Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (33)

.
Noor L.Roes, nadere gegevens onbekend
.

Jaarfeesten

Langzamerhand moeten de jaarfeesten een herinneringskarakter krijgenl.’ [1]*
“Een jaarfeest vieren gaat niet vanzelf, het moet worden voorbe­reid.’ [2]

Zijn dit tegenstrijdige uitspraken? Is een herinnering iets wat voorbij is? Wat valt er te vieren aan een herinnering? Alles!

Juist herinneringen die we levend willen houden, worden gevierd. Heel
dicht­bij kunnen we dat vinden: de verjaardag. Door dit elk jaar te vieren, wordt de herinnering aan de geboortedag levend gehouden – en wordt het bewustzijn voor die dag opgeroepen.

Waarvan zijn de jaarfeesten nu de herinnering?

“Vroeger waren het feesten, waarbij de goddelijke wereld zich gaf aan de aardse mensheid, waarbij de mens de gaven van de hemelse  machten rechtstreeks ontving’. [1]

De mensen stonden daar vroeger voor open; er was een vanzelfsprekend gevoel voor de aanwezigheid van geestelijke wezens. Ook beleefde de mensheid in oude tijden de natuur anders dan wij dat tegenwoordig doen: men ging er in mee, liet zich drijven op de stroom van het jaar.

In de huidige tijd zijn wij van de natuur geëmancipeerd, met alle voor- en nadelen die daaraan verbonden zijn.

“Toch kunnen ook wij het jaar nog beleven als een soort levensloop.” [1]

“Maar omdat ons tegenwoordige bewustzijn is veroverd ten koste van het bewustzijn van onze samenhang met de kosmos, kun­nen wij nu beleven dat we vrije mensen zijn met een vrij innerlijk leven, moeten we uit onszelf kruipen – en onze relatie met de kosmos hervinden. We moeten innerlijk weer gaan begrijpen wat de kring­loop van het jaar voor de mens kan betekenen.” [1]

Als Rudolf Steiner over de  jaarfeesten spreekt, gaat het over de vier grote jaarfeesten:

Kerstmis                                                                                              –    midwinter

Pasen                                                                                                    –    voorjaar

Johannesfeest                                                                                   –    zomer

Michaël                                                                                                –    begin van de herfst

Dat wil niet zeggen, dat er geen andere momenten in het jaar zijn, die we kunnen vieren. Dat doen we ook. Denkt u maar aan de optochten die we houden met St.- Maarten en Palmpasen. Maar als we over dé jaarfeesten spreken, wor­den genoemde vier bedoeld.

Het zijn feesten, die oeroud zijn – momenten, die altijd belangrijk zijn geweest in het jaarverloop. Later zijn ze gekerstend en kregen daardoor een ander accent. En in de laatste tijd is het Rudof Steiner geweest, die aan deze feesten een geheel nieuwe dimensie heeft toegevoegd; men zou kunnen zeggen, dat door de inhoud die hij door de antroposofie eraan heeft gegeven, er een metamorfose is opgetreden in het beleven van de jaarfeesten.

Daarbij komt, dat het Michaëlsfeest (29 september) – al staat deze dag al eeuwen in de christelijke heiligenkalender – als feest volkomen nieuw is. En toch herinneringsfeest?

“Omdat de mens in zichzelf het vermogen bezit om tot de diepere betekenis door te dringen, moeten de jaarfeesten herinnerings­feesten zijn, waarbij de mens in zijn ziel grift wat hij innerlijk volbrengen moet.” [1]

De jaarfeesten ‘overkomen’ ons niet.

Het zijn geen vanzelfsprekende gebeurtenissen, waar je vanzelf in meegaat. Ieder feest moet steeds opnieuw door ieder mens gemaakt worden, waar gemaakt worden, werkelijkheid worden.

“We moeten ons innerlijk eigen maken wat vroeger door het natuur­gebeuren tot uitdrukking kwam.” [1]

Anders gezegd: wat vroeger in ‘het natuurgebeuren onmiddellijk tot de mens sprak. Misschien zou je kunnen zeggen, dat wij weer in het ‘boek der natuur’ moeten leren lezen.

Sinds 2000 jaar, sinds het mysterie van Golgotha, betekent dit, dat we de aarde zouden moeten zien als de plek waar Christus verblijf houdt, waardoor ook de natuur ‘doorchristelijkt‘ is.

“De Christus heeft zich na de opstanding met de mensheid verbon­den, hij leeft niet alleen in bovenaardse sferen, hij leeft in de aarde, in de ontwikkelingsstroom der mensheid.” [1]

Christus heeft zich verbonden met de mensheid.

Maar ieder mens zal zelf zijn verhouding moeten vinden tot de Christus. De mens is vrij – hij wordt niet gedwongen.

Het gaat niet vanzelf – hij kan uit eigen vrije wil antwoord  geven op de dood en opstanding van Christus.

En ieder van de jaarfeesten geeft daartoe steeds weer de gelegenheid. Het Michaëlsfeest, het feest van de toekomst, zoals Rudolf Steiner het noemt, is het feest van de innerlijke moed. Met de Michaëlskrachten kunnen we de herfst ingaan, zonder ons mee te laten voeren in de neergang der natuur, maar staande te blijven in het stervensproces, terwijl we het wél meedenken! Levende krachten plaatsen tegenover de doodskrachten; het geestelijke zijn plaats geven tegenover de materie. Dan kan het Kerstfeest beleefd worden als een nieuwe geboorte van het Ik ~ de geest in de menselijke ziel.

Pasen, het feest van de opstanding, waarin we kunnen beleven dat de geest de dood werkelijk overwint. De hele natuur is er het beeld voor, dat uit alles wat leeft, nieuw leven ontstaan kan.

Johannesfeest  in de zomer: de tijd, waarin de aarde zich uitbreidt en de hemel dichterbij komt. Je hebt het gevoel alsmaar te ontvangen. Maar, ter­wijl in oude tijden de mens zich liet ‘meedrijven’ en meevoeren in dit zomerse beleven, moeten we nu beseffen wat we beleven, het bewust maken.

Zo moeten de jaarfeesten ‘herinneringsfeesten‘  zijn; ze hebben hun oorsprong in lang vervlogen tijden, toen de mensheid nog werd geleid door de
mysterie­leraren, die wisten‘ dat de zonnegeest de aarde naderde. De feesten zijn gebleven, maar moeten werkelijk door-christelijkt’ worden, waardoor ze een nieuwe inhoud kunnen krijgen.

“De monumentale uitspraak, die het fundament moet zijn voor alle jaarfeesten, dus ook voor die feesten, die opnieuw inhoud moeten krijgen, luidt: “Doe dit te mijner gedachtenis”.

Daardoor krijgen de jaarfeesten een herinneringskarakter. Zoals alles, wat in de Christusimpuls besloten ligt, levend moet doorwerken, nog vorm moet krijgen en niet slechts mag worden be­schouwd als een historisch gegeven, zo moet ons denk- en gevoelsleven ook van deze gedachte zijn vervuld. We moeten begrijpen dat – hoewel de mens verandert – de jaarfeesten een rol moeten blij­ven spelen in ons leven en dat ook deze feesten een metamorfose moeten ondergaan”.

Bij het vieren van de jaarfeesten op school gaat het – voor de kinderen om de beleving, niet om het weten. Als er verhalen worden verteld, komen daarin, beelden naar voren, die het karakter van het jaarfeest aanduiden; het verhaal hoeft niet noodzakelijkerwijs over het feest te gaan. of over de inhoud ervan. Als volwassenen moeten we ons met de inhoud bezig houden om het feest voor de kinderen beleef baar te maken – misschien hopend, dat ook zij later nog iets kunnen toevoegen aan de beleving die ze er in hun kindertijd aan gehad hebben.

In de klas proberen we iets van het jaarverloop zichtbaar te maken door de mooie tafel‘ bij het seizoen te laten aansluiten.  Op die manier streven we ernaar, van dag tot dag iets zichtbaar te maken en tot beleving te brengen van het spirituele in de natuur. Steeds weer volgt dan de culminatie in het jaarfeest, dat tegelijk een keerpunt is; na elk jaarfeest begint weer iets nieuws.

Zo beleven we het jaar in grote bogen, van feest naar feest.

 

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten.
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Henk Sweers: Jaarfeesten
Marieke Anschütz: Omgaan met de jaarfeesten

*De verwijzingen zijn niet exact aangegeven!

(1) De vier jaarfeesten”   : blz.   91; 90; 75; 74; 90; 32.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

577-530

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (32)

.
(Martine Leicher, nadere gegevens onbekend)
.

SINT JANSFEEST VIEREN MET KINDEREN

Het Sint-Jansfeest leefde vroeger in de volksgewoonten. Daarvan getuigen de oude verhalen, gedichten en liederen: zie Guido Gezelles voorwoordje bij het Sint- Jansvier’:

“Men maakt hedendaags nog Sint-Jansvier te Kortrijk, te midzomer, op Sint-Jan-Baptistendag: men danst en zingt erbij oude volkslie­deren.” (1894)

Deze feesten zijn verdwenen. Daarom zegt het een kind niet veel, als we over het Sint-Jansfeest spreken, terwijl het bijvoorbeeld met het kerstgebeuren wél diep verbonden is. Hoe innig wordt er niet Jozef en Maria met het Kindje gespeeld in de klas. Het paasfeest is het feest met de paashaas; sommige kinderen tekenen het hele jaar door eitjes in de lucht, in een mandje of tussen het gras.

Kerst en Pasen (ook Sint-Nicolaas, Driekoningen enz.) leven in ons, ook al is het nog maar amper meer. Het kind erft deze verbondenheid over.

Maar hoe is het met het Sint-Jansfeest? Hier valt niets meer te erven. Het is pas als wij als volwassenen ons weer zullen verbinden met het wezen van Sint-Jan, de Doper, dat het kind door het feest zal ‘gegrepen worden.

Eigenlijk leeft een kind zich van nature uit in voorjaarsstemming. Een gezond kind is blij, vrolijk, dartel, beweeglijk in vergelijking met de nuchtere volwassene.
Wat doet de natuur ? De lente wordt zomer, zomerse volheid die zwoel wordt, het eerste onweer breekt los.

De eerste sporen van de herfst worden zichtbaar. Dit is echter niet des kinds: slechts met het wakkere waarnemen wordt de ommekeer in de natuur rond de zomerzonnewende zichtbaar. Alleen, wie met interesse de bomen en struiken gadeslaat, ontdekt de Sint-Jansloten. Zo is het ook voor het begrijpen van de figuur van Sint-Jan de Doper. Slechts wie ernstig probeert de gebeurtenissen op Golgotha rond de tijdswende in zich tot leven te brengen, ontdekt stapvoets iets van het wezen van Sint_Jan.

Eigenlijk is het verborgen. Met veel wilskracht moet men ernaar op zoek gaan.

Door het feest van jongsaf aan met de kinderen te vieren, leggen we al
een kiempje zodat ze later de aankondiger van Christus’ zouden kunnen
herkennen.

Het eerste wat het kind ervaart, is hoe wij over het feest spreken. In onze woorden hoort het onze verbondenheid en in evenredige mate ons enthousiasme voor het feest.

De voorbereidingstijd is even belangrijk als het feest zelf: vreugde­vol wordt ernaar uitgekeken. Een kind dat het feest nog niet meege­maakt heefthoort over het vuur spreken en kan zich dat niet voorstel­len. Dan komt de dag van het feest !

Wat moet het niet beduiden voor een kleuter om s middags een dutje te
moeten doen zodat hij s avonds laat op kan blijven ! Tegen de avond vertrekken met hout voor het vuur en een lekkere picknick. Dan wordt het donker op de weide of in het bos en het grote vuur wordt aangestoken. Voor kleine kinderen is dit soms té overweldigend, zodat ze hun oogjes dichtknijpen en toch even moeten wennen. Het moet zalig zijn om het donker te voelen‘ worden tussen de warme kring van vuur en mens en mens en mens en mens…Warmte en dans en zang verbinden. Dan komt de tijd om tussen vader en moeder over het smeulende vuur heen te springen. Dan stilletjes de wacht houden tot het vuur helemaal uitgaat, terwijl het gezang wat rustiger wordt en de nacht zegent. Helemaal in een deken gerold zachtjes indommelen of wakker blijven tot het gezang wordt overgenomen door de vogels die het eerste zonlicht verwelkomen.

Deze mooie ervaringen kunnen in het sluimerende kinderzieltje
samen­smelten met de naam van Sint-Jan. De eerste kiem tot het begrijpen van de opdracht van Sint-Jan de Doper is dan al in het kind gelegd. Het lang opblijven is daarmee voor één keer wel gerechtvaardigd ! Daarenboven moet het toch onvergetelijk zijn om s nachts naar de sterretjes te mogen kijken in open veld!

Aan kinderen die al wat ouder zijnkunnen we de goed zichtbare planeten en de sterrenbeelden tonen.  De grote zomersterrenbeelden zijn de zwaan, de lier en de arend die zich in de melkweg bevinden, die zachte lichte schijn in de zomerhemel die waar te nemen is met het blote oog. De kroon, de slang en nog vele andere kun je gemakkelijk ontdekken…

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

576-529

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (31)

.
J.v.d.Stok, nadere gegevens onbekend
.

ZOMERFEEST, JOHANNESFEEST

Realiseren we ons, wanneer we het zomerfeest vieren, dat het ook een Johannesfeest is?

Zomerfeest: zolang de zon op en onder gaat en mensen dit kunnen waarnemen, is op het hoogtepunt in de zomer de langste dag gevierd.
Met rituele, ceremoniële handelingen beleefde de mens vanaf de vroegste tijden de keerpunten in het jaar. Midwinterzonnewende – zomerzonnewende – en in het voor-en najaar dag- en nachtevening. Geopend voor de kosmische realiteiten, was de mens in gesprek met leidende goddelijke machten, voelde zich op aarde geleid. Hemel en aarde waren een eenheid, heelheid. Intensief werden de gangen door de seizoenen beleefd, een meeademen met de aardeziel van binnen naar buiten, van winter naar zomer, en van buiten naar binnen, van zomer naar winter.

