snel individueel kunnen laten spreken nadat ze in koor hebben gesproken. Dit zou de basis van het leerproces moeten vormen. Dat is ongetwijfeld het geval. <9>

X.: Der Stundenplan ist schwer durchführbar, wenn Kinder aus einer Klasse
mit anderen Klassen Sprachunterricht haben sollen.

X.: Het rooster is moeilijk te implementeren als kinderen uit de ene klas taalonderwijs moeten volgen met kinderen uit andere klassen.

Dr. Steiner: Beim Sprachunterricht wäre es wirklich ganz gut — aber das ist nicht durchführbar —, wenn man systematisch zwei Altersklassen beieinander haben könnte, daß das eine Kind vom anderen lernte. In der Sprache ist es gut, wenn die Jüngeren von Älteren lernen. Das ist ein Surrogat, wenn Schwächere und Bessere da sind.
Es ist in der Zeit nicht durchführbar, aber wenn wir können, sollten wir in der Sprache Schwächere und Bessere durcheinander haben.

<10> In het taalonderwijs zou het heel goed zijn – maar het is niet haalbaar – als je systematisch twee leeftijdsgroepen bij elkaar zou kunnen zetten, zodat het ene kind van het andere kan leren. In het taalonderwijs is het goed als de jongere kinderen van de oudere kinderen leren. Dat is een alternatief voor het hebben van zwakkere en sterkere leerlingen.
Het is niet haalbaar binnen de huidige tijd, maar als het mogelijk is, zouden we de zwakkere en sterkere leerlingen in het taalonderwijs moeten mengen.

X.: Was ist im Sprachunterricht zu machen mit den neu dazu kommenden
Kindern? Soll man denen Nachhilfestunden geben?

X: Wat moet er gebeuren in de taallessen met de nieuw erbij gekomen kinderen? Moeten ze bijles krijgen?

Dr. Steiner: Da müßte man den Eltern sogleich sagen, daß es an einer Nachmittagsstunde gemacht werden müßte. Das läßt sich nicht anders machen, als daß wir einfach die etwas nachpumpen. Kommen tatsächlich so viele Neue nach?

We zouden de ouders meteen moeten laten weten dat het ’s middags moet gebeuren. Er is geen andere manier dan de leerlingen wat meer bij te spijkeren. Komen er echt zoveel nieuwe leerlingen?

X : Ich habe seit Weihnachten vierzehn neue Schüler gehabt.

X: Ik heb sinds Kerstmis veertien nieuwe leerlingen gekregen.

Dr. Steiner: Ein Prinzip wollen wir in dieser Frage doch nicht aufstellen, sondern immerhin jeden einzelnen Fall prüfen. Im großen und ganzen, wenn nicht besondere Gründe vorliegen, rät man den Leuten, sie sollen bis zum Ende des Jahres in ihrer Schule bleiben.
Aber wir wollen nicht uns ganz abweisend verhalten.
Der Separatkurs in den Sprachen muß für solche Kinder eingerichtet werden. Das ist unbedingt nötig. Sonst könnten wir nicht Schüler in die höheren Klassen aufnehmen. Wenn es geht! Man muß das machen, was notwendig ist. Im großen und ganzen kann man sagen, in den Sprachen lassen sich vielleicht durcheinander haben Alte und Junge, weil die Jüngeren von den Älteren lernen, und die Älteren dadurch vorwärtskommen, daß sie die Jüngeren mitnehmen müssen. Da kann man Altersklassen durcheinander haben.

We willen hier geen algemeen principe voor vaststellen, maar elk geval afzonderlijk bekijken. Over het algemeen adviseren we leerlingen, tenzij er bijzondere redenen zijn, om tot het einde van het schooljaar op hun huidige school te blijven. Maar we willen ze niet zomaar afwijzen. Er moet een aparte taalcursus voor deze kinderen worden opgezet. Dat is absoluut noodzakelijk. Anders zouden we geen leerlingen in de hogere klassen kunnen toelaten. Als het mogelijk is! Je moet doen wat nodig is. Over het algemeen kun je misschien oudere en jongere leerlingen in taallessen mengen, omdat de jongeren van de ouderen leren en de ouderen vooruitgang boeken doordat ze de jongeren moeten begeleiden. Daar kun je gemengde leeftijdsgroepen hebben.

X. fragt wegen Vermehrung der Sprachstunden.

X vraagt ​​of het aantal taallessen verhoogd kan worden.

Blz.173

Dr. Steiner: Sie haben die Sehnsucht, mehr Stunden zu haben. Aber auf der anderen Seite ist es wirklich so, daß wir eigentlich die Kinder genügend viel in der Schule haben. Wir können nicht gut die Stundenzahl vermehren. Ich glaube nicht, daß wir da etwas machen dürfen. Wir könnten ja in den höheren Klassen später einmal daran denken. In der 9., 10. Klasse, da können wir vielleicht etwas mehr Sprachunterricht einführen. Viel mehr dürfen wir nicht vom Klassenunterricht wegnehmen; keine halbe Stunde kann entbehrt werden.
Wir können nicht gut die Kinder noch einmal mehr in der Schule drin haben, sie sind eigentlich doch nachmittags meist da.

U zou meer uren willen hebben. Maar aan de andere kant is het echt waar dat we de kinderen al lang genoeg op school hebben. We kunnen het aantal uren niet zomaar verhogen. Ik denk niet dat we daar iets aan mogen doen. We zouden het later in de hogere klassen kunnen overwegen. In de negende en tiende klas zouden we misschien wat meer taalonderwijs kunnen aanbieden. We kunnen niet veel meer van de reguliere lessen afhalen; zelfs geen half uur is mogelijk.
We kunnen de kinderen ook niet nog meer op school laten zitten; ze zijn er meestal toch al ’s middags. <10>

X.; Wie hoch ist das Maximum der Stunden, die wir in den Volksschuljahren
den Kindern in der Woche geben können? Wir geben in der 1. Klasse sechsundzwanzig, weiter herauf sehr viel mehr durch fakultative Stunden in Latein.

<11> X.: Wat is het maximale aantal uren dat we de kinderen per week op de basisschool kunnen geven? We geven 26 uur in de eerste klas, en later nog veel meer via keuzevakken Latijn.

Dr. Steiner: Wir können die Stundenzahl nicht vermehren.
Wie kommt es, daß in den Zeugnissen Eurythmie nicht als besonderer Gegenstand auftritt, sondern mit Musik zusammen? Das ist etwas, was ich als Mangel empfinde.

We kunnen het aantal uren niet verhogen.

Hoe komt het dat euritmie niet als apart vak in het getuigschrift staat, maar samen met muziek? Dat zie ik als een tekortkoming.

X..’ Weil ich alle Kinder zu unterrichten hatte, kannte ich die einzelnen zuwenig. — Auch in der Musik möchte ich vorschlagen, daß wir eine Stunde
mehr anfügen.

X.: ‘Omdat ik alle kinderen les moest geven, kende ik ze niet allemaal even goed. — Ik wil ook voorstellen om een ​​extra uur aan de muzieklessen toe te voegen.’

Dr. Steiner: Beim Musikunterricht ist es möglich, daß wir etwas tun. Es sind wenige Stunden, das ist richtig. Wollen Sie nicht ganz bestimmte Vorschläge machen, wieviel Stunden Sie in den einzelnen Klassen haben möchten?

Met muzieklessen kunnen we wel iets doen. Het zijn maar een paar uur, dat klopt. Zou u misschien wat concrete suggesties willen doen over het aantal uren per les?

X.: Wir können es verschieden machen. Wir können es so einrichten, daß wir
getrennt Chorgesang und Gehörsübungen haben, oder daß wir Chorunterricht
zu bestimmten Zeiten, zu den Festzeiten geben; das würde ich vorziehen. —
Ich nehme an, daß ich die Klassen so bekomme, wie sie jetzt sind. Bei zu
großen Klassen kann ich die Kinder nicht genügend kennenlernen.

X.: We kunnen het op verschillende manieren aanpakken. We kunnen bijvoorbeeld aparte lessen koorzang en gehoortraining geven, of koorlessen op specifieke momenten, bijvoorbeeld tijdens feesten; dat zou mijn voorkeur hebben. —
Ik ga ervan uit dat de lessen zo blijven zoals ze nu zijn. Met te grote klassen kan ik de kinderen niet goed genoeg leren kennen.

Dr. Steiner: Wieviel würden Sie brauchen in der Musik für die
1. Klasse? Wir haben da 26 ½ Stunden.

Hoeveel muziekles zou u nodig hebben voor klas 1? We hebben daar 26,5 uur.

X.: Eine Stunde.

X.: Een uur.

Dr. Steiner: Dann würde sich das erreichen lassen, daß Sie die einzelnen Kinder auch kennenlernen. Über den Stundenplan als solchen
würde manches noch zu gestalten sein. Diese eine Stunde kann ja
wohl sein. Auch in der 2. Klasse eine Stunde, und in der 3. Klasse. —
Es fragt sich nur für die oberen Klassen, ob wir nicht ständig den
Chorunterricht beibehalten. Das kann gemacht werden von Fall zu

Dan kunt u elk kind individueel leren kennen. Er is nog ruimte voor aanpassingen aan het lesrooster. Dat ene uur is zeker haalbaar. Ook een uur in klas 2 en een uur in klas 3. —
De enige vraag voor de hogere klassen is of we de koorlessen niet permanent moeten behouden. Dit kan per geval bekeken worden.

Blz.174

Fall. Ich glaube, die Zeit, die Sie haben für den Musikunterricht, die können Sie einteilen für Einzelunterricht oder Chorunterricht.
Es kommt auch der Anstandsunterricht dazu. Der belastet ja nicht.
Den können wir ruhig ansetzen. Ich meine, der kann zu den anderen Stunden dazukommen. Der darf nichts wegnehmen vom Musikalischen. Das was Sie wünschen, wenn Sie die neue Lehrkraft bekommen, daß Sie die einzelnen Schüler klassenweise haben und nicht zusammengelegt, das muß gemacht werden. Außerdem liegt das vor, daß wir, sobald wir eine Möglichkeit haben,
auch etwas Turnen anfügen. Turnen können wir ohne weiteres dazubringen, so daß wir sagen können: ,,Turnen und Eurythmie.”
Das wäre schon ganz gut. Es braucht nur so mit zu unterlaufen, daß wir das physiologische Turnen neben der psychologischen Eurythmie auch pflegen. Sobald gefragt wird, wird man sagen, wir haben es nicht ausgeschaltet, es wird einbezogen. Die Eurythmie, die könnte nicht vermindert werden, da müßte eine besondere Stunde dazukommen. Es genügt wahrscheinlich, wenn wir eine halbe Stunde Turnen in der Woche anfügen an die Eurythmie, oder wenn wir die
Übungen daruntermischen. Gerade das müßte darin sein, Geräteübungen.

Ik denk dat je de tijd die je voor muzieklessen hebt, kunt besteden aan individuele lessen of koorrepetities.
We hebben ook de etiquettecursus nog. Dat is geen extra belasting. Die kunnen we zeker inplannen. Ik bedoel, die kan gewoon aan de andere lessen worden toegevoegd. Het mag niets ten koste gaan van het muziekonderwijs. Wat je wilt, is dat de leerlingen individuele lessen krijgen en niet in groepen, en dat moet geregeld worden.
Verder is afgesproken dat we, zodra de gelegenheid zich voordoet, ook lichamelijke opvoeding zullen toevoegen. We kunnen gemakkelijk gymnastiek integreren, zodat we kunnen zeggen: “Gymnastiek en euritmie.”
Dat zou prima zijn. Het moet alleen subtiel gebeuren, zodat we naast psychologische euritmie ook lichamelijke gymnastiek beoefenen. Zodra iemand ernaar vraagt, zullen ze zeggen dat we het niet hebben afgeschaft; het is onderdeel van het programma. Euritmie kan niet worden ingekort; daarvoor moet een apart uur worden toegevoegd. Het is waarschijnlijk voldoende als we elke week een half uur gymnastiek aan de euritmie toevoegen, of als we de oefeningen afwisselen. Dat is precies wat het zou moeten omvatten: oefeningen met de apparaten.

Eine Schwierigkeit ist da bei dem Turnen. Da können wir die Mädchen und Buben nicht zusammennehmen. Die Teilung ist eine Raumschwierigkeit. Man kann nicht Mädchen und Buben miteinander nehmen; beim Geräteturnen ist es nicht möglich. Ja, bei Freiübungen könnte man sie ohne weiteres zusammennehmen. Wenn die Kinder Turnanzüge haben, dann ginge es; es ist doch nur ein Vorurteil.

Er is een probleem met gymnastiek. We kunnen de meisjes en jongens niet bij elkaar zetten. De scheiding is een kwestie van ruimte. Je kunt meisjes en jongens niet samen laten oefenen; dat is niet mogelijk bij toestelgymnastiek. Ja, je zou ze makkelijk samen kunnen zetten voor vrije oefeningen. Als de kinderen turnpakjes droegen, dan zou het wel werken; het is gewoon een vooroordeel.

Es wird ein Einwand gemacht.

Er wordt bezwaar gemaakt.

Dr. Steiner: Warum meinen Sie? Es ist so, daß die Mädchen vieles nicht machen, was die Buben machen können. Da würde man Riegen zusammenstellen und würde sie abwechselnd behandeln. Der eine ist mit den Mädchen am Reck, der andere macht mit den Knaben Stabübungen. Die Mädchen müßten Turnhosen haben; dezente Hosen müßten fabriziert werden drunten in der Fabrik.
Ja, es ist nur dann die Frage, wer den Turnunterricht gibt, daß Sie nicht überlastet werden. Nun liegt die ganze Schule, was Gesang und Eurythmie und Musik betrifft, an Ihnen; im Ganzen liegt viel an Ihnen.

Waarom vraagt ​​u dat? Het klopt dat de meisjes veel dingen niet kunnen die de jongens wel kunnen. Je zou de groepen kunnen samenstellen en ze om de beurt laten werken. De ene docent is met de meisjes aan de rekstok, de andere doet de staafoefeningen met de jongens. De meisjes zouden turnbroeken moeten dragen; onopvallende broeken zouden in de fabriek gemaakt moeten worden.
Ja, de enige vraag is wie de gymnastieklessen geeft, zodat u niet overbelast raakt. Wat betreft de zang, euritmie en muziek op de hele school, dat is uw verantwoordelijkheid; uiteindelijk hangt er veel van u af.

X., der bisher auch etwas Turnen gegeben hatte: Wenn wir elf Klassen haben,
dann ist sehr stark die Frage, ob das möglich ist. Könnten nicht auch die Klassenlehrer Turnunterricht geben? Nicht immer, aber hier und da?

X., die ook gymnastiekles had gegeven: Als we elf klassen hebben, dan is de vraag of dat wel mogelijk is. Zouden de klassenleerkrachten niet ook gymnastiekles kunnen geven? Niet de hele tijd, maar af en toe?

Blz. 175

Dr. Steiner: Die Klassenlehrer sind angestrengt. — Turnstunden brauchen in den drei untersten Klassen nicht gegeben zu werden. Die 1. und 2. Klasse könnten wir mit der Eurythmie schon befriedigen.
Aber nachher müßten wir, um es nicht nicht zu haben, schon das Turnen haben. Es ist auch ganz gut, wenn es gemacht würde. Es wäre ganz schön, wenn es möglichst sich anschließen würde an die Eurythmie, daß die Kinder zuerst Eurythmie treiben und dann etwas turnen würden.
Das Turnen würde für Sie etwas viel werden. Daran hatte ich nicht gedacht. Es müßte die Möglichkeit gegeben werden, daß jemand anderer den Turnunterricht gibt, insbesondere da zwei da sein müssen. Die Eurythmielehrerin müßte dabei sein, das ist nicht schwer.
Nun ja, das muß ins Auge gefaßt werden. Wir können entweder das Turnen weiter weglassen, oder wir müßten die Möglichkeit haben, eventuell noch eine Turnkraft zu haben. Das würde genügen, die eine Stunde für Eurythmie, und dann im Anschluß daran eine halbe Stunde das Turnen. Aber dann kriegen wir zuviel Stunden.
(Zu Frau Baumann): Jetzt hatten wir zwei Stunden Eurythmie. So wie Sie es jetzt gehabt haben in der letzten Zeit, hatten Sie nicht zuviel?

De leerkrachten hebben het erg druk. — Gymlessen hoeven niet gegeven te worden in de drie laagste klassen. We zouden  de eerste en tweede klas tevreden kunnen stellen met euritmie.
Maar om het daarna helemaal te vermijden, zouden we gymlessen moeten aanbieden. Het zou ook heel goed zijn als dat gedaan werd. Het zou mooi zijn als het na de euritmie kwam, zodat de kinderen eerst euritmie en daarna gymlessen zouden krijgen. De gymlessen zouden misschien wat te veel voor ze zijn. Daar had ik nog niet aan gedacht. Er zou een mogelijkheid moeten komen om iemand anders de gymlessen te laten geven, vooral omdat er twee docenten nodig zijn. De euritmiedocent zou er wel bij moeten zijn; dat is niet moeilijk. Nou, dat moet overwogen worden. We kunnen ofwel doorgaan met het weglaten van gymlessen, of we moeten de mogelijkheid hebben om eventueel een andere gymdocent aan te stellen. Dat zou voldoende zijn: een uur euritmie en daarna een half uur gymnastiek. Maar dan zouden we te veel uren hebben.

(Tegen mevrouw Baumann): We hebben net twee uur euritmie gehad. Zoals u het de laatste tijd doet, heeft u er niet te veel van?

X.: Ich hatte oft einundfünfzig auf einmal. In der 3. Klasse hatte ich achtundvierzig. Ich habe es so gemacht, daß ich die eine Hälfte zusehen ließ,
während die anderen Eurythmie machten.

X.: Ik had er vaak eenenvijftig tegelijk. In de derde klas had ik er achtenveertig. Ik regelde het zo dat de helft toekeek terwijl de andere helft euritmie deed.

Dr. Steiner ist damit einverstanden.

Dr. Steiner is het daarmee eens.

X. möchte die Klassen teilen.

X. wil de klassen opsplitsen.

Dr. Steiner: Das werden wir machen müssen, wenn wir das für die
anderen Klassen erst sehen. Das muß man am Beginn des nächsten
Schuljahres festlegen. Die Größe der Klasse ist nicht festliegend, es
kommt ein Zuwachs hinzu. Wie viele Schüler meinten Sie, werden
wir in der nächsten 1. Klasse haben?

Dat moeten we doen als we zien hoe het met de andere klassen gaat. Dat moet aan het begin van het volgende schooljaar besloten worden. De klassengrootte is niet vast; er komen nieuwe leerlingen bij. Hoeveel leerlingen denkt u dat we in de volgende eerste klas zullen hebben?

X.: Fünfundsechzig.

X.: Vijfenzestig.

Dr. Steiner: Das müßten natürlich zwei werden. Für die 2. Klasse kommt das nicht in Betracht. Die künftige 4. Klasse ist auch so groß, daß es über fünfzig Kinder werden. Da sind soviel Neue. Ich dachte auch, die Kleinsten im Singen an Fräulein Lämmert zu geben. Sonst wird es für Herrn Baumann zuviel mit dem Singen. Auch mit dem Turnen wird es viel zuviel. Da muß man sehen, wie man mit der Lehrerschaft zurechtkommt.
Die Frage der Lehrerschaft muß also besprochen werden. Wir ver-

Dat zouden er dan twee moeten zijn, natuurlijk. Dat is uitgesloten voor de tweede klas. De toekomstige vierde klas is ook zo groot dat er meer dan vijftig kinderen zullen zijn. Er komen zoveel nieuwe bij. Ik dacht er ook aan om de jongste kinderen zangles van juffrouw Lämmert te geven. Anders krijgt meneer Baumann te veel zangles. De gymnastiek zal ook veel te veel zijn. We moeten kijken hoe we het met de leraren kunnen vinden.
De kwestie van het onderwijzend personeel moet daarom besproken worden. We ver-

Blz. 176

mehren die Klassen, wir brauchen neue Lehrer. Es sind jetzt die zwei Baracken im Bau, die zu Anfang des nächsten Schuljahres fertig werden, hoffentlich. Und wenn die fertig sind, dann können wir gerade auskommen. Es geht vielleicht sogar auch, daß wir auskommen, wenn wir die künftige 4. und 2. teilen, weil die beiden weit über fünfzig hinauskommen. Dann geht es knapp mit den Räumen. Es geht nur so, daß wiederum die Nebenräume notleiden. Es bleibt unerledigt. Es würde so eben gehen mit den Bauten, die wir jetzt haben. Aber es fehlt dann ein Raum für Gesang vorläufig, es fehlt ein Raum für den Kindergarten, und es fehlen weiterhin Klassenräume für weitere Klassen, die in den folgenden Jahren kommen. Es fehlt eine Bibliothek, es fehlt die Turnhalle, es fehlen Räume für die Fortbildungsschule — vielleicht kann man die Fortbildungsschule schließlich beiseite lassen —, es fehlt das Arztzimmer, von dem wir gesprochen hatten, eine ganze Anzahl Dinge. Das sind Dinge, die wir neulich besprochen haben. Es sollte versucht werden, diese Dinge zu lösen dadurch, daß man einen Stock aufsetzt.

