Tagarchief: Driekoningen

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – goud

.

Artikelen over ‘goud’ vind je bij: mineralogie

Zie voor ‘goud’ (en andere metalen) het boek ‘Levende metalen’ van L.F.C. Mees, hier te downloaden.

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

421-394

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (9)

.

DRIEKONINGEN

Achtergronden

Drie Koningen worden de wijzen (of magiërs) uit het Oosten genoemd, die volgens het verhaal van Mattheüs 2:1-12 een ster volgden tot in Betlehem, om Jezus te begroeten als de pasgeboren koning der Joden en hem hun geschenken, goud, wierook en mirre, aan te bieden.

Op grond van het feit dat er sprake is van drie gaven, concludeerde men dat er drie koningen zouden zijn geweest. Sedert de 9de eeuw vindt men hun namen vermeld: Kaspar, Melchior en Balthasar. Volgens middeleeuwse commentaren vertegenwoordigen zij de drie bijbelse mensenrassen der Semieten, Chamieten en Jafetieten en een van hen (Kaspar) wordt door middeleeuwse kunstenaars als neger afgebeeld. Volgens een legende uit de 12de eeuw zouden hun relieken door de Heilige Helena naar Constantinopel zijn overgebracht en na diverse omzwervingen in Milaan terecht zijn gekomen. In 1164 vond een plechtige overbrenging (translatio) plaats naar de Dom van Keulen (Driekoningenschrijn). Het driekoningenfeest wordt gevierd op 6 januari (Epifanie) als onderdeel van het feest van de Verschijning des Heren. In de volksmond wordt het feest Dertiendag (dertien dagen na Kerstmis) genoemd. De Germanen waren bevreesd voor de dertien nachten tussen Kerstmis en Drie Koningen omdat dan geesten zouden rondwaren. Vandaar het gebruik van het slaan met zwepen om de geesten te verdrijven en vruchtbaarheid op te wekken, waaraan het lopen met fakkels en lantaarns herinnert, waarbij de kinderen ter herinnering aan de Drie Koningen papieren kronen opzetten en een verlichte ster aan een stok dragen en een sterrelied zingen.

In het zuiden bestaat nog de gewoonte het driekoningenbrood of de bonenkoek te eten. Wie de boon aantreft is die dag koning.
In Italië wordt Drie Koningen gevierd als ons Sinterklaasfeest.

Drie Koningen en de vrijeschool
Met het feest van Drie Koningen is aan de meest intensieve tijd van feesten in de jaarkring een einde gekomen.
We maken ons evenals de natuur op voor een nieuwe ordening. De geboorte van het Christuskind geeft de aanzet daartoe. De invulling ervan is aan onszelf voorbehouden.

Het zijn de herders die de herder eren in het Kind. Het zijn de koningen die de koning eren in hetzelfde Kind. Het goud symboliseert de koninklijke macht, de wierook de vluchtigheid van de wereldse macht en de mirre, de balsem die bij begrafenisrituelen wordt gebruikt, staat voor het sterfelijk zijn. Immers God neemt de gedaante aan van de sterfelijke mens. In een andere gedachtegang kunnen we de mirre zien als symbool van het terugdringen van het zintuigelijke leven, de wierook als het scheppen van innerlijke ruimte voor het zich ontwikkelende zieleleven en het goud als symbool van de innerlijke liefde.

Een verhaal
De kinderen kennen ongetwijfeld het verhaal van de drie wijzen, de koningen uit het Oosten, die de ster volgen naar Bethlehem en uiteindelijk de kribbe aantreffen met daarin het kind Jezus.

We zouden u willen voorstellen als aanvulling hierop het verhaal ‘De vierde wijze uit het Oosten’ voor te lezen. In boekvorm wordt het uitgegeven door East-West Publications in Den Haag. Eerder verschenen bij Holkema en Warendorf in 1905 en oorspronkelijk uitgegeven door Harper & Bros in 1895 onder de titel The story of the other wise man1.

DE VIERDE WIJZE UIT HET OOSTEN
Dit bekende en geliefde verhaal vertelt van de zoektocht van de Zoroastrische hogepriester Artaban, die het teken aan de hemel heeft gezien dat er in het land van Judea een koning geboren zal worden, die een groot licht zal brengen voor de zoekende wereld. Hoewel hij behoort tot de Zoroastrische religie, beseft hij de grote betekenis van dit teken aan de hemel. Daar geen van zijn vrienden hem durft te vergezellen, besluit hij alleen te gaan naar dat verre land, dat onder Romeinse overheersing zucht, om er de koning, die geboren zal worden, zijn eer te bewijzen. Wel hoopt hij zich onderweg te kunnen voegen bij de wijze magiërs Kaspar, Melchior en Balthazar, die de reis eveneens maken, maar dat zal helaas niet lukken.

Hij verkoopt zijn bezittingen en koopt er drie kostbare juwelen voor om aan de jonge koning te schenken. Zo gaat hij op reis. Hoe zal hij op de proef gesteld worden en hoe zal hij uiteindelijk, aan het eind van zijn krachten en op onverwachte wijze, toch de koning vinden en het Licht ontvangen, waarnaar hij zijn hele leven heeft gezocht.

Daarover vertelt dit prachtige verhaal, dat terecht in de Engelstalige wereld reeds sedert vele tientallen jaren een van de meest geliefde kerstverhalen is.

 

(bron onbekend)
.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

419-393

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (8-1)

.

DRIEKONINGEN IN DE KLEUTERKLAS

Het kerstfeest met de kinderen was een hoogtepunt en tevens de afsluiting van de adventweken. Vol overgave en eerbied speelden de kinderen het kerstspel nu voor het Kerstkind zelf. Het tweede gedeelte van de morgen zaten wij met elkaar rond de feestelijke tafel, waar ieder kind zijn eigen koekhuisje weer zag staan met een lichtje erachter. Wij smul­den van het kerstbrood, de mandarijnen en het mooie kerstkoekje. Aan het eind van het feest gingen de kinderen naar huis met een doos vol schatten, de kerstvakantie tegemoet.

Driekoningenfeest op 6 januari: Toen de kleuters ’s morgens op school kwamen, keken zij meteen naar het tafeltje waarop de kerstgroep staat. Sommigen zuchtten ervan, want daar stonden ze, de drie koningen, gekleed in rode, blauwe en groene mantels. En meteen ont­stond er een gesprek over welke koning nu toch echt voorop moest lopen. ‘Eerst de rode koning, want die is het oudst’, zei een jongen. En zo hebben wij het dan gedaan.

Wat werd er voorzichtig geproefd van het driekoningenbrood. Stel je voor dat je de boon per ongeluk opat zonder het te merken!

En toen mochten de drie gelukkigen met de mooie fluwelen mantels hun tocht maken door de klas, terwijl wij zongen:

vorsten zijn wij uit landen ver
Casper, Melchior, Balthasar;
Ster van Bethlehem; licht in Bethlehem,
Wijs de weg ons, gouden ster.

De gaven, goud, wierook en mirre werden aan het kindje gebracht. Zo zongen en speelden wij het driekoningenspel. En wij gaan ermee nog de hele maand januari door, zodat elke kleuter een keer een van de koningen kan zijn.

Met 2 februari sluiten wij de hele kerst- en driekoningstijd af. Van de restjes kaars maken wij kleine sterretjes, die wij brandend in een schaal met water laten drijven. Dat gebeurt op deze dag die ‘Maria Lichtmis ‘ wordt genoemd; de dag waarop na lange wintermaanden voor het eerst weer zonlicht door het kerkvenster op het altaar viel. Elders heet deze dag wel Moederaardedag of Vrouw Holledag: de zon begint weer hoger te stijgen, en de dagen worden lichter; de eerste bodes van de lente laten zich zien, sneeuwklokje en toverhazelaar – de aarde begint weer uit te ademen.

 (I. Vonk – D. Bakker – T.Koopman, nadere gegevens onbekend)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

418-392

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (7)

.

DE VIERDE KONING

Een hoge, stralende vrieslucht, kristal­lijn blauw en doorschijnend boven het Hollandse polderlandschap, sneeuw op de velden die knerpt en knistert onder je voeten, overal sloten en vaarten die het land doorsnijden – en in al die slo­ten is het kabbelende water gestold, bevroren. Het water, het eeuwig bewegende, het altijd stromende water, ligt stil, althans aan de oppervlakte. Een dikke laag zwart-glanzend ijs heeft de oevers aan elkaar ‘gekit’. Er is geen scheiding meer, je kunt ‘over het wa­ter’ lopen, het draagt je, maar het is wel verraderlijk glad! Dan komen de mensen, groot en klein, jong en oud, en zij  binden de schaat­sen onder. Ze gaan staan, wat onwen­nig, doen een paar stappen, krassen met de schaats op het ijs als om te voelen of het wel houdt. Maar dan ge­ven ze zich over aan die verrukkelijke glijvlucht die ‘schaatsen’ heet. Zij bewegen zich over de spiegelende ijsvlakte met een soepelheid en gemak of zij geen aardezwaarte kennen, met een elegantie zoals zij nimmer laten zien als ze op hun twee voeten lopen over de aarde

Het ijs is zo’n tussending: het is geen water, maar het is ook geen vaste grond. En het is iedere winter weer een verrassing met hoeveel gemak de stijve, wat plompe, onelegante Hol­lander de kunst van de gladde ijzers beheerst. Het is werkelijk of hij in­eens een ander mens wordt, of hij vleugels krijgt en altijd maar door zou kunnen glijden naar verre horizonten. Op het ijs wordt de Hollander een dichter met zijn voeten, met zijn hele lichaam.

Zo kan het zijn in januari, de maand genoemd naar de god van de Romei­nen, Janus met de twee aangezichten, staande boven de stadspoort, gericht naar buiten en naar binnen, of naar verleden en toekomst. Voor velen is het de moeilijkste maand van het jaar, want het stralende vriesweer laat vaak op zich wachten. De winter is pas be­gonnen, van de stijgende zon is nog niets te merken. De dagen lijken grau­wer en somberder dan voor Kerstmis. De kerstboom wordt opgeruimd, het groen is weg, het rood en wit en goud verdwijnt, de gezellige spulletjes van de kersttijd worden opgeborgen tot de volgende decembermaand. De kaal­heid van ons huis maakt ons bedroefd. En toch kan ons soms hetzelfde over­komen als in de herfst, als we de zo­mertooi van de bomen omlaag zien dwarrelen. Ook aanvankelijk een vaag gevoel van treurnis om die ‘ont-hul-ling’, om die steeds grotere ‘naakt’-heid. Maar dan is daar soms ineens, in een helder ogenblik, dat overweldi­gende gevoel dat je door het wegvallen van de ‘sluiers’ een ‘uit-zicht’ krijgt, het zicht wordt helder. Je kan probe­ren te gaan zien wat voor je ligt, wat komen gaat. Datzelfde machtige ge­voel kan je ook overkomen in januari.

In de kersttijd leefden we in het nu, het warme, innige, stralende heden, en we zijn er allemaal door verkwikt. We zijn ondergedompeld in ‘voedend’ wa­ter en we duiken nu weer op in het volle daglicht. We hebben gedronken uit de eeuwig verjongende bron, en nu moeten we weer verder. Kerstmis, het eerste deel van de kerst­tijd, valt in het oude jaar. Wij putten kracht uit de steeds opnieuw beleefde en door-leefde ‘her-innering’ van de gebeurtenissen 2000 jaar geleden. Als we ieder jaar opnieuw open en eerlijk ons ‘emmertje’ neerlaten, dan zullen we ervaren dat het steeds gevuld weer omhoog komt uit de bron, en dat frisse bronwater hebben we hard no­dig voor de tijd die komt. Het feest van Driekoningen, van Epifanie dat is ‘de Verschijning (van de Heer)’ ligt in het nieuwe jaar. Het dwingt ons vooruit te kijken. We wil­len zo graag naar het licht blijven om­zien en wegdromen in heimwee naar een verloren paradijs. En dan blijkt dat we toch moeten omdraaien en moedig de schaduw van de toekomst tegemoet zien. De overgang van het Oude naar het Nieuwe jaar in het mid­den van de kersttijd helpt ons die om­mekeer innerlijk mee te maken. En als ons dat eens een keertje lukt, dan kan dat ons tegelijk wat houvast geven voor het Driekoningenfeest.

Op 6 januari vieren we het feest van de drie ‘magoi’, zoals de Griekse tekst zegt, van de Wijzen uit het Oosten. Het tweede aspect van deze dag is de doop in de Jordaan, de Verschijning van Christus in Jezus van Nazareth, het eigenlijke Epifaniasfeest dat in het Oosten eeuwenlang als hét geboorte­feest werd gevierd. In het Westen werd deze Verschijning ook beleefd als een eerste oplichten van de wederkomst van Christus. Het derde aspect is de bruiloft van Kana: het veranderen van water in wijn door Jezus. Als we het evangelie van Johannes opslaan, kun­nen we er een vermoeden van krijgen waarom dit gebeuren ook bij deze dag hoort: ‘Deze daad die Jezus te Kana in Galilea volbracht, was het begin der tekenen. Hij bracht zijn lichtwezen tot verschijning en zijn leerlingen begon­nen in hem te geloven’ (Joh. 2. vol­gens de vertaling van Ogilvie). Ook hier ontmoeten we dat woord verschijning’.

Hoe kunnen we deze dag nu beleven als een ‘hoogtijdag’? In welke richting moeten we dan zoeken? Als je met kinderen te maken hebt, ligt de uiterlijke viering voor de hand. De taart of de appelkoek met de boon erin hoort bij deze dag. Je kunt er ook drie bonen in stoppen: twee witte en een bruine. Wie de bruine treft in zijn stuk koek, wordt met een zwart gebla­kerde kurk ‘geverfd’. Een ceremonieel dat ieder jaar met vreugde tegemoet wordt gezien! Rondlopen in een geïmproviseerde ommegang door het huis, mantels aan, kronen op, geschenken die met beide handen zorgzaam wor­den meegedragen. Als het kan, een en­gel voorop, en in een hoek wacht Maria devoot tot het zingende groepje haar heeft bereikt. Een mooie plaat, een tekening, een transparant, een ver­haal, een lied: het helpt allemaal om de viering van deze dag gestalte te ge­ven.

De oudere kinderen op de vrijescho­len echter zien het Driekoningenspel uit Oberufer, en daarin ontmoeten zij dan datgene waar wij als volwassenen ineens grond onder de voeten voelen: Herodes, de duistere koning der Joden. In het koninklijke paleis te Jeruzalem ontmoeten de drie wijze priester­koningen het boze, en zij weten het niet. De ster die hen leidde en richting gaf, zijn ze tijdelijk uit het oog verlo­ren. Merkwaardig dat dit kon gebeu­ren. Het is of de stad, het aardse Jeru­zalem, deze verzameling van mense­lijke bouwwerken, van menselijk leven in al zijn mogelijkheden, het zicht op de ster heeft verduisterd. De drie
ko­ningen zijn het spoor bijster. Zij laten zich tijdelijk leiden door de menselijke gedachte, dat de pasgeboren koning der Joden die zij zoeken, wel zal wo­nen in het paleis van de hoofdstad. Het is opvallend, dat er in het evange­lie van Mattheüs staat geschreven: ‘Toen Herodes dat hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem’ (Matth. 2). Blijkbaar was de macht van Herodes groot. De invloed van zijn zwart-magische praktijken hing als een donkere schaduw over de stad. De drie Wijzen zochten een helder licht dat de hele omgeving zou overstralen. Wat zij aanvankelijk vonden, was een ontzag­lijk grote schaduw. De eeuwenoude profetieën van het volk Israël wezen hen echter weer de goede richting. Zij keerden om en verlieten de stad. ‘En zie, de ster die zij hadden zien op­gaan, ging hun voor, totdat zij boven de plaats bleef staan waar het kind was. Het stralende, koninklijke licht dat zij zochten, was op aarde nog niet zichtbaar in zijn volle luister. De ster wees hen echter de weg naar het aller­eerste kleine lichtpunt dat op aarde geboren was vanuit dat grote, hemelse licht. Het straalde als een kaarsvlam in de nacht en wierp grote schaduwen.

