Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (5)

.

ADVENTSKRANS

Kleine adventskrans voor op tafel of bij een kinderbed

Uit triplex een ring zagen: doorsnee cirkel 24 cm, breedte ring 3 cm. In 4 blokjes komt voor de kaarsen een gat* bovenin, de blokjes op de ring lijmen en eventueel van onderaf met een spijkertje vastzetten. Dennengroen met dun ijzerdraad of rood lint vastbinden.

*om brandgevaar te verminderen – het staat ook mooi! in het gat een stukje koperbuis dat iets boven het blokje uitsteekt. (phaw)

Hangende adventkrans
De hoepel van deze adventkrans is van dik ijzerdraad gemaakt, dat enige malen rond gelegd is, en daarna met dunner IJzerdraad omwonden wordt. Tijdens het omwinden 4 kaarsenhou­ders (uit ijzerdraad gevormd of kant en klaar in de winkel gekocht) stevig vastzetten.
Sparrengroen met dun ijzerdraad of lint vastbinden, de krans aan vier lin­ten ophangen.
Bewaar het geraamte voor volgend jaar!

(Jonas 6, 21 – 11- 1975)

 

adventskrans – grotere uitvoering
Je kunt jezelf ( en de helpende ouders!) veel ongemak ( en onvrede) besparen, wanneer je een ‘eeuwigdurende’ adventskrans maakt. Van ijzerdraad maken – zie boven – vind ik niet zo’n goed idee, omdat de krans nooit echt mooi rond te krijgen is; bovendien is het heel moeilijk de kaarsenhoudertjes precies rechtop te laten staan, wat wel zo mooi is en geen gedrup van kaarsvet geeft.

De slimste oplossing die ik ken is een fietswiel zonder spaken. Je hebt ze in verschillende maten en er is allicht wel gratis aan te komen.
De gaatjes van de spaken maken het mogelijk dat je de krans helemaal (waterpas) recht kan laten hangen. Aan de uiteinden van de 2 even lange linten bevestig je haakjes die in de spaakgaatjes passen.

Wanneer je nu 4 blokjes maakt die je aan één kant even rond zaagt als de curve van het wiel, kun je deze met een schroefje door het spaakgat goed vastzetten. Neem het blokje zo groot dat het gat voor de kaars er goed in kan en zet hierin een stukje koperbuis dat er even bovenuit steekt, zodat de brandende kaars nooit bij het blokje kan komen. Wanneer het groen goed om het wiel wordt gewonden, zie je van het ijzeren wiel niets meer.

aansteekstok met dover
Het aansteken van de kaarsen moet een ‘plechtig’ ogenblik zijn. Ik weet niet anders of de kinderen zitten vol aandacht te kijken hoe in de donkere zaal de kaars(en) meer licht brengen.
Het aansteken met lucifers verstoort meestal het beeld. Wanneer je 4 kaarsen moet aansteken, lukt dat met een kleinere lucifer niet, dus moet er nog eens worden aangeschrapt. Vaak gaat het vlammetje ook weer uit, wat meestal tot een zekere hilariteit leidt. Voor dit aandachtsmoment niet zo gunstig.

Neem een rondhout van ongeveer 1 m of iets korter. (doorsnede 12 mm. Zaag met de gatenzaag een rondje van ongeveer 6 cm uit wat dikker triplex. Rasp het middengat iets uit, zodat het rondhout er nauwsluitend inpast, lijm het extra vast op 2 cm van de bovenkant van het rondhout. Maak een koperen buisje (12 mm) en bevestig dit over deze 2 cm heen (lijm) zodat het op het ronde stukje triplex rust. Het kan een cm. of 6 à 7 lang zijn. Neem een kaarsje dat er goed stevig in bevestigd kan worden – meestal door het iets te slijpen. Wind om het stokje een blauw lint, een beetje diagonaal van boven naar onder en bevestig bovenaan, niet zo hoog als het kaarsje, een takje dennengroen.

Hiermee kunnen ook kinderen de kaarsen in de grote krans aansteken – als leerkracht hoef je alleen maar het stokje een beetje te ondersteunen, zodat de vlam het groen niet raak, om de kaars te doen ontsteken.

ZORG DAT JE VAN TE VOREN HET LONTJE VAN DE KAARS GOED RECHTOP HEBT GEZET – niet van te voren aansteken, dat is lelijk.

Met zo ’n stokje voorkom je dat het aansteken op allerlei minder fraaie en heel vaak ingewikkelder manieren moet gebeuren die het beeld niet ten goede komen.

Het doven van de kaarsen vraagt m.i. ook om een mooi gebaar. Dat vind ik het uitblazen ‘van afstand’ allerminst. Nog minder het ‘uitknijpen’.

Met bovengenoemd stokje is het mooier te doen: bevestig onderaan een dovertje.

Met een kleinere uitvoering kan de engel uit het kerstspel bv. de kerstboomkaarsen op het toneel aansteken en na het spel weer één voor één doven.

Wanneer het gewoonte is dat een kind van iedere klas het licht van de grote krans mee mag nemen naar de krans in de klas, bewijst zo’n aansteekstok zijn waarde.
Wanneer je het stokje in een hoek neerzet, breekt meestal het kaarsje. Je kunt het dus het beste ergens voorzichtig neerleggen.

 

(phaw)

 

adventskalender
Het geheel uit stevig goudkarton knip­pen. De zijflappen naar achteren bui­gen. Achter het middenstuk wit tran­sparant papier plakken, de deuren en luikjes — in totaal 28 — daarna voor­zichtig opensnijden. Op het witte tran­sparantpapier achter elk luikje van ge­kleurd zijdevloei of vliegerpapier klei­ne voorstellingen plakken, bijvoor­beeld engeltjes, sterren, sneeuwkristal­len enz. Achter het grote luik in het midden: Maria en Jozef. Als er een kaars achter de kalender staat wordt alles doorlicht.
Het is ook mogelijk be­staande of zelf getekende plaatjes ach­ter de luikjes te plakken. Omdat Kerstmis niet altijd op dezelf­de dag valt, varieert de adventstijd in lengte, zodat af en toe met een luikje ‘gesmokkeld’ moet worden.
advent 2

adventskalender

tekeningetjes voor achter de luikjes

(Jonas 6, 21 – 11- 1975)

 

ADVENTSKALENDER
Vooral voor kleine kinderen kunnen we hiermee de tijd zichtbaar maken, de adventstijd krijgt een tastbare gestalte: nog zoveel trapjes en het is kerstfeest!

Hieronder twee voorbeelden van een kalender.

– Uit een groot vel tekenkarton onderaan een grote poort snijden. Om de deur te kunnen sluiten, op een ervan een reepje met een lipje eraan, op de ander een reepje, aan de uiteinden vastgeplakt, zodat het lipje van de andere deur er­door getrokken kan worden. Achter de deuropening een klein vel te­kennapier plakken, waarop het kerstge­beuren getekend of geschilderd staat (of een transparant ervan!) Boven de poort 28 gleufjes maken of zoveel als er dagen komen tot het kerstfeest is. Een kerstster knippen uit tekenkarton of goudpapier, aan de achterkant een reepje om de ster mee in de gleufjes te steken. Elke dag komt de ster nu een stukje dichter bij de stal. De hele voorkant van de kalender wordt beschilderd met stal of grot, hemel en sterren.

kerst adventskalender

Een andere manier:
Uit een stevig vel karton voorzichtig 28 luikjes opensnijden en openvouwen, zodat ze ook weer dicht kunnen. Een groot luik in het midden maken. Achter het vel karton een vel mooi dun papier plakken van dezelfde grootte. Nu wordt achter elk luikje wat geplakt of getekend:  een ster, een bloemetje, een ijskristal, elke dag wat anders. Als het kerstfeest is, zijn alle kleine luikjes open en gaat de grote open:  daar is het hele kerstgebeuren op te zien.

Hetzelfde idee is ook om 28 lucifersdoosjes op elkaar te plakken, of aan een koord, waarvan er elke dag eentje open mag. Daar komt dan steeds een kleine verrassing uit :  een mooi steentje, een schelp, een knikker, een bolletje bijenwas,  een sterretje, een gedroogd bloemetje enz.

(Bep Kroeze, nadere gegevens onbekend)

 

adventsstok
De engeltjes worden gemaakt van lontwol of kamband (gekaarde strengen schapenwol), goudkleurige raffia en goudfolie.
Voor het lijfje een stukje kamband van ca. 20 cm in het midden afbinden met raffia; dubbelklappen en voor de armen een plukje van ca. 9 cm aan de uiteinden afbinden en tussen de twee lagen van het lijfje leggen. Op ca. 2 cm van bovenaf de hals afbinden.
Vleugeltjes uit goudfolie, vouw het dubbel, teken een vleugel tegen de vouw , zodat de vleugels in het midden met elkaar verbonden zijn en knip het uit. De vleugels aan de rug vastbinden. Hang de engeltjes tegenover elkaar aan een stukje gebogen ijzerdraad. Tussen de engeltjes hangt een halve walnotendop met daarin het kindje, gemaakt van een plukje wol of een stukje bijenwas, in een wollen bedje.
De middenlat van ca. 60 cm lang, is blauw geverfd en heeft 28 gaatjes, schuin naar onder ingeboord. Op ca. 2cm van elkaar. Op ieder gaatje is een sterretje geschilderd. Een haakje van ijzerdraad van ca. 6 cm zorgt ervoor dat de engeltjes vrij van de lat hangen. In het midden van het gebogen stukje ijzerdraad, waaraan de engeltjes hangen, een lusje vastknopen, dat met lijm vastgezet wordt. Dit lusje ook met lijm aan het haakje vastzetten. Een ster van goudfolie, zo groot als de ster boven aan de lat met een paar tipjes lijm tussen de engeltjes bevestigen.

De adventsstok kun je boven het stalletje hangen. Iedere dag komt het kindje een sterretje dichterbij.

advent stok

Madeleine Wulff en Imke Abma, Jonas 7,28-11-1980

 

advent kalender engel

Godelieve van Gemen en Henriëtte Worst, Jonas 7, 1 dec.1978

advent jurk

Jonas 7, 3 de.1976

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

321-301

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (4)

.

ADVENT

Advent: dat wat komt. Er komt je iets tege­moet. Wat doe je dan? Afwachten tot de ontmoeting plaatsvindt? Als we een gast ver­wachten, proberen we hem zo goed moge­lijk te ontvangen. We bereiden ons voor op zijn komst. Zo geeft de adventstijd ons de mogelijkheid ons voor te bereiden op het kerstfeest.

Hoe geven we vorm aan die voorbereidings­tijd? Ja, zoiets krijg je nu eenmaal niet cadeau: je moet er zelf vorm aan geven, een gestalte scheppen, zichtbaar en beleefbaar voor het gezin, voor allen die het meemaken. En als het je lukt om iets van een ceremoniële handeling in te zetten in alle ernst en rust — dan vraagt het kind vanzelf om herhaling, en de traditie is geboren.
Je hebt als moeder de verrukkelijke vrijheid om iets in te zetten, dat kan worden tot een goede en vaste ge­woonte. Het geeft de kinderen en de moeder houvast. Temidden van de sintnicolaasvoorbereidingen proberen we nu met aan­dacht de adventstijd in te zetten. Als er nog geen ‘traditie’ is om op te bouwen, begin dan voorzichtig. Ieder jaar groeit er vanzelf iets bij.

Dit jaar* valt de eerste adventszondag op 30 november. Lukt het niet om dan de advents­krans klaar te krijgen, zet dan in ieder geval vier mooie kaarsen in een kring op tafel met wat sparrengroen ertussen. De eerste adventskaars wordt met aandacht ontstoken. Het stille branden van die ene kaars wil ons een teken zijn, een voorteken van het grote stralende licht, dat geboren wordt in de midwinternacht.
Wat kan je nog meer doen, om de vier ad­ventszondagen een apart karakter te geven? Je kunt een passend verhaal zoeken, je kunt met elkaar zingen of instrumentaal muziek maken. Je kunt gaan knutselen en je kan ’s avonds naar de stand van de sterren gaan kijken. Het kan allemaal, maar ieder moet voor zichzelf aftasten wat binnen de eigen mogelijkheden ligt. Laat je niet ontmoedigen door de vele mogelijkheden. Probeer enkele dingen goed doordacht en voorbereid te han­teren.

Evenals de adventskrans is ook de adventskalender een goede ‘traditie’, als je het met aandacht hanteert. En dat doe je vanzelf als je hem zelf maakt. Kinderen, vooral jonge kinderen, kunnen zich nog niet oriënteren in de tijd. De adventskalender maakt de tijd zichtbaar. De adventstijd krijgt een tastbare gestalte. De kinderen weten nu, wanneer het kerstmis is: ‘als de grote luiken open gaan.’

Zondagmorgen heel vroeg. Stil is het overal nog, als ik naar beneden ga. Het is of het hele huis ademt in een rustige slaap. Ergens kraait een haan. Een tweede geeft antwoord. Buiten hangt een grijze schemer tussen de bomen. Het nachtelijk donker wijkt steeds later voor het licht van de dag. Even de achterdeur open doen en de koele ochtendlucht opsnuiven. Wat ruikt alles heerlijk fris en vol mogelijkheden! Op het bospad staan zwijgend de hoge beukenbo­men. Het is of zij roerloos wachten op iets dat komen gaat.

Ik snuif nog eens. Het tintelt tot in mijn vin­gers, en ik verheug mij op de stralende ogen van de kinderen, die ik een verrassing ga be­reiden.

In de keuken staat een blad klaar met één grote brandende kaars erop; een bordje met beschuiten, waar de honing vanaf druipt en vier notendopjes, vastgezet op een stukje bij­enwas. In iedere notendop staat een kleine mariafiguur, van rode en blauwe bijenwas gevormd. Met het blad in mijn handen loop ik de trap op :

‘Het komt een schip geladen,
tot aan het hoogste boord.
Maria houdt het roeder,
die engel stuurt het voort 

Boven op de slaapkamers zitten de kinderen rechtop in bed, in gespannen verwachting.
Ieder krijgt zijn notendopscheepje en een knapperige beschuit met honing.

“Nu is het Advent, hè mam!’

Hun glanzende ogen kijken mij aan.

(Marieke Anschütz, Jonas 6, *21-11-1975)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

320-300

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (16)

.

Sint-Marte, Martijn, Sintre-Martre, Sinte- Marteus, Sintermerte, Sint-Maarten, Sint- Martinus

Tja, dat zijn heel wat namen voor één persoon. Sint-Martinus.
Wie is Sint-Martinus? We weten dat hij tussen 316 – 400 leefde. Hij was bisschop van Tours in het rijk der Franken. Zijn vader was officier hij het Romeinse leger.
Het was in de zeer strenge winter van het jaar 332 dat Martinus een
be­langrijke daad verrichtte. Het was aan de stadspoort van Amiens dat Martinus als jong krijgsman, een halfnaakte door de kou bevangen bedelaar trof. Martinus trok zijn zwaard en sneed zijn mantel doormidden, en gaf een helft aan de verkleumde bedelaar. Hij bedekte zichzelf zo goed mogelijk met de andere helft.
Diezelfde nacht zag hij in zijn slaap Christus, bekleed met de ene mantel­helft, die hij aan de bedelaar had gegeven.
Christus sprak: “Zie Martinus, hoewel nog catechumeen (leerling in de catechese) heeft mij met dit kleed bekleed”.

Deze droom veranderde plotsklaps het leven van Martinus. Hij nam ontslag uit het leger om zich volledig aan het christendom te wijden.

Toen de Franken in de 5e eeuw hun bekeringstochten buiten Gallië uitstrekten, verschenen zij ook in ons land, als vreemde veroveraars uit het zuiden.
In Utrecht stichtten zij de eerste Martinuskerk. Later zijn door het hele land kerken aan hem gewijd, tot hier in Friesland, zoals in Dokkum, Sneek en de grote Martinuskerk in Bolsward.

Zowel de grote verering, als ook de oude volksrijmen en gebruiken op Sint-Maarten zijn erg uitgebreid. Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken zijn het uithollen van koolrapen, suikerbiet of wortel. Hierin wordt een brandend kaarsje geplaatst, en daarmee wordt onder het zingen van liederen een ommegang gehouden.

Bezien we de spirituele kant van dit feest, dan zien we dat nieuwjaarsdag, 1 januari, alleen maar het begin van een nieuwe telling is. Bij de Romeinen ving het jaar op 1 maart aan, bij de Germanen het begin van de jachttijd half november. De katholieke kerk begint het jaar met advent. De kalender en de klok geven niet de werkelijke tijd aan.

Het werkelijke feestjaar dat we innerlijk willen beleven, begint met de
voor­bereiding van het kerstfeest.