De klassen worden groter, we hebben nieuwe leraren nodig. De twee barakken zijn momenteel in aanbouw en zullen hopelijk aan het begin van het volgende schooljaar klaar zijn. En als die klaar zijn, redden we het net. Het zou zelfs mogelijk kunnen zijn om de toekomstige vierde en tweede klas te splitsen, want beide groepen zullen ruim 50 leerlingen tellen. Dan wordt het wel krap met de lokalen. Het werkt alleen als de bijgebouwen er weer onder lijden. Dat is nog niet opgelost. Met de gebouwen die we nu hebben, zou het net lukken. Maar dan is er voorlopig geen ruimte voor zang, geen ruimte voor de kleuterschool en een aanhoudend tekort aan klaslokalen voor de extra klassen die in de komende jaren zullen komen. Er is een tekort aan een bibliotheek, een tekort aan een gymzaal, een tekort aan lokalen voor de voortgezette school – misschien kunnen we die voortgezette school uiteindelijk wel opheffen – een tekort aan de dokterspraktijk waar we het over hadden, en nog veel meer. Dit zijn zaken die we onlangs hebben besproken. Men zou deze problemen moeten proberen op te lossen door etages te gaan gebruiken.

X.: Das stellt sich als unmöglich heraus.

X: Dat blijkt onmogelijk te zijn.

Dr. Steiner: Warum ist das unmöglich? Woran liegt es, daß man einen Stock aufbauen wollte und jetzt nicht kann?

Waarom is dat onmogelijk? Wat is de reden dat ze een verdieping wilden bouwen en dat nu niet kunnen?

X.: Die Standfestigkeit des Unterbaues ist dann zu stark in Anspruch genommen.

X.: De stabiliteit van de ondergebouw zou dan te veel onder druk komen te staan.

Dr. Steiner: Ich verstehe nichts. Was sagt der Architekt? Hatte er das nicht vorher gewußt? Es ist schrecklich, daß immer Ideen entstehen, die nachher nicht durchführbar sind. Natürlich kann man —, heißt es, nachher muß alles umgeändert werden. Der baupolizeiliche Gesichtspunkt hätte vorher durchdacht werden müssen. Ich würde mich in Dornach zum Beispiel nie einlassen darauf, daß mir ein Plan vorgelegt würde von etwas, was nicht absolut ausgeführt werden kann. Man verliert die Zeit damit. Man soll sich herumtragen mit
einer Idee und nachher ist wieder nichts. Man hat doch gerechnet damit, daß der Eurythmiesaal hinaufgelegt wird. Ich meine, wir haben damit gerechnet. In Dornach erzählten Sie es mir noch.

Ik snap er niets van. Wat zegt de architect? Wist hij dat niet van tevoren? Het is vreselijk dat er steeds ideeën ontstaan ​​die achteraf niet haalbaar blijken. “Natuurlijk kan het,” zeggen ze, “maar dan moet alles veranderd worden.
De bouwvoorschriften hadden van tevoren bekeken moeten worden. In Dornach bijvoorbeeld zou ik nooit instemmen met een plan voor iets dat niet absoluut uitvoerbaar is. Zo verspil je tijd. Je moet met een idee spelen, en uiteindelijk komt er niets van terecht. Ze hebben er toch rekening mee gehouden dat de euritmiezaal erbovenop gebouwd zou worden. Ik bedoel, wij verwachtten het. Je hebt het me er zelfs over verteld in Dornach.”

X.: Nicht als feste Tatsache, sondern als eine Möglichkeit.

X.: Niet als een vaststaand feit, maar als een mogelijkheid.

Dr. Steiner: Möglichkeiten kenne ich nicht. Wenn mir das jemand
erzählt, so halte ich es für eine Wirklichkeit, oder es ist nichts. Die
Baupolizei muß doch erst definitiv gefragt werden, und der Architekt muß wissen, ob er daraufbauen kann.

Ik ken geen mogelijkheden. Als iemand me iets vertelt, neem ik het ofwel voor waar aan, ofwel niet. Eerst moet de bouwinspectie definitief geraadpleegd worden, en de architect moet weten of hij erop mag bouwen.

Blz. 177

Nun ist der einzig mögliche Plan, eine Turnhalle und neben der Turnhalle anzugliedern die Nebenräume, die ich hier nannte, der gewissermaßen den ersten Teil eines rationell gebauten Schulgebäudes darstellen müßte. Es würde sich darum handeln, wohin das gebaut werden soll.
Das müßte in aller Sorgfalt überlegt werden. Ist dazu Geld da? Es handelt sich darum vor allen Dingen, ob das Geld dazu da ist. Man muß das Geld ausgeben, auch wenn es nicht gerechtfertigt ist. Es ist da. Es sind zehn Millionen eingezahlt worden. Nur wollen die Herren nur unriskante Geschäfte machen. Die ganze Frage ist eine Mutfrage.
Wir müssen darauf aufbauen. Die geistigen Werte werden ohnehin aus der Schule hervorgehen und nicht aus dem übrigen. Infolgedessen müssen wir den Mut haben, unsolide Geschäfte zu machen. Wir dürfen aber nicht mehr unsolide machen als solche, die wir durch die soliden ausgleichen können.
Man muß in den sechs Wochen herumreisen und das Geld aufbringen. Es ist nur die Frage, wie es gemacht wird. Dann muß man sehen, daß man durch Erfindungen etwas herausholt. Es müßte Geld geschafft werden. Und da ist es notwendig, daß wir den Plan mit dem Schulverein doch vergrößern.

Het enige mogelijke plan is nu om een ​​gymzaal te bouwen en daarnaast de eerdergenoemde bijgebouwen, wat in feite het eerste deel van een rationeel ontworpen schoolgebouw zou vormen. De vraag is dan: waar moet het gebouwd worden?
Dit moet zeer zorgvuldig overwogen worden. Is er geld voor? De belangrijkste vraag is of het geld beschikbaar is. Je moet het geld uitgeven, zelfs als het niet gerechtvaardigd is. Het is er. Tien miljoen is al betaald. Maar deze heren willen alleen maar risicovrije deals sluiten. Het draait allemaal om moed.
Daar moeten we op voortbouwen. De spirituele waarden zullen sowieso uit de school voortkomen, en niet uit iets anders. Daarom moeten we de moed hebben om onverstandige deals te sluiten. Maar we mogen niet meer onverstandige deals sluiten dan we kunnen compenseren met verstandige. We moeten in die zes weken rondreizen en het geld bijeenbrengen. De enige vraag is hoe dat gaat gebeuren. Dan moeten we kijken of we iets kunnen bedenken. Er moet geld gegenereerd worden. En daarvoor is het nodig dat we het plan uitbreiden met de schoolvereniging.

Es ist sehr leicht möglich, daß wir vielleicht, wenn wir einen Weltschulverein gründen, überhaupt für solche Schulen, international, daß wir Geld kriegen, während es jetzt einem überall begegnet, daß die Leute sagen, wir haben in Berlin kein Interesse daran, just für die Waldorfschule zu bezahlen. Wenn wir
einen Weltschulverein gründen, dann ist es vielleicht möglich, daß man für Stuttgart etwas verwenden kann. Es ist wahrscheinlich gar nicht möglich, wenn die Leute von vornherein bezahlen sollen für die Stuttgarter Waldorfschule, daß wir viel hereinkriegen. Dann müßte man sehen, daß wir durch Erfindungen etwas bekommen. Es ist allerhand in Arbeit, aber das geht nicht so geschwind. Wir haben etwas sehr Aussichtsreiches in Dornach, eine Rasierseife und das
Haarmittel ,,Verlockung”, aber es geht nicht so schnell mit dem Inaugurieren. So geschwind kann man die Sachen nicht erfinden, daß wir schon für den Herbst einen Turnsaal und einen Eurythmie und Gesangssaal haben. Dann müßten zuerst allen Kahlköpfen Locken wachsen.

Het is heel goed mogelijk dat we, als we een internationale schoolvereniging zouden oprichten, we geld zouden kunnen krijgen voor dergelijke scholen internationaal, terwijl je nu overal hoort dat mensen in Berlijn geen interesse hebben om specifiek voor de Waldorfschool te betalen. Als we een internationale schoolvereniging zouden stichten, zou er misschien iets voor Stuttgart gebruikt kunnen worden. Het is waarschijnlijk helemaal niet mogelijk dat we veel voor elkaar krijgen als mensen vanaf het begin voor de Waldorfschool in Stuttgart moeten betalen. Dan zouden we moeten zien of we iets voor elkaar krijgen door middel van innovaties. Er is veel in de maak, maar het gaat niet zo snel. We hebben iets heel veelbelovends in Dornach, een scheerzeep en het haarproduct “Verlokking”, maar het bekend maken gaat niet zo snel. Je kunt niet zo snel dingen uitvinden dat we tegen de herfst al een gymnasium, een euritmiezaal en een zangzaal hebben. Dan zouden alle kale hoofden eerst krullen moeten laten groeien.

X.: Ich wollte es ausprobieren, auf die Gefahr, daß meine Frau mich nicht
mehr kennt.

X.: Ik wilde het uitproberen, met het risico dat mijn vrouw me niet meer zou herkennen.

Dr. Steiner: Unsere Eurythmiedamen haben es schon auf sich genommen, das Haarmittel hier zu verwenden, damit ihnen Schnurrbart-

Onze dames die euritmie beoefenen, hebben het haarproduct hier al zelf gebruikt om snorren te laten groeien.

Blz. 178

haare wachsen. Dann werden sie es mit der Rasierseife wieder wegnehmen. Dann wachsen einem die Tausendmarkscheine auf dem Kopf. Es ist noch Geld da. Die Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft wissen nicht, wie wichtig die Waldorfschule ist. Ich habe neulich mit einigen Damen gesprochen, die haben keine Ahnung gehabt, daß es so drängt. Es wird überall, an vielen Stellen gesagt, daß Schulen gegründet werden sollten. Das einzige ist das, daß man die Leute bittet. Diese Idee dürfen wir nicht aufkommen lassen, daß wir
hier alles absorbieren wollen. Deshalb habe ich es besprochen, daß man nicht hier in Stuttgart alles zentralisiert, sondern herumreist in den einzelnen Städten, daß sich die Sache verbreitet, daß man nicht Sachen herumschickt und den Leuten diktiert. So entstand in Berlin der Gedanke, eine Schule zu begründen. Das dürfen wir nicht probieren, daß die Leute ihre Schulpläne zurückstellen sollen. Da handelt es sich darum, daß wir die Leute nicht vor den Kopfstoßen. Da müssen wir eben reisen. Für die Turnhalle wird man den ,,Kommenden Tag” um Kapital angehen und sich verpflichten, das Kapital zu verzinsen. 400 000 Mark, dafür kann man die Zinsen aufbringen, so daß das, was jetzt sein muß im Interesse des Fortganges, sofort geschehen kann. Ein anderes ist der weitere Ausbau der Schule selbst. Denn wenn wir die Schule weiterführen wollen, auch über das nächste Jahr hinaus und die von selbst sich ergebende Vergrößerung machen wollen, dann brauchen wir noch viel mehr Raum.

Dan halen ze het er weer af met scheerzeep. Dan groeien er briefjes van duizend mark op je hoofd. Er is nog steeds geld over. De leden van de Antroposofische Vereniging weten niet hoe belangrijk de Waldorfschool is. Ik sprak onlangs met een paar dames die geen idee hadden hoe urgent het is. Overal, op veel plaatsen, wordt gezegd dat er scholen moeten worden opgericht. Het enige wat je moet doen, is mensen ernaar vragen. We mogen niet toestaan ​​dat dit idee wortel schiet, dat we alles hier willen absorberen. Daarom heb ik het idee geopperd dat we niet alles hier in Stuttgart moeten centraliseren, maar naar de verschillende steden moeten reizen zodat het idee zich verspreidt, zodat we niet alles rondsturen en mensen de wet voorschrijven. Zo is het idee ontstaan ​​om een ​​school in Berlijn op te richten. We moeten mensen niet proberen te overtuigen hun schoolplannen uit te stellen. Het gaat erom mensen niet te vervreemden. Daarom moeten we reizen. Voor de gymzaal zullen ze ‘der kommenden Tag’ aankloppen en de verplichting aangaan het kapitaal met rente terug te betalen.
Voor 400.000 mark – kan men de rente opbrengen, zodat wat nu nodig is voor de vooruitgang van de school direct uitgevoerd kan worden Een ander punt is de verdere uitbreiding van de school zelf. Want als we de school na volgend jaar willen blijven runnen en de onvermijdelijke groei willen opvangen, hebben we aanzienlijk meer ruimte nodig.

X.: Man wird sich vielleicht helfen können, daß man eine von den großen
Klassen nachmittags als Gesangssaal verwendet.

X.: Misschien kunnen we een van de grote klaslokalen ’s middags als zangzaal gebruiken.

Dr. Steiner: So kann man sich vielleicht helfen, bevor der Turnhallenbau hergestellt ist.
Jetzt kommen wir zu der Frage, die doch in irgendeiner Weise gelöst werden muß. Es geht die Schule nicht weiter. Die Raumfrage und die künftige Lehrerfrage müßten gelöst werden.
Es wird über die Notwendigkeit gesprochen, auch Lehrerwohnungen zu bauen.

Misschien kunnen we dat wel doen totdat de gymzaal gebouwd is. Nu komen we bij de vraag die hoe dan ook opgelost moet worden. De school boekt geen vooruitgang. Het ruimteprobleem en de toekomstige lerarenvraag moeten worden opgelost.
Er wordt ook gesproken over de noodzaak om lerarenwoningen te bouwen.

Dr. Steiner: Eigentlich ist im Grunde genommen die ganze Raumfrage ungelöst. Die Raumfrage ist nur soweit gelöst, daß die Klassen untergebracht werden können. Die notwendigen Nebenräume sind zum großen Teil unvollkommen oder nicht da.
Wieviel neue Klassen werden wir haben? Eine 1., eine 6., eine 9. Es fehlt die Turnhalle, der Zeichensaal. Turnhalle würde der Eurythmiesaal sein. Da müssen wir uns nach der Decke strecken. Nur, für die Eurythmie muß er groß sein. Da müßte man sehen, wie man fertig

Eigenlijk is het hele ruimteprobleem nog steeds niet opgelost. Het ruimteprobleem is alleen opgelost in die zin dat er klassen in ondergebracht kunnen worden. De noodzakelijke bijruimtes zijn grotendeels ontoereikend of ontbreken zelfs helemaal.
Hoeveel nieuwe klassen krijgen we? Een eerste, een zesde en een negende klas. We missen een gymzaal en een tekenlokaal. De euritmiezaal zou als gymzaal kunnen dienen. We zullen daar tot het uiterste moeten gaan. Maar voor euritmie moet de zaal groot genoeg zijn. We zullen moeten zien hoe we voor elkaar krijgen

Blz. 179

bringt, daß man die Turnhalle mit den entsprechenden Nebenräumen noch bauen kann.
Es scheint mir, daß wir heute nur zur Aufzählung kommen dessen, was unbedingt gemacht werden muß. Es zeigt sich an dem Falle, daß man nicht weiterkommt, wenn man es nur auf kleine Dimensionen anlegt. Wenn jetzt mit der Turnhalle angefangen würde, dann werden sich gegen Weihnachten hin die Verhältnisse so verbessern können, daß wir wirklich annehmbare Verhältnisse haben. Es schwebt alles in der Luft, es weiß niemand, ob es nicht in vierzehn Tagen anders ist. Man müßte eine bestimmte Angabe darüber haben, was die Dinge kosten. So kann man nicht die Verhandlungen treiben.
Für den folgenden Tag war eine Besprechung mit denArchitekten vorgesehen.

Het lijkt me dat we vandaag pas beginnen met het opsommen van wat absoluut moet gebeuren. Het is duidelijk dat je in dit geval nergens komt door je alleen op kleinschalige projecten te richten. Als de bouw van de sporthal nu zou beginnen, zou de situatie tegen Kerstmis zo verbeterd kunnen zijn dat we werkelijk acceptabele voorwaarden zouden hebben. Alles is nog onzeker; niemand weet of de situatie over twee weken anders zal zijn. We hebben een concrete kostenraming nodig. Onderhandelingen kunnen zo niet verdergaan. Er stond een afspraak met de architecten gepland voor de volgende dag.

X.: Wir sind selbst daran schuld, weil wir nur für Augenblicke gesorgt haben. Die Anmeldungen haben sich überstürzt. So kam es, daß innerhalb drei Wochen die Verhältnisse veraltet waren.

X: We moeten het onszelf verwijten, omdat we alleen rekening hebben gehouden met de nabije toekomst. De aanmeldingen stapelden zich op. Daardoor waren de voorwaarden binnen drie weken alweer achterhaald.

X.; Wir müssen die Dinge so anschauen, daß das, was für die Bedürfnisse dasein muß, das muß gemacht werden. Dazu muß das Geld aufgebracht werden. Die Geldfrage hat sich unterzuordnen. Wir haben noch keine persönliche Propaganda getrieben unter den Eltern, die ein wirkliches Interesse am Bestehen der Waldorfschule haben. Da gibt der eine und andere ein Darlehen. Die persönliche Bearbeitung muß vorgenommen werden. Was nicht auf diese Weise zusammenzubringen ist, das muß durch ein Darlehen vom Kommenden Tag aus bewirkt werden. Wir werden in diesen Tagen zu einem umfassenden Plane der Geldbeschaffung kommen müssen. Ich bin der Ansicht, daß an den pekuniären Sachen der Fortschritt der Waldorfschule nicht scheitern sollte.

X: We moeten de zaken zo bekijken dat wat nodig is om aan de behoeften te voldoen, ook gedaan moet worden. Daarvoor moet het geld bijeengebracht worden. De geldkwestie moet even op de achtergrond treden. We hebben nog geen persoonlijke fondsenwerving georganiseerd onder de ouders die oprecht geïnteresseerd zijn in het voortbestaan ​​van de Waldorfschool. Sommigen bieden al leningen aan. Persoonlijk contact is noodzakelijk. Wat niet op deze manier kan worden ingezameld, moet vanaf morgen via een lening worden geregeld. We moeten de komende dagen een uitgebreid fondsenwervingsplan opstellen. Ik ben ervan overtuigd dat de vooruitgang van de Waldorfschool niet mag worden belemmerd door financiële problemen.

Dr. Steiner: Ja, es muß irgend etwas Bestimmtes vorliegen. Man kann auf all das hin nicht verhandeln, wenn man die Erfahrung macht, daß der Architekt erklärt, er kann den Saal machen, und dann, er kann es nicht machen. Auf solche Dinge hin verhandeln, das ist eine furchtbare Wirtschaft. Daß wir einen Eurythmiesaal brauchen, wissen wir schon lange, das haben wir in der letzten Konferenz
besprochen. Es ist unter dem Eindruck des dazumal Beschlossenen der Plan aufgetaucht, und Sie hatten mir gesagt, daß der Architekt gesagt hat, man kann das draufbauen. Jedenfalls haben wir drei Wochen verloren dadurch, daß der Architekt behauptet hat, er kann einen Stock aufbauen, was heute nicht wahr ist.
Wir wollen jetzt nicht mehr interimistisch bauen; man muß doch jetzt, was wir neu hinstellen, ein bißchen mehr auf längere Zeit bauen. Die Konferenz morgen muß man unter allen Umständen haben.
Informatorisch können Sie sich bei der Baupolizei immerhin schon

Ja, er moet iets specifieks klaar liggen. Je kunt niet over al die zaken onderhandelen als je de ervaring hebt dat de architect beweert dat hij de zaal kan bouwen, terwijl dat vervolgens niet het geval blijkt te zijn. Onderhandelen op zulke gronden is een vreselijke verspilling van tijd. We weten al lang dat we een euritmiezaal nodig hebben; we hebben het erover gehad tijdens de laatste vergadering. Het plan kwam naar voren in de veronderstelling dat er toen een besluit was genomen, en u vertelde me dat de architect zei dat er bovenop gebouwd kon worden. Hoe dan ook, we hebben drie weken verloren omdat de architect beweerde dat hij een verdieping kon toevoegen, wat nu niet meer het geval is. We willen niet langer op een tijdelijke basis bouwen; wat we nu bouwen, moet met een meer langetermijnvisie worden gebouwd. De vergadering van morgen is absoluut essentieel. U kunt in ieder geval wat informatie krijgen van de bouwinspectie,

Blz. 180

erkundigen, bevor Sie offiziell eine Sache vorlegen, ob die Sache Aussicht hat auf Genehmigung. Jedenfalls können wir nichts weiter darüber reden, da kein Plan vorliegt. Das wollte ich nur prinzipiell vorbringen.

voordat u officieel iets indient, moet u nagaan of er kans op goedkeuring is. Hoe dan ook, we kunnen er niet verder over praten, aangezien er geen plan is. Ik wilde dit punt alleen even in principe aankaarten.

