VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-8)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 131 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

8. REUKZIN

Blz. 134  vert. 131

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2198-2065

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-11)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

11. LEVENSZIN

Blz. 133/134  vert. 130

Wir haben also neben dem Gleichgewichtssinn einen Bewegungssinn, und wir haben außerdem noch für die Wahrnehmung des Gestimmtseins unseres Leibes im weitesten Sinne den Lebenssinn. Von diesem Lebenssinn sind sogar sehr viele Menschen sehr abhängig. Sie nehmen wahr, ob sie zuviel oder zuwenig gegessen haben, und dadurch fühlen sie sich behaglich oder unbehaglich, oder sie nehmen wahr, ob sie ermüdet sind oder nicht, und dadurch fühlen sie sich behaglich oder unbehaglich. Kurz, die Wahrnehmung der Zustände des eigenen Leibes spiegelt sich im Lebenssinn

We hebben bovendien nog de levenszin, het zintuig waarmee men waarneemt hoe het in de ruimste zin gesteld is met het lichaam. Veel mensen zijn zelfs zeer afhankelijk van deze levenszin. Ze nemen waar of ze te veel of te weinig gegeten hebben en voelen zich daardoor prettig of onprettig, of ze nemen waar of ze vermoeid zijn of niet en voelen zich daardoor prettig of niet. Samengevat: de waarneming van de toestand, de gesteldheid van het eigen lichaam wordt door de levenszin gespiegeld.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Blz. 134  vert. 131

In den Lebenssinn wirkt der Wille ja sehr stark hinein,

In de levenszin werkt de wil heel sterk.     In de drift bijv. [4-3-2]

Blz. 134  vert. 131

 Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2197-2064

.

.

.

.

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-10)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

10. (EIGEN)BEWEGINGSZIN

Blz. 133  vert. 130

Und so wie wir für die Wahrnehmung des Gleichgewichtes einen Sinn haben, so haben wir auch einen Sinn für die eigene Bewegung, durch den wir unterscheiden, ob wir in Ruhe oder in Bewegung sind, ob unsere Muskeln gebeugt sind oder nicht. Wir haben also neben dem Gleichgewichtssinn einen Bewegungssinn,

En zoals we een waarnemingszintuig hebben voor het evenwicht, hebben we ook een zintuig voor het waarnemen van onze eigen beweging, een zintuig waardoor we kunnen onderscheiden of we ons in rust bevinden of in beweging zijn, of onze spieren gespannen zijn of niet. Naast de evenwichtszin hebben we dus een bewegingszin.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Fühlen Sie doch, wie in das Wahrnehmen von Bewegungen, selbst wenn Sie diese Bewegungen im Stehen ausführen, der Wille hineinwirkt! 

Voelt u maar eens hoe in het waarnemen van bewegingen de wil werkt – zelfs wanneer u stilstaand beweegt.

Blz. 134  vert. 131

Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskundezintuigen [8-4]

Algemene menskundevoordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2196-2063

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (39)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

In de jaren 1990 verschenen er bij Wolters-Noordhoff speciaal voor het onderwijs series met bekende kinderboeken. Deze ‘Lijster’- serie bestond o.a. uit ‘de vroege lijsters’. Tegen een zeer redelijke prijs werden de ouders in staat gesteld voor hun kinderen goede boeken aan te schaffen.
Het was een soort feest om ze in de klas uit te zoeken, te bestellen en uit te pakken. En je hoopte natuurlijk dat ook het lezen thuis een feestje was.

In 1994 was nr. 3 het boek ‘Minoes’ van Anne M.G.Schmidt.
Een knotsgek boek met allerlei dolle situaties, met in de hoofdrol uiteraard Minoes, ooit een poes, maar nu (bijna) mens. Haar baas is Tibbe, een journalist, voor wie op zekere dag geen plaats meer is bij de krant. Maar de kattenvrienden en vriendinnen van Minoes houden er een kattenpersdienst op na en zo weet Tibbe eerder dan wie ook wat nieuws is. Zo wordt er allerlei onrecht aan de kaak gesteld, corruptie wordt bestraft, Tibbe in ere hersteld.
Het is in de bekende Annie M.G.-stijl geschreven, met veel hunor, die – er staat ergens een leeftijdsindicatie voor vanaf 8 jaar – door die leeftijd nog niet begrepen kan worden. Ook vanaf 12 zal dat nog niet altijd het geval zijn, maar die leeftijd zal er toch meer van kunnen genieten. Als die de straattaal van de Jakkepoes imiteren is dat minder erg dan dat het de taal van een 8-jarige wordt.

Annie M.G.Schmidt
Ill. Monique Beijer (omslag)
Carl Hollander

Boek

12 jr en ouder

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2195-2062

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-9)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

9. EVENWICHTSZIN

Blz. . 133  vert. 130

Dann den Gleichgewichtssinn. Wir haben ein sinnlich geartetes Bewußtsein davon, daß wir im Gleichgewicht sind. Ein solches Bewußtsein haben wir. Wir wissen durch ein gewisses innerliches sinnliches Wahrnehmen, wie wir uns zu rechts und links, zu vorn und rückwärts verhalten, wie wir uns im Gleichgewicht verhalten, damit wir nicht umfallen. Und wenn das Organ unseres Gleichgewichtsinnes zerstört wird, fallen wir um; dann können wir uns nicht ins Gleichgewicht setzen, wie wir uns zu den Farben nicht in Beziehung bringen können, wenn das Auge zerstört ist. 

En de evenwichtszin. We hebben een op de zintuigen gebaseerd bewustzijn dat we in evenwicht zijn. Zo’n bewustzijn hebben we. We weten door een zekere innerlijke zintuiglijke waarneming hoe onze positie is ten opzichte van rechts en links, voor en achter, hoe we ons evenwicht bewaren opdat we niet omvallen. Wanneer het orgaan van onze evenwichtszin niet meer functioneert, vallen we om. Dan kunnen we niet het evenwicht opzoeken, zoals we zonder functionerende ogen geen kleurbeleving kunnen hebben.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Der ruhende Wille wirkt auch in die Wahrnehmung Ihres Gleichgewichtes hinein.

De wil in toestand van rust werkt ook door in de waarneming van uw evenwicht.

Blz. 134  vert. 131

Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

M.n. bijv. aan de evenwichtszin kun je beleven dat deze veel meer ‘wil’ is dan ‘kennis’. Bij de ‘gedachte-zin’, de ‘woordzin’ wordt een andere wakkerheid zichtbaar dan wanneer we ons evenwicht verliezen – dat we onmiddellijk – nog vóór we het echt verliezen, weer herstellen: daar komt geen denken aan te pas, maar een grote wilsactiviteit: een werkzaamheid, daad, van binnenuit om ons ‘overeind’ te houden. Je zou kunnen zeggen: wij herstellen ons evenwicht niet: het wordt hersteld – als wakkere mens staan we er eigenlijk buiten; dat is met het ervaren van het andere Ik of met het doorgronden van de gedachten van anderen, heel anders.
.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2194-2061

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 311)

.

Zie de inleiding

GA 311

Blz.  29/30      vert. 29/30

Und so muß man den Übergang im Zahnwechsel beobachtend er­leben. Man wird dann finden, daß das Kind vor allen Dingen die symbolisierende Gabe, die Phantasiegabe herausentwickelt aus dem, daß es vorher ganz Sinnesorgan ist, und darauf muß man rechnen, auch schon im Spiel. Unsere materialistische Zeit sündigt furchtbar dagegen. So bekommt man heute zum Beispiel überall sogenannte schöne Puppen für die Kinder. Oh, die haben ein so schön geformtes Gesicht, wunderbar gestrichene Wangen, sogar Augen, mit denen sie schlafen können, wenn man sie hinlegt, echte Haare, und was nicht alles! Aber damit wird die Phantasie des Kindes totgemacht. Es kann selber nichts mehr in der Phantasie aus dieser Gestalt ma­chen. Das Kind erlebt auch nicht so viel Freude daran. Dagegen macht man selbst eine Puppe aus einer Serviette oder einem Taschen­tuch, mit zwei Tintenklecksen die Augen, mit einem Tintenklecks einen Mund, man kann auch irgendwie Arme formen, dann kann das Kind mit der Phantasie sehr viel dazusetzen. Das ist für das Kind ganz besonders gut, möglichst viel dazusetzen zu können, die Phan­tasie, die symbolisierende Tätigkeit entwickeln zu können Das ist dasjenige, was man für sie suchen muß; möglichst wenig Fertiges, Schönes, wie man es nennt, geben. Denn das Schöne solch einer Puppe, wie ich sie vorhin beschrieben habe, mit echten Haaren und so weiter, ist nur konventionell schön; in Wahrheit ist diese Puppe ja scheußlich, weil sie unkünstlerisch ist.

En op deze manier moet je de overgang bij het tandenwisselen observerend meebeleven. Dan zul je ontdekken dat het kind bovenal de symboliserende gave, de gave van de fantasie ontwikkelt, uit, dat het daarvóór een en al zintuig is en daar moet je rekenen, mee houden, ook bij het spel. Daar zondigt onze materialistische tijd vreselijk tegen. Zo heb je tegenwoordig bv. overal de zogenaamde mooie poppen voor de kinderen. O, die hebben een mooi gevormd gezicht, wonderbaarlijk gladde wangetjes, zelfs ogen waarmee ze kunnen slapen als je ze neerlegt, echte haren en wat dies meer zij! Maar daarmee wordt de fantasie van het kind doodgemaakt. Het kan zelf niets meer in zijn fantasie uit dit ding maken. Het kind beleeft er ook niet zo veel plezier aan. Daarentegen kun je zelf een pop maken van een servet of een zakdoek, met twee inktvlekken als oog, met een inktvlek als mond; je kunt ook op de een of andere manier armen vormen, dan kan het kind er met zijn fantasie zeer veel aan toevoegen. Het is voor een kind heel goed er veel aan toe te kunnen voegen; om de fantasie, de symboliserende activiteit, te kunnen ontwikkelen. Dat moet je voor hem opzoeken; zo min mogelijk geven wat af en mooi is, zoals men dat noemt. Want het mooie van zo’n pop die ik net beschreven heb, met echte haren enz., is alleen maar conventioneel mooi; in waarheid is deze pop afzichtelijk, omdat die onkunstzinnig is.