De natuur sterft af, de oogst is binnen, de winter nadert voelbaar en zicht­baar. Met de strijd tussen onszelf en onze mislukkingen en tussen Michaël en de draak is het oude feestjaar afgesloten. De strijd wordt beëindigd met een overwinning, behaald door onszelf. De oogst van het leven en de verinnerlijking van onze ziel, waarin Christus steeds opnieuw geboren moet worden. Sint-Maarten hakt zijn krijgsmantel in tweeën, het snijdende zwaard is het flitsende moment. De mantel des tijds wordt gesplitst in verleden en toekomst. Het verleden blijft voor onszelf, dat is alles wat we in onze ziel hebben geschreven.

De toekomst is alles wat we in het nieuwe jaar te verwachten hebben. Sint-Maarten is dus het symbool voor ons betere ik, ons eigen zelf. Het zwaard is het heden, dat in onze eigen hand is gelegd, waarin we zelf kunnen handelen en werken.

Sint-Maarten is dus een voorbereiding op het midwinterfeest. Het feest van de geboorte van Christus.

Van oudsher hoort bij iedere voorbereiding voor de zondag of feestdag een ommegang. Zo ook de nieuwjaarsommegang, het lopen met de sintmaartenlicht­jes. De kinderen gaan langs de deuren met hun lampionnen of hun uitgeholde koolraap of wortel. Ze zingen daarbij de sintmaartenversjes. De volwassenen doen niet mee. Als u het weer wilt leren, probeer dan dit lied met de kinderen mee te zingen:

Sint Martinusbisschop,
roem van alle landen enz.

(nadere gegevens onbekend)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

319-299

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (15)

.

SINT-MAARTEN

Ik loop met mijn lantaarn,
lantaarn loop met mij!
Daarboven stralen de sterren,
beneden stralen wij…”

Zo zingend zullen de kinderen de 11e november weer door de straten trekken, in de vroege duisternis van de avond, om het Sint-Maartensfeest te vieren, terwijl zij hun kaarsvlammetje in het zelfgemaakte lampje proberen te be­schermen tegen de herfstige vlagen van regen en wind.

Na de overvloed van noten en vruchten en de warme kleuren en kruidige
geu­ren die het Michaëlsfeest altijd zo’n glans geven, is het dan kaal geworden buiten en sinds de herfstevening geeft de dag steeds meer van haar licht prijs en de nacht breidt haar donkerte uit. Als iedereen dan thuis is, ach­ter gesloten deuren en vensters, wordt er gezongen buiten in de avond. Hoort u het? Opent u de deur? Wilt u anderen mee laten delen van de door u vergaarde oogst?
De historische ridder Martinus, die eens terugkerend van de strijd,  zijn mantel als laatste bezit deelde met een bedelaar, vernam later in een droom dat het Christus geweest was aan wie hij medelijden had getoond.

Als wij terugdenken aan de tijd dat de heilige Sint-Maarten leefde, weten we dat er zich talloze bedelaars en vagebonden langs de wegen bevonden. Zij groepten samen bij de kerkdeur en wie wat over had, wist zich verzekerd van een goede daad, wanneer hij deze misdeelden iets toeschoof.

Maarten, zelf berooid, was niet genoodzaakt te geven – wat hij geven kon, had hij reeds weggeschonken. Was het niet zinloos meer te blijven geven zonder de bestaande nood te kunnen lenigen?
Hij gaf toch: het kleed dat zijn ge­stalte omhulde, deelde hij met de mens, die hij in het erbarmelijk voorkomen van de bedelaar herkende – daar leefde verlangen, een zelfde zielenglans als in zijn eigen innerlijk. Had hij dan recht op meer? Hij deelde en zo kleed­de hij twee.

In al zijn beelden duidt het Sint-Maartensfeest op het eigen innerlijke licht, dat als afstraling van het kosmische licht, voorzichtig en flakkerend in de mens merkbaar wil worden. Belaagd door vlagen van onrust en gejaagd­heid is het vaak moeilijk herkenbaar door de onvolmaaktheid van het mense­lijk wezen.

Is het niet zo, dat we pas echt de vreugde leren kennen,  die het warme licht­schijnsel geeft door de doffe, massieve wand van de kool heen, wanneer we zelf de moeite en beproevingen hebben doorstaan bij het uithollen van de vrucht tot maartenslampje?
Zo wacht elk van onze medemensen erop dat we zijn eigen zelfveroverde zielenlicht vanuit onze zelfkennis met mildheid kunnen herkennen en met hem de warmte van onze eigen liefde willen delen.

(H.A.L. Matthijsen-Kelder, vrijeschool Zeist, okt. 1974)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

317-297

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (14)

.

UIT DE KLEUTERKLASSEN

Toen de herfst begon met bliksem en donder, hadden wij ons Michaëlsfeest. Wij zongen van Michaël, smeedden het ijzer in ons spel, en hadden een gezellige fruitmaaltijd. Verrassend was het voor de kinderen te zien hoe in iedere appel of peer een klein sterretje verborgen zit, het smaakte daardoor veel lekkerder.

Verder gaan we de herfst in; de boer heeft alles geoogst, als laatste nu ook de wortelen, knollen en aardappelen. Bloemen, planten en bomen laten hun kleurige blaad­jes vallen, zo is de aarde bedekt met een warm kleed. Alle kleine diertjes trekken zich in de aarde terug. Het wordt steeds donkerder – de winter nadert.

Dan komt aan het begin van de winter ons  St.-Maartensfeest: knollen en wortelen wor­den uitgehold om er lantarens van te maken. Met een lichtje erin zie je pas goed, hoe ook in deze aardvruchten het zonlicht verborgen zit. Dit is ons eerste kleine lichtje aan het begin van de wintertijd. Met onze lantarens lopen we buiten in regen en storm, zingend van St.-Maarten:

Sint-Martinus Bisschop,
Roem uit alle landen;
Dat vrij hier met lichtjes lopen
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijk man,
Die ons best wat geven kan:
Geef mij  ’n appel of een peer,
Wij komen het hele jaar niet meer.
God zal hem lonen
Met honderdduizend kronen,
Met honderdduizend lichtjes aan:
Hier komt Sint-Martinus aan.

Lang geleden leefde Sint-Maarten. Hij was een weldoener – alles wat hij bezat gaf hij weg aan zieken en armen. Vooral tegen de winter vroeg hij bij de rijken om een aalmoes voor de armen. Op 11 november, de dag dat Sint-Maarten gestorven was en naar zijn graf gedragen werd, bloeiden overal bloemen langs de weg.

Een paar weken na St.-Maarten begint de adventtijd; nog donkerder is het nu geworden; wij zijn dan ook helemaal “ons huisje” binnen gegaan, en bereiden ons voor op Kerstmis met z’n grote licht.
De eerste adventmorgen beginnen wij met een adventtuin, gemaakt van mos en dennengroen; daarin staan de rode appeltjes met één kaarsje erin. In het midden van de tuin staat een grote, kaars. De kinderen steken nu één voor één hun eigen kaarsje bij deze grote kaars aan: hun eerste kaarsje van advent, dat nemen zij mee naar huis. In de klas hangt ook de krans van dennengroen met vier kaarsen, voor iedere adventweek een licht: als de vier kaarsen branden, dan is het Kerstfeest gekomen.

(nadere gegevens niet bekend)

.

Sint-Maarten: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Maarten

meer liedjes

meer pompoenen e.d.

.

316-296

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (13)

.

SINT-MAARTEN, EEN VOLKSGEBRUIK?

De bevolking van Noord-Europa d.w.z. Duitsland, Engeland, Nederland, België, Frankrijk, Scandinavië zijn afstammelingen van hoofdzakelijk Germaanse stammen. Lange tijd heeft men aangenomen dat in deze streken voor de komst van de Romei­nen hier slechts wilde barbaren woonden, die wars waren van godsdienstvormen, riten, of inwijdingsmysteriën. Langzamerhand be­gint men nu godsdienstvormen te ontdekken die vergeleken kunnen worden met de my­steriën van andere oudere volkeren en hun daarmee verbandhoudende inwijdingsri­ten. De inwijdingsmysteriën hielden met een bepaalde godheid verband, bij de Ger­manen was dat Wodan (of Odin). Voor mensen in deze tijd is het moeilijk zich in te denken in de religieuze gedachtegang van onze voorvaderen, alleen al omdat hun
op­vatting van de wereld een andere was dan de tegenwoordige. Men beleefde de wereld als een grote platte schijf met daaronder de onderwereld, die vrijelijk door levende mensen betreden kon worden.
In de oude mythen uit die tijd wordt Wodan beschre­ven als een grote oude man met een grijze baard. Hij heeft één oog, draagt soms een hoed met een brede rand, gaat barrevoets en draagt een ruwe blauwe mantel. Uit deze mythen blijkt dat Wodan als een ge­woon mens zichtbaar is voor stervelingen. Eén van de bijnamen van Wodan is Man­telman. Uit sproken en legenden weten wij wat voor een belangrijke plaats de mantel inneemt. In de legende van St.-Maarten wordt de aandacht even sterk op de man­tel gericht als in de heidense tijd op die van Wodan. Mogelijkerwijs zijn daardoor vele gebruiken die met Wodan samenhin­gen later samen gevoegd met het verhaal van St.-Maarten.

Iedereen kent natuurlijk de legende van St.-Maarten, van de ridder die op een win­teravond door de stegen van Amiëns rijdt. Hij ontmoet een bedelaar die nauwelijks tegen de kou gekleed is. Met zijn zwaard deelt Maarten zijn mantel in tweeën en geeft de ene helft aan de bedelaar.

’s Nachts heeft hij dan een droom waarin God zijn engelen vertelt dat Maarten Hem gekleed heeft. De gebruiken die later op 11 november in samenhang met St.-Maar­ten gebracht werden, zijn in zoverre merk­waardig dat zij niet direct verband houden met de legende.

Wodan reed vaak op een schimmel en was aanvoerder van het Dodenheer (leger). Het Dodenheer bestond o.a. uit gesneuvelden die zich in hun leven al, uit vrije wil aan Wodan gewijd hadden. Maar ook levende mensen konden een bezoek aan de onder­wereld brengen. Het Dodenheer ging ver­gezeld van geraas en gejoel. Een oude man, de getrouwe Eckhard, ging vooruit om de mensen te waarschuwen, om opzij te gaan en het wilde Heer vrij doorgang te ver­lenen. Het wilde Heer werd volgens me­dedelingen het meest gezien in de tijd van­af ± 11 nov. t/m 6 jan., data die ook samenhangen met twee van de drie grote feesten, die aan Wodan opgedragen waren. Het eerste feest was in het begin van de winter (nu St.-Maarten), het tweede het midwinterfeest (het Julfeest met de 12 hei­lige nachten van 25 dec. tot 6 jan.) en het derde feest in de zomer (nu St. -Jan). Deze feesten waren gelijk ook inwijdingsfeesten, die veelal gepaard gingen met muziek, ge­raas en gezang waardoor men in een gees­tesvervoering kwam en toegang had tot de dodenwereld.

Na de kerstening hielden de Germanen nog vast aan vele oude heidense gebrui­ken. De kerk trachtte hiervoor christelijke denkbeelden in de plaats te stellen en de oude gebruiken om te vormen tot christe­lijke of te verbieden. Hierdoor spelen vele Germaanse gebruiken nu nog door de christelijke heen. Veelal zijn ze in de tijd verschoven naar andere data maar zelfs in deze tijd vindt men de sporen nog terug.

Zo was het in het oude Beierse heuvel­land Stiermarken op één dag (nl. 11 nov.) in het jaar het gebruik de wolf te verdrij­ven. Waarschijnlijk hangt dit samen met het oude gebruik de weerwolven te ver­drijven, die vroeger in de Jultijd optraden en door invloed van de kerk naar St.-Maar­ten is verplaatst. In vele verschillende stre­ken van Noord-Europa waren er verschil­lende gebruiken op St.-Maarten. Zoals in Heiligenstadt, waar op St.-Maarten drie maal de kerkklokken ’s avonds werden ge­luid, waarna men met knallende zwepen door de straten liep.

Op het eiland Rüno (Zweden) trokken jonge mannen de meest angstaanjagende kleren aan, waarmee ze door de straten en langs de boerderijen liepen, voorafgegaan door een oude man, die met zijn vioolspel de mensen waarschuwde. In Goten, Wörgel en het beneden-Inndal in Tirol werd met St.-Maarten met koeien- en geiten­bellen geraas gemaakt. De mensen liepen met zwarte gezichten, horens op het hoofd en met bellen behangen de stad rond en men probeerde iedereen die men te pakken kon krijgen zwart te maken. Mogelijk hangt het zwart samen met de onderwereld en het geraas met bellen met Wodan’s heer. In ons eigen land is het gebruik om St.-Maarten te vieren niet overal bekend.
In Ootmarsum werd op St.-Maarten met knot­sen op de luiken geslagen. Op Terschel­ling kleedde men zich in het wit met een krans van late herfstbloemen in het haar, soms droeg men een masker en werden er liederen gezongen terwijl men rondtrok.
In Oost-Friesland gingen de meisjes met de lantaren en de jongens met de rommel­pot rond. In de Zaanstreek en in de omge­ving van Hilversum gingen de meisjes en jongens rond en zongen liedjes en vroegen kleine gaven.

De achtergronden van de gebruiken zijn vaak verloren gegaan. Vaak zakten zij af tot kindergebruiken die alleen in stand ge­houden werden door de vaak aan de ge­bruiken verbonden bedelpartijen.
Op 11 november lopen in grote delen van ons land de kinderen met lantarens, rommel­potten en liedjes langs de deuren, wat sa­men met het verhaal van de heilige bis­schop St.-Maarten een merkwaardig volks­gebruik is geworden.

(Marijke Roetemeijer, Jonas 07-11-1970)

.

Sint-Maartenalle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

315-295

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (12)

.

HET SINT-MAARTENSFEEST

Het Sint-Maartensfeest vind ik altijd een ‘toegiftje’ in de jaarfeestenrij. En niet alleen om zijn plaats, zo vlak voor de eerste adventszondag die het begin van het kerkelijk jaar inluidt: het Sint-Maartensfeest heeft iets eenvoudigs – de traditie ervan is waardevast en vraagt van mij niet veel meer dan er bij stilstaan en ervan te genieten (als je tenminste geen stukje voor Jonas hoeft te schrijven).

Aan een lampion kan je net zo veel of weinig tijd besteden als je zelf wilt.

Een jampotje met stukjes zijdevloei­papier beplakken, dat kunnen de
aller­kleinsten al.
De wat groteren vinden het prachtig met hamer en spijker in een blikje, pa­tronen van gaatjes te slaan. De avond te voren het blikje met water gevuld in het vriesvak zetten, zodat het door het ijs bij het beslaan niet indeukt.
Vanaf de derde klas kunnen de kin­deren zelf het zware werk doen van knollen en wortels uithollen. Erg han­dig hierbij is zo’n  scherp lepeltje voor het maken van pommes parisiennes, en een aardappelmesje om de figuren in de schil uit te snijden.
En ten slotte: middelbare scholieren vinden het leuk hun meetkundekennis in praktijk te brengen bij het ma­ken van de prachtigste lampionnen van gekleurd fotokarton en doorzich­tig boterhampapier. Een precies werk­je, waarbij de passer, lineaal en kartonsnijmesje goed van pas komen.

En dan gaat in al die lantarens het waxinelichtje aan en maakt ze allemaal even mooi.

Een ander leuk idee dat ik van iemand hoorde, was dat elk kind iets lekkers klaarmaakte, al dan niet met moeders hulp. Aan het avondeten had ieder zijn eigen schaal voor zich – toegedekt, want niemand mocht weten wat je ge­maakt had! In het midden stonden de lampionnen, de Sint-Maartenslegende was nog eens overgelezen om bij het eten verteld te kunnen worden. En om de beurt mocht dan ieder het zijne (uit)delen. Een goed en zinvol idee, en ook best uitvoerbaar, leek me.

Een eenvoudig schimmenspel is mis­schien ook te realiseren. Ik heb dat nog nooit gedaan en ervaring ermee ontbreekt me dus. In de poppenkast – open boekenkast of doorgeefluik – moet daartoe uit doorschijnend papier (hier ontbreekt een stukje – de link hierboven verwijst) opgehangen worden. Erachter een sterke lamp. Terwijl je de zelf geteken­de figuurtjes van St.-Maarten op zijn paard met zijn zwaard en de bedelaar vlak tegen het papier laat bewegen (zonder zelf voor de lamp te zitten), vertel je het verhaal. In al zijn kortheid zal het toch grote indruk maken op deze manier en be­halve het kopen van het papier behoeft het geen uitgebreide voorbereiding: terwijl je de zaak klaarzet, tekenen de kinderen de figuren.

