VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/4)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

TV-kind leest beter, maar begrijpt minder

.

Mirjam Schöttelndreier in de Volkrant van 16-01-1993

Televisie kijken blijkt een positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Dat wil zeggen op het technisch lezen, het snel omzetten van letters in woorden. Het begrijpend lezen loopt daarentegen wel gevaar, vooral wanneer boeken toch al niet de grote hobby zijn.

Het IS GEEN WONDER dat veel ervaren tv-kijkers van rond de acht jaar terughoudend zijn om zich nog een nieuwe, gecompliceerde hobby als lezen aan te wennen. Want vanaf twee jaar kunnen kinderen al tv-kijken.
Jaren vol Mini-Playbackshow, het Rad van fortuin, Sesamstraat en The Simpsons gaan dus aangenaam voorbij, voordat op school opeens dat andere kunstje, lezen, wordt aangeleerd.

Op achtjarige leeftijd beheersen de meeste kinderen het lezen van een boek pas als zelfstandige activiteit. En dan nog laat het Jeugdjournaal zich makkelijker bekijken dan het nieuws zich in de krant laat lezen.

‘Goede lezers gaan gaandeweg minder tv kijken en meer lezen, terwijl zwakke lezers juist steeds meer televisie gaan kijken en boeken steeds vaker ongelezen laten.’

Die niet zo onverwachte conclusie kon C. Koolstra, onderzoeker bij de sectie Kind en Media van de Leidse Rijksuniversiteit, trekken nadat hij drie jaar lang duizend kinderen van basisscholen in Zuid-Holland in hun lees-en kijkgedrag had gevolgd.

Wie nu opgelucht de stelling bewezen ziet — en daarvoor hoeft men geen belijdend lid van een zwarte-kousenkerk te zijn — dat de televisie een duivel is, krijgt van Koolstra geen gelijk. Want de televisie, beschouwd als spelbreker bij de overdracht van het betere culturele erfgoed, blijkt ook positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Het technisch lezen, het snel omzetten van losse letters in woorden, gaat er namelijk door vooruit.

Koolstra: ‘Kinderen die veel tv kijken, lezen steeds minder boeken en gaan ook slechter lezen. Maar dan gaat het vooral om de aantasting van het begrijpend lezen. Het technisch lezen wordt juist beter, doordat de Nederlandse televisie de gewoonte heeft buitenlandse films niet na te synchroniseren. De ondertiteling vereist van kinderen dat ze snel lezen. En kinderen blijken, zo wijst weer ander onderzoek uit, die ondertiteling vanzelf bij te houden als ze geboeid zijn door een film of programma.’

Koolstra heeft met zijn onderzoek, waarop hij pas na de zomer zal promoveren, niettemin toch vooral het bij onderzoekers langer bekende Mattheüs-effect gemeten.

In de bijbelse vergelijking verlaat een man op zekere dag zijn bedrijf. Hij geeft een van zijn slaven dan een groot geldbedrag, een andere slaaf blijft met een iets kleiner bedrag achter en ten slotte is er voor de derde slaaf maar een heel kleine som. Na jaren keert de baas terug. Hij treft zijn goedbedeelde slaaf aan, die het is gelukt, zijn kapitaal te verdubbelen. Ook de slaaf met het middenbedrag wist zijn bedrag te verdubbelen. Maar de slaaf die weinig ontving, blijkt zijn geld al die tijd onder de grond te hebben verstopt en er niets bij te hebben verdiend.

Koolstra: ‘Kinderen die plezier in het lezen hebben, doen het in technisch en begrijpend opzicht goed. Zij laten geleidelijk aan de tv nog wel eens voor wat hij is, ze lezen meer en gaan er in vaardigheid op vooruit. Dat geldt niet voor zwakke lezers, die in beide opzichten weinig succesvol zijn. Hun vaardigheid gaat alleen maar achteruit. Net als in de Mattheüs-vergelijking beginnen ze met weinig en eindigen met nog minder dan de anderen.’

De onderzoeksresultaten zijn niet spectaculair te noemen. Maar toch stemt het Koolstra tevreden dat in Nederland eindelijk dit type onderzoek is gedaan. ‘De bezorgdheid over de negatieve invloed van de televisie op de jeugd is groot en er bestaan talloze vooroordelen over.’ De behoefte aan degelijk onderzoek was groot, want tot nu toe was er niet veel meer bekend dan drie panel-onderzoekingen uit Amerika. Ook daarin werden groepen over een langere periode gevolgd. Maar eigenlijk hadden maar twee onderzoeken betrekking op kinderen. ‘Overigens: ook hier waren de effecten van de tv op het leesgedrag genuanceerd te noemen.’

In 1955 vormde de jeugd tussen de 12 en 17 jaar de kopgroep bij de landelijke woordconsumptie. In de avonduren en het weekeinde besteedden jongeren gemiddeld liefst 3,1 uur aan het lezen van boeken, zo stelde het CBS destijds vast. Maar met de massale entree van de televisie in de huiskamer in de periode 1955 tot 1962, waarin het tv-toestel oprukte van 0,1 procent van de huishoudens naar 50 procent, duikelde ook het aantal leesuurtjes met de helft. In 1985 — de jeugd onderscheidde zich in boekenliefde al lang niet meer van de overige bevolking — werd er gemiddeld nog maar 1,4 uur per week in een boek gelezen.

‘In die tijd was er echt sprake van een omslag van een leescultuur naar een kijkcultuur. Zulke verschillen kunnen wij natuurlijk niet meer meten. Nu draait het om generaties die zijn opgegroeid met de tv en zijn de veranderingen nog maar heel klein.’ Opmerkelijk is dat uit het Leidse onderzoek blijkt dat het voor het leesgedrag — van kinderen tussen 8 en 12 twaalf jaar —niet uitmaakt welk soort programma’s ze bekijken: informatieve programma’s verminderen het lezen net zoveel als het bekijken van soap of andere vormen van licht verteerbaar amusement.

Jongen of meisje, hoog of laag milieu, heel slim of stukken minder begaafd: de Leidse metingen laten geen enorme verschillen zien buiten dat ene en allesoverheersende onderscheid: dat goede lezers meer gaan lezen en beter worden en slechte lezers minder gaan lezen en minder vaardig worden. Wel werden in het onderzoek twee van de drie eerder geformuleerde onderzoekshypothesen bevestigd.

Voor de passiviteits-hypothese, die zegt dat tv kijken kinderen ‘geestelijk lui’ maakt, werd geen bewijs gevonden. Kinderen blijken tijdens het kijken naar Meneer Kaktus of de Vijf uur show wel degelijk geestelijk actief te zijn. Weliswaar blijkt uit het onderzoek dat het tv-kijken binnen een jaar tijd de leesconcentratie vermindert, maar er werd geen bewijs gevonden dat dat kwam door een lagere mentale inspanning. De belangrijkste constatering was dat kinderen nog zeer beïnvloedbaar zijn in hun leesgedrag als ze net hebben leren lezen. Naarmate ze dat kunstje langer beheersen, worden hun leesgewoonten stabieler.

Met de anti-school-hypothese deed enige jaren geleden de Amerikaanse onderzoeker Postman veel stof opwaaien. De hypothese veronderstelt dat tv leuk is en de school derhalve minstens zo amusant moet zijn, wil het moderne kind naar school gaan en van die school-gebonden dingen doen als ‘boeken lezen’.

Deze veronderstelling werd min of meer bevestigd door de Zuid-Hollandse schoolkinderen. In die zin dat wie minder plezier heeft in het lezen — en dit daardoor ziet als een typisch schoolse aangelegenheid — minder boeken gaat lezen. Evenzeer bleek dat de snel wisselende beelden op tv ertoe leiden dat de zwakkere lezers, die immers meer tv gaan kijken, zich niet meer zo goed kunnen concentreren als noodzakelijk is voor het lezen. Waarmee de concentratieverminderings-hypothese werd bevestigd.

Volgens Koolstra valt uit de belangrijkste bevinding van het onderzoek nog wel een mooie les te trekken. ‘Het is van doorslaggevend belang dat kinderen goed, technisch en begrijpend leren lezen. Kinderen thuis zomaar laten lezen, in het geloof dat veel oefening kunst baart, is onzin. Goed leren lezen in een gevoelige periode is cruciaal. Alleen als je er lol in hebt, blijf je lezen.’

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen

.

1978-1861

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 5 – alle artikelen

..

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 5
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [5-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [5-1]
Het derde cijfer [5-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [5-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [5-1] [5-2] [5-3] enz.
Als kleur: rood

[5-1] blz. 80/81
Denken, voelen en willen kun je niet scheiden; in het denken vind je wil en het willen gaat gepaard met denken; voelen tussen denken en willen; geest en ziel komen lichamelijk tot uitdrukking; 

[5-1/1] blz. 80/81
Denken, voelen
en willen vanuit het gezichtspunt verleden, heden en toekomst  uit GA 205, een verdere karakterisering van de het onderwerp in [5-1] en uit de 2e voordracht denken-verleden, wil toekomst; karakterisering van het pas geboren kind als tweeledig mens; over de aard van het denken i.v.m. het verleden; wat is het heden 

[5-1-1] blz. 81
Over sympathie en antipathie in het oog. Over Goethes kleurenleer. Over het verschil in ogen bij mens en dier. Nog niet oproepbaar

[5-1-2] Blz. 87/88
Filosofische opvattingen van Sigwart en von Brentano. (Voorlopig) niet oproepbaar.

[5-1-3] Blz. 89/90
Over het oor. Wagner, Hanslick. Nog niet oproepbaar

[5-2] Blz. 82 t/m 88
Voelen: sympathie en antipathie – denken en willen vloeien hier in elkaar over; sympathie en antipathie kunnen zo sterk worden dat we deze – bijna letterlijk – aan den lijve ondervinden; een verhoogde antipathie plaatst ons meer tegenover de wereld: beleving van onszelf als individu; koppigheidsfase en ‘nee-zeggen’; 

[5-2-1] Blz. 84-85
Wanneer sympathie of antipathie de boventoon voeren. In het ‘normale’ leven blijven ze onder de drempel van het bewustzijn. 

[5-2-2] Sympathie en antipathie
Een artikel hierover van Luc Cielen

[5-3] Afsluitende opmerkingen
Nog niet oproepbaar

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1977-1860

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (20)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Patricia Wessels in Weleda Puur Kind, herfst 2004, nr.14

Voor een baby heeft veiligheid de geur van mama, die hem koestert, voedt, troost en sust. Maar ook het vertrouwen dat je als ouder hebt in jezelf, in je kind en in de goede afloop van de dingen, zorgt voor een gevoel van veiligheid. Pas als die basis goed is, kan de fysieke afstand tussen kind en ouder geleidelijk groter worden, zonder dat het kind onzeker wordt. Elke nieuwe stap in het loslaten kan spannend zijn voor kind en ouder. De eerste logeerpartij, kan zo’n mijlpaal zijn. Juist bij het inslapen, zijn kinderen vaak gehecht aan hun eigen ‘ritueel’: de vertrouwde stem van mama die een liedje zingt, haar manier van strelen bij het ‘welterusten-kusje’ en de juiste laatste woorden. Want om je aan de slaap te kunnen overgeven, moet je je veilig voelen. Het is heel wat als je ’s avonds voor het eerst moet inslapen in een ander huis, met onbekende geluiden in het donker en zonder papa of mama in de buurt. Leuk, omdat je al zo groot bent, en eng, omdat je nog maar klein bent.