Tot tweemaal toe, ontmoeten de drie koningen uit het Oosten een vierde koning: Herodes, de donkere koning in Jeruzalem, en het kind Jezus in Bethlehem, de koning van het licht, vlak bij elkaar.

In de literatuurgeschiedenis is sprake van nog een andere vierde koning, die door de wereld trekt in het voetspoor van de drie Wijzen uit het Oosten. Ook hij heeft de ster gezien, en hij gaat op weg in groot verlangen. De schatten echter, die hij meeneemt op zijn tocht als gave voor het hemelse kind, schenkt hij weg aan mensen in nood. Hij is bedroefd dat hij straks met lege handen voor zijn Heer zal staan. Pas later, veel later beseft hij dat zijn gaven goed gebruikt zijn en te rechter plaats aangekomen. Hij was ge­hoorzaam aan de stem van zijn mede­lijdend hart. Waar hij tranen zag, heeft hij getroost; waar hij honger ontdekte, wilde hij voeden; waar hij pijn ont­moette, heeft hij geholpen zoveel in zijn macht lag. Hij heeft naar eigen keus gehandeld met de geschenken die bestemd waren voor zijn Koning. Maar het blijkt aan het eind van zijn leven, dat hij ongeweten gehandeld heeft in overeenstemming met het we­zen van diezelfde Koning. Het was of hij iedere keer dat een mens in nood zijn pad kruiste, handelde in koninklij­ke opdracht. Dit wordt hem alles pas bewust bij het sterven, en het is ook tenslotte in de dood dat hij zijn Heer ontmoet.

De drie koningen, zijn ‘voor-gangers’ die hij nooit inhaalt, knielen neer bij het kind en bieden hun edele geschen­ken aan: goud, wierook en mirre. Zij staan voor ons als een ideaal. Onze werkelijkheid lijkt meer op de zwerf­tocht van de vierde koning. Er is één troost: de wijzen uit het Oosten volg­den een ster aan de hemel. De vierde koning kon deze ster niet meer waar­nemen sinds zijn vertrek uit het vader­lijk huis. Hij kon echter de ster in zijn eigen hart ervaren, en zo was deze hem toch tot een ‘leid-ster’. Wij zijn als de vierde koning, we leven in het nu, we zijn onderweg. Achter ons ligt wat geweest is, we kunnen er­naar kijken en ervan leren. Voor ons ligt wat komen zal, maar die toekomst moeten we ons niet te ver weg denken. Het heden daartussen ligt niet vast, het stroomt, het is voortdurend in wording. Het is de wisselwerking tus­sen toekomst en verleden, en dat he­den zijn wij.

Net als de drie koningen zullen wij vaak schaduwen zien. Maar het is merkwaardig dat wij pas beseffen hoe donker die schaduwen zijn, als wij het licht ontdekken dat die schaduw werpt. En dat ‘ont-dekken’, dat op­lichten van de sluier, gaat niet zonder voorbereiding. Wij hebben er meestal een heel leven voor nodig. Uit het ver­leden kennen we de richting, en ieder van ons heeft een ‘leid-ster’, die hem bij een kruising van wegen de juiste keuze kan ingeven. Zijn wij bereid om te luisteren? En zullen we eens weten of het licht van onze ster deel uit­maakt van dat grote Licht, waarover gesproken wordt op het feest van Epifanie?

Laat ons dan zingen met de ziener Johannes (Openbaring. 4):

Heilig, heilig, heilig
zijt Gij, Heer, onze God,
de al-omvattende
Gij die waart,
Gij die zijt,
Gij die komen zult.

(Marieke Anschütz, Jonas 10, 12-01-1979)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

417-391

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (6)

.

VAN KIND TOT KONING

De smalle invalsweg van de grote stad was erg druk. Geparkeerde auto’s aan beide kanten van de straat, fietsen, bromfietsen, autoverkeer. Gelukkig kon niemand echt hard rijden. Toen gebeurde het. Een kind, niet ou­der dan drie jaar, liep de stoep af, re­gelrecht de straat op. Het liep rustig, als in een droom, het keek niet links of rechts, alleen voor zich uit naar de overkant. Daar wilde het heen. Het kind liep wat zoekend en tastend alsof het niet zelf liep, maar door een groter iemand achter hem ‘gestuurd’ werd. Er was een ruimte om het kind heen, een wijde beschermende tovercirkel die zich met het kind meebewoog in een aarzelende zigzaglijn over de straat.

Het kind bereikte veilig de overkant en verdween tussen de geparkeerde auto’s. Niets had het kind gedeerd. Het was alsof binnen die ruimte waar­in het kind overstak, de tijd bleef stil­staan. Er was geen tijd, er was alleen een vleug van eeuwigheid. Daarom­heen stroomde het verkeer verder. Hoevelen hebben het lichtende spoor van de engel gezien?

Op de avond van de 24e december staan we aan de oever van een breed, stil water: de twaalf heilige nachten. We dalen af in de stroom, we worden gedragen door het water, en als we aan de andere oever aankomen, zijn we een ander mens geworden. In het midden van de stroom ligt het keer­punt, van oud naar nieuw. Het is het punt waar de reus Offerus merkte dat hij Christ-offerus was geworden, een
‘Christus-drager’.

De ontmoeting met de Koning die hij zocht, was anders dan hij zich had voorgesteld. In gehoorzame dienst­baarheid, had hij de reizigers over de rivier gedragen op zijn sterke schou­ders, omdat op die plaats geen brug was of boot.

Hoe voelt dat: gedragen worden? Dat zijn we vergeten. Als kind werden we gedragen, van de trap, over het hek, langs de weg. We weten niet meer hoe dat voelt, die totale overgave, dat vol­strekte vertrouwen. Toch zou je zoiets weer kunnen beleven; tijdens de tocht over dat stille water van de twaalf hei­lige nachten. Als je je openstelt voor de gave van de Kerstnacht, kun je je ‘gedragen’ voelen door de macht van een liefde die de grootste is in heel de wereld.

Die eerste dagen na het geboortefeest van het Christuskind, leef je in een soort droomtoestand. Het is of de tijd stilstaat. Dat duurt tot het keerpunt van oudjaar. Met de overgang naar het nieuwe jaar, is het of we wakker ge­schud worden. We krijgen weer grond onder de voeten, we naderen de ande­re oever.

Wat is de stemming anders geworden als we zijn ‘aan-geland’ op 6 januari! Daar staan we dan, verlaten en in de kou, lijkt het. Hoe moeten we nu ver­der?

Dan komen ons daar in het heldere daglicht drie wijze koningen tegemoet met hun rijke geschenken: goud, wierook  en mirre. Dan ineens besef je waar het om gaat: tot hier toe werden we gedragen door een stroom van licht en warmte. Nu moeten we zelf ‘dra­gers’ worden. We hebben ontvangen wat in oneindige goedheid aan de we­reld geschonken is. Nu moeten we proberen zelf ‘schenkers’ te worden, zelf te leren geven, en ook te weten wat je geeft en hoe je geeft, zoals de drie wijze koningen uit het Oosten.

(Marieke Anschütz, Jonas 8/9, 15-12-1978)

 

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

416-390

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (5)

.

DE PLANETENSTAND VAN BETHLEHEM

‘Waar is de koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien’

‘Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem en vroegen: ‘Waar is de koning der Joden die geboren is? Want wij hebben zijn Ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen’.
Toen koning Herodes dit hoorde maakte hij zich zorgen en heel Jeruzalem met hem. (-) Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen nauwkeurig navraag naar de tijd, dat de Ster geschenen had. En hij liet hen naar Bethlehem gaan (-). Zij hoorden de koning aan en reisden weg en zie, de Ster die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was.’

De evangelist Mattheüs is de enige van de vier evangelisten die melding maakt van een ster, die de wijzen uit het Oosten de weg zou hebben gewezen naar de pasgebo­ren ‘koning der Joden’, ofschoon ook andere oude geschriften in dit verband spreken van een heldere ster. Wat was die ster?

We kunnen beweren dat de ster een bo­vennatuurlijk verschijnsel was. Een wonder dus. In dat geval is alle verdere discussie overbodig.

Maar er is alle aanleiding te denken aan een verklaarbaar hemelverschijnsel. De wijzen uit het Oosten waren hoogstwaar­schijnlijk afkomstig uit Babylon. Gezien hun belangstelling voor sterrenkundige ver­schijnselen moeten het welhaast priester-astrologen zijn geweest, geleerde mensen die de hemel nacht na nacht bestudeerden om daarin tekenen te zien die van invloed konden zijn op het bestaan van de mens op aarde. In die tijd waren astronomie (weten­schap) en astrologie (bijgeloof) nog sterk met elkaar verweven.

Mogelijkheden
Er zijn in principe drie serieuze sterrenkundige mogelijkheden:

□   De ster was een ster die plotseling zeer opvallend werd;

□   De ster was een komeet, ook wel ‘staart­ster’ genoemd; en

□   De ster was een uitzonderlijke samenstand van planeten.

Om te kunnen onderzoeken of een van deze verschijnselen zich rond Christus’ ge­boorte heeft voorgedaan, moeten we eerst weten wanneer Christus werd geboren.

De Bijbel geeft daar geen uitsluitsel over. Mattheüs zegt dat Christus werd geboren ten tijde van Herodes’ heerschappij. Maar wanneer precies?

Onze huidige christelijke tijdrekening werd ingevoerd door Dionysius Exiguus, een monnik die in de zesde eeuw in Rome werkte. Tot die tijd werden jaren geteld vanaf 17 september 284 (volgens onze hui­dige kalender), toen Diocletian us door zijn troepen tot keizer van Rome werd uitgeroe­pen.

In 525 brak Dionysius met deze gewoonte toen hij nieuwe paastabellen samenstelde. Hij begon het jaar 1, uitgaande van 25 de­cember- (wat toen al de datum van kerstmis was), zes dagen later: 1 januari van het jaar 1 AD (Anno Domini).

Uit de Bijbel weten wij dat Herodes stierf tussen een maansverduistering en de vol­gende (joodse) Pasen. Het lijkt het meest waarschijnlijk dat het hier gaat om de maansverduistering in de nacht van 9 op 10 januari van het jaar 1. Negentig dagen later vond het joodse Paasfeest in dat jaar plaats.

Supernova
Dit alles betekent dat Christus voor het jaar 1 geboren moet zijn. Het meest waar­schijnlijk lijkt – op basis van de huidige in­formatie – 3 of 2 voor Christus (al klinkt dat wat vreemd in dit verband).

We weten nu dus, dat we goede gronden hebben te zoeken naar bijzondere hemel­verschijnselen die zich voltrokken twee of drie jaar voor het begin van onze jaartel­ling.
Was de Ster van Bethehem een ‘nieuwe’ ster die plotseling opvlamde en zo een op­vallend verschijnsel aan de hemel werd? In dit geval spreken we van een nova of super­nova (latijn: nova is nieuw).

In werkelijkheid gaat het niet om een nieuwe ster, maar juist om een ster die een heel leven van miljoenen of miljarden jaren achter zich heeft en met een reusachtige ex­plosie aan haar einde komt.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat de ster een nova geweest is, Er zijn namelijk geen su­pernovae van rond het begin van de jaartelling bekend. Maar er is nog een reden waarom een supernova onwaarschijnlijk is als verklaring voor de Ster van Bethlehem: de ster was niet door Herodes gezien. Het ging dus mogelijk om een verschijnsel dat alleen voor ingewijden duidelijk was.

In 1302 schilderde de Italiaanse kunste­naar Giotto di Bondone een fresco in de Are­nakapel te Padua: de Aanbidding der Wij­zen. Op dat schilderij is de Ster van Bethle­hem te zien als staartster.

Giotto was geïnspireerd door de verschij­ning van de komeet van Halley een jaar eer­der, dezelfde komeet die ons in 1986 met een bezoek vereerde. (De komeet werd overi­gens pas eeuwen later genoemd naar de En­gelse astronoom die ontdekte dat het hier om een periodiek verschijnsel ging).
Kan de Ster van Bethlehem een komeet geweest zijn?
Kometen, brokken van stof en ijs, draaien om de zon – net als de aarde en de andere planeten. Maar een komeet heeft meestal een zeer langgerekte baan die hem tot ver buiten het rijk van de negen planeten voert. De meeste kometen hebben zelfs zulke lange banen dat ze als eenmalig worden be­schouwd.
De komeet van Halley vereert ons elke 76 jaar met een bezoek. Hij wordt dan ook al sinds voor het begin van onze jaartelling gevolgd.

Opgeblazen
Gezien het feit dat kometen ons toch nog altijd op miljoenen kilometers afstand pas­seren, zouden we ze nooit zien, ware het niet dat ze zich geweldig opblazen als ze in de buurt van de zon komen. De komeetkern wordt daar opgewarmd, het ijs verdampt tot gas en de kop omringt zich met een uiterst dunne maar zeer uitgebreide gassluier. Die weerkaatst het licht van de zon en zo kunnen we de komeet zien, terwijl hij zich richting zon spoedt.
Door de druk van deeltjes die van de zon af vliegen (de zogenaamde zonnewind) wordt het gasomhulsel naar achteren uitge­rekt. Daarom is de staart van een komeet altijd van de zon afgericht.

Zijn er kometen zichtbaar geweest rond 2 voor Christus? Daar zijn geen
overtui­gende aanwijzingen voor. De heldere ko­meet van Halley verscheen in augustus van het jaar 12 voor Christus. Maar dat is veel te vroeg om in het kader van dit verhaal van betekenis te kunnen zijn.
En er is nog een belangrijke reden waarom de Ster van Bethlehem zeer
waar­schijnlijk géén komeet is geweest: kometen werden door verschillende culturen altijd gezien als onheilsbrengers. Ze verkondigden de dood van vorsten of de komst van ram­pen, en dus niet de geboorte van koningen.

Samenstand
Blijft over de laatste mogelijkheid: een bijzondere samenstand van (heldere) planeten.
Astrologen in het tweestromenland die beroepshalve de bewegingen van de plane­ten nauwkeurig in de gaten hielden, zou dat zeker zijn opgevallen. Is er derhalve rond het begin van onze jaartelling een samenstand geweest waaraan een bijzondere be­tekenis kon worden gehecht?
Samenstanden treden regelmatig op, maar ze zijn lang niet altijd spectaculair. Ze worden veroorzaakt door het feit dat de planeten om de zon lopen, weliswaar in dezelfde richting, maar met verschillende snelheden.
Omdat ook de aarde zelf om de zon draait, lijken voor ons de bewegingen van de planeten aan de hemel tamelijk grillig. Soms bewegen ze in oostelijke richting om dan plotseling stil te gaan staan en weer naar het westen te bewegen. De situatie is dan te vergelijken met die van raceauto’s op concentrische banen.
Wanneer de aarde (op de binnenbaan) een planeet als Mars of Jupiter (op een bui­tenbaan) passeert, lijkt het alsof Mars en Jupiter niet meer naar voren, maar naar achteren bewegen ten opzichte van de achtergrond (de vaste sterren).

