Categorie archief: geschiedenis

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-3/2)

.

Karel de Grote 742-814
.

‘Wanneer ik de bedoeling van de paus had gewe­ten, dan had ik nooit een voet in deze kerk gezet.
Volgens de overlevering deed Karel de Grote, koning der Franken, deze uitspraak na een Kerstmis in Rome in 800. Tijdens deze mis werd hij door de paus tot keizer van het Westen gekroond. Door Karels toedoen was de paus niet langer in de macht van de Byzantijnse keizers in het Oosten. Hij had de kerk van Rome onverbrekelijk met Europa verbonden.

De Franken hadden heel wat bereikt. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht waren ze niet meer dan een barbaars volk. Ze leefden in het Rijndal, net buiten de grens van het Romeinse Rijk. Terwijl de macht van de Romeinse keizers afnam, breidden de Franken hun gebied uit. Clovis, de eerste koning van de Franken, versloeg de Romeinse legioenen bij Soissons. In 486 maakte hij een einde aan de Romeinse heerschappij over het grootste deel van Gallië. Clovis nam het christelijke geloof aan. Ook bekeerde hij zijn volk tot zijn nieuwe geloof. Hij legde de grondslag voor de dynastie van de Merovingers, die het rijk van de Franken meer dan 250 jaar zouden rege­ren. Aan het eind van die periode hadden de Me­rovingers alleen nog de koninklijke titel. De echte macht was in de verschillende gebieden van het rijk overgegaan in handen van hofmeiers. Een van hen was Karel Martel. Hij verdiende een blij­vende plaats in de geschiedenis door bij Tours de Arabieren te verslaan en hun opmars in Europa tot staan te brengen. Zijn zoon en opvolger Pippijn de Korte, onttroonde de Merovingers en riep zichzelf in 751 uit tot koning van de Franken. Hij kreeg daarvoor de toestemming van de paus, omdat die zijn steun nodig had in de strijd tegen de Longobarden, een ander barbaars volk dat gebieden in Italië bezet hield. Ze bedreigden het ge­bied van de kerkvorst. Pippijn stierf in 768. Zijn twee zoons, Karel en Karloman, erfden het rijk. Dit omvatte het grootste deel van het huidige Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitser­land en Oostenrijk. Karel werd de enige heerser, omdat zijn broer in 771 overleed. Het werk van Pippijn werd door zijn zoon Karel voortgezet. Hij breidde zijn rijk uit met het koninkrijk Lombardije in Noord-Italië, Beieren en Saksen. Ook werd hij koning over de Avaren en Slaven.

De Franken ondernamen ook een poging om Spanje aan hun rijk toe te voegen. In 778 beleger­den ze Saragossa. Ze slaagden er niet in de stad in te nemen en trokken zich terug. Op de terugweg gingen ze dwars door de Pyreneeën. Daar werden ze aangevallen door de Basken. De legeraanvoer­der Roeland sneuvelde. Hij werd later onsterfelijk in het heldendicht het Roelandslied. Karel maakte zijn plannen voor de vele veldslagen en het in stand houden van zijn legers altijd alleen. Daarbij stond hij ook nog vaak aan het hoofd van zijn van zijn strijdmacht. Ook het bestuur over zijn immense rijk voerde hij vrijwel alleen uit. Karel beschikte in tegenstelling tot de Romeinse keizers niet over ambtenaren. Het rijk was niet in provincies onderverdeeld, er waren geen wegen en goede verbindingsmogelijkheden en er was geen algemene wetgeving. Het centrale bestuur was Karels hof. Dat bestond uit zijn familie en een kleine groep wereldlijke leiders. Alle gebieden behielden hun eigen wetten en werden bestuurd door een plaatselijke edelman en een bisschop. Ze kregen hun instructies van twee koninklijke boodschappers, een kerkelijke en een bestuurlijke. Ongeveer eens per jaar ontmoetten Karel en zijn hof de plaatselijke bestuurders in een algemene vergadering. Daar werden niet alleen de burgerlijke, maar ook de godsdienstige en militaire aangele­genheden besproken.

Hoewel het bekend is dat Karel ruwe manieren had en een slechte opleiding had gekregen, hongerde hij naar kennis. Hij liet geleerden uit alle delen van zijn rijk aan zijn hof in Aken wonen. Om het onderwijs in zijn rijk te stimuleren en de godsdienstbeoefening te verbeteren, stichtte hij scholen, in het bijzonder in de kloosters en kerken. Die inspanningen leidden tot de zogenaamde Karolingische Renaissance, die niet alle­en belangstelling voor scholing omvatte, maar ook nieuwe kunstvormen en een nieuwe architectuur.

Het rijk van Karel de Grote had een enorme omvang bereikt. Het bevatte ook een deel van het vroegere West-Romeinse Rijk. Daardoor werd het de rivaal van het Byzantijnse Rijk, dat in plaats van het Oost-Romeinse Rijk was gekomen.
Byzantium bezat nog een aantal gebieden in Italië, hoe­wel het grootste deel in handen van de barbaren was. Ook beweerden de Byzantijnen zeggenschap te hebben over de paus en de Kerkelijke Staat, Maar de pausen gaven de voorkeur aan de Fran­ken. Dat kwam omdat ze voor een deel werden beschouwd als betere beschermers en voor een deel omdat de Westerse Kerk een andere mening had over een aantal leerstellingen die door de orthodoxe bisschoppen waren aanvaard. In 799 vluchtte paus Leo III naar het hof van Karel de Grote om aan zijn vijanden te ontsnappen. Karel liet hem veilig naar Rome terugbrengen. Het jaar daarna kwam Karel zelf naar Rome. Daar werd hij met veel pracht en praal ontvangen. Tijdens de kerstmis werd hij door de paus tot keizer gekroond. Na een lange strijd werd hij in 812 door de Byzantijnen als keizer erkend. Ze gaven daarmee ook hun rechten op Rome en de paus op. Karels rijk bleef na zijn dood nog maar één generatie bestaan. Daarna versplinterde het in kleinere delen. Toch had het een diepgaande invloed op het Middeleeuwse en tegenwoordige Europa. Want Karel de Grote gaf de Europeanen een gemeenschappelijke erfenis, die was gebaseerd op Romeinse, christelijke en barbaarse grondvesten. Hij was de eerste, die binnen de regering de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten samenbracht. Hij zorgde voor een politieke traditie waardoor later Duitsland en Frankrijk zijn ontstaan.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

726-663
.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-4)

.

DE KAROLINGISCHE RENAISSANCE|

.

De levensbeschrijving door de monnik Einhard

Het is altijd moeilijk om af te gaan op wat een man in zijn mateloze bewondering voor een vorst over hem heeft geschreven. De monnik Einhard, een goede vriend van Karel de Grote, heeft het leven van de grote keizer in het boek ‘Vita Caroli’ op schrift gezet. Hij deed dat na diens dood en we mogen wel aannemen, dat hij de persoon van de keizer verheerlijkt heeft en op z’n zachtst gezegd de zaken wat rooskleurig heeft voorge­steld.

Wil men Einhard geloven, dan was de keizer een groot bewonderaar van vele kunstvormen. Tijdens de maal­tijden wenste de keizer muziek te horen. Karel de Grote moet dus de beschikking hebben gehad over eigen muzikanten. Verder wilde Karel dat men hem voorlas uit de Bijbel en de werken van de Heilige Augustinus. Daaruit blijkt overduidelijk, dat de keizer niet kon lezen en schrijven. Wel moet hij Frankisch en Latijn hebben gesproken en Grieks kon hij op z’n minst verstaan. Karel de Grote zou ook een groot bewonderaar zijn geweest van sier­voorwerpen, de bouwkunst en koor­zang.

Ook al zou Einhard wat overdreven hebben, dan toch moet er wel een kern van waarheid in zijn beschrijving hebben gezeten. Zeker is, dat ten tijde van Karel de Grote de kunsten en wetenschappen weer begonnen te bloeien.

De wedergeboorte van de beschaving

Eeuwenlang had Europa, overheerst door de krijgszuchtige Franken, niets dan oorlog en onrust meegemaakt. De oude Romeinse beschaving en wetenschap waren in het strijdgewoel ten onder gegaan. Bibliotheken waren verbrand en aan het onderwijs werd vrijwel geen aandacht besteed. Alleen in sommige kloosters was nog een restje van de oude beschaving over­gebleven.

De groeiende rust en de veiligheid in het rijk van Karel de Grote gaven de kunsten en wetenschappen de kans weer op te bloeien. Deze opbloei staat in de geschiedenis bekend als de ‘Karolingische Renaissance’. Het woord renaissance betekent ‘weder­geboorte’. Dit houdt in, dat het niet ging om volkomen nieuwe uitingen van kunst en wetenschap. De Karo­lingische renaissance werd in zekere mate de wedergeboorte van de verlo­ren gegane Romeinse beschaving. Het barbaarse tijdperk van de onbe­schaafde Germaanse volkeren liep ten einde, door de nieuwe bloei van de begrippen ‘kennis’ en ‘schoonheid’.

De monnik Alcuin, de ‘minister’ van onderwijs

De belangrijkste figuur van de Karo­lingische renaissance was een monnik. Hij heette Alcuin en was als prediker uit Engeland naar het Frankische rijk gekomen. In het rijk van de Angelen en Saksen was, anders dan op het Europese vasteland, nog veel van de Romeinse erfenis bewaard gebleven in de kloosters. Alcuin was een zeer belezen man, een van de grootste geleerden van zijn tijd. De monnik Alcuin werd de leider van het wetenschappelijke en culturele leven in het Frankische rijk. Hij was eigenlijk de minister van onderwijs en wetenschappen in het rijk van Karel de Grote. Met hem was Karel de Grote van mening, dat goed onderwijs voor het volk de schakel vormde naar beschaving. Daarmee werden niet de scholen bedoeld, waar de bisschoppen hun priesters opleid­den.
Er werd een hofuniversiteit gesticht, waar de edelen en de hoge ambtenaren lezen en schrijven leerden. Er kwamen kloosterscholen, waar het gewone volk leerde lezen, zangles kreeg en onderricht werd hoe men de kerkelijke feestdagen kon berekenen. Het beperkte lesprogramma mag natuurlijk niet worden vergeleken met dat van het moderne onderwijs. Alcuin hervormde de opleiding voor de hogere geestelijken. De ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren bindend op elk lesrooster. Daar hoorden bijvoorbeeld rekenkunde, de meetkunde en de Latijnse spraakkunst bij. Het klassieke Latijn, de taal van de Romeinen werd daarmee in ere hersteld.
Karel de Grote gaf veel steun aan zijn raadsheer voor onderwijszaken. Aan het hof vormde zich een kring van geleerden. Tijdens vele gesprekken met de geleerden nam de keizer steeds een duidelijk standpunt in.

De kloosters ais middelpunt van beschaving

Door alle studie, voornamelijk be­oefend door de geestelijkheid, werden de kloosters het middelpunt van de Frankische beschaving, wetenschap, kunst en letterkunde. In de abdijen waren grote schrijfateliers, waar met grote nauwkeurigheid en in fraai geschreven letters boeken werden omgeschreven. Vooral in Engeland waren nog vele geschriften van de Romeinen te vinden, waarvan af­schriften naar het Frankische rijk werden gezonden. Het is nauwelijks voor te stellen, hoeveel tijd het over­schrijven en illustreren van één boek moet hebben gekost. Door het over­schrijven van oude geschriften is veel bewaard gebleven uit de oude geschie­denis, wat anders verloren zou zijn gegaan.

De Karolingische bouwkunst

Vooral in de bouwkunst spiegelden de Franken zich aan het Romeinse voorbeeld. De oude Frankische palei­zen en andere gebouwen waren niet veel meer geweest dan een soort blokkendozen. Maar KareL de Grote had in Italië de Romeinse paleizen en de schitterende kerken gezien. Hij stuurde zijn beste bouwmeesters naar het zuiden om de oude bouwkunst te bestuderen. Ze maten alles nauwkeurig op, maakten ijverig tekeningen en schreven alle bijzonderheden op. Uit Italië namen ze vaklieden mee naar Frankenland. Zelfs werden zuilen en beeldhouwwerken afgebroken uit de Romeinse ruïnes en op zware ossenkarren meegevoerd. Alles werd ge­daan om de Romeinse bouwkunst zo goed mogelijk te imiteren. Helemaal lukten de imitaties niet. Oppervlakkig gezien zagen de Karo­lingische paleizen en kerken er vrij Romeins uit, maar bij nadere be­schouwing waren ze toch wel wat plomp en massief. Het belangrijkste overblijfsel van de herboren bouw­kunst is het oudste, achthoekige gedeelte van de Akense Dom. Deze werd gebouwd op de fundamenten van een Romeinse badinrichting en was bedoeld als kapel voor de koninklijke palts. Het bouwwerk werd omstreeks het jaar 800 voltooid. Het is het oudste nog bestaande stenen gebouw ten noorden van de Alpen. De kapel telde twee verdiepingen. Beneden stond het altaar en daar was de ruimte voor de kerkgangers. Vanaf de tweede verdieping woonden Karel de Grote en zijn hofhouding de diensten bij.

Grondslag voor het middeleeuwse leven

De opbloei van kunsten en weten­schappen ten tijde van de Karolingen vormde de grondslag voor de middeleeuwse beschaving. De Europese edelsmeedkunst, de beeldhouwkunst, de bouwkunst en de letterkunde vonden allemaal hun oorsprong in de drang naar beschaving van keizer Karel de Grote.

Een van de fraaiste voorbeelden van de Karolingische edelsmeedkunst is de kelk van Tassilo, die zich tegen­woordig in een Oostenrijks museum bevindt. De kelk werd door Tassilo, de hertog van Beieren, aan een klooster geschonken. Rondom is de kelk versierd met afbeeldingen van Christus, de evange­listen en andere heiligen. Een karakte­ristieke kunstvorm uit de Karolingische tijd waren ook de relikwie­schrijnen. Dat waren kostbare kast­jes, waarin de resten van een heilige of heilige voorwerpen werden be­waard. De schrijnen waren juweeltjes van goudsmeedkunst en snijwerk. Voor de middeleeuwse christenen vertegenwoordigde een plukje hoofd­haar, een vingerbotje, een stuk van een mantel of een ander persoonlijk eigendom van een heilige, een grote schat.

De schilderkunst, die later tot de “kunst der kunsten’ van Europa zou opbloeien, ontstond ten tijde van Karel de Grote. Aanvankelijk beston­den de schilderijen uit kleine illustraties in bijbels en andere boeken. Later begon men de muren van kerken te beschilderen, om het volk iets van de Bijbelse verhalen te laten begrijpen.

De Karolingische renaissance bereikte het hoogtepunt omstreeks 850, dus 35 jaar na de dood van de keizer. Schitterende abdijen waren overal te vinden in het Frankische land, alle­maal voorzien van schitterende en kostbare bibliotheken. Binnen de grenzen van het machtige rijk leefde het volk veilig. Men kon zich bezig­houden met allerlei andere zaken dan oorlogvoeren. Europa stond aan de vooravond van een nieuwe tijd!

Onrust in het huis van de Karolingen

De dood van Karel de Grote

In het najaar van 812 kwam Karel de Grote aan in zijn meest geliefde verblijfplaats, de palts te Aken. Voor de keizer was het letterlijk en figuur­lijk herfst. Hij was een oude man geworden, die zijn bevende handen niet meer in bedwang kon houden. Zijn gebogen gestalte maakte duide­lijk dat hij het regeren moe was. Zijn enige wens was, in de warme bronnen van Aken verlichting te vinden voor zijn reumatiek, die hem mank had gemaakt.

Bij de palts aangekomen, zag hij dat de mooie Mariakapel gedeeltelijk was ingestort. Het gebouw, de trots van Karel, was door de bliksem getroffen. Als een onheilspellend voorteken bleek de gouden rijksappel, het symbool van de Frankische een­heid, uit de kapel te zijn verdwenen…
De oude keizer had de laatste jaren weinig strijd meer gekend, maar des te meer verdriet. De dood had verschillende malen toegeslagen en had hem beroofd van drie kinderen, in de kracht van hun leven. De grijsaard was op, verslagen door de jaren en verteerd door verdriet. In de koude januarimaand van 814 stonden de lijfartsen van de keizer aan zijn ziekbed. Ze konden niet anders vrezen dan het ergste. De keizer kreeg steeds hogere koorts en een vergevorderde longontsteking sloopte zijn laatste krachten. Op 28 januari 814 blies de grote Frankische keizer zijn laatste adem uit, waar­schijnlijk 72 jaar oud, na een rege­ringsperiode van 46 jaar.

Opgevolgd door zoon Lodewijk de Vrome

Een jaar voor zijn dood had Karel de Grote, die zijn einde voelde naderen, eigenhandig zijn enig overgebleven zoon de keizerskroon op het hoofd gedrukt. Opzettelijk had Karel dat zelf gedaan, omdat hij duidelijk wilde laten zien dat hij slechts aan Christus verantwoording wilde afleg­gen. De rol van de paus leek daarmee helemaal te zijn teruggebracht tot die van een biddende, vrome monnik. Van de zonen die Karel eens had bezeten, was Lodewijk verreweg de minst bekwame. Maar de oude keizer had geen keus meer…

Spreekwoordelijke vroomheid

Lodewijk was een uiterst gelovig man, wat hem al gauw de bijnaam ‘de Vrome’ bezorgde. Een van zijn eerste daden was, zijn kroning te laten overdoen door de paus, in 817. Daarmee maakte hij duidelijk, dat hij als gelovig christen de paus wilde eerbiedigen. Op slag nam de invloed van de paus aanmerkelijk toe… Lodewijk de Vrome was lichamelijk het evenbeeld van zijn vader. Hij was krachtig gebouwd en een even goede ruiter en jager als Karel de Grote in zijn dagen was geweest. Maar daar­mee hield de vergelijking ook op. Lodewijk was toegevend en zacht­aardig. Dat maakte hem niet tot de geschiktste persoon om het grote Frankische rijk bijeen te houden. Zijn vroomheid was spreekwoordelijk en hij toonde zich altijd onderdanig tegenover de hogere geestelijkheid. De kerk kon daardoor steeds meer greep op zijn regering krijgen.

Opruiming van de Germaanse resten

Lodewijk de Vrome gedroeg zich in zijn rijk niet bijzonder tactvol. Hij begon met zijn naar zijn mening wat al te levenslustige zuster naar een klooster te sturen. De hofadel werd vervangen door monniken en kerkgeleerden. Wat ook maar enigszins naar een Germaanse afkomst riekte, moest onmiddellijk verdwijnen. De verzameling heldendichten van zijn vader werd in opdracht van Lodewijk grotendeels verbrand. De namen van de maanden werden veranderd, omdat ze van Germaanse oorsprong waren…

Tegenstanders en heidenen werden door de nieuwe keizer, zonder het mededogen dat van een gelovig chris­ten mocht worden verwacht, de ogen uitgestoken en in kerkers opgesloten. Ook de zoons van zijn gestorven broers, die als erfgenamen van de troon wel eens moeilijkheden zouden kunnen veroorzaken, liet hij op die manier verdwijnen.

Wolken aan de horizon

In het rijk van de Franken, dat in de tijd van Karel de Grote krachtig en rechtvaardig was bestuurd, verschenen donkere wolken aan de horizon. In plaats van een krachtig vorst omringd met geleerden, letterkundi­gen en goede raadgevers, gingen geestelijken de dienst uitmaken. De vrome Lodewijk was maar al te gemakkelijk bereid naar de influiste­ringen van de geestelijken te luisteren. Hij kreeg het steeds moeilijker om belangrijke beslissingen te nemen. Zoiets stelde hij maar liever uit. Er kwamen moeilijkheden, die om een duidelijk oordeel en een krachtige beslissing vroegen. De paus veroor­zaakte zo’n moeilijkheid. Hij pro­beerde steeds meer greep te krijgen op de Franken.

De graven en hertogen van de ver­schillende gouwen en marken vorm­den een nog grotere moeilijkheid. Bij gebrek aan een strenge hand begonnen ze steeds zelfstandiger op te treden Een laatste, maar zeker niet de kleinste moeilijkheid werd gevormd door de Vikingen, die steeds vaker de grenzen van het rijk schonden. Dorpen, kerken en kloosters aan de kusten werden door hen geplunderd. De vrome en besluiteloze keizer wist niet hoe hij al die moeilijkheden moest oplossen.

Onrust in gouwen en marken

Onder het krachtige bestuur van Karel de Grote was er voor de graven en hertogen maar weinig speelruimte geweest. Nooit hadden ze het gewaagd zelf voor ‘koninkje’ te gaan spelen. Lodewijk de Vrome liet de teugels vieren en gaf zijn leenmannen meer speelruimte dan ze aankonden. Bo­vendien nam Lodewijk een aantal leengebieden in, beperkte de rechten van andere leenmannen en koos ook nog andere vazallen. Die kregen het land niet in leen, maar in eigendom. Het gevolg daarvan was, dat de keizer  zijn  trouwste  leenmannen kwijtraakte, vele anderen ontevreden maakte en zijn macht ook voor een groot deel uit handen gaf.

De Karolingische broederstrijd

Het leek wel of Lodewijk de Vrome een speciaal talent had om problemen op te roepen. Als goed Frankisch hoofdman besliste hij al bij zijn leven, hoe het rijk na zijn dood bestuurd moest worden. Hij had drie zoons: Pippijn, Lotharius en Lode­wijk. Lotharius zou de nieuwe keizer worden en de twee andere koningen zouden koning worden over de helft van het rijk. Zo op het oog geen slechte oplossing, als niet Lodewijk de Vrome na enige tijd zou zijn hertrouwd. De beeldschone, zwart­harige keizerin Judith van Welf schonk de keizer na vier jaar huwelijk een zoon, die Karel werd gedoopt. In het huwelijkscontract was al bepaald, dat de nakomelingen uit het tweede huwelijk van de keizer niet zouden meedelen in de erfenis. Maar keizerin Judith gebruikte al haar talenten om de keizer tot andere gedachten te brengen. Lodewijk ging al snel door de knieën: zijn geest was gewillig, maar zijn vlees was zwak…
Prins Karel zou ook een portie van het rijk krijgen, wat ten koste van de andere broers zou gaan. Pippijn, Lotharius en Lodewijk namen dat niet en trokken ten strijde tegen hun eigen vader, om het ‘nakomertje’ van zijn leven te beroven en dus van zijn erfdeel.

Het ‘Leugenveld’

Bij de plaats Colmar aan de Rijn voltrok zich de strijd, die vooral opviel door verraad en overloperij.
De drie oudste prinsen wonnen de slag, maar naar later zou blijken niet de oorlog. Voorlopig werd de jonge prins Karel op een zijspoor gezet. Stiefmoeder Judith werd naar oud-Frankisch gebruik door de broers beticht van overspel en in een klooster ondergebracht.
De plaats van de veldslag werd later het ‘Leugenveld’ genoemd, wat al genoeg zegt over de gebeurtenissen… De behandeling van de keizer door zijn eigen zoons, die hem na de slag triomfantelijk kwamen bezoeken, betekende een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Karolingische huis. In de kerk van Soissons werd de keizer zijn kroon van het hoofd gerukt, zijn mantel in stukken van het lichaam gescheurd en zijn scepter uit de handen geslagen. Daarna wikkelden de drie zoons hun vader in een monnikspij en strooiden as over zijn hoofd.
Ten aanschouwen van zijn volk moest Lodewijk zich laten vernederen en laten zien hoe hij had gefaald…

Het rijk stond in brand…

Na hun verwerpelijke daad zagen de broers er ook niet meer tegenop om onderling ruzie te gaan maken over de verdeling van macht. In het geharrewar dat toen ontstond, kozen Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader. Ze erkenden hem weer als keizer en haalden stiefmoeder Judith uit het klooster. Die begon prompt opnieuw met haar spel om haar zoon Karel naar voren te schuiven. Het was geen hartroerende vader­liefde, die Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader Lodewijk de Vrome deed kiezen. Ze waren bang voor de heerschappij van hun oudste broer Lotharius. De broederstrijd laaide hoger op dan ooit tevoren. Pippijn stierf en ook de oude keizer Lodewijk de Vrome verwisselde in 840 het tijdelijke met het eeuwige. Inmiddels lag ook de Frankische staat op sterven. Oorlog, verwoesting en hongersnood hadden het eens zo bloeiende keizerrijk geteisterd. De bewaking aan de grenzen was ver­slapt. De Vikingen plunderden de kuststreken. De Saracenen vermoord­den alles wat ze tegenkwamen op hun weg door het dal van de Rhöne. De Saksen kozen de zijde van Lotharius en vervielen tot het heidendom. Kloosters en kerken werden in brand gestoken. Alleen een wonder zou de ondergang van het Frankische rijk nog kunnen voorkomen…

Het verdelingsverdrag van Verdun

Lodewijk verslagen

Het wonder dat nodig zou zijn om de Frankische eenheid te redden, liet op zich wachten. De broers vochten verder. Aan de ene kant vocht Lodewijk, die later de bijnaam de Duitser’ zou krijgen. Hij werd terzijde gestaan door zijn jongere halfbroer Karel. Die werd vanwege zijn schaarse haargroei ‘de Kale’ genoemd. Aan de andere vocht de oudste broer Lotha­rius, een hebzuchtige egoïst, die de alleenheerschappij wenste over de erfenis van hun vader. Bij Fontenay kwam het tot een beslissende veldslag. Lotharius werd verslagen. De zegevierende Lodewijk de Duitser en Karel de Kale zworen elkaar daarom in Straatsburg (842) eeuwige vriendschap en trouw. De Eed van Straatsburg werd afgelegd in tegenwoordigheid van de legers. Lodewijk sprak Duits en Karel legde de eed af in het Frans. Daarbij liepen ze duidelijk op de gebeurtenissen vooruit..

De verslagen Lotharius zag in, dat het zinloos was de oorlog verder voort te zetten. Ook het volk verlang­de naar het einde van het al zo lang durende krijgsgeweld. Lotharius stel­de voor te onderhandelen over de verdeling van de keizerlijke nalaten­schap. Dat gebeurde in 843 in de Franse stad Verdun. De drie broers werden het eens en de afspraken werden op schrift gezet in wat wordt genoemd het’ Verdrag van Verdun’. Dat verdrag maakte in 843 definitief een einde aan de Frankische eenheid.

Het grote rijk werd verdeeld in drie stukken. Daarbij werden bergketens en rivieren als grenzen aangehouden. Halfbroer Karel de Kale mocht zich koning noemen over het gebied tussen de Pyreneeën en de rivier de Schelde. Daarmee werd ongeveer het huidige Frankrijk gevormd. De tweede koning werd Lodewijk de Duitser, die het Oostfrankische rijk kreeg toebedeeld. Het was het gebied ten oosten van de Rijn en de Wezer, waarmee het latere Duitsland vorm kreeg.

Lotharius werd keizer, waarmee toch de vaderlijke wil werd gerespecteerd. Hij kreeg een stuk land tussen de twee andere rijken in. Het was een soort kronkelend lint, dat zich uitstrekte van Friesland in het noorden tot aan de Tyrrheense Zee, een uitloper van de Middellandse Zee
Dit ‘land’ maakte niet alleen door de vorm, maar ook door de samenstel­ling van de bevolking een volstrekt onnatuurlijke indruk. Er werden meer dan vier verschillende talen ge­sproken en dat was bepaald geen waarborg voor een lang voortbestaan van een middeleeuws rijk. Na de dood van Lotharius in 855 viel het midden­rijk uit elkaar, toen het werd verdeeld onder de drie zoons van de overleden keizer. Karel de Kale en Lodewijk de Duitser vergaten toen al snel de Eed van Straatsburg, waarbij ze elkaar vriendschap en trouw hadden beloofd. Voor de zoveelste keer gingen ze elkaar te lijf, met als inzet het Frankische grondgebied.

Het einde van de Karolingen

Het einde van de heerschappij van het huis van de Karolingen kwam in zicht. De Duitse tak stierf al uit in 911. De leenmannen besloten toen dat ze voortaan een koning zouden kiezen. Daarmee wilden ze bereiken dat het rijk niet zou uiteenvallen on­der de koningszoons na de dood van een vorst. Het kiezen van de vorst bleef lang gewoonte, al probeerden de gekozenen wel steeds om zich door hun oudste zoon te laten opvolgen. De Franse tak maakte het wat langer: tot 987. Toen stierf de laatste Karoling. De Franse leenmannen kozen op hun beurt een koning. Het werd een van de hertogen: Hugo Capet. Het huis van de Capetingen zou ruim driehonderd jaar over Frankrijk blij­ven regeren. Het Verdrag van Verdun had een eind gemaakt aan het mach­tige en grote Frankische rijk. De vor­ming van kleinere zelfstandige staten zou daarna een aanvang nemen.

6e klas Karel de Grote 3

6e klas Karel de Grote 4

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

722-659

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-3/1)


 .

De Karolingische Koningen
.

Het verval van de Merovingen

Het Frankische erfrecht veroorzaakte een sterke verbrokkeling van het rijk. De Merovingen hadden daar wel een oplossing voor: de sterkste zoon hielp zoveel mogelijk mede-erfgenamen naar de andere wereld. De koningen wisselden elkaar steeds sneller af en ze waren steeds jonger. Een ander nadeel van de latere Merovingische koningen was, dat ze meestal een zwakke gezondheid en een beperkt verstand hadden. Na 700 hadden de raadslieden van de Fran­kische koning meer macht dan de koning zelf!

De greep naar de macht

De hofmeiers die zich in de loop van de tijden van een soort opperkamerheer hadden opgewerkt tot eerste minister, grepen naar de macht. Karel Martel, de hofmeier van de Frankische koning Chlotarius IV, ging vastberaden zijn eigen gang. De zwakke koning bracht niet eens de kracht op om tegen te sputteren. Hofmeier Karel trad krachtig op, toen het Frankische rijk van verschil­lende kanten werd aangevallen. Hij versloeg in 732 de Saracenen in het zuiden, de Friezen in het noorden en de Saksen en Alemannen in het oosten. Toen de Merovingische vorst in 737 stierf, liet Karel Martel weten dat de Franken het voortaan met een nieuw koningshuis moesten doen… De zoon van Karel Martel, koning Pippijn de Korte, bouwde na 741 de macht die zijn vader had gevestigd, nog verder uit. Na de dood van Pippijn leek het weer even alsof de klok weer tientallen jaren was terug­gezet: twee zoons streden om de macht. Eén van die zoons was Karel, die als Karel de Grote, de keizer der keizers, de geschiedenis zou ingaan.

Karel de Grote

Karel werd in 768 koning van een deel van het Frankische rijk. Hij werd in 771 koning van alle Franken, toen zijn broer Karloman op20-jarige leeftijd het leven liet.
Koning Karel bouwde zijn rijk uit tot het machtigste rijk van Europa, krachtig geleid en uitstekend be­stuurd. Nadat hij aanvankelijk op vele fronten strijd had geleverd, wist Karel zijn rijk een periode van ongekende rust te bezorgen. Karel werd in 800 door de paus tot keizer gekroond, een gebeurtenis die al honderden jaren niet meer was voor­gekomen. De kunsten en wetenschap­pen, tot stilstand gekomen na al die eeuwen van strijd en onrust, begonnen weer op te bloeien. Die bloei hield ook nog aan na de dood van Karel in 814.

Opnieuw verval

Na het bewind van de onovertroffen keizer Karel de Grote, werd het Frankische volk in de narigheid gestort door de weliswaar zeer vrome, maar ook onbekwame Lodewijk de Vrome. Hij stapelde fout op fout en nam vrijwel altijd de verkeerde be­slissing. Het rijk werd belaagd door Vikingen en andere vijandige volke­ren, waar de weinig strijdvaardige Lodewijk geen antwoord op had. Hij raakte steeds meer onder de invloed van hoge geestelijken, nadat hij de raadsheren van zijn vader aan de kant had gezet. Hij raakte in een ernstig conflict verwikkeld met zijn zoons, die het niet eens konden worden over de manier waarop later de erfenis moest worden verdeeld. Vernederd en belachelijk gemaakt door zijn zoons, stierf de vrome en machteloze keizer in 840. Door de broederstrijd, die ook na zijn dood voortduurde, dreigde het rijk de prooi te worden van barbaarse inval­lers.

Een verdelingsverdrag

Ten slotte, nadat de oudste zoon in een veldslag het onderspit had moeten delven, besloten de erfgenamen van Lodewijk de Vrome het rijk in drieën te delen. Zo ontstonden Frankrijk en Duitsland, gescheiden door een derde, langgerekt keizerrijk. Dat middelste rijk ging al snel aan het oude erfrecht te gronde. De andere twee rijken zouden in Europa een machtige rol gaan vervullen, maar dan wel zonder de Karolingen, het huis waaraan Karel de Grote zijn naam had gegeven. De laatste Karolingische vorst stierf in 987.                                

Machtsovername door de Hofmeiers

De oudste van het huis

De Merovingische vorsten hielden er een uitgebreide hofhouding op na. De huishoudelijke zaken werden gere­geld door een huismeester, die werd aangeduid met de Latijnse term ‘Maior Domus’. Dat betekende letter­lijk ‘Oudste van het Huis’, meestal aangeduid als hof-maior of hofmeier. Door de voortdurende strijd in ver­band met vervelende erfeniskwesties waren de hofmeiers gewoonlijk ouder dan de vaak piepjonge koningen. Vele Merovingische vorsten was geen lang leven beschoren: zelden haalden ze de veertig jaar. Vielen ze niet in de strijd, dan vielen ze wel door moorde­naarshand.

Het is begrijpelijk, dat de hofmeiers de positie veroverden van raadsheer van hun jonge, onervaren koningen. Al snel werd hun functie erfelijk. Hofmeier werd een familiebaan, van vader op zoon. Om hun baan te beschermen, waren de hofmeiers wel verplicht steeds meer taken aan zich te trekken. Als hun koning viel, was het ook met hun aantrekkelijke functie gedaan…

Na verloop van tijd waren het de hof­meiers, die namens de koning de schatkist beheerden, het leger aan­voerden en rechtspraken. Slechts af en toe was er een koning die sterk genoeg was om zich aan de macht van de hof­meiers te onttrekken. In het algemeen regeerden de latere Merovingische vorsten alleen in naam. Omstreeks het jaar 600 regeerde de krachtige koning Dagobert, die een gunstige uitzondering maakte. Om­streeks 650, toen het rijk voor de zoveelste maal tussen twee zoons werd verdeeld, bevochten de hofmei­ers van de Oost-Frankische en West-Frankische koningen elkaar bijzonder fel.

Karel Strijdhamer

Na 700 was het zover gekomen, dat de hofmeier van het Merovingische hof zó machtig was geworden, dat hij de ‘regerende’ koning achteloos ter­zijde kon schuiven. Op de troon zat een ware schertsfiguur, Chlotarius IV. Hij was niet meer dan een schaduwkoning, alleen ter ere van het Merovingische huis. In werkelijkheid werd de dienst in het rijk uitgemaakt door de in 714 aangestelde  hofmeier Karel Martel. Zijn naam, die letterlijk ‘Strijdhamer’ betekent, verklaart ei­genlijk al genoeg over zijn persoon­lijkheid.

Karel Martel vond het de hoogste tijd worden, dat er een krachtig vorst aan het hoofd van land en leger kwam te staan. De halfslachtige ruziemakers van het Merovingische huis hadden de eenheid van het rijk al vaak genoeg doen wankelen. Aan de rijks­grenzen stonden tallozen begerig naar het Frankische grondgebied te loeren. In Spanje stonden de Saracenen, die onder bevel van hun veldheer Tarik in 711 de sprong over de smalle Straat van Gibraltar hadden gewaagd. In 720 drongen ze noordwaarts over de bergen van de Pyreneeën. In Zuid-Gallië begonnen ze het goud en zilver uit de kerken te roven. Aan de oostgrens, langs de Rijn en de Elbe, zorgden de Saksen voor de nodige moeilijkheden. De Friezen, de Alemannen en de Longobarden dron­gen op andere fronten steeds vaker over de grenzen. Karel Martel besloot het ijzer te smeden toen het heet was...