Liselotje gaat logeren

Als je een kind wilt voorbereiden met een boekje, kies er dan een met een luchtige en vrolijke toon. Dat zal het vertrouwen dat logeren leuk is het meest ondersteunen. Zo’n vrolijk, ietwat hilarisch boekje in vlotte rijm, is bijvoorbeeld Liselotje gaat logeren. Liselotje is een prinsesje dat bij haar opa en oma gaat slapen. Niet zij, maar haar vader – die ook mee wil- krijgt de rol van het ‘kind’. Als hij na een leuke dag bij de kinderboerderij zit te gapen, moeten ze gaan slapen. Liselotje vind logeren heerlijk. ‘Maar de koning zegt heel eerlijk, ik ben toch een beetje bang, ’t is zo donker op de gang’. Samen met je kind lachen om die grote koning die ook de deur nog op een kier wil, werkt relativerend en geruststellend tegelijk.

Marianne Busser en Ron Schröder

Vanaf 3,5 jr.

Boek   Hier ook wat Liselotje nog meer doet

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1976-1860

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (20-1)

,
Petra Weeda in Weleda Puur Kind, herfst 2004, nr.14
.

Over hechten
.

Alleen liefde is niet genoeg
.

Een zuigeling is al een zeer communicatief wezen. Veel van zijn ontwikkeling tot zelfstandige volwassene hangt af van hoe je als ouder in de eerste maanden omgaat met de signalen die je baby je geeft. Christoph Meinecke is kinder- en jeugdarts in het Berlijnse ziekenhuis Havelhöhe. Hij verdiept zich in het ontstaan van de band tussen ouder en kind oftewel: in het hechtingsproces.

Een buitenwijk van Berlijn. De bus stopt vlak voor de ingang van Havelhöhe, één van de drie grote, algemene ziekenhuizen in Duitsland die zowel werken volgens de reguliere als de antroposofische geneeskunde. Nonchalant verstrooid over het ruime, parkachtige terrein staan de gebouwen, knusjes omgeven door tuintjes met wilde bloemen of een weitje met een grazende geit. De sfeer is niet erg ziekenhuisachtig en ook binnen krijg je niet het gevoel in een medische wereld terecht te zijn gekomen. Geen zakelijke gangen of witte doktersjassen, maar een moeilijk in woorden te vangen sfeer van warmte, kleur, licht en rust.

‘Je hoeft natuurlijk alleen maar je gezonde verstand te gebruiken om te weten dat een kind niet zonder menselijk contact kan opgroeien,’ zegt Christoph Meinecke. En hij schuift de kleurige houten speelgoedfiguurtjes op zijn bureau wat terzijde om de koffie neer te zetten. ‘Een mens ontwikkelt zich met het voorbeeld van andere mensen voor ogen. Een bekend verhaal. Maar hoe een baby contact maakt met een ander en wat dat voor hem betekent, is nog maar betrekkelijk kort geleden voor het eerst onderzocht. Aanvankelijk gingen we ervan uit dat een zuigeling een dom en slaperig wezentje is dat weinig ziet of voelt. Maar toen ontwikkelingspsychologen in de jaren zeventig het gedrag van baby’s diepgaand gingen bestuderen, ontdekten ze bijvoorbeeld het volgende; bij de scherpstelling van zijn ogen stelt de zuigeling zich direct na de geboorte in op de afstand van de borst van zijn moeder tot haar gezicht. Het gezicht van zijn moeder is dus het eerste ding dat een baby scherp ziet. Ze merkten dat de baby al snel actief en doelgericht contact met haar zoekt en in de eerste acht maanden van zijn leven een hechte band opbouwt met deze zogeheten primaire hechtingspersoon. De kwaliteit van die band is van grote invloed op zijn hele verdere leven en vooral op de manier waarop hij later zijn relaties met anderen vormgeeft. Deze ontdekkingen hadden natuurlijk enorme consequenties. Toch duurde het nog tot ver in de jaren tachtig voordat het belang van een veilig hechtingsproces in het eerste levensjaar algemeen gedachtegoed werd.

De meeste kinderen met gedragsproblemen hebben moeite met relaties, of dat nu met zichzelf is of met de wereld om hen heen. Maar het maakt wel degelijk uit of dat voortkomt uit een onzekere hechting in het eerste levensjaar of dat een kind pas later in zijn leven teleurstellingen op dat gebied heeft moeten verwerken. Het is net alsof die allereerste gehechtheidservaringen in je lijf gaan zitten en een onderdeel van je constitutie worden.

Het is dus echt van belang om er op te letten hoe het hechtingsproces tussen jou en je kind verloopt.’

Liefde voor je baby is geen garantie voor veilige hechting?

‘Nee, alleen liefde is niet genoeg. Natuurlijk is liefde wel het allerbelangrijkst. Maar dan wel de liefde waarbij de eigenliefde, die bij vrijwel elke vorm van liefde meespeelt, niet te zeer op de voorgrond treedt. De liefde die een veilig hechtingsproces bevordert is de liefde die is gebaseerd op het vermogen je te kunnen inleven in de behoeften van de ander. In de hechtingstheorie is daar een prachtig begrip voor geïntroduceerd: de “fijngevoeligheid van de primaire hechtingspersoon”. Fijngevoeligheid betekent dan vooral dat je je eigen behoeften terughoudt in het directe contact met je baby en je oriënteert op zijn behoeften.

Een tweede gegeven waarmee je rekening moet houden is dat een zuigeling zich in de eerste levensmaanden maar aan één persoon kan hechten. Meestal is dat de biologische moeder, omdat zij hem na de geboorte het meest verzorgt en voedt, maar het kan ook een ander zijn. Zodra de navelstreng is doorgeknipt, ontwikkelt een kind zich van je vandaan. De primaire hechtingspersoon is daarbij zijn poort naar de wereld. Hoe veiliger de gehechtheid aan die persoon, hoe groter het vertrouwen waarmee een kind de poort door gaat om de wereld te gaan veroveren.’

Wat is die fijngevoeligheid precies en kun je dat leren?

‘Ouders hebben momenteel toegang tot een enorme hoeveelheid pedagogische kennis in boeken en tijdschriften. Maar de adviezen staan vaak volledig haaks op elkaar of ze blijken bij jouw kind gewoon niet te werken. Wat betreft het opvoeden van kinderen bestaat er geen absolute waarheid. Toch moet je te weten zien te komen wat jouw kind nodig heeft. Daar is intuïtie en fijngevoeligheid voor nodig. Dat kun je het beste ontwikkelen door goed naar je baby te kijken en je in te leven in zijn behoeften. Een eenvoudig voorbeeld: je baby ligt op de aankleedtafel voor een schone luier. Dan wil hij communiceren. Hij wendt zijn blik naar jou toe en lacht stralend. Niets is heerlijker dan je baby die naar je lacht en je glimlacht dus vanzelf terug. Maar het was wel de baby die het initiatief nam tot het contact! Als fijngevoelige ouder beantwoord je die behoefte door hem aan te raken, tegen hem te praten, de toon van je stem wat hoger te maken, de intentie van je woorden af te stemmen op de baby en je mimiek te intensiveren. Dan wendt hij zijn blik plotseling af! Er zijn dan twee extremen in je
reactiepatroon mogelijk: of je buigt je helemaal over je baby heen en probeert luidruchtig zijn aandacht weer naar je toe te trekken of je denkt, oh jee, hij wendt zich van me af, wat heb ik verkeerd gedaan. Beide reacties zou je moeten zien te vermijden. Als je baby zijn blik afwendt, dan toont hij de gezonde behoefte van een mens om na inspanning bij zichzelf terug te keren. Als je hem stimuleert zich toch naar buiten te blijven richten, dan zal hij dat doen. Maar hij zal daardoor meer opwinding en onrust te verduren krijgen dan hij kan verwerken. Het kan een eventuele aanleg voor hyperactiviteit versterken.

Het andere uiterste is dat je je onzeker voelt als je baby van je wegkijkt. Je vraagt je af of je wel een goede moeder bent en dan wordt de manier waarop je je baby vasthoudt direct terughoudender. Je baby, die net als alle heel kleine kinderen nog een soort aangeboren fijngevoeligheid bezit, voelt dat meteen.

Hij durft er niet meer op te vertrouwen dat het goed is als hij zijn eigen behoeften volgt en gaat meer op jou letten dan goed voor hem is.

Een fijngevoelige moeder respecteert het signaal dat de baby geeft met het afwenden van zijn blik. Ze zal de intensiteit van het contact verminderen zonder dat ze haar bezigheden met hem onderbreekt of haar stemming verandert. Als je baby voelt dat alles gewoon doorgaat, ook als hij het even laat afweten, dan versterkt dat zijn vertrouwen.’

Het is momenteel niet zo vanzelfsprekend dat de moeder de enige is die haar kind verzorgt. Kan een baby zich niet aan meer personen tegelijk hechten?

‘Vanuit mijn ervaring kan ik nu niet anders dan vaststellen dat het in het belang van een veilige hechting is als in de eerste acht maanden één persoon centraal staat. Er is nog onvoldoende onderzocht of het ook mogelijk is dat twee mensen voor die basiszekerheid kunnen zorgen. Maar volgens de huidige gezichtspunten op het hechtingsproces vraagt het te veel aanpassingsvermogen van een baby om zich in te stellen op twee mensen die, uiteraard, heel verschillend zijn. In de eerste levensmaanden zou de omgeving zich moeten instellen op de behoeften van het kind en niet andersom.’

En als een moeder merkt dat het haar niet goed lukt een band met haar baby op te bouwen?

‘Dan heeft ze om te beginnen bemoediging nodig. Meestal hoeft er maar weinig te gebeuren om die band te versterken. Kijk bijvoorbeeld eens naar je baby als hij ligt te slapen. Kijk hoe hij ademt, kijk naar de onvoorwaardelijke vanzelfsprekendheid waarmee hij daar ligt. Veel ouders vertelden me dat ze dan plotseling het heel zekere gevoel kregen dat het klopt dat dit kind bij hen is. Je baby pakt dat onuitgesproken signaal op en voelt dat het goed is.

Een andere hulpmiddel is babymassage. Daarvoor hoef je echt niet op cursus te gaan of bepaalde handgrepen te leren. Het is al prachtig als je zacht over het babylijfje strijkt. Het gaat om het huid-op-huid-contact. En praat tegen je baby. Vertel hem wat je hoort, wat je ziet, wat je aan het doen bent en wat jullie straks gaan doen. Veel spreken is goed voor het hechtingsproces, maar het moet wel een aangepaste, rustige en lichte manier van spreken zijn.’

Kun je het aan een baby merken als het hechtingsproces niet optimaal verloopt?

‘In de eerste drie maanden zullen signalen van een moeilijk hechtingsproces nog nauwelijks waarneembaar zijn. Wel zijn er baby’s waarbij het hechtingsproces vanaf de geboorte extra aandacht vraagt. Bijvoorbeeld huilbaby’s en baby’s die hun eigen bedje niet als een veilige plek beschouwen. Om slaapproblemen te voorkomen kun je je baby vanaf een week of vier het beste altijd laten inslapen op de plek waar hij ook wakker zal worden. Zo krijgt hij niet het onzekere gevoel dat er in zijn slaap van alles met hem kan gebeuren. Wen jezelf eraan om je baby overgangen van de ene situatie naar de andere altijd bewust te laten ervaren. Leg hem als hij tijdens het voeden is ingeslapen niet meteen in bed maar maak hem voorzichtig wakker, strijk over zijn wangetjes en vertel hem dat je hem nu naar zijn bedje gaat brengen. Neem duidelijk afscheid voor je zijn kamer uitgaat. Probeer niet voortdurend in de wieg te gaan kijken om te zien of hij nog wel ademt. Je baby krijgt dan het signaal mee dat jij er niet op vertrouwt dat alles wel goed gaat als jij niet in de buurt bent. Binnen een veilige hechtingssituatie zal een kind langzaam maar zeker scheiding leren verdragen. Daarbij hoort het leren uithouden als je kind huilt.’