Dit zijn wat mogelijkheden om het St.-Maartensfeest praktisch gestalte te ge­ven en het zo daadwerkelijk te vieren. De liederen mogen daarbij niet verge­ten worden-

‘Sint-Maarten bisschop Roem van alle landen Dat wij hier met lichtjes lopen Is voor ons geen schande...

(Lili Chavannes, Jonas nr.5, 02-11-1979)
.

Sint-Maarten: alle artikelen      nr.5: meer over lantaarn maken

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint- Maarten              voorbeelden van lichtjes 

.

314-294

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (6)

.

SINT-NICOLAAS BESTAAT ZOWAAR ALS U ADEMHAALT

‘Ah, vous dirai-je, Maman,
Ce qui cause mon tourment?
Papa veut que je raisonne
Comme une grande personne,
Moi je dis que les bonbons
Valent mieux que la raison.’

(Ah, zal ik u zeggen, mama
Wat mijn kwelling is?
Papa wil, dat ik redeneer
Als een volwassene,
Maar ik beweer, dat de bonbons
Meer waard zijn dan de rede.’)

Dit oude ‘kinderliedje’ uit de tijd van de verlichting, waarin een kind
rede­neert, dat het aan snoepgoed meer waarde toekent dan aan redenaties, was toen een grapje, nu begint het bit­tere werkelijkheid te worden.
De kleu­ter moet gaan leren, dat hij inzicht moet krijgen in rekenen, lezen en schrijven. Binnenkort zullen daar nog wel beginnende kennis der natuur, grondbegrippen der aardrijkskunde en grondvertelsels over koningshuis en vaderland bijkomen. Natuurlijk, slechts voorbereidend, dit wil zeggen met stomme, kinderachtige prietpraat en oervervelende, door domme geleer­den uitgedachte kijk-grijp-spelletjes.
De vriend van de gehele mensheid, Sint-Nicolaas, is van dit kortzichtige intellect reeds lang het slachtoffer ge­worden. Niet alleen commercieel winstbejag heeft hem dood vermoord, maar ook intellectueel waarheidsfanatisme heeft het heilige kapot verbrij­zeld.

. . . Dertig kleuters hebben ademloos naar een spannend sprookje over de wind geluisterd. Dan vraagt er één: ‘Is dat nou echt waar gebeurd?’ Als juf antwoordt: ‘Ja, dat is echt waar ge­beurd,’ dan gaat er een zucht van op­luchting en blijdschap door de klas. En dat is niet, omdat ze weer op adem komen, maar omdat het sprookje ze weer heeft verbonden met de werke­lijkheid.

Het angstwekkende is, dat de meeste volwassenen niet meer weten wat de werkelijkheid is. En hoe kan zo’n moeder of vader of kleuterleidster dan nog een echt waar verhaal vertellen, nadat hij of zij eerst heeft getracht de kleuter de werkelijkheid in het begrip ‘waar’ bij te brengen? Moeder, vader, juf, weet ü werkelijk wat een springbalsamien is? Bent u met de balsamienknop wel eens opengebloeid voor het zonnelicht? Bent u met het zaadje wel eens uit de vrucht gesprongen? Heeft u met de herfst­wind de zaden der planten wel eens uitgestrooid, de dorre bladeren van de bomen gerukt en daarmee de dolste spelletjes gespeeld? En wou u mij nou wijs maken, dat Sint-Nicolaas niet bestaat? — Hij be­staat zo waar als u ademhaalt.

Men gaf de naam ‘Sint-Nicolaas’ aan een machtig wezen, dat nu wordt
op­geslokt door een enorm monster, dat in de Noord-Germaanse mythologie ‘Poelspleet’ wordt genoemd. De wereldwolf. De wolf is, evenals in de sprookjes, het beeld van het valse, on­harmonische, van het kwaad. Deze al­les verslindende Spleet leeft in de bo­dem waar men niet op staan kan, waar men niet op kan vertrouwen. Het is de ‘Leugenwolf. Hij werkt samen met een ander verschrikkelijk ondier. ‘Nijdhouwer’, de wurgslang, die de he­le wereld in zijn greep heeft: de ‘Heb­zucht’.

Vroeger hadden alle mensen dit beel­dende denken, dat nu de kleuter nog heeft. De ‘grote mensen’ denken nu abstract. Ze hebben het voorstelbare er afgetrokken. Daar zijn ze erg door vooringenomen. Ze zijn er eeuwen lang blij mee geweest. Nu komen er steeds meer ‘volwassenen’, die gaan merken, dat ze door deze eenzijdig­heid van de wereldgrond zijn afgeraakt en in een moeras zijn terecht geko­men. Zij hebben de taak, om de Heili­ge Sint weer in de harten van kinderen én grote mensen te doen herleven. Wie beeldend kan denken, dit wil zeg­gen levend, scheppend kan denken, beleeft, nu de zomer voorbij is en de oogst is binnengehaald, nu de bladeren neerdwarrelen en de kou z’n intree doet, intensiever dan ooit, de wind.
De wind, die ‘luchtverplaatsing’ is voor de puur intellectuelen, is voor hen een wezen, dat onzichtbaar, maar wel goed voelbaar is. Het is een goddelijk wezen, dat de hele aardbol om­hult, dat de wolken draagt en trekken doet of als vruchtbare regendruppels laat neervallen. Het is ook het wezen, dat planten, dieren en mensen laat ademhalen en daardoor in het leven houdt. Aan dit wezen dankt de mens ook de spraak, de taal. En dus ook uiteindelijk het inzicht en de wijsheid, die de mens, dank zij de taal zich ver­overen kan. Via de taal kunnen wij, mensen, elkaar weer tot inzicht, tot ‘leven’ brengen. De taal is een ge­schenk van dezelfde god, die wij allen zo’n achttien keer per minuut, inade­men en, omgevormd, uitademen, die wij aan elkaar, ademend, doorgeven. Het is precies dezelfde god, die aan ons venster rukt en over onze huizen rijdt in de wind.
Dit wezen konden de Noord-Germaanse volkeren nog wer­kelijk beleven in de tijd rondom Christus’ geboorte. Zij noemden dit godde­lijk wezen ‘Odin’ of ‘Wodan’. Dat is ‘Adem’ of ‘Waden’ of ‘Woeden’. Wodan reed voor hen op een schim­mel, die ‘Sluipsnel’ heette. Het ‘Paard is het ‘Verstand’, Het ‘Witte paard’ is het verstand dat zich op het bovenzinnelijke richt. Wodan droeg een grote ‘Hoed’, het breedgerande hoofddeksel van het hersendenken, dat naar boventoe afsluit van de
 algemene geestelij­ke wereld. Hij had een wijde ‘Mantel’ om. Het symbool van de alles omvat­tende, actieve Ik-kracht. De grauwe ‘baard’ van Wodan was een teken voor macht. Een macht die niet meer zo rein en zuiver is als de sneeuwwitte baard van God-van-het-heelal. In zijn hand hield hij de speer ‘Ga-snel’, de trefzekere gedachte. Heeft u wel eens door een echte schoorsteen van een ‘los hoes’ of van een oude berghut gekeken naar de lucht? Misschien kunt u zich dan nog enigszins voorstellen, hoe men in die vroegere tijden de sterren beleefde en de hemelse gaven verwachtte. Wodan, die vele namen had, (Grauwbaard, Breedhoed, Keurvader, Alvader enz.) is ook de bode van het licht, dat ons nadert in de Midwinternacht. Toen de mensheid, ook in het noor­den, deze realiteit minder ‘helder’ ging ‘zien’, toen de goden verduisterd wer­den in de schemering van hebzucht en behagen, bleef het beeld van de Wind­-en Ademgod onuitroeibaar. De chris­telijke kerk gaf aan de mensen een hemelse ingewijde, een heilige priester-bisschop, een bemiddelaar tussen God en wereld ervoor in de plaats. Dat was een wijze daad van grote be­tekenis, die door het volk zowel uiter­lijk als innerlijk dankbaar kon worden aanvaard.

Aan het uiterlijke beeld is niet veel veranderd. Het over velden en huizen rijdende paard, de eerbiedwaardige baard, de wijde mantel zijn gebleven. De snelle speer werd een waardige staf, de hoed werd een mijter die van boven open is, om de geestelijke we­reld binnen te laten.

Sint-Nicolaas is ons de goede hemelga­ven blijven brengen. Nooit kan een mens innerlijk vrij worden, als hij in de ketens der wet van oorzaak en ge­volg geboeid blijft. Maar nu kan hij vol-bewust de goddelijke geschenken van de natuur, van zon en water en wind, van adem en leven gaan waarde­ren. Dat is het voornaamste geschenk van Sint-Nicolaas.
Ons Sint-Nicolaasfeest laat ook een keerzijde zien van deze gave.
Het wil­de heir van Groete-Grauwbaard werd het span zwarte Pieten, die de straffende roede en zak dragen, maar die door de Sint in toom worden
gehou­den. De ‘zak’ en ‘slaag’, dat krijgen we, als we blijven leven zonder het licht van de hemelwereld.

En zo zetten we dan onze schoenen, waarmee we de verbinding met de aardse werkelijkheid onderhouden, bij de haard, en verwachten liefdegaven. En op de avond zelf zitten zelfs de grote mensen rondom deze haard, het ‘hart’ van ons huis. Want de haard is de warmtebron in het Huis-van-de-liefde. De hemelbode, die natuurlijk evenzeer op aarde als in de hemel kan zijn en die nu tijdelijk uit dat verre land is gevaren om ons weer de gaven van hemellicht en -liefde te brengen, klopt bij ons aan . . . Aan het werkelijke kwaad is de kleu­ter nog niet toe. We moeten bij hem met Zwarte Piet erg voorzichtig zijn. Moraliseren is een bezigheid van het starre intellect. Dat doen de heilige Man en zelfs zijn knecht nimmer. Wij, volwassenen echter, die de enorme reclamestunts en de geldzucht doorzien, laten ons en onze kinderen door Poel­spleet en Nijdhouwer de werkelijkheid van Sint-Nicolaas niet ontnemen! En dan is de Heilige weer vertrokken, naar andere mensen. Een zwarte hand heeft voor het laatst nog rijkelijk zijn gaven gestrooid. Een kleintje zegt: ‘Sint- Nicolaas leek sprekend op Oom Henk . . .’ Moeder antwoordt: ‘Wa­rempel, je hebt gelijk! – Wat een eer voor Oom Henk, dat Sint-Nicolaas sprekend op hem lijkt!’ Zo is het ook! Sint-Nicolaas komt uit de hemel, noem het ‘Span’-je of ‘Engel’—land, maar hij neemt de ge­daante aan van een mens. Deze abstracte woorden, hoe waar ze ook mogen zijn, en hoe nodig of het ook is dat wij, als wordende mensen en als opvoeders, tot in onze levens­houding toe ons de werkelijke beteke­nis ervan bewust maken, voor het kind zijn als ze zodanig voor zijn bewuste denkvermogen nog ontoegankelijk. Het kind denkt concreet. Het kind denkt beeldend. Het feest in de tijd­krans, dat het sterkst ons allen op­roept tot rekenschap van wat we zijn en wat we kunnen, het feest van de innerlijke gaven, dat brengt logischerwijs een nog sterkere concretisering met zich mee. Hier verschijnen dus Sint-Nicolaas en Pietermanknecht in levende persoonlijkheid om reken­schap te vragen en te lezen in het gou­den boek van oorzaak en gevolg. Maar ook, — en dat is voor de kleuter alleen van belang—, om te schenken nieuwe, ware levensmoed en echte, innerlijke blijdschap.

Henk Sweers, Jonas 6, 21-11-1975)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

311-291

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (5)

.

SINT-NICOLAAS

Sinds 16 november* is Sint-Nicolaas weer in ons land. Volgens de officiële geschiedenis was hij ooit bisschop van Myra. Op vele plaatsen in Europa wordt hij nog steeds als heilige vereerd. In Nederland krijgt hij in de loop der tijd een Hollandse naam, Sinterklaas. En ieder jaar brengt hij ons samen met zijn zwarte knecht Piet een bezoek.

Als je gevraagd wordt eens over Sint-Ni­colaas te spreken of te schrijven, kan het ge­beuren dat je eerst over een drempel van tegen­zin heen moet stappen. Deze hindernis wordt jaarlijks met frisse ijver opgeworpen door de neringdoenden, die vanaf begin november onze brievenbus verstoppen met lijvige en veelkleurige catalogi, waarin met een over­vloed van velerlei en soms vergezochte zaken gesuggereerd wordt dat we het komende feest vooral niet sober dienen aan te pakken en waarin Sint als promotor van het zakenleven vaak op een irritant oubollige wijze wordt afgebeeld.
Wanneer je echter dit dikke verguldsel op ons alom verbreide
volksge­bruik afkrabt en zoekt wat daaronder ligt, ontdek je dat je niet met kitsch bezig bent, doch met een prachtig stuk antiek, ja, wel­licht nog veel meer dan dat. Daarna wil je je betoog onderbouwen met een handvol historische waar- en zekerheden.
Wat de historische feiten betreft loop je dan al direct vast, wanneer je voor onze Sint be­trouwbaarder papieren wilt opduiken dan die van ‘een legendarische bisschop van Myra in Klein-Azië, die op grond van niet-historisch gebleken legenden… als heilige wordt vereerd’ (Encyclopedie van Het Spectrum).
Nu kunnen ook legenden, historisch of niet, veel belangrijks onthullen, doch in het mo­derne bewustzijn woelt de vraag hoe het nou echt was en neigt er toe, hem op grond van plaats- en tijdsaanduidingen in het licht van de toenmalige levensomstandigheden te be­zien: bisschop van Myra, bij de zuidwestkust van wat nu Turkije heet, toen deel van het Romeinse rijk, eerst als christen vervolgd on­der andere door Diocletianus, dan door Constantijn welhaast tot staatsambtenaar gebom­bardeerd. Constantijn, ‘de Grote’, erkende na een visioen de waarde van het christen­dom. De waarde wel te verstaan, het begrij­pen en doorvoelen van zijn waarheid schijnt hij aan zijn echtgenote te hebben overgela­ten. Zelf beschouwde hij de nu getolereerde godsdienst als ‘een belangrijk cement voor de eenheid van zijn rijk’. Hij maakte het min of meer tot staatsgodsdienst. We kunnen ons af­vragen of dit voor zijn politieke karretje spannen van de kerk minder ernstig was dan het vervolgen der christenen. In elk geval kwam nu innerlijke verdeeldheid duidelijk aan het licht, met name uitte zich dit op het concilie van Nicea in 325.
Tot zover de officiële geschiedenis. Proberen we in de vele legenden Sint-Nicolaas in het spanningsveld van die voor het christendom zo belangrijke overgangstijd, dan wel in ons huidige beeld van hem terug te vinden, dan lukt dit eigenlijk alleen in het verhaal van de drie huwbare dochters die hij achtereenvol­gens door middel van een via een raam gede­poneerde beurs met goudstukken aan de bruidschat helpt, om hen voor een afglijden in leven in zonde te behoeden. Maar verder is hij een wonderdoener, die door gebed stor­men bezweert, in de droom van autoriteiten verschijnt om hen van onrechtvaardige exe­cuties af te houden. De beschrijving van hem als wonderkind dat naast devotie en intelli­gentie zeer vroeg vermogen tot zelfbeheer­sing vertoont, spreekt ons wat meer aan, maar van de diverse legenden waarin hij als redder met toverkrachten optreedt is het meest aannemelijk dat de opstellers daarvan met beeldende situaties en dramatische ont­knopingen de werking van een sterke, gelou­terde geest hebben willen weergeven.
In zijn waardevolle boekje Sint-Nicolaas, le­ven en legende, dat een schat van gegevens heel leesbaar samenbrengt, stelt Martin Ebon tegen het eind de mogelijkheid, dat Nicolaas wellicht nimmer echt heeft geleefd en legt daarnaast de vraag of dit er eigenlijk voor ons veel toe doet. Feit is dat zijn invloed juist vele eeuwen na zijn dood, enorm was en is. In Rusland wordt hij als Nicola de Barmhartige een heilige van de eerste rang. Maar ook in Zuid- en West-Europa leeft hij zo sterk, dat bijvoorbeeld de inwoners van Bari, een havenplaats op de hiel van Italië, het no­dig vinden om zijn gebeente uit de grafkelder op de Kleinaziatische kust te ontvreemden, tijdig uit de handen te houden van de steeds dichter bij komende mohammedanen, en dit in hun kerk bij te zetten. In talloze andere steden worden kerken aan hem gewijd, hij is de beschermer van zeelui, reizigers, studenten. Dat is ook in de Neder­landen het geval. En juist hier kan het span­nend worden. De Hervorming is oorzaak van felle uiteenzetting, oorlog en afscheiding van de Republiek (van de noordelijke zeven deelstaatjes). Daar wordt de beeldenstorm het sein voor uitbanning van wat katholiek is. Ook de roomse bisschop Nicolaas kon niet langer gedoogd worden en de autoriteiten hebben gepoogd de aan hem gewijde festivi­teiten te verbieden. Volkomen vergeefs. Sin­terklaas, hij heeft intussen een Hollandse be­naming gekregen, blijft. Een Jan Steen beeldt weliswaar niet hemzelf, doch alleen de gevolgen van een zijner bezoeken af, doch hij leeft bij het volk, ja, hij groeit zelfs in de loop der tijden uit tot een boven de polarisa­tie der religies verheven volksheilige wiens ri­ten verrassende ontwikkelingen te zien ge­ven.

