VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (7)

.

SINT-NICOLAAS

Nikóla de Barmhartige, de wel- en wonderdoener van heel de Russische wereld, de machtige heilige, wiens invloed zo groot is, dat zelfs de Tartaarse Moham­medanen kaarsen voor hem branden.
St.-Nicolaas, die ook in het westen van alle heiligen als hyperhagios de meeste verering geniet, die zo ver boven alle anderen uitsteekt, dat zelfs het protes­tantisme hem niet heeft kunnen verdrijven, wie is hij, de ons allen zo intiem vertrouwde gestalte, die ons zoveel raadsels opgeeft?

Hij is de eerste en universeelste onder de heiligen, die hoger dan de engelen staat; als Nikóla van Mozjajsk wordt hij zelfs als aartsengel met het zwaard in de ene en de kerk in de andere hand af­gebeeld.
De Rus beschouwt hem als de gelijke van de maagd Maria; zo als zij de hoop is van het christelijke volk, is hij de voorspraak en de bemiddelaar. Zelfs het communisme kan hem niet deren.
Toen God door de atheïsten, of beter gezegd de anti-theïsten, werd afgeschaft, zeiden de een­voudige mensen “en zelfs als dat waar zou zijn, wat dan nog? Dan is er nog steeds Nikóla!!
Ook in het westen echter, dreigen voor hem gevaren. Een steeds bedenkelijker vorm van mercantilisme tracht zijn beeld te banaliseren en zij die hem liefhebben moeten zich te meer inspannen om dit zo rein en edel te bewaren als het ons verschijnen wil.
Maar wat is het, dat ons daaruit tegenschijnt. . . . . de schijn van wie of wat?

Hoewel wij haast niets van hem afweten is hij een historische gestalte. Hij kwam in het jaar 270 op de wereld in de stad Patera in Lykië in Klein-Azië als het kind van zeer jonge, rijke ouders. Toen hij na de geboorte zou worden gewassen, stond hij rechtop in zijn badje.
Fra Angelico en Massacio hebben dit eerste wonder geschilderd. Toen hij 5 jaar oud was wijdde hij zich geheel aan God en speelde niet met andere kinderen. In tegenwoordigheid van volwassenen zweeg hij en bracht de nacht door in gebed. Er wordt van hem verteld, dat de engelen uit de hemel daalden en hem dienden. Toen hij 14 jaar werd trok hij zich terug in de woestijn. Daarna ging hij te voet naar Caesarea en bracht daar drie jaren door met vasten en gebed. Toen verrichtte hij het eerste wonder en trok verder naar Armenië en Syrië. Waar hij kwam deed hij wonderen. Als man van 30 jaar keerde hij terug in Lykië en begaf zich naar Myra. Van zijn gezicht en handen druppelde mirre en de gehele stad werd vervuld van zijn geur. Het was een wonderdoende geur, die maakte dat de mensen hun twisten vergaten en er alleen maar aan dachten hun medemensen te helpen en van dienst te zijn. De heilige ging zwijgend door de stad, maar door zijn blik en de aanraking zijner handen, genas en troostte hij op wonderbaar­lijke wijze.
Nu trof het zo, dat in die tijd de bisschop van Myra gestorven was en dat vele bisschoppen bijeen waren om een nieuwe te kiezen. Op aanwijzing van een ster in de nacht werd toen deze jongeling die ‘in de geuren van heiligheid’ stond, tot bisschop van Myra gewijd.
Vele wonderen heeft hij verricht. Bij ons is wel het meest bekend de geschiedenis van de verarmde edelman die zijn dochters aan de schande wil prijs geven omdat hij geen bruidsschat voor ze heeft.
Nicolaas, die van zijn ouders een groot fortuin heeft geërfd, hoort hiervan en werpt ‘s nachts een zak met goud door het venster van de maagden. Zo krijgt de oudste dochter haar bruidsschat. Als in de tweede nacht weer een zak met goud naar binnen wordt geworpen, besluit de vader te waken om de goede gever te kunnen danken. In de derde nacht werpt Nicolaas een zak, die dubbel zo groot is, in het vertrek, waar de vader bij de dochters waakt. Door het geraas schrikt hij op en snelt de jongeling achterna, om hem in het gelaat te zien. Deze evenwel gebiedt hem zo lang hij leeft, over deze zaak te zwijgen.