Hoe merk je bij een wat groter kind of het wel of niet goed gehecht is en valt daar dan nog iets aan te verbeteren?

‘Als je het gedrag van een kind met een zekere gehechtheid bestudeert, dan zie je dat hij zijn spel onderbreekt en protesteert als zijn moeder weggaat. Als zij terugkomt is hij blij. Hij laat zich knuffelen en pakt zijn spel weer op.

Bij kinderen met een onzekere gehechtheid gaat dat anders. Er zijn drie soorten onzekere gehechtheid. Het kind met een “onzeker vermijdende gehechtheid” protesteert niet als hij van zijn moeder wordt gescheiden. Hij gaat gewoon door met zijn spel. Als zijn moeder terugkomt negeert hij haar, hij zoekt geen contact, maar neemt juist meer afstand.

Een “onzeker ambivalent gehecht” kind protesteert extreem tegen vertrek van zijn moeder. Hij klampt zich overdreven aan haar vast, huilt paniekerig en komt, ook nadat zij weer terug is, nauwelijks tot rust. Hij klampt zich opnieuw vast, maar vertoont tegelijkertijd boos en agressief gedrag naar haar. Met deze twee vormen van onzekere gehechtheid geeft het kind het signaal dat het in een niet-optimale hechtingssituatie verkeert.

Zorgelijker is de derde vorm, de “gedesorganiseerde gehechtheid”. Een gedesorganiseerd kind zal in iedere situatie onvoorspelbaar of juist heel stereotiep gedrag vertonen. Zijn bewegingen zijn verstard, alsof hij innerlijk bevroren is. Bij een gedesorganiseerde hechting zal meestal externe hulp nodig zijn.
Maar in de eerste twee gevallen van onzekere gehechtheid kun je zeker veel doen en dat is ook van het grootste belang voor het verdere leven van je kind. Je zult dan vooral moeten werken aan de betrouwbaarheid van je reactiepatronen. Kan het kind ervan op aan dat jij in een bepaalde situatie altijd op dezelfde manier reageert? Wees duidelijk, straf als het nodig is, maar laat het kind altijd volledig in zijn waarde. Bestraffen is niet slecht, ook niet voor het hechtingsproces, zolang je je kind niet als persoon wilt treffen met je straf. Een goede straf bestraft niet het wezen van het kind, maar zijn gedrag. Ik merk wel dat ouders vaak moeite hebben met straffen. Je moet het namelijk uit zien te houden om consequent te zijn. Ben je dat niet, dan is straf contraproductief. Maar alle kinderen zoeken de grenzen en duwen er met kracht tegen. Als jij niet in staat bent ze overeind te houden, dan tuimelt je kind in een vacuüm. Begrenzen is de essentie van het omhullende gebaar dat je om je kind heen maakt. Dat gebaar wordt natuurlijk steeds wijder, totdat je je kind uiteindelijk volledige zelfstandigheid geeft. Als fijngevoelige ouder weet je hoeveel frustratie je kind daarbij aan kan. Je geeft hem de kans te ervaren dat het niet het einde van de wereld is als er niet meteen aan zijn behoeften wordt voldaan. Ook dat versterkt het vertrouwen. Zekere hechting houdt in dat het oervertrouwen waarmee het kind werd geboren in de eerste acht maanden zo door de primaire hechtingspersoon wordt behoed dat het naar binnen kan trekken en zich kan omvormen tot zelfvertrouwen.’.

.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1975-1859

,

,

,

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (19)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet
.

De A van Abeltje

Een paar jaar na het verschijnen van Abeltje schreef Annie M.G.Schmidt nog een verhaal over de liftjongen Abeltje Roest uit Middelum. 
Wanneer de vier avonturiers: Abeltje, Laura, mijnheer Tump en juffrouw Klaterhoen samen op de kermis zijn, doet Laura mee aan een verdwijntruc. Tot grote schrik van allen is ze daarna spoorloos.
Een grote zoektocht begint, wanneer Abeltje in het park een boodschap vindt: ‘Help A’. Na vele spannende avonturen wordt Laura met haar konijn Sam – uit New York meegebracht tijdens het avontuur met de lift – weer met het viertal herenigd.

Met tekeningen van Wim Bijmoer

Vanaf een jaar of 9

Nu uitgegeven bij Querido

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1974-1858

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (18)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet
.

Abeltje

Iedereen kent Annie M.G.Schmidt en vele van haar liedjes, gedichten en boeken. Dikkertje Dap,  ‘Jip en Janneke, Pluk van de petteflet en vele meer. 
Haar eerste boek was ‘Abeltje’, dat in 1953 uitkwam en nog altijd populair is – inmiddels een 32e druk. 
Hier een uitgebreide achtergrond. Het werd ook verfilmd. 

Met tekeningen van Wim Bijmoer

De hoofdrolspelers:
Abeltje, mijnheer Tump, juffrouw Klaterhoen en Laura:

Het boek geeft een leeftijd van 5- 95. 

Nu uitgegeven door Querido

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1973-1857

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-2-1/2))

.

In zijn uiteenzetting over de ‘voorstelling’, over het ‘denken’, wordt deze beschreven in relatie tot de wereld van vóór de geboorte. Zie: [2-2] en [2-2-1] Wat daar aan ‘denkkracht’ aanwezig was, komt nog steeds naar ons toe, maar wordt door ons organisme teruggestraald, waarbij ons voorstellen, ons denken ontstaat.

Op andere plaatsen stelt Steiner dit ook aan de orde, vaak weer net even anders dan wat hij er bij vorige gelegenheden over zei.

In GA 205, 11e voordracht, verwoordt hij het zo:

(Het begin van deze voordracht staat hier, waarbij het gaat om de onmogelijkheid denken, voelen en willen streng van elkaar te scheiden.

GA 205/189-190

Aber was so abgesondert für sich nicht vorhanden ist, das kann doch verschiedenen Ursprunges sein. Und so ist auch der eine Pol unseres Seelenlebens, das Denken, ganz andern Ursprunges als das Willensleben.
Schon wenn wir nur die alltäglichen Lebenserscheinungen betrachten, werden wir ja finden, wie das Denken eigentlich sich immer auf etwas bezieht, was da ist, was Voraussetzungen hat. Das Denken ist zumeist ein Nachdenken. Auch wenn wir vordenken, wenn wir also uns 205/190 etwas vornehmen, das wir durch den Willen dann ausführen, so liegen ja einem solchen Vordenken Erfahrungen zugrunde, nach denen wir uns richten. Auch dieses Denken ist in gewisser

Maar wat zo los op zich niet bestaat (bedoeld worden denken en willen) kan toch van een heel verschillende oorsprong zijn. En de ene kant van ons zielsleven, het denken, heeft een heel andere oorsprong dan het wilsleven.
Alleen al wanneer we naar de alledaagse levensverschijnselen kijken, zullen we zien, dat het denken altijd op iets betrekking heeft, wat bestaat, wat al aanwezig is. Denken is meestal nadenken. Ook wanneer we iets vooruitdenken, wanneer we ons dus iets voornemen wat we dan door de wil ten uitvoer brengen, liggen er aan dat vooruitdenken toch ervaringen ten grondslag waarnaar we ons richten. Ook dit denken is in zeker verband een nadenken.
De wil kan niet gericht worden op iets wat er al is. Dan zou hij vanzelfsprekend steeds te laat komen. De wil kan enkel en alleen gericht worden op iets wat nog komen moet, op het toekomstige. Kortweg: wanneer je een beetje over de inhoud van de gedachten, het denken en over de inhoud van de wil nadenkt, dan vind je, dat het denken zich in het alledaagse leven richt op het verleden en de wil op de toekomst.
De ziel, het gevoel staat tussen deze twee in. Ons gevoel gaat gepaard met gedachten. Gedachten doen ons plezier, stoten ons af. Vanuit ons gevoel brengen we de wilsimpulsen naar buiten. Voelen, de inhoud van het gemoedsleven staat midden tussen het denken en het willen.

Aber so wie es schon im gewöhnlichen Leben, wenn auch nur andeutungsweise der Fall ist, so steht es auch in der großen Welt. Und da müssen wir sagen: Dasjenige, was unsere Denkkraft ausmacht, was das ausmacht, daß wir denken können, daß die Möglichkeit des Gedankens in uns ist, das verdanken wir dem Leben vor unserer Geburt beziehungsweise vor unserer Empfängnis. Es ist im Grunde genommen in dem kleinen Kinde, das uns entgegentritt, schon im Keime all die Gedankenfähigkeit vorhanden, die der Mensch überhaupt in sich entwickelt. Das Kind verwendet die Gedanken nur – Sie wissen das aus Vorträgen, die ich schon gehalten habe – als Richtkräfte zum Aufbauen seines Leibes. Namentlich in den ersten sieben Lebensjahren, bis zum Zahnwechsel hin, verwendet das Kind die Gedankenkräfte zum Aufbau seines Leibes als Richtkräfte. Dann kommen sie immer mehr und mehr als eigentliche Gedankenkräfte heraus. Aber sie sind eben als Gedankenkräfte durchaus veranlagt im Menschen, wenn er das physische, das irdische Leben betritt.
Dasjenige, was als Willenskräfte sich entwickelt – eine unbefangene Beobachtung ergibt das ohne weiteres -, das ist beim Kinde eigentlich wenig mit dieser Gedankenkraft verbunden. Beobachten Sie nur das zappelnde, sich bewegende Kind in den ersten Lebenswochen, dann

Maar zoals het al in het alledaagse leven is, ook al is dit in bedekte termen het geval, zo is het ook in de grote wereld. En nu moeten we zeggen: wat onze denkkracht vormt, wat maakt dat we kunnen denken, de mogelijkheid om gedachten te hebben, hebben we te danken aan het leven voor onze geboorte, resp. voor onze conceptie.
In de aard van de zaak is het zo dat in het kleine kind dat we voor ons hebben, de kiem van het hele denkvermogen dat de mens in zich ontwikkelt,
 al aanwezig is. Het kind gebruikt de gedachten alleen als stuwende krachten bij het opbouwen van zijn lichaam. Met name in de eerste zeven levensjaren, tot aan de tandenwisseling, gebruikt het kind de gedachtekracht voor het opbouwen van zijn lichaam als stuwende krachten. Dan komen deze steeds meer als gedachtekracht naar buiten. Maar ze liggen als gedachtekrachten zeer zeker in de mens verankerd, wanneer hij het fysieke, het aardse leven betreedt.
Wat zich als wilskracht ontwikkelt – dat blijkt zondermeer uit een onbevangen waarneming – is bij het kind nauwelijks verbonden met deze gedachtekracht. Kijk eens naar het zich bewegende, trappelende kind in de eerste levensweken, dan

blz. 192

werden Sie sich schon sagen: Dieses Zappelnde, dieses chaotisch Sich-Bewegende, das ist von dem Kinde erst erworben dadurch, daß seine Seele und sein Geist von der physischen Außenwelt her mit physischer Leiblichkeit umkleidet worden sind. In dieser physischen Leiblichkeit, die wir erst nach und nach entwickeln seit der Konzeption und seit der Geburt, da liegt zunächst der Wille, und es besteht ja die Entwickelung des kindlichen Lebens darinnen, daß allmählich der Wille gewissermaßen eingefangen wird von den Denkkräften, die wir schon durch die Geburt ins physische Dasein mitbringen. Beobachten Sie nur, wie das Kind zunächst ganz sinnlos, wie es eben aus der Regsamkeit des physischen Leibes herauskommt, seine Glieder bewegt, und wie nach und nach, ich möchte sagen, der Gedanke hineinschlägt in diese Bewegungen, so daß sie sinnvoll werden. Es ist also ein Hineinpressen, ein Hineinstoßen des Denkens in das Willensleben, das ganz und gar in der Hülle, die den Menschen umgibt, lebt, wenn er geboren beziehungsweise wenn er empfangen wird. Es ist dieses Willensleben ganz und gar darinnen enthalten.

zou je zeggen: dit trappelende, dit chaotisch zich bewegende heeft het kind zich pas verworven doordat zijn ziel en zijn geest vanuit de fysieke buitenwereld omhuld zijn met levende fysieke stof.* In dit levend-stoffelijke dat wij langzaam aan sinds de conceptie  en vanaf de geboorte ontwikkelen, bevindt zich aanvankelijk de wil en de ontwikkeling van het leven van een kind bestaat er eigenlijk uit dat stap voor stap de wil in zekere zin vastgelegd wordt door de denkkrachten die wij al met de geboorte in het fysieke leven meebrengen. Kijk hoe het kind in de eerste tijd helemaal zinloos zijn ledematen beweegt, hoe dat dan van het bewegen van het fysieke lichaam uitgaat en hoe stap voor stap, zogezegd de gedachte toeslaat in deze bewegingen, zodat die zinvol worden. Dat is dus een drukken, een stoten van het denken in het wilsleven dat volledig leeft in het omhulsel dat de mens omringt, wanneer hij wordt geboren, resp. geconcipieerd wordt. Het wilsleven is daar volledig aanwezig.