De slag van Poitiers

In 732 waren de Saracenen al aardig op weg om flinke stukken van het Frankische rijk te veroveren. Zuid-Frankenland (Zuid-Frankrijk) was al gedeeltelijk geplunderd. Als de Sara­cenen niet werden tegengehouden, zou weldra heel Europa aan het Groot-Arabische rijk worden toege­voegd!

Karel Martel riep alle strijdbare Franken onder de wapenen en trok naar het zuiden. Bij Poitiers vond de ontmoeting plaats tussen Franken en Saracenen, tussen slagzwaard en kromzwaard, tussen christendom en islam. Een week lang draaiden de legers om elkaar heen, de tegenstander aftastend en bevreesd voor een treffen zonder genade. Toen gingen de Sara­cenen onder het uitroepen van 4Allah Akhbar’ (God is groot) tot de aanval over. Ze liepen zich dood op de levende muur van Frankische krijgers, die geen duimbreed weken. Na grote verliezen te hebben geleden, sloegen de Saracenen op de vlucht. Europa was gered. Karel Martel, de gevierde held, keerde eind 732 terug naar het Merovingische hof, waar hij de koning nauwelijks een blik waardig keurde. Hij had voldoende bewezen, de machtigste Frank onder de Franken te zijn.

Het einde van de Merovingen

Na zijn grote overwinning op de Saracenen stond hofmeier Karel Mar­tel sterker dan ooit. Het kostte hem dan ook weinig moeite om grote Frankische legers op de been te brengen. Hij verdreef de Saksen uit het Rijnland en onderwierp vele Friezen en Alemannen. In 737 stierf de onbeduidende Mero­vingische vorst zonder zonen na te laten. Karel Martel was daar bepaald niet rouwig om en hij liet weten dat er aan een koning niet de minste behoef­te bestond. Tot aan zijn dood in 741 bestuurde hij met krachtige hand het grote Frankische rijk. Vóór zijn dood bepaalde hij, dat de zaken later zouden worden overgenomen door zijn beide zoons, Karloman en Pippijn. Hij bekommerde zich er niet om of hij zich daarbij wel hield aan de wet...

Het Vorstelijke’ gebaar van Pippijn de Korte

Van de broers Karloman en Pippijn was Pippijn verreweg de grootste persoonlijkheid. Na de dood van zijn vader zag Pippijn eigenlijk niet zoveel in de gedwongen samenwerking met zijn broer. Na het uitoefenen van wat druk en wijzend naar het bloedige verleden van zovele Merovingische vorsten, slaagde Pippijn er in 747 in zijn broer het klooster in te praten. Nog even vond een Meroving het nodig zijn rechten op de Frankische kroon te laten gelden. Als Childerik III mocht hij van Pippijn even kijken hoe de kroon hem stond… Maar Pippijn wist zich sterk. Paus Stefanus II had hem laten weten dat ‘hij die de macht had, de werkelijke koning was’. In 751 liet Pippijn zich uitroepen tot koning van de Franken. Het pauselijk standpunt was niet door onbaatzuchtige motieven ingege­ven. Allerminst, want de Longobarden stonden op het punt zich meester te maken van heel Italië. Op de Oostromeinse keizer hoefde de paus niet te rekenen, want die had het te druk met de opdringende moslims in Oost-Europa. De paus kon best een sterke bondgenoot gebruiken: Pippijn. Deze aarzelde niet de uitge­stoken hand te grijpen. Hij versloeg de Longobarden en maakte daarna een ‘vorstelijk’ gebaar door al het veroverde gebied aan de paus te schenken. Ook de motieven van Pippijn hierbij waren niet zo nobel als het leek: hij bezat toch de troepen niet om al dat veroverde land onder controle te houden…
Pippijn, die wegens zijn geringe lichaamslengte ‘de Korte’ werd ge­noemd, legde met zijn gebaar de basis voor de kerkelijke staat van de paus. Die staat wist zich door alle eeuwen heen zelfstandig binnen Italië te handhaven. Vanuit het Oost-Romeinse rijk werden nog wel wat zwakke protesten vernomen, maar de paus en Pippijn de Korte vonden het niet nodig daarop te reageren.

De twee zonen van Pippijn

Koning Pippijn de Korte, die zijn macht overduidelijk had gevestigd, deelde harde klappen uit aan de immer opstandige Saksen en hij dreef de laatste Saracenen over de Pyre­neeën. Toen hij in 768 stierf, liet hij een rijk na waar orde op zaken was gesteld. Het Frankische rijk strekte zich uit van de Pyreneeën tot ver in het tegenwoordige Duitsland, Zwit­serland en Oostenrijk. Maar Pippijn liet zijn onderdanen nóg een erfenis na, die ten tijde van de Merovingen niet zou hebben mis­staan: hij verdeelde het rijk over zijn beide zoons. Dat was vragen om moeilijkheden. Zoon Karel werd ge­kroond te Noyon, zoon Karloman in Soissons. Al snel bleek dat de broers geen eenheid vormden. Een opstand van de Aquitaniërs in Zuidwest-Frankrijk moest door Karel alleen worden onderdrukt, hoewel hij zijn broer om hulp had gevraagd. Karel raakte tot over zijn oren in de problemen, toen de Longobarden het de paus weer moeilijk gingen maken. Door hun smadelijke nederlaag in het verleden waren de Longobarden vervuld van wraakgevoelens. Karel wilde de paus wel helpen, maar hij was getrouwd met een dochter van Desiderius, de koning van de Longo­barden.

Ten slotte liet Karel zijn plichten zwaarder wegen dan de trouw aan zijn echtgenote. Hij stuurde haar terug naar haar vader. Broer Karlo­man stierf in 771 op 20-jarige leeftijd en voorkwam daarmee ongewild een broederstrijd. Karel werd door de edelen en bisschoppen erkend als de alleenheerser bij de ‘Gratie Gods’ over het Frankische rijk.

De keizer der keizers: Karel de Grote

6e klas Karel de Grote

Waarheid en fantasie

Er is waarschijnlijk geen Europese vorst in de geschiedenis te vinden, aan wie zoveel aandacht is besteed als Karel de Grote. Zelfs in liedjes is zijn naam terug te vinden. Wie na de lagere school veel van de geschiedenis­lessen is vergeten, kan bijna altijd die ene naam nog wel noemen. Over de grote keizer zijn zoveel verhalen in omloop, dat het bijna onmogelijk is geworden een duidelijk beeld van zijn persoon te krijgen. Waarheid en fantasie zijn in de loop der eeuwen té veel ineengestrengeld geraakt. Het meest geschetste portret van Karel de Grote is dat van een soort avonturier, een hoofdpersoon uit een historische roman, een forse gestalte met een grote intelligentie, voor wie geen paard te wild was. Een atleet, die de zwemkunst goed machtig was, vaardig op de jacht en zó sterk, dat hij een hoefijzer met de handen recht kon buigen.
Een man met een zeer brede belang­stelling, maar toch niet in staat om te lezen en te schrijven. Een vorst die zich in pracht en praal moest hullen, maar die liever rondliep in eenvoudige kleding, die hem toestond zonder kleerscheuren op zijn paard door de bossen te rossen…

De keizerskroon als waardering

Karel de Grote, een mengeling van historische fantasie en veronderstelde werkelijkheid, zal voor een deel wel altijd een raadsel blijven. Vast staat evenwel, dat deze voortdurend naar geld snakkende vorst van grote betekenis is geweest voor de West-Europese beschaving. Hij breidde zijn rijk nog verder uit dan zijn voor­gangers en hun hofmeiers al hadden gedaan. Vast staat ook, dat hij een voortreffelijke   organisatie   binnen zijn rijksgrenzen instelde. En zeker is, dat uit waardering voor deze uitstekende organisatie, paus Leo III hem in het jaar 800 de gouden keizerskroon op de blonde haren drukte. Tot dat ogenblik had Karel (sinds 768) zijn land als koning gediend.

Later dacht Karel de Grote over die gedenkwaardige ogenblikken in de Sint- Pieter in Rome heel anders dan zijn volk. Zijn levensbeschrijver en goede vriend Einhard tekende uit de mond van de keizer op: ‘Als ik er het geringste vermoeden van had gehad wat paus Leo van plan was, dan zou ik geen voet in de Sint-Pieter hebben gezet, zelfs al was het eerste kerstdag.’

Politieke en godsdienstige uitbreiding

Karel de Grote had meer dan 30 jaar nodig om de ontembare Saksen aan de oostgrens te onderwerpen en hen tot christenen te maken. Dat de Saksische gevoelens bij de doop altijd even oprecht zijn geweest, mag worden betwijfeld. Karel de Grote maakte de godsdienst ondergeschikt aan de politiek. Wie zich bekeerde, mocht zich als een volwaardig ingezetene van het Frankische rijk beschouwen. Heidenen konden alleen maar gedood of bekeerd worden… In 772 rukten de troepen van Karel de Grote voor de eerste keer Saksisch gebied binnen. In dat land werden nog de oude Germaanse goden aan­geroepen en er werden offers gebracht aan de voet van eeuwenoude eiken. Het doel van Karel de Grote was Paderborn in Westfalen. Daar ver­nielde Karel de Irminsaule, een zware houten zuil, waarop volgens de Saksen de wereld rustte. Uit de omringende tempels en heiligdommen werden de gouden en zilveren schatten als krijgsbuit in beslag genomen. Velen lieten zich min of meer gedwongen tot christenen dopen, maar de Irminsaule werd haastig weer opgericht, toen Karel zijn hielen nog maar net had gelicht… Toen de legers van Karel de Grote zuidwaarts trokken naar de oproerige Longobarden, vielen de ‘bekeerde’ Saksen plunderend en moordend het Frankische rijk binnen om zich te wreken voor de ondergane vernede­ringen.
De getergde Karel liet daarop 4.000 vooraanstaande Saksen bijeendrijven en ze stuk voor stuk onthoofden. Dat had als gevolg, dat de verontwaar­digde Friezen toen ook naar de strijdbijl grepen!
Ten slotte kwam er een onverwacht einde aan het al heel lang broeiende geschil met de Saksen. De Saksische koning Widukind besloot zich te laten dopen. Hij werd door Karel de Grote overladen met kostbare doop­geschenken, op voorwaarde dat de Saksen zich verder als brave rijks­genoten zouden gedragen. Nog éénmaal kwam het tot een bloedige Saksische opstand. Karel de Grote, ouder en ook wijzer geworden, koos voor een vreedzame oplossing. Hij liet eenvoudig een duizendtal koppige en opstandige Saksische families emigreren naar het hart van het Frankische rijk en liet hun plaats innemen door trouwe Franken. Daar­mee was de weerstand voorgoed gebroken. De Saksen ontpopten zich weldra als trouwe volgelingen van de keizer. Later zouden ze zelfs het Frankische rijk in Duitsland en Italië voortzetten...

De strijd tegen de Saracenen

Iemand heeft eens opgemerkt, dat de geschiedenis van het Frankische rijk met bloed werd geschreven. De Fran­ken hadden ten tijde van de Merovingen weinig vrede gekend, maar onder de ‘Karolingen’, zo genoemd naar Karel de Grote, werden de slagzwaar­den en strijdbijlen voortdurend scherp gehouden.

Beieren, het gebied van de Bavaren, werd na hevige strijd bij het Fran­kische rijk ingelijfd. De Avaren, een Aziatisch ruitervolk dat in Hongarije aan de grenzen van Karel de Grote knabbelde, werd onderworpen. Daar­na verdwenen ze uit de historie. Bloed vloeide vooral in Zuidwest-Europa, waar Karel de Grote zich tot taak stelde de Spaanse christenbevol­king te verlossen van het mohamme­daanse juk. In 778 trokken de Fran­kische legers ten strijde tegen de Moren in een ‘heilige oorlog’, die smadelijk werd verloren. Het leger van Karel de Grote moest zich zelfs onder benarde omstandigheden terug­trekken in de bergen. Voor een deel werd zijn leger vernietigd in een smalle bergpas. De gesneuvelde
bevelhebber van de achterhoede, Roland van Bretagne, werd een historische figuur. Zijn heldhaftig optreden heeft op de verbeelding gewerkt van vele schrijvers.

Toen drie eeuwen later de strijd tegen de Saracenen weer hoog oplaaide, bezongen de kruisridders verheerlijkt de strijd van Roland tegen de barbaar­se Saracenen. Hun lied was het befaamde ‘Rolandlied’, een helden­dicht dat de heldhaftigheid en de edele eigenschappen van de Fran­kische krijgers danig opblies. In het lied werd voorbijgegaan aan het feit dat de Spaanse christenen helemaal niet zo graag ‘bevrijd’ wilden worden. Ze hadden het onder het Saraceense bewind bijzonder goed. Ook werd in het lied met geen woord gerept over de felle, vrijheids­lievende Basken, een oud Keltisch volk dat de Franken vernietigender slagen toebracht dan de achtervol­gende Saracenen…

De schatten van de Avarenkoning

De voortdurende veldtochten van Karel de Grote kostten handenvol goud, maar leverden anderzijds ook het nodige op. In het verslag van de veldtocht van de Franken tegen de Avaren werd melding gemaakt van vijftien wagens, elk getrokken door vier ossen, die nodig waren om de schatten van de Avarenkoning te vervoeren naar het paleis van Karel de Grote.
Ten slotte was Karel de Grote heerser over een gebied dat zich uitstrekte van de Pyreneeën tot de rivier de Elbe en van Rome tot de Noordzee. Hij was heer en meester in een rijk, dat kon wedijveren met het verloren gegane Romeinse rijk. De uitgestrekt­heid van dat enorme rijk gaf natuur­lijk de bijbehorende problemen.

De paltsen van Karel de Grote

Karel de Grote zag in, dat een goed bestuur niet mogelijk was zonder goede wegen, betrouwbare verkeers­middelen en voorbeeldige ambtena­ren. Zelf gaf hij daarin het beste voorbeeld. Hij zetelde in een palts, een soort landgoed, waar alles zeer doelmatig was geregeld. Een palts was in handen van een rentmeester, die een veelomvattende taak had. Hij hield toezicht op de boeren en het werk dat ze moesten doen. Hij regelde het werk van een groot aantal vaklieden, zoals timmer­lieden, zeepzieders, vissers, nettenmakers, bakkers en brouwers, die
alle­maal het ambachtelijke voorbeeld voor hun omgeving moesten zijn. Alles was omschreven en vastgelegd, vanaf de aanwezige werktuigen tot en met de productie van de koninklijke hoeve. Het was een soort modelboer­derij, als voorbeeld voor de omwonenden. Tussen de paltsen werden wegen aangelegd, vaak op de restanten van de oude Romeinse wegen. Met zijn omvangrijke hofhouding trok Karel de Grote van de ene palts naar de andere. Een bekende palts was bijvoorbeeld Nijmegen. Een an­dere palts was Aken, waar Karel het liefst verbleef.

Verdeling in gouwen

Het Frankische rijk werd verdeeld in gouwen, een soort provincies, waarin het bestuur werd geregeld door een graaf. De taak van de graaf bestond uit het innen van belastingen, het spreken van recht en het aanvoeren van het gouwleger in tijd van oorlog. Belangrijker waren de markgraven of hertogen. De marken waren grensge­bieden en de markgraven moesten de rest van het rijk beschermen tegen indringers. Uit de marken zouden later verschillende landen ontstaan, zoals Denemarken (de mark van de Denen) en Oostenrijk (de mark van de oostgrens).
Alle graven en hertogen werden gecontroleerd door rondreizende ko­ningsboden, die rechtstreeks onder Karel de Grote stonden. De boden trokken steeds met hun tweeën door de gouwen en marken, om te con­troleren of de graven en hertogen wel aan alle eisen van de koning (en later de keizer) voldeden. Ook hoorden ze klachten van de bevolking aan.

Slavenhandel en heirplicht

Het schijnt dat Karel de Grote meevoelde met de gewone man, die in zijn tijd meestal half om half of helemaal slaaf was. Hij hanteerde de bijbel als de hoogste wet, toen hij bepaalde dat niemand, ook geen slaaf of boer, op zondag tot werken mocht worden gedwongen.
Karel de Grote heeft zelfs geprobeerd iets te doen tegen de welig bloeiende slavenhandel. De meeste slaven waren krijgsgevangenen, die voor een zacht prijsje aan Venetiaanse slavenhande­laars werden verkocht. Karel de Grote wist in samenwerking met de paus te bereiken, dat de slavenhandel gecontroleerd werd. Een lijfeigene mocht alleen maar worden verkocht binnen de grenzen van de gouw. Een bisschop moest bij het verhandelen aanwezig zijn om te voorkomen, dat de slaaf in ongewenste handen viel. Een andere maatregel van Karel de Grote bracht verlichting voor de boeren. Van oudsher waren alle mannelijke Franken ‘ heirplichtig. Dat betekende dat ze have en goed in de steek moesten laten als er gevochten moest worden. De koning zag in, dat de schade daardoor in oogsttijd veel te groot was en hij stelde een soort buitengewone dienstplicht in, steeds voor zeven boeren tegelijk. Slechts één van die zeven hoefde aan de oproep gevolg te geven. De andere zes hadden de plicht om de zevende te voorzien van een paard en wapens en voor zijn boerderij te zorgen.

Karel de Grote en de paus

Hoe veroveringsgezind Karel de Grote en zijn Franken ook waren, hun onderwerpingsdrift kwam altijd tot staan aan de grenzen van de kerkelijke staat van de paus. Ze waren sterk genoeg om heel Italië bij het Fran­kische rijk in te lijven, maar dat deden ze niet. Ze begrepen maar al te goed dat de paus een té levend symbool was van het christendom. Het geloof was voor Karel de Grote één van de belangrijkste bindmiddelen om zijn rijk, waarin vele volkeren en stammen waren verenigd, bijeen te houden.

Vast staat, dat de keizer de paus ook niet als meer dan als dat symbool beschouwde. Karel de Grote liet zich betitelen als ‘Heer en vader, koning en priester, hoofd en gids van alle christenen’. Daar blijkt uit, dat hij zich zóveel waardigheid toedacht, dat er voor de paus inderdaad weinig anders overbleef dan te bidden voor het heil van de Frankische vorst en hem te helpen in zijn strijd tegen het heidendom…

6e klas Karel de Grote 2

Onder protest van de Oost-Romeinse machthebbers werd Karel de Grote op eerste kerstdag van het jaar 800 door paus Leo III tot keizer gekroond. Om op goede voet te blijven met de Oost-Romeinen, was Karel van plan met de Oost-Romeinse keizerin Irene te trouwen. Als dat plan was doorgegaan, zou hei nieuwe samengevoegde keizerrijk weer bijna net zo groot zijn geweest als het oude Romeinse rijk. Maar keizerin Irene werd in 802 ten val gebracht. Bij de dood van de keizer in 814 erkenden de Oost-Romeinen het Frankische keizerrijk.

Het wonderlijke evenwicht

Reeds in de tijd van Karel de Grote kende Europa twee bruggenhoofden, waar twee godsdiensten elkaar bijna raakten. In Zuid-Spanje vormde de Straat van Gibraltar een scheiding tussen de islam en het christendom. De andere gemakkelijk te nemen hindernis was de Bosporus, de plaats waar de Zwarte Zee uitmondde in de Middellandse Zee. Op de westelijke oever van de Bosporus lag het trotse Constantinopel.
Waren de moslims eensgezind ge­weest, dan hadden ze Europa via beide bruggenhoofden in de tang kunnen nemen. Maar door een speling van het lot gebeurde dat niet. Alleen in Spanje zouden de moslims het Europa eeuwenlang moeilijk blijven maken. Daar was het kalifaat van Cordoba gevestigd, de staat van de krijgszuchtige, maar ook hoogbe­schaafde Saracenen. Aan het oostelijke bruggenhoofd bleef het ten tijde van Karel de Grote vre­dig en rustig. De vorst van Klein-Azië was Haroen al Raschid, een gezworen vijand van de kalief van Cordoba. Hij zag in Karel de Grote meer een medestander dan een vijand. Zo werden de machtsverhoudingen in Europa in evenwicht gehouden.

Vrienden met de kalief

Het staat vast, dat Karel de Grote en kalief Haroen al Raschid het uitste­kend met elkaar konden vinden. Ze wisselden vaak vriendelijke bood­schappen uit en gaven elkaar over en weer geschenken. In 802 kreeg Karel de Grote zelfs een olifant van zijn Arabische vriend ten geschenke! De kalief liet hem weten, dat er onder de hem bekende vorsten geen groter vriend bestond dan hij, de vorst van de Franken.

Arabische Wetenschappen

Door middel van kalief hadden de Ar bieren een zekere invloed op het rijk van Karel de Grote. De onderdanen van de kalief hadden een hoogstaande beschaving ontwikkeld, waarin kunsten en wetenschappen bloei­den. De   letterkunde bloeide volop en vond in zekere mate haar weer­slag aan het Frankische hof. Alle door de Ara­bieren beoefende we­tenschappen begonnen een beetje door te sijpe­len naar Europa: wis­kunde, sterrenkunde, aardrijkskunde en zelfs twijfelachtige weten­schappen als astrologie en alchemie.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

719-656

­

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-2)


 .

Het Merovingische rijk

Frankische veroveringsdrift
.
Rond 350 n. Chr., ongeveer in de tijd dat de Hunnen Europa bereikten, wees de Romeinse keizer Ragnentius aan de Germaanse Franken een ge­bied toe, dat tegenwoordig bekend staat als de Noord-Belgische Kempen. De Romeinse keizer kon toen niet vermoeden, dat hij daarmee de basis legde voor een groot rijk. Een rijk, dat in de Europese geschiedenis een toonaangevende rol zou gaan spelen en dat in macht en omvang zou kunnen wedijveren met het vroegere Romeinse keizerrijk. De eerste Frankische koning die het grondgebied begon te vergroten, was Chlodio. In het jaar 432 legde hij beslag op de rivierdalen van de Schelde en de Leie. Daardoor werd heel West-België toegevoegd aan het kleine rijk.

Ten slotte breidde het Frankenland zich uit tot aan de Somme, een rivier in Noord-Frankrijk. De Romeinen, die de veroveringslust van de Franken al enige tijd met ongenoegen hadden gadegeslagen, vonden het toen toch wel wat te gortig worden. De Romeinse veldheer Aëtius werd met een groot legioen naar het Franken­land gezonden. Hij had de opdracht gekregen, de oprukkende Franken duidelijk te maken dat niet de Franken, maar de Romeinen het voor het zeggen hadden in Europa. De waarschuwing werd door de Franken goed begrepen. Hun ver­overingsdrift bekoelde. Childerik, de opvolger van Chlodio, vocht zelfs zij aan zij met de Romeinen tegen de Westgoten en een andere binnenval­lende Germaanse stam: de Alemannen. Maar de zoon van Childerik, de 16-jarige Clovis, dacht er anders over. Hij trok zich niets aan van de waarschuwing van de Romeinen. Nietsontziend wierp hij zich in de strijd. Moordend en bedriegend legde hij de basis voor het Frankische rijk in West-Europa. Vanuit de Frankische hoofdstad Doornik zou een nieuwe macht ontstaan…

Sluipmoord, verraad en bedrog

Toen de jonge Clovis in 481 de troon besteeg, was hij eigenlijk alleen maar koning over één van de twaalf Frankische staatjes. Zijn echte naam was Chlodovech, een naam waaraan latere Europese vorsten hun naam zouden ontlenen: Lodewijk, Ludwig en Louis. (De naam Clovis werd eigenlijk pas na 1400 gebruikt).
Clovis was er de man niet naar om gehoorzaamheid of respect te betuigen aan de steeds machtelozer wordende Romeinen. List en geweld waren de werktuigen waarvan hij zich vaak bediende. De Romeinse legioenen konden Clovis niet beletten dat ten slotte de grootste gedeelten van de Romeinse provincies Gallië (Frankrijk) en Germanië (Duitsland) veroverde.

De veroveringen van Clovis geschiedden op een eenvoudige, bijzonder listige manier. Clovis sloot een verbond met andere Frankische heersers om land te veroveren. Iedere deelnemer zou een gelijk stuk van de buit krijgen. Was de overwinning eenmaal behaald, dan liet Clovis zijn medestanders door sluipmoord uit de wegruimen.  Dat bespaarde  hem niet alleen veel moeilijkheden bij de verdeling van de buit, maar het bood Clovis tevens de gelegenheid om het gebied van de zo plotseling overleden vorsten bij het zijne te voegen.
De hoofdstad Doornik – waar in 1653 het graf van Childerik werd gevonden – werd vervangen door Parijs. Toen Clovis zich meester maakte van Parijs en  omgeving,  vluchtte de Romeinse bestuurder van die stad, Syagrius, naar de Westgotische koning Alarik II. Die ontving Syagrius gastvrij en leverde hem ver­volgens uit aan de Franken.. Zonder gewetenswroeging liet Clovis de Romein vermoorden.

De doop van koning Clovis

De Franken waren voor het merendeel heidenen. Ook koning Clovis was geen aanhanger van het christendom, maar wel zijn vrouw Clothilde. Clovis had het veel te druk met oorlogvoeren om over het geloof na te denken. In een oorlog die de Franken voerden tegen de Alemannen in de Elzas, ging het Clovis niet voor de wind. Zijn leger dreigde te worden afgeslacht. In wanhoop riep hij de god van zijn vrouw aan. Hij beloofde dat hij en zijn mannen zich zouden laten dopen, als de God van de christenen hem de overwinning zou schenken. Clovis won de slag en hij hield woord. Volgens de geschiedschrijver Gregorius van Tours zou Clovis zich op kerstdag van het jaar 496 hebben laten dopen door de bisschop van Reims. Die zou daarbij de woorden hebben gesproken: ‘Trotse barbarenkoning, buig het hoofd, aanbid wat u verbrandde en verbrand wat u aanbad.’

Gestopt door Theodorik de Grote

De veroveringstocht van de Franken onder aanvoering van Clovis, werd gestopt door de Oostgotische koning Theodorik de Grote, de zwager van Clovis. Theodorik had Rome veroverd en was de feitelijke keizer van het Westromeinse rijk. Hij wilde alle Germaanse stammen in Europa ver­enigen in één groot Germaans rijk. Maar Clovis had andere plannen: het stichten van een groot Frankisch rijk zonder de Germanen. Hij trok op veldtocht naar het zuiden van Gallië. Ten noorden van de Pyreneeën had­den de Westgoten nog een flink stuk van Gallië in bezit. Bij de plaats Vouglé kwam het tot een veldslag tus­sen Franken en Westgoten. De West-gotische koning Alarik II, een schoon­zoon van Theodorik de Grote, sneu­velde en zijn volk werd verslagen. Clovis breidde zijn rijk uit naar het zuiden. Toch lukte het hem niet de Westgoten helemaal over de bergkam­men van de Pyreneeën te jagen. Een klein stukje Gallië bleef in Westgotisch bezit.
Dat stond Clovis helemaal niet aan, maar hij móest zijn veldtocht wel beëindigen. Zwager Theodorik, de Westromeinse keizer, kwam dreigend tussenbeide! Zo bleven een stuk land langs de rivier de Rhöne en een strook ten noorden van de Pyreneeën buiten de invloedssfeer van de Franken.

Het geslacht van de Merovingen

Het koningshuis waartoe Clovis be­hoorde, werd later aangeduid met de naam Merovingen. Die naam kwam af van de niet zo bekende koning Merovech, die in 451 een rol zou hebben gespeeld in de slag tegen de Hunnen. De groeiende macht van het geslacht van de Merovingen was duidelijk.
Begonnen als koningen van één van de Frankische stammen, de zoge­naamde Salische Franken, trokken ze langzaam maar zeker alle macht naar zich toe. Geen middel werd daartoe onbeproefd gelaten, zelfs niet als deze middelen moord en verraad inhielden. Binnen drie generaties had­den de Merovingische koningen de oude Romeinse provincies België en Gallië vrijwel geheel veroverd. De Merovingen behielden hun macht vrij lang. Pas rond 750 zou hun heerschappij worden overgenomen door de Karolingische vorsten. De macht van de Merovingen rustte op een drietal pijlers: het leger, het geloof en een krachtig bestuur. Toen de Franken overgingen tot het rooms-katholieke geloof, kregen ze ook de paus aan hun kant. In de veroverde gebieden werden ze door de christen­bevolking als bevrijders beschouwd. Het volk begon de Merovingische koningen zelfs te beschouwen als de erfgenamen van de Romeinse keizer. Een doelmatig werkend korps van ambtenaren volgens oud-Romeins voorbeeld maakte van het Frankische rijk een sterke staat. Een staatkundige zwakheid van de Merovingen was hun oude Germaanse erfrecht. Bij het overlijden van een koning werd het rijk onder zijn zoons verdeeld. En dat zou ten slotte het einde van het rijk van de Merovingen betekenen.
Op 27 november 511 overleed koning Clovis in zijn hoofdstad Parijs. Zijn vier zoons moesten het welvarende rijk in vier gelijke stukken verdelen en hun gebied gaan besturen.

De vier zoons van Clovis

De vier zoons van koning Clovis waren Theodorik, Chlodomir, Childebert en Chlotarius. Ze volgden al snel het voorbeeld van hun vader. Ze vergrootten hun grenzen en gingen niet uit de weg voor een politieke moord meer of minder. Toen in de oorlog tegen de Bourgon­diërs koning Chlodomir sneuvelde, haastten de drie overgebleven broers zich alle kinderen en andere erfgena­men van hun broer spoorloos te laten verdwijnen. Dat vonden ze de gemak­kelijkste manier om de erfeniskwestie op te lossen en hun eigen gebied uit te breiden!

Thüringen, een deel van het oude Germanië, onderging al snel hetzelfde lot als Bourgondië en werd aan het Frankische rijk toegevoegd. Volgende vorsten baanden zich een weg naar het noorden, langs de Rijn. De Merovingen bouwden langs de Rijn en de zijrivieren ervan verster­kingen, vaak op dezelfde plaatsen waar de Romeinse burchten hadden gestaan. Aan de monding van de Oude Rijn, bij Katwijk (het vroegere Lugdunum), verrees een Frankische vesting. In Maastricht (het vroegere Mosa Trajectum) werd een konink­lijke verblijfplaats gebouwd, waar de Frankische koning zo nu en dan ver­bleef.

Het erfrecht werd steeds lastiger voor de Merovingen. De Frankische vor­sten werden niet oud. Ze trouwden als ze ongeveer 15 jaar oud waren en ze werden grootvader rond hun dertigste jaar. Bij hun dikwijls plotselinge dood brak gewoonlijk een felle strijd uit tussen de erfgenamen. De meesten lieten daarbij het leven. Zo bleef het rijk toch steeds min of meer volledig in handen van één, gewoonlijk zeer jonge en onervaren vorst. Het koningschap van de Merovingen gleed af door de stijgende invloed van hun raadsheren. Volgens de geschiedschrijvers waren de laatste Merovingische koningen alleen nog maar marionetten, die zich slechts bezighielden met de verzorging van hun haren…
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas geschiedenis

718-655

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-1)

.

De profeet Mohammed
.

Geboorte en jeugd van Mohammed

Wanneer Mohammed precies werd geboren, is niet met zekerheid be­kend. Naar men in Arabië zegt, zou het in het ‘Jaar van de Olifant’ zijn geweest. Algemeen wordt aangeno­men dat de profeet omstreeks 570 na Chr. is geboren. Zijn geboorteplaats staat in elk geval wel vast, dat was Mekka.*

Zijn vader heette Abdallah en hij be­hoorde tot een verarmde tak van de stam van de Koraisjieten. Zijn moeder heette Amina. De legende vertelt dat Abdallah zó’n knappe man was, dat er op de dag van zijn bruiloft met Amina wel 200 jonge maagden van liefdesverdriet stierven. De echtgenoot ging vrij spoedig na zijn huwe­lijk op zakenreis. Hij overleed óf onderweg óf kort daarna. Zo kwam Mohammed als half wees ter wereld.

Omdat Amina arm en ziekelijk was, gaf ze haar kindje mee aan een
Bedoeïenenvrouw, Halima, om hem te zogen. Zijn eerste levensjaren heeft de beroemde man dus doorgebracht in een gebied van bergen en woestij­nen. Na een paar jaar bracht Halima de jongen terug bij zijn moeder, zij stierf vrij kort daarop. Zijn verdere opvoeding werd eerst door zijn grootvader en later door een van zijn ooms voortgezet. Met deze oom heeft hij tijdens een reis onder andere een tijdje in een christelijk klooster ver­toefd. Daar heeft hij de gelegenheid gehad de christelijke godsdienst beter te leren kennen.

‘Jij bent Gods profeet!’

Tot de leeftijd van ongeveer 40 jaar is er over Mohammed eigenlijk weinig bekend. Ofschoon hij een knappe, evenwichtige en slimme man was, is hij toch vrij lang vrijgezel gebleven. Dit kwam omdat hij niet met aardse goederen was gezegend. Hij was straatarm. Maar zijn goede lichame­lijke en geestelijke eigenschappen maakten toch zo’n indruk op de rijke weduwe Chadidja, dat zij hem in dienst nam om haar karavanen naar en van Syrië te leiden. Hoewel
Cha­didja 15 jaar ouder was dan Moham­med, kroop het bloed waar het niet gaan kon en Mohammed en Chadid­ja trouwden. Het echtpaar kreeg ver­scheidene kinderen, waarvan er enke­le op jonge leeftijd stierven. Het huwelijk met de rijke Chadidja, dat heel gelukkig moet zijn geweest en met een hechte geestelijke band, ontsloeg Mohammed van de zorg om voor zijn dagelijks brood te werken. Hij kon zich verdiepen in gods­dienstige problemen en hij vroeg zich af, waarom joden en christenen één God aanbaden, terwijl de Arabieren zovele goden** tot voorwerp van ver­ering hadden.

Om dit alles rustig te kunnen over­denken, trok hij zich terug in een grot van de berg Hera. Om daar langere tijd te kunnen doorbrengen, nam hij een voorraad eten en drinken mee. De woeste schoonheid van het land­schap overdag en de onmetelijkheid van de sterrenhemel ’s nachts vervul­den hem met diepe eerbied voor de Schepper ervan. Op een nacht, toen hij in diepe slaap gedompeld was, kreeg hij een visioen. De aartsengel Gabriël verscheen hem, hield hem een met tekens bedekt stuk stof voor en zei: ‘Lees!’ Hevig geschrokken antwoordde Mohammed dat hij niet lezen kon, maar de engel zei nog tweemaal dat hij lezen moest en wierp hem daarbij op de grond. Toen kon hij wel lezen. Daarna zei de engel hem voor:

‘Lees in naam van je Heer, Die schiep;
Die de mens schiep uit klonters bloed!
Lees! Je Heer is de Verhevenste,
Die door de pen de mens leerde wat hij niet wist.

Men kan deze woorden terugvinden in het 96ste hoofdstuk van de Heilige Koran, het heilige boek van de moslims. Toen Mohammed ont­waakte, voelde hij zich zeer verward. Hij meende zelfs dat hij gek gewor­den was. Met de gedachte dat het misschien beter zou zijn zelfmoord te plegen, wankelde hij de grot uit. Maar buiten gekomen hoorde hij op­nieuw een stem die toen tot hem zei:
‘Jij bent Gods profeet!’ Overal waar hij maar keek, zag hij steeds weer de aartsengel. Bevend over zijn hele li­chaam kwam hij thuis bij Chadidja, die hem in een deken wikkelde en hem met kalmerende woorden tot rust bracht. Van het begin af aan was zij ervan overtuigd dat wat haar man was overkomen geen boze droom was geweest, maar een werkelijk visioen. Zo werd zij de eerste die in zijn god­delijke zending geloofde. In dit ge­loof werd ze nog gesterkt door haar blinde neef Waraqua, die verklaarde dat Mohammed dezelfde engel moest hebben gezien als destijds Mozes en de profeten.

