VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-9)

.

De ‘sociale driegeleding’ van Rudolf Steiner is vanaf het begin onderwerp van discussie geweest. De mensen die zich sinds de jaren 1919, 1920 en 1921 voor de realisatie ervan hebben ingezet, schreven er boekenplanken over vol. In de praktijk van het maatschappelijk leven echter zijn de ideeën, en daarmee de door Steiner gegeven mogelijkheid tot sociale hervormingen, niet blijvend opgepakt. Guido Walraven ziet nu* opnieuw kansen om vanuit de sociale driegeleding mee te doen aan het maatschappelijke debat.
.

*Guido Walraven, Motief mei 1999
.

In de jaren 1919-1921 zette Rudolf Steiner zich zeer actief in voor het verspreiden van zijn ideeën over ‘driegeleding van het sociale organisme’. Dat had te maken met de kansen die er toen waren om gehoor te vinden voor die politiek-maatschappelijke ideeën: in brede kring werd er na de Eerste Wereldoorlog gediscussieerd over een betere maatschappelijke ordening. Steiner publiceerde er veel over, met name een oproep An das deutsche Volk und an die Kulturwelt (aan het Duitse volk en de cultuurwereld/blz. 129), zijn hoofdwerk over dit thema Die Kernpunkte der sozialen Frage (GA 23  De kernpunten van het sociale vraagstuk) en artikelen in het tijdschrift van de driegeledingsbeweging dat toen bestond. Daarnaast hield hij er talloze lezingen over voor zeer uiteenlopende groepen belangstellenden, zowel binnen als buiten antroposofische kring.

Steiner noemt driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ (een sociaal resultaat van de geesteswetenschap). Over de ‘geesteswetenschappelijke’ achtergronden van zijn voorstel voor een maatschappijstructuur heeft hij vooral gesproken in antroposofische kring.

In dit artikel vat ik enkele van die achtergronden samen, vooral omdat er naar mijn idee meer discussie gewenst is over de actualiteit daarvan. Er lijken nu (opnieuw) kansen te bestaan voor een bredere discussie over driegeleding en andere ideeën over sociaal-maatschappelijke vernieuwing. Bijvoorbeeld het debat over een ‘derde weg’ getuigt daarvan. Deelname aan dat maatschappelijke debat kan pas goed worden gerealiseerd, wanneer geesteswetenschappers bereid en in staat zijn om na te denken over de wijze waarop driegeleding anno 1999 in Nederland vorm zou kunnen krijgen.

Ik zie zeker drie taken voor degenen die zich voor driegeleding willen inzetten, en die hebben te maken met denken, voelen en willen. De mogelijkheden van het idee in Nederland anno 1999 moeten worden doordacht, nagegaan moet worden welke maatschappelijke activiteiten er kunnen plaatsvinden en tegelijkertijd zal er veel gecommuniceerd en gedebatteerd moeten worden. Dit artikel is ook een oproep tot een dergelijke discussie.

Achtergronden en vragen

Steiner heeft zich op verschillende momenten beziggehouden met wat in die tijd de sociale kwestie heette. Daarbij probeerde hij inzicht te krijgen in de wetmatigheden van het menselijke samenleven en van de mensheidsont-wikkeling. Hij deed dat door middel van de geesteswetenschap en vanuit de overtuiging, dat kennis van die wetmatigheden deel zou moeten worden van wat hij noemde ‘het sociale willen’ van mensen om het sociale vraagstuk echt op te lossen.

Hij zag geen oplossing voor alle tijden en plaatsen, maar gaf aan dat het sociale vraagstuk steeds opnieuw door de betrokkenen in een bepaalde tijd of op een bepaalde plaats opgelost zou moeten worden. Daarom is het gepast en relevant om tachtig jaar na publicatie van Die Kempunkte na te gaan, hoe wij in onze tijd en in Nederland kunnen handelen vanuit de kennis over maatschappelijke wetmatigheden die Steiner heeft aangereikt. Bijvoorbeeld: Steiner schrijft rond 1920 dat ‘das Wollen der Zeit nach Dreigliederung drangt’ (het willen van de tijd naar driegeleding neigt) – hoe zit dat rond 1999? Is driegeleding nog steeds het beste antwoord op de sociaal-maatschappelijke problemen van nu? Wat is er nu anders dan toen? Wat is er vergelijkbaar gebleven? En wat is er vanuit geesteswetenschappelijke analyse over de actuele problemen te zeggen?

Driegeleding in mens en maatschappij

Voordat naar de huidige maatschappelijke problemen gekeken wordt vanuit driegeleding, is het goed eerst te bekijken hoe Steiner daar in 1919-1921 naar keek. Belangrijk uitgangspunt van zijn analyse is dat het sociale vraagstuk niet alleen een economisch en politiek vraagstuk is, maar bovenal een geestelijk. Het heeft te maken met de cultuur van een tijd en met de visie op de mens, als ook met een geestelijk wezen. Steiner wijst in dat verband op de ideologisering van het geestelijk-culturele leven en op het doorschieten van de emancipatie van het individu in het egoïstisch najagen van eigenbelang (in een strijd om het bestaan). Om dat geestelijke aspect samen met de andere aspecten van het sociale vraagstuk te kunnen onderzoeken, moeten de kenvermogens van de mens worden uitgebreid door het ontwikkelen van imaginatie, inspiratie en intuïtie. Antroposofie is immers ook een scholingsweg. Met behulp van deze drie voor Steiner cruciale kenvermogens kunnen de ontwikkelingstendensen en wetmatigheden worden begrepen. Voor een goed begrip van economische ordening is de kracht van imaginatie nodig, voor het geestelijke gebied inspiratie en voor het rechtsgebied intuïtie. Deze en andere verbanden tussen geestelijke vermogens en verschijnselen enerzijds en de sociale verschijnselen van mens en maatschappij anderzijds, zijn samengevat in schema 1 (door Steiner zelf overigens).

GA 199   Ged.vertaald, maar niet de betreffende voordracht

Om de ideeën over driegeleding te begrijpen, hoeft iemand niet zelf over de genoemde vermogens tot kennis en tot het vormen van voorstellingen te beschikken. De juistheid van driegeleding is volgens Rudolf Steiner door iedereen in eigen waarnemingen en studie te verifiëren. Dat klinkt open en sympathiek, maar voordat mensen aan de studie gaan willen ze graag overtuigd worden van het nut en de noodzaak ervan. Daarom moeten driegeleders ook aan niet-antroposofen kunnen uitleggen waar het bij driegeleding om gaat. Bijvoorbeeld waarom er drie maatschappelijke gebieden worden onderscheiden, en waarom specifiek die drie gebieden. Daarbij stuiten we op een interessant en paradoxaal probleem. Enerzijds is Steiners beantwoording van die vraag de verwijzing naar de driegelede mens, maar anderzijds benadrukt hij keer op keer dat het daarbij slechts om een analogie gaat, om een voorbeeld ter verduidelijking. Op zoek naar de argumentatie van Steiner ga ik iets nader in op die analogie.

Uitgangspunt is de driegelede mens. Deze is in trefwoorden samengevat in schema 2 (opnieuw door Steiner zelf).

GA 202/35    Niet vertaald

Vervolgens maakt Steiner de stap om datgene wat vanuit de geesteswetenschap over de driegelede mens is ontwikkeld, toe te passen op het gebied van het menselijke sociale leven. Met andere woorden, Steiner legt een relatie tussen schema 1 en 2.

Mag ik u als lezer uitnodigen nu even actief mee te denken en een gedachte-experiment te doen? Probeer dan de inhoud van schema 2 over de driegelede mens op een voor u begrijpelijke manier te verbinden met de inhoud van schema 1 over het driegelede sociale organisme. Er zijn geen ‘foute’ antwoorden, het gaat om uw leerervaring.

Als u dat hebt gedaan kunt u verder lezen over enkele verbindingen die Steiner legt.

Laat ik voorop stellen dat Steiner vanuit verschillende invalshoeken in de loop der tijd ook verschillende verbanden heeft gelegd. Dat wil zeggen dat er meerdere ‘goede’ antwoorden zijn. Volgens sommigen is het ook de vraag of de antwoorden niet naar tijd en plaats kunnen of moeten verschillen. Dat alles wijst erop dat we zelf speels en flexibel kunnen onderzoeken welke verbanden in onze situatie van toepassing zijn, gebruikmakend van wat de geesteswetenschap ons aanreikt.

Nu dat gezegd is, kan worden ingegaan op verbanden die Steiner heeft gelegd tussen mens en maatschappij. In een veel gebruikte toelichting begint Steiner bij de driegelede mens, en wel bij de menselijke geest (‘die het uiterlijke leven wil bekijken met voorstellingen, vanuit het hoofd en wakend’: kolom 2 uit schema 2), en verbindt dat alles met het geestesleven van het sociale organisme. Daarna verbindt hij het gevoelsleven van de ziel en het droomleven van de geest (kolom 3 in schema 2) met het rechtsleven van het sociale organisme. Ten slotte geeft hij aan dat het slaapleven (kolom 4 van schema 2) samenhangt met het onbewuste en met associaties van mensen, hetgeen hij verbindt met het economisch leven.

Op die manier ‘stroomt datgene wat in de mens is, verder in het sociale leven’. Wat vanuit de individuele mens in het sociale leven stroomt, dat maakt het sociale leven begrijpelijk, aldus Steiner: sociaal waken – > geestesleven, sociaal dromen – > rechtsleven, en sociaal slapen – > economisch leven (vgl. schema 1).

Heeft u als lezer tijdens het gedachte-experiment dezelfde verbindingen gelegd tussen mens en maatschappij? Zo ja, dan zal voor u de driegelede mens waarschijnlijk inderdaad een driegeleding van het sociale organisme ‘begrijpelijk’ maken. Maar als u (deels) andere verbindingen hebt bedacht, dan is de analogie tussen mens en maatschappij voor u onvoldoende behulpzaam geweest. Het probleem is nu dat deze analogie de belangrijkste handreiking is die Steiner eigenlijk biedt op dit punt. Weliswaar zegt hij in zijn Oproep aan het Duitse Volk en de Cultuurwereld dat zijn ideeën vanuit verschillende wetenschappen ondersteund zouden kunnen worden, maar helaas heeft hij die ondersteuning nergens uitgewerkt. Over het waarom kunnen we alleen speculeren. Omdat hij weinig tijd had en andere prioriteiten stelde? Misschien omdat hij wilde dat anderen dat zouden doen? En/of omdat hij vond dat mensen de aangedragen ideeën tot iets van zichzelf zouden moeten maken, ze moesten omzetten in hun eigen denken? Steiner wilde mensen in beweging brengen, en het lijkt erop dat hij dat soms ook deed door ze enigszins in verwarring te brengen, althans door uiteenlopende antwoorden op eenzelfde vraag te geven. Zo legt hij ook nog andere verbanden tussen driegelede mens en driegelede maatschappij. Een voorbeeld daarvan is de aanduiding van de mens als een ‘omgekeerde plant’: de wortels zetelen in het hoofd, waar rust en wetmatigheid heerst, terwijl de bloemen bloeien bij de ledematen, waar activiteiten plaatsvinden. Die bloei heeft te maken met het maatschappelijke geestelijk-culturele leven, de wortels met het economisch leven, en het rechtsleven bevindt zich zoals steeds tussen deze twee polen in.

De relatie tussen mens en maatschappij mag dan ‘slechts’ een analogie zijn, voor andere argumenten ter ondersteuning van het idee driegeleding en voor het doordenken ervan zijn wij in belangrijke mate op onszelf en elkaar aangewezen. Dat geldt nog sterker bij het bepalen van mogelijke toepassingen van het idee in onze tijd en in ons land. Steiner wilde mensen in beweging brengen, niet alleen met hun denken, maar ook met hun voelen en willen. Uiteindelijk moesten de ideeën over driegeleding tot handelingen van mensen leiden, zoals ook het citaat in het kadertje aangeeft.

1919-1999

Het werkelijk begrijpen en toepassen van de idee driegeleding vergt, zo blijkt ook uit het bovenstaande, actieve inzet. Steiner zei medio 1922 in Wenen bij een terugblik op zijn publicaties over driegeleding, dat hij in het debat uiteindelijk van alle kanten verkeerd was begrepen. De voorbeelden die hij had gegeven als mogelijke concrete uitwerkingen, had men voor de hoofdzaak aangezien, terwijl hij vooral wilde aangeven hoe de mensheid kon komen tot sociaal denken, voelen en willen. Voor hem was de hoofdzaak na te gaan onder welke maatschappelijke verhoudingen de mensen in staat zijn om hun sociale mening en wil tot uitdrukking te brengen. De kloof tussen standen en klassen vormt daarvoor een van de hindernissen, evenals het geloof in de almacht van de eenheidsstaat. Steiner zei op een historisch punt te staan, waarop het sociale leven op zijn fundamenten bekeken moest worden (en niet op zijn oppervlakkige verschijningen). Dat wilde voor hem zeggen: bekeken vanuit de drie takken van het sociale organisme. Die drie geledingen zouden samengehouden moeten worden door ‘een hogere band’ dan de staat zoals die tot dan toe bestond (want die staat zou moeten barsten).

Steiner was zich ervan bewust dat ook de term ‘organisme’ een analogie is, zag de gevaren van het spel van analogieën, maar gebruikte die toch ter verduidelijking. Bijvoorbeeld om aan te geven dat er opwaartse en neerwaartse ontwikkelingen plaatsvinden in het sociale leven, en dat de neerwaartse door het samenwerken van de drie gebieden weer ‘genezen’ kunnen worden. De eenheid van het sociale organisme ontstaat vanuit de mens die de drie geledingen met elkaar verbindt, omdat hij of zij immers aan alle drie deelneemt.

Gelet op de ontwikkelingen in ‘het sociale organisme’ moet het sociale leven steeds veranderen. Wat het juiste is in de jaren twintig van een eeuw, is in de jaren veertig al zo veranderd dat het ondergangskrachten in zich heeft, aldus Steiner. Die zienswijze maakt het des te noodzakelijker om in 1999 na te gaan wat de kern van het sociale vraagstuk nu is en wat er vanuit geesteswetenschappelijke achtergronden over meer concrete oplossingen kan worden gezegd.

Over de richting van die oplossingen was Steiner optimistisch. De drie idealen of impulsen die sinds de Franse Revolutie van 1789 werkzaam zijn, maakten hem duidelijk dat de Europese mensheidsontwikkeling een driegeleding ‘vereisen’ en dat die zal komen ‘auch wenn die Menschen sie bewusst nicht wollen werden’ (ook als mensen die bewust niet zullen willen). Het zou interessant zijn om na te gaan welke mogelijke aanwijzingen er in de laatste tachtig jaar zijn te onderscheiden voor ontwikkelingen in de richting van driegeleding. Daarbij kan ook betrokken worden wat Steiner heeft gezegd over spirituele achtergronden van het sociale vraagstuk (zoals het Michaëltijdperk, de verbinding met Christus en de ‘ernster Hüter der Schwelle’, of 1789 als advent en 1919 als de dertien dagen vanaf Kerstmis tot en met Driekoningen).

Behalve van ontwikkelingen in de tijd moeten we ons bij de idee driegeleding ook rekenschap geven van de geografische plaats. Driegeleding is ontwikkeld voor Midden-Europa. Door bij de idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap uit de achttiende eeuw in West-Europa aan te sluiten, zou Midden-Europa volgens Steiner kunnen zeggen: vrijheid in het geestesleven, gelijkheid in het staatsrechtelijk leven, en broederschap in het economisch leven. De inhoudelijke en idealistische rol van Midden-Europa had Steiner vanaf het begin van zijn driegeledingswerk beziggehouden, want het was in antwoord op verzoeken van Duitstalige politici dat hij aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn idee van driegeleding ontwikkelde. Midden-Europa zou de spirituele wijsheid van het Oosten kunnen verenigen met de wetenschap van het Westen.

De vraag wat toen onder Midden-Europa werd verstaan is zodoende van belang, want indien Nederland daar toen niet toe gerekend werd, moet worden nagegaan of dat consequenties heeft voor driegelede oplossingen die wij voor Nederland anno 1999 willen bedenken.

Drie taken

Wanneer mensen ervan overtuigd zijn of raken dat driegeleding in onze tijd een perspectiefrijke oplossingsrichting biedt, dan is de vraag hoe zij zich daarvoor kunnen inzetten. Steiner wilde met zijn geesteswetenschappelijke visie op mens en maatschappij immers ook een richting aangeven voor het handelen, voor het ingrijpen in de praktijk, zodat de ontwikkelingswetmatigheden zich zouden kunnen verwerkelijken. Dat kan op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Een van de mogelijkheden daartoe is verwant aan de denkwereld van eind jaren zestig: het vormen van gemeenschappen of groepen waarin de deelnemers hun sociale idealen en impulsen kunnen verwezenlijken, die zich richten op bepaalde sociale terreinen als oefengebied. In de jaren negentig zouden we misschien eerder een eigen bedrijf oprichten op zo’n sociaal terrein, of dienstverlenende arrangementen ontwikkelen. Op al dergelijke manieren kan een weg uit het egoïsme worden gevonden tot vreedzaam samenleven en broederlijk wederzijds hulpbetoon in werken voor elkaar. Dat zijn overigens ook manieren waarop de antroposofische beweging kan bijdragen aan haar doel een broederschap der mensheid te vormen, namelijk door ‘Neugestaltung des gesellschaftlichen Organismus’ (vernieuwing van het maatschappelijk organisme). Tegelijkertijd kan worden gewerkt aan de geesteswetenschappelijke ontwikkeling van de ziel, een scholingsweg om in onszelf die broederschap te ontwikkelen als sociaal gevoel voor de omgeving. Spitta (1985) spreekt in dat verband van een tweevoudige weg van de antroposofie om bij te dragen aan het oplossen van het sociale vraagstuk.

Zie ik het goed, dan heeft de antroposofische beweging in het algemeen (en ook bijvoorbeeld die in Nederland in haar 75-jarig bestaan) de nadruk tot nu toe sterk gelegd op de individuele kant van de tweevoudige weg. Om ook de maatschappelijke kant van die weg meer te ontwikkelen en zo tot meer evenwicht in de aanpak te komen, is activiteit geboden.

Er zijn zeker drie taken of verantwoordelijkheden in dit verband: het doordenken van driegeleding als idee, het bepalen van de toepassingen van de idee in onze tijd en in ons land, en ten slotte het open communiceren over driegeleding met buitenstaanders of niet-antroposofen op manieren die voor hen ook helder en van betekenis zijn. De eerste twee activiteiten vergen ‘geesteswetenschappelijke’ studie, de tweede ook de nodige historisch-politieke kennis en vaardigheden. Voor de derde activiteit zijn weer heel andere vaardigheden en houdingen noodzakelijk, gericht op communicatie in eigentijds en doelgroep-specifiek taalgebruik. Het is niet waarschijnlijk dat al die kwaliteiten voorkomen bij dezelfde (groep) mensen, het zal eerder zo zijn dat bij verschillende taken deels een beroep moet worden gedaan op steeds andere mensen.

Hoewel de drie taken een zekere volgorde hebben, hoeft bijvoorbeeld niet met interne en openbare discussies te worden gewacht tot de eerste taken zijn uitgevoerd. Ten eerste omdat je in interactie veel sneller en dieper leert, ook van je fouten. En ten tweede omdat je voor deelname aan publieke discussies voornamelijk afhankelijk bent van de kansen die zich daarvoor voordoen, en het zou onverstandig zijn om mogelijkheden voorbij te laten gaan omdat de interne gedachtevorming nog niet helemaal is afgerond. Momenteel doen zich in Nederland zeker op drie gebieden kansen voor om driegeleding in te brengen. Daarbij gaat het om een zoeken naar een menswaardiger samenleving, een begrip waar ook Steiner regelmatig naar verwijst als het gaat om driegeleding.

Een eerste kans bieden de politieke debatten over een mogelijke ‘derde weg’ naast het ongebreidelde kapitalisme van de vrije markt en het failliete communisme. Men is op zoek naar een werkbare en adequate combinatie van verschillende idealen en politieke stromingen, en misschien dat het geven van een functionele plaats aan vrijheid, gelijkheid en broederschap daarbij als optie in overweging gegeven kan worden.

Een tweede kans biedt de nog steeds groeiende belangstelling voor vrijescholen en andere werkgebieden van de antroposofie. Wanneer daar de ‘geesteswetenschap’ serieus wordt genomen, dan zal ook naar de sociaal-maatschappelijke consequenties ervan gekeken moeten worden en zal men ook voor de idee van driegeleding moeten opkomen.