So daß wir schematisch etwa den Menschen so zeichnen können, daß wir sagen, er bringt sich sein Gedankenleben mit, indem er heruntersteigt

Zodat we de mens min of meer schematisch zo kunnen tekenen dat we zeggen: zijn gedachteleven brengt hij mee wanneer hij incarneert

aus der geistigen Welt. Ich will das schematisch so andeuten (siehe Zeichnung, gelb). Und er setzt das Willensleben an in der Leiblichkeit, die ihm durch die Eltern gegeben wird (rot). Dadrinnen sitzen

vanuit de geestelijke wereld. Ik wil dat schematisch zo aangeven. zijn wilsleven begint in het lichaam dat hem door de ouders is gegeven. (rood). Daarbinnen zitten

blz. 192

die Willenskräfte, die sich chaotisch äußern. Und dadrinnen sitzen die Gedankenkräfte (Pfeile), die zunächst als Richtkräfte dienen, um eben den Willen in seiner Leiblichkeit in der richtigen Weise zu durchgeistigen.
Diese Willenskräfte, sie nehmen wir dann wahr, wenn wir durch den Tod in die geistige Welt hinübergehen. Da sind sie aber im höchsten Maße geordnet. Da tragen wir sie hinüber durch die Todespforte in das geistige Leben. Die

de wilskrachten die zich chaotisch uiten. En daarin bevinden zich de gedachtekrachten (pijlen) die eerst als stuwende krachten dienstbaar zijn om de wil in zijn lichamelijkheid op een goede manier te doortrekken met geest.
Deze wilskrachten nemen we waar wanneer we door de dood in de geestelijke wereld komen. Dan zijn die echter in zeer hoge mate ordelijk geworden. Dan nemen we ze door de poort van de dood mee naar het geestelijke leven.
De gedachtekracht die we meebrengen uit het bovenzintuiglijke leven in het aardse leven, raken we eigenlijk in de loop van het aardse leven kwijt.

Verderop in de voordracht staan dan nog:

Ich meine, hinter dem, was wir in der physischen Welt haben, ist nichts anderes da als Gedanken. Daß diese von Wesen getragen werden, darüber werden wir noch sprechen. Aber man kommt zu dem, was wir in unserem Bewußtsein haben, nur dahinter mit den Gedanken. Die Kraft aber, zu denken, die haben wir aus unserem vorgeburtlichen Leben beziehungsweise aus dem Leben vor unserer Empfängnis.

Ik bedoel dat achter wat we in de fysieke wereld hebben, niets anders bestaat dan gedachten. Dat deze door wezens worden gedragen, daarover zullen we nog spreken. Maar alleen met gedachten kom je erachter wat wij in ons bewustzijn hebben. De kracht echter om te denken, hebben we uit ons voorgeboortelijke leven, resp. het leven van voor onze conceptie.
GA 205/189-194

*De begrippen ‘physisch’ en ‘leiblich’. Het lichaam dat leeft, de stoffelijkheid die het levende lichaam dient, wordt in het Duits vaak ‘Leib’ genoemd, i.t.t. tot ‘Körper’. Steiner gebruikt de begrippen soms door elkaar en met elkaar om in een karakterisering te blijven, daar alles met in elkaar doorwerkt en niet streng kan owrden gescheiden.
Hier gebruikt hij ‘physischer Leiblichkeit’ – ‘stoffelijke lijfelijkheid’, een woord dat in onze taal nauwelijks voorkomt. “Lijf” komen we als ‘leven’ nog tegen in bv.’lijfrente’ – rente voor het leven, In ieder geval: het levende lichaam/lijf.

Tot nog toe zijn de opbouwende krachten ‘etherkrachten’ genoemd, vormkrachten, enz. In deze voordracht legt Steiner meer de nadruk op wat er in deze etherkrachten aan wijsheid leeft, aan ‘gedachten’, het ‘bouwplan’ a.h.w. Hij gebruikt het woord ‘Richtekraft’, een kracht die ‘richting’ geeft, krachten die met het kind een bepaalde kant van ontwikkeling opgaan, (volgens plan). 
Wellicht niet toevallig is ‘Richtekraft’ ook de kracht om je op te richten, te gaan staan! Zie ook: [1-7-2/1]  en [1-7-2/2]

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1972-1856

.

.

.

.

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (3e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN DE EERSTE KLAS TOT AAN HET NEGENDE JAAR

Het kind dat [met zijn zesde/zevende jaar op school komt, wisselt zijn tanden. De activiteit van de plastisch-beeldende krachten die aan zijn organisme werken komt tot een afronding door de blijvende tanden te laten verschijnen. Die activiteit emancipeert zich van het lichamelijk-levende [1] en wordt nu zichtbaar in een veranderde vorm in het voorstellingsleven van het schoolkind. Het kleine kind heeft tot aan de tandenwisseling zijn gevoelsleven het sterkst tot uitdrukking gebracht door de bewegingen van zijn ledematen; na de tandenwisseling leeft het meer in het ritme van de ademhaling en de bloedsomloop. [2] Met alles wat in rijm, ritme en maat zijn vorm krijgt heeft het een instinctieve relatie.
Uit de tijd van voor de tandenwisseling werkt in het kind nog na de wil om zich in beweging en gebaar van de ledematen te uiten en alles na te doen en door nabootsing zich eigen te maken wat door de gebaren van de opvoeder als uitdrukking van zijn innerlijk leven naar buiten komt.
Niet alleen met zijn menselijke omgeving, maar ook met die van de natuurwereld is het kind nog innig verbonden, het is nog niet zichzelf, het is er door de wereld.
Ieder detail van het leerplan van de eerste drie schooljaren is het gevolg van het hier maar heel schetsmatig voorgestelde wezen van het kind van zes tot negen jaar.

De derde klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Euritmie

Vanuit het weergeven van bepaalde klanken ga je over tot het weergeven van woorden, zinnen en korte lyrische gedichten. Ook hier krijgen naast ritme en maat de schoonheid van de taal en de stemming van het gedicht de aandacht. Je begint met alliteratie-oefeningen, gaat verder met de pedagogische oefeningen en breidt de oefeningen van de tooneuritmie uit tot het octaaf.

Gymnastiek

In de derde klas begint het gymnastiekonderwijs. Het is een voortzetting van het euritmische.
Euritmie is zichtbare spraak, dus een zichtbare weergave van het ademproces. Wat zich afspeelt wanneer de adem doorwerkt in het bloedsproces, is er in sterke mate in terug te vinden. Bij gymnastiek vinden we het proces dat zich afspeelt wanneer het bloed in het spierstelsel werkzaam is. Gymnastiek maakt de spieren sterk en elastisch door het opnemen van de bloedstroom.  Wie gymt bevindt zich in een statisch en dynamisch proces. Hij ervaart de ruimtekrachten, bv. de zwaartekracht. Bij gymnastiek uit de wil zich direct, terwijl we bij de euritmische bewegingen meer voor ons zien hoe het gevoel, het zielsleven door de wil wordt uitgedrukt. De fysiologische basis van de gymnastiek moet je vooral bij jongere kinderen in het bloed en de spieren zoeken. Pas na het twaalfde jaar gaat het meer om het organisme en het mechanische van de botten. Het karakter van de oefeningen voor de kleinere kinderen (derde, vierde, vijfde klas) vertoont een grote levendigheid. De kinderen moeten bij de oefeningen iets met hun fantasie kunnen beleven. Je laat de bewegingen van de menselijke arbeid (bv. dorsen, zaaien, timmeren enz.) niet natuurgetrouw, maar omgezet in ritmische beweging uitvoeren.

Derde klas in het bijzonder:

Oefeningen zonder toestellen, met mate strekken en buigen. Oefeningen met toestellen: hindernisbanen in iedere vorm. Springen en klimmen. Ringen, wandrekklimmen.

Handwerken

Jongens en meisjes haken en gaan verder met hun kleine werkjes die ze zelf op een kunstzinnige manier ontwerpen.

Heemkunde

Het heemkunde-onderwijs plaatst het kind bewust in zijn naaste omgeving. Je bespreekt o.a. hoe specie wordt aangemaakt en toegepast bij de huizenbouw, enz. Het kind leert hoe het land wordt klaargemaakt, het werk op het land, het bemesten en leert de graansoorten onderscheiden. Het ervaart hoe het dier voor zijn voedsel de plant nodig heeft en de plant het dier voor zijn mest, de mineralen als voedsel en voor een stevige bouw. Op die manier wekt de heemkunde een gevoel op voor het wonderbaarlijke samengaan van de dingen in de wereld en laat dankbaarheid ontstaan voor iets wat lager staat dan de mens. Maar steeds gaan we vanuit het moreel-invoelbare weer terug naar de praktische realiteit en bereid je door een adequaat heemkunde-onderwijs nu al voor wat in latere jaren de leerstof kan opleveren voor het schrijven van eenvoudige zakenbrieven en opstellen over het zakenleven. Het is zeer belangrijk dat de leerkracht weet dat alles wat later komt, eerder voorbereid moet worden.

lezen

Zie schrijven

Muziek

Je begint met het aanleren van het notenschrift (C-majeur). De zangoefeningen worden in een wat grotere omvang voortgezet.

Rekenen

Bij het rekenen behandel je de vier rekenbewerkingen met moeilijkere getallen en met toepassing van eenvoudige dingen uit het leven. 

Schrijven

In de derde klas ontwikkelen wij door een omvorming van de vormen van het Latijnse schrijfschrift het Duitse schrijfschrift. Ook het Duitse drukschrift wordt door het kind in eerste instantie getekend en dan gelezen. De vaardigheid van het kind om op te schrijven wat het heeft gezien en gelezen wordt verder ontwikkeld.

Spreken

Dit schooljaar verdient het spreken bijzondere aandacht: articulatie en woordbouw. Wat daarvóór meer instinctief ervaren werd aan lange en scherpe of korte klanken, wordt nu bewuster nagegaan. Al sprekend wordt geoefend en via luisteren en articuleren wordt de juiste schrijfwijze behandeld. Bij het aanleren van gedichten wordt naast ritme en melodie in het spreken ook gezocht naar een manier om de schoonheid van de gedichten te laten beleven, omdat het zielsleven van het acht-negenjarige kind zich verdiept en open begint te staan om dergelijke schoonheid te ervaren. 

Taal

Grammatica
Het kind moet een voorstelling krijgen van de woordsoorten, de zinsdelen, de zinsopbouw en leren om leestekens te gebruiken.

Vertellen

De stof voor het vertellen en navertellen bieden dit schooljaar de verhalen van het Oude Testament, het allereerste begin van de wereld- en cultuurgeschi9edenis voor het kind. 