GA 311/29    Op deze blog vertaald/29

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden.

.

2193-2060

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-2)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 129 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

2. GEDACHTEZIN

Bij de Ik-zin gaat het dus NIET om het waarnemen van het eigen Ik, maar om dat van iemand anders; precies zo is het met de gedachtezin.

Blz.. 132     vert. blz. 129

Dann haben wir als nächsten Sinn, aber getrennt von dem Ich-Sinn und von allen übrigen Sinnen, denjenigen zu beachten, den ich bezeichne als Gedankensinn. Gedankensinn ist nicht der Sinn für die Wahrnehmung eigener Gedanken, sondem für das Wahrnehmen der Gedanken der anderen Menschen.

Het volgende zintuig is wat ik de gedachtezin noem, die los staat van de ik-zin en van alle andere zintuigen. De gedachtezin is niet het zintuig voor de waarneming van eigen gedachten, maar voor de waarneming van gedachten van andere mensen.

Over de samenhang denken-taal is veel gefilosofeerd. De mening heerst dat we met de taal ook altijd de gedachten in ons opnemen. Maar volgens Steiner kun je met je gedachtezin even goed gedachten waarnemen die liggen in ruimtelijke gebaren als gedachten die liggen in de gesproken taal.

Vor allen Dingen sind die Leute so sehr von der Zusammengehörigkeit von Sprache und Denken beeinflußt, daß sie glauben, mit der Sprache wird immer auch das Denken aufgenommen. Das ist ein Unding. Denn Sie könnten die Gedanken durch Ihren Gedankensinn ebenso als liegend in äußeren Raumesgebärden wahrnehmen wie in der Lautsprache. Die Lautsprache vermittelt nur die Gedanken. Sie müssen die Gedanken für sich selbst durch einen eigenen Sinn waIrrnehmen. 

Men is zozeer beïnvloed door de samenhang van taal en denken dat men meent dat we met de taal altijd ook de gedachten in ons opnemen. Dat is een onzinnig idee. Met uw gedachtezin kunt u namelijk even goed gedachten waarnemen die liggen in ruimtelijke gebaren als gedachten die liggen in de gesproken taal. De gesproken taal geeft alleen maar uiting aan gedachten. U moet de gedachten zelf met het daarbij behorende zintuig waarnemen.

Wij waren eens in het niet meer bestaande Joegoslavië op vakantie. Dat was toen nog een tamelijk streng communistisch land en je mocht er niet vrij kamperen. We vroegen wel bij tijd en wijle aan bewoners van boerderijen of we daar onze tent mochten opzetten. Toen we een keer een oprit opliepen, kwam er een oude vrouw op ons af die – het voor ons zo bekende ‘wegwerpgebaar’ maakte. We keerden dan ook om. Later hoorden wij dat dit een gebaar van uitnodiging was.
Hadden wij dit geweten, dan zouden wij in het gebaar haar gedachte: ‘Komen jullie maar’ hebben kunnen ‘lezen’. We zouden haar in ieder geval zonder woorden hebben begrepen. 

Steiner bevestigt deze ervaring min of meer met:

Und wenn einmal für alle Laute die eurythmischen Zeichen ausgebildet sind, so braucht Ihnen der Mensch nur vorzueurythmisieren und Sie lesen aus seinen eurythmischen Bewegungen ebenso die Gedanken ab, wie Sie in der Lautsprache sie hörend aufnehmen. Kurz, der Gedankensinn ist etwas anderes, als was im Lautsinn, in der Lautsprache wirkt. – Dann haben wir den eigentlichen Sprachsinn.

Wanneer ooit voor alle klanken de euritmische gebaren ontwikkeld zijn,° dan hoeft iemand u slechts voor te euritmiseren en u leest aan zijn euritmische gebaren even goed de gedachten af als u ze in de klanken van de taal kunt horen. Met andere woorden, de gedachtezin is iets anders dan wat in de klankzin, wat in de klankentaal werkt. Met dit laatste komen we bij de eigenlijke taalzin.

°euritmisch: De euritmie is een nieuwe bewegingskunst, die door Steiner is ontwikkeld. Daarbij is het lichaam het instrument om een muziekstuk of een literair werk (proza of poëzie) zichtbaar te maken. Vgl. Euritmie, spraakvorming en toneelkunst, WV-I13; Eurythmie. Die Offenbarung der sprechenden Seele, GA 277; Jelle van der Meulen/Willemijn Otte, Bezield bewegen. Wat is euritmie?, Zeist 1992.

De euritmische gebarentaal

Aan het eind van de opmerkingen over de gedachtezin, zien we voor de ‘woordzin’, nieuwe karakteristieknamen: klank-zin en taalzin.

GEDACHTEZIN ALS BEWUSTZIJNSZIN

Bij de Ik-zin gaat Steiner uitvoerig in op de kwaliteit van de de ‘bovenste’ zintuigen als ‘kenniszintuigen’ t.o. de gevoels- maar vooral de wilszintuigen.

Op blz. 137  vert. 133 voegt hij nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2192-2059

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-1)

.

GA 293*    Vertaling

DE TWAALF ZINTUIGEN

[1] DE IK-ZIN

GA 293 [1]  blz. 124/125   vert. 121/122

( ) weil man einfach nicht beachtet, daß der Mensch ein ähnliches Verhältnis zu seiner Umwelt hat, wenn er das Ich eines anderen Menschen
wahrnimmt, wie er es hat, wenn er eine Farbe wahrnimmt durch den
Sehsinn. (  )

Wanneer de mens het ik van een ander mens waarneemt, heeft hij eenzelfde soort relatie tot de wereld om hem heen als wanneer hij een kleur waarneemt met zijn gezichtsvermogen.

Wenn einer an die Ich-Vorstellung denkt, so denkt er zunächst an seine
eigene Seelenwesenheit; dann ist er gewöhnlich zufrieden. Fast machen
es die Psychologen auch so. Sie bedenken gar nicht, daß es etwas völlig
Verschiedenes ist, ob ich durch das Zusammennehmen dessen, was ich
an mir selbst erlebe, zuletzt die Summe dieses Erlebens als «Ich» bezeichne oder ob ich einem Menschen gegenübertrete und durch die
Art, wie ich mich zu ihm in Beziehung setze, auch diesen Menschen als
ein «Ich» bezeichne. Das sind zwei ganz verschiedene geistig-seelische Tätigkeiten. Das eine Mal, wenn ich meine Lebenstätigkeiten in der
umfassenden Synthesis «Ich» zusammenfasse, habe ich etwas rein Innerliches; das andere Mal, wenn ich dem anderen Menschen gegenübertrete und durch meine Beziehung zu ihm zum Ausdruck bringe, daß
er auch so etwas ist wie mein Ich, habe ich eine Tätigkeit vor mir, die
im Wechselspiel zwischen mir und dem anderen Menschen verfließt.
Daher muß ich sagen: Die Wahrnehmung meines eigenen Ich in meinem Inneren ist etwas anderes, als wenn ich den anderen Menschen als
ein Ich erkenne. Die Wahrnehmung des anderen Ich beruht auf dem
Ich-Sinn, so wie die Wahrnehmung der Farbe auf dem Sehsinn, die
des Tones auf dem Hörsinn beruht. Die Natur macht es dem Menschen
nicht so leicht, beim «Ichen» das Organ des Wahrnehmens so offen zu
sehen wie beim Sehen. Aber man könnte gut das Wort «Ichen» gebrauchen für das Wahrnehmen anderer Iche, wie man das Wort Sehen gebraucht beim Wahrnehmen der Farbe. Das Organ der Farbenwahrnehmung ist außen am Menschen; das Organ der Wahrnehmung der Iche
ist über den ganzen Menschen ausgebreitet und besteht in einer sehr
feinen Substantialität, und daher reden die Menschen nicht vom IchWahrnehmungsorgan. Dieses Ich-Wahrnehmungsorgan ist etwas anderes als das, was bewirkt, daß ich mein eigenes Ich erlebe. Es ist sogar ein gewaltiger Unterschied zwischen dem Erleben des eigenen Ich
und dem Wahrnehmen des Ich bei einem anderen. Denn das Wahrnehmen des Ich bei einem anderen ist im wesentlichen ein Erkenntnisvorgang, wenigstens ein der Erkenntnis ähnlicher Vorgang; das Erleben des eigenen Ich dagegen ist ein Willensvorgang.

Denkt iemand aan de ik-voorstelling, dan denkt hij het eerst aan zijn eigen zielenwezen; dan is hij meestal al tevreden.
Maar er is sprake
van twee totaal verschillende dingen, wanneer ik alles wat ik van mezelf ervaar onder één noemer breng en het totaal daarvan ‘ik’ noem, en wanneer ik tegenover iemand anders sta en door de wijze waarop ik me met de ander verbind ook die ander een ‘ik’ kan noemen. Dat zijn twee totaal verschillende activiteiten van geest en ziel.
Wanneer ik al mijn doen en laten samenvat in de alomvattende synthese ‘ik’, dan is dat een louter innerlijk proces. Wanneer ik tegenover een ander sta en door mijn relatie tot de ander tot uitdrukking breng dat ook hij iets dergelijks is als mijn ik, dan is dat een activiteit die zich in de wisselwerking tussen mij en de ander afspeelt.
Ik moet dus zeggen dat het waarnemen van mijn eigen ik in mijn innerlijk iets anders is dan het inzien dat een ander mens ook een ik is. De waarneming van het ik van een ander berust op de ik-zin, zoals de waarneming van kleur berust op de gezichtszin en de waarneming van klank op het gehoor. De natuur maakt het de mens niet zo gemakkelijk om het waarnemingsorgaan voor het ik net zo duidelijk te zien als dat van het zien. Maar men zou heel goed het woord ‘ikken’ kunnen gebruiken voor het waarnemen van het ik van anderen, zoals men het woord ‘zien’ gebruikt voor het waarnemen van kleur. Het waarnemingsorgaan voor kleur zit aan de buitenkant van de mens; het orgaan dat het ik waarneemt, is over de gehele mens uitgestrekt en bestaat uit een zeer fijne substantie; daarom merken de mensen het niet op. Dit waarnemingsorgaan voor het ik is iets anders dan dat wat bewerkstelligt dat ik mijn eigen ik ervaar. Er is zelfs een geweldig groot verschil tussen het ervaren van het eigen ik en het waarnemen van het ik van een ander. Het laatste is in essentie een kenproces, althans een proces dat met het kennen verwant is; het eerste is een wilsproces.