Nog altijd kunnen wij ieder jaar dit proces mee vervolgen:

Midwinter: de aarde ligt als vaste, fysieke gestalte onder onze voeten. Moeder aarde is een bezield, levend organisme zoals wij mensen. In volle werkzaamheid heeft ze in de zomer de aardeziel totaal uitgeademd, de kosmische realiteiten in zich opgenomen, om vervolgens bij het inademproces de essentie in volle concentratie mee te voeren naar de midwintertijd in het aardelichaam. Om daar totaal ingekeerd, bij zichzelf, een nieuwe lichtgeboorte te voltrekken. Het Christuswezen, meegevoerd in deze adembeweging, impulseert mede vanuit dit ge­boortemoment al het levende en werkzame, tegen de zwaartekracht in, in een nieuwe uitademing naar buiten.

Lente: dan breekt de ijskorst, smelt de sneeuw en in de schijnbaar dode materie wordt het eerste leven zichtbaar.
Water-, sapstromen stuwen omhoog, hiërarchische machten vormen in alle groene kleuren de eerste natuur. De omgeving wordt geschonken, een leven in de etherwereld. Groei. Dan volgt de bloei: bloemen openen zich in alle bonte kleuren voor de bevruchting. Maximaal is de natuur de kosmische zonnewarmte tegemoet gegroeid. Insecten, gedragen op warme luchtstromen, voltrekken vanuit een onbewuste astraliteit de bevruchting.
En dan volgt het vurig opvlammen van het vruchtbeginsel, opdat de heelheid kan ont­staan, de eenheid. Vruchten, zaden worden gevormd, het leven gaat voort.

Zomer: de aardeziel is uitgestroomd, doordringt de macrokosmos, een met de elemen­ten. Hemel en aarde doordringen elkaar. Het macrokosmische Christuswezen omarmt het aardelichaam. Heelheid.

Wij mensen in onze tijd volgen deze gang minder of meer; eerst een raam open, dan een deur naar buiten, voor de eerste zonnestralen, het balkon, de tuin, de vakan­tieplannen, de zomervakantie.
Ook onze ziel ademt uit, we overschrijden grenzen; lichamelijk, we richten ons steeds weer naar buiten, worden zintuigmens, natuur­mens; we verlaten ons huis, overschrijden landsgrenzen, taalgrenzen, gewoonten, en gaan op in de elementen van aarde, water, lucht en vuur. Ieder zoekt, verlangt naar z’n eigen omgeving; bergen, bossen, zee, strand, lucht, wind, zon. We willen die stappen door de seizoenen doen en buiten onszelf komen, zo bewust mogelijk, om deel te worden van de macrokosmos.

Vrije vertaling van de 12e weekspreuk van Rudolf Steiner,
Sint Jansstemming:

De schoonheidsglans der wereld,
dwingt mij om uit zielendiepten
de godskrachten van het persoonlijke leven
vrij te maken voor een wereldvlucht;
Mezelf te verlaten,
slechts in vertrouwen mezelf te zoeken
in wereldlicht en wereldwarmte.

Of samengevat; jezelf verliezen, verlaten, om jezelf te vinden. Wanneer het ons lukt door de seizoenen heen de stappen van opstanding, groei, bloei, bevruchting, te maken, kunnen we opgaan in de elementen, beleven hoe het venster naar de andere wereld openstaat. We kunnen raken aan onze eigen oorspron­kelijkheid, in ons alledaagse menszijn één worden met ons hogere menszijn, dat deel is van het macrokosmische Christuswezen. Héélworden.

Maar de huidige mens is vervreemd van de gang met de natuur. We hebben zelf de leiding van aarde en mensheid in de hand genomen. Scheiding van hemel en aarde trad op, de mens kruisigde zichzelf meer en meer in de materie. We richten de blik niet meer omhoog en leven in het horizontale. Gevolg is, dat dat de gekruisigde mensheid op eigen kracht geen redding meer kan brengen. Daarom incarneerde 2000 jaar geleden een goddelijk wezen op aarde in een fysieke gestalte, om ons vóór te leven hoe we uit de materie weer op kunnen staan, en hoe de weg in een verticale beweging omhoog naar de toekomst gegaan kan worden. Momenten uit dat leven geven de stappen aan op deze weg: de christelijke feesten geven ons naast de gang door de seizoenen, een nieuwe mogelijkheid: met bewustzijn op weg te gaan, om aarde, en mensheid te redden.

Kerstmis:
De fysieke mens Jezus van Nazareth wordt zichtbaar op aarde ge­boren. Een fysieke mensengestalte.

Pasen:
Het Christuswezen overwint de materie, werkt de lichamelijkheid om tot een nieuwe, zichtbare, goddelijke lichamelijkheid.

Hemelvaart:
Het opstandingslichaam, verwijdt zich, breidt zich uit, vult de gehele etherwereld, het gebied van de tussenruimte, het levens­gebied, om daarin werkzaam te worden.

Pinksteren:
Het bewustzijn voor deze werkzaamheid van de heilige (helende) geest is als het waaien van een machtige wind rondom. Dit bewust­zijn van de geestwind deed de harten opvlammen en gaf de mogelijk­heid om vanuit het wezen ervan de waarheid te spreken.

Zomerfeest:
Bevrucht worden door deze werkzaamheid.

Johannesfeest:
In al het levende en werkende rondom is dit de helende kracht die hemel en aarde weer wil verbinden, die de mens tot mensheid wil maken, en de dagelijkse mens zn hogere menszijn wil laten vinden.

Daarmee komen we bij het Johannesfeest.

1. Wie was Johannes de Doper?
2. Wat was zijn boodschap?
3. Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

1.
Johannes 1:6 “Er is een mens geworden van God gezonden, zijn naam is Johannes.”

De taal die Johannes de Evangelist gebruikt wordt door Rudolf Steiner ook wel mys­terietaal genoemd. De naam Johannes, die ‘Ik-drager’ betekent, is dan een soort­naam voor allen die tot nieuw leven gewekt kunnen worden.

Johannes was in de voorchristelijke tijd de laatste profeet die voorbereidend heeft gewerkt voor de komst van Christus.

Mattheus 11:14′ “Want alle profeten en de wet hebben voorbereidend gewerkt tot aan Johannes toe en indien gij het wilt aannemen: hij is Elia, wiens komst men verwacht.”

Elias was de vorige incarnatie van Johannes. Hij was het omvattende, doordringende geestelijke Vaderwezen van Israël, de groepsziel boven het volk. In Johannes de Doper treedt deze grote, sferische geest in een afzonderlijke mens binnen. Johannes was een eerste Ik-mens, Ik-drager. Hij had nog wel de mogelijkheid om met zijn volk de goddelijks stem in de elementen te horen, maar ook in zichzelf. Zo begon de gewetensstem te spreken.

2.
Wat was zijn boodschap?

Johannes had als opdracht om als de laatste profeet de nieuwe weg te betreden, om als beeltenis van God te getuigen van het licht dat in de wereld wilde komen. (1:7)
Hij moest de Ik-geest die nog boven het volk zweefde in de mensen laten afdalen en bewust maken. Hiermee moest hij vanuit het oude wereldprincipe de overgang naar een nieuwe mensheidsgeschiedenis zichtbaar maken. Dat deed hij door middel van de doop. Hierbij werden de mensen zolang ondergedom­peld, dat zij aan de grens van de dood kwamen. Daardoor was een terugblik op het leven mogelijk. Vanuit deze terugblik werkte Johannes aan een nieuwe toekomst.
Markus 1:7   “Na mij komt die machtiger is dan ik. Ik heb u gedoopt met water. Hij zal u dopen met Heilige Geest.”

3.
Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

In het leven van Johannes is het motief: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.”(3:30) Hij, Johannes, die door de tijden heen tot grote hoogte is meegegroeid, moet af­nemen, opdat Hij, die klein geboren is, naar de toekomst tot grote hoogte groeien kan. Johannes was de grootste, oudste mens; groot heeft de schilder, met helder­ziende blik, hem afgebeeld.

Mattheus 11:12. “Onder allen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opge­staan dan Johannes de Doper, en de kleinste in het rijk der he­melen is groter dan hij.”

Zijn naamdag is 24 juni. Dan is de aarde op z’n grootst, de aardeziel is helemaal uitgeademd. Wij mensen zijn meegegroeid naar deze hoogzomertijd en vieren, opgaand in de elementen, ons zomerfeest. Daarin wakker te blijven, bewust de momenten te beleven, waarin we raken aan ons zeIf, dat is wat Johannes van ons vraagt. Beseffen dat de tijd keert en we met alles wat we in de zomertijd aan ervaringen opdedenons moeten richten op een inkeer naar de midwintertijd, waarin alle zomerse erva­ringen in volste concentratie in onszelf een nieuwe lichtgeboorte tot stand kunnen brengen.

Hij die klein geboren is, moet naar de winter toenaar de toekomst toe, in de mens, in de mensheid, tot grote hoogte groeien.

“Verander uw zinnen, want het hemelrijk is nabij. “

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten
Rudolf SteinerVoordrachten over het Johannes evangelie
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Johannes Hemleben: Evangelist Johannes
Johanson: Johannes, Stufen christlicher Entwicklung
Serge Prokofieff: Ewige Indidividualität
Greiner: Christus-Künden
.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

575-528

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (30)

.

Nadere gegevens onbekend
.

JOHANNES DE DOPER

“Hij moet groeien, ik’ moet afnemen”

Dit was de lijfspreuk van Johannes de Doper, wiens feest we vieren als de zon haar hoogste punt voorbijgegaan is. 24 juni is de geboortedag van Johannes.

20 juni:  het hoogtepunt van de natuur (in de tijd van Johannes viel de zomerzonnewende nog op zijn geboortedag).

De natuur treedt buiten zichzelf. Alles lijkt zo vol. Als mens heb je het gevoel opgenomen te worden in de warmtegloed, waaraan ook de natuur
beant­woordt. Het prille lentegroen is uitgegroeid tot volle blader- en
bloemen­pracht. De vruchten zijn klaar om te rijpen. Ook de mens wil naar buiten. In de Germaanse tijd leefde de mens nog helemaal mee met het ritme van de kosmos. Als dan in de zomer de natuur naar buiten trad, ging de mens met haar mee. De mens raakte ‘buiten zichzelf. In deze tijd kregen de druïden hun goede ingevingen.

Later, en nu nog, werden er grote vuren ontstoken waar de mensen omheen dansten, waar ze doorheen sprongen en waar ze hun vee doorheen joegen. Ze deden dit om bevrijd te zijn van demonen en beschermd te zijn tegen onheil.

Het oerbeeld van de belichaming van de mens die nog helemaal in harmonie leeft met de grote kosmos is wel Johannes de Doper. Zijn geboortedag viel in de tijd van de zomerzonnewende.

Hij maakte zijn groei naar de geboorte door terwijl de zon haar opwaartse cyclus doorliep en terwijl de aarde ook haar groei doormaakte. In de geschiedenis van de mensheid tekenen zich personen af, aan wie wij een overeenkomst met die zomerse extase van de aarde kunnen aflezen: mensen die boven de zuiver menselijke afmetingen uitgroeien tot een boven­menselijke dimensie, zoals de aarde in de zomer boven haar aardse afme­tingen. De laatste van deze mensen was Johannes de Doper.
Veel eerder was er ook al een persoon geweest die dezelfde krachten met zich meedroeg als Johannes. Dat was de profeet Elias. Hun levens vertonen bijzonder veel overeenkomsten.
Wanneer we Johannes op afbeeldingen zien, wordt hij vaak groter afgebeeld dan de normale‘ menselijke gestalte.

Tegenover dit alles staat de koude wintertijd. De natuur heeft zich hele­maal teruggetrokken.
In deze tijd, de tijd van de winterzonnewende, wordt Christus geboren.
Hij maakt zijn groei door terwijl de zon haar neerwaartse cyclus doorloopt.
Christus en Johannes ontmoeten elkaar al zeer vroeg. Beiden zijn nog in de moederschoot. De Bijbel vertelt dat wanneer Maria en Elisabeth elkaar
ontmoeten, het kind opspringt in de schoot van Elisabeth.
Enige tijd later wordt Johannes geboren. Over de jaren daarna wordt niet
meer gesproken.
Als de tijd rijp is, vindt de volgende ontmoeting plaats tussen Johannes en Jezus. Het is dan dertig jaar later.

Johannes die de zomergave bezat, hield deze niet voor zichzelf maar wist deze door de doop over te geven aan de ander. Toch wees hij de mensen steeds op degene die nog moet komen, (ik doop u met water, maar Hij zal u dopen met de heilige geest. Ik ben het niet waard zijn sandalen los te maken).

Johannes bezat de gave van de oude mens, die door de extase buiten zichzelf kon raken.
Tot het moment van de doop in de Jordaan waarop hij het oude offert en het nieuwe laat groeien.
‘Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en zag hij de Geest Gods neerdalen in de gedaante een duif en over zich komen.’ (Mattheüs 3, 13-16).
Jezus van Nazareth die niet meer de godenwereld buiten zich zoekt, maar in zich laat opleven.
Daarom zegt Johannes: ‘Ik (hij die het groeien van nature in zich draagt) moet afnemen opdat hij (die dat principe van natuurlijk groeien niet in zich draagt, het geestelijke groeien wel – Christus Jezus) kan groeien.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

574-527

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (29)

.

Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, *datum onbekend
.

HET VIEREN VAN DE JAARFEESTEN
.

Groen, groen en nog eens groen in al zijn kleurschakeringen: de zomer komt er aan. Ook al is het statistisch gezien de koudste juni-maand* van deze eeuw, toch is de natuur op zijn hoogtepunt, alles staat in bloei en het groen van het blad gaat overheersen. Regen of geen regen, eenmaal buiten dwingt de aarde tot het plukken van grote bossen bloemen voor op de jaartafel. Het rijpingsproces van de zaden en vruchten wacht op de warmte van de zomer­tijd. In de zomerzonnewendetijd staat de zon op zijn hoogste punt en met zijn warmte rijpen de vruchten, zij bevatten dan de kiem van het nieuwe le­ven van plant of boom. In de zaden of vruchten is deze kiem niet aantoonbaar of aanwijsbaar aanwezig, maar ieder mens weet van het mysterie van bv. de graankorrel, waar in het volgend jaar weer opnieuw dezelfde plantenvorm uit tevoorschijn ‘groeit’.