En een derde kans is de doorgroeiende belangstelling voor de geestelijke/spiri-tuele wereld, bijvoorbeeld in wat samenvattend de New-Agebeweging wordt genoemd. Daarbij staat de persoonlijke innerlijke groei meestal voorop, maar vanuit de geesteswetenschap zou op de sociale en maatschappelijke consequenties gewezen kunnen worden.

Volgens Steiner is driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ en kan je tegenover geesteswetenschap niet de houding aannemen dat het iets is wat naast andere dingen kan staan, je moet er besluiten over nemen. Geesteswetenschap is fundamenteel, vereist kracht en energiek aanpakken. Driegeleding gaat ook over de sociale consequenties van de geesteswetenschap en antroposofen zouden zich daarom met moed en kracht voor driegeleding moeten inzetten, aldus Steiner. In dit artikel is ingegaan op de geesteswetenschappelijke achtergronden van driegeleding en zijn vragen geformuleerd over het verkrijgen van zicht op de bruikbaarheid van dat idee voor de situatie in Nederland anno 1999.

Ik heb ook bepleit om de discussies over driegeleding niet alleen in de eigen groep te houden, maar om ook deel te nemen aan het publieke debat. Wat dat eerste betreft sta ik persoonlijk uiteraard open voor reacties, en kan er onder meer in Motief een debat plaatsvinden. Wanneer driegeleders deelnemen aan het publieke debat, dan speelt daarbij het probleem van het vinden van een ‘zeitgemässer Sprache’ (eigentijdse taal), een taal die ook door de groepen waarop de boodschap wordt gericht helder wordt begrepen. Als het echter lukt om over dit thema te communiceren met niet-antroposofen op een manier die enerzijds recht doet aan de antroposofie en anderzijds aan een open dialoog, dan kan die ervaring ook voor discussies over andere thema’s worden gebruikt en is er bijzonder veel gewonnen.

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3428-3226

.

.

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde 5e klas – Rijnsagen (1-3)

.

Wanneer in de 5e klas met aardrijkskunde buiten Nederland wordt begonnen, wordt logischerwijs voor de Rijn gekozen die, aansluitend bij de 4e klasstof, voor ons land buitengewoon belangrijk is.

Rond de Rijn zijn allerlei sagen ontstaan, waarvan de Lorelei wel de bekendste is.
Maar er zijn er meer. 

Nu het lezen onder druk staat, is het misschien een idee om deze sagen in een soort boekje te bundelen en (klassikaal) te lezen. Het boekje zou door de kinderen geïllustreerd kunnen worden.

.

ca.  14 min. verteltijd

Liefdesteen en Sterrenberg  (Liebenstein en Sterrenberg)

.

De VIJAndige broers
.

In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een van prachtigste burchten aan de oevers van de Rijn.
In de tijd waarin ons verhaal zich afspeelt, werd hij bewoond door een oude paladijn van Koenraad, de Staufenkeizer, door de verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz.
Twee zonen stonden de bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert die tijd klonk er zelden vrolijk gelach door de hoge gewelven.

Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame mannenslot. Met haar kwam er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het geslacht van Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed vertrouwde hij zijn enig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg toe van zijn bloedverwant, de heer van Sterrenberg.
De blonde Angela – zij verdiende deze naam – werd spoedig de lieveling van ieder op het slot. Zij vereerde dankbaar de grijsaard als haar vader en beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met zusterlijke genegenheid.
Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap van de jeugdige ridders veranderde spoedig in ontluikende liefde. Beide broeders dongen heimelijk naar de gunst van de jonkvrouw.

De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte zich van zijn vaderhart meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde koesterde,  toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige geest van Koenraad, de jongsten zoon.

Reeds vanaf het eerste ogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot gekomen was, had hij de wens gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die de naam van zijn vader droeg en eenmaal de familieburcht bezitten zou.

Hendriks liefde was te schuchter, hij verzweeg de oplaaiende liefdesvlammen. Zijn broeder echter maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor Angela voelde en spoedig bemerkte de grijsaard met droefheid, dat het jonge meisje de genegenheid van deze ridder beantwoordde. Ook voor de broer bleef het geluk van de beide jongelieden niet verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht tot sterven veroordeeld was, omdat het hem niet vroegtijdig gegeven was die te kunnen uiten.
En Angela?
Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die op de trekken van de oudste broer te lezen stond. Het ontroerde haar, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde; maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken van de ridder wierpen.
Op die tijd kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk naar de Rijn en predikte over een nieuwe kruistocht tegen de ongelovigen. Duizenden raakten enthousiast door de bezielende rede van de heilige monnik.
Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproep vernomen. Hendrik besloot aan de kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op de burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest van de jongste ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige Morgenland bood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oosterse palmen op de vlakten van de Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart van zijn vader, die hem smeekte, hem niet te verlaten.
Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.

“Wie blijft op de burcht van mijn voorouders, als jullie hem verlaten om daar misschien nooit meer terug te keren?” riep hij smartelijk uit. “Ik smeek je, mijn oudste zoon, evenbeeld van je moeder, heb medelijden met het grijze haar van je vader! En jou, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de tranen van je verloofde.”

Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van de grijsaard. “Ik zal u niet verlaten, vader,” sprak hij aangedaan.

“En jij, Angela?” vroeg de jongste op trotse toon aan de huilende jonkvrouw, jij moet het offer van de scheiding brengen en een laurierboompje planten om daar voor mij een krans van te maken als ik terugkom.

II

De volgenden dag verliet de jonge ridder de burcht van zijn vader.

Het jonge meisje leek de eerste tijd ontroostbaar van verdriet. Zij huilde om de afwezige geliefde en sliep daarna in als een moe gehuild kind. En toen ze wakker werd en om zich heen keek, kwam de boosheid die haar een beschuldiging influisterde en het beeld van hem, die zich om ijdele roem van haar gescheiden had, vertroebelde zoals een spiegelbeeld op het water dat verstoord wordt.

Meer dan vroeger bleven haar blikken op de fiere jongeling rusten, die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij bewonderde hem, zoals hij door ontelbare bewijzen van reine vriendschap haar leed trachtte te verzachten. Veel van zijn wezen was haar vroeger niet opgevallen: zijn grote moed op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteren van wapens; ze bewonderde het nu.

Het leek er echter op dat hij haar ontliep, bang dat hij de geesten van de onbeantwoorde liefde zou wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter voelde zich daardoor steeds meer tot de ridder aangetrokken. Zij trachtte hem duidelijk te maken, dat haar liefde voor de jongste broer niets geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk met de persoon zelf verdwenen was. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij bemerkte, dat hij van wie zij werkelijk begon te houden, voor haar slechts broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor een woord van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.

De verandering van haar gevoelens was de ridder niet verborgen gebleven, maar trots onderdrukte hij elk opkomend gevoel voor de verloofde van zijn broer.

De grijsaard was hoogst gelukkig, toen Angela bij hem eens haar hart uitstortte. Hij bad God bewogen, de twee verliefde mensen bij elkaar te brengen; hij geloofde dat ze in Zijn geest een paar zouden kunnen worden.
In zijn dagdromen zag hij Angela al met een jongetje op schoot, met blauwe ogen en blonde haren, evenals zijn overleden vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan de opvliegende jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land vertoefde en snel onderbrak hij zijn dromen.

Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting bouwen. Hij gaf haar de naam van Liefdesteen, bestemde haar voor zijn tweede zoon, als hij van de kruistocht terugkeerde. Nauwelijks was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.

Enige tijd later was de kruistocht ten einde. De heren van de Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mee, dat graaf Koenraad een schone voorname Griekse vrouw mee zou brengen, met wie hij in het Morgenland getrouwd was.

Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn ogen. De mededeling leek hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar de toren en richtte haar blikken naar het Zuiden.

III

Eens op een namiddag vertoonde zich een groot schip op de Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de kantelen en riep de broer. Het schip kwam naderbij; men hoorde het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning onderscheiden.
Plotseling stiet de jonkvrouw een vreselijke kreet uit en wierp zich huilend in de armen van de geschrokken ridder. Deze kromp ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schone vrouw vlijde zich tegen hem aan.

Het schip legt aan.
Het eerste springt Koenraad aan wal.

De twee personen op de kantelen waren verdwenen. Een schildknaap naderde de ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, door zijn vader aan hem nagelaten, zijn eigendom was.

Dezelfde dag kondigde hij zijn bezoek op de Sterrenberg aan. Toen hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broer hem zeggen, dat hij de trouweloze, die zijn verloofde verlaten had, slechts met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.

De beide burchten werden in schemering gehuld. Op de weide die de vestingen scheidt, stonden twee broeders voor een strijd op leven en dood.

Dat was een verschrikkelijke tweekamp.

Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen kruisen. De beide tegenstanders, met gloeiende hoofden boven de pantserhemden, hadden dezelfde kracht, dezelfde moed. Rood druppelde het bloed uit de armplaat van de oudste.
Toen bogen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met doodsangst op het gelaat, wierp zich tussen de strijders. Het was Angela. Wanhopig klonk haar smeken:

“In naam God, die u ziet, houdt op! In naam van uw gestorven vader, stop de broedermoord. Degene voor wie jullie de zwaarden trekken, gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals uw broeder.”
De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad boog het hoofd diep en hield de hand voor zijn ogen. Hij waagde het niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand van de huilende jonkvrouw.
“Dank, zuster,” fluisterde hij. “Kom, de trouweloze verdient je tranen niet.

Door de schaduwen van de bomen werden zij aan het oog onttrokken. Zwijgend tuurde de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en huilde.

IV.

Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster Marienburg. Achter de muren vond Angela rust. Tussen Sterrenberg en Liefdesteen verhief zich na verloop van enige maanden een dikke muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broers.

In het nieuwe slot volgde het ene feest op het andere. De mooie Griekse vrouw vierde daar, te midden van de ridders van de Rijn, de triomfen van haar schoonheid.

Op burcht Sterrenberg heerste diepe droefheid. Het was de ridder niet gelukt het besluit van de jonkvrouw te veranderen. Sedert haar verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan de voet van de berg liet hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden daarna stierf hij. Op dezelfde dag, zo beschikte het lot, dat hen gescheiden had, luidden de doodsklokken van het klooster Marienburg en verkondigden de dood van de verloren geliefde.

De heer van Liefdesteen mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke Griekse vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich van de tinnen van zijn vesting in de diepte.

De burchten vervielen aan de ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerst boven tussen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal “de Broeders” genaamd, treurige rust. Slechts dan, zo heeft de Lorelei ons verraden, wanneer de volle maan in de zomernacht haar bleke stralen werpt, hoort men op de weide, die de vestingen scheidt, de zwaarden van de vijandige broeders kletteren.

.
Liebenstein

Sterrenberg

.

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas

.

3427-3225

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (4)

.

In een paar artikelen besteedde ik aandacht aan de vele uitspraken van Steiner die kunnen helpen je leven te verrijken met inzichten voor de pedagogie, maar ook door de vele filosofische, dan wel psychologische of die ook blijk geven van een diepe mensenkennis. 

Bepaalde uitspraken kunnen veel warmte oproepen in je ‘lerarenziel’:

De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven en een goede opvoeder moet in de praktische vorming van de wordende mens degene zijn die het raadsel oplost.

De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.

Binnen in het kind werkt de god in de mens, en die werkt door het levend-fysieke heen.

.

is het hier alles goud wat er blinkt?
.

Al dit soort uitspraken zijn gedaan in pedagogische voordrachten!
In de jaren dat die worden gehouden: 1919-1924 spreekt Steiner ook in de vergaderingen met de leerkrachten van de eerste vrijeschool.

Dan kun je ineens uitspraken tegenkomen die ik althans, heb ervaren als tegenstrijdig met die andere.

We weten niet precies in welke context die zijn gesproken, of er goed genotuleerd is, maar feit is wel dat ze van Steiner afkomstig te boek staan.

Hoe schril is de tegenstelling tussen ‘het uit de goddelijke wereld’ en bv. kwalificaties n.a.v. kinderbesprekingen: kinderen die Steiner dan zelf had waargenomen:

‘een zielsmatige regenworm [1] ; een uitgesproken misdadigertype [2]; denkt op het niveau van een kalf [3] ; een Bolsjewiek [4] ; van nature zeer dom [5] ; dit zijn van die gevallen die veel vaker voorkomen: er worden kinderen geboren die eigenlijk wat het hoogste Ik betreft, geen mens zijn, maar die vervuld worden door een soort natuurdemon, voor demonen kan je geen school oprichten. [6]

Hoe het ook zij: het is niet aan ons, leerkrachten, om dergelijke of soortgelijke uitspraken over kinderen te doen. 
Onze oordelen over hen zouden we met de grootst mogelijke zorg moeten formuleren; open, met als ondertoon altijd de vraag of ‘we goed zitten’. 
Geen quasi wijze uitspraken in de trant van ‘het is goed voor zijn incarnatie’, want laten we eerlijk zijn, dat weten we gewoon niet. Tenzij we die incarnatie helderziend zouden kunnen waarnemen. Maar wie durft van zichzelf te beweren dat je daartoe in staat bent.

Een herdenking van een sterfdag kan ook weer tot een nieuwe impuls leiden:

Wat hebben we aan Steiner op pedagogisch gebied veel te danken.
Waar moeten we nog hard aan werken: om het te begrijpen en in pedagogie/methodiek om te zetten.
Waar spreken we hem met een bepaalde zekerheid na, terwijl we die zekerheid niet hebben: dat wordt vooral gevoeld door oudere bovenbouwleerlingen die ‘in de jaren des onderscheids’ steeds meer gaan inzien welke welke leraren ‘echt’ waren en welke met veel antroposofische know-how echt leken, maar het niet waren in de relatie met de leerlingen.

Enthousiast kunnen worden voor ‘behapbare’ ideeën, er warm van en voor worden en ze in je handelen omzetten: genoeg te doen op weg naar zijn 150e sterfdagherdenking.

[1] GA 300a/117
Op deze blog vertaald/117
[2] GA 300a/152
[3] GA 300b  /154
[4] GA 300a/96
Op deze blog vertaald/96
[5] GA 300b/154
[6] GA 300c/70

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3426-3224

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – Sint Joris (1)

.
In de 2e klas worden aan de kinderen heiligenlegenden verteld.

Ook die van Sint-Joris en de draak.

Hier volgt een uitgebreider artikel als achtergrond voor ‘het vertellen over Sint-Joris.
Dat betekent niet dat ook alles aan de kinderen hoeft worden verteld: daar gaat het meer om de bekende legende.
.

Rafael: Heilige Sint-Joris met de draak. Louvre, Parijs

.

Naamdag: 23 april

Naamvarianten o.a.:  Jerg; Jurg, Jöm, Jurgen, Sjors, George, Georges, Igor, Juri, Georgia, Georgina/e.

Plaatsen van verering: Saloniki, Barcelona, Genua, Venetië, Verona, Bamberg, Limburg a. d. Lahn, in England en vele andere landen, steden en bisdommen.

Beschermheilige: van militairen, van Duitse ridderorden, van ruiters, van paarden, van boeren, van wapensmeden en zadelmakers.
Hij wordt aangeroepen tegen oorlogsgevaar, sneuvelen en wordt gerekend tot de veertien helpers in nood.

sint-joris

Er zijn nogal wat mensen die Sint-Joris naar het rijk der legenden verwijzen, d.w.z. die hem geen enkele historische betekenis toekennen.
Sommigen denken dat hij teruggaat op de oude Egyptische afbeelding van Horus te paard die een krokodil doorboort, die wordt beschouwd als de overwinnaar van Set.
Anderen wijzen op de vele relikwieën die gevonden zijn, vooral in Bulgarije, van de zogenaamde ‘Thracische ruiter’, een galopperende god met een wapperende mantel die vecht met een leeuw of een slang.
Weer anderen denken aan een replica van de Mithras-mythe. Dergelijke opvattingen worden bestreden door een christelijke opvatting die Joris, Georg ziet als een verifieerbare historische figuur. Deze kan echter niet vertrouwen op overvloedig tastbaar bewijs, maar verwijst vooral naar de vroegst mogelijke vermeldingen van Sint-Joris.

Het oudste bewijs van het historische bestaan van Sint-Joris is een oude inscriptie die aantoont dat er al in 367 een ontwikkelde cultus van Sint-Joris bestond in de regio Trachonitis.
Ongeveer 100 jaar eerder, vóór 397, noemt ook de heilige Ambrosius van Milaan hem, in 494 hield een synode zich bezig met de figuur van Sint-Joris omdat de Arianen zijn ware beeld hadden verdraaid, en ongeveer 100 jaar later, vóór 594, spreekt Gregorius van Tours over hem.
Het kan iets te maken hebben met het schaarse historische bewijs dat in de katholieke kerk – zowel in het missaal als in het dagelijkse gebed van de priesters – de herdenking van Sint-Joris naar de 5e plaats is verdrongen.
In de Oosterse Kerk zijn de dingen echter anders. Hier wordt Sint-Joris – naast Sint-Demetrios van Salonica – beschouwd als een ‘megalo-martelaar’, d.w.z. een groot martelaar, waarschijnlijk vanwege het speciale karakter en de overvloed aan wrede martelingen die hij moest ondergaan voor zijn executie.
In het Westen werd hij opgenomen in de kring van de zogenaamde ‘Veertien Helpers in Nood’ en kreeg hij ook een aantal beschermheiligen. Hij werd uitgeroepen tot patroonheilige van landen en bisdommen, soldaten en legers, de Duitse Ridderorde, ruiters en paarden. Op zijn feestdag, 23 april, vond op sommige plaatsen de zogenaamde Sint-Jorisrit plaats, gecombineerd met een zegening van de paarden, en in de Middeleeuwen werden op deze dag ridders gewijd.
Er zijn al in de 6e eeuw bewijzen van Sint-Joriskerken in Italië en Sicilië. De verering van de heilige werd later vooral bevorderd door pelgrimstochten naar het Heilige Land en de zogenaamde kruistochten. Richard Leeuwenhart plaatste zijn leger kruisvaarders onder de bescherming van Sint-Joris, de Duitse ridderorde koos hem als patroonheilige voor hun missiewerk in het Baltische gebied en in Engeland werd hij in 1222 zelfs tot nationale heilige uitgeroepen. Met een dergelijke populariteit is het niet verwonderlijk dat er in de loop der tijd aparte religieuze gemeenschappen werden gevormd die de naam Sint-Joris gebruikten en  zich volledig onder zijn bescherming plaatsten. De oudste is de ‘Congregatie van de Augustijner Ridders van Sint Joris’, opgericht in 1404 door Laurentius Justiniani. Er waren zelfs twee pauselijke ridderorden van Sint-Joris, die – net als een Oostenrijkse – in de 16e eeuw werden opgeheven. De bekendste Orde van Sint-Joris is de ‘Beierse Orde van Ridders van Sint-Joris’, opgericht ten tijde van de kruistochten rond 1143, die – na vele veranderingen en aanpassingen – vandaag de dag nog steeds bestaat.

Wat zegt de geschiedenis over de figuur van Sint-Joris?

Zoals al eerder gezegd, levert de geschiedenis maar weinig bewijs. Er is echter een redelijke mate van overeenstemming dat Sint-Joris een hooggeplaatste soldaat was in het Romeinse leger in Kaap Padocië die werd onthoofd in Pa-lastina, waarschijnlijk in Diospolis of in Lydda, tijdens de vervolging van christenen onder keizer Diocletianus in 303.
Ernst Hello schrijft over hem in zijn boek ‘Saintly Figures’: “De ouders van Sint- Joris waren christenen. Sommige auteurs geloven dat zijn vader een martelaar was. Hij werd geboren in het jaar 280. Zijn moeder begeleidde zijn opvoeding. Hij nam de wapens op toen hij zeventien jaar oud was. Om een opmerking van pater Faber te lenen: bovennatuurlijke gaven worden altijd geënt op de natuurlijke gaven die er het meest op lijken. Sint-Joris zou de beschermheilige van de overwinning worden. Dus werd hij een Romeins soldaat.

Hij begon met natuurlijk heldendom om bovennatuurlijk heldendom te bereiken, of het bovennatuurlijke heldendom dat hij al bezat werd in het begin verborgen onder de schijn van natuurlijk heldendom.”