Deze Ik-zin begrijpen lijkt op het eerste gezicht niet zo moeilijk.
Want als je er over nadenkt en nog niet alles gelezen wat er nog meer bijkomt, kom je makkelijk tot deze conclusie, waarvan Steiner weet dat vele mensen die trekken:
.
Eigentlich sieht man vom äußeren Menschen seine Gestalt, man hört seine Töne, und dann weiß man, daß man selbst so menschlich ausschaut wie der andere Mensch, daß man drinnen in sich ein Wesen hat, das denkt und fühlt und will, das also auch seelisch-geistig ein Mensch ist. – Und so schließt man durch Analogie: Wie in mir selbst ein denkendes, fühlendes, wollendes Wesen ist, so ist es auch beim anderen. – Ein Analogieschluß von mir selbst auf
den anderen wird vollzogen.

Je ziet eigenlijk de gestalte van een mensenlichaam, je hoort wat voor klanken de ander produceert en je weet dat je er zelf ook zo als een mens uitziet en dat je in jezelf een wezen hebt dat denkt, voelt en wil en dat de mens dus ook ziel en geest heeft. En analoog daaraan concludeer je: zoals in mijzelf een denkend, voelend en willend wezen bestaat, zo is dat ook bij die ander. -Dat is een conclusie naar analogie, waarbij je redeneert van jezelf naar de ander. 

Toen ik voor het eerst met deze inzichten kennis maakte, heb ik dat ook gedacht. Zo meende ik het te moeten begrijpen.
Niet wetende dat ik me daarmee onder de ‘abstractelingen’ schaarde ‘die een dwaasheid begaan’.
Dat heeft mij niet weerhouden te proberen minder abstract te zijn, maar dat valt tot op heden niet mee.
Want er gebeurt tussen de twee mensen-Ikken iets heel anders: 

Das Wechselverhältnis zwischen dem einen Menschen und dem anderen schließt etwas ganz anderes in sich. Stehen Sie einem Menschen gegenüber, dann verläuft das folgendermaßen: Sie nehmen den Menschen wahr eine kurze Zeit; da macht er auf Sie einen Eindruck. Dieser Eindruck stört Sie im Inneren: Sie fühlen, daß der Mensch, der eigentlich ein gleiches Wesen ist wie Sie, auf Sie einen Eindruck macht wie eine Attacke. Die Folge davon ist, daß Sie sich
innerlich wehren, daß Sie sich dieser Attacke widersetzen, daß Sie gegen ihn innerlich aggressiv werden. Sie erlahmen im Aggressiven, das Aggressive hört wieder auf; daher kann er nun auf Sie wieder einen Eindruck machen. Dadurch haben Sie Zeit, Ihre Aggressivkraft wieder zu erhöhen, und Sie führen nun wieder eine Aggression aus. Sie erlahmen darin wieder, der andere macht wiederum einen Eindruck auf Sie und so weiter. Das ist das Verhältnis, das besteht, wenn ein Mensch dem anderen, das Ich wahrnehmend, gegenübersteht: Hingabe an den Menschen – innerliches Wehren; Hingabe an den anderen – innerliches Wehren; Sympathie – Antipathie; Sympathie – Antipathie. Ich rede jetzt nicht von dem gefühlsmäßigen Leben, sondern nur von dem wahrnehmenden Gegenüberstehen. Da vibriert die Seele; es vibrieren: Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie.

De wisselwerking tussen twee mensen behelst nog iets heel anders. Staat u tegenover iemand dan gaat het als volgt. U neemt de ander gedurende korte tijd waar; hij werkt op u in, maakt een indruk op u. Deze indruk stoort u in uw innerlijk: u voelt dat de ander, die eigenlijk eenzelfde wezen is als u, een indruk maakt als van een aanval. Het gevolg is dat u zich innerlijk teweerstelt, dat u zich verzet tegen deze aanval, dat u innerlijk agressief tegen hem wordt. Uw agressie neemt weer af en houdt op; daardoor kan de ander weer op u inwerken. Daardoor heeft u de tijd uw agressie weer te versterken en dan maakt u innerlijk weer een agressieve beweging. Die agressie neemt weer af, de ander kan weer een indruk op u maken enzovoort. Dat is de relatie tussen twee mensen, wanneer de een het ik van de ander waarneemt: overgave aan de ander — innerlijke afweer; overgave — afweer; sympathie — antipathie; sympathie — antipathie. Ik heb het nu niet over het gevoelsleven, maar alleen over het waarnemen van de ander tegenover je. Daarbij vibreert de ziel in sympathie — antipathie, sympathie – antipathie, sympathie – antipathie. [2]

Nu zou er ook nog iets anders gebeuren. Ik weet (nog) niet of dat te maken heeft met een ervaring die ik heb – en die anderen ook hebben – dat het moeilijk is om wanneer je tegenover de ander zit of staat en met hem spreekt, steeds naar de ogen te kijken, je wendt je blik steeds af om weer terug te keren enz.’ of je kijkt niet meer naar de ogen, maar naar de mond, ook niet zo lang; in de aandacht lijkt dat wel op ‘meer’, ‘minder’, alsof er iets is van ‘wakkerder’ en ‘minder wakker’. 

Blz. 126   vert. 123

Aber es ist noch etwas anderes der Fall. Indem die Sympathie sich
entwickelt, schlafen Sie in den anderen Menschen hinein; indem die
Antipathie sich entwickelt, wachen Sie auf und so weiter. Das ist ein
sehr kurz dauerndes Abwechseln zwischen Wachen und Schlafen in
Vibrationen, wenn wir dem anderen Menschen gegenüberstehen. Daß
es ausgeführt werden kann, verdanken wir dem Organ des Ich-Sinnes.Dieses Organ des Ich-Sinnes ist also so organisiert, daß es nicht in seinem wachenden, sondern in einem schlafenden Willen das Ich des anderen erkundet – und dann rasch diese Erkundung, die schlafend vollzogen wird, in die Erkenntnis hinüberleitet, das heißt, in das Nervensystem hinüberleitet. So ist, wenn man die Sache richtig betrachtet, die Hauptsache beim Wahrnehmen des anderen doch der Wille, aber eben gerade der Wille, wie er sich nicht wachend, sondern schlafend entwickelt; denn wir spinnen fortwährend schlafende Augenblicke in
den Wahrnehmungsakt des anderen Ich ein. Und was dazwischen liegt,
ist schon Erkenntnis; das wird rasch abgeschoben in die Gegend, wo
das Nervensystem haust, so daß ich nennen kann die Wahrnehmung
des anderen wirklich einen Erkenntnisvorgang, aber wissen muß, daß
dieser Erkenntnisvorgang nur eine Metamorphose eines schlafenden
Willensvorganges ist. So ist also auch dieser Sinnesvorgang ein Willensvorgang, nur erkennen wir ihn nicht als solchen. Wir leben nicht bewußt alles Erkennen, das wir im Schlafe erleben.

Bij de ontwikkeling van sympathie geeft u zich slapend over aan de ander; bij de antipathie wordt u wakker enzovoort. Wanneer we tegenover een ander staan wisselen waken en slapen elkaar in zeer kortstondige trillingen af. Dat dit mogelijk is, hebben we te danken aan het orgaan van de ik-zin. Dit orgaan is dus zo opgebouwd dat het niet in de wakkere wil, maar in een slapende wil het ik van de ander waarneemt en dan snel deze slapend voltrokken waarneming tot kennis brengt, dat wil zeggen, in het zenuwstelsel brengt. Wanneer men de zaak dus precies bekijkt, dan is de hoofdzaak bij het waarnemen van de ander toch de wil en wel niet de wakkere, maar de slapend verlopende wil. Bij het waarnemen van een ander ik vallen we voortdurend kort in slaap. En wat daartussen ligt, behoort al tot het gebied van het kennen. Dat wordt fluks doorgeschoven naar het gebied van de zenuwen. Daarom kan ik de waarneming van een ander inderdaad een kenproces noemen, maar ik moet dan wel voor ogen houden dat dit kenproces slechts een metamorfose is van een slapend wilsproces. Zo is ook dit zintuigproces een wilsproces, alleen herkennen we het niet als zodanig. We zijn ons niet van elk kennen bewust dat we slapend doormaken.
GA 293/124-126
Vertaald/121-123

Op blz. 132  vert. 128

voegt Steiner hierover nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.
GA 293/132
Vertaald/128

.

[1] GA 293   vertaald
[2] Steiner verwijst hier naar GA 4, Filosofie van de vrijheid/v.a. blz.208

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]
GA 295
Praktijk van het lesgeven.

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2191-2058

.

.

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4)

.

de twaalf zintuigen
.

ALGEMEEN

Op blz. 120 (vert) begint Steiner – zij het nog beknopt – met ‘de zintuigen’.
Hij is zeer stellig:

Blz. 124   vert. 120

Der Mensch hat im ganzen zwölf Sinne.