Es wird gebeten um eine Äußerung Dr. Steiners zur Frage der Lehrerwohnungen.

Er wordt een reactie van Dr. Steiner gevraagd over de huisvesting van de docenten.

Dr. Steiner: Nicht wahr, es ist schwer für mich, mich zu äußern, da ich nicht in der Lage bin, das Geld auf den Tisch zu legen. Das ist das erste, wovon man ausgehen muß. Solange man das Geld nicht hat zu den Lehrerwohnungen, ist es eine rein akademische Frage. Wenn man von den Lehrerwohnungen absieht, so ist es so: es sind gewisse Sachen, die beschafft werden müssen. Entweder werden die Sachen nicht durchgeführt, oder die Dinge müssen gemacht werden. Es wäre wichtig, diese Fehler, daß die Dinge auf kleinem Maßstab angelegt werden, zu vermeiden; daß man die Sachen unbeschadet der finanziellen Verhältnisse so anlegt, wie es sein muß.
Ich bin sicher, daß, nachdem die Sache so angehoben hat mit der
Selbstaufopferung der Lehrer, daß die Sache geistig gehen wird, geistig nicht Fiasko macht. Das zeigt der Stoß des ersten Jahres, daß wir durchhalten können. Ob die Welt uns Geld gibt? — Ich glaube schon kaum mehr, daß die Welt zu solchen Sachen Geld gibt. Die Leute zeigen nicht Verständnis dafür.

Voor mij is het lastig om hier commentaar op te geven, aangezien ik niet in de positie ben om het geld beschikbaar te stellen. Dat is het eerste wat we moeten aannemen. Zolang we geen geld hebben voor de huisvesting van de leraren, is het een puur academische kwestie. Los van de huisvesting van de leraren, is het zo: er zijn bepaalde zaken die moeten worden gerealiseerd. Ofwel zullen deze zaken niet worden gedaan, ofwel moeten ze worden gedaan. Het is belangrijk om de fout te vermijden om dingen op kleine schaal aan te pakken; om ze goed uit te voeren, ongeacht de financiële situatie.
Ik ben ervan overtuigd dat het project, na de initiële zelfopoffering van de leerkrachten, in de geest zal slagen en geestelijk niet zal mislukken. Dat bewijst de impuls van het eerste jaar, dat we kunnen volhouden. Of de wereld ons geld zal geven? — Ik geloof er nauwelijks meer in dat de wereld geld geeft voor zulke dingen. Mensen tonen er geen enkel begrip voor.

Das ist dasjenige, was mir wirklich eine furchtbare Sorge ist. Das was wir heute auch am Anfang dieser Stunde gesagt haben, das ist durchaus richtig auf geistigem Gebiet. Die ganzen materiellen Fragen müßten auf einen vernünftigen Boden gestellt werden.
Was können wir dazu tun? Da ist die wichtige Frage, inwieweit wir die Ausdehnung der Schule vornehmen können. Irgendwie müssen wir dann eine gewisse Begrenzung haben, oder wir müssen so Leute hinter uns haben, die Millionen stiften. Die Unzuträglichkeit hängt zusammen mit der Tatsache, daß wir jede Anmeldung angenommen haben. Deshalb möchte ich vorschlagen, im Sinne der Einführungsrede, daß wir jetzt erklären, daß wir die Schule in dem Ausmaße fortführen, als es war; daß wir ablehnen, neue Kinder aufzunehmen, wenn wir nicht in der Lage sind, einen Turnsaal zu bauen. Wir teilen es der Welt mit, daß wir von keiner Seite unterstützt werden. Dies müßte in möglichst wirksamer Weise der Welt mitgeteilt werden. Wir führen die Schule im Rahmen des vorigen Jahres fort, wir müssen aber die schon aufgenommenen Schüler leider zurückweisen. Die Welt sollte wissen, wie es sich verhält. Dies müßte der Welt bekannt-

Dat baart me echt zorgen!. Wat we aan het begin van dit uur zeiden, is volkomen juist in spirituele sfeer. Alle materiële kwesties moeten op een solide basis staan. Wat kunnen we daaraan doen? De belangrijke vraag is in hoeverre we de school kunnen uitbreiden. Op de een of andere manier moeten we een bepaalde grens stellen, of we moeten mensen achter ons hebben die miljoenen doneren. De onhaalbaarheid zit hem in het feit dat we elke aanvraag hebben geaccepteerd. Daarom wil ik, in de geest van de openingsrede, voorstellen dat we nu verklaren dat we de school in de huidige vorm zullen voortzetten; dat we geen nieuwe kinderen meer zullen toelaten als we geen gymzaal kunnen bouwen. We laten de wereld weten dat we geen enkele steun ontvangen. Dit moet op de meest effectieve manier mogelijk aan de wereld worden gecommuniceerd. We zetten de school voort zoals vorig jaar, maar helaas moeten we de reeds ingeschreven leerlingen afwijzen. De wereld moet van deze situatie op de hoogte zijn. Dit moet openbaar gemaakt worden.

Blz. 181

gegeben werden. Wir werden hypothetisch sagen, wenn wir nicht in der Lage sind, die Mittel zu bekommen, daß wir bis Herbst einen Eurythmie- und Turnsaal aufführen können, müssen wir die Schule beschränkt lassen auf die Größe, die sie schon hat. Wenn wir nicht solche radikale Maßregeln treffen, kommen wir nicht vorwärts. Wir können auch die Lehrer nicht bezahlen.

Laten we hypothetisch stellen dat als we er niet in slagen om tegen de herfst de fondsen te verkrijgen voor de bouw van een euritmiezaal en een gymzaal, we de school moeten beperken tot de huidige omvang. Als we zulke radicale maatregelen niet nemen, zullen we geen vooruitgang boeken. We kunnen de leraren ook niet betalen.

X.: Können wir durch Vorträge Geld zusammenbringen, wenn wir herumreisen?

X: Kunnen we geld inzamelen door lezingen te geven tijdens onze reizen?

Dr. Steiner: Gewiß, das kann gemacht werden. Ich glaube nicht, daß Ihre Arbeit eine fruchtbare sein wird, wenn wir die Welt nicht darauf aufmerksam machen, daß wir nicht arbeiten können, wenn es so bleibt, wie es jetzt ist. Ich glaube schon, daß es einen Eindruck machen würde, wenn wir die früheren Schüler behalten, aber keine Neuen aufnehmen, und daß wir denen wieder absagen müssen. Wenn wir dies der Welt bekanntgeben, so glaube ich, würde es nützen.
Wenn wir in dieser schrecklichen Weise wirtschaften, so daß man nie weiß, wohin es kommen soll, da kommen wir nicht weiter. Es müßte eine geharnischte Erklärung sein, dahingehend, daß hier etwas aufgehen kann durch die Tätigkeit einer dazu geeigneten Lehrerschaft, und daß die Welt dazu versagt mit ihren finanziellen Mitteln, die dahinterstehen sollten.

Zeker, dat kan. Ik geloof niet dat uw werk vruchtbaar zal zijn als we de wereld er niet van bewust maken dat we niet kunnen werken als de situatie blijft zoals die is. Ik denk dat het indruk zou maken als we de huidige leerlingen behouden, maar geen nieuwe aannemen en ze opnieuw moeten afwijzen. Als we dit aan de wereld bekendmaken, denk ik dat het nuttig zou zijn. Als we onze economie op deze verschrikkelijke manier blijven beheren, waardoor we nooit weten waar het naartoe leidt, komen we nergens. Het zou een krachtige verklaring moeten zijn, waarin wordt aangegeven dat er hier wel degelijk iets bereikt kan worden door de inzet van een geschikt docententeam, en dat de wereld er niet in slaagt de benodigde financiële middelen te verschaffen.

X.: Die Leute sagen, warum soll man alles nach Stuttgart geben. Es haben doch
die Leute in Hamburg und Berlin kein Interesse an Stuttgart.

X.: Mensen zeggen: waarom moet alles naar Stuttgart? Mensen in Hamburg en Berlijn hebben geen interesse in Stuttgart.

Dr. Steiner: Das Wichtige ist, daß überhaupt die geistige Bewegung gefördert wird. Das können wir nicht sagen, daß es wichtig ist, daß es hier entsteht, wenn wir etwas gründen wollen, was für alle ist. Das geht ganz entschieden nicht, daß wir sagen, sie sollen für Stuttgart geben und von anderem absehen. Es muß mindestens der Gesichtspunkt angeschlagen werden, man kann ein Zentralinstitut in Stuttgart bauen und verlangen, daß die Welt dazu Beiträge gibt.

Het belangrijkste is dat de spirituele beweging in het algemeen wordt bevorderd. We kunnen niet zeggen dat het belangrijk is dat het hier ontstaat als we iets willen opzetten dat voor iedereen toegankelijk is. Het is absoluut onacceptabel om te zeggen dat ze naar Stuttgart moeten gaan en andere dingen moeten negeren. Op zijn minst moet duidelijk worden gemaakt dat je een centraal instituut in Stuttgart kunt oprichten en van de wereld een bijdrage kunt eisen.

X. . Soll man eine Erklärung bringen in den Zeitungen, die zum Ausdruck bringt,
daß die Schülerzahl in einer bisher nicht gedachten Weise angewachsen ist, daß
wir dadurch in eine Lage versetzt sind, Lehrer anzustellen, um die Schule im
gleichen Geist fortzuführen? Und daß wir angewiesen sind auf die Unterstützung?

X. Moet er een verklaring in de kranten verschijnen waarin staat dat het aantal studenten ongekend is gegroeid, dat we daardoor in staat zijn docenten aan te nemen om de school in dezelfde geest voort te zetten? En dat we afhankelijk zijn van steun?

Dr. Steiner: Wir müssen positiv sagen, daß wir bereit sind, die Schule in der bisherigen Weise fortzuführen, daß wir aber nicht in der Lage sind, die Anmeldungen zu berücksichtigen, wenn uns die Welt nicht unterstützt. Wir müßten irgendein radikal ernstes Wort sagen, — Wir werden die Errichtung der neuen Klasse nicht mehr unter dem Gesichtspunkt betrachten, wieviel Anmeldungen wir haben.

We moeten positief stellen dat we bereid zijn de school op de huidige manier voort te zetten, maar dat we de aanmeldingen niet kunnen accepteren als de wereld ons niet steunt. We zouden iets radicaal serieus moeten zeggen: we zullen de oprichting van de nieuwe klasse niet langer beoordelen op basis van het aantal aanvragen dat we ontvangen.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3481-3278

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 297A)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

GA 297A    Op deze blog vertaald, behalve voordracht 5

Erziehung zum Leben

Opvoeding voor het leven

Vragenbeantwoording op de pedagogische avond

Darmstadt, 28 juli 1921

Blz. 78

Was vorhin gesagt und oftmals betont worden ist, muß festgehalten werden: Die Wal­dorfschule will als solche keine Weltanschauungsschule sein. Daß ihr anthroposophische Seelenverfassung zugrunde liegt, das ist eben nur insofern [der Fall], als sie sich in die erzieherische Praxis um­setzt. So handelt es sich jetzt zunächst bei dem, was in der Waldorf­schule vorliegt, um eine Entwicklung dessen, was auf rein päd­agogischem Wege aus der anthroposophischen Bewegung heraus erreicht werden kann. Eine Weltanschauungsschule kann und will die Waldorfschule nach keiner Richtung hin sein. Daher hat die Waldorfschule auch niemals den Anspruch gemacht darauf – bis jetzt -, den religiösen Unterricht der anvertrauten Kinder selbst in die Hand zu nehmen.

Rudolf Steiner aansluitend bij andere vragen: Wat al eerder is gezegd en dikwijls benadrukt, moeten we vasthouden: de vrijeschool  wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. Dat aan haar een antroposofische zielenstemming ten grondslag ligt, is alleen het geval in zoverre deze omgezet wordt in de praktijk van de pedagogie. Derhalve het gaat nu allereerst, bij wat in de vrijeschool plaatsvindt, om een ontwikkeling van datgene wat langs puur pedagogische weg uit de antroposofische beweging gewonnen kan worden. Een wereldbeschouwelijke school kan en wil de vrijeschool in geen enkel opzicht zijn.
Vandaar dat de vrijeschool er ook nooit aanspraak op heeft gemaakt – tot nu dan – de religieuze opvoeding van de aan haar toevertrouwde kinderen – zelf ter hand te nemen.

Was schließlich der eine oder andere An­throposoph für eine Ansicht hat in bezug auf Weltanschauungsfra­gen, das spielt dabei keine Rolle, sondern es handelt sich darum, daß Anthroposophie in der Schule und alledem, was dazu gehört, nur in pädagogischer Praxis wirken will. Aus diesem Grunde wurde, wie die Schule eingerichtet wurde, der Religionsunterricht der katho­lischen Kinder dem katholischen Pfarrer übergeben und der Reli­gionsunterricht der evangelischen Kinder dem evangelischen Pfar­rer. Nun ergab es sich – das kam einfach aus den gegenwärtigen Zeitverhältnissen heraus -, daß eine ganze Menge Dissidenten-Kin­der da waren, die eigentlich ohne Religion aufgewachsen wären. Für diese wird nun ein Religionsunterricht erteilt, der aber als solcher sich nicht zur Schule rechnet, sondern der sich neben den evangeli­schen und katholischen Religionsunterricht als freier Religionsunterricht

Wat uiteindelijk de een of andere antroposoof aan denkbeelden heeft over wereldbeschouwelijke vraagstukken, speelt daarbij geen rol; het gaat erom dat antroposofie in de school en in alles wat daarbij hoort, alleen in de praktijk van het opvoeden werkzaam wil zijn.
Om deze reden werd, toen de school georganiseerd werd, het godsdienstonderwijs voor de katholieke kinderen aan de katholieke pastoor overgelaten en dat voor de evangelische kinderen aan de dominee. Nu gebeurde het – dat kwam simpelweg door de tegenwoordige tijd – dat er een heel grote groep ‘afvallige’ kinderen was, die eigenlijk zonder godsdienst opgegroeid zou zou zijn. Voor deze werd nu een godsdienstonderwijs gegeven dat echter als zodanig niet bij de school hoorde, maar naast het evangelische en katholieke, als vrij godsdienstonderwijs.

Blz. 79

hinstellt. Wir haben immerhin den Erfolg, daß Kinder, die sonst einfach bei keinem Religionsunterricht zugelassen würden, dadurch nun doch mit einem religiösen Leben aufwachsen. Das ist ein freier Religionsunterricht, der von demjenigen erteilt wird, der etwas davon versteht und der dazu berufen ist wie die anderen, die den katholischen und evangelischen Unterricht erteilen. Das muß aber streng festgehalten werden, daß die Absichten der Waldorf­schule nach keiner Richtung hin Weltanschauungsabsichten sind. Es soll nicht zu einer Anthroposophie dressiert werden, sondern Anthroposophie will nur pädagogische Praxis darin werden. 

In ieder geval is wel het gevolg dat kinderen die anders gewoonweg bij geen enkel godsdienstonderwijs zouden zijn toegelaten, nu toch met een religieus leven opgroeien. Het is een vrij godsdienstonderwijs dat gegeven wordt door iemand die daar wat mee kan en die daar ook toe beroepen is, zoals de anderen die katholiek en evangelisch godsdienstonderwijs geven. Er moet streng aan worden vastgehouden dat de opzet van de vrijeschool in geen enkel opzicht de bedoeling heeft wereldbeschouwelijk te zijn. Er moet geen dressuur tot antroposofie zijn, antroposofie moet er slechts voor de pedagogische praktijk zijn.
GA 297A/78-79
Op deze blog vertaald/78-79

Blz. 80

( ) Unsere Schule will, wie gesagt, nur pädagogische Praxis ins Leben setzen, nicht Weltanschauung. 

Onze school wil, zoals gezegd, slechts pedagogische praktijk in het leven brengen, geen wereldbeschouwing.

Blz. 81

( ) Nun ist es ja selbstverständlich, daß im freien Religionsunterricht — weil ja nach einem
solchen, nur von Anthroposophen zu haltenden, gefragt worden ist -, auch nach unserer Methodik vorgegangen wird. 

Nu is het vanzelfsprekend dat er in het vrije godsdienstonderwijs – omdat erom gevraagd werd en dat alleen door antroposofen gegeven kan worden – ook volgens onze methode gewerkt zal worden.

Blz. 81

Vraag: Hoe ziet de lesstof er inhoudelijk uit voor kinderen van antroposofen?

Rudolf Steiner: Der Stoff ist so bestimmt, daß der Versuch gemacht wird, auch da durchaus auf das kindliche Alter Rücksicht zu neh­men. Das ist das, was psychologisch immer zugrunde liegt. Darum handelt es sich ja bei allen Dingen, daß sie am wirksamsten an das Kind herangebracht werden, wenn man genau das Lebensalter trifft, in dem sie herangebracht werden sollen, in dem das Innere des Kin­des am meisten auf die Dinge resoniert. Es handelt sich darum, daß man in der Tat im siebten, achten Lebensjahr am wenigsten etwas mit objektiver Evangelien- oder Bibelkunde, mit der Katechismuskunde aber gar nichts erreicht. Das wird vom Kinde nicht aufge­nommen. Ein anthropologisches Gesetz ist das. Dagegen wird vom Kinde in diesem Lebensalter sehr gut alles Religiöse aufgenommen, das sich unmittelbar aus einer gewissen Gestaltung der Naturvor­gänge heraus bilden läßt alle ethischen und echt religiösen Begriffe, die sich aus den Naturvorgängen gestalten lassen.

De lesstof wordt zo bepaald dat er wordt geprobeerd ook per se rekening te houden met de leeftijd van de kinderen. Dat is iets wat er psychologisch steeds aan ten grondslag moet liggen. Daarom gaat het er bij alles  om dat die bij het kind het beste werkt, wanneer je precies de goede leeftijd kiest waarop ze aangeboden moet worden, wanneer het innerlijk van het kind het meest bij die dingen meeklinkt. Het gaat erom dat je inderdaad op het zevende, achtste leerjaar het minst bereikt met zoiets als objectieve evangeliën of Bijbelkennis, met kennis van de catechismus . Dat neemt een kind niet op. Dat is een antropologische wet. Daarentegen wordt door het kind op deze leeftijd wel heel goed al het religieuze opgenomen dat direct vanuit een bepaalde vormgeving van natuurprocessen al die ethische en echte religieuze begrippen laat ontstaan

Man kann das Kind vor allen Dingen auf dem Umwege über Naturbilder zum religiösen Empfinden führen.
Heraufleiten zum eigentlich christlichen Empfinden kann man das Kind dann eigentlich erst vom achten Jahr an, ja sogar erst ge­gen das neunte Jahr. Da fängt es eigentlich erst zu begreifen an, was zum Beispiel hinter der Gestalt des Christus Jesus steht. In diese Begriffe, die man da dem Kinde beibringen muß, wenn es den Inhalt der Evangelien begreifen soll, in die wächst es erst hinein. Es ist gut, wenn es einen Unterbau hat und erst gegen das neunte Jahr entspre­chend eingeführt wird in den Inhalt der Evangelien und dann all­mählich weiter hinaufgeführt wird in die tieferen Geheimnisse des Christentums. Es muß betont werden, daß ja auch dieser freie Religionsunterricht im eminentesten Sinne ein durch und durch

Je kan het kind vooral langs de omweg van de natuurbeelden tot een religieus gevoel brengen.
Tot het eigenlijke christelijke gevoel kan je kind eigenlijk pas vanaf het achtste jaar brengen, ja zelfs pas tegen het negende. Dan begint het pas te begrijpen wat bijvoorbeeld achter de figuur van Christus Jezus staat. Een kind dat je die begrippen moet bijbrengen wil het de inhoud van de evangeliën begrijpen, moet er eerst naar toe groeien. Het is goed dat er een basis is en dat het pas tegen het negende jaar op passende wijze de inhoud van de evangeliën leert kennen en dan langzamerhand verder de diepere geheimen van het christendom leert kennen. Benadrukt moet worden dat ook dit vrije godsdienstonderwijs in hoge mate door en door

Blz. 82

christlicher ist, daß also die verschiedenen Konfessionen, die daran teilnehmen, in ein wirkliches Christentum eingeführt werden. Es ist da schon so, daß man ja selber, eben vom anthroposophischen Ge­sichtspunkt aus, zu der [christlichen] Überzeugung gekommen ist, wenn man Lehrer ist an der Waldorfschule. Man ist von dieser Seite in das Christentum hereingekommen. Man wird vielleicht die Wor­te anders stellen, aber die Kinder werden in ein wirkliches Christen­tum eingeführt. Ebenso, wie wir frei lassen den evangelischen und katholischen Religionsunterricht, so lassen wir auch vollständig frei den freien, nach anthroposophischer Seite hin gehaltenen Religions­unterricht. Es ist durchaus niemals mein Bestreben gewesen, dafür zu agieren, daß die Kinder in diesen freien Religionsunterricht hin­einkommen. Sie kamen zahlreich, aber es ist wirklich nicht das Bestreben, dem äußeren Ruf der Schule dadurch zu schaden, daß es etwa auf solchen Umwegen zustande käme, daß [man sagte, daß] diese Schule eine Weltanschauungsschule sei. Man will das zunächst nicht sein. Deshalb sind wir vorsichtig in bezug auf den freien Religionsunterricht und erteilen ihn nur, weil er eben verlangt wird.

christelijk is, dat dus de verschillende geloven die daar deel aan nemen, een werkelijk christendom leren kennen. Het is toch zo dat je zelf, zelfs vanuit een antroposofisch gezichtspunt, tot de [christelijke] overtuiging moet zijn gekomen, dat je leraar bent aan een vrijeschool. Zo ben je bij het christendom gekomen. Je zal misschien andere woorden gebruiken, maar de kinderen leren een echt christendom kennen. Net zo als wij het evangelische en katholieke godsdienstonderwijs vrij laten, zo laten we ook het vrije, van antroposofische zijde gehouden godsdienstonderwijs vrij. Ik heb er zeker nooit naar gestreefd er voor te pleiten dat de kinderen naar dit vrijeschoolgodsdienstonderwijs zouden komen. Ze kwamen in groten getale, maar het is werkelijk niet het streven de naam van de school te schaden dat het zo’n beetje langs zulke omwegen tot stand zou komen, dat (dat werd beweerd) deze school een wereldbeschouwelijke school zou zijn. Dat willen ze zeker niet zijn. Daarom zijn we voorzichtig wat betreft het vrije godsdienstonderwijs en geven dat alleen wanneer er om gevraagd wordt.
GA 297/81-82
Op deze blog vertaald/81-82

Die religiöse und sittliche Erziehung im Lichte der Anthroposophie

Het morele en het religieuze in de opvoeding

Voordracht 5, Den Haag 4 november 1922

Blz. 157

Auch das religiöse Erleben liegt durchaus im Menschen selbst. Wir können es nicht in ihn hineinpfropfen, wir müssen es aus der Seele herausholen. Aber ebenso, wie wir nicht mit der Nase essen können, sondern mit dem Munde essen müssen, so müssen wir wissen, daß wir nicht in jedem Lebensalter das Religiöse dem Menschen beibringen können, sondern in dem entsprechenden Lebensalter. Aber ebenso, wie wir nicht mit der Nase essen können, sondern mit dem Munde essen müssen, so müssen wir wissen, daß wir nicht in jedem Lebensalter das Religiöse dem Menschen beibringen können, sondern in dem entsprechenden Lebensalter.

