Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (2)

.

SINT-NICOLAAS: EEN GESCHENK

Nog is het herfst, maar de gloeiende kleuren aan de bomen zijn verdwenen. De laatste herinnering aan de zomer­zon is met de winden weggeblazen. De avonden worden langer en we ma­ken het gezellig in huis. Een eerste po­ging om licht en warmte van binnenuit te laten ontstaan, was het sintmaartenslampje.

Uit de knol werd materie weggehaald om ruimte te scheppen voor het licht. In de wand rondom sneden we figuren ‘zon ende maan ende sterren’, als ven­sters waardoor het licht naar buiten kan stralen.

In de ‘donkere’ middeleeuwen zoals ze later in de Renaissance werden ge­noemd, in drie eeuwen tijds van onge­veer 1050 tot 1350, ontstonden die machtige bouwwerken die wij nu in deze chaotische tijden ervaren als oasen van rust en concentratie, van or­dening en strenge vorm: de grote kathedrale kerken. Ze ontstonden door het werk van vele, vele vlijtige handen, en vaak ten koste van ontzag­lijk veel moeite en zorg en leed. Steeds hoger rezen de geweldige muren op, steeds gewaagder werd de overspan­ning van de gewelven.

Als je er vanbuiten tegenaan kijkt en er tegenop, dan lijkt het een te groot, onoverzichtelijk brok steen dat stevig op de aarde is gegrondvest. Zodra je binnen gaat in dat onmetelijk grote bouwwerk, is het of je uit jezelf wordt getild. Je moet gaan zitten op een stoel om het contact met de aarde niet te verliezen. Je wordt
meegetrok­ken tussen al die omhoogstrevende lij­nen van zuilen en muren. Je wordt duizelig van de hoogte. Maar als je rondkijkt, dan vind je een rustpunt: de vensters die het hemellicht doorla­ten, gebroken in fonkelende kleuren. De glazeniers van de middeleeuwen ge­bruikten het vuur om hun glasplaten die prachtige kleuren te geven. Zij mengden zuiver rivierzand met as van verbrand beukenhout en verkoolde va­rens en wat keukenzout. Dat mengsel werd langzaam verhit en tot smelten gebracht, urenlang. Door het toevoe­gen van metaaloxyden ontstonden de hoofdkleuren: rood, groen, geel en blauw.

Die oude, gebrandschilderde kerkra­men zijn van zo’n adembenemende schoonheid, dat ze je kunnen ontroe­ren tot in het diepst van je ziel. Als de zon op de ramen schijnt, worden ze transparant, en de kleuren gaan glan­zen en gloeien. Je voelt je licht en warm worden als je ernaar kijkt. Het is of ons door die vensters heen iets tegemoet straalt van het innerlijk vuur, dat de mensen van toen verwarmd moet hebben, en waardoor zij zulke machtige bouwwerken met elkaar tot stand konden brengen.

In die tijd van de bouw der kathedra­len leefden de heiligen. Sommige van hen begeleiden ons op weg door het jaar heen. Juist in deze maanden, als het buiten sneller donker wordt, de uiterlijke warmte en het licht afnemen, is het of steeds meer lichtende gestal­ten om ons heen komen staan. Heiligen zijn als de vensters van een middeleeuwse kathedraal. Zij zijn ‘doorschijnend’, transparant voor een licht dat niet van deze aarde is. Het is dit licht, dat de schilders uit die tijd hebben getracht weer te geven door de gouden stralenkrans om het hoofd van de afgebeelde heilige, de aureool. Alle heiligen hebben hun leven in dienst gesteld van het licht. Dat hebben zij ieder op hun eigen wijze gedaan. Toch is er dat ene gemeenschappelijk: wat zij aan hoon, laster, armoede, ziekte, pijn, verdriet, twijfel en wanhoop doormaakten, werd gelouterd door het innerlijk vuur van hun streven. Het is of door dat vuurproces de rijke, glanzende kleuren ontstonden van de heiligenlegenden.

Een rij stralende gestalten die ons als door een venster uitzicht geven op een hemels gebied. Degene die ons een eind weegs begeleidt in de adventstijd, is Sint-Nicolaas.

Hoe komt het dat in ons calvinistische land de naamdag van deze heilige zo algemeen wordt gevierd? Dat hangt sa­men met gebeurtenissen in het 17e eeuwse Amsterdam. Toen eindelijk de vrede kwam na de Tachtigjarige Oorlog, werd alles wat Spaans en Rooms was, het land uitgejaagd. Op 3 december 1638 werd de
bewo­ners van Amsterdam vanaf het stad­huis meegedeeld, dat het voortaan streng verboden was Sinterklaas te vie­ren op straffe van verbeurdverklaring en boete van 30 stuivers. De nieuwe calvinistische regering wilde ook die laatste bisschop verbannen! De bode was echter nog niet eens uitgesproken of een woedend gejouw klonk op. En na dit incident ging iedereen rustig door met ‘Klaesjes’ bakken, en met al­lerlei andere heerlijke gewoonten die bij het feest hoorden. In 1661 ging de regering over tot kras­sere maatregelen. De kramen van de sinterklaasmarkt werden omgegooid, verkopers en bezoekers werden wegge­jaagd. Maar toen hebben de Amsterdammers zo’n ontzettend kabaal ge­maakt, dat de stadsregering haastig bakzeil haalde. Sint-Nicolaas werd heroverd en vanuit Holland begon de victorie! De wijde rode mantel van de goede Heilige betekende voor het volk meer dan een formeel kerkelijk ge­waad.

Hoe kwam Sint-Nicolaas uit het verre, warme Klein-Azië hier in het hoge, koude Noorden? Hij was schutspa­troon van de zeelieden en de reizigers, en zo vindt men langs alle handels­wegen te land en ter zee kerken en ka­pellen ter ere van Nicolaas. Via de bond van handelssteden, de Hanze, is de verering van Sint-Nicolaas wijd verspreid, van het kleine handeldrijvende Holland tot in het uitgestrekte Rus­land.

De Nikola in Rusland lijkt voor ons Nederlanders nauwelijks meer herken­baar. Hij waart rond door het land als een oude zwerver met een zak op de rug en een stok in de hand. Hij helpt waar de nood hoog is, niemand ziet hem komen of gaan, hij is er ineens. Hij helpt zonder te willen weten dat hij helpt. Hij weet precies wat iemand nodig heeft. Hij kijkt niet zozeer naar wat je hebt, maar meer naar de manier waarop je ermee omgaat. Hij is barm­hartig, maar kan zeer streng zijn als het moet.

In Rusland is Nikola uitgegroeid tot een nationale heilige, een personificatie van alle geheime wensen, gevoelens en verlangens van de Russische mens. Zolang Nikola er is, zal alles goed ko­men.

Het reizen en trekken, het overal en nergens zijn, het geven in het geheim, – het zijn karaktertrekken die wij ook kennen van onze Sinterklaas. Hij rijdt niet meer op een ezel zoals in Klein-Azië gewoonte was, maar op een paard, hetgeen meer in deze streken past. Ook de schoorsteen als verbin­ding tussen het binnenste van het huis en de hemel is een toevoeging die uit ons Germaanse verleden stamt. In Rusland is de heilige Nicolaas niet meer aan plaats en tijd gebonden. In de andere Europese landen heeft de kerstman het ‘cadeautjes-geven’ over­genomen en van de edele Nicolaasgestalte is een wat onduidelijke figuur overgebleven, waarbij vaak de donke­re kant de boventoon voert, zoals men in de 17e eeuw hier ook de ‘Swarte Klaezen’ kende. Angst voor straf, kettinggerammel, boe-geroep en allerlei gebruiken uit oude heidense tijden. Onze eigen Sinterklaas, zoals we hem nu hier kennen en vereren, de vriend van jong en oud, heeft een unieke plaats temidden van de omringende landen.

Hoe meer ik erover nadenk, hoe dank­baarder ik ben voor dat geschenk: Sinterklaas. Het geven en ontvangen is al éven geoefend met Sint-Maarten. Maar in welk een grootse vorm komt dat terug rondom 5 december! Eén groot feest van heimelijk schenken en in stilte genieten van het blijde gezicht van een ander; het werkelijk proberen te ontdekken wat een ander nodig heeft en hem daarmee verrassen. En dan die andere kant: de stille verma­ningen met milde humor gebracht. Want alles staat geschreven in dat grote gouden boek, al je daden en gedach­ten. Anderen mogen, in naam van Sint-Nicolaas, jou bewust maken van aller­lei eigenschappen en gewoonten waar­in je vastzit. Een ander houdt je een spiegel voor en laat je zien zoals ande­ren je zien. Het is niet altijd even pret­tig om zo gedwongen te worden naar jezelf te kijken. Het is een soort loute­ringsproces waar we met z’n allen doorheen gaan. En deze loutering valt in de eerste adventsweek. Aan de kinderen brengt Sint- Nicolaas speelgoed, opdat zij straks met het Kerstkind kunnen spelen. Aan de ou­deren vraagt hij: ‘Ben je klaar om het Kerstkind te ontvangen?’ Er komen nog enige weken om je erop voor te bereiden, maar dan is het zover. Maak je gereed!

Ieder jaar ervaar ik het als een ge­schenk, dat de drukte en het kabaal dat hoort bij pakjes geven en ontvan­gen, uitgeleefd kan worden op de sinterklaasavond. In de volgende weken ebt het lawaai weg, en dan wordt het mogelijk om in alle stilte met open oren te luisteren naar de Kerstbood­schap, niet meer afgeleid door het geknisper van pakpapier. Geven is dan misschien zaliger dan ontvangen, maar op de goede wijze ontvangen blijkt meestal veel moeilijker te zijn!

(Marieke Anschütz, Jonas, 7, 01-1978)

 .

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

303-283

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (19)

.

NOVEMBER TUSSEN TWEE GROTE JAARFEESTEN

november grensgebied

Met de feesttijd van Michaël sluit de kring van jaarfeesten af. De hele maand oktober wordt nog overstraald door een gouden licht. Het glanst ons tegemoet door de glinsterende dauwdruppls op de kunstig geweven spinnenwebben in de vroege morgen. Ook door de bomen waarvan het loof steeds meer gaat verkleuren. Het wuivende, ritselende ­gewaad van bladeren, altijd in beweging, vlamt nog één maal op in warme, zonnige kleuren, en wordt dan afgelegd. Met de eerste regenbuien verdwijnt de glans, en de bladeren dwarrelen steeds sneller naar beneden, totdat de kale takken tevoorschijn komen en duidelijk zichtbaar tegen de lucht gaan afsteken. Ongelooflijk boeiend is het om langs de stam omhoog te kijken en steeds hoger de vertakkingen te volgen tot aan de ragfijne twijgjes aan de top. Daar houdt het op. Waarom eigenlijk? Je loopt een heel eind van de boom af en bekijkt hem dan nog eens, maar dan als geheel. En dan zie je duidelijk dat al die dunne twijgjes aan de top met elkaar een grens vormen.

Geen tastbare grenslijn, maar een ‘denkbeeldige’: je kunt hem denkend doen ontstaan op het moment dat je kijkt en dan wordt hij tot beeld voor je ogen. En dat gebeurt iedere keer opnieuw.

Op een heldere, vriezige avond zie je briljantjes schitteren in het ‘skelet’ van de bomen: je krijgt weer zicht op de onmetelijke ruimten van de sterrenhemel. In de zomer schermt het overdadige loof van de bomen de sterren af. Je bent geneigd de wereld daarboven te vergeten. Maar met het vallen van de bladeren word je er weer aan herinnerd.

Sint-Maarten
In de maand november staan we tussen twee van de vier grote jaarfeesten in, tussen Michaël en advent, tussen het afgesloten jaar en de inzet van een nieuwe ronde. November is een grens­gebied, een ruimte, een opening waar­door het ene afgesloten geheel in het volgende overgeleid kan worden.
Op 11 november vieren we het feest van Sint-Maarten. Het is de sterfdag van Martinus, de bisschop van Tours (ong. 400). Hij is degene die in zijn jonge jaren als Romeins officier zijn mantel deelde met een bedelaar bij de poort van een stad. Deze daad overdag krijgt een aanvulling in de nacht, als Christus aan Martinus verschijnt in een droom. De Heer draagt het afgesneden stuk van de mantel om zijn schouders en spreekt tot de engelen die met Hem zijn:

“Ziet. Martinus die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld.’

Onder de indruk van dit vi­sioen laat Martinus zich kort daarna dopen. Na vele tientallen jaren van in­nerlijke oefening, in eenzaamheid en in alle deemoed betracht, wacht hem tenslotte de bisschopsmantel.

In de loop der eeuwen is de ontmoeting van Martinus met de bedelaar op allerlei manieren afgebeeld, en wel zo opvallend veel, dat zijn tijdgenoten er meer aan ervaren moeten hebben dan alleen maar een daad van christelijke naastenliefde. Hebben zij er de vervulling van een stille wens in gezien? Een wens die als een kaarsvlam brandde in het hart van ieder mens die de innerlijke oefening nastreefde: eens de Heer te mogen ontmoeten aan de poort van het schouwend beleven. Rood is de mantel van Sint-Maarten, de kleur van Pasen. In de bedelaar ontmoette Mar­tinus immers de Herrezene zelf. Wat hij van zijn wijde mantel missen kon, schonk hij aan Hem. Wie zal zeggen hoe nodig ons ‘mantel-overschot’ is voor de goddelijke wereld?

Tussen twee werelden
Het beleven van Sint-Maarten vindt plaats bij de stadspoort. Binnen de muren van een stad leefde men in een totaal andere wereld dan daarbuiten op het land. De poort vormde de grens tussen die twee werelden. Doordat Martinus vanuit zichzelf, zonder zich te laten storen door het gelach van zijn kameraden, doet wat hem op dat moment het juiste lijkt te zijn, maakt hij het mogelijk dat hij ook anderszins een ‘drempelbeleven’ ervaart:  het droomgezicht in de nacht gunt hem een blik in een wereld waar men gewoonlijk niet zomaar toegang heeft. Blijkbaar stond hij met zijn 18 jaar heel dicht bij die engelenwereld, zonder het te weten.
Het beleven van de grens met de wereld van het onzichtbare, ook het overschrijden van die grens, is karakteristiek voor november. Om ons heen zien we de afstervende natuur, vele mensen hebben het moeilijk in deze sombere, mistige, troostloze tijd van het jaar. De poort van de dood lijkt zo nabij.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat al heel vroeg in de christelijke kerken de herdenking van de doden juist in deze maand geplaatst werd. en wel op 2 november, de dag van Allerzielen. Het is overigens goed te bedenken, dat volgens de oude kerkelijke kalender iedere dag van het jaar gewijd was aan de sterfdag van een heilig mens. Die andere wereld hoorde er nog zo vanzelfsprekend bij. In de loop der eeuwen kwamen er echter zoveel heiligen, dat 365 dagen niet genoeg waren. Zo ontstond de dag van Allerheiligen op 1 november, waarop je kunt denken aan heiligen. die niet een ‘eigen’ dag hebben!