6e klas Mohammed 1

De engel Gabriël verschijnt aan Mohammed

De prediking van Mohammed

Mohammed begon daarna in Mekka zijn geloof te verkondigen, zoals hem door de aartsengel was opgedragen. Hij meende dat joden en christenen weliswaar dezelfde God aanbaden als hij, maar hij was er vast van over­tuigd dat ze van de ware beginselen waren afgeweken. Zowel de joden als de christenen hielden zich niet meer aan de wet en vooral de christenen met hun verering van heilige
voor­werpen en heiligen waren volgens hem helemaal van het rechte pad
af­gedwaald. Bovendien was hun opvat­ting dat God een Drieëenheid is, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, helemaal in strijd met zijn leer: ‘Er is maar één God!’ Hij zag zichzelf als de laatste in de rij profeten waarvan ook Jezus deel had uitgemaakt. Hij beschouwde zichzelf dus eigenlijk niet als stichter van een nieuwe gods­dienst, wel als iemand die een bestaande godsdienst herstelde en vervolmaakte. Het getal van zijn aan­hangers groeide niet snel, ondanks het feit dat de profeet omstreeks het jaar 614 en op de leeftijd van onge­veer 45 jaar een werkelijk indrukwek­kende figuur met een dwingende blik en een prachtige golvende baard moet zijn geweest. Na 3 jaar had hij nog maar een 40 volgelingen. Zijn ei­gen stamgenoten, de Koraisjieten, maakten hem het leven zuur en bespotten hem zo vaak ze maar kon­den. Hun grote angst was namelijk dat de Kaäba** als godsdienstig mid­delpunt zou verdwijnen, wanneer Mohammed veel aanhang zou krij­gen. Dat zou dan meteen betekenen dat een welkome bron van inkomsten zou wegvallen. Toen ondanks hun verzet toch steeds meer mensen zich tot Mohammeds leer bleken te beke­ren, besloten de Koraisjieten de pro­feet te vermoorden. Maar door een wonder werd de man die de daad moest volbrengen, zelf bekeerd…..***

6e klas Mohammed 2

Mohammed predikt

Een gevleugeld paard

Geleidelijk aan gingen steeds meer Arabieren over tot het geloof in de ene God die Mohammed predikte, niet alleen in Mekka, maar ook in de stad Jathrib. Vooral in Jathrib steeg het aantal gelovigen verrassend snel. Toch bleef Mohammed in Mekka een voorwerp van spot en haat van de Koraisjieten. Zozeer zelfs, dat hij zijn leven ten slotte niet meer zeker was. Hij moest de bergen in vluchten en zich daar verborgen houden. Al­leen tijdens de heilige maanden, wan­neer er niet gevochten mocht worden en geen bloedwraak gepleegd mocht worden, keerde hij naar de stad te­rug. In die moeilijke tijd had hij een visioen dat hem er opnieuw van overtuigde dat hij op de ingeslagen weg moest doorgaan. In dit visioen reisde hij op een gevleugeld paard van Mek­ka naar Jeruzalem. Vandaar steeg hij op, begeleid door de aartsengel Ga­briël, naar de zevende hemel, waar hij door de profeten werd begroet. Hém alleen was het ten slotte ver­gund boven de zevende hemel uit tot God te gaan. Deze raakte zijn schou­der aan en Mohammed voelde een verschrikkelijke kou in zijn hart. Daarna keerde hij met nieuwe kracht gesterkt terug naar Mekka.

De Stad van de Profeet

Toen het eerste plan van de Koraisjie­ten om Mohammed uit de weg te rui­men niet was gelukt, beraamden ze een tweede moordaanslag. In een al­gemene vergadering besloten ze dat één man van iedere familie hieraan zou deelnemen. Allen zouden dan te­gelijk met het zwaard op het slachtof­fer insteken. Door dit gezamenlijk optreden zou daarna geen bloed­wraak meer mogelijk zijn. De samen­zwering lekte echter uit, naar men zei door toedoen van een engel. De
pro­feet redde samen met zijn vriend Aboe Bekr het vege lijf in een over­haaste vlucht. Na een dag of tien be­reikten beiden veilig Jathrib, waar ze allervriendelijkst werden ontvangen. De naam van deze stad werd omge­doopt in Medina-al-Nabi (Stad van de Profeet) of kortweg Medina. De vlucht of ‘Hidjr’ van Mohammed van Mekka naar Medina werd als zo’n belangrijke gebeurtenis be­schouwd, dat daarmee de mohamme­daanse jaartelling begint (622). Om­dat hierbij niet van zonnejaren maar van maanjaren)* wordt uitgegaan, is het bijzonder moeilijk de christelijke en de mohammedaanse tijdrekenin­gen met elkaar in overeenstemming te brengen.

Allerlei regels en voorschriften

Omdat er in Medina vrij veel joden woonden en omdat Mohammed zich­zelf als vernieuwer van hun gods­dienst zag, probeerde hij ijverig hen voor zijn geloofsopvattingen te win­nen. Maar tot zijn grote teleurstelling wilden ze daar niets van weten. Daar­om regelde hij toen een aantal zaken duidelijk anders dan bij de joden ge­bruikelijk was. Zo stelde hij de verplichte rustdag of ‘sabbat’ niet op zaterdag, maar op vrijdag vast. De maand ‘Ramadan’ werd tot vasten­tijd bestemd en bij het dagelijks ge­bed moest de gelovige het gelaat niet langer naar Jeruzalem wenden, maar naar Mekka. In Medina schaarden zich vele gelovigen rond de profeet en ook uit Mekka voegden zijn aanhan­gers zich bij hem. Om onder het groeiend aantal van zijn volgelingen orde en gezag te handhaven, ging Mohammed niet alleen vele gods­dienstige, maar ook allerlei staatkun­dige en maatschappelijke regels en voorschriften geven. Vaak kreeg hij deze door middel van visioenen. Een groot probleem werd, hoe de hele groep in het levensonderhoud moest voorzien, want het meegebrachte geld was al gauw op. Toen beraamde Mohammed met 300 volgelingen een overval op een karavaan van de Koraisjieten. Die werden echter inge­licht en zo’n 1000 van hen trokken erop uit om de moslims te verslaan. Voordat het tot een treffen kwam, spoorde de profeet zijn mannen aan tot de grootst mogelijke dapperheid. Hij betoogde dat wie sneuvelde in de strijd om het geloof, regelrecht naar het paradijs zou gaan.

De ‘Heilige Oorlog’

De slag tegen de Koraisjieten eindig­de in een geweldige overwinning voor Mohammed en zijn gevolg. Sindsdien werd de ‘Heilige Oorlog’ voor Mo­hammed de belangrijkste manier om het geloof te verbreiden. Na de eerste gewonnen slag tegen de Koraisjieten stroomden van alle kanten bekeerlin­gen toe. Dat de profeet een visioen had gekregen waarin hem meege­deeld werd dat viervijfde deel van de in de ‘Heilige Oorlog’ gemaakte buit onder de soldaten moest worden
ver­deeld, terwijl éénvijfde voor gods­dienstige doeleinden en voor de ar­men was bestemd, was aan die snelle groei niet vreemd. Gevangengeno­men vrouwen mochten zonder meer door de soldaten in bezit worden ge­nomen. Om een grotere ruiterij te verkrijgen, waarmee natuurlijk veel sneller en beter oorlog kon worden gevoerd, ontvingen ruiters tweemaal zoveel buit als de soldaten te voet. Zo kreeg Mohammed de beschikking over een leger dat met grote geestdrift en ware doodsverachting de strijd in­ging.)** In 10 jaar tijd werden ongeveer 50 krijgstochten ondernomen. Aan zeker 9 veldslagen of belegeringen heeft de profeet zelf deelgenomen. Heel Arabië werd aan zijn gezag en aan zijn leer onderworpen. De kroon op zijn werk was, na een lange en he­vige strijd met de Koraisjieten, de on­derwerping aan Mekka in het jaar 630. Hij was genadig tegenover zijn vroegere vijanden en schonk hun, op een enkele uitzondering na, vergiffe­nis. De hele bevolking van de versla­gen stad ging tot de islam over. De honderden afgodsbeelden werden uit het heiligdom van de Kaäba verwij­derd, maar de verering van de Heilige Zwarte Steen werd gehandhaafd. Ook het gebruik van de bedevaarten naar Mekka bleef bestaan.

De dood van de profeet

In het voorjaar van 632 gaf Moham­med de wens te kennen dat hij naar Mekka wilde gaan om er persoonlijk de plechtigheden in en buiten de stad te leiden. En zo geschiedde. Hij vol­bracht de ommegangen rond de Kaä­ba, zegde de gebeden op en bracht de offers. Daarbij deed hij zijn best ie­dere mogelijke gedachte aan heidense gebruiken uit te wissen. Hij riep zijn talrijk gehoor op om ook na zijn dood eensgezind en trouw aan het ge­loof te blijven. Ten slotte vroeg hij of hij zijn goddelijke zending goed had volbracht. Daarna keerde hij terug naar Medina, waar hij het plan voor een nieuwe veldtocht opvatte. Hij werd echter ziek, kreeg koorts en he­vige hoofdpijnen. Zijn toestand werd geleidelijk aan slechter. Toen hij ver­klaarde dat Allah hem de keus had gegeven tussen deze wereld en de
vol­gende en dat hij de volgende had ge­kozen, begon men te beseffen dat de geliefde profeet wel eens zou kunnen sterven. Enige dagen later, na een korte opleving, sloot hij voorgoed de ogen. Zijn trouwe volgelingen bleven in opperste verwarring achter. De goede Omar kon en wilde eenvoudig niet geloven dat Mohammed was overleden. Hij verklaarde tegenover iedereen dat de profeet maar voor korte tijd naar Allah was gegaan en dat hij beslist zou terugkeren. Aboe Bekr echter hield de samengestroom­de gelovigen voor dat Mohammed een sterveling was, die dus ook de weg van alle stervelingen moest gaan: ‘Alleen Allah is Degene die eeuwig leeft!’

Het geloof van de moslim

Het geloof dat Mohammed heeft ver­kondigd heet ‘islam’. Dit woord bete­kent ‘onderwerping’, namelijk on­derwerping aan Gods Almacht. God is almachtig en daardoor staan alle dingen al helemaal van tevoren vast. Als men die almacht aanvaardt, is men moslim of muzelman, dat wil zeggen: iemand die zich blijmoedig bij Gods wilsbeschikking neerlegt. God is immers ook barmhartig. God heeft zich eerst in de Bijbel geopen­baard en daarna in de visioenen van de laatste van de profeten: Moham­med. Deze heeft zo allerlei wetten)*** en leefregels gegeven van God, die men kan terugvinden in het heilige boek van de moslims, de Koran. Een aantal uitspraken van Mohammed is al tij­dens zijn leven opgetekend op allerlei materiaal dat toevallig voorhanden was, zoals stukken leer, stukken bot, stenen en palmbladeren. Andere uitspraken zijn eerst na zijn dood uit het geheugen of op grond van mondelin­ge overlevering te boek gesteld. Die staan niet in de Koran, maar in de ‘Soenna’. Ten tijde van kalief Othman (644-656) is de Koran samen­gesteld tot een boek van ongeveer de­zelfde dikte als het Nieuwe Testa­ment. Het boek bestaat uit 114 hoofdstukken of soera’s, die in afnemende lengte zijn geplaatst. De langste soera staat vooraan, de kortste achteraan. Alleen de eerste soera of openingssoera is ook heel kort. De Koran vormt dus geen aan­eengesloten verhaal, zoals de Bijbel, maar is wat de inhoud van de open­baringen betreft willekeurig van volg­orde. Boven iedere soera staat de re­gel: ‘In naam van Allah, de Barmhar­tige, de Genadevolle’.

De Koran en de vijf zuilen

Het woord ‘Koran’ betekent ‘lezing’ of ‘opzegging’ en iedere soera begint gewoonlijk met de opdracht ‘lees!’. Het uit het hoofd kunnen opzeggen van grote stukken van de Koran wordt als heel verdienstelijk be­schouwd.

Hoewel de Koran als de enige goede openbaring van God wordt be­schouwd en de Bijbel van de joden en de christenen als vervalst, vindt men er natuurlijk ook tal van Bijbelse on­derwerpen en figuren in terug. Voor de gelovige moslim zijn er vijf hoofd­regels die hij zoveel hij kan in acht moet nemen. Het zijn de ‘vijf zuilen’ van de islam:

  • dagelijks de geloofsbelijdenis opzeggen: ‘Er is maar één God en
    Mo­hammed is Zijn profeet’;
  • vijfmaal daags bidden]* met het ge­laat naar Mekka gewend;
  • gedurende de heilige maand Rama­dan vasten, dat is zich onthouden van spijs en drank of ander genot, van zonsopgang tot zonsondergang;
  • aalmoezen geven aan de armen;
  • indien mogelijk éénmaal in het le­ven een bedevaart naar Mekka ma­ken.

*De heilige plaats Mekka

Toen Adam en Eva van de verboden vrucht hadden gegeten, werden ze door de engel zo hardhandig uit het paradijs gegooid, dat ze een heel eind van el­kaar vandaan op de aarde neerkwa­men. Bedroefd en eenzaam gingen ze meteen naar elkaar op zoek. Gelukkig kwamen ze elkaar weer tegen en op de­zelfde plek waar ze werden herenigd, staat thans nog de stad Mekka.

*De Zwarte Steen

Toen Adam en Eva op aarde hard moesten werken om in leven te blijven, verlangden ze er hevig naar om een tempel te hebben net zoals die in het Paradijs stond. God, die barmhartig is, vervulde hun wens en schonk hun een tempel. Maar met de dood van Adam verdween ook dit gebouw weer. Abra­ham en Ismaël bouwden later de tem­pel opnieuw op en dat is de Kaäba te Mekka. Tijdens het bouwen metselden ze er een witte steen in, die nog van de aartsengel Gabriël afkomstig was. De­ze steen werd op den duur echter hele­maal zwart door de vele kussen van de zondige pelgrims. Dat is de Heilige Zwarte Steen.

**De Arabische godenwereld

Vóór de prediking van Mohammed waren de Arabieren er vast van over­tuigd dat hemel en aarde vol waren van allerlei geesten en goden. Soms konden deze eruit zien als een dier, soms ook woonden ze in bomen of stenen, voor­al als de stenen een beetje de vorm en de grootte van een menselijke gestalte hadden. Ook sterren konden godheden zijn, zoals de planeet Venus. Boven al­les en allen stond Hobal of Allah, de schepper van de wereld. Hij werd ver­eerd in de gedaante van de Zwarte Steen die in de noordoostelijke muur van het heilige gebouw de Kaäba te Mekka was ingemetseld. Geesten en godheden werden geëerd met
gods­dienstige optochten, gebeden en het brengen van dierenoffers. In tovenarij geloofde iedere Arabier. Man, vrouw of kind beschermden zich hiertegen met amuletten, voorwerpen waarvan men dacht dat ze heilige krachten had­den.

***De bekeerde moordenaar

Van de door de Koraisjieten beraamde moord op Mohammed wordt het vol­gende verteld. Een van de leden van de stam van de Koraisjieten, Omar, die bekend stond om zijn doldrieste dap­perheid, had op zich genomen de pro­feet om het leven te brengen. Kort voordat hij het boze plan zou uitvoe­ren, bracht hij een bezoek aan zijn zuster. Hij trof haar aan terwijl ze in de uitspraken van Mohammed zat te lezen. Hierover werd Omar zó boos, dat hij ook de jonge vrouw wilde do­den. Maar toevallig viel zijn blik op het geschrevene. Hij las het moslimgebed van het begin tot het eind en was er zó van onder de indruk, dat hij zijn moordplannen opgaf. Hij ging naar de profeet en behoorde daarna tot diens trouwste volgelingen.

)*De halve maan

Op zekere dag hadden Mohammeds vijanden een samenkomst op touw ge­zet van de profeet met een beroemd Arabisch vorst, Habib de Wijze. De vorst ontving Mohammed met neer­buigende vriendelijkheid en begon ver­volgens het gesprek. Al pratende daag­de hij de profeet uit om door een won­der te bewijzen dat hij werkelijk een geroepene was. Deze ging erop in en toen Habib hem vroeg de maan in twee helften te verdelen deed hij dat. Eén van de helften liet hij uit de hemel neerdalen op de top van de Kaaba. En dat was nog niet alles. Hij liet de halve maan vervolgens in de ene mouw van zijn gewaad verdwijnen en uit de ande­re weer te voorschijn komen. Sinds­dien is de halve maan een heilig
moslim-symbool.

)**Het moslimparadijs

De moslim die trouw alle godsdienst­plichten heeft volbracht en die in het bijzonder heeft deelgenomen aan de “Heilige Oorlog’, wacht in het paradijs de zaligste genietingen. In de mooist denkbare paleizen staan tafels volgela­den met uitgelezen spijzen en kostelij­ke dranken, terwijl een onafzienbare schaar dienaren iedere wens vervult nog voordat deze uitgesproken is. De prachtige tuinen zijn begroeid met heerlijk geurende bloemen en wuivende palmen, terwijl fonteinen hun water sprankelend de lucht inspuiten. In dit lustoord bevinden zich dan ook nog de lieftallige ‘hoeri’s’, bekoorlijke jonge maagden met donkere gazelle-ogen, waarvan alleen de aanblik al een groot genot verschaft. De gelukzalige mag 1000 jaar lang bij hen blijven en hij krijgt 100 keer zoveel mannelijke kracht om zich met hen te vermaken…

)***Parfums en vrouwen

Mohammed verbood zijn volgelingen het gebruik van varkensvlees en het genot van alcoholische dranken. Zelf was hij, terwijl hij toch alleenheerser over Arabië was, een man van eenvoudige en bescheiden levenswijze. Hij molk zelf zijn schapen, verstelde zijn eigen kleding en herstelde zijn schoeisel. Zijn maaltijden bestonden slechts uit wat brood en dadels, al dan niet aangevuld met een beetje honing. Als drank stonden water of melk op tafel. Er waren eigenlijk maar twee dingen waar de profeet een zwak voor had: parfums en vrouwen. In strijd met zijn eigen voorschrift, dat een moslim hoogstens vier vrouwen toestond, had hij er 17. Dit recht was hem, naar hij verklaarde, in een goddelijk visioen toegestaan! Het moet worden gezegd dat hij pas na de dood van Chadidja tot deze veelwijverij is overgegaan. Bij zijn vele vrouwen had de profeet toch slechts één kind, zijn dochter Fatima. Een zoon die na zijn dood als wettig heerser over Arabië kon optreden, was er dus niet.

]*Bidden met de wapens in de hand

Omdat godsdienstoefeningen tijdens een veldtocht wel eens erg gevaarlijk kunnen zijn, gaf de profeet daar re­gels voor, die men in de vierde soera van de Koran kan terugvinden: ‘Het wordt iemand niet als zonde aangere­kend, als hij op reis zijn gebed kort maakt daar hij verwacht dat de onge­lovigen hem kunnen aanvallen. Want de ongelovigen zijn gezworen vijan­den. Als jij (Mohammed) bij de gelo­vigen bent en hun gebeden leidt, laat een deel van hen met de wapens in de hand bidden. En als ze het gebed hebben beëindigd, laat hen dan in de achterhoede plaatsnemen en laat dan een ander deel dat nog niet gebeden heeft, naar voren komen om te bid­den; en laten ook zij op hun hoede zijn, met de wapens in de hand.’

6e klas Mohammed 3

Uit de Koran.

Als er een leerling in de klas zit die een moslimopvoeding krijgt ‘moet’ deze natuurlijk iets over de Koran vertellen en met de andere leerlingen een mooi (stichtelijk) vers schrijven. Anders is het zeer aan te raden iemand die de Koran in het Arabisch lezen kan, in de klas uit te nodigen en te laten vertellen en een stukje tekst met de kinderen te schrijven.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.

715-652

 

 

 

 

 

 

.

 670

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-7/1)


 .

ATTILA DE HUN (406-453)
.

Attila, koning van de Hunnen, kwam in 441 met zijn legers als een allesvernietigende wervelstorm uit Oost-Europa. Een aantal jaren lang
terrori­seerde hij zowel het West-Romeinse als het Oost-Romeinse Rijk. Deze beroemdste en machtigste van de barbaarse leiders kreeg de bijnaam de ‘Ge­sel Gods’. Hij was een kleine, breedgeschouderde man met een groot hoofd, een platte neus en een vlassige baard. Hij verwoestte vrijwel alles wat hij op zijn weg tegenkwam en zijn naam betekende voor de Europeanen hetzelfde als wreedheid.

Maar Attila was zeker niet alleen een wreed heer­ser. Zijn bijnaam is eigenlijk onrechtvaardig. De Mongolen bijvoorbeeld waren veel wreder. Attila had eerbied voor de wet en hij schonk zijn vijan­den vaak genade. Het was niet zozeer zijn doel om het Romeinse Rijk te veroveren. Hij wilde de Romeinen alleen afschrikken en verzwakken, zo­dat ze geen bedreiging voor hem konden vormen. Attila en zijn oudere broer Bleda erfden hun rijk van hun oom Rua. Dat was in 434. Het centrale land was Hongarije. Vandaar strekte het zich uit van de Alpen in het westen tot de Kaspische Zee in het oosten. Rua had het rijk opgebouwd door vele Hunnenstammen onder zijn bevel te brengen en daarna zijn heerschappij over andere barbaren te vestigen. Hij had het zuidelijk gelegen Byzantijn­se rijk gedwongen een verdrag te ondertekenen. De Byzantijnen, waarschijnlijk bang voor een in­val, betaalden de Hunnen elk jaar een schatting van 700 pond baar goud.

Kort nadat Attila en Bleda aan de macht kwamen, maakten ze bekend dat de Byzantijnse keizer Theodosius de Tweede in gebreke was gebleven met de betalingen. In 441 staken ze de Donau over en plunderden Singidinum (Belgrado) en een aan­tal andere steden. Door een wapenstilstand kwam er tijdelijk een einde aan de gevechten. Maar in 443 vielen de Hunnen weer aan. Deze keer rukten ze helemaal op naar Constantinopel. Daar weken ze van hun oorspronkelijke koers af en trokken naar Gallipoli, waar ze het Byzantijnse leger een beslissende nederlaag toebrachten. In het vredes­verdrag dat een einde aan de oorlog maakte, werd vastgelegd dat de Byzantijnen al hun schulden moesten aflossen (door Attila bepaald op 6000 pond goud). Verder moesten ze per jaar 2100 pond goud gaan betalen, drie keer zoveel als hun vorige schatting. Voorts werd bepaald dat het de Byzantijnen verboden was vluchtelingen uit het gebied van de Hunnen een schuilplaats te geven. Verder kregen ze het verbod opgelegd, samen met een ander barbaars volk de Hunnen te bestrijden. In 445 vermoordde Attila zijn broer Bleda. Hij was toen alleenheerser over een machtig rijk. Met als voorwendsel dat de Byzantijnen vluchtelingen hadden opgenomen, stak hij in 447 met zijn legers weer de Donau over. Deze keer vernietigden de Hunnen het grootste deel van het Balkan-schiereiland. Ze rukten helemaal op tot Thermopylae Daarna keerden ze weer terug. De onderhandelingen over een nieuw vredesverdrag duurder drie jaar. Uiteindelijk kregen de Hunnen een strook land ten zuiden van de Donau en werd de plicht weer verhoogd.
Het Byzantijnse Rijk wankelde en betekende voor Attila geen bedreiging meer. Hij richtte zijn aandacht verder op het westen. Hij koos als doel het gebied van de Westgoten rond Toulouse. De zuster van de West-Romeinse keizer stuurde een ring en smeekte hem haar te behoeden voor een door haar broer geregeld huwelijk. Attila beweerde dat ze hem een aanzoek had gedaan en eiste de helft van het West-Romeinse Rijk als bruidsschat. De Romeinen en de Westgoten sloten een bondgenootschap. Hun legers haastten zich naar Orléans om Attila de pas af te snijden. Deze maakte met zijn 500.000 manschappen een op­mars door Gallië. De twee strijdmachten troffen elkaar uiteindelijk op de Catalaunische velden in de buurt van het tegenwoordige Troyes. Na zware gevechten en grote verliezen aan beide kanten trok Attila zich terug. Het  was zijn eerste en enige nederlaag. Een jaar later trok hij Italië binnen. Hij marcheerde naar het zuiden en plunderde ste­den als Medialanum (Milaan), Patavium (Padua) en Verona. Paus Leo de Eerste smeekte hem, Rome te sparen. Door ziekte en voedselgebrek werd Attila uiteindelijk gedwongen terug te ke­ren.

Thuisgekomen begon hij voorbereidingen te tref­fen voor een nieuwe veldtocht tegen het Byzan­tijnse Rijk. Daar was een nieuwe keizer, Marcianus, aan de macht gekomen. Hij weigerde de schatplicht aan de Hunnen te betalen. Maar Attila vertrok nooit meer uit Hongarije. De ‘Gesel Gods’ stierf vredig in zijn slaap. Zijn rijk ging over in handen van zijn zoons, maar het raakte al spoedig in verval.

Rome Attila 1

Het profiel van Atti­la op een munt. De geschiedenis heeft Attila gekenschetst als een wrede barbaar. In werkelijkheid had hij echter respect voor de wet en was hij genadig voor zijn ver­slagen vijanden. In veldslagen was hij wél meedogenloos.

Attila

Nog wat illustraties

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

 

713-650

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (2-2)

.

 
GELD
.

De meeste Nederlanders ontvangen iedere maand via de bank of giro hun salaris, maar slechts weinigen zullen weten dat het woord salaris uit het Latijn komt. Romeinse soldaten werden nl. aanvankelijk in zout (= sal) uitbetaald, later in “geld”. Dit geld is echter niet “uitgevonden” door de Romeinen, maar door de Lydiërs, zo’n 2700 jaar geleden.

Ontstaan en ontwikkeling van geld

Reeds in de 7e eeuw voor Chr. bestonden er in Lydië (Klein-Azië) munten, natuurlijk nog niet zo klein en fijn als wij ze nu kennen. Het waren gouden en zilveren munten, met een grote verscheidenheid in afmeting en afbeelding.

Pas ten tijde van de Griek Alexander de Grote (4e eeuw voor Chr.) werd er eenheid in het muntstelsel gebracht: zilveren en gouden munten van één type en gewicht met de afbeelding van de vorst die de munt geslagen had.

De Romeinen volgden de Grieken, maar zij hadden nog geen behoefte aan een uitgebreid muntstelsel. Ze lieten grote koperen munten gieten, aes grave (= zwaar koper). Voordat ze deze munten lieten gieten, werd er betaald door middel van ruilhandel en brokjes koper (aes rude = ruw koper).

In het agrarische Rome werd vooral vee verhandeld en het is dan ook niet verwonderlijk dat het Latijnse woord voor geld/vermogen (pecunia) is afgeleid van het woord voor vee (pecus).

Rond 200 voor Chr. werden Romeinse munten voor het eerst geslagen. De omvang en het gewicht waren afgenomen en de benaming van de standaardmunt was voortaan as.

Inmiddels werd er ook een zilveren munt (denarius) geslagen en een enkele gouden munt (aureus). In de keizertijd (vanaf 27 voor Chr.) werden er regelmatig gouden en zilveren munten in opdracht van de keizer aangemaakt. Omdat ze aanvankelijk bedoeld waren voor het leger vond dit buiten Rome plaats. Vanaf keizer Caligula (37-41 na Chr.) werden ze in Rome vervaardigd.

De koperen munten, de assen, werden in opdracht van de senaat geslagen. Tot ± 250 na Chr. kwamen hier de letters S(enatus) C(onsulto), bij senaatsbesluit, op voor. Inmiddels was er een muntstelsel ontstaan dat opgebouwd was op de as. Veelvouden van de as waren de dupondius (2 assen) en de sestertius (4 assen), beide van koper. De zilveren munt, de denarius, was oorspronkelijk 10 assen, later 16 assen waard en de gouden munt, de aureus, 25 denarii. Kleinere eenheden dan de as waren de semis (½ as) en de quadrans (¼ as).

Oude woorden in moderne talen

De eerste munten werden te Rome geslagen in de tempel van Iuno Moneta op het Capitool. De godin Iuno waarschuwde (= monere) de muntmeesters geen bedrog te plegen door munten van een onjuist gewicht en een onzuiver metaal te slaan. Latijnse woorden die met geld te maken hebben, leven nog steeds voort in de benamingen voor geld in moderne vreemde talen. Wie kent niet de woorden money (Eng.), monnaie (Fr.), portemonnee (Ned.), Moneten (Dts.), afgeleid van Iuno Moneta. De Engelse penny is wellicht ontstaan uit pecunia en de Spaanse dinero, of de Joegoslavische dinar afgeleid van denarius. Het woord caput (= hoofd van vee) heeft geleid tot ons woord kapitaal. Iemand die in de Romeinse tijd veel vee had, was kapitaalkrachtig.

Drie woorden die keizer Vespasianus (69-79 na Chr.) ooit uitsprak, leven bij ons nog voort in de vertaling “Geld stinkt niet”. In die tijd werd namelijk de stof die gebruikt werd voor togas eerst door de zgn. vollers voorgewassen met bijtende en ontvettende stoffen zoals urine (waarin ammoniak zit). Urine was dus erg gewild bij de vollers en zij plaatsten potten bij hun vollerij waarin voorbijgangers urine konden lozen. Ook kochten zij urine van openbare toiletten. Vespasianus hief extra belasting op dit stinkende goedje. Zijn zoon Titus vond dat er een luchtje aan deze belastingheffing zat, waarop Vespasianus hem het betreffende geld onder de neus hield en zei: pecunia non olet (Geld stinkt niet).

De Romeinse god van handel en verdienste, Mercurius, leeft nog steeds voort in het Engelse woord voor handelaar, nl. merchant.

6e klas Rome geld 1

Productie van munten

De meeste Romeinse munten werden geslagen op de hier afgebeelde wijze. In het aambeeld (5) werd een stempel voor de voorzijde vastgezet (4); in een houder (1) werd een stempel voor de keerzijde geklemd. Met een tang werd er, na verhitting een munt-plaatje (3) tussen aambeeld en houder gelegd, waarna de afbeelding met behulp van een hamer op het muntplaatje werd geslagen.

6e klas Rome geld 2

Zoals bij ons nu nog steeds gebruikelijk is, zo stond ook bij de Romeinen op de voorzijde van de munt een afbeelding van de heersende vorst. Een dergelijk portret was voor de Romeinen de enige manier om te weten hoe hun vorst er uitzag (afgezien van standbeelden). Fotografie bestond immers niet. De keerzijde van munten werd dikwijls gebruikt als propagandamiddel om aan te geven welke weldaden de keizer voor het volk had verricht. Munten gingen van hand tot hand en fungeerden op die manier als een soort radio. De hele geschiedenis van het Romeinse rijk kan als het ware afgelezen worden van de keerzijde van munten. Voorbeelden van propaganda zijn de haven van Ostia op een munt van Nero (54-68 na Chr.), als teken van goede zorgen voor voedselvoorziening door korentoevoer over zee.

6e klas Rome geld 3

6e klas Rome geld 4

6e klas Rome geld 5

Keizer Hadrianus (117-138 na Chr.) stond er bekend om dat hij van reizen hield en hij liet dan ook een munt slaan met de personificatie van Egypte op de keerzijde.

In tegenstelling tot onze munten staat er op Romeinse munten geen exact jaartal, maar toch kunnen we ze vaak op het jaar nauwkeurig dateren. De Romeinen hadden namelijk de gewoonte om op de munt, naast de naam en bijnamen van de keizer, ook te vermelden welk ambt deze keizer voor de zoveelste keer bekleedde. Uit antieke bronnen weten we van elke keizer welk ambt hij in welk jaar uitoefende. Omdat er zo ontzettend veel afkortingen gebruikt worden, volgt hieronder een voorbeeld:

6e klas Rome geld 6

IMP(erator) CAES(ar) VESP(asianus) AVG(ustus) P(ontifex) M(aximus) T(ribunicia) P(otestate) CO(n)S(ul) Iin CENS(or);

in vertaling:

opperbevelhebber, keizer Vespasianus, de verhevene, opperpriester, met de macht van tribuun, consul voor de 4de maal, censor.

In het jaar 72 na Chr. was Vespasianus voor de 4de maal consul, zodat deze munt in dat jaar geslagen is.

6e klas Rome geld 7

 

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

 

712-649

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-7)

.

 DE ONDERGANG VAN HET WEST-ROMEINSE RIJK

Het opdringen van de Germanen

Een eigen schrift

Tussen de Donau en de Zwarte Zee woonden Germaanse volkeren: de West-Goten en Oost-Goten. Oor­spronkelijk afkomstig uit Scandina­vië, hadden ze de lange weg door Rusland afgelegd langs rivieren en moerassen, door wouden en over vlakten. Als ze niet verder konden va­ren, droegen ze hun boten tot ze weer aan water kwamen. Zo bereikten ze Zuid-Rusland met het aangename kli­maat, waar ze zich vestigden. De Oost-Goten hadden de naburige stammen onderworpen en vormden een groot rijk. Ook de West-Goten waren, zij het met tegenzin en altijd tot opstand bereid, aan de Oost-Goten onderhorig.
De Goten waren diepgaand beïnvloed door de Romeinse beschaving. Ze hadden een eigen schrift, het Gotisch, dat gebaseerd was op het Griekse al­fabet en op de Germaanse runente­kens. Ze waren overgegaan tot het christendom en de hele Bijbel was door een van hun bisschoppen in het Gotisch vertaald.

Woeste horden nomaden

In 374 kwamen volkomen onver­wacht talrijke woeste nomadenhorden Europa binnen. Het waren de Hunnen die, nadat ze eerst tevergeefs op het keizerrijk China hadden stormgelopen, naar het westen kwa­men om daar hun geluk te beproeven. Als het ware vastgegroeid op de rug­gen van hun kleine ruige
paardjes, behoorden ze tot de beste ruiters ter wereld, die in massale stormaanval­len hun vijanden onder de voet pro­beerden te lopen. Meestal met volle­dig succes! Zo onderwierpen ze in Europa in de kortste tijd de Alanen, een herdersvolk met een niet te on­derschatten dapperheid en strijdlust. Na hun nederlaag sloten deze Alanen zich aan bij de Hunnen en deden een inval in het Gotische Rijk. Ook de Oost-Goten legden al spoedig het loodje. De West-Goten wachtten de bui niet af en trokken met hun hebben en houden naar de Donau om binnen het veilige Romeinse Rijk bescherming te gaan zoeken. → Attila

Alleen tegen contante betaling

De Goten vroegen beleefd aan keizer Valens of ze zich binnen het Romein­se Rijk mochten vestigen. De heerser aarzelde, want hij vertrouwde hen niet helemaal. Toen hij uiteindelijk toch zijn toestemming gaf, was dat op een aantal voorwaarden. De Go­ten moesten al hun wapens achterla­ten en hun jonge mannen als gijze­laars afstaan. Ook werd afgesproken dat ze alle noodzakelijke levensbehoeften alleen tegen contante beta­ling zouden kunnen verkrijgen. De Goten gingen op deze voorwaarden in, maar de Romeinse ambtenaren en militairen maakten ernstig misbruik van de ondergeschikte positie van de Goten. De Goten waren woedend en vonden dat ze zich nu ook niet meer aan de afspraken hoefden te houden. Heimelijk voorzagen ze zich van wa­pens en kwamen in opstand. In korte tijd was heel Thracië in hun bezit.

Zonder pardon

De keizer haastte zich naar Constantinopel om een leger uit te rusten. Daarna rukte hij op tegen de Goten, maar hij werd in 378 bij Adrianopel volkomen verslagen. Zelf kwam hij daarbij om het leven. De Goten zet­ten hun plunderingen in de wijde om­geving voort. Toen kreeg de opperbe­velhebber van het leger, Julius, van de Senaat van Constantinopel onbe­perkte volmacht. Daarvan maakte hij een niet zo verstandig gebruik, want hij liet alle gijzelaars van de Goten zonder pardon ter dood brengen. De Goten werden hierdoor natuurlijk niet vredelievender. De keizer van het westelijk deel van het Romeinse Rijk, Gratianus, be­noemde na de dood van Valens de ge­neraalszoon Theodosius tot keizer over het oostelijk deel van het rijk Deze slaagde er inderdaad na zeven jaar in de Goten tot rust te brengen en vaste woonplaatsen te doen kie­zen. Toch bleven ze een niet onge­vaarlijk element binnen het rijk, want ze woonden in de hun toegewezen ste­den en gewesten onder eigen bestuur en rechtspraak.