Ook de religieuze ervaring ligt volledig in het individu zelf. Die kunnen we er niet inproppen; we moeten die uit hun ziel halen. Maar net zoals we niet met onze neus kunnen eten, maar met onze mond, zo moeten we ook begrijpen dat we mensen niet op elk moment in hun leven religie kunnen bijbrengen, maar alleen op de juiste leeftijd.
GA 297A/157
Vertaald  

In bovengenoemde voordracht bespreekt Steiner hoe in het 9e, 10e jaar het religieuze in het kind ontstaat.
Die woorden zijn weergegeven in de passages over ‘autoriteit’, m.n. hier

.

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3480-3277

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 297)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Idee und Praxis der Waldorfschule

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

GA 297       Op deze blog vertaald

Voordracht 4, Stuttgart 24 september 1919

Übersinnliche Erkenntnis und sozial-pädagogische Lebenskraft

Bovenzinnelijke kennis en sociaal pedagogische levenskracht

Blz. 104

Schon beginnt man das, was der Nerv der Waldorf-schule ist, zu verkennen und deshalb das, was mit der Waldorf-schule gewollt wird, zu verleumden, wenn auch unbewußt. Man glaubt, weil diejenigen, die an ihrer Wiege stehen, von der Geistes-wissenschaft ausgehen, diese Waldorfschule sei eine «Weltanschau­ungsschule», eine Schule, in der den Kindern Anthroposophie bei­gebracht wird. Man ahnt gar nicht, wie sehr man, indem man das voraussetzt – sei es nun anhängerisch oder gegnerisch -, noch in alten Vorstellungen drinnensteht. Wir haben es gar nicht nötig, Anthroposophie dadurch zur Geltung zu bringen, daß wir sie als Weltanschauung zur Geltung bringen, daß wir einzelne anthropo­sophische Begriffe entfalten und darauf sehen, daß die Kinder diese aufnehmen, wie sie früher religiöse Vorstellungen aufgenommen haben. Nein, das betrachten wir nicht als unsere Aufgabe. 

Men begint de kern van het vrijeschoolonderwijs al te miskennen en wat met de vrijeschool nagestreefd wordt, af te kraken, ook al is het onbewust. Men gelooft omdat degenen die aan haar wieg staan uitgaan van de geesteswetenschap, dat deze vrijeschool een ‘wereldbeschouwelijke’ school,  een school waarin de kinderen antroposofie bijgebracht wordt. Men heeft er geen flauw idee van, hoezeer men, wanneer men dit veronderstelt – of het nu aanhangers of tegenstanders zijn – nog met een oude voorstelling van zaken leeft. 
Wij hebben het helemaal niet nodig om de antroposofie tot zijn recht te laten komen, om deze als wereldbeschouwing te doen gelden, dat wij afzonderlijke antroposofische begrippen ten toon spreiden en erop toezien dat de kinderen deze aannemen, zoals ze voorheen godsdienstige voorstellingen aangenomen hebben. Neen, dat beschouwen wij niet als onze opdracht.

Wir werden ehrlich einhalten, was wir veranschlagt haben: daß der pro­testantische, der evangelische, der katholische Religionslehrer die evangelische, die katholische Religion zu lehren haben, und wir werden dem Willen, diesen Religionsunterricht zu erteilen, keine Hindernisse irgendwie entgegensetzen. Wir werden diejenigen sein, die halten, was wir diesbezüglich versprochen haben. Wir suchen nicht, irgendeine neue Weltanschauung in dieser Form in die Schu­le hineinzutragen. Wir wollen etwas anderes. Wir sehen darauf hin, wie unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, weil sie herstammt von menschlichen Organisationskräften, übergeht in menschliche Geschicklichkeit, in menschliches Können, wie sie unmittelbar ausfließt in den menschlichen Willen. Wie wir pädago­gisch tätig sind, wie wir in der Schule handeln, wie wir uns den Unterrichtsstoff einteilen, wie wir den Lehrplan, die Lehrziele ge­stalten, also alles das, was methodische Handhabe des Unterrichts ist, was vom bloßem Wissen, von der bloßen Weltanschauung hin-überfließt in die Geschicklichkeit, in das Können des Erziehers, das ist dasjenige, was wir für unsere Aufgabe halten. Und deshalb wird

Wij zullen ons eerlijk houden aan wat we beloofd hebben: dat de protestantse, evangelische, katholieke godsdienstleraren de evangelische, de katholieke religie moeten aanleren en wij zullen de wil dit godsdienstonderwijs te verkondigen, geen hinderpalen in de weg leggen. Wij zullen degene zijn die zich houden aan wat we met betrekking hiermee afgesproken hebben. Wij proberen niet een of andere nieuwe wereldbeschouwing in deze vorm de school binnen te brengen. Wij willen iets anders.
Wij zien erop toe dat onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, omdat deze stamt uit heel de  menselijke  wezenskracht, overgaat in menselijke vaardigheid, in dat waartoe een mens in staat is, hoe deze direct uitstroomt in de menselijke wil.
Hoe wij opvoedkundig actief zijn, wat wij in de school doen, hoe we de lesstof indelen, hoe we het leerplan, de leerdoelen vormgeven, alles dus wat de methodische basis is van het onderwijs, wat van het alleen maar weten, van alleen maar wereldbeschouwing, overgaat in de vaardigheid, in het kunnen van de opvoeder, dat zien wij als onze opdracht. En daarom zal

Blz. 105

sich mancherlei korrigieren, was – wiederum aus gutem Willen heraus, aber durchaus nicht aus der nötigen zugrundeliegenden Einsicht – als Ziel und Inhalt gegenwärtigen pädagogischen Wir­kens betrachtet wird.

er nog wel veel goedkomen, wat – opnieuw door goede wil, maar beslist niet uit het noodzakelijke inzicht waarop het gebaseerd zou moeten zijn – als doel en inhoud gezien wordt van het huidige pedagogische werk.
GA 297/104  
Op deze blog vertaald

Pädagogisch-didaktische Kunst und die Waldorfschule

Pedagogisch-didactische kunst en de vrijeschool

Voordracht 8, Dornach 8 september 1920

Blz. 216

In unserer Freien Waldorfschule in Stuttgart, deren oberste Leitung mir ja unterstellt ist und die ich von Zeit zu Zeit wiederum zu inspizieren habe, da habe ich, da von mir der Lehrplan und die ganze Konstitution herrührt, von vorneherein gesagt: Das ist unmöglich, daß wir den Inhalt einer Weltanschauung in die Schule hineintragen. Die evangelischen Kinder werden von evangelischen Pfarrern, die katholischen Kinder von katholischen Pfarrern in ihrem Bekenntnis unterrichtet. Dissidentenkinder können Dissidentenkinder bleiben. Wenn dann eine ganze Anzahl von diesen Kindern beziehungsweise die Eltern dieser Kinder gekommen sind und uns gesagt haben: Ja, dasjenige, was Ihr die Kinder lehrt, das erweckt in ihnen das Gefühl, sie müßten auch einen religiösen Impuls empfangen – so sind die Dissidenteneltern gekommen, nicht etwa bloß diejenigen, die in irgendeinem Bekenntnis drinnenstehen; die gegenwärtigen Bekenntnisse bringen es nicht zustande, daß unmittelbar ein so reges religiöses Bedürfnis entsteht. Wir waren genötigt – weil bei den anthroposophisch erzogenen Kindern aus dem Geiste unseres Unterrichts heraus das religiöse Bedürfnis kam und weil die Dissidenteneltern ihre Kinder in konfessionellen Religionsunterricht nicht schicken wollen -, einen allgemeinen Religionsunterricht einzurichten. Die Kinder, die diesen Unterricht genießen, die hätten sonst überhaupt keinen genossen. Und wie

In onze school in Stuttgart waarover ik de leiding heb gekregen en die ik van tijd tot tijd moet inspireren, omdat het leerplan en de hele opbouw van mij komt, heb ik meteen gezegd: het is niet mogelijk dat wij de inhoud van een wereldbeschouwing in de school opnemen. De evangelische kinderen worden door een evangelische dominee, de katholieke kinderen door een katholieke pastoor in hun geloof onderwezen.

‘Afvallige’ kinderen kunnen afvallige kinderen blijven. Toen er dan een groot aantal kinderen, resp. de ouders van deze kinderen naar ons toe zijn gekomen en zeiden: ‘Ja, wat jullie de kinderen leren, wekt bij hen het gevoel dat ze ook een religieuze impuls zouden moeten krijgen – dus op die manier zijn de dissidentenouders gekomen, niet degenen die al bij een of ander geloof hoorden; de kerken van nu krijgen het niet voor elkaar dat er zo’n onmiddellijke religieuze behoefte ontstaat. Wij werden gevraagd – omdat bij de antroposofisch opgevoede kinderen vanuit de geest van ons onderwijs het religieuze gevoel ontstond en omdat de dissidentenouders hun kinderen niet naar het confessionele godsdienstonderwijs wilden sturen, een algemeen godsdienstonderwijs te geven. De kinderen die dit onderwijs krijgen, hadden dat anders niet gekregen. En zoals gezegd,

Blz. 217

gesagt, die katholischen Kinder genießen einen katholischen Religionsunterricht, die evangelischen Kinder einen evangelischen. Wir können, weil wir eben nicht eine Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen, durchaus im wahren, echten Sinne tolerant sein in dieser Beziehung. Und diese Toleranz trägt in der Praxis wahrlich keine schlechten Früchte. Denn dasjenige, was wir suchen, ist nicht, eine Weltanschauung in die Schule hineinzutragen oder ein Bekenntnis, sondern eine praktische Pädagogik und Didaktik, die aus Geisteswissenschaft und nur aus Geisteswissenschaft kommen kann. Ein ganz sachliches pädagogisches Interesse haben wir bei der Einrichtung unserer Schule und nicht, Propaganda zu machen für irgendeine Weltanschauung. Und derjenige, der das letztere behauptet, wir hätten ein Interesse aus unserer Geisteswissenschaft, für diese Propaganda zu machen, für eine Weltanschauung Propaganda zu machen, der lügt. Nur derjenige beurteilt das, was wir wollen, richtig, der da weiß, wie wir nichts anderem dienen wollen als dem praktischen Leben durch dasjenige, was diesem Leben gegenüber nicht in weltfremden Fernen steht, sondern gerade durch diese Erkenntnis, wie ich sie Ihnen eben geschildert habe, mit dem praktischen Leben zusammenhängt.

de katholieke kinderen krijgen katholiek godsdienstonderwijs, de evangelische kinderen het evangelische. Wij kunnen, omdat we geen wereldbeschouwing in de school willen brengen, wat dit betreft in de ware, echte zin van het woord beslist tolerant zijn. En deze tolerantie werpt in de praktijk echt geen slechte vruchten af. Want wat wij zoeken, is niet een wereldbeschouwing de school binnen te brengen of een geloof, maar een praktische pedagogie en didactiek die uit geesteswetenschap en alleen uit geesteswetenschap kan voortvloeien. Wij hebben een heel zakelijke pedagogische interesse bij de inrichting van onze school en niet om propaganda te maken voor een of andere wereldbeschouwing. En wie dit laatste beweert, als zouden wij erin geïnteresseerd zijn vanuit onze eigen geesteswetenschap propaganda te maken voor een wereldbeschouwing, die liegt. Alleen degene beoordeelt juist wat wij willen, die weet hoe wij niets anders willen dienen dan het praktische leven door wat t.o.v. dit leven niet wereldvreemd staat, maar juist door dit weten zoals ik u zojuist geschetst heb, met het praktische leven samenhangt.
GA 297/216-217 
Op deze blog vertaald 

Anthroposophie und pädagogische Kunst

antroposofie en pedagogische kunst

Olten, 29 december 1920

Blz. 257

Die Waldorfschule in Stuttgart ist keine Weltanschauungsschule. Wir haben nicht ein Interesse daran, etwa Anthroposophie theore­tisch wie eine Religion an die Kinder heranzubringen. 0 nein, das ist nicht dasjenige, was wir als die Hauptsache betrachten. Wir lassen, weil das in der Gegenwart auch gar nicht anders sein kann, durchaus den Eltern und den Kindern selbst ihre Freiheit. Diejeni­gen, die im evangelischen Bekenntnis unterrichtet werden wollen, werden vom evangelischen Pfarrer unterrichtet, diejenigen, die im katholischen Bekenntnis unterrichtet werden wollen, vom katholi­schen Pfarrer; denjenigen, die einen freien Religionsunterricht im Sinne ihrer Eltern oder durch ihren eigenen Willen haben wollen, geben wir einen solchen. Wir können nichts dafür, daß die Anzahl der letzteren – aber nicht durch unsern Willen, sondern in Gemäß­heit der heutigen Zeitumstände – eine überwiegend große ist gerade in der Waldorfschule. Wir haben aber nicht ein Interesse, die Waldorfschule zu einer unmittelbaren Weltanschauungsschule zu machen, sondern wir wollen dasjenige, was die anthroposophische Erkenntnis gibt, eben in die pädagogische Kunst, in die Handha­bung dieser pädagogischen Kunst hineinfließen lassen.

De vrijeschool in Stuttgart is geen wereldbeschouwelijke school. We zijn er niet in geïnteresseerd, zoiets als antroposofie theoretisch als een godsdienst aan de kinderen aan te bieden. O nee, dit is niet hetgeen wij als hoofdzaak zien. Wij laten, omdat dit in de huidige tijd ook helemaal niet anders kan, absoluut de ouders en de kinderen zelf vrij. Wij zijn er echter niet in geïnteresseerd om de vrijeschool in directe zin tot een wereldbeschouwelijke school te maken, maar wij willen datgene wat de antroposofische kennis oplevert, nu juist in de pedagogische kunst, in het uitoefenen van deze pedagogische kunst laten instromen. Hoe men het met het kind aanpakt, niet wat men het kind aanbiedt, is waar het bij ons om gaat. Degenen die onderwezen willen worden in het evangelische geloof, worden door de evangelische dominee onderwezen, degene die in het katholieke geloof onderwezen wil worden, door de katholieke priester; aan degenen die een vrij godsdienstonderwijs willen als ouders of door wat de leerlingen zelf willen hebben, geven wij dat. We kunnen er niets aan doen dat het aantal van de laatste groep – niet omdat wij dat willen, maar dat brengt de huidige tijd mee – tamelijk groot is , juist op de vrijeschool. We zijn er niet in geïnteresseerd de vrijeschool recht toe, recht aan tot een wereldbeschouwelijke school te maken, maar we willen wat de antroposofische kennis geeft, in de pedagogische kunst, in het uitoefenen van deze pedagogische kunst in laten stromen.
GA 297/257  
Op deze blog vertaald

.
Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3479-3276

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 295)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Tegelijkertijd is ‘religie’ voor hem meer dan godsdienst, zoals je dat ook nu nog uitgedrukt vindt in ons taalbegrip.

In de 3e cursus, GA 295, (1) geeft hij vanuit een ander blikveld dan de wereldbeschouwelijke school, aan waarom er wel ‘godsdienst’ op het rooster komt te staan, maar dat dit niet door de school wordt ingevuld.
Daar moeten dominee en pastoor voor zorgen.

Erziehungskunst
Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge

praktijk van het lesgeven

1e leerplanvoordracht, 6 september 1919

Blz. 163   vert. 150/151

Nun brauche ich Ihnen wohl nicht zu sagen, daß schon an diesen Lehrgegenständen, von denen wir bis jetzt gesprochen haben, beim Kinde sich mancherlei entwickeln lassen wird von einem Bewußtsein, daß Geist alles durchdringt, was in der Welt vorhanden ist. Daß Geist in unserer Sprache lebt. Daß Geist in dem lebt, was als Geographisches die Erde bedeckt. Daß Geist lebt in dem Leben der Geschichte. Wenn wir versuchen, den lebendigen Geist in allem zu fühlen, dann werden wir auch die richtige Begeisterung finden, diesen lebendigen Geist auf unsere Schüler zu übertragen.
Und dann werden wir an unseren Schülern für die Zukunft wieder gutmachen lernen, was namentlich die religiösen Bekenntnisse seit dem Beginn der neueren Zeit an der Menschheit verschuldet haben. Diese religiösen Bekenntnisse, die nirgends darauf gesehen haben, daß der Mensch sich möglichst frei entwickle, sie haben von den verschieden­sten Richtungen her den Materialismus großgezogen. Darf man nicht das gesamte Weltmaterial dazu verwenden, dem Menschen beizubrin­gen, daß Geist wirke, dann wird der religiöse Unterricht zu einer

Nu hoef ik u zeker niet te vertellen dat we aan de hand van deze leerstof waar we tot nu toe over hebben gesproken, bij het kind een bewustzijn kunnen ontwikkelen van het feit dat het geestelijke leeft in alles wat er in de wereld bestaat. Dat het geestelijke leeft in onze taal, dat het geestelijke leeft in de geografische gesteldheid van de aarde, dat het geestelijke leeft in de geschiedenis. Wanneer we proberen om in alles de levende geest te voelen, dan zullen we ook het juiste enthousiasme vinden om deze levende geest over te brengen op onze leerlingen.
En dan zullen we via onze leerlingen voor de toekomst weer leren goedmaken wat met name de religieuze confessies sinds het begin van de nieuwe tijd aan de mensheid verschuldigd zijn. Deze confessionele religies, die er in geen enkel opzicht voor hebben gezorgd dat de mens zich zo vrij mogelijk kon ontwikkelen, die hebben vanuit de meest uiteenlopende richtingen het materialisme grootgebracht. (2) Mag men niet alles in de wereld gebruiken om de mens bij te brengen dat het geestelijke werkzaam is, dan wordt het godsdienstonderwijs een

Blz. 164  vert. 151

Pflegestätte für den Materialismus. Die religiösen Bekenntnisse haben es sich geradezu zur Aufgabe gemacht, dem übrigen Unterricht zu ver­bieten, vom Geist und von der Seele zu sprechen, weil die sich dieses als ein Privilegium nehmen wollten. Dabei ist diesen religiösen Be­kenntnissen immer mehr die Wirklichkeit über diese Dinge ausgetrock­net, und so ist das, was im Religionsunterricht vorgebracht wird, nur eine Substanz von sentimentalen Redensarten und Phrasen. Und das, was uns heute so furchtbar aufgeht in der Phrase, die in aller Welt herrscht, das ist eigentlich mehr noch ein Ergebnis der Kanzelkultur, als es ein Ergebnis der Weltkultur überhaupt ist. Denn die leersten Phrasen werden in den religiösen Bekenntnissen zutage gefördert und dann durch den Instinkt der Menschheit übertragen in das äußere Le­ben. Gewiß erzeugt das äußere Leben auch sehr viel von Phrasenhaf­tem, aber am meisten sündigen in dieser Beziehung doch die religiösen Bekenntnisse.
Wir werden sehen, meine lieben Freunde, wie die erste Rubrik «Re­ligionsunterricht» – die ich auch in dieser Besprechung gar nicht antaste, denn die wird die Aufgabe der Kirchengemeinschaften sein – in unserem Waldorfschul-Unterricht auf die folgenden Rubriken wirken wird. Denn das muß ich ja ganz leer lassen, was da als erste Rubrik steht. Oben wird frei bleiben «Religionsunterricht». Da werden ein­fach die Stunden dem Religionslehrer überlassen. Da ist er freier Wal­ter. Da hört er nicht auf uns, selbstverständlich. Da hört er auf die Verfassung, auf das Amtsblatt seiner Kirchenverwaltung oder kirch­lichen Schulverwaltung. Wir werden unsere Pflicht nach dieser Rich­tung tun, und werden ruhig unsere Pflicht aber auch in bezug darauf tun, den Geist aus den übrigen Unterrichtsgegenständen für die Kinder hervorzuzaubern.

broedplaats van het materialisme. De confessionele religies hebben zich in feite tot taak gesteld om de rest van het onderwijs te verbieden om te spreken over geest en ziel, omdat zij daarin het alleenrecht wensten te hebben. Daarbij is de werkelijkheid over die dingen bij deze religieuze richtingen steeds meer uitgedroogd, en zo bestaat datgene wat er in de godsdienstlessen wordt verteld enkel uit sentimentele frasen en lege woorden. En dat wat ons tegenwoordig zo verschrikkelijk duidelijk wordt in de frase die overal heerst, dat is eigenlijk meer nog een resultaat van de kanselcultuur dan een resultaat van de wereldcultuur in het algemeen. Want de meest holle frasen worden opgeroepen in de religies en dan door het instinct van de mens overgenomen in het dagelijks leven. Zeker, het dagelijks leven roept ook zeer veel holle frasen op, maar het meest zondigen in dit opzicht toch de religieuze confessies. 