Precies een half jaar na de kerstnacht (24 december), vieren wij op 24 juni het Sint-Jansfeest. In ons huidige midzomerfeest, dat genoemd is naar Johannes de Doper, vinden we vele gebruiken en betekenissen terug van de zomer­feesten uit diverse culturen.

In oude tijden vierde men dit feest met dans, zang en het voordragen van een­voudige verzen. Dansend en zingend maakte men zich los van het dagelijks leven, van de verbondenheid met de aarde. Met dit ‘vieren’ onder de warme zon stelden de mensen zich open voor de kosmos en wat zich daar allemaal in af­speelde. Men stelde daarmee vragen aan de goddelijk-geestelijke wereld. Wie vraagt moet ook kunnen luisteren en ‘luisterend’ ontving men dan antwoord uit de hemel, een kiem waarmee men de kracht kreeg innerlijk zichzelf te voelen. Gesterkt kon men dan de winter tegemoet gaan, de tijd waarin de mens zich met moed weer een weg door het leven op aarde moet banen. Ook herkennen we gebruiken uit de oude Germaanse zomerfeesten. Op de avond van de langste dag, als daarna de zon weer iedere dag korter en lager aan de hemel zal staan, worden grote Sint-Jansvuren aangestoken. Dansend en springend over het vuur ontving men vroeger kracht voor de donkere tijden en de midzomernacht had een soort toverkracht, de dromen in die nacht brach­ten beelden van bijzondere betekenis, die een ommekeer veroorzaakten in het leven daarna.

Op 24 juni valt de geboortedag van Johannes de Doper, naar wie het zomer­feest, dat wij op school vieren, genoemd is. Zijn leven, een half jaar eerder begonnen dan dat van Jezus van Nazareth, stond in het teken van dienstbaar­heid en het veroorzaken van omwentelingen in het leven van anderen. Met de doop in de Jordaan bevrijdde hij, door onderdompeling in het stromende water, de mens van zijn zonden. Daarna was men vrij voor het ontvangen van een nieuwe impuls in zijn leven. Johannes wees ieder daarbij de weg naar een onzelfzuchtig handelen in alles wat zij tegenkwamen.
Ook Jezus wordt gedoopt door Johannes, als zij beiden dertig jaar oud zijn. Jezus ontvangt dan het wezenlijke zijn van de Christus. Hij leeft dan nog drie jaar, voordat hij sterft aan het kruis. Johannes zelf werd meteen na deze doop in de Jordaan opgepakt en door handlangers van Herodes gedood. De uit­spraak van Johannes: “Hij moet groeien, ik moet afnemen, zoals wij die in het evangelieverhaal terugvinden, is nu bijna letterlijk uitgevoerd. Dit jaar* was ik in de gelegenheid het Isenheimeraltaar te bezichtigen in een museumklooster in Colmar. Indrukwekkend was daar de afbeelding van Johan­nes de Doper, een zeer rijzige gestalte, wijzend naar de gekruisigde Christus. Historisch gezien kon hij daar niet staan, hij leefde immers al drie jaar niet meer. Verwijst hij met zijn krachtige wijzen naar de ommekeer in ieder mens die open staat voor het ontvangen van een geestelijke impuls? Lijkt loskomen van het aardse bestaan om de werkelijk vernieuwende impuls te kunnen ontvangen, de boodschap te zijn van het Johannesfeest, het midzo­merfeest?

Op school vieren we dit feest al jaren met alle kinderen, leraren en ouders samen op de hei. Zingend, met gevlochten bloemenkransen op het hoofd, dansen wij om en over het Sint-Jansvuur en er wordt geluisterd naar een verhaal. Het is niet altijd makkelijk even los te komen van jezelf, even ‘buiten je­zelf’ te zijn, om daarna met een nieuw verworven visie het jaar binnen te gaan.

Voor de kinderen wordt het nu weldra grote vakantie! Zij gaan de zomer in. De Sint-Janstijd is vrij om op reis te gaan, er eens uit te zijn, iets heel anders mee te maken. En als we straks allemaal uitgerust en opgewekt weer terug komen, begint er een nieuw schooljaar. Michael bewaakt alle opgedane krachten en geeft de kinderen de moed ze te verwezenlijken in het werk dat voor hen ligt……….

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

572-525

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (27)

.
Joke Kuyt-Boersema, nadere gegevens onbekend
.

VAN PINKSTERFEEST NAAR SINT-JAN

De hele week voor het Pinksterfeest werd er hard gewerkt in de klas. Eerst werden de groene kransen gevlochten en daarna de pa­pieren bloemen gemaakt. Toen de eerste krans af was, kwamen we al goed in de stemming. Tijdens het spelen en maken van de versier­sels klonken de pinksterliedjes door de klas:

Hier is onze fiere pinksterblom’,
En ik wou hem zo  graag eens wezen
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen
Recht Is recht,  krom is krom
Belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom
Want de fiere Pinksterblom moet voort.

en het spelletje:

Hier komt onze fiere Pinksterblom en hier gaat zij haar gange.
Met haar groene kransen om het hoofd
en met haar bloeiende wangen.
Pinksterblom keer je nog eens om
en ze komt het hele jaar niet weerom.

Ook maakten we voor alle kinderen een schoudermanteltje met bloemen van crêpepapier. Wat een feest met al die bloemen en kleurtjes.

De voorbereiding samen met de kinderen,  samen toeleven naar het feest, wat is dat belangrijk!

En toen het feest zelf.
28 mei om elf uur kwamen de kinderen van juffie Marijke en de kinderen van mijn klasje mooi versierd met manteltje en kransen, al zingend naar de grote zaal. Daar hing in het midden een pinksterkroon met duifjes eraan. Toen kwam het grote moment, de pinksterbruid en pinksterbruidegom werden uitgekozen. Het bruidje Bernie en bruidegom Herbert mochten onder de kroon staan, midden in de kring van bruidskinderen, want dat waren alle andere kinderen.  Bernie kreeg een bruidsjapon aan van wit crêpepapier met bloemen en een lange sleep en een boeketje boterbloemetjes en Herbert een jack versierd met bloemen en een bellenstok. Toen gingen zij in de kring hun gange. Daarna in optocht al zingend naar het bos. Van iedere klas hielpen een paar ouders en zo werd er taart en drinken meegenomen. Die optocht is geweldig,  wat zien ze er prachtig uit. In het bos hebben we een paar kringspelen gedaan en daarna lieten we ons de taart en het drinken goed smaken. In optocht zijn we weer terug gewandeld naar school, waar in de grote zaal nog een verrassing wachtte, het spel van de kikkerkoning. Wat hebben ze aandachtig geluisterd en gekeken. Ieder kind kreeg een duifje mee van de kroon en na afloop zijn we ieder naar ons eigen klasje gegaan waar we het feest afsloten.

Een jongetje zei na het spel van de kikkerkoning, in de klas: ‘Dat was nou een hoorspel, hè juffie?’

Hartelijk dank aan de ouders,  die ons geholpen hebben.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

568-521

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (26)

.
(Vrijeschool Haarlem, nadere gegevens ontbreken)
.

ZOMER

Tussen 21 en 24 juni staat de zon op z’n hoogste punt; de dagen zijn nu lang, de nachten kort – precies het omgekeerde, van de wintertijd. De bomeneerst in de lente met bloesems getooid, zijn nu vol en zwaar van de bladervracht, en de vruchten beginnen al te groeien. Heerlijk is het dan ook om op een warme zomerdag onder een dicht bladerdak te kunnen lopen en zitten; het trekt je weer even naar binnen. De kinderen bouwen dan ook juist in de warme zomermaanden graag ten­ten van de lappen waar ze stilletjes in kunnen genieten om zomaar‘ te zitten.

De bijen zoemen en snoepen de honing, vlinders fladderen rond, alles heeft zich in de natuur nu naar buiten toe gekeerd; de aarde ademt hele­maal uit om zich met het zonnelicht te verbinden. Wij mensen voelen ons licht worden in de zomer; we trekken erop uit, de natuur in om te genieten van de zomerwarmte. Licht en warmte van de zomer nemen we op en laten ze rijpen en verinnerlijken, om in de  donkerste tijd van het jaar het licht van Kerstmis te beleven: dan heeft de aarde ingeademd, het licht naar binnen toe genomen.

Met Pinksteren vieren we het feest van de pinksterbruid; een oud gebruik, een feest ter ere van Moeder Aarde, die getooid werd met bloemen en kransen, met de ‘eerste mei’. Gebleven is van dit feest nu: een meisje wordt tot bruid gekozen, in het wit gekleed en versierd met vele bloemen en een bloemenkrans in het haar – alles gemaakt van papier. In de hand rinkelende bellen en een boeketje van boterbloemen. De bruidegom met de bruiloftsstaf in de hand loopt rond en roept overal: ‘Zie, uw pinksterbruid komt eraan.’ Ook hij heeft een jakje aan van crêpepapier.  De pinksterbruid die onder de pinksterkroon staat te wachten, wordt opgehaald door haar bruidegom en zo trekken ze zingend rond. Alle jongens en meisjes, ook versierd met kragen, de meisjes een bloem en de jongens een kleine  bruiloftsstaf in de hand, zingen;

Hier is onze fiere pinksterblom’,
En ik zou haar zo graag eens wezen:
Met haar mooie kransen op het hoofd,
En met haar rinkelende bellen!
Recht is recht, krom is krom,
Zeg, blief je nog iets te geven
Voor de fiere Pinksterblom ?

Op de zaterdag voor Pinksteren, zgn. ‘Luilak, ging men er al vroeg op uit, door het dauw-bedekte land, om de kwade stoffen kwijt te raken – een soort voorjaarsreiniging. Overgebleven van dit gebruik is, dat nu de jeugd al vroeg rondloopt met allerlei rammelende voorwerpen, belletje trekt en zingt:

Luilak, beddenzak,
staat om negen uren op,
Negen uren, half tien:
‘k heb de luilak nog niet gezien!

Daarna gaat men naar de bloemenmarkt om een plant te kopen ter ere van de lentemaand; zoals bv. in Haarlem: elk jaar is er van vrijdag op zaterdag voor Pinksteren de bloemenmarkt met z!n bloeiende planten en fleurige boeketten.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen
.

567-520

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (25)

.
(P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, datum onbekend)
.

HET WONDERLIJKE VAN PINKSTEREN
.

Het pinksterfeest of het “Vijftigste dag-feest” is voor de moderne mens een vrij moeilijke zaak. Waarom? Omdat het pinksterfeest een geestfeest is. De gehele term is al merkwaardig, omdat “geest” wel een gangbaar woord in onze taal is, maar zeer wazig als begrip. Er is ook wel een pinksterviering mogelijk vanuit de frisse lentekracht, het jonge groen en de vrolijk zingende vogels, maar… de natuurlyriek leidt eerder van de geest af dan er naar toe. Men is daar in het gebied van de ziel; en dat begrip is heel wat gevulder dan dat van de geest. En dan nog een viering!

Wat zijn de andere jaargetijden met hun feesten duide­lijker in de vorm en schijnbaar gemakkelijker te benaderen: een kerstfeest, een adventviering, een Sint- Nicolaasfeest. Het zijn duidelijke feesten, waarbij iets uit een hogere wereld aan de mens (en het kind) wordt geschonken. En wan­neer men de hogere wereld wil weglaten, dan is het voor velen toch leuk om iets geschonken te krijgen. Of niet soms?

Met Pasen en de voorbereiding ervan is er een grote ernst. Daar wordt niets geschonken, eerder iets afgenomen. Na een vrolijk Maria Lichtmis – de woorden “lichtmis” en “lichtekooi” hangen daarmee samen – komt al gauw het gekke carnaval, dat zo gek maakte, dat de meeste kinderen in die tijd werden verwekt. Met Aswoensdag begon de Vasten. Vasten betekent iets ontberen, iets offeren, als voorbereiding voor de herdenking van een Wezen, dat zichzelf als mens en voor alle mensen geofferd heeft. Het hoogtepunt van dit offer valt op de Goede Vrijdag.

Als een graankorrel in de aarde ontkiemt het nieuwe leven en vindt de Opstanding plaats. Nu, met Pasen wordt die Opstanding gevierd. Zonder Opstanding is geen werkelijke religie, geen werkelijk Christendom mogelijk. Dat is óók heel moeilijk in onze tijd. Waarom eigenlijk? Omdat men een gereduceerd en vereenvoudigd – dus armzalig – mensbeeld is gaan aanhangen. Men is aan dat mensbeeld gaan geloven, want och, bewijzen laat zich dat óók niet! Dat mensbeeld is niet heel, het lijdt aan één gebrek, het kent de geest niet. De geest kan de ongelukkige tweeledigheid van lijf en ziel genezen, helen, dat is “heel maken”. Een wonderlijke zaak is dat. Maar het raakt de betekenis van Pinksteren voor de mens. In de veertig dagen na de Opstanding leefde de Chris­tus te Jeruzalem met zijn leerlingen. Op Hemelvaartsdag verliet hij hen. Schijnbaar. Hij verdween in de wolken. Maar 10 dagen later openbaarde de Christus zich als Geest in de individuele zielen van zijn leerlingen. Die werden door de “vurige tongen” aangeraakt en zij werden van discipelen – leerlingen – tot apostelen of “gezondenen”. De Geest van de Christus schonk de apostelen op die morgen in Jerusalem een individueel en nieuw bewustzijn. Pinksteren is een feest van de vrije individualiteit. Het wijst naar de toekomst.

We wensen u allen een goede Pinksteren toe!

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

566-519

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (24)

.

(Hans ter Beek, nadere gegevens ontbreken)
.

DE NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR – HEMELVAART – PINKSTEREN
.