Dat juist deze geschiedenis, die men licht als een eenvoudig verhaal van een weldoener zou kunnen be­schouwen, in haast alle hymnen voorkomt en oneindig dikwijls werd afgebeeld, wijst erop, dat al die wonderverhalen beelden zijn van iets, dat zich op een hoger plan voltrekt. Het jonkvrouwenwonder heeft haast altijd als pendant de legende van de scholieren, die eerst in de 12e eeuw is ontstaan in Noord-Frankrijk, waar Nicolaas de schutspatroon der kloosterscholen was.
Het is het verhaal van drie “klerken”, die ‘s nachts in het woud onderdak
vra­gen bij een waard. Deze vermoedt, dat zij schatten bij zich hebben en vermoordt hen op aanstichten van zijn vrouw. Later komt St.-Nicolaas en onder het voorwendsel vers vlees te verlangen, brengt hij de zaak aan het licht. Door zijn gebed komen de knapen weer tot leven. Eerst later is hieraan toegevoegd, dat de waard, die ook slager was, hen eerst in stukken snijdt en dan inpekelt. Hierdoor werd, speciaal in Noord-Frankrijk, het zultvat hét attribuut van St.-Nicolaas.
Ook in de Italiaanse schilderkunst vinden wij deze geschiedenis dikwijls terug: bij Masaccio, Fesellino, e.a. In de kerk Santa Croce in Florence vinden wij de knapen ieder in hun eigen tobbe.
De legende werd in de kloosterscholen als mirakel­spel opgevoerd door de oudere leerlingen en de priesters en hoe eerbiedwaardig de heilige ook werd voorgesteld, er was steeds een vleugje humor bij! Juist hier, waar het erom ging de jonge krachten van de verstandscultuur, die in deze eeuw in Clairvaux, in Noord-Frankrijk, een bloeiend centrum had, te behoeden voor de ontledende, “zerstückelnde” invloed van het verstarrende intellect, dat inder­daad ieder in zijn eigen tobbe dreigt te conser­veren,  juist in dit gebied kon zulk een legende ontstaan.
Evenzeer in onze tijd moet Sinterklaas helpen ons, “Schüler” uit de pekel te redden. Hoe dringend vermaant ons dr. Steiner: ‘Wir müssen aus dem Salze,  aus der Erstarrung heraus. Wir müssen Lebenselixer auch gerade in Bezug auf die Seelenmumie, die abstrakten Begriffssysteme, anwenden. Das ist es, was uns nötig ist’
Wij begrijpen dan ook de connectie met de jonk­vrouwenlegende, die schildert, hoe de drie men­selijke zielenkrachten te gronde dreigen te gaan, als het IK verarmt. Dante looft in zijn “Purgatorio”:

“……. het milddadige verstrekken
van hulp door Nicolaas aan de drie maagden
wie armoe dreigt in oneer neer te trekken”.

Het spreekt haast vanzelf, dat hij door deze legende ook de patroon van het huwelijk is geworden.
“Sint-Niklaas goedheilig man” is een verbastering van “goed hylik (huwelijk) man”, dus huwelijks­makelaar. Speciaal in Noord-Frankrijk kreeg hij in dit opzicht veel te doen, maar ook in Parijs; daar vindt men nog in onze tijd o.a. in de kerk St.Nicolas du Chardonnet votieftafeltjes als “reconnaissance à St. Nicolas pour le mariage de Cardita” en de Franse meisjes zingen:

St. Nicolas ce bon patron
marie les filles avec les garçons,

maar de jongens geven de voorkeur aan:

O grand St. Nicolas, patron des écoliers
apporte moi du sucre dans mon petit soulier.

Door zijn wonderbaarlijke redding der schipbreuke­lingen is Nicolaas de schutspatroon der zeelieden. Overal waar Hanzesteden waren, vindt men zijn kerken: te Visby en op IJsland, waar men 40 Klaaskerken telt, tot in Zuid-Spanje en Sicilië. Alleen al rond de Zuiderzee, afgezien van Amsterdam, bevond zich in 16 steden een Klaaskerk. Dat is te begrijpen, want als de schippers zijn hulp inroepen, helpt hij eigenhandig mee bij het hanteren van tuig en zeilen. Moeten wij evenwel bij dit verhaal, dat eindigt met een ernstige vermaning aan de geredden om een deugdzaam leven te leiden, daar zij steeds aan zoveel gevaren bloot staan, niet terstond denken aan het oude lied van “het hemelse Casteel”?