De Vandaal Stilicho

Omstreeks 400, toen het Oost-Romeinse Rijk na het overlijden van Theodo­sius bestuurd werd door zijn twee zoontjes, Arcadius van 17 en Hono­rius van 11 jaar, begonnen de Goten weer te plunderen onder leiding van hun aanvoerder Alarik. De provincies Thessalië, Macedonië, Thracië en Illyrië hadden daar erg van te lijden. De Vandaal Stilicho, die voor Honorius het West-Romeinse Rijk bestuurde, zond eerst troepen en stak vervolgens zelf over naar de Peloponnesus.

De Goten trokken daarop naar Illyrië. Daarmee was het probleem van de Goten uiteraard niet opgelost en de keizer van het oosten liet zich overhalen om de Goten als bondge­noten te aanvaarden. Spanningen met het westelijk deel van het rijk brachten Alarik ertoe naar Italië te trekken en daar in het noorden huis te houden. Stilicho, die in Italië vrij­wel geen troepen tot zijn beschikking had, riep toen de legioenen uit Brittannië en Gallië terug. Daardoor werd Brittannië aan de Picten en de Scoten en Gallië aan de Germanen prijsgegeven. De Romeinse opperbe­velhebber trok vervolgens tegen Ala­rik op. Hij leverde bij Pollentia een zware slag. De Gotische koning ont­ruimde Italië en de jonge Honorius hield met Stilicho samen een mooie triomftocht in Rome, de laatste in de geschiedenis. In 406 en nog lang daarna trokken Germaanse stammen de Rijn over en vestigden zich in Gallië. De afbraak van het Romeinse was onstuitbaar begonnen.

Het leger werd zeer verzwakt

Stilicho’s roem als veldheer en staatsman begon ten gevolge van het verlies van Brittannië en Gallië flink te tanen. Zijn vele vijanden aan het hof en elders maakten daar handig gebruik van om hem ten val te brengen. Gekonkel en gekuip bij de keizer leidden tot moord op de voornaamste aanhangers van de Vandaal Stilicho. Daartoe behoorden hoge staatsambtenaren en veldheren. Vervolgens werd Stilicho* zelf vermoord. Olympius, die de grootste tegenstander van Stilicho was geweest, hield daarna op verschrikkelijke manier huis onder allen die iets met de vermoorde te maken hadden gehad. En daarbij liet hij het niet. Omdat hij bang was voor een opstand van de vreemde troepen die in Romeinse dienst waren, liet hij al hun vrouwen en kinderen, die hij als gijzelaars in zijn macht had, ter dood brengen. Tevens liet hij vele hoge officieren vervangen, daarbij meer lettend op betrouwbaarheid dan op bekwaamheid. De Goten die in het West-Romeinse leger dienden, liepen daarop in groten getale naar Alarik over. Het is onnodig te zeggen dat het West-Romeinse leger door al deze maatregelen zeer verzwakte. Dat was voor Alarik alle aanleiding om opnieuw een inval in Italië te beramen.

Verwekelijkt en verwijfd

Bij de nadering van de Goten zocht Honorius** zijn toevlucht in Ravenna. Hij begreep heel goed dat Alarik het op Rome gemunt had. Daar het leger te verzwakt was om ook maar enige tegenstand te kunnen bieden, kon de vijand ongehinderd tot Rome door­dringen en de stad aan alle kanten in­sluiten. Daarna ontstond een situatie waaraan beide partijen niet veel kon­den veranderen. De Goten waren na­melijk niet in staat om de nog altijd geweldige stad in te nemen en de Ro­meinen konden onmogelijk de vijand verdrijven. De Romeinse geschied­schrijver Ammianus Marcellinus (330-400) heeft betoogd dat de Ro­meinen te verwekelijkt en verwijfd geworden waren om de belegeraars aan te vallen.

Ze slaan een hoge toon aan

We laten Marcellinus hierover aan het woord: ‘De edelen van deze tijd meten hun rang en hun aanzien af naar de hoogte van hun wagens en de pracht van hun kleding. Hun lange zijden en purperen gewaden wappe­ren in de wind en als deze, al of niet per ongeluk, een eindje de hoogte in gaan, laten ze zien dat de kleren die daaronder zitten ingeweven dierenfiguren hebben. Met een troep van vijf­tig bedienden achter zich aan jachten ze met hun hoge wagens door de straten en vernielen daarbij het plaveisel. Dit voorbeeld van de senatoren vindt ijverig navolging bij zowel getrouwde als ongetrouwde vrouwen, die ook al­maar met overdekte wagens in grote haast door de hele stad rijden. Als de hooggeplaatste personen zich ver­waardigen om de openbare badhui­zen te bezoeken, slaan ze bij hun komst een hoge toon aan en eisen al de gemakken voor zich op die voor het volk bestemd zijn.’

Met de grootste minachting

Marcellinus vervolgt: ‘Soms onderne­men de hoge heren zelfs iets vreselijk vermoeiends. Dan brengen ze een bezoek aan hun landgoederen in Italië en verschaffen zich, doordat hun sla­ven zich uitsloven, de genoegens van het jagen. En wanneer ze een enkele keer, vooral op warme dagen de moed hebben opgebracht om in hun beschilderde galeien naar hun fraaie buitenhuizen aan de kust van Puteoli en Cajeta te varen, vergelijken ze hun onderneming met de tochten van Caesar en Alexander. Maar zodra een vlieg het waagt te gaan zitten op de zijden plooien van hun vergulde zon­neschermen, of een zonnestraal door een onbewaakte en nauw merkbare opening dringt, dan zuchten ze over hun ontzettend zware tochten en beklagen zich er in moeilijke zinnen over dat zij niet in het land van de Kimmeriërs geboren zijn, want daar heerst tenminste een eeuwige duister­nis.

Thuis staan de Romeinse heren erop dat ze met de grootste eerbied beje­gend worden. Reeds bij de geringste nalatigheid jegens hun persoon barsten ze in woede uit. Alle andere mensen echter behandelen ze met de grootste minachting en onverschillig­heid. Als ze om warm water hebben gevraagd en hun slaaf niet snel genoeg aan hun verlangens heeft vol­daan, kan hij rekenen op driehon­derd stokslagen. Als diezelfde slaaf evenwel iemand met voorbedachten rade heeft vermoord, merkt zijn heer op dat hij een sukkel van een vent is en dat hij bij een volgende keer zijn straf niet zal ontgaan.’

Liefst in afgelegen vertrek

Marcellinus heeft nog meer kritiek: ‘De hoge heren hebben maar bitter weinig belangstelling voor studie of andere zaken die inspanning vereisen. Het enige wat ze lezen zijn fantasti­sche verhalen of hatelijke stukjes. De bibliotheken die ze van hun vaders hebben geërfd, laten ze het liefst in een afgelegen vertrek onder het stof rusten. Maar ze laten wel kostbare to­neeltoestellen en fluiten, grote lieren en waterorgels maken, want dat vin­den ze mooi. Gezang en instrumenta­le muziek klinken zonder ophouden door de grote huizen van de aanzien­lijken. Men hecht meer waarde aan ijdele klanken dan aan woorden van wijsheid en verkiest de verzorging van het lichaam boven de verzorging van de geest. Daarmee hangt ook wel samen dat ze op kinderlijke wijze geloof hechten aan de voorspellingen van de waarzeggers, die beweren uit de ingewanden van de offerdieren de voortekenen van grootheid en aan­zien te kunnen lezen. Ja, er zijn zelfs lieden die niet eens een bad nemen of gaan eten, voordat ze een
sterren­wichelaar hebben geraadpleegd.’
Tot zover Ammianus Marcellinus, wiens woorden inderdaad heel sterk de in­druk geven van een ten ondergang ge­doemd rijk.

Volslagen ongeschikt

Het oude spreekwoord ‘Zo heer, zo knecht’ was ook op het volk van Rome in die moeilijke tijd van toepas­sing. De gewone man had een hekel aan iedere vorm van arbeid en dat kon men hem niet eens kwalijk nemen. Nog altijd immers vonden er kosteloze voedseluitdelingen plaats en voor een krats kon men alle ge­neugten van de weelderige Romeinse badhuizen smaken. Daarnaast zorg­den ook de publieke spelen voor vol­doende afleiding en vertier. Het is wel duidelijk dat dit soort Romeinen vol­slagen ongeschikt was geworden voor een militaire krachtsontplooiing, zo­als een uitval uit de stad om de Goten te verdrijven. Toen de mondvoorraad krap werd en er een besmettelijke ziekte uitbrak, wist de Senaat niets beter te bedenken dan het sturen van een gezantschap van twee man naar Alarik.

Hoongelach

De twee gezanten die voor de aanvoerder van de Goten gebracht werden, verklaarden trots dat ze een eervol verdrag wilden sluiten. Als Alarik daar niet op inging, moesten de wa­penen maar beslissen. Deze opgeblazen woorden deden de Goot in een hoongelach uitbarsten. De gezanten bonden haastig in en vroegen hoeveel losgeld hij dan wel had willen hebben. Het antwoord viel niet mee: álle goud en zilver dat er in de stad was, álle kostbare voorwerpen en álle slaven van barbaarse afkomst moesten bij de Goten gebracht worden. Uiteindelijk bleek Alarik ook met wat minder genoegen te willen nemen, maar toch verlangde hij zoveel goud en zilver, dat de hele Romeinse muntvoorraad niet genoeg was. Men moest zelfs beelden die van goud en zilver gemaakt waren omsmelten om aan de eisen te kunnen voldoen. Toen braken de Goten hun beleg van Rome op, maar eigenlijk wilden ze het liefst in Italië blijven wonen. Daarom bood Alarik de keizer vrede en vriendschap aan in ruil voor een geschenk in geld plus enige gebieden. Honorius was echter zo koppig als een ezel en wees elk voorstel van de hand. Daarop rukten de Goten in 410 opnieuw naar Rome op en slaagden er dit keer wél in de stad te nemen. Drie dagen lang liet Alarik zijn mannen hun gang gaan en heel wat werd geroofd en weggesleept. Daarop leidde hij zijn leger weg in zuidelijke richting. Lang heeft Alarik*** niet van zijn overwinning kunnen genieten, want nog in datzelfde jaar 410 overleed hij plotseling.

Een nieuw rijk

De opvolger van de overleden aanvoerder werd zijn zwager Athaulf aangesteld. Over diens vijf jaar du­rend koningschap is niet veel bekend. Hij trouwde met de zuster van keizer Honorius en maakte een veroverings­tocht naar Spanje. Daar waren sinds 409 de Germaanse volkeren van de Vandalen, Alanen en Sueven geves­tigd. Kort daarop werd hij vermoord. Wallia werd toen koning van de Go­ten. Hij was de Romeinen gunstig ge­zind en veroverde voor hen het groot­ste deel van Spanje. Daarbij roeide hij zowat het hele volk van de Alanen uit. De Vandalen en Sueven werden gedwongen zich in het noordwestelijk deel van het land terug te trekken. Keizer Honorius schonk Wallia als blijk van waardering een gebied in Gallië tussen de rivieren de Garonne en de Loire. De Goten stichtten daar een eigen, nieuw rijk met als hoofd­stad Tolosa, het latere Toulouse. De nieuwkomers gingen hard aan het werk en spoedig waren ze tot wel­vaart gekomen.

De Hunnen en het Romeinse Rijk

Ernstig in verval

Bij het overlijden van Honorius op 15 augustus 423 verkeerde het West-Romeinse Rijk reeds in diep verval. De Bourgondiërs hadden in het zuid­oosten van Gallië een eigen rijk gesticht, de Alanen zaten in de Elzas en in Lotharingen, de Franken be­heersten het hele noordwesten van het huidige Frankrijk en de Goten woonden in het gebied tussen de Garonne en de Loire. Brittannië, dat niet langer door de legers van de Ro­meinen tegen de Picten en de Scoten werd beschermd, maakte zich los van het rijk. Bretagne volgde dit voor­beeld. Ook Spanje, dat opnieuw door de Vandalen en Sueven veroverd werd, viel niet langer onder het Ro­meinse gezag. Zo bestond het hele Westromeinse Rijk omstreeks 425 al­leen nog maar uit Italië en de provincie Africa.

Hij presteerde even weinig

Het Oost-Romeinse Rijk maakte ook zeer moeilijke tijden door. Keizer Arcadius was een slappe en willoze fi­guur en een speelbal in de handen van geslepen hovelingen en vrouwen. De­len van het rijk werden zowel door barbaarse horden geplunderd en ge­brandschat als door eigen troepen on­der een dwarse generaal. Een tijdlang voerde keizerin Eudoxia de teugels van het bewind, totdat haar echtge­noot in 408 overleed. Hij werd opge­volgd door een jongetje van zeven jaar, die tot 450 aan de regering bleef, als men al van regering kan spreken, want hij presteerde even weinig als zijn voorganger. Zijn zuster Pulcheria, die medekeizerin werd, was eigenlijk veel geschikter voor het staatsbestuur. In een poging om het rechtswezen te verbeteren, liet zij alle bepalingen die na de dood van Constantijn de Grote kracht van wet hadden gekregen, in een wetboek bij­eenbrengen. Dit verzamelwerk is be­kend geworden onder de naam ‘Co­dex Theodosianus’.

Ook al een slappe figuur

Oost-Romeinse troepen brachten na de dood van Honorius zijn zuster Placidia en haar zoontje Valentinianus naar Italië. Ze joegen een zekere Johannes weg, die zich met geweld van de keizerlijke troon had meester ge­maakt en plaatsten het jongetje als Valentinianus III op de troon. Het bleek in de loop van de tijd ook al een slappe figuur te zijn, maar zijn moe­der Placidia voerde op bekwame wij­ze het bewind, totdat ze in 450 stierf. De keizerin vertrouwde geheel en al op haar uitstekende veldheer Aëtius. Deze streed met succes tegen allerlei Germaanse volkeren, zoals de Bour­gondiërs en de Goten. Door een han­dige politiek wist hij de Hunnen ertoe te brengen hun aandacht meer op het Oost-Romeinse Rijk te richten. Wrijvingen tussen Aëtius en Bonifacius, de stadhouder van Africa, deden Aë­tius op een zeker ogenblik besluiten een verbond te sluiten met de Hun­nen. Dit versterkte de positie van de veldheer natuurlijk zeer, zozeer zelfs, dat hij de eigenlijke macht boven Valentinianus bezat. Aëtius zou die macht niet lang houden. Er zou een strijd op leven en dood uitbreken tus­sen het West-Romeinse Rijk onder aanvoering van Aëtius en de Hunnen onder leiding van Attila.

Omwille van de lieve vrede

De Hunnen waren, na hun overwin­ning op de Goten, heel langzaam in westelijke richting opgeschoven. Er was niet zo veel onderlinge samen­hang meer, omdat de Goten uiteenge­vallen waren in verschillende stam­men, ieder met een eigen vorst aan het hoofd. Keizer Theodosius II (408-450) van het Oost-Romeinse Rijk betaalde omwille van de lieve vrede aan een van de belangrijkste Hunse vorsten ieder jaar een flinke schat­ting. Bovendien had hij hem met de rang van Romeins veldheer vereerd. Toen deze vorst overleed, werd hij door twee van zijn neven opgevolgd. De een, Attila geheten, was zeer eer­zuchtig.
Hij liet de ander, die nota bene zijn eigen broer was, zonder enig gewe­tensbezwaar vermoorden.
Daarna probeerde hij zijn macht over de Hunnen uit te breiden. Door zijn heerszucht en zijn sterke wil slaagde hij er inderdaad in een groot rijk op te bouwen, dat zich ten slotte uit­strekte over heel Noord- en Midden-Europa tot diep in Azië. Niet alleen de stammen van de Hunnen, maar ook die van de Slaven, de Sarmaten en zelfs een deel van de Germanen volgden hem.

Op genadeloze wijze

De volkeren die zich vrijwillig aan Attila onderworpen hadden, werden goed door hem behandeld. Ze hoefden alleen maar wat belasting te betalen en moesten soldaten leveren als er oorlog was. Ze mochten hun eigen bestuur en rechtspraak behouden en hadden recht op bescherming van de Hunnen. De vorsten van de onderhorige stammen vertoefden vaak aan het hof van Attila als raadslieden of gewoon als hovelingen van hogere of lagere rang. Wie zich echter  niet  vrijwillig  onderwierp, werd op genadeloze wijze afgestraft. Hem wachtte de dood of slavernij. Waar de Hunnen waren geweest als veroveraars, bleven slechts rokende puinhopen en lijken achter. Hoe gevreesd Attila**** was, blijkt wel uit de bijnaam die hem gegeven werd: de Gesel Gods.

Slechts op vernederende voorwaarden

Enkele dreigende gebaren van de Hunnen brachten de keizer van het Oost-Romeinse Rijk er haastig toe, in het vervolg een dubbele schatting te betalen. Daarmee was overigens nog geen enkele zekerheid verkregen dat het rijk in het vervolg met rust zou worden gelaten. De grensgebieden hadden nog steeds van rooftochten van de Hunnen te lijden. In 446 en 447 drongen de Hunnen Griekenland binnen en verwoestten zeker 70 ste­den. Zelfs de hoofdstad Constantinopel werd bedreigd. Een gezantschap dat naar de gevreesde Attila*) werd gestuurd, slaagde er slechts op verne­derende voorwaarden in vrede te
slui­ten. En dan mochten ze nog blij zijn!

Verschillende oorzaken

Dankzij het verbond dat Aëtius met de Hunnen had gesloten, was het West-Romeinse Rijk tot dan toe met rust gelaten. Waardoor aan deze toestand een einde kwam, is niet hele­maal duidelijk. Weliswaar worden er verschillende oorzaken voor ge­noemd, maar geen daarvan is erg overtuigend. Het meest waarschijn­lijk zijn simpelweg zucht naar avon­tuur en machtswellust van Attila de enige motieven geweest. In elk geval ging er in het begin van het jaar 451 een geweldig groot leger – men spreekt van 500.000 man! – op weg naar het westen. Het was een bonte mengeling van volkeren en stammen, bestaande uit Hunnen, Slaven, Sar­maten en Germanen. Enkele maan­den later werd de Rijn overgetrokken en kregen de noordelijke gewesten van Gallië het zwaar te verduren. Orléans, dat pas nieuwe wallen had ge­kregen, bleek een moeilijk te nemen hindernis. Terwijl Attila de stad belegerde, naderde Aëtius – die intussen ook niet had stil gezeten – met een leger. Dat was voor de Hun­nenvorst aanleiding om het beleg voor Orléans op te breken, want hij durfde de slag niet op dezelfde plaats aan te gaan. Voor zijn omvangrijke krijgsmacht en met name voor zijn ontelbare ruiters had hij de ruimte van een uitgestrekte vlakte nodig. Die gunstige omstandigheid vond hij in hetzelfde jaar tussen Châlons aan de Marne en Troyes op de Catalaunische velden. Daar koos Attila dan ook positie.

Attila’s onzekerheid

De veldheer Aëtius legerde zich met zijn Romeinse en Germaanse troepen tegenover de stellingen van Attila. Deze schijnt onzeker te zijn geworden over de afloop van de strijd, iets wat heel goed voorstelbaar is. Hij, de geboren nomade, voelde zich immers het beste thuis op de uitgestrekte vlakten van Rusland en Midden-Azie, waar het groene gras en de blauwe hemel in de oneindige verten in elkaar overvloeiden. Daar was vol­doende voedsel voor de onmisbare paarden te vinden en daar ook konden de ruiters in een woeste storm­aanval over een breed front de vijand onder de voet lopen. In West-Europa echter ontbraken de grote grazige vlakten. Bossen en rivieren, heuvels en dalen wisselden elkaar af in bonte verscheidenheid, misschien mooi om te zien, maar voor een ruitervolk niet erg geschikt om er te leven en te vech­ten.

Zijn onzekere gevoelens brachten At­tila ertoe om waarzegsters te raadple­gen. De vrouwen schouwden lang en aandachtig in de ingewanden van de offerdieren en verklaarden ten slotte dat er een ongeluk dreigde voor de Hunnenvorst.  Ook de aanvoerder van het vijandelijke leger zou evenwel sneuvelen. Uit het laatste putte Attila moed. Hij gaf bevel dat de grote aan­val de volgende ochtend zou plaats­vinden.

De Slag op de Catalaunische Velden

Vroeg in de morgen begonnen de twee reusachtige legers met de voor­bereidingen voor de strijd. Het was een geren en een gedraaf, gekletter van wapens en geschreeuw, gehinnik van paarden en hoorngeschal. Ten slotte stonden de legers tegenover el­kaar opgesteld. Een kleine heuvelrij lag als een soort scheidslijn tussen hen in. De West-Goten stonden aan de Romeinse kant onder leiding van hun koning Theodorik pal tegenover de Oost-Goten onder leiding van ko­ning Walamir aan de kant van de Hunnen. De Hunnen stonden in het centrum van de slagorde en hadden op hun rechtervleugel de Gepiden. Toen brak de strijd los. De West-Goten slaagden erin de heuvelrij te be­zetten en gaven die, ondanks de ver­woede aanvallen van de Oost-Goten, niet meer prijs. Attila gunde zich geen ogenblik rust. Hij was overal waar zijn leiding en zijn vurige aansporingen het meest nodig waren. Toch lukte het hem niet een beslissing af te dwingen. De verliezen aan beide zijden waren verschrikkelijk. Een ri­viertje dat dwars door het slagveld liep, kleurde zich allengs rood van het bloed van de gevallenen. Hun aantal zou minstens 160.000 hebben bedra­gen. Hiertoe behoorde ook de dappe­re koning van de West-Goten, Theodorik. Zijn zoon Thorismus zette, ra­zend over de dood van zijn vader, de strijd met verdubbelde energie voort.

Een brandstapel

Langzaam maar zeker raakte Attila in het nadeel. Noodgedwongen trok hij zich terug in de wagenburg, een vesting van karren. Daar liet hij in het midden een brandstapel klaarma­ken om er zelfmoord op te plegen, als de vijand te ver zou doordringen. Maar de aanval op de wagenburg bleef uit, want ook Aëtius had zware verliezen geleden. De toestand was zeer onoverzichtelijk. De volgende dag waagde geen van de partijen het, de strijd te hervatten. Thorismus besloot naar zijn land terug te keren om zijn troon veilig te stellen. Ook de Romeinse veldheer gaf bevel om op te breken. De Hunnen trokken lang­zaam weg in oostelijke richting, de Rijn over. West-Europa was ver­schoond gebleven van hun overheersing.

Er ontstond een stad

Het bericht dat de West-Goten naar hun woonplaatsen waren terugge­keerd, gaf Attila moed. Misschien zou het hem dan toch nog lukken om het West-Romeinse Rijk te veroveren. In 452 trokken zijn ruiterbenden op de bekende wijze rovend en plunde­rend Italië binnen. De stad Aquileja waagde het zich te verdedigen, maar werd na herhaald stormlopen ingeno­men en vrijwel volledig verwoest. Geen mens werd gespaard, man noch vrouw, kind noch grijsaard. De oprukkende wrede veroveraars joegen een ware stroom van vluchtelingen voor zich uit. Velen vluchtten de moerassen in achter de lagunen van de Adriatische Zee. Daar verborgen ze zich en daar bleven velen ook wo­nen. Zo ontstond in de loop van de tijd een stad: Venetië!

Bijna spoorloos

Attila werd ook in Italië overvallen door aarzeling en onzekerheid. Niet alleen de strijd zorgde voor de nodige verliezen, ook besmettelijke ziekten die in zijn legerbenden uitbraken eisten een hoge tol. Het verschijnen van een gezantschap uit Rome om hem te smeken de stad te sparen, was hem dan ook beslist niet onwelkom. Hij verklaarde zich tevreden met de toegezegde schatting en gaf vervol­gens het sein tot de aftocht. Vrij kort daarna, in 453, stierf hij plotseling, volgens sommigen aan een bloedspu­wing. Na Attila’s dood viel zijn rijk uiteen en de Hunnen verdwenen bijna spoorloos uit de geschiedenis.

Het einde van de oudheid

Grote populariteit

Placidia, de moeder van de West-Romeinse keizer Valentinianus III, had tot aan haar dood in 450 de feitelijke macht uitgeoefend over wat er van het West-Romeinse Rijk was overge­bleven. Na dat jaar veranderde er niet veel, want de keizer regeerde nog steeds niet zelf. Vrijwel alles liet hij over aan de eunuch Heraclius. Maar al bekommerde hij zich niet om het wel en wee van het rijk, toch kon hij het ook niet goed hebben dat de veld­heer Aëtius zo succesvol gestreden had op de Catalaunische Velden. Hij kreeg ronduit een hekel aan de gevier­de legeraanvoerder, toen deze de dochter van de keizer als echtgenote voor zijn zoon opeiste. Omdat Aëtius een grote populariteit genoot als ver­dediger en redder van het rijk, durfde hij op deze eis ook niet een krachtig ‘nee’ te laten horen. In zijn hart be­raamde hij daarom boze plannen om de man, die hij als een mededinger voor de keizerskroon beschouwde, uit de weg te ruimen.

Een laffe daad

In 454 begaf Aëtius zich naar het kei­zerlijk hof in Rome om het aanstaan­de huwelijk van zijn zoon met de dochter van de keizer te bespreken. Volkomen onbewust van het gevaar dat hem boven het hoofd hing, trad hij de zaal binnen en vervoegde zich bij de keizer. Deze trok plotseling zijn zwaard en stak het met kracht in de borst van de veldheer. De aanwezi­ge hovelingen stortten zich daarop ook op het slachtoffer en voltooiden het moorddadige werk. Ook een van de trouwe vrienden van Aëtius werd ter plaatse om het leven gebracht. Daarna werden de overige belangrij­ke aanhangers van de legerleider een voor een naar het paleis ontboden en terstond na aankomst vermoord. Va­lentinianus trok zich niets aan van de verontwaardiging onder het volk**) over deze laffe daad. Hij gaf zich weer on­geremd over aan alle genoegens die het luie leven hem te bieden had.

Tuk op vrijerijen

De keizer, altijd tuk op vrijerijen en liefdesavonturen, had zijn oog laten vallen op een bijzonder aantrekkelij­ke en knappe vrouw. Helaas voor hem was ze al getrouwd met de sena­tor Petronius Maximus, en wilde ze niets, maar dan ook niets van zijn toenaderingspogingen weten. Dit prikkelde Valentinianus, die in derge­lijke zaken anders altijd succes had, buitengewoon. Hij wilde zijn zin
krij­gen en nam zich voor niet te zullen rusten voordat hij de vrouw had be­zeten. Die mogelijkheid deed zich voor toen Petronius Maximus bij het spelen met de keizer zoveel geld had verloren, dat hij zijn schuld onmogelijk kon voldoen.
Valentinianus verlangde toen van de nietsvermoedende senator dat hij hem zijn ring als onderpand zou geven. Deze had daar geen bezwaar tegen en overhandigde het kleinood aan zijn tegenspeler.

De heftigste verwijten

Toen Petronius even niet oplette, nam Valentinianus een van zijn be
dienden terzijde en droeg hem op de ring naar de begeerde echtgenote te brengen en haar te bevelen, dat ze zich onmiddellijk naar de keizerin moest begeven. De vrouw aarzelde niet het bevel op te volgen en liet zich in haar draagstoel naar het paleis brengen. Daar voerde men haar naar een stil en afgelegen vertrek, waar ze tot haar stomme verbazing de keizer aantrof. Door de ring van haar man geloofde ze dat het de wens van haar echtgenoot was de keizer ter wille te zijn. Daarom gaf ze toe en liet Valentinianus zijn gang gaan. Thuisgeko­men evenwel barstte ze woedend te­gen haar echtgenoot los en maakte hem de heftigste verwijten dat hij haar in de armen van de keizer had gedreven. Petronius stond perplex toen hij hoorde wat zijn vrouw was overkomen. Hij nam zich heilig voor, de hun aangedane smaad te wreken.

Niemand stak een hand uit

Petronius kwam in contact met twee soldaten die vroeger in het leger van Aëtius hadden gediend. Die maakten inmiddels deel uit van de lijfwacht van de keizer, maar de moord op hun vroegere generaal die zij zo trouw hadden gediend, konden ze moeilijk vergeten. Ze werden dan ook gemak­kelijk door Petronius omgekocht om een aanslag op Valentinianus te ple­gen. Toen die op een keer aanwezig was bij legeroefeningen op het Marsveld, werd hij plotseling door de twee aangevallen en gedood. Niemand waagde het om een hand uit te ste­ken. Kort daarop werd Petronius Maximus door het volk en de Senaat tot keizer gekozen.

Een strooptocht naar Italië

Toen de stadhouder van Africa, Bonifacius, ruzie had gekregen met Placidia, de moeder van Valentinianus, riep hij de hulp in van Genserik, de koning van de Vandalen. Deze ging maar al te graag op dat verzoek in en stak van Spanje naar Africa over. De helper gedroeg zich echter van het be­gin af aan als veroveraar en bleef meteen in Africa wonen. Na de moord op Valentinianus besloot hij tot een strooptocht naar Italië, met als uiteindelijk doel de plundering van het nog altijd rijke Rome. De nieuwe keizer, Petronius Maximus, was geen bijster grote held en bij de nadering van de Vandaalse krijgsmacht zonk hem de moed in de sandalen. Hij gaf de senatoren de raad het vege lijf in een haastige vlucht te redden, maar het volk nam dat niet. Toen hij buiten kwam beko­gelde een woedende menigte hem met stenen, net zo lang tot hij dood was. Daarna werd zijn lijk in de Tiber ge­worpen. Zo eindigde zijn regering, die slechts drie maanden had ge­duurd.

Zelfs het vergulde dak

Genserik trok ongehinderd op naar Rome. Van enige tegenstand of enig verzet was geen sprake. Evenals bij de nadering van Attila werd ook toen paus Leo I ingeschakeld om het drei­gend onheil van de stad af te wenden. Ditmaal boekte hij niet zo veel resul­taat. Hij kreeg van de Vandaalse vorst slechts de toezegging dat Rome niet in brand zou worden gestoken en dat de inwoners niet zouden worden gemarteld of gedood. Daarna drongen de Vandalen de weerloze stad binnen en roofden alles wat los en vast zat. Zelfs het vergulde dak van het Capitool werd naar beneden ge­haald en meegenomen. Veel kunst­werken werden onherstelbaar bescha­digd. Veertien dagen lang duurde het leeghalen van de stad. Het moet ge­zegd worden, Genserik hield woord: er werd geen brand gesticht en de be­woners werd het leven gespaard. Wel werden velen van hen in slavernij weggevoerd, ook keizerin Eudoxia en haar twee dochters.

In verwarring op de vlucht

Na Petronius Maximus volgden er in de korte periode van twintig jaar nog vele keizers. Er waren figuren bij die soms helemaal afhankelijk waren van de legeraanvoerders, maar er waren er ook die probeerden een wat zelf­standiger politiek te voeren. Erg veel stelde dit echter niet voor. Een heel jaar lang is de troon zelfs onbezet ge­bleven. Toen benoemde de keizer van het Oost-Romeinse Rijk in 457 Anthemius tot keizer van het West-Romeinse Rijk. Beide keizers namen het besluit om gezamenlijk de Vandalen te gaan bestrijden, die op steeds brutaler wijze***) met hun vloot de kuststreken teis­terden. Er werd een groot leger en een indrukwekkende vloot bijeenge­bracht en daarmee werd een landing in Africa uitgevoerd. Genserik was daar niet op voorbereid, maar de wei­felachtige houding van de opperbe­velhebber van de Romeinse strijd­macht gaf hem een kans. Het lukte hem het grootste deel van de vijande­lijke vloot in brand te steken. De rest sloeg in verwarring op de vlucht. Zo bleven de narigheden die de kuststre­ken van de Vandalen ondervonden, voortduren.

Lachwekkend

Anthemius kreeg ten slotte ruzie met Ricimer, de opperbevelhebber van de vreemde troepen in Romeinse dienst. Die ruzie liep zo hoog, dat het tot een veldslag tussen beide heren kwam. Anthemius verloor en opnieuw werd Rome het toneel van roof- en plunderpartijen door barbaarse troepen. Tijdens het beleg was de pest in de stad uitgebroken en deze vreselijke ziekte hield ernstig onder de bevol­king huis. Ook Ricimer bezweek er­aan. De keizer van het Oost-Romeinse Rijk benoemde daarop een van zijn familieleden tot keizer van het West-Romeinse Rijk, maar deze werd al na een jaar weggewerkt door Orestes, de bevelhebber van de Hunse en Sarmatische hulptroepen. Orestes plaatste op 31 oktober 475 zijn zoontje te Ravenna op de kei­zerstroon. De knaap heette Romulus Augustus. Zijn naam wees zowel naar de grondlegger van Rome, Ro­mulus, als naar de eerste keizer van het rijk, Augustus. Dat was in wezen natuurlijk lachwekkend, want wat was er van het machtige Romeinse rijk overgebleven? Daarom noemde men het keizertje ook wel Romulus Augustulus, wat ‘Romulus, de kleine Augustus’ betekent.

Koning van de Germaanse volkeren

Er verscheen evenwel een nieuwe ka­per op de kust in de persoon van Odoaker, de aanvoerder van een groot leger waarin verschillende Ger­maanse stammen dienden. Odoaker wilde zich met zijn mensen in Beneden-Italië vestigen, maar Orestes stond hem dat niet toe. Uit de strijd die volgde kwam Odoaker als overwinnaar te voorschijn. Hij liet Romu­lus Augustulus voor de Senaat ver­klaren dat hij afstand deed van de Keizerlijke waardigheid. Zelf wilde hij de keizerstitel ook niet, daar deze immers geen enkele inhoud meer had. Odoaker noemde zich ‘koning van de Germaanse volkeren in Italië’. En met dit feit in 476 wordt het bestaan van het West-Romeinse Rijk als geëin­digd beschouwd.

De geschiedenis ging gewoon door

Het West-Romeinse Rijk was in de loop van de tijd zo gering van om­vang geworden, dat de afzetting van de laatste keizer van het West-Romeinse Rijk maar een onbelangrijk iets in het grote geheel van de gebeurtenis­sen is geweest, zeker voor het Oost-Romeinse Rijk. Dat bestond nog tien eeuwen en kende, behalve tijden van ernstig verval, ook zeker perioden van grote bloei. Terecht kan men zich daarom afvragen of men in 476 wel de oudheid moet laten eindigen en de middeleeuwen moet laten beginnen. Voor West-Europa evenwel was het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk van ingrijpende betekenis, zodat deze indeling wel te verdedigen valt. De geschiedenis ging echter gewoon door en iedere indeling heeft iets ge­dwongens. Maar het is een gemakke­lijk hulpmiddel om het grote geheel overzichtelijk te maken en daarom speelt Odoaker, zonder het te weten, zo’n belangrijke rol in de geschiede­nis.

­*Onmiddellijk onthoofd

Stilicho kreeg van vele van zijn aan­hangers de raad om de zwakke keizer Honorius af te zetten en zelf de hoogste waardigheid op zich te nemen, maar hij aarzelde. Deze besluiteloos­heid werd hem fataal, want toen liet iedereen hem in de steek. Stilicho nam de wijk naar Ravenna en vluchtte daar een kerk binnen. Het was toen een on­geschreven wet, dat iemand die in een kerk het altaar vasthield, niet mocht worden gedood. Onder valse voor­wendsels werd de Vandaal echter naar buiten gelokt en vrijwel onmiddellijk onthoofd.