Hij verplaatst zijn domicilie naar Spanje, meet zich een zwarte knecht aan en maakt zijn jaarlijkse reis naar ons per stoomboot. Dat laatste kan niet voor het midden der vorige eeuw begonnen zijn maar, laat het simpelweg uit de vondst van een liedjesdich­ter stammen, het beeld leeft in de voorstel­ling van elk kind. Na zijn aankomst, ruim op tijd voor zijn naamdag, 6 (niet 5) december, fluks aan de slag, stijgt hij op zijn witte schimmel en rijdt bij nacht over de daken de talloze schoorstenen langs om via deze, klei­ne attenties in de klaargezette schoentjes van kinderen te deponeren. Zijn knecht, Piet, benut deze gelegenheid om overal te luiste­ren en pregnante wetenswaardigheden om­trent het gedrag der kleinen aan zijn meester door te geven ter notatie in diens grote boek. Welke besteldienst zou zo inefficiënt en ge­vaarlijk te werk gaan? En trouwens, wat doen we bij de vele centrale verwarmingen? En dat boek! Wil er voor elk Nederlands kind iets substantieels in staan, dan is het toch zeker uitgegroeid tot zo’n 20 a 30 dik­ke delen. Meen niet dat in 1985 peuters in de gelovige leeftijd niet in staat en slim ge­noeg zouden zijn om met kritiek, als opge­somd in de vorige alinea, een heel eind op dreef te komen. Maar ze doen dat niet, ze zijn nog slimmer. Er is in hen nog de wijs­heid die weet dat het hier, net als in sprook­jes, om betekenisvolle beelden gaat.
De schoorsteen bijvoorbeeld is heel wezen­lijk, daarbij gaat het om de vertikale warmtekolom, die te vergelijken is met de mens. Zonder de eigen warmte kan een mens niet als individualiteit op aarde zijn, evenmin als er in een vertrek met alleen cv zonder gloei­ende kachel of open haard echt sfeer kan ontstaan.
Sint gaat over de daken: hij is in een hoger gebied, pakt ons in onze eigen per­soonlijkheid en helpt ons bij onze reis door het leven en over de wereld, mogelijk door de schoenen. Zo vertaalt het kind innerlijk de Sint-ritus. Zijn schenken behoort door ge­heimzinnigheid te zijn omgeven. Hevig gebonk op de deur, daarheen gerend, niets of niemand te zien behalve tobbe, doos of zak met ge­schenken.
In de legende van de drie dochters is het tekenende, dat Sint-Nicolaas anoniem wil blijven. Wanneer de vader hem bij de der­de schenking betrapt, smeekt hij hem, dit aan niemand te vertellen. Dit element speelt tot in onze dagen. Als volwassen schenkers onder elkaar verdraaien we ons handschrift om maar onbekend te blijven. Maar met dat veranderde schrift pogen we wel in onze rijm, goedaardig weliswaar, een zwakheid van de ander aan te duiden. Daarmee komen we op het thema van de er­gens in de historie zo geheimzinnig opgedo­ken zwarte knecht. Spanje ligt al een eind in de richting van het Morenland waaruit Piet zou stammen. Wezenlijk is die verklaring niet. Het gaat er om dat hij zwart is, tegen­beeld van het overvloedige wit, dat Sint met baard, haar en onderkleed vertoont. Het ide­aal van de mens mag blank, edel, gelouterd zijn, op aarde faalt hij onvermijdelijk.* Alles wat hij slecht, verkeerd doet, volgt hem als een schaduw, hoort bij hem, hij moet er mee klaar komen. Piet sjouwt zich dan een onge­luk en de roe is zijn attribuut. Leven we ge­woonlijk met de voorstelling over onszelf als toch wel aardig geslaagd en in elk geval tot het betere deel van de mensheid behorend, confrontatie met onze donkere zijden zou ons verder helpen.
In dit verband kan ook de legende van de drie ingepekelde kinderen (in een andere versie studenten) licht brengen. Nicolaas, op reis, weet van deze afschuwelij­ke misdaad en dwingt de dader, de waard bij wie hij zal overnachten, tot bekentenis. En… hij brengt de drie weer tot leven! Ook hier weer beeld, geen fysieke werkelijkheid. Het conserverende zout beduidt hier stagnatie, stilstand in de ontwikkeling. Wie tevreden is met zichzelf zet z’n ontwikkeling stil. Sint met z’n donkere knecht kan een jaarlijkse maning zijn om steeds weer iets aan jezelf te doen. Sint-Nicolaas was reeds in de mid­deleeuwen de schutspatroon van reizigers, zeelui, kortom mensen onderweg en kan ge­zien worden als helper speciaal voor een ieder die in ontwikkeling is, vandaar ook in de eerste plaats kindervriend.

Laten we de Sint tegenover kinderen het we­zenlijke van zijn rol goed vervullen?
De klas­sieke schooljuffrouw, die haar taak serieus opvat, doet eigenlijk al een heleboel, wan­neer ze eind november haar bordgrote kleurkrijttekening voor de klas zet: Sint, rijdend op een schimmel. Het paard doet ons sterke, vurige wilskracht zien, door het verstand in zinvolle banen geleid. Zijn meester houdt een staf in de hand, die met zijn krul ons vermogen tot inkeer aangeeft, specifiek mens­eigen.
Daarachter lopend Piet, diep gebogen onder de grote volle zak, die onherroepelijk is mee te torsen. In een hoek schijnt de maan door een boom, jong groeiend leven wordt even aangetipt. Dat Sint en Piet op 5 decem­ber ook in levende lijve in de klas komen, in onze traditie onontkoombaar hoogtepunt, werkt alleen bij verstandige opzet goed. Allereerst is het dagenlang wekken van ver­wachting al een waardevolle component.
Schrijver dezes ging als jochie de koningin (Wilhelmina) zien als ze in Amsterdam (één keer per jaar) was. Tijdig klaar staan aan de kant van de route. Wanneer dan na aanzwel­lend gehoera een ritmisch knikkende en wuivende dame in open koets voorbijgleed, (het stelde eigenlijk niet zo veel voor) was de wens vervuld en ging hij bevredigd naar huis. De spanning van het wachten en het verlan­gen naar de sprookjesdroom, dat deed al veel.

Het gevaar loert, dat we het feest van Sinter­klaas, bijvoorbeeld op school, te mooi willen maken. De voorbereiding vergt heel wat en wanneer dan de Sint en Piet na alle zorgen voor kostuum, omkleedpartij, baard plak­ken, pruiken passen, schminken, zwart ma­ken, waar is nou de roe weer?, is er wel ge­noeg strooisel?, eindelijk opkomen en dan al na tien minuten klaar zijn, vinden we dat wel wat mager. En toch zouden we dat moeten kunnen aanvaarden. Sint kan wel een kind of wat bij zich roepen en de goede informatie uit zijn boek laten blijken, alles met takt en positiviteit, en vooral niet moraal-predikend: Denk er om dat ik het volgend jaar nu eens een heel flinke Wim hier vind… maar hij mag toch niet de gezellige opa worden, bij wie je op schoot klimt en die je eens aan z’n baard trekt. Als in een droom en sprookje moet alles voorbijgaan. Terwijl nog naar de gestrooi­de pepernoten wordt gegrabbeld, zijn de ho­ge gasten al weer op terugweg naar Spanje. Belangrijk zijn voor onze jonge kinderen ech­te, van levenswijsheid vervulde beelden, waardevol voor ieder, die in een tijdperk van vele surrogaatbeelden een jaarfeestcultuur als tegenwicht wil opbouwen. En de levens­wijsheid van onze nationale 5-decemberheilige is van voldoende gewicht: naamloos schen­ken en steeds geneigd tot inkeer en zelfken­nis. Wanneer we deze tendensen doortrek­ken in het sociale en politieke vlak, zouden we kunnen stellen: Sint is niet antiek, hij is van onze tijd, ja, onze tijd vooruit. En hij be­staat! Dat houden we niet alleen vol tegen­over de kleintjes die ‘er nog in geloven’.
Zou het mogelijk zijn dat een vereerde persoon, wiens naam van Rusland tot Amerika wijd en zijd bekend is, alleen maar een fantasieproduct van wensdromen is? Wie alleen het materiële bestaan acht en al het geestelijke als product van onze hersenen, kan daarmee leven. Doch wie overtuigd is dat al het we­zenlijke stamt uit de inspiratie en werking van wezens, al of niet op aarde levend, re­kent Sint-Nicolaas daaronder. Hij kan als inspirator vanuit een hoger gebied de Sint-Nicolaasvoorstelling bij mensen door vele eeu­wen heen niet alleen levend houden, doch ook verrassende vernieuwingen doen onder­gaan.

(Frans Everga, Jonas 7, *29-11-1985*)

*Een racistpurist meent hierin te kunnen lezen dat hier gepropageerd wordt dat het blanke ras het ideaal is. Dit ‘blanke’ doet ons veel meer denken aan de ‘blanke pit’: je kan menen dat het allemaal wel goed zit met je, maar uiteindelijk….’

Dat heeft met racisme natuurlijk niets van doen, alleen met de ziekelijke instelling van deze purist.

Op deze blog geldt in ieder geval:

Als eigenaar van deze blog neem ik afstand van iedere racistische tekst en laat het oordeel ‘obscuur’ voor rekening van de purist(en).

Een motief daarvoor is o.a.
“Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed,” aldus Rudolf Steiner in een voordracht op 26 oktober 1917 te Dornach in Zwitserland.

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

310-290

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (7)

.

SINT-NICOLAAS

Nikóla de Barmhartige, de wel- en wonderdoener van heel de Russische wereld, de machtige heilige, wiens invloed zo groot is, dat zelfs de Tartaarse Moham­medanen kaarsen voor hem branden.
St.-Nicolaas, die ook in het westen van alle heiligen als hyperhagios de meeste verering geniet, die zo ver boven alle anderen uitsteekt, dat zelfs het protes­tantisme hem niet heeft kunnen verdrijven, wie is hij, de ons allen zo intiem vertrouwde gestalte, die ons zoveel raadsels opgeeft?

Hij is de eerste en universeelste onder de heiligen, die hoger dan de engelen staat; als Nikóla van Mozjajsk wordt hij zelfs als aartsengel met het zwaard in de ene en de kerk in de andere hand af­gebeeld.
De Rus beschouwt hem als de gelijke van de maagd Maria; zo als zij de hoop is van het christelijke volk, is hij de voorspraak en de bemiddelaar. Zelfs het communisme kan hem niet deren.
Toen God door de atheïsten, of beter gezegd de anti-theïsten, werd afgeschaft, zeiden de een­voudige mensen “en zelfs als dat waar zou zijn, wat dan nog? Dan is er nog steeds Nikóla!!
Ook in het westen echter, dreigen voor hem gevaren. Een steeds bedenkelijker vorm van mercantilisme tracht zijn beeld te banaliseren en zij die hem liefhebben moeten zich te meer inspannen om dit zo rein en edel te bewaren als het ons verschijnen wil.
Maar wat is het, dat ons daaruit tegenschijnt. . . . . de schijn van wie of wat?

Hoewel wij haast niets van hem afweten is hij een historische gestalte. Hij kwam in het jaar 270 op de wereld in de stad Patera in Lykië in Klein-Azië als het kind van zeer jonge, rijke ouders. Toen hij na de geboorte zou worden gewassen, stond hij rechtop in zijn badje.
Fra Angelico en Massacio hebben dit eerste wonder geschilderd. Toen hij 5 jaar oud was wijdde hij zich geheel aan God en speelde niet met andere kinderen. In tegenwoordigheid van volwassenen zweeg hij en bracht de nacht door in gebed. Er wordt van hem verteld, dat de engelen uit de hemel daalden en hem dienden. Toen hij 14 jaar werd trok hij zich terug in de woestijn. Daarna ging hij te voet naar Caesarea en bracht daar drie jaren door met vasten en gebed. Toen verrichtte hij het eerste wonder en trok verder naar Armenië en Syrië. Waar hij kwam deed hij wonderen. Als man van 30 jaar keerde hij terug in Lykië en begaf zich naar Myra. Van zijn gezicht en handen druppelde mirre en de gehele stad werd vervuld van zijn geur. Het was een wonderdoende geur, die maakte dat de mensen hun twisten vergaten en er alleen maar aan dachten hun medemensen te helpen en van dienst te zijn. De heilige ging zwijgend door de stad, maar door zijn blik en de aanraking zijner handen, genas en troostte hij op wonderbaar­lijke wijze.
Nu trof het zo, dat in die tijd de bisschop van Myra gestorven was en dat vele bisschoppen bijeen waren om een nieuwe te kiezen. Op aanwijzing van een ster in de nacht werd toen deze jongeling die ‘in de geuren van heiligheid’ stond, tot bisschop van Myra gewijd.
Vele wonderen heeft hij verricht. Bij ons is wel het meest bekend de geschiedenis van de verarmde edelman die zijn dochters aan de schande wil prijs geven omdat hij geen bruidsschat voor ze heeft.
Nicolaas, die van zijn ouders een groot fortuin heeft geërfd, hoort hiervan en werpt ‘s nachts een zak met goud door het venster van de maagden. Zo krijgt de oudste dochter haar bruidsschat. Als in de tweede nacht weer een zak met goud naar binnen wordt geworpen, besluit de vader te waken om de goede gever te kunnen danken. In de derde nacht werpt Nicolaas een zak, die dubbel zo groot is, in het vertrek, waar de vader bij de dochters waakt. Door het geraas schrikt hij op en snelt de jongeling achterna, om hem in het gelaat te zien. Deze evenwel gebiedt hem zo lang hij leeft, over deze zaak te zwijgen.

Dat juist deze geschiedenis, die men licht als een eenvoudig verhaal van een weldoener zou kunnen be­schouwen, in haast alle hymnen voorkomt en oneindig dikwijls werd afgebeeld, wijst erop, dat al die wonderverhalen beelden zijn van iets, dat zich op een hoger plan voltrekt. Het jonkvrouwenwonder heeft haast altijd als pendant de legende van de scholieren, die eerst in de 12e eeuw is ontstaan in Noord-Frankrijk, waar Nicolaas de schutspatroon der kloosterscholen was.
Het is het verhaal van drie “klerken”, die ‘s nachts in het woud onderdak
vra­gen bij een waard. Deze vermoedt, dat zij schatten bij zich hebben en vermoordt hen op aanstichten van zijn vrouw. Later komt St.-Nicolaas en onder het voorwendsel vers vlees te verlangen, brengt hij de zaak aan het licht. Door zijn gebed komen de knapen weer tot leven. Eerst later is hieraan toegevoegd, dat de waard, die ook slager was, hen eerst in stukken snijdt en dan inpekelt. Hierdoor werd, speciaal in Noord-Frankrijk, het zultvat hét attribuut van St.-Nicolaas.
Ook in de Italiaanse schilderkunst vinden wij deze geschiedenis dikwijls terug: bij Masaccio, Fesellino, e.a. In de kerk Santa Croce in Florence vinden wij de knapen ieder in hun eigen tobbe.
De legende werd in de kloosterscholen als mirakel­spel opgevoerd door de oudere leerlingen en de priesters en hoe eerbiedwaardig de heilige ook werd voorgesteld, er was steeds een vleugje humor bij! Juist hier, waar het erom ging de jonge krachten van de verstandscultuur, die in deze eeuw in Clairvaux, in Noord-Frankrijk, een bloeiend centrum had, te behoeden voor de ontledende, “zerstückelnde” invloed van het verstarrende intellect, dat inder­daad ieder in zijn eigen tobbe dreigt te conser­veren,  juist in dit gebied kon zulk een legende ontstaan.
Evenzeer in onze tijd moet Sinterklaas helpen ons, “Schüler” uit de pekel te redden. Hoe dringend vermaant ons dr. Steiner: ‘Wir müssen aus dem Salze,  aus der Erstarrung heraus. Wir müssen Lebenselixer auch gerade in Bezug auf die Seelenmumie, die abstrakten Begriffssysteme, anwenden. Das ist es, was uns nötig ist’
Wij begrijpen dan ook de connectie met de jonk­vrouwenlegende, die schildert, hoe de drie men­selijke zielenkrachten te gronde dreigen te gaan, als het IK verarmt. Dante looft in zijn “Purgatorio”:

“……. het milddadige verstrekken
van hulp door Nicolaas aan de drie maagden
wie armoe dreigt in oneer neer te trekken”.