Deze maand van denken aan de dood lijkt een soort spiegeling van de Lij­denstijd in het voorjaar, maar het bele­ven ervan is verschillend. In de lijdenstijd de zwarte weken voor Pasen, pro­beer je denkend het lijden en sterven van Christus te volgen. Een doodsbele­ven in helder daglicht, terwijl rondom de natuur ontwaakt en de zon steeds sneller omhoog stijgt. In deze tijd van het jaar, als het steeds vroeger donker wordt, en de nacht groter en ruimer, ligt het accent meer op het denkend benaderen van wat voor de mens komt na het leven. De wereld van de gestor­venen komt dichterbij.
‘Lief kind. blijf vroom en goed, dan zal de goede God je altijd helpen en ik zal vanuit de he­mel op je neerzien en bij je zijn, zei de moeder van Assepoester op haar sterfbed tot haar dochtertje, en zo ge­beurde het.
Maar om die genade moge­lijk te maken, blijkt de eigen innerlijke activiteit van de achterblijvende een eerste vereiste.

De poort van de dood
In de kring van dierenriemtekens draagt november het kenmerk van de schorpioen, lichtschuw, laag bij de grond, levend in het duister, een griezel van een dier met zijn dodelijk giftige staartangel. Van oudsher kende men echter de andere kant van dit teken: de adelaar met zijn dodelijk scherpe haksnavel. maar levend op grote hoog­te als heerser van het luchtruim. Twee werelden, een dubbel-beeld dat men alleen in november vindt. Het merkwaardige dubbelaspect van november lijkt ook te gelden voor de dood zelf. Aan de ene kant het donke­re onbekende, de angst en benauwenis: aan de andere kant het licht en de ont­zaglijke ruimte, het gebied van de ade­laar. In de sprookjes, neerslag van oer­oude wijsheid vind je deze motieven overal terug.
In het sprookje van Vrouw Holle wordt dit op subliem eenvoudige wijze verwoord: het meisje valt in de put, verliest het bewustzijn en ontwaakt in een stralend lichte we­reld,

In de tweede helft van de 15e eeuw leefde een schilder die het waagde de poort van de dood op een wijze uit te beelden, die sterk doet denken aan wat het sprookje ons vertelt.
Van deze Hieronymus van Aken uit ‘s-Hertogenbosch, gewoonlijk genoemd Jeroen Bosch, hangt in het hertogelijk paleis in Venetië een schilderij waarop we enkele naakte mensengestalten bege­leid door engelen, in een donkere ruim­te zien zweven. Het zijn zielen die hun aardse omhulling hebben afgelegd, Ze worden omhoog gedragen door een donkere tunnel, op weg naar een poort waardoorheen licht  naar binnen stroomt van een stralende wereld aan de andere kant. Het boeit geweldig, dat schilderij, je blijft er naar kijken.

Hoe kon Bosch dit zo schilderen? Hij zag meer dan andere mensen, hij schilderde zijn “visioenen” in prachtige kleuren en sprak daarmee voor de goe­de verstaander een duidelijke taal. Hij leefde bewust en met grote intensiteit op de grens van twee werelden. Dat blijkt uit al zijn schilderijen. Op het middenpaneel van het grote drieluik ‘De tuin der hemelse vreugden’ * lijkt het of hij zichzelf heeft afgebeeld, staande op die grens. In de uiterste hoek rechts onderaan kun je de ziener ontdekken. Het hele middenpaneel is bevolkt met naakte mensengestalten, zielen bevrijd van het aardse lichaam. Hij die schouwt, draagt zijn aardse omhulling nog en kijkt met vergeestelijkt gelaat vanuit een donkere poort in die lichte wereld. Hij had het stervensuur niet nodig om te weten. Je zou ook kunnen zeggen: iedere dag werd door hem het stervensuur beleefd door wat hij zag.

Het leven van alledag
Sinds oertijden wordt de slaap ge­noemd ‘de kleine broeder van de dood’. De gedachte dat je iedere dag het ster­vensuur kunt beleven, ligt dichterbij dan je denkt. In de nacht reizen we immers naar die lichte wereld waar we geen weet van hebben, of soms, een beetje. Of we verfrist en gesterkt terugkeren om een nieuwe dag te beginnen, hangt af van de wijze waarop we ons voorbereiden op die tocht, en hoe we omgaan met de geschenken van de nacht. Ook dat leert ons het sprookje van Goudmarie en Pekmarie. Zo gezien is iedere dag een leven op zichzelf en iedere avond sterf je een beetje. In de ritmische afwisseling van dag en nacht leren we leven, sterven en weer opstaan. En het geeft een rijk gevoel als je in jezelf daarvoor een openheid ontdekt. Je bekijkt de wereld werke­lijk met andere ogen, want je ziet alles in het licht van die andere wereld, waar je ook toe behoort.

Op Sint-Maartensavond trekt een stoet kinderen door de straten van de stad. Behoedzaam dragen zij hun lantarens voor zich uit. De donkere uitgeholde koolrapen of winterpenen worden van binnenuit verlicht door een vonk van het vuur, dat eens uit de hemel kwam om ons mensen warmte en licht te brengen. Maar het vlammetje kan alleen blijven leven als er een opening is naar boven toe, naar het rijk van de sterren.

Marieke Anschütz, Jonas 5, 02-11-1979

*de afbeelding bij dit artikel van het genoemde werk van Bosch heeft de naam: Visioenen uit het hiernamaals

Jeroen Bosch 'visioenen uit het hiernamaals

 

St.-Maarten: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten  

.

302-282

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (39)

.

MICHAËLSSTEMMING EN MENSELIJKE FYSIOLOGIE

We zijn als leraren deskundigen op het gebied van het jaarritme. Daarbij is de blik echter meestal sterk naar buiten gericht: op de natuurprocessen. Edmond Schoorel, kinderarts, belicht “Michaëlsprocessen” in de mens. De diepten van de menselijke ademhaling en spijsvertering worden in dit artikel betreden.

In een aantal afleveringen zal geprobeerd worden om de loop van het jaar – de seizoenen en de jaarfeesten – op te zoeken in de mens. We zijn immers een microkosmos: Michaëls drakenbestrij­dende zwaard en de rijpe gekleurde goudreinetten moeten ook in de lichamelijkheid van de mens hun plaatsje hebben.

Zijn het vlijmscherpe woorden en gedachten die de ander de mond snoeren, is het het uitgerijpte idee dat in de ziel kan opstijgen, of het enthousiasme dat onbekende wegen ontsluit? Rond Michaël kijken we in gedachten even terug naar Pasen: daar ontkiemde het nieuwe, de aarde wendde zich opnieuw tot de zon, de dagen lengden. In het begin van de herfst kijkt de aarde (en wij met haar) verrast-verbaasd naar de schatten die de zomer haar heeft gebracht: vruchten, die nieuwe zaden bergen.

Wanneer we de weg van de adem naar binnen toe vervolgen, vinden we verbrandingsprocessen. De opgenomen zuurstof-levensstof wordt met behulp van ijzer in het bloed vervoerd naar de weefsels. Daar is zuurstof de noodzakelijke stof, de noodzakelijke voorwaarde voor alle levensprocessen, die verbran­dingsprocessen zijn. Wat ontstaat er? Warmte na­tuurlijk, die wordt als het ware vrij-getoverd; en koolzuur: een verbinding van zuurstof met koolstof-aardestof. Zuurstof wordt aards, koolstof wordt levend. De mens schenkt de aarde het leven door zijn eigen substantie te verbranden. Waar dient het koolzuur voor? Voornamelijk om uitgeademd te worden en voor een klein deel voor de mens zelf. Daarmee worden verbindingen gevormd, bijv. kalkzouten, die onze botten nodig hebben om vast te worden.

Tussen de regels door zijn we het bloed ook al verschillende malen tegengekomen: als bemiddelaar, als vervoersorgaan tussen alle genoemde processen. Is het bloed dan alleen passief, moet het alles maar over zich heen laten komen, weerloos slachtoffer van de ademprocessen en stofwisselingsprocessen? Dat is het inderdaad! Maar dat alles wordt wel waargenomen, bemerkt. Ons arme hart neemt al kloppend alsmaar geïnteresseerd waar wat zich afspeelt op de weg van de adem naar binnen. Het hart doet er zelf niets aan, merkt het alleen op. Wat we er mee doen, hangt dan weer van onszelf af, daarin zijn we vrij.

Het jaar schrijdt voort, de aarde maakt zich klaar voor de winter. De feestelijke overdaad van de zomernatuur verdwijnt, vruchten en zaden worden onder de bladeren geborgen, de eerste sneeuw doet er straks nog een laagje overheen. De herfststormen maken duidelijk dat we in tijden van wisselvalligheid en verandering leven.
De heiligen van de herfsttijd maken ons zichtbaar dat er eerst geschonken moet worden, voordat we straks met kerst mogen ontvan­gen. Het beste wat de zomer ons gebracht heeft, de vrucht van warmte en kleur, wordt belangeloos ter beschikking gesteld van het nieuwe dat komen gaat: het nieuwe van Kerstmis, het nieuwe van het volgende voorjaar. De uitbundigheid van de zomer, maar ook van de herfstgloed verandert in innerlijk­heid.

Een avontuurlijke en gevaarlijke weg volgt ons voedsel. Op de lange route van de mond via de maag door de dunne darm, wordt de voeding ver­kleind, opgelost, gesplitst, gemengd, verzuurd en weer alkalisch gemaakt. Een efficiënt afbraakproces zien we voor ons; met de grootste zorg worden agressieve processen gestuurd en beteugeld. Waar leidt dat allemaal toe?

Onze spijsvertering heeft twee doeleinden. Natuurlijk moet het voedsel, dat we rauw of bewerkt uit de natuur ontvangen, zó omgevormd worden, dat het de darmwand kan passeren. Dat kan alleen met die stoffen die sterk vereenvoudigd zijn: waaraan niet meer te ontdekken valt van welk voedingsmiddel ze afkomstig zijn. De natuur, voorzover die ons tot voeding dient, offert haar eigenheid op gedurende de spijsvertering. De stoffen die als bouwsteen in het voedsel hebben gewerkt kunnen dan als onbe­stemde substantie door de darmwand opgenomen worden en de lymfe vormen, die lymfe kan weer overal in het lichaam ingezet worden als drager van menselijke processen en menselijke substantie. Dat is de ene kant van de spijsvertering. De andere kant komen we op het spoor als we ons afvragen wat er gebeurt met de eigenheid, de her­kenbaarheid van het voedsel. Verdwijnt dat in het niets, of heeft die ook nog een opgave? Hier zou een uitgebreide beschrijving passen van het ontstaan van planten- en dierensubstantie. Op z’n kortst kan gezegd worden, dat de “idee” van een plant zicht­baar wordt in die bepaalde plant die we als voeding gebruiken. In de spijsvertering komt die idee, dat bouwplan weer vrij, nl. ter beschikking van de mens, ten dienste van zijn opbouw en gezondheid. Zo levert de spijsvertering twee substantiestromen op: een zichtbare lymfe en een onzichtbare lymfe. Dit hele zorgzame, in warmte gehulde proces is alleen nog maar voorbereiding. Wat we er mee doen ligt in onze vrijheid. Welke menselijke substan­tie er ontstaat, welke mens er geboren kan worden, daarvan vertelt ons de kersttijd.

(E.P.Schoorel, Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

301-281

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – alle artikelen

.

[1] Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd
Maarten Udo de Haes
overseizoenen; dag- en nachtevening; evenwicht; symbool zwaard/weegschaal; vrede; Holbein: Michaël met zwaard en weegschaal.

[2Knutsels
bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;

recepten: brooddraak; rozebotteljam; vlierbessensap.

[3] Tussen zwaard en weegschaal
Marieke Anschütz over: onstuimige elementen; moederschap; zwaard en weegschaal; ijzer en koper;  Rogier v.d. Weyden: Michaël.

[4] Omwille van enthousiasme en moed
Jakobus Knijpenga over: Michaël in ’t verleden en voor de toekomst; Steiner en Michaël; huidige praktisch ingestelde generatie en Michaël; moed.

[5] De hedendaagse strijd van Michaël
Elisabeth Klein over: er is een nieuwe manier van kijken naar de natuur nodig; wat zijn elementairwezens; antroposofie spreekt erover dat ze ‘verlost’ moeten worden; in Kleins ogen tref je daar ook een strijd van Michaël aan; de zeven dwergen als elementairwezens en de betekenis van Sneeuwwitje.

[6] Vieren wij werkelijk Michaëlsfeest?
Reijer Ploeg over: de zomer als uitademing; ‘ken uzelf’ en ‘ken de draak in u’; intellectuele kilte; hartewarmte; voer Michaëlsstrijd in jezelf!

[7] Michaël
P.C.Veltman
over: plaats van het feest in het jaarMichaël vroeger en nu; hoe vier je dit feest? Wat is de draak.

[8] Losmakingsproces
Wendela van Mansvelt over: afwegen in het gezin: opvoedingssituaties; loslaten: moed nodig; weegschaal als grens van goed en kwaad.

[9] Michaël, aarde en mensheid
Jacobus Knijpenga over: gebeurtenissen rond geboorte en sterven; levenslot, biografie, engelen, draak; geen naties; vrijheid; ontwikkeling individu; verantwoordelijkheid; tijdgeest.

[10] Michaëlsverhalen
Alle verhalen.

[11] Hoe spreekt Michaël nu tot ons
E. Plessen over: hoe kan ik toegang vinden tot ‘Michaël’; wat zijn Michaëls ‘woorden’; Kalawala; ijzer.

[12] IJzer, zwavel en het Michaëlsfeest
Emmy de Groot
overzwavel in natuurkunde; in menselijke lichaam; ijzer in natuur(kunde); in menselijk lichaam; pyriet; illustratie meteoorijzer en zwavel.

[13Grenzen van de groei en groei van de grenzen
Walter Kugler
over: angst, fatalismemeteoorijzer; begrenzing en verruiming; geest-materie; (meteoor)ijzer; illustratie meteoorijzer; illustratie Michaël.

[14] Michaëlstijd
P.C.Veltman over: in welke tijd leven we; wereldherfst? bezinning; wie of wat is Michaël; wandtapijt Angers; Apocalyps; draak; drakenkrachten én Michaëlskracht in menselijke intelligentie.

[15Michaëlsfeest
W.F.Veltman over: geestelijke realiteiten in beelden; geest en/of materie? vrijheid; het kwaad; de moed.

[16] Michaëlstijd
Rinke Visser over: zomer-uit; ijzer voor bewustzijn; (meteoor)ijzer en zwavel; strijd en moed; herfst-in; draak herkennen.

[17] Kosmische achtergronden van het Michaëlsfeest
Rinke Visser over: zomer: uit=zwavel; winter: in=ijzer; Michaël en Perseus; komeetkrachten; kosmische krachten; meteoorijzer; ‘strijd in hemel zichtbaar op aarde; vrijheid; draak; moed.