**Dwars door de strijdenden

De laatste triomftocht die de Romeinse keizer Honorius samen met zijn veld­heer hield, ging gepaard met grote feesten. Eveneens voor het laatst wer­den bij deze gelegenheid gladiatorenspelen gehouden. De christelijke dichter Prudentius deed een beroep op de keizer om de wrede vechtpartijen te verbieden, terwijl de monnik Telemachus tot daden overging. Tijdens de spelen rende hij de arena binnen en liep dwars door de strijdenden om hen te laten ophouden. Dit beviel de toe­schouwers allerminst. Ze stenigden de spelbreker, die daarop door de kerk tot martelaar werd verklaard. Voor Hono­rius was het aanleiding om een wet uit te vaardigen die de gladiatorenspelen verder verbood.

***De rivier werd omgeleid

Het plotseling overlijden van Alarik bracht bij de Goten grote verslagen­heid teweeg. Ze besloten hun grote aanvoerder te eren met een prachtige begrafenis en vooral ook met de zeker­heid dat zijn graf ook in de toekomst ongeschonden zou blijven. Daartoe werd de rivier de Busento in de buurt van de stad Cosentia omgeleid en in de drooggevallen bedding werd het graf gemaakt. Het lijk werd op Germaanse wijze, voorzien van vele kostbaarhe­den van de overledene, bijgezet. Ver­volgens werd de dam verwijderd die de rivier in haar loop stuitte, zodat het water zich boven de laatste rustplaats van Alarik kon sluiten. Alle gevange­nen die het werk hadden verricht wer­den gedood, zodat niemand ooit de plaats zou kunnen verraden. Deze op­zet is geslaagd, want tot nu toe weet niemand waar deze koning van de Go­ten begraven ligt.

****Het zwaard van de oorlogsgod

De Hunnenkoning Attila was in de dagen van zijn volgelingen onoverwin­nelijk omdat hij, naar ze geloofden, hef zwaard van een krijgsgod in zijn bezit had. Eens namelijk had een her­der een stuk jongvee gevonden, dat aan een poot gewond was geraakt. Hij volgde het bloedspoor terug en ontdek­te in het lange gras een ijzeren punt die de grond omhoogstak. Nieuwsgie­rig geworden begon hij te graven en vond een groot roestig zwaard. Hij nam het mee en bracht het naar Attila. Deze luisterde aandachtig naar het ver­haal van de wonderlijke vondst en ver­klaarde dat het een teken van de hemel was. Het zwaard zou van de oorlogs­god afkomstig zijn, die daarmee aan Attila duidelijk wilde maken dat deze oor bestemd was voor de wereldheer­schappij, Het zwaard werd voortaan als een heilig voorwerp beschouwd en genoot een grote verering. Plechtige feesten werden ervoor gehouden en tal van dieren werden ervoor geofferd.

*Goud en edelstenen

De gezanten die in opdracht van de Romeinse keizer naar Attila waren ge­gaan om hem om vrede te vragen, ke­ken hun ogen uit toen ze in de residen­tie van de Hunnenkoning in de Hon­gaarse Laagvlakte waren aangekomen. Alle gebouwen op één na waren van hout en de huizen van de voorname Hunnen waren ongelooflijk rijk ver­sierd. De bevelhebbers van de vorst droegen bonte en opgesmukte kleding. Zelfs op hun schoeisel droegen ze goud en edelstenen. De tafels van de aan­zienlijken waren overladen met gouden en zilveren vaatwerk. Opvallend daar­entegen was de grote eenvoud die Atti­la zelf betoonde, zowel in zijn kleding als ten aanzien van het voedsel dat hij tot zich nam. Dit laatste bestond slechts uit vlees, naar de aloude ge­woonte van de nomadische Hunnen.

**De rechter- en de linkerhand

Keizer Valentinianus liet de moord op de befaamde veldheer Aëtius aan het volk bekendmaken als een  ‘rechtvaar­dige en nuttige daad’. Zijn onderdanen lieten zich echter niet om de tuin leiden en vroegen zich af wie hen op even be­kwame wijze tegen de barbaren moest verdedigen. Een Romein bracht de twijfel over de juistheid van de daad heel goed onder woorden, toen hem door de keizer gevraagd werd hoe hij over de dood van de veldheer dacht: ‘Heer, ik weet niet wat uw overwegin­gen zijn geweest en ook ken ik niet het onrecht dat u is aangedaan. Maar één ding staat voor mij vast en dat is dat u hetzelfde hebt gedaan als iemand die met zijn rechterhand zijn linkerhand heeft afgehakt.’

***Een groot aantal paarden

De aanvallen die de Vandalen na de plundering van Rome in 455 op de kusten van Italië, maar ook op die van Griekenland bleven uitvoeren, droegen een heel bijzonder karakter. De rovers namen namelijk een groot aantal paar­den aan boord van hun schepen. Wan­neer ze ergens aan land waren gegaan, konden ze daarmee snel en diep in het gebied doordringen om hun buit te ver­garen. Voordat de overrompelde men­sen goed en wel beseften wat er aan de hand was, waren de overvallers al weer even snel weggereden als ze gekomen waren. En voordat een behoorlijke te­genstand georganiseerd was, waren de overvallers met hun paarden alweer lang en breed aan boord van hun sche­pen op weg naar nieuwe roofavonturen.

6e klas rome 9

In deze tijd ontstonden prachtige mozaïeken. Ravenna!
Je kunt ze met 6e-klassers maken, (als je de tijd vindt).
In Erziehungskunst 9-82 vind je aanwijzingen hoe.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.

711-648

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-6)

.

JERUZALEM EN ROME

Een ijverige en intelligente leerling

Waarschijnlijk in het jaar 7 voor Chr. werd in een uithoek van het ge­weldige Romeinse rijk een jongetje geboren, dat later door miljoenen mensen als de Verlosser van mens en wereld zou worden beschouwd. Zijn ouders, Jozef en Maria, waren af­komstig uit het stadje Nazareth in Galilea. Ze vertoefden op dat ogen­blik in Bethlehem, iets ten zuiden van Jeruzalem, wegens een door keizer Augustus uitgeschreven volkstelling. Daar vond ook de bevalling plaats, die voorspoedig verliep. De jongge­borene kreeg de naam Jozua, wat ‘God helpt’ betekent. Later werd de­ze naam vergriekst tot Jezus. Terug­gekeerd in Nazareth groeide Jezus voorspoedig op en leerde voor tim­merman, het beroep van zijn vader. Daarnaast werd hij in de traditie van de Farizeeën als een vrome jood
op­gevoed. Dat betekende niet alleen dat hij de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament grondig moest bestuderen, maar ook werd hem bijgebracht dat het belangrijkste in het leven van een jood was dat hij zich aan de Wet hield. Die Wet werd gevormd door de Tien Geboden van Mozes en verder door alle regels en voorschriften voor de manier waarop men moest leven. Jezus moet een ijverige en intelligente leerling zijn ge­weest, want later deed hij de mensen versteld staan over zijn grote kennis van en zijn diepe inzicht in de joodse godsdienst.

Hard en meedogenloos

Toen Jezus ongeveer 30 jaar oud was ging hij naar Johannes de Doper, die als een profeet predikte en opriep tot boete. Johannes doopte de mensen in het water van de Jordaan als een zin­nebeeld van bekering en vergeving. Hij zei hun dat de Messias, de Gezalf­de van God, heel spoedig zou komen om Israël te redden. Zijn boodschap sloeg bij velen aan, want het verlan­gen om onder de druk van de Ro­meinse bezetting uit te komen, was groot. Wel genoten de joden onder de Romeinen beperkt zelfbestuur, maar de boven hen gestelde stadhouders wilden zich zo snel mogelijk verrijken en hun optreden was hard en meedo­genloos. De joodse geest van strijd­baarheid en verzet was echter nog springlevend  en verlangend werd uitgekeken naar de Messias, de man die de leiding van een eventuele opstand op zich zou willen nemen.

Een nieuw rijk van vrede

Ook Jezus liet zich door Johannes dopen en hij werd door hem herkend als de Messias. Nadat Johannes de Doper was gevangengenomen, zette Jezus diens werk voort. Hij trad op als godsdienstleraar en verkondigde dat het Godsrijk nabij was. Veel mensen raakten ervan overtuigd dat hij inderdaad de Messias was die de Romeinen zou verdrijven en een nieuw rijk van vrede en voorspoed zou stichten in Palestina. Jezus sprak evenwel over een geestelijk rijk met een geestelijke heerschappij en niet over een wereldlijk rijk met een we­reldlijke heerschappij. Zijn rijk was ‘niet van deze wereld’, zoals hij zelf zei. Zijn volgelingen konden dat maar moeilijk begrijpen. Eigenlijk begon pas na zijn dood de waarheid die hij gebracht had, een beetje, en dan nog heel langzaamaan, tot hen door te dringen. Met de belangrijkste godsdienstig-politieke groeperingen, de Farizeeën en de  Sadduceeën, kwam Jezus heftig in botsing. Hij moest wel met hen in botsing komen. Met de Farizeeën doordat hij het be­ginsel aanviel dat het zich houden aan de Wet op zichzelf voldoende was. Naar zijn mening was naastenliefde van veel meer belang. Bij de Saddu­ceeën wekte Jezus ergernis op door zijn prediking en door de hoge zede­lijke eisen die hij stelde. Beide partij­en, die anders elkaars felle tegenstan­ders waren, gingen samenwerken om Jezus ten val te brengen. Ze slaagden in hun opzet en aan hem werd de in die tijd veel toegepaste doodstraf vol­trokken door middel van ophanging aan het kruis.

De eerste martelaar

De dood van Jezus had een aantal van zijn volgelingen in verwarring ge­bracht, vooral degenen die hadden geloofd dat hij de leider van het ver­zet en de voorvechter in de strijd te­gen de Romeinen zou zijn. Hun kans kwam pas tijdens de Joodse Oorlog die in 66 na Chr. begon. Niet allen echter bleven bij de pakken neerzit­ten, want ook velen vertelden aan iedereen die het maar horen wilde dat Jezus de Christus – Christos is het Griekse woord voor Messias – wel was gestorven en begraven, maar dat hij op de derde dag weer verrezen was. Hij was echt de Zoon van God en wie in Hem geloofde, zou na de dood terstond het Licht der Waar­heid aanschouwen. In het bijzonder de apostelen verbreidden ijverig het geloof. Dat gaf wel problemen, want het merendeel van het joodse volk voelde niets voor de nieuwe leer en keerde zich fel tegen haar verkondi­gers. Een toespraak die de christen Stephanus hield, maakte de joodse toehoorders zo boos, dat ze de arme man stenigden. Hij werd zo de eerste martelaar in de geschiedenis van de christelijke kerk. Daarna keerde de woede zich tegen de andere christe­nen, die in paniek uit Jeruzalem weg­vluchtten.

Juist tot de heidenen

Aanvankelijk bestond het grootste deel van de gelovige christenen uit jo­den. Het was een punt van discussie onder hen in hoeverre het ook voor heidenen mogelijk was, tot het chris­tendom over te gaan. Sommigen meenden dat niet-joden eerst besne­den dienden te worden en de Wet moesten aanvaarden. Maar anderen vonden dat helemaal niet nodig. Ze richtten zich integendeel juist tot de heidenen. Dat deed in het bijzonder ook Saulus of Paulus van Tarsus. De­ze had eerst tot de fanatieke christen­vervolgers behoord, maar na een visi­oen had hij zich laten dopen. Vervolgens zette hij zich geheel en al in om het Evangelie, de boodschap van Jezus, te verbreiden. Hij bereisde een groot deel van het Romeinse Rijk en dankzij zijn ijver werd het christelijke geloof in de voornaamste steden van Klein-Azië en Griekenland bekend en door velen aangehangen.

Gehaat en veracht

Overal ontstonden kleine christelijke gemeenten, die hechte gemeenschap­pen vormden, want ze werden door joden en heidenen gelijktijdig gehaat en veracht. Binnen de gemeenten ging men met elkaar om in een geest van naastenliefde en in de hoopvolle ver­wachting dat Jezus Christus spoedig zou wederkeren. Alle gemeenteleden werden zonder onderscheid gelijk be­handeld, of ze nu van nederige af­komst of van hoge geboorte waren, arm of rijk, slaaf of meester. Omdat er nog geen kerkgebouwen waren, werden de godsdienstoefeningen bij de gelovigen thuis gehouden. Tijdens zo’n dienst hield iemand een korte preek, werd er gezamenlijk gebeden en werd het avondmaal gevierd. Hoogtijdagen in het geestelijk leven waren Pasen, waarop men Jezus’ lij­den en opstanding herdacht, en Pink­steren, dat aan de uitstorting van de Heilige Geest was gewijd. Mensen die tot het christendom wilden overgaan, werden eerst in de leer onderricht en vervolgens door de doop aangeno­men.

De eerste bisschop van Rome

Ook het bestuur van de gemeenten was in het prille begin van de christelijke kerk heel simpel georganiseerd. Het bestond uit opzichters of bis­schoppen en soms ook wel uit ouder­lingen of presbyters. Deze mannen werden door de gemeenteleden zelf gekozen. Ze oefenden geen uitgespro­ken gezag uit over de gemeente, maar zorgden voor de handhaving van de orde en deden hun best het gods­dienstig leven zoveel mogelijk tot groei en bloei te brengen. Diakenen of dienaars, eveneens op democrati­sche wijze gekozen, waren belast met de zorg voor de armen en de zieken. De eerste bisschop van de kleine christengemeente in Rome is waar­schijnlijk de apostel Petrus geweest. Hij was echter ook vaak buiten Rome werkzaam. In de jaren van de vervol­gingen onder keizer Nero is hij de martelaarsdood gestorven. De rooms-katholieke kerk beschouwt Petrus als haar eerste paus. Jezus im­mers had gezegd dat Petrus de rots was waarop Hij Zijn kerk wilde bou­wen. Maar het zou nog vele eeuwen duren, voordat Rome de voorrangs­positie van het pausdom in de christe­lijke wereld zou verwerven.

De verbreiding van het christendom

Toen Petrus stierf, was Rome dan wel het middelpunt van het geweldige Romeinse Rijk, maar beslist niet het centrum van de jonge christenheid. Het was de stad Alexandrië in Egyp­te, die al vroeg een bloeiende christe­lijke kerk en een christelijke school binnen haar muren had. Van daaruit verbreidde het christelijke geloof zich over heel Egypte en de rest van Noord-Afrika. En daarbij bleef het niet. Ook in Spanje, in Gallië en zelfs in Brittannië gingen mensen door de doop tot het nieuwe geloof over. Het christendom kon zich gemakkelijk en snel verbreiden, niet alleen omdat het Romeinse Rijk een voortreffelijk en bijzonder veilig wegennet had, maar ook dank zij het feit dat vrijwel alle inwoners van deze uitgestrekte staat elkaar heel goed konden begrijpen. Iedereen namelijk sprak en verstond in meer of mindere mate het Grieks, dat wel de internationale taal van de oudheid genoemd kan worden.

6e klas Rome Christendom


Een strakkere kerkelijke organisatie
.
Naarmate het aantal christenen toe­nam begon de organisatie van hun kerk ook strakker te worden. De de­mocratische opvattingen van gelijk­heid begonnen te verdwijnen. Er kwam een duidelijke scheiding tussen de geestelijke stand en de rest van de gelovigen, de leken. De bisschoppen zagen zich meer en meer als de opvol­gers van de apostelen en meenden aanspraak te kunnen maken op eer­bied en gehoorzaamheid. Ook eisten ze het recht op, de lagere geestelijken de wijding te mogen geven. Het ker­kelijk bestuur werd een beetje een af­spiegeling van het wereldlijk bestuur van het Romeinse Rijk. Zo werden de hoofdsteden van de provincies, zoals Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem, de woonplaatsen van de belangrijkste bisschoppen. Deze werden metropo­lieten of aartsbisschoppen genoemd. Omstreeks 180 na Chr. vormde de christelijke kerk, wat haar organisa­tie betrof, een soort bond van ge­meenten met algemeen aanvaarde, vaste regels omtrent godsleer, ere­dienst, ambten en geloofsbelijdenis. Deze hechte organisatie was ook wel nodig, want tal van gevaren, zowel van binnenuit als van buitenaf, be­dreigden de nog altijd kleine gemeen­schap van gelovigen, die later tot een wereldgodsdienst zou uitgroeien.

Vervolging, strijd en zege

De brand van Rome

In 64 na Chr., onder de regering van de beruchte keizer Nero (54-68), brak in Rome de ergste brand uit die men ooit had meegemaakt. Tien van de veertien districten die Rome telde werden in as gelegd. Ontelbare men­sen kwamen om in de vlammen of werden het slachtoffer van de paniek en de chaos die ontstonden. De over­levenden, die ten slotte niet meer wisten wat te doen of waarheen te vluchten, bleven steken op de over­volle landwegen of gingen op de vel­den zitten. Sommigen hadden alles verloren en wachtten als verdoofd op het einde. Nero had gelukkig oog voor de omvang van de ramp en kon­digde maatregelen af om de ergste nood te lenigen. Hij gaf de zwaar ge­troffen mensen toestemming om in bepaalde gebouwen onderdak te zoe­ken en stelde ook zijn eigen parken voor hen open. Voorts liet hij voed­selvoorraden aanvoeren en stelde een heel lage prijs voor het graan vast. Om Rome mooier en grootser te her­bouwen liet hij ontwerpen maken, waarbij extra werd gelet op geriefe­lijkheid en woongenot. Om ook de goden gunstig te stemmen, zorgde hij voor indrukwekkende plechtigheden.

De zondebok

Het valt niet te ontkennen dat Nero niets heeft nagelaten om de nood van zijn onderdanen te lenigen. Maar toch waren die onderdanen niet erg dankbaar en dat kwam omdat er hardnekkige geruchten gingen dat de keizer zelf de brand van Rome had la­ten aansteken. Dat zou hij gedaan hebben om Rome op een schitterende wijze te kunnen herbouwen en zo lof en eer te kunnen oogsten als bouw­meester. Ondanks al zijn ijveren ble­ven de praatjes rondgaan. Of Nero werkelijk schuldig is geweest aan de brand is nu niet meer na te gaan. Feit is echter dat er tijdens de brand ben­des door de stad trokken die overal fakkels in de huizen wierpen en die schreeuwden dat ze daartoe bevel hadden gekregen. Misschien hadden ze ook werkelijk dergelijke orders ge­kresen, misschien zeiden ze dat alleen maar om gemakkelijker te kunnen plunderen. Hoe het ook zij, de keizer kreeg de schuld en hij voelde zich daar steeds ongemakkelijker onder. Daarom zocht en vond hij een zonde­bok: de christenen!

Vreemde verhalen

De aantrekkingskracht die de we­reldstad Rome op bewoners uit het hele rijk uitoefende, heeft ongetwij­feld ook de christenen niet onberoerd gelaten. De geschiedschrijver Suetonius vermeldt dat de joden in 49 na Chr. door de overheid uit Rome ver­bannen werden, omdat ze op aanspo­ring van een zekere Christus zoveel onrust teweegbrachten. Uit deze me­dedeling blijkt overigens duidelijk dat men in die tijd nog geen verschil zag tussen joden en christenen. De christenen hield men eenvoudig voor een joodse sekte. Sinds deze verbanning bleef er een voortdurende arg­waan tegen de christenen bestaan, waarschijnlijk omdat ze zich zo afzij­dig hielden van het gewone Romeinse leven. Vreemde verhalen deden over hen de ronde, onder andere dat ze zich aan kannibalisme schuldig maakten en dat ze bloedschande be­dreven. Nero knoopte bij de bestaan­de afkeer jegens de christenen aan en beschuldigde hen ervan de brand in Rome aangestoken te hebben.

Als levende fakkels

Gevangengenomen christenen beken­den op de pijnbank hun zogenaamde misdrijf en wezen zelfs medeschuldi­gen onder hun geloofsgenoten aan. Massale arrestaties en terechtstellin­gen volgden. Deze werden in het openbaar en bij wijze van vermake­lijkheid voltrokken, opdat iedereen maar goed zou weten dat de christe­nen de ware schuldigen waren en niet keizer Nero. De arme gelovigen wer­den in dierenhuiden genaaid, waarna er wilde, uitgehongerde honden op hen losgelaten werden, die hen in stukken scheurden. Anderen werden gekruisigd of moesten ’s avonds, volgesmeerd met olie en pek en op staken gestoken, als levende fakkels de keizerlijke tuinen verlichten. De schouwspelen in het Circus konden de mensen niet echt boeien, want ze hadden eigenlijk medelijden met de christenen, die gestraft werden voor iets wat ze niet gedaan hadden.

Vaak overdreven

Het wrede optreden zoals van Nero tegen de christenen was tot in de 3 e eeuw gelukkig een uitzondering. Meestal werden alleen de belangrijke leden van de christengemeente gear­resteerd en gestraft. In de geschiedenis van de christelijke kerk worden tien christenvervolgin­gen vermeld, van de tijd van Nero tot aan het begin van de 4e eeuw. De overgeleverde berichten komen vrij­wel uitsluitend van christelijke ge­schiedschrijvers en het staat vast dat deze 
hun verhalen vaak hebben over­dreven en dat ze soms ook weliswaar mooie, maar onware zaken vermel­den. Hierbij hoeft overigens helemaal geen boze opzet in het spel te zijn ge­weest. Het was nu eenmaal een tijd van bekering en hoopvolle verwach­ting. Daarbij was men snel te zeer ge­neigd tot kritiekloos aanvaarden van alles wat het christelijk geloof verhief en wat het heidendom vernederde. Onder keizer Decius (249-251) wer­den de christenen een korte tijd hevig vervolgd. Ook onder Valerianus (253-260) hadden ze het lang niet ge­makkelijk. De zwaarste vervolgingen echter vonden plaats onder Diocletianus (284-305).

Een staat in de staat

Aan het eind van de 3e eeuw bekeer­den velen zich tot het geloof van Jezus Christus. Vele ambtenaren, ho­ge en lage, maar ook talloze officie­ren en soldaten waren of werden christen. In vele steden werden nieu­we kerkgebouwen neergezet. De tijd leek niet meer veraf dat het christen­dom de heersende godsdienst van het Romeinse Rijk zou zijn. Keizer Dio­cletianus, die zich op Oosterse wijze bijna als een godheid liet vereren, kon maar moeilijk verkroppen dat de vele onderdanen die christen waren, aan die verering weigerden mee te doen. Bovendien vormden de christe­nen met hun eigen kerkelijke organi­satie en hun eigen regels en voor­schriften als het ware een staat in de staat. Dit strookte beslist niet met het absolute gezag dat de keizer voor zichzelf opeiste. Daarom werd het in­strument van het keizerlijke gezag, het leger, het eerst aangepakt. In 298 werd het hele leger van christenen ge­zuiverd. De christenen onder de mili­tairen moesten hun geloof afzweren of de dienst verlaten. Velen gaven de voorkeur aan het laatste!

6e klas Rome Christendom 2

Een van de zwaarste perioden

In 303 werd in Nicomedië onder leiding van Diocletianus een raadsver­gadering van hoge ambtenaren en of­ficieren belegd. Bij deze gelegenheid werd besloten tot een algemene ver­volging van de christenen, in het hele rijk. Nog geen maand later drongen plunderende troepen van de keizer hoofdkerk van Nicomedië binnen en sloegen alles kort en klein. De dag daarop vaardigde Diocletianus zijn wetgeving tegen de christenen uit en begon één van de zwaarste perioden voor de jonge christenheid. Alle ker­ken in het hele rijk moesten afgebro­ken worden. De kerkelijke eigendom­men werden van staatswege in beslag genomen. Godsdienstige bijeenkom­sten werden verboden op straffe van de dood. Christenen was het niet lan­ger toegestaan ambten en erefuncties te vervullen. Het werd zelfs verboden om slaven, die het christendom aan­hingen, vrij te laten. In het grootste deel van het Romeinse Rijk werden de gelovigen gevangen genomen en voor de rechters ge­bracht. Die hadden toestemming om iedere aanklacht tegen een christen voor waar aan te nemen en mochten de pijnbank gebruiken om bekente­nissen af te persen. Velen, zeer velen, verloren lijf en goed in die tijd.

Allerlei ongedierte

In 305 trad Diocletianus als keizer af. Hij trok zich terug op het lustslot dat hij te Salona in Dalmatië had laten bouwen. Daarmee waren de vervol­gingen in het oosten van het Romein­se Rijk evenwel nog niet afgelopen. Daar werden in 306 en in 308 op­nieuw wetten tegen de christenen uit­gevaardigd, die zo mogelijk nog har­der waren dat die uit 303. Wederom stierven velen de martelaarsdood. Toch kwam ook aan deze zware be­proeving een einde. In 311 vaardigde Galerius, inziende dat de bestrijding van het christendom een zinloze be­zigheid was, het Tolerantie Edict of Verdraagzaamheids Edict uit. Voor het eerst in de geschiedenis werden de christenen hiermee officieel toe­gestaan hun geloof aan te hangen en godsdienstoefeningen te houden. De keizer eindigde het edict zelfs met de hoop ‘dat onze zachtmoedigheid de christenen ertoe zal brengen om
zo­wel voor ons geluk en heil als voor dat van henzelf en dat van de staat tot hun God te bidden’. Veel heeft het hem overigens niet geholpen, want hij stierf kort daarop aan een vreselij­ke ziekte, overdekt met walgelijke zweren waaruit, volgens de christelij­ke geschiedschrijvers, nog bij zijn le­ven allerlei ongedierte kroop…

‘In dit teken zult gij overwinnen’

Na de dood van Galerius waren er weer vier keizers om het uitgestrekte rijk te besturen, zoals Diocletianus destijds had bepaald. Van enige sa­menwerking tussen de heren was nochthans geen sprake. Ieder streefde er in tegendeel naar, zijn eigen macht ten koste van de anderen te vergro­ten. Tussen Constantijn die door de soldaten van Brittannië tot keizer uit­geroepen was, en Maxentius die te Rome zetelde, brak een regelrechte oorlog uit. Constantijn trok over de Alpen Italië binnen en wist menige overwinning op de legers van Maxen­tius te behalen. Langzaam rukte hij op naar Rome, waarbij hij zich verze­kerde van de hulp van de christenen. Mogelijk onder hun invloed zou Con­stantijn tot hun God gebeden hebben om hulp in de strijd tegen Maxentius. Toen zou het wonder gebeurd zijn dat de christelijke geschiedschrijvers in alle ernst en als de volle waarheid meedelen. Op klaarlichte dag zagen zowel Constantijn als zijn soldaten boven de zon het teken van het kruis verschijnen met daaromheen de woorden: ‘In dit teken zult gij over­winnen’. En ’s nachts verscheen Christus aan de keizer in een droom en zei hem dat hij het teken van het kruis in zijn vaandel moest gaan voe­ren. De volgende dag liet Constantijn inderdaad zijn leger onder het kruis­teken optrekken. Bij de Milvische Brug over de Tiber behaalde hij een klinkende overwinning op Maxentius (oktober 312). Het jaar daarop werd het Tolerantie Edict van Galerius be­vestigd. Gewoonlijk noemt men dit het Edict van Milaan (313).

Pas op zijn sterfbed

Met Constantijn was er een keerpunt in de geschiedenis van de christelijke kerk gekomen. Was deze tot dan toe een vervolgde of maar net getolereer­de instelling, toen werd de kerk een door de overheid beschermde en zelfs sterk bevoorrechte instelling. Met een eenvormige godsverering hoopte Constantijn zijn eigen positie en die van het rijk aanzienlijk te versterken. Daarom stond hij de bisschoppen grote voorrechten toe en gaf hij de geestelijkheid het oppertoezicht over de scholen. De geestelijken werden van staatswege bezoldigd en mochten krachtens een wetsbepaling van 321 zelf goederen bezitten en erfenissen aanvaarden. De voorrechten die de keizer aan de kerk verleende waren natuurlijk niet voor niets. Via de geestelijkheid kon het staatshoofd de grote massa van het volk beheersen en dat bevestigde metterdaad zijn eigen absolute macht. Het kostte de kerk ook een stuk vrijheid en onaf­hankelijkheid, want Constantijn be­moeide zich ook met allerlei kerkelij­ke zaken. Ketterse bewegingen binnen de kerk vervolgde hij. Hoezeer hij de kerk als een machtsinstrument zag, blijkt wel uit het feit dat hij zelf nooit tot het christendom is overge­gaan, maar zijn kinderen wel een christelijke opvoeding liet geven. Zelf zou hij zich pas op zijn sterfbed heb­ben laten dopen.

De afvallige keizer

Nog slechts één keizer is er geweest die geprobeerd heeft de klok terug te draaien, door te proberen het heiden­dom in ere te herstellen. Het was Julianus (360-363), die dan ook de bijnaam ‘de Afvallige’ heeft gekregen. Deze keizer had een christelijke opvoeding genoten, maar hij was er blijkbaar niet erg diep door beïnvloed. Zijn grote belangstelling en bewondering gingen uit naar de vroegere Romeinse republiek met haar idealen van deugdzaamheid, eenvoud, dapperheid en vaderlandsliefde. Als keizer joeg hij de hele stoet van dienaren en andere nutteloze hovelingen het paleis uit. Hij leidde voortaan een uiterst sober, zelfs karig bestaan. Zijn leefwijze was die van een cynicus, dat is een wijsgeer die helemaal ‘natuurlijk’ wil zijn, los van alle be­hoeften van de beschaving. Hij dreef zijn manier van leven zó ver door, dat hij ook zijn lichaamshygiëne verwaarloosde. Met trots sprak hij over zijn vuile handen, zijn lange nagels en zijn ruige en dichtbevolkte baard. Het is te begrijpen dat iemand die zo ’n voorliefde voor de oude Romeinse cultuur koesterde, ook de heidense godsdienst een warm hart toedroeg. Dat geeft mede een verklaring voor zijn afkeer van het christendom.

ruzie en geharrewar

In de korte periode dat Julianus geregeerd heeft – één jaar en acht maan­den – is het gelukkig niet tot een echte christenvervolging gekomen. Wel heeft hij tal van maatregelen tegen de christelijke kerk afgekondigd. De heidenen werden voortaan weer ge­lijkgesteld aan de christenen, wat be­tekende dat ze ook weer ambten mochten bekleden. Aan de christenen werd het verboden in het vervolg op te treden als leraren in de welspre­kendheid en in de taalkunde. De hei­dense tempels die door ijverige chris­tenen waren gesloopt, moesten weer worden herbouwd – op kosten van de slopers!
In een veldtocht tegen de Perzen sneuvelde Julianus de Afvallige. Hij was beslist geen slecht bestuurder ge­weest, maar hij had in feite zijn eigen tijd niet begrepen. De christenen her­ademden en hervatten weer vol vuur hun geruzie en geharrewar over vele geloofspunten. Maar dat de christe­lijke kerk zou voortbestaan, was in ieder geval duidelijk.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.

 

706-644

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – alle artikelen

.

6e klas geschiedenis
.

[1]  Vakkenintegratie met het vak Engels
Julius Caesar in Roman Britain 

[2-1]  Spelletjes in Rome
Een aantal spelletjes uit de Romeinse tijd die ook door de leerlingen kunnen worden gespeeld.

[2-2] Geld in Rome
Over het ontstaan van geld; hoe het werd gemaakt; namen van Romeinse munten; verklaringen van woorden, o.a salaris, money, geld stinkt niet; voorbeelden van munten en wat er precies op staat.

[3] Vertaling van LindenbergGeschichte lehren‘:
6e klas; overzicht van de lesstof

Uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus

[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers

[3-3]  Hannibal    zie ook [11]  op deze pagina
[3-3/1] Hannibal

[3-4] De Cracchen
Ontstaan slavernij in Rome; invloed van proletariërs ‘kroostbezitters’; invloed van Cornelia; Licinische wetten; veto; in de context nog iets over senaat, tribuun, consul.

[3-5] Julius Caesar    zie ook [10-2]
Julius Caesar 
Julius Caesar

[3-6] Jeruzalem en Rome

[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome

[3-7/1] Attila

[4-1] Mohammed

[4-2-1] Anne Bakker over: de islam in de 6e klas, als onderdeel van een bredere visie: de islam in het vrijeschoolonderwijs.

[4-2] Franken

[4-3] Karel de Grote

[4-4] Karolingen

[5-1Heilige Romeinse Rijk; Otto 1

[5-2] Otto 1

[5-3] Gregorius VIl

[6-1] Kruistochten: 1e

[6-2] Andere kruistochten en de gevolgen

[7-1] Monniken en kloosters

[7-2] Adel, boeren, ridderschap

[7-3] Steden

[8-1] Hoe ga je te werk: levendig vertellen

[9-1] Het ontstaan van Rome
Zie ook: [3-1]

[10-1] Romeinen in de Nederlanden
[10-2] Julius Caesar in de Nederlanden

[11] Carthago

[12-1] Romeins soldaat (kleding); centurio; gevangenis – Carcer Mamertinus); gesel

[12-2] Romeins legerkamp

[13-1] Romeinse keizers
N.a.v. een boekbespreking ‘Heersers over het Romeinse Rijk – Mary Beard -: de beeltenissen van de keizers: Augustus, Caligula, Claudius, Domitianus Elagabalus, Hadrianus, Julius Ceasar, Marcus Aurelius, Nero, Nerva, Septimus Severus, Tiberius, Titus, Trajanus, Vespasianus.

.

Alexander de Grote

Keizer Augustus

Constantijn 1 de Grote

Justinianus 1 de Grote

ILLUSTRATIES:
Op Pinterest [1]   [2]
.

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas geschiedenis

.

705-643

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-5)

.

JULIUS CAESAR  (100 – 44 v. Chr)
.

Caesar weigerde zijn vrouw te verstoten

Na de dood van Sulla werd het poli­tieke leven van Rome bepaald door drie mannen. De belangrijkste van hen zou Gaius Julius Caesar blijken te zijn.

Hij werd in 100 of 101 v. Chr. gebo­ren en behoorde tot een van de meest vooraanstaande Romeinse families. Als iets hem onderscheidde van zijn medemensen, dan was het wel zijn wilskracht. Zoals hij het wilde, moesten de dingen gebeuren.
Suetonius geeft er in zijn boek ‘Het leven van de twaalf keizers’ (van Caesar en de elf eerste keizers) verschillende voorbeelden van.
Hij vertelt bijvoor­beeld hoe een priester eens waarschuwde dat de ingewanden van het offerdier ongeluk voorspelden en hoe Caesar antwoordde: ‘Als ik dat wil, voorspellen ze geluk!’ Hij toonde zijn wilskracht al heel jong. Op een zekere dag vaardigde Sulla het bevel uit dat allen die door hun huwelijk banden met de partij van Marius of Cinna hadden, hun vrouwen moesten wegsturen. Caesar, toen pas 19 jaar oud, weigerde te ge­hoorzamen. Hij hield zijn Cornelia, Cinna’s dochter, bij zich. Hiermee liep hij een enorm risico. Het kwam Sulla ter ore dat de jonge Julius Cae­sar zijn bevel niet had opgevolgd en hij was hierover zéér ontstemd. ‘Laat hem maar,’ zeiden zijn vrien­den, ‘het is nog maar een jongeman.’ Maar Sullla getuigde van veel men­senkennis, toen hij opmerkte: ‘Jullie zijn niet slim. In deze slechtgeklede knaap steekt méér dan een Marius!’ Toen deze woorden aan Caesar wer­den overgebracht, leek het deze toch beter voor een tijdje uit Rome te ver­dwijnen…

Ik ben veel meer waard!

Korte tijd later ging de jonge patriciër Julius Caesar naar het Griekse eiland Rhodos om daar welsprekendheid te studeren. Voor een politieke loop­baan was de beheersing van de wel­sprekendheid nu eenmaal een eerste vereiste. En van niemand kon je het  spreken zo goed leren als van de Grie­ken. Daarom gingen vele rijke jonge­mannen een poosje in Griekenland studeren.