,,Die wilde zee, vlak ende diep,
die moeten wi over liden.
De booze geesten komen ons aan,
met temptatiën willen zi ons verladen…”

Zo verschijnt in een andere legende de boze godin Diana op zee, die de schippers een mydiacon, een toverolie meegeeft voor de lampen  in de kerk van St.-Nicolaas in Myra. Maar dan verschijnt een ander schip en het wordt zo beschreven, dat wij even herinnerd worden aan Straders* gezicht van de twee schepen, maar dan in andere volgorde – en daarop staat Nicolaas, die een grote ramp verhindert.
Zo is ook hier de zee een beeld van die astrale wereld, waar het zo moeilijk navigeren is. Het is opvallend hoe in al deze verhalen het getal 3 zo’n grote rol speelt, vooral in de legende der drie veldheren, het z.g. stratelatenwonder, die tot de oudste behoort (6e eeuw):

Drie veldheren die door keizer Constantijn worden uitgezonden wegens een opstand in Phrygië, raken door storm aan de kust van Myra verzeild. Terwijl de heilige Nicolaas hen bij zich heeft opgenomen wordt gemeld, dat de landvoogd door omkoperij drie onschuldige ridders laat onthoofden. Hierop snelt de heilige met zijn gasten naar de plaats des onheils. Hij rukt de beul het zwaard uit de hand en slingert het ver weg. Daarop ontlaadt zich zijn toorn over de landvoogd, die hem eerst glimlachend  tegemoet wil treden, maar dan volkomen verpletterd berouwvol zijn misdaad bekent, waarop de drie veld­heren voor hem om genade vragen. Hierop vertrekken zij naar Phrygië en nadat zij de opstand zonder bloedvergieten hebben bedwongen, worden zij in Byzantium met grote eer ontvangen. Dit wekt de af­gunst van ’s keizers raadgever, de pretor Ablavius, die hen van hoogverraad beticht, zodat zij zonder verhoor in de kerker worden geworpen en ter dood veroordeeld. In hun nood herinneren zij zich, hoe de heilige Nicolaas de drie mannen in Myra gered heeft en zij smeken hem om zijn bijstand. In deze nacht verschijnt aan de keizer in zijn droom een man, die zich Nicolaas, bisschop van Myra noemt en hem onder vreselijke bedreigingen beveelt, de drie onschuldig smachtende stratelaten terstond uit de kerker te bevrijden.
Ook Ablavius beleeft zulk een verschijning. De volgende dag laat de keizer de gevangenen voor zich brengen en verwijt hun, met hun toverkunsten zijn nachtrust te hebben gestoord. Als hij hun verbazing ziet en vraagt, of zij dan soms een bisschop Nicolaas kennen, begrijpen zij de toedracht en hun onschuld wordt aan het licht ge­bracht, waarop de keizer hen met geschenken naar Myra stuurt met het verzoek aan de heilige om hem niet meer te bedreigen, maar voor hem en zijn rijk te bidden tot God.

Het is aan deze legende, dat St.-Nicolaas zijn grote verering dankt, want niet vanuit de hemel, levend in gelukzaligheid, grijpt hij in, maar in levende lijve blijkt hij het vermogen te bezitten zulk een wonder te bewerken.

Toen kooplieden in 1087 zijn gebeente heimelijk naar Bari wilden overbrengen, daar de stad Myra in handen van de Turken was gevallen en gedeeltelijk was verwoest, sloeg een matroos ’s nachts in de kerk een sarcofaag kapot. Daar ontwaarde men het gebeente zwevend in olie, manna genaamd. Zo is het afgebeeld aan het oostelijk portaal van de kathedraal van Chartres. Van deze olie stroomde een heilzame en genezende kracht uit, die ook later in Bari bleef vloeien. Het was de tegenkracht van het decadent geworden mydiacon der “duivelin” Diana, dat de eigenschap had ook op steen en zelfs in het water te branden en waarmee zij de kerk in Myra had willen verwoesten.