Het spreekt haast vanzelf, dat hij door deze legende ook de patroon van het huwelijk is geworden.
“Sint-Niklaas goedheilig man” is een verbastering van “goed hylik (huwelijk) man”, dus huwelijks­makelaar. Speciaal in Noord-Frankrijk kreeg hij in dit opzicht veel te doen, maar ook in Parijs; daar vindt men nog in onze tijd o.a. in de kerk St.Nicolas du Chardonnet votieftafeltjes als “reconnaissance à St. Nicolas pour le mariage de Cardita” en de Franse meisjes zingen:

St. Nicolas ce bon patron
marie les filles avec les garçons,

maar de jongens geven de voorkeur aan:

O grand St. Nicolas, patron des écoliers
apporte moi du sucre dans mon petit soulier.

Door zijn wonderbaarlijke redding der schipbreuke­lingen is Nicolaas de schutspatroon der zeelieden. Overal waar Hanzesteden waren, vindt men zijn kerken: te Visby en op IJsland, waar men 40 Klaaskerken telt, tot in Zuid-Spanje en Sicilië. Alleen al rond de Zuiderzee, afgezien van Amsterdam, bevond zich in 16 steden een Klaaskerk. Dat is te begrijpen, want als de schippers zijn hulp inroepen, helpt hij eigenhandig mee bij het hanteren van tuig en zeilen. Moeten wij evenwel bij dit verhaal, dat eindigt met een ernstige vermaning aan de geredden om een deugdzaam leven te leiden, daar zij steeds aan zoveel gevaren bloot staan, niet terstond denken aan het oude lied van “het hemelse Casteel”?

,,Die wilde zee, vlak ende diep,
die moeten wi over liden.
De booze geesten komen ons aan,
met temptatiën willen zi ons verladen…”

Zo verschijnt in een andere legende de boze godin Diana op zee, die de schippers een mydiacon, een toverolie meegeeft voor de lampen  in de kerk van St.-Nicolaas in Myra. Maar dan verschijnt een ander schip en het wordt zo beschreven, dat wij even herinnerd worden aan Straders* gezicht van de twee schepen, maar dan in andere volgorde – en daarop staat Nicolaas, die een grote ramp verhindert.
Zo is ook hier de zee een beeld van die astrale wereld, waar het zo moeilijk navigeren is. Het is opvallend hoe in al deze verhalen het getal 3 zo’n grote rol speelt, vooral in de legende der drie veldheren, het z.g. stratelatenwonder, die tot de oudste behoort (6e eeuw):

Drie veldheren die door keizer Constantijn worden uitgezonden wegens een opstand in Phrygië, raken door storm aan de kust van Myra verzeild. Terwijl de heilige Nicolaas hen bij zich heeft opgenomen wordt gemeld, dat de landvoogd door omkoperij drie onschuldige ridders laat onthoofden. Hierop snelt de heilige met zijn gasten naar de plaats des onheils. Hij rukt de beul het zwaard uit de hand en slingert het ver weg. Daarop ontlaadt zich zijn toorn over de landvoogd, die hem eerst glimlachend  tegemoet wil treden, maar dan volkomen verpletterd berouwvol zijn misdaad bekent, waarop de drie veld­heren voor hem om genade vragen. Hierop vertrekken zij naar Phrygië en nadat zij de opstand zonder bloedvergieten hebben bedwongen, worden zij in Byzantium met grote eer ontvangen. Dit wekt de af­gunst van ’s keizers raadgever, de pretor Ablavius, die hen van hoogverraad beticht, zodat zij zonder verhoor in de kerker worden geworpen en ter dood veroordeeld. In hun nood herinneren zij zich, hoe de heilige Nicolaas de drie mannen in Myra gered heeft en zij smeken hem om zijn bijstand. In deze nacht verschijnt aan de keizer in zijn droom een man, die zich Nicolaas, bisschop van Myra noemt en hem onder vreselijke bedreigingen beveelt, de drie onschuldig smachtende stratelaten terstond uit de kerker te bevrijden.
Ook Ablavius beleeft zulk een verschijning. De volgende dag laat de keizer de gevangenen voor zich brengen en verwijt hun, met hun toverkunsten zijn nachtrust te hebben gestoord. Als hij hun verbazing ziet en vraagt, of zij dan soms een bisschop Nicolaas kennen, begrijpen zij de toedracht en hun onschuld wordt aan het licht ge­bracht, waarop de keizer hen met geschenken naar Myra stuurt met het verzoek aan de heilige om hem niet meer te bedreigen, maar voor hem en zijn rijk te bidden tot God.

Het is aan deze legende, dat St.-Nicolaas zijn grote verering dankt, want niet vanuit de hemel, levend in gelukzaligheid, grijpt hij in, maar in levende lijve blijkt hij het vermogen te bezitten zulk een wonder te bewerken.

Toen kooplieden in 1087 zijn gebeente heimelijk naar Bari wilden overbrengen, daar de stad Myra in handen van de Turken was gevallen en gedeeltelijk was verwoest, sloeg een matroos ’s nachts in de kerk een sarcofaag kapot. Daar ontwaarde men het gebeente zwevend in olie, manna genaamd. Zo is het afgebeeld aan het oostelijk portaal van de kathedraal van Chartres. Van deze olie stroomde een heilzame en genezende kracht uit, die ook later in Bari bleef vloeien. Het was de tegenkracht van het decadent geworden mydiacon der “duivelin” Diana, dat de eigenschap had ook op steen en zelfs in het water te branden en waarmee zij de kerk in Myra had willen verwoesten.

Manna hangt samen met Manas. Wilde men met deze terminus technicus aanduiden, dat de heilige vanuit deze krachten leefde?
Men heeft hem wegens het stratelatenwonder epigeos aggelos = aardse engel en ook ouranios anthropos = hemelse mens genoemd. Het wonder van de veldheren openbaart een menselijk vermogen, dat in onze tijd een soortgelijk wonder heeft verricht: het is de geschiedenis van een oude Franse vrouw, die tijdens de Duitse bezetting met haar dochter gevangen was genomen en op transport zou worden gesteld naar een concentratiekamp. In de nacht tevoren trachtte de dochter in de cel een eind aan haar leven te maken. De moeder merkte het, kon het verhoeden en sliep weer in. Na midder­nacht werd zij door een engel wakker geschud, die haar beval nu niet te slapen maar te bidden om redding uit een heel groot gevaar. Zij bad toen de verdere nacht om de redding van haar kind. De vol­gende dag, 5 minuten voor de vertrektijd, werden zij uit de cel geroepen. In een gang stond de ge­vangenisdirecteur, die hen dikwijls mishandeld en gekweld had. Hij stopte de moeder haastig valse identiteitskaarten toe en zei, dat hem ’s nachts een stem had bevolen haar en haar dochter te redden; “……j’ai senti comme un poids sur mon coeur.” (Das Goetheanum, 1961, no.47,  “Il reste encore cinq minutes”, Edith Spörri-Rotmann.)
Eigenlijk verbaast het ons niet, als wij horen, dat er twee bisschoppen Nicolaas geleefd hebben. Van de eerste is historisch alleen bekend, dat hij als bisschop van Myra, heeft deelgenomen aan het concilie van Nicea in 325, waar hij zijn tegenstan­der, een Ariaan, een klinkende oorvijg zou hebben toegediend (een stijl, die ons niet vreemd is!), dat hij op 70-jarige leeftijd in 341  (343?) is ge­storven en in Myra, sommigen zeggen in Pharrao, is begraven.

In de zesde eeuw leefde niet ver van Myra een heilige abt in Sion, de zgn. Nicolaas Sionites, die vele genezingen deed en de duivel uitdreef. Hij werd later bisschop van Pinora en stierf in 564. Deze Nicolaas nu had een “oom”, ook Nicolaas geheten, die zijn raadsman en geestelijk leider was. Was dit inderdaad, zoals aangenomen wordt, een derde Nicolaas, of zien wij hier de inspirerende invloed van de eerste ‘aan wie hij alles te danken had’?

Van Nicolaas van Myra wordt verteld, dat toen hij ge­storven was, aan zijn hoofdeinde een stroom van olie ontsprong en aan zijn voeten een bron van water. Is het te verwonderen, dat zulk een heilige kracht nog eeuwen lang ter plaatse verder werkt? Was het misschien door dit wonder dat hij “Aitherios anthropos” genoemd werd?
Geheimzinnig is de haast explosief te noemen verbreiding van zijn cultus tussen de 7e en 10e eeuw. Al gauw werd Constantinopel daarvan het middelpunt en overal in de byzantijnse wereld bouwde men kerken voor zijn dienst. Alleen al in Calabrië telde men er 200. De culminatie viel in de 9e eeuw, dus juist in die tijd, waarvan Rudolf Steiner op­merkt, dat Europa werkelijk christelijk was geworden, waar “das Abendland verchristet uns entgegentritt”. Het is de tijd van de graal. Het is eveneens de eeuw van paus Nicolaas I.
Behalve in de byzantijnse wereld is ook in Europa in die tijd (7e-10e eeuw) de verering van St.-Nicolaas in opkomst. Bari werd een bijzonder centrum en was, ook door zijn ligging, de aangewezen stad om de relikwieën op te nemen. Na de translatie bleef het mannawonder van kracht en hierop breidde zich de cultus met een haast ongelofelijke snelheid over Europa uit, vooral onder invloed van de Noormannen, die in Bari heersten.

Zo is het bekend, dat Willem de Veroveraar op weg naar Engeland op zee in een hevige storm raakte en de bijstand van Nicolaas inriep, wiens feestdag juist gevierd werd, waarop de storm ging liggen. (Op zijn feestdag is de kracht van een heilige het grootst). In deze tijd komen ook in Frankrijk de eerste wonderen voor.

Toen bleek de paus een zeer bijzondere belangstelling te ontwikkelen voor deze heilige. Het was Urbanus II, die, toen hij in 1089 in Zuid-Italië vertoefde, naar Bari kwam om daar het altaar met de kostbare zilveren relikwieënschrijn in de krypta van de nieuwe St.-Nicolaaskerk te wijden.
Zes jaar later hield hier Peter van Amiens zijn vurige oproep tot de eerste kruistocht. Hij en de paus hoopten nl. hierdoor een hereniging der beide kerken tot stand te brengen.
Rudolf Steiner zegt van deze oproep: 
“was rein politisch geworden war, hatte nötig einen künstlichen Enthusiasmus zu erzeugen”.
Naast dit streven voor de bevrijding van het Heilige Land beschouwde Peter van Amiens de verbreiding van de St- Nicolaascultus, die hij o.a. in de Elzas introduceerde, als zijn bijzondere missie, zodat hij ook hierdoor zeer in de pauselijke gunst stond. Toen in 1105 de Nicolaaskerk van het episcopaat van Bari werd losgemaakt en direct onder toezicht kwam van de pauselijke stoel, evenals dit het geval was met de St.-Pieter en het Lateraan, toen leek het er bedenkelijk op, dat de grote Zeeman uit het vaar­water van een waarachtig Christendom in dat van de kerkelijke politiek verzeild was geraakt. Maar neen, hij was en bleef de volksheilige, verheven boven alle kerkelijke manipulaties. Dat bleek, toen eeuwen later zij, die juist met de echte spiritualiteit van het volk nog diep verbonden was, de zendbode, de genius van deze volksmassa, zoals Rudolf Steiner haar noemde, Jeanne d’Arc, nadat zij Domrémy had verlaten om haar roeping te volgen, zich eerst naar het beroemde heiligdom van Lotharingen begaf, St. Nicolas du Port, aan de Meurthe, om voor haar zending de zegen af te smeken van hem, die daar als “hyperhagios” werd vereerd.

Reeds in de tijd van de eerste kruistocht zien wij deze merkwaardige tweeledigheid zich in de St.-Nicolaascultus aftekenen. Aan de ene kant de verering van kerkelijke zijde, culminerend in de triomf waarmee in 1204 een groot aantal nieuwe relikwieën naar Bari werd gebracht, buit gemaakt bij de beruchte plundering van Constantinopel, welke stad de Kruisvaarders onder leiding van de doge Dandolo op Alexius III veroverd hadden, in plaats van naar Jeruzalem te trekken. Maar ook heel andere elementen leefden in die drang naar het Heilige Land.
Zo spreekt Rudolf Steiner in de laatste voordracht van “Die Grundimpulse des weltgeschichtlichen Werdens der Menschheit” van het “ungeheure Feuer, das dazumal durch Europa brannte. Als dann aus der ganzen Innigkeit und dem Feuer seines Seelenwesens heraus etwa ein Bernhard von Clairvaux oder andere……, diese Strömung angefacht haben”. Dan schildert hij, hoe daar een stroming opkomt uit het Oosten, over Griekenland, Italië, Afrika en Spanje naar het Westen zich bewegend, die de geheimen van een kosmisch eso­terisch Christendom verborg in het beeld van de Graal die door engelen zou zijn gedragen naar de Spaanse berg Montsalvatsch.
Aan de andere kant leeft in de Grieks-byzantijnse Kerk een bewustzijn, niet zozeer van de kosmisch-etherische geheimen der mensheid, maar van die der eigen etherorganisatie, die zich openbaren in het cultische en in de sacramenten. Dit beleven culmineerde in de drang, die plaats op aarde te aanschouwen, waar de cultus zijn oorsprong heeft gevonden: Jeruzalem. Zo werkt door de kruis­tochten tot ver in West-Europa deze oosterse pelgrimsstemming, deze typisch oosterse zielenconfiguratie door, waarvan Nicolaas, de Aitherios Anthropos, natuurlijk de ideale representant was.  Maar nu blijkt, hoe een van de wegen, waarlangs zijn vere­ring zich uitbreidt, afgezien van Afrika, precies het spoor volgt van de Graal, over Griekenland en Zuid-Italië en verder over Spanje. De Pyreneeën en Frankrijk, met het belangrijkste centrum in Normandië, naar Zuid-Engeland. Het is alsof deze Athanasier zich hierdoor met de wijsheid over de kosmische Christus heeft willen verbinden. En juist in Bern­hard van Clairvaux, die Sint-Nicolaas zo diep vereerde, zien wij deze twee Christelijke elementen innig verbonden, wat Rudolf Steiner in zulke aan­grijpende woorden beschrijft:
“Wer die Reden Bernhard von Clairvaux liest, kann heute noch fühlen wie aus ihm heraus das inbrünstige Hängen an dem Kultus spricht, an dem äusserlich-sinnlichen, in welchem Esoterik lebt, und wie andererseits sein Herz durchglüht ist von dem, was einmal in jener esoterischen Stimmung des Westens gelebt hat”.

Weliswaar woont Bernhard von Clairvaux in 1137 in Bari de plechtige Pinkstermis bij, die door paus Innocentius II in tegenwoordigheid van keizer Lotharius niet in de bisschoppelijke kathedraal, maar in de St.-Nicolaaskerk wordt opgedragen, maar wij moeten ook bedenken dat zeer nabij Bari in Monte Gargano het Michaëlheiligdom zich bevond, dat in een levendige ver­binding stond met Mont St. Michel in Frankrijk! En ook in Monte Gargano was een Sint-Nicolaaskerk!
Kijken wij nu terug in die eeuw, waarin zowel het Byzantijnse christendom als de Graalsstroming hun hoogtepunt bereiken, dan vinden wij daar de
persoon­lijkheid van een paus, die deze twee invloeden op Europa dan reeds bewust onderkent en, hoewel zelf door bloedsbanden met de esoterische stroom verbonden, in beide zulke gevaren ziet voor het Europese gees­tesleven, dat hij uit innerlijke overtuiging ernaar streeft, ze uit Europa, vooral uit Midden-Europa, te weren, te verdrijven. En juist deze persoonlijkheid heeft zich, als eerste onder de pausen, naar de hei­lige Nicolaas genoemd!