Planetarium
Vroeger, toen men nog dacht dat de aarde het onwrikbare middelpunt van het heelal was, had men geen goede verklaring voor dit merkwaardige gedrag van de pla­neten, hetgeen hun eigengereide ‘goddelij­ke’ karakter alleen maar leek te onderstre­pen.

Was er een bijzondere samenstand van planeten rond Christus’ geboorte? Met be­hulp van de wetten van de hemelmechanica kunnen we terugrekenen naar die tijd. Com­puters doen dat razendsnel. En tegenwoor­dig beschikken we ook nog over een unieke tijdmachine: het planetarium.
In een planetarium (zoals het Zeiss Pla­netarium Artis in Amsterdam) kunnen we niet alleen de sterrenhemel, maar ook de bewegingen van zon, maan en planeten nauwkeurig nabootsen. En dat, in principe, voor elk willekeurig tijdstip.

We kunnen onze ‘tijdmachine’ dus laten terugdraaien naar het jaar 2 voor Christus en dan zien we inderdaad een heel opval­lende samenloop van planeten optreden. In feite gaat het om een reeks samenstanden, zo uniek dat die zich in onze twintigste eeuw niet een keer voordoen.

Koningsplaneet
Wat gebeurde er precies?
Ons verhaal begint op 12 augustus van het jaar 3 voor Christus. Toen kwamen de hel­dere planeten Jupiter en Venus zeer dicht elkaar aan de hemel: op maar eenzevende van de schijnbare middellijn van de maan.
Gezien vanuit Babylon stonden de plane­ten zij aan zij, laag in het oosten, voor zons­opkomst. Zo’n samenstand is zo bijzonder dat de priester-astrologen in Babylon zich ongetwijfeld onmiddellijk gingen afvragen wat dit te betekenen had.

Daar kwam nog bij dat de samenstand plaatsvond in het sterrenbeeld de Leeuw en de leeuw was het symbool van Juda. Jupiter en Venus stonden vlakbij de helderste ster van de Leeuw, Regulus, de Koningsster. En Jupiter werd door de Babyloniërs als de Koningsplaneet beschouwd.  Maar de symboliek werd nog dramatischer, toen Jupiter in de volgende weken richting Regulus ging bewegen: de Konings­planeet naderde de Koningsster. Later passeerde Jupiter Regulus en bewoog lang­zaam verder naar het oosten. Maar toen het winter was geworden leek Jupiter zich te bedenken en begon weer westwaarts te be­wegen richting Regulus. Op 17 februari van het jaar 2 voor Christus vond opnieuw een passage op korte afstand plaats.
De wijzen moeten perplex zijn geweest bij het zien van deze voor hen volslagen on­verklaarde hemelse manoeuvres. Een paar weken later draaide Jupiter opnieuw om.
De wijzen wisten al dat er een derde samenstand op komst was en die gebeurde op 8 mei 2 voor Christus.
Zo’n drievoudige Jupiter-Regulussamenstand is een tamelijk uitzonderlijk iets. In onze tijd vond er een plaats in 1979/80, maar de volgende zullen we pas weer in 2039 kun­nen zien.

Rakelings
Maar het beste moest nog komen. Nadat Jupiter dus al drie keer rakelings langs Regulus was gegaan, kwam in juni Venus ach­ter de zon te voorschijn om langzaam richting Jupiter te gaan bewegen.
De wijzen moeten zich in een sfeer van gespannen verwachting hebben afgevraagd hoe dicht de planeten elkaar zouden naderen.
Ze werden niet teleurgesteld. Op 17 juni kwamen Jupiter en Venus zo dicht bij elkaar dat ze vanuit Babylon niet meer als afzonderlijke hemellichamen konden worden gezien.
Ze waren het dichtst bij elkaar om 20.51 uur, toen het al donker was en de indruk­kende combinatie als een stralend licht bo­ven de westelijke horizon schitterde. Tot een uur later – toen ze ondergingen – ston­den de planeten als een hemelse briljant aan het uitspansel, richting Jeruzalem van­uit Babylon gezien.

Al met al was het een even opvallend als zeldzaam hemelverschijnsel dat in de ogen van de wijzen wel iets zeer bijzonders moest betekenen. In onze tijd kwam de laat­ste bedekking van twee planeten voor in 1818 en pas in 2065 zullen onze nazaten weer zoiets kunnen zien. De priester-astrologen waren waarschijnlijk op de hoogte met de joodse profetieën, gezien het feit dat de jo­den tijdens hun ballingschap in Babylon ver­keerd hadden.

De wijzen trokken daarop naar het acht­honderd kilometer verderop gelegen Jeru­zalem om navraag te doen en door Herodus te worden doorgestuurd naar Bethlehem (tien kilometer ten zuiden van Jeruzalem), de plaats die in de
profetieën was genoemd.

Hypothese
Als de hypothese correct is ligt de waar­schijnlijke datum van Christus’ geboorte in de zomer van het jaar 2 voor Christus.
Sinds de Duitse astronoom Johannes Kepler zich in de zeventiende eeuw afvroeg wat de Ster van Bethlehem was, hebben legio astronomen dat na hem gedaan. En onze generatie zal waarschijnlijk niet de laatste zijn die zich over deze kwestie het hoofd breekt.
Maar wat de Ster ook in natuurkundige zin is geweest: zij blijft een teken van licht en hoop in een duistere wereld.

Altijd maar weer.

Jaar in jaar uit.

giotto di bondone123471-004-51DDA81F

De aanbidding van de wijzen – Giotto di Bondone

(Piet Smolders, De Gelderlander, 16-12-1989)

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

 

.

415-389

 

 

 

 

 

 

 

.


VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel

.

Magchiel Matthijsen, DRIELUIK, mededelingenblad van Zeister vrijeschool, datum onbekend
.

KERSTSPELEN – DRIEKONINGENSPEL

Met de opvoering van het Driekoningenspel is aan de meest intensieve tijd van feesten in de jaarkring een einde gekomen, en ietwat oneer­biedig kan het gevoel opkomen ‘nu dan weer tot de orde van de dag te kunnen terugkeren.’ Zo is het echter niet, juist dankzij het inten­sieve vieren van deze feesten en dankzij het er lange tijd voor- en ‘nabereidend’, mee omgaan, begin je te merken, dat er daardoor pas zo­iets als ‘orde’ van de dag kan zijn.

Zonder deze momenten van de jaarfeesten zouden immers de dagen geens­zins met orde verlopen,  integendeel,  een overgeleverd zijn aan de on­geordende bewegingen van de natuur, van weersgesteldheden, van de at­mosfeer zou het gevolg zijn. Een leven, waarin de stemmingen van het zielenleven zich zouden opvolgen als wolkenflarden die aan de zon voor­bij trekken, of als de steeds wisselende temperaturen van het water. Het ordenende bewustzijn danken we echter aan een sfeer, die weidser is dan de directe levenssfeer van de aarde, de sfeer van de hemellichamen, van de kosmos – waarin ook de betekenis van het woord ‘orde’ ligt opgesloten.
Hierop kan het Driekoningenspel ons wijzen, wanneer immers de alles omverwerpende gebeurtenis van de geboorte van het Christuskind zich in Palestina voordoet, waardoor een nieuwe orde der dingen ontstaat, dan is het niet een plotseling geruis door de bomen, of een schokken van de aarde, die ons dit wereldgebeuren meedeelt, maar een uit wereldruimten stralende ster ‘so noyt en wiert gesien’. Juist omdat deze gebeurtenis in de tijd een nieuwe orde schiep, moest de afspiegeling, daarvan zich groots en weid in de ruimte voordoen.

Het is misschien mogelijk vanuit een bepaald gezichtspunt nog een korte blik op deze Drie Koningen te werpen, om te zien hoe in hun komst naar Bethlehem, en met name in de geschenken, die zij uit hun landen mee­brengen van oudsher de eenheid van deze Drie Koningen werd beleefd.
De drie afzonderlijke Koningen representeerden van dat geheel slechts een facet; zo sterk sprak die eenheid tot de verbeelding van het volk, dat in de legenden, die zich rond deze figuren sponnen, Balthasar, Kaspar en Melchior als onafscheidelijk werden gezien, van het moment dat de afzonderlijke wegen hen tezamen had gebracht tot en met het moment van de dood toe, waar de reeds gestorven en begraven Baltha­sar en Melchior in hun graf opschuiven en plaats maken, wanneer de jongere Kaspar komt te sterven en in hetzelfde graf wordt bijgezet.

Tegenover hen stonden de Herders, niet ‘de drie Herders’, hoewel door de volksspelen in de 15e eeuw langzamerhand een zekere indivi­dualisering is opgetreden, waardoor enkele van hen een naam kregen – die weliswaar niet in de legenden voorkomt, maar die ons in de loop der tijden haast even vertrouwd in de oren is gaan klinken als die van Kaspar, Balthasar en Melchior. Maar net zomin als de geschenken van de Herders hun betekenis ontlenen aan de veredeling, die zij door de bewerking van mensenhanden hebben ondergaan – immers wol, meel, melk en het lam (gaven, die niet in de Evangeliën worden ge­noemd) zijn geschenken, die uit de directe levensgemeenschap van de Herders met de natuur voortkomen (de natuur schenkt als het ware door de herders heen), zo zijn het niet de individualiteiten die de geschenken aanbieden, waar het hier om gaat. Hier is het geschenk eerder ‘voorwendsel’ voor de allerarmsten, voor hen die niets bezitten, om het licht van het Christuskind te mogen aanschouwen, in de stal te mogen zijn en niet met lege handen te hoeven staan.

Met de geschenken, die de allerrijksten brachten, en die met grote zorg waren uitgezocht, heeft zich begrijpelijkerwijze al vrij vroeg een symbolische betekenis verbonden.

Dat in dit kind een Koning geëerd werd, die over de gehele wereld zou regeren met Goddelijke macht, kon alleen worden uitgedrukt in het G O U D, in een gouden appel. Dat deze heerschappij berustte op de Goddelijkheid van deze Majesteit, en dat aan deze Godheid hulde ge­bracht moest worden, werd zichtbaar in de zich vervluchtigende rook van de W I E R O O K, en dat deze God, die met zijn geboorte op aarde het lot van de mens, van de sterfelijkheid van de mens op zich nam, vond zijn weerspiegeling in de M I  R R E,  die vanouds bij elk begra­fenisritueel werd gebruikt.  Zo vond in deze drie geschenken het aardse antwoord, de bevestiging van de geboorte van dit Goddelijk menselijk wezen plaats.

Melchior schenkt in onderwerping aan de Majesteit van de nieuw gevonden Koning het goud,  hopend op genade.
Kaspar schenkt de mirre, roemend en prijzend het wonder van de geboorte van het Goddelijke in een teer, broos, menselijk lichaam -‘hoe is U woningh so arrem bestelt.
Balthasar schenkt de wierook en eert daarmee de hoogste Goddelijke Held en Koning.
Maar meer kunnen deze geschenken voor ons zijn, wanneer ze worden
gezien als een tijdeloze afspiegeling van onze groeiende verhouding tot het hogere;  wanneer de mirre het beeld wordt van het terugdringen van het zintuiglijke leven,  van het afsterven voor de steeds wisselende indrukken van buiten, wanneer in de wierook tot uitdrukking komt hoe. door een innerlijk ruimte maken, inhouden in de ziel kunnen worden opgenomen en kunnen groeien, en hoe van daaruit in het goud,  de liefde, die als dank voor de nieuwe innerlijke openbaring kan oplichten, wordt uitgedrukt. Zo spraken de middeleeuwse schrijvers nog over de beteke­nis van deze gaven.

Wanneer in dit verdere verloop nog iets over de Drie Koningen afzon­derlijk gezegd wordt, geschiedt dat niet aan de hand van een middel­eeuwse schrijver, maar aan de hand van een voordracht van Rudolf Steiner.
Steiner bespreekt in een pedagogische voordracht, hoe de drie verschillende logische functies, het voorstellen, het oordelen en het besluiten, die de mens met zijn zielenorganisme uitvoert, en waarin we respectievelijk de zielenactiviteiten van het denken, voelen en willen werkzaam zien, hoe we min of meer gewend zijn deze drie functies in de hersenen gelokaliseerd te zien, waardoor een oefenen van deze vermogens dientengevolge in het verleden als een scholen van het exact-logische, causale denken werd gezien. Steiner wijst erop, dat dit niet juist is, dat eigenlijk alleen de functie van het voorstel­len aan het denken, aan het hoofd in directe zin is gebonden, terwijl de grondslag van het oordelen bijvoorbeeld niet in de hersenen is te vinden, maar in armen en handen. ‘In werkelijkheid oordelen wij met onze armen en handen.’ En zoals de armen en handen niet het oordeel, maar de activiteit van het oordelen mogelijk maken, zo zijn het volgens Steiner de benen en de voeten, die samenhangen met het vermogen om besluiten te nemen. Los van de betekenis, die deze inzichten hebben voor een opvoedkunst, die zich de ontwikkeling van deze vermogens ten doel stelt- een heel nieuw licht wordt hierdoor bijvoorbeeld op een vak als handvaardigheid of euritmie geworpen – kan ons aan een korte beschouwing over de Drie Koningen iets van de waarheid van een der­gelijk, niet direct  controleerbaar gezichtspunt duidelijk worden. 

Vanuit een werkelijk kunstzinnig scheppingsproces, dat van een inspiratief beleven van de waarheid is doortrokken, moet in het tot leven brengen van deze drie gestalten zichtbaar worden, hoe de drie verschil­lende zielenhoudingen van deze wijzen zich ook in hun denken op ver­schillende manieren uitten.

Er zullen zo vanuit de kunstzinnige oerbron, van waaruit aan deze
personen in de middeleeuwen gestalte werd gegeven, al vanzelfsprekend
verschillen ontstaan al naar gelang een sterker benadrukken van het
voorstellende, oordelende of besluitende karakter, dat het denken van
deze Koningen eigen is.

De werkelijke inspiratie en de waarheid van waaruit deze middeleeuwse spelen kunstzinnig vorm kregen, stond er echter borg voor, dat deze elementen niet als een abstract gegeven of een theorie aan ons ver­schijnen.

Ze zijn niet aan de figuren ‘opgehangen’, integendeel, er wordt
zichtbaar, hoe dit verschillend gerichte denken uit een levend beeld van de verschillende geaardheid van deze Koningen voortsproot, en hoe tot in hun spreken en bewegen dit principe op de wijze, zoals dit door Rudolf Steiner werd beschreven, onbewust in hun scheppingen vorm kreeg. Hoewel het niet in de bedoeling kan liggen de Kerstspelen tot vrij gebied voor schriftgeleerden te verklaren, van het bovenstaande hier tot slot een enkel voorbeeld.

Melchior is de enige Koning door wie de directe waarneming van de ster wordt beschreven; uitvoerig neemt hij waar en bouwt het inner­lijk beeld op, waarvan hij het raadsel ter oplossing, de mathemati­cus te duiden geeft.
Op grond van zijn waarnemen en doorzien van de situatie draagt hij in het verdere verloop mogelijke oplossingen aan. Zo verbindt hij telkens een oude situatie met een nieuwe. Wanneer de ster verdwenen is, het optrekken naar Jerusalem; na het bezoek aan Herodes het verder trekken naar Bethlehem, enzovoorts, maar in de stal spreekt in zijn herinnering het beeld van Herodes, tot wie de Koningen zouden terugreizen: hij brengt het heden met wat direct vooraf ging in verbinding. Zo rijgen de beelden, de voorstellingen zich aaneen, en wanneer het denken zijn zekerheid eenmaal gevonden heeft, brengen de v r a g e n van dit hoofdgebonden denken: welk geschenk, welke weg? hem niet van zijn stuk.                     .