.

[1] Zie over het etherlijfAlgemene menskunde

[2] Zie over bloed en ademhalingAlgemene menskunde

Meer artikelen over het leerplan

Vrijeschool in beeld alle beelden

.

1971-1855

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 5 (5-1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 81   vert. 80

Hoewel Steiner in deze voordracht over het VOELEN wil spreken, begint hij daarmee niet meteen. 
Hij gaat eerst terug naar het denken en het willen, waaraan hij in voordracht 2, 3 en 4 al veel aandacht besteedde.

Wezenlijk om bij deze 5e voordracht te betrekken zijn de behandelde aspecten van de samenhang tussen denken – het kenvermogen, het intellectuele en de zenuwen. Zie daarvoor: [2-2] blz. 31-33  en [2-5-2] blz. 40/41

en wat de wil betreft, de samenhang met het bloed. Zie daarvoor: [2-3] blz. 33-35 en [2-5-1] blz. 39/40.

DENKEN – VOELEN – WILLEN NIET TE SCHEIDEN

Opnieuw brengt hij nu weer onder de aandacht:

Wir müssen uns nur über eines noch klar werden, das ich ja in verschiedenen Zusammenhängen schon erwähnt habe. Man kann nicht die Seelenfähigkeiten so pedantisch nebeneinander- stellen: Denken, Fühlen, Wollen – weil in der ganzen lebendigen Seele die eine Tätigkeit immer in die andere übergeht.

Maar één ding moet nog duidelijk worden. Ik heb dit al meerdere malen in ander verband genoemd. Men kan de zielsvermogens niet schoolmeesterachtig naast elkaar zetten: denken – voelen – willen, omdat in het geheel van de levende ziel de ene activiteit steeds in de andere overgaat.

En even verder  blz. 82  vert. 81:

Also ein pedantisches Nebeneinanderstellen ist schon für die Beobachtung der einzelnen Seelenbetätigungen nicht möglich, weil eben die eine in die andere überfließt.

Bij een observatie van afzonderlijke zielenactiviteiten blijkt dus dat het niet mogelijk is ze betweterig naast elkaar te zetten, omdat ze nu eenmaal in elkaar overgaan.

Steiner nodigt ons uit tot een soort ‘zelfobservatie’ wanneer we iets denken en iets willen:

Blz. 81  vert. 80/81

Betrachten Sie einmal auf der einen Seite den Willen. Sie werden sich bewußt sein können, daß Sie nicht zu wollen imstande sind, was Sie nicht durchdringen mit Vorstellung, also mit erkenntnismäßiger Tätigkeit. Versuchen Sie in einer, wenn auch nur oberflächlichen Selbstbesinnung, auf Ihr Wollen sich zu konzentrieren. Sie werden immer finden: in dem Willensakt steckt immer irgendwie Vorstellen drinnen. Sie würden gar nicht Mensch sein, wenn Sie in dem Willensakt nicht Vorstellen drinnen hätten. Sie würden aus einer stumpfen, instinktiven Tätigkeit heraus alles das vollziehen, was aus Ihrem Willen strömt, wenn Sie nicht die Handlung, die aus dem Willen hervorquillt, mit vorstellender Tätigkeit durchdringen würden.

Kijkt u naar één kant, naar de wil, dan zult u zich ervan bewust kunnen zijn dat u niet in staat bent iets te willen zonder dat u daar een voorstelling van heeft, zonder dat uw kenvermogen ingeschakeld is. Probeert u zichzelf – ook al doet u dat oppervlakkig — waar te nemen en u op uw wil te concentreren. U zult dan altijd vinden dat in iedere wilsuiting ook altijd op de een of andere manier een voorstelling vervat is. U zou helemaal geen mens zijn, wanneer u in een wilsuiting niet ook een voorstellingsaspect zou hebben. Wanneer u een handeling die uit de wil opborrelt niet met uw voorstellingsvermogen zou doordringen, dan zou u alles wat uit uw wil voortvloeit onbewust en instinctief doen.

Dit is bij de meest alledaagse dingen al overduidelijk: als je bv. ergens een haakje in de muur wil hebben om iets op te hangen, gaan daar allerlei voorstellingen aan vooraf: hoe hoog, hoe ver uit de zijmuur, hoe groot enz. enz. En bij al die overwegingen roept vaak de ene gedachte de andere op: en dat is als beweeglijke activiteit een wilsactiviteit:

Ebenso nun wie in aller Willensbetätigung das Vorstellen steckt, so steckt in allem Denken der Wille drinnen. Wieder wird Ihnen eine, wenn auch nur recht oberflächliche Betrachtung Ihres eigenen Selbstes die Erkenntnis liefern, daß Sie, indem Sie denken, immer in das Gedankenbilden den Willen hineinströmen lassen. Wie Sie Gedanken selber formen, wie Sie einen Gedanken mit dem anderen verbinden, wie Sie zu Urteil und Schluß übergehen, das alles ist von einer feineren Willenstätigkeit durchströmt.

Zoals in elke wilsactiviteit ook het voorstellen aanwezig is, zo leeft in al het denken de wil. Weer zult u door een – al is het maar zeer oppervlakkige – zelfobservatie tot het inzicht komen dat u bij het denken altijd de wil laat meespelen in de vorming van de gedachten. De manier waarop u zelf gedachten vormt, waarop u de ene gedachte met de andere verbindt, waarop u tot een oordeel en een conclusie komt – dat alles is verweven met een fijnere wilsactiviteit.

In de 2e voordracht karakteriseerde Steiner het denken al als een dynamische activiteit en niet als een statische: een beweging van beelden.

Dat bracht hem tot de uitspraak dat Descartes een verkeerde gevolgtrekking maakt door ‘zijn’ op gelijke hoogte te stellen met ‘denken’: het ‘cogito’ – ik denk – dus ‘ben ik’. Voor Steiner is ‘cogito’ een bewijs van ‘non sum’. Zie: [2-2] blz. 31-33

En dan volgt de zo belangrijke nuancering:

Daher können wir eigentlich nur sagen: Die Willenstätigkeit ist hauptsächlich Willenstätigkeit und hat in sich die Unterströmung der Denktätigkeit; die Denktätigkeit ist hauptsächlich Denktätigkeit und hat in ihrer Unterströmung Willenstätigkeit. Also ein pedantisches Nebeneinanderstellen ist schon für die Beobachtung der einzelnen Seelenbetätigungen nicht möglich, weil eben die eine in die andere überfließt.

Daarom kunnen we eigenlijk alleen zeggen dat de wilsactiviteit in hoofdzaak wilsactiviteit is met een onderstroom van denkactiviteit, en dat de denkactiviteit in hoofdzaak denkactiviteit is met een onderstroom van wilsactiviteit. Bij een observatie van afzonderlijke zielenactiviteiten blijkt dus dat het niet mogelijk is ze betweterig naast elkaar te zetten, omdat ze nu eenmaal in elkaar overgaan.

Zie verder: [2-8] blz. 42-43. Naast de in dat artikel genoemde voordrachten waarin Steiner dit aankaart, doet hij dat bv. ook in GA 205/189:

Ich werde heute einige Wahrheiten zusammenfassen, die uns dann wiederum dienen werden, um in den nächsten Tagen weitere Ausführungen nach einer gewissen Richtung hin zu geben. Wenn wir unser seelisches Leben ins Auge fassen, so können wir sagen, daß nach dem einen Pol hin in diesem Seelenleben das gedankliche Element, das Denken liegt, nach dem andern Pol hin das Willenselement, zwischen beiden das Gefühlselement, dasjenige, was wir im gewöhnlichen Leben das Fühlen, den Inhalt des Gemütes und so weiter nennen. Im wirklichen seelischen Leben, so wie es sich in uns abspielt in unserem Wachzustande, ist natürlich niemals einseitig bloß das Denken vorhanden oder der Wille, sondern sie sind immer in Verbindung miteinander, sie spielen ineinander. Nehmen wir an, wir verhalten uns im Leben ganz ruhig, so daß wir etwa sagen können, unser Wille sei nach außen hin nicht tätig. Wir müssen dann doch, wenn wir während einer solchen nach außen gerichteten Ruhe denken, uns klar sein darüber, daß Wille waltet in den Gedanken, die wir entfalten: indem  

Ik wil vandaag een paar waarheden samenvatten die ons dan weer kunnen helpen om in de komende dagen in een bepaalde richting verder te gaan.
Wanneer we naar ons gevoelsleven kijken, kunnen we zeggen dat aan de ene kant hiervan de gedachten zich bevinden – het denken  en aan de andere kant: de wil; tussen die twee bevindt het gevoel, dat wat we in het dagelijks leven het voelen noemen, de inhoud van ons gemoed en zo.

In het reële zielenleven zoals dat aanwezig is in de tijd waarin we wakker zijn, is natuurlijk nooit eenzijdig alleen maar het denken aanwezig of de wil, maar die staan altijd met elkaar in verbinding, die doordringen elkaar.
Laten we eens aannemen dat we ons een keer heel rustig houden, zodat we kunnen zeggen dat onze wil niet actief op buiten is gericht. Maar dan moet het voor ons toch duidelijk zijn dat we tijdens zo’n periode dat we uiterlijk gezien rustig zijn, de wil in onze gedachten die we ontplooien, tóch actief is:

wir einen Gedanken mit dem andern verbinden, waltet der Wille in diesem Denken. Also selbst wenn wir gewissermaßen scheinbar bloß kontemplativ sind, bloß denken, so waltet in uns wenigstens innerlich der Wille, und wenn wir uns nicht gerade tobsüchtig verhalten oder nachtwandeln, können wir ja nicht willentlich tätig sein, ohne unsere Willensimpulse von Gedanken durchströmen zu lassen. Gedanken durchziehen immer unsere Willensbetätigung, so daß wir also sagen können: Auch der Wille ist niemals im Seelenleben abgesondert für sich vorhanden. 

wanneer we van de ene gedachte naar de andere gaan, is de wil in dit denken actief. Dus zelfs wanneer we ons innerlijk schijnbaar in rust in onszelf teruggetrokken hebben, alleen maar denkend bezig zijn, dan is minstens de wil in ons actief en wanneer ons gedrag niet voortkomt uit woede of wanneer we slaapwandelen, kunnen we niet wilsmatig actief zijn, zonder onze wilsimpulsen gepaard te laten gaan met onze gedachten.
Onze wilsactiviteit gaat altijd gepaard met gedachten, zodat we dus kunnen zeggen: ook de wil bestaat in ons gevoelsleven nooit zomaar op zich.
GA 205/189
Niet vertaald

Bij vele gelegenheden heeft Steiner benadrukt dat geest en ziel zich in het lichamelijke uitdrukken, kenbaar worden, zichtbaar worden. Ook dat is aan vele verschijnselen in het leven waar te nemen.
Is iemand blij, vrolijk, dan is deze blijdschap, vrolijkheid ‘iets’ van het beleven, van het gevoel. Lichamelijk zien we dat aan o.a. de lach, het glunderen. Je zou hier de spierbewegingen kunnen bestuderen die voor deze niet-stoffelijke belevingen bij de uitdrukking in het lichamelijk/stoffelijke nodig zijn. 

Om emoties weer te geven, worden tegenwoordig de zgn. emoji gebruikt.
Van oorsprong Japans, vaak met een andere betekenis die ‘men’ er wereldwijd aan is gaan geven: wie ze bekijkt, ziet dat ze voornamelijk gevoelens weergeven in een gezichtsuitdrukking die we als mens meteen herkennen, die in zekere zin ‘algemeen menselijk’ zijn.

                                             

Zo zegt hij bv.:

Es offenbaren sich Seele und Geist durchaus in dem, was äußerlich stofflich zutage tritt.