Geen heilige is in zulk een omvang vereerd geworden als Nicolaas van Bari, zoals hij nu genoemd werd: als beschermer van de jeugd en als schutspatroon van ontelbare beroepen en broederschappen. Geen is er “wiens wonderen in zó talrijke hymnen, drama’s, mi­rakelspelen en verdere gedichten zijn bezongen en zó veelvuldig werden weergegeven in de beeldende kunsten. Geen feest ook is zo vergroeid geraakt met het volk, los van alle kerkelijke bindingen, politiek of natio­naliteit, als juist het zijne, dat behalve bij ons ook in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk en België van zo’n betekenis is gebleven. Hoe sterk bleek dit tijdens de reformatie!  In Duitsland en
Zwit­serland was de Sint in het geheel geen probleem: in 1535 noteert Luther in zijn kasboek “Geschenke des S.Niclas” voor de kinderen en de dienstboden en Heinrich Bullinger, de opvolger van Zwingli in Zürich, dicht met Kerstmis voor zijn kinderen St.-Nicolaasspreuken. De keurvorst van Saksen, een heftige vijand van de katholieke leer, kreeg in 1553 van zijn vrouw 6  granaatappels toegestuurd. Zij loste tactvol alle problemen op door erbij te schrijven:”………”die der liebe Gott ihr zum lieben Niklaus beschert habe”.

Later evenwel ried Luther zeer af om Sint-Niklaas te vieren en tot in de 18e eeuw toe vocht men tegen dit gebruik. Zo kon men na een felle preek in Straatsburg aan het portaal van het Munster lezen:

O Ihr lieben Kinder
Schlaget alle auf den Flinder.
Der will euch verwehren
Dass euch der St. Niklaus nicht mehr soll bescheren.

In deze geest dachten ook de Amsterdammers toen op 3 december 1638 dringend klokgelui hen deed samen­stromen voor het stadhuis. Vanaf de pui werd een decreet afgekondigd, dat het streng verboden was St.-Nicolaas te vieren, op straffe van verbeurdver­klaring en boete van 30 stuivers. Het gejoel van de menigte liet de bode echter nauwelijks uitspreken en het verbod had een averechtse werking. In Arnhem en Grave was het verboden de schoen op te zetten en speculaas te bakken op straffe van een hoge boete. Speculaas ontleent zijn naam aan het latijnse woord voor bisschop, speculator = hij die toeziet. Deze “pauselijke superstitie” bleef evenwel voortgang vinden, want “dat gebruik van snoeperijen en slickerdemickjes was veel te genoeglijk om daarvan geen navolgers te blijven!”
In Alkmaar, Enkhuizen en Amsterdam werd de Sinterklaasmarkt verboden, alles vergeefs, want toen in 1661 de kramen op de Dam omver werden geworpen en de kopers en bezoekers ver­jaagd, “maakten de kooplui, wevers, schippers, kleermakers en marktventers zo’n ontzettend kabaal, dat de stadsregering haastig bakzeil haalde”. (J.W.A. van Soest), terwijl de matrozen met hun vrijsters rondzwierden, al zingend:

“We zullen ons scheepken wel stieren
al over die wilde zee
al op die Sint Her Claes manieren
soo gaet er ons soetelief mee!”

zodoende enige patronaten van de heilige onbewust aan elkaar koppelend! Het werd een glorieuze ‘happening” en de markt bleef bestaan tot 1836. Wonderbaarlijk is de levende kracht waardoor de steeds zich wijzigende gestalte van St.-Nicolaas zich openbaart. In de middeleeuwen komt meer en meer zijn tegenspeler, de duivel, op het plan, wat zeker een herinnering is aan zijn vermogen deze uit te drijven, maar wat ook direct samenhangt met de tijd van het jaar, waarin zijn feest wordt gevierd. Daar waren de beruchte St.-Niklaasommegangen, wan­neer hij omgeven door hele horden van duivelse per­sonen, onder een waarlijk hels spektakel door de dorpen trok, zoals nog op onze Waddeneilanden voor­komt en waar het “makkers staakt uw wild geraas!” werkelijk nog van pas is. Zulke schrikaanjagende optochten, zelfs met dierenmaskers, zijn ook in Beieren, Salzburg, Zwitserland (het Klausjagen), Bohemen en Stiermarken nog steeds in zwang. Zij zijn een herinnering aan de Germaanse wilde jacht van Wuote Wude of Wode (de woedende) die de onverloste zielen aanvoerde, en onheil trachtte te brengen over het in de akkers slapende zaad.

In de verwarring, die de reformatie meebracht, ging de gestalte van St.-Niklaas zelf onder in deze woeste drom en zijn naam werd zelfs op de duivel overge­dragen. Zo kennen wij in Engeland Old Nick, in Oos­tenrijk de Nicolò en in Vlaanderen Klaai den duvele. Bij ons was  zulk een kwalijke vergissing niet mogelijk maar wel zag men in zijn knecht, die oorspronkelijk zelf in de ketting was geklonken, waarmee hij nu zo gaarne vervaarlijk rammelt, Pieterman of Pietje Pek, de duivel. In dit overwinnen en dienstbaar maken van de duivel, die nu als Piet-de-knecht vol ijver en toewijding dient, verrast ons in de ‘Hollandse” St.-Niklaas een merkwaardig Manichaeïsch element. In Zwitserland zegt men: “bei jedem Chlaus muss ein Tüfel drin” (in elke kerk heeft de duivel zijn kapel) en het zwart is niet zozeer het roet van de
schoor­steen, dan wel dat van de hel. In onze streken echter zijn Chlaus en Pieter, ondanks Spaanse invloeden, de beste vrienden geworden.

Zo verschijnt ons  St-Nicolaas, vanouds her met de elementen verbonden, hetzij op de stoomboot over het water, hetzij hoog in de lucht op de daken, aan het vuur van de huiselijke haard waar, mocht dit ont­breken, de schoorsteen nog steeds die bijzondere rol speelt, of hij verschijnt in de straten, hoog op zijn witte schimmel, het traditionele rijdier der pausen en prelaten. Zo staat hij daar, aan de drempel van de adventstijd, groot en stralend, in een glans van goedheid, maar ook streng vermanend, met zijn boek, waarin hij alles,wat er gebeurd is, kan lezen. Naast hem de kleinere, donkere gestalte: Piet, zijn zwarte knecht. Eigenlijk spreekt het vanzelf die aan zijn zijde te vinden, want de hoge heren in Spanje hadden altijd negerjongens als bedienden. Maar vroeger noemde men ieder, die een donkere huid had een Moor, ook de Arabieren waren “Moren”.

Nu was het juist in de eeuw van Thomas van Aquino, toen het Arabisme zijn grootste macht ontplooide, dat ook de Sint-Nicolaascultus zijn hoogtepunt be­reikte, vooral door het patronaat der kloosterscholen. Het nog steeds wat strenge, examinerende karakter van zijn bezoeken,  zoals wij die nu nog beleven, da­teert uit de tijd, dat hij op precies dezelfde manier de kloosterscholen bezocht, de jongens het Onze Vader liet opzeggen, veel lekkers bracht en geschenken, en de catechismus overhoorde naar schoolgebruik. In deze eeuw werd hij ook langzamerhand de patroon van de kleine kinderen en van het gezin. Zo kunnen wij, juist omdat hij bij ons Sint-Niklaas-uit-Spanje is, in de hem nu dienende knecht, die vroeger zelf geketend was, een symbool zien van het overwonnen Arabisme-een beeld, dat naar de toekomst wijst. Interessant is in dit verband, dat Sint voor de kinderen drie speciale prentenboeken meebracht om in de schoen te stoppen: “Fortunatus’ beursjen”, natuurlijk in verband met de jonkvrouwenlegende, “de amadysche grouwelen” (een Spaanse ridderroman over de koningszoon Amadys en de Engelse prinses Oriana) en verder “Blancefloer”, die dus uit haar vaderland Toledo ook was meegekomen! Flos wordt niet vermeld, maar de toespeling op deze graalslegende, die in de eerste helft van de 13e eeuw in het Nederlands werd vertaald, werpt een nieuw licht op onze bisschop uit Spanje!

Gelukkig hebben wij in Nederland hem niet, onder invloed van de Hervorming, als Santa Claus of Kerst­man verwikkeld met het eigenlijke Kerstfeest. Nee, hij hoort daar, aan het begin van december, als de stormen heersen op zee en in de lucht, want in onze tijd jagen de Wuotisscharen der gestorvenen wilder en radelozer dan ooit en ook “de boze geesten comen ons aan,….zij zouden ons geerne verdrincken”, maar juist dan, in die tijd van chaos en tegenstand, die zo kenmerkend is voor het begin van advent, komt hij ons te hulp, die zowel de elementen in de natuur als de zielenstormen van oudsher weet te bedwingen. Daartoe heeft hij in onze tijd zijn witte paard van node. Is het een Arabische hengst? Het voert ons niet in een barre woestijn, het heeft de kracht zich te verheffen in een hogere wereld.
Men wil in het klaar­zetten van haver en brood een reminiscentie zien aan het Germaanse offer van de laatste schoof, evenals in het bakwerk, dat in de vorm van de godheid gebracht werd en nu, als speculaas, de afbeelding van de Speculator is geworden.
Wij willen hier niet verder op ingaan, ons aan het heden houden en bekennen, dat het ons innigste streven is in nieuwe zin haver en water bij de schoorsteen te offeren, in de hoop, dat ons eigen nog zo Arabische paard zal leren zich te ver­heffen boven ons eigen (schedel)dak.
Met hoeveel vreug­de werpt Sint bij zulk een poging, zo niet een volle zak, dan toch minstens een paar goudstukken uit zijn “heilige rijkdom” door die donkere schoorsteen in onze schoen! Hij wil immers, dat wij mensen langzamerhand zijn medewerkers worden, zelfs dat wij zijn ambt van rechter overnemen, waardoor wij in de donkerste tijd van het jaar, waar wij zo graag in ons zelf kruipen, gedwongen worden nu zelf Speculatores te worden en met een echte, innige belangstelling onze medemensen gade te slaan, “toe te zien” én hierdoor veel te ontdekken, goede en zwakke zijden, die wij hem dan met genoegen onder de neus wrijven, maar steeds met dat kenteken der bewustzijnsziel, met humor en….nooit anders dan in rijm en ritme.

Het zou geen zin hebben elkaar in proza de waarheid te zeggen, wij moeten haar verdichten….dichten!
Wat een verrijking en verinnerlijking van het feest, al die surprises en rijmen! Wat een fantasie en warmte roepen zij in ons wakker, een reinigende kracht, die tot een werkelijke voorbereiding van het Kerstfeest kan worden.Veelal wil men het Sint Nicolaasfeest uitsluitend zien als een feest voor kinderen, maar juist deze plagerijen wijzen er op, dat Sint Nicolaas, de kindervriend, ook ons volwassenen de weg kan wijzen naar het Kind.

Natuurlijk kan men nu vragen, wat heeft dit alles nog van doen met de Byzantijnse bisschop uit de vierde eeuw? Het is immers allemaal schijn geworden, er zit niets meer achter!  Inderdaad is “de Sint” bij ons volkomen identiek geworden met zijn feest, maar dat hebben feesten met kunstwerken gemeen, dat zij léven in de schijn.

Wij doen er goed aan, niet te veel te filosoferen over wat dat feest nu eigenlijk betekent, het zou abstracte wijsheid worden. Het staat allemaal veel duidelijker en beter in dat grote boek, waarin hij alleen kan lezen. Wij doen er ook goed aan niet te veel te moraliseren. Sint zou daardoor te menselijk worden, misschien zelfs….met de trekken van een schoolmeester, en dat zou hem beledigen.
Nee, hij is precies dat wat hij schijnt….en daardoor is hij van een zo betoverende schoonheid! Er zit inder­daad niets meer achter, heel zijn wezen leeft zich uit in zijn verschijning en door die verschijning voelen wij een diepe bevrediging. Een bevrediging, die de mensen altijd hebben gevoeld als ze iets mochten benaderen van de oeroude, heilige drie-­eenheid, die wij kennen als Wijsheid, Schoonheid en Deugd.

In deze zin, meen ik, moeten wij hem hoog in ere houden.

(Johanna Knottenbelt. Met toestemming overgenomen uit: “Mededelingen” nov. 1966. in een schoolkrant van de vrijeschool Den Haag)

*figuur in Steiners ‘Mysteriedrama’s’

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

.

309-289

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (3)

.

HET OERGESTEENTE

Een verhaal verteld op de eerste adventsochtend

Een boer ging in het voorjaar naar zijn akker om de stenen uit de grond te halen die de vorst in de winter omhoog gebracht had. Zijn zoontje mocht deze keer mee gaan om te helpen. Beiden moesten flink werken. “Hoe komen die stenen toch in onze mooie aarde’, vroeg het kind.

“Alle aarde ontstaat uit de steen”, antwoordde de vader bedachtzaam. “Van welke steen, vader?” vroeg het kind weer. “Onze vruchtbare aarde op de akker is afkomstig van een bijzondere steen”, zei de boer “en ik zal je die steen eens laten zien als we een keer in de bergen gaan rondtrekken.
De winter was de tijd dat het kind mocht logeren bij familie. Zijn oom was een vakkundige brillenmaker en opticien. Hij had in zijn werkplaats grote kwartskristallen staan, waarvan hij bij het maken van de lenzen gebruik maakte. In deze tijd moest hij juist een verrekijker repareren en het kind keek toe, hoe hij een nieuwe lens van kwarts aan het slij­pen was.
Soms mocht het kind door de lenzen kijken. Dan werden alle voorwerpen groter, of zag je bonte randjes.
Waar heeft u deze heldere steen vandaan?”, vroeg het kind, en het keek steeds weer met vreugde door de bergkristal. “Deze steen kun je in het gebergte vinden,” antwoordde zijn oom. “Een heel bijzondere steen en het gebergte laat deze kristal ontstaan en als je later groot bent, zul je die steen vinden.”
’s Middags kwam de smid in het huis van de oom want de kachel brandde niet goed, er kwam onvoldoende warmte van af. De smid moest hem maar eens nakijken.

Nu bekeek het kind de kachel heel precies. Vooral vielen de kleine raampjes in het kacheldeurtje hem op. Je kon er zo door­heen kijken zodat je de rode gloed van het vuur kon zien.
“Is dit glas?”, vroeg de boerenzoon. “O nee, glas zou bij zo’n hitte al lang gesprongen zijn,” zei de smid. “Die plaatjes zijn van glimmer, doorzichtig en het kan tegen elke hitte.” “Ja,” zei de vrouw van de opticien, “soms noemen de mensen de glimmer ook wel Mariaglas of mica, omdat het zo rood en goud­achtig oplicht net zoals je moeder Maria ziet als je met aan­dacht bid.”
“Kijk, hoe het schittert,” riep het kind, “zeg me nog waar ik de glimmer kan vinden!”
Hierop kon de vrouw geen antwoord geven, maar de smid wel.
“Glimmer ontstaat uit een heel bijzondere steen, die je hier in het gebergte kunt vinden.”
Toen de zoon weer thuis was, ging hij, net zoals vroeger, naar het laatste huisje van het dorp, waar de pottenbakker woonde. Want graag ging hij daar kijken wat er in de handen van de pottenbakker ontstond. Schalen en potten, het was mooi om te zien. Het kind wist, dat hij de klei altijd in grote ketels achter het huis bewaarde. Maar op deze dag, was de klei helemaal op. Samen gingen ze met een kar naar de groeve om klei te halen. Toen ze daar zo bezig waren de klei in de kar te leggen, vroeg het kind: “Hoe komt toch de klei hier in de groeve?” ‘Die klei,” zei de pottenbakker op een haast plechtige toon, “ontstaat uit een heel bijzondere steen, die je hier dichtbij in het gebergte kunt vinden. Het water lost de klei in de steen op en brengt het hier naartoe.
“Ach,” zei de jongen, “mijn vader en de opticien en U spreken allemaal over een bijzondere steen. Jullie weten de steen te vinden. Kunt U het mij niet eens laten zien?”
“Dan zou ik met je de bergen in moeten trekken, “zei de pottenbakker, “maar als we thuis komen, zal ik je een groot brok van dat gesteente laten zien, want er ligt er een in mijn tuin.”
Toen ze beiden thuis kwamen, gingen ze direct naar de tuin om naar de steen van graniet te kijken. Ze keken heel goed en de pottenbakker liet het kind de drie verschillende steensoorten zien. Toen wilde de jongen meteen weer vragen stellen, maar de man zei: “Dit is een heel bijzondere steen, waar wij allen over spreken. Het helpt de mens bij vele werkzaamheden. Ik kan je over deze steen een verhaal vertellen. Wil je het horen?”
Het kind kon niet langer wachten en liet merken dat het verhaal maar snel verteld moest worden.