Balthasar, de oudste der koningen, treedt nooit als eerste op, hij
laat de anderen voorgaan, heeft een situatie nodig waarop hij deze
met de zijne vergelijkend, kan reageren. Er moet al een soort
herkennen zijn, dan kan hij vanuit hartenkrachten oordelen en bezit hij
zijn zekerheid; hij weet het passende geschenk, en waar ‘twee wegen’
zijn, de juiste weg. Hij weet, dat op de plaats waar de ster stilstaat
het kind zich bevindt. Het is dan ook Balthasar, die ten afscheid in
de stal de zegen uitspreekt en daartoe armen en handen uitspreidt.
Hier, op dit gebied heeft zijn oordelen een zekere mate van vrijheid
in het bewegen geschapen, of anders gezegd, het vrije bewegen van
armen en handen in gebed, offeren en zegening leidt bij Balthasar tot
de innerlijke zekerheid in het oordeel.

Kaspar is de enige Koning, de jongste, die op weg trekt zonder dat uitgesproken werd waarheen. Zijn vertrouwen in de ster is voldoende. Het jong zijn verklaart iets van zijn spontaan, direct reageren – zo soms neigend naar het naïeve – en zijn vermogen tot het zich verwon­deren uit zich in al zijn ontmoetingen met mensen. Bethlehem wordt niet genoemd. Hij draagt zijn doel in zich, in een diepere, haast onbewuste laag, van waaruit hij, op het moment van de plotselinge twijfel, van de ‘dwaligh’ ruw wordt losgerukt.

De bede van Kaspar is er een om de ‘regte baen’. Zijn voeten moeten immers de weg kunnen blijven volgen. Daaruit ontspruit dan de besluitkracht, waarmee hij zich actief met de wereld om zich heen kan verhouden.

Zö zien we deze Koningen vóór ons, in hun voortbewegen en voort­schrijden ervaren we een levendigheid en een vrijheid, die ons bewust kunnen maken hoe willekeurig en krom onze eigen banen meestal zijn, hoe star ons voor of tegen, ons ja of nee, en hoe sprin­gerig en vluchtig, ons denken.

Een dergelijke beschouwing kan opnieuw, vanuit één bepaalde gezichts­hoek duidelijk maken welke grote wijsheden er in de Kerstspelen ver­borgen zijn, en richt de blik op de bron van waaruit dit weten is voortgekomen.

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

414-388

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (4)

.
Driekoningen: alle artikelen
.

EPIFANIE; EEN WAAKZAAM WACHTEN

Het is laat in de namiddag van een winterse dag. Ik sta te strijken voor de glazen deur naar het tegelterras. Je hebt daar zo’n heerlijk uitzicht op de tuin en intussen doen je handen het vertrouwde werk. De stapel strijkgoed slinkt al aardig. Zo nu en dan laat ik de strijkbout rusten op het rooster om te genieten van de zonsondergang. Dit huis is zo gebouwd, dat we ’s mor­gens aan de voorkant de zon zien op­komen achter de huizen aan de over­kant, en dat de achterzijde, de donke­re, koele kant van het huis, gericht is naar het westen. Een warm oranje licht doet de winterse takken en twij­gen van de bomen zwart en kantig af­steken tegen de lucht. Bij helder weer zijn de hemel en de aandrijvende nachtwolken gekleurd, lang nadat de zon is ondergegaan. Ik kijk ernaar, en ik weet dat de zon na een lange nacht weer zal terugkomen.

Met Hemelvaart ging de zon onder voor de discipelen op de Olijfberg. Tien dagen later, met Pinksteren, voel­den zij in zich de groeiende zekerheid branden dat Hij die voor hen als een zon was geweest, eens terug zou ko­men ‘op de wolken des hemels’. Maar zij wisten ook dat zij in de tussenlig­gende tijd hard moesten werken om zijn Woord te laten klinken in de duis­ternis van de wereld. En zolang de gloed van de nu onzichtbare zon hun hemel kleurde, konden zij geestdriftig spreken over wat zij hadden gezien en gehoord. Als apostelen trokken zij de wereld in.

Zeven maanden na Hemelvaart valt de eerste martelaar onder de stenenregen van een woedende volksmenigte. Stefanus is zijn naam. De schriftgeleerden in de synagoge redetwisten met hem, maar ‘zij waren niet bij machte de wijs­heid en de geest waaruit hij sprak, te weerstaan’ (Hand. 6). Tenslotte wordt hij voor de Hoge Raad gebracht. Valse getuigen verdraaien zijn woorden. ‘En allen die in de Raad zitting hadden, richtten hun blik op hem en zagen zijn gelaat als het gelaat van een engel.’ Stefanus houdt een rede die in kort bestek de wordingsgeschiedenis van het Joodse volk weergeeft. Hij verwijt de leiders van het volk dat zij de gees­telijke inhoud van de wet van Mozes verloochend hebben. Deze openlijke aanval op het ondoorzichtige bouwsel van wetten en wetjes wekt de woede van zijn tegenstanders zodanig, dat Stefanus aan het volksgericht wordt overgeleverd. Vlak voordat de dodelij­ke stenen hem treffen, roept hij uit: ‘Zie, ik aanschouw de hemelen die zich openen, en de Zoon des Mensen staan­de ter rechterhand Gods.’
De dag die wij gewoonlijk Tweede Kerstdag noemen, is gewijd aan deze apostel, aan deze ‘uitgezondene’ (van Grieks stello = zenden). In de kerst­nacht stond de ster boven de plaats waar het Kind geboren werd. Na Golgotha heeft het licht van de ster gestalte aangenomen. Het is die lich­tende gestalte die zich aan Stefanus openbaarde.

Dat is het begin van de twaalf heilige nachten, die merkwaardige rij van
‘restdagen’ die de Babyloniërs al kenden. Zij maken het oude maanjaar tot zon­nejaar. Je zou ook kunnen zeggen: ze zijn de kwintessens van het hele jaar en tegelijk de bron van leven waardoor het jaar opnieuw kan inzetten, zowel in geestelijk-spiritueel als in natuurlijk opzicht.

Als deze rij dagen sluit op 6 januari, ontmoeten we weer de ster, maar nu als
leid-ster voor de drie Wijzen uit het oosten, daar waar de zon opkomt. Het vieren van de 6e januari stamt al uit heel oude tijden. Volgens de oude Egyptische kalender begon op die dag een nieuw zonnejaar, een nieuwe ‘aeoon’. In de kerken van het Oosten werd in de eerste eeuw van onze jaar­telling deze dag gevierd als de geboor­tedag des Heren of anders gezegd: de dag van de Epifanie, dat is de dag van de verschijning van de Heer. Pas in de 4e eeuw heeft het Oosten het ons
be­kende en vertrouwde kerstfeest over­genomen, en omgekeerd werd in het Avondland de 6e januari toegevoegd aan de kersttijd. Een wijs besluit, waar­door het lichamelijke en het kosmische aspect elkaar in evenwicht houdt. Op Driekoningendag placht men met gewijd krijt het nieuwe jaar te schrij­ven op de deuren, met daaronder drie grote letters: C – M – B. Dat was de af­korting van een Latijnse zegenspreuk: Christus mansionem benedicat, dat wil zeggen: Christus zegene deze woning! In de volksmond zou daaruit ontstaan zijn de namen van de drie koningen: Caspar, Melchior en Balthasar. In het Mattheüsevangelie staat over hen geschreven: ‘Toen dan Jezus ge­boren was te Bethlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, toen kwamen priesterwijzen uit het Oosten te Jeruzalem. En zij zeiden: ‘Waar is de pasgeboren Koning der Jo­den? Wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om voor hem te knie­len.’

Over de voorgeschiedenis van hun tocht vertellen ons de legenden. Op de grens van Indië verhief zich een mach­tige berg, die de hoogste ter wereld werd genoemd. Zijn top ving de eerste stralen van de opkomende zon, en aan het einde van de dag lagen de dalen al in het donker als de bergtop nog gloei­de in het avondrood. In een der grot­ten woonde een wijze profeet Balaam met zijn leerlingen. Eens stond hij op een berghelling, terwijl de dag ten ein­de liep. De profeet hief zijn handen op en riep uit: Ík zie een ster opgaan! Er zal een kind geboren worden, dat als vredesvorst de wereld zal regeren. De ster zal zijn komst overstralen en zijn weg verlichten.’

Toen de zon onderging, stierf de oude profeet, maar zijn voorspelling werd in vele landen vernomen. En zo begon het lange wachten op de beloofde ster. Ook de drie wijze koningen hoorden ervan en zij verlangden zeer de ster te zien opgaan. Waakzaam waren zij, een leven lang, en daardoor waren zij wak­ker op het moment dat de ster, stra­lend als de zon, aan de hemel ver­scheen, en zij aanschouwden hem, ie­der in zijn eigen rijk.
Zijn ook wij niet als koningen in een eigen rijk, ieder van ons? Laat ons dan een waakzame torenwachter aanstel­len die ons waarschuwt als in het nach­telijk duister de eerste tekenen zicht­baar worden van het komende Licht.

.

(Marieke Anschütz, Jonas 10, 11-01-1980)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

413-387

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (3)

.
Driekoningen: alle artikelen
.

TEVERGEEFS DE BLIK OMHOOG

‘Waar is de koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het oosten ge­zien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen’.
.. en zie, de ster die zij hadden gezien in het oosten ging hun voor totdat zij kwamen en stond boven de plaats waar het kind was. Toen zij de ster zagen verheugden zij zich met zeer grote vreugde’.
Zo bericht ons Mattheüs over de geboorte van het Kind.

Wie zijn het die de gebeurtenissen aan de hemel aflezen die voorbereidend zijn voor het keerpunt van de mensheidsgeschiedenis? Traditioneel worden ze aangeduid met ‘Ko­ningen’. Maar moeten we daarbij denken aan koningen in de staatkundige betekenis van het woord? Ze worden ook wel priester­koningen genoemd of magiërs: wijzen die het sterrenschrift konden lezen.

Over die ster is veel geschreven: Wat zou­den de Koningen gezien hebben? Een komeet, een Nova (nieuwe ster), een bijzondere samenstand van planeten?
De vraag welk ver­schijnsel aan de hemel te zien was op het moment van de geboorte van het Jezuskind is belangwekkend.
In het kader van dit artikel is het niet aan de orde ons in de sfeer van het astrologische rekenen te begeven. Het reke­nend benaderen van de hemelverschijnselen past bij de nadagen van de astrologie, als het direct imaginatieve lezen van het sterren­schrift niet meer mogelijk is. De Priester-Koningen hebben niet gerekend: ze hebben gezien en ze wisten wat ze zagen: ‘Zijn ster’.

Het ligt voor de hand aan te nemen dat de wijzen een bijzondere verhouding tot de ster­renhemel hadden. Mogen of moeten we hen astrologen noemen? Het lijkt me niet. Dat is een te gekleurd begrip geworden: het zou niet terecht zijn de Koningen te verbinden met een begrip dat in onze tijd emotioneel gekleurd is, in die zin dat men zich op ver­schillende gronden voor of tegen de werkwij­ze en de uitgangspunten van de astrologie kan uitspreken. Het zou niet juist zijn dat dit oordeel ook de Priester-Koningen waarvan Mattheüs spreekt zou treffen. Rudolf Steiner heeft erop gewezen dat we hier te maken hebben met de allerlaatste ver­tegenwoordigers van een oude sterrenwijs­heid; zij namen imaginatief de beelden waar die grote gebeurtenissen op aarde aankondig­den. Voor het bewustzijn van de wijzen werd het Kind uit de kosmos geboren en verbond zich op een bepaalde plaats met een aardelïchaam.

Wat kunnen wij in deze tijd beginnen met zulke beelden uit een ver verleden? Een schouwen dat de kosmische achtergrond van dit Jezuskind kon waarnemen, maar dat ei­gelijk toen al, 2000 jaar geleden, een ver­mogen uit het verleden was.

Misschien kan dit verhaal ons helpen om ons te realiseren dat de geboorte van elk mensen­kind een achtergrond heeft waarvan we ons vaak niet meer vanzelfsprekend bewust zijn. Als wij de geboorteverhalen uit de evangeliën lezen, zien we dat de gebeurtenissen zich ei­genlijk in een soort grensgebied, drempelgebied afspelen. We vinden een precieze aardse lokatie, maar tegelijkertijd krijgen we er een onaards gevoel bij; een niet aardse, geestelij­ke wereld is de eigenlijke omgeving, de spiri­tuele omhulling en achtergrond van deze grootse geboorte. De aardse kant van het ge­boorte-verhaal uit Mattheüs is ons welbe­kend. Die aardse kant ervaren we heel duide­lijk bij elke geboorte in onze omgeving. Het is ook het aardse aspect van het menszijn dat we steeds aan onszelf en aan de ander het meest ervaren. Het verhaal van de ster maakt het beeld van de mens compleet: we kunnen ons proberen voor te stellen dat elke geboor­te ook een sterrengebeurtenis is, dat achter elk mensenbestaan een lichtende ster staat. Maar hoe neem je die waar? Waar aan de hemel moet je kijken? Ik denk dat je je blik tevergeefs omhoog richt. Het zicht op de wereld achter de ster­renhemel – als beeld – is ons niet meer moge­lijk. We staren in de duisternis tussen de ster­ren.
De grote opgave waarvoor we staan is omgekeerd aan die van de Koningen. Zij her­kenden het Kind aan zijn ster, wij moeten le­ren door de ander heen zijn ster te zien. Daar­voor moeten we niet vanaf hoge verlaten plaatsen de hemel afzoeken.

De kosmische werkelijkheid is in de mens tot aardewerkelijkheid geworden, of, misschien beter gezegd, is er in ondergedoken. Achter de nu zichtbare aardse werkelijkheid van de mens staat een voorgeboortelijke sterrenwerkelijkheid. Als we ons hiervan bewust zijn, weten we ook dat we datgene wat als gebeur­tenissen naar een mens toekomt of wat als daden van hem uitgaat, tegen een andere achtergrond moeten zien dan alleen tegen het decor van de aardewerkelijkheid.

Geboren worden uit sterrenwerelden wil zeg­gen, zich verbinden met de aarde, vanuit de wereld van de geest. Dat is het ‘Ex Deo Nascimur’ van de oude Rozekruiserswijsheid. Het is het bewustzijn uit goddelijke hoogten in de aardezwaarte neergedaald te zijn. Het vieren van het kerstfeest in deze zin kan een hulp zijn het bewustzijn van de geest­werkelijkheid van de mens, elk jaar opnieuw in ons geboren te laten worden.
.

Rinke Visser, Jonas 8/9 19-12-1980

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

412-386

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (2)

Driekoningen: alle artikelen

.

VAN KERST TOT DRIEKONINGEN

De periode tussen 25 december en 6 januari wordt sinds de synode van Tours in 567 de tijd van de Heilige Twaalf dagen genoemd. Ook is het in diverse streken van Europa gebruikelijk geworden, te spreken van de 12 Heilige Nachten. Het woord ‘heilige’ is een christelijke toevoeging aan de bena­ming van de periode die in voor-chris­telijke tijden kortweg de Twaalf Nach­ten heette.