 We zullen zien, beste vrienden, hoe de eerste rubriek ‘godsdienstonderwijs’ – waar ik bij deze bespreking ook helemaal niet aan wil komen, want dat zal de taak van de kerken zijn – in onze Waldorfschool op de volgende rubrieken zal werken. Want wat daar als eerste rubriek staat, dat moet ik helemaal leeg laten. De bovenste rubriek zal vrij blijven voor ‘godsdienstonderwijs’. Daar worden die uren gewoon overgelaten aan de godsdienstleraar. Daarin is hij vrij. Daarin luistert hij uiteraard niet naar ons. Daarin luistert hij naar de regels, naar de circulaires van zijn kerkbestuur of kerkelijke schoolleiding. Wij zullen in deze onze plicht doen, maar we zullen rustig in ander opzicht ook onze plicht doen en voor de kinderen uit de rest van de leerstof het geestelijke te voorschijn toveren*
GA 295/163-164    

*Als keuzemogelijkheid naast de door de kerkgenootschappen verzorgde godsdienstlessen werd enkele weken later het zogenaamde ‘vrije antroposofische’ of ‘vrije christelijke godsdienstonderwijs’ ingesteld. In Nederlandse Vrije Scholen is alleen dit godsdienstonderwijs op algemeen christelijke grondslag, zonder enige confessionele binding, gebruikelijk. Het wordt gegeven door ervaren leerkrachten van de eigen school. Zie hierover Frans Carlgren, De Vrije School, Zeist 1986.

Je zou bij dit ‘geestelijke’ o.a. kunnen denken aan de niet direct in het oog springende fenomenen: dat alles met alles samenhangt; het ‘vanuit het geheel naar de delen; de sympathie en antipathie in klinker en medeklinker; de metamorfosegedachte in de plantkunde. En meer.

1.GA 295 Duits

(2) Zie bv. 3e vdr. Algemene menskunde: Concilie 869

.

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

3478-3275

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner lezen?

.

Steiner lezen?
.

In de ‘Seizoener’ winter 2025 wordt aan een vrijeschooljuf gevraagd: ‘Ben je antroposoof? 
Juf zegt: ‘Ik lees nauwelijks Steiner en ik denk vaak dat ik niet zo antroposofisch ben. Maar een collega zei eens dat ik veel antroposofischer werkte dan ik dacht. Misschien zit het wel meer in je handelen dan in wat je leest.’

Deze summiere opmerking houdt een reeks vragen in waar je lang over zou kunnen discussiëren.

Bv. moet je antroposoof zijn om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.
Wat houdt dat in dan: antroposoof zijn.

Haar collega weet er kennelijk wel meer van: ‘dat ze veel antroposofischer werkte dan ze dacht.’

Maar wat is dat dan: antroposofisch werken.

Voor dit laatste lezen we ook vaak: ‘vanuit de antroposofie’, d.w.z. met gezichtspunten als uitgangspunt die je ontleent aan Steiners visie op: vul maar een leef/werkgebied in, in ons geval de pedagogie.

En dan heb je Steiner nog buiten het werkveld van de pedagogie.

Al die jaren dat ik vrijeschoolleerkracht was, heb ik geprobeerd Steiner te lezen. Wat ik tegenkwam was voor mij verrassend, nieuw, herkenbaar of volkomen vreemd, verbijsterend zelfs. Toch richtte ik me als gevolg daarvan, met bepaalde gezichtspunten anders op mens en wereld, wat ik als ‘rijker worden’ heb ervaren. 

Maar eigenlijk was er veel te weinig tijd: vanuit school geredeneerd: het voorbereiden van de lessen; het bezig zijn met de ontwikkeling van je klassenkinderen; de vergaderingen en alle nevenactiviteiten.
Dan was er het gezin, de relatie, het te verbouwen huis. 

Een ongezonde situatie.

Ik geef juf wel gelijk: het gaat om het handelen, niet om het lezen. Maar ik voeg er onmiddellijk aan toe: juist door te lezen, wat ik nu beperk tot de pedagogische voordrachten, krijg je allerlei inzichten die je handelen sturen, richting vrijeschoolpedagogie. 
En dat is anders dan ‘een soort op goed geluk’, wat de ander ‘antroposofisch’ vindt.
Dat ‘op goed geluk’, of ‘intuïtief’ is zeker niet verkeerd. Sterker: in je eerste ‘rondje’ zal je daar het meest mee doen. 

In de loop van de jaren is het voor veel vrijeschoolleerkrachten steeds moeilijker geworden Duits te lezen.
Maar geen nood: inmiddels zijn vrijwel ALLE pedagogische voordrachten vertaald. Ook een aantal op deze blog:

Rudolf Steiner over pedagogie(k)
De in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften; de betreffende vertalingen in boeken of op deze blog.

De vakken

Als je voor het eerst of weer een periode gaat geven in een bepaald vak, is het niet te doen om in alle pedagogische voordrachten over dit vak te gaan zoeken.
Ik vond dat zelf jammer, hoewel ik nog kon putten uit de Duitse opmerkingen van Karl E.A.Stockmeyer die een verzameling opmerkingen per vak had gebundeld.*

Ik ben, in navolging van hem, dat ook voor ieder vak op deze blog aan het weergeven:

Zie hier: Rudolf Steiner over…..

Verder staan op deze blog talloze artikelen over allerlei vakken van collega’s uit het veld. Die lezen, is a.h.w. een goed gesprek voeren over het ontwerp.

Dat alles geeft je veel meer zekerheid, slagvaardigheid enz.

Ik kan zeggen: Steiner lezen geeft je pedagogisch handelen vruchtbare impulsen!

.
*Karl E.A. Stockmeyer: Rudolfs Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen (1 en 2). In 2017 opnieuw uitgegeven met een iets andere titel.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3477-3274

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-8)

.

Het is al weer enkele jaren dat we als mensheid te maken kregen met een pandemie door het zgn. coronavirus.
Er werd veel over gesproken, geschreven, gediscussieerd. 
Als je ergens middenin zit, is het moeilijk afstand te nemen.

In 2020 schreef John Hogervorst er in Driegonaal ook een artikel over aan de hand van gezichtspunten van Steiner. Als een overkoepelende gedacht!

John Hogervorst, Driegonaal, maart 2020
.

Een ongenode gast


Gedachten bij het coronavirus

In deze dagen, [2020]waarin de ontwikkelingen rondom het coronavirus alle aandacht vragen, is het moeilijk om níet stil te staan bij dit virus en zijn wereldwijde gevolgen.

Op 7 april 1920 hield Rudolf Steiner een voordracht met als titel ‘Hygiëne als sociaal vraagstuk’.1) Een mogelijk verbazing wekkende titel. Hoe zou hygiëne een sociaal vraagstuk kunnen zijn? Dat is daar waar het individuele raakt aan het algemene.

Rudolf Steiner: “Dit gebrek aan sociale zienswijze merkt men het duidelijkst wanneer men zijn aandacht op één bepaald gebied richt, bijvoorbeeld op het gebied van de hygiëne, dat misschien nog meer dan andere, zich leent om aan een sociale beschouwing onderworpen te worden, namelijk voor zover hygiëne een openbare aangelegenheid is, die niet de enkele mens, maar de gehele mensengemeenschap aangaat.”

Dat laatste is momenteel onmiskenbaar het geval, zodat naast een medische benadering van het coronavirus (die u op deze plaats niet zal aantreffen) een ‘sociale beschouwing’ relevant kan zijn.

Een beperkt zicht op de werkelijkheid

Het eerste deel van deze voordracht is gewijd aan het materialisme: aan de materialistische beschouwing van de wereld, en voor wie dit ver weg klinkt: ook aan het materialisme in ons eigen denken en bewustzijn. Hier ligt al direct een raakvlak met de huidige situatie.
Bijvoorbeeld: in de media zien we een reeks van deskundigen langs trekken: virologen, specialisten, epidemiologen, onderzoekers in allerlei specifieke vakgebieden die hun licht op het coronavirus laten schijnen. Zij praten ons bij over de verspreiding van het virus, de aard en werking ervan, over de oorsprong, preventie en bestrijding. – 

In zijn voordracht karakteriseert Rudolf Steiner het materialisme, en, heel verhelderend, zegt daar onder meer dat niet wat, maar hoe een mens denkt, aangeeft of hij (al dan niet bewust) een materialistische denkwijze heeft. Dat betekent bijvoorbeeld dat een mens oprecht overtuigd kan zijn van het bestaan van de menselijke ziel en de menselijke geest, maar desondanks, door hoe hij denkt, tóch materialistisch denkt.
Vervolgens geeft Rudolf Steiner een betekenisvolle illustratie van de beperktheid van elke materialistische benadering. Stel je voor, zegt hij, dat je een mens helemaal bedekt, zodanig dat je alleen nog de vingers van één hand van die mens ziet. En stel je voor dat je die vingers met alle mogelijke middelen en technieken onderzoekt. Dan is alles wat je zo te weten komt uiteindelijk van zeer beperkte betekenis: met alles dat je nu van de vingers weet, weet je niets over de gehele mens, niets over het organisme waarvan de vingers deel zijn, ben je niets wijzer over wat de mens is.
Om iets zinnigs te leren over en van het coronavirus, zouden we veel verder moeten kijken dan naar het virus zelf. Alle specifieke invalshoeken van waaruit de deskundigen ons over het virus informeren, zijn te vergelijken met een grootschalig maar minutieus onderzoek van ‘de hand’. Het coronavirus, deze ongenode gast, nodigt ons dus uit tot een verruiming van onze blik – feitelijk tot een verandering van ons denken, ons mens- en wereldbeeld, en daarmee ook van ons handelen in de ruimste zin. Dat begint met het inzicht dat we het virus niet geïsoleerd, als op zichzelf staand verschijnsel moeten onderzoeken, maar als deel van een groter geheel.

Vragen naar het grotere geheel

Dat grotere geheel kunnen we exploreren aan de hand van vragen, bijvoorbeeld:
– Ligt de oorsprong van het virus inderdaad, zoals ons gezegd wordt, op de markten in China waar een bonte stoet van dieren, al dan niet levend, verkocht wordt? Als dat zo is, wat betekent het dan dat er in de dierenwereld een dergelijk virus ontstaat, en hoe ontstaat het daar dan? Zegt dit iets, en zo ja wat, over de ‘gezondheid’ van het ecosysteem waarin deze dieren leven – en dat ook gewoon óns ecosysteem is? Ligt er een verband tussen menselijk handelen, dit ecosysteem en het ontstaan van dit virus? Als ja, wat zou daaruit moeten volgen?
– Waarom heeft dit virus potentieel zulke gevaarlijke gevolgen voor de mens?2) En wat zegt dit over de conditie van het menselijk immuunsysteem? Een gezond immuunsysteem ‘kan heel wat hebben’ – en overwint in de loop van een mensenleven menig virus. Staat ons immuunsysteem mogelijk onder druk, en wordt het verzwakt door andere factoren? Uit wetenschappelijk onderzoek is (al lang) bekend dat het immuunsysteem van mensen die veel aan stress bloot staan, of die last hebben van depressieve gevoelens, verzwakt. Ook is bekend dat het immuunsysteem zich ‘oefent en sterkt’ wanneer wij tijdens het opgroeien met van alles in aanraking komen: met van alles dat er in de natuur is, met vuil en allerlei ‘stofjes’, met kinderziekten, met infecties. Welk effect hebben allerlei vaccinaties op de gezondheid van ons afweersysteem? Wat is het effect van allerlei vormen van straling die ons tegenwoordig dag en nacht omgeeft? Is er een relatie tussen ons immuunsysteem en de kwaliteit van industrieel vervaardigde voedingsmiddelen?
Ja, we zouden er heel veel aan kunnen hebben wanneer wij het coronavirus als deel van een groot geheel zouden opvatten.
Daarmee is nog lang niet alles gezegd dat over de gevolgen van het virus opgemerkt kan worden. Ik ga nog even verder, maar vrees niet: niet alles kan en zal hier aan bod komen.

Een nóg groter geheel

In de afgelopen week maakte ik, op een vliegveld in Boston in de VS., een voorval mee dat mij een glimp toonde van een mogelijke wereld in wording, in het kielzog van de coronacrisis. Omdat mijn retourvlucht naar Schiphol door de luchtvaartmaatschappij was geannuleerd, zoals, naar bleek, alle vluchten van deze maatschappij van Boston naar Nederland, was ik blij dat ik toch nog, met een andere vliegmaatschappij, terug kon reizen door eerst naar Lissabon en vervolgens naar Amsterdam te vliegen. Bij de gate, met een paar dozijn andere passagiers, wachtte ik op het moment dat wij het vliegtuig zouden kunnen betreden. Bij de balie van de Portugese vliegmaatschappij meldde zich een Spaanse vrouw die, zo bleek in het vervolg, diezelfde dag dezelfde vlucht naar Lissabon had geboekt, omdat haar vlucht naar Spanje ook geannuleerd was. Omdat de Spaanse regering diezelfde middag de landsgrenzen gesloten had, mocht deze vrouw, die vanuit Lissabon zou doorvliegen naar Spanje, niet mee. Ondanks de elkaar opvolgende woede en wanhoop die zich van haar meester maakten, werd haar de toegang tot het vliegtuig geweigerd. De ene na de andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij beriep zich op het besluit van de boven hen gestelde machten en maakte de vrouw duidelijk dat zij niets voor haar konden doen. Na verloop van tijd verschenen twee gewapende politiefunctionarissen die zich over de Spaanse ‘ontfermden’…
Op de gezichten van de andere wachtenden herkende ik: verbazing, ongeloof, onbegrip, stil protest, schaamte én het besef: “Het heeft geen zin dat ik mij hiermee bemoei (en ik wil ook niet het gevaar lopen dat ik straks zelfs ook niet mee vlieg).

Een glimp van een mogelijke wereld in wording, schreef ik hierboven. – De maatregelen die overal ter wereld genomen worden in het kader van de coronacrisis, vormen een ongekende inperking van grondrechten en menselijke vrijheid, en laten tegelijkertijd zien welke ‘kale structuren’ onder onze alledaagse werkelijkheid schuilgaan. Het zijn koude, onaanraakbare structuren waarop mensen nog maar beperkt invloed kunnen uitoefenen en die aan ‘menselijkheid’ ook geen ruimte geven.
Mogelijk komen deze maatregelen voort uit niets anders dan de wil om de gevolgen van het coronavirus zoveel mogelijk in te dammen.
Mogelijk wordt er ook nauwkeurig waargenomen hoe ‘men’ op deze maatregelen reageert, en ontstaat bij deze of gene de gedachte dat de ene of de andere maatregel ook voor andere doeleinden te gebruiken is.
Zéker is het zo, dat wij er goed aan doen nauwgezet te volgen wat er op dit vlak gebeurt en er op toe te zien dat tijdelijke maatregelen niet stilzwijgend een permanent karakter krijgen.

Ook op het vlak van de ‘publieke opinie’ past het om wakker te blijven, of te worden. Niet alleen om niet besmet te worden met allerlei gevoelens van angst of hysterie. Ook om waar te nemen hoe stemmen die een andere (een zogenoemde ‘afwijkende’) mening over aspecten van het coronavirus vertegenwoordigen, geen podium krijgen, en om op te merken dat allerlei wezenlijke vragen niet gesteld worden. De publieke opinie heeft in onze dagen absolutistische, dictatoriale en radicaal onverdraagzame trekken gekregen.

Te midden van dit alles is het goed om te beseffen dat het beter en vruchtbaarder is onze aandacht te richten op het gezonde dan op datgene wat ziek is. – Voor de duidelijkheid: ik spreek nu niet over gezonde of zieke mensen, maar over gezonde of ziekmakende ontwikkelingen in de samenleving. –
Wanneer wij het coronavirus opnemen als dringende aansporing om te doorzien wat het eigenlijk betekent dat onze samenleving (het heersende mens- en wereldbeeld, de hoofdstroom van de wetenschap, de invulling van de media) gevangen zijn in een materialistische mens- en wereldbeschouwing, zien wij van daaruit ook wat het gezonde is, wat onze aandacht verdient en ons denken kan verlevendigen: de vrijheid die in onze cultuur moet heersen – en die daar alleen voet aan de grond krijgt wanneer wij haar in onszelf veroveren.
Daar aangekomen, zouden in vrijheid gewonnen inzichten leiden tot een andere praktijk in alle gebieden: die van het cultuurleven, de politiek en van de economie.

Noten:
1) Rudolf Steiner uit GA 314.
Vertaald
2) De medische vragen met betrekking tot de werking, betekenis en ‘gezondheid’ van het immuunsysteem ontleen ik aan een tekst van Hans-Ulrich Albonico, antroposofisch arts in Zwitserland, in de vorm van een kleine brochure bij uitgeverij Nearchus verschenen onder de titel: Is ons afweersysteem nog gezond? – Vragen van een huisarts.
.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3476-3273

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas rekenen: achtergronden bij het aanleren van breuken (5-2)

.

In dit artikel vertelt de wiskundige, vrijeschoolleraar t.t.v. Steiner, Ernst Bindel, over ‘breuken’. Hij was vooral werkzaam in de bovenbouw. Dat merk je bv. aan zijn gegeven schema’s – hieronder – die m.i. voor de 4e klas nog niet zo bruikbaar zijn. Het blijft wat abstract: geen taart, pannenkoeken of knippen van de breuken uit getekende gehelen, kleuren of werken met ‘breukenkisten’.
Hij geeft je een blik in het Egyptische rekenen, interessant voor de leraar die ‘boven de stof’ wil staan.
Verder geeft hij gezichtspunten over de schrijfwijze, brengt hij je op ideeën om iets wel of niet in je klas te doen.
Zijn opmerkingen over breuken en muziek zijn bv. uit het oogpunt van vakkenintegratie, stimulerend. (Hij had dit idee van zijn collega Erich Schwebsch).

Ernst Bindel, Erziehungskunst 3e jrg. 1929 nr 3/4

.

breuken: het begin

De moeilijkheden die je ondervindt bij het innerlijk verwerken van deze breuken zijn bekend bij iedereen die ermee te maken heeft gehad. Gezien deze situatie is de enige manier om er tot nu toe mee om te gaan, de breuk te beschouwen als een psychologische kwestie van het individu, als een cultureel element, om het zo maar te zeggen, dat men buiten beschouwing heeft gelaten en hem tot het niveau van een louter hulpmiddel heeft gedegradeerd.