Manna hangt samen met Manas. Wilde men met deze terminus technicus aanduiden, dat de heilige vanuit deze krachten leefde?
Men heeft hem wegens het stratelatenwonder epigeos aggelos = aardse engel en ook ouranios anthropos = hemelse mens genoemd. Het wonder van de veldheren openbaart een menselijk vermogen, dat in onze tijd een soortgelijk wonder heeft verricht: het is de geschiedenis van een oude Franse vrouw, die tijdens de Duitse bezetting met haar dochter gevangen was genomen en op transport zou worden gesteld naar een concentratiekamp. In de nacht tevoren trachtte de dochter in de cel een eind aan haar leven te maken. De moeder merkte het, kon het verhoeden en sliep weer in. Na midder­nacht werd zij door een engel wakker geschud, die haar beval nu niet te slapen maar te bidden om redding uit een heel groot gevaar. Zij bad toen de verdere nacht om de redding van haar kind. De vol­gende dag, 5 minuten voor de vertrektijd, werden zij uit de cel geroepen. In een gang stond de ge­vangenisdirecteur, die hen dikwijls mishandeld en gekweld had. Hij stopte de moeder haastig valse identiteitskaarten toe en zei, dat hem ’s nachts een stem had bevolen haar en haar dochter te redden; “……j’ai senti comme un poids sur mon coeur.” (Das Goetheanum, 1961, no.47,  “Il reste encore cinq minutes”, Edith Spörri-Rotmann.)
Eigenlijk verbaast het ons niet, als wij horen, dat er twee bisschoppen Nicolaas geleefd hebben. Van de eerste is historisch alleen bekend, dat hij als bisschop van Myra, heeft deelgenomen aan het concilie van Nicea in 325, waar hij zijn tegenstan­der, een Ariaan, een klinkende oorvijg zou hebben toegediend (een stijl, die ons niet vreemd is!), dat hij op 70-jarige leeftijd in 341  (343?) is ge­storven en in Myra, sommigen zeggen in Pharrao, is begraven.

In de zesde eeuw leefde niet ver van Myra een heilige abt in Sion, de zgn. Nicolaas Sionites, die vele genezingen deed en de duivel uitdreef. Hij werd later bisschop van Pinora en stierf in 564. Deze Nicolaas nu had een “oom”, ook Nicolaas geheten, die zijn raadsman en geestelijk leider was. Was dit inderdaad, zoals aangenomen wordt, een derde Nicolaas, of zien wij hier de inspirerende invloed van de eerste ‘aan wie hij alles te danken had’?

Van Nicolaas van Myra wordt verteld, dat toen hij ge­storven was, aan zijn hoofdeinde een stroom van olie ontsprong en aan zijn voeten een bron van water. Is het te verwonderen, dat zulk een heilige kracht nog eeuwen lang ter plaatse verder werkt? Was het misschien door dit wonder dat hij “Aitherios anthropos” genoemd werd?
Geheimzinnig is de haast explosief te noemen verbreiding van zijn cultus tussen de 7e en 10e eeuw. Al gauw werd Constantinopel daarvan het middelpunt en overal in de byzantijnse wereld bouwde men kerken voor zijn dienst. Alleen al in Calabrië telde men er 200. De culminatie viel in de 9e eeuw, dus juist in die tijd, waarvan Rudolf Steiner op­merkt, dat Europa werkelijk christelijk was geworden, waar “das Abendland verchristet uns entgegentritt”. Het is de tijd van de graal. Het is eveneens de eeuw van paus Nicolaas I.
Behalve in de byzantijnse wereld is ook in Europa in die tijd (7e-10e eeuw) de verering van St.-Nicolaas in opkomst. Bari werd een bijzonder centrum en was, ook door zijn ligging, de aangewezen stad om de relikwieën op te nemen. Na de translatie bleef het mannawonder van kracht en hierop breidde zich de cultus met een haast ongelofelijke snelheid over Europa uit, vooral onder invloed van de Noormannen, die in Bari heersten.

Zo is het bekend, dat Willem de Veroveraar op weg naar Engeland op zee in een hevige storm raakte en de bijstand van Nicolaas inriep, wiens feestdag juist gevierd werd, waarop de storm ging liggen. (Op zijn feestdag is de kracht van een heilige het grootst). In deze tijd komen ook in Frankrijk de eerste wonderen voor.