[18] De engel van de goede wil
Marieke Anschütz over: wil en onwil; zwaard in de taal; zwaard en weegschaal; moed; goede wil; Rogier van der Weyden; fresco in Vamlingbo; Michaël tegenover Pasen.

[19] Michaëlsfeest: ‘in spring de boog gaat in
J.van Dam over: in- en uitademing in het jaar, in de mens, kun je innerlijk oogsten; initiatief.

[20 Michaëlsfeest in de kleuterklas
C. de Pree over: een impressie van de Michaëlstijd en -dag in een kleuterklas.

[21] Michaël een strijd om menselijkheid
Wijnand Mees over: Solschenitzyn staat en volk; Staatsmacht; kracht van het individu.

[22] Michaël
M.Matthijsen over: voorbereiding Michaël in de natuur; het feest dat er niet is en nog worden moet; mens als tiende hiërarchie; Morgenstern; Achterberg; offeren van het eigene.

[23De aartsengel Michaël
Maarten Ploeger over: Michaël; verhouding tot ‘bovenzintuiglijke’; hoe was dat ‘vroeger’; ontstaan religies; Lucifer en Ahriman; deze krachten in de wereld; taak voor mens. 

[24] Smeden in de Michaëlweek
Eg Sneek over: smeden met 7e, 8e en 9e klas tijdens het Michaëlsfeest. Ervaringen met het ijzer dat je moet smeden als het heet is.

[25] Michaël herfstfeest
Marijke Wouters en Toke Moeskops over: afstervende natuur, maar kiemkracht; verinnerlijken; moed ontwikkelen; Michaël als herfstfeest; oogstfeest in de kleuterklas. 

[26] Michaël
Sari Kodde Dingemans over: herfst: verval in de natuur; zaad: samentrekking; verinnerlijking; Michaël als herfstfeest, gedicht voor 4e, 5e of 6e klas.

[27] Het Michaëlsfeest
E.P. Schoorel over: Michaël in het najaar, tegenover het voorjaar; opbloeien met de lente, maar afsterven in de herfst?

[28] Wat is een Michaëlsfeest
P.C.Veltman over: ‘is’ het Michaëlsfeest of ‘wordt’ het?; Monte Gargano, Mont Saint-Michel, Michaëlsberg; het ‘kwaad’; Indra, Mithra, Tiamat, Mardoek; Michaël bij de Perzen.

[29] Michaël in de kleuterklas
C. de Pree over: herfst; oogst; wat doen we in de kleuterklas. 

[30Michaël
Ad Tiemens over: seizoenen; herfststemming; zwaard en weegschaal: innerlijke strijd voor evenwicht; Michaël in Aalst; Michaël bij de Germanen.

[31] Michaël
Magchiel Matthijsen over: de zin van (jaar)feesten vieren; geen ‘herdenkingsfeest, maar toekomst; Russische legende over naam ‘mens’; innerlijke draken bestrijden; Vézelay: S-Madeleine; Freyrs boot: menselijk denken; menselijk denken veranderen.

[32] Hemel, hel, Michaël
Henk Sweers over: ruimte/tijd, innerlijk/uiterlijk, zwaard/weegschaal.

[33] Michaëlstijd
Madeline van Gilst over: natuurimpressies voorjaar-najaar, plaats Michaël.

[34] Michaël
Werner Barfod over: natuurimpressies; kunst; euritmie.

[35] De herfst en het Michaëlsfeest
Reyer Ploeg over: verschil jaargetij en jaarfeest; natuurimpressies; ijzer en koper -zwaard en weegschaal.

[36] Michaël, feest van de toekomst
Henk Sweers over: jaarfeesten nu: veruiterlijking; vakantie en feest; de alom aanwezige draak; feest van de toekomst, kennen van de geestelijke wereld; de mens tussen twee uitersten; nodig: geestkracht en moed; innerlijke strijd; vier jaarfeesten als geheel; heden/verleden, zwaard/weegschaal.

[37] Michaëlsdag op 29 september
Arie Boogert over: 5e eeuw: Michaëlkerk in Rome; wonder van Cho-nai; van oost naar west Michaëlheiligdommen; tussen God en mens; tussen goed en kwaad: weegschaal; draak; wat is kwaad; kwaad en vrijheid.

[38] Michaël
Onbekende auteur over: herfst tegenover voorjaar; Michaël: zwaard én weegschaal; evenwicht; waarom op school.

[39] Michaëlsstemming en menselijke fysiologie
Edmond Schoorel over: herfst; ademhaling, zuurstof/koolstof, bloed, hart als waarnemer, spijsvertering.

[40] Het Michaëlsfeest
Marika Ortmans over: oogstfeest, ook in overdrachtelijke zin; oogst en Michaël;  waarom in deze tijd opnieuw proberen te vieren; Michaël en onze toekomst, sociaal en met de natuur.

[41] Michaël – tussen moed en depressie
J.F.Zeylmans over: spiegeling lente-herfst; Johannes-Kerst; Jezus-Johannes; afname-toename licht/duister; 280 dagen ‘verwachtings’tijd.

[42] Herfst
Els Boekelaar over: de herfststemmingen; strijd en vrediger momenten; de draak in jezelf en om je heen

43. Boeken over Michaël(s)feest
en over de herfst

44. Inwendige processen  in de mens in samenhang met de herfsttijd – de Michaëlstijd
Ita Wegman over: bespreekt de ijzerprocessen in mens en kosmos.

45. Michaëlstijdperk
Maritgen Matter over: 7 aartsengelen; hun regentschap in de ‘engelenweek’; snelle en radicale veranderingen in deze tijd; Michaël als regent van deze tijd; vele omwentelingen; hoe bewust staan we daarin; vernieuwen en veranderen met geestelijk inzicht; handelen vanuit eigen moreel liefdesvuur vraagt moed.

46. Michaël in 2 cantates van Bach  BWV 19 en 149
Met uitleg van Eduard van Hengel

47. Michaël en het christusbewustzijn
Daniëlle van Dijk over: wie is Michaël; christusbewustzijn; liefdekracht; opvoeding tot zelfstandig Ik; het belang van aandacht; drie oefeningen voor het bewustzijn.

48. Michaëlstijd; Michaëlsfeest
Wim Veltman over: tegenstellingen in de wereld: verdeeldheid – eenwording, wie veroorzaakt veranderingen in de mensheid;

49. De aartsengel Michaël
Wim Veltman over: samengaan psychische eigenschappen en planeten; deugden, verleden tot nu; ‘zonnedeugd’ en aartsengel Michaël; hart en moed;

50. Moed
Loïs Eigenraam over: herfst, voor kinderen, voor volwassenen; Michaël schenkt moed; wat is moed, verschillende aspecten; Mandela; trouw, vertrouwen;

51. Van heldenmoed tot hartewarmte
Diederick Sprangers over: innerlijke ontwikkeling en het beeld van Michaël; zelfbewustzijn en wereldbewustzijn; zwaard en moed; weegschaal; humor: ‘de draak steken’; Sint-Maarten; draaksteken in Beesel.

52. Michaëltijd
W.J Stein over: ritme, Platonisch jaar, cultuurperioden; kosmische week, aartsengelen; kosmische intelligentie; Michaëlstijdperk (601-247 v Chr) wat er gebeurde; tijdperk beginnend in 1879, veranderingen die zich voltrekken; Michaël als christusbode; Michaël als regent van de tijd; betekenis van het zwaard.

53. Michaëlsviering
Anne H.J.Bakker over: kernachtig samengevat waarom het Michaëlsfeest wordt gevierd.

[54] Van Michaël naar Theodore en Joris in 1300 jaar
Tim van Tongeren over: Sint-Joris; 29 september; draak – slang; Sint-Theodore

[55] Strijdbaar de herfst in
Tineke Croese over: Michaël en de draak; wat is ‘michaëlisch’, wat moeten wij ermee; ‘moed’, voor wat? het kwaad, ook in ons?

Jaarfeesten van de herfst (1)
Hans ter Beek over: de 3 jaarfeesten van de herfst: Michael, Sint-Maarten, Sint-Nicolaas; 9 feesten van het jaar; ‘feesten van het lichaam’; Michaërl ‘denken’; Maarten ‘voelen’, Nicolaas ‘willen’; 

Jaarfeesten van de herfst (2)
P. la Rivière over: er zijn verschillende soorten ‘jaar’; ritme vanuit economisch en geestelijk perspectief; sfeertekening van zomer naar herfst; de feesten van het najaar: Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas; advent en Lucia

Jaarfeesten van de herfst (3)  Verborgen lichtjes
Marcel de Leuw over: najaar: Michaelsfeest – wat kan er worden gedaan -; St.-Maarten en delen.

Jaarfeesten van de herfst (4)
Juultje v.d. Stok: wat kun je met kinderen doen in de herfst rond michaëltijd?

Herfst – Michaël – Sint-Maarten – Sint-Nicolaas – herfst
Over: de 3 feesten van de herfst; sfeertekening; schenken; Sint en Piet als eenheid

Waarom vieren we dit feest
blogartikel

VRIJESCHOOL – in beeld: JaarfeestenMichaël
b
ordtekeningen; transparanten         jaartafel

300-280

.

.

Wat op deze blog staat.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (38)

.

MICHAËL

Wie ’s ochtends vroeg op weg is, voelt het begin van de herfst, de zilveren nattigheid over het veld, de gloedvolle kleuren die de bomen beginnen te krijgen, de storm, de dwarrelende blaadjes, die een tapijt op aarde vormen en tot humus verworden. De natuur sterft af, de aarde neemt terug wat het in het afgelopen jaar tot bloei bracht, maar wel nadat de mens eerst heeft geoogst! Appels, peren, druiven, tarwe, mais, noem maar op, geschenken van de natuur waarmee wij in leven blijven.

Straks in de stille kou van de winter is de natuur kaal en zonder kleur. Diep
binnenin maakt de aarde zich klaar om rond Pasen in het voorjaar de kracht te hebben het nieuwe leven weer zichtbaar in de natuur te laten ontluiken.

Ten tijde van het Sint-Jansfeest in de zomer zal alles onder de warme zon weer volop in bloei zijn, op weg naar weer een nieuwe oogst. Het ritme der seizoenen herhaalt zich, maar aan dezelfde appelboom groeien ieder jaar niet dezelfde, maar nieuwe appels, nieuwe oogst.

Ook de mens heeft in deze tijd de behoefte zich letterlijk en figuurlijk terug te trekken in eigen huis. De wil om nieuwe ideeën op te doen en nieuwe levensdoelen te vinden gaat vaak gepaard met opruimen en ordenen, ook orde op zaken stellen in het werk en in sociale kring, zodat er ‘ruim­te’ gemaakt wordt voor ‘nieuwe wegen’.

Tegelijk met dit terugtrekken in onszelf ervaren we dat er zaken in de weg liggen, die niet zonder meer te ordenen zijn, situaties waar we niet tegen opgewassen zijn, moeilijkheden die ons verdrietig of kwaad maken, gebeurtenissen waarbij je steeds weer in je eigen onhebbelijkheden ver­valt. Met moed, beleid en trouw moet je zelf ten strijde durven trekken om deze zaken uit de weg te ruimen en positieve krachten te verwerven, die je het nieuwe dat voor je ligt, doet oogsten.

Op het schoolplein zien we in deze tijd de kinderen het nieuwe leerjaar, waar ze met veel zin aan begonnen zijn, bijna letterlijk binnenvechten! Sociale rangorden worden herzien en nieuwe vriendschappen vaak met strijd verworven en gevormd. Binnen in de klas heerst nu, in tegenstelling tot vlak voor de zomervakantie, stille werklust en gespannen verwachting naar de nieuwe periodelessen. Er zijn weer vakken bij waar nooit eerder van was gehoord.

En dan is het 29 september, de dag van het Michaëlfeest. Wij vieren het feest met de kinderen mee en leren het beeld van de Heilige Michaël ken­nen met zijn blinkend zwaard en de weegschaal. Michaël komt de mens te hulp. Met zijn zwaard overwint hij de draak, die het ‘duistere’ en ‘boze’ symboliseert. De mens krijgt de ijzeren kracht zichzelf te overwinnen. Ook zien we op oude afbeeldingen hoe Michaël de weegschaal waarop de ziel gewogen werd in evenwicht houdt. Een evenwicht tussen goed en kwaad. Hoe moeilijk is het niet om in plaats van achteraf, juist vooraf het goed en kwaad van ons eigen handelen te kunnen overzien en bepalen. Wij moeten zelf onze weg naar het ‘nieuwe’ banen door te wikken en te wegen en steeds te zoeken naar oplossingen, waarbij onze eigen ideeën en die van anderen in evenwicht blijven. Jaar in jaar uit wordt het Michaëlfeest met de kinderen op iedere vrijeschool gevierd. Het meegebrachte fruit, de oogst wordt geschonken en de strijd met de draak wordt moedig in spel­vorm en naar leeftijd gestreden.

Eenmaal kinderen op de vrijeschool wordt iedere ouder geconfronteerd met de vraag waarin het onderwijs van de school zich onderscheidt van dat van andere scholen. Een van de vele antwoorden kan zijn: ‘In het vieren van de jaarfeesten!’ Op de vraag, die iemand mij ooit stelde, of je daar dan beter van leerde lezen, schrijven of rekenen is het enige antwoord:’ Nee, daar leer je van leven!’

In de huidige tijd worden we bijna gedwongen alle verschillen in beter le­ren, beter kunnen en beter zijn uit te drukken. Dat ieder individu anders leert, iets anders kan en een ander is, maakt ze tot waardevolle deel­nemers aan de gemeenschap, vooral als het onderwijs leidt tot echt weten in plaats van beter weten. Juist als volwassene weten we hoe moeilijk het is om af te zien van alles en ieder, die ogenschijnlijk beter lijkt en moed te putten uit je eigen positie en bestaan.
Misschien, heel misschien, oogsten de kinderen, die jaarlijks het Michaëlfeest vieren, van nature het vermogen om de eigen levensmoed aan te spreken en met een positieve levenshouding zich een eigen nieuwe en even­wichtige weg door het leven te banen?!

Nadere gegevens onbekend

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

299-280

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-5)

.
D.Udo de Haes, Zonnegeheimen 4

.

Het verhaal van een vlieger
.

Een jongen had met zijn vader een vlieger gemaakt. Dat was een waar kunstwerk geworden, waar zij de hele winter aan gewerkt hadden. Het lichte houten kruis was omgeven door mooie doorzichtige kleuren die in levendige vormen omhoog golfden. Toen de jongen de vlieger in de zomer opliet, had de zon zoveel plezier in die heldere tinten, dat hij het niet kon laten, er voortdurend naar te kijken en er zijn lichtste stralen heen te zenden. Het allermeest genoot hij van het rood en het geel en dat liet hij ook helderder dan alle andere kleuren oplichten en zo kwam het dat de vlieger wel een vlammend kruis leek dat daar boven aan de hemel stond. De jongen genoot niet minder van de zon en hij liet zijn vlieger zo hoog opstijgen als maar enigszins mogelijk was. Helaas was het touw al gauw afgewikkeld en de vlieger kon niet verder.
Wat jammer was dat!
De jongen keek en keek en in zijn gedachten liet hij de vlieger steeds hoger gaan. Maar ach, dat was immers alleen maar verbeelding. Hoesch… ! kwam daar een grote windvlaag! Die brak het touw en… daar dwarrelde de vlieger werkelijk de hemel in! De jongen tuurde hem na en hij zag hoe hij aldoor maar hoger ging. Al spoedig was hij zo hoog gestegen dat de jongen niet goed kon zien wat er met hem gebeurde; maar voor de vlieger viel daar heel wat te beleven!