Hemelvaart, Pinksteren en St.-Jan zijn in deze beschouwingen de feesten van de geest genoemd.
Wat een grote tegenstelling ervaart men tussen Pinkste­ren en bv. St.-Maarten. Met St.- Maarten maken de kinderen een lantaarntje van een knol (koolraap, suikerbiet, peen), dus van dat deel van de plant dat tot het wortelgebied behoort (de kalebas en de pompoen worden ook wel gebruikt, maar dat zijn vruchten en horen in een ander gebied thuis, hetgeen ook te merken is als men ze uitholt).

Met Pinksteren zijn het juist de bloesems van de bomen die het feest zijn wonderlijke lichtheid geven. Men koos vroeger in de dorpsgemeenschappen de schone of fiere pinksterbloem; dat was het mooiste meisje van dat jaar: 14 jaar oud en nog ongerept, zoals de bloesems aan de bomen dat ook nog zijn nadat ze net zijn ontloken. Verder was er een pinksterboom, die ook wel meiboom kon heten; de tere blaadjes waren ook nog maar net open gegaan, zoals dat begin mei het geval is.

Vaak ook werd deze boom speciaal geplant. In voorchristelijke tijden gebeurde dit in de nacht van 30 april op 1 mei. In de Germaanse mythologie die we in de 4e klas vertellen wordt het winterrijk van Uller, de jager op ski’s, afgelost door het zomerrijk van Odin, die 7 maanden het bewind aan Uller had overgelaten. Dat werd uitgebreid gevierd met een grote optocht, de Mei-rit. De met bloemen bedekte Meikoning (Odin) wierp bloesems naar Uller, die gekleed was in bont en pelzen, en joeg hem tenslotte op de vlucht.

Nu gaat het er niet om deze gebeurtenissen weer opnieuw tot leven te wekken, maar wat belangrijk is, is dat het beelden zijn die tot ons spreken. En vooral is het van belang te weten dat al die voorchristelijke feesten verchristelijkt zijn. Op school, en dan vooral in de kleuterklas en in de onderbouw, laten we deze beelden voor zich spreken. We kiezen dan ook een pinksterbruid, maar eveneens een pinksterbruidegom. We planten de mei- of pinksterboom en we vieren aldus Pinksteren, een christelijk feest dat direct via Hemelvaartsdag met Pasen is verbonden.

‘Toen de dag van het pinksterfeest was aangebroken, waren ze allen op één plaats bijeen’  (Handelingen 2:1).

Deze inleidende zin heeft in wezen een veel diepere betekenis dan je zo oppervlakkig zou denken. Het belangrijkste woord is ‘ALLEN’. Waar het om gaat is:  ‘ze waren allen op één plaats bijeen.’ Dat wil zeggen dat we Pinksteren alleen maar kunnen vieren als we met ons allen op één plaats bij elkaar zijn. Waar? Wel, buiten rond de pinksterboom.

‘Eensklaps kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag, en vulde het hele huis, waarin ze waren vergaderd. Vurige tongen verschenen hun, spreidden zich rond, en zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heiligen Geest, en begonnen verschillende talen te spreken, naar gelang de Geest hen liet spreken’ (Handelingen 2:2-4).

Waar het in het leven om gaat, dat is om de Heilige Geest te ervaren. Dat is het innerlijke vuur waarmee we bergen kunnen verzetten. Uiteindelijk is die knol onder de grond, waarvan we ons lantaarntje maken, gegroeid uit een zaadje, en dat zaadje groeit op die plaats waar in deze tijd van het jaar de bloesems zich bevinden. Maar tevens is die ondergrondse wortelknol een opgehoopte hoeveelheid voedsel waar straks, na de winter, uit deze plant een prachtige bloem zal ontluiken.

Een bloem of een bloesem is echter zo teer, dat ze haast niet te grijpen en nog minder te begrijpen is. Het is een teer wonder, een fysieke openbaring van de geest. Terwijl de schoonheid van de knol pas echt zichtbaar wordt als er binnenin een lichtje brandt dat de schil doorschijnend maakt, is de bloem een en al schoonheid, en wil ogenblikkelijk geplukt worden (enige terughouding is vaak wel gewenst). In het beeld uit de Germaanse mythologie zien we dat Odin ook als maar bloesem werpt op de wintergod Uller. En de godin van de lente (en liefde) Freya rijdt in een door poezen getrokken wagen, die evenals Freya zelf, geheel met bloesem versierd is.

In de rij van 9 feesten is St.-Maarten het 2e feest en Pinksteren het 2e feest van achteren. Zo is ook Sinterklaas het 3e feest en Hemelvaart het 3e feest van achteren. Dit is niet zonder betekenis:

pinksteren

De feesten die hierboven naast elkaar staan zijn door een onzichtbare band, maar juist in hun tegenstelling verbonden.

St.-Maarten was het feest van de verbreiding van het Christendom (het brengen van het licht); Pinksteren is het zich verenigd voelen van allen aan wie het evangelie (dat is de Blijde Boodschap) is gebracht. Pinksteren is het feest van de gemeenschap. Allen die tot de gemeenschap behoren voelen zich verbonden.

Sinterklaas was het feest van het lot: het geschenk in de schoen geeft een nieuwe wending aan je levensweg. Tegenover Sinterklaas staat Hemelvaart. Hemelvaart is het feest van de innerlijke leegte, die gevuld moet worden door jezelf.

‘Toen leidde Hij hen naar Betanië, hief zijn handen op, en zegende hen. En terwijl Hij ze zegende, scheidde Hij van hen, en werd opgenomen ter hemel.

Ze aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jerusalem terug. En onafgebroken bleven ze God verheerlijken in de tempel  (Lukas 24:50-53).

Een gebruik was en is het weer aan het worden dat je op Hemelvaartdag gaat dauwtrappen. Vóór zonsop­gang sta je op, en gaat wandelen in de natuur. Dauw is iets anders dan regen. Het is hemelse substantie die op geheimzinnige wijze op aarde verschijnt. We lezen hierover deze wonderlijke passage in het scheppingsverhaal:

‘Ten tijde dat de Here God aarde en hemel maakte – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtig­de de gehele aardbodem – toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen (Genesis 2: 5-7).

Ook in de Germaanse mythologie is het beeld van de dauw, in dit scheppingsvers uit de Edda:

Eeuwig groen staat bij de bron ürd
Yggdrasil, de es.
Hemelhoog heft hij zich
tot waar lichte nevels hem onthullen.
Daar ontstaat de dauw
die in de dalen druipt.

Hoe nu het feest te vieren?

Alle meisjes verkleed als pinksterbruid (zij zijn de bruid van de hemelse bruidegom), alle jongens als pinksterbruidegom – zij moeten op dit feest de hemelse bruidegom op aarde vertegenwoordigen. In een lange stoet, hand in hand (let op de tegenstel­ling met St.-Maarten!), jongen meisje afgewisseld – als dit ten minste mogelijk is – slingert men naar het centrale punt: de pinksterboom. En daar maakt men een kring en zingt en speelt:

‘Hier is onze fiere pinksterblom’

Vele malen kan men dit herhalen. Ook andere dansen zijn denkbaar. Maar alles moet vrolijk, luchtig en kleurig zijn. De bloesems en slingers liefst van crêpe-papier, zelfgemaakt, zodat we de dagen ervoor ook makend bezig zijn. Tot slot nog een (hemel-) poort waar iedereen na het dansen doorheen gaat, en wat een duidelijk ‘de-wereld-in-gaan’ is.

Prachtig – voor hogere klassen en vanzelfsprekend voor het ouderkoor en voor de bovenbouw is de vijfstemmige canon SANCTUS van Jacobus Clemens non Papa.
Eén woord karakteriseert aldus het pinksterfeest, zoals dat ook met Pasen en Kerstmis is:
Pinksteren  : Sanctus.
Pasen           : Hallelujah.
Kerstmis     : Gloria.

Nog een enkel woord over de luilak: Hij/zij is degene die het allemaal niet meemaakt, omdat hij zijn aardse lichaam niet met de geest kan doordrin­gen en lui blijft slapen, een gevaar van onze tijd!

Luilak
[OP DE ZATERDAG VOOR PINKSTEREN]

De zaterdag voor Pinksteren wordt dit feest gevierd: degene die het laatst kwam werd bespot. Tegenwoordig is het – in die plaatsen waar Luilak nog wordt gevierd – een soort nachtbraken en rellenschopperij.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

565-518

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (23)

.
Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, *nadere gegevens onbekend
.

PINKSTEREN

Op zoek naar takken voor de jaartafel valt het op dat de strenge vorstnachten van twee weken geleden* duidelijke sporen hebben achtergelaten. De bloesembomen hebben hun mooiste tijd gehad. Het blad van sommige bomen hangt dor en bruin aan de takken. Maar……bij nadere inspectie tonen de takken al nieuwe knoppen.

De natuur is op alles voorbereid en laat zich niet verjagen(!), de takken vormen opnieuw bladeren waaronder wij nog deze zomer schaduw vinden. Ondanks tegenslagen maakt de natuur zich op, groeiend en bloeiend, op weg naar zijn volle wasdom, de zomer te bereiken. Met respect kijk ik dagelijks naar de takken van de bevroren tamme kastanje, die zoveel reserve heeft en ontwikkelen kan om zijn doel te bereiken.

En wie in deze tijd van het jaar ’s nachts wakker is, hoort bij het eerste
ochtendgloren het gezang van de vogels klinken. Eenmaal hoorde ik in een pinkstervakantie precies op de overgang van nacht en dag een nachtegaal. Zijn roep, zo glashelder als het maar kon klinken, zette alle andere vogels aan tot zingen. Steeds luider en krachtiger ‘vertellen’ zij dat de dag begonnen is: ‘opstaan, verder gaan, iets nieuws beginnen, je doel bereiken.’

Een hele vroege wandeling, zoals dat ook naar oud volksgebruik bij deze tijd hoort, doet je onderdompelen in deze boodschap van de natuur en inspireert de mens tot handelingen met toekomst.

Op school vieren we nu het pinksterfeest, een feest dat meestal alleen in de kleuterklassen een uiterlijk karakter krijgt en met een feestdag gevierd wordt. Met Pinksteren, vijftig dagen na Pasen, vallen de christelijke motieven, zoals wij die kennen uit het Nieuwe Testament, samen met veel oudere volksfeesten en gebruiken afkomstig uit diverse culturen en religies. In de loop der tijd zijn in ons land christelijke- en voorchristelijke beelden tot een pinksterfeest samen gevloeid.

Hoogtepunt in de kleuterklassen is de komst van de pinksterbruid en haar bruidegom. Volop spanning welke grote kleuters dit jaar het pinksterpaar zullen zijn. De ‘fiere pinksterblom’ is in het wit gekleed met rozenkransje in het haar en een rinkelende bel aan de arm. Alle pinksterkinderen trekken in het wit gekleed met papieren bloemen en bellen achter het pinksterpaar aan door de rozenpoort naar buiten. Zingend en dansend vieren zij de groeikracht en de eerste gaven van de met Pasen ontwaakte natuur. Zij rinkelen en klinken, zij laten zich horen, de pinksterbruid roept ons op tot het vinden van vruchtbare toekomstideeën.

Veel moeilijker is het vinden van een manier om met lagereschoolkinderen Pinksteren te vieren. Hier zou de viering kunnen zitten in het extra aandacht en tijd geven aan de handvaardigheidslessen. Geïnspireerd door de christelijke betekenis van Pinksteren kunnen met behulp van knutselmaterialen, papier, hout­spaan, wol, lapjes, enz. bijvoorbeeld papieren bloemen gemaakt worden, die samen­gebonden tot één boeket een bijzonder geheel vormen, opvallend door de rijke schakering van de individueel gekozen kleur en uitvoering. Ook kan gekozen wor­den voor het maken van vogels, die samen aan een grote mobiel gehangen kunnen worden. Gemeenschappelijke activiteiten waarbij ieder individu, iedere leerling, iets maakt voor een groter geheel, passen bij uitstek bij het feest van Pink­steren.

Als volwassenen kunnen we met Pinksteren de dag vieren waarop ‘allen van hei­ligen Geest vervuld werden en begonnen te spreken in andere talen met de spraak, die de Geest hen gaf, zoals vermeld staat in de Handelingen der Aposte­len 2. Opvallend is hier de beschrijving van de dag dat het oude joodse feest gevierd werd, waarbij allen zoals gebruikelijk bijeen waren. Juist op die dag werd aan de volgelingen van Jezus met een enorm windgeruis en tongen van vuur deze bijzondere Geest(spirit) gegeven, een geestkracht die ver boven alle dagelijkse ideeën uitging. Onmiddellijk daarna was het aan alle mensen gegeven elkaar, ongeacht herkomst en taal, te horen, te verstaan.

In ieder individu was nu de kracht aanwezig om samen verder te gaan, één idee uitdragend, daarbij luisterend naar ieders eigen inbreng in het geheel. De tijd dat het volk door Gods gebod via een Mozes geleid werd was voorbij. De hele mensheid zelf heeft nu de taak met ‘spirit’ de gemeenschap te leiden naar een nieuwe toekomst.

Ouders begeleiden hun kinderen op weg naar hun eigen leven, waarbij zij vaak keuzes voor het kind moeten maken. Soms richten zij zelfs een gemeenschap op, die zorgt voor bijzonder onderwijs, onderwijs naar de pedagogische inzichten van Rudolf Steiner. Zo’n gemeenschap, een Vrije School, is niet een wereldvreemde idealistische club mensen, maar een groep mensen die zich met ‘geestdrift’ in­zet voor de realiteit, mensen die zichtbaar geïnspireerd hun werk doen om kinderen met hart en ziel de wereld binnen te leiden.

Een Vrije School kan voor kinderen een weldaad zijn, als de pinkstergedachte dagelijks leidt tot het gemeenschappelijk vormgeven door ouders en leraren van het doel van de school.
Inspiratie maakt daarbij dat het doel bereikt wordt in de toekomst. In zo’n school word ik enthousiast, omdat met kunstzinnig onderwijs  aan alle kinderen misschien het vermogen meegegeven wordt om later hun inspiraties te laten doorklinken bij alles wat ze in de toekomst bezig houdt.