De Schepper van de aarde wilde het gesteente vormen waarop de mens zijn levensweg zou kunnen gaan.
“Breng mij het geschenk dat U meegebracht heeft,” sprak hij tot zijn helpers, zodat we daarop de grond van de aarde kunnen leggen.”
De Schepper van de aarde had drie groepen van helpers.
De oudste onder de engelen, de wijsheid, deed een stap voorwaarts en gaf de vader van de wereld een heldere steen.
“U heeft ons de wijsheid gegeven”, zei hij, ‘en de helderheid van het denken. Dit is de steen van het licht. Er is geen andere steen die zulke heldere kristallen vormen kan dan  deze.”
Hierna kwam de engel om wie de geesten van de kracht zich verzamelden, tot de Schepper.
In zijn rechterhand had hij een zwarte, glanzende steen, in zijn linker een witte, stralende steen.
“Dit is het gesteente van de kracht,” sprak deze. “Het kan de mens kracht geven op zijn weg door het leven.”
Ten slotte kwam een engel uit de kring der warmtegeesten naar voren. Deze had in zijn rechterhand een rode steen en in de linker een groene. “Dit gesteente is doortrokken met onze warmte,” sprak hij. “Het kan er steeds anders uitzien en zal aan de mens nog veel diensten verlenen.”
De schepper sprak zijn dank uit en nam voor het gesteente waarop de voet van de mens zou gaan, alle drie de gaven, aan. Want alle krachten der wereld moeten erin aanwezig zijn.

Dit gesteente is het oergesteente geworden.
Dit was het grote ogenblik toen de Schepper van de aarde de kracht, de warmte en het licht verenigde, uit de drie gaven van de engelen, tot het oergesteente.
Het is het mooie graniet, het oudste gesteente van de aarde, waaruit vele andere gesteenten zijn ontstaan.
Je kunt in de bergen of in de diepten van de aarde het graniet vinden in verschillende uitingsvormen.
Maar steeds zie je deze drie bestanddelen.
Het kwarts glanst zacht, alsof het licht naar binnen straalt. De glimmer schittert en straalt meer naar buiten. Je ziet witte en zwarte glimmer. De veldspaat kan rood zijn als het bloed of zo groen als gras. Met behulp van water ontstaan uit de veldspaat de vruchtbare akkers en de klei.”
“Nu weet ik wat het oergesteente is”, riep het kind uit. De kwarts heb ik in de stad gezien. Er worden lenzen van gemaakt waarmee je ver kunt kijken. Glimmer heb ik gezien als mica in de kachel. Uit de veldspaat ontstaat de aarde op de akkers van mijn vader en klei om potten van te maken.
Graniet is een heel bijzonder gesteente!”

Om het vruchtbare dal waarin het kind leefde, lagen de hoge bergen van oergesteente. Toen dat kind groter werd, mocht het met zijn vader mee de bergen in. Ze beklommen een berg en op de top ervan rustten ze uit en keken over andere bergen heen. Ze beleefden de wijdheid, de schoonheid en de kracht van de aarde, de majesteit der Schepping.
.

Theo ten Bruin, vertaling uit: Von Pflanzen und Tieren, Steinen und Sternen, Elisabeth Klein, nadere gegevens onbekend

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

308-288

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (2)

.

In dit artikel is sprake van een mogelijkheid de 4 adventsdagen in het teken van de 4 elementen te plaatsen.

Hier volgt een artikel met ‘de steen’ als motief.
Het is ook een artikel dat gebruikt kan worden voor de mineralogieperiode in klas 6.

STEEN

Steen, het gewordene der aarde
uit oeroude tijden in het heden te zien
Steen, het gewordene der aarde
verbergt de geheimen der tijd
Steen, het gewordene der aarde
gevormd volgens machtige wetten
die de aarde in de kosmos doorstralen……

Het rijk der gesteenten wijst ons terug naar de oergrond van ons bestaan: de geschapen wereld, de wereld van God-de-Vader. We hoeven maar te denken:

–   aan de indrukwekkende, met eeuwige sneeuw bedekte toppen van de machtige granietgebergten, waarin flonkerende kristallen verborgen zijn…

–   aan de diepe kloven, zoals de Grand Canyon, waar tot in de onderste lagen moeder aarde zich open­baart.

–   aan de ertsen die de aarde als aderen doordrin­gen. . .

–   aan de geweldige krachten die losbarsten in vuur­spuwende vulkanen…

om te ervaren welk een scheppingsmacht met de geworden wereld van het gesteente verbonden is.

In de zesde klas, waarin de kinderen echte aardeburgers worden – het Gouden Griekenland achter zich laten en mét de Romeinen de wereld in hun greep krijgen – staat ook de mineralogie in het leerplan.
Het ‘op de grond komen’ wordt hier heel concreet. Als we dan kijken naar de grond waarop wij als Nederlanders staan, is deze neergelegd door de benedenloop der rivieren. Vervolgen we die loop, dan komen we via de Rijn terug in de Alpen, bij het oergesteente: het graniet.

Bekijken we een brok graniet, dan zien we een korrelige structuur waarin we drie mineralen onderscheiden:
’t heldere kwarts,  ’t glanzende glimmer en ’t kleurige veldspaat.

Als nu dit eeuwige gesteente toch onder invloed van water, wind en warmte splijt, afbrokkelt en meegevoerd wordt met het water naar de Lage Landen, dan vinden we het kwarts terug als het zand van onze duinen!
Kijk maar eens door een vergrootglas naar de verrassend heldere kristalletjes van ons ‘gewone’ strandzand.
Het glimmer vinden we niet terug; door z’n fijne bladachtige gelaagdheid versplintert het en voegt zich overal tussen.
Veldspaat vinden we daarentegen in grote hoeveelheden terug als fijne, compacte klei.
Het zand van de duinen dat de zee moet keren, de vruchtbare klei die geploegd en bebouwd wordt, geven ons vaste grond onder de voeten en geven ons het dagelijks brood….

Onze Vader die in de hemelen zijt
geef ons heden ons dagelijks brood…..!

We hoeven maar naar de flonkerende kristallen te kijken om te beseffen dat krachten uit de kosmos de aarde doorstralen. In de biologisch-dynamische landbouw wordt met deze krachten gewerkt en worden die krachten door preparaten gebundeld. De aarde staat niet op zichzelf maar is verbonden met de kosmos.

In de eerste adventsweek, als we ons voorbereiden op de komst van God-de-Zoon, gaan we eerst terug naar de oergrond van ons bestaan en merken we hoe de diepten der natuur verbonden zijn met God-de-Vader-in-den-Hoge.

Graniet,
dragende aardegrond
rotsvaste zekerheid
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Stralend is uw kwarts
door licht gevormd.
Uw glanzende glimmer
ligt ritmisch gelaagd.
Uw vruchtbare veldspaat
eenmaal verweerd
geeft klei en leem
voert mensen tot daad.
Drieledig is uw wezen
tot eenheid gesmeed
door het vuur van de Schepper.
Zo zijt gij
dragende aardegrond
rotsvaste zekerheid
van eeuwigheid tot eeuwigheid.

(dit gedicht is volgens mij (phaw), gemaakt door Ton ten Böhmer in 1976)

Zacht klinkt hier, als voorbode, het ‘Ere zij God in den Hoge’ doorheen…..

(Ivon Hummel , vrijeschool Nijmegen, nadere gegevens ontbreken)

.
Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Over glimmer en veldspaat

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

307-287

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (4)

.

OP HET SPOOR VAN SINT-NICOLAAS

De elfde eeuwse crypte van de kerk van Sint-Nicolaas in Bari is zoals een crypte hoort te zijn: koel, donker en stil, met blanke Romaanse zuiltjes onder lage booggewelven, ge­blakerd door de lampolie van vele eeuwen. Een rood mar­meren zuil staat apart: volgens een middeleeuwse legende gaat het om een overblijfsel van een antieke Romeinse villa dat door de goedheiligman zelf uit zee was opgedoken en in de bouwput van de nog niet voltooide kerk geplaatst. Tegenwoordig geloven nog maar weinigen dat. Maar dat onder het altaar in de crypte, aan het oog onttrokken door marmerplaten en iconen, zich het graf van Sint-Nicolaas be­vindt, daarvan zijn de inwo­ners van Bari heilig overtuigd. Weliswaar verklaren ook ste­den als Venetië en het Franse Saint-Nicolas-de-Port zich tot laatste rustplaats van Sint-Ni­colaas, maar hun papieren zijn toch beduidend minder sterk dan die van Bari, dat negen eeuwen geleden door een spectaculaire commando-actie zich het gebeente van de heili­ge wist toe te eigenen.

In het Vaticaan is men absoluut niet overtuigd. Toen ruim twintig jaar ge­leden* de overvol geworden roomse santenkraam eens flink werd opge­schoond, werd de populaire Sint-Nicolaas, aan wie in de wereld zesduizend – katholieke, orthodoxe en protestant­se — kerken zijn gewijd, van de heili­genkalender geschrapt, omdat ‘er gere­de twijfel bestaat of hij inderdaad heeft geleefd’.
Zijn verering wordt nog wel gedoogd, maar is niet meer officieel.
De Vaticaan­se gestrengheid valt wel te begrijpen, omdat Sint-Nicolaas inderdaad een wat wonderlijk soort heilige is.
Hij was geen martelaar, geen paus en heeft ook geen diepgravende theologische geschriften op zijn naam staan. Bovendien stond hij model voor een huiselijke figuur als Sin­terklaas en een koddig kereltje als de Kerstman, dat al helemaal niets vrooms meer heeft. Maar het officiële argument dat er geen historische bewijzen van het bestaan van de bisschop van Myra zou­den zijn, is onzin, althans volgens de Barese pater Gerardo Cioffari die alge­meen als de grootste nicolaaskenner ter wereld wordt beschouwd.

Historisch
‘De beslissing is genomen door mensen die latere teksten hebben geanalyseerd, zonder de ware historische bronnen te kennen. Maar wanneer we teruggaan tot de alleroudste teksten over Sint-Nico­laas, dan moeten we wel tot de conclu­sie komen dat hij inderdaad een histori­sche figuur is geweest’, betoogt de 51 —jarige dominicaan die in Bari Rus­sische en Byzantijnse theologie doceert en meer dan tien publicaties over Sint-Nicolaas op zijn naam heeft staan. Cioffari heeft drie in het Grieks geschre­ven kronieken uit de zesde eeuw opge­spoord, waarin wordt verwezen naar een zekere Nicolaas, die rond het jaar 300 bisschop was van het stadje Myra in Klein-Azië (het huidige Turkse Demre). Daaruit blijkt tevens, dat Nicolaas twee eeuwen na zijn dood al het object was van plaatselijke verering. De oudste tekst, de Historia Tripartita (Driedeli­ge Geschiedenis) van Theodorus van Constantinopel, beschrijft hoe de bis­schop drie onschuldig ter dood veroor­deelde Byzantijnse officieren op het laatste moment van het beulszwaard weet te redden: die daad zou de basis gaan vormen voor de latere roem van de Sint.

De kroniekschrijver maakt op zijn beurt weer gebruik van verloren gegane bron­nen uit de vierde eeuw (dus minder dan een eeuw na de dood van Nicolaas) en is bovendien zeer nauwkeurig, zodat vol­gens Cioffari dit verhaal zonder meer als waar kan worden beschouwd. Alle overige feiten uit zijn leven zijn door latere kopieerders zo verfraaid en verdraaid, dat de betrouwbaarheid ervan gering is.
Zo nam Nicolaas volgens sommige schrijvers in 325 deel aan het door keizer Constantijn voorgezeten Concilie van Nicea (waar de Ariaanse ketterij in de ban werd gedaan), maar volgens andere weer niet. Het eerste aan hem gewijde heiligenleven, dat van  de Archimandriet (opperabt) Michaël uit de achtste eeuw, meldt dat Nicolaas de heidense tempel van jachtgodin Diana in Myra had vernietigd. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen, dat dat in die tijd inderdaad is gebeurd, maar op zich is dat niets bijzonders: bij  de kerstening van het Romeinse Rijk werden heidense godshuizen overal aan puin geslagen, als ze tenminste niet tot kerk werden gewijd.

Ook zou Sint-Nicolaas zijn stad voor hon­gersnood hebben behoed door een By­zantijns schip met graan te praaien en zou hij van de keizer voor zijn kudde be­lastingverlaging hebben bedongen, iets dat ook toen al als een wonder werd beschouwd.

Zeelieden
Een terloopse opmerking in het verhaal van Michaël dat Nicolaas zeelieden had gered uit de storm, maakte hem al in de negende eeuw tot patroonheilige van deze beroepsgroep. Daarom staan veel nicolaaskerken — onder meer die van Bari, Amsterdam en Novgorod — vlak aan het water.

Eén verhaal over Sint-Ni­colaas komt al vóór het jaar 900 steeds terug in verschillende bronnen, tot in Ethiopië toe: Sint-Nicolaas die drie arme meisjes ervan weerhoudt om zich te prostitueren, door hen van boven uit het raam bundeltjes geld voor de bruids­schat toe te werpen. Of dat waar ge­beurd is, staat zeker niet vast, maar wel dat uit deze legende de goedgeefse Sint is voortgekomen die met pakjes strooit vanaf de daken.

‘Tot in de achtste eeuw was Nicolaas een gewone heilige, die plaatselijk werd vereerd in en rond Myra. Maar aan het begin van de negende eeuw komt daar verandering in. De mohammedanen veroveren steeds grotere delen van Turkije en Noord-Afrika. Veel christenen vluchten naar Oost- en West-Europa en ne­men de cultus mee. Bovendien wordt Sint-Nicolaas, die naar aanleiding van het verhaal van de drie veroordeelden al werd vereerd als beschermheilige van de gevangenen, steeds belangrijker omdat duizenden familieleden van door de muzelmannen slaaf gemaakte christe­nen zich tot hem wenden om steun.
Ten ­slotte trouwt de Duitse keizer Otto II in 972 met de Byzantijnse prinses Theophano, die de nicolaasverering ook aan het hof brengt’, legt padre Cioffari uit.

Nicolaas van Sion
Sint-Nicolaas wordt in de elfde eeuw de meest geliefde heilige van Europa, tot in IJsland toe en komt in populariteit on­middellijk na Maria en in nauwe concur­rentie met Sint-Maarten. Zijn geboorte­dag 6 december wordt een feestdag, die — zoals de antropoloog Claude Levi-Strauss heeft beschreven — net als het kerstfeest zelf op de plaats komt van de voorchristelijke vieringen van het begin van de winter en de zonnewende.

Overal worden Nicolaaskerken gebouwd en het ene heiligenleven na het andere ziet het licht. In een daarvan ontrukt de Sint een icoon uit de handen van een heiden,  waardoor hij schutsheilige wordt van dieven en handelaren. In een ander wordt de bij zijn status passende versterving nog wat aangedikt door de mededeling dat hij als baby slechts één­maal per dag de moedermelk wenste te gebruiken.

En in hun ijver om de gelovigen zo veel mogelijk voorbeeldige vroomheid voor te schotelen, schrikken de hagiografen er ook niet voor terug om de oude teksten die betrekking hebben op Nicolaas van Myra samen te voegen met de berichten over een hele andere persoon, de mon­nik Nicolaas van Sion, die twee eeuwen later leefde. Daardoor scheppen zij een stichtelijke brij van feiten, verdichtsels en anachronismen, die later aanleiding zal geven tot de twijfels over de echtheid van de Sint.
Rond het jaar 1000 verwerft Sinterklaas de faam van kindervrind, die hem sindsdien steeds is bijgebleven. In de Byzan­tijnse wereld verspreidt zich het verhaal dat door tussenkomst van de heilige het christenkind Basilius uit de handen van de Saracenen werd gered. En in het westen heeft de mythe zich ontwikkeld dankzij een vertaalfout in de eerste be­langrijke Westeuropese Nicolaastekst, waarvan padre Cioffari in de Nationale Bibliotheek van München het origineel heeft opgespoord.