Het eerst ontmoette hij een kraai en er ontstond dadelijk een gesprek. ‘Goedemorgen!’,  kraste de kraait. ‘Goedemorgen!, antwoordde de vlieger.
‘Ben jij ook een vogel met je vlammende vleugels en je lange staart?’
‘Nee, ik ben geen vogel!’
‘Wat ben je dan en waar kom je vandaan?’
‘Ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken; die heeft me geloof ik zelf gemaakt.’
‘Zo, zo en waar ga je naar toe?’
‘Dat weet ik niet. Ik wil alleen maar de hemel invliegen! ‘Dan hoor je hier niet thuis. Hier boven weten alle wezens precies waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Ik trek zelf elke winter naar het Zuiden en elke zomer naar het Noorden. Ik zou je raden weer naar de mensen terug te gaan, want als je niet weet waar je heen moet, verdwaal je in de hemel.’

Maar de vlieger was eigenwijs en ging verder omhoog. Toen ontmoette hij een zaadpluisje. Dat was nog hoger gezweefd dan de kraai. ‘Goedemiddag’, fluisterde het zaadpluisje. ‘Goedemiddag’, antwoordde de vlieger. ‘Ben jij ook een zaadpluis met al die wonderlijke uitsteeksels en kleuren?’ ‘Nee, ik ben iets dat door de mensen is gemaakt en ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken.’ ‘Waar moet je dan heen?’ ‘Dat weet ik niet. Ik wil zo maar de hemel in!’
‘Dan hoor je hier niet thuis! Iedereen weet hier wat het doel is van zijn tocht. Ik ga de lucht in om op te vangen wat van Oost naar West gaat: dat is de zonnewarmte. En als ik die gekregen heb, daal ik weer neer om hem aan de aarde te brengen en dan laat de aarde daaruit een nieuwe bloem groeien. Maar als jij niet weet wat je te doen hebt, zou ik maar liever weer omlaag gaan, want anders verlies je de koers in deze hoge werelden!’ Maar de vlieger bleef eigenwijs en steeg nog hoger. Toen kwam hij voorbij een wolk gezweefd. ‘Goedenavond! zoemde de wolk. ‘Ook goedenavond!’, zei de vlieger. ‘Ben jij een wolk met al je vlammende avondrood?’, vroeg de eerste weer. ‘Nee ik ben van de mensen. Ik kom van dat kleine jongetje daar beneden.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘ Zomaar de hemel in.’ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Iedereen kent hier zijn bestemming. Ik ver­zamel het laatste avondrood; dat maak ik in de nacht tot morgenrood; dat geeft water in de sloot! Daar regen ik zelf mee neer om de aarde te zegenen en als ik dat gedaan heb, draagt de zon me weer omhoog om nieuw avondrood te maken. En zo ga ik maar steeds op en neer. Maar jou geef ik de goede raad, terug te gaan naar dat jongetje, want zonder doel verdwaal je hierboven!’
Maar de vlieger liet zich niet van zijn stuk brengen en steeg nog hoger. Toen kwam hij bij de sterren. ‘Goedenacht!’, zongen de sterren in koor met klare hoge stemmen. Goedenacht!”,  zong de vlieger mee.
Wat voor konde kom je ons brengen, staartster van de aarde?’ zongen de sterren weer. ‘Ik ben geen staartster, ik kom van dat jongetje, dat daar op de aarde ligt te slapen, zong de vlieger. ‘Dat heeft mij laten opstijgen, maar ik ben van hem weggevlogen. Toen wachtte hij tot ik terug zou komen, maar ondertussen is hij in slaap gevallen en nu droomt hij van mij.’
‘Dan zullen we je onze zegen meegeven voor die jongen’, zeiden de sterren en elk van hen gaf hem iets van zijn heldere glans.

Maar toen kwam daar de engel Michaël uit de hemel.

Die nam een grote ster in zijn handen, wierp die suizend op de vreemde  indringer neer. De ster trof de vlieger en op hetzelfde ogenblik sloegen de vlammen eruit en brandende stortte hij omlaag!

Toen de jongen ontwaakte, vond hij dat hij een wonderlijke droom had gehad en hij was met een schok wakker geworden. Maar toen hij om zich heen keek, merkte hij dat zijn droom geen gewone droom was geweest, want naast hem lag het kruis van zijn vlieger, waarvan het papier was verbrand. Dat kruis was echter niet meer van hout, het was van lichtend hemelijzer! Hoe verbaasd was de jongen dat te zien! Maar hij was toch ook een beetje verdrietig….Nu was hij immers zijn mooie vlieger kwijt!
Maar toen hij met zijn kruis thuis kwam, sprak zijn vader: ‘Mijn jongen, laten we blij zijn! Als je vlieger niet verbrand was, had je nooit dit kruis van hemelijzer gekregen. Dit ijzer is sterker dan het hardste staal. We maken hieruit een vlieger die nog veel mooier is dan de vorige.’
Dat deden zij in de winter en toen de nieuwe vlieger werd opgelaten in de volgende zomer, ontmoette hij in de hemel opnieuw wat daar ging van Noord
naar Zuid, van Oost naar West en van de hemel naar de aarde. En toen hij bij
de sterren kwam, werd hij opnieuw door Michaël getroffen, waardoor hij
brandend ter aarde stortte. Maar het kruis van het hemelijzer dat de jongen vond, was nog glanzender dan tevoren.

Zo ging het vele jaren achtereen en ieder jaar werd het kruis stralender en sterker. Maar toen de jongen groot geworden was, veranderde het kruis van gedaante en werd tot een machtig zwaard, dat nog glinsterde van het sterrenlicht. Daarmee trok de jongeling door de wereld en hij werd een dappere ridder. Maar hij was geen gewone ridder, want zelfs bij de grootste overwinningen die hij behaalde vloeide er geen bloed. Andere ridders die hij ontmoette, bewonderden zijn zwaard en zijn daden en zij wilden zich tot hem scharen. Maar de jongeling sprak: ‘Het zwaard dat gij aan uw zijde draagt, is niet het zwaard, waarmee gij met mij door de wereld kunt gaan. Daartoe moet gij u een ander zwaard verwerven. Laat alles wat ge op aarde gemaakt en geleerd hebt verbranden door de sterren die uit de hemel vallen. Uit de as kan het zwaard groeien, waarmee gij mij volgen kunt.’
De jonge ridders verbaasden zich. ‘Tot welke orde behoort gij dan?’

De jongeling toonde het gevest van zijn zwaard. Daarin glinsterde een naam.
De ridders moesten zich inspannen om de lichte letters ter lezen.
Toen herkenden zij de naam:…..Michaël.
.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

.

.

294-275

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (37)

.

OP 29 SEPTEMBER VALT HET JAARFEEST VAN MICHAEL

In het westen kennen wij sinds de vijfde eeuw op 29 september het feest dat oorspronkelijk herinnerde aan de wijding van de kerk van Michaël aan de Via Salaria in Rome. Alhoe­wel niet overal bekend, is het het feest van Michaël geworden. In het oosten leeft de herinnering voort aan het wonder van Cho-nai. Bij dit Phrygische stadje in het westen van Klein-Azië stond al in de vierde eeuw een aan Michaël gewijd heiligdom. Dat dreigde door geweldige watermassa’s te wor­den weggespoeld. Door het ingrijpen van Michaël verdween het water in de aardbo­dem en kwam het als geneeskrachtige bron weer omhoog. In het oosten wordt dit be­schouwd als het eerste grote wonder van Mi­chaël en dit wordt op 6 september gevierd. Wij kunnen Michaëls spoor volgen langs grote heiligdommen die in Europa van oost naar west ontstonden. De aartsengel ver­scheen aan het einde van de vijfde eeuw na Christus in het zuidoosten van Italië op de Monte Gargano. Van deze plek gaat zijn weg naar het westen. Daarvan getuigen heilig­dommen als op de Mont Saint-Michel aan de westkust van Frankrijk en op St. Michaels Mount voor de zuidkust van Cornwall. En in de oude Ierse kerk was het eiland Skellig Mi­chaël in het zuidwesten van Ierland een cen­trum van kloosterlijk leven. Het zijn allemaal hooggelegen plaatsen die aan Michaël werden gewijd en zij bevinden zich vaak aan de grens van land en water. Bo­vendien vindt men vele aan Michaël gewijde kapellen hoog in de westelijke toren van ker­ken. Michaël wilde men vroeger ontmoeten aan de overgang van de vaste grond naar de beweeglijker elementen van water en lucht, net iets boven de aarde. Tegenwoordig gaan wij in het teken van Michaël van de wat rusti­ger en gezapige zomer naar de stormachtige herfst.

Michaëls werkzaamheid is steeds grensover­schrijdend. Hij brengt als de goddelijke bo­de uit de hoogten de boodschap van Gods bedoelingen met de mens naar beneden. Hij staat de ziel terzijde, als het voorbije leven na de dood wordt beoordeeld. Hij helpt als zie­lenweger de gestorvene het evenwicht tussen goed en kwaad vinden. Hier op aarde helpt hij het menszijn behoeden en genezen. Juist daar, waar de mens mens moet worden, is zijn bijstand groot. Hij of Sint-Joris, die zijn aardse evenbeeld is en hem op aarde verte­genwoordigt, beschermt de mens tegen de lagen en listen van de boze macht die zich in de draak manifesteert.

Niet zo maar een mens
In een apocrief geschrift uit de eerste helft van de derde eeuw, de zogenaamde ‘Open­baring van Paulus’, wordt verhaald dat Mi­chaël dag en nacht ononderbroken bidt voor het menselijk geslacht. Hij kan dus ook wor­den aangeroepen als de engel, die het voort­bestaan van de aarde ter harte gaat. ‘Want omwille van uw gebeden blijft de aarde be­staan.’

Een heel bijzondere uitspraak. Want hierin komt de essentie van het gebed naar voren. Het gebed is, aldus opgevat, zeker niet zo­maar een wens, maar tegelijk verwerkelij­king. De innerlijke intentie van de mens schept in diens bede hier op aarde heel even de realiteit, die biddend wordt uitgesproken. Die is dan door het gebed even aanwezig. Als hemelse machten bidden, scheppen zij een duurzame werkelijkheid. De aarde bestaat voort dankzij Michaëls ‘gebed’.
Zo helpt Michaël de mensen tijdens hun le­ven op aarde. Hij is de bode van hun hemelse vaderland. Hij helpt om de gevolgen van het aardse bestaan te dragen. Hij geeft de mens vaste grond onder de voeten. Hij staat hem bij, wanneer de mens verstrikt dreigt te raken in het aardse bestaan.
Met de draak is het eigenaardig gesteld.
De Openbaring van Johannes, het laatste boek van de bijbel, beschrijft hoe de draak juist door een strijd in de hemelen op de aarde te­rechtkwam. Michaël en zijn engelen strijden tegen de draak en zijn engelen en overwin­nen hen. In de hemelen bedreigde de draak Maria en haar zoon om hen, nog voor ze op aarde kunnen verschijnen, te vernietigen. Om hen te behoeden werd de draak omlaag geworpen op de aarde. Daar belaagt hij de mensen nu.

Wij leren uit de Openbaring dat de mensen op aarde, om der wille van de hemelse mens, telkens voor zware opgaven worden gesteld. Geen wonder, dat Michaëls inzet voor de aarde en voor de mensen die daarop leven, na de val van de draak zoveel sterker is ge­worden.

Geloof voor mooie dagen
Hoe de draak op de aarde kwam, beschrijft een Oost-Europees sprookje. Ik ken het in een Engelse vertaling uit het boek Gypsy Folk Tales door M. Voriskova. Dat de draak op de aarde terecht kwam, was te wijten aan nieuwsgierigheid, maar vooral aan onderne­mingsgeest. Zo verhaalt althans het sprookje van ‘Kalo Dant en de zevende wereld’. Maar er kwamen ook nog wel wat verbroken belof­ten bij te pas, zoals het vervolgsprookje ‘Hoe Sjarkan onheil stichtte’ vertelt. Het sprookje zegt dat de draak degene die al­le werelden wilde leren kennen naar de aar­de terugbrengt. De mens, in dit verhaal de persoon van Kalo Dant, is er samen met de heerser in de bovenste wereld verantwoorde­lijk voor dat de draak op aarde terecht is ge­komen. De Openbaring van Johannes ver­telde in het beeld van de hemelse strijd het bovenmenselijke aspect; hier vinden we een menselijke betrokkenheid. Want Kalo Dant komt alleen terug naar de aarde dankzij de bemiddeling van een macht, die op aarde onheil brengt.

Gewoonlijk menen we min of meer instinc­tief, dat het kwaad er eigenlijk helemaal niet zou mogen zijn. Wij zijn nauwelijks geneigd het kwaad een positieve rol toe te kennen. De wereld zou, zonder het boze, beslist leefbaar­der zijn… Maar is het kwaad in zijn verschil­lende verschijningsvormen en gestalten al­leen maar negatief? In het Oude Testament laat het boek Job zien, dat deze vraag niet zo­maar met een ‘neen’ kan worden beant­woord. Het beschrijft op een dramatische en bijzonder menselijke manier, hoe een boze macht ingrijpt in het leven van Job. De satan mag met toestemming van God, Job binnen bepaalde grenzen op de proef stellen. Dan zal blijken of Jobs godsvertrouwen onder al­le omstandigheden sterk blijft. Of dat het al­leen maar een geloof is voor mooie dagen, dat bij tegenspoed verdwijnt. Als enige voor­waarde heeft God gesteld, dat de satan niet aan Jobs leven komt. En Job komt dankzij leed en beproevingen, uiteindelijk gesterkt uit zijn beproevingen te voorschijn. Het zijn niet de minste eigenschappen, die Kalo Dant ertoe brachten ten slotte de hulp van de draak nodig te hebben: nieuwsgierig­heid, die volgens de oude man de eerste stap is op de ladder die wij kennis noemen, on­dernemingsgeest, en een goede dosis gezond verstand en humor. Die beide laatste trekjes gingen hierboven wel verloren bij de korte weergave in dit sprookje, het verhaal van de mens op zijn zwerftocht door de zeven werel­den, dat werd overgeleverd door een zwer­vend en vrijgevochten volk!