*nadere gegevens onbekend

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

564=517

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (37)

.

Tegenstrijdige meningen over een onderwerp heb ik altijd boeiend gevonden. Het heeft te maken met de zaak van alle kanten bekijken – de tegenstellingen werpen een duidelijker licht op de dingen – zoals Steiner  opmerkte.

Hier volgt een artikel met niet alledaagse opvattingen over Goede Vrijdag.
De Tilburgse filosoof Chareas Vergeer probeert de historische persoon Jezus te ontdekken door een scherpzinnige lezing van de oudste tekst over hem, het Marcusevangelie van rond het jaar 71. Op Goede Vrijdag werd gevochten…

Vergeer wordt geïnterviewd door Jace van de Ven*

 

Volgens Charles Vergeer, schrijver van onder meer de boeken ‘Jezus de Nazarener’ en ‘Het panterjong’, is er tijdens wat wij de Goede Week noemen, stevig geknokt in Jeruzalem.

Is Jezus in de ogen van de Tilburgse filosoof een revolutionair?
„Ik vind niet zoveel van Jezus. Ik ben naar hem op zoek gegaan uit ordinaire nieuwsgierigheid, omdat ik ervan overtuigd was dat het beeld van hem dat mij als katho­liek jongetje was voorgehouden, niet het juiste kon zijn. Dat bleek te kloppen. Jezus was een geloofsgetrouwe jood en ijveraar voor de Heer en daarin was hij geweldadiger dan ons geleerd is. De oudste evangelist, Marcus, heeft dat al weg willen stoppen. Omdat hij de man in wiens woord hij geloofde, in Rome niet ‘aan de man kon brengen’ als bleek dat die tegen de Romeinen gevochten had.”

Je noemt Jezus ‘de Nazarener’, maar het is toch Jezus van Nazareth?
„Jezus woonde in Kafarnaüm en was ‘Nazarener’. Nazareners wa­ren door een bijzondere eed van trouw aan hun god gebonden. Hij koos volgelingen als Simon ‘de Ze­loot’. Zeloten waren radicale terro­risten net als de gewapende volge­lingen van Johannes de Doper, ‘de Bajonin’, waar Petrus deel van uit­maakte, Sicariërs (dolkvechters) en Galileërs, mensen die Romeinse belastingen weigerden te betalen.”

En Jezus zou zich tot koning van ]udea hebben laten zalven?
„Dat laatste gebeurde op de dag van het Laatste Avondmaal in het huis van Simon de Melaatse in Bethanië. Bij Simon Petrus dus. Het Griekse woord lepra betekent me­laats, maar ook ruw. Jezus zou daar ter voorbereiding op zijn begrafenis gezalfd zijn? Nee hoor, doden werden heel an­ders gezalfd. De vrouw in Bethanië goot zalf op zijn hoofd, zoals in het Oude Testament, de koningen. ‘Toen nam Samuël ene oliekruik goot ze uit op zijn hoofd’ – ge­zalfd werden.’

Dus Jezus wilde koning zijn?
„Jezus en zijn aanhangers waren in de eerste plaats gelovige joden. Joden die ijverden voor hun god en geloofden dat diens koninkrijk nabij was. Daarmee bedoelden ze wat in hun gebed tot Abba gezegd wordt: dat Jahweh niet alleen in de hemelen maar ook op aarde 
ge­hoorzaamd zal worden. Ze ver­wachten dus een gezalfde koning uit het huis van David. Een koning die hen zou bevrijden van de
Ro­meinse overheersing. Dat die ge­zalfde in botsing moest komen met hun hogepriesters, die heul­den met het heersende gezag, dat begrepen ze en misschien ook wel dat aan het conflict met de Romeinen niet te ontkomen was.”

Dus de zalving leidde tot Jezus’ kruis­dood. De Romeinen zagen er revolutie in. Wat gebeurde er nu precies op Goe­de Vrijdag?
„Niemand van de evangelisten was erbij. Maar Marcus moet oude

ver­slagen over de gebeurtenissen ge­kend hebben. Zijn probleem was dat de man die hij in Rome be­kend wilde maken als de Zoon van God door de Romeinen veroor­deeld was als misdadiger en dat betekende voor de doorsnee Ro­mein dat hij niet kon deugen.”

Marcus schreef speciaal voor de Romei­nen, beweer je?
„Ja. Dus kon Jezus niet al te anti­romeins zijn. En dus doet Marcus alsof er na het laatste avondmaal nog wat gebeden wordt in een tuin iets buiten de stad. Dat er die nacht fel gevochten werd in de ou­de Davidsstad kunnen we uit an­dere teksten opmaken, met name die van Lucas. Pas tegen de och­tend vinden we Jezus en zijn aan­hangers iets buiten de stad op de steile helling van de Olijfberg. Vol­komen uitgeput en in een shock­toestand, aldus de tekst van Mar­cus.

Marcus noemt Judas ook conse­quent Joudas. Dat komt in het Grieks heel dicht bij ‘jood’. En dat is ook wat deze te Rome schrijven­de man beoogt: niet de Romeinen maar de joden dragen de schuld aan de dood van Jezus.”

Judas in het bijzonder, want hij heeft Je­zus verraden.
„De rol van Judas wekt bevreem­ding. Sleutelwoord in de tekst is het woord dat traditioneel ver­taald wordt met ‘verraden’ maar dat betekent ‘overhandigen’. Wat er overhandigd werd, was Jeruzalem.

Even merkwaardig is de naam Ju­das Iskariot. Is dat misschien een dorpje ergens in Judea? Of gaat achter die moedwillige, verbaste­ring het woord Sicariër schuil? Was deze aanhanger van Jezus een Si­cariër, een leider van een gewa­pende bende die met geweld de heerschappij van de Romeinen be­streed? En wat was hij in de ogen van Jezus, die hem koos als ‘eerste van de twaalf en die door hem omhelsd werd en gekust toen hij met een aantal zwaarbewapenden naar Jezus’schuilplaats kwam?”

En deze Judas verhing zich?
„Op een plek die bloedakker ge­noemd werd. Bloedakker? Toch niet omdat een man zich daar ver­hangen had? Nee, omdat er echt een bloedbad plaats had gevon­den. Nadat Jezus gepakt was, heeft Judas met zijn groep trachten te ontkomen en is daar door de Ro­meinen in de pan gehakt.”

Maar de Joodse Hoge Raad veroordeelt Jezus toch tot de dood?
„De Hoge Raad, het Sanhedrin, kwam niet bij nacht en ontij bij­een. Dat mocht van de Romeinen niet en ze konden niet zomaar een doodvonnis vellen. Ook vroeg een strikte monotheïst als de joodse hogepriester niet aan Jezus of hij de zoon van God meende te zijn, de tweede gestalte van de Drievul­digheid. Zo werd die vraag pas eeuwen later opgevat. De hoge­priester vroeg aan Jezus, afstam­meling van het koninklijk ge­slacht van David, of hij zich had laten zalven tot koning van de Jo­den. En hij is ontsteld als Jezus ‘ja’ zegt. Er staat dan een zinnetje in het Grieks even dubbelzinnig als in onze taal: „Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad”. Wij, latere lezers, denken dat het om die valse priester in pronkge­waden gaat, met veel misbaar roept hij iets uit en scheurt daarbij zijn hogepriesterlijk gewaad. Maar de hogepriesters droegen ’s nachts en buiten de tempel hun liturgi­sche gewaden niet. Terwijl Jezus, gezalfd als koning van Judea, in zijn purperen vijfvoudige gewaad stond. Het gewaad dat later als buit verdobbeld zal worden. De hogepriester roept uit dat Jezus des doods schuldig is en scheurt diens koninklijke gewaad”.

En dat vonnis werd onmiddellijk uitge­voerd.
„Maar niet door de joden. Dat mochten ze niet. Dat recht was des keizers, ’s Ochtends vroeg, zegt de tekst, brengen ze Jezus al voor de prefect Pilatus. Dat zegt iets over het grote belang van de zaak. Paulus moest twee jaar wachten op zijn vonnis.”

Pilatus moest de doodstraf bekrachti­gen?
„Jezus indentificeren was genoeg! Jezus bevestigde de vraag: ‘Ben jij het, die het aangedurfd heeft zich te laten zalven tot koning van de joden?’

Daarmee was het vonnis geveld: in Judea en Jeruzalem was er maar één de baas, de Romeinse keizer. Wie zich tot koning van de joden laat zalven, verdient de straf van een weggelopen slaaf: aan het hout geslagen te worden.”

Waarom geeft hij dan het volk de kans om Jezus vrij te stemmen?
„Het lijkt of Pilatus twee figuren voor het volk stelt: Jezus en Barabbas en dan het volk tussen hen laat kiezen: voor wie het hardst geschreeuwd wordt volgt vrijspraak. Onvoorstelbaar dat een Romeins prefect dat toe zou laten. Bar-abbas betekent ‘zoon van de vader’. Er is sprake van ene Jezus, die zoon van de vader, en de andere Jezus, die koning der joden genoemd werd. Pilatus maakte meteen na het doodvonnis duidelijk dat hij  niet Jezus veroordeelde ‘omdat jullie geloven dat hij zoon van jullie god is’, maar omdat hij als koning van de joden ongehoorzaam is aan de keizer. Het vonnis was vanwege majesteitsschennis en had geen religieuze bijbedoelingen.’

Daarna volgt de kruisiging
„Wreed en vernederend, de benen van een tot de kruisdood veroordeelde werden wijd gespannen en hij werd meestal met de rug naar de toeschouwers vastgespijkerd. Terwijl de galg of het zwaard snel hun werk deden, was het wrede van de kruisiging de soms dagen en nachten lange marteling. Op­merkelijk is het dat Jezus na zes uur al is gestorven. Dat heeft te maken met een door senaat en volk van Rome gegeven decreet, dat de joden het voor­recht gaf op de dag voor de sabbat vanaf het negende uur gevrij­waard te zijn van rechtsvervol­ging. Dus liet Pilatus voor dat ne­gende uur de veroordeelden afma­ken.”

En toen kwam Jozef van Arimatheia om het lijk te begraven?’
Alweer onwaarschijnlijk. Van het plaatsje Arimatheia heeft nooit ie­mand gehoord. De oplossing van het probleem ligt voor de hand. Marcus wil Jezus schetsen als ‘zoon van god’ en moffelt dus de aardse vader, Jozef, weg. Helemaal lukt dat niet. Zo ook bij de grafleg­ging. Er staat: En toen kwam Jozef, namens de volgelingen, de prefect om het lijk van Jezus verzoeken. In het Grieks is het een kwestie van het herschikken van de woor­den, die destijds aan elkaar ge­schreven werden. Op die manier kun je tot heel andere conclusies komen”.

Jezus wordt door zijn vader begraven?
‘Jezus werd niet begraven. In de eerste plaats niet omdat het al na zonsondergang was net voor de grote sabbat. De rust was al inge­treden en mocht door een
begrafe­nis niet doorbroken worden. En de andere reden is dat Marcus niet van een graf spreekt, maar van een herinneringsplaats. Voor de antieken was het graf niet alleen een plaats voor de doden, vóór het graf was een plek waar de levenden bijeenkwamen om de dode te herdenken, een soort voorhal.

Daar heeft Jozef het lijk van zijn zoon, de gezalfde, neergelegd. Er was geen tijd meer om het te rei­nigen, balsemen en begraven. Maar geen dode zal, zeker niet in de heilige stad, ’s nachts boven aarde blijven.

Blijft het feit dat het lijk verdwe­nen was toen na het feest de vrou­wen kwamen om het te balsemen. Het evangelie van Marcus eindigt met het sprakeloos en vol huiver zwijgen van de vrouwen.”

t.t.v dit interview: Brabants Dagblad, *12-04-2003:

Dr. Charles Vergeer doceert Wijsbegeerte aan de Fontys Hogescholen. Hij publiceerde verschillende boeken over filosofie en twee over het leven van Jezus: Een nameloze, Jezus de Nazarener, Het Panterjong, 

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

550-504
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3 -21/2)

.

(Willem Beekman, Jonas 23 13-07-1979)
.

RITMEN IN DE PLANTENWERELD

In het vorige artikel kwamen ritmische verschijnselen aan de orde van tweeërlei soort:
–  de ritmiek, zoals die zichtbaar is aan de complete plant, maar dan uitge­drukt in de ruimte: bladgolvingen, jaarringen, bladstanden, geledingen, inwendige opbouw, enz.
Hierbij lijkt het alsof het ritmische verstild is in de plantenvormen. Bij ritme stel ik me meestal een relatie voor tussen bewe­ging en rust, die zich in de tijd afspeelt (hartslag).
De plant gaat hier anders mee om. Het herhalingsprincipe, de beweging wor­den in beeld gebracht. Er worden ‘plaatjes’ van gemaakt, die je voor je kan zien. Stollingsprocessen, afdruk­ken, vastgehouden door de materie van de plant. Als je in je voorstelling een stap verder gaat, dan komen de vormen in beweging, dan zie je de tijd meedoen en er ontstaan golvende, dei­nende, uitdijende, samentrekkende, stromende, vloeiende bewegingen.
Dit gebeurt in de plant niet op zo’n snelle manier. Het gebeurt wel, maar dan zó uitgerekt in de tijd, zó langzaam, dat wij er weinig tot niets van merken. We blijven de toeschouwers, die naar afge­werkte ‘plaatjes’ mogen kijken.

–  de ritmiek, zoals we dat meestal zien: snelle beweging, volgbaar, (of meet­baar). Als voorbeeld noemde ik de huidmondjesbeweging, afhankelijk van de omgeving. Veel zon, droogte, wei­nig wind en al die factoren meer beïn­vloeden de bewegingen van deze ui­terst fijne bladorgaantjes. Ik wil bij dit laatste type nog wat lan­ger stil staan en ten slotte nog een voorbeeld bespreken van het eerste ritme-type.