De mens heeft in totaal twaalf zintuigen.

Zeker in de tijd waarin Steiner dit beweerde – zo vanaf 1909 – was dat = letterlijk = ongehoord – er werd over vijf zintuigen gesproken, soms zes of zeven, en dat is jaren zo gebleven. Inmiddels worden er wel meer dan vijf onderscheiden, maar tot twaalf is men ook meer dan honderd jaar later niet gekomen.

Steiners zintuigleer is niet te begrijpen zonder ‘geest – ziel – lichaam’.
En omdat ‘geest’ in 869 al werd afgeschaft, ligt het voor de hand dat de ‘geestelijke’ zintuigen voor de huidige manier van denken, nauwelijks toegankelijk zijn.

De twaalf zintuigen in schema:

Zintuigen van de geest:

1. Ik-zin                                                
2.Gedachte-zin
3.Woord-zin
4.Gehoors-zin

Zintuigen van de ziel

5. Warmte-zin                                                                           
6. Gezichts-zin
7. Smaak-zin
8.Reuk-zin

Zintuigen van het lichaam:

  9. Evenwichts-zin
10.(Eigen)beweging-zin
11.Levens-zin
12.Tast-zin                                           

Vaak wordt ook begonnen met de tastzin als nr. 1

Uiteraard is de ‘Algemene menskunde’ niet de enige plaats waar Steiner over de zintuigen spreekt. En telkens wordt er wel weer een nieuw aspect belicht of worden andere woorden gekozen.

Zo tot aan blz. 125 maakt hij wat losse opmerkingen over verschillende zintuigen.
Deze heb ik opgenomen bij de betreffende zintuigen, zie schema hierboven.

Met: So bekommen Sie die Tafel der Sinne als zwölf Sinne. Tatsächlich hat der Mensch zwölf solcher Sinne.

Zo krijgt u een scala van twaalf zintuigen. De mens heeft inderdaad twaalf zintuigen.
GA 293/128
Vertaald/125

lijkt er al een einde te komen aan de beschouwingen over de zintuigen.

ZINTUIGEN IN RELATIE TOT DENKEN, VOELEN, WILLEN

Op blz. 120 (vert) gaat Steiner even terug naar voordracht 7 [7-7-3][<1> waarin uiteengezet werd dat de zintuigprocessen voornamelijk wilsprocessen zijn en zich in een gevoels/wilssfeer afspelen. Hij constateert zijn eigen ‘tegenspraak’ wanneer hij over de ik-zin zegt dat deze meer een kenproces is. 
Op blz. 122 (vert) constateert hij dat hiermeede mogelijkheid tot pedante bezwaren tegen het kennisachtige van e n k e l e  zintuigen is weggenomen, doordat we hebben gezien hoe dit kennisachtige toch, verhuld, berust op de wil.

Het is goed om in de gaten te houden dat het bespreken van de zintuigen in deze 8e voordracht uitgaat van denken, voelen en willen en dat het verschijnsel ‘kennis (wakker) – wil (slaap) hoort bij het standpunt van de ‘bewustzijnstoestanden’.
We zien hier iets terug van ‘indelen’, dat enerzijds noodzakelijk is om tot kennen te komen, anderzijds tegelijk het gevaar inhoudt te dogmatisch vast te houden aan de (scherpe) indeling.
De zintuigen zijn dus in hoofdzaak wilsmatig, maar er zijn ook ‘gevoels- en kenniselementen’ aanwezig. 

Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin worden voornamelijk (! voornamelijk) doordrongen door wilsactiviteit.
GA 293/128
Vertaald/125

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.
GA 293/132
Vertaald/128

Nachdem wir nun die Möglichkeit hinweggeräumt haben, pedantisch Einwendungen zu machen gegen das Erkenntnisgemäße mancher Sinne, weil wir ja erkannt haben, daß dieses Erkenntnisgemäße doch in geheimer Weise auf dem Willen beruht, können wir jetzt die Sinne weiter gliedern. 

Nu de mogelijkheid tot pedante bezwaren tegen het kennisachtige van enkele zintuigen is weggenomen, doordat we hebben gezien hoe dit kennisachtige toch, verhuld, berust op de wil, kunnen we nu de zintuigen verder onderverdelen.
GA 293/128
Vertaald/125

Steiner past hier veelvuldig zijn methode toe, wil je tot in zicht komen, door tegenstellingen op te zoeken. Dat is verhelderend. Tegelijkertijd staan de opmerkingen over één zintuig dan verspreid. In de artikelen over de zintuigen ‘een voor een’ heb ik geprobeerd deze karakteristieken bij elkaar te zetten.

Na de gezichtszin in samenhang met de evenwichtszin te hebben besproken, uitmondend in wat oordelen is, merkt Steiner op:

Sie sehen jetzt hinein in den tieferen Sinn unseres Verhältnisses zur Welt.

U werpt hiermee een blik op de diepere zin van onze relatie tot de wereld.
GA 293/131
Vertaald/127

RELATIE TOT DE WERELD

En dat is toch iets wat je als vrijeschool(leerkracht) tot stand wil brengen: dat de kinderen een ‘relatie tot de wereld’ hebben.

Dat streef je al na met de inhoud van de leerstof zoals duidelijk blijkt uit – om  maar enkele vakken te noemen – plant- en dierkunde, natuur- en scheikunde. Met ‘de zintuigen’ komt daar een aspect bij.

Blz. 131  vert. 127

Hätten wir nicht zwölf Sinne,  würden wir wie Stumpflinge auf unsere Umgebung hinschauen, würden nicht innerlich das Urteilen erleben können. Da wir aber zwölf Sinne haben, so haben wir damit eine ziemlich große Anzahl von Möglichkeiten, das Getrennte zu verbinden.

Hadden we niet twaalf zintuigen, dan zouden we als stompzinnigen naar onze omgeving staren, dan zouden we niet tot een innerlijk oordelen kunnen komen. Maar aangezien we twaalf zintuigen hebben, hebben we daardoor een tamelijk groot scala aan mogelijkheden om de afzonderlijke delen met elkaar te verbinden.

Wat hierboven zo schematisch wordt weergegeven, komt uiteraard in het leven zo gescheiden niet voor. Dat werd duidelijk aan de gezichts- en evenwichtszin. Wat de wilszintuigen betreft zullen we nauwelijks in staat zijn, deze bewust met elkaar te verbinden, maar met de bewustzijnszintuigen gaat dat natuurlijk makkelijker, al verwacht je door deze opmerking anders:

Was der Ichsinn erlebt, können wir mit den elf anderen Sinnen verbinden, und das gilt so für jeden Sinn. Wir bekommen dadurch eine große Anzahl von Permutationen für die Zusammenhänge der Sinne.

Wat de ik-zin ervaart, kunnen we met de elf andere zintuigen verbinden en dat geldt voor ieder ander zintuig. Daardoor krijgen we een groot aantal permutaties in de samenhang van de zintuigen.

Ook algeldt dit voor ieder zintuigSteiner geeft alleen een voorbeeld met de ‘bewustzijnszintuigen’:

Aber außerdem bekommen wir auch noch eine große Anzahl von Möglichkeiten in dieser Beziehung, indem wir zum Beispiel den Ich-Sinn mit dem Gedankensinn und dem Sprachsinn zusammen verbinden und so weiter.

Maar bovendien hebben we ook nog een groot aantal mogelijke relaties, door bijvoorbeeld de ik-zin te verbinden met de gedachtezin en taalzin samen enzovoort.
GA 293/131
Vertaald/127

HET WEZENLIJKE VAN DE ZINTUIGEN

Da sehen wir, in wie geheimnisvoller Weise der Mensch mit der Welt verbunden ist. 

We zien hoe de mens op wonderbaarlijke wijze met de wereld is verbonden.

Durch seine zwölf Sinne zerlegen sich die Dinge in ihre Bestandteile, und der Mensch muß in die Lage kommen können, daß er sich die Dinge aus den Bestandteilen wieder zusammensetzt. Dadurch nimmt er teil an dem inneren Leben der Dinge.

Door de twaalf zintuigen worden de dingen geanalyseerd in hun bestanddelen en de mens moet in staat zijn deze bestanddelen weer samen te voegen tot de dingen. Daardoor neemt hij deel aan het innerlijk leven van de dingen.

VOOR DE OPVOEDING

Daher werden Sie begreifen, wie unendlich wichtig es ist, daß der Mensch so erzogen werde, daß vieles in gleichmäßiger Pflege in dem einen Sinn entwickelt wird wie in dem anderen Sinn, da dann ganz bewußt systematisch, die Beziehungen zwischen den Sinnen, den Wahrnehmungen, aufgesucht werden.

U zult dus begrijpen hoe uitermate belangrijk het is dat de mens een opvoeding krijgt waarbij alle zintuigen gelijkelijk worden verzorgd en ontwikkeld, zodat bewust en systematisch de relaties tussen de zintuigen, tussen de waarnemingen worden gezocht.
GA 293/131
Vertaald/128

Met de hieronder weergegeven link naar ‘zintuigen alle artikelen’ kom je bij allerlei artikelen waaronder een aantal waarin ‘het oefenen van de zintuigen’ vanuit praktische voorbeelden beschreven wordt.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2190-2057

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-12)

Artikel in opbouw

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

12. TASTZIN

Blz.. 124 (pdf)     vert. blz. 126:

[ ] wobei es sogar noch vorkommt, daß der Wärmesinn und der Tastsinn in eins zusammengeschoben werden, was ungefähr so wäre, wie wenn man bei der äußeren Beobachtung der Dinge «Rauch» und «Staub» in eins zusammenzählte,
weil es äußerlich nämlich gleich ausschaut. Daß Wärmesinn und Tastsinn zwei durchaus verschiedene Arten des Menschen sind, sich mit
der Welt in Beziehung zu setzen, sollte man nicht mehr zu erwähnen
brauchen.