Het idee van Sint-Joris als ‘Propaiophoros’, d.w.z. als een ‘overwinningsdrager’, dat vooral in de Oosterse Kerk het beeld van de heilige bepaalde, is ook terug te vinden in de Westerse wereld, maar de heilige wordt hier ongetwijfeld meer vereerd als de vechtende drakendoder en wordt ook afgebeeld in de kunst, zij het relatief laat, pas sinds de 12e eeuw.
Alleen de legende kan als bron worden genomen. Deze is zeer gedetailleerd opgeschreven in de zogenaamde ‘Legenda aurea’, de ‘Gouden Legende’ van Jacobus de Voragine uit het einde van de 13e eeuw. Ernst Hello put er ook uit in zijn ‘Saintly Figures’. Hier lezen we over de heiligen en Sint-Joris in het bijzonder: “Eén aspect van hun leven is altijd bepalend voor al het andere, en hun beeld maakt indruk op de menselijke verbeelding onder dit specifieke aspect”.
In het geval van Sint-Joris geeft het doden van de draak aanleiding tot deze eigenschap. De kunst beeldt Sint Joris nooit anders af dan door de draak te verslaan.

Legende

In de buurt van Beiruth woonde een monsterlijke draak in een meer en maakte water en land onveilig. Hij verliet het water alleen om dieren en mensen aan te vallen. Soms kwam hij voor de poorten van de stad, waar hij de lucht verpestte. 
Men besloot hetzelfde te doen als met het brandoffer en elke dag twee schapen aan hem te offeren. Maar al snel raakten de schapen op. Het orakel werd geraadpleegd. Dit antwoordde dat de draak mensenoffers moest krijgen om te verslinden en dat degenen die gedood zouden worden, door het lot zouden worden gekozen.
Op een dag viel het lot in Beiruth op Margaretha, de dochter van de koning. De koning weigerde zijn dochter, maar het volk was toen al opstandig. Ze omsingelden het paleis en dreigden het in brand te steken. Ze wilden de koninklijke familie levend verbranden. De koning kreeg te horen dat hij moest toegeven, en dat deed hij; hij leverde zijn dochter uit. Ze was gekleed in haar feestkleding.

Margaret wordt naar de plek geleid waar het monster haar zal grijpen. Ze leunt tegen een rots, tranen stromen uit haar ogen. Een schaap ligt naast haar. Het moet haar metgezel zijn. Het monster zal Margaretha en haar symbool in één keer verslinden: twee lammeren tegelijk.
Maar zie, voorbij de rots komt Sint-Joris over het pad. Hij ziet de huilende maagd, gaat naar haar toe en vraagt haar naar de reden van haar verdriet. Ze vertelt over haar ongeluk. De heilige held blijft aan haar zijde.

Plotseling kookt het water: de draak wringt zich eruit, doet de golven splijten en een vreselijk gesis vult de lucht die wordt vergiftigd door stinkende geuren; het jonge meisje slaakt een kreet van angst. – ‘Wees niet bang’ zegt de heilige Georg, bestijgt zijn paard, beveelt zichzelf tot God, stormt op het monster af, steekt het diep met zijn lans en dwingt het tot onder zijn voeten.
‘Nu’, zegt Georg tegen het jonge meisje, ‘moet je je riem nemen en die om de nek van de draak gespen’.
En ze leidde het monster de stad in, waar de verzamelde mensen uitbarstten in kreten van vreugde en dankbaarheid. En Georg zei tegen de mensen dat als ze in God zouden geloven, hij het monster helemaal zou doden. Toen werd de koning gedoopt en twintigduizend mensen met hem.
De koning wilde Georg overladen met eerbetoon en zijn schatten met hem delen. Maar Joris verdeelde alles wat hij kreeg onder de armen, omarmde koning, beval alle ongelukkigen bij hem aan en keerde terug naar zijn land.

Diocletianus regeerde in deze tijd. Hij was een zeer vroom man, want vroom betekent toegewijd, en deze vrome man was toegewijd aan Apollo. Op een dag raadpleegde hij het orakel over regeringszaken, maar het orakel antwoordde vanuit zijn grot dat het daarbij weerstand ondervond. ‘De rechtvaardigen op aarde belemmeren mij om vrijuit te spreken’, zei het. ‘Zij maken de zuivere inspiratie van drietand troebel.’ – ‘Wie zijn de rechtvaardigen?’,  vroeg de keizer. ‘O, vorst, dat zijn de christenen’, antwoordde het orakel.

Vanaf deze dag nam de vervolging, die al was afgenomen, een verschrikkelijke omvang aan.

Georg was een belangrijke figuur in het rijk. Hij kwam uit een voorname familie, was rijk en een soldaat. Al deze kwaliteiten gaven hem bepaalde voorrechten, want in Rome stond de soldaat in hoog. Toen Georg zag dat de vervolgingen opnieuw waren begonnen, werd hij boos en kon hij niet zwijgen. Zijn vrienden raadden hem aan voorzichtig te zijn, maar hun raad was nutteloos. En toch wist hij dat Diocletianus de man was om zelfs zijn beste vrienden op in een vlaag van woede te offeren. Hij kende de gewoonten van het hof. Hij kende ze zelfs zo goed dat hij zijn geld en kleren onder de armen verdeelde, die hij binnenkort niet meer voor eigen gebruik nodig zou hebben.

We moeten niet vergeten dat Georg een erg jonge man was. Misschien werden zijn vertrouwen en bovennatuurlijke vrijmoedigheid nog meer versterkt door deze omstandigheid. Hij was ongeveer twintig jaar oud, maar hij was tribuun, of liever gezegd hij was tribuun geweest, want hij had zijn ambt neergelegd. Hij had toegang tot de keizer, en daar maakte hij gebruik van. ‘Jongeman’, zei de keizer tegen hem, ‘denk aan je toekomst’. George haastte zich te antwoorden, maar de keizer werd boos, en zijn woede moet des te groter zijn geweest omdat deze geen duidelijke oorzaak had en zijn oorsprong vond in de antwoorden van het orakel.

De bewakers kregen het bevel om Georg naar de gevangenis te brengen. Daar gooiden ze hem op de grond, bonden hem vast en rolden een zware steen op zijn borst.

De volgende dag werd hij opnieuw voor Diocletianus gebracht, maar omdat alle overredingskracht niet meer hielp dan de dag ervoor, werd Georg vastgebonden aan een wiel met stalen spijkers, alsof hij in duizend stukken gescheurd zou worden.
Omdat de gebruikelijke martelingen niet genoeg waren, moesten er nieuwe worden uitgevonden. Ze geselden hem tot het vlees van zijn botten sprong en gooiden hem toen in een brandende put.
In de vlammen zong de martelaar de psalmen van David. Maar een engel maakte het werk van de vlammen ongedaan en na drie dagen en nachten was Georg niet verbrand maar genezen.
Toen liet Diocletianus met graagte roodgloeiende ijzeren laarzen met spijkers aan de binnenkant aan zijn voeten doen; deze kastijding had lange tijd geen effect, uiteindelijk veroorzaakte het bij Georg dat hij kreunde.

Maar omdat hij niet dood was, bonden ze kettingen aan hem vast en gooiden hem in een kerker. Zodra hij de eucharistie ontving, vielen zijn ketenen vanzelf af.
Georg werd opnieuw gemarteld. 
Maar toen gebeurde er iets vreemds. Tijdens zijn martelaarschap werd hij een wonderdoener en terwijl hij zijn bloed vergoot, toonde hij barmhartigheid aan een dier.
Bij een heidense boer genaamd Glycerus was er een os doodgegaan en het verlies kan hij maar moeilijk kon dragen. De boer ontmoette de martelaar op zijn lijdensweg en vroeg hem de os weer tot leven te wekken. Georg vroeg hem of hij in Christus wilde geloven, en toen hij bevestigend antwoordde, zei hij tegen hem: ‘Ga naar huis naar je ploeg, je zult je os levend vinden.’

Toen Glycerus op het veld kwam, stond zijn os daar, klaar om te werken. Een paar dagen later stierf de boer een martelaarsdood.

Ondertussen moest Georg verder lijden zonder te sterven. Hij vroeg zelf om naar de tempel gebracht te worden om de goden te zien die daar vereerd werden. Diocletianus verzamelde de senaat om die getuige te laten zijn van zijn overwinning. Alle hoge persoonlijkheden zouden er getuige zijn van hoe Georg werd verslagen en uiteindelijk aan Apollo geofferd. Alle ogen waren op hem gericht.

George naderde het beeld, hief zijn hand op en maakte het kruisteken.
‘Wilt u’, zei hij tegen het afgodsbeeld, ‘dat ik u offers breng als aan God?’
‘Ik ben God niet’, antwoordde de demon, en gedwongen bekende hij: ‘Er is geen andere God dan die jij verkondigt.

Toen klonken er jammerende en angstaanjagende stemmen uit de afgodsbeelden en ze vielen neer op de grond.

Georg werd opnieuw beetgepakt en ze onthoofden hem

Alle tradities die verbonden zijn met de verering van Sint-Joris verwijzen naar het karakteristieke wat al eerder genoemd werd en naar de overwinning op de draak.

Er wordt gezegd dat de heilige aan het leger van de kruisvaarders verscheen voor de Slag bij Antiochië en dat de ongelovigen met zijn hulp werden verslagen.
Een andere verschijning van Sint-Joris zou hebben plaatsgevonden aan Richard de Eerste, koning van Engeland, die zegevierend vocht tegen de Saracenen.

Constantinopel had ooit vijf of zes kerken gewijd aan Sint-Joris, waarvan de oudste werd gebouwd door Constantijn de Grote.

Een zeer wijdverspreide traditie beweert dat Sint-Joris voor zijn dood God vroeg om de smeekbeden te horen van degenen die hem zouden aanroepen bij de herdenking van zijn martelaarschap.

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

3425-3223

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis – GA 311

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 311      op deze blog vertaald

Voordracht 3, Torquay 14 augustus 1924

Blz. 57

Und weiter, wenn man Geschichtliches betrachtet, so soll das Kind auch bis gegen das 12. Jahr hin in der Geschichte Bilder bekommen, Bilder von einzelnen Persönlichkeiten, Bilder von Ereignissen, über­schaubar schön gemalte Bilder, wo die Dinge lebendig vor der Seele stehen, nicht eine Geschichtsbetrachtung, in der man immer das Folgende als die Wirkung vom Vorhergehenden betrachtet, worauf die Menschheit so stolz geworden ist. Diese pragmatische Geschichts­betrachtung, die nach Ursachen und Wirkungen sucht in der Ge­schichte, ist etwas, was das Kind ebensowenig auffaßt, wie der Far­benblinde die Farbe. Und außerdem bekommt der Mensch eine ganz falsche Vorstellung vom Leben, vom fortlaufenden Leben, wenn

En verder, wanneer je naar iets uit de geschiedenis kijkt, moet het kind ook tegen het 12 jaar nog geschiedenisbeelden krijgen, beelden van persoonlijkheden, beelden van gebeurtenissen, overzichtelijk mooi (met woorden) geschilderde beelden waarin de dingen levend voor de ziel staan; geen geschiedenisbeschouwing waarbij je steeds het volgende als de werking van het vorige beschouwt, waarop de mensheid zo trots geworden is. Deze pragmatische geschiedenisbeschouwing die in de geschiedenis naar oorzaak en gevolg zoekt, pakt het kind net zo min op als de kleurenblinde de kleuren. En bovendien krijgt de mens een hele verkeerde voorstelling van het leven, van het leven dat verder gaat, wanneer

blz.58:

man ihm alles immer nur nach Ursachen und Wirkungen beibringt. Ich möchte Ihnen das durch ein Bild klarmachen.
Denken Sie sich, da fließt ein Strom dahin (es wird gezeichnet).

Er zeigt Wellen. Sie werden nicht immer richtig gehen, wenn Sie die Welle c aus der Welle b und diese aus der Welle a hervorgehen lassen, wenn Sie sagen, c ist die Wirkung von b, und b von a; es walten da unten in den Tiefen noch allerlei Kräfte, welche diese Wellen aufblasen. Und so ist es in der Geschichte.

je hem steeds alles alleen maar bijbrengt als oorzaak en gevolg.
Dit wil ik u door een beeld duidelijk maken.
Stel je voor, hier is een waterstroom (dat wordt getekend):

GA 311 blz. 58

Er zijn golven. Maar, je zou het niet steeds bij het rechte eind hebben, wanneer je golf c uit golf b en deze uit golf a zou laten ontstaan, wanneer je zou zeggen: c is de werking van b en b van a; dieper in de stroom werken nog andere krachten die de golven omhoogstuwen. En zo is het ook in de geschiedenis.

Da ist nicht immer das, was 1910 geschieht, die Wirkung von dem, was 1909 geschehen ist und so weiter, sondern für diese Wirkungen aus den Tiefen der Strömung in der Entwickelung, was die Wellen aufwirft, dafür muß beim Menschen sehr frühzeitig eine Empfindung eintreten. Sie tritt aber nur ein, wenn man spät erst die Ursachen und Wirkungen ein­führt, gegen das 12. Jahr hin, und vorher Bilder hinstellt.
Es stellt dies wiederum Anforderungen an die Phantasie des Leh­rers. Diesen muß er aber genügen. Er wird schon genügen, wenn er für sich Menschenkenntnis erwirbt. Und darum handelt es sich. 

Daarin is het ook niet altijd zo, dat wat in 1910 gebeurt, de werking is van wat in 1909 gebeurd is enz., maar voor deze werkingen vanuit de diepten van de ontwikkelingsstroom, die de golven veroorzaken, daarvoor moet bij de mens zeer vroeg een gevoel ontstaan. Maar dat ontstaat alleen, wanneer je pas laat oorzaak en werking invoert, tegen het 12e jaar en daarvóór beelden geeft.

Dat stelt opnieuw eisen aan de fantasie van de leraar. Daaraan moet hij voldoen. Maar hij zal er aan voldoen, wanneer hij zich menskunde eigen maakt. En daar gaat het om.
GA 311/57-58
Op deze blog vertaald/57-58

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3424-3222

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (3)

.

Over enkele dagen zal er bij vele gelegenheden worden stilgestaan bij de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.

Er zal worden nagegaan wat zijn invloed was, is of nog zou kunnen zijn.

Er zal ook wel klinken dat veel is ‘achterhaald’, immers 100 jaar….

En, met name in Duitsland, zal er weer ‘kritisch worden gekeken’.

Zo was er een uitzending van SWR waarin Steiner o.a. een ‘gevaarlijke denker‘ wordt genoemd.
(Wat er dan zo gevaarlijk zou aan zijn gezichtspunten zoals deze hier en hier, wordt niet besproken).

En natuurlijk, altijd weer ‘Steiner als racist‘.

Dat is, voor wie kritiek wil leveren, ook meestal de ‘binnenkomer’ en een makkelijke, want
wie wil er in deze tijd nog geassocieerd worden met ‘racistisch gedachtegoed.’

De critici [hier] en [hier] leggen graag het verband van ‘Steiners racisme’ met de vrijeschool.

Immers: in 1996 – bijna een generatie geleden – kwam in het nieuws dat er op een aantal vrijescholen ‘rassenkunde’ werd gegeven. 
De leerkrachten die dit gaven, deden dat – dat blijkt uit hoe ze de inhoud beschreven – niet om het ene ras als beter, als superieur af te schilderen of het andere als inferieur, ze wilden een verklaring geven over de verschillende rassen op aarde en waarom ze er zo uitzien als ze eruit zien en, over hun aard. 

Ze gaven daarmee ‘antroposofische inhouden’ en ze hadden kunnen weten dat dat nu beslist door Steiner werd afgewezen. In vele passages in zijn voordrachten: ‘geen antroposofische, c.q. wereldbeschouwelijke school.’

Door Steiner is er in zijn pedagogische voordrachten als basis voor de vrijeschoolpedagogie, -didactiek en -methodiek nooit over een vak ‘rassenkunde’ gesproken. 

Zelf ben ik eens door een – bijna haatdragende – criticaster beschuldigd een racist te zijn, want ‘als je zo enthousiast bent over Steiner kan het niet anders of je moet ook enthousiast zijn over die gezichtspunten.’

Maar – en dat is meestal het geval met de critici: – ze hebben zich zo weinig echt verdiept dat ze alleen gefocust blijven op hun (enige?) zekerheid: hun punt van kritiek. 

In een voordracht in GA 94 over de ingewijde leraar (Steiner spreekt het niet uit, maar het is tussen de regels duidelijk dat hij zich ook onder hen rekent) 

In der abendländischen Einweihung bleibt der Einzuweihende unabhängig, und der Lehrer ist nur ein Erwecker. Der abendländische Lehrer will weder herrschen noch bekehren, sondern allein erzählen, was er geschaut hat. Welches ist nun die Art und Weise, wie man auf ihn zu hören hat? – Es gibt in Wirklichkeit drei Arten zu hören: hören, indem man sich dem Wort als einer unfehlbaren Autorität unterwirft; hören, indem man sich auflehnt gegen das, was man hört; schließlich das einfache Hinhören ohne knechtischen und blinden Glauben, gewissermaßen ohne systematische Opposition, indem man einfach die Ideen auf sich wirken läßt und ihre Wirkungen beobachtet. So muß in der abendländischen Einweihung die Haltung des Schülers seinem Lehrer gegenüber sein. Was nun den Lehrer betrifft, so weiß er, daß er, um der Meister zu sein, der Diener sein muß. Es handelt sich für ihn nicht darum, die Seele seines Schülers nach seinem Bilde zu modeln, sondern ihr Rätselvolles zu ahnen und aufzulösen. Was er lehrt, ist nicht eine Glaubenslehre, oder vielmehr, es ist eine Lehre, die aber nur Wert hat, indem sie der inneren Entwickelung dient. Jede Wahrheit, die nicht gleichzeitig eine Lebenskraft ist, ist eine unfruchtbare Wahrheit. Deshalb ist es notwendig, daß jeder Gedanke Zugang zur Seele finde. Er tut dies nicht, wenn er nicht vom Gefühl durchströmt ist; sonst ist er ein totgeborener Gedanke.

In de inwijding in het Avondland blijft de in te wijden persoon onafhankelijk en is de leraar slechts iemand die wakker maakt. De leraar in het Avondland wil noch heersen noch bekeren, maar enkel vertellen wat hij gezien heeft.
Dus wat is de manier om naar hem te luisteren? –

Er zijn eigenlijk drie manieren van luisteren:

=luisteren door zich te onderwerpen aan het woord als een onfeilbare autoriteit;
=luisteren door in opstand te komen tegen wat men hoort;

=gewoon luisteren zonder slaafs en blind geloof, zonder systematische oppositie, om zo te zeggen, door de ideeën gewoon toe te laten en hun effecten te observeren.

Dit moet de houding zijn van de leerling ten opzichte van zijn leraar bij de inwijding in het Avondland.

Wat de leraar betreft, hij weet dat hij, om de meester te zijn, de dienaar moet zijn.
Voor hem is het geen kwestie van de ziel van zijn leerling te modelleren naar zijn eigen beeld, maar van het doorgronden en oplossen van haar mysterie. Wat hij onderwijst is geen geloofsleer, of liever, het is een leer die alleen waarde heeft als het de innerlijke ontwikkeling dient. Elke waarheid die niet tegelijkertijd een levenskracht is, is een onvruchtbare waarheid. Daarom is het noodzakelijk dat elke gedachte toegang vindt tot de ziel. Dat lukt niet als ze niet doortrokken is van gevoel; anders is het een doodgeboren gedachte.
GA 94/41-42
Niet vertaald

‘gewoon luisteren zonder slaafs en blind geloof, zonder systematische oppositie, om zo te zeggen, door de ideeën gewoon toe te laten en naar de uitwerking ervan te kijken.’

En dus, voor mij is het niet interessant of aan de orde, of we Steiner een racist kunnen of moeten noemen. Dat is a.h.w. verleden tijd.
Wat voor mij telt is, of IK racist genoemd kan worden, wat mijn gezichtspunten zijn (geworden) door Steiner te bestuderen.
En dan gaat het voor mij niet om een verleden, maar om de toekomst.

En dat geldt bij Steiner eveneens!

De critici die weer met ‘dat racist’ aan komen zeulen, vermelden nooit:

( ) ein Mensch, der heute von dem Ideal von Rassen und Nationen und Stammeszusammengehörigkeiten spricht, der spricht von Niedergangsimpulsen der Menschheit. Und wenn er in diesen sogenannten Idealen glaubt, fortschrittliche Ideale vor die Menschheit hinzustellen, so ist das die Unwahrheit, denn durch nichts wird sich die Menschheit mehr in den Niedergang hineinbringen, als wenn sich die Rassen-, Volks- und Blutsideale fortpflanzen.( ) 

Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed.
GA 177/blz.220.
Niet vertaald

Spreekt Steiner over ‘de mens’ of over de mensheid, dan is nergens uit op te maken dat het om de ‘witte mens’ gaat of de Europese mensheid. Het betreft alle mensen.