Welke bewegingen maakt een plant zo­al? Wanneer zie je echt een soort hart­slag, een zich herhalend proces? Dat zijn bijna altijd de bewegingen die be­werkt worden door de zonde dag/nacht-ritmiek dus. Eerst zie je alleen maar groen met een flauw-geel ver­moeden ertussen. Dan gaat het ineens snel, totdat een open stralend bloem­pje naar de hemel kijkt.
’s Avonds keert het proces om. Vele bloemen maken deze ontvangende en afsluitende beweging. Ook knoppen kunnen dat. Soms kun je je er ineens van bewust zijn, hoe zelden je voor de­ze dingen wakker bent. Je merkt pas aan het ontbreken van een stralend ge­le paardenbloemenzee midden op de dag, dat er met het weer iets aan de hand is. Het blijkt dan ineens somber en bewolkt te zijn. Ik kan me innerlijk dan best open en stralend voelen, maar een paardenbloem niet. Volledige afhankelijkheid, volledige overgave, volledige volgzaamheid tegenover de zon, het licht. Het is de natuurkwali­teit die door deze plantjes in beeld wordt gebracht.

Een ander voorbeeld: sommige bloe­men (pinksterbloemen bijvoorbeeld) gaan niet alleen dicht ’s avonds, maar laten het kopje hangen. Is dat niet een prachtig beeld van de stemming die de omgeving in zich draagt? Ook heel algemeen zijn de volgbewegingen. Heel langzaam draait de plant zijn bladeren, twijgen, bloemen, zelfs hele stengels naar het licht toe. Het is soms met het oog volgbaar. Weer een beeld van de afhankelijkheid: de dage­lijkse zonnebaan wordt herhaald in het klein door miljarden orgaantjes, door ontelbare blaadjes en bloempjes. Het is alsof die ene machtige hemelbeweging versplinterd wordt tot nietige herhalingen in de plantenwereld, inwendig gebeurt er dan ook nogal wat. Want de groene plant vertaalt de zon in substantie, en wel op een zeer ritmische manier. Overdag vorming van suiker, ’s nachts omvorming daar­van tot zetmeel en gedeeltelijk ook het opslaan daarvan. Natuurlijk wordt deze zonnesubstantie ook verbruikt (dag en nacht) maar de vorming, de opbouw overheerst. Als je daarover nadenkt is het wonder­mooi. De zon wekt een warmtestof (suiker) in de plant. Deze stof wordt door bomen uiteindelijk tot cellulose en ook tot hout gemaakt. Het afzetten daarvan, het ritmisch opbouwen daar­van wordt ook weer door de zon be­heerst:

zonnewerking in dag/nacht… suiker en zetmeelvorming

zonnewerking in een groeiseizoen… houtvorming en afzetten daarvan (jaar­ringen)

zonnewerking op lange termijn… zonnevlekkenritme (ruim elf jaar) is zicht­baar in de jaarringen.

Het procesritme van de korte termijn (dag/nacht, stofomzettingen) gaat
lang­zaam over in vormritme, beeldritme van de lange termijn. Daarbij wordt een substantie uitgescheiden, die wel eens drager van het ritme wordt ge­noemd: water. Bij iedere verdichtingsstap (suiker – zetmeel – cellulose-houtstof} verliest de materie water en wordt daarmee zwaarder, vaster en compacter.
Een veraardsing zou je kunnen zeggen. In het vorige artikel – Jonas 22 – heb ik beschreven hoe de golvende ritmiek in de plant zichtbaar wordt bij het overheersen van water­processen. Bij verhouting treedt het water terug en laat in stilte een afdruk achter (jaarringen).
Niet alleen het wa­ter is een ritmedrager. Hetzelfde kan gezegd worden van suiker (glucose). Iedereen weet dat ons lichaam deze stof ‘broodnodig’ heeft. (We halen sui­ker dan ook meestal uit brood door omzetting van zetmeel.). In de lever wordt uit suiker een stof gemaakt, die sterke verwantschap heeft met zet­meel, en wel glycogeen. Overdag sui­keropname, ’s nachts glycogeenopbouw. Een constant ritme van suiker naar glycogeen en omgekeerd, als onze spieren ernaar vragen. Het ritme waar­mee de plantenwereld de suiker vormt en verwerkt vindt een logisch vervolg in ons lichaam. Het zijn de uitingsvor­men van hetzelfde grondmotief, waar­in suiker zich ‘thuisvoelt’.
In de dierenwereld komt dit motief ook voor en wel zeer uitgesproken bij insecten, met name bij bijen. Het le­ven van deze dieren is gebouwd rond­om suiker en ritme. Ritme in de bijendans (die merkwaardige lemniscaatbeweging van werksters, om een nectarbron mee aan te wijzen) en in de ver­warming van de kolonie. Als ’s winters de bijenkluit afkoelt, gaan de buitenste dieren naar binnen bewegen. Daardoor moeten de binnenste dieren naar bui­ten, met als gevolg een soort kloppen­de beweging, die warmte vrijmaakt. Deze warmte komt van de verbruikte suiker.

Tot nu toe hebben we gekeken naar de relatie met de zon.
Er is nog een andere ritmiek die daar niet direct mee samenhangt. Meerdere malen heb ik vol bewondering staan kijken naar het gedrag van klimmende en rankende planten. U kunt het zelf eens proberen met de heggenrank (Bryonia dioica). De dunne ranken staan doorgaans vrij in de lucht en maken langzame, rondtastende bewegin­gen. Daarmee wordt steun gezocht bij een takje, een hek of een vinger. Als u langzaam op één plaats over de rank aait, dan is een kwartier later een lus gevormd rondom uw vinger. Na enkele uren geduld is er een soort spiraal ont­staan, waardoor de plant een nieuw anker heeft gevonden. Die kurkentrekkers zijn heel algemeen bij de heggenrank. Vlinderbloemigen bezitten blad­ranken, waarmee deze bewegingen voortdurend gemaakt worden (erwten, bonen, enz.). Deze bewegingen worden niet door de zon geleid, maar hangen samen met een omgeving zoeken, af­tasten, proeven.

Zoals beloofd, nog even terug naar het eerste ritmevoorbeeld: het in beeld (in de vorm) brengen van ritme. Hierbij heeft Goethe ons opmerkzaam ge­maakt op een fenomeen dat langza­merhand de Jonaslezer vertrouwd zal zijn: de bladmetamorfose.
In deze fase van het jaarverloop word je voortdu­rend getroffen door de kunstzinnige manier waarop planten met hun bladvormen spelen. Boterbloemen spreken in dat opzicht een rijke taal. Als je langs de stengel omhoog gaat en de achtereenvolgende bladeren bestu­deert, dan is er een groot vormverschil tussen het eerste en het laatste stengel­blad, met daartussen een hoogtepunt wat betreft grootte en structuur: vaak zeer ingewikkeld ingesneden en ver­deelde bladeren, waarvan je direct zegt: ‘O ja, een boterbloemblad’. De onderste, meer ronde en kleine blade­ren, of de bovenste, meer spitse en steelloze bladeren zijn moeilijker te herkennen als typisch boterbloem. Je ziet eerst kleine bladeren, dan een
op­zwelling van vorm en grootte en ten ­slotte afname tot kleine bladslipjes. We zien dit bij veel plantensoorten. Eerst uitbreiden, dan samentrekken (een soort plantenhartslag). Wat volgt er nu op de sterkste samentrek­king? Een nieuwe uitbreiding in de vorm van de (groene) kelkblaadjes. Deze staan samen met de andere bloemonderdelen niet meer verspreid langs de stengel, maar zijn alle verza­meld op een klein gedeelte van de plant, de bloembodem. Na de
kelkuitbreiding volgt er even niets (samen­trekking) waarna een nieuwe explosie volgt: de kroonbladeren zijn nu ge­vormd, vaak bont gekleurd, geurend en soms snel verwelkend. Deze bladen trekken zich weer sterk samen om de meeldraden en de stampers te vormen. Hierop volgt nog eenmaal een uitbrei­ding, die vaak buitengewoon sterk is en veel materie met zich meeneemt: de vruchtvorming. Als allerlaatste komt de samentrekking in het zaad. Daarin zit een nieuwe plant, gecomprimeerd tot de kleinst denkbare ruimte.

Een viervoudig herhaald proces van uitdijing en samentrekking: eerst de stengelbladeren, dan kelk, kroon, meeldraden/stampers, vrucht en zaad. Een soort hartritme van vier keer, dan is de plant klaar met groeien, dan is het groeiseizoen afgelopen, dan is de nieuwe plant in aanleg gevormd. Het lijkt alsof de plant zichzelf opzweept, oplaadt, verrijkt met kracht door mid­del van een ritmeproces, om tenslotte in de aarde een nietig zaadje achter te laten. Wat een ingehouden kracht moet er in die ontelbare zaden aanwe­zig zijn, als ze ’s winters in de aarde rusten. Wat een kracht voelen we in de lente als al die planten tevoorschijn komen en omhoog schieten. Dan komt de zonnekracht van de vorige zomer ineens naar buiten en laat in ons een geweldig opstandingsgevoel achter.

.

Ritmealle artikelen

Plantkundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle klassen

 

.

544-498

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (36)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

PASEN EN DE GEUR VAN MIRRE

Judas Iskariot was vermoedelijk een van de meest toegewijde discipelen van Jezus. Hij was de enige Judeër in het gezelschap dat verder uitsluitend bestond uit Galileërs. Het landschap drukt een stempel op de mensen die er wonen.

Judea is droog, heet en bergachtig. Het leven is er moeilijker dan in Galilea, de landstreek rondom het meer van Genesareth, waar alles groen is en bloemen weelderig bloeien. Judeërs waren stugger van aard, orthodoxer van geloof en meer patriottisch ingesteld. Ze haatten de Romeinen die Israël bezet hadden en leefden in verwachting van de komende Messias. Deze zou het land bevrijden en als koning regeren met wijsheid en rechtvaardigheid, zoals door de grote profeet Jesaja was voorzegd (Jes. 11:10).

Ook Judas leefde met dit verwachtingspatroon. Jezus was voor hem de komende Messias. Judas was pen­ningmeester van de kleine commune (Joh. 13:29). Dat was echter geen eenvoudige taak, want inkomsten waren er weinig en Jezus, de baas van de commune, hechtte niet aan materieel bezit (Matt. 10:9). Judas moest dus als penningmeester naar alle
waarschijnlijk­heid het ene financiële gat met het andere zien te stoppen. Maar hij had het er voor over want alles wees erop dat de po­pulariteit van de wonderdoende rabbi Yeshua, die later door de Romeinen Jezus genoemd zou worden, steeds meer toe­nam.

Vooral nadat Jezus aan de oever van het meer van Genesareth (of Galilea) enige duizenden mensen te eten had gegeven door vijf broden en twee vissen zodanig te vermenigvuldigen dat er voor iedereen genoeg was en er nog twaalf manden vol brood en vis overbleven. De menigte wilde de grote profeet Je­zus toen zelfs met geweld meevoeren om hem koning te ma­ken (Joh: 6:14-15).

Maar Jezus ontvluchtte de mensenmassa. Telkens als de gelegenheid daartoe politiek gunstig was, trok Jezus zich terug en deed geen greep naar de macht. Dit moet Judas zeer gefrustreerd hebben.

Maar het breekpunt bij Judas kwam kort voor het paasfeest van het jaar 33. Jezus was met zijn discipelen uitge­nodigd door een zekere Simon, bijgenaamd ‘de Melaatse’, een lid van de vooraanstaande religieuze sekte der Farizeeën. Vermoedelijk wilde deze Simon, zonder al te veel op te vallen, eens te weten komen wat de rondtrekkende leraar nu eigen­lijk te vertellen had. Daarom bood hij de kleine commune een eenvoudig dineetje aan in het eethuisje van Lazarus en diens zusters Martha en Maria. Het hotelletje annex restaurant stond een uurtje lopen buiten Jeruzalem in het dorpje Bethanië, dus dat viel niet zo op.

Martha kookte en Maria serveerde de maaltijd. Vrij zeker hadden Martha en Maria méér in de aan­bieding dan eten, drinken en een slaapplaats. Waarschijnlijk kon de hotelgast ook met ze naar bed. De evangelist Lucas vertelt dat Maria be­kend stond als ‘zondares’ (Luc. 7:37), een bijbelse manier om een prostituee aan te duiden.

Jezus was met Lazarus en zijn zusters zeer bevriend. Onver­wacht komt Maria, tijdens de maaltijd weer binnen. Ze draagt een albasten kruik met een kostbaar parfum, nardusmirre, en giet die uit over Jezus. Ze huilt daarbij zo erg, dat haar tranen op de voeten van Christus vallen. Ze droogt die af met lange zwarte haren. Niemand begrijpt deze bizarre scène, vindt het ongepast.

Alleen Jezus beseft feilloos de diepere drijfveren van Maria die met haar opvallende gebaar de man wil eren die in haar méér ziet dan eten, drinken en warm vrouwenvlees, Het was een kostbare geste, de fles van Maria bevatte één pond nardusmirre, een uiterst duur parfum. De verontwaardigde Judas schatte de waarde van de kruik op driehonderd schellingen (Joh. 12:5), en dat was in die tijd het jaarinkomen van een landarbeider.

De tegenwoordige waarde zou ongeveer twintigduizend gulden bedragen. Maria, de serveerster uit Bethanië, schreef wereldgeschiedenis met haar grandioze gebaar. Maar de kleinburgerlijke discipelen zagen slechts de verspilling van veel geld.

Voor Judas was daarmee de maat vol. Hij had jarenlang in uiterste soberheid moeten leven voor een baas die de Messiaanse verwachtingen nooit waarmaakte. Hij had gewoon achter de verkeerde profeet aangelopen die zich à raison van twintigduizend gulden liet parfumeren door een horeca-sekspoes uit Bethanië.
Hij ging naar de hogepriester en vertelde hem de geschiktste tijd en de beste plaats om de ‘Profeet van de armoede ‘geruisloos te kunnen arresteren. Judas kreeg voor zijn informatie dertig zilverlingen, die een huidige waarde van 84.000 gulden vertegenwoordigt.
Mogelijk wilde Judas zijn besluiteloze chef voor het blok plaatsen en hem als het ware dwingen nu eens krachtige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door het arrestatieteam te vernietigen, de Romeinen te verslaan, Israël te bevrijden en het rechtvaardige koninkrijk te vestigen. Per slot van rekening wist Judas bliksems goed dat de alternatieve rabbi Jezus over bijzondere gaven en krachten kon beschikken.