Ziel en geest uiten zich nu eenmaal in wat uiterlijk stoffelijk zichtbaar wordt.
GA 309/19
Op deze blog vertaald/19

Deze en soortgelijke uitspraken vind je in ‘Steiner- alle wegwijzers‘. Zie bv. bij nr. 203.

En zoals er samenhang bestaat bij denken, voelen en willen, zo is die er ook bij het in het lichamelijke zichtbaar worden van deze bovenzinnelijke kwalificaties: voor het denken: de zenuwen en zintuigen; voor de wil: de ledematen en de stofwisseling met een hoofdrol voor het bloed; voor het voelen: de ademhaling en bloedsomloop. 
Ook hieraan besteedde Steiner al aandacht in de 2e voordracht, waarnaar hier boven werd verwezen.

In deze 5e voordracht gaat Steiner via een concreet voorbeeld van zenuw- en bloedactiviteit in het oog, over naar de basiskrachten van de ziel: de sympathie en antipathie.
Ook die stelde hij in de 2e voordracht al aan de orde: zie [2-3-1] blz. 35-38;  [2-3-2] blz. 35-38; [2-4] blz. 34-36]  en [2-4-1] blz. 40-44.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 5 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1970-1854

.



VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/3)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

De Gelderlander, 12-02-1986

studie aan Leidse Universiteit:

Schoolkind kijkt kritischer naar geweld op de tv
.

Kinderen beschouwen geweld op televisie niet als de normaalste zaak van de wereld. Het is mogelijk ze kritischer te laten kijken, waardoor ze met name sceptisch komen te staan tegenover het geromantiseerde beeld van series met geweld. Ze keuren dan geweld eerder af, ook in de werkelijkheid.

Dit zijn enkele conclusies uit het gisteren verschenen proefschrift ‘Kritisch TV kijken’ waarop dr Marcel W. Vooys is gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit van Leiden.

Vooys heeft een onderzoek gehouden onder de drie hoogste klassen van enkele basisscholen. Hij bood de kinderen een pakket aan van negen lessen, die ondersteund werden met videobeelden. De theorie uit de lessen werd vergeleken met de beelden op het scherm.

De bedoeling van het lespakket is drieledig.
Ten eerste:
de anderen moeten de ernst van het geweld scherper leren inzien. Het is nogal wat om geweld uit te delen of te onderaan. Dat gaat niet zo in je kouwe kleren zitten als de films suggereren. Daar klopt de held zijn kleren af na een knokpartij die geëindigd is met een val van een schurk in een ravijn en rijdt hij fluitend de zon tegemoet. Bij Miami Vice reageren de detectives volstrekt onaangedaan als ze iemand hebben gedood. In werkelijkheid, zo leren de lessen van dr. Vooys, kunnen agenten die geweld hebben moeten gebruiken, daar nog heel lang geestelijk last van lebben.

‘De goede’

Ten tweede:
wordt de scholieren bijgebracht dat ook ‘de goeie’ in de film zich niet van alles kan permitteren. Kinderen keu
ren doorgaans wel slechte daden van de boef af, maar vergoelijken dezelfde daden van ‘de goede’.

Tot slot:
leren de scholieren het verschil tussen de werkelijkheid van de maatschappij en de verzinsels op de televisie. Met name politie- en detectiveseries geven een verwrongen beeld van de ware gang van zaken. Magnum is een onbestaanbare figuur. Derrick lost in zijn eentje alles op. Onzin, zegt een echte politieman op de buis, aan een moordzaak werken minstens 30 mensen mee.

Het gaat om een pakket van negen lessen dat twee maal per week gedurende vijf weken bestudeerd werd. Na afloop liet Vooys de kinderen vragenlijsten invullen. Deze brengen hem tot de conclusie dat zijn lessen vruchten hebben afgeworpen en dat de houding van de kinderen ten opzichte van de geweldsgolf op het scherm wel is bij te stellen. Vergelijkingen met de kinderen van andere scholen die de kritische tv-cursussen niet hebben ondergaan, en met studenten van de Paedagogische Academie (volwassenen dus) wezen uit dat de kinderen die Vooys’ lessen hadden gevolgd aanmerkelijk kritischer zijn geworden en volwassener in hun houding.

Genoegen

Voorts wijst het onderzoek uit dat de meest agressieve kinderen en de liefhebbers van het geweldgenre niet minder van de lessen opsteken dan kinderen die wat gereserveerder tegenover geweld staan.

Dr. Vooys keurt geweld op televisie op zichzelf niet af. „Wat mij betreft mogen de kinderen als ze daar genoegen in scheppen rustig blijven kijken, mits ze dat maar kritisch doen.”

Het pakket van Vooys gaat nog een tweede leven leiden als lesmateriaal bij de schooltelevisie.

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen.

.

1969-1853

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (9)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

Gullivers reizen

Wat enigermate gezegd kon worden van een boek als „De Negerhut van oom Tom” en in veel sterker mate van „Don Quichotte”, dat geldt nóg duidelijker voor „Gullivers reizen”. Dit boek van Jonathan Swift is van tendens-„roman” in de loop van de tijd gedenatureerd tot jeugdboek. Tot een niet eens meer zó bekend jeugdboek bovendien. Waarbij de jonge lezer dan wel onmiddellijk zal begrijpen dat deze Lemuel Gulliver, de hoofdpersoon, geen wezen is geweest van vlees en bloed. Een schepping slechts uit papier en drukinkt – dat is duidelijk. De strekking – het oefenen van kritiek op allerlei maatschappelijke en politieke toestanden – zal nu, 250 jaar later, veel minder indringend geworden zijn. Uiteraard.

In 1726 kwam „Gullivers Travels into Several Remote Nations of the Worlds by Lemuel Gulliver, first a Surgeon, and then a Captain of Several Ships” van de pers. Het heeft Swift een voorarbeid van vele jaren gekost. Men neemt aan dat hij al in 1720 met de opzet ervan is begonnen. In de opvolgende delen laat hij de scheepsarts, resp. scheepskapitein, terechtkomen in vreemde landen met telkens andere, ook weer vreemde, maatschappelijke systemen. Eerst in Lilliput. Daarna in Brobdingnag. Later in Luggnagg, in het land der Hounyhnhnms en op het eiland Glubbdubrib. Via die ontdekkingen en ervaringen weet de uitermate kritisch ingestelde auteur dan zijn zegje te doen over toestanden in Engeland. Over de corruptie in het sociale en politieke leven en over de bedrieglijke uiterlijke schijn in het godsdienstig leven daar. En daar niet alleen. Eigenlijk botst hij in zijn felle kritiek op tegen de hele mensheid en de menselijke instellingen in het algemeen.

Alleen de eerste twee boeken, „Lilliput” en „Brobdingnag” – die over het land der lilliputters en dat der reuzen – zijn tot grote bekendheid gekomen. Die zijn dan ook in veel talen overgebracht en tweehonderdvijftig jaar lang in handen gebleven, zij het steeds meer als amusementslectuur voor de aankomende jeugd.

Jonathan Swift (3/11-1667 tot 19/10-1745)

Hij leefde dus in de tijd van de „Glorious Revolution”. Van Willem (III) en Mary. Van koningin Anna en, na haar, van het Huis Hannover met zijn Georges. Van de partijstrijd tussen Whigs en Tories.

Een iets jongere tijdgenoot was hij van Daniël Defoe. En via het hof en de regeringspersonen rondom Willem III moeten die beiden – Swift en Defoe – elkaar haast zeker hebben gekend. Ook als publicisten moeten ze haast connecties hebben gehad. Merkwaardig tenminste, hoeveel parallels er is in hun beider levensloop, hun kritische instelling en hun werkzaamheid.

Terwijl het begin van Defoes leven zich duidelijk aftekent, is dat van Jonathan Swift nogal wazig. Hij moet in Dublin geboren zijn uit een oud predikantengeslacht. Zijn vader, procureur, stierf voor Jonathans geboorte. Zijn moeder trok met haar gezin bij een zwager in, die ook voor de opleiding van zijn neef zorg droeg. Dat intussen zo karig, dat Swift later daarover sprak als over „zorg voor een hond”. Een fleurige jeugd had hij dus allerminst. Zijn allereerste drie kinderjaren bracht hij bovendien, met zijn moeders toestemming, door in de familiekring van een kindermeisje. De vraag komt op, of hij mogelijk mede door dit onvriendelijke begin des levens tot de sarcastische, verbitterde mens is uitgegroeid die hij later was …

Zijn predikantsstudie brak hij af. Dan vinden we hem terug als secretaris van de, ook in onze historie bekendere diplomaat William Temple. En daardoor in de periferie van Willem III, die hij – evenals Defoe – zeer bewonderde.

In 1692 voltooide hij toch nog zijn opleiding tot predikant. In Ierland vond hij als zodanig een nieuwe werkkring. Scherp kon hij lostrekken tegen misstanden in de Kerk. Maar bij alle kritiek op de Kerk als lichaam, als organisatie, liet hij het christendom zelf onaangetast. Ook de politiek liet hem niet los. Zijn felle pen werd in Engeland een gevreesd wapen. Teleurgesteld in de Whigs was hij overgelopen naar de Tories. En aan de val van Marlborough heeft zijn kritiek stellig meegewerkt. Als regeringsadviseur had hij een belangrijk aandeel in de Vrede van Utrecht, die achter de rug van onze Republiek om, met Frankrijk in 1713 werd gesloten („Bij u, over u en zonder u”).

Op de Hollanders was hij trouwens fel gebeten. Dat komt op verschillende plaatsen van zijn werk naar voren. Waarom of waardoor, is mij niet bekend.

Na de val van de Tories (1714) verplaatste hij zijn activiteiten weer naar Ierland. Hij kwam er op voor de rechten der onderdrukte leren, vooral van de protestanten onder hen. De toon van zijn diverse geschriften werd er niet zachtzinniger op. Hij was befaamd en gevreesd …

Swift zelf werd bij het klimmen der jaren evenmin zachtzinniger. Invloed van zijn moeilijke eerste twintig levensjaren? Droeg hij de last van homofilie mee? (Dat wordt namelijk wel verondersteld). – Een hinderlijke oorziekte maakte hem het leven moeilijk en hem tegelijk tot een moeilijk mens. – (En zou een voortdurend onbarmhartig kritisch waarnemen van de omgeving iemand op den duur zelf onaangetast kunnen laten? Loopt hij op den duur niet de kans te verzuren en te verbitteren? Een gevaar voor élke criticus?)

Swift werd een moeilijke knorrepot. Een mens met een sombere ouderdom (Hier treft weer de overeenkomst met Defoe). Wie zal er anders gemakkelijk toe komen een eigen grafdicht van bijna 500 regels te maken? (“The Death of dr. Swift”).

Hij stierf 14 jaar nadien in Dublin. Juist, zoals hij altijd had gevreesd: in een vrijwel volkomen geestelijke onmacht ….

Wel een tragisch einde voor een man die met een zo schitterend intellect begiftigd was. Met al zijn briljante mogelijkheden toch een min of meer mislukt mens … Waarvan de jeugdige lezers gelukkig geen besef hebben. Laten zij hem maar een amusante schrijver vinden.

In 1967 is zijn 300-jarige geboortedag hier en daar herdacht. Zo door de heer J. Simons in „Studium Generale”. Diens artikel droeg voor deze bijdrage verschillende gegevens aan.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1968-1852

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:
.

De Volkskrant, 29-08-1987
.

Tv kan Rambo-connectie versterken
.

Afgelopen woensdag was hij weer op de tv, The master. Een avonturenserie over een bejaarde man, gekleed in een Japans aandoende zwarte overall, die onmogelijke dingen doet. Zoals van een dak springen en onderweg nog even twee tegenstanders vloeren. Hij vecht veel en gebruikt daarbij soms een metalen schijf met scherpe punten, een werpster.