De leraar stelde zich tevreden met het bereiken van een gebrekkig logisch begrip van breuken en hun rekenkundige verband bij de kinderen, en besteedde het grootste deel van zijn inspanningen aan het leren van de leerlingen om puur oppervlakkig met breuken om te gaan, omdat het volwassen leven tegenwoordig nu eenmaal kennis van breukrekenen vereist. Het valt niet te ontkennen dat men op deze manier tot nu toe al heel ver is gekomen. Door een dergelijke aanpak zullen de leerlingen bijvoorbeeld vrij snel heel goed de meest uiteenlopende breuken met elkaar kunnen vermenigvuldigen, door enerzijds de tellers en anderzijds de noemers puur mechanisch bij elkaar op te tellen. Als ze ouder zijn geworden en hun begripsvermogen is toegenomen, zullen ze zelfs in staat zijn om te begrijpen waarom men op deze manier te werk moet gaan. In feite hebben wij volwassenen waarschijnlijk allemaal op deze manier kennis gemaakt met breuken.

Maar waarschijnlijk zijn de meesten van ons ook voorbijgegaan aan wat er bij breuken te beleven valt. Een pedagogiek die haar aandacht vooral richt op de karaktervormende krachten die in alle lesstof aanwezig zijn, moet echter afzien van deze goedkope manier om met breuken om te gaan. Zij moet veeleer de menselijke en humanitaire aard van de breuk in het middelpunt van het onderwijs stellen en zou zelfs het recht hebben om de techniek van het breukrekenen te beperken ten gunste van een dieper inzicht in de aard van de breuk, ware het niet dat de huidige beschaving de absolute beheersing van alles wat met rekenen te maken heeft, dwingend eist.

De volwassene, die al zijn weg in de wereld heeft gevonden en voor wie de dingen van deze wereld steeds vertrouwder zijn geworden, raakt steeds minder in staat om zich te verbazen over wat hem vertrouwd is geworden – tenzij hij vanuit zijn innerlijke kracht streeft naar spirituele ontwikkeling. Alleen wat de onvermoeibaar voortstuwende tijdgeest hem voorlegt, kan nog een gevoel van verwondering bij hem oproepen. Over het geheel genomen worden de momenten van verwondering in het leven van de volwassene, die zich volledig aan de wereld overgeeft, steeds zeldzamer en steeds sporadischer. In een heel andere situatie bevindt zich het kind, de leerling die aan de leraar is toevertrouwd. De leraar kan en moet hier rekenen op de kracht van verwondering, als hij niet alleen lesgeeft, maar ook wil opvoeden. Wat de mensheid tijdens haar culturele opkomst – of ook neergang – in de loop van duizenden jaren heeft verbaasd door de openbaringen van de elkaar afwisselende tijdgeesten die de ontwikkeling voortstuwden, dringt zich bij het kind in de volheid van de ervaring van enkele jaren samen, en het is voor de leraar ronduit noodzakelijk om die verbazingwekkende momenten van de mensheid te bestuderen, om zich als opvoeder een juist beeld te kunnen vormen van de situatie waarin het kind dat voor hem zit zich bevindt. Zo zal het ook de juiste behandeling van breukrekenen bevorderen om te onderzoeken hoe de mensheid de breuk heeft aanvaard toen zij er voor het eerst mee in aanraking kwam.

Egypte en Babylonië

De oorsprong van de eigenlijke breukrekening valt in de bloeitijd van de oude Egyptische cultuur, dus in de tijd van het derde of zelfs tweede millennium voor Christus. Hetzelfde Egypte, dat de Osiris-mythe centraal stelde in zijn religieuze beleving, legde ook een innerlijke relatie met de breuk vast. Hoewel dezelfde breukrekening ook al te vinden is op Babylonische spijkerschriftmonumenten uit dezelfde periode, besteedden de Babyloniërs er nog niet bijzonder veel aandacht aan en lieten ze het links liggen.
Het is zeer waarschijnlijk dat de Babylonische volkeren de opeenvolging van breuken in verband brachten met de structuur van de geestenwereld. Het zou dan een soort heilige schroom zijn geweest die hen ervan weerhield zich met breuken bezig te houden. Hoe het ook zij, alleen de Egyptenaren durfden zich aan breuken te wagen. Ook de Egyptische ziel dacht aan haar verband met de goddelijke wereld. In de oertijd had zij zich als Isis verenigd met het goddelijke zonwezen Osiris, totdat, zoals men zegt, de vijandige wind Typhon kwam, die de god Osiris verscheurde en Isis, zijn echtgenote, aan de weduwschap overleverde. Bij nader inzien is de Osiris-mythe een mythe over het mysterie van de geboorte. Het spirituele aspect van de geboorte van de aardse mens werd door de Egyptenaren als pijnlijk ervaren. Wanneer de mens de baarmoeder verlaat, scheidt hij zich met zijn eerste ademhaling, met het binnendringen van de buitenlucht, van de tot dan toe in hem werkzame totaliteit van goddelijke spirituele krachten en draagt hij voortaan in zijn aardse persoonlijkheid.

De ernstige totaliteit komt slechts fragmentarisch tot uiting in sicli. Hetzelfde proces kan echter ook worden ervaren in de wereld van de getallen, wanneer het hele getal wordt verlaten en in plaats daarvan de breuk verschijnt. Zo is de Osiris-mythe voor de wiskundige ook een mythe van de deling, de divisie. De meest mysterieuze van de zogenaamde lagere rekenwijzen, de deling, stijgt, tot nu toe verborgen in het gebied van het onbewuste scheppen, nu op naar dat van de voorgevoelige ervaring en vervult de gevoelige ziel van de Egyptenaar met groeiende verbazing.

Drie dingen kunnen de toeschouwer opvallen aan de manier waarop de Egyptenaren met breuken omgaan en hem tegelijkertijd waardevolle aanwijzingen geven voor een pedagogiek van het breukenrekenen.

1. Alleen de zogenaamde aliquotbreuken (Een deel of fractie van een mogelijk geheel of een geheel vormend of omvattend) – ook stambreuk: ½  1/3   1/4   1/5  … zijn bekend bij de Egyptenaren. Alle andere breuken leveren hem min of meer grote problemen op en hij rust niet voordat hij een willekeurige breuk heeft teruggebracht tot een reeks stambreuken. Er is dus een scheiding tussen de stambreuken en hun veelvouden, die door de volwassene van vandaag de dag nauwelijks nog wordt gevoeld, maar voor de mensen van toen een groot obstakel betekende. Als we er even bij stilstaan, kunnen we de reden voor dit merkwaardige verschijnsel achterhalen. De Egyptenaar stond immers nog maar aan het begin van de breukervaring. Een oude eenheid viel voor zijn ogen in duigen, hij bevond zich nog midden in het breekproces en zo beleefde hij hier de symbolische kant van deze gebeurtenis in de reeks stambreuken, daar de fysiologische kant ervan in de verbeelding van het geboortemysterie. Als men bijvoorbeeld de breuk 1/7 uitspreekt, begrijpt men juist het moment van het breken, het ontstaan van de breuk uit de eenheid, terwijl bijvoorbeeld de breuk 5/7 al een hereniging van vijf van dergelijke breukstukken vertegenwoordigt. Bij breuk 5/7 ligt het moment van breken al in het verleden, het breken is al achter de rug, men is niet iemand die breekt, maar iemand die gebroken is. Hele gebieden van de wiskunde kunnen zelfs voor de hedendaagse wiskundige in een nieuw intellectueel licht verschijnen, wanneer hij die plaatsen opzoekt waar de dtambreuken een rol spelen, vooral daar waar de getallenreeks 1/1, 1/2, 1/3, 1/4,…. in relatie staat tot de reeks 1, 2, 3, 4,… . Het is waarschijnlijk niet algemeen bekend dat de grote ingewijde van de mensheid, die zich door de Egyptische tempelwijsheid inspireren liet en een van de machtige inspiratoren werd van een nieuwe cultuur die het Egyptische tijdperk afloste, Pythagoras, samen met zijn leerlingen en opvolgers de twee genoemde getallenreeksen als uitgangspunt nam om uit hun onderlinge wisselwerking, hun kruisbestuiving en verstrengeling de gehele antieke muziek in getallen te vatten. Esoterische breuken zou men stambreuken kunnen noemen, gezien de geestelijke rijkdom die er juist in besloten ligt.

2. Als de Egyptenaren een deling moesten uitvoeren die tot willekeurige breuken leidde, gebeurde dit altijd via de omweg van vermenigvuldigen. Dit kan aan de hand van een voorbeeld worden verduidelijkt. Het gaat om het delen van het getal 180 door 250. De directe deling, die 180/250 of 18/25  zou opleveren, kwam voor de Egyptenaren nog niet in aanmerking. Vaak draaide hij de opgave om, zodat hij zich afvroeg: welke stambreuken van 250 moet ik bij elkaar optellen om 180 te krijgen? In werkelijkheid vermenigvuldigde hij dus 250 met stambreuken totdat hij 180 kreeg:

De helft van 250 is 125,
een vijfde van 250 is 50,
een vijftigste van 250 is 5.

Aangezien de som van 125, 50 en 5 de waarde 180 heeft, is het resultaat van de deling van 180 door 250 de som van de drie stambreuken 1/2, 1/5, 1/50. In feite levert de som van deze drie breuken ook de bovenstaande breuk 18/25 op. We zien dat de deling die tot willekeurige breuken leidt, hier nog steeds berust op een vermenigvuldiging. De Egyptenaar voelde nog te sterk het afscheid van zijn persoonlijkheid van de goddelijke krachten die hem tot dan toe hadden gedragen, zijn ziel gaf zich nog te veel over aan het verdriet om Isis, dan dat ze met deze deling, dit weduwschap – weduwschap komt taalkundig van het woord delen – had kunnen rekenen. Ze vluchtte terug naar dat wonderbaarlijke verbindende element, dat ook vandaag de dag nog in de vermenigvuldiging kan worden ervaren.

3. Net zoals de directe deling van een getal door een ander nog niet kon worden uitgevoerd, ontbrak ook nog een taalkundige uitdrukking voor de delende verbinding van twee getallen. Terwijl we vandaag bijvoorbeeld zeggen: deel 2 door 7, zeiden de Egyptenaren: maak 2 uitspreekbaar in 7, aanbid 2 in 7, en hun beeldschrift toont ons daarbij een knielende man die de wijsvinger van zijn rechterhand aan zijn mond legt. Tot in de grammaticale taal had de Egyptenaar moeite om met het proces van scheiding om te gaan.

9e, 10e levensjaar

Ook de mens van vandaag maakt op een bepaald moment in zijn kindertijd soortgelijke ervaringen door, zoals die voor het eerst op grote schaal bij de Egyptenaren voorkwamen. In de periode rond het negende en tiende levensjaar wordt de kinderlijke ziel bevangen door een licht verdriet. Ze voelt oude verbanden, oude banden verdwijnen, doordat ze zich van binnenuit gedwongen voelt om een stap terug te doen van alles waarmee ze zich tot nu toe van nature verbonden voelde. Een eerdere eenheid begint af te brokkelen. Ouders en leraren zijn vanaf nu niet meer de vanzelfsprekende autoriteiten die ze tot nu toe voor het kind waren, maar het kijkt vanaf nu met een zachte kritiek naar hen. Wat geestelijk en zielsmatig ten grondslag ligt aan het geboren worden, wordt op deze leeftijd op suggestieve wijze herhaald, en daarom moet het kind op dit moment in zijn leven, waar Rudolf Steiner steeds weer op wijst, alles aangeboden krijgen wat overeenkomt met deze fase van zijn beleving.
Als zijn rekenlessen tot nu toe bijvoorbeeld zo zijn verlopen dat bij het delen alles altijd klopte, dat alles zich afspeelde in het geheel, in de veelvouden van de eenheid, dan kan en moet nu, zij het voorzichtig, worden begonnen met het introduceren van het breukgetal in de lessen. Het kan echter niet de bedoeling zijn om op een pedante en bekrompen manier breuken te berekenen op de oude Egyptische manier; want het kind van vandaag herhaalt niet zomaar mechanisch het cultuurniveau van het oude Egypte, het ademt vanaf zijn geboorte meteen de lucht van vandaag en is van meet af aan voorbestemd om uit te groeien tot een mens van deze tijd. Maar in het kind dat zijn breuken ervaart, zou stilletjes alles moeten resoneren wat ooit bij het eerste verschijnen van de breuken als menselijk werd ervaren; als een echo van oude Egyptische tempelklanken zou het door de lessen heen moeten klinken. De leerkracht heeft daarbij de vrijheid om de elementen die de Egyptische breukleer hem biedt, op passende wijze te gebruiken. Het leerplan waarop de antroposofische pedagogie is gebaseerd, houdt hiermee rekening door voor de bovengenoemde leeftijd aan te geven dat de overgang naar de breukleer moet worden gezocht; de kinderen bevinden zich dan op de vrijeschool in het 4e leerjaar. Het is wellicht toegestaan om in het volgende niet uit eigen leservaring met negen- tot tienjarige kinderen, maar op basis van gedachten die men zich voor een dergelijk onderwijs kan vormen, suggesties te geven over hoe de moeilijke overgang naar breukrekenen kan worden gerealiseerd.

Hoe kan je het aanleggen

Je zou veel meer dan tot nu toe misschien het geval was, rekening moeten houden met de stambreuken in de rekenlessen, ja, je zou er zelfs niet lang genoeg bij moeten stilstaan. Het lijkt hier een nastrevenswaardig doel om de gehele breukentheorie van het vierde leerjaar uitsluitend op de stambreuken – ook wel stambreuken genoemd – te baseren. Vooraf moet worden opgemerkt dat de gehele breukentheorie geenszins in dit ene jaar kan worden behandeld, maar dat daarvoor, zoals ook het leerplan van Rudolf Steiner voorziet, het volgende, het vijfde schooljaar, moet worden gebruikt. Ja, gezien de innerlijke moeilijkheden waaraan dit hele gebied zo rijk is, zullen ook de volgende jaren hun bijdrage moeten leveren aan een verdieping van het begrip van breuken. In het begin zal dus gestreefd moeten worden naar een begrip van de breuken -½ ,
1/3, 1/4 . In deze breuken ligt ook het geheim van ons ik-bestaan besloten. Hoewel we op onszelf zijn aangewezen, zien we onszelf toch verbonden met bepaalde gemeenschappen, met het gezin, met vriendschappen, met collega’s, enz. Een kind zijn betekent bijvoorbeeld zich diep verbinden met de essentie van het getal 1/3; je bent weliswaar iets op jezelf, maar alleen in de schaduw van een kleinere of grotere gemeenschap.

Deze verhoudingen kunnen aan het kind worden duidelijk gemaakt door bijvoorbeeld een cirkel vanuit het middelpunt te verdelen, eerst in twee, dan in drie, dan in vier delen, enz.* Het is ook belangrijk dat bij de eerste behandeling van breuken tact en ritme een rol spelen. De breuken moeten zo vaak mogelijk in de vorm van reeksen aan het kind worden voorgelegd. De opeenvolging van de verdeelde cirkels komt dan overeen met de zeer belangrijke reeks ½ ,
1/3, 1/4 . 1/5  die door wiskundigen om interne redenen de harmonische reeks wordt genoemd. Ook het contrast tussen de hele getallen en hun overeenkomstige breuken moet duidelijk aan het kind worden voorgelegd. Dit kan worden weergegeven in een ander veelzeggend beeld. Laat de kinderen schematisch een boomstam tekenen die in takken uiteenvalt, waarbij uit elke tak steeds twee nieuwe takken voortkomen.
Het Duits heeft ‘Zweig’ voor tak, waarin het woord ‘twee’ zit.

We zien dat uit de uniforme stam bovenaan twee helften voortkomen, daaruit weer vier kwarten, uit die laatste acht achtsten enzovoort, en we ervaren hier het contrast tussen de twee reeksen 1, 2, 4, 8, en 1, 1/2, 1/4, 1/8 Wie zich heeft verdiept in de ontwikkeling van de wiskunde, weet dat juist dit reeksenpaar ooit de ontdekking van de logaritmen heeft voorbereid. Met deze behandeling van breuken plant je dus tegelijkertijd de kiemen waaruit in latere jaren van het onderwijs het allerbelangrijkste kan voortkomen. Natuurlijk kan men de reeks  1, 1/2, 1/4, 1/8  ook voor zichzelf verduidelijken door bijvoorbeeld een cirkelvlak vanuit het middelpunt voortdurend te halveren. Er was een tijd in de wiskunde dat men aan de vier huidige basisrekenkundige bewerkingen nog de eenvoudigste vormen van vermenigvuldiging en deling toevoegde als vijfde en zesde rekenkundige bewerking: verdubbeling en halvering, duplicatie en mediatio kwamen als speciale constructies bij optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Het lijkt mij dat deze twee rekenwijzen bijzonder geschikt zijn voor kinderen van die leeftijd. Men zou de twee bovenstaande reeksen in plaats van met de 2 ook met andere getallen kunnen vormen en zo overeenkomstige reeksen verkrijgen.

Nadat je op deze en ook op andere manieren hebt geprobeerd om de stamreeksen hun wezen te laten uitdrukken, komt het erop aan om op een kindvriendelijke manier de overgang te vinden van de stambreuken naar de gewone breuken. Dit gebeurt waarschijnlijk het beste door het zogenaamde uitbreiden van een stambreuk. Dit was ook het eerste wat de Egyptenaar opviel aan de breuken, en waarmee hij innerlijk meteen klaar was. Het beeld van de boom die zich naar de kroon toe uitbreidt, ligt immers al ten grondslag aan de activiteit van de breukuitbreiding; het ligt in de aard van het ik om zich boomachtig naar boven toe uit te breiden. Zo ontstaat moeiteloos de willekeurige breuk als een veelvoud van een stambreuk, en deze manier van ontstaan moet in eerste instantie ook uiterlijk in de schrijfwijze worden onderstreept.

Schrijfwijze

Wanneer in het voorgaande bij de bespreking van de stambreuken eenvoudigweg de huidige schrijfwijze werd gebruikt, gebeurde dit omwille van een snellere communicatie met de lezer. Het kind heeft in het begin echter een andere schrijfwijze nodig. De huidige horizontale breukstreep is immers een later product, dat is ontstaan uit andere innerlijke voorwaarden dan het kind bezit. We hebben gehoord welke moeilijkheden de Egyptenaren nog puur taalkundig hadden met breuken. Daar moet rekening mee worden gehouden. Daarom moet je in het begin bewust van een half deel, een derde deel, een vierde deel, een vijfde deel, …,spreken, wanneer de stamfracties worden ingevoerd, en laat dit ook zo staan. Al gauw kan je er dan een half, een derde, een kwart, een vijfde, … van maken; om dan uiteindelijk van hieruit over te gaan naar de pure getalnotatie. Maar het is nog steeds niet aan te raden om de horizontale breukstreep te gebruiken, omdat deze bij willekeurige breuken de oorsprong uit de stamfractie verbergt, maar in eerste instantie de steile breukstreep, zoals die ook vandaag de dag nog in het dagelijks leven wordt gebruikt, en waarbij beide getallen niet onder elkaar, maar naast elkaar op dezelfde of bijna dezelfde hoogte komen te staan. Naarmate het breukrekenen vordert, moet je de as van de steile streep steeds meer horizontaal draaien en de cijfers van naast elkaar, boven elkaar plaatsen.  Hierin komt beeldend de opkomst van de individualiteit tot uitdrukking, die zich eerst als nieuwe eenheid uit een oude gemeenschap van meerdere afsplitst en zich ernaast plaatst, om vervolgens geleidelijk de oude verbondenheid achter zich te laten.

Met inachtneming van het zojuist gezegde wordt aan de uitbreiding gedacht, gaan we verder met de stambreuken. Ook dit moet eerst in de vorm van reeksen gebeuren, zodat aan de behoefte van het kind aan maat en ritme wordt voldaan. Eerst kunnen we die reeksen vormen waarvoor het beeld van de boom als vanzelfsprekend aanleiding geeft:

Uit de stam komt de reeks: 

De eerste tak:

Uit de volgende tak ontstaat de rij:

Zo kan je naar believen doorgaan om vervolgens op passende wijze over te gaan naar het volgende reeksysteem:

De tegenstelling van het vereenvoudigen kan hier gemakkelijk aan worden gekoppeld. Je hoeft alleen maar in diagonale richting te lezen en dan heb je alle mogelijke vereenvoudigingen in een geordende volgorde voor je.