Aber gerade das will anthroposophische Weltan­schauung, daß die Menschen die Möglichkeit gewinnen, sich über die Erde hin zu verständigen.

Dit wil de antropo­sofische wereldbeschouwing: dat de mensen de mogelijk­heid ontwikkelen overal op aarde begrip voor elkaar te hebben.
GA 303/297
Vertaald/331

Denn das ist ja einer der Hauptschäden unserer gegenwärtigen sozialen Zustände, daß der eine Mensch so wenig versteht, was der andere tut. Wir müssen tatsächlich dazu kommen, nicht als abgesonderte einzelne Menschen oder Gruppen dazustehen, sondern mit vollem Verständnis der eine dem anderen gegenüberzustehen.

Een van de belangrijkste gebreken van onze huidige sociale toestan­den is, dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten zover komen dat we niet als geïso­leerde, afzonderlijke mensen of groepen komen te staan, maar vol begrip voor elkaar.
GA 307/228
Vertaald/294

Anthroposophie ist absolut das Gegenteil von jedem Fanatismus.

Antroposofie is absoluut het tegendeel van elke vorm van fanatisme.
GA 297/274
Op deze blog vertaald

Anthroposophie ist nirgends dazu da, fanatisch oder sektenhaft aufzutreten, sondern nur, um zu sagen, wie die Dinge sind.

Antroposofie wil op geen enkel gebied een fanatieke of sektarische rol spelen op, ze wil alleen zeggen hoe de dingen zijn. 
GA 354/107
Niet vertaald

Er is door Steiner heel veel gebracht aan inzichten op allerlei gebied. 
Je kan een keus maken van wat jou interesseert. Dan nog is het veel en soms moeilijk te begrijpen, tot – voor mij – onbegrijpelijk.

Maar wat ik meen te begrijpen, die inzichten van Steiner hebben mijn leven verrijkt.
Ik ben het lot dankbaar dat zijn ideeën mijn denken, voelen en willen zijn gaan inspireren.

.

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3423-3221

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (2)

.

.
Over enkele dagen zal er bij vele gelegenheden worden stilgestaan bij de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.

Er zal worden nagegaan wat zijn invloed was, is of nog zou kunnen zijn.

Er zal ook wel klinken dat veel is ‘achterhaald’, immers 100 jaar….

Hier wat uitspraken op filosofisch-psychologisch gebied die m.i. de komende 100 jaar zeker niet aan inhoud zullen inboeten.

Dit is maar een klein deel van wat in Steiners nalatenschap is te vinden.

2
Vooroordelen ruïneren altijd het diepere inzicht.

3
We moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen.

7
Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam.

U moet de hele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.

14
Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.

17
Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.

18
We moeten loskomen van de woorden en we moeten de geest der dingen zoeken. Wanneer we iets willen begrijpen, moeten we niet dadelijk aan het woord denken, maar zoeken naar de feitelijke verbanden.

20
De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.

24
Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.

25
U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

36
Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke

manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.

37
U moet proberen door te dringen tot in alle aspecten van het wezen van de mens.

39
Het ergste is deel uit te maken van een door mensen gemaakte wereld, zonder dat men met deze wereld te maken wil hebben.

43
U moet er in de allereerste plaats van uitgaan, dat de mens een wezen is dat voortdurend in wording is. En dat is iets wat we in ons bewustzijn als opvoeder ons steeds eigen moeten maken, dat de mens voortdurend in wording is, dat hij in de loop van zijn leven metamorfosen ondergaat.

45
Goethe heeft vanuit zijn wereldbeeld immers de fraaie gedachte gevormd dat het normale bestudeerd kan worden aan de hand van het abnormale.

46
Het is noodzakelijk om de blik te richten op het gehele zielenleven.

60
Juist wat binnen bepaalde grenzen gerechtvaardigd is, leidt tot onheil wanneer het buiten die grenzen toegepast wordt.

61
Zich ontwikkelen is slechts de omvorming van onze groeikrachten.

66
Je kunt de mens niet leren kennen, zonder hem als wordend te leren kennen.

67
De mens is niet alleen maar het uiterlijk fysieke organisme waarover de natuurwetenschap ons grootse, geweldige verklaringen geeft die niet hooglijk genoeg kunnen worden gewaardeerd. De mens is ook ziel en geest.

87
Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.

91
Gewoonlijk is het in het leven niet zo dat een streng gescheiden of – of juist is, maar een en – en. Zowel het een als het ander speelt in het leven een rol.

96
Het leven verdraagt niet dat men alles indeelt in typen. Het leven vraagt dat alles in beweging is.

98
Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.

99
Je moet overal  naar alle verschijnselen zoeken waarin een zaak zich voordoet. Je kunt niet alleen maar rekening houden met wat meteen voor de hand ligt.

117
Je moet, als je voor de mensheid op de aarde überhaupt begrip wilt krijgen met betrekking tot haar ethisch-religieuze doelstellingen, je enerzijds de onbevangen­heid eigen maken om niet het ene ideaal op zich als waarde­voller te beschouwen dan het andere, maar beide te willen begrijpen. 

118
Dit wil de antropo­sofische wereldbeschouwing: dat de mensen de mogelijk­heid ontwikkelen overal op aarde begrip voor elkaar te hebben.

122
Een absoluut ideaal laat zich nergens in het leven realiseren. Het gaat er steeds om: wat is in relatieve zin het beste?

124
Je moet overal reële, echte begrippen hanteren, niet die je jezelf aanpraat. 

128
Men moet alles met alles in verband zien.

138
In de ontwikkeling van de mensheid heb je niet het recht je een individualiteit te voelen, wanneer je niet tegelijkertijd voelt, dat je ook deel uit maakt van de hele mensheid.

145
En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.

147
Het leven bestaat niet uit bewijzen en weerleggen, leven bestaat uit beweging, uit verandering, uit metamorfose.

149
Wat in de ene situatie juist is, is in een andere situatie verkeerd en omgekeerd. Het leven moet in al zijn beweeglijkheid worden beschouwd.

150
Abstracte eisen dragen het kenmerk dat zij in hun abstractheid geen realiteit worden.

151
Wie in het leven 
werkelijk iets bereiken wil, moet geen abstracte, verheven idealen koesteren waarover hij z’n benen breekt of waaraan hij z’n hoofd stoot, maar die probeert steeds het leven te nemen zoals het is.

153
Voor de mens die sociaal wil zijn, zijn er twee dingen
 belangrijk: liefdevol achter je eigen doen en laten staan en begripsvol ingaan op het doen en laten van de ander.

154
Want als je overeenkomstig de realiteit denkt, dan kom je tot volkomen andere oordelen, ook over de zintuiglijke werkelijkheid, dan door middel van abstracties.

159
De welvaart van de mensen is des te groter, naarmate het egoïsme kleiner is
.

160
Levensecht de wereld begrijpen is totaal iets anders dan deze met dode begrippen omvatten.

183
Pas op het ogenblik dat de mens leert begrijpen: de wereld zelf is een kunstwerk, dat de mens leert zo naar de hele natuur te kijken dat hij in die natuur een scheppend kun­stenares ziet, op dat ogenblik pas is de mens op weg zich religieus te verdiepen.

186
Een van de belangrijkste gebreken van onze huidige sociale toestan­den is, dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten zover komen dat we niet als geïso­leerde, afzonderlijke mensen of groepen komen te staan, maar vol begrip voor elkaar.

187
De idee is niet een begrip, de idee is een plastische vorm.

206
Iets is nog niet waar, wanneer het waargenomen en logisch is. Wat op zich logisch is, is nog geen waarheid. Waarheid wordt het pas, wanneer iets logisch is én in overeenstemming met de werkelijkheid.

208
Kritiek leveren is immers altijd makkelijker dan opbouwen.

229
Het leven is van ’s morgens tot ’s avonds op elk gebied  interessant. De kleinste dingen zijn interessant.

237
De wereld komt er niet door vooruit als je altijd het midden houdt; het midden is terecht aanwezig, als ook de afzonderlijke zijden aanwezig zijn en je deze als krachten in aanmerking neemt.

239
In het formuleren van onze zinnen moeten we meteen zo gewetensvol zijn dat we naar waarheid streven.

243
[ ]  het is onmogelijk de wetmatigheden die zich in de wereld voordoen, maar op één manier te vinden. Zolang je van mening bent dat alles opgehangen kan worden aan de werking van oorzaak en gevolg, sta je open voor tragische vergissingen.

245
Je bent erg verkeerd bezig wanneer je uit een geheel een deel neemt en dat gaat bekijken als iets wat op zich staat.

246
In plaats van naar het allerkleinste te kijken, zou je de blik moeten richten op het allergrootste, want daarin is te vinden wat in het kleinste zit. 

249
De mens is als fysiek wezen geen werkelijkheid op zich, maar hij is een fysiek wezen samen met de hele aarde

250
Wat werkelijkheid is, is meer dan waar het beperkte aardse mensenverstand in eerste instantie toegang toe heeft.

258
Onze manier van beschouwen is zeer zeker kijken met een bepaalde bril op, zodat we onze alledaagse bezigheden verrichten zonder de innerlijke samenhangen in de wereld daadwerkelijk te kennen.

259
Alles wat niet in de richting gaat van het begrijpen van de totale werkelijkheid, behoort eigenlijk al bij het leven dat in verval is.

260
Op het vlak van de kennis is het net zo noodzakelijk dat de mensen zich nu verdiepen in wat de opvattingen over de natuur kunnen bieden, als dat het ook noodzakelijk is dat zij zich verdiepen in wat geesteswetenschap kan bieden. Noch het een noch het ander omvat de volle waarheid, alleen het samengaan van beide in de menselijke ziel heeft de volle waarheid als resultaat.

266
Routine is de mechanisering van het leven.

273
Hoe materialistischer een mens wordt, hoe meer hij van de werkelijkheid vervreemdt.

274
Iets kan in hoge mate logisch zijn, geestrijk, maar dan hoeft het nog niet in overeenstemming te zijn met de werkelijkheid. In deze tijd hebben we juist een denken nodig dat realistisch is.

275
Het abstracte denken brengt ons er uiteindelijk toe dat we door louter abstracties de werkelijkheid niet meer zien.

280
Om de werkelijkheid te kennen, mag je nooit schematiseren, nooit ideeën zomaar naast elkaar zetten.

281
Je moet goed in de gaten hebben dat in de realiteit alles alleen maar zo bekeken kan worden dat als iets zich ergens als het belangrijkste voordoet, daar ook andere elementen van de werkelijkheid bijhoren en dat wat anders op de achtergrond blijft, in een andere situatie van de realiteit, het belangrijkste is en dat dat andere dan weer op de achtergrond staat.

284
We moeten tot heldere begrippen komen, geen vage. We moeten inzien dat uitgaan van begrippen, van definities, helemaal niets betekent, wél het waarnemen van de feiten zonder vooroordelen.

285
Je moet niet op de een of andere manier benepen tégen iets zijn.

286
Alleen door niet in schema’s te denken, kom je dichter bij de werkelijkheid.

288
Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.

294
Antroposofie is absoluut het tegendeel van elke vorm van fanatisme.

299
Als het om het begrijpen van de dingen gaat, blijft ons intellect oppervlakkig. Het dringt niet in de diepere laag door, waar de waarheid te vinden is.

310
Bij antroposofische geesteswetenschap moet je innerlijk actief zijn, anders hoor je alleen woorden die je naar eigen goeddunken voor fantasterij kan houden. 

315
In deze tijd waarin we geloven met beide benen op de grond te staan, gaat het erom in te zien dat we met abstracte begrippen niet tot de werkelijkheid komen.

320
Niemand kan onbevangen over iets spreken waarvoor hij een bijzondere interesse heeft.

322
Leven betekent: voortdurend leren.

324
De taak van de geesteswetenschap is om in alle mogelijke theorieën het wezenlijke op te zoeken.

325
Je mag nooit een afgerond oordeel hebben over iets.

326
In de mensheid is een oeroude wet werkzaam: vermogens verwerven op het ene gebied gaat alleen wanneer er vermogens op een ander gebied minder worden.

328
Menselijk weten moet er altijd op uit zijn om tot de meest uiteenlopende filosofieën en wereldbeschouwingen, tot de geheimen van het leven door te dringen en de oerbronnen van het leven te vinden.

329
Alles wat de mens om zich heen ziet, is in ontwikkeling.

330
Wat naar de ene kant hoog is, is naar de andere kant laag en omgekeerd. Steeds heeft een ding in de werkelijkheid van het leven twee kanten. Steeds bepaalt het ene het andere.

332
Je mag geen oordeel geven dat je bevalt, maar je bent verplicht in je oordeel weer te geven wat overeenkomt met de werkelijkheid.

333
Elke tijd is een overgangstijd van het verleden naar de toekomst.

334
Iedereen kan zich inbeelden dat wat hij denkt, het juiste is. Hoe minder realiteitszin iemand heeft, des te meer zal hij zich meestal inbeelden dat wat hij denkt, het juiste is.

335
We geven ons aan illusies over wanneer we aan het uiterlijke leven blijven hangen.

338
De mens is een levend wezen dat zich in de tijd ontwikkelt. Een wordend wezen dat met iedere levensfase iets nieuws in zijn totale ontwikkeling in zich opneemt.

339
Wie de dingen verinnerlijkt begrepen heeft, kan tot een juist eigen oordeel komen.

340
Wat er eigenlijk van de antroposofie moet uitgaan is: wakker zijn, enthousiast zijn, haar kennis in activiteit, in de daad omzetten, zodat de mens niet alleen maar wat weet, maar iets door de antroposofie wordt.

342
Alles zou opgebouwd moeten worden met de ontwikkeling van de mens als uitgangspunt.

343
De grote wetmatigheden zijn overal aanwezig, maar op ieder gebied op een eigen manier.

345
Nu is het vooral nodig dat de mensen bij alles leren met de grootst mogelijke eerlijkheid in de eerste plaats naar waarachtige zelfkennis te zoeken en in de tweede plaats naar waarachtige kennis over de wereld.

351
Antroposofie wil op geen enkel gebied fanatiek of sektarisch optreden, ze wil alleen zeggen hoe de dingen zijn. 

364
Wil men de werkelijkheid benaderen, met name de werkelijkheid van de menselijke natuur, dan moet het duidelijk zijn dat iedere onderverdeling een onderverdeling is van een eenheid. Zou men zich alleen richten op die abstracte eenheid, dan zou men niets leren kennen. Zou men nooit indelen, dan zou de wereld altijd in het vage blijven.

De cijfers verwijzen naar ‘Rudolf Steiner wegwijzers‘ daar vind je de bron van de opmerkingen.

.

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3422-3220

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (1)

.
Over enkele dagen zal er bij vele gelegenheden worden stilgestaan bij de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.

Er zal worden nagegaan wat zijn invloed was, is of nog zou kunnen zijn.

Er zal ook wel klinken dat veel is ‘achterhaald’, immers 100 jaar….

Hier wat pedagogisch-didactische uitspraken van Steiner die m.i. ook de komende 100 jaar niet aan zeggingskracht zullen inboeten:

1
Slechts door een duidelijk besef van de uitwerking, die elke opvoedingsmaatregel op het kind heeft, kan de opvoeder steeds de juiste tact vinden om in ieder afzonderlijk geval de juiste maatregelen te treffen.

3
Maar we moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen.

5
U zult geen goede opvoeder en pedagoog worden wanneer u alleen kijkt naar wat u doet en niet naar wat u bent.

10
In de opvoeding en het onderwijs van de toekomst moeten we in het bijzonder aan de vorming van wil en gemoed grote waarde hechten.

11
Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.

12
Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

13
Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar.

15
Het beeld zal ons aan begrippen helpen.

16
Pas het inzicht dat men ook in de wakkere mens te maken heeft met verschillende bewustzijnstoestanden – met waken, dromen en slapen – brengt ons tot werkelijk inzicht in onze taken ten opzichte van de opgroeiende mens.

19
De pedagoog moet ook de tijd begrijpen waar hij in staat, omdat hij de kinderen moet begrijpen die hem toevertrouwd worden.

21
Wanneer je een goed ontwikkeld 
inzicht hebt in het wezen van de wordende mens, gedragen door je wil en je gevoel, zal je een goede leraar en opvoeder worden.

22
Het vele definiëren is de dood van het levend onderwijs.

23
Het is van het grootste belang dat men voortdurend voor ogen heeft niets in de wordende mens te doden, maar hem zo op te voeden en les te geven dat hij levend blijft, dat hij niet uitdroogt en verstart.

26
Het is noodzakelijk dat vooral leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen.
(  ) Dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.

27
(  ) Men moet in de wordende mens de samenwerking van lichaam, ziel en geest kunnen waarnemen.

28
In de methodiek zal het onze taak zijn dat we altijd aan de gehele mens appelleren.

29
Het hele onderwijs moet afgeleid zijn uit het kunstzinnige. Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.

30
We moeten teruggaan naar de principes in de natuur van de mens wanneer we in deze tijd in juiste zin les willen geven.

31
Onderwijs is altijd iets sociaals.

32

De wordende, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels in het leven. Wie dit praktisch oplost, toont een echte opvoeder te zijn, als de echte oplosser van het raadsel bij de ontwikkeling van de mens.

33
Het kind moet niet van oor tot oor, maar van ziel tot ziel begrijpen.

38
Als opvoeder hebben we de taak om voortdurend het dode nieuw leven in te blazen om datgene in de mens wat zich in een sterfproces bevindt, te bewaren voor het volledig afsterven, ja, in zekere zin te bevruchten met het scheppende element dat we uit de wil kunnen ontwikkelen.

40
Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt

53
( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.

101
We moeten echt zo lesgeven dat ons onderwijs levend is, dat wil zeggen: we moeten er niet alleen voor zorgen dat de kinderen bepaalde voorstellingen, gevoelens en vaardigheden krijgen, maar ook dat ze iets levends meenemen in dit leven, al naar gelang hun aanleg en hoe die aanleg ontwikkeld is.

168
Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?

179
( )  de vrijeschoolpedagogie wil de leerkracht leren lezen, echter niet in een boek, niet in een pedagogisch systeem, maar in de mens.

180
De vrijeschoolleerkracht 
moet leren lezen in het meest wonderbaarlijke document van de wereld, in de mens.

190
Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar, wanneer hij hetgeen hij vorm moet geven, moet organiseren, net zo begrijpt als de schilder die slechts schilderen kan, wanneer hij de natuur, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan, wanneer hij de aard van het materiaal kent enz. Wat voor de andere kunsten geldt die met zichtbaar materiaal werken, zou dat niet gelden voor die kunst die met het meest edele materiaal werkt dat de mens maar in handen kan krijgen, met het wezen mens zelf, zijn wording en zijn ontwikkeling?

193
Zo kun je met een echte menskunde aan de ontwikkeling van de mens aflezen wat je van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar met het kind opvoedend en onderwijzend te doen hebt. Het leerplan moet een kopie zijn van wat je kan lezen in de ontwikkeling van de mens.

195
Voor opvoeding en onderwijs, wil het floreren, is het noodzakelijk dat je als opvoeder en leerkracht zo goed leert waarnemen dat je de gevoelsuitingen, de wordende gestalte van het kinderlijk organisme door de uiterlijke schijn heen begrijpt.

200
Voor de praktijk heb je in het geven van onderwijs, in het opvoedend bezig zijn, innerlijk vuur, innerlijk enthousiasme nodig; je hebt impulsen nodig die niet vanuit het verstand volgens regels van de opvoeder en onderwijsgevende op het kind overgaan, maar die op een intieme manier van de opvoeder of leerkracht op het kind werken.

205
We hebben een pedagogiek nodig die op menskunde, op het kennen van het kind, berust. 

211
Op het innerlijk van het kind werken, daarom gaat het.

214
We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.

217
( ) waar is het boek waarin de pedagoog kan lezen wat pedagogie is? Dat zijn de kinderen zelf! Je moet uit geen enkel ander boek pedagogie leren dan uit het boek dat opengeslagen voor je ligt. Dat zijn de kinderen zelf. Daarom heb je een zeer grote interesse nodig voor ieder kind apart.

219
Voor iemand die niet alleen met zijn nuchtere, droge verstand naar de wereld kijkt, maar in staat is deze invoelend te kennen, is het opgroeiende kind een wonderbaarlijk raadsel; hoe dit iedere dag, iedere week, iedere maand en ieder jaar zijn innerlijk steeds meer in de buitenwereld tot uitdrukking brengt.