Toen bleek de paus een zeer bijzondere belangstelling te ontwikkelen voor deze heilige. Het was Urbanus II, die, toen hij in 1089 in Zuid-Italië vertoefde, naar Bari kwam om daar het altaar met de kostbare zilveren relikwieënschrijn in de krypta van de nieuwe St.-Nicolaaskerk te wijden.
Zes jaar later hield hier Peter van Amiens zijn vurige oproep tot de eerste kruistocht. Hij en de paus hoopten nl. hierdoor een hereniging der beide kerken tot stand te brengen.
Rudolf Steiner zegt van deze oproep: 
“was rein politisch geworden war, hatte nötig einen künstlichen Enthusiasmus zu erzeugen”.
Naast dit streven voor de bevrijding van het Heilige Land beschouwde Peter van Amiens de verbreiding van de St- Nicolaascultus, die hij o.a. in de Elzas introduceerde, als zijn bijzondere missie, zodat hij ook hierdoor zeer in de pauselijke gunst stond. Toen in 1105 de Nicolaaskerk van het episcopaat van Bari werd losgemaakt en direct onder toezicht kwam van de pauselijke stoel, evenals dit het geval was met de St.-Pieter en het Lateraan, toen leek het er bedenkelijk op, dat de grote Zeeman uit het vaar­water van een waarachtig Christendom in dat van de kerkelijke politiek verzeild was geraakt. Maar neen, hij was en bleef de volksheilige, verheven boven alle kerkelijke manipulaties. Dat bleek, toen eeuwen later zij, die juist met de echte spiritualiteit van het volk nog diep verbonden was, de zendbode, de genius van deze volksmassa, zoals Rudolf Steiner haar noemde, Jeanne d’Arc, nadat zij Domrémy had verlaten om haar roeping te volgen, zich eerst naar het beroemde heiligdom van Lotharingen begaf, St. Nicolas du Port, aan de Meurthe, om voor haar zending de zegen af te smeken van hem, die daar als “hyperhagios” werd vereerd.

Reeds in de tijd van de eerste kruistocht zien wij deze merkwaardige tweeledigheid zich in de St.-Nicolaascultus aftekenen. Aan de ene kant de verering van kerkelijke zijde, culminerend in de triomf waarmee in 1204 een groot aantal nieuwe relikwieën naar Bari werd gebracht, buit gemaakt bij de beruchte plundering van Constantinopel, welke stad de Kruisvaarders onder leiding van de doge Dandolo op Alexius III veroverd hadden, in plaats van naar Jeruzalem te trekken. Maar ook heel andere elementen leefden in die drang naar het Heilige Land.
Zo spreekt Rudolf Steiner in de laatste voordracht van “Die Grundimpulse des weltgeschichtlichen Werdens der Menschheit” van het “ungeheure Feuer, das dazumal durch Europa brannte. Als dann aus der ganzen Innigkeit und dem Feuer seines Seelenwesens heraus etwa ein Bernhard von Clairvaux oder andere……, diese Strömung angefacht haben”. Dan schildert hij, hoe daar een stroming opkomt uit het Oosten, over Griekenland, Italië, Afrika en Spanje naar het Westen zich bewegend, die de geheimen van een kosmisch eso­terisch Christendom verborg in het beeld van de Graal die door engelen zou zijn gedragen naar de Spaanse berg Montsalvatsch.
Aan de andere kant leeft in de Grieks-byzantijnse Kerk een bewustzijn, niet zozeer van de kosmisch-etherische geheimen der mensheid, maar van die der eigen etherorganisatie, die zich openbaren in het cultische en in de sacramenten. Dit beleven culmineerde in de drang, die plaats op aarde te aanschouwen, waar de cultus zijn oorsprong heeft gevonden: Jeruzalem. Zo werkt door de kruis­tochten tot ver in West-Europa deze oosterse pelgrimsstemming, deze typisch oosterse zielenconfiguratie door, waarvan Nicolaas, de Aitherios Anthropos, natuurlijk de ideale representant was.  Maar nu blijkt, hoe een van de wegen, waarlangs zijn vere­ring zich uitbreidt, afgezien van Afrika, precies het spoor volgt van de Graal, over Griekenland en Zuid-Italië en verder over Spanje. De Pyreneeën en Frankrijk, met het belangrijkste centrum in Normandië, naar Zuid-Engeland. Het is alsof deze Athanasier zich hierdoor met de wijsheid over de kosmische Christus heeft willen verbinden. En juist in Bern­hard van Clairvaux, die Sint-Nicolaas zo diep vereerde, zien wij deze twee Christelijke elementen innig verbonden, wat Rudolf Steiner in zulke aan­grijpende woorden beschrijft:
“Wer die Reden Bernhard von Clairvaux liest, kann heute noch fühlen wie aus ihm heraus das inbrünstige Hängen an dem Kultus spricht, an dem äusserlich-sinnlichen, in welchem Esoterik lebt, und wie andererseits sein Herz durchglüht ist von dem, was einmal in jener esoterischen Stimmung des Westens gelebt hat”.