Maar Caesar kwam niet zonder avonturen op Rhodos aan. Onderweg werd hij door zeerovers gevangengenomen. Ze deelden hem mee dat ze 20 talenten losgeld voor hem gingen vra­gen. Caesar schoot in de lach, toen hij dit hoorde. Want hij vond dat hij veel meer waard was. ‘Vraag maar gerust vijftig,’ zei hij spottend. Die vijftig talenten van toen staan ge­lijk met 1.200.000 gulden [500.000 euro]. Caesar zond zijn dienaren terug naar Rome om het geld te gaan halen. Hij bleef alleen bij de zeerovers achter. Dat was niet ongevaarlijk, omdat deze hun gevangenen niet zelden ter dood brachten. Zo bracht Caesar 38 dagen met hen door. Hij deelde hun ruwe leven en ’s avonds las hij hen de gedichten voor die hij maakte. De zeerovers kwamen onder de indruk van zijn krachtige persoonlijkheid. Ze geloofden hem echter niet, toen hij beweerde dat hij, eenmaal vrijge­komen, terug zou komen en hen alle­maal zou laten kruisigen. Ze namen die woorden niet ernstig. Maar toen het losgeld aankwam en Caesar werd vrijgelaten, huurde hij schepen om de zeerovers op te sporen. Hij vond hen en liet allen die hij gevangen kon nemen zonder uitzondering kruisigen zoals hij beloofd had. Pas daarna reisde hij naar Rhodos om zijn studie te beginnen!

Schulden

Weer in Rome teruggekeerd, ging Caesar werken aan zijn politieke loopbaan. Hij behoorde tot de Populares, de Volkspartij van Marius. Dat viel ook wel te verwachten, omdat zijn vrouw een dochter was van Cinna, een aanhanger van Marius. En tevens omdat hijzelf een neef van Marius was. Caesar viel van jongs af aan in de smaak bij het volk door zijn vrijgevigheid. Hij liet bv. grote gladiatorengevechten houden. Daarbij stak hij zich wel in de schulden. Hij had het aan zijn vriendschap met de rijke Crassus te danken dat hij niet in moeilijkheden kwam. In noodgevallen wilde Crassus wel borg voor hem staan. In 69 v. Chr. begon Caesar als quaestor in Spanje. Daarna doorliep hij nog een aantal ambachtelijke rangen in Rome. In 63 v. Chr. spreken, omdat hij zich verzette tegen de terechtstelling Catilinariërs. Wat was er gebeurd?

De samenzwering van Catalina

Marcus Tullius Cicero was een groot bewonderaar van het vroege Rome en hij nam stelling tegen iedereen die de oude wetten wilde negeren. Zo kwam hij in het kamp van de Optimaten te­recht, de Senaatspartij. In het jaar 63 werd Cicero consul. Twee jaar eerder had hij een samenzwering ontdekt om de regering omver te werpen. Hij beweerde dat dit complot nog steeds bestond. De leider van de samenzweerders was Catalina, een wrede, woeste figuur die in het troebele water van de strijd tussen Marius en Sul­la zeer voordelig gevist had. Hij was nu bezig in de buurt van het huidige Florence troepen samen te trekken, waarmee hij Rome wilde binnenvallen. Op zijn barbaarse programma stonden het doden van Cicero en ver­scheidene senatoren, alsmede het in brand steken van de stad. In een aan­tal meesterlijke redevoeringen wees Cicero de Senaat op het dreigende gevaar. Eerst had hij nog geen bewijzen. Maar toen meldden zich enige Gallische gezanten bij hem. Ze vertel­den hem dat Catalina hun stam had willen omkopen om tegen Rome op te trekken. Toen kon hij zijn beschuldi­gende redevoeringen met een prachtig vuurwerk laten eindigen. Iedereen prees hem om zijn waakzaamheid. De consul had het recht het doodvon­nis over de reeds gearresteerde sa­menzweerders uit te spreken. Cicero maakte hier echter geen gebruik van. Hij vroeg de Senaat hem raad te ge­ven. Het bleek dat de meningen zeer uiteenliepen. Julius Caesar was genadig en wilde de samenzweerders tot levenslange gevangenisstraf veroor­delen. Maar Cato, een achterklein­zoon van de man die eens op de ver­woesting van Carthago had
aange­drongen, eiste de doodstraf en wist de meerderheid op zijn hand te krijgen.

Het volk morde en riep om de ter­doodbrenging van de Catalinariërs. ‘Zij zijn dood,’ zei Cicero dan ook, toen hij de vergaderzaal verliet en de menigte hem vroeg wat er met de sa­menzweerders zou gebeuren. Hij liet de vijf voornaamste Catalinariërs te­rechtstellen. Catalina zelf was naar Etrurië gevlucht, maar werd enige maanden later in een gevecht gedood. Zijn aanhangers sneuvelden tot de laatste man.

Het Eerste Driemanschap

In 61 v. Chr. zat Caesar zó diep in de schulden, dat hij maar weer naar Spanje ging om daar zijn financiën te verbeteren. Hij mocht Rome echter alleen verlaten omdat de rijke Crassus borg voor hem stond. Caesar be­perkte zich ditmaal niet tot ambtelij­ke bezigheden, maar ontpopte zich als een bekwaam veldheer. Verschei­dene gebieden die nog niet door de Romeinen veroverd waren, wist hij aan de provincie toe te voegen. Bin­nen een jaar schraapte hij bovendien zoveel rijkdommen bijeen, dat hij al zijn schulden kon betalen. Toen hij terugkwam in Rome, wilde hij een triomftocht houden. Daarvoor moest hij buiten de stad blijven tot hij toestemming had gekregen. Maar hij wilde zich ook kandidaat stellen voor het consulschap en daarvoor moest hij juist in de stad zijn! Hij liet daarom zijn triomftocht maar varen om zich in Rome kandidaat te kunnen stellen.
De hele Adelspartij was hem echter vijandig gezind, wat betekende dat hij niet tot consul zou worden geko­zen… Maar met de steun van Crassus en Pompejus – een van de vroegere officieren van Sulla – wist hij de be­geerde positie toch te verkrijgen. Hij sloot toen met zijn vrienden een ge­heim verbond. Later heeft men dit wel het Eerste Driemanschap ge­noemd. De vijanden van het verbond noemden het overigens ‘het driekop­pig monster’.

Een heel bijzondere brandweer

Crassus was zo rijk geworden, omdat hij op het idee was gekomen een brandweer op te richten. Een heel bij­zondere brandweer… In Rome, met zijn hoge etagewonin­gen en zijn nauwe, volle straten, was het brandgevaar bijzonder groot. Maar zodra de kreet ‘Brand!’ weer­klonk, was Crassus ter plaatse. Ter­wijl zijn brandweerlieden zich gereed maakten om het vuur te lijf te gaan, zocht hij de eigenaar van het pand op. Hij bood er een prijs voor die zeer laag lag, maar toch net iets hoger dan de waarde van het huis als het af­gebrand zou zijn. Ging de eigenaar niet op zijn bod in, dan haalde hij zijn schouders op en liet hij de vlammen hun vernielende werk doen. Maar aanvaardde de eigenaar zijn bod, dan spoorde hij zijn brandweer­lieden aan de brand snel te blussen. Vervolgens knapte hij het huis op en verkocht het met een grote winst… Omdat er geen tweede brandweer in Rome was, had Crassus herhaaldelijk succes met zijn afpersingspraktijken. Hij vergaarde een groot fortuin. Al spoedig beheerste hij het Romeinse zakenleven. Met zijn fortuin kocht hij stemmen. Hij leende zijn geld na­melijk uit, en wanneer iemand hem niet op tijd terug kon betalen, zei hij: ‘Dat geeft niet, zolang je maar op mij stemt.’
Crassus wilde graag een groot bevel­hebber en heerser worden. Van al zijn dromen kwam helaas weinig terecht. Maar één keer kreeg hij de gelegen­heid de held te spelen. Dat was bij de opstand van de slaven, onder leiding van de gladiator Spartacus.

Zij die gaan sterven, groeten U!

De Romeinse gladiatorengevechten stamden af van het Etruskische ge­bruik om bij begrafenissen een aantal zwaardvechters tegen elkaar te laten strijden. Later werd dit een volksver­maak. Krijgsgevangenen, slaven en misdadigers werden gedwongen om in de arena op leven en dood met el­kaar te vechten.

Hoewel ‘gladiator’ is afgeleid van ‘gladius’, het Latijnse woord voor ‘zwaard’, kreeg het publiek ook an­dere wapens en andere strijdmethoden te zien. Sommige gladiatoren moesten de tegenstander met een net proberen te vangen. Daarna doodden ze hem met een drietand, die ze in de andere hand hielden. Het kwam ook voor dat de gladiatoren slechts gewa­pend waren met een lasso, waarmee ze de tegenstander wurgden, zodra ze hem te pakken hadden gekregen. De voorstelling begon altijd met de intocht van de gladiatoren. Wanneer de keizer of een andere prominent aanwezig was, maakten de vechters hun opwachting met de woorden: ‘Zij die gaan sterven, groeten U!’ Dan kon de strijd een aanvang ne­men. Als een strijder zwaar gewond werd, riep het volk: ‘Habet!’ (Hij heeft hem!). De gevallen gladiator kon in dit geval zijn hand opheffen en daarmee om genade vragen. Het hing vooral van de stemming van de keizer of het publiek af of hij gespaard werd. Beslissend daarbij was of hij goed gestreden had of niet. De keizer balde zijn vuist als de gladi­ator mocht blijven leven, en stak zijn duim omlaag als hij moest sterven. In het laatste geval ontving de gladiator de genadestoot van de collega die hem geveld had.

De opstand van de slaven en gladiatoren

Voor de wrede gladiatorensport waren natuurlijk steeds nieuwe, getrain­de vechtersbazen nodig. Een van de opleidingscentrums bevond zich in Capua. Daar brak in 73 v. Chr. een opstand uit. Zeventig gladiatoren wisten zich te bevrijden. Op straat ge­komen, plunderden ze een winkel waar mensen te koop waren. Als hun aanvoerder wierp zich Spartacus op. Spartacus was als vrij man geboren in Thracië, het tegenwoordige Roeme­nië. Omdat hij gedeserteerd was uit het Romeinse leger, was hij als slaaf in de gladiatorenschool terechtgeko­men. Maar nu had hij zijn vrijheid te­rug, en hij was niet van plan deze weer te verliezen! Doordat zich vele weggelopen landbouwslaven bij hem voegden en zijn rebellenleger uit­groeide tot 70.000 man, kon hij tot tweemaal toe de op hem afgestuurde Romeinse legers verslaan die uitge­zonden waren om hem te bedwingen.
Intussen drong hij op naar het noor­den, in de hoop dat hij over de Alpen zou kunnen ontkomen en zijn ge­boorteland weer zou kunnen berei­ken. Maar zijn volgelingen bleven lie­ver roven en moorden in Italië. De discipline in het slavenleger was ver te zoeken. Toen trok Spartacus naar het uiterste zuiden van het schiereiland, waar de rijke generaal Crassus zich met hem kwam meten. Nog eenmaal versloeg Spartacus de Romeinse troe­pen. Maar de volgende keer moest hij het onderspit delven. Toen hij in 71 v. Chr. tegenover het leger van Cras­sus stond, doodde hij zijn paard om daarmee te kennen te geven dat hij niet zou vluchten. Zijn aanhangers waren echter minder dapper en lieten hem in de steek. Hij werd door een speer getroffen en vocht nog moedig door. Maar ten slotte zakte hij ineen. De meeste aanhangers van Spartacus vonden tijdens deze veldslag eveneens de dood. En met hetgeen er nog over was van zijn leger, rekende de veld­heer Pompejus af tijdens een felle drijfjacht.
Als afschrikwekkend voorbeeld wer­den zesduizend gevangen slaven langs de Via Appia gekruisigd.

Hoe de Provence aan zijn naam kwam

In het jaar dat Caesar consul was, maakte hij vooral wetten die hem ver­zekerden van de steun van het volk. Zo kwam er een wet die toewijzing van land aan gepensioneerde soldaten regelde, en een andere wet voor de uitdeling van graan. Na afloop van zijn consulaat vroeg Caesar aan de Senaat of hij gouverneur van de provincie Gallië mocht worden. Zoiets was gebruikelijk. Maar niet normaal was dat hij het ambt voor de duur van vijf jaar wilde hebben, in plaats van voor één jaar. De Senaat was evenwel bang voor zijn invloed en vond het niet zo’n slecht idee dat hij voor een tijdje van het toneel verdween. Daarom ging men op zijn verzoek in. De jaren in Gallië vormen één lange reeks verove­ringen en overwinningen. Caesar be­schreef ze zelf in zijn boek ‘Over de Gallische Oorlog’. Het is geen bescheiden boek, omdat hij het ge­bruikte om propaganda voor zijn ei­gen persoon te maken. Er waren twee Gallische gebieden: Cisalpijns Gallië dat samenviel met de Povlakte, en Transalpijns Gallië, dat ruwgezegd Zuid-Frankrijk om­vatte. In de tijd dat ze zich Iberië (Spanje) toe-eigenden, hadden de Ro­meinen het zuidoostelijk deel van Frankrijk bezet. Want dat was de toegangsweg naar Spanje. Ze noem­den dit gebied vaak kortweg ‘de pro­vincie’ en daaruit is de huidige naam Provence’ ontstaan. De rest van het latere Frankrijk werd in de jaren 58 -50 v. Chr. door Caesar veroverd.

Belgen – de dappersten onder de Galliërs
.
De Romeinen kwamen aanvankelijk altijd – of het nu oprecht was of niet -te hulp en dat deed Caesar nu. Een Gallische natie riep zijn hulp in tegen Germaanse stammen die vanuit het oosten opdrongen. Welwillend dreef Caesar eerst het Gallische volk van de Helvetiërs, dat vanuit Zwitserland op de vlucht was, terug. Daarna joeg hij de oprukkende Germanen met hun aanvoerder Ariovistus terug over de Rijn. Hij bezette meteen elk gebied dat hij doortrok. Door deze succes­sen kreeg Caesar de smaak van het veroveren te pakken. In 57 en 56 v. Chr. veroverde hij geheel Frank­rijk en delen van de Nederlanden be­zuiden de Rijn. Deze gebieden wer­den allemaal tezamen Gallië genoemd en de bewoners Galliërs. Verreweg de meeste weerstand bood het Gallische volk van de Belgen. Toen Caesar bij de rivier de Sambre in de Ardennen door de stam der Nerviërs werd aangevallen, leek het even of hij zou gaan verliezen. Als hij niet – zo vertelt hij tenminste zelf -een schild had gegrepen en zijn mannen was voorgegaan in het gevecht, dan zouden de Romeinen misschien nooit noordelijker gekomen zijn. Met een zeker ontzag noemt Caesar de Belgen dan ook ‘de dappersten onder de Galliërs’.

De Rijngrens in Nederland

In de Nederlanden hebben de Romei­nen zich nog even ten noorden van de Rijn vertoond. Er is een ogenblik ge­weest dat ze bijna het hele Nederland­se grondgebied beheersten. Maar de Rijndelta bestond uit moeilijk toe­gankelijke gebieden en de Friezen maakten het hun te moeilijk. Ze wa­ren gedwongen de Rijn voorgoed als grens te aanvaarden. Langs deze na­tuurlijke grens bouwden ze een reeks sterkten, zoals Noviomagus (Nijme­gen), Fectio (Vechten) en Praetorium Agrippinae (Valkenburg-Z.H.), wel­ke door een weg verbonden waren. Hier, bij deze Nederlandse plaatsen, eindigde dus het onmetelijke Ro­meinse Rijk! In de Zuidelijke Neder­landen legden de Romeinen ‘villae’ (herenboerderijen) aan, waarvan de eigenaars behalve aan landbouw ook aan nijverheid deden. Door de aanleg van wegen werd dit gebied voor de Romeinse handel ontsloten. Op de knooppunten van deze wegen ont­stonden steden, zoals Atuatuca Tungrorum (Tongeren) en Orolaunum (Aarlen).

Landing in Engeland

Caesar moest in 56 v. Chr. even terug naar Italië om ervoor te zorgen dat hij zijn greep op de politiek aldaar niet verloor. Hij verlengde zijn geheime verbond met Crassus en Pompejus en hij sprak met hen af dat zij tweeën het eerstvolgende jaar consul zouden worden en dat hij nog vijf jaar in Gallië zou blijven. Eigenlijk koesterde Caesar nog grotere plan­nen. Kooplieden hadden hem verteld dat in Engeland tin en lood in de aardbodem aanwezig waren en dat de edelstenen er voor het oprapen lagen. Maar bovenal wilde hij naar Brittannië om er de inwoners de omvang van zijn macht te tonen. Caesar was beze­ten van macht. In het jaar 55 v. Chr. stak Caesar met 80 schepen en 80.000 man naar Engeland over. Hij landde bij het tegenwoordige plaatsje Deal. De invasie verliep moeilijk. Toen men de barbaren eindelijk had terug­geslagen, bleek dat er maar weinig buit in dit land te behalen viel. Toch deed Caesar het volgende jaar nog een tweede aanval, ditmaal met 800 in plaats van 80 schepen. Het succes was nauwelijks groter. Pas in 43 na Chr. zou onder keizer Claudius het zuidelijk deel van Engeland veroverd worden. Voordat de grens van het Romeinse Rijk in Schotland kwam te liggen, zouden nog dertig jaar ver­strijken. In 122 na Chr. liet keizer Hadrianus in Schotland de bekende Hadrianuswal aanleggen, een grens-wal tegen de barbaarse Schotten.

Caesar en Vercingetorix

In Gallië was Caesars taak nog niet geëindigd, want in 52 v. Chr. kwa­men zuidelijke stammen in opstand tegen de Romeinse overheersing. Hun leider was Vercingetorix. Omdat hij Caesar veel last bezorgde, is hij sindsdien vereerd als een nationale beid van Frankrijk. Toen Vercingeto­rix zich in de stad Gergovia [in de buurt van Clermont-Ferrand] in Auvergne verschanste, lukte het Caesar niet de stad te veroveren. De eerste keer dat een Gallische stad sterker was dan hij! Deze vernederende gang van za­ken leek zich even later te gaan herha­len in Alesia, niet ver van het huidige Dijon. Vercingetorix had zich daar verschanst en hij was erin geslaagd boodschappers dwars door de Ro­meinse linies te zenden om andere stammen te hulp te roepen. Vier da­gen lang zag het er voor de Romeinen somber uit. Maar ten slotte kregen ze toch de overhand. Om zijn leger te redden gaf Vercingetorix zich over en wierp zich aan de voeten van Caesar. Maar dit opofferende gebaar was niet aan Caesar besteed. Hij zond Vercingetorix als gevangene naar Rome en zes jaar later, op de dag van zijn triomftocht, liet hij hem wurgen.

De teerling is geworpen

Terwijl Caesar in Gallië roem voor zich zelf en voor zijn land behaalde, vocht Crassus in Syrië tegen de Par­then. Hij werd niet de legendarische veldheer die hij had willen worden. In 53 v. Chr. sneuvelde hij. Toen was er van het Driemanschap nog maar één in Rome over: Pompe­jus. Hij wendde zich van de Volks­partij af en sloot zich bij de Se­naatspartij aan. Alles ging hij doen om de macht van Caesar te ondermij­nen…

Het resultaat was dat de Senaat Cae­sar beval terug te komen in Rome. Zijn vijanden beschuldigden hem van wandaden die hij tijdens zijn consu­laat begaan zou hebben. Daar moest hij zich maar eens voor komen ver­antwoorden. Maar hij mocht uiter­aard niet zijn leger meebrengen! Dat moest hij achterlaten bij de rivier de Rubicon, die de grens tussen Gallië en Italië vormde. Caesar aarzelde. Als hij niet aan het bevel van de Senaat gehoorzaamde en toch zijn leger mee­bracht, betekende dat een burgeroorlog. Maar kon hij zich zo maar gaan uitleveren aan zijn vijand? Peinzend stond hij aan de Rubicon. ‘We kunnen nog terug,’ zei hij tegen zijn mannen. Op dat ogenblik begon een herder aan de overkant een lief­lijk wijsje te spelen. Hierdoor aange­trokken staken een paar soldaten het riviertje over. Caesar vond het een goed voorteken. ‘Laat ons gaan waar de voortekenen van de goden ons roepen,’ riep hij uit, ‘de teerling is geworpen!’

Hij gaf zijn paard de sporen en stak aan het hoofd van zijn leger de Rubi­con over. En dit had zoveel gevolgen dat men nog steeds de uitdrukking ‘de teerling is geworpen’ en ‘de Rubi­con oversteken’ gebruikt voor het ne­men van een belangrijk besluit.

Het hoofd van Pompejus

Zonder Italië te verdedigen vluchtte Pompejus met de Senaat naar Grie­kenland. Daar wilde hij troepen ver­zamelen om Caesar vanuit het oosten en vanuit Spanje aan te vallen. Cae­sar maakte zich niet druk om zijn te­genstander en veroverde eerst Italië. Vele aanhangers van Pompejus lie­pen naar hem over. Vervolgens trok hij naar Spanje, waar hij Pompejus’ troepen versloeg en opnieuw vele overlopers kreeg. Pas in de winter van 48 v. Chr. stak Caesars strijd­macht over naar Griekenland. Na enige schermutselingen hier en daar verpletterde Caesar de troepen van Pompejus bij Pharsalus. Pompejus vluchtte verder, nu naar Egypte. Zou men hem daar asiel ver­lenen? De koning, Ptolemaeus XII, was pas dertien jaar, maar de kroon­raad nam het besluit. Men zou Pom­pejus niet wegsturen en men zou hem niet welkom heten. Bij de landing werd Pompejus vermoord! Toen Caesar tien dagen later in Egypte landde, kon men hem het hoofd van Pompejus tonen. Caesar maakte nog een korte strafexpeditie door Klein-Azië om de vorsten te straffen die steun aan Pompejus hadden verleend en een opstand hadden ontketend. Alles liep daarbij zo op rolletjes dat hij aan een vriend kon schrijven: ‘Veni, vidi, vici!’ ofwel ‘ik kwam, ik zag en ik overwon!’

In het jaar 45 v. Chr. kon hij naar Rome terugkeren. Zijn soldaten wa­ren de oorlog moe geworden. Ze lie­ten dit duidelijk merken; er dreigde opstand. Caesar sprak slechts één woord tot hen, waarmee hij niet al­leen de dreigende opstand bedwong, maar ook alle soldaten de hun toeko­mende oorlogsbuit en triomf ont­nam. Hij sprak alleen maar: ‘Burgers…!’

Eind 45 trok Caesar naar Afrika. Daar had de verslagen Se­naatspartij zich verschanst met de hulp van de Numidische koning Juba. De republikeinen werden aange­voerd door Cato en ene Scipio. In 46 werden ze bij Thapsus door Caesar verslagen. Daarmee kwam aan het laatste republikeinse verzet een einde. Cato, Scipio, Juba en anderen pleeg­den zelfmoord.

Dictator voor het leven

Caesar liet zich enorme volmachten geven. Hij werd dictator voor het le­ven en hij kreeg het recht om de titel ‘Imperator’ te dragen, wat wil zeggen opperbevelhebber van het leger in het hele rijk. De bevoegdheden van con­sul, censor, opperpriester en tribuun, allemaal trok hij ze aan zich. Hij mocht voortaan de wetten maken, hij mocht rechtspreken zonder dat hier beroep op mogelijk was en hij mocht vrijwel alle magistraten benoemen. Kortom, het gezag van de Volksver­gadering, van de Senaat en van de magistraten was weggevaagd. Alleen Caesar bleef over! Het moet eveneens erkend worden dat Caesar zijn macht niet, zoals Marius en Sulla, gebruikte om zijn tegenstanders te vervolgen. ‘Laten we een nieuwe manier van overwinnen invoeren,’ zei hij, ‘en la­ten we proberen ons te handhaven door te vergeven en zacht te zijn.’ Hij ging erop toezien dat de provin­cies rechtvaardiger bestuurd en niet meer zo uitgezogen werden. Ook trachtte hij iets voor de armsten van Rome te doen. Hij gaf hun trouwens liever werk dan aalmoezen, en hij on­dernam daarom grote publieke wer­ken, zoals het plan tot het droogleg­gen van de Pontijnse Moerassen. Hij bracht ook de verdediging van de rijksgrenzen in uitstekende staat. Voorts wist hij de financiële positie van de staat weer gezond te maken. De tijdrekening, die geheel in de war was, verbeterde hij door invoering van een nieuwe, de zogenaamde Juli­aanse kalender.

Ook jij, Brutus?

Maar toen er geruchten gingen dat Caesar zich tot koning wilde laten uitroepen – en sinds de Etruskische koningen hadden de Romeinen een intense afkeer van de monarchie – konden zijn vijanden vrij gemakke­lijk zijn val bewerkstelligen. Zij kon­den nu immers zeggen dat ze de repu­bliek wilden redden… Er werd een complot gesmeed om Caesar te vermoorden. De voor­naamste samenzweerder was Cassius, een voormalige tegenstander van Caesar, die echter begenadigd was. Met Brutus, een tweede samenzweer­der, was dit ook het geval. Maar Bru­tus was intussen een beschermeling en vriend van Caesar geworden. Hij deed alleen mee, omdat hij de inner­lijke overtuiging had dat het staatsbe­lang dit eiste. De samenzweerders, al­lemaal senatoren, besloten snel te handelen vóór hun plan ontdekt werd. Ze kozen als datum de 15e maart 44 v. Chr. Er zou dan een be­langrijke Senaatsvergadering plaats­vinden. En ze wisten dat Caesar on­gewapend en zonder lijfwacht naar het Senaatsgebouw zou komen. Hoewel hij vanwege talrijke slechte voortekenen en herhaalde waarschu­wingen eerst niet wilde gaan, begaf Caesar zich op de bewuste dag toch naar die vergadering. Op een afgesproken teken trokken de samenzweerders hun dolken en vielen hun slachtoffer van alle kanten tege­lijk aan. Toen Caesar zag dat Brutus eveneens zijn wapen ontblootte, sta­melde hij teleurgesteld: ‘Ook jij, Bru­tus…?’

Vervolgens trok hij zijn toga over zijn hoofd en bezweek onder de dolksteken.

6e l;as Rome Julius Caesar

Een mooie vrouw

Tijdens zijn verblijf in Egypte raakte Caesar nog betrokken bij een konink­lijke familiestrijd. De jonge ‘Ptolemaeus XII regeerde samen met zijn zuster Cleopatra. Zij was geen katje om zonder handschoenen aan te pak­ken, en men had aan het hof op een ze­kere dag zo genoeg van haar streken en eisen dat men haar eenvoudig de stad uitzette. Dit gebeurde juist toen Caesar in Egypte kwam. Cleopatra ging gauw zijn hulp vragen. Omdat zij een mooie vrouw was, kreeg ze die.

Caesar mar­cheerde Alexandrië binnen, nam Ptolemaeus gevangen, maar werd toen plot­seling door het Egyptische leger aange­vallen. Samen met Cleopatra en de 13-jarige koning moest hij zijn toevlucht zoeken op het eiland Pharos, waar de vuurtoren stond. Hij zat daar zes maanden ingesloten vóór hij door Ro­meinse troepen ontzet werd. Caesar zorgde ervoor dat Cleopatra de Egyptische troon voor zich alleen kreeg en in de toekomst niets meer hoefde te vrezen. Maar nadat dit alles geregeld was, bleef hij vanwege haar charmes nog een hele tijd bij haar han­gen…

Omdat de Romeinen in ons land veel hebben nagelaten, is het vanzelfsprekend ook aan dat deel van de vaderlandse geschiedenis aandacht te besteden.

Dat kan bv. heel goed vanuit plaatselijke omstandigheden. Een vrijeschool in Nijmegen heeft allerlei mogelijkheden om de interesse van de kinderen voor de Romeinse tijd te wekken.

Julius Caesar in Engeland
E
en leesboekje in het Engels – een 6e klas met Engels vanaf klas 1 zou het met wat hulp moeten kunnen lezen.

Julius Caesar in de lage landen

In ‘Geschiedenis van de lage landenvan Jaap ter Haar staat in deel 1 heel veel wat je meteen kunt gebruiken en bijna letterlijk vertellen

*Steiner gebruikte het woord vaak om de overgang van vóór het 9e of 1oe jaar naar de tijd erna te karakteriseren.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

 .
703-642

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-4)

.

Lindenberg geeft in zijn weekplanning aan dat ook de Gracchen behandeld moeten worden.
.

TWEE VOORUITSTREVENDE BROERS
.

De boeren werden vervangen door slaven
.
Hoewel de slaven voor een belangrijk deel bijdroegen tot de economische
macht die Rome in de wereld was gaan vormen, zorgden ze ook voor
onverwachte maatschappelijke problemen die vooral na de Punische
Oorlogen de kop opstaken. Vele boeren kwamen in moeilijkheden. De
troepen van Hannibal waren plunderend over het Apennijnse schiereiland
getrokken en hadden tal van boerderijen verwoest. Vele boeren, ook
plebejische, waren in militaire dienst op­geroepen, wat velen in moeilijkheden had gebracht. Velen waren gesneu­veld, anderen hadden zich diep in de schulden moeten steken om hun be­drijfjes tijdens hun afwezigheid draaiende te houden. Voor rijke lie­den was het geen kunst om in die na­oorlogse jaren tientallen boerenbe­drijfjes op te kopen. Ze voegden de landerijen samen tot onafzienbare plantages, waarop honderden, vaak zelfs duizenden slaven het werk ver­richtten. Een slaaf was altijd nog goedkoper dan een betaalde werkkracht. We zouden kunnen zeggen dat op deze manier de landbouw op grote schaal werd gesaneerd. Zij die noodgedwongen afstand van hun boerderij hadden moeten doen, trok­ken massaal naar Rome, zoals alle eeuwen door de grote, rijke steden een grote aantrekkingskracht op de armen hebben uitgeoefend. Maar ook in Rome vonden ze geen werk; ook daar werd de meeste arbeid door slaven verricht. Aan slaven was im­mers geen gebrek, zeker niet toen de oorlog juist achter de rug was en tal­loze Puniërs in gevangenschap waren geraakt.

Zo werd Rome allengs bevolkt door mensen zonder bezit en zonder een ander vak dan dat van boer. Ze beza­ten eigenlijk maar twee dingen: de Romeinse burgerrechten en veel, heel veel kinderen.

Om het eerste, de burgerrechten, vormden de armen van Rome een toch niet te verwaarlozen groep. Ze mochten immers in de Volksvergade­ring stemmen en daarom dongen zij die de macht begeerden naar de gunst van deze armen. Ambitieuze politici beloofden het volk brood en spelen, met andere woorden: voldoende voedsel en genoeg amusement om de tijd te doden. De armen waren daarom te vinden in het circus of in een van de andere grote stadions en thea­ters, óf ze brachten hun tijd door in de Volksvergadering.
Aan de tweede reden, hun rijke kin­dertal, dankten ze hun naam:
prole­tariërs of ‘kroostbezitters’. De vele kindertjes immers vormden de enige ‘rijkdom’ van de armen en speelden alleen al een grote rol als het ging om voedsel en andere uitdelingen. Er waren politici die wel begrepen dat het snel toenemend aantal prole­tariërs voor Rome een gevaar zou gaan betekenen. Twee van de politici die de toestand niet meer gezond von­den, waren de gebroeders Gracchus.

De roem van Cornelia

Tiberius en Gaius Gracchus kwamen uit een aanzienlijk en ontwikkeld
mi­lieu. Hun moeder Cornelia was een dochter van de held Scipio de
Afri­kaan die Hannibal had verslagen. Zij had kwaliteiten en zij was een van de leidende persoonlijkheden in de Ro­meinse hogere kringen. Zij
verzamel­de alle mensen om zich heen die iets te betekenen hadden. De riante wo­ning van Cornelia onderscheidde zich door de culturele belangstelling die er heerste. Het meest welkom waren natuurlijk de Griekse kunstenaars. Maar ook Romeinse schrijvers verschenen er. Aan Cornelia komt de eer toe dat ze door deze vermenging het letterkundig leven van Rome enorm gestimuleerd heeft. Haar roem ging tot over de grenzen. Het schijnt zelfs dat Ptolemaeus haar ten huwelijk heeft gevraagd en haar tot koningin van Egypte wilde maken!
In deze om­geving groeiden Tiberius en Gaius op. Het Griekse stempel dat hun opvoeding kreeg, gaf hun natuurlijk een wat ruimere blik. Ze bekeken de za­ken niet alleen van de nuchtere Romeinse kant maar ook van de meer filosofische Griekse kant. Hierbij kwam uiteraard nog dat ze de best denkbare relaties hadden en daarmee grote mogelijkheden in de politiek.

Een onfatsoenlijke streek

Tiberius Gracchus werd voor het jaar 133 v. Chr. als volkstribuun geko­zen. Hij kwam toen met de eis dat de zogenaamde Licinische wetten, die in het vergeetboek waren geraakt, opnieuw van kracht zouden worden ver­klaard. Deze wetten hadden onder meer bepaald dat niemand meer dan 125 hectare van de staatslanderijen in bezit mocht hebben. Tiberius wilde dat grotere grondbezittingen zouden worden verdeeld onder de vele werk­loze boeren, die als pachters zouden optreden. Hij vergat niet de groot­grondbezitters een ruime vergoeding toe te denken in zijn hervormingspro­gramma.

Het plan kreeg de instemming van de Volksvergadering. Maar de
tegen­standers – de grootgrondbezitters, waartoe ook alle senatoren
behoor­den – zaten niet stil. Als de Volksvergadering een wet aan­nam, hoefde je maar een van de tri­bunen zover te krijgen dat hij ‘Veto’ (= Ik verbied het) zei en de wet kon niet meer worden uitgevoerd. Er wa­ren tien tribunen. De Senaat had geen moeite er een te vinden die bereid was het verlammende ‘Veto’ uit te spre­ken.

Hevig verontwaardigd over deze on­fatsoenlijke streek van de Senaat, besloot Tiberius tot een forse maatre­gel. Hij verzocht het volk de dwars­liggende tribuun uit zijn ambt te ont­zetten. En hoewel de tribunen onaan­tastbaar waren, werd de betrokken tribuun weggestemd!
Tiberius kreeg nog wel de gelegenheid een begin te maken met zijn landverdeling. Er werd een college van drie mannen aangewezen om de plannen te verwe­zenlijken: Tiberius zelf, zijn broer Gaius en zijn schoonvader Appius Claudius. Maar toen Tiberius in 133 v. Chr. probeerde herkozen te worden, wisten zijn tegenstanders hem tijdens een gewapend conflict te laten vermoorden.

De hervormingen van Gaius

Dankzij Tiberius Gracchus waren 70.000 burgers landbezitters gewor­den. Bovendien was voor het eerst in de geschiedenis gebleken dat men de machtige, eerbiedwaardige Senaat met enig succes kon uitdagen. Tien jaar later zette Gaius Gracchus, de jongere broer van Tiberius, de her­vormingen voort. Hij werd tribuun in 124 v. Chr. Onmiddellijk begon hij het probleem van de werkloosheid en armoede aan te pakken. Hij handhaafde niet alleen het idee van landverdeling van zijn broer, maar hij stelde ook maatregelen voor als: emigratie naar de overzeese provincies waaronder het verdoemde gebied van Carthago!), de aanleg van wegen naar afgelegen landbouwgebieden in Italië en het maandelijks uitdelen van graan tegen zeer lage prijzen. Met die wegen zouden niet alleen de wegarbeiders aan werk geholpen zijn, maar zouden de boeren gemakkelijker hun landbouwproducten naar de markt kunnen vervoeren. De uitdeling van goedkoop graan zou betekenen dat het volk voortaan verzekerd was van het hoofdbestanddeel van zijn voedsel.
Gaius Gracchus liet gro­te graansilo’s bouwen en liet het graan tegen een lage standaardprijs verkopen.

Mevrouw had moeten wachten

‘Niet lang geleden kwam een consul naar Teanum. Zijn vrouw zei dat ze graag een bad wilde nemen in het badhuis van de mannen. De quaestor Marius kreeg opdracht alle baders weg te sturen. De vrouw vertelde achteraf aan haar man dat ze had moeten wachten en dat de baden niet schoon waren geweest. Meteen richtte men op het stadsplein een paal op, om Marius, de aanzienlijkste man van de stad, aan vast te binden en een aantal stokslagen te geven.’
Met dit verhaal vestigde Gaius Gracchus tijdens een van zijn redevoerin­gen de aandacht op het wangedrag van de overmoedige patriciërs.