Maar het liep anders dan Judas zich had voorgesteld. Het establishment uit die tijd, gevormd door de vooraanstaande Farizeeën en Sadduceeën haatten Jezus intens onder meer omdat hij hun hypocriete levenshouding haarscherp doorzag en in het openbaar genadeloos bekritiseerde (Matt. 23:1-39). En zijn grote populariteit bij het gewone volk was een bedreiging voor hun positie.

Zodoende werd Jezus in het geheim gearresteerd en haastig in de nacht tijdens een schijnproces ter dood veroordeeld. Hij deed niets terug en verdedigde zich niet eens tegen de bizarre beschuldigingen. Judas realiseerde zich spoedig dat hij de vergissing van zijn leven had gemaakt en bracht de dertig zilverstukken ijlings terug bij de hogepriester. Die hadden echter aan Judas geen boodschap meer. De ongelukkige penningmeester was slechts een pion op hun politieke schaakbord geweest en dat maakten ze ook wel heel duidelijk (Matt. 27:4). Op dat moment viel de bodem uit Judas’ bestaan. Hij wierp het geld voor de voeten van de priesters, rende weg en pleeg­de zelfmoord door zich op te hangen aan een boom in Gehinnom de vuilstortplaats van Jeruzalem. Hij stierf als een diep ongelukkig mens in het besef een vreselijke en onherstelbare beoordelingsfout gemaakt te hebben.

Daar in die tijd de Joodse overheid niet gerechtigd was een doodvonnis te bekrachtigen of uit te voe­ren, moest de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus in het proces tegen Jezus de eindbeslissing nemen. Hij begreep niets van de verwarde beschuldigingen waar het Sanhedrin, de Joodse raad, mee kwam aanzetten en verklaarde Jezus voor onschuldig (Luc. 23:14-15).
 

Maar Pilatus ging door de knieën voor de chantage van de op bloed beluste menigte op het plein voor zijn bureau. Ze zou­den hem aanklagen bij keizer Tiberius als hij niet meewerkte. Die menigte was niet representatief voor het grootste deel van het Joods volk dat vijf dagen tevoren de wonderbaarlijke
pro­feet met groot enthousiasme in Jeruzalem welkom had gehe­ten toen hij gezeten op een ezeltje, de stad kwam binnenrij­den.

Welk fatsoenlijk mens staat ’s ochtends bij zonsopgang voor een militair politiebureau om de dood van een onschuldige te eisen? Niemand toch? Het was hetzelfde soort raddraaiers dat men ook tegenwoordig overal in actie kan zien waar bloedige rellen worden uitgelokt, dat toen stond te krij­sen: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Dit holle gebrul van een hersenloze menigte werd een tekst in het evangelie van Mattheüs. Deze ene zin in Matt. 27:5 werd het meest dodelijke gif dat ooit in druk is verschenen. Het werd een vrijbrief voor meer dan negentien eeuwen verwoestend anti-semitisme.

Pilatus deed vermoedelijk nog een laatste poging om Jezus’ le­ven te redden. Hij liet hem geselen en stelde hem ten toon in de hoop dat de aanblik van het kapotgeslagen, bloedende slachtoffer de menigte emotioneel zou vermurwen. Het moet inderdaad een deerniswekkend beeld opgeleverd hebben. Na een geseling met Romeinse zwepen die lange, dunne leren rie­men hadden waaraan loden kogeltjes of schapenbotjes waren geregen, had de veroordeelde meestal geen huid meer op zijn rug over en stroomde het bloed langs de benen naar beneden.

Pilatus’ idee had geen succes. En even later strompel­de Jezus met twee andere veroordeelden door de kronkelige straten van het oude Jeruzalem naar Golgotha. De afstand was niet erg groot. Ongeveer zeshonderd meter. Maar op de kapotgeslagen schou­ders van de gevangenen lag de veertig kilogram wegende dwarsblak van het kruis waaraan zij gehangen zouden worden. Hun armen waren met touwen aan die dwarsbalk, ‘patibulum’ genaamd, vastgemaakt, zodat ze hun gezicht niet konden be­schermen als ze struikelden en vielen op het onregelmatig plaveisel van de Via Dolorosa.

De verticale palen van de kruisen stonden reeds op de executieplaats stevig in de grond. Die palen stonden daar altijd al omdat kruisigingen door de Romeinen vaak werden uitgevoerd. Jezus heeft dus nooit zijn kruis gedragen. Dat was ook niet te tillen geweest. Dat woog ongeveer 150 kilo. De veertig
kilo wegende dwarsbalk was al zwaar genoeg,
Op Golgotha aangekomen werden de balken op de grond gelegd. De veroordeelden moesten er met hun kapotgeslagen schouders dwars op gaan liggen. Hun armen werden wijd gespreid. Soldaten sloegen door iedere pols een vijftien centimeter lange, vierkante spijker tot diep in de balk. Het bloedverlies was gering maar de pijn was ondraaglijk omdat door de pols een belangrijke zenuw loopt, die bijna altijd werd geraakt.
Daarna tilden de soldaten de balken op en de veroordeelden werden in staande houding ruggelings tegen de verticale palen geplaatst.
Vervolgens tilden de soldaten de dwarsbalken met daaraan de vastgespijkerde veroordeelden een klein stukje omhoog en zetten dan de balk vast op het uiteinde van de staande paal die ‘stipes’ werd genoemd. De knieën van de veroordeelden werden gebogen, de voeten over elkaar met de voetzolen tegen de stipes gedrukt, waarna een derde spijker, die meer dan 25 centimeter lang was, dwars door beide voeten in de staande paal werd geramd, Zo hing dan om negen uur in de ochtend Jezus van Nazareth tussen twee andere mannen, ieder aan drie spijkers. Het langzame sterfproces begon.
Een gekruisigde hing met zijn volle gewicht aan de twee vierkante spijkers door zijn polsen. De pijn was onvoorstelbaar. Bovendien zakte het lichaam door de zwaartekracht naar beneden waardoor de strak gespannen armspieren de borstkas in een maximale inademingsstand trokken. Hierdoor ontstond ademnood. Om weer goed te kunnen uitademen moest het slachtoffer zich afzetten op de voetspijker. Zo kon hij zijn knieën een beetje strekken, zijn armen en borstkas ontlasten en even ademhalen. Maar de pijn in zijn voeten was zó verschrikkelijk dat hij spoedig weer naar beneden zakte, waardoor hij weder­om aan zijn polsen kwam te hangen. Tot ook dat weer on­draaglijk werd. Zo bewoog de gekruisigde zich moeizaam op en neer, geteisterd door vlammende pijnen, heftige ademnood en verscheurende spierkrampen. De kapotgegeselde rug werd daarbij door het ruwe hout van de stipes voortdurend opengeschuurd.

De lichaamstemperatuur steeg snel boven de veertig graden Celsius. Zweet stroomde uit alle poriën. Er ontstond heftige dorst, nog verergerd door de meestal brandende zon. De bio­chemische samenstelling van het bloed veranderde en het hart begon het op te geven. Hierdoor liepen de longen vol met vocht zoals bij een ernstig zieke hartpatiënt. Tenslotte stierf de uitgeputte gekruisigde na een ontzettende doodstrijd die vele uren kon duren.

Als het naar de mening van de Romeinse beulen te lang duur­de, werden de onderbenen van de stervende met een soort ij­zeren honkbalknuppel (het zgn. crurifragium – benenbre­ker) kapotgeslagen.

Daardoor kon de gekruisigde zich niet meer omhoogdrukken en stierf hij binnen een kwartier aan verstikking, pijn en bloedverlies in de verbrijzelde benen. Jezus stierf op vrijdag 23 april om drie uur ’s middags.* Hij had zes uur lang gevochten voor wat lucht in zijn langzaam vollo­pende longen. Zijn twee lotgenoten hielden het langer vol. Daarom werden hun onderbenen aan het einde van de dag met het crurifragium verbrijzeld. Bij Christus hoefde dat niet, want hij was reeds gestorven.

Uit het drama van Golgotha heeft zich een nieuwe religie ontwikkeld, het christendom. Een religie waar Christus zelf nooit van heeft afgeweten, want hij stierf als een vrome jood. Doch die religie heeft wel geleid tot een spanningsveld tussen christenen en het volk van Jezus zelf. Dit verschil in inzicht heeft, samen met de tekst in Mattheüs, miljoenen Joodse medemensen het leven gekost. En tot in onze tijd heeft het leeghoofdig gebrul van de raddraaiers voor het Romeinse bureau in Jeruzalem de unieke boodschap overstemd die Jezus van Nazareth ons na bijna tweeduizend jaar nog steeds te bieden heeft. Het is een geschenk van het volk Israëls, een religieuze filosofie, berus­tend op een uniek godsbeeld als drijvende energie in het uni­versum, als scheppende kracht, als bron van alle leven en als ethische maatstaf van het menselijk bestaan. Een boodschap die in onze herinnering blijft hangen als de bitterzoete geur van kostbare nardusmirre.

(Prof.dr.B.Smalhout, De Gelderlander 02-04-1998)

Als reactie op dit artikel volgde nog:

Wat prof. B. Smalhout in de Bijlage van de Gelderlander van 2 april schrijft over de motieven van Judas om Jezus te laten arresteren door de geestelijke autoriteiten en over de fysieke pijnen van Jezus tijdens zijn sterven aan het kruis, is plausi­bel.

Wel moet ik protest aantekenen tegen de manier waarop hij in de derde en vierde alinea van het artikel de gegevens van de vier evangeliën door elkaar husselt. Met name de tegenstrijdigheden bij de zalving, waar Smalhout het over heeft, maken dat duidelijk. Er zijn drie verschillende gasthe­ren: bij de evangelist Johannes is dat Lazarus, bij Lucas een fari­zeeër en bij Matteüs en Marcus was het Simon de melaatse. Bij Johannes en Lucas worden de voeten van Jezus gezalfd, bij Matteüs en Marcus zijn dat de haren. En dan de vrouw: bij Jo­hannes is dat Maria, de zus van de respectabele Lazarus, bij Lu­cas is het een zondares, bij Mat­teüs en Marcus een anonieme vrouw. Wie hier een historische gebeurtenis zou willen recon­strueren, komt er niet uit. Iedere evangelist had zijn eigen bedoe­lingen en invalshoek. Wij zijn het onzorgvuldig om­springen met teksten, zoals dat in vroeger eeuwen gebeurde, ontgroeid. We kunnen niet zeg­gen dat gastheer Simon de me­laatse Jezus mee uit eten nam in het eethuisje van Lazarus. In de evangeliën waarin Simon ge­noemd wordt, komen Lazarus en zijn zusters niet voor. Verder is het absoluut uit de lucht gegre­pen om van Lazarus een hotel­houder te maken. Maria, de zus van Lazarus (evangelie van Jo­hannes), mag niet geïdentifi­ceerd worden met de zondaars uit Lucas, waarvan we trouwens de naam niet weten.

Deze opmerkingen tasten de strekking van het betoog van Smalhout echter niet aan. Hij maakte alleen maar een extra excursie, waarop hij verdwaalde.

Het is goed de lezers even de weg terug te wijzen.

(Ineke Wackers, theologe, Nijmegen)

*zie Pasen [35]

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

518-479

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (35)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

.

ASTRONOMEN TWISTEN OVER DATUM VAN KRUISIGING

Dat de datum van Pasen iets met sterrenkunde te maken heeft, is vrij algemeen bekend. Volgens eeuwenoude kerkelijke regels wordt Pasen gevierd op de eerste zon­dag na de eerste volle maan na het begin van de lente. De astronomische lente begint op het moment dat de zon van zuid naar noord over de evenaar be­weegt. Dat gebeurde dit jaar* op 21 maart om twee minuten over vier ’s morgens. Vandaag*, op 30 maart, is het volle maan (om precies te zijn: vanmorgen om 8.17 uur), en eerste paasdag valt dus op zondag 31 maart*.

Feestdagen als Hemelvaart en Pink­steren zijn gekoppeld aan de paasdatum, en worden indirect dus ook door de maanstand bepaald. En zelfs de winter­sport wordt op die manier door de ster­ren geregeld: een vroege Pasen bete­kent een vroege voorjaarsvakantie.

Astronomen proberen er nu achter te komen wanneer het ‘eerste’ paasfeest is gevierd, dus wanneer Jezus uit het graf verrees. Omdat wetenschappers niet zo goed raad weten met wonderen, geven ze er de voorkeur aan om niet over de opstandingsdatum te praten, maar over de kruisigingsdatum. Met andere woor­den: wanneer was het voor het eerst Goede Vrijdag?

In wezen is dat natuurlijk voer voor historici, hoewel de grote Engelse
na­tuurkundige Isaac Newton zich er al mee bemoeide: hij was van mening dat de kruisiging zich op 23 april in het jaar 34 voltrok. Het moet in elk geval tussen de jaren 26 en 36 zijn geweest, de perio­de waarin Pontius Pilatus landvoogd van Judea was. En omdat de kruisiging volgens de Bijbel plaatsvond in de mid­dag die voorafging aan de sabbat, moet het een vrijdag zijn geweest.

Bovendien was het de dag van het oude joodse Paschafeest, of misschien de dag daarvoor. Dat feest werd altijd op de 14e en de 15e van de joodse maand Nisan gevierd. Met al die gegevens lijkt het niet zo’n klus om de juiste kruisi­gingsdatum te achterhalen.

Het probleem is echter dat de joodse kalender, net als de huidige islamitische kalender, gebaseerd was op de maan. Een nieuwe maand begon op de dag waarop de jonge maansikkel voor het eerst in de avondschemering gezien kon worden, dus een of hooguit twee dagen na nieuwe maan. Achteraf is voor een bepaald jaar moeilijk precies vast te stel­len op welke dag de maand Nisan begon: op welk moment was de maan voor het eerst zichtbaar?