Het komt voor dat men warmtezin en tastzin samenneemt. Dit is ongeveer hetzelfde als wanneer men de verschijnselen ‘rook’ en ‘stof’ waarneemt en ze als één beschouwt omdat ze er uiterlijk hetzelfde uitzien. Dat warmtezin en tastzin bepaald wel twee verschillende manieren zijn waarop de mens verbinding legt met de wereld zou eigenlijk niet meer gezegd hoeven te worden.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Blz. 134  vert. 131

( ) in das Tasten wirkt er auch hinein: denn wenn Sie irgend etwas betasten, so ist das im Grunde genommen eine Auseinandersetzung zwischen Ihrem Willen und der Umgebung. Kurz, Sie können sagen: Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Ook in het tasten is de wil werkzaam. Want wanneer u iets betast dan is dat in feite een ontmoeting van uw wil met de omgeving. Met andere woorden: evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

Blz. 135  vert. 131

Beim Wärmesinn beachtet man nicht, daß er mit dem Gefühl sehr nahe verwandt ist, sondern wirft ihn mit dem Tastsinn zusammen. Man konfundiert zugleich unrichtig und unterscheidet zugleich unrichtig. Der Tastsinn ist in Wahrheit viel mehr willensmäßig, während der Wärmesinn nur gefühlsmäßig ist

Dat men dat niet ervaart bij het zien en bij de warmtezin heeft speciale oorzaken. Bij de warmtezin onderkent men de nauwe verwantschap met het gevoel niet, maar men gooit hem op één hoop met de tastzin. Men voegt onjuist samen en men onderscheidt onjuist. De tastzin is in werkelijkheid veel wilsmatiger, terwijl de warmtezin louter gevoelsmatig is.
.

GA 293   vertaald

Zintuigen: alle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2189-2056

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (6-5)

.
Door de coronacrisis is de goudprijs gestegen. De kerngedachten van onderstaand artikel – weliswaar ca 40jr geleden geschreven, zijn nog altijd actueel.

Rudolf Mees, Jonas. 6,16-11-1979
.

De goudprijs als graadmeter

Bij tijd en wijle kunnen we weer in de kranten lezen, dat de prijs van goud een volgende sprong omhoog heeft gemaakt.

Iedereen weet dat goud – een edel metaal – erg kostbaar is. Toch blijft het verloop van de goudprijs een geheimzinnig, erg ondoorzichtig gegeven. Allereerst: waar slaat die goudprijs op? Deze geeft een bedrag weer, dat een bepaald gewicht aan zuiver goud opbrengt in de internationale handel. De schommelingen in die prijs werken natuurlijk ook door in de waarde van gouden voorwerpen of dingen, waarin goud verwerkt wordt. Dat kun je niet zo nauwkeurig volgen, omdat je nu eenmaal niet dagelijks gouden voorwerpen koopt of verkoopt.

De internationale goudhandel speelt zich ver achter de schermen van ons dagelijks leven af in financiële centra zoals Londen en Zürich. Het aanbod van goud wordt onder anderen bepaald door de winning van goud, waarbij Zuid-Afrika een zeer belangrijke bron is.
Een andere bron van aanbod kan zijn wanneer een centrale bank om één of andere reden een stukje van zijn goudreserves verkoopt. Zo heeft de centrale bank van de Verenigde Staten van Amerika, die na de oorlog over de grootste goudvoorraad in onze wereld beschikte, gedurende de afgelopen jaren regelmatig uit deze voorraad verkocht. Ook landen als de Sovjet-Unie komen af en toe als verkopers in de markt. De Sovjet-Unie wint overigens zelf ook veel goud in Siberië. Wie koopt nu al dat goud? Allereerst het publiek in landen waar je goud mag kopen. Dat doe je dan in de hoop, dat dat goud in prijs zal stijgen. Gebeurt dat niet, dan is het een slechte belegging geweest, omdat goud nu eenmaal niet ‘werkt’ en geen rente oplevert.

Vroeger en vermoedelijk nu ook nog werd veel goud gekocht in landen van het Midden- en Verre Oosten. Daar was en is het nog gebruikelijk om spaarcenten om te zetten in goud of gouden munten.
Een andere groep kopers wordt gevormd door de centrale banken van landen, die grote overschotten op hun betalingsbalans hebben. Die overschotten wil men liever niet aanhouden in geldsoorten, die wel eens in waarde kunnen afnemen – denk maar bijvoorbeeld aan de waardeteruggang van de dollar en het pond! – maar liever in het ‘waardevaste’ goud. Grote kopers waren in de afgelopen jaren de (centrale) banken van Frankrijk, Zwitserland, Duitsland en… Nederland.

Een derde partij in de markt is de industrie. In vele technische – vaak hoogwaardige – technieken wordt veel goud verwerkt, soms meer dan wij denken. Tot zover een paar feiten, die natuurlijk alleen enkele puntjes uit een zeer ingewikkelde wereld aanduiden.

Goud wordt graag gekocht, omdat we ervan uitgaan, dat het een zekere, veilige belegging vormt. De waarde mag dan wel eens schommelen (meestal naar boven toe, hetgeen prettig is) maar ‘waardeloos’ zal het, denken wij, toch niet worden. En waar kun je nog in deze wereld uiterlijke zaken vinden, waarvan je ten aanzien van de waarde zo zeker kunt zijn? Om van innerlijke zaken maar te zwijgen.

Daarmee komen we eigenlijk midden in het vraagstuk van de goudprijs terecht. Zuiver uiterlijk gezien zal de prijs verband houden met vraag naar en aanbod van goud. Maar dat is alleen maar de uiterlijke kant.

Het grootste deel van het goud, dat wij uit de grond halen vindt zo snel mogelijk weer zijn weg naar de kluisen van (centrale) banken… onder de grond. Ook wanneer we zelf gouden voorwerpen kopen, is afgezien van enkele momenten dat we er gebruik van maken – sieraden! – de belangrijkste vraag hoe je dat goud veilig kunt opbergen, verstoppen, ’t Lijkt net alsof goud, dat in lang vervlogen tijden als blijk van een bloeiende cultuur alom zichtbaar was – men denke aan de Inca’s, de Farao’s – nu angstvallig verborgen moet worden voor het zonlicht.

Wanneer je zo de houding van de manier waarop we in onze cultuur met het goud omgaan op je in laat werken, moet je onwillekeurig denken aan kabouters, die hun schatten onder de grond bewaren. Bij de kabouters is dat een natuurlijke zaak – men leze de sprookjes erop na. Maar zijn wij kabouters? Als je de eigenschappen van kabouters, in negatieve zin interpreteert dan moet het antwoord bevestigend zijn. We weten heel veel af van natuur en natuurkrachten. Maar we missen nog de wijsheid om ermee om te gaan. We hebben erg veel welvaart verzameld, maar we kunnen die nog niet met anderen delen. We zijn onzeker omtrent onszelf en de toekomst ondanks de kastelen van sociale en wetenschappelijke zekerheden, die we om ons heen gebouwd hebben.

Diep in ons hart weten we best, dat ons weten naar wijsheid zoekt. Dat ‘onze’ welvaart niet ‘van ons’ is. Dat ‘sociale zekerheid’ een illusie is zonder echte naastenliefde. Dat hoofd en hart elkaar zullen vinden.

De wereld, waarin we leven, met zekerheden omgeven, zoals er waarschijnlijk nog nooit eerder geweest zijn, klinkt erg hol, wanneer je erop klopt.

Van binnen zijn we onzeker, meer dan ooit. En de mensheid vraagt dan om goud als zekerheid, zekere waarde, die je veilig ergens op kunt bergen.

Je zou wellicht kunnen zeggen, dat de uiterlijke prijs van goud een graadmeter is van de innerlijke onzekerheid, die onze cultuur kent. Een hoge goudprijs wijst dan op een hoge mate van onzekerheid.

Dat is een wat merkwaardige vertaling van de goudprijs, die we af en toe in de krant genoteerd zien. Evenals vroeger de goudschat in een beschaving de innerlijke kracht daarvan weergaf, zou je nu kunnen zeggen, dat het precies het tegenovergestelde is geworden. Daarom verstoppen we die goudschat diep in de grond.

De niet zo verre toekomst zal leren of we een weg weten te vinden, waarlangs het goud weer het zonlicht mag aanschouwen en wij het weer aandurven de glans daarvan te zien. Ik denk, dat de goudprijs dan een heel andere achtergrond zal krijgen.

*Een aantal genoemde dingen in het artikel zijn niet meer up-to-date. Dat doet aan de strekking ervan niets af.

Goud

.Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2188-2055

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan – Caroline von Heydebrand (12e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc).
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling. 
Daar waar te veel de nadruk ligt op de Duitse omstandigheden, moet deze natuurlijk op de Nederlandse situatie komen te liggen.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925

DE JONGE MENS NA DE PUBERTEIT

De volledig ontwaakte denkkracht van de jonge mens en het vermogen te oordelen vraagt om voeding en om mogelijkheden ze te gebruiken in opgaven die door verstand en logica te benutten, op te lossen zijn. De verhouding die de jonge mens nu bewust en zelfstandig met zijn omgeving wil krijgen, vraagt om voortdurend contact met het praktische leven en met de verworvenheden van de moderne techniek. Zijn rijke en turbulente gevoelsleven dat de jongen nog meer verbergt dan het meisje, verlangt naar impulsen vanuit serieuze mensheidsproblemen die aan de orde moeten worden gesteld en veelzijdig moeten worden belicht, omdat iedere eenzijdigheid naar zijpaden leidt. Bij de vele moeilijkheden en morele remmingen van deze aan raadsels, wonderen en verrassingen zo rijke leeftijd waarin het bewustzijn langzamerhand heer en meester wil worden over de overrompelende gevoelswereld, helpt het eigen kunstzinnig bezigzijn en het werken met de handen, maar ook de door fantasie, enthousiasme en kunstzinnig gevoel doordrongen lessen van de leraar. De jonge mens volgt nu niet alleen meer de autoriteit van de leraar die hem door de acht jaar basisschool heen heeft geleid, maar hij krijgt nu les van een aantal vakleraren waaruit hij nu zelf zijn favorite leraar kiest. Wat voor hem voordien mooi of lelijk was, goed of verkeerd, nam hij als wet voor zijn handelen aan van de leerkracht; nu gaat hij ertoe over te handelen uit plichtsbesef en gaat op weg naar de vrijheid waarbij plicht betekent: ‘houden van datgene wat je jezelf oplegt.’