221
We kijken niet meer naar de (volledige) mens, maar naar wat de mens moet worden bijgebracht, wat hij moet weten en in zich moet hebben. ( ) Wij moeten weer oog krijgen voor de héle mens.

226
Want wat is eerlijk gezegd eigenlijk het mooiste in de wereld? Dat is toch de mens in wording!

228
De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.

231
Het zal er steeds op aankomen dat wij voor iedere leeftijd dat vinden wat door de ontwikkeling van de mens voor deze leeftijd zelf gevraagd wordt. En daarvoor hebben we nodig dat we de mens echt goed kunnen observeren, en een echte menskunde.

232
Het gaat erom dat je aan de natuur van het kind afleest wat je met hem moet doen. 

233
Je moet er altijd op bedacht zijn overal het levende, niet het dode aan het kind te brengen.

235
( ) Houd er daadwerkelijk rekening mee houdt, dat er in onderwijs en in de opvoeding niets komt wat niet op de een of andere manier bij het leven aansluit.

236
De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven en een goede opvoeder moet in de praktische vorming van de wordende mens degene zijn die het raadsel oplost.

238
Het moet om de m e n s gaan, aan hem moet de opvoeder al zijn zorg geven; hem gaat het om de wordende mens.

247
Pedagoog zijn betekent: dat grootse raadsel oplossen dat het kind ons opgeeft, dat geleidelijk naar buiten toe vertoont wat als aanleg ontstaan is tussen de dood en een nieuwe geboorte.

269
De leraar moet iemand zijn met initiatieven; die nooit en te nimmer laks wordt bij wat hij op school doet, bij zijn houding naar de kinderen toe.

270
De leraar moet een mens zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.

271
De leraar moet een mens zijn die innerlijk nooit een compromis sluit met onwaarheid.

272
Een leraar mag geen droogpruim worden en geen zuurpruim. Een levendige, frisse stemming! Geen droogpruim en geen zuurpruim te worden – daar moet een leraar naar streven!

277
Je zou je tegenover de kinderen nooit moeten ergeren, geen wrok moeten koesteren.

283
Ook bij het kind dat nog in ontwikkeling is, willen wij er vandaag de dag geen kennis instampen, maar wij proberen zijn vermogens te ontwikkelen, zodat het niet meer nodig is dat het gedwongen wordt iets te begrijpen, maar dat het iets begrijpen wil.

287
Voor de vrijeschoolpedagoog is iedere leerling een raadsel; iets wat in iedere individuele leerling tot uiting komt en wat op een levendige manier elke dag, elk uur opgelost moet worden.

289
Je kan door ‘gepreek’* niet opvoeden, maar alleen door het voorbeeld te geven, tot in wat je denkt toe.

290
Het gaat er bij ons om hoe je het kind iets aanleert, niet om wat je het kind aanleert.

291
De puur intellectualistische vorming zal nooit en te nimmer de mens iets geven voor het latere leven.

300
Bij onderwijs en opvoeding is het echt belangrijk dat je daadwerkelijk let op de drie gebieden van de drieledige mens en dat je die tot z’n recht laat komen, maar ook in een zinvolle wisselwerking.

301
Hoe minder je het intellect dresseert, hoe meer je je toelegt om met de hele mens zo om te gaan dat vanuit de bewegingen van de ledematen, uit de handigheid, het intellect ontstaat – des te beter is het.

303
De opvoedingsvraag kan alleen in samenhang met een grondige kennis van het wezen van de mens  behandeld worden.

304
Uit de kennis van de ontwikkeling van een kind ontstaan doelgericht het leerplan en de leermethode.

306
Het inzicht in wat in de verschillende levensperiodes nodig is, vormt de grondslag voor een zinvol leerplan. 

307
De mooiste pedagogische methode heeft geen waarde wanneer je niet weet wat een kind is. ( )

309
Alle opvoeden en leren vóór de tandenwisseling moet geënt zijn op het principe van de nabootsing.

321
Opvoeden betekent: datgene ontwikkelen dat als het individuele in de mens rust. Die hogere ziel die in ieder mens rust te wekken, is het eerste opvoedingsprincipe.

323
Om in de mens het gevoelsleven te kunnen ontwikkelen, moet de opvoedkunst voor ieder individu anders zijn.

331
De grootste leraar voor de vrijeschool is het kind zelf.

337
Opvoeden is in werkelijkheid ook een behoeden voor ontsporen.

347
In de opvoeding moeten we de mens als geheel weten aan te pakken. En de mens als geheel bestaat uit lichaam, ziel en geest.

348
Wij moeten het wezen van het kind voor ieder afzonderlijk jaar, ja, zelfs voor iedere afzonderlijke week in onze eigen ziel tot leven laten komen. Daar moet de spirituele grondslag liggen voor de pedagogie.

349
Sociale moraal is een plant die haar wortels heeft in de klas, waar de kinderen tussen het zevende en veertiende jaar les krijgen.

350
Het onderwijs moet een voorbereiding zijn op het leven.

352
De vrijeschool is erop gericht dat mensenkinderen lichamelijk sterke en gezonde mensen worden, die vrij zijn in hun ziel en helder van geest.

353
Alles wat op een bepaalde leeftijd langzamer wordt geleerd, dat wordt een degelijker en gezonder deel van het levende organisme dan iets wat erin is gestampt.

354
Het principe van de vrijeschool is niet dat een school wordt opgezet met een bepaalde wereldbeschouwing, maar met een bepaalde onderwijsmethodiek. Wat wij willen bereiken met onze methode, die op de menskunde is gebaseerd, is dat kinderen opgroeien tot mensen die fysiek gezond en krachtig zijn, met een vrije ziel en een heldere geest.

355
De leraar moet in staat zijn het kind op een kunstzinnige manier, als kunstenaar te beleven. Alles van het kind moet voor hem innerlijk bewegen.

356
Wij hebben een menskunde nodig die ons bloed voor de ziel geeft; die ons niet alleen maar slim en verstandig en knap kan maken, maar die ons ook enthousiast kan maken, innerlijk beweeglijk kan maken, die liefde kan doen ontbranden. Want wat aan pedagogie uit echte menskunde in je opkomt, moet liefdevol gedragen worden.

357
Pedagogie en didactiek kunnen niet uit uiterlijk technische regels bestaan, maar moeten uit werkelijke menskunde ontstaan die dan overgaat in een zich thuis voelen op de wereld; dat je als leraar en opvoeder dit kind vertrouwd maakt met het zich thuis voelen in de wereld.

359
Echte pedagogie is menskunde. Die is al pedagogie en wordt didactiek als die vol leven in de praktijk wordt gebracht in het onderwijs en de opvoeding; dat wordt zelfs een pedagogisch-didactische levensovertuiging en daar komt het op aan. 

360
Een op menskundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uitgaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.

365
Religieuze dankbaarheid ten opzichte van de wereld, die zich in het kind openbaart, samen met het bewustzijn dat het kind een goddelijk raadsel vormt, dat men met behulp van zijn opvoedkunst moet oplossen. Een met liefde beoefende opvoedingsmethode, waardoor het kind zich instinctief aan onszelf opvoedt, zodat men de vrijheid van het kind niet in gevaar brengt, en waar men ook rekening mee moet houden, wanneer zij het onbewuste element van de organische groeikracht vormt.

De cijfers verwijzen naarRudolf Steiner wegwijzersdaar vind je de bron van de opmerkingen.

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3421-3219

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De spirituele dimensie van de vrijeschoolpedagogie

.
In Duitsland verscheen onderstaand artikel vooral als een antwoord op kritiek van verschillende kanten op de achtergronden van het vrijeschoolonderwijs, m.n. de esoterische kant van de antroposofie.

In Nederland is de kritiek voor een groot deel verstomd, al zal deze bij tijd en wijle ook wel weer de kop opsteken.
Voor het geval dat gebeurt, is dit artikel alvast een antwoord.
Persoonlijk vind ik het een moeilijk artikel – de auteur maakt m.i. dankbaar gebruik van zijn ‘hoogleraarkennis’ om op dit niveau de opponenten te benaderen.
Ook geeft hij het vrijeschoolonderwijs een bepaalde filosofische diepgang die, omdat het over het denken en de Ik-ontwikkeling gaat, nauwelijks gezichtspunten voor de onderbouw oplevert. En tegelijkertijd stelt het hoge eisen aan het onderwijs in de bovenbouw. 
Ik betwijfel of er veel bovenbouwleerkrachten zijn, die zich dit allemaal bewust zijn.

Er worden veel verwijzingen naar literatuur gegeven die wij in Nederland niet zullen lezen. Waar het mij zinvol leek, heb ik die vermeld. De cijfers naar de verwijzing heb ik laten staan. Links in het artikel zijn door mij geplaatst.
Wie alles wil zien, kan het artikel hier vinden.

Jost Schieren, schriftelijk verslag van een voordracht, gehouden voor de leden van de Bond van Waldorfscholen op 16-11-2012 te Stuttgart.

de spirituele dimensie van de vrijeschoolpedagogie
.

Het begrip spiritualiteit is in hoge mate problematisch. Het wordt in verband gebracht met aspecten van “religie” en “vroomheid” [2] en daardoor kan het geen aanspraak maken op wetenschappelijkheid.
En dit in een tijd waarin in toenemende mate spiritualiteit eerder een seculier thema wordt.[3]
Vooral in de context van pedagogie en onderwijskunde wordt het begrip spiritualiteit gezien als ideologisch belast.
Van onderwijsinstellingen, als ze geen uitgesproken confessioneel karakter hebben, zoals bv. katholieke of protestantse scholen, wordt verwacht dat zij – voor zover dit mogelijk is– wereldbeschouwelijk neutraal zijn.
Dat is dan ook het belangrijkste verwijt dat de waldorfschool gemaakt wordt, dat ze gebaseerd is op het antroposofische wereld- en mensbeeld waarmee leerlingen geïndoctrineerd zouden worden [4].
De praktijk van het vrijeschoolonderwijs bevestigt die beoordeling niet.

Het praktische succes van vrijeschoolonderwijs
.
In de loop van de bijna 100-jarige geschiedenis is het vrijeschoolonderwijs uitgegroeid tot een van de meest wijdverspreide vernieuwende- en alternatieve schoolvormen (naast montessori-onderwijs, dat nog wijdverspreider is).
De praktijk van het vrijeschoolonderwijs is intussen een wereldwijd erkend
onderwijs- en opvoedingsmodel dat, zoals de laatste publicatie
van Heiner Barz en Dirk Randoll [5] aantoont- ook buitengewoon positieve resultaten laat zien volgens de meetcriteria van empirisch
onderwijsonderzoek.
In de geest van het onderzoek kan in het kort worden gezegd:  vrijeschoolleerlingen leren vrij van de druk van cijfers en prestaties
zelfstandiger, met meer plezier en wat betreft de examenresultaten beter dan leerlingen van reguliere scholen. Ze ontwikkelen daarbij een hoge mate van sociale verantwoordelijkheid en waarderen hun school als een plaats van levendige gemeenschapsvorming.
Het vrijeschoolonderwijs heeft dus wat betreft de schoolpraktijk, in de maatschappij een plaats gekregen.

Dit is één kant van de vrijeschoolpedagogie, haar praktijk, die steeds meer haar eigen overtuigingskracht ontwikkelt.
Het interne perspectief is echter iets anders: in de bestuderen en vergaderingen van de vereniging van vrijescholen [dit betreft in dit artikel de Duitse Bond van vrijescholen] wordt opgemerkt hoeveel er nog te doen is om het zelfopgelegde ideaal van goede (vrije)scholen ook daadwerkelijk te realiseren.
We kennen maar al te goed onze eigen kwaliteitsproblemen, de moeilijkheden om goede jonge leerkrachten te vinden, en de problemen van sommige
vastgelopen collega’s die in de traditionele praktijk van het zogenaamd zelfbestuur zijn blijven steken.
En wat betreft de toekomst, groeit ook het bewustzijn dat de genoemde problemen eerder zullen toenemen dan afnemen met het oog op een radicale generatiewisseling.
Toch kunnen we ondanks deze zorgen, vasthouden aan het feit dat vrijeschoolonderwijs als alternatief schoolonderwijs gericht op het zich ontwikkelende kind en de jongere mens, in de huidige tijd internationaal succesvol en overtuigend is.

Kritiek op de theorie

Dit betreft echter alleen de praktijk. De aandacht van de critici gaat vooral uit naar de theoretische, ideologische achtergrond van de vrijescholen, de antroposofie.
Deze kon en kan bij lange na niet zo overtuigen zoals de praktische kant van het vrijeschoolonderwijs acceptatie en goedkeuring gekregen heeft. Integendeel, door zogenaamd goedbedoelende critici wordt aangeraden om voor “vrijescholen zonder Steiner” te kiezen [7] . En de realiteit van de vrijescholen vandaag de dag lijkt veel duidelijker aan dit advies te voldoen dan sommige critici zouden verwachten.
Het meest recente onderwijsonderzoek van Dirk Randoll toont aan dat ongeveer 50% van de leraren die op vrijescholen werken geen vrijeschoolopleiding hebben [8] en dat slechts ongeveer 30% van de vrijeschoolleraren zich actief met antroposofie bezighoudt. [9]
Hoe je het ook bekijkt, of je vrijescholen nu ziet als ontdaan van antroposofie of met een teveel daaraan: antroposofie wordt momenteel gezien als het grootste probleem van het vrijeschoolonderwijs.

Kritiek op spiritualiteit

Hoe komt het dat het spiritueel georiënteerde wereldbeeld van de antroposofie op zo’n grote weerstand stuit?
De vraag kan benaderd worden door te beseffen dat de huidige cultuur van de veelgeroemde westerse waardengemeenschap wordt gekenmerkt door een
uitgesproken anti-spiritualisme. Een spirituele kijk op de wereld en de mens is sinds het tijdperk van de Verlichting al achterhaald. Terwijl de voorstanders van de Verlichting nog tegen de overvloed aan macht en de mechanismen van het niet-mondig-zijn in een absolutistische heerschappij streden en dat van de kerken, zo zijn het tegenwoordig vooral de vertegenwoordigers van de wetenschap die, ongeacht hun specialisme, het natuurwetenschappelijk ideaal van empirisch gebaseerd onderzoek tegen elke spiritueel georiënteerde benadering, ventileren.
Interessant genoeg sluiten de kerken kritiekloos in dit koor aan, misschien in de hoop dat ze zo het overgebleven reservoir van spiritualiteit met niemand hoeven te delen.
We moeten echter niet vergeten dat het juist de christelijke kerken zijn geweest die van oudsher de macht hebben gehad over interpretatie, opinie en, helaas, procedurele soevereiniteit over elke vorm van spiritualiteit die ze met machtspolitiek bestreden dan wel toestonden.
Maar hoewel de consensuele houding tegen elke vorm van spiritualiteit rationeel wordt gerechtvaardigd met het argument van wetenschappelijke onverenigbaarheid, is er ook een soort basale culturele houding ten opzichte van spiritualiteit die geenszins wetenschappelijk, maar eerder habitueel of sociaal-historisch gebaseerd is. Vanuit de huidige waardenconsensus zijn de volgende argumenten ten gunste van spiritualiteit veel belangrijker dan het wetenschappelijke ethos van objectiviteit. Ze worden hieronder opgesomd:

=Exclusiviteit:
Spirituele kennis is de kennis van ingewijden en dus van autoriteiten, die slechts voorbehouden is aan enkelen.
In de geschiedenis van de mysteriën zijn er veel voorbeelden van machtsmisbruik en onderdrukking in verband met deze exclusieve soevereiniteit van de spiritualiteit.
In dit opzicht wordt spiritualiteit er altijd van verdacht antidemocratisch te zijn. Het ideaal van iedereen die kan deelnemen aan het gemeenschappelijke kennisproces wordt hier ondermijnd.
Antroposofie als historisch feitelijke ‘eenmanswetenschap’ bewijst, ongeacht de door Rudolf Steiners zelfgewilde en waarschijnlijk ook gerealiseerde aanspraak op openbaarheid, het ondoorzichtige en ondemocratische grondprobleem van de spiritualiteit.

=Verering/devotie:
De in veel spirituele stromingen voorkomende vorm van verering van de leerling voor de leraar en meester, die soms ook de vorm kan aannemen van vormen van onderwerping, is in tegenspraak met de behoefte aan autonomie van de moderne mens. Met name de ervaringen van de blinde en fanatieke aanbidding van leiders tijdens het Derde Rijk, hebben de houding van verering in zijn totaliteit als dubieus bestempeld.

= Dogmatisme:
Spirituele leringen nemen vaak de vorm aan van ultieme wijsheden die – zoals soms wordt beweerd – niet door mensen zijn gemaakt, maar in het beste geval door mensen zijn doorgegeven en die geen twijfel laten bestaan over hun waarheidsgehalte. In dit opzicht kan er geen wetenschappelijk-kritisch onderzoek naar spirituele inhoud bestaan.

=Sektarisch:
De sektarische beschuldiging vat de bovengenoemde punten samen. Hoe moeilijk het ook is om sektarisch gedrag te benoemen en aan te wijzen, het wordt niettemin grotendeels gezien als een soort conglomeraat van de bovengenoemde punten. Eén essentieel kenmerk van sektarisch gedrag is de beperking of beroving van vrijheid van het individu in relatie tot de spiritueel  gerechtvaardigde groepsdoelen. In het bijzonder financiële uitbuiting, die louter en alleen spiritueel verklaard, plaatsvindt, wordt verondersteld de belangrijkste agenda te zijn van de groep die geconfronteerd wordt met de sektebeschuldiging.

De hier genoemde kernargumenten tegen spiritualiteit, die meer gebaseerd zijn op een maatschappelijke houding in plaats van een wetenschappelijk plausibele argumentatie, zijn in wezen gebaseerd op negatieve historische ervaringen en hebben tot nog toe zeker veel twijfelachtige vrijeschool- en antroposofische
gedragspatronen en uitingen tot object van de kritiek gemaakt.
Het moet echter gezegd worden dat antroposofen en vrijeschoolpedagogen inmiddels los willen komen van een pretentieus onmodieuze spiritualiteit [10] door in toenemende mate meer open te staan voor wetenschappelijk georiënteerde en zelfkritische vormen van reflectie en debat.

De vraag blijft echter hoe een moderne spiritualiteit die nog vóór het niveau van ‘verlichting‘ staat, en die ook als basis voor een pedagogie kan dienen, gezien moet worden.

De pedagogiewetenschapper Heiner Ullrich, is naast heel zijn waardering voor de praktische kant van de antroposofie niet opgehouden de problematische aard van de antroposofie te diagnosticeren. Hij stelt: “In tegenstelling tot de bewuste methodologische zelfbeperking, de pluraliteit en onbeslisbaarheid van de moderne wetenschap, willen Steiner en zijn volgelingen het goed geordende geheel van de wereld dogmatisch erkennen als een eeuwig onveranderlijke waarheid […] Hun vorm van denken is gedegenereerde filosofie, is wereldbeschouwing […] Steiner heeft de gevaren van dit denken […] met de ontwikkeling van de antroposofische ‘geheime wetenschap’ volledig onder ogen gezien.
Hier gaat de premoderne dogmatisch-metafysische speculatie van het Neoplatonisme over in de bewust remythiserende interpretatie van de wereld van de theosofie.”[11]

Het kan nauwelijks scherper worden geformuleerd. Men mag niet vergeten dat het dergelijke oordeelshoudingen waren die – niet langer alleen wetenschappelijk-reflectief, maar ook politiek-operatief – leidde tot de afwijzing door de Wetenschapsraad van de waldorf-georiënteerde Mannheim University of Applied Sciences.
In het rapport van de Wetenschapsraad staat dan ook dat een vrijeschoollerarenopleiding wordt gezien als een gevaar voor “een specifieke, ideologisch gekarakteriseerde pedagogie in de zin van een niet-wetenschappelijke pedagogische theorie als de basis van een instelling voor hoger onderwijs.”[12]
Men kan stellen dat de vraag naar spiritualiteit een kernprobleem is van de vrijeschoolpedagogie – als men gedifferentieerd kijkt – zowel met betrekking tot de culturele grondhouding als in relatie tot de wetenschappelijke eisen van de huidige tijd, waarbij deze twee natuurlijk nauw met elkaar zijn verbonden.
Dit roept de vraag op of een spiritueel georiënteerde pedagogie in principe onhoudbaar is?
Of is het mogelijk om een nieuw en modern begrip van spiritualiteit te ontwikkelen dat niet van te voren alles weet, maar dat gebaseerd is op vormen van reflectie en idealen van autonomie en tegelijkertijd het niet onmogelijk maakt de wereld spiritueel te benaderen.
Laten we om hier vooruitgang te boeken, eens kijken naar het specifieke concept van spiritualiteit van Rudolf Steiner.