Historici hadden de hulp van astrono­men nodig. De Amerikaanse sterren­kundige Bradley Schaefer ontwikkelde een computerprogramma waarmee voor elke plaats op aarde en voor elke datum in verleden of toekomst de zicht­baarheid van de maan berekend kan worden. Schaefer hield daarbij reke­ning met de meest uiteenlopende na­tuurkundige, meteorologische en fysio­logische effecten, zoals absorbtie van licht in de dampkring, verstrooiing aan stofdeeltjes, en de contrastgevoeligheid van het menselijk oog.

Op die manier kon hij achteraf bepa­len op welke dagen de joodse maanden moeten zijn begonnen. En daarmee konden ook de twee meest waarschijnlijke kruisigingsdata worden achterhaald: 7 april in het jaar 30 en 3 april in het jaar 33.

De Britse astronomen C. Humphreys en W. Waddington gaan nog een stap verder. Zij zijn ervan overtuigd dat 3 april 33 de gezochte datum is. Op die dag deed zich namelijk een maansverduiste­ring voor die vanuit Jeruzalem zicht­baar was. In de evangeliën van Mattheus, Marcus en Lucas wordt melding gemaakt van „duisternis over het gehele land, van het zesde tot het negende uur”

Lucas spreekt zelfs expliciet van een zonsverduistering, maar dat is onmogelijk**. Een zonsverduistering treedt op wanneer we de maan voor de zon langs zien schuiven. Dat kan alleen bij nieuwe maan gebeuren. De joodse maanden begonnen zoals gezegd altijd rond nieuwe maan, dus op de 14e of de 15e van de maand was het juist volle maan. Volgens Humphreys en Waddington slaan de Bijbelpassages op een maansverduistering. Maansverduisteringen treden op hij volle maan en kunnen inderdaad enkele uren duren.

Schaefer is echter niet onder de indruk van de theorie van de twee Britten. De maansverduistering van 3 april 33 was een gedeeltelijke verduistering, die bovendien bijna afgelopen was toen de maan opkwam, aldus Schaefer. Wie er niet speciaal op lette, zal er niets van gemerkt hebben, zo betoogde hij vorig jaar* in de Ouarterly Journal of the Royal Astronomical Society.

Maar Humphreys en Waddington lie­ten zich niet zo maar uit het veld slaan. Een paar maanden geleden publiceerden zij in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een reactie op het artikel van Schaefer. Die zou er bij zijn bereke­ningen van zijn uitgegaan dat Jeruzalem 450 meter boven de zeespiegel ligt. Maar, zo schreven de twee Britten, de oude stad ligt op een gemiddelde hoogte van 775 meter, en dat maakt een flink verschil voor de zichtbaarheid van hemelverschijnselen laag boven de hori­zon.

Bovendien baseerde Schaefer zijn conclusies op eigen waarnemingen van een maansverduistering vanuit de stad Washington. „Wij geloven niet dat de zichtbaarheidscondities in het oude Je­ruzalem en in het moderne Washington met elkaar vergeleken kunnen wor­den”, aldus Humphreys en Wadding­ton.

Dat de verduistering al bijna was afge­lopen toen de maan opkwam, wil er bij hen ook niet in. Om het opkomsttijdstip van de maan in het verre verleden te berekenen, moet je precies weten in welke mate de aardrotatie in de afgelo­pen eeuwen is vertraagd. Op basis van de meest nauwkeurige bepalingen van die vertraging concluderen Humphreys en Waddington dat de maan ongeveer voor de helft was verduisterd toen zij op 3 april in het jaar 33 boven de horizon van Jeruzalem verscheen.

Voorlopig lijkt het laatste woord nog niet gezegd over de kruisigingsdatum. Op zichzelf heeft het vraagstuk natuur­lijk ook weinig wetenschappelijke waarde, evenals de vraag naar de moge­lijke sterrenkundige verklaring voor de Ster van Bethlehem die volgens het Mattheüsevangelie de geboorte van Je­zus aankondigde. Maar het idee dat zo­wel de geboorte als de dood van Jezus door opmerkelijke hemelverschijnselen werd gemarkeerd, spreekt sommige sterrenkundigen kennelijk toch aan, hoe weinig ze ook ophebben met astrologie.
.

(Govert Schilling, nadere gegevens onbekend)

*de datum van dit artikel is onbekend
** zie Pasen (34) waarin Knijpenga ook spreekt over een maansverduistering.

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

517-478

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (34)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

DISCUSSIE OVER EEN VASTE PAASDATUM

In de jaren ’70 van de vorige eeuw was er een discussie over het vastzetten van de paasdatum.
Er was veel verzet tegen. De gezichtspunten die ten grondslag lagen aan dit verzet zijn nog steeds ‘van vandaag’.

KIEZEN VOOR RITME OF DOOD

In 1954 werd door India bij de Verenigde Naties een officieel verzoek ingediend om de bestaande (gregoriaanse) kalender te verbete­ren. De gregoriaanse kalender dateert van 1582. Verwarring en onzekerheid bij indus­trie zouden daardoor worden weggenomen.

In het bestaande systeem (daarnaast bestaan in India nog ongeveer 20 andere tijdrekenin­gen!) zijn de vier kwartalen 90 (in een schrikkeljaar 91), 91, 92 en 92 dagen lang. Samen 365 (366). Wanneer men elke 1e
ja­nuari op een zondag zou laten beginnen en elk kwartaal twee maanden van 30 dagen en één maand van 31 dagen zou geven, zou elk kwartaal 91 dagen lang zijn en precies der­tien weken. Dat is in één jaar 364 dagen. Dat is dus één dag te weinig en deze dag zou een wereldfeestdag worden zonder naam en zon­der datum. In een schrikkeljaar zijn er dan twee zulke dagen.

Bovendien zou het paasfeest moeten worden vastgelegd op de eerste of tweede zondag in april, dus op 1 of 8 april. Een gunstig jaar voor het invoeren zou een jaar zijn dat volgens de bestaande tijdreke­ning op een zondag begint. Zo’n jaar was 1956 of 1961.

De poging mislukte. Er kwam veel verzet. Een nieuwe situatie ontstond in 1963. Het tweede Vaticaans Concilie stemde toe in het vastleggen van de paasdatum binnen de gre­goriaanse kalender ‘wanneer allen, die het aangaat, toestemmen, in het bijzonder de broeders, die van de gemeenschap met de apostolische stoel gescheiden zijn’. Boven­dien was het concilie niet tegen een eeuwig­durende kalender (elk jaar met zondag 1 ja­nuari beginnend), mits het ritme van de week niet werd aangetast.

De eerste toestemming werd waardeloos doordat zowel orthodoxe kerken (Russische en Griekse) tegen waren alsook de joodse gemeenschap. Het tweede ‘niet tegen’ is in zichzelf waardeloos omdat zo’n kalender alleen tot stand kan komen met invoeging van jaarlijks één dag tussen de weken, zodat ieder jaar het begin van de week één dag la­ter komt en de eerstvolgende zondag niet 8, maar 9 (in een schrikkeljaar 10) dagen na de vorige zondag valt, Daardoor wordt het rit­me van de week aangetast, hetgeen overeen­komt daarmee dat het hart na elke 52 slagen er één zou overslaan. Hieraan is niet te ont­komen omdat we veel kunnen veranderen maar niet het feit dat één rondgang van de aarde om de zon 365, 2422 dag duurt.

Wie denkt dat hiermee de zaak dus is beslist, heeft het mis. 1967 was opnieuw een jaar dat met een zondag begon. Het verzet was nog zeer actief en er gebeurde niets. Het eerstvolgende jaar dat in aanmerking komt is 1978 en inderdaad is de strijd weer opge­leefd. Van het Vaticaan ging in mei 1975 het plan uit om vanaf 1977 Pasen steeds op de zondag na de tweede zaterdag in april te laten vallen. De Nederlandse bisschoppenconferentie vroeg het oordeel van de Raad van Kerken en de Assemblee van de Wereld­raad zette het in Nairobi op de agenda. Daar is het vrijwel geruisloos behandeld. Men was er niet voor maar maakte er ook niet veel drukte over.

Wat steekt er achter dit voorstel? Merkwaar­dig is het jaar van invoering. Niet 1978, als het jaar met een zondag begint, maar een jaar eerder. Is dit een drukfout in het kran­tenbericht? of moet de wind uit de zeilen ge­nomen worden van die hervormers, die tege­lijk met de paasdatum ook het
eeuwigdu­rende gelijke begin van het jaar willen vast­leggen?

In oktober 1975 verscheen in het dagblad Trouw een fel en emotioneel artikel van Dr. W. Barnard over het vastleggen van de paas­datum: ‘als ze het echt zouden invoeren, houdt het voor mij op met de kerk’. Door dit artikel zijn grote tegenstellingen en be­roeringen in de kerkelijke kringen ontstaan. Wat is hier aan de hand? Is dit een aangele­genheid van een steeds afnemend aantal ‘kerkmensen’? Of is het een mensheidsaange­legenheid?

Barnard ziet drie facetten aan de vaste paas­datum. Twee ervan hebben betrekking op het Oude Testament en het Jodendom, het derde op de concessie aan hen, ‘die techniek, industrie, mechanisch denken belangrijker vinden dan de levende aarde en het beteke­nisvolle bestaan van seizoenen, getijden, na­tuurlijke gegevens, tekenen van schepping, mits we ze verstaan in het licht van de Schrift’.

Het gaat om twee vragen: 1e de paasdatum en 2e de week die met de zondag begint. De paasdatum hangt inderdaad met de jood­se traditie samen evenals de week van zeven dagen.

Het joodse paasfeest was een bevrijdings­feest: herinnering aan de uittocht uit Egypte. Deze uittocht was bewerkt door de god Jahveh. Jahveh was een maangod. Zijn feest was dus een maanfeest. Het paasfeest werd ge­vierd bij de eerste volle maan in de lente. Dat was altijd dezelfde datum, de 14e Nisan, omdat de joodse tijdrekening zich richtte naar de maan. Bij elke nieuwe maan begon een nieuwe maand.

Wat nu echter door de meeste theologen, die zich hiermee bezig houden, voortdurend over het hoofd gezien wordt, is dat het chris­telijke paasfeest zijn oorsprong heeft in de opstanding. Het historische paasfeest bij de kruisiging begon op een vrijdagavond, de 14e Nisan, en duurde tot zaterdagavond (en nog een week daarna maar niet meer zo inten­sief). Op de eerste dag na de sabbat (de jood­se dagen werden geteld als eerste, tweede, enz. dag na de sabbat) vond de opstanding plaats, dit is op onze zondag.

Daar zit nu juist het wezenlijke punt. De wekelijkse feestdag was niet meer de sabbat, maar de zondag. Oorspronkelijk werden door de joodse Christenen beide dagen waar­schijnlijk gevierd. Ongeveer 150 na Chr. schrijft Justinus Martyr aan de keizer: wij vieren als de dag van de Heer (dies domini) de dag die u zondag (dies solis) noemt. Daarmee staat de christelijke week anders in de wereld dan de joodse week. De heilige dag is niet meer het einde maar het begin, de eer­ste dag van de week, niet de dag van Saturnus, de doodsgod, maar de dag van het we­reldlicht, de zon.

Het hele paasfeest staat in het teken van de zon. Ten eerste moet de voorjaarsevening gepasseerd zijn, dit wil zeggen de dag moet langer zijn dan de nacht; ten tweede moet de volle maan voorbij zijn, dit wil zeggen het gespiegelde zonnelicht neemt als licht van de nacht af. Omdat de eerste zondag na volle maan paasdag is, kan die dag nooit later val­len dan het laatste kwartier, dus nooit op volle maan of nieuwe maan of wassende maan. Er kan dus ook nooit een zonsverduistering plaatsvinden op Pasen want daarvoor is een nieuwe maan nodig. Het maankarakter treedt door deze bepaling op de achtergrond en de zon meer op de voorgrond. Ten derde wordt het paasfeest op een zondag gevierd. Een kalenderwijziging die de eerste januari op een zondag vastlegt en de paasdatum op de eerste of tweede zondag in april – of ook alleen de laatste wijziging — zou kunnen be­werken dat Pasen samenviel met volle maan of een zonsverduistering!

Waarom moet het maankarakter naar de ach­tergrond verdwijnen? Alle voorchristelijke religiositeit ging uit van het nachtelijk bele­ven. Dan was er nog een verbinding met ho­gere werelden mogelijk. Dus bij gedempt bewustzijn, dromend of slapend. Het christendom doet een beroep op het volle dag-bewustzijn. In het volle actieve aardeleven willen de Christuskrachten ingrijpen. De uit­beelding hiervan (als werkelijkheid en niet als symbool) is het zonnekarakter van het paasfeest. Dat kan alleen bewaard blijven bij een bewegelijke paasdatum. Daarbij komt nog het volgende: in het ene jaar is de tijd tussen Kerstmis en Pasen langer of korter dan het andere jaar en de tijd van Pinksteren tot aan midzomer (St. -Jan)
dien­overeenkomstig korter of langer. Deze varia­tie kan ongeveer 5 weken bedragen! Men kan trachten zich in te leven in dit pro­ces. In het voorjaar langer of korter wachten op de kracht die de dood overwint en die ons geschonken wordt door de opstanding.

En dan in de zomer sneller of minder snel toeleven naar het punt waar het geschenk van het licht reeds gaat afnemen en een be­roep wordt gedaan op wat wij er nu zelf mee gaan doen om herfst en winter te gaan door­dringen met de lichtkrachten, die ons zijn toevertrouwd.

Dit is een levensproces dat men niet abstract beredeneren kan maar dat nagevoeld wil worden. De onregelmatigheid van het ritme is kenmerk van het leven. Vasthouden aan dit ritme is niet vasthouden aan een traditie, maar kiezen voor het leven tegenover de dood, voor de dag tegenover de nacht.

(J. Knijpenga Jonas 16, 09-04-1976)

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

516-477

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.