Vrijheid
‘Het kwaad ontstaat dus ter wille van de mens’, concludeert Hans-Werner Schroeder in zijn boek De mens en het kwaad. In zijn uit­eenzettingen betoogt hij, dat het kwaad in de wereld is omdat de mens zonder het boze niet werkelijk vrij kan worden. In de heme­len, binnen de sfeer van de goddelijke al­machtigheid, kan vrijheid niet bestaan. Er moest een plek in de wereld zijn, waarbin­nen de werking van het goddelijke zich niet rechtstreeks laat gelden. Waar machten ac­tief zijn, die de mens in de richting van het anti-goddelijke drijven, om zo zijn sterkste krachten op te roepen. Vrijheid is een inner­lijke kwaliteit die bevochten moet worden. Velen vragen zich tegenwoordig af of de toe­name van het kwaad de menselijke moge­lijkheden niet te boven gaat. Schroeder geeft op deze vragen behoedzame en verhelderen­de antwoorden. Hij onderzoekt, welke rol het kwaad in de ontwikkeling van de mens­heid heeft gespeeld. Schroeder stelt ook de vraag naar de overwinning en verlossing van het kwaad. Hij doet dit vanuit beleving van de helpende nabijheid van Christus en diens dienende geesten. Na het sleutelwoord van de ‘vrijheid’ verschijnt aldus de even essen­tiële gedachte van ‘helpende nabijheid’. Hierboven beschreef ik welke impressies mensen in het verleden van de aartsengel Michaël hadden, hoe zij hem vonden bij de grenzen die het leven ons stelt. Dit is sinds­dien mogelijk gebleven. Hij vertegenwoor­digt het beginsel van de ‘openheid naar bo­ven’. Een mens die alleen maar zichzelf wil zijn, is nog lang niet ‘zichzelf’ in de ware zin van het woord. Wie tevreden is met zichzelf zoals hij is, met de wereld die hij aantreft, ne­geert ook de toenemende macht van het kwaad in de wereld. Het complementaire begrip van de ‘openheid naar boven’, die Mi­chaël vertegenwoordigt, heet ‘vrije kracht’. Met vrije kracht kunnen wij de grenzen van ons bestaan naderen. Met de vrije kracht die in het denken wordt gewekt door de moed, het geestelijke in ons toe te laten. In het ge­bed hebben we de mogelijkheid de werke­lijkheid van de geest in onze wereld te laten binnenstralen.

Wij kunnen het feest van Michaël maken tot een feest van het wordende. En zijn de eerste stappen daartoe niet de ondernemingsgeest en de nieuwsgierigheid, waarmee we ons afvragen hoe het met onze wereld werkelijk is  gesteld?

(Arie Boogert, Jonas nr. 2, 18-09-1987)                                        
Gypsy Folktales, M.Vorisková. Uitg. Paul Hamlyn, Londen 1967
De mens en het kwaad, Hans-Werner Schroeder. Uitg. Christofoor, Zeist 1967
Het tijdperk van Michaël, Emil Bock. Uitg. Christofoor, Zeist 1986

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel
.

293-274

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (2)

.  vliegerliedjse bij vlieger

voor veel meer (knutsels en liederen) :      Tineke’s doehoek en Antroposofie en het kind    vrijeschoolliederen
vliegerliedje bij vlieger

bladeren zie spatwerk;
dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje;
draak van grillige tak;
draak vliegende;
grasmatje;
herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels;
herfsttafel;
kaars met draak;
kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin;
kijkdoos; koffertje;
kransen en slingers;
mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad;
schimmenspel van een michaëlsverhaal;
slang; slingers zie kransen;
spatwerk met bladeren;
transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant;
versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier;
vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger;
vrouwtje appelwang;
waaiewindje;
weegschaal;

.

.
KNUTSELEN

draak van grillige tak
Van een grillige tak kun je met bladeren en dennenappels een mooie draak maken, vooral als je een krabbenpoot als staart (of kop) gebruikt.

Jonas 4, 21-10-1977
.
grasmatje weven
Een raamwerk maken van 4 stokken, spandraden worden er gewoon omheen geslagen. Voor de inslag nemen wij materiaal uit het bos zoals takjes, grassen, riet,  bladeren, hei enz. Wanneer het matje klaar is, kunnen we het verder versieren met trosjes bessen, rozebottels, hazelnoten en al wat verder het seizoen nog biedt.
.
herfsttafel
De herfst is een dankbaar jaargetijde voor onze seizoenen­tafel. De nieuwe ouders onder u zullen zich misschien afvragen: wat is dat en hoe moet dat, zo!n seizoenentafel? Welnu, op een mooie plaats in uw kamer of hal zet u een lage tafel, plank of kist, die u bekleedt met een lap stof, waarvan de kleur en het materiaal aangepast zijn aan het seizoen.

Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
Een boomstronk kan dienst doen als kabouterhuis, maar ook kunnen we met St. Michaël daar de draak in verstoppen. Boven de tafel hangen we een mooie plaat of ansichtkaart met een herfsttafereel.
Het fijne van zo’n tafel is, dat de kinderen ook hun ge­vonden schatten bij b.v. een boswandeling hierop kunnen uitstallen en zo het hele jaar door ook binnenshuis mee kunnen’leven met alles, wat zich in de natuur afspeelt. Kaboutertjes voor het kabouterhuis zijn makkelijk zelf te maken.
Materiaal: restjes gekleurd vilt en schapewol. Knip het manteltje van het dwergje. Naai de naad van de capuchon dicht en haal er op de aangeduide plaats een draad door om te rimpelen. Doe een plukje goed uitgeplozen wol in het manteltje, trek de draad aan en knoop die vast. Knip aan de onderkant de wol weg, waardoor een plat vlak ontstaat: nu kan het dwergje staan. Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
De draak kunnen we maken van gekleurd papier en zijn lijf opvullen met appeltjes en andere vruchten. Met het St.-Michaëlsfeest kunnen de kinderen dan met zelf gemaakte zwaarden en schilden op zoek gaan naar de draak, deze verslaan en opeten.
.
bron onbekend
.
In het gelijknamige artikel is sprake van allerlei knutsels die hieronder verspreid zijn te vinden. Het artikel gaf als voorbeelden:

herfstknutsel 7
herfstknutsel 6
herfstknutsel 4

Het genoemde droogpersje:

herfstknutsel 5 droogpersje

herfstknutsel 3

herfstknutsels
Jonas 4, 21-10-1977

 

michael 6
 
Annet Schukking/ Hanneke v.d. Bij, Jonas, 18-09-1981)
 (bron onbekend)
.
kaars voor de Michaëlstijd
Neem hiervoor een dikke witte kaars en versierwas in allerlei kleuren: een groen-oranje draak kronkelt zich om de kaars heen – onderaan donkergroen en blauwpaars – naar boventoe worden de kleuren lichter; uit de muil komt vuur.
(Als we lang kneden zijn de kleuren goed te mengen, maar als de handen door het kneden té warm worden, blijft de was niet meer plakken – dan deze afkoelen onder de kraan).
Met het branden van de kaars wordt de draak langzaam verteerd. Geef kleinere kinderen een kleinere kaars. Ook zij kunnen dan hun eigen draak laten verbranden.
Michael kaars

kastanjes en eikels|
Ritsel, ’n herfstdanseresje is een heuse marionet van een kastanje en eikels, aan elkaar rijgen, neus een bosbes, rokje van blaadjes.

Michaël herfstknutsel 1

Michaël herfstknutsel 2

Het gewei van dit hert is gemaakt van twee esdoornvruchtjes

Michaël herfstknutsel 3

kastanje uithollen; stokje erin. Klaar is de pijp.

Michaël herfstknutsel 4

Een spin. Prikstokjes zig-zag in een kastanje; knoop een draad aan één van de stokjes, wikkel de draad om en om rond de stokjes. einde van de draad vasthouden, spin loslaten en…roets, daar gaat hij naar beneden.

Vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken)
.

kijkdoos
Een (schoenen)doos
Gewoon met lijm in de doos plakken zodat het een gezellig tafereeltje wordt. Wanneer u de deksel van de doos vervangt door een vel transparant gekleurd papier (rood of oranje), ziet het er helemaal betoverend uit.

herfstknutsel 8

Ideeën:
eikeltjes, kastanjes, herfstbladeren, paddenstoeltjes van bijenwas, kaboutertjes van vilt of bijenwas, droogbloempjes, takjes boerenwormkruid, trossen besjes, rozenbottels, grassen en granen.
.
koffertje om in te verzamelen
Beplak een kartonnen kinderkoffertje met gedroogde bladeren, bestrijk het met blanke lak en verzamel hierin herfstschatten.
.
kransen en slingers

lantaarntje
Op een feestelijk aangeklede Michaëlsherfsttafel kan een klein tafellantaarntje een gezellig lichtje zijn.
Een reep goudkarton van ca 60 cm lang en 20 cm hoog.
drie of vier raampjes erin uitknippen, transparant papier erachter en versieren met wat gedroogde bloemen, gras of blad.
.

mozaïek van zaden
Een zeldzaam zonnige zomer was het. In een bijna tropische warmte heeft het fruit zich overvloedig rijp laten stoven. Nu is het geoogst, gegeten, verwerkt of opgeslagen. Al eerder zijn de vele kleurige bessen verdwenen, de meeste waarschijnlijk in vogelmagen. Ver­dwenen voor het oog weliswaar, maar niet uit de kringloop van de natuur, waar het nu juist spannend wordt. Want in bessen zit zaad en in het zaad zit de toekomst van de plant. Het hangt er maar van af wat er met het zaad gebeurt, maar als het goed terecht komt, zal het in het voorjaar ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe boom of struik.
Ja, waar komt het terecht? Een boom als de lijsterbes bijvoorbeeld zou natuurlijk dom­weg z’n vruchtjes kunnen laten vallen in de verwachting dat daar dan wel nakomelingen uit opgroeien. Dat zou natuurlijk een on­voorstelbaar gedrang geven aan de voet van de boom en al die kleine lijsterbesjes zouden het ook niet zo best doen in de schaduw van de oude. Dat gebeurt dus niet. Als je over een heide-achtig terrein loopt, zie je dat de lijsterbessen verspreid staan. Hoe komen die bomen daar? Ze groeien in ’t wild, zijn niet door mensen geplant. Het zijn inderdaad de vogels die voor de verspreiding zorgen. Ze eten de bessen, verteren wel het vruchtvlees maar niet het zaad. Integendeel, het zaad on­dergaat in de vogelmaag een proces dat de kiemkracht bevordert. Daarna wordt het met een beetje mest op een of ander plekje gede­poneerd, waar het na de winter ontkiemen kan.
Het is trouwens interessant om te ontdekken hoe veelzijdig en inventief de verspreidings­technieken van zaden zijn. Behalve vogels doen ook mieren hieraan mee en helpen zo bijvoorbeeld het wilde viooltje. Maar veel bo­men en planten zorgen ook zelf voor de ver­spreiding van hun zaadjes door ze te voorzien van allerlei vernuftige voortbewegingshulp­middelen en hun dan snel de vrijheid te ge­ven. Zo zijn er de vliegers, zoals de gevleu­gelde (berk), de parachuutjes (paardebloem), de molentjes (esdoorn), de pluizen (distel), die zich op de wind laten meevoeren. Weer anders doen de klitten het, die zich met klei­ne haakjes aan dierenvachten vasthechten en dan bij het reinigen van de vacht afgeworpen worden, de zwemmers die het water verkiezen (kokosnoot) of de schutters zoals de springbalsemien!
Maar een echte zaaier is de mens: hij kiest bewust, veredelt, verzorgt en oogst, zaait weer en heeft zo zijn aandeel in de kringloop van de natuur. Daarnaast heeft hij ook zijn fantasie, zijn creativiteit. Een klein deel van de oogst mag gebruikt worden voor versie­ringen. Zo kun je bijvoorbeeld kettingen rij­gen van diverse boontjes, zoals kapucijners en kievitsboontjes: eerst een paar uur weken tot je er een scherpe stopnaald door kunt prikken. Of je kunt een sierknoop maken van de afgezaagde onderkant van een dennenappeltje. De achterkant gladschuren en een klein schroefoogje indraaien of een broche­speldje aan bevestigen. Een wat preciezer werkje is het maken van mozaïeken van zaden, heel mooi als je ze in hout inlegt en later met een stevige transpa­rante lak verglanst, als versiering van houten voorwerpen. Maar ’t kan ook eenvoudiger, bijvoorbeeld een deksel van een rond spanen doosje met zaden beplakken en dan eveneens, als ze goed vastzitten, lakken, waardoor ze ook niet meer losgestoten kunnen worden. Snij een aantal donkere jeneverbessen in twee helften, één plak je in het middelpunt van het deksel. Daaromheen straalsgewijs acht on­gepelde rijstkorrels. Knip nu twee mallen uit dun karton, één voor de binnenkring en één voor de gegolfde rand, dat wil zeggen van bin­nen open. Leg de eerste mal op het dekseltje (even vastzetten met prittstift), smeer lijm op de open ruimte en strooi er bijvoorbeeld gierst (goudgeel) op, goed alle gaatjes vullen. Neem de mal weg en leg de tweede er op. Halve jeneverbessen in de golven lijmen, de rest als boven vullen met bijvoorbeeld ra­dijszaad (paarsachtig). Mal wegnemen en de buitenrand vullen met zaad van koekoeks­bloemen of maanzaad (zwart). Probeer zelf andere zaden, andere figuren en andere combinaties. De tuin, het veld en de markt bieden volop materiaal!
.
Annet Schukking, Jonas 3, 01-10-1982
.
slang
Knip of scheur twee even lange repen papier. Leg de beide repen haaks op elkaar en maak de op elkaar liggende uiteinden vast met plakband of lijm. Vouw beurte­lings de repen over elkaar heen, tot het papier op is. De eindjes maakt u weer vast met plakband of lijm. Vouw een neus en plak van een stukje papier een tong vast. De slang kan gekleurd worden of van gekleurd papier gevouwen worden. Met dezelfde techniek kunt u allerlei dieren maken door de breedte van de repen papier te variëren.

herfstknutsel 2
Michaël herfstknutsel 5 weegschaal
Michaël herfstknutsel 5   1   weegschaal

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (36)

.

SINT-MICHAËL: EEN FEEST VAN DE TOEKOMST

Vele mensen zijn nog verknocht aan oude vormen van beschaving. Ten onrechte. Veel uiterlijke vormen moeten verdwijnen en zijn reeds verdwenen. Er zullen nieuwe gevon­den moeten worden. Zo is het ook met de jaarfeesten. Er is nog van enkele oude fees­ten iets uiterlijks overgebleven: een Sinter­klaas die snoepgoed en geschenken brengt, een kerstboom met elektrische lichtjes, eitjes en hazen en kippetjes met Pasen.
Wat kunnen wij er nog voor wezenlijks en werkelijks aan beleven?