Steiners concept van spiritualiteit

Veel vertegenwoordigers van de antroposofie en de vrijeschoolpedagogie benadrukken vaak de bijzondere spirituele benadering van Rudolf Steiner niet exact onderscheidend genoeg.

Daardoor kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat de antroposofie de leer van een intrinsiek bestaande geestelijke wereld bevat, met de daarbij behorende engelachtige en tegengestelde wezens die de afhankelijke menselijke zielen beïnvloeden. [13]
Het begrip van de lotsbestemming wordt dan bijna opgevat als voorbeschikking en uiteindelijk kan het alleen maar een kwestie zijn dat de onvolgroeide menselijke zielen zich zo goed mogelijk gedragen volgens het advies van een wijze ingewijde, nl. Rudolf Steiner, en hun beschavingsinspanningen (op het gebied van landbouw, onderwijs, geneeskunde, enz.) af te stemmen op zijn instructies en daardoor een receptmatige realisatie van zijn ingewijde kennis te bereiken.
Zulke en soortgelijke verwijten worden antroposofen vaak gemaakt, en dat gebeurt ook als je relevante publicaties en internetfora raadpleegt; dit is niet geheel onterecht.
Daarbij wordt echter over het hoofd gezien dat in het onwrikbare centrum van de
antroposofie de vrijheid van de mens, zijn vermogen tot vrijheid en zijn ontwikkeling van vrijheid, staat. De magneetnaald van het antroposofische denken is gericht op de pool van de vrijheid van de mens.
Het bijzondere van Steiners antroposofie is niet het feit dat zij een spirituele leer bevat, want zulke leringen zijn er altijd al geweest.
Spiritualiteit is historisch niets nieuws. Integendeel, alle vormen van cultuur tot aan de Verlichting waren min of meer spiritueel georiënteerd.
Als men dit in de antroposofie zou willen benadrukken, zou het, zoals haar verweten wordt, niets anders zijn dan slecht verhuld eclecticisme. [14]
Het bijzondere van de antroposofie is daarentegen dat zij als eerste een spiritueel begrip van de wereld en de mens combineert met de idee van vrijheid. Tot de Verlichting waren er cultuurhistorisch beschouwd, in wezen spiritueel georiënteerde wereldbeelden. De Verlichting benadrukte de autonomie van de mens in zijn onafhankelijke gebruik van de rede (“sapere aude!) Het kocht deze autonomie en vrijheid echter tegen de prijs van het verlies van zijn spirituele oriëntatie. Sindsdien is er alleen nog de keuze tussen vrijheid of spiritualiteit. Steiner combineerde beide gebieden in zijn antroposofie.
Hoe heeft hij dit bereikt?

Steiners concept van kennis

De centrale benadering van Steiners filosofie, op basis waarvan hij later de antroposofie ontwikkelde, bestaat uit zijn kennisleer. Steiner creëerde een creatief, dynamisch concept van kennis. Hij keerde zich tegen een – in zijn ogen naïef realistisch – begrip van de werkelijkheid, dat de werkelijkheid een betekenis toekent buiten het menselijk bewustzijn en onafhankelijk daarvan, in die zin dat het de dingen en verschijnselen van de wereld ziet als op zichzelf bestaand en er vervolgens van uitgaat dat menselijke cognitie slechts deze wereld afbeeldt. Die bewustzijnsbeelden hebben dan natuurlijk een ander karakter dan de op zichzelf bestaande wereldverschijnselen, ze staan daarmee hoogstens in een benaderingsrelatie.
In deze dualistische visie zijn de wereld en het bewustzijn fundamenteel
verschillende entiteiten.
Steiner wijst daarentegen op de betrokkenheid van het bewustzijn bij het ontstaan van de werkelijkheid.
Dit is zeker een benadering van de Verlichting. Want Immanuel Kants filosofie van het bewustzijn kenmerkt zich juist door het feit dat het niet alleen kennisinhoud is, maar ook de voorwaarden waaronder kennis tot stand kan komen.
Dit vormt een gemeenschappelijk uitgangspunt van de epistemologie van Rudolf Steiner en die van de transcendentale filosofie van Immanuel Kant. In de verdere uitwerking van het begrip kennis is er echter een doorslaggevend verschil.

Terwijl Kant een scherp onderscheid maakt tussen ontologie, d.w.z. de leer van het zijn, en epistemologie, de leer van de kennis, en tot de conclusie komt dat de menselijke kennis principieel gescheiden is van het wezen van de wereld – hij noemt het “de dingen op zichzelf”, (Ding an sich) –  beschouwt Steiner de menselijke cognitie als fundamenteel in staat tot ontwikkeling en dus ook in staat tot te zijn. Hij ziet de mogelijkheid dat het menselijk bewustzijn zijn aanvankelijk duale aard ten opzichte van het zijn kan overwinnen en zich creatief verbinden met de wereld en haar fenomenen. De werkelijkheid die in het menselijk bewustzijn ontstaat is dan niet louter een beeld van een onafhankelijk wezen, maar het wezen van de wereld bereikt een nieuwe vorm van bestaan in het menselijk bewustzijn van zichzelf, namelijk die van vrijheid.
Er vindt dus een soort verbinding plaats tussen epistemologie en ontologie, in die zin dat de menselijke kennis betrokken is bij de redenen voor het bestaan van de wereld. Dit is het perspectief van Steiners monistisch concept van kennis, dat vervolgens ook verstrekkende gevolgen heeft voor zijn begrip van spiritualiteit en pedagogie.
Maar hoe komt Steiner tot dit concept van kennis.

Denken

In het voorwoord van de nieuwe uitgave van zijn filosofische basiswerk ‘Filosofie van de vrijheid‘ in 1918, formuleerde Rudolf Steiner twee zogenaamde grondvragen, waarop hij naar eigen zeggen zijn denken richtte.
De eerste vraag richt zich op de cognitieve situatie van de moderne mens
die zich in een wereld van onzekerheid en twijfel bevindt. De
wereldverschijnselen benaderen het menselijk bewustzijn op een onsamenhangende manier en kennis is niet in staat om een zekere basis te vinden. Steiner vraagt zich nu af of er zo’n reden is in de de mens zelf, “of je zo in het menselijk wezen kunt doordringen dat je een vast
punt vindt waarop je al je verdere ervaring en kennis kunt baseren.” [15]
[15] Filosofie v.d. vrijheid GA 4/3  Vertaald/11

Met deze vraag bewijst Steiners benadering post-Verlichting te zijn, omdat hij ervan uitgaat dat in de ervaringen van ons bewustzijn geen ultieme grond van waarheid gevonden kan worden. Dit zou de hoop zijn van een geloof in openbaring of een conventionele spiritualiteit.
Een modern bewustzijn wordt juist gekenmerkt door het feit dat het kennis niet ziet als een quasi-objectief proces, maar als door de mens gemaakt. In dit verband spreekt Karl R. Propper van ‘falsificatie” als criterium voor kennis en verwerpt daarmee de bewering van ultieme kennis door de fundamentele voorlopige aard van alle cognitieve prestaties te benadrukken.

Maar om welke blik op de mens die daarbij een steun kan zijn, gaat het bij Steiner?
Steiner zet in de loop van de “Filosofie van de Vrijheid” de bijzondere kwaliteit van het denken centraal in zijn overwegingen. Het blijkt dat het centrale element van Steiners begrip van spiritualiteit het denken is. Het denken brengt de mens boven zichzelf en stelt hem in staat de dingen, vormen en processen in de wereld te begrijpen. Steiner geeft naast vele andere, de volgende twee centrale kenmerken van het denken:

Individuele implementatie: het denken is volledig individueel, een activiteit die alleen door de individuele mens uitgevoerd kan worden. Het ligt volledig binnen  de beschikkingsmacht van het individu en is geen activiteit van buitenaf (bijvoorbeeld van de hersenen), maar als een pure wilsdaad die alleen door het Ik zelf wordt uitgevoerd.
Universele wet: hoewel het denken door het individu moet worden voltrokken, is het toch niet alleen subjectief, maar ontwikkelt in de individuele voltrekking
een op zichzelf gebaseerde wetmatigheid die t.o.v. de voltrekkende subjecten algemeen is.
Hierop berust de mogelijkheid van menselijk inzicht en begrip.

Dit zijn de twee centrale eigenschappen van het denken: het moet individueel geproduceerd worden en tegelijkertijd bevestigt het zich wetmatig in zichzelf. In dit opzicht is er sprake van een dynamiek in het denken, er vindt transitie en uitwisseling plaats tussen het individuele en het universele. Er is een constante
wederkerige relatie tussen het individuele en het universele. Deze uitwisseling wordt door Rudolf Steiner intuïtie genoemd. In het negende hoofdstuk van de “Filosofie van de Vrijheid” staat: “Intuïtie is de bewuste ervaring van een puur spirituele inhoud die plaatsvindt in het puur spirituele.”17
[17] Filosofie v.d. vrijheid GA 4/3  Vertaald/120

Het hier gebruikte spirituele begrip kan in de context van Steiners uitleg, wezenlijk worden begrepen onder het aspect van zelfrechtvaardiging, wat betekent dat beide, zowel het denken als activiteit als ook de inhoud van het denken berusten op zichzelf. Dit is een essentieel spirituele ervaring van de antroposofische epistemologie: De mens ervaart een universele
geldigheid en rechtmatigheid van het eigen denken. Hij wordt dus buiten zichzelf gebracht. Bij Steiner: onze kennistheorie leidt tot het positieve resultaat dat het denken de essentie van de wereld is en dat het individuele menselijke denken de enige manifestatie van deze essentie is.”18
[18]   GA 2/78 : Grundlinien einer Erkenntnistheorie der goetheschen Weltanschauung. Niet vertaald.

Bezwaar

Nu kan worden tegengeworpen dat deze opvatting en de opvatting over het denken nu juist dat mystieke en van vóór de Verlichting-zijnde in de antroposofie uitmaken. Want om over een grond van waarheid of
dergelijke dingen te spreken, is vanuit wetenschappelijk oogpunt achterhaald. Bij dit bezwaar moet wel in ogenschouw worden genomen, dat met de eigenschap van correctheid, coherentie en het vermogen om de waarheid te spreken, bij Rudolf Steiner niet meteen de individuele gedachte als geldig en waar bestempeld kan worden. Steiners denkopvatting richt zich in zijn  totaliteit op dit principiële onderscheid. Want zelfs de sterkste argumenten tegen de geldigheid en juistheid van het denken is gebaseerd op uitspraken die door het denken tot stand zijn gekomen en kunnen als zodanig niet in twijfel worden getrokken.
Karl R. Popper gaat in principe ook uit van de mogelijkheid van het juiste denken  als hij zegt: “Wij zijn feilbaar en vatbaar voor fouten; maar wij kunnen leren van onze fouten.”19
Voor Steiner gaat het er niet om elke individuele intellectuele prestatie die claimt waar te zijn een bepaalde lading te geven, maar eerder om een gezond en in principe gerechtvaardigd denkvertrouwen, dat uiteraard met een verlicht inzicht, de eigen denkactiviteit kritisch onder de loep neemt en niet nalaat een voorbehoud te blijven maken van eigen fouten.
Zonder dit gezonde vertrouwen in het denken zouden de mensen nauwelijks in staat zijn om met hun dagelijks leven om te gaan. Je zou niet in een auto of  vliegtuig stappen, geen telefoon of mobieltje gebruiken als er niet het vertrouwen was dat het denken tot dergelijke technische producten heeft geleid, weliswaar altijd voor verbetering vatbaar, maar in principe juist.
Aan de andere kant wordt wat betreft de nadruk op een autonome en individueel gerechtvaardigde denkactiviteit, terecht tegengeworpen dat de denkprestaties van het individu geenszins individueel zijn, maar in wezen cultureel gevormd als gevolg van socialisatie-ervaringen. Daar komen vaak vaste psychologische determinanten bij, die ook biografisch bepaald zijn, dus dat de individuele persoon eerder in gevormde denkpatronen en mentale sjablonen verkeert dan in bewust gesitueerde individuele mentale prestaties. Deze opvatting is zeker juist als deze gerelateerd is aan het alledaagse gedrag van het menselijk bewustzijn, vooral in uitdagende cognitieve processen van wetenschappelijke aard, en vooral in wiskundige bewerkingen is het niet voldoende om reeds gevestigde bewustzijnsinhouden te reproduceren, maar dat is wel mogelijk en noodzakelijk, alleen door middel van een individueel verhoogde denkactiviteit die in staat is om gebruikelijke en cultuurgerelateerde denkpatronen af ​​te werpen en nieuwe vormen van inzicht te genereren.

Gevolgen voor de vrijeschoolpedagogiek

Vervolgens zullen we nu kijken naar de invloed van een dergelijk denkconcept op het vrijeschoolonderwijs.
Rudolf Steiner begint in 1919 zijn voordrachtenAlgemene menskunde als basis van de pedagogie”, met te wijzen op de bijzondere uitdagingen die de hedendaagse geschiedenis stelt aan de moderne pedagogie. Hij onderscheidt een zogenaamd “vierde post-Atlantisch tijdperk” van het ‘vijfde post-Atlantische’ dat in zijn visie op de geschiedenis sinds de 15e eeuw bestaat.20
Met de Renaissance, volgens Steiner en ook volgens het huidige geschiedbegrip, is er een nieuwe vorm van bewustzijn in de Europese menselijke cultuur gekomen die het individuele en autonome menselijke denken een veel hogere waarde gaf.
In essentie is dit de kern van het zogenaamde “vijfde na-Atlantische ontwikkelingstijdperk”.
Voor de pedagogie betekent dit bijvoorbeeld dat de inhoud van het onderwijs niet langer in een puur top-down cultuur aan leerlingen moet worden overgebracht.
Rond 1919, toen het vrijeschoolonderwijs werd opgericht, werd de schoolcultuur van die tijd nog sterk gekenmerkt door pure opleidingsscholen.
Naast het vrijeschoolonderwijs keerde de hele reformpedagogische beweging zich hiertegen. Rudolf Steiner bekritiseerde het feit dat de bewustzijnsverandering die in de 15e eeuw in de moderne tijd plaatsvond,
nog niet zijn weg had gevonden in het schoolsysteem in die zin dat het individuele denkvermogen van leerlingen veel te weinig werd aangesproken. Dit zou moeten veranderen door het vrijeschoolonderwijs. De eigen denkactiviteit van de leerlingen, het individuele proces van begrijpen, zouden sterk moeten worden aangemoedigd.
Vandaag de dag lijken dergelijke eisen misschien allang gerealiseerd en daarom achterhaald, omdat in feite met benaderingen zoals ontdekkend leren en activiteiten-georiënteerd onderwijs en vooral op basis van de resultaten van hersenonderzoek, onderwijsmethoden zijn ingezet die uitgesproken gericht zijn op de eigen activiteiten van de leerlingen. Maar deze methodevernieuwingen hebben helaas alleen betrekking op het toegankelijk maken van de min of meer vaststaande kennisvaardigheden, deze makkelijker over te brengen en om die dan vervolgens in de vorm van examens op te kunnen roepen.
Ook de zogenaamde competentiegerichtheid die van de laatste tijd is,

verhult niet dat het uiteindelijk, ook vandaag de dag, uitsluitend
gaat om examenresultaten in cijfers uitgedrukt (leerstatuutonderzoeken en centrale eindexamens) die bedoeld zijn om gedefinieerde kennis effectief op te roepen.
De eigen activiteiten van de leerlingen die in de lesmethoden worden voorgestaan, zijn dus slechts een middel om een doel te bereiken, namelijk het sneller en efficiënter genereren van vooraf bepaalde onderwijsinhouden.

In het Waldorfonderwijs is het andersom: de steeds autonoom beschikbare zelfwerkzaamheid van menselijk denken en begrip bij de ontwikkeling van kinderen en adolescenten vormt de antropologische basisoriëntatie, waar zowel de onderwijsmethodologie als ook de lesinhoud op afgestemd wordt. Concreet leidt deze op denken gerichte antropologische benadering tot de volgende voorbeelden van speciale onderwijsbenaderingen:

Zintuiglijk of ervaringsgericht onderwijs:
een essentieel kenmerk van de benadering van het Waldorfonderwijs voor jonge kinderen en ook voor de eerste schooljaren bestaat uit het ontwikkelen en gebruikmaken van zintuigervaringen in het onderwijs. In de elkaar volgende schooljaren zijn het dan niet alleen de basale zintuiglijke ervaringen, maar gaat het over het algemeen om een ​​ervaringsgericht fenomenologisch georiënteerd onderwijs. Deze aanpak is gebaseerd op de overtuiging die globaal resulteert in een fenomenologisch georiënteerde filosofie, dat bij elke zintuiglijke ervaring, bij elk object in de uiterlijk wereld iets van die eigen kwaliteit en eigenaardigheid ervaren kan worden die niet rechtstreeks in taalkundige vormen of begrippen kan worden overgedragen.
We hebben hier te maken met de onbeschikbaarheid van de dingen. Käte Meyer-Drawe spreekt in haar fenomenologisch georiënteerde pedagogiek van het “bezwaar van de dingen”.21 Een dergelijke benadering is ook uitgesproken te vinden bij Martin Wagenschein.22
In navolging van Goethes oriëntatie op de ervaring 23 gaat het er in de vrijeschoolpedagogie om dat de leerlingen in iedere waarachtige zintuiglijke ervaring iets van het zijn van de dingen gewaarworden. In de zintuiglijke ervaringen raakt en voelt het menselijk bewustzijn de waarheidsgrond van de wereld, die in het cognitieve streven meer en meer ontsloten kan worden, maar dan wel door altijd van deze basisintuïtie uit te gaan en de wetenschappelijke intentie van kennis niet zomaar te negeren in zelfingenomen conceptuele abstractie en theoretische bevlieging.

Vormtekenen:
De voor de vrijeschoolpedagogie authentieke en wezenlijke pedagogische aanpak van het vormtekenen, laat heel duidelijk zien hoe individuele activiteit, die geproduceerd en bereikt moet worden, en de ervaring van een inherent geldige wetmatigheid die daaruit ontstaat, samengaan.

Plant- en dierkunde:
Op de vrijeschool worden de plantkunde– en vooral dierkundelessen zo georganiseerd dat de relatie tussen het individu en de omgeving (in een ecologisch begrip) altijd holistisch wordt bekeken. Het dier kan zelfs niet als individueel wezen los van zijn ecologische niche gezien worden. Vooral met dierkunde kunnen leerlingen voelen hoe een individueel wezen in een holistische context staat.

Beeldend onderwijs:
Rudolf Steiner wijst er op veel plaatsen in zijn pedagogische voordrachten op dat vrijeschoollessen, vooral in de lagere klassen, met beelden en zogenaamde levende begrippen moeten worden gegeven. Hij waarschuwt voor een te hoge mate van abstractie. Zijn punt is dat enerzijds de warmte van persoonlijke betrokkenheid, de emotionele en persoonlijke verbondenheid met de lesinhoud op deze manier beter aangesproken kan worden. Aan de andere kant maken beeldende en beweeglijke begrippen een meer open en onbevangen benadering van kennis mogelijk, die overeenkomt met het moderne begrip van wetenschap, 24 dat niet gefixeerd is op de engheid van vaste definities.

Vaardigheidsontwikkeling:
Een belangrijk aspect van de vrijeschoolpedagogie is de hoge waarde die aan de ontwikkeling van vaardigheden [handvaardigheid is slechts een deel van de vaardigheden] wordt gehecht. Dat heeft ermee te maken dat vaardigheden op handelingsniveau zichtbaar en voelbaar maken hoe individuele uitvoering en intrinsiek geldige wetten samengaan.
Dit komt omdat elke aangeleerde vaardigheid wordt gekenmerkt door het feit dat deze individueel wordt uitgevoerd in volledige overeenstemming met de wetten van de wereld op het gebied van de respectieve vaardigheid. Als iemand bijvoorbeeld viool wil leren spelen, helpt het niet als hij of zij in een jaar tijd verschillende boeken over vioolspelen leest en dan precies kan zeggen hoe het moet.
Een vaardigheid ontwikkel je alleen door oefening. Iedereen die iets oefent, merkt dat zijn eigen activiteit geleidelijk aan steeds soepeler en vertrouwder wordt met de kenmerken van het object (bijvoorbeeld de viool, maar ook een niet-Nederlandse taal enz.) en dat hij in staat is om de wetten die aan het betreffende gebied ten grondslag liggen steeds beter toe te passen. In dit opzicht vallen individuele realisatie en inherente regelmaat samen in elke vaardigheid.