Weliswaar woont Bernhard von Clairvaux in 1137 in Bari de plechtige Pinkstermis bij, die door paus Innocentius II in tegenwoordigheid van keizer Lotharius niet in de bisschoppelijke kathedraal, maar in de St.-Nicolaaskerk wordt opgedragen, maar wij moeten ook bedenken dat zeer nabij Bari in Monte Gargano het Michaëlheiligdom zich bevond, dat in een levendige ver­binding stond met Mont St. Michel in Frankrijk! En ook in Monte Gargano was een Sint-Nicolaaskerk!
Kijken wij nu terug in die eeuw, waarin zowel het Byzantijnse christendom als de Graalsstroming hun hoogtepunt bereiken, dan vinden wij daar de
persoon­lijkheid van een paus, die deze twee invloeden op Europa dan reeds bewust onderkent en, hoewel zelf door bloedsbanden met de esoterische stroom verbonden, in beide zulke gevaren ziet voor het Europese gees­tesleven, dat hij uit innerlijke overtuiging ernaar streeft, ze uit Europa, vooral uit Midden-Europa, te weren, te verdrijven. En juist deze persoonlijkheid heeft zich, als eerste onder de pausen, naar de hei­lige Nicolaas genoemd!

Geen heilige is in zulk een omvang vereerd geworden als Nicolaas van Bari, zoals hij nu genoemd werd: als beschermer van de jeugd en als schutspatroon van ontelbare beroepen en broederschappen. Geen is er “wiens wonderen in zó talrijke hymnen, drama’s, mi­rakelspelen en verdere gedichten zijn bezongen en zó veelvuldig werden weergegeven in de beeldende kunsten. Geen feest ook is zo vergroeid geraakt met het volk, los van alle kerkelijke bindingen, politiek of natio­naliteit, als juist het zijne, dat behalve bij ons ook in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk en België van zo’n betekenis is gebleven. Hoe sterk bleek dit tijdens de reformatie!  In Duitsland en
Zwit­serland was de Sint in het geheel geen probleem: in 1535 noteert Luther in zijn kasboek “Geschenke des S.Niclas” voor de kinderen en de dienstboden en Heinrich Bullinger, de opvolger van Zwingli in Zürich, dicht met Kerstmis voor zijn kinderen St.-Nicolaasspreuken. De keurvorst van Saksen, een heftige vijand van de katholieke leer, kreeg in 1553 van zijn vrouw 6  granaatappels toegestuurd. Zij loste tactvol alle problemen op door erbij te schrijven:”………”die der liebe Gott ihr zum lieben Niklaus beschert habe”.

Later evenwel ried Luther zeer af om Sint-Niklaas te vieren en tot in de 18e eeuw toe vocht men tegen dit gebruik. Zo kon men na een felle preek in Straatsburg aan het portaal van het Munster lezen:

O Ihr lieben Kinder
Schlaget alle auf den Flinder.
Der will euch verwehren
Dass euch der St. Niklaus nicht mehr soll bescheren.

In deze geest dachten ook de Amsterdammers toen op 3 december 1638 dringend klokgelui hen deed samen­stromen voor het stadhuis. Vanaf de pui werd een decreet afgekondigd, dat het streng verboden was St.-Nicolaas te vieren, op straffe van verbeurdver­klaring en boete van 30 stuivers. Het gejoel van de menigte liet de bode echter nauwelijks uitspreken en het verbod had een averechtse werking. In Arnhem en Grave was het verboden de schoen op te zetten en speculaas te bakken op straffe van een hoge boete. Speculaas ontleent zijn naam aan het latijnse woord voor bisschop, speculator = hij die toeziet. Deze “pauselijke superstitie” bleef evenwel voortgang vinden, want “dat gebruik van snoeperijen en slickerdemickjes was veel te genoeglijk om daarvan geen navolgers te blijven!”
In Alkmaar, Enkhuizen en Amsterdam werd de Sinterklaasmarkt verboden, alles vergeefs, want toen in 1661 de kramen op de Dam omver werden geworpen en de kopers en bezoekers ver­jaagd, “maakten de kooplui, wevers, schippers, kleermakers en marktventers zo’n ontzettend kabaal, dat de stadsregering haastig bakzeil haalde”. (J.W.A. van Soest), terwijl de matrozen met hun vrijsters rondzwierden, al zingend:

“We zullen ons scheepken wel stieren
al over die wilde zee
al op die Sint Her Claes manieren
soo gaet er ons soetelief mee!”