In dit verband moet nog op een ander figuur worden gewezen, dat in de oudheid voor muzikale doeleinden werd gebruikt, het zogenaamde Lambdoma-figuur, waarvan we hier echter slechts de ene helft gebruiken. Schrijf zoals in het laatste schema de eerste regel op en voeg onder elke breuk naar beneden toe de reeks van de bijbehorende breuken met dezelfde noemer, dus bijvoorbeeld onder 5/5 naar beneden toe de reeks 4/5, 3/5, 2/5, 1/5. Dan ontstaat de volgende volgorde:

Het is nu zeer leerzaam en leuk om hierin alle mogelijke vereenvoudigingen te elimineren en vervolgens dezelfde stukken met elkaar te verbinden. Daarbij zal men zeker wetmatigheden ontdekken, die echter alleen duidelijk naar voren komen als het bovenstaande schema ver genoeg is uitgewerkt, verder dan hierboven vanwege ruimtegebrek mogelijk was.

Zo groeit het kind, nadat de eerste schrik ten opzichte van breuken overwonnen is, en gaat het werken met breuken vanzelf, zonder dat het hier op enigerlei wijze om rekenoefeningen gaat. Je moet ook zoveel mogelijk vermijden om het uitbreiden en vereenvoudigen nu al te baseren op regels die het kind moet volgen, want het moeten onthouden van de regel heeft een mechaniserend effect op het denken en handelen van het kind en zou bovendien een taalvaardigheid vereisen waarover het kind op dit moment nog niet beschikt.

De stapsgewijze behandeling van breuken, zoals hiervoor werd aanbevolen, kan echter ook worden verweten dat deze de vrijere beweging binnen het breukgebied belemmert. Dit bezwaar is niet onterecht. Maar je moet daarentegen niet vervallen in de willekeurigheid en chaos van de gebruikelijke opgavenverzamelingen, die voor kinderen van die leeftijd ronduit een kwelling moeten zijn. Er is namelijk een versoepeling van de routinematige toepassing van breuken, die op voorbeeldige wijze regelmaat en vrijheid met elkaar verbindt, namelijk de overgang van breuken naar muzikaal ritme.

Breuken en muziek

Het is hier en daar gebruikelijk om, om het ritmegevoel van kinderen te scherpen, het ritme van bekende liedjes aan te geven door met de vinger op de tafel te tikken, zonder ze te zingen of te spelen, en vervolgens de kinderen te vragen welk liedje het was. Je kunt hierop voortbouwen door het stille ritme te onderzoeken op zijn numerieke structuur, eerst in hele getallen, dan in breuken. Een heel eenvoudig voorbeeld maakt duidelijk wat hiermee bedoeld wordt. Laten we het bekende kinderliedje “Hänschen klein...” nemen. Laat het liedje eerst zingen of spelen, verdeel het dan in maten en breng nu met de kinderen het ritme in vierkwartsmaat naar voren:

1 2 3 4; 1 2 3 4; 1 2 3 4; 1 2 3 4;….

Ga dan, met de vierheid als eenheid, over op de breuknotatie:

Iedereen zal meteen begrijpen wat ermee bedoeld wordt: je zet gewoon wat het notenschrift als tijdselement bevat om in breuknotatie. Je kunt nu met het ene lied alle mogelijke variaties spelen. Eerst kan je het lied als zodanig ongewijzigd laten, maar in plaats van 4/4   8/8 kiezen:

Nu kan je het ritme van het liedje variëren:

Hoe ver men bij deze toepassing van breukrekenen op muziek moet gaan, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Wat in de ene klas lukt, kan in een andere mislukken.

In ieder geval moet deze methode, nadat ze in het begin in het vierde leerjaar is toegepast, in de volgende jaren worden voortgezet en verder worden uitgewerkt.

Ook rijst de vraag in hoeverre je het notenschrift moet gebruiken. In ieder geval moet deze methode, nadat ze in het begin in het 4e leerjaar is toegepast, in de volgende jaren worden voortgezet en uitgebreid. Ook rijst de vraag in hoeverre je het notenschrift, dat qua tijd niets anders is dan een verkapte breukenschrijfwijze, hierin wil betrekken. Deze toepassing van breukrekenen op muziek wordt pas echt een oefening als het om een meerstemmig lied gaat, dus als meerdere stemmen met verschillende ritmes in dezelfde maat in elkaar overvloeien, omdat dan het wederzijds leiden van de stemmen zich rekenkundig uit in voortdurende verkortingen en verlengingen bij het zoeken naar de grootste gemene deler. Een goed voorbeeld hiervan is de Franse canon: “Frère Jacques, frère Jacques, dormez-vous? Sonnez les matines, sonnez les matines, din, din, don ”. Het bekende ‘Vader Jacob’.
Het zou leerzaam zijn om eens te horen welke ervaringen er zijn opgedaan met de toepassing van deze methode.

Terugkijkend op de weg die we tot nu toe hebben afgelegd, beseffen we dat alles zich in wezen heeft afgespeeld binnen het domein van de stambreuken. De willekeurige breuken zijn vastgelegd als veelvouden van de stambreukenbreuken, die op hun beurt de rol van loutere benamingen voor de laatstgenoemde hebben aangenomen. Een introductie van de termen teller en noemer volgt hieruit op natuurlijke wijze. Men kan breuken nu even terzijde schuiven om zich te richten op rekenen met benoemde hele getallen. Het kind kan hier eraan herinnerd worden dat het bij het tellen in de wereld, in de natuur, altijd alleen benoemde getallen voor zich heeft, en dat het bij optellen of aftrekken deze getallen altijd tot dezelfde naam brengt als de namen niet al van meet af aan overeenkomen. In het bos noemen ze de eiken en beuken samen bijvoorbeeld bomen, in de fruitmand de appels en peren fruit, in de kamer de stoelen en fauteuils zitplaatsen, in de trein de mannen, vrouwen en kinderen reizigers.
Hieraan sluit zich heel goed het complex van taken aan waarbij een zogenaamde soortverandering moet worden uitgevoerd; opgaven over munten, gewichten, lengtematen enz. zijn hier in overvloed beschikbaar uit het dagelijks leven. Het kind mag opmerken dat het omrekenen van 5 euro in 500eurocent hetzelfde proces is als het dat al bij het leren van breuken is tegengekomen. Als de kinderen enige vaardigheid hebben verworven in het berekenen van dergelijke opgaven, kan men aan het einde het risico nemen om als het ware onkunstzinnig te worden en zich bij voorkeur te richten op de logische vaardigheden van het kind door, opnieuw aansluitend bij de praktijk van het dagelijks leven, willekeurige opgaven over het optellen en aftrekken van breuken te stellen. De abstracties die dan misschien binnensluipen, zijn nu voldoende onderbouwd door het voorgaande, zodat ze geen wezenlijke schade meer kunnen aanrichten.

Het vermenigvuldigen en delen van breuken met elkaar en met hele getallen is bewust volledig buiten beschouwing gelaten. Dit onderdeel van de breukrekening staat als het ware op een ander blad. Als we de ontwikkeling van het wiskundig bewustzijn volgen, zien we dat mensen hier grote moeilijkheden mee hadden. In het document dat ons informatie geeft over de Egyptische breukrekening, de papyrus van Ahmes, wordt dit andere hoofdstuk van de breukrekening slechts één keer aangestipt, en wel op een manier waaruit onmiddellijk blijkt welke moeilijkheden de Egyptenaren hier ondervonden. Het betreffende hoofdstuk van de breukrekening wordt het best buiten het onderwijs van het vierde schooljaar gehouden en bewaard voor het volgende jaar, wanneer het kind meer vertrouwd is geraakt met breuken als zodanig. Misschien kan hierover ook eens iets in dit tijdschrift worden gepubliceerd.

.*Bindel vertelt het hier wat abstract. Op deze blog staan nog meer voorbeelden

Ernst Bindel 

4e klas rekenen: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3475-3272

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De actualiteit van de driegeleding (1-4-2)

.

In 1920 al sprak Rudolf Steiner deze woorden:

 

Driegonaal Nieuwsbrief jan. 2020

Rudolf Steiner:

Een nieuwjaarsgedachte

“(… ) Wat onze tijd nodig heeft, is dat we het geestesleven volledig ernstig nemen. Hierover heb ik u vandaag (…) op Nieuwjaarsdag nog eens willen vertellen en ik heb als diepe wens dat in onze kringen een Nieuwjaarswens wordt opgenomen die ieder slechts zelf ter hand kan nemen: dat in de zielen en harten van onze vrienden de ogen geopend worden voor datgene wat zo nodig is, voor datgene wat alleen en uitsluitend vanuit de geest afkomstig is en de mensheid verder helpen kan.
Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt. In de ontwikkeling van de mensheid moet iets nieuws worden binnen gebracht. Dat moeten we beseffen. Dit besef is de meest waardige nieuwjaarsgedachte die vandaag, in het begin van het jaar 1920, in uw hart kan ontstaan. Dit nieuwe jaar zal belangrijke beslissingen brengen wanneer er mensen zullen zijn die datgene wat voor de mensheid het noodzakelijke is (…) doorzien. We moeten inzien dat het nieuwe jaar nood en ellende zal brengen wanneer niet opgepakt wordt wat werkelijk nodig is en wanneer slechts de mensen die met het oude en bestaande verder willen, de toon aangeven.”
[Rudolf Steiner in een voordracht van 1 januari 1920, GA 195, vertaling jh

John Hogervorst schreef er een commentaar bij. Nu, weer zoveel jaar later, is het met allerlei recente gebeurtenissen in ons bewustzijn, uiterst actueel.

Steiner doet ook, m.n. op de pedagogen, een beroep ‘om daadwerkelijk in de wereld te staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.
GA 310/165
Vertaald/171


Vasthouden aan het oude en bestaande…?

Wie houdt er níet vast aan het bestaande?
De politiek lijkt bevolkt door politici die zich vooral lijken te laten leiden door de belangen van lobbymachten, hun partij en hun persoonlijke carrière. Het bedrijfsleven is nog nagenoeg stelselmatig bezig de eigen positie eindeloos uit te bouwen en de winst te maximaliseren – en zet daartoe alles in om de consument in een steeds sterkere greep te nemen. En het geestesleven – de wereld van o.a. onderwijs, kunst, wetenschap en zorg – is gekneveld door de economie, of danst als een oude beer naar de pijpen van de subsidiegever.
Dit wordt hier niet gesignaleerd om eens lekker uit te halen naar ‘de anderen’ die alles verkeerd doen. Want de vraag laat zich stellen in hoeverre wij zelf niet ook aan het bestaande vastkleven. In onze hang naar gemak en comfort; onze behoefte aan zekerheid; onze weerzin om in beweging te komen; de angst om los te laten wat wij kennen; ons gebrek aan vertrouwen in ‘de anderen’, in hún goede wil en gezonde inzicht…
Het is anno 2020 niet wezenlijk anders dan Rudolf Steiner 100 jaar geleden in bovenstaande woorden uitsprak: de toon wordt aangegeven door “de mensen die met het oude en bestaande verder willen”.

Wellicht denkt u nu aan andere geluiden die ook klinken en die de boventoon ‘verstoren’ of zelfs nieuwe tonen laten horen. Het maatschappelijk protest tegen het bestaande maakt zich immers luidruchtig kenbaar? Tja. Maar de geluiden van de afgelopen maanden van boeren en bouwers zijn steunbetuiging aan het behoud van het bestaande. Mogelijk dat het verzet van leerkrachten, verpleegkundigen of jeugdzorgwerkers deels ook de behoefte aan vernieuwing in zich sluit. Mij bekruipt echter het bange vermoeden dat als de overheid maar voldoend financiële middelen ter beschikking stelt – voor loonsverhoging, verbetering van arbeidsvoorwaarden, verhoging van de capaciteit – elke echte vernieuwing weer kundig weggemoffeld wordt.

De radicale roep van (vooral) jongeren om het behoud van de aarde en drastische ingrepen ter wille van het klimaat – zal die uitmonden in een ‘afscheid van het bestaande’? Wanneer wij onder dat laatste niet het einde van de menselijke beschaving verstaan, maar een werkelijke systeemverandering, lijkt mij de kans groter dat de huidige problemen met het milieu niet zozeer worden opgelost maar wel beheersbaar gemaakt door technologie. En dat zou betekenen dat het bestaande zich gewoon voortzet: die inzet van technologie zal gewoon big business worden en naadloos aansluiten op het huidige economische bestel.

“Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt.” Wat zou het fijn zijn wanneer Rudolf Steiner zich hierin had vergist, of wanneer het nu anders zou zijn.
Zodoende zit er niets anders op dan “dat we het geestesleven volledig ernstig nemen” en overgaan tot wat “ieder slechts zelf ter hand kan nemen”.  Het vrije geestesleven, de broedplaats voor alles dat écht nieuw is en werkelijke vooruitgang zou kunnen betekenen, zal pas een maatschappelijke realiteit zijn wanneer het eerst in óns denken geboren wordt en opgroeit. Nieuw denken!
De oerbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn nog grotendeels
ongedacht. Zij wachten erop door ons in ons denken opgenomen en in beweging gebracht te worden, zozeer dat zij in ons bewustzijn tot levensvanzelfsprekendheid worden.

Dit waar te maken in ons denken, en gevolg geven aan de handelingen die daaruit volgen is het meest vruchtbare dat wij nu kunnen doen.
(John Hogervorst)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3472-3269

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (5)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

5. Schuljahr: 24. April 1923 bis etwa 7. April 1924
5e Schooljaar 24 april 1923 tot ongeveer 7 april 1924

21 klassen
39 leerkrachten
687 leerlingen

Blz. 56

Die Gewitterstürme des Vorjahres haben die Luft gereinigt, wenn es
auch noch keineswegs ohne Rückfälle und Rückschläge abgehen will.
Im Zentrum des Interesses steht, äußerlich gesehen, während des
ganzen Jahres die Auseinandersetzung mit Staat und Außenwelt, das
heißt hier also mit dem Abiturientenexamen. Das nimmt viel Zeit
und Kraft in Anspruch.
Größte geistige Ereignisse geben die herrschende Stimmung. Erstens
im Herbst 1923 die drei Vorträge für die Waldorflehrer „Anregungen
zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes”
(Liste Nr. 28). Zweitens am Ende des Schuljahres die „Erziehungstagung der Freien Waldorfschule” (Liste Nr. 29). Drittens, und mehr
als alles andere, die Dornacher Weihnachtstagung vom 24. Dezember
1923 bis zum 1. Januar 1924 (Liste Nr. 118).

De stormen van het voorgaande jaar hebben de lucht geklaard, hoewel er nog steeds enkele tegenslagen en terugvallen zijn.
Uiterlijk ligt de focus gedurende het hele jaar op de confrontatie met de staat en de buitenwereld, in dit geval de eindexamens van de middelbare school. Dit neemt veel tijd en energie in beslag.
De heersende stemming wordt gevormd door belangrijke spirituele gebeurtenissen. Ten eerste, in het najaar van 1923, de drie lezingen voor Waldorfleraren getiteld “Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap” GA 302A:

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap

Ten tweede, aan het einde van het schooljaar, de “Onderwijsconferentie van de Vrije Waldorfschool” (lijst nr. 29).
Ten derde, en vooral, de kerstconferentie van Dornach van 24 december 1923 tot 1 januari 1924 (lijst nr. 118).

Es wird der Versuch gemacht, die Schüler schon am Ende des 12. Schuljahres ins Abitur zu schicken. Davon ist in zwei Dritteln aller Konferenzen dieses Jahres die Rede; mehr oder weniger ausführlich, direkt oder indirekt. Besonders eindringlich wird es am 25. April 1923 und ganz zuletzt, also schon nach der Prüfung, am 27. März 1924.
Diese Abituriumsnot ist auch der Grund dafür, daß der Lehrplan der neu eingerichteten 12. Klasse gar nicht so aufgestellt werden kann, wie es sein müßte. Immer wieder heißt es ähnlich wie 3/34—38: „Wir müßten den Lehrplan der 12. Klasse eigentlich . . .”, und dann:
„aber wir können des Abiturs wegen nur . . .” Immerhin kann doch Wesentliches gegeben werden: über Chemie (3/35, 36, 76, 77), über Zoologie und Geologie (3/34, 35,42-44 , 77-79). Ausführlich wird gesprochen über Interpunktion, ihr Wesen und die Methode ihrer Behandlung (3/56, 67-70).
Im übrigen Aufbau wird zum ersten Male eine dritte 5. Klasse, eine 5c eingerichtet (3/93, 100) und wieder zwei 1. Klassen (3/21), Es gehen Lehrer fort, zum Teil nach schwierigen Auseinandersetzungen (3/21—25), und neue kommen hinzu (2/302, 3/26).
Aber wieder erheben sich Schwierigkeiten mit Schülern, diesmal nicht aus den drei obersten Klassen (dort ist eine gewisse Beruhigung eingetreten), sondern aus der 9. Klasse. Es ist in diesem Jahr nicht

Er wordt een poging gedaan om leerlingen aan het einde van het 12e leerjaar eindexamen te laten doen. Dit wordt in twee derde van alle vergaderingen dit jaar besproken; min of meer uitgebreid, direct of indirect. Het wordt met name nadrukkelijk besproken op 25 april 1923, en nogmaals, na de examens, op
27 maart 1924.
Die eindexamenmoeilijkheden zijn ook de reden waarom het leerplan voor het
nieuw ingestelde 12e leerjaar niet kan worden ontworpen zoals het zou moeten. De zin “We zouden eigenlijk…” wordt herhaald, vergelijkbaar met 3/34-38, en vervolgens:
“maar vanwege het examen kunnen we alleen…” Er kan in ieder geval wat essentiële informatie worden verstrekt: over scheikunde (3/35, 36, 76, 77), over zoölogie en geologie (3/34, 35, 42-44, 77-79). Interpunctie, de aard ervan en de manier waarop ermee wordt omgegaan, worden in detail besproken (3/56, 67-70).

Wat de algehele structuur betreft, wordt voor het eerst een derde vijfde klas, een 5c, ingericht (3/93, 100), en worden er twee eerste klassen toegevoegd (3/21). Leraren vertrekken, sommigen na moeilijke conflicten (3/21-25), en nieuwe leraren komen erbij (2/302, 3/26).

Maar opnieuw ontstaan ​​er problemen met leerlingen, ditmaal niet uit de drie hoogste klassen (waar een zekere kalmte is opgetreden), maar uit de negende klas. Dit jaar is het niet

Blz. 57 

alles gar so tragisch, es klingt auch Humor hinein. Ausschlüsse kommen nicht vor. Aber bei mehreren Schülern wird die schwierige Psychologie eingehend durchgesprochen (3/60—63, 64—66, 71, 82—86). Es handelt sich in erster Linie darum, daß die in diesem Alter heraufkommende „latente” Intelligenz sich von sich selbst aus nur an „rüpelhaften Sachen übt”. „Die Intelligenz muß auf die richtigen Bahnen gelenkt werden” (3/72—74).
Diesem Negativen stehen auch in diesem Jahre wieder herrlichste
Geistgeschenke gegenüber. Die „künstlerisch-pädagogische Tagung” vom 25.-29 . März 1923 (Liste Nr. 25). Dann die „pädagogischen Michaelsvorträge” vom 15. und 16. Oktober 1923 (Liste Nr. 28). Und schließlich Ostern 1924 die „Erziehungstagung” (Liste Nr. 29).
In ihr wird schon spürbar, was seit drei Monaten, alles überstrahlend, in die Schule hineinwirkte: die Dornacher Weihnachtstagung (Einleitung S. 15; Liste Nr. 118).
Rudolf Steiner, der bei dieser Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft in ihr jetzt selbst den Vorsitz übernommen hatte, spricht in der nächstfolgenden Konferenz (3/110—123) erstmals über die neuen Aufgaben, aber auch über die neuen Kräfte, die sich aus diesem Ereignis für die Lehrer der Waldorfschule ergeben sollten.
Es lag die Absicht vor, dies alles in der Folgezeit noch viel weiter und
größer auszubauen.

Het is allemaal zo tragisch; maar er klinkt ook humor in door. Uitsluitingen komen niet voor. Maar de moeilijke psychologie van verschillende leerlingen wordt uitvoerig besproken (3/60-63, 64-66, 71, 82-86). Het voornaamste probleem is dat de “latente” intelligentie die op deze leeftijd ontstaat, de neiging heeft om “alleen maar onbeschaafd gedrag” te vertonen. “Intelligentie moet in de juiste richting worden gekanaliseerd” (3/72-74).
Dit negatieve aspect wordt dit jaar opnieuw gecompenseerd door de fijnste spirituele geschenken . De “kunstziinnig-pedagogische conferentie” van 25-29 maart 1923 (lijst nr. 25). Vervolgens de “pedagogische Michaelvoordrachten” van 15 en 16 oktober 1923 (lijst nr. 28).

En ten slotte, met Pasen 1924, de “pedagogische conferentie” (lijst nr. 29).

Het wordt al duidelijk wat de afgelopen drie maanden een grote invloed op de school heeft gehad: de kerstconferentie van Dornach (Inleiding, p. 15; Lijst nr. 118).

Rudolf Steiner, die inmiddels het voorzitterschap van deze pas opgerichte Antroposofische Vereniging had overgenomen, spreekt voor het eerst op de volgende vergadering (3/110-123) over de nieuwe taken, maar ook over de nieuwe mogelijkheden die deze gebeurtenis de leerkrachten van de Waldorfschool zou moeten bieden.