Ik-begrip

Naast het belang van het denken en zijn kenmerken voor een begrip van de spirituele dimensie van de vrijeschoolpedagogie, is er nog een spiritueel element te noemen, dat nu aan de orde komt.
Het gaat om Steiners begrip van het Ik, dat ook voor het
vrijeschoolonderwijs relevant is. In Steiners ‘Filosofie van de vrijheid’ is de zogenaamde tweede basisvraag op dit gebied gericht. Deze luidt: “mag de willende mens zichzelf vrijheid toeschrijven?’ 25
[25] Filosofie v.d. vrijheid GA 4/3  Vertaald/11

Met andere woorden: Is er in de mens iets aanwezig dat volledig autonoom op zichzelf berust en nergens door bepaald wordt? In de opvatting van Steiners (maar bijvoorbeeld ook in die van de Ik-filosoof Johann Gottlieb Fichte) kan dat het Ik genoemd worden.
In huidige academische verhandelingen heeft men een dergelijk concept van het Ik losgelaten.
De menselijke persoonlijkheid wordt over het algemeen gezien als samengesteld.
Ze kan erfelijke trekken dragen en is min of meer volledig samengesteld uit de ervaringen die ze biografisch heeft opgedaan door de opvoeding en de invloeden van de omgeving, in het bijzonder de peer group. In die zin is een persoon meer of minder een conglomeraat van de meest uiteenlopende socialisatie-ervaringen. Of, vanuit het perspectief van het hersenonderzoek, is deze onderhevig aan neurologische invloeden.26
Een bijzonder kenmerk van de vrijeschoolpedagogie is dat ze gebaseerd en georiënteerd is op een uitgesproken Ik-gebaseerd concept.
In die zin kan ze ook gezien worden als Ik-pedagogie, omdat ze een bijzonder belang hecht aan de vrije ontwikkeling van het menselijke Ik.
Rudolf Steiner : “Het grootste dat in de wordende mens, in het kind kan voorbereiden, is dat het op het juiste tijdstip in het leven door het begrijpen van zichzelf tot het beleven van de vrijheid komt. Ware vrijheid is innerlijk beleven.
( ) “27

[27]  GA 308/73  Vertaald/109

Een belangrijk aspect van deze uitspraak is dat ze geen ruimte geeft aan de veronderstelling dat de vrijeschoolpedagogie zelf Ik-vormend is of dat ze tot een zeker examenresultaat leidt. De pedagogie heeft slechts een voorbereidend karakter. Ze bereidt iets voor op wat misschien pas veel later, namelijk op het juiste moment, werkelijkheid wordt. Het enige doel van de vrijeschoolpedagogie is kinderen en jongeren het pedagogische kader te bieden om dichter bij zichzelf te kunnen komen. Dat betekent dat ze in het opvoedingsproces werkelijk als persoon, als Ik-wezen worden aangesproken. Bij dit aspect horen ook deze twee pedagogisch relevante voorbeelden:

Klassengemeenschap:
Op vrijescholen leren leerlingen samen van de eerste tot de twaalfde of dertiende klas. Dit is een centrale systematische component van het vrijeschoolonderwijs. Waar hangt dit mee samen? Als je ervan uitgaat dat vrijeschoolonderwijs een Ik-opvoeding is, dan rijst de vraag hoe een Ik gevormd wordt. Enigszins vereenvoudigd en ingekort, maar desalniettemin niet minder correct, kan men dit zo formuleren: Een Ik wordt gevormd door een Ik. Of in de zin van Martin Buber: Een Ik wordt gevormd door een jij. 28
Een pedagogie die zich richt op de vorming van het menselijke Ik als Ik-pedagogie, zal zich daarom bezighouden met het scheppen van passende
randvoorwaarden voor de leerlingen.

Het drieledige schoolsysteem in Duitsland staat hiermee in contrast omdat
het prestatiegerichte selectieprincipe dat het nastreeft het menselijke zelf niet erkent. Dit is al bekritiseerd door andere landen en er is op gewezen dat het Duitse schoolsysteem in dit opzicht buitengewoon achterloopt is. Het tripartiete schoolsysteem streeft een intellectuele hiërarchie na die werkt met starre selectiemechanismen. Hierbij wordt alleen rekening gehouden met de intellectuele capaciteiten van de leerlingen.
Daarentegen schept het idee van een klassengemeenschap van minstens twaalf jaar in het vrijeschoolonderwijs een kader waarin iedereen – ook een leerling die intellectueel misschien zwakker is – zich gerespecteerd en gewaardeerd kan voelen. Individuele prestaties – niet alleen op intellectueel gebied – worden gelijkelijk erkend en individuele ontwikkelingstempi worden getolereerd.

Het spreekt voor zich dat bepaalde andere problemen en uitdagingen
voortvloeien uit deze beslissing, bijvoorbeeld dat zelfs zeer getalenteerde leerlingen op passende wijze moeten worden ondersteund en dat de normen van de school niet mogen worden genivelleerd tot slechts middelmatigheid. Het is cruciaal dat de leerlingen zichzelf ervaren en begrijpen als een leergemeenschap waarin iedereen zijn plaats heeft, omdat iedereen een individueel, uniek zelf heeft.

Klassenleerkrachtprincipe:
Het principe van het meerjarenklassenleerkrachtsysteem is ook gericht op
dit doel. Leerlingen moeten hun eigen persoonlijke krachten ontwikkelen
in een vertrouwensvolle ontmoeting met een leerkracht die als een autoriteit wordt beschouwd. In zekere zin kan gezegd worden dat elk Ik een autoriteit is voor zichelf.

Twee aspecten van een spirituele dimensie

Twee aspecten van de spirituele dimensie van de vrijeschoolopvoeding zijn hierboven beschreven. De ene dimensie is die van het denken. Het kan
als stabiel en stabiliserend worden beschreven, omdat het naar de wetten van de wereld leidt en de leerlingen zekerheid geeft door een gezond en zelfstandig vertrouwen in het denken. Steiners verbinding met Goethes wereld- en mensbeeld vormt een basis voor het vrijeschoolonderwijs.
De andere dimensie, die van het menselijke Ik, is daarentegen veel opener en
ongedefinieerder en in sommige opzichten ook irritanter. Het leidt naar het innerlijke rijk van de mens, zoals het wordt beschreven door de romantische dichter Novalis wanneer hij zegt: “De mysterieuze weg leidt naar binnen…”29 Omdat het menselijke Ik nu eenmaal niet vooraf bepaald of gedetermineerd is (zoals een verkeerd begrepen antroposofie soms suggereert), maar in plaats daarvan uitsluitend voorbestemd is tot een eigen vrije ontwikkeling, is een van
de uitdagingen van het menselijk bestaan, die pedagogisch begeleid wordt, om
het eigen innerlijk als maatstaf voor de eigen levensweg te ervaren.
Deze twee aspecten van een spirituele dimensie vormen twee basispijlers van
de vrijeschoolpedagogie, die de leerlingen vertrouwen geven in een zinvolle
en wetmatige wereldcontext, die door hun eigen denkactiviteit, en in de vrije zelforganisatie van hun eigen Ik ontwikkeld wordt.
Men kan zich nu afvragen waar een pedagogie die zo’n spirituele dimensie niet erkent op gebaseerd is. Uiteindelijk moeten de sleutelwoorden voor een pedagogie die anti-spiritueel is in deze zin materialistische toevalsevolutie en determinisme zijn. Want als men aanneemt dat het menselijk denken niet in staat is om in te gaan op de wetmatigheid van de omringende wereld en deze wetmatigheid vervolgens ook wordt ontkend, dan lijkt de wereld het product te zijn van een blinde en toevallige evolutie die een bewustzijnswezen heeft voortgebracht dat in de kern materialistisch bepaald is. De vrijeschoolpedagogie schept een alternatief voor dit wereldbeeld en het zou tegen deze achtergrond fataal zijn als zij van haar eigen spirituele zaak niet zeker zou zijn.

Deze laatste uitspraak kan natuurlijk geïnterpreteerd worden als een ideologische voorbeschikking, maar het is in eerste instantie niet minder dan een wereldbeschouwing die de evolutie van het toeval en
materialistisch determinisme tot basis van haar onderwijsinstellingen verheft. En daar moet  relativerend aan worden toegevoegd dat noch de wetmatigheid van de wereld, die in denkende cognitie moet worden onderzocht, noch de vrijheid van de mens in de vrijeschoolpedagogie worden bevooroordeeld, maar slechts als mogelijke ontwikkelingsdimensies in perspectief open blijven.

Procesbewustzijn

Tot slot moet nog een kenmerk worden benadrukt dat van belang is voor het spirituele bewustzijn: Rudolf Steiner en Johann Gottlieb Fichte wijzen er in hun filosofische geschriften op dat het menselijke Ik niet in reflectie, maar alleen als handeling kan worden ervaren. Dit aspect speelt een grote rol in de
kunstvakken die op vrijescholen worden onderwezen, vooral in de euritmie.
Laten we dit eens nader bekijken: Een ontwikkelingsdoel dat in al het onderwijs in de begeleiding van kinderen en jongeren nagestreefd wordt, is dat de jongeren na hun schooldiploma met zelfvertrouwen, daadkracht en vertrouwen in het leven de wereld ingaan. Nu rijst echter de vraag wat voor soort zelfbewustzijn momenteel voornamelijk wordt bevorderd. Het is dat van een reflecterende cultuur van bevestigen. Wat het individu doet, telt maar weinig mee, maar wat die ervaart in termen van evaluatie, wat beschikbaar is via verschillende media als een verslag van wat er gedaan is, dat alleen lijkt te tellen.

Ouders, grootouders, tantes en ooms stoppen nooit met op een slechte manier te praten over het kind in het bijzijn van het kind en benadrukken wat het wel of niet kan, wat het heeft gezegd, enz. Op deze manier ervaart het vroege kinderbewustzijn een soort hypertrofisch reflectiekader. Op school gaat het proces verder: opnieuw is het niet wat het kind zegt en doet dat telt, maar eerder hoe het uiteindelijk door de leerkracht wordt beoordeeld. Pas in de externe beoordeling krijgt wat het kind misschien met plezier en passie heeft gedaan, gewicht en, in het geval van een slecht cijfer, mogelijk zodanig dat het kind geen zin meer heeft om moeite te doen.
Foto- en filmmedia versterken deze ervaring van een soort geëxternaliseerde waarde nog, die alleen toegankelijk is omdat ze gedocumenteerd is.
De huidige populaire mediacultuur overdrijft dit door te suggereren dat
de enscenering in en door het medium alleen maar waardevol is. Zoals bekend leidt dit tot een angstaanjagend verlies van normen.
Vanuit het oogpunt van vrijeschoolonderwijs daarentegen is het in de opvoeding van groot belang dat kinderen en jongeren niet voortdurend een beoordelingsspiegel wordt voorgehouden, waardoor de waarde van wat gezegd of gedaan is alleen van buitenaf achteraf wordt bepaald. Voor een gezond zelfbewustzijn is het belangrijk dat je in het proces van iets doen zelf ervaart en leert of het goed of slecht, juist en gepast is, net zoals je in het proces van muziek maken meteen een verkeerde noot hoort, deze in het proces corrigeert en er later niet op gewezen hoeft te worden.
De veel bekritiseerde euritmielessen op vrijescholen hebben hier een speciale functie. Het werkt niet – zoals bij ballet – met spiegels of, zoals in de sport, met
vooraf bepaalde prestatiefactoren (doelpunten, gewonnen duels, snelheids- of
afstandsmetingen etc.), maar euritmie is erop gericht om een continu bewustzijn van het proces te behouden (in tegenstelling tot een discontinu bewustzijn van reflectie) door middel van een verdiepte waarneming en aandacht.

Dit doet denken aan de bekende mythe van Orpheus en Eurydice. Er wordt gezegd dat Orpheus, na de dood van zijn geliefde Eurydice, zo vervuld was van verdriet dat hij de moed verzamelde om af te dalen naar de onderwereld om zijn geliefde te verlossen van de dood en haar mee terug te nemen naar de wereld van de levenden. De god van de onderwereld, Hades, willigde dit verzoek in op voorwaarde dat Orpheus als eerste ging en dat hij niet achterom keek om er zeker van te zijn dat Eurydice hem echt volgde.
Zoals bekend voldeed Orpheus niet aan deze voorwaarde en daardoor verloor hij Eurydice voor de tweede keer.

Het is hetzelfde met het menselijke Ik. Om het te benaderen moet de mens bereid zijn af te dalen tot in de diepten van zijn innerlijke zelf. Het kan echter alleen in bewustzijn worden gebracht, wanneer het denken vordert in actieve realisatie. Het menselijk Ik kan niet ervaren worden in reflexieve, retrospectieve
visualisatie. Het onttrekt zich aan reflectie. Integendeel, de huidige mediacultuur
laat op beangstigende wijze zien dat er zelfs een gevaar bestaat dat mensen steeds meer van zichzelf vervreemden.
Het menselijke ego verschijnt als het delicate bewustzijn van onszelf in elk van onze handelingen en we leren het al doende steeds zekerder en zelfverzekerder vast te pakken. Het bevorderen hiervan is een kernmotief van de vrijeschoolpedagogie.

Prof. dr. Jost Schieren is hoogleraar schoolonderwijs met focus op vrijeschoolonderwijs en hoofd van de afdeling onderwijskunde aan de Alanus Hogeschool in Alfter bij Bonn.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3420-3218

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis – GA 306

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 306       vertaald

Voordracht 5, Dornach  19 april 1923

Blz. 106    vert. 106

Steiner staat hier langer stil bij het ‘causaliteitsdenken’ en het daarbij horende kunnen oordelen.
Hij schetst een kleine ontwikkeling: hoe het kind vóór het 12e denkt en in overeenstemming daarmee (beeldend) onderwijs nodig heeft en na het 12e jaar:

want je moet wel weten dat zich iets pas tegen het 12 jaar, eigenlijk dicht tegen het 12e jaar in het kind ontwikkelt en dat is het gevoel voor causaliteit.

Omdat de hele voordracht op deze blog is vertaald, kun je hier verder lezen, vanaf <1

En wat de geschiedenis betreft:   

Blz. 107

Auf der anderen Seite können Sie den Kindern vor diesem Lebens­alter gegen das 12. Jahr hin nicht Zusammenhänge in der Geschichte begreiflich machen. Da sollen Sie vor die Kinder hinstellen einzelne Menschenbilder, die entweder das Gefallen erwecken durch ihre Güte, ihre Wahrhaffigkeit oder dergleichen, oder das Mißfallen erwecken durch das Gegenteil. Auf Gefallen und Mißfallen, auf das Gefühls-­und Gemütsleben muß auch die Geschichte gestellt werden: geschlos­sene Bilder von Vorgängen und von Persönlichkeiten, aber Bilder, die in dem Sinne wieder beweglich gehalten werden, wie ich es angedeutet

Anderzijds kun je kinderen vóór deze leeftijd tegen het 12e jaar geen samenhangen in de geschiedenis laten begrijpen. Je moet dan individuele mensen voor de kinderen neerzetten, die of sympathie wekken door hun goedheid, hun waarachtigheid o.i.d., of de antipathie door het tegendeel. Op sympathie en antipathie, op het gevoels- en gewaarwordingsleven moet je geschiedenis laten berusten: afgeronde beelden van gebeurtenissen en persoonlijkheden, maar beelden die in dit opzicht weer beweeglijk worden gehouden, zoals ik aangegeven

blz. 108

habe. Dagegen kausale Zusammenhänge zwischen dem Frü­heren und dem Späteren, die können Sie dem Kinde erst beibringen, wenn in ihm voranleuchtet dieses Rückläufige des Astralleibes, das dann stärker auftritt nach dem 14. Jahr. So gegen das 12.Jahr hin kommt das Kind in dieses Rückläufige hinein, und man kann dann an­fangen, an den Kausalitätsbegriff zu appellieren auch in der Ge­schichte. 

heb. Causale samenhangen tussen wat er eerder was en wat er later kwam, kun je het kind pas bijbrengen wanneer in hem het teruggaan van het astraallijf het eerste licht daarop kan laten schijnen, wat dan sterker optreedt na het 14e jaar. Zo tegen het 12e jaar komt het kind in dat proces van teruggaan en dan kun je beginnen te appelleren aan het causaliteitsbegrip, ook in de geschiedenis.

En een verdere menskundige uitleg tot 2>
GA 306/1
07-108
Op deze blog vertaald/107-108

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3419-3217

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie

.
Voor haar studie euritmiedocente schreef Philia de Vries deze scriptie.

Deze zal in hoofdstukken op deze blog verschijnen.

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN?

– Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken. 

Inhoud

Gedicht van Ida Gerhardt: “Het volmaakte”.

1.Inleiding, kader, vraag, doel, inspiratie en materiaalgebruik voor het werk                                                                                                                                       1
1.1. Inleiding                                                                                                                         1  1.2. Inleiding tot het thema                                                                                               2
1.3. Onderzoeksmateriaal                                                                                                  3

HET VOLMAAKTE

Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn één, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand er mee speelt.
Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.
Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ík zijn onschuld nu ten val?
Of ben ik blind? – Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.

Ida Gerhardt
uit: Zomen van het licht

1.Inleiding, kader, vraag, doel, inspiratie en materiaalgebruik voor het werk 

1.1. Inleiding

We leven in een tijd waarin de leercurve/ontwikkeling van kinderen wordt gemeten en beoordeeld door middel van testen. Men gaat uit van een stijgende lijn in de ontwikkelingscurve. Wat hierbij vergeten wordt, is dat de leerontwikkeling een dynamisch proces is en dat een kind pas dan ‘leerstof’ kan opnemen, wanneer het daar (lichamelijk en innerlijk) voor klaar is.

Een voorbeeld is de zwemles [1], waarvan we inmiddels weten dat het kind eerst over bepaalde motorische vaardigheden moet beschikken om de beweging tijdens de schoolslag uit te kunnen voeren. Het is bekend dat een kind heel snel leert zwemmen als hij er klaar voor is, terwijl voor kinderen die op vierjarige leeftijd beginnen de leerweg veel langer en zwaarder is.
Bij leren is het eigenlijk net zo, maar toch worden kleine kinderen in het reguliere onderwijs in Nederland nu al gedwongen om toetsen af te leggen, ook al zijn ze daar cognitief nog niet rijp voor. [2] Hun denken is a.h.w. nog binnen bepaalde kaders begrensd. Dit staat in contrast met veel onderzoeken die aantonen [3] dat de hersenontwikkeling pas rond de leeftijd van acht jaar voldoende rijp is om de leervaardigheden te ontwikkelen [4] die op school nodig zijn om echt te kunnen leren. De motorische ontwikkeling [5] (die aan de reflex-integratie ten grondslag ligt) en de rijping van de zintuigen gaat daaraan vooraf.
Ook zien we de tendens van hyperactieve kinderen die zich moeilijk kunnen concentreren, wat soms samenhangt met een nog niet voltooide integratie van de reflexen, waardoor er ‘motorische onrust’ ontstaat, soms ook bepaald door nog onvoldoende lateralisatie, of het driedimensionaal kunnen zien. De vraag is: hoe kunnen we het kind helpen zich zo gezond mogelijk te ontwikkelen, zodanig dat deze basis ook zijn denkvermogen stimuleert?

Deze scriptie richt zich op het vak (pedagogische) euritmie en hoe dit bewegingsvak een essentiële plaats inneemt in het vrijeschoolonderwijs. Wat is het belang van dit extra bewegingsvak, naast gymnastiek en een onderwijsvorm die al veel beweging in de leerstof verwerkt?
In de vrijeschool wordt de ontwikkeling van het kind met name vanuit bewegingsonderwijs gestimuleerd om zijn leermogelijkheden te ontplooien en een gezonde ontwikkeling te bevorderen, die past bij het kind.