Een nieuwe stand: de ridders

Zoals alle politici kon Gaius het niet zonder stemmen doen. Om zijn posi­tie te versterken, won hij de steun van de ‘ridders’. Dit was een nieuwe groep in de Romeinse samenleving. De ‘ridders’ of ‘ruiters’ waren oor­spronkelijk de niet-patriciërs die ver­mogend genoeg waren om op eigen kosten dienst te nemen bij de ruiterij. Naderhand kwamen de grote kapita­len in hun handen, omdat de patri­ciërs zich te goed achtten voor de handel. De patriciërs vonden de land­bouw een edeler beroep. Aan de sena­toren was het bovendien verboden om aan handel – althans buitenlandse handel – te doen. Gaius wist de ridders op zijn hand te krijgen door aan hen het rechtersambt op te dragen. Daarvóór was de rechtspraak in han­den van de patriciërs geweest. Het be­tekende een klap voor de Senaatspar­tij, want de patriciërs waren gewend geweest zich in de provincies op schandelijke wijze te verrijken, in de wetenschap dat ze in geval van een proces door hun eigen mensen zou­den worden berecht en vrijgesproken. De ridders daarentegen lieten zich aan de patriciërs niets gelegen liggen! Bovendien kregen de ridders (rijke kooplui, speculanten en geldwisse­laars) door het rechtersambt een enorme macht, die ze veelal ten eigen bate zouden aanwenden.

De Senaat hielp een handje

Gaius Gracchus kwam echter ten val toen hij voorstelde de verschillende Italiaanse bondgenoten het Romeinse burgerschap te verlenen. Want daar voelde het Romeinse volk niets voor. Het piekerde er niet over zijn
voor­rechten, zoals goedkoop graan, toe­deling van het land en gratis gladiato­rengevechten, met anderen te delen. Vele varkens zouden immers de spoe­ling dun maken. De bondgenoten moesten maar voor zichzelf zorgen! Zo kwam het Romeinse volk in op­stand tegen zijn eigen weldoener. De senatoren hielpen natuurlijk een handje. Ze maakten ijverig stemming tegen de man die ‘nota bene een kolo­nie wilde stichten op de verdoemde plaats van Carthago’.
Tijdens een onrustige offerplechtig­heid werd een lictor door een van Gaius Gracchus’ aanhangers gedood. Lucius Opimius, de consul, was vast van plan om van deze gebeurtenis ge­bruik te maken om Gracchus ten val te brengen. Hij had Kretensische boogschutters, die zich toen juist te Rome bevonden, op het Capitool ontboden. Alle aanhangers van de Senaat werden opgeroepen om gewa­pend te verschijnen. Ook die leden der ridderschap, die de Senaat trouw waren gebleven, kwamen op, elk door twee gewapende slaven verge­zeld. De Senaat besloot de consuls met onbeperkte volmacht te bekleden en hun recht te verlenen om de moor­denaars desnoods met aanwending van geweld te tuchtigen. Gracchus en zijn vrienden gingen naar de Aventijn en verschansten zich in de tempel van Diana. De aanval kwam. Onder aan­voering van de consul Lucius Opimius rukten de gewapende senatoren, door de Kretensische boogschutters en de adellijke ridders vergezeld, op de Aventijn aan. Bijna zonder slag of stoot werd de kleine bende omsingeld en overhoop gestoken. Gracchus wil­de zichzelf van het leven beroven, maar vrienden bezworen hem dit niet te doen, want hij kon nog zoveel tot stand brengen. Toen vluchtte hij, ver­gezeld van een slaaf. Hij bereikte de andere oever van de Tiber, maar ver­stuikte in de haast zijn voet. Een paard was nergens te krijgen. In het bos van Furina vond men later zijn lijk en dat van zijn slaaf. Ongetwij­feld op bevel van zijn meester had de trouwe dienaar eerst zijn heer en daarop zichzelf van het leven be­roofd.

Het volk vergat de Gracchen echter niet. Eerst na de dood van de
voor­treffelijke mannen zag het in wat het in hen verloren had. Cornelia werd voortaan nooit anders dan ‘de moeder der Gracchen’ genoemd, waarmee men zowel de moeder als de zoons wilde eren.
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas geschiedenis

.

701-640

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-3)

.
DE TANKS VAN HANNIBAL
.

Een onverzoenlijke haat

Hannibal, die tijdens de Eerste Punische Oorlog geboren was, zou altijd een onverzoenlijke haat tegen Rome blijven koesteren. Hoe kwam dat? De Griekse geschiedschrijver Polybius laat hem het zelf vertellen: ‘Mijn vader stond op het punt naar Spanje te vertrekken om daar oorlog te gaan voeren. Ik was negen jaar. Hij bracht een offer aan de goden. Ik stond daar ook bij het altaar, niet ver van hem af. Toen hij de wijn geplengd had en alle riten had volbracht, vroeg hij de aanwezigen zich even terug te trekk­en. Daarop liet hij me dichterbij komen en vroeg me vriendelijk of ik hem wilde volgen naar het leger. Ik zei geestdriftig ja, ik smeekte hem zelfs met kinderlijke hevigheid me mee te nemen. Toen nam hij mijn rechterhand, leidde me naar het al­taar en liet me zweren dat ik nooit een vriend van de Romeinen zou wor­den’.

Hij maakte geen verschil tussen dag en nacht

Reeds op 26-jarige leeftijd kreeg Hannibal het opperbevel over de Carthaagse troepen in Spanje. Ondanks zijn jeugd was hij al een groot veldheer. Zoals Livius vertelt: ‘In niemand hadden de soldaten meer vertrouwen en tegenover niemand waren ze openhartiger. Hij ging altijd stoutmoedig op het gevaar af, en zo­dra hij zich erin bevond, toonde hij veel koelbloedigheid. Geen arbeid kon zijn geest of zijn lichaam ver­moeien. Hij verdroeg de kou even goed als de hitte. Bij het eten en drin­ken hield hij alleen rekening met zijn behoeften en niet met zijn plezier. Voor slapen en waken maakte hij geen enkel verschil tussen de dag en de nacht. Hij ging gewoon slapen als hij even niets te doen had. Dikwijls zag men hem, tussen de schildwach­ten, onder een deken op de grond lig­gen. Hij was verreweg de beste ruiter en de beste infanterist. Als eerste ging hij in de aanval en als laatste keerde hij terug’.

Een machtig wapen: strijdolifanten

Zodra Hannibal meende dat hij sterk genoeg was om zich met de Romeinen te meten, veroverde hij de Spaanse stad Saguntum. Hier woonden welis­waar Grieken, maar die hadden een verbond met de Romeinen. Hannibal veroverde de stad en liet alles plat­branden. We schrijven het jaar 219 v. Chr. Rome kwam zijn verplichtin­gen aan de Grieken na en eiste van Carthago dat het Hannibal zou uitle­veren. Toen het dit weigerde, ver­klaarde Rome de oorlog. Precies wat Hannibal gewild had. Na een aantal schermutselingen in Spanje, besloot Hannibal het jaar daarop het strijd­toneel naar Italië te verplaatsen. Zijn officieren waren verbluft toen ze hoorden hoe hij dat wilde doen. Om­dat Rome de zee beheerste, legde hij uit, zouden zij te land aanvallen. Ze zouden hun leger over de Pyreneeën en vervolgens over de Alpen naar Noord-Italië voeren. Toen men in Rome van dit plan hoorde, werd men nauwelijks ongerust. Het plan leek namelijk onuitvoerbaar. Toch stuur­de men voor alle zekerheid onder be­vel van Scipio een leger over zee naar Gallië (Frankrijk) om de eventuele Carthaagse strijdmacht op te vangen, Hannibals leger bestond uit 90.000 man voetvolk, 12.000 ruiters en 37 krijgsolifanten. Carthago was op zijn olifanten al even trots als op zijn ma­rine. Men zei dat zich in de stallen van de stad wel 300 van deze dieren bevonden. Een deel hiervan was dus naar het Europese vasteland
ver­scheept. Vanwege hun onstuitbare kracht kan men de krijgsolifanten misschien het best vergelijken met de tanks van vandaag. De Romeinen hadden er voor het eerst mee kennis­gemaakt tijdens hun gevechten met Pyrrhus. Vooraan op de rug van de olifant zat gewoonlijk één man die het dier bestuurde. Achter hem was een bak geplaatst, van waaruit een aantal boogschutters de vijanden be­stookte. Tijdens de veldtocht door Spanje verloor Hannibal ongeveer een kwart van zijn strijdmacht, ter­wijl hij ook nog de minst geoefende soldaten ontsloeg. Zijn leger bestond toen nog uit 50.000 man voetvolk, 9000 ruiters en 37 olifanten.

Star onder het ijs

Hannibal rukte op en kwam aan de Rhône. Er was geen Romein te zien. Scipio lag nog met z’n leger in Massilia (Marseille) en Hannibal besloot snel verder te gaan. Toen Scipio ein­delijk oprukte, was Hannibal hem ve­le dagmarsen voor. De Galliërs, die nog probeerden Hannibal tegen te houden, werden verslagen. Toen kwam het ogenblik waarop de Carthagers voor een zeer machtige vijand kwamen te staan: de Alpen. Scipio besefte dit en ging ervan uit dat Han­nibal nooit over de Alpen zou kunnen komen. Hij stuurde z’n broer met troepen naar Spanje om er de Car­thaagse versterkingen te verslaan en Hannibals voorraden te veroveren. Zelf ging hij met een handvol solda­ten terug naar huis. Hannibal stond in de vroege herfst aan de voet van het gebergte. De eerste sneeuw begon te vallen. Maar laten we naar Livius luisteren:
‘Hoewel men zich op grond van wat er over verteld werd al een voorstel­ling van de werkelijkheid gemaakt had en zo’n voorstelling meestal overdreven is, kregen ze toch weer een nieuwe schok, toen ze van nabij die hoge bergen zagen: die sneeuw die zich bijna verliest in de hemel, die vormeloze hutten tegen de rotsen aangeplakt, die schapen en ezels ver­schrompeld door de kou, die behaar­de en primitief geklede mensen, die hele bezielde en onbezielde wereld star onder het ijs…’.

Een list

Alsof de natuurlijke hindernissen niet al genoeg waren, bleken de bergbe­woners Hannibals troepen ook nog te willen tegenhouden: Toen ze langs de eerste hellingen omhoogtrokken, vertoonden zich bergbewoners op de heuvels die hun route beheersten. Als dezen in tussendalen een meer ver­dekte stelling hadden betrokken om dan ineens gezamenlijk aan te vallen, zouden ze paniek en grote verliezer hebben veroorzaakt. Daarom liet Hannibal halt houden en nadat hij van Galliërs, die vooruitgezonden waren om de omtrek te verkennen, gehoord had dat men daar niet langs kon, sloeg hij zijn kamp op in de wijdste vallei die hij vinden kon tus­sen al die oneffenheden en steilten. Daarop hoorde hij van diezelfde Gal­liërs dat de pas alleen maar overdag werd bezet: ’s nachts ging ieder weer naar zijn eigen huis. Bij het eerste morgenlicht rukte hij daarom op te­gen de heuvels, alsof hij openlijk en overdag een aanval op de pas wilde doen. Nadat hij de dag met die schijnmanoeuvres had doorgebracht, betrok hij weer op de oude plaats een versterkt nachtkwartier. Zodra hij echter merkte dat de burgerbewoners van de heuvels waren weggegaan en dat er niet meer gewaakt werd, liet hij eerst als camouflage méér vuren aan­leggen dan nodig waren voor degenen die in het kamp moesten blijven, te weten de ruiterij, de tros (legerbagage met daar bijbehorende manschappen) en het me­rendeel van de infanterie. Vervolgens beklom hijzelf met de dapperste mannen die hij had, zonder enige bepak­king mee te nemen, in aller ijl de bergpas en bezette de vijandelijke stelling op de heuvels’.

Met het geweld van instortende muren

Hiermee waren de bergbewoners he­laas nog niet bedwongen, zoals blijkt uit de verdere uiteenzetting van Livius:
“De volgende morgen vroeg brak men het kamp op en begon de rest van het leger zich in beweging te zetten. Reeds verlieten de bergbewonersop een gegeven signaal, hun dorpen om hun gewone posten te betrekken, toen ze daar in de hoogte plotseling vijanden zagen en ­tegelijkertijd andere vijanden die langs de weg gingen. De waarneming van deze twee feiten en de gedachte aan de gevolgen daar­van deden hen een ogenblik als aan de grond genageld staan. Vervolgenstoen ze bemerkten wat een verwarring er op die nauwe weg heerste en hoe de colonne daardoor zichzelf al in moeilijkheden bracht (vooral de paarden bleken onhandelbaar), vatte de gedachte bij hen postdat er van hun kant maar een kleinigheid gedaan hoefde te worden. De angst daarvoor zou de vernietiging van al­len ten gevolge hebben. Zo stormden ze telkens naar beneden van de rotsen aan weerszijden, door hun ver­trouwdheid met het terrein onbekom­merd om pad of geen pad. Toen kregen de Carthagers het pas echt te kwaad, én met de vijand en met de onmogelijke weg: ja, ze vochten nog het meest met zichzelf, omdat ieder het eerst aan het gevaar wilde ontkomen. De paarden brachten de voortmarcherende troep in de grootste moeilijkheden. Ze werden zenuwachtig door al die voor hen onbegrij­pelijke kreten, welke door de weerkaatsing tegen beboste hellingen nog harder klonken. En wanneer ze ge­troffen of anderszins gewond wer­den, steigerden ze zo hoog op, dat ze ontzaglijk veel mensen en bagage van allerlei aard op de grond wierpen. Het gedrang dat dan ontstond, deed velen in de afgronden ter weerszijden van de nauwe weg storten, zelfs enke­le soldaten. Maar de lastdieren met hun bepakking vielen naar beneden met het geweld van instortende mu­ren’.

Zo werd er maar wat rondgebuiteld

En de Carthagers waren nog niet eens in het hooggebergte! Daar, op de nog steilere wegen en in de nog dikkere la­gen sneeuw, leek hun hele onderne­ming dan ook te stranden:
‘De weg was ten gevolge van een lawi­ne geheel verdwenen. Toen de ruiters daar halt hielden, als hadden ze hun bestemming bereikt, liet Hannibal vragen wat het oponthoud veroor­zaakte. Men rapporteerde hem dat men voor een afgrond stond. Daarop ging hij zelf kijken. Onmiddellijk zag hij in, dat men een omweg moest ma­ken – hoe lang deze ook worden zou – over de nog onbetreden omgeving van de weg. Maar dat bleek helemaal onmogelijk. Er was daar namelijk op een oude sneeuwlaag weer verse sneeuw gevallen en deze, die nog zacht was en niet erg hoog lag, bood eerst wel een makkelijke ondergrond voor degenen die erop liepen. Toen ze echter onder de voeten van zoveel mensen en dieren wegsmolt, ging de tocht over het ijs daaronder en door het smeltwater. En dat werd een afschuwelijke worsteling. Men kon op het gladde ijs niet overeind blij­ven, des te minder omdat men berg­afwaarts liep. Zodat de soldaten, zelfs als ze steunend op de handen of op een knie wilden opstaan, hun steun voelden wegglijden en voor de tweede maal neervielen. En geen boomstam of wortel zagen ze om er de voet tegen schrap te zetten of zich aan op te hijsen. Zo werd er maar wat rondgebuiteld in die vlakte van louter ijs en sneeuw­water. De lastdieren zakten soms ook in de onderste sneeuw weg, en wan­neer ze vielen en te hard met hun benen sloegen bij hun pogingen om weer op te staan, braken ze er hele­maal doorheen, zodat zeer vele, als in voetboeien gekluisterd, vastzaten in de harde en dikke ijslaag’.

Fabius de Draler

Met niet meer dan 20.000 man voet­volk, 6000 ruiters en 20 olifanten be­reikte Hannibal ten slotte de Povlakte. De rest van zijn leger was gedood door de Zwitserse bergstam­men, in de afgronden gestort of doodgevroren. De verzwakte strijd­macht bleek echter nog voldoende om de Romeinse legers te verslaan, eerst bij de rivier de Ticinus, later bij de Trebia. Na deze successen voegden de Galliërs die in de Povlakte leef­den, zich bij de Carthagers en kwa­men in opstand tegen Rome. Hanni­bal stak toen de Apennijnen over en drong in Etrurië door. Bij het Trasimeense Meer lokte hij de Romeinen in een hinderlaag en hakte opnieuw hun legers in de pan. Heel Etrurië lag toen voor de Carthagers open! Zou hij hierna op Rome afgaan? Hanni­bal verkoos langs de stad heen te trekken. Hij hoopte Rome’s buurvolken tot een opstand te bewegen en de stad op die manier te isoleren. Maar de buurvolken reageerden niet zoals de Galliërs gedaan hadden. Ze bleven Rome trouw. Ditmaal had Hannibal zich dus vergist. In Rome vond men dat de kritieke situatie om een dicta­tor vroeg. Men wees Quintus Fabius Maximus aan, een reeds bejaard man, bekend om z’n onverstoorbare kalmte. Deze koos een geheel eigen tactiek. In plaats van openlijk slag te leveren met de Carthagers, bestookte hij hen alleen maar en trok zich steeds tijdig terug. Het bleek een goe­de methode te zijn, die de Carthagers meer en meer uitputte. De Romeinse dictator kreeg dan ook de bijnaam ‘Cunctator’ en dat betekent ‘de Dra­ler’.

Een staaltje van Romeinse vaderlandsliefde

Op een zeker ogenblik werden de Ro­meinen toch ongeduldig. Ze maakten Fabius voor een lafaard uit. En in 216 v.Chr. traden de Romeinse consuls, die minder voorzichtig waren, Hanni­bal met gesloten gelederen tegemoet. Dat was bij Cannae, aan de westkust van Italië, op de hoogte van Napels. Hannibal bracht de Romeinen hier een verpletterende nederlaag toe. Terwijl de Romeinse troepen frontaal op de de Carthagers afmarcheerden, maakte Hannibals ruiterij aan beide zijkanten een omtrekkende beweging en legde zo een dodelijke ring om het vijandelijke leger. Van de 80.000 Ro­meinse legioensoldaten ontkwamen er maar 10.000 en die werden nog na afloop van de slag gevangengeno­men! Tijdens deze catastrofe gaf de consul Paulus Lucius Aemilius een staaltje weg van Romeinse vader­landsliefde en zelfverloochening. Wanneer we Livius mogen geloven, ging het aldus:
‘De stafofficier Gnaeus Lantulus reed voorbij de consul, die hij badend in zijn bloed op een grote steen zag zitten. Heer consul, zei hij, u bent de enige man die de goden moeten ont­zien, omdat u geen schuld hebt aan deze ramp. Neem dit paard zolang u volkomen uitgeput bent en ik u erop kan tillen en met u mee kan gaan om u te beschermen. Wijd dit slagveld niet volkomen aan de Dood, door het sneuvelen van een consul! Ook zonder dat is er al genoeg reden voor tranen en  rouwbeklag! Maar de consul antwoordde: Houd jij maar goede moed, Gnaeus. Verlies met dat nutteloze gejammer toch niet het korte ogenblijk dat je hebt om aan de vijand te ontkomen. Ga heen. Meld officieel aan de senatoren, dat ze Rome in staat van verdediging brengen en er troepen leggen, voordat de overwinnende vijand komt’.

Hannibal staat voorde poort!

Na de nederlaag bij Cannae waren de bondgenoten van Rome heel wat meer bereid om met de Carthagers samen te gaan. Tal van steden, waaronder Capua en Syracuse, kozen de zijde van Hannibal. Rome leek verloren. Er vonden nog verscheidene veldslagen plaats en in 211 v.Chr. trokken de Carthagers  inderdaad naar Rome zelf op. Uit die dagen stamt de uitdrukking ‘Hannibal staat voor de poort’, wat later zoveel ging betekenen als: ‘de nood is aan de man’.
Maar terwijl het zuiden van Italië de kant van de Carthagers had gekozen, was dit niet het geval met Rome’s bondgenoten in Midden-Italië. Hierdoor kon de kans eindelijk keren. Hannibal was niet in staat Rome te belegeren en van toen af aan werd hij steeds meer naar het zuiden verdreven.

De vasthoudendheid van de Romeinen ging het winnen van het veldheersgenie van Hannibal. In Rome liet de Senaat alle burgers, en zelfs de slaven, onder de wapenen roepen. En men viel terug op de voorzichtige tactiek van Fabius de Draler. Na een uitputtingsoorlog was Hannibal ten slotte zo verzwakt, dat Rome eindelijk van de verdediging in de aanval kon gaan. De steden Capua en Syracuse werden weer in bezit geno­men. De jonge generaal Scipio begon Zuid- en Oost-Spanje op de Cartha­gers te heroveren. Nog even dreigde alles mis te gaan. Hasdrubal, de broer van Hannibal, kwam vanuit Spanje met een ontzettingsleger aan­zetten. Maar Hasdrubal werd versla­gen en gedood aan de oever van de Metauro. En de Romeinen wierpen zijn hoofd in het kamp van Hanni­bal!

Scipio de Afrikaan

De oorlog zette zich voort in de ber­gen van Zuid-Italië, waar Hannibal zich verschanste als in een natuurlijk fort. Om een eind aan de strijd te ma­ken, stelde Scipio voor de Carthagers in Afrika aan te vallen. De senatoren aarzelden even, omdat ze aan de slechte ervaringen van Regulus moes­ten denken. Maar ten slotte gaven ze hun toestemming. Scipio behaalde in Afrika zulke grote successen, dat de Carthagers in paniek Hannibal terug­riepen. Deze kwam over zee. De be­slissende veldslag vond in 202 v.Chr. plaats in het hart van Tunesië, bij Zama. Dankzij de hulp van een inheem­se leider kwam Scipio als overwin­naar uit de strijd. Hij mocht zich voortaan Scipio de Afrikaan noe­men. Het verslagen Carthago moest zijn vloot en zijn olifanten afstaan, een grote schadevergoeding betalen, Spanje ontruimen en zich verplichten nooit een oorlog aan te gaan zonder de toestemming van de Romeinse Se­naat. Hiermee was een eind gekomen aan de Tweede Punische Oorlog.

Het dodelijk gewonde dier

Maar al waren ze verslagen, de Carthagers bleven Rome angst inboeze­men. Cato de Oudere, die in de Twee­de Punische Oorlog had gestreden, eindigde al zijn redevoeringen in de Senaat – waarover ze ook mochten gaan – met de woorden: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago ver­woest moet worden.’
De eerste de beste gelegenheid werd aangegrepen om dit advies daadwer­kelijk op te volgen. Toen de Carthagers door een buurvolk werden aan­gevallen en de wapens opnamen om zich te verdedigen, vond Rome dat ze contractbreuk hadden gepleegd. De Carthagers mochten immers geen oorlog gaan voeren zonder toestem­ming te vragen…
In 149 v.Chr. stak een Romeins leger over naar Afrika en eiste van de Car­thagers dat ze hun stad zouden afbre­ken en een eind landinwaarts weer zouden opbouwen. Dit was de Car­thagers te gortig. Want het zou de dood van hun havenstad betekenen. Verontwaardigd besloten ze Cartha­go tot het uiterste te verdedigen. Drie jaar duurde het beleg. De Romeinse geschiedschrijver Florus schreef over het hardnekkige verzet van de Car­thagers:
‘Juist wanneer ze dodelijk gewond zijn, geven dieren de meest giftige be­ten. Op dezelfde manier bezorgde Carthago, toen het al half verwoest was, meer last dan toen het nog over­eind stond. De Romeinen hadden de vijand in de vesting teruggedrongen en blokkeerden de haven. De Cartha­gers groeven daarop een andere uit­weg naar de zee… waar hun vloot toen plotseling verscheen als door een wonder. Er ging geen dag en geen nacht voorbij, waarin ze niet met een nieuw oorlogstuig kwamen aanzetten of nieuwe soldaten die bereid waren te sterven, in de strijd wierpen. Toen er echter geen hoop meer was, gaven 40.000 man zich over. En verrassend was dat ook hun leider Hasdrubal zich met hen overgaf. Maar zijn vrouw wierp zich met haar twee kinderen van de bovenste verdieping van haar huis in de vlammen’.

‘Onze Zee’

Carthago werd door de Romein met de grond gelijkgemaakt. Het schijnt dat de Romeinse veldheer Scipio Aemilianus, een aangenomen zoon van Scipio de Afrikaan, zich er niet voor schaamde een paar tranen te laten over het vreselijke lot van de vijand. Men verklaarde de plaats waar Carthago gestaan had, tot een verdoemd oord, opdat er nooit meer gebouwd zou worden. Het gehele Carthaagse gebied in Tunesië werd een Romeinse provincie, genaamd Africa Proconsularis. In hetzelfde jaar 146 v.Chr. waarin ze Carthago van de aardbodem lieten verdwijnen verwoestten de Romeinen ook Korinthe in Griekenland. Daarmee maakten ze de Grieken duidelijk dat ze voortaan onder Romeins gezag stonden.
Spanje en een deel van Frankrijk hoorden al bij Rome. Sinds 1 v.Chr. bestond er bovendien een Romeinse provincie in Klein-Azië. En zelfs Egypte was tot de overtuiging gekomen dat men een staat die nooit een oorlog bleek te verliezen, maar beter niet kon uitdagen. Aan het begin van de Punische Oorlogen was Rome nog slechts één van de vijf grote mogendheden in het Middellandse Zeegebied geweest. In de volgende jaren hadden die andere machten bijna allemaal Rome op de proef gesteld. Maar net als Carthago waren die verslagen. Het resultaat was dat bij het einde van de Punische Oorlogen de hele Middellandse Zee aan de Romeinen behoorde. Ze noemden hem in het vervolg dan ook ‘Onze Zee’.

Het einde van Hannibal

Na afloop van de Tweede Punische Oorlog eisten de Romeinen van de Carthagers dat zij Hannibal zouden uitleveren. Toen deze hiervan hoorde, vluchtte Hannibal naar Syrië, waar ko­ning Antiochus III hem onderdak
ver­leende. Maar de Romeinse macht zou zich ook uitstrekken naar dit deel van de wereld! Na Antiochus’ nederlaag te­gen de Romeinen, vluchtte Hannibal verder naar koning Prusias I van Bithynië, een staatje in Noord-Turkije. Toen de Romeinen even later ook aan­kwamen en Prusias bereid bleek te zijn Hannibal aan hen uit te leveren, pleeg­de de grote Carthaagse veldheer zelf­moord. Hij gebruikte hiervoor het gif dat hij voor deze gelegenheid altijd op zak had gehad en dat hij had buitge­maakt op het slagveld van Cannae.

6e klas rome 7

tekst boven 11:Lucus Paulus Aemilius en Gaius Terentius Varro vallen Hannibal in Cannae aan (216 v. Chr) Hoewel Hannibal het Romeinse leger een vernietigende nederlaag toebrengt, valt hij de stad Rome toch niet aan.

tekst naast 1: De Mamertijnen – Campaanse huurlingen die heer en meester zijn in Messina – vragen Rome om hulp tegen de Carthagers. Een Romeins verovert Messina en Argento. (264 v. chr)

tekst naast 12: Marcus Claudius Marcellus belegert en verovert Siracuse (212 v. Chr). Archimedes vindt in bloedbad de dood.

6e klas rome 5

6e klas rome 8

Halverwege de 2 eeuw voor Chr. hadden de Romeinen afgerekend met al hun mogelijke concurrenten in het Middellandse Zeegebied. Rome was een militaire macht geworden, die enorm veel geld uitgaf aan de legioenen, die voor een belangrijk deel uit huurlingen en bondgenoten bestonden.

Wapenrusting uit de tijd van de republiek
1.  lansen met bronzen of ijzeren punten
2) de galea, een lederen helm
3) de cassis, een metalen helm
4) de helm van een centurion, een officier over honderd man;
5) opperbevelhebbershelm;
6) een schild van het Samnitische type, bestaande uit latwerk dat met leer werd overtrokken;
7) een borstharnas dat uit 5 of 6 metalen banden bestaat die op lederen banden zijn bevestigd;
8) een kolder, bestaande uit metalen kettinkjes en plaatjes;
9) een borstpantser wan leer en metaal
10) een bronzen beenbeschermer; droeg men aanvankelijk aan elk been zo’n beschermer, later trok men het alleen aan het rechterbeen, omdat het linker met het schild werd beschermd
11) de gladius, het korte Romeinse zwaard;
12) de zogenaamde schildpadformatie, die men toepaste bij het bestormen van vestingen; de soldaten droegen manshoge schilden, die met elkaar één groot schild vormden.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

699-639

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-2)

.

DEMOCRATIE OF ARISTOCRATIE
.

Zoals het werkelijk ging
.
Natuurlijk is Rome niet, evenmin als enige andere stad, in één dag ge­bouwd. De ontwikkeling van een stad begint er meestal mee dat een paar boeren of handelaars zich ergens vestigen. Daar komen dan meer men­sen bij, het plaatsje groeit, het gaat één geheel vormen met nog enige andere vestigingen en zo ontstaat ge­leidelijk de stadskern. Op deze ma­nier moet het ook, ongeveer 1000 jaar v. Chr., aan de benedenloop van de Tiber gegaan zijn. Geen Aeneas of Romulus heeft daar in één klap een stad neergezet. Maar bij de door­waadbare plaats die hier in de rivier was, zullen een paar dorpen gegroeid zijn. Via deze doorwaadbare plaats liep een belangrijke weg: de zoge­naamde ‘zoutweg’. Zout en ook andere handelswaren werden hierlangs van noord naar zuid en van zuid naar noord gevoerd. Een andere weg was er niet tussen de hoge Apen­nijnen en de Tyrreense Zee. De be­woners zullen dan ook zeker gedaan hebben wat bewoners van dergelijke sleutelposities altijd plegen te doen: ze zullen tol hebben geheven. Er ont­stonden dus dorpen aan beide zijden van de rivier. Die dorpen hadden deels Etruskische, deels Latijnse be­woners. Op zekere dag verenigden deze dorpen zich plechtig tot een gro­tere woongemeenschap, die Rome zou heten. De eerste Romeinen leef­den in eenvoudige hutten met strooi­en daken en lemen vloeren. Op de vruchtbare velden rondom bedreven ze landbouw en veeteelt.

Het Forum
.
Archeologische vondsten hebben be­wezen dat Rome in de eerste twee eeuwen van het bestaan door konin­gen werd geregeerd. Dat waren waar­schijnlijk allemaal Etruskische ko­ningen.

Na de regering van de laatste koning was Rome langzamer­hand een echte stad geworden. Want de bouw van steden kon je aan de Etrusken wel overlaten. In het jaar 575 v. Chr. hadden die door middel van een afwateringssysteem het moerassige gebied tussen de heuvels Palatijn en Capitolijn (kaartje zie (3-1_weten droog te leg­gen. Op deze plaats ontstond het ‘hart’ van Rome. Eerst diende de plek nog even als kerkhof, maar ver­volgens legden de Romeinen er een geplaveid plein aan met overdekte wandelgangen en winkels er omheenIn het midden bevond zich een recht­hoekige vergaderplaats. Later zouden rond het Forum, zoals dit centrum heette, talrijke tempels en andere be­langrijke openbare gebouwen verrij­zen.

Wat gebeurde er precies na het verdrijven van de laatste koning? De pa­triciërs – dat waren de rijke adellijke families – riepen de republiek uit. Maar wie zou het staatshoofd van de­ze republiek worden? Men wees twee consuls aan die samen gedurende één jaar zouden mogen regeren. Daarna moesten weer twee nieuwe gekozen worden. Dit systeem getuigde van veel gezond verstand. Want als de verantwoording over twee mensen verdeeld wordt, controleren die elkaar voortdurend en bestaat er nau­welijks kans dat één man oppermach­tig gaat worden. Er zal steeds zelfkri­tiek blijven in de regeringstop. Rome heeft misschien veel te danken gehad aan dit stelsel van gedeelde macht.

Omdat de gedeelde macht echter ook| wel eens tot besluiteloosheid kon lei­den, hadden de Romeinen nog een noodoplossing. In geval van ernstig gevaar voor de republiek kon de Se­naat alle macht aan een ‘dictator’ ge­ven. Deze hoefde tegenover niemand meer verantwoording af te leggen. Tegen zijn maatregelen was geen be­roep mogelijk. Maar hij behield zijn absolute macht voor hoogstens zes maanden. Was de toestand dan nog steeds gevaarlijk, dan kon deze ter­mijn met ten hoogste nog eens zes maanden verlengd worden. Mocht hij dus misbruik maken van zijn macht, dan bleef de schade nog beperkt.

toneelstuk

Wilt u zich wel even verkleden!
.
Een prachtig voorbeeld van een dicta­tor die niet langer aanbleef dan het staatsbelang vereiste, is Cincinnatus. Hij stamde uit een der aanzienlijke families van Rome, maar hij leidde een sober leven. Hij was zijn land aan het ploegen, op de noordelijke oever van de Tiber, toen men hem kwam melden dat drie heren hem wilden spreken. Hij spande de ossen uit en liep naar zijn huis. De drie heren ble­ken senatoren te zijn en ze hadden een belangrijke boodschap voor hem. Maar ze vroegen of hij zich eerst even wilde verkleden, omdat zijn werk­plunje niet geheel in overeenstem­ming met het gewicht van hun op­dracht was…

Cincinnatus trok zich terug en kwam even later schoongewassen in zijn to­ga weer te voorschijn. De senatoren deelden hem toen mee dat Rome zich in een zorgwekkende situatie bevond. De ene consul was met het leger om­singeld door vijanden, terwijl men op de andere consul niet durfde vertrou­wen. Volk en Senaat waren daarom tot de slotsom gekomen dat er een dictator aangesteld moest worden. Eensgezind hadden ze voor die func­tie Cincinnatus gekozen, van wie de vele talenten algemeen bekend waren. Na enige aanwijzingen te hebben ge­geven voor het beheer van zijn boer­derij en na afscheid te hebben geno­men van zijn vrouw en kinderen, volgde Cincinnatus de drie senatoren naar het voor hem gereed liggende schip. Aan de overkant van de Tiber stond reeds zijn lijfwacht klaar van  vierentwintig ‘lictoren’ waarop een dictator recht had – tweemaal zoveel als van een consul.

De roedenbundel met de bijl
.
Alle Romeinse magistraten hadden het recht zich te laten begeleiden door een aantal lictoren. Het hing van de hoogte van hun rang af, hoeveel het er mochten zijn. De lictoren droegen over hun schouder een bundel roeden waaruit een bijl stak. Deze uitrusting was een symbool van Etruskische oorsprong. Oorspronkelijk had ze echter gediend om te straffen: de boodschapper werd eerst met de roe­den geslagen en, als het misdrijf waar was, daarna met de bijl onthoofd. Behalve de magistraten werden ook de Vestaalse Maagden door lictoren vergezeld, al was het er in hun geval maar één.

Omdat de roedenbundel met de bijl -de ‘fasces’ – een symbool van oud-Romeins gezag was, nam in onze eeuw de Italiaanse dictator Mussolini deze over voor zijn beweging. Met deze ‘fasces’ hangt daarom het woord ‘fascist’ samen.

’s Ochtends nog achter de ploeg, ’s middags heerser van Rome
.
Cincinnatus begaf zich onmiddellijk naar het Senaatsgebouw, waar hij of­ficieel alle volmachten kreeg. Luttele uren nadat hij achter de ploeg had ge­lopen, was hij de absolute alleenheerser over Rome. De volgende dag riep Cincinnatus het volk bijeen op het Forum. Hij legde uit in welk gevaar de stad zich bevond en hij beval alle mannen die een wapen konden hante­ren, zich te melden voor een veld­tocht. Ouden van dagen en invaliden moesten zorgen voor de proviande­ring. Zo werd er binnen één dag een leger gevormd, dat diezelfde avond reeds de poort ui marcheerde om het andere leger te gaan ontzetten. Mid­den in de nacht bereikten de mannen de plaats waar zich de consul bevond met zijn ingesloten strijdmacht. Ze wierpen zich met een ijzingwekkend krijgsgeschreeuw op de vijand. Het geschreeuw werd dadelijk verheugd beantwoord door de Romeinse solda­ten in het omsingelde kamp. De vij­anden kregen toen een aanval van twee kanten te verduren en moesten zich al spoedig overgeven. Ze moch­ten het leven behouden, maar op de voorwaarde dat ze hun wapens inle­verden en zich volledig aan de Romei­nen onderwierpen. Aan het hoofd van zijn met buit beladen leger trok Cincinnatus enige dagen later Rome weer binnen. En zestien dagen nadat hij de functie van dictator aanvaard had, legde hij deze weer neer. Hij keerde terug naar de ploeg!