Toch is het vieren van feesten een noodza­kelijkheid. Zoals een werkweek van zeven dagen zonder een zondag onleefbaar is, zo is een jaar zonder feestdagen niet om dóór te komen. Voor kinderen niet en voor volwas­senen niet. De vakantie is achter de rug. Of hij werkelijk geslaagd is, dat heeft op de eer­ste plaats van ons zelf afgehangen. Zoals voor de meeste mensen de vakantie iets is waar je naar uit kijkt als naar een oase in de dorheid van de dagelijkse sleur, zo zouden er door het hele jaar verspreid feestdagen moeten zijn als lichtpunten van vreugde en troost, waar je naar toe kunt leven. Die feesten zijn er altijd geweest. Maar de mens is in deze tijd zo zelfstandig geworden, zo op zichzelf aangewezen, dat geen en­kel feest, geen enkel ‘vrij-zijn’ hem van bui­tenaf die troost en vreugde kan verschaffen. (Vakantie betekent vrij zijn, de Duitsers noe­men het nog ‘Ferien’, dat betekent feest).
In vroeger tijden werd er door de feesten iets gegeven. De goddelijke wereld schonk zijn gaven aan de aarde. In de feesttijden ontving de mens van de hemelse machten de kracht en de vreugde die hij in zijn aardse leven no­dig had. Waarvoor dienen de feesten nu? De mens kan zich bezinnen. Hij kan zichzelf herinneren aan dat wat hij volbrengen wil. Hij kan zichzelf zijn opdracht inprenten. Verschillende aspecten heeft die opdracht. Ieder jaargetijde kan voor de mens de aan­leiding zijn, om een ander aspect van zijn taak in zichzelf te beleven. Zijn levenstaak ligt op de aarde. De opdracht echter ontvangt hij uit die wereld, die in en achter alle zintuigelijk waarneembare, stoffelijke dingen ver­borgen is. Als de mens die goddelijke wereld niet erkent, dan staat hij alleen tegenover de wereldslang ‘Nijdhouwer’, het monster van de genotvolle hebzucht, de draak van de zelf­zucht. Hoe kan hij dat gedrocht overwin­nen? Lukt hem dat niet, dan betekent dat voor hem de dood. Op de eerste plaats een geestelijke dood, die erger is dan de lichame­lijke.

Onze middelen tot zintuigelijke waarneming zijn uitermate geperfectioneerd. De telescoop laat ons dingen zien in het heelal, die ons blote oog niet kan waarnemen. Dat is niet de geestelijke wereld. De microscoop laat ons een onzichtbaar klein levend wezen zien. Dat is niet de geestelijke wereld. Die vergroting is een leugen. Ik rek dat wezentje een paar duizend maal uit… Dat is geen wer­kelijkheid meer. Het is een spook, een mon­ster geworden. Een vlieg van zo’n tien meter lang is toch ook geen werkelijkheid? Geluk­kig niet! Op stoffelijk gebied kan deze ‘geperfectioneerde’ waarneming ons onschatba­re diensten bewijzen. Maar toch zou zo’n microscopisch monster ons moeten stem­men tot nadenken over de werkelijkheid der dingen. In symbolische taal gesproken: dat monster, die draak moet ons uitdagen om hem te overwinnen, omdat wij anders zelf een prooi worden van hem. En zijn wij al niet hard op weg om aan die draak ten offer te vallen? Is dit geen tragi­sche tijd, waarin lucht en water en voedsel door de adem en de uitwerpselen van die draak worden vergiftigd? Men merkt het, maar de diepste oorzaak ziet men niet. Wat houdt de mens tegenwoordig ervan terug, het goddelijk-geestelijke in alle dingen te er­kennen? Nog steeds wil de mens alles passief slikken. De microscoop, de telescoop, de chemische analyse moeten hem alles vertel­len. Hij gaat voor de wereld zitten als voor een televisiescherm. Het instrument van zijn eigen geest, zijn eigen ziel wil hij niet vol­doende perfectioneren. Hij lijdt aan een soort psychische moedeloosheid, als het geen psychische lafheid is.

Het nieuwe stoelt op het oude. De jaarfees­ten in hun nieuwe vorm zullen moeten terug­gaan op oeroude vormen, die ontstaan zijn toen de mensheid nog kon schouwen in de geestelijke wereld; toen zij de goddelijke we­zens, die in de aarde, in de lucht, in het zon­licht belichaamd zijn, nog kon ontmoeten. Helder en duidelijk neemt de mens de wisse­ling van de seizoenen waar met zijn fysieke ogen. Als hij nog niet geheel van de natuur is afgesnoerd, beleeft hij in zijn gevoel nog iets van wat er zich afspeelt in weer en wind, in de opeenvolging der jaargetijden. Maar ach­ter deze fysiek en psychisch waarneembare wereld strekt zich nog een veel wijdsere gees­telijke wereld uit, die slechts met geestelijke vermogens waarneembaar is. Die geestelijke vermogens bezit ieder mens. Ze zijn alleen nog meestal versluierd door wat hij zo helder waarneemt met zijn zintuigen en vertroebeld door de onbewuste emoties die hij daarbij beleeft. De geestkracht die in alles en door alles werkt zullen wij niet alleen moeten aan­vaarden, maar ook gewaar worden en steeds meer gaan kennen.

De bomen worden kaal. De dorre bladeren dwarrelen neer. De vlinders, de kevers zijn verdwenen. Vele dieren beginnen hun win­terslaap. De hele natuur, die in het voorjaar en in de zomer haar krachten aan ons mee­deelde, schijnt te gaan sterven. De mens is nu aangewezen op zichzelf. Nu zal hij in zijn geest actief moeten worden. Nu heeft hij zielenmoed nodig. Want er is moed voor nodig om jezelf als normatieve derde geplaatst te zien midden tussen twee polen, om je eigen wereld te zien in twee werelden: opkomst en ondergang, goed en kwaad, licht en duister­nis, leven en dood. Hebben wij genoten van de zomerzon, dan moeten wij ook af kunnen dalen in de winterkou. Hoe intensiever men in voorjaar en zomer het bloeiende leven kan ervaren, hoe dieper men ook het sterven en de dood in najaar en winter beleeft. Wat blijft de mens anders over dan mee te ster­ven? Dit verwelken, dit verlammen, dit dood­gaan kan niet verder gaan dan zijn sensitiviteit. Moet hij dan zijn bewustzijn laten opgaan in de natuur, zoals in de hoogzomer? Nee. Hem blijft over zijn zelfbewustzijn. Dit moet de mens in de herfst stellen tegenover de stervende natuur. Weer is hier sprake van strijd en overwinning. Strijd tegen hebzucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest.

Tegenover Kerstmis staat in de krans van de jaarfeesten het Sint -J ansfeest. Tegenover de helderste zonnedag de diepste winternacht. Wat staat er tegenover het lentefeest, het feest van de opstanding uit de dood? De on­dergang in de dood. Kan dát een feest zijn? Er zou helemaal niet meer sprake kunnen zijn van welk feest dan ook, als in de mid­winternacht niet het zonnekind geboren werd, dat de drager werd van het goddelijk wezen: Christus. Christus heeft zich verbon­den met het aardewezen. Door Hem, met Hem, in Hem kan de mens zijn eigen zelf, zijn onsterfelijk geestelijk wezen wedervinden.
En zo moet het vroegere Herfstfeest, het oogstfeest, het Dankfeest verdiept worden en een plaats gaan veroveren in de tijdkrans van de feesten als één van de vier hoogte­punten van het jaar: Kerstmis en Sint-Jan, Pasen en Sint-Michiel.
Met een soort profe­tische blik stelde men in de middeleeuwen op de 29e september het feest in van de aartsengel Michaël. Over hem wordt in het boek der Openbaringen (12:2-12) verteld, dat hij de draak versloeg en uit de hemel verdreef. Daar wordt de draak ook genoemd: de Slang van het Oerbegin, Diabolos en Sata­nas. Hoewel veel kerken en kloosters aan Sint-Michaël gewijd zijn en hoewel zijn feest in de Rooms-Katholieke kerk een feest is van de hoogste rang, in de volksoverlevering neemt het bijna geen plaats in. Dat kan ook niet, omdat het ‘zelf’, het bewuste ‘ik’ van de mens eerst in deze tijd ontwaakt. Het is dan ook een feest voor de tijd van nu en voor de toekomst. Dit nieuwe feest moet ons er aan herinneren, dat wij, met hulp van de Christus, nu zelf de leiding moeten zoeken van de geestelijke wereld, zelf de strijd moe­ten opnemen tegen de machten, die ons de hemelse wereld willen ontnemen en op aarde ten prooi doen vallen aan de dood der mate­rie. Daar is bewustzijn voor nodig en moed en vooral ook een wilsbesluit. De wil om te trachten bewust inzicht te krijgen in de bo­venzinnelijke wereld. In abstracte gedachten zal ons dat niet lukken. Wij zullen zó concreet moeten denken en ons de werkelijk­heid van die wereld zó reëel moeten maken, dat wij nieuwe sociale vormen en nieuwe feesten kunnen scheppen.

Geestelijke feiten kunnen slechts in beelden worden weergegeven. Daarom komt in dit feest van zielenmoed en wilskracht ons het beeld te hulp van Michaël die over de draak zegeviert of van Sint-Joris die de draak over­wint en zo de prinses (de menselijke ziel), redt van de dood.

Met Pasen is Christus in het graf gelegd en is Hij opgestaan uit het graf. Met Sint- Michiel staat de mens op. Hij kan gerust in het graf worden gelegd, want hij heeft ingezien, dat hij in dit aardse leven wel sterft, maar dat zijn ziel kan verrijzen uit de dood. Hij heeft ervaren, dat, als hij innerlijk levend wordt in dit stoffelijke leven, dat innerlijk leven de aardse dood overwint.

Wanneer dag en nacht weer aan elkaar gelijk zijn bij de intrede van de herfst en de nacht de dag gaat overwinnen, dan staat vóór ons Sint-Michiel-die-de-draak-overwint als een geweldige uitdaging om méé te strijden. Dan spoort de kracht van Sint-Michiel ons aan om niet slechts de fysieke en chemische krachten te leren kennen en dienstbaar te maken, maar veel meer nog om met werke­lijke geestdrift die kracht te leren kennen, waardoor wij de verrezen Christus tijdens ons aardeleven in onze ziel kunnen opnemen. De kracht van Michaël zal ons helpen om in Christus het reële eigen-leven te vinden, ook als wij gestorven zijn. Deze kracht zal de aarde zuiveren van het kwaad, zodat het Christuskind met Kerstmis in haar geboren kan worden.

Sint-Michielsfeest. Een feest van nu en van de toekomst. Het feest van de nieuwe mens vol wezenlijk enthousiasme. Een feest van ware Mensenmoed.

(Henk Sweers,Jonas 2, 24=09-1976)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

287-271

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (35)

.

DE HERFST EN HET MICHAËLSFEEST

Jaargetijden en jaarfeesten doordringen elkaar, maar zijn toch in zekere zin tegengestelde bewegingen. Jaargetijden bewegen zich in de ons omringende wereld en doordringen ons van daaruit, mits we de wereld van de natuur dan wel ontmoeten natuurlijk. Jaarfees­ten daarentegen moeten we van binnenuit vieren en de wereld indragen als cultuurgoed.
In de jaargetijden staat de inwerking van de zon op de aarde centraal, in de jaarfeesten, is het universele Godswoord de spil waarom alles draait. Kerst en Pasen en ook Johanni dui­den dit onverbloembaar aan. Michaëli is daarin een minder eenvoudig te doorgronden feest.

Wanneer we eerst kijken naar het jaargetijde, de herfst, dan bespeuren we hoe de zonnekracht aan de hemel afneemt, maar hoe ze zichtbaar wordt op de aarde in de rijping der vruchten, de kleuring der bladeren, de bloei van zonnebloemen, de maïs­kolven, pompoenen; kortom in alles wat een eindstadium is van plantaardige groei. Voor de aardse plantenwereld is het werk volbracht, maar vanuit het sterven van de plant in uiterlijke zin nemen aarde en mens kiemen, zaden op voor een nieuw leven dat na de winter weer zal ontspruiten. De plantenwezens ballen samen in de vaak uiterst kleine zaden, die zich weer terugtrekken in de aarde. De stoffelijke plant neemt af, de idee plant neemt daarmee juist toe.

Met deze beweging in de natuur gaat ook de mens mee. Vanuit de zomer vol expressie en beweging keren we weer in onszelf terug. Van buiten naar binnen, ook heel reëel van het eten in de tuin weer naar het zitten rond de haard. Het meedrijven op de getijdenstroom, kan echter geheel onbewust gebeuren: de mens kan dromen in het weer van de dag. Of hij leeft zo inge­kapseld in geconditioneerde ruimten, auto’s, tussen apparatuur en allerlei andere mechanische geluidenmakers,  dat hij de stem van de natuur nog maar heel flauwtjes opnemen kan. Voor de mens die zijn verbinding met de loop van de natuur wil bekrachtigen bestaat er de Zielekalender* van Rudolf Steiner waardoor men zich in het eenvoelen met de natuurbeweging kan laten inspireren, en kan komen tot zelfkennis.

Nu de jaarfeesten.
We noemden Kerst als geboortefeest. Pasen als Opstandingsfeest, Johanni  als geboortefeest en Michaëli. We kunnen vanuit de andere jaarfeesten inzien hoe Michaëli ons oproept als mens om ook een opstanding door te maken; “Stirb und Werde”. We kunnen bij het naar binnen keren in deze tijd het gevaar lopen te verharden, innerlijk net zo te worden als het uiterlijke zaad in de wereld. We verliezen de zomerse beweeglijkheid en komen niet tot een in ons opgewekt enthou­siasme, tot een beleving van ons ik, onze persoonlijke kiemkracht waarmee we tot scheppers en herscheppers kunnen worden, niet slechts uiterlijk, doch ook in onze eigen ziel. Dit ge­vaar lopen we ook wanneer we Michaël te eenzijdig benaderen. Ik denk zelf bij Michaël altijd aan twee metalen: ijzer en koper. IJzer hangt samen met het zwaard dat Michaël draagt; het is symbool van strijd, van onverzettelijkheid en kracht. Het metaal hangt ook samen met de Marskrachten die bijvoor­beeld in het Romeinse Rijk zo sterk inwerkten. Het ijzeren zwaard kan ons juist doen vervallen tot verharding en egoïsme. Michaëls opgave vinden we slechts dan, wanneer we ook de ko­peren weegschaal in onze beleving betrekken; symbool van evenwicht, harmonie, in zekere zin ook genezing.
Wanneer we deze weegschaal op ons eigen zieleleven betrekken en zoeken naar een innerlijk evenwicht tussen denken en handelen, dan ont­staat ook genezing doordat ons voelen zich vult met kunst­zinnigheid. Met het koper hangt Mercurius** samen. We zien hier door de sterkende Michaëlskrachten heen de helende krachten van Rafaël stralen.

Krachtig en moedig trekken wij door de wereld, maar wij doden niet, ook niet de draak van de materialistische gezindheid, maar wij temmen, wij houden de dingen terug en scheppen een evenwicht, wij genezen ons zelf en de wereldordening door in onze ziel het beeld van Michaël en de draak in moed en har­monie, genezing;  in ijzer en koper  in zwaard en weegschaal te laten oplichten.