zodoende enige patronaten van de heilige onbewust aan elkaar koppelend! Het werd een glorieuze ‘happening” en de markt bleef bestaan tot 1836. Wonderbaarlijk is de levende kracht waardoor de steeds zich wijzigende gestalte van St.-Nicolaas zich openbaart. In de middeleeuwen komt meer en meer zijn tegenspeler, de duivel, op het plan, wat zeker een herinnering is aan zijn vermogen deze uit te drijven, maar wat ook direct samenhangt met de tijd van het jaar, waarin zijn feest wordt gevierd. Daar waren de beruchte St.-Niklaasommegangen, wan­neer hij omgeven door hele horden van duivelse per­sonen, onder een waarlijk hels spektakel door de dorpen trok, zoals nog op onze Waddeneilanden voor­komt en waar het “makkers staakt uw wild geraas!” werkelijk nog van pas is. Zulke schrikaanjagende optochten, zelfs met dierenmaskers, zijn ook in Beieren, Salzburg, Zwitserland (het Klausjagen), Bohemen en Stiermarken nog steeds in zwang. Zij zijn een herinnering aan de Germaanse wilde jacht van Wuote Wude of Wode (de woedende) die de onverloste zielen aanvoerde, en onheil trachtte te brengen over het in de akkers slapende zaad.

In de verwarring, die de reformatie meebracht, ging de gestalte van St.-Niklaas zelf onder in deze woeste drom en zijn naam werd zelfs op de duivel overge­dragen. Zo kennen wij in Engeland Old Nick, in Oos­tenrijk de Nicolò en in Vlaanderen Klaai den duvele. Bij ons was  zulk een kwalijke vergissing niet mogelijk maar wel zag men in zijn knecht, die oorspronkelijk zelf in de ketting was geklonken, waarmee hij nu zo gaarne vervaarlijk rammelt, Pieterman of Pietje Pek, de duivel. In dit overwinnen en dienstbaar maken van de duivel, die nu als Piet-de-knecht vol ijver en toewijding dient, verrast ons in de ‘Hollandse” St.-Niklaas een merkwaardig Manichaeïsch element. In Zwitserland zegt men: “bei jedem Chlaus muss ein Tüfel drin” (in elke kerk heeft de duivel zijn kapel) en het zwart is niet zozeer het roet van de
schoor­steen, dan wel dat van de hel. In onze streken echter zijn Chlaus en Pieter, ondanks Spaanse invloeden, de beste vrienden geworden.

Zo verschijnt ons  St-Nicolaas, vanouds her met de elementen verbonden, hetzij op de stoomboot over het water, hetzij hoog in de lucht op de daken, aan het vuur van de huiselijke haard waar, mocht dit ont­breken, de schoorsteen nog steeds die bijzondere rol speelt, of hij verschijnt in de straten, hoog op zijn witte schimmel, het traditionele rijdier der pausen en prelaten. Zo staat hij daar, aan de drempel van de adventstijd, groot en stralend, in een glans van goedheid, maar ook streng vermanend, met zijn boek, waarin hij alles,wat er gebeurd is, kan lezen. Naast hem de kleinere, donkere gestalte: Piet, zijn zwarte knecht. Eigenlijk spreekt het vanzelf die aan zijn zijde te vinden, want de hoge heren in Spanje hadden altijd negerjongens als bedienden. Maar vroeger noemde men ieder, die een donkere huid had een Moor, ook de Arabieren waren “Moren”.

Nu was het juist in de eeuw van Thomas van Aquino, toen het Arabisme zijn grootste macht ontplooide, dat ook de Sint-Nicolaascultus zijn hoogtepunt be­reikte, vooral door het patronaat der kloosterscholen. Het nog steeds wat strenge, examinerende karakter van zijn bezoeken,  zoals wij die nu nog beleven, da­teert uit de tijd, dat hij op precies dezelfde manier de kloosterscholen bezocht, de jongens het Onze Vader liet opzeggen, veel lekkers bracht en geschenken, en de catechismus overhoorde naar schoolgebruik. In deze eeuw werd hij ook langzamerhand de patroon van de kleine kinderen en van het gezin. Zo kunnen wij, juist omdat hij bij ons Sint-Niklaas-uit-Spanje is, in de hem nu dienende knecht, die vroeger zelf geketend was, een symbool zien van het overwonnen Arabisme-een beeld, dat naar de toekomst wijst. Interessant is in dit verband, dat Sint voor de kinderen drie speciale prentenboeken meebracht om in de schoen te stoppen: “Fortunatus’ beursjen”, natuurlijk in verband met de jonkvrouwenlegende, “de amadysche grouwelen” (een Spaanse ridderroman over de koningszoon Amadys en de Engelse prinses Oriana) en verder “Blancefloer”, die dus uit haar vaderland Toledo ook was meegekomen! Flos wordt niet vermeld, maar de toespeling op deze graalslegende, die in de eerste helft van de 13e eeuw in het Nederlands werd vertaald, werpt een nieuw licht op onze bisschop uit Spanje!