Het was de bedoeling dit alles in de daaropvolgende periode veel verder en op grotere schaal uit te breiden.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3474-3271

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes in de kleuterklas

.

In 1919, toen Steiner de inleidende cursussen voor het vrijeschoolonderwijs gaf, raadde hij voor de 1e klas ‘sprookjes ‘aan. (GA 295 blz. 20, vertaling)

Daarmee bedoelde hij – dat blijkt uit opmerkingen in andere voordrachten – (zie bv. hier  vooral de uit de volksmond opgetekende verhalen, volkswijsheid, waarvan de inhoud (voor een deel) bestaat uit beelden. Geen ‘gewone’ beelden, maar beelden die een ‘hogere’ waarde, waarheid in zich dragen.
Dat zijn dus per definitie geen ‘bedachte’ verhalen, zoals bv. de spookjes die Godfried Bomans schreef. 
Beelden die ‘toen’ nog in het volk leefden, zoals mythen en sagen.
Omdat dit ‘in het volk’ verloren is gegaan m.n. in de westerse wereld – zou je de conclusie kunnen trekken, dat er in deze tijd eigenlijk in die zin geen sprookjes meer kunnen verschijnen.
Tenzij je – door de antroposofische scholingsweg – in de astraalwereld kan waarnemen waar deze beelden- ze heten dan imaginaties – ‘leesbaar, ervaarbaar, kunnen zijn.

Maar wie van ons kan dat. 
En in het algemeen: wie heeft er ‘weet’ van.

De kennis over het bovenstaande is voor het sprookje al zo verdwenen, dat ‘sprookje’, evenals ‘mythe’ tegenwoordig vaak synoniem is aan verzinsel, zelfs leugen.

Vandaaruit is het ook begrijpelijk dat hier en daar de roep om ‘herschrijving‘ klinkt, en daadwerkelijk wordt uitgevoerd, om de inhoud ‘inclusiever’ te maken: waarom mag de prins niet ook een prinses zijn, bv.

Wie zich bezighoudt met de ‘vertaling’ van de beelden en overtuigd raakt van hun eigen werkelijkheid, zal dit niet willen.

In het licht van bovenstaande is het niet vreemd dat mensen zich afvragen waarom er in deze tijd nog sprookjes worden verteld op de vrijeschool – in de 1e klas – en nadat later ook de vrijekleuterklas ontstond, ook in die kleuterklassen.

In het blad ‘Erziehungskunst frühe Kindheit (Opvoedkunst voor het kleine kind) verscheen volgend artikel over de waarde van de sprookjes vanuit taalkundig opzicht.

Kikker of koning?

Sebastian P. Suggate, Erziehungskunst frühe Kindheit, Winter 2016
.

Hoe sprookjes de taalontwikkeling bevorderen
.

Sprookjes zouden zowel de taalvaardigheid als het esthetische en morele besef van kinderen ontwikkelen.
Maar in hoeverre is dit idee wetenschappelijk bevestigd?

Sebastian Suggate, pedagoog aan de Universiteit van Regensburg, rapporteert over recent onderzoek naar deze vraag.

Er zijn talrijke manieren om de taalontwikkeling op de kleuterschoolleeftijd te stimuleren: door fonologisch bewustzijn, uitbreiding van de woordenschat,
correcte uitspraak, klemtoon en grammaticaal gebruik, bevordering van de communicatieve vaardigheden in het algemeen, tot en met de eerste leesoefeningen.
De redenen voor deze maatregelen en programma’s zijn even talrijk: naast de volkomen gerechtvaardigde bezorgdheid over het taalniveau van opgroeiende kinderen zijn er ook sociaal-politieke redenen, zoals de na de PISA-schok geformuleerde onderwijsdoelstellingen of de integratie van migrantenkinderen.

De Waldorfpedagogiek wordt slechts half terecht beschouwd als tegenpool van deze “stimuleringswaanzin”. Waldorfkleuterscholen zouden plaatsen zijn waar ruimte wordt geboden zodat kinderen zich vrij kunnen ontplooien, zonder enige ‘stimulering’.
Bij nader inzien blijkt echter iets heel anders, want de Waldorfkleuterscholen bieden al lang hun eigen, zachte, maar zeer effectieve vorm van taalstimulering aan.

Taalstimulering door sprookjes? 

Een uniek kenmerk van de Waldorfpedagogiek is het vertellen van sprookjes. Tegenwoordig worden sprookjes door velen afgedaan als ‘wreed’ of ‘kinderachtig’
en bovendien zouden ze achterhaalde modellen doorgeven.
Verder wordt gezegd dat ze vanwege hun verouderde taalgebruik zowel te opwindend als niet nuttig zijn voor kleine kinderen. In vergelijking met modernere verhalen lijken ze niet meer van deze tijd, net als de manier waarop ze worden verteld: sprookjes in de Waldorfkleuterschool worden niet via cd of dvd verteld, maar vaak door de leerkrachten vrij verteld.

Tegen deze achtergrond is het volkomen gerechtvaardigd om te vragen of deze praktijk van het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool ten eerste nog wel eigentijds is en ten tweede effectief.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet worden nagedacht over
welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of de praktijk de moeite waard is. Hiervoor worden empirisch-wetenschappelijke normen uit de experimentele psychologie gebruikt.

Nieuw ontstaat uit oud

Enerzijds hebben sprookjes een klassieke opbouw, die kinderen snel vertrouwd raakt en die het begrip van de verhalen bevordert. Bovendien bevatten sprookjes steeds weer “magische” getallen en rituelen, bijvoorbeeld moeten er meestal drie pogingen worden ondernomen om betoverde prinsessen of prinsen te redden. Dergelijke ritmes en patronen kunnen een belangrijke rol spelen, zowel voor het begrip als voor het esthetisch gevoel en het inleven in de verhalen.

Als het echter waar is dat sprookjes door hun verouderde taalgebruik moeilijk te begrijpen zijn voor kleine kinderen, kunnen ze niet bevorderlijk zijn voor de taalontwikkeling.

Om dit te onderzoeken heb ik samen met collega’s van de universiteiten van Regensburg en Würzburg daar studies over gemaakt.
In deze studies werden aan in totaal bijna 200 kinderen klassieke sprookjes of moderne, eigentijdse verhalen verteld.
In vergelijking met een controlegroep hebben de kinderen inderdaad veel nieuwe woorden uit beide soorten verhalen kunnen leren, wat pleit voor de taalbevorderende kwaliteit van het vertellen.
Interessant genoeg hebben de kinderen evenveel nieuwe woorden geleerd uit de sprookjes als uit de ‘hedendaagse’ verhalen. Blijkbaar vormt de ‘verouderde’ sprookjestaal op zich geen groot probleem voor de kinderen. Dit laatste gold
ook voor kinderen met een migratieachtergrond.

Levendig vertellen is belangrijk

Zoals gezegd, worden sprookjes in de Waldorfkleuterschool met regelmaat vrij verteld, dus niet voorgelezen of zelfs afgespeeld met een cd.
Speelt de manier van vertellen een rol of, anders gezegd, is het de moeite waard
dat kleuterleidsters sprookjes uit het hoofd leren?

Er zijn al experimentele studies die aantonen dat peuters slechts weinig
nieuwe woorden leren via de televisie of dvd’s. Volgens deze studies werd het leren van nieuwe woorden veel meer bevorderd als er volwassenen bij waren, maar de beste manier leek het leren in de levende relatie met volwassenen. Een dvd is nauwelijks voldoende om taalbevorderende imitatie bij kinderen te stimuleren.

In een experiment aan de universiteit van Würzburg hebben we de woordenschatverwerving van leerlingen uit groep 4 en 6 vrijeschoolklas 2 en 4) onderzocht.
Om precies te zijn wilden we nagaan of vertellen voor kinderen van deze leeftijd
nog steeds een belangrijke rol speelt of dat leesvaardigheid de kunst van het vertellen overbodig maakt.
De verhalen werden op drie verschillende manieren voorgesteld: de kinderen lazen ze zelfstandig, ze werden voorgelezen of vrij verteld.

Hoewel ze allemaal goed konden lezen en ruim de tijd hadden om het gelezene nog eens te bekijken, hadden ze het minste baat bij zelfstandig lezen en het meeste bij vrij vertellen.
In vervolgstudies bij kleuters hebben we echter geen voordeel van het vrij vertellen ten opzichte van het voorlezen kunnen aantonen wat betreft de woordenschatverwerving.
Voor het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool lijkt het belangrijk dat de vertolking van de opvoeders zo levendig mogelijk (maar niet dramatiserend) is. Belangrijk hierbij zou kunnen zijn dat de opvoeders
zich inspannen om de gebeurtenissen in de verhalen te vertellen vanuit
hun eigen innerlijke beelden. Dit beeldende vertellen is eenvoudigweg moeilijk uitvoerbaar onder de gestandaardiseerde omstandigheden van experimenteel
onderzoek, wat onze resultaten zou kunnen verklaren.

Daarentegen is het voordeel van een levendige vertelstijl ten opzichte van een
didactische vertelstijl duidelijk aantoonbaar. In een onderzoek hebben we een ‘klassieke’ vertolking met woorddefinities en begripsvragen vergeleken met een
Waldorfachtige vertelstijl. Bij deze laatste werden de sprookjes levendig verteld met gebaren, verwondering en metaforen, zonder uitleg van moeilijke woorden. Verrassend genoeg heeft het definiëren van woorden in het kader van de klassieke verhalen de woordenschat niet sterker doen groeien dan het vertellen in Waldorfstijl.
De kinderen waren echter onder levendigere omstandigheden meetbaar
rustiger en aandachtiger.

Sprookjes en esthetische vorming

Naast het taalbevorderende aspect van het vertellen van sprookjes, wordt steeds meer erkend dat er rekening moet worden gehouden met de esthetische
vorming van de kleuter.
Hieronder wordt niet alleen verstaan dat de ruimtes in de kleuterschool ‘mooi’ worden ingericht of dat kinderen veel tekenen.
Onder esthetische vorming wordt veeleer verstaan dat via zintuiglijke ervaringen
kennis kan worden vergaard. Esthetiek speelt een belangrijke rol bij het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool. Sprookjes gaan gepaard met rituelen zoals het aansteken van een kaars, in een kring zitten of bezinning en rust. De manier waarop sprookjes zelf is ook heel esthetisch, waarbij de taal correct moet worden gearticuleerd en rijk en metaforisch moet zijn.
Sprookjes bevatten bijna altijd een wijsheid die kinderen emotioneel in contact kan brengen met eeuwenoude menselijke vragen, zoals moed, trouw en het overwinnen van gevaren.
Sprookjes uit alle culturen bestaan waarschijnlijk uit deze universele elementen en hebben daarom een fascinerend effect op kinderen, zodat ze er bijna zonder uitzondering met verwondering en volle aandacht naar luisteren.

.15 Grimm Hans en Grietje 3
Grimm: nr. 15 Hans en Grietje

.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes klas 1

.

3473-3270

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolliederen

.

Gratis toegang voor alle vrijeschoolleerkrachten
Goed nieuws: de Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen slaan de handen ineen, zodat alle vrijeschoolleerkrachten kosteloos en onbeperkt van ons platform gebruik kunnen maken. We vertellen je er graag alles over in deze nieuwsbrief.

Maar er is meer: een kersvers lied, een inspirerende podcast, het nieuwe studentenabonnement en een voorproefje van de Werkplaats 2026.

Muziektip
Ontdek hoe heerlijk ‘Warewinde flierevlinde’ wegzingt. Dit nieuwe lied is sfeervol, beeldrijk en fijn in het gehoor liggend. Inge Stok maakte een nieuwe tekst op een bekende Hongaarse melodie, Anouk Vinders bewerkte het tot een tweestemmig lied en Anne Gies maakte er een prachtige illustratie bij.

Bekijk hier het resultaat

De Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen werken samen: alle vrijescholen in Nederland krijgen een collectief abonnement van Vrijeschoolliederen, als onderdeel van hun lidmaatschap bij de Vereniging.

Hiermee hebben alle leerkrachten onbeperkt toegang tot het complete aanbod van bladmuziek, lesideeën, methodieken, podcasts en pedagogische achtergrondartikelen.

Nieuwsgierig? Mail ons gerust voor meer informatie: info@vrijeschoolliederen.nl.

TIP: Werk je binnen het reguliere onderwijs of het hoger onderwijs en wil je voor jouw medewerkers of studenten ook onbeperkte toegang tot het platform? Neem dan contact met ons op, dan kijken we naar de mogelijkheden voor een passend collectief abonnement.

Podcast

Wist je dat er bij Vrijeschoolliederen elke maand een nieuwe podcast verschijnt, die je ook zonder abonnement kunt beluisteren? Matthijs Overmars interviewt muziekprofessionals die vertellen over hun drijfveren en ervaringen.

Uitgelicht: Marcel van Os was decennialang muziekdocent op Hogeschool Helicon en de Vrijeschool pabo. In de podcast benadrukt hij het belang van een speelse benadering van muzieklessen. Hij is wars van dogma’s en tegelijk diep doordrongen van de betekenis van muziek voor het opgroeiende kind.

Beluister de podcast met Marcel van Os

Studenten opgelet!

Voor jullie is er nu een abonnement op maat met 15% korting. Klik hier voor meer informatie.

Voorproefje

Onze Werkplaats biedt een rijk palet aan muzikale nascholing. Hieronder alvast een tipje van de sluier voor het voorjaarsprogramma 2026. In de volgende nieuwsbrief worden de data bekend gemaakt en kun je je aanmelden.

Ukelele spelen – op veler verzoek nogmaals een ochtend om de basisvaardigheden van het spelen op de ukelele onder de knie te krijgen.
 Lees meer.

Samen in beweging – werelddansen in je klas: Anouk Vinders laat je ervaren hoe je zowel met lagere als hogere klassen kunt dansen. Een multiculturele ontdekkingstocht waar de kinderen blij van worden! 
Lees meer.

• Nieuw Koorzingen op school – een inspiratiedag voor dirigenten: het schoolkoor kan de muzikale motor zijn van de muziekcultuur op een school. Maar hoe pak je dat aan? Tips & tricks voor een bloeiend schoolkoor.

Fluiten met je klas – didactiek en praktijk: fluitles geven is niet zo moeilijk als je misschien denkt! Een ochtend om je net dat duwtje in de rug te geven om te starten met instrumentaal onderwijs. 
Lees meer.

• Nieuw Speels slagwerk – werken met ritmestokjes in je klas: we maken zelf ritmestokjes en ontdekken daarmee een wereld van ritmische werkvormen, spelletjes, virtuositeit en samenwerking.

Bodypercussie – ook de praktijkochtend met Jeroen Schipper en Heiko de Jonge gaat in reprise, met weer nieuwe grooves, spelvormen en lesideeën. 
Lees meer.

Binnenkort in de werkplaats

Zondag 25 januari 2026:
Inspiratiedag Zingen met kinderen

Hoe pak je dat aan, zingen met kinderen? Welk repertoire kies je, hoe leer je nieuwe liederen aan, hoe houd je je klas of kinderkoor gemotiveerd? Combineer enthousiasme met vakmanschap en word een inspirerende muziekdocent of kinderkoordirigent.

Muziekdocenten Annemiek van der Ven en Matthijs Overmars werken met nieuwe thema’s, liederen en spel-ideeën. Op zondag 25 januari staat het variëren met liedmateriaal centraal: speelse werkvormen die kinderen muzikaal bij de les houden.
Meer informatie en aanmelden

Over muziekonderwijs in het nieuws:
Muziekdeskundigen over de waarde van muziekonderwijs. En dat er op de Nederlandse scholen te weinig muziekonderwijs is. De vrijescholen worden niet genoemd. Steiner over muziek.
Opspattend grind:  Zie [7]  [10]  [24]  [26]  [66]  [99
Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

.

.

.

.

 

 

 

 

Goed nieuws: de Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen slaan de handen ineen, zodat alle vrijeschoolleerkrachten kosteloos en onbeperkt van ons platform gebruik kunnen maken. We vertellen je er graag alles over in deze nieuwsbrief.

Maar er is meer: een kersvers lied, een inspirerende podcast, het nieuwe studentenabonnement en een voorproefje van de Werkplaats 2026.

Muziektip

Ontdek hoe heerlijk ‘Warewinde flierevlinde’ wegzingt. Dit nieuwe lied is sfeervol, beeldrijk en fijn in het gehoor liggend. Inge Stok maakte een nieuwe tekst op een bekende Hongaarse melodie, Anouk Vinders bewerkte het tot een tweestemmig lied en Anne Gies maakte er een prachtige illustratie bij.

Bekijk hier het resultaat

Cadeautje

De Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen werken samen: alle vrijescholen in Nederland krijgen een collectief abonnement van Vrijeschoolliederen, als onderdeel van hun lidmaatschap bij de Vereniging.

Hiermee hebben alle leerkrachten onbeperkt toegang tot het complete aanbod van bladmuziek, lesideeën, methodieken, podcasts en pedagogische achtergrondartikelen.

Nieuwsgierig? Mail ons gerust voor meer informatie: info@vrijeschoolliederen.nl.

TIP: Werk je binnen het reguliere onderwijs of het hoger onderwijs en wil je voor jouw medewerkers of studenten ook onbeperkte toegang tot het platform? Neem dan contact met ons op, dan kijken we naar de mogelijkheden voor een passend collectief abonnement.

Podcast

Wist je dat er bij Vrijeschoolliederen elke maand een nieuwe podcast verschijnt, die je ook zonder abonnement kunt beluisteren? Matthijs Overmars interviewt muziekprofessionals die vertellen over hun drijfveren en ervaringen.

Uitgelicht: Marcel van Os was decennialang muziekdocent op Hogeschool Helicon en de Vrijeschool pabo. In de podcast benadrukt hij het belang van een speelse benadering van muzieklessen. Hij is wars van dogma’s en tegelijk diep doordrongen van de betekenis van muziek voor het opgroeiende kind.

Beluister de podcast met Marcel van Os
Studenten opgelet!

Voor jullie is er nu een abonnement op maat met 15% korting. Klik hier voor meer informatie.
Voorproefje

Onze Werkplaats biedt een rijk palet aan muzikale nascholing. Hieronder alvast een tipje van de sluier voor het voorjaarsprogramma 2026. In de volgende nieuwsbrief worden de data bekend gemaakt en kun je je aanmelden.
• Ukelele spelen – op veler verzoek nogmaals een ochtend om de basisvaardigheden van het spelen op de ukelele onder de knie te krijgen. Lees meer.

• Samen in beweging – werelddansen in je klas: Anouk Vinders laat je ervaren hoe je zowel met lagere als hogere klassen kunt dansen. Een multiculturele ontdekkingstocht waar de kinderen blij van worden! Lees meer.

• Nieuw Koorzingen op school – een inspiratiedag voor dirigenten: het schoolkoor kan de muzikale motor zijn van de muziekcultuur op een school. Maar hoe pak je dat aan? Tips & tricks voor een bloeiend schoolkoor.

• Fluiten met je klas – didactiek en praktijk: fluitles geven is niet zo moeilijk als je misschien denkt! Een ochtend om je net dat duwtje in de rug te geven om te starten met instrumentaal onderwijs. Lees meer.

• Nieuw Speels slagwerk – werken met ritmestokjes in je klas: we maken zelf ritmestokjes en ontdekken daarmee een wereld van ritmische werkvormen, spelletjes, virtuositeit en samenwerking.

• Bodypercussie – ook de praktijkochtend met Jeroen Schipper en Heiko de Jonge gaat in reprise, met weer nieuwe grooves, spelvormen en lesideeën. Lees meer.
Binnenkort in de werkplaats

Zondag 25 januari 2026:
Inspiratiedag Zingen met kinderen

Hoe pak je dat aan, zingen met kinderen? Welk repertoire kies je, hoe leer je nieuwe liederen aan, hoe houd je je klas of kinderkoor gemotiveerd? Combineer enthousiasme met vakmanschap en word een inspirerende muziekdocent of kinderkoordirigent.

Muziekdocenten Annemiek van der Ven en Matthijs Overmars werken met nieuwe thema’s, liederen en spel-ideeën. Op zondag 25 januari staat het variëren met liedmateriaal centraal: speelse werkvormen die kinderen muzikaal bij de les houden.
Meer informatie en aanmelden

Wij wensen je mooie en sfeervolle maanden toe, met veel muziek en licht.

Een hartelijke groet, namens het team van Vrijeschoolliederen,
Ilse Delaere
Illustraties in deze nieuwsbrief door Anne Gies.

Deze e-mail is verstuurd aan pieterhawitvliet@gmail.com.
Als je geen e-mails meer wilt ontvangen dan kun je je hier afmelden.
Je kunt ook je gegevens inzien en wijzigen.
Voeg info@vrijeschoolliederen.nl toe aan je adresboek voor een betere ontvangst.