(Reyer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

*Rudolf Steiner ‘Weekspreuken‘.
Bij ‘Antrovista‘ staat iedere week de nieuwe spreuk

**De auteur gaat er niet verder op in; meestal wordt het koper in samenhang gezien met Venus.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

286-270

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (34)

.

DE KRACHTEN VAN MICHAËL

‘De krachten van Michaël kan de mens zich alleen verwerven, doordat hij met zijn van liefde doordrongen wil zichzelf omvormt tot een instrument voor de geestelijk -goddelijke krachten’.

(Rudolf Steiner)

Het is een warme en zonnige dag in de late zomer, de lucht is helder en de hemel toont zijn prachtige diepblauwe welving. Tussen het donkergroen geboomte liggen korenvelden; het milde geel van de halmen, die zich in de zachte wind heen en weer bewegen, zodat het lijkt alsof er golven doorheen stromen en het hele veld leeft, laat zien hoeveel zonlicht er is opgenomen, dat het koren rijp is en wacht op de mens die het oogst.

Hoeveel menselijke arbeid is er nodig geweest, dat het koren zo rijk tot wasdom kon komen en wat moet er nu nog allemaal door mensenhand gedaan worden om de vruchten der aarde te verwerken? Met verbazing en eerbied benaderen wij de intense rijkdom van de natuur. Overal roept zij ons op om haar veelvuldige kwaliteiten op te zoeken en de geheimen, die haar leven in zich draagt in iedere verschijning te ontdekken. Hier helpt kennis ons niet, hier moeten wij bewegen, ons hele organisme in beweging brengen, het willen in ons waarnemen brengen, onderduiken in de wereld buiten ons, proeven, ruiken, aanvoelen in het aanschouwen, zodat iedere verschijning iets uitspreekt van haar wezen en voor ons zichtbaar wordt als een gebaar van het leven en weven van het wereldwoord. Wat in dit waarnemen spiritueel beleefd kan worden is euritmie! Hetzelfde geldt voor iedere handeling, die de werkende mens verricht aan de aarde om in de natuur cultuur te laten ontstaan. Onze handelingen worden tot gebaren, die zich willen geven aan de aardeprocessen, gebaren, die door de aarde worden opgeroepen en die wij verrichten als dienst aan haar. Een handeling, die afgelezen is aan de levenskrachten in de natuur werkt opbouwend en cultuur scheppend. Een beweging, die de processen in de natuur navoltrekt wordt euritmisch. Als zodanig wordt werkelijk euritmisch bewegen arbeid aan de aarde.

Tussen ronde met mos begroeide granietrotsen staan enkele witte recht omhoog strevende slanke berkenbomen met hun in de wind wiegende bladerkroon die van binnenuit al goud wordt nu in de late zomer. De slanke, naar boven strevende takken geven het zonlicht de kans om tot op de aarde te schijnen dicht bij de stam. Aarde en hemel worden juist door deze boom, die zo oneindig veel water in de lucht afgeeft, met elkaar verbonden. De bladeren in de toppen zijn nog groen, zij zullen het laatst afvallen. De gouden bladeren stralen vanuit het binnenste van de kroon, het licht van de zomer wegschenkend. Het oog kan kwaliteiten proeven, zoals het frisse groen van het berkenblad, of het geel van de totale berkengestalte, dat straalt als licht. De omgeving van de berk heeft iets vrolijks, wat men als lichtrood kan ervaren. Het gebaar in zijn geheel is warm blozend, men voelt zich opgeheven en perifeer gehouden. Recht en strevend, maar heel levend, niet streng, verschijnt de boom; het oog tast en voelt een harde kwaliteit.

De nieuwe weg in de kunst is niet te vinden in het voelend dromen of het dromend vormen van de dingen.

Veeleer wil het het gebied van de ziele-geesteswereld met het gebied van het stoffelijk gevormde verbinden; zo een weg vormend voor de mens, die deze verbinding tot stand wil brengen en opnieuw op de fenomenen van de natuur afgaan. Het leven in de kunst als spirituele kracht kan eerst door het werken van de geest in de natuur, wetenschappelijk fenomenologisch ontdekt, de mensen weer enthousiast maken. Men moet weer kunnen ontdekken hoe de geest in de natuur levend werkzaam is, in de fenomenen het openbare geheim zien, want dat is de bron, die de kunst onmiddellijk waarneembaar wil maken. Het opvoeden van de zintuigen in het waarnemen van de wereld en het doorlichten van de innerlijke nacht zijn de twee zuilen, waar de weg op gebouwd is, die men kan gaan en die aan de tijdgeest gehoor geeft. Dat betekent scholing, voortdurend omwerken, bereid zijn alles weer opnieuw aan te pakken, ontwikkeling. Dat wederom vraagt beweging van de mens, van zijn gehele organisatie, van de wil, die vloeiend en beweeglijk wordt. De euritmische beweging werkt in directe zin aan het veranderen van de menselijke wezensdelen.

In het hart heeft de mens op aarde zijn houvast, daar leven wij tussen aarde en kosmos in ons spirituele zwaartepunt. Ons aardse bewustzijn houdt in het hart zijn evenwicht; wanneer wij te sterk in onszelf verkrampt raken, dan ervaren wij smart; verliezen wij ons te sterk, dan krijgen wij de neiging ons bewustzijn te verliezen. Onze aardse oriëntering in de ruimte hangt heel intiem met het hart samen. In een andere ‘ruimte’ en in een ander bewustzijn leven de gestorvenen, in de voor ons aardse bewustzijn aangrenzende wereld.

De kunst vormt de brug tussen materie en geest, de brug tussen het innerlijk beleven en het uiterlijk aanschouwen. De kunst wil het (uiterlijk) zintuiglijk waarneembare gespiritualiseerd laten verschijnen, en het innerlijk in de ziel waarneembare uiterlijk vormen zodat een levende gestalte kan verschijnen. In de euritmie beweegt de mens zo, dat het ziele-geesteswezen in de beweging verschijnt. Wij hebben dus in de euritmische bewegingen in de ruimte verbonden tijdskwaliteit, die doordrongen is van het geestes-zielewezen. Dat maakt euritmie tot een kunst, die de brug kan vormen tot de gestorvenen.

Rudolf Steiner noemt de euritmie als kunst een initiatie-impuls. In deze zin wordt dagelijks gewerkt aan de transsubstantiatie van het woord door de euritmie. Wij beschouwen het als onze opgave voor dit werk een omhulling te scheppen zowel materieel als ook spiritueel.

(W.BarFod in Mededelingen Avin, nr.10, 1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

285-269

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e Klas – herfstspelletje

.

Dit spelletje van Udo de Haes, in Zonnegeheimen deel 4, heb ik vaak gespeeld met een 2e klas.

Met wat crêpepapieren hesjes verkleedde ik de kinderen in bladeren (groen/bruin en daaronder geel/rood), bomen (groen), wind (rood), zon (geel, met kroontje). Je kunt op de hesjes van de bladeren ook echte bladeren nieten, maar dan moet je ze eerst goed gedroogd hebben, anders drogen ze krullend op en gaan ze  snel stuk. Je kunt ook wachten met de echte bladeren tot je dit spelletje opvoert voor anderen.

Hier en daar is de taal wat ‘ouderwets’: bladers gebruiken we toch niet; ook ‘gij’ ; ‘blinkt’ de zon? Ik vind ‘stralen’ mooier, enz. Je kunt e.e.a. natuurlijk altijd naar eigen wens en inzicht aanpassen.

De muziek is voor een 2e klas moeilijk; ik moest altijd wel meezingen. Als je ondersteunend mee moet zingen, doe het dan niet te luid, want dan zingen de kinderen helemaal niet meer mee.

GEEL EN GOUD

Een herfstspelletje voor kinderen tot 9 jaar.

spelers: de zon, de wind, bladeren, enkele bomen, kinderen.

De spelers komen op in een lange stoet en zingen:

Allen:

Michaël herfstspel 1

(Dan gaat de zon aan de hemel staan stralen (het kind dat de zon voorstelt, gaat b.v. boven op een tafel staan); de wind legt zich ergens op de loer, de bomen gaan te midden van de bladeren staan, die zich met één hand aan hen vasthouden; de „kinde­ren’ ‘ stellen zich opzij in een koor op).

Kinderen, bladeren en bomen spreken (terwijl de bla­deren het licht van de zon opvangen):

Heel de wereld blij gemoed
Drinkt de warme zonnegloed;
Wie op aard kan droevig zijn
In deez’ lichte zonneschijn?
Heerlijk wiegen zich in droom
De groene blaad’ren aan de boom.

Kinderen:

O bladers met uw groen gezicht.
Wat doet gij met dat zonnelicht?
Zijt gij tot dromen slechts geboren?
Zo gaat dat zonnelicht verloren!

Bladeren (wevende bewegingen makende):
O mensenkindren groot en sterk.
Ook blaadjes doen hun levenswerk.
Hun kleine handjes teer en fijn
Weven goud uit zonneschijn.

(De wind doet zich horen en vliegt voorbij; de bla­deren schommelen heen en weer).

Bladeren, bomen en kinderen:
Huuuuu ……… !

Wie blaast zo wild daar over ’t veld?
Wij rillen voor dat ruw geweld!

(De wind komt dichterbij; de bladeren wapperen angstig dooreen).

Kinderen:

O bladers. bladers opgepast!
Houdt stevig j’aan de takken vast!

Bladeren (met moeite zich vasthoudend):

Het is de wind, die wilde klant,
Die blaast de zomer uit het land!
(De wind loeit en rukt aan de bladeren).
Ga weg! — jij ruwe ruige wind!
Elk blad is toch een zonnekind!
Ons levenswerk is niet volbracht,
Beteugel toch die wilde kracht!

(De wind kan de bladeren nog niet afrukken en verdwijnt.)

Bomen:

De wind is wild door ’t woud gesneld.
Hij heeft verspild zijn woest geweld
En ieder blad in ’t ganse land
Neemt fluks zijn gouddraad weer ter hand
En zie: bij ’t einde van zijn leven
Is al het licht tot goud geweven!

(De bladeren werpen hun groene huid af en prijken in hun rode en gele gewaden).

Nu komt gelokt door ’t glanzend goud
De jeugd al zingend door het woud.

(De kinderen trekken zingend hand aan hand door het bos)

Kinderen:

Michaël herfstspel 2

Zon (tot de wind):

Nu hoort uw werk. gij wilde wind:
Waait ijlings naar mijn aardekind.
Naar ’t goud, dat straalt uit heg en kruid
En strooi het in de wereld uit!

(De wind komt opnieuw aangewaaid en strooit de bladeren rond. De kinderen dansen met de bladeren in een kring om de zon heen en allen, behalve de zon en de wind zingen):

Michaël herfstspel 3

(Dit liedje wordt één of meerdere malen herhaald en bij het afgaan zingen ook de zon en de wind mee).

.

Over de herfst in: jaarfeestenalle artikelen

2e klas: alle artikelen

.

284-268

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (33)

.

MICHAËLSTIJD  

Nu de zon het hoogtepunt van haar baan reeds voorbij is en de dagen korter en korter worden, is in de natuur de groei tot staan gekomen. Bloemen verwelken, bladeren beginnen geel te worden en te verdorren. We gaan ons voorbereiden op de komende winter. Kale bomen, dieren in winterslaap. Het land ligt koud en verlaten.

Dan komt het voorjaar. Het leven opent zich weer, de dieren komen weer terug, we zien broedende vogels en bloeiende bloemen. We kunnen er weer volop van genieten. Hierna volgt de volle warme zomer waarin alles zich vol kan ontplooien. Zo zeer dat het leven als het ware in de lucht hangt – boven de aarde zweeft. Dit weer gevolgd door zijn voltooiing. Rijpe vruchten, rijpe zaden, koren dat gemaaid wordt. Het leven wordt samengebald in deze vruchten en keert weer terug naar de aarde.
We denken daarbij aan vallend fruit in een boomgaard en aan het geritsel en geplof van eikels, kastanjes en beukennootjes in het bos. We zien het wonder van vrucht en zaad en in het zaad zit de kiem van het leven verborgen.
Herfst: grijze luchten, wilde winden en koude regenvlagen. Het in de zomer zo verwelkomde leven gaat ons weer verlaten. De mens blijft verlaten en eenzaam over.
Gelukkig staat aan het eind van september het beeld van Sint-Michaël. Sint-Michaël de dappere, verheven strijder tegen de draak. Hieruit kunnen we de moed putten om ons te wapenen tegen het najaar, de winter in te gaan, te durven.

Een voorjaarsregentje snuif je op, kun je lachend en blij tegemoet gaan.

Bij regenvlagen van het najaar steek je je handen in je zakken en bibber je soms van de kou. Je komt je warme huis in en geniet van de warmte.

Een beeld van een voor de hand liggende inkeer.
Ieder mens leeft met de keuze tussen goed en kwaad en
ook hier doemt juist in deze tijd de helpende Michaël op.
De blik gericht op de toekomst.

Kijken we in de toekomst dan kunnen wij onze blik richten
op het naderende kerstfeest.

.

(Madeline van Gilst, geen nadere gegevens)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

281-266

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (32)

.

HEMEL, HEL EN MICHAËL

Wanneer je iets koopt in een winkel, vraagt de verkoopster: ‘Is het voor een cadeautje?’ Als je dan ‘ja’ zegt, wordt het verkochte in een mooi papiertje verpakt en gaat er een lintje om of komt er een bloemetje op. Zeg je: ‘Nee, het is voor mïjzelf’, dan krijg je het in een grauw papier of in een reclamezakje. Men gaat er dus altijd vanuit dat een mens zichzelf nooit iets cadeau doet, dat voor een geschenk de verpakking belangrijk is, maar dat de verpakking van iets jouzelf niets kan schelen. We leven immers in een wegwerpmaatschappij! Je krijgt soms de indruk, dat de wereld voor het allergrootste deel uit verpakkingsmateriaal bestaat. En dat niet alleen in de letterlijke zin!
Wanneer je ‘ja’ kunt zeggen tegen het leven en het als een geschenk kunt zien, dan ziet het er heel anders uit dan wanneer je denkt dat het een zware last is of dat het alleen maar een aangelegenheid is voor jezelf. En, afgezien van de inhoud, dus afgezien van het leven zelf, is het voor een mens toch wel be­langrijk in wat voor uiterlijke vorm het hem wordt aangeboden. De uiterlijke vorm is nu nog meestal reclame en grauwheid. Het is maar een geluk, dat de natuur in de schoon­heid van zon en wolkenluchten, de kleurenpracht van haar bloemen en de uitbundige glans van haar groen ons haar leven anders schenkt. Is een sieraad in een roodfluwelen doosje niet beter aanvaardbaar dan in een onooglijk zakje?