Drama
In 960 schreef de Duitse bisschop Reginhold een liturgisch drama op de wonderen van Sint-Nicolaas. Maar in de ver­taling (vanuit het Grieks in het Latijn), gebruikte hij bij de episode van de drie veroordeelden niet het woord innocen­tes (onschuldigen), maar pueri (kinde­ren). De bisschop was vermoedelijk op het verkeerde been gezet door het bij­belverhaal van Herodes’ ‘moord op de onnozelen’ waarin met de onschuldige slachtoffers inderdaad kinderen worden bedoeld.
Binnen korte tijd was daardoor in preken, abele spelen en volksverbeelding het beeld van de drie mannen en de beul vervangen door dat van drie kinde­ren en een boze waard in een ouderwets gruwelverhaal.
De kinderen komen eten in de taveerne, maar worden in plaats daarvan door de inhalige uitbater geslacht, aan plakjes geneden en in het zout gezet voor toekomstige consumptie. Maar dan komt de Goede Sint voorbij, die het vat zegent waaruit de kinderen dan weer geheel intact uit oprijzen, een scène die tientallen mirakelschilders heeft geïnspireerd.
Uit de combinatie van de oude nicolaaslegende van de drie jonge vrouwen en de nieuwe ontstond het beeld van de Sint als brenger van cadeautjes aan kinderen. In de twaalfde en dertiende eeuw, vermoedelijk het eerst in Frank­rijk, leidde dat tot het gebruik om op sinterklaasavond koekjes en fruit voor de deur te leggen als geschenk van Sinterklaas.

Wonder-manna
Sinds zijn dood werden de (vermoedelij­ke) resten van Sint-Nicolaas bewaard in de nog steeds bestaande basiliek van Myra, waar ze jaarlijks tienduizenden pelgrims trokken, die onder meer afkwa­men op een welriekende olieachtige substantie met heilzame werking, manna of myron genaamd, die het heilige gebeente zouden uitscheiden.
Het ‘wonder’ van de manna heeft zich tot op de huidige dag herhaald. Vele families in Bari bezitten er nog een zorgvuldig verzegeld flesje van en voor goedgelovigen is het een bewijs van de heiligheid van Nicolaas.

Pater Cioffari is echter skeptischer: ‘Het fenomeen bestaat: de tombe wordt nat van binnen. Maar een degelijk wetenschappelijk onderzoek zou geen kwaad kunnen. Persoonlijk geloof ik niet zo aan dit soort wonderen.’
In het jaar 1087 besloten de bewoners van Bari om zich van de
benijdenswaardige relieken meester te maken. De stad was enkele jaren daarvoor door de Normandiërs, met steun van de paus veroverd op het (orthodoxe) Oost-Romeinse Rijk en daarbij van een belangrijk regionaal bestuurscentrum teruggebracht tot een onbeduidende provinciestad. Het bezit van Nicolaas’ resten zou het geslonken prestige van Bari flink doen stijgen. Ook de plaatselijke middenstand zag het wel zitten, vanwege de te verwachten inkomsten uit het pelgrimtoerisme. Scrupules waren overbodig, want Myra was tenslotte orthodox en zou binnen afzienbare tijd wel in handen van de Moren vallen.
Uit een gedetailleerd journalistiek verslag van de kroniekschrijver Niceforus blijkt dat de Barezen zich met Italiaanse geslepenheid van hun vrome taak kweten. Na snel te hebben gevaren om de Venetianen voor te zijn die hun begerige ogen ook al op de heilige knekels hadden laten vallen, legden drie handelsschepen uit Bari aan op drie kilometer van Myra. Vervolgens begaven twee priesters en een groep bemanningsleden zich naar het buiten de stad gelegen heiligdom, zogenaamd om eer te betuigen aan de overblijfselen van Nicolaas.
Maar eenmaal binnen zetten ze de monniken die het graf bewaakten gevangen, braken de tombe open en sleepten het geraamte in allerijl naar hun schepen. Net op tijd, want toen zij afvoeren had op de kade een menigte burgers van Myra, weeklagend en verwensingen slakend, het nakijken.

De schaarse botjes die de Barezen in de haast hadden laten liggen, bleven over voor de Venetianen die twaalf jaar later, aan het einde van de Eerste Kruistocht, Myra ook met een bezoek vereerden. Ook Venetië heeft sedertdien zijn Nicolaasrelieken, die nu zijn ondergebracht in de kerk van San Niccolò del Lido.
Onder de naam Translatio Sancti Nicolai (de overbrenging van Sint- Nicolaas) werd de reliekendiefstal als een edele heldendaad te boek gesteld.
Nicolaas zelf werd tot beschermheilige van de stad uitgeroepen, en staat se­dertdien in Italië bekend als San Nicola di Bari, en werd passend gehuisvest in een gloednieuwe kerk, een indrukwek­kend Normandisch bouwwerk met lage vierkante torens die ook als veste ge­bruikt konden worden.
De crypte waarin de Sint werd onderge­bracht, was al in 1089 klaar, en reeds negen jaar later kon ook de Chiesa di San Nicola zelf door paus Urbanus II worden ingewijd. Sedertdien is het nu 400.000 inwoners tellende Bari de stad van Sinterklaas. 6 december en 9 mei (de dag van de Translatio) zijn plaatse­lijke feestdagen, waarop een beeld van de Sint in processie door de stad wordt gevoerd.

Geraamte
Het geraamte van Nicolaas (die 166 cen­timeter lang was en tenger van postuur, zoals het een asceet betaamt) wordt met lange tussenpozen te kijk gezet. Restaurants, bakkerijen, garages en ho­tels dragen zijn naam en veel automobilisten hebben zijn beschermende beel­tenis op de voorruit geplakt. In vrijwel alle winkels hangen bidprentjes van de Sint en in de kerken van de stad wordt hij in gebed aangeroepen om de plaatse­lijke zondaars voor de verdoemenis te behoeden:

„Machtige Herder van Myra,
Trots van Bari,
Heer der Zeeën,
Troost en Deugd, enz.”

In het dertig kilometer noordelijker gelegen Molfetta wordt voor de kinderen nog een sinterklaasfeest gevierd dat vrijwel identiek is aan het Nederlandse. En naast de duizenden pelgrims die jaarlijks het graf van Nicolaas komen be­zoeken, ontvangt de kerk van San Nicola elk jaar nog honderden brieven gericht aan de Kerstman en soms zelfs aan Sinterklaas.

Elders in de westerse wereld ontwikkel­de de nicolaasverering zich op heel ver­schillende wijze. In katholieke streken werd de volksheilige steeds meer ver­drongen door het Kindeke Jezus en in de protestantse Nederlanden verboden de Staten-Generaal het openbare optre­den van deze ‘paapse’ figuur, zodat de Sint als een soort wereldse hageprediker naar de beslotenheid van de huiska­mer werd verbannen.

Onrecht
Sommige Zwitserse hervormers waren beduidend minder strikt in de leer: zij vonden dat het sinterklaasgebruik wel gehandhaafd mocht blijven omdat het anders zo sneu was voor de kinderen.
Maar na eeuwen van verdrukking is overal in de wereld Sinterklaas, in Amerika getransformeerd tot Father Christmas en met de enthousiaste steun van de winkeliers aller landen, weer aan een triomfale terugtocht bezig. Vooral in de Oost-Europa is Sint-Nicolaas echter een populaire heilige, een van de belangrijkste die de katholieke en orthodoxe kerken met elkander gemeen hebben. Volgens Cioffari, in wiens kerk ook een altaar voor de orthodoxen is gereserveerd, zou de nicolaasverering een goede basis vormen voor een nieuwe oecumene tussen de twee takken van het christendom, maar het Vaticaan heeft dat verijdeld door Nicolaas zijn roomse heiligheid te ontnemen.
Dit is echter volkomen ten onrechte, vindt de geleerde dominicaan: ‘De declassering van Sint-Nicolaas is een groot onrecht. Er wordt zo vaak kritiek geleverd op de katholieke kerk, waarom dan niet hierop?’

St.Nicolaas 1

St.-Nicolaas als patroon der zeelieden. Let op de huidskleur van de schepelingen.

St.Nicolaas 3

St-Nicolaasicoon, daterend vóór het jaar 1000. Klooster van Sint-Catherina, Berg Sinaï, Egypte

St.Nicolaas 4

bidprentje uit Bari

(A. Heering, De Gelderlander, 03-12-1994)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

306-286

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (1)

.

DE VIER ADVENTSZONDAGEN

Waarom zijn er vier adventszondagen, voorafgaande aan Kerstmis? De vorige keer heb ik bij de NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR de adventstijd helemaal niet meegeteld. Advent is dan ook in zekere zin een voorbereidingstijd. In de tijd van het jaar die beleefd wordt als de donkerste tijd van het jaar, verwachten we de KOMST VAN HET LICHT. We doen dat in vier grote stappen van een week. De zondag is de enige juiste dag ervoor om die stap te markeren. Niet alleen is sedert de Kruisiging en Opstanding de Zondag de belangrijkste dag van de week geworden – daarvoor was het de Zaterdag (Sabbath) -; de zondag is ook de eerste dag van de week, altijd geweest, al vanaf het Scheppingsver­haal uit het Oude Testament, dus in de voor-chris­telijke tijd. (Op school moeten we noodgedwongen deze adventsweken op maandag vieren, omdat er op zondag natuurlijk geen lessen zijn. Maar wel zijn er de Zondagshandelingen en daarin kunnen de kinderen van de hele onderbouw, want ook de 1e-klassers mogen dan voor het eerst de Kinderhande­ling meemaken, de adventszondagen in schoolverband beleven.)

Advent betekent: DE BINNENKOMST, iets anders dan Verwachting, maar beide betekenissen spelen door elkaar. Op 1e advent is alles nog heel pril: één kaarsje in de adventskrans brandt nog maar.
Maar weldra is daar al het Sinterklaasgebeuren. Op Sinterklaas, verbonden met het lot en de wil is in de vorige Branding uitvoerig ingegaan. Dat Sinter­klaas altijd in de adventstijd valt, moet toch eigenlijk wel als heel bijzonder worden opgevat. Sint-Nicolaas is dan ook een wegbereider van het kerstkind, in een prachtig verhaal van D. Udo de Haes:  ‘Sint-Nicolaas, de Kerstbode’ genoemd. Sinterklaas valt dit jaar* op de dinsdag van de 1e adventsweek, vorig jaar echter op de maandag van de 2e adventsweek.
Een week na 6 december hebben we vervolgens Sinte-Lucia, de Lichtbrengster, vooral in Zweden wordt dit feest veel gevierd. Opvallend is dat bijvoorbeeld de zon niet meer later onder­gaat, dus dat het vanaf Sinte-Lucia ’s middags al is afgelopen met steeds donkerder te worden, terwijl voor de ochtenden geldt dat pas na DRIEKO­NINGEN (6 januari) de zon steeds vroeger opgaat.
Advent begon vroeger op en met Sint-Maarten {11 november). Hij was de eerste die het Licht van het Christuskind bracht, nu zodanig gevierd dat we een kaarsje in een lantaarntje doen en daarmee in het pikkedonker gaan lopen.

In het Kerstspel uit Oberufer, dat de leraren van alle vrijescholen ieder jaar voor hun leerlingen opvoeren, komen we dit beeld opnieuw tegen: de zgn. Goede Waard, dat is de laatste van de drie waarden, vaak door een juffie gespeeld, heeft een lantaarn in haar hand, waaruit ze na de geboorte van het Kindje het licht haalt om er de kaarsjes in de kerstboom, die zich achter Jozef en Maria bevindt, mee aan te steken. In de stal waarin ze Jozef en Maria brengt laat ze de lantaarn bij Jozef achter. En Jozef licht met deze zelfde lantaarn ten slotte de drie herders, die op zoek zijn naar de stal, bij.

Sint-Maarten zelf trok vanuit Pannonië, in het huidige Hongarije, via Padua naar Frankrijk. Bij Amiens moet de bekende ontmoeting met de bedelaar hebben plaats gevonden. Hij werd vervolgens bis­schop van Tours, een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Parijs, zorgde voor armen en zieken en trok ieder jaar naar het onbekende hoge noorden tot in onze streken om de KOMST VAN CHRISTUS niet alleen te verkondigen, maar ook al weer door het stichten van kapelletjes en ziekenhuizen te laten ervaren.  (Vandaar de Sint- Maartensoptochtjes van 2 of 3 kinderen van deur naar deur om het licht te brengen.
Als we nu de periode van Sint-Maarten tot Kerstmis nemen, dan komen we op 43 of 44 dagen. Maar tot 21 december, de dag waarop de winterzonnewende valt is het precies 40 dagen.

advent 1

Kerstmis – de geboorte van het Kerstkind-  valt drie dagen later, immers: het kind wordt geboren te middernacht van 24 op 25 december. Het tijdperk van 40 dagen is een heilig tijdperk. Christus bracht 40 dagen in de woestijn door met vasten; het is dus een periode waarin de mens kan versterven, dat wil zeggen: door geen voedsel te nemen te vergeestelijken. Een even lange periode van 40 dagen kennen we na Kerstmis – we komen dan op 2 februari, vanouds de dag waarop de Kersttijd definitief werd afgesloten met een processie, met het opbranden van de kaarsresten en een vrije dag voor iedereen met kermis en dansen.

Waarom is advent nu echter beperkt tot 4 zondagen? Dat heeft er mee te maken dat het niet alleen om een geestelijke gebeurtenis gaat, maar ook om een aardse. Het getal 3 is een kosmisch getal: het beeld voor de goddelijkheid, de driehoek.  In het Kerstspel worden ze na elkaar gegroet:

‘Groetenme God vader in synen troon
en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naôme en
groetenmens al gedrie te saômen.’

Het getal 4 is 3 plus 1. Het getal 4 is aards, verbonden mét en beeld van de aarde. Het vierkant is het teken voor aarde, maar ook het kruis. De vier windrichtingen geven dit het duidelijkst aan. Iedere kerk werd vroeger als een kruis gebouwd, met bovenop de toren een haan op een windwijzer.  In het Kerstspel treffen we 3 herders aan, 3 waarden, 3 koningen, 3 schriftgeleerden, en ineens zijn het er 4, doordat er telkens een vierde bijkomt. Als de Drie Koningen bij Koning Herodes komen wordt het opeens een aardse aangelegenheid. Als de vierde herder (Crispijn) er bij komt, belooft hij dat hij het kind een slip van zijn pelsvacht zal schenken. De drie waarden in het Kerstspel zijn het tegen­beeld van de warme, meevoelende herders. Het zijn aardse, zelfgenoegzame personen, die er niet in het minst voor voelen daadwerkelijk de helpende hand uit te steken, zelfs niet de Goede Waard met de lantaarn. Pas als de 4e waard komt, Jozef, die de lantaarn opneemt en gaat kijken wie er buiten de stal staan te roepen, en er de 3 herders aantreft, wordt beleefbaar wat gastvrijheid betekent. Hij zegt:

‘Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt –
hier leytet kind daer van ghy seght.’

Ook in het ‘ Drieconinghenspel’ treffen we zo’n tegenbeeld aan, nu van de drie koningen: de drie schriftgeleerden, in wezen toch mensen die omgaan met geestelijke zaken, gebeurtenissen, openbarin­gen. Maar zij blijven bij hun tekst en verklaren alles vanuit de dode letter. Pas als Koning Herodes aan de Hoofdman opdracht heeft gegeven ‘tot alle landpaelen af te condighen dat men ombrenghe alle knegtjens cleyn so tweejaerigh en daar onder syn’ komt de vierde schriftgeleerde (Judas) naar voren, die angstig naar de hoofdman luistert en dan uitroept:
‘o wee, o wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaat,
onse kinderkens moetens worren gedoot?
ach, wat salt gheven, smert, pyn ende   noot!’

Hij moet dit met zijn leven bekopen…

Waar het nu om gaat in de kersttijd, is het beleven dat Gods Zoon op aarde geboren wordt en dat gebeurt door op 4 zondagen achtereen advent te vieren. Heel geleidelijk nadert het Kerstkind de aarde en doordringt zo de 4 natuurrijken: het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. We vieren dit heel dikwijls zo dat we de vier adventszondagen verbinden met deze vier natuurrij­ken:

1e advent – minerale rijk
2e advent – plantenrijk
3e advent – dierenrijk
4e advent – mensenrijk.

We leggen dan bij of onder de adventskrans of op een plek waar we later het Kindje in het kribbetje uitbeelden op de 1e advent mineralen: stenen,
op 2e advent komen daar planten bij, of in ieder geval van planten afkomstige voorwerpen.
Op 3e advent materiaal van dieren afkomstig, zoals bijvoorbeeld een plukje schapenwol, als het kan dierfiguren gemaakt van dierlijke stoffen.
En op 4e advent komt de mens: dat kan al een menselijke gestalte zijn van bijenwas, maar ook poppen van hout, van stof, of van wat voor materiaal.

Op deze vier natuurrijken zal in deze en de volgen­de Branding vanuit de leerstof door een aantal collega’s nader worden ingegaan.

Een goede advents- en kersttijd gewenst.

(Hans ter Beek, Rudolf Steiner School Nijmegen, *nadere gegevens onbekend)
.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

305-285

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.