12e klas

In de twaalfde klas beëindigt de leerling zijn achttiende levensjaar en daarmee een belangrijke periode in zijn leven. Hebben onderwijs en opvoeding hun opdracht met hem op de juiste manier volbracht, dan kan hij moreel sterk en intellectueel gerijpt met een gevoelig hart de wereld instappen om daar zijn eigen opgave te vinden. In het laatste schooljaar wordt hem nog een keer een totaaloverzicht gegeven van de afzonderlijke leervakken. Alles wat er zo besproken wordt, moet uitmonden in een beeld van de mens zelf en hoe deze in de wereld staat. Van begin af aan lag er aan wat de leerkracht met het kind gedaan heeft en hem wilde leren, een mensbeeld ten grondslag. Wat er als een verborgen ideaal dat alles betekenis wil geven, in de ziel van de leraar leefde, het realiseren van een waar mensbeeld, mag op het eind van de schooltijd helder voor de geest van de leerling staan. Dat is zijn eigen ideaal geworden waarvoor hij zich inzet, het in zijn leven te realiseren. De vrijeschoolpedagogie berust op een spirituele menskunde en ze zal mensen de wereld in laten gaan die begrijpen wat het betekent om waarachtig ‘mens’ te zijn en de bijzondere menselijke zaak te dienen.

Biologie

Bij plantkunde worden de phanerogamen behandeld en daarna vooral een afsluitend overzicht van de zoölogie. Het dierenrijk wordt beschreven aan de hand van de belangrijkste vertegenwoordigers en uitgelegd als een uitwaaiering van de aparte organen van de mens, terug te vinden in de organisatie van aparte diergroepen. Ieder dier treedt in verschijning als een zelfstandig geworden orgaan of deelorgaan van de mens, de dierenwereld als een uiteengelegde mens. Zo kan er op het eind van de schooltijd wetenschappelijk worden ingezien wat aan het begin van de schooltijd in de dierenfabel en in het eenvoudige dierkunde-onderwijs beeldend aan het kind verscheen. Tegelijkertijd wordt geprobeerd alle gebieden van de biologie te beschouwen als een groot geheel met de menskunde die als leidraad door het hele onderwijs  loopt, . 

Boekbinden

In de derde lesperiode (zie 11e klas) wordt moeilijker werk gemaakt, zoals notitieboekjes in leer met goud op snee; halve en hele leren banden met goud op snee. Door enkele leerlingen worden ook fotoalbums, mappen voor illustraties, schrijfmappen met verschillende variaties gemaakt. (Het vervaardigde werk is eigendom van de leerling, de leraren- of de leerlingenbibliotheek.

Euritmie

Net zoals de rest van het onderwijs in deze klas gezien moet worden als een groot overzicht van alle kennisgebieden, moet ook de euritmie het karakter dragen van een grote, harmonische samenvatting van alle bijzonderheden. Dat moet in alles wat spraak en muziek is tot uitdrukking komen. Een bepaald hoogtepunt in dit afsluitende werk is de uitvoering door de leerlingen van Rudolf Steiners dichtwerk ‘Twaalf stemmingen’. Bij het werken daaraan is de beweging van ons zonnesysteem aanschouwelijk gemaakt. Er kan een begin van een gevoel ontstaan voor het samengaan van klinker en medeklinker in het wereldgebeuren, het zichtbaar worden van een wereldtaal in dit dichtwerk kan als een innerlijke kracht en zekerheid in de zielen van de jonge mensen ontwaken. 

Geschiedenis

In de twaalfde klas gaat erom dat je met de beschouwingen doordringt tot de diepere lagen en vanuit het zuiver causale van de geschiedenis op een levende manier en individualiserend tot het grote geheel doordringt. Als je de geschiedenis van dit of een ander volk of cultuurgebied wil karakteriseren, dan moet je een exposé geven wat de oudheid, de middeleeuwen, de moderne tijd betekent. Ook moet je laten zien wat een verbroken of een onvolledige cultuur is. De Amerkaanse cultuur bv. heeft geen begin, de Chinese die verstart, geen einde, de Griekse daarentegen heeft haar oudheid (Homerus), haar middeleeuwen (de tijd van de grote tragediedichters) en haar nieuwe tijd (Plato en Aristoteles). Onze oudheid (Germaanse mythologie) ligt daar waar wij de zgn. middeleeuwen laten beginnen. Wanneer je de geschiedenis als een geheel behandelt, laat je ook zien hoe oudere tijden het geheel van de geschiedenis aan de orde stelden, bv. aan de zeven koningen van Rome; bij Livius wordt dat weergegeven als een soort apocalyptische beschouwing van de totale mensheidsgeschiedenis vanuit een Romeins standpunt. 
Ten slotte bespreek je de hele geschiedenis vanuit het standpunt van de tegenwoordige ontwikkeling en werp je een blik op de zich reeds vertonende toekomstperspectieven. Op deze manier ontstaat een reëel ingedeeld beeld van de totale ontwikkeling.

Gymnastiek

Voor de toestellen als klas 10
Stof van de 11e klas in groepen, verschillende oefeningen samengevat.

Nieuw: ritmische val- en weer gaan staan-oefeningen, met draaiend omkeren. Staan op een punt als samenvatting van de drie dimensies. De loop als ritme.

Handwerken

Zie 11e klas

Kunstgeschiedenis

De lessen over kunst moeten dit laatste schooljaar nog, aanknopend bij de bouwtechniek, begrip wekken voor de elementen van de bouwkunst met haar grote cultuurhistorische vormen en stijlen. Hierbij kan gedurende de verschillende perioden steeds levendiger de drieslag van de kunstontwikkeling in ‘symbolische’, ‘klassieke’ en ‘romantische’ kunst in alle richtingen duidelijk worden. Het begrip voor de problemen van de bouwkunst moet tot in het heden toe begrepen worden, zodat er bv. een helder beeld ontstaat voor de ontwikkeling van de oudere bouwtradities door de uitvinding van het beton naar de kunstzinnige mogelijkheden. 
Maar dan moet er ook een afsluitend overzicht worden gegeven over de omvattende betekenis voor de wereld en de bijzondere wetmatigheden van alle kunsten. 
De kunsten komen dan – ieder met hun eigen wezenskenmerken getoond – naar voren als een integrerend bestanddeel van het hele wereldproces. Er moet een gevoel ontstaat dat noch de individuele mens, noch het totale leven van de mensheid in de volledige betekenis gezond kan zijn, wanneer niet de kunstzinnige krachten op de hun kenmerkende manier werkzaam kunnen worden. Op deze manier wordt geprobeerd in moderne zin weer op te nemen wat door Schiller als ‘esthetische opvoeding van de mens’ verlangd werd, zodat de impulsen van de andere levensdisciplines daarin tot harmonie gebracht kunnen worden, als een hart vervuld van geest en ziel. Zo zal er geprobeerd worden als afsluiting van de vrijeschooltijd de elementen van een realistische esthetiek en het begrijpen van de werkelijke tendenzen van de kunstgeschiedenis de blik op de wereld van de esthetische probelemen – de wereld van de vrijheid – te verfijnen. 

Muziek

Zie klas 9

Natuurkunde

De optica wordt behandeld en wel: 1. licht als zodanig, fotometrie, spiegel, licht en materie; 2. breking, beeldverandering; 3. ontstaan van kleur; 4. polarisatie. 5. dubbelbreking

Nederlandse taal 

Er wordt een totaaloverzicht gegeven van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Oudere hoogtepunten van de oud-Nederlandse, middel-Nederlandse tijd worden behandeld, dan de voor-klassieke, klassieke en romantische tijd en de hedendaagse, zodat er een voorstelling ontstaat van de hele Nederlandse literatuurontwikkeling. Het overzicht wordt gehaald uit de concrete pregnante voorbeelden, zodat verwerkt kan worden wat de mens in zijn leven nodig heeft. De leerling moet leren kennen wat je als ontwikkeld mens dient te weten. Uit de tweede helft van de negentiende eeuw worden Nietzsche, Ibsen, Tolstoi, Dostojewski uitvoerig besproken.
De algemene gezichtspunten van dit samenvattende overzicht worden voor de leerlingen ook nog ontwikkeld aan onbekende symptomatische voorbeelden.

Niet-Nederlandse taal

Engels en Frans

Er wordt een overzicht gegeven over de taal- en de cultuurontwkkeling in het geheel en getoond hoe deze een uitdrukking is voor de andere volksziel. Bij de leesstukken staat de literatuur van de huidige tijd in het middelpunt.

Latijn en Grieks

Bij Latijn worden de moeilijkere hoofdstukken van de syntax herhaalt. Er worden bijzondere aanwijzingen gegeven m.b.t tot de stilistische eigenaardigheden van de schrijvers. Het lezen van Livius wordt voortgezet. Van Tacitus worden gekozen Annalen gelezen en Agricola, net zoals een keuze uit de brieven van Cicero of uit zijn filosofische geschriften. Aansluitend wordt filosofische propedeuse gegeven, niet als een apart vak, maar in samenhang met het onderwijs in de oude talen. Keuzestukken van Horaz.
Bij Grieks wordt de syntax afgerond. Thukydides: geschiedenis van de Peloponnesische oorlogen evenals de redevoeringen van Demosthenes, een keuze, ook tenminste een grotere dialoog van Plato, een keuze uit Homeres: Ilias en een drama van Sophokles. Voor de leesstukken van de bovenbouw komen in beide talen ook latere schrijvers in aanmerking.