Vooruitstrevendheid was een onbekend begrip
.
Cincinnatus, met zijn bescheiden en dienstbaar karakter, zou altijd als één van de grote voorbeelden blijven gel­den. De Romeinen uit later tijden be­schouwden deze vroegere periode van de republiek als de periode waarin de goede eigenschappen van hun volk het meest naar voren waren geko­men. Hun verering van de voor­ouders hield daar ongetwijfeld ver­band mee.

Net als in de meeste andere landen van de Oudheid, geloofde men in Ro­me geen moment dat de toekomst be­ter zou zijn dan het verleden. De goe­de oude tijd – daar sprak men graag over. Vooruitstrevendheid daarente­gen was een onbekend begrip. Als de Romeinen een toespeling wil­den maken op een betere wereld had­den ze het over gisteren en nooit over morgen. En gisteren, dat was de Gou­den Eeuw van het begin van de repu­bliek. De term ‘Gouden Eeuw* ge­bruikten we overigens bij wijze van spreken, want het gaat om een perio­de die ongeveer twee eeuwen duurde: van de 5e tot de 3e eeuw v. Chr. In dat heldhaftige verleden moest egoïsme nog wijken voor burgerzin. Men leidde nog een sober bestaan, waarin geen plaats was voor gierig­heid en afgunst. De mannen waren dapper en hadden een eenvoudig en krachtig geloof in hun goden.

Overzicht staatsinrichting
.
Na de consuls golden als de belangrijkste magistraten: de ‘praetoren’. Ook zij waren met z’n tweeën, sedert 197 v. Chr. met z’n zessen. Eén van de praetoren was belast met de rechtspraak onder de Ro­meinse burgers, de ander met de rechtspraak onder de vreemdelingen. De ‘aedilen’ vervolgens – we zouden hen stadsbestuurders kunnen noemen – waren vier in getal. Zij organiseer­den de politie en hadden toezicht op de openbare gebouwen en de mark­ten. Tevens bewaakten ze het staats­archief en zorgden ze voor de volks­feesten en voor de graanbevoorrading.
Dan waren er nog 20 ‘quaestoren’ die de financiën beheerden. Ze waren verantwoordelijk voor de inkomsten en uitgaven van de staat. Hun taak was de rekeningen van de magistraten te controleren.
Ten slotte komen we bij de ‘censo­ren’. Hun naam is afgeleid van het woord ‘census’: de lijst waarop de burgers volgens hun inkomen geno­teerd stonden.
Deze lijst speelde onder meer een rol bij de verkiezingen. De twee censoren oefenden ook toe­zicht uit op de openbare zeden. Ze vormden dus een soort zedenpoli­tie.
Wie een politieke carrière wilde ma­ken, kon beter maar oppassen dat hij zich niet misdroeg. Want een bekeu­ring door de censoren stond gelijk met de politieke dood.

Maar hoe kregen de mensen deze ambten? De Romeinse republiek was meer een oligarchie (een staat waarin enkelen de macht hebben) dan een democratie (een staat waarin het volk de macht heeft). Dat kwam door de verdeling van de politieke macht tus­sen de Senaat en de volksvergadering. Het woord ‘democratisch’ moeten we in dit verband dus wel met een kor­reltje zout nemen.

Reeds onder de ko­ningen kwamen volksvergaderingen bijeen. Volgens de overlevering deelde koning Servius Tullius het volk in in een aantal vermogensklassen en deze ver­mogensklassen weer in centuriën. Iedere centurie kon één stem uitbren­gen, maar omdat de rijkste klassen de meeste centuriën mochten vormen, hadden de rijken de meeste politieke invloed. De staatsvorm werkte als een als democratie vermomde aristocra­tie. Dit zou later ook strubbelingen gaan geven. Maar zover zijn we nog niet. Half juli werden de vertegen­woordigers van de centuriën bijeen­geroepen om de magistraten voor het volgende ambtsjaar te kiezen. Deze traden dan in januari in functie.

Het werd gebruikelijk dat een ma­gistraat voor het jaar daarop een post in een provincie aanvroeg. Dit geldt natuurlijk pas voor de tijd dat Rome deze provincies of winge­westen verworven had. In zo’n win­gewest, waar dikwijls volop geprofi­teerd mocht worden van wat de be­volking opbracht, kon de ambtenaar zich dan enigszins schadeloos stellen voor zijn vroegere uitgaven. De bur­gers in de volksvergadering deden overigens méér dan alleen de ma­gistraten verkiezen. Zij namen ook wetten aan, verklaarden de oorlog en sloten vrede. Bovendien vormden ze in strafzaken een hof van beroep.

Einde van de gelijkheid
.
Kort na het ontstaan van Rome wa­ren er nog nauwelijks rangen en stan­den geweest. Iedere Romein was boer, koopman of ambachtsman en verder niets. In de koningstijd kwam echter mét de groeiende bevolking ook een maatschappelijke hiërarchie. En toen de republiek gevestigd was, bestond er een diepe kloof tussen twee bevolkingsgroepen: de patriciërs en de plebejers.

In Rome, net als in Griekenland, was de samenleving samengesteld uit vrije mensen en slaven. Tot de vrije mensen behoorden zowel de patri­ciërs als de plebejers. De patriciërs waren de leden van de oude, sinds lang in Rome gevestigde families. Ze beweerden dat ze zeer voornaam wa­ren omdat hun voorouders er ook al­tijd al geweest waren, als het ware als de ‘vaders’ (in het Latijn: patres) van de staat. Zo ontstond het woord ‘pa­triciër’. De plebejers waren over het algemeen pas later naar Rome geko­men. Vreemdelingen dus eigenlijk, die nog geen gelijke rechten hadden gekregen. Het konden kleine boeren en handwerkslieden zijn, maar ook rijke kooplieden. Ze vormden het volk van de tweede rang, het ‘plebs’. Dit woord betekende overigens ge­woon ‘menigte’.

Tuniek met purperen rand
.
Uit hoofde van hun afkomst waren de patriciërs degenen die in de staat de leiding gaven. De senatoren, de consuls en alle andere ambtenaren werden uit hun midden gekozen. Zij waren trouwens verantwoordelijk geweest voor het afzetten van de laatste koning. En omdat dit in Rome als een heroïsche daad gold, die een nieuw en verlicht tijdperk had ge­opend, konden de patriciërs zich er nog altijd op beroemen. Het kiessysteem dat alleen voor de patriciërs gold, was gewoon een uit­vloeisel van de macht die de patriciërs bijna als vanzelfsprekend schenen te bezitten. Hun sterkste bolwerk was -en bleef voorlopig – de Senaat. Deze Raad van Ouderen werd samengesteld uit oud-consuls, en vanaf de le eeuw v. Chr. uit alle oud-magistra­ten. Er waren 300 senatoren. Het ge­tal zou later stijgen tot 600, en zelfs tot 900. Als ereteken hadden ze een purperen rand langs hun tuniek. Bo­vendien droegen ze een gouden ring en speciale schoenen van zwart en rood leer. Die tuniek was een
kle­dingstuk dat ze onder hun toga droe­gen. De toga was trouwens ook van een purperen rand voorzien, maar dat gold voor de toga’s van alle hoge­re ambtenaren.

De Raad der Koningen
.
Vergaderingen van de Senaat verlie­pen over het algemeen als volgt. De voorzitter, meestal één van de con­suls, deed een voorstel. Of hij legde een probleem voor. Of hij bracht rap­port uit over een politieke situatie. Daarna mochten de senatoren, in volgorde van hun waardigheid, hun mening zeggen over de onderhavige kwestie. Als er gestemd moest wor­den, ging dat niet met papiertjes of door handopsteken. De senatoren stonden dan op van hun plaats en be­gaven zich naar degene wiens mening ze deelden. In de vergaderzaal van de Senaat is honderden jaren lang over de wereldpolitiek beslist. Soms ge­beurde dat op indrukwekkende wijze, met prachtige redevoeringen zoals die van Cicero. Buitenlandse bezoekers waren zó onder de indruk van de senatoren dat zij spraken van ‘de Raad der Koningen’. Waarmee ze wilden zeggen, dat de macht van de senato­ren gelijk was aan die van een ko­ning.

Tot in alle uithoeken van de antieke wereld, tot op alle plaatsen waar de Romeinse invloed reikte, werd de for­mule ‘SPQR’ in metaal gegoten en in steen gebeiteld. We kunnen de letters nog steeds lezen op talrijke monu­menten en we vinden ze ook herhaal­delijk terug op archeologische voor­werpen. Eens duidden ze net zo’n macht aan als tegenwoordig de letters ‘USA’ en ‘USSR’. Ze waren de af­korting van ‘Senatus Populusque Ro­manus’ of wel ‘Senaat en Volk van Rome’. Dus zelfs in de officiële bena­ming van de Romeinse staat werd de Senaat genoemd!

Wanneer werd je wat
.
Er was een vastgestelde volgorde in de ambten die je achtereenvolgens mocht bekleden: quaestor, aedilis, praetor, consul. Je moest 30 jaar zijn om quaestor te kunnen worden. En er moesten steeds twee jaar verlopen vóór je de volgende functie kon krijgen. Dit hield dus in dat je geen consul werd voor je 43e jaar.

Stemmen in Rome
.
Vóór de centurie in de volksvergade­ring zijn stem uitbracht namens een he­le groep burgers, moesten die burgers apart stemmen. Hoe ging dat? De stemgerechtigde stak een ‘stembriefje’ in een urn. Als het een verkiezing be­trof, schreef hij gewoon de naam van zijn kandidaat op. Bij een wetsvoorstel schreef hij V (voor) of A (anti = te­gen).

Met de censoren valt niet te spotten
.
Aulus Gellius vertelt een voorval waaruit de macht van de censoren blijkt:
Twee censoren inspecteerden de ruite­rij en ontdekten een heel mager ver­waarloosd paard met een dikke en blo­zende eigenaar. ‘Waarom zie je er zo­veel beter uit dan je paard?’ vroegen ze. De man antwoordde lachend: ‘Om­dat ik voor mezelf zorg, terwijl mijn paard verzorgd wordt door mijn slaaf Statius.’ De censoren vonden dit een onbeleefd antwoord en degradeerden de man naar de laagste bevolkingsklas­se’.

Een boete voor het gapen
.
‘Op een dag was men aan het overleg­gen of een burger die gedurende een zitting van de censoren lang en luid­ruchtig gegaapt had, een boete moest krijgen. Hij ontkwam hier maar net aan, door te zweren dat hij er niets aan kon doen en dat het een familiekwaal was’.
Aulus Gellius, Romeins schrijver uit de 2e eeuw na Chr.

Patriciërs contra plebejers

Het leger werd te klein
.
In de koningstijd en in de eerste jaren van de Romeinse republiek was het oorlogvoeren helemaal een aangele­genheid van de adel, van de patri­ciërs. Maar toen Rome groter en gro­ter werd en er bijna voortdurend oor­log gevoerd werd, bleek dat het adelsleger eigenlijk te klein was. De patriciërs konden toen moeilijk an­ders doen dan de plebejers om hulp vragen. Steeds meer plebejers gingen in militaire dienst, wat hun een zekere belangrijkheid verleende. En natuur­lijk vochten de plebejers niet voor niets, al probeerden de patriciërs er vaak met een koopje vanaf te komen. Over dit laatste schreef Livius, dat de plebejers vaak klaagden ‘dat hun lot was te strijden voor de vrijheid en de heerschappij van Rome, maar in Ro­me door medeburgers te worden ge­knecht en onderdrukt’. Maar dat vele plebejers wisten te pro­fiteren van de vraag naar soldaten, blijkt uit het feit dat steeds meer van hen bezittingen verwierven: ze lieten zich betalen met krijgsbuit, zoals lan­derijen. Er waren ook plebejers die zich voor andere diensten aan de pa­triciërs goed lieten betalen. Som­migen ook werden rijk door de han­del. Zo werden de plebejers langzaam maar zeker belangrijker. En daarmee groeide ook hun besef dat het on­rechtvaardig was dat ze als tweede­rangs burgers werden beschouwd en behandeld.

Volksoproer
.
‘Op een dag’, schrijft Livius, ‘ge­beurde het in Rome, dat een oude man zich het Forum opsleepte, die er erbarmelijk uitzag. Zijn kleren waren overdekt met vuil; nog vreselijker zag zijn bleke, uitgemergelde lichaam er uit. Een lange baard en lange losse haren gaven aan zijn gezicht een wil­de aanblik. Ondanks zijn vervallen uiterlijk werd hij herkend; men zei dat hij onderofficier was geweest en dappere daden had verricht. Zelf ontblootte hij met trots zijn borst en toonde zijn littekens, die van vele eer­volle gevechten getuigden. Hij vertel­de dat hij in de oorlogen had gediend, dat zijn hoeve was verbrand en zijn vee door de vijand was weggedreven, dat hij leningen had moeten aangaan, die door rente op rente nog hoger wa­ren geworden, zodat zij de rest van zijn vermogen hadden opgeslokt. Ten slotte had een verterende ziekte zijn lichaam aangetast. Zijn schuldeisers hadden hem toen naar een tuchthuis gebracht, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Nu toonde hij zijn rug, die misvormd was door de spo­ren van geselslagen. Toen de mensen dat zagen, ging er een kreet van af­schuw op. Heel de stad werd on­rustig. Allen die door een schuld in moeilijkheden waren, stroomden de straat op en smeekten hun medebur­gers om hulp. Toen het zover was, kwamen Latijnse ruiters Rome binnengalopperen met de tijding dat het buurvolk der Volsken naar de stad oprukte’.

De uittocht naar de Heilige Berg
.
Massaal dreigden de plebejers niet te helpen in de strijd tegen de Volsken. Als Rome z’n soldaten zo slecht be­handelde, moest het maar ten ondergaan. Prompt beloofden de patriciërs dat ze de plebejers eerlijker zouden behandelen. De plebejers, hierdoor gekalmeerd, trokken braaf ten strijde en versloegen de Volsken. Maar bij hun terugkomst bleek dat de patri­ciërs zich niet aan het gegeven woord hielden. Dit herhaalde zich nog een paar keer. Ten slotte’, vertelt Livius, ‘was het geduld van de plebejers vol­komen uitgeput. Ze trokken uit Ro­me naar de Heilige Berg en verschansten zich daar in een kamp’.
Dit gebeurde in 494 v. Chr. Je zou het een soort staking kunnen noemen. Een staking van de soldaten. De pa­triciërs raakten geheel in paniek, om­dat Rome nog door verscheidene vijanden bedreigd werd. En om hun sol­daten terug te krijgen, beperkten ze zich nu niet tot beloften, maar voer­den een aantal werkelijke verbeterin­gen in. Ten eerste scholden ze aan de armste plebejers hun schulden kwijt. En omdat de reeds bestaande volks­vertegenwoordiging in feite alleen een aangelegenheid van de patriciërs was, stonden ze de plebejers een eigen volksvergadering toe. Daarin zouden dezen hun eigen magistraten mogen kiezen: de volkstribunen. Dit ambt moest de plebejers bescher­men tegen willekeur van patricische magistraten. Tot welke maatregel er ook tegen een plebejer besloten werd, de volkstribuun mocht altijd ‘Veto’ zeggen: ‘Ik verbied’. Hij was on­schendbaar, wat inhield dat men zich onder ede verplichtte hem te bescher­men tegen alle krenkingen en aansla­gen. Zijn hulp kon natuurlijk op ieder ogenblik nodig zijn, en daarom stond zijn huis dag en nacht open.

Tien Mannen en Twaalf Tafelen
.
Het woord ‘tribuun’ is afgeleid van ‘tribus’ of volkswijk (district). Iedere wijk koos zijn eigen vertegenwoordi­ger, zijn eigen tribuun. De oorsprong van de tribunen moeten we zoeken in het feit dat de plebejers districtsgewijs werden opgeroepen voor militai­re dienst. De eerste tribunen waren vermoedelijk de bevelhebbers van de plebejische troepen. Aanvankelijk werden jaarlijks vier tribunen geko­zen, later steeg het aantal tot tien. Door hun vetorecht waren de volks­tribunen even machtig als de consuls. Terwijl de consuls konden gebieden, konden de volkstribunen verbieden. De een had positieve macht, de ander negatieve. En deze twee dingen wo­gen tegen elkaar op. Eindelijk werd Rome dus toch een beetje democra­tisch. Maar zolang er geen geschreven wetten bestonden en de patricische magistraten nog steeds volgens de ou­de gewoonten vonnisten, konden de plebejers zich niet geheel veilig en rechtvaardig behandeld voelen.
De volgende eis van het volk was dan ook dat er een wetboek zou komen. Na een jarenlange politieke strijd werd die eis in 451 v. Chr. ingewil­ligd. Een commissie – de Tien Man­nen – werd aangewezen om de wetten op te stellen. En voor dat jaar be­noemde men geen andere magistra­ten. Toen de wetten waren opgesteld en door de volksvertegenwoordiging bekrachtigd, werden ze op 12 bronzen platen, de Twaalf Tafelen, opgetekend. Ze vormen de basis van het Romeinse Recht, dat zo goed in elkaar bleek te zitten dat de hele Westerse wereld zich er later op zou baseren bij het maken van zijn eigen wetboeken. Iedere tegenwoordige student in de rechten begint zij studie dan ook met colleges Romeins Recht.
Er bleef nog één ding over dat de plebejers moesten verkrijgen: politieke gelijkheid, dus het recht om ook tot magistraat verkozen te kunnen worden. Ze zouden er een harde dobber aan hebben om dit recht te verwerven. Op alle mogelijke manieren probeerden de patriciërs de magistratuur voor zichzelf te houden. Iedere keer als de hervorming doorgevoerd zou worden, hadden ze weer een ander smoesje om de zaak uit te stellen. Desnoods kochten ze zelfs een vogel­wichelaar om, die dan verklaarde dat ‘de voortekenen ongunstig waren’. Niet voor het eerst in de geschiedenis diende het geloof de machthebbers! Het is zelfs gebeurd dat de Senaats­partij de benoeming van een haar on­sympathieke legeraanvoerder nietig verklaarde op grond van het feit dat er bij die gelegenheid een muis ge­piept had… De strijd tussen de patri­ciërs en de plebejers duurde eigenlijk de hele 5e en 4e eeuw. Pas tegen het jaar 360 v. Chr. gingen de patriciërs toegeven en werd het gewoonte dat één van beide consuls uit de kringen der plebejers kwam. Omdat de Senaat was samengesteld uit oud-consuls, werd de Senaat nu dus ook toegankelijk voor de plebe­jers. Voortaan konden dezen alle ho­ge ambten bekleden.

De held Coriolanus

Cnaeus Marcius was een held in de strijd tegen de Volsken. Dankzij zijn moed werd de stad Corioli veroverd. Daarom kreeg hij de bijnaam Coriola­nus.
Het lag voor de hand dat hij nu ook tot consul zou worden gekozen. Maar hij was een uitzonderlijk trotse patriciër, die niets wilde weten van meer macht voor de plebejers. Het volk koos om deze reden een ander tot consul. Kort hierna kwam een voorraad graan in de havenstad Ostia aan. De senatoren wil­den het graan gratis uitdelen onder het volk. Coriolanus maakte daar echter bezwaren tegen. Hij vond dat de plebe­jers niet zo verwend moesten worden. ‘Geef hun het graan uitsluitend op de voorwaarde dat ze afstand doen van hun volkstribunen,’ zei hij. Toen het volk hiervan hoorde, daagde het Cori­olanus voor het gerecht. Hij weigerde te verschijnen: een patriciër hoefde geen verantwoording af te leggen te­genover plebejers! Maar of hij nu ver­scheen of niet, het gerecht verbande hem uit de stad!

De ledematen en de maag
.
Toen de plebejers zich op de Heilige Berg hadden teruggetrokken, kwam de patriciër Menenius Agrippa naar hen toe om te onderhandelen. Hij begon met een gelijkenis te vertellen: ‘In de tijd dat er nog geen eensgezind­heid binnen het menselijk lichaam bestond, waren de ledematen veront­waardigd dat al hun inspanningen er alleen maar toe dienden de maag lek­ker te laten genieten. Ze smeedden een complot: de armen beloofden dat ze het voedsel niet meer naar de mond zouden brengen, de kaken beloofden dat ze het niet meer zouden kauwen, enzovoort. Welnu, het gevolg was dat het hele lichaam in verval raakte! De ledematen zagen toen in dat de maag wel degelijk z’n nut had en dat hij, be­halve zelf gevoed te worden, op zijn beurt ook de ledematen voedde. Zo moesten de plebejers’, besloot Meneni­us Agrippa, ook inzien dat ze niet zonder de patriciërs konden’.

.

toneelstukken

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

.

698-638

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – Rome (3-1)

.

Rome gesticht en vervloekt

Beter zonder vrouw

De zangers die door de antieke wereld trokken, vertelden een sage over de held Aeneas. Hij was een prins die de Dardaners aanvoerde, een volksstam in de buurt van de Klein Aziatische stad Troje. En niet alleen een prins, ook een halfgod! Zijn vader was Anchises, zijn moeder niemand minder dan de godin van de liefde Afrodite. Tien jaar woedde er een oorlog om Troje. De Grieken probeerden de stad in te nemen, de Trojanen verde­digden zich uit alle macht. Er kwam een eind aan het uitzichtloze beleg, toen de Grieken de list met het ‘Paard van Troje’ bedachten en zo binnen de muren geraakten. Terwijl de stad door de belegeraars in brand werd gestoken, wist Aeneas te ontkomen. Hij droeg zijn oude vader op zijn rug en hij had zijn zoontje Julus aan de hand. Zijn vrouw volgde hem. Maar toen hij buiten de poort kwam, was hij zijn vrouw kwijt! Ontzet keek hij om zich heen en ging naar haar op zoek in de brandende stad. Toen hij haar vond was ze dood. Plotseling hoorde hij echter de stem van zijn moeder Afrodite, die hem zei dat hij weg moest uit Troje, maar dat zij hem zou helpen. Aeneas gehoor­zaamde.

6e klas Rome 1

Met een aantal mannen, vrouwen en kinderen dat eveneens ontkomen was, scheepte Aeneas zich in. Het groepje ging op zoek naar een nieuw vaderland. Na vele omzwervingen be­landde het gezelschap op Kreta, waar het gastvrij ontvangen werd. Er brak echter een periode van grote droogte aan, met rampzalige gevolgen. In een droom werd aan Aeneas verkondigd dat hij verder naar het westen moest zeilen om daar, aan het onbekende deel van de Middellandse Zee een stad te stichten. De stad zou machtig worden en op een dag de Trojanen wreken door de Grieken te verslaan!

Een roemrijke toekomst

Opnieuw gaf Aeneas gehoor aan het bevel van de goden; hij stak in zee en voer westwaarts. Het werd een lange reis met veel avonturen en ontberin­gen. Velen overleefden de tocht niet, want vlak voor de Afrikaanse kust kwamen de schepen in een storm te­recht en een aantal verging. Met slechts een klein restje van zijn volge­lingen kwam Aeneas ergens aan land. Moedeloos zaten de schipbreukelingen bijeen en treurden over de verlo­ren kameraden. Maar toen stond Aeneas op en sprak: ‘Vrienden, jullie hebben reeds erger beproevingen doorgemaakt. Ook aan deze ellende zal de godheid een einde maken. La­ten we moed houden en ons bewaren voor tijden van voorspoed, die zeker ook weer zullen komen. Heus, er zal weer een tijd komen, waarin we het nu doorstane leed feestelijk zullen herdenken. Door alle beproevingen heen streven wij naar het land, waar de goden ons een roemrijke toekomst beloven.’ Daarop ging hij, vergezeld van een schildknaap, op verkenning uit. Ze bleken dicht bij een stad te zijn. Een jageres vertelde aan de mannen dat die stad Carthago heette en dat er de koningin Dido heerste. Ook kregen ze te horen dat ze er waarschijnlijk welkom zouden zijn.

Uit de dood herrezen

Bemoedigd zetten de twee hun tocht voort en gingen de stad binnen, waar juist markt was. Ze schaarden zich bij een grote volksmenigte die om een verhoging stond. Op die verhoging zetelde de koningin Dido; ze gaf raad aan iedereen die erom vroeg. Aeneas was verrast door haar jeugd en haar schoonheid. Maar hij was nog meer verrast toen hij opeens een groepje mannen naar voren zag komen, waarvan de leider zich tot de konin­gin wendde. Dat was de stem van zijn vriend Ilioneus! En die mannen om hem heen waren allemaal doodge­waande Trojanen!
Ilioneus vertelde aan de koningin dat ze onderdanen waren van prins Aene­as en dat ze na een schipbreuk op de kust waren aangespoeld. Helaas had­den ze Aeneas niet onder de overle­venden aangetroffen. Tot overmaat van ramp bleek de bevolking ook nog onvriendelijk tegen hen te zijn. Kon de koningin daar niet iets aan doen? Dido antwoordde dat men het de Carthagers niet kwalijk moest nemen dat ze wat argwanend waren geweest tegen deze plotseling opduikende vreemdelingen. Maar ze voegde eraan toe dat de onderdanen van Aeneas al­leszins welkom waren in haar stad. Wat jammer dat ze Aeneas zelf niet meer kon ontmoeten! Toen hij dit hoorde, trad Aeneas naar voren en zei: ‘Koningin, ik ben Aeneas, en het is kennelijk de wil van de goden dat ik onder uw ogen mijn makkers terug mag zien.’
Er volgden uitbundige omhelzingen van de mannen die van elkaar ge­dacht hadden dat ze dood waren. Ko­ningin Dido nodigde allen uit voor een feestelijke maaltijd in haar paleis.

De plicht gaat voor het meisje

Een zorgeloze tijd brak aan. Aeneas en Dido werden smoorverliefd op el­kaar. Hand in hand wandelden ze on­der de palmen in de paleistuin. En Di­do stelde voor dat Aeneas altijd bij haar zou blijven en koning van Carthago zou worden. Maar dat was niet de bedoeling van de goden. Aeneas moest immers een nieuwe stad stichten. In een droom herinnerde Hermes, de bode van de goden, hem aan zijn opdracht. Het gevolg was dat Aeneas in het geheim voorbereidingen ging treffen voor zijn vertrek. Hij gaf het bevel de schepen zeilree te maken. Van zo’n grote onderneming kon Dido natuur­lijk niet lang onkundig blijven. Ze overlaadde Aeneas met verwijten. Zelfs dreigde ze zelfmoord te plegen als haar minnaar niet bij haar bleef.
Voor Aeneas woog de wens van de goden zwaarder dan de wens van zijn geliefde. Toen de schepen gereed wa­ren voer hij de haven van Carthago uit. Juist op het ogenblik dat ze de havenmond uitvoeren zagen de man­nen een rookpluim opstijgen uit de koninklijke burcht. Een vuur laaide hoog op. Koningin Dido had, onder het voorwendsel een offer te willen brengen, een hoge brandstapel laten oprichten, klom er zelf op en wierp zich in het zwaard van haar geliefde. Vóór zij de dood koos, had ze de ver­trekkende schepen evenwel nog een vervloeking nageroepen: ‘Mogen Carthago en de stad van Aeneas voor altijd vijanden zijn, en mogen ze el­kander beoorlogen en haten!’

Een brug tussen twee legenden

Na een voorspoedige reis kwamen Aeneas en de zijnen bij de Italiaanse westkust aan en volgden deze tot de rivier de Tiber. Ze voeren de rivier een eindje op en bereikten het grond­gebied van koning Latinus. Voorte­kenen hadden al aan Latinus kenbaar gemaakt dat er een vreemde prins zou komen aan wie hij zijn dochter Lavinia zou uithuwelijken. Daarom ont­ving hij Aeneas zeer welwillend. On­gelukkigerwijs was de dochter van Latinus eigenlijk niet meer helemaal beschikbaar. Haar moeder had haar reeds als bruid beloofd aan Turnus, de vorst der Rutuliërs. Er zat voor Aeneas niets anders op dan aan de Rutuliërs de oorlog te verklaren. In een tweegevecht wist hij Turnus te doden. Niets stond zijn huwelijk met Lavinia toen nog in de weg. Hij trouwde en hij stichtte een stad die hij naar zijn vrouw ‘Lavinium’ noemde. Moest de stad niet Rome heten? Nee, want men heeft de legende van Aene­as altijd willen vastknopen aan de le­gende van Romulus die Rome sticht­te. Aeneas kon dus alleen wat voor­bereidend werk doen. Wat daarna volgde, kunnen we zien als een ‘brug’ tussen de twee legenden. Omdat La­vinium een bloeiende stad werd en al gauw overbevolkt raakte, besloot Julus, de zoon van Aeneas, na de dood van zijn vader een nieuwe stad te stichten. Dat werd Alba Longa, de ‘Lange Witte Stad’. Zowel Lavinium als Alba Longa lagen op enkele kilo­meters van de plaats waar later Rome zou ontstaan.

Gooi de baby’s in de Tiber

Vele jaren waren voorbijgegaan. In Alba Longa heerste koning Numitor, de 15e nakomeling van Aeneas. Zijn regering werd ruw onderbroken. Want zijn jongere broer Amulius stootte hem van de troon, doodde zijn zoons en zorgde er ook nog voor dat zijn dochter geen kinderen zou krijgen door een Vestaalse Maagd van haar te maken. De Vestaalse Maagden waren de priesteressen van Vesta, de godin van de huiselijke haard. Zij moesten in hun tempel een eeuwig brandend vuur onderhouden en mochten niet trouwen. Gaven zij zich toch aan een man, dan werden ze levend ingemetseld. Amulius besteeg de troon vanwaar hij Numitor verdreven had. Hij meende niets meer te vrezen te heb­ben. Numitor was weggevlucht, en diens kinderen en kleinkinderen wa­ren ook uitgeschakeld. Maar de goden hadden andere plan­nen. Ze namen er geen genoegen mee dat Numitors dochter, Rea Silvia, geen nakomelingschap zou hebben. Mars, de oorlogsgod, kwam haar be­zoeken… Dit heimelijke bezoek re­sulteerde in de geboorte van een twee­ling, Romulus en Remus. Zodra Amulius van deze geboorte hoorde, liet hij Rea Silvia grijpen om haar te bestraffen. Bovendien gaf hij op­dracht de baby’s in de Tiber te wer­pen.

Weerzien met grootvader

De tweeling verdronk niet. Het mandje waarin de kindertjes lagen, dreef een eind stroomafwaarts en bleef toen in het riet steken. Daar trok een wolvin het mandje op de oever en zoogde de baby’s. Zo vond een herder, Faustulus, hen. Romulus en Remus groeiden op in het gezin van de herder. Maar al gauw onderscheidden ze zich van hun speelkameraden. Ze waren geboren aanvoerders. Weldra hadden ze een soort legertje georganiseerd, waar­mee ze de rovers achtervolgden die vee kwamen stelen. Als ze hun het vee weer hadden afgenomen, gaven ze het terug aan de rechtmatige eige­naar. De rovers vonden het gewoon te gek dat ze zich door een paar jon­gens lieten dwarsbomen. Op een dag pakten ze Remus en voerden hem mee naar de in ballingschap levende koning Numitor. Ze verklaarden dat ze Remus betrapt hadden bij het ste­len van Numitors vee. Gelukkig hechtte de verbannen koning niet veel geloof aan het verhaal. Wel werd hij getroffen door een frappante gelijke­nis tussen de gevangene en zijn doch­ter…

6e klas Rome 2

6e klas Rome 3

meer afbeeldingen

Intussen had ook de herder Faustulus een vermoeden gekregen. Hem be­reikte namelijk het gerucht dat Amu­lius jaren geleden een tweeling van koninklijken bloede uit de weg had proberen te ruimen. Zou het de tweeling zijn die hij, Faustulus, in het wolvennest had gevonden? Hij begaf zich naar Numitor. Er was voor de twee mannen maar een kort gesprek nodig om de zekerheid te krijgen dat Romulus en Remus de verloren kleinzoons van Numitor waren.

De twee broers wilden ook wat

Al het oude zeer werd opgehaald en men besloot Amulius te doden. In het holst van de nacht drongen Romulus en Remus het paleis binnen. Na een korte schermutseling met de lijf­wacht, wisten ze Amulius in zijn slaapvertrek om het leven te brengen. Reeds de volgende dag trok Numitor de stad Alba Longa binnen. Hij werd geestdriftig door de bevolking toege­juicht en hij kon als de wettige ko­ning weer op de troon plaatsnemen. Eind goed, al goed? Niet voor Romu­lus en Remus. Voor hen werd het leven een beetje saai. Ze waren gewend de leider te spelen en nu viel er niets meer te leiden. Daarom namen ze zich voor een nieuwe stad te stichten. Op enkele uren gaans van Alba Longa wisten ze een plaats die daar bij­zonder geschikt voor leek. De Tiber maakte er een grote bocht en in een vruchtbare vlakte lagen zeven heu­vels. Volgens het oude gebruik wer­den eerst de goden geraadpleegd. Waren die de onderneming welge­zind? En moest Romulus of Remus de stichter en eerste koning van de stad worden?

Plagerig

Romulus ging op de heuvel Palatijn staan en Remus op de Aventijn; bei­den tuurden naar een bepaald deel van de hemel om daar voortekenen te ontdekken. Na enige tijd zag Remus zes gieren van rechts zijn stukje hemel binnen­vliegen. Een prachtig voorteken! Jui­chend rende hij naar Romulus. Maar deze ontwaarde op dat ogenblik niet minder dan twaalf gieren, die even­eens van rechts kwamen. Er ontstond grote verwarring. Wie was de ko­ning? Remus, die het eerst een voor­teken had waargenomen? Of Romu­lus, die de meeste gieren had gezien? De twee broers begonnen te bekvech­ten. Uiteindelijk trokken ze zelfs hun zwaard. Er volgde een gevecht, waar­in Remus werd gedood. Volgens een andere versie van de legende was Ro­mulus al bezig met het bouwen van een stadsmuur toen Remus naar hem toekwam. Plagerig sprong Remus over het lage muurtje. Waarop Ro­mulus razend werd en zijn broer doodsloeg onder het uitroepen van de verwensing dat het iedereen zo zou vergaan die het waagde over zijn muur te springen. Zo begon de ge­schiedenis van Rome: met een broe­dermoord.

zie eventueel

6e klas Rome 4
Romes nationale heldendicht

De avonturen van Aeneas vinden we beschreven in Romes nationale
hel­dendicht, de ‘Aeneis’ van Vergilius. Publius Vergilius Maro werd op 15
ok­tober van het jaar 70 v. Chr. geboren in het dorp Andes, in de buurt van Mantua in Noord-Italië. Hij was van eenvoudige afkomst. De eerste 29 jaar van zijn leven bracht hij door met stu­die en werk op de boerderij van zijn ouders. Omdat hun land door de staat onteigend werd, kwam Vergilius op straat te staan. Alleen dankzij de hulp van Maecenas – de spreekwoordelijk geworden beschermer van kunst en kunstenaars – kon hij later weer over een stuk land beschikken en zijn letter­kundige arbeid voortzetten. Toen de schrijver in 19 v. Chr. ziek van een Griekse reis terugkeerde en en­kele dagen later stierf, was zijn hoofd­werk, de ‘Aeneis’, nog niet voor publicatie gereed. Hij wilde dan ook dat het vernietigd zou worden. Maar zijn vrienden gaven het, op verzoek van keizer Augustus, toch uit.

toneelstukken

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas: alle beelden
.

696-636

.