Van ons innerlijke leven, het hele jaar door, zijn de jaarfeesten de uiterlijke verpakking. Natuurlijk is er een nauwe relatie tussen verpakking en inhoud. De ver­pakking moet verwachting wekken en de in­houd aantrekkelijker maken. Je zou deze vergelijking kunnen doortrekken tot in de fysica toe: Men ziet de ‘snelheid’ als een functie van ‘weg’ en ‘tijd’. De auto heeft bijvoorbeeld een snelheid van 120 km per uur. We schrijven: V(elocitas) (= snelheid)
120 : 60 = 2 : 1, dat is dus: 2 km per minuut. Maar dat teken, dat ‘is’, is in wezen
hele­maal niet juist. De snelheid is geen resultaat van de weg en de tijd. De snelheid is er. Wij gaan dat met ons verstand ontleden abstraheren uit wat er in werkelijkheid gebeurt: de ruimte en de tijd. Zonder het rijden van de auto waren tijd en ruimte op dat moment van geen belang. Maar dan was er ook geen snelheid. Snelheden (beter gezegd: de ver­schillen in snelheid) zijn iets reëels in de we­reld. Op zichzelf zijn ruimte en tijd dat niet. Het komt op de beweging aan en juist daar­door kan ik de snelheid zelf niet meten. De ruimte meet ik door landmeting of met een duimstok en de tijd met een horloge. Dank­zij die gegevens kan ik de snelheid bepalen en in cijfers uitdrukken. Als de auto zich niet voortbewoog had ik niets aan de kilome­terpaaltjes en mijn chronometer. Je zou dus kunnen zeggen dat de voortbeweging in een bepaalde snelheid de inhoud is, het cadeau, en dat ruimte en tijd de verpakking zijn. Even nauw als de af te leggen weg en de daar­voor benodigde tijd samenhangen met de snelheid van mijn auto, hangen de uiterlijke vieringen van de jaarfeesten samen met mijn innerlijke belevenis.
Nu is er wat betreft de jaarfeesten, waarvan Kerstmis en Sint – Jan, Pasen en het Michaëlsfeest de voornaamste zijn, evenzeer aan de buitenkant als aan de binnenkant, evenzeer in de uiterlijke viering als in de innerlijke belevenis ervan, een enor­me vervlakking opgetreden. Wat is de oorzaak? Men is niet meer in staat om dat wat geestelijk is, wat buiten het be­reik van de zintuigen ligt, als iets concreets te zien. Men houdt het goddelijke in de we­reld voor een abstractie en wat men met de hersenen uit de realiteit abstraheert houdt men voor iets concreets. Er is geen verband meer tussen binnen- en buitenkant.
De vruch­ten en de noten en de bonte herfstbladeren hebben bij de meeste mensen weinig te ma­ken met hun belevenis van de stervende natuur. Doordat de relatie tussen binnen- en buitenkant ontbreekt, kan men aan beide kanten nog maar heel weinig beleven, want de ene kant is vrijwel zinloos zonder de an­dere. En men zal nooit tot die belevenis kun­nen komen, als men niet ziet wat in de we­reld om ons heen werkelijk concreet is. Het komt er in wezen op aan, dat men bij­voorbeeld van Amsterdam in Utrecht komt, niet dat men 30 km in een kwartier aflegt. Wat heeft de mens eraan, dat hij alles afweet van pentatoniek en kwintenstemming, maar niet in staat is met kleuters één liedje te zin­gen? Zolang men het verband ziet tussen bin­nen en buiten, zal men het feit dat kleuters zingen en dat iemand van Amsterdam in Ut­recht komt, als een zuiver persoonlijke aan­gelegenheid beschouwen. Ook kan, zolang men dat verband niet beleeft, de tragiek, dat de aarde onder onze voeten wegsterft, nooit in samenhang worden gebracht met het feit, dat men haar alleen maar ziet als een bolletje materie, dat rondtolt in de ruimte.
En nu komt Michaël met de vraag: wie is eigenlijk die men die dat verband moet leg­gen en die altruïstisch van Amsterdam naar Utrecht moet komen en kleuters moet laten zingen en die het reële van het irreële moet leren scheiden? Michaël zegt: ‘Het is fijn dat het cadeau zo mooi verpakt is, maar voor wie is het eigenlijk bestemd?’ ‘Het gaat om de mens, die zich bewust moet worden, dat hij een bovenzinnelijk wezen is!’

Als in de natuur het leven zich begint te­rug te trekken, als het herfst is
gewor­den, dan ga je jezelf afvragen: ‘Wie ben ik? Wat doe ik hier? Waar ga ik heen?’ Als antwoord houden de kerken ons voor, dat we op aarde zijn om God te dienen en daar­door in de hemel komen. Of, dat we moeten kiezen tussen God en de duivel, tussen hemel en hel, tussen leven en dood. Dan wordt ons geleerd, dat de ziel gered moet worden, als het lichaam sterft. Maar welk geloof kan ons leren, hoe de ziel met het lichaam samen­hangt en hoe zij daarin werkt? En welke we­tenschap laat ons, door de materie heen, het bovenzinnelijke zien? Wie is het die de strijd moet voeren tussen weten en geloof, tussen egoïsme en altruïsme, tussen goed en kwaad? Het is niet waar, dat de mens moet kiezen tussen goed of kwaad, hemel of hel, geloven of weten. Hij moet wetend geloven en gelovig weten. Hij moet leven tussen hemel en hel. Wie kan er voor 100 procent iets goed doen? Wie is ervoor 100 procent fout? Het gaat om de middenweg. Een weg midden-tussen-door kun je alleen maar zelf gaan. Want vroeger werd van buitenaf, door de kerken, door morele wetten, door tradities enzo­voort, aan de mens aangegeven wat goed en wat verkeerd was. Nu is de mens helemaal op zichzelf aangewezen. Het is een moeilijke weg. Maar doordat de mens nu in staat wordt gesteld zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is, komt hij tot zelfbewustzijn. Zowel de wanorde als de orde, zowel de onregelmatig­heden als de regelmaat komen op hem af. Wie stelt orde op eigen zaken? Wie brengt regelmaat in eigen leven? Orde en regelmaat bestaan hierin, dat het werkelijke ik van de mens, dat een geestelijk wezen is, zich ont­wikkelt in harmonie met de geestelijke we­reld, dit is de wereld die buiten het bereik van de zintuigen ligt.

Michaël betekent: ‘Wie is als God?’ Het ant­woord op deze vraag kan alleen de mens ge­ven: ‘Dat ben ik!’ Michaël wijst ons op wat de mens in wezen is. Niet zijn lichaam – dat hééft hij. Niet zijn ‘persona’ – dat is zijn ‘masker’. Niet z’n manieren en vele menin­gen – die zijn hem door opvoeding en milieu bijgebracht. Niet zijn ‘ikke, ikke’ – dat is z’n schaduw. Wat brengt de mens tot dat zelfbe­wustzijn? Dat wat ik alleen maar tegen mij­zelf zeggen kan: ‘ik!’

In deze tijd beleven wij duidelijk twee polen, twee extremen:
1: weg met de materie! Vlucht weg van de aarde! Die biedt alleen maar angst en ellende. Een hel. En hoeveel middelen zijn er tegenwoordig niet om die te ontvluchten? Maar die vlucht is ook een vlucht uit zijn eigen zélf, omdat dan iets anders de mens meevoert.
2: Geen hemel! Een geestelijke wereld bestaat niet of zal voor de mens nooit kenbaar worden! Zelf­zucht, geldzucht, machtstrijd enzovoort, zijn het gevolg. Ook in dat geval is de mens zijn werkelijke zélf vergeten. De evolutie van de mensheid is nu zo ver, dat het werkelijke wezen van de mens ontwaakt. Daarom is het Michaëlsfeest een nieuw feest, een feest voor deze tijd. Een herfstfeest. Wij zien dat milieu en maatschappij neigen naar een herfstige ondergang. Hoe stellen wij ons daar tegenover op? Met Michaëls zwaard.

Het zwaard helpt en beschut. Het kan echter ook verwonden en doden. Maar in de hand van een eerlijk strijder is het in alle sprookjes en in alle mythologieën: de geweldige kracht van zélf te zijn!

Michaël houdt ons de weegschaal voor. Op de ene schaal ons denken, ons hoofd en op de andere ons gevoel, ons hart. Wij moeten nu voor ons zelf gaan afwegen en leren den­ken met ons hart en leren voelen met ons hoofd. Wij moeten trachten evenwicht te brengen tussen ‘koppie, koppie’ en ‘ik voel het zo, dus het is goed’. Wij moeten leren doen, zélf doen! Maar gebeurt het dat de weegschaal zelf wordt weggehaald en de twee schalen naast elkaar gezet. Dan valt er niets meer te wegen. Men kijkt naar de bin­nenkant en de buitenkant, maar vergeet dat, waar het de buiten- en binnenkant van is. Op het gebied van de materie kiest de ene mens voor dit, de andere voor dat: zeer per­soonlijk. Zoveel harten, zoveel zinnen. Op het gebied van het hoofd heerst de abstractie, van de wiskunde. Op dat gebied zijn we het allen samen eens. Zeer onpersoonlijk. De weg die daar tussenin ligt is de weg die Mi­chaël ons wijst en die ons steeds dichter brengt bij de werkelijkheid van ons zelf. En evenals alle andere feesten is ook het Michaëlsfeest een Christusfeest. Want Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij moe­ten proberen waar te zijn tegenover anderen maar ook tegenover ons zelf. Dat is een le­vensweg voor ieder persoonlijk, die ieder gaat op zijn eigen, nieuwe wijze en die toch alle mensen verbindt in één groot streven. Het lichaam beweegt zich langs een weg in de ruimte. De ziel leeft en baant zich een weg in de tijd. De geest van de mens gaat met Christus voort in zijn eigen tempo: de snelheid der eeuwigheid. Dat steeds meer te gaan beseffen is het feestcadeau van Michaël.

(Henk Sweers, Jonas, nr.3, 28-09-1984)
 .

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

280-265

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (31)

.

MICHAËL

Feestvieren is voor buitenstaanders vaak een kenmerk van de vrijescholen, het feesten-kunnen-vieren. Wanneer het “lukt”, zit dat niet in de grondige voorbereiding, en ook vaak niet in een perfect geregelde organisatie, maar er is iets waardoor er het besef van ‘feest’ bij de kinderen ontstaat. Het feesten vieren is ook een opdracht die Rudolf Steiner aan de vrijescholen meegegeven heeft, omdat het momenten in een jeugd kunnen zijn, waar je in een later leven krachten uit kan blijven putten. Dat realise­ren we ons te weinig – de scholen, maar ook de gezinnen – wat een kracht in de kinderziel geplant kan worden door het gemeenschappelijk bewust wil­len vieren van de jaarfeesten.

Bij dat feestvieren wordt er iets vast gelegd (Duits: Fest), de stromende tijdsmomenten van het jaar worden geordend en vastgeklonken aan het ritme van de seizoenen, aan het leven van de aarde. Novalis heeft eens geschre­ven “jedes festlegen verarmt”, een diep waar woord, dat ons niet alleen bij de discussies over het voor en tegen van de vaste paasdatum voor ogen kan staan. Het michaëlsfeest is echter dat feest dat van nature het minst gevaar loopt “vastgelegd” en dus “verarmd” te worden. Er is geen bepaald moment dat “herdacht” kan worden, niet de overwinning op de draak, die immers naar de aardesfeer is verwezen. Er valt de 29e september aan niets terug te denken, alleen vooruit moet men denken. Hoe moeilijk dat is en hoe onbekend wij volwassenen ook met de inhouden van zo’n soort ‘toekomst-feest’ nog zijn, de kinderen blijken hier onze ware helpers. Wanneer het “help ons hier strijden’ klinkt, krachtig en zuiver gezongen, dan tovert de ernst maar ook de zekerheid van de overwinning, de vreugde reeds op hun gezichten.

Een oude Russische legende verhaalt dat toen de schepper de mens geschapen had en er voor hem die uit goddelijke volmacht, zelf nog zonder naam, alle schepselen op aarde een naam zou geven, God de vier aartsengelen Michaël, Gabriël, Raphaël en Uriël riep en hen uitzond naar de vier rijken der we­reld om de naam te zoeken. Van vier sterren vandaan droegen de engelen de heilige letters aan. En God beval de aartsengel Michaël de naam van de mens uit te spreken. Uit hoge geestesmacht noemde Michaël als de stem van God, de naam van de mens: Adam. Zo kreeg de mens door Michaël zijn naam, zijn roeping en zijn bestemming.

Michaël spreekt de naam uit zoals de mens is, bestemd is en dus eens weer zal zijn,  en behoedt dit ongeschonden beeld van de nog niet “gevallen” mens.

En wanneer wij met de woorden van Vondel zingen:

“help ons hier strijden, wil ons bevrijden

dan roepen wij Michaël aan als de eigenlijke bevrijder van het oerbeeld dat elke mens verborgen in zich draagt; dat te bevrijden van drakenmachten is onze taak! En wanneer wij ons voornemen daartoe de wapens op te nemen, dan kan Michaél ons in deze tijd in dit voornemen sterken. Alleen wanneer wij daar zelf aan werken kan deze grotere toekomst-mens geboren worden.

Twee beelden mogen deze verandering die de mens door oefening aan zich­zelf kan bewerken, verduidelijken.

In Vézelay, een klein stadje in Noord Frankrijk, staan op de latei onder het tympaan van de S.-Madeleine de volkeren der aarde in steen afgebeeld. Uiterst rechts het volk ‘met de grote oren’ (groter dan hun hoofden!), d.w.z. dat volk dat door de oefening, de scholing van het gehoorszintuig tot waarneming van het spirituele is gekomen,  dat het waarnemen van de sferenharmonie na de zondeval heeft “terug veroverd”. Dat zijn de mensen die zich in hun daden stalen aan het wapengekletter waarmee de
Michaëlstrijders hun hemelse daden begeleiden en dat voor deze “helderhorenden” opnieuw waarneembaar is geworden. Zo vraagt de zintuigmens er om te worden omgewerkt.

Het andere beeld is uit de Germaanse mythologie. Daar is het Freyr, een uit het oude geslacht der Wanen, die een schip bezit, Skidbladnir genaamd, een wonderlijk vaartuig, dat, wanneer alle zeilen zo klein mogelijk worden opgevouwen, in een noot kan worden opgeborgen, maar wanneer zijn zeilen uitstaan is het even groot als alle ruimten in de wereld.
Waarom de noot? De noot is het beeld van het menselijk hoofd, daarin opgeborgen ligt het menselijke, hersengebonden denken, samengevouwen en klein. Maar wanneer het geoefend wordt, kan het daaruit bevrijd worden, want het bezit de op­dracht werelden te omspannen. Wanneer dit kleine, menselijke denken zich openstelt voor gedachten die van een geestelijke realiteit zijn doortrok­ken, dan oefent het zich, dan openen zich de zeilen en wachten slechts op elke zucht van de wind.

Zo vraagt ook het denken van de mens erom te worden omgewerkt, om los te geraken van hetgeen vast, vertrouwd en versleten is. Michaël impulseert de mens tot daden, maar vooral tot de daad aan zichzelf.
.

Magchiel Matthijsen, vrijeschool Zeist, 01-09-1975)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

279-264

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.