Scheikunde

Ook hier gaat het om een afronding. Je brengt met voorbeelden het inzicht over hoe processen in de mens, bv. de vorming van pepsine enz., beslist anders zijn dan in de uiterlijke natuur.

Technologie

Chemische technologie geeft de leerling de kennis van de grondstoffen, de herkomst ervan en het verwerken en de samenhangen, dat geeft zicht op de huidige economische en arbeidsverhoudingen. Er worden bedrijven bezocht.

Wiskunde

Overzicht en samenvatting van de verschillende wiskundige gebieden. Algebra en meetkunde worden met de behandeling van analytische meetkunde van de ruimte samengebracht. Uitgaand van de vaststelling van de waarde  o
                                                                                                                                                                             oo
worden de eerste elementen van de differentiaal- en integraalberekening geoefend.

Beschrijvende meetkunde en geometrisch tekenen

Het werk met de beschrijvende meetkunde wordt afgerond met de leer van de Kavalier-perspectieven en verbonden met de praktische toepassingen in de architectuur.

Afsluiting

De pedagogie van de vrijeschool vindt haar afsluiting in de twaalfde klas. In een voorbereidende klas worde nde leerlingen waarvan de ouders dat willen, in een jaar op het bijzondere examen voorbereid voor het vervolgonderwijs
(Duits: humanistisch Gymnasium, Realgymnasium en Oberrealschule).

.

Het leerplanalle artikelen

.

2187-2054

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 8 (8-3)

.

*GA 293         Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

.

VAN HET GEHEEL NAAR DE DELEN EN TERUG

Wanneer Steiner in zijn karakterisering van de mens vanuit verschillende gezichtspunten deze in delen verdeelt: twee-drie-vier-zeven-negenledig, zal hij meestal meteen daarbij aangeven, dat zo’n indeling eigenlijk niet juist is.

Als de indeling hoofd-romp-ledematen wordt gegeven als vorm, met de bijbehorende functies denken-voelen-willen, dan is het niet zo dat bv. de wil strikt beperkt blijft tot de ledematen, of de zintuigen tot het hoofd.

Het gaat altijd om ‘voornamelijk’, ‘in hoofdzaak’; we kunnen onderscheiden, maar niet scheiden.

Blz.  123/124    vert. 119/120

Sie sehen gerade aus dem, was ich auseinandergesetzt habe, wie in der Welt und insbesondere in der menschlichen Welt alles in einem gewissen Sinne getrennt ist, wie aber das Getrennte auch wieder zusammenwirkt. Wir können den Menschen in bezug auf sein Seelisches nicht begreifen, wenn wir nicht das Seelische trennen, gliedern nach Denken oder denkendem Erkennen, Fühlen und Wollen. Aber nirgends ist denkendes Erkennen, Fühlen und Wollen rein vorhanden, immer wirken die drei ineinander zu einer Einheit, verweben sich.
Und so ist es in der ganzen menschlichen Wesenheit bis in das Leibliche hinein.

Uit deze uiteenzetting kunt u opmaken dat alles in de wereld, en met name in de wereld van de mens, in zekere zin gescheiden is, en dat hetgeen gescheiden is ook weer samenwerkt. We kunnen de ziel van de mens niet begrijpen wanneer we de verschillende gebieden van de ziel niet scheiden en onderverdelen in denken of denkend kennen, voelen en willen. Maar nergens bestaan denken, voelen en willen in hun zuivere vorm; ze werken alle drie in elkaar door en zijn met elkaar tot een eenheid verweven. En zo is het met het gehele wezen van de mens, tot in het lichamelijke toe.

Ich habe Ihnen angedeutet, daß der Mensch hauptsächlich Kopf ist im Kopfteil, daß er aber eigentlich ganz Kopf ist. Er ist hauptsächlich Brust als Brustmensch, aber eigentlich ist er ganz Brustmensch, denn auch der Kopf hat Anteil an der Brustnatur und ebenso auch der Gliedmaßenmensch. Und auch der Gliedmaßenmensch ist hauptsächlich Gliedmaßenmensch, aber eigentlich ist der ganze Mensch Gliedmaßenmensch, aber auch die Gliedmaßen haben Anteil an der Kopfnatur und ebenso an der Brustnatur; sie nehmen zum Beispiel auch an der Hautatmung teil und so weiter.

Ik heb u geschetst dat de mens in zijn hoofd voornamelijk hoofd is, maar dat hij eigenlijk overal hoofd is. Men is voornamelijk borst als borstmens, maar eigenlijk is men overal borstmens, want ook het hoofd heeft deel aan de aard van de borst; hetzelfde geldt voor de ledematenmens. Ook de ledematenmens is voornamelijk ledemaat, maar eigenlijk is de gehele mens ledematenmens; evenzo hebben de ledematen deel aan de aard van het hoofd en de aard van de borst; de ledematen hebben bijvoorbeeld ook deel aan het ademen van de huid enzovoort.

Dan geeft Steiner ons nog een stukje wijsheid mee, zo je wil: filosofisch/psychologisch inzicht:

Man kann sagen: Will man sich der Wirklichkeit nähern, insbesondere der Wirklichkeit der Menschennatur, dann muß man sich klar sein, daß alle Gliederung vorgenommen wird in einem Einheitlichen; würde man nur auf das abstrakt Einheitliche gehen, so würde man überhaupt nichts kennenlernen. Würde man niemals gliedern, so bliebe die Welt immer in einem Unbestimmten, wie in der Nacht alle Katzen grau sind. Menschen, die daher alles in abstrakten Einheiten erfassen wollen, sehen die Welt grau in grau. Und würde man nur gliedern, nur trennen, alles auseinanderhalten, so würde man niemals zu einer wirklichen Erkenntnis kommen, denn dann würde man nur Verschiedenes erfassen, und die Erkenntnis bliebe aus.

Wil men de werkelijkheid benaderen, met name de werkelijkheid van de menselijke natuur, dan moet het duidelijk zijn dat iedere onderverdeling een onderverdeling is van een eenheid. Zou men zich alleen richten op die abstracte eenheid, dan zou men niets leren kennen. Zou men nooit indelen, dan zou de wereld altijd in het vage blijven, zoals in de nacht alle katten grauw zijn. Mensen die alles in abstracte eenheden willen begrijpen, zien de wereld alleen in grijzen. En zou men alleen maar indelen, alleen maar scheiden en alles los van elkaar zien, dan zou men nooit tot werkelijk inzicht komen, want dan zou men slechts verschillende elementen zien en het inzicht zou achterwege blijven.

Dus:

So ist alles, was im Menschen ist, zum Teil erkennender, zum Teil fühlender, zum Teil wollender Natur. Und was erkennend ist, das ist hauptsächlich erkennend, aber auch gefühlsmäßig und willensmäßig; was fühlend ist, das ist hauptsächlich fühlend, aber auch erkennend und willensmäßig, und ebenso ist es mit dem Wollenden.

Zo is alles in de mens deels kennend, deels voelend, deels willend van aard. Wat kennend is, dat is hoofdzakelijk kennend maar ook gevoelsmatig en wilsmatig; wat voelend is, is hoofdzakelijk voelend, maar ook kennend en willend, en zo is het ook met het willen.
GA 293/
Vertaald

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je kennend op de werkelijkheid in wil gaan, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar plaatsen, maar je moet goed weten dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden, dat ergens iets als het meest opvallende eruit springt, dat echter de andere delen van de werkelijkheid daarin zitten en dat alom, wat anders op de achtergrond blijft, op een andere plek van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond blijft.
GA 202/58
Voor een deel vertaald

Wenn wir unser seelisches Leben ins Auge fassen, so können wir sagen, daß nach dem einen Pol hin in diesem Seelenleben das gedankliche Element, das Denken liegt, nach dem andern Pol hin das Willenselement, zwischen beiden das Gefühlselement, dasjenige, was wir im gewöhnlichen Leben das Fühlen, den Inhalt des Gemütes und so weiter nennen. Im wirk­lichen seelischen Leben, so wie es sich in uns abspielt in unserem Wachzustande, ist natürlich niemals einseitig bloß das Denken vorhanden oder der Wille, sondern sie sind immer in Verbindung miteinander, sie spielen ineinander.

Wanneer we ons gevoelsleven bekijken, kunnen we dus zeggen dat aan de ene pool van ons zielenleven het gedachte-element ligt, het denken, aan de andere pool het element van de wil, daartussen het gevoelselement, dat we in het dagelijks leven het voelen, de inhoud van ons gemoed enz. noemen. In het echte zielsleven, zoals zich dat afspeelt in de toestand dat we wakker zijn, is natuurlijk nooit eenzijdig alleen maar het denken aanwezig, of de wil, maar die staan altijd met elkaar in verbinding, die werken op elkaar in.
GA 205/189
Niet vertaald

Dat kijken vanuit verschillende standpunten is voor een totaalblik nodig, want eenzijdigheid kan niet – het woord zegt het al – alle zijden, kanten van een zaak belichten en blijft derhalve achter in de beschrijving van de werkelijkheid, die – half, of deels beschreven – ook geen waarheid kan zijn.

Dat bepaalde gezichtspunten elkaar kunnen tegenspreken, ligt dan voor de hand.
Die tegenstrijdigheden moeten we onder ogen zien:

Blz. 123   vert. 120

Dies können wir nun schon auf das anwenden, was wir gestern als die Sinnessphäre charakterisiert haben. Sie müssen, indem Sie ein solches Kapitel wie das, was ich jetzt bringen werde, begreifen wollen, wirklich, ich möchte sagen, alles Pedantentum ablegen, sonst werden Sie den krassesten Widerspruch vielleicht gerade mit dem finden, was ich im gestrigen Vortrag gesagt habe. Aber aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Dit kunnen we nu ook toepassen op de sfeer van de zintuigen zoals we die gisteren hebben gekarakteriseerd. Wilt u het nu volgende hoofdstuk [bedoeld is een onderdeel van deze voordracht, zie [8-4] ] begrijpen, dan moet u werkelijk iedere vorm van pedanterie afleggen, anders zult u de grootste tegenstrijdigheden vinden, misschien wel juist met wat ik gisteren heb gezegd. Maar de werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/123
Vertaald/120 

Dit ‘in tegenspraak’ zijn van de feiten is geen kwestie van inconsequent zijn.