Gelukkig hebben wij in Nederland hem niet, onder invloed van de Hervorming, als Santa Claus of Kerst­man verwikkeld met het eigenlijke Kerstfeest. Nee, hij hoort daar, aan het begin van december, als de stormen heersen op zee en in de lucht, want in onze tijd jagen de Wuotisscharen der gestorvenen wilder en radelozer dan ooit en ook “de boze geesten comen ons aan,….zij zouden ons geerne verdrincken”, maar juist dan, in die tijd van chaos en tegenstand, die zo kenmerkend is voor het begin van advent, komt hij ons te hulp, die zowel de elementen in de natuur als de zielenstormen van oudsher weet te bedwingen. Daartoe heeft hij in onze tijd zijn witte paard van node. Is het een Arabische hengst? Het voert ons niet in een barre woestijn, het heeft de kracht zich te verheffen in een hogere wereld.
Men wil in het klaar­zetten van haver en brood een reminiscentie zien aan het Germaanse offer van de laatste schoof, evenals in het bakwerk, dat in de vorm van de godheid gebracht werd en nu, als speculaas, de afbeelding van de Speculator is geworden.
Wij willen hier niet verder op ingaan, ons aan het heden houden en bekennen, dat het ons innigste streven is in nieuwe zin haver en water bij de schoorsteen te offeren, in de hoop, dat ons eigen nog zo Arabische paard zal leren zich te ver­heffen boven ons eigen (schedel)dak.
Met hoeveel vreug­de werpt Sint bij zulk een poging, zo niet een volle zak, dan toch minstens een paar goudstukken uit zijn “heilige rijkdom” door die donkere schoorsteen in onze schoen! Hij wil immers, dat wij mensen langzamerhand zijn medewerkers worden, zelfs dat wij zijn ambt van rechter overnemen, waardoor wij in de donkerste tijd van het jaar, waar wij zo graag in ons zelf kruipen, gedwongen worden nu zelf Speculatores te worden en met een echte, innige belangstelling onze medemensen gade te slaan, “toe te zien” én hierdoor veel te ontdekken, goede en zwakke zijden, die wij hem dan met genoegen onder de neus wrijven, maar steeds met dat kenteken der bewustzijnsziel, met humor en….nooit anders dan in rijm en ritme.

Het zou geen zin hebben elkaar in proza de waarheid te zeggen, wij moeten haar verdichten….dichten!
Wat een verrijking en verinnerlijking van het feest, al die surprises en rijmen! Wat een fantasie en warmte roepen zij in ons wakker, een reinigende kracht, die tot een werkelijke voorbereiding van het Kerstfeest kan worden.Veelal wil men het Sint Nicolaasfeest uitsluitend zien als een feest voor kinderen, maar juist deze plagerijen wijzen er op, dat Sint Nicolaas, de kindervriend, ook ons volwassenen de weg kan wijzen naar het Kind.

Natuurlijk kan men nu vragen, wat heeft dit alles nog van doen met de Byzantijnse bisschop uit de vierde eeuw? Het is immers allemaal schijn geworden, er zit niets meer achter!  Inderdaad is “de Sint” bij ons volkomen identiek geworden met zijn feest, maar dat hebben feesten met kunstwerken gemeen, dat zij léven in de schijn.

Wij doen er goed aan, niet te veel te filosoferen over wat dat feest nu eigenlijk betekent, het zou abstracte wijsheid worden. Het staat allemaal veel duidelijker en beter in dat grote boek, waarin hij alleen kan lezen. Wij doen er ook goed aan niet te veel te moraliseren. Sint zou daardoor te menselijk worden, misschien zelfs….met de trekken van een schoolmeester, en dat zou hem beledigen.
Nee, hij is precies dat wat hij schijnt….en daardoor is hij van een zo betoverende schoonheid! Er zit inder­daad niets meer achter, heel zijn wezen leeft zich uit in zijn verschijning en door die verschijning voelen wij een diepe bevrediging. Een bevrediging, die de mensen altijd hebben gevoeld als ze iets mochten benaderen van de oeroude, heilige drie-­eenheid, die wij kennen als Wijsheid, Schoonheid en Deugd.

In deze zin, meen ik, moeten wij hem hoog in ere houden.

(Johanna Knottenbelt. Met toestemming overgenomen uit: “Mededelingen” nov. 1966. in een schoolkrant van de vrijeschool Den Haag)

*figuur in Steiners ‘Mysteriedrama’s’

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

.

309-289

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (7)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – St. Nicolaas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s