Denkt men sinds de invoering van het christendom in deze streken aan een tijd, gewijd aan de brenger van het Licht, in voor-christelijke tijden ervoer men in de donkere winternachten niet alleen de nabijheid van de goede krach­ten uit de geestelijke wereld, ook boze geesten waarden rond, de mensen schrik en vrees aanjagend.
We kunnen, op weg geholpen door de antroposofie, proberen een
zingeving te vinden voor deze bijzondere periode van het jaar. Een zingeving die mogelijk een stukje van de afstand tus­sen christendom en ‘heidendom’ kan overbruggen.

In voor-christelijke tijden was de win­tertijd in onze streken gewijd aan de god Wodan, met name in zijn kwaliteit als god van het dodenrijk en god van de vruchtbaarheid. Het aan hem opge­dragen feest, was het bekende Julfeest. De duur van dit feest stond vast: het was de tijd die verliep tussen volle maan en nieuwe maan: een halve syno­dische omloop. Het tijdstip waarop de Jultijd begon, was niet als kalenderda­tum vastgelegd. Het was, net zoals dat met de paasdatum nu nog het geval is, gekoppeld aan de stand van de zon in de dierenriem, en aan de onderlinge relatie van zon, aarde en maan. Als de zon zijn meest zuidelijke stand in de dierenriem had bereikt – de kort­ste dag van het jaar – vierde men het winterzonnewende feest. De Jultijd begon bij de eerstvolgende volle maan na de zonnewende, en eindigde op de daarop volgende nieuwe maan. Het schijnt overigens dat er ook streken waren, waar de Jultijd begon op de [tekst weggevallen] na de kortste dag komende nieuwe maan en eindigde met de daaropvolgende volle maan. Waarschijnlijk ligt hier ook de oorzaak, van het merkwaardige ver­schijnsel dat de traditie van de Heilige Nachten niet overal in Europa gelijk is: in bepaalde streken zijn het de nachten van Kerst tot Driekoningen, in andere gebieden sluiten ze direct aan op 21 december, of, weer anders: ze liggen allemaal in januari. Maar toch: oor­spronkelijk een beweeglijk feest, waar­van begin en einde aan de sterrenhemel werden afgelezen. Over de duur van het feest nog het volgende. Men kende voor het jaar twee indelingsprincipes: een indeling in dertien maanden, gebaseerd op de maanomloop, en een indeling in twaalven, overeenkomstig de zonsomloop. Als de dertien maan-maanden van 27 dagen om waren, had de zon zijn baan nog niet voltooid. Daar wa­ren nog 14 dagen voor nodig. Die veer­tien dagen is de duur van de Jultijd. Pas later met de vastlegging van de kerstdatum is ook de tijd van de Hei­lige Nachten vastgelegd: de periode van Kerst tot Driekoningen. Daartussenin ligt de viering van de jaarwisseling.

Voor veel mensen begon overigens nog heel lang het nieuwjaar pas echt met Driekoningen. Men noemde die dag: Het Grote Nieuwjaar. De periode tus­sen Kerst en Driekoningen noemt men in bepaalde Duitse streken nog steeds ‘Zwischen den Jahren’. Nog heel lang hebben op het platte­land gebruiken stand gehouden, die een heel directe samenhang hebben met de oude Jultijd: met wierook werd het hele huis uitgerookt om boze geesten te verdrijven (Rauchtage), of men liep met zonne- en maanwielen door het dorp. Een duidelijke verwij­zing naar de kosmische oorsprong van het feest.

De Germaanse mythologie vertelt ons, dat Wodan zich niet alleen als de
bren­ger van de vruchtbaarheid aan de mensen manifesteerde, maar ook als de god van de doden: aan het hoofd van het ‘Wilde Heir’, een leger bestaande uit gestorvenen, trok hij in de Twaalf Nachten rond. Vreemde figuren trok­ken mee op deze wilde jacht door de lucht, soms zelfs dwars door de hui­zen: demonen, spookdieren, ja zelfs Vrouw Holle.

Wat moet je daar nu van denken in onze tijd? De oude Germaanse ritue­len zijn deels verdwenen en vergeten, deels opgegaan in Sinterklaas-, Kerst-, Oudjaar-, en Driekoningengebruiken. Maar is daarmee de realiteit die achter de oude gebruiken schuil ging: de nabijheid, de ervaarbare nabijheid van de geestelijke wereld, ook verdwenen, ook voltooid verleden tijd?

Steiner spreekt er meerdere malen over dat de mensen met een sterke
verbon­denheid met de natuur, ook nu nog kunnen ervaren dat ze in deze bijzon­dere tijd van het jaar in verhoogde mate ontvankelijk zijn, open staan voor spirituele indrukken. Maar voor de meeste mensen uit onze westerse cultuur is deze verbinding verbroken. Enerzijds mag je dat misschien cultuur­beschadiging noemen, anderzijds is het het onvermijdelijke gevolg van de bewustzijnsontwikkeling van de mens. De vanzelfsprekende, oude banden met de natuurwereld zijn verbroken; nieuwe wegen naar de spirituele ach­tergronden van kosmos en mensheid moeten bewust gezocht worden. De wetenschap dat we in de tijd van de Heilige Nachten ‘de stroom mee hebben’ kan ons daarbij wellicht te hulp komen.

Kleinschaligheid is een modebegrip aan het worden. Toch wil ik het hier
ge­bruiken. Het geeft iets aan van mense­lijke maat, van eigen maat. Persoonlijk zoek ik het graag in het kleine, als het om grote dingen gaat. In de tijd van de Heilige Nachten houd ik me graag bezig met die dingen die in het afgelopen jaar een beetje aan je bewustzijn zijn ontsnapt: de kleine toevalligheden, de dingen die je niet afmaakt, de gevolgen van eigen hande­len en doen.

Dat geeft een heel bepaald gevoel met betrekking tot het oude jaar, maar ook tot de tijd die voor je ligt. Het is alsof je, wat het oudejaar betreft nog net iets opvangt, een glimp van wat zich in het bijna duister verschool. En juist dat glimpje wil gezien worden, ontstoken in het grote Nieuwe jaar.

(Rinke Visser, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

411-385

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (1)

.
Driekoningen: alle artikelen

.

TUSSEN KERSTFEEST EN DRIEKONINGEN

De tijd staat even stil

Er was eens een oude vrouw die haar liefde alleen maar kon uiten in het geven van ge­schenken. Ze was niet in staat liefde of sym­pathie te uiten in woord of gebaar. Tegen­woordig zouden we haar gefrustreerd noe­men, maar dat woord was vijftig jaar geleden nog niet uitgevonden. Ze had werkelijke lief­de in haar hart maar kon dat alleen maar uiten door iemand ‘goed te doen’ in uiterlijke, za­kelijke zin. Als haar geen warmte tegemoet gebracht werd als dank, was ze steeds teleurgesteld. Zo ongeveer is de situatie van de tegenwoor­dige westerse mensheid met het kerstfeest. Diep verborgen in de harten leeft licht en liefde, maar hoe uiten we dat tegenover el­kaar? In sociale daden, liefst zo goed moge­lijk georganiseerd. En het kind in de kribbe blijft koud, ook het kind in de eigen ziel.
Tussen deze twee is een samenhang. Het kerstfeest is een herinneringsfeest, maar te­vens een feest van wat er in de wil van de enkele mens en van wat er in de mensheid gebeuren kan. Het traditionele kerstfeest ver­toont er nog duidelijk de sporen van. In kerstliederen en -verhalen zijn veel aankno­pingspunten aan het bijbelverhaal voorhan­den, maar evenzeer is er de betrokkenheid op het heden: de sneeuw en de winter, maar ook de liefde en belangstelling voor de tegen­woordige mens, die lijdt of ongelukkig is.
Men kan hier denken aan ‘De Kerstroos‘ van Selma Lagerlöf.
Reeds enige eeuwen geleden schreef Angelus Silesius: ‘Was Christus dui­zendmaal in Bethlehem geboren en niet in u, zo waart ge nog verloren’.
In deze spreuk ligt eigenlijk de kern besloten van wat ons met betrekking tot het kerstfeest bezig houden kan. Hoe verhoudt zich de herdenking van het historische tot het tegen­woordige en toekomstige?Bij de beschouwing van de adventstijd in Jo­nas 7 (27 november 1981-niet op deze blog) zagen we hoe een herdenking van een historische verwachting alleen tot langzaam groter wordende leegte leidt. Is dat bij het kerstfeest ook zo?
Om hierop een antwoord te vinden, kan het goed zijn eerst de inhoud te bezien die het kerstfeest in deze tijd kan krijgen. Historisch gezien is de geboorte van Jezus het begin van de christelijke ontwikkeling, maar in het verdere verloop wordt de opstanding het belangrijkste. Elke herdenking van de ge­boorte van Jezus krijgt zijn zin door het feit van de opstanding.
Bij de opstanding begon een nieuwe fase voor de mensheid. Het was als het ware de ombuiging van een steeds ver­der wegzakken in de materie naar een
ver­geestelijking van deze materie. En in dat proces is het kerstfeest ieder jaar weer belang­rijk.Het kerstfeest valt na de winterzonnewende. De diepste duisternis is alweer voorbij, ook al merken we daar nauwelijks iets van. In de natuur wordt de kracht van het licht lang­zaamaan weer groter. Dat heeft ongetwijfeld in het oude religieuze beleven van de winter­zonnewende een grote rol gespeeld. Maar be­langrijker was toch nog iets anders. En dat andere is ook nu nog het belangrijkste. De natuur is afgestorven, maar heeft een actief leven in de aarde, daar waar de wortels groeien. Daar wordt in het verborgene voor­bereid, wat straks ‘aan het licht zal komen’. De krachten die daar werken zijn ontstaan in de zomer. Toen werden ze zichtbaar in groei en bloei. In de herfst trokken ze zich terug en in de winter werken ze in het verborgene aan de toekomst.

Mensen maken een vergelijkbaar proces door. In de zomer kunnen de gedachten en gevoe­lens bevrucht worden door wat ons uit de overvloed in de natuur toestroomt. Maar wat ons toestroomt, komt niet uit de natuur zonder meer. Het komt uit de reële kracht die door de opstanding met Pasen aan de aarde, en daarmee aan alles wat op aarde leeft, is geschonken.

Als we naar de menselijke biografie kijken zien we dat de natuurlijke levenskrachten van de mens onherroepelijk afnemen bij het ouder worden, maar dat geestelijke krachten kunnen groeien. Deze geestelijke krachten werken ook telkens weer vernieuwend op de levenskrachten. Elk jaar maakt ieder mens dit proces door.

Wat geschonken wordt, moet verwerkt wor­den en dit geeft nieuwe krachten tot in het uiterlijke toe. Deze activiteit, die gekenmerkt wordt door de werking van Michaël, kan in de kersttijd leiden tot een reële geboorte in de ziel. Dat wat geschonken werd uit de kosmos, kan individueel worden. Kosmisch licht kan innerlijk licht worden. Dit gebeurt niet vanzelf zoals in de plantenwereld. De mens moet er het gehele jaar door actief voor zijn. Deze activiteit is in de zomer een actief openstellen en misschien luisterend opne­men, in de herfst het verwerken daarvan om het in de kersttijd zelfstandig te laten wor­den, geboren te laten worden. Het gaat hier om de eigenlijke wezenskern van de mens, om het Ik.
Kerstfeest is de geboorte van het Ik in de ziel.

Wat betekent dit?
Ik-zeggen betekent dingen voor eigen verantwoording willen en kunnen nemen. In vroegere tijden werden religieuze waarheden geopenbaard en de enkeling kon ze geloven. Het is alsof men een verhaal hoort van de zuivere lucht in de Zwitserse alpen. Men kan dat geloven als de verteller voldoen­de geloofwaardig overkomt. Deze geloofwaar­digheid had vroeger de kerk. In onze tijd komt het er steeds meer op aan dat men zelf de ervaring opdoet, dat men die lucht heeft ingeademd. Dat wil zeggen: door een bewust­making van mogelijkheden die de ziel heeft om zelf toegang te vinden tot hogere werel­den, ontstaat de mogelijkheid tot eigen erva­ring daarvan.
De ontwikkeling van deze mo­gelijkheden zijn gegeven in de antroposofie en vanuit de antroposofie kunnen ook de christelijke feesten nieuw begrepen worden. In het beleven van de feesten kan het begrij­pen zich verdiepen tot grijpen, tot eigen ma­ken. Het kerstfeest is in dit proces een be­langrijke factor.

De geopenbaarde waarheden krijgen dan ook een nieuw licht. De ziel moet een zekere on­bevangenheid hebben, een zekere reinheid, die men ook maagdelijkheid kan noemen. Het oefenen van onbevangenheid ten opzich­te van hogere waarheden is het zich openstellen voor de bevruchting door heilige geest. Er is echter ook rijpheid van de menselijke geest voor nodig, die alleen door ervaring ontstaan kan. In het bijbelverhaal van Jezus’ geboorte is Jozef de vader, een oude man met levenservaring en wijsheid. Eenmaal in de geschiedenis werd dit oerbeeld uiterlijke werkelijkheid en daardoor werd een mens toebereid om de drager van Chris­tus te worden. Hiermee is principieel moge­lijk geworden dat ieder mensenwezen tot drager van Christus wordt.
Zo wordt het Ik in de ziel dan tot Christus-Ik, door het oefenen van onbevangenheid, bevrucht door rijpe menselijke ervaring. Deze ervaring is dan niet alleen vrucht van vele levens, maar ook van goddelijk – geestelijke krachten, die in de enkeling geïndividualiseerd worden.

Aan de kersttijd van twaalf dagen (als oer­beeld voor het gehele jaar) sluit de driekoningentijd aan. De tijd heeft als het ware even stilgestaan. Nu moet de innerlijke lichtkiem zich gaan ontplooien en in verschijning tre­den, zoals Christus bij de doop in de Jordaan in Jezus zichtbaar werd. Maar dat is een lang­zaam proces. Het gaat zich op drievoudige wijze ontplooien.

Het denken kan zich door het kerstbeleven doordríngen met het licht dat uit ideeën stroomt, die zich niet aan de waarneming ontvonken, maar scheppende ideeën zijn, nieuw, iets voortbrengend wat in de uiterlij­ke wereld nog niet te vinden is. Het is de goudglans, die vroeger in de gesloten ruimte binnen de tempel aanwezig was en die nu zichtbaar wil worden in het zelfstandig ge­worden denken van de enkeling, die zich zijn hoger Ik in de kersttijd bewust wordt. Het goud is het eerste geschenk van de koningen. Het voelen richt zich in eerbied op het kerstlicht, dankbaar dat dit licht tot ons kwam. Het voelen wordt niet meer afgeleid door sympathie en antipathie, die door de waarne­ming van uiterlijke dingen wordt opgeroe­pen, maar het verheft zich tot enthousiasme voor ideeën, die idealen kunnen worden. Dit drukt zich uit in het beeld van de wierook dat het tweede geschenk is van de koningen. Het willen heeft het het moeilijkst. Hoe kun­nen de hoge idealen de wereld in? De duiste­re wereld zal het kerstlicht verslinden zoals de gebruikelijke katterigheid van de maand januari duidelijk laat voelen. De wil raakt gewond aan de weerbarstige wereld en heeft genezing nodig. De mirre, het derde geschenk van de koningen, heeft een genezende
wer­king. Deze genezing kan komen uit het be­wustzijn dat we eens de ster hebben gezien. Elke tegenslag in het leven kan tot nieuwe krachten leiden als we ons herinneren dat we het oerlicht eens hebben beleefd.
In volksoverleveringen zijn de drie koningen soms schertsfiguren geworden, inleiding tot het carnaval. Is het misschien een natuurlijke verdediging van de mens om in de scherts te vluchten als de realiteit te zwaar wordt?
Ook nu nog blijft de vraag: kunnen wij het koningschap aan, in denken, voelen en wil­len?
Kan het Christuswezen zich werkelijk in ons openbaren? We kunnen niet meer vluchten voor deze vraag. Ze is er te ernstig voor. In onze tijd kan de openbaring van Christus alleen door de mens heen beleefd worden.