„We hebben nu tussen de 25 en de 30 van die werpsterren hier. Ze zijn verboden in Nederland. Het zijn, wat wij dan noemen, ongewenste handwapens. De jeugd hier hoeft maar een kilometer de grens over te gaan om ze in Duitsland te kopen; daar is een videotheek die ze verkoopt. Ze zijn echt gevaarlijk. Niet zomaar stukjes blik om mee te spelen, nee, zwaar metalen dingen die thuis ook nog eens langs de slijpmachine worden gehaald.”

Politievoorlichter Peters van het hoofdbureau in Enschede is ervan overtuigd dat de sterrenrage in de stad en ook elders in het land, een gevolg is van de Veronica tv-serie The master.

Het bureau is begonnen met een verstandige omruilactie. Iedereen die een ster inlevert, krijgt er een frisbee voor terug, een plastic werpschotel die aanzienlijk minder gevaarlijk is.

Is er verband tussen geweld op tv en in bioscopen en agressief gedrag van mensen? Een vraag die bijna zo oud is als de televisie. Maar er begint nu ook een antwoord op te komen. Volgens prof.dr. O. Wiegman worden de deskundigen het met elkaar eens op dit punt. Verband is er.

„De oude theorie is losgelaten waarbij aangenomen werd dat mensen hun agressie kwijt kunnen door alleen naar gewelddadige scènes te kijken of er over te fantaseren. De Amerikaan Bandura — die op dit terrein veel gepubliceerd heeft — heeft dat in het begin van de jaren zestig verworpen en ook anderen zijn het met hem eens. Het tegengestelde is eerder waar: agressie roept agressie op”, aldus Wiegman, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Twente.

De mate waarin het effect voorkomt, hangt van veel zaken af. De leeftijd van de kijkers speelt een rol, hun intelligentie, de manier waarop ze zelf te maken hebben gehad met agressie, de tijd dat ze naar agressieve beelden kijken. „Er zijn mensen die zich door dergelijke beelden onbewust laten beïnvloeden en anderen gaan er juist voor zitten. Zo zag je na de eerste vliegtuigkapingen die op de televisie en in de krant kwamen, een ware hausse ontstaan in kapingen. De mensen zijn daardoor op een idee gebracht, ze zagen dat het kon en het is daarna honderden keren herhaald.

„Hetzelfde geldt voor beelden van wegversperringen om auto’s tegen te houden. Ook dat werd meteen na de melding ervan in de media volop in praktijk gebracht. Brandkastkraken met moderne technische middelen, overvallen op benzinestations, beroving van banken op een speciale manier, ga maar door. Zo is het evident dat die man in Engeland, die vorige week zo veel mensen heeft doodgeschoten op zjjn tocht door dat stadje Hungerford, de film Rambo gezien heeft. Alleen valt wetenschappelijk moelijk aan te tonen dat zijn gedrag daardoor beïnvloed is.”

Aantoonbaar of niet, Wiegman vindt het onjuist dat Veronica volgende week de Rambo-film First Blood uitzendt, of welke agressieve film dan ook. „Agressiviteit in films dient geen enkel positief doel.” Voor wie First Blood nog niet kent, de film lijkt wat op de slachtpartij die zich vorige week in Engeland afspeelde: een man vermoordt iemand, gaat een stadje binnen, beschiet een pompstation, vermoordt en verwondt nog een groot aantal mensen en trekt zich terug in een gebouw waar hij het verder uitvecht met de politie.

Meteen werd in de Britse pers de Rambo-connection gelegd. Een titel die blijkbaar aansloeg, want dagenlang is de slachtpartij in het nieuws gebleven, hoewel het toch bepaald niet de eerste keer is dat iets dergelijks gebeurt. Geweld in deze vorm heeft blijkbaar nu een gezicht gekregen, en is daardoor beter herkenbaar geworden. De Britse pers en haar lezers toonden er meer dan normale belangstelling voor.

„Tv-beelden bepalen natuurlijk niet alleen het gedrag van mensen. Maar ze kunnen wel bepaalde uitingen versterken. Daarbij komt dat er een zekere cumulatie is, een optelsom van effecten die op een bepaald moment een ontlading zoekt. Zware kijkers naar dergelijke agressieve films zullen dan ook op een bepaald moment een ander gedrag vertonen dan mensen die minder vaak kijken”, aldus Wiegman.
Hij pleit voor meer beleid bij de omroepen op dit punt. Meer afweging van welke films wel en welke niet uitgezonden worden, op welk tijdstip zo’n uitzending dan moet plaatsvinden en of bepaalde delen er misschien uit moeten. Dat geldt ook in zekere mate voor het journaal. Voor Wiegman hoeft niet echt alles vertoond te worden dat over bepaalde agressieve zaken voorhanden is, zeker niet tijdens de vroege uitzendingen.

De onderzoekresultaten die bekend zijn bij psychologen over het menselijk gedrag hebben vooral betrekking op de ervaring van kinderen. Daaruit komt naar voren dat intelligente kinderen minder gevoelig zijn voor agressieve beelden. Ze kijken al minder televisie, zijn daarbij selectiever en blijken ook minder ontvankelijk te zijn voor de beelden die vertoond worden. „Bovendien zijn ze makkelijker aanspreekbaar op hun verstand. Daarmee heb je een ingang om therapie te bedrijven en ze te behoeden voor valkuilen.”

Er zijn overigens ook andere factoren die remmend werken op agressief gedrag, waarmee de deskundigen overigens nog niet goed raad weten. Zware kijkers zijn bijvoorbeeld bejaarden. Die moeten in hun leven al heel wat agressieve beelden hebben verwerkt. Maar toch komt het niet vaak voor dat hoogbejaarde mensen schietend de straat op gaan, ondanks de accumulatietheorie. „Bij die mensen heeft ergens een verzadigingsmechanisme gewerkt. Het is echter niet duidelijk hoe en waarom bepaalde effecten niet optreden. Misschien is er ergens een breekpunt waarop mensen zich juist afsluiten van de invloed van agressie.”

Die rem is bij velen nog ver te zoeken. De Rambo-maniak in Hungerford staat niet alleen. In de Britse pers is al eerder een verband gelegd tussen First Blood en een gebeurtenis waarbij een militair in Australië zes motorrijders overhoop schoot vanuit een bosje.

Een paar dagen geleden nog werd melding gemaakt van twee strijdende drugsbendes in de sloppenwijken van Rio de Janeiro. De leider van een van die bendes, ene Cabeludo, is een fan van de filmster Sylvester Stallone die in First Blood de rol speelt van Rambo. „Ik heb hetzelfde machinegeweer als hij in zijn film gebruikt”, zei de bendeleider, die zijn zoon Rambo-twee heeft genoemd.

Die 31-jarige misdadiger is trouwens niet de enige met bewondering voor Rambo (Stallone). In 1985 liet president Reagan van de Verenigde Staten zich ook al in lovende bewoordingen over hem uit. Sprekend over de oplossing van de zoveelste gijzelingszaak in het Midden Oosten zei hij: „Ik zag Rambo gisteren op het scherm. Volgende keer weet ik wat ik moet doen.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

1967-1851

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (8)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”
.

Robinson Crusoe

De oplettende lezer mist vermoedelijk al dadelijk het deelteken, dat niet zelden boven de laatste „e” van deze naam wordt geplaatst. Onlangs las ik ergens een doorwrocht artikel, dat m.i. overtuigend bewees, dat die puntjes een onjuiste toevoeging waren. De juiste schrijfwijze zou „Crusoe” zijn en bijgevolg de juiste uitspraak „Crusoo”. – En daaraan wil ik me nu graag houden.

Of Robinson werkelijk heeft geleefd? – Inderdaad. En er is zelfs heel wat over hem en over zijn kroniekschrijver bekend.

Vooraf moet nog even worden vastgesteld, dat het oerboek over Robinson nooit als kinderboek bedoeld is geweest. Dat heeft het met verschillende andere werken gemeen (met „Gullivers reizen” en „Don Quichotte” bijvoorbeeld). Maar het bleek, dat zulke schrifturen toch bij de jeugd bijzondere weerklank vonden. Om bij dit boek te blijven: hoeveel kinderen spelen onbewust in hun jonge jaren het Robinson-verhaal niet? Op het gazon in de tuin. Op het zand rondom een wijk-in-aanbouw. Tussen de restanten van een saneringsbuurt. In het bos …. In een hut van oude lappen of planken …. In hun Robinson-periode. Waarmee ze een ongeweten maar ingeschapen behoefte aan avontuur kunnen bevredigen. Hun drang naar activiteit, naar creativiteit. Een verlangen naar een trouwe vriendschap, naar toepassingen van ingeboren vindingrijkheid. Naar een stuk padvindersbestaan …. En de vele kanten van zo’n vrij en avontuurlijk leven vinden ze in „Robinson” terug. Vandaar.

Waarna de commercie haar kansen begreep. En greep. Er is een hele „Robinsonade” gegroeid. In minstens 26 landen is het als jeugdboek verschenen. Vóór 1 875 circuleerden alleen in Frankrijk en in Duitsland al ’n 50 op „Robinson” gelijkende jeugdboeken.

Nog in 1968 kwam in Nederland een nieuwe Nederlandse bewerking van het bekende verhaal van de pers. Het verscheen bij Desclee de Brouwer in Utrecht en is, inplaats van het gebruikelijke aftreksel van het gróte werk, mogelijk het meest informatieve Robinson-boek in ons land. Ditmaal werkelijk een aanwinst voor jongeren én voor ouderen!

Maar thans: wie was Robinson? En: wat is er werkelijk gebeurd?

Alexander Selkirk

Dat is de man, waaromheen Daniël Defoe zijn „Robinson”-verhaal geweven heeft. Hij moet omstreeks 1676 in het Schotse vissersplaatsje Largo geboren zijn. Het was een nogal ongemakkelijke knaap, die deswegen als 17-jarige voor de kerkenraad verschijnen moest. Daar hem dat niet zinde, deed hij wat zoveel, later beroemd geworden, mannen in die tijd deden: hij ging ervan door. Naar zee.

Hij kwam terecht op de kapervloot van William Dampier en, aan het eind van tien jaar, op het schip van Thomas Stradling, een onmenselijk hard bevelhebber. Aan boord ontstond een groeiende ontevredenheid en Alexander Selkirk bleek daarbij een der leiders te zijn. Gesteld voor de keuze van een der in die dagen toegepaste harde straffen, gaf hij de de voorkeur aan een verblijf op een onbewoond eiland. Op de speldeknop Juan Fernandez, dat men juist passeerde, 650 kilometer uit de Chileense kust. Voorzien van een bijbel, een geweer, een pond kruit, een bijl, een mes, een zak tabak, een stuk linnen, wat kleren en een ketel werd hij daarop het eenzame strand achtergelaten. Het was ± september
1704 en hij was toen 28 jaar oud.
Al gauw moet hij spijt gehad hebben van zijn keuze. Toch heeft hij zich vier jaar en vier maanden in de eenzaamheid weten te handhaven. Totdat op 1 februari 1709 twee Britse kaperschepen onder kapitein Rogers het eiland ontdekten. Het eiland en zijn bewoner. Gehuld in geitevellen, met een geweer op de schouder en een primitieve parasol onder de arm. Juist zoals later in de eerste druk van „Robinson” een knappe illustratie hem weergaf. (De geiten op het eiland waren nakomelingen van dieren, lang tevoren door andere zeevaarders daar achtergelaten).