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA 293/113
Vertaald/111

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/124
Vertaald/120

Blz. 148  vert. 143

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Je moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/148
Vertaald/143

Blz.  170/171  vert. 163

in der wirklichen Welt alles in gegenseitiger Beziehung ist. Und wir lernen diese gegenseitigen Beziehungen nur kennen, wenn wir uns auch ein bißchen anbequemen mit unserer Auffassungsgabe diesen gegenseitigen Beziehungen. Das heißt, wenn wir diese Auffassungsgahe nicht so gebrauchen, daß wir alles
richtig definieren wollen, sondern daß wir diese Auffassung selbst beweglich machen, so daß sie das, was sie erkannt hat, auch wiederumandern kann, innerlich, begrifflich ändern kann.

( ) in werkelijkheid houdt alles met alles verband. En we leren deze onderlinge verbanden alleen kennen wanneer we onze opmerkingsgave ook een beetje aanpassen aan die verbanden, dat wil zeggen: wanneer we deze opmerkingsgave niet gebruiken om van alles een precieze definitie te krijgen, maar wanneer we deze opmerkingsgave zelf beweeglijk maken, zodat ze de opgedane inzichten zelf, innerlijk, ook weer kan veranderen, zodat de begrippen beweeglijk zijn.
GA 293/170
Vertaald/163

Man muß alles im Zusammenhang denken.

Je moet alles met alles in verband zien.
GA 293/194
Vertaald/185

Es handelt sich darum, daß man den ganzen Organismus des Menschen ja nicht begreifen kann aus seinen einzelnen Teilen, sondern daß man die Betrachtung des Ganzen zugrunde legen und dann von dem Ganzen aus die einzelnen Teile
betrachten muß.

Het gaat erom dat je de mens als totaliteit niet kan begrijpen door de losse delen, maar dat je de totaliteit als uitgangspunt neemt en dan van het geheel uit naar de aparte delen kijkt.
GA 201/69

GA 201/70

( ) man tut sehr unrecht, wenn man aus einem Ganzen einen Teil herausnimmt und für sich betrachtet.

Je bent erg verkeerd bezig wanneer je uit een geheel een deel neemt en dat gaat bekijken als iets wat op zich staat.
GA 201/70

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander beziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42
Op deze blog  vertaald 42

GA 306/85  Op deze blog  vertaald/85 

In der Lebenspraxis müssen die Dinge eben immer von den verschiedensten Seiten angegriffen werden.

En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.
GA 306/85
Op deze blog  vertaald/85 

Aber das Leben besteht nicht in Begründung und Widerlegung, sondern das Leben besteht in lebendiger Bewegung, in Transformation, in lebendiger Metamorphose.

Het leven bestaat niet uit bewijzen en weerleggen, leven bestaat uit beweging, uit verandering, uit metamorfose.
GA 306/86
Op deze blog vertaald/86

Man muß immer die Sache von allen möglichen Seiten kennenlernen wollen und niemals einverstanden damit sein, daß man sie nur von einer Seite kennengelernt hat.

Je moet altijd een zaak van alle mogelijke kanten willen leren kennen en het er nooit mee eens zijn dat je die maar van één kant hebt leren kennen.
GA 306/167
Op deze blog  vertaald/164

Bovenstaande uitspraken vormen een deel van wat ik samenvatte onderRudolf Steiner wegwijzers’

Voor de didactiek werkt Steiner dit ‘van het geheel naar de delen’ voor verschillende vakken uitvoerig uit.
Voor het vak rekenen doet hij bv. in GA 307 zeer aanschouwelijk voor de kinderen. In Rudolf Steiner over rekenen vind je in de inhoudsopgave meer verwijzingen.
Verrassend is zijn gezichtspunt over wat het geheel is bij een optel- en aftreksom, bij een vermenigvuldiging en een deling [zie GA 295 werkbespreking 4] Nog verrassender is de samenhang die er bestaat met het vormtekenen voor de temperamenten:

[]) Temperament en rekenen (1) 
optellen “flegmatisch en cholerisch”

[2] Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”

[3] Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”

[4] Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

Bij het leren lezen gaat Steiner allereerst uit van het analyseren van een heel woord.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]
GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2186-2053
.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 310)

.

Zie de inleiding

GA 310

Blz.  59 /60      vert. 62/63

 Man muß dar­auf Wert legen, wie das Kind innerlich in anderes hineinwächst, wenn fortwährend seine Seelenbetätigung angeregt wird. Es wächst nicht hinein, wenn es gestoßen wird, so daß es fortwährend in fremde Ver­hältnisse zur Umgebung hineinkommt. Daß man auf das Innere des Kindes wirkt, darauf kommt es an.
Was ist denn heute Prinzip? Es ist zwar heute schon wieder etwas überholt, aber es liegt noch nicht weit zurück, da gab man den Mäd­chen «schöne» Puppen, mit richtigen Haaren und so weiter, schließlich sogar solche, die, wenn man sie hinlegte, die Augen schließen konnten, Puppen mit schönen Gesichtern und so weiter. Sie sind natürlich trotz­dem scheußlich, weil sie unkünstlerisch sind, aber die Zivilisation nennt sie schön.

Men moet er waarde aan hechten hoe het kind innerlijk in iets anders ingroeit wanneer hij psychisch voortdurend wordt gestimuleerd. En dat gebeurt niet met het kind als hij geduwd, gestompt of geschopt wordt, waardoor hij voortdurend in vreem­de verhouding tot zijn omgeving verkeert. Op het innerlijk van het kind werken, daarom gaat het. Van welk principe gaat men tegenwoordig uit? Vandaag de dag is het al weer enigszins achterhaald, maar het is nog niet zo lang geleden dat men meisjes ‘mooie’ poppen gaf, met echt haar en dergelijke, en uiteindelijk zelfs poppen die, als je ze neerlegde, hun oogjes sloten; poppen met mooie gezichten enzovoort. Natuurlijk zijn ze gewoon afschuwelijk, omdat ze onkunstzinnig zijn; alleen de huidige beschaving noemt ze mooi.

Aber was sind das für Puppen? Es sind solche, an denen sich die Phantasie des Kindes gar nicht mehr betätigen kann. Nun mache man die Sache anders. Man binde ein Taschentuch so zusammen, daß eine Figur mit Armen und Beinen entsteht, dann mache man mit Tinten­klecksen Augen, mit roter Tinte vielleicht auch noch einen Mund; dann hat das Kind daran seine Phantasie zu entfalten, wenn es dies sich als einen Menschen vorstellen soll. So etwas wirkt ungeheuer lebendig auf das Kind, weil es ihm die Möglichkeit bietet, seine Phantasie in Schwung zu bringen. Man muß es natürlich erst selber machen. Aber diese Mög­lichkeit muß man dem Kinde verschaffen, und dies ist schon im Spielalter zu machen. Daher sind alle die Dinge, die nicht die Phantasie des Kindes in Schwung bringen, als Spielzeuge verderblich. – Ich sagte, heute ist man schon wieder über die schönen Puppen hinaus; denn heute gibt man dem Kinde Affen oder Bären. Da kann sich die Phantasie allerdings nicht in menschlicher Weise daran erbauen. Aber gerade solche Erscheinungen, wenn einem die Kinder entgegenkommen und man ihnen einen Bären gibt, den sie so hätscheln können, das zeigt, wie fern unsere Zivilisation demjenigen steht, was Hineinschauen in das Innere der menschlichen Natur ist. Und es ist ganz merkwürdig, wie Kinder dieses Innere der Menschennatur auf selbstverständlich künst­lerische Weise ausgestalten konnen

Maar wat zijn dat voor poppen? Het zijn poppen waarbij de fantasie van het kind helemaal niet meer werkzaam kan zijn. Doe het nu eens anders: bind een zakdoek zo bijeen dat er een figuur met armen en benen ontstaat, vervolgens maak je met inktvlek­ken oogjes, met rode verf misschien ook nog een mond; het kind moet daarbij zijn fantasie ontplooien, wil hij zich dit als een mens voorstellen. Zoiets werkt geweldig levendig op het kind in, want het biedt hem de mogelijkheid om zijn fantasie in gang te zetten. Je moet dit natuurlijk eerst zelf maken. Maar deze mogelijkheid moeten we het kind bieden, en dat kunnen we al doen op de speelleeftijd. Daarom zijn alle dingen die de fantasie van het kind niet in gang zetten, als speelgoed verderfelijk. – Ik zei dat men tegenwoordig al weer over de mooie poppen heen is; want vandaag de dag geeft men het kind apen of beren. Daaraan kan de fantasie zich in ieder geval niet op een menselijke manier opbouwen. Maar kijk eens naar zulke zaken als wanneer de kinderen naar je toe komen en je ze een beer geeft die ze zo kunnen knuffelen, dan zie je hoe ver onze beschaving af staat van het kijken in het innerlijk van de menselijke natuur. En het is heel merkwaardig hoe de kinderen dit innerlijk van de menselijke natuur op een vanzelfsprekend kunstzinnige manier kunnen ont­wikkelen.
GA 310/59
vertaald/62

.

bron bron

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden.

.

2185-2052

.

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn….taalspelletjes

Aan het artikel zijn nieuwe taalspelletjes toegevoegd

 

Nu de kinderen thuis zijn….taalspelletjes

 

Geen up-date missen?: volg dit blog gratis. Aanmelden zie rechtsboven: volg dit blog

 

Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.