(J.Knijpenga, Jonas 8/9, 18-12-1981)

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen

.

410-384

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (25)

.

KERST OP GEBOORTEDAG PERZISCHE ZONNEGOD

Romeinen bepaalden datum; heidenen de rituelen

Dat Kerst op 25 decem­ber valt, danken we aan de Romeinen. Die vierden op die dag het feest van de zonnegod Mitras, die van Perzi­sche oorsprong is. Veel rituelen rond Kerst zijn terug te voeren naar ‘heidense’ gebruiken.

In de eerste eeuwen van het christendom was er geen kerstfeest. Christenen noch joden vierden hun geboorte­dag; dat was een Romeins ge­bruik. Het is dan ook een be­keerde Romeinse generaal, Julius Africanus, die in 211 voorstelt om de geboorte van Jezus te vieren en wel op 25 december, de geboortedag van de Perzische zonnegod Mitras.
Deze Mitras was door keizer Aurelius tot God van het Romeinse rijk verheven. Toen de Romeinse keizer Constantijn (306-337) zich be­keerde tot het christendom, beval hij de geboortedag van Je­zus te vieren op 25 december om op die manier het feest van Mitras (bekend als Sol Invictus – onoverwinnelijke zon, of Saturnalia) te kerstenen. Dat feest van Mitras ging ge­paard met het geven van pak­jes, muntstukken en kaarsen, het versieren van groenblijvende bomen (wat al een eeu­wenoude traditie was), takkenkransen aan de voordeur en muren en een gezamenlij­ke maaltijd.
Paus Liberius maakt de datum 25 december officieel in 354. Overigens vie­ren orthodoxen het kerstfeest op 9 januari en de Armeense kerk op 19 januari.

Ons kerstverhaal met stal, os en ezel komt noch in het evangelie van Mattheüs noch in dat van Lucas voor. Wél in het geboorteverhaal van Mi­tras. Waarschijnlijk zijn die symbolen onder Romeinse druk overgenomen.

Mitras-verhaal
Volgens de Perzische traditie werd Mitras geboren uit een ‘onbevlekte, maagdelijke’ moeder Anahita en kwam het zaad van Zarathustra, be­waard in een heilig meer. In de Iraakse versie is de moeder Semirames of Astarte. Zij noemde zich maagdelijk om­dat haar man Nimrod (ook Marduk genoemd of Ninus, de bouwer van Ninevé) al eer­der gedood was. Deze Nimrod (Hebreeuws voor rebel) komt in het Oude Testament voor als zoon van Kus, kleinzoon van Cham, die door diens vader Noah ver­vloekt werd omdat hij diens naaktheid gezien had (Gene­sis, vers 20-25). De rebel Nim­rod bouwde een machtig rijk, waartoe ook de (bijbelse) vol­keren van Kanaän behoorden zoals de Filistijnen. In dat rijk werd de god Bel/Bellus/Baäl vereerd, waarschijnlijk de vergoddelijking van Nimrods vader Kus. Nimrod bouwde de Toren van Babel (babel bete­kent poort naar God). Waar­schijnlijk waren er meerdere babels: archeologen vonden in het huidige Irak en Iran 30 heilige torens, ziggurats. De familie Nimrod, Semirames en zoon Mitras (ook wel Tammuz genoemd) was wellicht het voorbeeld voor het Egypti­sche goddelijke trio Osiris, Isis en hun kind Horus; het Griekse drietal Kronos, Rhea en Zeus en in Rome: Saturnus, Venus en Jupiter. Zelfs in de Aziatische tradities komt een ‘goddelijke moeder’ voor. De christelijke familie Jozef, Maria en Jezus moest voor de Romeinen deze oude voor­beelden doen vergeten op de geboortedag van de zonnegod Mitras.

Jezus werd vrijwel zeker niet op 25 december geboren. Zelfs niet in de maand decem­ber. Bisschoppen konden het vanaf het eerste begin van de christenheid al niet eens wor­den over Jezus’ geboortedag, vanwege het verschil tussen joodse maanmaanden (29-30 dagen) en Romeinse zonne­maanden (30-31 dagen). Als de gegevens uit de Bijbel over Jezus’ sterven, doop en vooral zijn gang naar de tem­pel gelegd worden op de jood­se (tempel)kalender, moet Je­zus geboren zijn in augus­tus/begin september. Dat klopt ook beter met het tijd­stip van de Romeinse volkstel­ling, waarvoor Maria en Jozef naar Bethlehem moesten. Je houdt toch geen volkstelling in december, in de regentijd, als de zandwegen in een mod­derpoel zijn veranderd en dus vrijwel onbegaanbaar? Volgens de joodse traditie moesten Jozef en Maria op de 41ste dag na de geboorte van hun zoon Jezus naar de tem­pel in Jeruzalem om te offe­ren.

Dat maakt het waarschijnlijk dat de vlucht naar Egypte daarna heeft plaatsgevonden, waarschijnlijk kort vóór Je­zus’ tweede jaar. Dat zou ten­minste verklaren waarom Herodes, getipt door de wij­zen uit het Oosten, kinderen tot twee jaar oud liet vermoorden.

Wijzen
De wijzen uit het oosten wa­ren geen koningen, maar waarschijnlijk Perzische ster­renkundigen. Het waren ze­ker niet koning Caspar uit Tarsus, Melchior uit Arabië of Baltasar uit Ethiopië, want die rijken liggen niet in het oos­ten, maar resp. in het noor­den, zuidoosten en zuidwes­ten. Nergens in de Bijbel staat trouwens dat het er drie wa­ren. Het zouden er drie zijn geworden om het drietal Zaratrustra, Anahita, Mitras en opvolgers te doen vergeten. Jezus’ geboorteverhaal zou ge­lezen moeten worden in de joodse contekst. Zo zou ‘krib­be’ berusten op een verkeerde vertaling. Een jood zou zijn baby niet graag in een voeder­bak voor ‘onreine’ dieren leg­gen. Waarschijnlijk gaat het om een houten bak waarin broden in een doek moesten rijzen. De bevalling had wel­licht plaats in een verlaten ‘loofhut’ van het joodse loof­huttenfeest.

‘Er was geen plaats in de her­berg’. In die tijd werd een zwangere vrouw als onrein beschouwd en mocht om die reden niet in de gemeen­schappelijke ruimte van een herberg. Daarbij moet je niet denken aan een hotel, maar aan een omheinde ruimte rond een bron, een caravanserai.

Zonnewende
Kerst is de Germaanse uit­spraak van Christus. Kerst moest bij de Germanen het feest van de zonnewende (21-22 december) ‘kerstenen’. Bij de zonnewende werden (men­senoffers voor de Germaanse god Odin in een boom gehan­gen. Kelten hingen dode vo­gels en andere offers in bo­men. Druïden ontleenden hun kracht aan bomen, bij­voorbeeld aan de maretak. Het is dan ook niet verwon­derlijk dat het kerstfeest rond een boom werd gesitueerd. In de Achterhoek en andere plaatsen werd tot in de vorige eeuw rond eenzame bomen in het bos gebeden. In Zweden begon men met een kunstmatige boom in elk dorp te plaatsen, op welks takken lichten geplaatst wa­ren; later vervangen door een driearmige kandelaar. In mid­deleeuwse afbeeldingen is soms een kerstboom vol etenswaar en een naakt kerst­kind te zien. Het eerste be­richt over een kerstboom bin­nen in huis komt uit Straats­burg in 1605: versierd met veelkleurig papier, appels, wafels, chocola en klater­goud.

De gewoonte dennenbomen als kerstboom te nemen ont­stond in Duitsland. Prins Albert bracht die Duitse ge­woonte in 1841 over naar En­geland. Tenslotte rukte de dennenboom op naar Italië, waar ‘dit heidens gebruik’ aanvankelijk door het Vaticaan werd veroordeeld. De kerstballen waren natuur­lijk symbolen van de zon, maar Europa kende ook 300 jaar ‘heksenballen’ in ramen in het huis, die heksen zou­den afschrikken of juist van­gen. Ook paddenstoelen, rood met witte stippen, in kerst­stukjes gaan terug naar ‘hei­dense’ tijden: het waren hal­lucinerende paddenstoelen die door toverdokters, sjama­nen, werden gebruikt. De kerstman zou uiteindelijk teruggaan op de Germaanse God Odin, die vaak met ren­dieren werd afgebeeld en er­gens in het verre noorden (vandaar de Noordpool) zou huizen.

Zo kreeg kerst elementen van een feest van een zonnegod, joodse gebruiken, heidense boomverering en heksenangst.

(Jan Meulemeester, Brabants Dagblad, 18-12-2000)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

406-382

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten Kerstmis (5)

.

HET FEEST VAN DE GEBOORTE

Er is in de laatste jaren*, binnen kerke­lijke kringen, wel eens overwogen het kerstfeest in tweeën te splitsen. Men wil dit doen uit verontrusting over de verregaande veruiterlijking, waarin het de laatste tijd is geraakt. Van de vie­ring op 25 en 26 december – zo zegt men – is toch niets meer te redden. Laat het dan maar blijven voortbe­staan waarin het langzamerhand is ontaard: het feest van de Horeca, van de relatiegeschenken – voor f. 150 miljoen per jaar – van de kerstkaarten – voor meer dan f. 60 miljoen per jaar – van de ‘happenings’ met popmuziek in de kerken. In plaats daarvan wil men het feest verschuiven van 25 – 26 de­cember naar Driekoningen op 6 janua­ri. ‘Laat dit voortaan het feest zijn van het Licht, in plaats van het feest van de lichtreclame’. Zo kan het, als feest van de Geboorte, worden beschermd tegen alle veruiterlijking. Met deze ver­plaatsing kan dan op 25 december weer zoiets als het oude Saturnaliafeest van de Romeinen worden ge­vierd, waarop de viering van Kerstmis tegenwoordig is gaan lijken.

Historisch gezien, is dit niet eens zo’n ingrijpende verandering. In de eerste twee en een halve eeuw na Christus werd Kerstmis niet gevierd op 25 december, maar op 6 januari, Epifanie, waarop niet de geboorte van Jezus werd gevierd maar de ‘Verschijning’ van Christus bij de Johannesdoop in de Jordaan. (Het Griekse woord Epifa­nie betekent verschijning.) Tevens is dit het feest van de Drie Koningen. Natuurlijk zullen er voor zo’n ver­schuiving over de drempel heen van de jaarwisseling, veel weerstanden moe­ten worden overwonnen. Niet alleen weerstanden op commercieel gebied maar ook op kerkelijk gebied. Het kerstfeest zal dan niet zozeer het feest van de Geboorte van het Jezuskind in de stal, of in de grot van Bethlehem zijn, maar van het verschijnen van het Christuswezen, als een geboorte. Min­der naar het verleden gericht en meer naar de toekomst gericht. Men kan daarbij denken aan de laatste woorden uit het Mattheüsevangelie: ‘En zie, Ik­zelf ben met u al de dagen, tot de vol­einding der wereld’. Natuurlijk zou dat een verlies zijn.

Voor veel mensen zijn juist de herin­neringen aan Kerstmis zoals jaar in jaar uit, in de familiekring werd gevierd, een kracht gebleven waaruit zij nog verder kunnen leven. Toch is vooral voor een moderne gene­ratie, een kerstviering tegenwoordig niet veel meer dan een ‘idylle’ bij het stalletje en de kerstboom, geheel ver­vreemd van de wereld waarin zij leeft, en waartegen eventueel zo hard moge­lijk geschopt moet worden. Maar of een verplaatsing naar een an­dere dag daarin enige verandering zal brengen?

Bovendien, de viering van het kerst­feest is niet een aangelegenheid van één of twee feestdagen. Het is het feest van de Geboorte, in de vier adventsweken voorbereid, zich voortzet­tend in de ‘twaalf heilige nachten’ – tussen 24 december en 6 januari – en uitlopend in het Epifaniefeest.

Waar het op aankomt is het beleven van deze continuïteit.

Dat is belang­rijker dan het kerstfeest ‘veilig te stel­len’ door het naar een andere dag te verplaatsen.
Kerstmis en Driekoningen vullen elkaar aan. Het feest waarop wij de aan­bidding van de herders gedenken en het feest waarop wij de verering van de koningen gedenken. De herders, die aan het Kind enkele gaven van de aarde offeren. De konin­gen die, geleid door sterrenwijsheid, vanuit het Oosten de weg naar het Je­zuskind in Bethlehem hebben gevon­den, en daar hun geheimzinnige offers, goud, wierook en mirre, schenken. Dat zijn de twee aspecten van het Ge­boortefeest die niet los van elkaar kunnen worden gezien, evenals het Lucasevangelie, waarin de komst van de herders wordt beschreven, niet kan worden losgemaakt van het
Mattheüs­evangelie, waarin de komst van de ko­ningen wordt beschreven. Herders en koningen staan niet op zichzelf. In de geschiedenis van Euro­pa hebben zij de sporen van tweeërlei ontwikkeling getrokken: de weg van de liefde en de weg van de wijsheid.
In de schilderkunst herkent men deze sporen: in de innige vroomheid en verstilde aandacht waarmee bijvoorbeeld een Vlaamse schilder zoals Hugo van der Goes het geboorteverhaal uit het Lucasevangelie heeft uitgebeeld, naast de feestelijke rijkdom van het wonder van knielende koningen, waarmee schilders zoals Gentile da Fabriano en Benozzo Gozzoli in Florence het ver­haal uit Mattheüs hebben afgebeeld. In de voorstelling die iets later Leonardo da Vinci hiervan geeft, krijgt de uitbeelding een haast apocalyptisch karakter. De Wijzen uit het Oosten brengen hun offers, maar in de donke­re schaduwen waaruit zij naar voren komen, speelt zich de tragiek af van al diegenen die de aanblik van het Kind, van ‘het Licht dat schijnt in de duis­ternis’, nauwelijks kunnen verdragen. ‘De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, verandert uw gezindheid’.

Door dit schilderij van Leonardo ruist het woord van Johannes de Doper als stormwind, oproepend, ergens in een ver perspectief, visioenen van
ruï­nes, stijgerende paarden en strijdge­woel. Temidden daarvan het – kind, spelend met de geschenken der oude wijze koningen. Het beeld van de herders is innig en koesterend, maar in het beeld van de koningen wordt iets weerspiegeld van de impulsen die de loop van de ge­schiedenis beheersen…

Het Droomlied van Olaf Asteson
Daarmee is ook de overgang naar het Epifaniefeest aangeduid: de doop in de Jordaan met het ‘incarnatus est’ van de Christus op aarde.
‘Het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen, veran­dert uw gezindheid’.