Kapitein Rogers deed in zijn journaal uitvoerig verslag van zijn wonderlijke aanwinst. Blijkbaar kon hij het verder ook gauw goed met Selkirk vinden. We zien deze tenminste al spoedig terug als tweede stuurman op Rogers schip. En later, toen ze een Spaanse bodem hadden ingepalmd, kreeg Selkirk daarover het bevel. Aldus vervolgde hij zijn leven als Engels kaperkapitein. Half oktober 1711 kwam Selkirk in Londen aan. Een gefortuneerd man. Rijk geworden door de prijzengelden die zijn kaperijen hem opgeleverd hadden.

Het eerste relaas van zijn wonderlijke avonturen verscheen het volgende jaar maar schijnt weinig aandacht te hebben gekregen.

De zee kreeg hem al gauw opnieuw te pakken. In 1721 (elders staat: 1730) is hij als eerste stuurman op een Engels oorlogsschip gesneuveld.

Ziehier het ware verhaal over de ware Robinson Crusoe.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1966-1850

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze staan onder Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19
.

F.Wedekind, nadere gegevens onbekend
.

 Tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv.

Er werd me gevraagd een stukje te schrijven over tv. Eigenlijk weet ik er niet zoveel van. Zo’n tv is een voor mij onbegrijpelijke technische aangelegenheid. We hebben nu eenmaal heel wat technische apparatuur in huis, dat handig is en goed werkt.

Maar bij tv is de vraag, of het gebruik ervan goed is voor kinderen. Voortdurend gebruik door kinderen doet hun zintuigen, fantasie en blijdschap afstompen. Wanneer zintuigen, fantasievermogen en vermogen tot het ondervinden van vreugde slechter worden, hoe moet het dan wanneer deze kinderen zestig jaar zijn? Hebben ze ooit deeg gekneed, in de aarde gegraven, iets met plezier gemaakt en ontworpen? Het wordt hun probleem en het is onze zorg. Wanneer ik over de tv nadenk, herinner ik me nog, dat ik bij de buren mocht kijken. Doodmoe kwam ik daarna thuis, ik had pijn aan mijn ogen, ik had geen eetlust, maar ik zei er niets van tegen mijn ouders en vriendinnetjes. Ik wist niet, dat alles van die tv. kwam.

Je wilt als kind niets missen, je wil eigenlijk alles hebben, zien, vastpakken en weten.

Maar we weten langzamerhand allemaal, dat de tv helemaal niet goed is voor nog onontwikkelde ogen van kinderen in de groei. Zo heeft men waargenomen, dat de pupillen van de ogen niet meer groter of kleiner worden. Een verstarring is dat.
Ja, zo is er meer met de tv-beelden.

– de beelden zijn te vlak, er is geen diepte
– de beelden kunnen niet worden herhaald
– de lichtflitsen zijn te snel
– de meeste stukken zijn niet om over na te dromen
– geen verhaal is mooi afgerond, alles is fragmentarisch en brokkelig, ook door z.g. vervolgverhalen
– de hersens en de ogen hebben te veel te verwerken.

Nu weet men wel, dat kinderen graag een verhaal met een inleiding, een kern en een afsluiting als ritmisch geheel beleven. Wanneer je een kind bij de tv ziet zitten, kan men een zekere verharding waarnemen. Niet bij alle kinderen, maar het kan bij hen nog komen. Let u eens echt op, hoe uw kind vóór, tijdens en na het tv-kijken is, in bed ligt en zich gedraagt. Let u daar eens een paar keer op, zie uw eigen kind én de tv; en u gaat dingen ontdekken.

Vertelt men een kind zelf een fijn verhaal, treedt bij het kind een rustige spanning en aan het eind een gezonde ontspanning op. Het kind kan in die toestand alles opnemen, het neemt uw stem en gebaren waar. Dat geeft rust en dat heeft het kind nodig: mens-mens-contact.

Bij het tv-kijken komt er een spanning om het kind, het wordt geboeid door geluid, kleur en beeld, die echter geen echt geluid, natuurlijke kleur en beeld zijn. Alles is mechanisch. Het kind is star in de ban ervan: het gaat niet naar de wc, het drinkt wel, proeft niet en eet niet. Het houdt a.h.w. alles vast.

Geen warmte en geen bloei is om het kind heen.

Ik hoop, dat u begrijpt waar ik heen wil. Wij moeten in onze cultuur het kind juist helpen om niet te vroeg door de techniek ingepakt te worden. Het kind moet niet van apparatuur leren, het moet van de mens leren en innerlijk echt bewegende, sprekende en denkende wezens meebeleven. Niet zozeer het drukken op knopjes en omzetten van handletjes.

Wij geven de kinderen sprookjes. Probeert u zelf eens Roodkapje te lezen en te vertellen. Je bemerkt, dat het verhaal, dat je al kent, je eigen verhaal wordt. De taal, de fantasie, de beelden, de oervormen uit de sprookjes bieden ritme en herhaling, maar geven ook nieuwe impulsen.

Zo’n tv is gelijk een snoeptrommel. Zien de kinderen die, dan willen ze kijken ook.

Ik raad u aan: zet de tv eens in de kast, streep iets aan, dat ze kunnen zien. Bouw de kijktijd geleidelijk af, totdat ze helemaal niet meer willen kijken. Met mijn nichtjes maakte ik mee, dat zij alles van de tv wilden zien. Toen ging de tv uit huis en ze talen er niet meer naar.
Hoe ouder ze worden, des te meer interesse ontwikkelen ze voor de buitenwereld: verzamelen, lezen, sport enzovoort.

Help ons en uzelf en uw kind door veel met eigen hand te maken. De kinderen vinden het prachtig. Vader maakt een vogelkastje: de kinderen spreken er nog dagen over.

Een tv-programma met Niels Holgerson blijkt maar heel kort gespreksstof te leveren. Dan is het weer weg.

Wanneer de kinderen aan de tv-kast bemerken, dat het etenstijd wordt … dan mag men zich zorgen maken.

Ook al zijn er nu nog geen moeilijkheden, let u goed op, het is de moeite waard.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1965-1849

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – – Is het echt gebeurd? (7)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

Buffalo Bill

Om daarmee maar te beginnen: Buffalo Bill – „Bison-Willem” – heeft werkelijk geleefd. Van 26 februari 1846 tot 10 januari 1917. Er is zelfs een kleine mogelijkheid, dat onder de lezers van dit artikel een enkele zou kunnen verklaren: „Ik heb hem zelf nog (aan de gang) gezien”. Maar daarover straks meer.

Buffalo Bill heeft dus werkelijk geleefd. Officieel zal hij in de Amerikaanse burgerlijke stand – of wat daarvoor een eeuw geleden moest doorgaan – te boek staan onder de naam: William Frederick Cody. Waaraan dan nogal eens een keer de wijdse titel „kolonel” werd en wordt toegevoegd. (Dergelijke, op niets steunende, versierende toevoegingen kwamen destijds nogal eens voor. Denk maar aan „kolonel” Drake, de gepensioneerde treinconducteur, die naam maakte door de eerste olieboring).

De legendarische held

Zijn, aan avonturen rijke, loopbaan begon bij de z.g. „pony-express”. Dat was een postdienst over het Noordamerikaanse continent van oost naar west v.v. Dwars door Indianengebieden en door van bandieten wemelende en onveilige streken. Als zo’n koerier – die wel niet op een pony zal hebben gereden – heeft William Cody natuurlijk wel zo het een en ander beleefd. Daarna werd hij „scout”, verkenner en gids, in dienst van het naar het westen opdringende Amerikaanse leger.

En toen bizonjager, waaraan hij de naam „Buffalo Bill” te danken heeft. Ten behoeve van de vleesvoorziening van dat leger en van het arbeidersleger, dat de glimmende staven van de Pacific-lijnen gestadig verder naar het westen schoof, maakte Cody jacht op de bizons, die toen nog in groten getale de prairies bevolkten. Er staat van hem opgetekend, dat hij in 17 maanden niet minder dan 4280 bizons neerlegde. (In onze tijd zou hem dat geen heldenrol meer opgeleverd hebben).

Intussen was hij door allerlei staaltjes van rij- en schietvaardigheid, van onverschrokkenheid en slimheid hoofdpersoon geworden in tal van boeken, toneelstukken en vooral van goedkope bontgekleurde driestuivers-afleveringen (als het ware de verre voorgangers van de kleuren-tv). Een zekere Ned Buntline heeft ze bij honderden op de markt geslingerd. (En wij, zo tussen 1910 en 1915, maar turen naar de voor ons onbereikbare floddertjes achter de ramen van de kleine, grauwe boekzaakjes, waar dat schoons te prijken lag. Cowboys in hoge stevels en in gele en rode gefranjede jassen. Een zware revolver in elke hand. Soms ook vastgesnoerd en overgeleverd aan dreigende Indianen of prairie-rovers… De spanning droop ervan af…)

Cody zelf heeft zich ook aan dat soort literatuur gewaagd. Gelukkig, dat hij daarbij een zuster ter beschikking had, die zijn letterkundige producten in elk geval van de benodigde leestekens en hoofdletters kon voorzien.

Op reis

Toen het midden van de Verenigde Staten zo’n beetje gepacificeerd was, stapte B. B. over naar de show-branche. Met een grote en bonte troep Indianen, scherpschutters, scouts, enz. trok hij rond. Eerst in de Ver. Staten. Later in Europa. Een enkele bron zegt: door de halve wereld, maar of dat waar is? Wél waar is, dat zijn voorstellingen overal enorme toeloop kregen. Niet alleen van de jeugdige lezers der driestuivers-afleveringen, maar ook van hooggeplaatsten. Zelfs vorsten en hun hoven kwamen zien naar Buffalo Bill en zijn schilderachtige troep. Naar, bijvoorbeeld, de overval op een postkoets in het Wilde westen, want ook daarvoor waren alle attributen meegebracht…. Bijna echt, den volke voorgetoverd in circustent of arena …En vooral naar de man zelf. Tot zijn zeventigste jaar bleef hij in zijn groep de hoofdpersoon. Gezeten op een door de arena galopperend paard schoot hij op die leeftijd nog feilloos de glazen bollen stuk, die helpers van alle kanten omhoog gooiden. Tot zijn dood in 1917…

Na 1917

Als mijn geheugen me niet bedriegt – ik was toen nog maar een 16-jarige Haarlemse kwekeling – heeft men Buffalo Bill een graf gegeven in de ruime wereld, waarin hij altijd geleefd had. Op een heuvel bij de stad Denver, de hoofdstad van Colorado. Daar, waar het Rotsgebergte naar het oosten overgaat in „golvende prairies, soms doorsneden door droge rivierbeddingen, met als enige begroeiing de pretentieloze grijze struiken van de sage-brush”. (Of daar nu nóg de prairie-wind, gekomen van mijlenver, ongebroken over de heuvels waaien kan? In de stad Buffalo is een museum, gewijd aan de tijd van de Indianen en van W. F. Cody. Er hangen portretten van „Pretty Eagle” en „Big Crow” en andere grote Indianenhoofden uit zijn tijd.

In de plaats Cody – die ik op mijn atlas niet vinden kan – moet een museum zijn, geheel gewijd aan de man, die zijn naam er aan gaf.

Op 4 maart 1976 stierf in Corpus Christi (Texas) op 105-jarige leeftijd het Siouxopperhoofd „Rode Vos”. Hij was een van de grote figuren uit B. B.’s Wild West-show. Daarenboven een zeer gewaardeerde autoriteit op het gebied van de Indiaanse geschiedenis. Zo van de slag bij Little Big Horn (1876) waarin generaal Custer met zijn gehele zevende regiment cavalerie tegen de Indianen het leven verloor.

Ruim twee maanden later, op 7 mei 1976, werd op een veiling bij Christies in Londen William Fredericks befaamde Winchesterbuks uit 1883 te koop aangeboden. Voor ruim ƒ 5000,— werd een Amerikaanse verzamelaar de nieuwe eigenaar ervan.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1964-1848

.

.

.

.