Hemelse wijsheid op aarde neergedaald om in mensenzielen te ontkiemen. Tegenover deze Verschijning, naar de toekomst gericht, wijkt iedere idylle, van een viering van het geboortefeest in de vertrouwde familiesfeer. Op dit contrast wijst een ander groot kunstwerk: het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Enkele jaren geleden – 1975 – heeft in een kerstaflevering van Jonas hiervan een vertaling gestaan. Ik verwijs hierbij naar deze tekst. [niet op deze blog]

Dit lied werd in 1850 ontdekt door een predikant in Telemarken in een eenzaam dal in de bergen van Noorwe­gen. De naam Olaf Asteson is sterk met het verleden verbonden. Olaf be­tekent erfgenaam. Hij die van zijn voorouders geestelijk leven geërfd heeft. Aste is liefde, die zich door de bloedsbanden voortplant. Van genera­tie tot generatie.

Oeroud verleden. Duisternis in mid­wintertijd. Ruisend water. Sparren, sneeuwbergen.

Daaruit maakt zich het droomland van Olaf Asteson los. Hij is ingeslapen bij de kerkdeur op 24 december. Hij ont­waakt na de twaalfde dag. Hetgeen hij heeft beleefd, staat helder voor zijn geest: Wat de gestorvenen beleven, wanneer zij door de poort van de dood zijn gegaan. Het ontwaken na de dood. Maar Olaf Asteson is niet dood. Hij wordt wakker op aarde. Een initia­tie. Het woord komt van het latijnse ‘initium’ dat begin betekent. Dat heeft niets meer te maken met de geboorte­stroom vanuit de bloedsbanden, maar met het begin van een geestelijk ont­waken.

Drie beelden
Over wat hij heeft beleefd, geeft hij wéér in drie beelden, in drie episoden van zijn tocht door het hiernamaals.

Het eerste beeld speelt zich af, hoog in de wolken en in de diepte van de zee:
Ik ben geweest als de wolken zo hoog en dieper nog dan de zee… wie volgen wil het spoor van mijn voet vergaat er het lachen alree.

Dan komt hij voor de Gjallarbrug:
Die hangt daar heel hoog in de wind. Drie wachters bewaken de toegang: Een kwade slang en een bijtende hond in het midden een dreigende stier. Daarna komt de beproeving in de we­reld van de elementen; de duizeling­wekkende hoogte boven de afgrond, de diepte van het moeras, waar de grond onder je voeten wegzakt.

Het tweede beeld beschrijft ‘Broksvalin’, het land waar de zielen staan voor het wereldgericht. Waar iedere daad. die men vroeger gedaan heeft weer op je terugslaat. Een jonge man die een kind heeft vermoord moet dit in alle eeuwigheid op zijn armen dragen. De gierigaard moet rondwaren in een mantel van lood omdat hij in tijden van duurte enghartig was voor wie iets vroeg. Zijn loden ziel, zwaar van hebzucht, is hem nu tot een mantel geworden.

Ten slotte het derde beeld. Wie op aar­de ‘aan de armen schoenen heeft ge­geven, behoeft op de boze doornige heide geen doornen te vrezen’. ‘Wie brood heeft uitgedeeld, hem doet de hond op de Gjallarbrug geen kwaad. Wie koren heeft uitgedeeld, hij be­hoeft de hoorn van de stier niet te vre­zen. Wie armen kleren heeft gegeven, Hij hoeft niet te vrezen het rijk van de geest als het blauwende ijsveld wenkt.’

Apokalypse

Het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Het lied van slapen en waken. Van slapen op aarde, van het ontwaken in de geestelijke wereld. Het is het lied van de twaalf heilige nachten tussen Kerstmis en Driekonin­gen, tussen Kerstmis en Epifanie. Een ander beeld dan dat van de idylle bij de kerstboom. Biedt deze tijd mis­schien een surrogaatbeeld daartegen­over? Men kan hierbij denken aan de film ‘Apocalypse now’, waarin de jeugd het vagevuur van een oorlog in het Verre Oosten, of.. .de hel van een andere oorlog die ons in de toekomst bedreigt, kan ondergaan. Dat alles, na de televisiebeelden van de Holocaust, zes maanden geleden, met de ver­schrikkingen van het tot het verleden behorende Derde Rijk van Hitler.

Apocalypse betekent letterlijk ‘onthul­ling’. Holocaust betekent brandoffer. Twee woorden die, losgemaakt van hun bijbelse achtergrond als namen van filmprojecten, die vele miljoenen dollars hebben gekost, vanuit Amerika over de wereld worden verspreid. Heb­ben zij misschien toch iets te maken met een ontwaken in een ‘apocalyp­tisch’ tijdperk, zoals de komende 21 jaar wel eens worden genoemd?
Met het overschrijden van een drempel tus­sen de 20e en de 21e eeuw? Of, het moge nog eens worden herhaald, met de woorden van Johannes de Doper: ‘Verandert uw gezindheid’?

Wie zich niet afsluit in het eigen gezin, binnen de eigen wereldbeschouwing, binnen de eigen politieke partij, bin­nen de eigen vakorganisatie, is zich van dit alles wel wat bewust. Bewust ook van de anonieme machten waar­achter de mens verborgen is geraakt. Bewust van de vele sluiers waarmee tegenwoordig menselijke verhoudin­gen worden toegedekt: de sluiers van een ‘vrije marktorde’, de sluiers van ‘het geld’.

Wat zou er niet allemaal ‘onthuld’ kunnen worden, om van achter al die sluiers de mens weer tot verschijning te brengen…?

Daarover zal in het komende jaar in Jonas nog veel kunnen worden ge­schreven, opdat zichtbaar wordt, niet alleen de mens maar vooral ook zijn onderlinge verbondenheid en weder­zijdse afhankelijkheid in de mensheid.

‘Wir sind auf einer Mission. Zur Bildung der Erde sind wir berufen.’

Woorden van Novalis, die twee eeu­wen geleden zijn geschreven en mis­schien pas over twee eeuwen ten volle zullen worden begrepen.

‘Bildung der Erde.’ Gestalte geven aan de leefbaarheid op aarde. Dat zag No­valis als een christelijke opgave. Daarin lag voor hem de betekenis van het Geboortefeest en de zin van de komst van Christus op aarde.

(Arnold Henny, Jonas 8/9, *14-12-1979)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

375-354

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (4)

.

KERSTMIS

Een nachtgebeuren vol tegenstellingen

De kersttijd is, ondanks het ideaal van rust en vrede, bij uitstek een tijd van haast en prikkelbaarheid. Het is niet de enige tegenstelling waar­mee Kerstmis ons confronteert. ‘Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’.

Zoals een geboorte niet mogelijk is zonder voorafgaande conceptie en zwangerschap, zo is Kerstmis – bij uitstek het ‘geboortefeest’  -niet denkbaar zonder de voorafgaande ‘ver-wachtings-tijd’ van advent. En zoals op een geboorte de doop kan vol­gen of op zijn minst de naamgeving als een bevestiging van de incarnatie, zo volgt – van­uit dezelfde harmonische wetmatigheid – aansluitend aan de kersttijd het feest van de epifanie (verschijning van boven) ook wel driekoningentijd genoemd. Op de zesde ja­nuari, wanneer dit feestgetijde begint, wordt de doop van Jezus in de Jordaan herdacht, waar hij in zekere zin zijn eigenlijke naam en wezen ontvangt, namelijk Christus. Aan het begin van het christelijke jaar, (daar­over schreef ik in Jonas van 1 april 1983 uit­voeriger in het artikel ‘Wanneer is het jaar ja­rig?’) staat dus een drieheid van feesten, die innerlijk zodanig met elkaar samenhangen, dat we zelfs van een drieëenheid kunnen spreken. Dat deze wat overmoedige woord­keuze wellicht toch gerechtvaardigd is, blijkt hopelijk uit het navolgende.

Avond

De schepping van de wereld, zoals deze in het eerste boek van Mozes (Genesis) is be­schreven, wordt voltrokken gedurende zes, respectievelijk zeven dagen. Hoewel we ons uiteraard van een dergelijke dag niet de voor­stelling van een etmaal van 24 uur moeten maken, heeft deze tijdspanne kennelijk toch het karakter van een dag: ‘En het was avond geweest, en ochtend geweest: een wereld­dag’.

Hoe groot en lang een dergelijke goddelijke werelddag ook is, zij gaat – zoals iedere dag – ten einde en wordt door een andere gevolgd. De avondschemering, het einde van een wereldomvattende tijdspanne zien wij bij­voorbeeld in verschillende voorchristelijke culturen, waar het licht van de godenwereld voor de mensen verduisterd werd. Of het nu in Egypte de ‘versluierde Isis ‘werd genoemd of in Griekenland ‘de grote Pan is dood’ of dat in de Germaanse mythologie sprake is van de ‘godenscheme­ring’, overal klinkt eenzelfde stemming van ondergang van het licht, van avondscheme­ring, van zonsondergang. Maar tegelijkertijd groeit in al deze culturen de verwachting van de komst van het godde­lijke licht op aarde. Om die reden spreekt men wel van ‘adventsculturen’. Over advent heerst de stemming van het ein­de van de dag, avondschemering. In dit ver­band is het tekenend dat bij de adventscultuur bij uitstek, het jodendom, de tempel zodanig is gebouwd, dat het allerheiligste in het westen is gelegen. Het religieuze leven is naar het westen, naar de zonsondergang ge­keerd.
Het is ook opvallend, hoe niet zozeer de zon, maar  juist de maan zo’n grote rol speelt in de joodse godsdienst. De volle maan werd als symbool gezien zowel van de hogepriester als ook van het volledig vervuld zijn van heilza­me wijsheid. Nog belangrijker is de nieuwe maan (n.b. juist in het westen te zien, even nadat de zon is ondergegaan!) omdat bij de nieuwe-maanbijeenkomsten aan de profeten de gelegenheid werd gegeven tot het volk te spreken. Meerdere malen lezen wij bij de profeet Ezechiël: ‘En het gebeurde op de eerste der maand (letterlijk, dus maan­maand), dat het woord van de Heer tot mij geschiedde, zeggende…’ Kennelijk heeft het wezen en de verschijning van de God der joden, Jahve, te maken met dat hemellichaam, dat door zijn schijngestalten aan de avondhemel een wassen, een wor­ding, dus ook een verwachting uitspreekt. Met advent – zo kunnen we zeggen – is onze innerlijke blik naar het westen gericht; avondstemming, einde van de dag. De wassende maan spreekt (of sprak?) een profe­tische taal van verwachting, van wording.

Nacht

Zoals op de avond de nacht volgt, zo volgt Kerstmis op advent, want is het kerstfeest niet inderdaad bij uitstek een gebeuren van de nacht?

De koude en de duisternis in deze tijd (al­thans op het noordelijk halfrond) drukken uit dat we ons in de ‘nacht van het jaar’ bevin­den. Kerstmis is het enige christelijke feest dat te middernacht wordt gevierd, hetgeen ook in het Duitse woord Weihnachten tot uitdrukking komt. Het is in dit verband nau­welijks een toeval te noemen, dat midden in deze tijd van de ’13 heilige nachten’ onze jaarwisseling valt: ook weer een midder-nachtsgebeuren.

Kortom, zoals advent avondkarakter heeft, zo is Kerstmis een nachtgebeuren. Tevens kunnen we ieder jaar waarnemen, dat het een feesttijd vol tegenstellingen is. Tegenover de duisternis en de koude wordt – meer dan welke tijd ook – licht en warmte beleefd. Het is zeer de vraag of dat van het vele kaars­licht komt, of dat juist het ontsteken van kaarsen een uitdrukking, een gevolg is van dit innerlijk beleefde licht. Ook andere tegenstellingen nemen we waar: ondanks het ideaal van de rust en de vrede van Kerstmis, is er nauwelijks een tijd te be­denken waarin zo veel gehaast wordt, zo prikkelbaar en gespannen nog van alles gere­geld moet worden.

Tegenover de vele goede wensen over en weer, zowel mondeling als schriftelijk als blijkt dat we aan elkaar denken, staat het feit dat er juist met Kerstmis zoveel bittere een­zaamheid wordt geleden. Kerstmis lijkt een feest van tegenstellingen te zijn, het geboor­teuur van het Christendom, dat wel ‘de gods­dienst van de paradoxen’ wordt genoemd. Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’. ‘Wanneer de nood het hoogst is, is de redd­ing nabij’. Dit is eenvoudig uitgedrukt (en zo bekend dat het als gemeenplaats klinkt) wat in werkelijkheid een machtig en heilig gebeuren is: het innerlijke, goddelijke licht wordt veelal pas zichtbaar in een tijd van nood, van ontbering, van duisternis. Bij bepaalde inwijdingmethoden wordt een belangrijke graad van ontwikkeling geken­merkt door deze paradox, namelijk het bele­ven van het goddelijke licht in de grootste duisternis. Om die reden wordt deze mijlpaal op de weg naar inwijding ook wel ‘het schou­wen van de zon te middernacht’ genoemd. Kerstmis vraagt een waakzaamheid in een tijd waarin wij normaal slapen, opdat het in­tieme,  ‘onzichtbare’ gebeuren toch ‘zicht­baar’ wordt, namelijk de geboorte van het licht in de duisternis, de zon te middernacht.

Dageraad

Op de dertien heilige nachten van de kersttijd volgt het feest van de epifanie (verschijning van boven). Wij kunnen deze overgang beleven als een dageraad, als een eerste ochtendgloren na de stille nacht.
In het Noorse epos ‘Het droomlied van Olav Asteson (oorspronkelijk reeds circa 400 n.C. ontstaan) wordt bezongen hoe Olav de heilige kerstnacht door een diepe slaap wordt bevangen en dan door de belevenis van een wonderlijke droom een inwijdingsweg gaat. ‘Hij ontwaakte eerst op de dertien­de dag, toen het volk reeds ter kerke ging’. Het lied waarin Asteson zijn middernachte­lijk schouwen – bij het licht van de dageraad – vertelt, eindigt met de woorden: ‘Sta op nu, gij Olav Asteson, lang hebt ge geslapen!’
Deze woorden doen me herinneren – temeer daar ze op driekoningendag zijn uitgespro­ken – aan een reliëf op een kapiteel in de kerk van Autun (Frankrijk) waarop de ‘drie wijzen uit het Morgenland’ slapend zijn afgebeeld, waarbij een engelgestalte met de ene hand hen behoedzaam maar duidelijk wekt en met de andere hand in de richting wijst waar de ster verscheen. Epifanie gaat met een ontwaken gepaard, een opstaan en een op weg gaan, de nieuwe dag tegemoet.

Het element van de ster zou ons weliswaar juist weer aan de nacht herinneren, maar bij nader inzien blijkt deze ster juist het karak­ter te hebben van de vroege morgen, van het ochtendgloren.

Het Mattheüsevangelie beschrijft hoe de ko­ningen of priesterwijzen uit het Oosten ko­men, dus uit het Morgenland, waar zij ‘Zijn ster hebben zien opgaan’. Het is ook begrij­pelijk dat na de allesoverheersende goden­schemering en de daaropvolgende nacht de geboorte van God op aarde wordt aangekon­digd in het teken van een nieuwe dag, in het opkomende licht van een ‘scheppingsdag’. De ster is sinds mensenheugenis het teken ge­weest van de individualiteit van de mens, zijn eigenlijke wezen, zijn ik. In het oude spijker­schrift van de Syriërs betekent het symbool de engel,

kerst Syrisch symbool

de genius die de mens leidt. De priesterwijzen uit het Oosten hebben ‘Zijn ster zien opgaan’, die ster namelijk waarmee Christus zijn eigen wezen tot uit­drukking brengt wanneer hij ons dat open­baart met de woorden: Tk ben de wortel en de stam van David, de blinkende Morgenster’ (Openbaringen 22).

Het wezen van Christus komt tot uitdruk­king bij de overgang van de nacht naar de dag, waar het eerste morgenrood de dag aan­kondigt en de zon in het oosten opkomt. Zo­als het allerheiligste van de joodse tempel in het westen is gelegen, aan de avondkant van zonsondergang, zo staat het altaar van de christelijke kerk naar het oosten gericht. Het altaar staat daarmee letterlijk en figuurlijk in het teken van Pasen, van dood en opstan­ding: ‘En zeer vroeg in de morgen van de eer­ste dag van de week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’ (Marcus 16).

Mythe van de 20e eeuw

De drieëenheid van advent, Kerstmis en epi­fanie, die weerspiegeld is in avond, nacht en ochtend krijgt nog een bijzondere glans door het licht, dat van maan, zon en sterren daar­op schijnt.

In de zogenaamde kleine apocalypse, zoals deze onder andere in het Lucasevangelie is opgenomen en die volgens christelijke tradi­tie in de adventtijd wordt gelezen, wordt beschreven dat er ‘tekenen zullen verschijnen in zon, maan en sterren’ en hoe de mensen ‘in die tijd zullen schouwen de Zoon des Mensen’.
In de ‘grote’ apocalypse, de Openbaring van Johannes, wordt ook een teken beschreven, waar zon, maan en sterren een belangrijke rol spelen. Aan dat beeld wordt hier herinnerd omdat het tevens in het teken staat van de geboorte, dus van het kerstgebeuren. Johannes beschrijft daar:
‘En een groot teken werd zichtbaar in de hemel: een vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; en zij was zwanger en riep in de weeën en pijnen der baring’.

Tegenover dit beeld van de vrouw die gehuld is in drievoudig hemellicht, verschijnt ‘een ander teken…: zie een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoofden zeven diademen; zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze in de aarde’.
Hoewel een dergelijke beschrijving voor ons nuchtere 20ste-eeuwers meer van een sprookje weg heeft dan van de realiteit, mogen we anderzijds zeggen, dat het wellicht bij uitstek de mythe van de 20-ste eeuw genoemd mag worden.
Zelden heeft het denken van de mens zo’n eenzijdig intellectualistisch en verstard ka­rakter gehad als in deze tijd, zodat een man als Albert Einstein waarschuwend zegt: ‘Wanneer ons denken niet verandert, zijn de dagen van de geciviliseerde mensheid geteld’.
Ook de tegenoverliggende pool in ons zielenleven, de wil, leeft zich in vele opzichten eenzijdig en onbeheersd uit. De draak wordt beschreven met deze beide polen in hun ex­treem: de zeven koppen en de staart. Het harmoniserende, evenwichtscheppende mid­den ontbreekt daar volledig. De extreme een­zijdigheden bedreigen de verwerkelijking van grote idealen.

De grootste en belangrijkste impulsen kun­nen juist hun verwerkelijking vinden, kunnen ‘geboren’ worden wanneer dat ‘andere den­ken’ (om met Einstein te spreken) de veelzij­digheid en de helderheid heeft als een kroon van twaalf sterren. Wanneer de krachten, die vaak zo onbewust in ons wilsleven rumoeren souverein kunnen worden beheerst, dat we ze in handen krijgen, of ook ‘onder de voe­ten’, en wanneer ten slotte de krachten van het midden, die met het hart te maken heb­ben (en die juist bij het dreigende beeld van de draak ontbreken), groot en allesomvat­tend worden als een warme, stralende zon die ons omhult.

De volgorde van christelijke feesten blijkt onderworpen te zijn, of – beter gezegd -blijkt de uitdrukking te zijn van een wijs­heidsvolle orde: in de Michaëlstijd wordt met het zwaard en de weegschaal de draak bestreden en bedwongen. In de mate waarin dit laatste is gelukt, kan ook het geesteskind dat in onze ziel groeit, geboren worden.

Dit is Kerstmis

(Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9/, 16-12-1983)

 .

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

373-352

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (6)

.

DRIE AANGEZICHTEN VAN DECEMBER

Bedrijvigheid, verwachting en depressie

Toen Satan ontdekte dat de mensen door het kerstfeest weer aan de hemel begonnen te denken, zon hij op middelen om daar iets tegen te doen. “Als ik Kerstmis niet uitschakel zullen ze elk jaar opnieuw naar een beter leven gaan verlangen, en dan krijg ik het christendom niet uit de wereld.”
Zorgelijk liep hij rond, hij werd er steeds dunner en bleker van. Plotseling een kreet: “Ik heb het! ” — Wat had hij? Hij had de zenuwoorlog van de maand december uitge­vonden……

Sindsdien overvalt de mensheid in december een koortsachtige activiteit en begeerte – om alles te organiseren, om alles te kopen, om alles klaar te krijgen voor Kerstmis. De zakenman moet verdienen, het zijn de gouden weken van het jaar. Als Kerstmis aan­breekt is hij totaal aan zijn eind, hoogstens heeft hij nog de kracht om zijn geld te tellen, – eerst moet hij maar eens een paar dagen flink uitsla­pen.
De huisvrouw moet zich om alle kinderen en familieleden bekommeren, voor honderd boodschappen heen en weer draven, dag en nacht alles voor Kerstmis voorbereiden. En als het dan zover is, zijgt ze op kerstdag gebro­ken op de sofa in elkaar – “laat me met rust, ik kan niet meer! “-
“Met deze beschrijving begint Friedrich Rittelmeyer zijn boek over de feesten van het jaar ( het begint met een hoofdstuk over de adventstijd). Dit is het eerste aangezicht van december.

verwachting of depressie
Als dit nummer van JONAS* verschijnt is het bijna eerste advent, in veel fa­milies wordt van dennentakken een krans gevlochten met vier kaarsen erin. Op elk van de nu volgende vier zondagen voor Kerstmis (op 1, 8, 15 en 22 december) wordt er één kaars méér aangestoken.

“Wat is advent? ” vragen de kinderen. En iemand die ’t niet precies weet kijkt het na in het woordenboek: het is de verwachtingstijd voor Kerstmis. “Advent” komt van adventus (Latijn), dat is “aankomst”. “Aankomst van wat? ” De aankomst van Christus in de kerstnacht. — Na enig nadenken: dus  de verwachtingstijd voordat de Messias kwam? Ja, zoals de oude jo­den de Messias verwachtten, tweedui­zend jaar lang!
Dat is de betekenis van de adventstijd: de verwachting van de geboorte in de kerstnacht. – Het tweede decemberaangezicht.

Het derde aangezicht van december is, dat veel mensen deze maand de donkerste, koudste, akeligste van het jaar vinden, aan depressies lijden, zich eenzaam voelen, er geen gat in zien en tegen alles het liefst een grote schop zouden willen geven. (Dan zou­den zij eigenlijk nog dankbaar moeten zijn, want voor velen was november nog erger.)

Zo heeft de laatste maand van het jaar drie aangezichten: bedrijvigheid, verwachting, depressie. Ze horen bij elkaar. Overdreven uiterlijke activiteit lijkt een beetje op een vlucht, je verstrooit alle kracht naar buiten en mist ( als het eenmaal zo ver is) het doel. Een vlucht voor wat? Voor in­keer… of is het een vlucht uit angst voor een depressie? Het doel was het feest, de rust, de kersttijd… Met het derde “aangezicht” moet je iemand in deze tijd van het jaar niet aankomen. Alleen het idee al dat Kerstmis in aantocht is, is voldoende om depressief te worden. Trouwens, in alles zit een reden voor neerslach­tigheid. Je loopt rond in een wolk van duistere troebele stemmingen, volko­men in overeenstemming met het weer: nat, grauw, guur. Bovendien geeft het wereldgebeuren nou niet be­paald aanleiding tot vreugdekreten – de ene helft van de mensheid is bezig te verhongeren, de andere helft pro­beert elkaar dood te slaan ( en de rest is in staking).
“Eind-tijd-stemming”— alles zit in z’n laatste fase, het loopt af, dat kun je wel merken. Op de wc hangt de kalender er ook al met z’n laatste blaadje bij …zelfs dat loopt af. Een decemberdepressie is eigenlijk po­lair aan de overdreven kerstbedrijvig­heid: een doorgebrand gevoelsleven tegenover een op hol geslagen wil. Geen van beide kan elkaar of zichzelf afremmen of tot bezinning brengen.

tijdsorganisme
De verklaring, dat advent de voorbereidingstijd of de verwachting voor het kerstfeest is, is meer een cliché of een halve waarheid. Advent is het begin van een omvangrijk tijdsorganisme, dat door een groepering van oeroude, zinvolle religieuze feesten een tijdspanne van 10 weken omvat. Een gedeelte hiervan leeft nog tame­lijk sterk in de leefgewoonten, een an­der gedeelte is uit het algemene be­wustzijn verdwenen. Zelfs een van de voornaamste hoeders van deze feesttijden, de roomse kerk, weet er nau­welijks meer raad mee. Religieuze feesten van deze orde zijn geen voor (of door) de mensen uitge­dachte geestelijk-hygiënische maatre­gelen, maar mystieke werkelijkheden die in het leven van de aarde en de natuur, in het astronomisch bestel en in de ontwikkelingswetten van de mens­heid te vinden zijn. Zo tenminste is dat aan Rudolf Steiner bij zijn onder­zoek van de geestwereld gebleken, en zo heeft hij het bij bepaalde gelegen­heden beschreven. Zulke bepaalde ge­legenheden waren bijvoorbeeld de op­richting van de Antroposofische Ver­eniging in de jaren 1912/13; in die tijd heeft hij een “jaarkalender” samenge­steld waaruit sommige van deze dingen blijken; en de stichting van de Chris­tengemeenschap in 1922, waar hij cultische regelingen heeft opgesteld voor de liturgie; daaruit blijken nog verdere aspecten met betrekking tot het tijdsorganisme dat aanstaande zondag* begint.
(Verder is er een grote literatuur op dit gebied in zijn nage­laten werk te vinden.)
En wanneer men al een adventskrans ophangt, een kerstboom versiert, de middernachtsdienst bezoekt of het spel van de Drie Koningen gaat zien, is er ook aanlei­ding om een ogenblik bij dit hele feesttijdenorganisme stil te staan.

Advent is met de vier zondagen vóór Kerstmis het begin van een religieuze feesttijd van tien weken. Na de kerst­nacht van 24 op 25 december volgen er twaalf “heilige dagen en nachten” tot 6 januari. In het midden daarvan ligt “oud en nieuw”. De 6e januari is opnieuw een feestdag: Epifanias, een van de eerste gedenkdagen uit het oer-christendom, het feest van “de ver­schijning Christi”, dat is de doop in de Jordaan.

Aanvankelijk was dit voor de chris­tenen de grote dag van het jaar — Kerstmis kwam pas later op. Tegelijk is Epifanias de feestdag van de “Drie Koningen”, de wijze magiërs uit het oosten, die volgens het Mattheüsevangelie naar Betlehem trekken omdat zij uit de verschijning van de ster de geboorte van Christus hebben afge­lezen. In cultisch verband duurt Epi­fanias van 6 januari tot vier volle we­ken daarna, dat is dit jaar* tot en met zaterdag 8 februari. Op zondag 2 fe­bruari is het 40 dagen na de kerst­nacht; deze dag wordt in het Lukasevangelie (2, 22) beschreven: “En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Jezus naar de tempel in Jeruzalem.”

SAMENVATTING
De periode van de eerste adventszon­dag tot de laatste dag van de epifanie is als een samenvatting in het klein, elk jaar, van een groot stuk mensheids­geschiedenis. De adventstijd als de verwachting en voorbereiding op de komst van de Messias; Kerstmis de ge­boorte van Jezus, de twaalf heilige nachten als aspecten van het plato­nische wereldjaar; Epifanias: de doop in de Jordaan en de verschijning van het wereldlicht.

Dit jaar* ziet het er met de data zo uit:
1 dec.   de eerste zondag van advent,
8 dec.   de tweede zondag van advent,
15 dec. de derde zondag van advent,
22 dec. de vierde zondag van advent. Deze dag is ook de kortste van het jaar, het is “winter-zonnewende”.
dinsdag 24 dec. volgens oude overle­vering werd deze dag naar Adam en Eva genoemd (uit wie het oude men­sengeslacht is voortgekomen). In de Sabbatnacht van 24 op 25 december van het jaar dat voorafgaat aan het be­gin van onze jaartelling wordt Jezus van Nazareth geboren, zoals dit in het Lukasevangelie is beschreven (hij is de stamvader van het nieuwe mensen­geslacht).

Deze nacht is volgens Steiners “ka­lender” tevens het begin “van de 13 dagen die voor mystieke verdieping bijzonder vruchtbaar zijn, en die op 6 januari eindigen. ”
Dit was in oudere beschavingen al bekend als een bij­zonder heilige tijd, waarin de men­sen openbaringen kunnen krijgen uit een hogere wereld. Een treffend beeld hiervan geeft het oude noorse lied van Olaf Asteson, die in deze tijd zijn in­wijding ontvangt.

woensdag 25 dec. kerstmis, geboorte­feest van Jezus.

woensdag 1 januari 1975, nieuwjaars­dag. Deze dag, een week na Kerstmis, is “de besnijdenis” van Jezus — voor onze huidige begrippen zou men dat nu de doopdag kunnen noemen. De gebeurtenis wordt in het tweede hoofd­stuk van het Lukasevangelie beschre­ven (vers 21): het kind ontvangt de naam Jezus. De eerste januari is dus de naamdag van Jezus.
maandag 6 januari, Driekoningen, Epifanie, eind van de “13 heilige da­gen”. De liturgische feesttijd omvat de daarop volgende vier weken, dus tot en met zaterdag 8 februari.

begin en eind
Zo bezien is december niet alleen de laatste maand van het jaar, en het slot van een steeds donkerder worden­de periode, maar ook een begin. Wie het klaarspeelt de ietwat manische be­drijvigheid van december in toom te houden, en ook de depressies van de “donkere dagen voor Kerstmis” over­wint, zou in de weken van advent een zeer zinnige periode kunnen ont­dekken om op de komende feesttijd toe te leven. De vier zondagen zijn als vier indrukwekkende gongslagen, waar­mee een mysterietijd wordt aangekon­digd. De kerstnacht met de daaropvol­gende twaalf “heilige dagen en nach­ten” kunnen een impuls zijn voor het hele volgende jaar; op epifania en in de vier daarop volgende weken wordt het mysterie openbaar. In vroegere tijden ( dat werkt nog steeds door) was religie een kwestie van stemming. Dat is in de twintigste eeuw niet meer voldoende. Je moet tegenwoordig je gemoedsleven met wilskracht doortrekken, en bovendien denken over wat je viert, wanneer je grote feesttijden van het jaar wilt vie­ren. Echte religie hangt met de grote levensritmen van ons bestaan samen, maar echte religie laat een mens ook volkomen vrij — vrij om het te willen beleven. Zo bezien is het vieren van advent een aangelegenheid van goede wil — en er valt, voor wie wil, in de wereldwijde ritmen van de komende zeventig dagen zeer veel te beleven.

(J.E.Zeylmans van Emmichoven, Jonas 7, 29-11-1974*)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

322-302

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.