De ‘ontwikkeling van het denken’ is een kwaliteit binnen de vrijeschoolpedagogie die gebaseerd op het antroposofische mensbeeld, en ontwikkeling van het kind tot volwassene-, tot doel stelt, dat de lesstof zo ingericht is dat de leerling uiteindelijk een onafhankelijk ‘vrij denkend’ mens kan worden : “[…] dat we tot op zekere hoogte ons denken zo ontwikkelen dat het totaal doorstraald wordt door de wil, en (we in ons denken) niet van buitenaf gestimuleerd worden (om te denken), maar dat het denken in de wil leeft’ [10]

Sinds de oprichting van de eerste Waldorf/vrijeschool (Stuttgart, september 1919) bestaat de pedagogische euritmie als leervak en kreeg om het verschil met de kunstzinnige euritmie aan te geven, de term

 
[1] Als kinderen kunnen huppelen, dan kunnen ze de schoolslag:
(http://www.allesinbeweging.net/motorische-ontwikkeling-zwemles) (20-7-2017).
[2] Brein, Leren & Educatie: (http://www.hersenenenleren.nl/centrum-brein-leren/) (20-7-2017).
Versus  “Kennisplatform voor het onderwijs” (http://wij-leren.nl/ontwikkeling-hersenen.php)(20-7-2017).
[3] Nunen, Peter van 2 -1-2010. Van kind tot volwassenen: De rol van de neurologische en effecten van neurologische rijpingsachterstand. (2 -1-2010) (www.epi-groep.nl/wp/wp-content/uloads/rijping_1_2art.pdf) (15-7-2107).
[4] http://www.ergoml.nl/ergotherapie/kinderen/schoolse-vaardigheden (zie ook n.8 ) (20-07-2017).
[5] “De motoriek en de zintuigen zijn niet meer in evenwicht” – uit: Voorwoord van Ewald Vervaet.
Boek: Vuure Marijke van. Dyslexie en touwtje springen. (Akasha 2013, p. 7).

1

pedagogische euritmie, waarbij de euritmische vaardigheden extra kunnen konden worden beoefend als bewegingsvak. De pedagogische euritmie als vak, is dus vanaf het begin van de Waldorfschool (in Nederland de vrijeschool genoemd) ingezet als leerstof bij het ontplooien van het kind tot een vrij denkend mens die met 18 jaar (12e klas) de school verlaat. 

Een vak dat in het het leerplan naast gymnastiek een eigen leerroute heeft. Tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw, was dit heel vanzelfsprekend en werd het als een vast en gewaardeerd onderdeel van het leerplan ingezet. Helaas worden, sinds de toename van vrijescholen in de jaren ’80 de kwaliteiten die de pedagogische euritmie kinderen kan bieden, niet altijd begrepen door mensen van buiten de vrijeschool, of door hen die zich niet in het wezen van dit vak op de vrijeschool verdiept hebben en begrip hebben voor de wezenlijke kwaliteit ervan, zodat het de afgelopen jaren op veel vrijescholen ten prooi is gevallen aan bezuinigingen. Zoiets als een ‘versiering’ die niet direct zinvol lijkt voor het leren.

Deze scriptie wil dan ook een pleidooi zijn voor dit vak op de scholen en onderbouwen dat dit juist bijdraagt aan een gezonde denk-leerontwikkeling, naast dat het leerplan van de vrijeschool ‘al bewegende kunstzinnig’ verdiept wordt en ook de individuele en sociale-emotionele ontwikkeling van de leerling sterkt.

Euritmie is juist heel concreet in de oefeningen, maar – zoals elk vak op de vrijeschool zou moeten zijn – er ook een dat het kind ruimte geeft tussen zijn spirituele afkomst en de persoon die hij nu op aarde wil worden. Hierdoor lijkt de inhoud soms wat ongrijpbaar, maar die is wel degelijk werkzaam en heeft zoals gezegd ook zijn weerspiegeling op de andere vakken en het leren van het kind. [6]

Dit brengt ons bij de titel van deze scriptie:

1.2. Titel

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN

Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te  komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken.

Inleiding tot het onderwerp:

De ondertitel

Deze werpt de vraag op: Wat kan pedagogische euritmie als bewegingsvak betekenen voor een gezonde ontwikkeling van het kind en vervolgens ook voor de ontwikkeling van zijn denken als ondersteuning bij het leren?

Kader

De focus van dit werk ligt op de ‘hersenontwikkeling’ van kinderen van nul tot en met de wisseling van het melkgebit (0-7 jaar) [7], ook wel de ‘periode van de eerste zeven jaar’ genoemd en hoe deze zich verder kan ontwikkelen in de tweede ‘periode van zeven jaar’(van 7-12 jaar), als het kind ‘leerrijp is’.
In Nederland gaat het op de vrijeschool om klas 1 t/m 6, ook wel de onderbouw genoemd, waar de middelbare school ‘bovenbouw’ genoemd wordt), of groep 3 t/m 8 in het reguliere onderwijs).
Op de vrijeschool begint het feitelijke leren pas vanaf klas 1 (groep 3) als het kind rijp is voor
het abstracte leren van de leerstof van taal, rekenen en vreemde talen. Daarvoor is de leerstof gericht op een gezonde ontwikkeling, met spel, bewegings- en kringspelen die met ambachtelijke bewegingsvaardigheden samenhangen en het kind in zijn wil, gevoel en begripsvorming van de wereld om hem heen aanspreken d.m.v. de zintuigen!

Toelichting op de titel en ondertitel

Bij de titel wordt uitgegaan van een gezonde ontwikkeling en een gezond denkvermogen van het kind. Als de ontwikkeling stagneert, ontstaan er ook problemen in het rijpingsproces met het mogelijk ontstaan van leer- en gedragsproblemen. [8]
Een cruciaal moment is de overgang van de kleuterschool naar het eerste leerjaar (klas 1). Daar gaat de ontwikkeling van het jonge kind dat nu ‘klaar is voor school’ (schoolrijp) aan vooraf: heeft het kind genoeg  

[6]  Steiner, Rudolf. De opvoeding van het kind blz. 10). Vert. uit GA 34, blz. 309 e.v.
[7]  Over de zevenjaarsperioden: Steiner, Rudolf. Idem 7-22.
Schoorel, Edmond. De eerste zevenjaar– kinderfysiologie. Uitgeverij Christofoor-Zeist. 2014. (p. 19  32).
[8] Nunen, Peter van Van kind tot volwassenen: De rol van de neurologische en effecten van neurologische rijpingsachterstand. (2 -1-2010) (www.epi-groep.nl/wp/wp-content/uloads/rijping_1_2art.pdf.). (p. 10). 15-7-2017

2

motorische en fijn-motorische, maar ook sociaal- emotionele vaardigheden ontwikkeld om te kunnen gaan leren? [9] Als er stagnatie optreedt, kunnen de fysieke ontwikkeling van het kind en zijn cognitieve ontwikkeling niet meer parallel lopen – dan is hulp nodig.

Soms loopt de ontwikkeling van een kind cognitief vooruit op zijn leeftijd, maar blijven andere vaardigheden op motorische of sociaal-emotionele ontwikkeling achter. Soms heeft een vroegrijp kind later behoefte om ‘even pas op de plaats’ te maken, omdat het soms nog te ‘jong’ is voor een volgende fase. Zo heeft elk kind zijn eigen unieke ‘leerroute’ binnen wat een school kan bieden.

De auteurs van de boeken die in dit werk worden besproken, hebben voor kinderen met een hulpvraag materiaal en kennis verzameld om hen weer op het goede spoor te helpen in hun ontwikkeling. Door verdieping in deze boeken kunnen inzichten gevonden worden die nodig zijn om de pedagogische euritmie te onderbouwen.
Het boek ‘Dyslexie en touwtjespringen’ van Marijke van Vuure vormt voor dit werk een soort springplank voor het idee dat een bewegingsvak als euritmie niet alleen voor het kind mogelijkheden kan bieden om de neurologische, sensomotorische ontwikkeling te ondersteunen, maar ook het denken (en de daarmee samenhangende cognitieve ontwikkeling) te stimuleren.

‘The extra lesson’ van Audrey McAllen biedt voor Remedial-teaching (RT) praktische oefeningen om kinderen met een hulpvraag in hun leren of ontwikkeling te ondersteunen. Wat kunnen ze daarin voor de euritmie betekenen?

Doel

Het doel van de voorliggende scriptie is: het onderwerp verdiepen als inhoudelijke verrijking en reflectie op het lesgeven als euritmiedocent. De vraag is: welke oefeningen worden al gebruikt in de euritmielessen om de ontwikkeling van het kind te ondersteunen en hoe helpen de inzichten – verkregen uit de boeken en wat over de euritmie als pedagogisch vak door Rudolf Steiner gezegd is [14] en zijn essay over ‘De opvoeding van het kind’. [6]

De opgedane inzichten ondersteunen de onderliggende vraag: wat is de rol van de pedagogische euritmie in relatie tot de ontwikkeling van het kind? Hoe kan het onderwerp van deze scriptie de betekenis van de pedagogische euritmie op de vrijescholen in Nederland ondersteunen.

De titel van deze scriptie is dan ook zo gekozen dat dit het vak pedagogische euritmie zichtbaar wil maken als een actueel vak, een vak dat ook voor de toekomst in de vrijeschool van grote waarde zal kunnen zijn en niet iets wat ‘uit de tijd’ of onnodig ‘extra’ is op leergebied.

Ook biedt de scriptie niet alleen scholen en organisaties en de leerkrachten, maar ook de ouders, pedagogie- en euritmiestudenten en euritmisten inzicht in wat het kind door dit vak kan leren.

De eigen inzichten en ervaringen (als leerkracht en euritmiedocent) mogen naast de verdieping van het onderzoeksmateriaal duidelijk maken wat een prachtig vak dit is en wat je de kinderen op hun weg daarin kan meegeven!

Ik hoop dan ook dat deze scriptie de pedagogische euritmie als vak verduidelijkt in zijn mogelijkheid voor de ontwikkeling van het kind in het algemeen en de ontwikkeling die het denken stimuleert, als hulp bij de leerweg van het kind, in het bijzonder.

Deze scriptie wil het belang van het vak pedagogische euritmie op de vrijeschool onderstrepen als een zeer essentieel vak voor de kwaliteit en identiteit van een vrijeschool. 

1.3. Onderzoeksmateriaal als uitgangspunt voor deze scriptie

Voor deze onderzoeken heb ik twee boeken gebruikt als leidraad om het onderwerp te verdiepen. De inzichten daarvan worden in het werk besproken, gereflecteerd en toegepast op de vrijeschool en de pedagogische euritmie.

[9] McAllen, Audrey. De extra les: “Rond het zevende jaar […] beschikking moeten staan” (Vertaald: McAllen 2004, p. 31).
[10] Steiner, Rudolf GA 202/202   Niet vertaald

3

Boek 1: Marijke van Vuure: ” Dyslexie en touwtje springen” (Akasha, Uitgave (3) 2013). -Een praktisch boek voor ouders van kinderen die lezen lastig vinden.[11]

Boek 2: Audrey McAllen: “De extra les” – Bewegings-, teken- en schilderoefeningen. – Mogelijkheden voor ondersteuning van kinderen met leer- en ontwikkelingsproblemen. Uitgeverij Christofoor Zeist 2004.

Bovenstaande boeken vormen de basis van mijn onderzoek, naast de literatuur in de voetnoten genoemd.

De inzichten voortvloeiend uit de boeken en voordrachten, worden in dit werk besproken, gereflecteerd en toegepast op de vrijeschool en de pedagogische euritmie, aangevuld met mijn eigen ervaringen met pedagogische euritmie over een periode van meer dan tien jaar en meer dan 25 jaar als leerkracht. 

 

Verder onderzoeksmateriaal:

1) De nodige achtergrondinformatie over de verschillende onderwerpen en de bronnen zijn in de voetnoten te vinden en worden in de literatuur- en websitelijst als verwijzingen genoemd.
Het betreft hier verwijzingen over de ontwikkeling van de hersenen, neurologische en motorische ontwikkeling, reflexen en zintuigen.
2) De genoemde voordrachten van Rudolf Steiner, waarin hij aanwijzingen geeft over pedagogie en menskunde zouden echter als materiaal nog verder verdiept kunnen worden.

[11] Zie hoofdstuk 4, 5 en bijlage 1.
[12] Zie hoofdstuk 6, 7 en bijlage 2.
[13] Gebruikt werd de Nederlandse vertaling “De extra les” (McAllen 2004, p. ).

4

Inhoudsopgave van de scriptie (nog niet oproepbaar)

[14] Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: klankfiguren

.

3418-3216

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding

.

In onderstaand artikel uit 1992 wordt al volop gesproken over ‘een landbouwcrisis’.
De afgelopen 30 jaar is die alleen maar groter geworden en zichtbaarder.

Inmiddels is overduidelijk dat er een samenhang bestaat tussen ‘landbouw’, ‘stikstof’, ‘verdwijnen van biodiversiteit’ enz.

Wat vertellen we onze leerlingen in de bovenbouw over de wereld waarin ze straks als volwassenen komen  te leven.
Kunnen we hun een visie meegeven om de problemen te kunnen overwinnen.

Dan moeten we zelf wel op de hoogte zijn van een andere visie.
Die staat in onderstaand artikel.

Als inleiding op het artikel:

wie thuis is in wat sociale driegeleding is, heeft een instrument in handen om actuele vraagstukken grondig te doorzien en inzichten te ontwikkelen die naar wezenlijke oplossingen kunnen leiden;
– wie actuele vraagstukken werkelijk wil aanpakken moet voorbij de waan van de dag op zoek naar het onderliggend fundament.
Het huidige ‘stikstofprobleem’ illustreert dat.
Wat is hier eigenlijk het probleem? Dat de overheid in strijd met haar eigen wetten en regels handelt? Dat boeren zich in een onmogelijke situatie geplaatst weten? Dat de landbouw in Nederland tot een ware industrie is uitgegroeid die een regelrechte aantasting van de aarde met zich meebrengt? Dat een groot deel van de boeren aan het krediet-infuus van de bank ligt? Dat de consument weigert om voor zijn voeding een billijke prijs te betalen?

Hieronder een (deel van een) artikel van oud-redacteur Mouringh Boeke. Het verscheen in het voorjaar van 1992 en bevat een aantal gedachten die meer dan krasjes in het stof aan de oppervlakte zijn.
Driegonaal, okt. 2019

“Hoe kunnen we de landbouw bevrijden uit de wurggreep van de economie?”

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich een of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.
Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumentengemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Driegonaal
.

Help mee grond vrij te maken. Draag bij aan herstel van landschap en biodiversiteit                         Land van ons  

.

3417-3215

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas Duits

.

Wanneer in het hoofdonderwijs aardrijkskunde de sage van de Lorelei is verteld, kan dat natuurlijk in de Duitse les ook. De kinderen kennen het verhaal en horen het nu in een andere taal.

Hier een beknoptere tekst dan de Nederlandse vertaling van de min of meer originele tekst.
De Duitse tekst hieronder wijkt iets af. (Horen de leerlingen verschillen?)
Ik vond deze in het restaurant op de Loreleirots.

.
Ca. 6 min. verteltijd
.

die jungfrau auf dem lurlei

In alten Zeiten liess sich manchmal auf dem Lurlei um die Abenddämmerung und beim Mondschein eine Jungfrau sehen, die mit so anmutiger Stimme sang, dass alle, die es hörten, davon bezaubert wurden. Viele Schiffer gingen am
Felsriff oder im Strudel zugrunde, weil sie nicht mehr auf den Lauf des Fahrzeuges achteten, sondern von den himmlischen Tönen der wunderbaren Jungfrau verzaubert wurden.

Niemand hatte die Jungfrau jemals aus der Nähe gesehen; nur einige junge Fischer.
Zu diesen gesellte sie sich bisweilen im letzten Abendrot und zeigte ihnen die Stelle wo sie ihr Netz auswerfen sollten. Jedes Mal, wenn sie den Rat der Jungfrau befolgten, taten sie einen reichlichen Fang.
Die Jünglinge erzählten nun, wo sie hinkamen, von der Huld und Schönheit der Unbekannten, und die Geschichte verbreitete sich im ganzen Lande umher.

Ein Sohn des Pfalzgrafen, der damals in der Gegend sein Hoflager hatte, hörte die wundervolle Mär und fasste eine innige Zuneigung zu der Jungfrau.
Unter dem Vorwand, auf die Jagt zu gehen, nahm er den Weg nach Oberwesel, setzte sich dort auf einen Nachen und liess sich stromabwärts fahren. Die Sonne war eben untergegangen, und die ersten Sterne am Himmel traten hervor, als sich das Fahrzeug dem Lurlei naherte. „Seht ihr dort, die verwunschte Zauberin? Das ist sie gewiss!’ riefen die Schiffer. Der Jüngling hatte sie aber bereits erblickt, wie sie am Abhang des Felsenberges nicht weit vom Strome sass und einen Kranz für ihre goldenen Locken band. Jetzt vernahm er auch den Klang ihrer Stimme und war bald seiner Sinne nicht mehr mächtig. Er nötigte die Schiffer, an den Fels anzufahren, und noch einige Schritte davon wollt er ans Land springen und die Jungfrau festhalten. Aber er nahm den Sprung zu kurz und versank in dem Strome, dessen schäumende Wogen schauerlich über ihm zusammenschlugen.

Die Nachricht von dieser traurigen Begebenheit kam schnell zu den Ohren des Pfalzgrafen. Schmerz und Wut zerrissen die Seele des armen Vaters, der auf der Stelle den strengen Befehl erteilte, ihm die Unholdin tot oder lebendig zu liefern.

Der Hauptmann zog gegen Abend aus und umstellte mit seinen Reisigen den Berg. Er selbst nahm drei der Beherztesten aus seiner Schar und stieg die Lurlei hinan. Die Jungfrau sass oben auf der Spitze und hielt eine Schnur aus Bernstein in der Hand.

Sie sah die Männer von fern kommen und rief ihnen zu, was sie hier suchten. „Dich, Zauberin”, antwortete der Hauptmann ,„du sollst einen Sprung in den Rhein hinunter machen.“

„ Ei”, sagte die Jungfrau lachend, „der Rhein mag mich holen.“
Bei diesen Worten warf sie die Bernsteinschnur in den Strom hinab und sang mit schauerlichem “Ton:

Vater, geschwind, geschwind,
die weißen Rosse schick deinem ‘Kind!
Es will reiten mit Wagen und Wind! “

Urplötzlich rauschte ein Sturm daher. Der Rhein erbrauste, das weit um Ufer und Höhen von weißen Gischt bedeckt wurden; zwei Wellen, welche fast die Gestalt von zwei weißen Rossen hatten, flogen mit Blitzesschnelle aus der Tiefe auf die Kuppe des Felsens und trugen die Jungfrau hinab in den Strom, wo sie verschwand.

Jetzt erst erkannten der Hauptmann und seine Knechte, dass die Jungfrau eine Undine sei und menschliche Gewalt ihr nichts anhaben könne. Sie kehrten mit der Nachricht zu dem Pfalzgrafen zurück und fanden dort mit Erstaunen den totgeglaubten Sohn, den eine Welle ans Ufer getragen hatte.

Die Lurleijungfrau wurde von dieser Zeit an nicht mehr gesehen, aber so mancher Vorbeiziehender hört noch heute den zauberhaften Gesang der sagenumwobenen Rhein-Nixe.

.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

5e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas

.

3416-3214

.

.

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde 5e klas – Rijnsagen (1-2)

.

Wanneer in de 5e klas met aardrijkskunde buiten Nederland wordt begonnen, wordt logischerwijs voor de Rijn gekozen die, aansluitend bij de 4e klasstof, voor ons land buitengewoon belangrijk is.

Rond de Rijn zijn allerlei sagen ontstaan, waarvan de Lorelei wel de bekendste is.
Maar er zijn er meer. 

Nu het lezen onder druk staat, is het misschien een idee om deze sagen in een soort boekje te bundelen en (klassikaal) te lezen. Het boekje zou door de kinderen geïllustreerd kunnen worden.

.

ca. 12 min. verteltijd

St.Goar

De Lorelei

I.

Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots.
Als de boot van de schipper bij het vallen van de avond over het water glijdt, kijkt hij met angst en eerbied omhoog naar de onmetelijk hoge rotsachtige top. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de sage de grijze top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schone, valse nimf, die eens daar boven op de berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.

Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?

Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over de groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op de top.
Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotse gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.

Wee de schipper, die op dit uur de rots passeerde. Hij werd door het gezang betoverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg.
Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, dromend dat hij dicht bij haar zou zijn, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste ogenblik verraderlijk tegen de rots, die het meedogenloos verpletterde.

De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van de Rijn. Nooit zag men de ongelukkige weer.

De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elke avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht door de kus van de aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad de grijze morgennevel uit de dalen verdreef.

II.

Ronald was een fiere jongeling en een van de vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, de paltsgraaf van de Rijn. Ook hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.

Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht een oude, ervaren schipper, hem naar de rots. In het Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot de reusachtige berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.

Daar verschijnt opeens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van de dromende jongeling deze zo-even aan de hemel geplaatst om de verblinde te waarschuwen?
Hij kijkt omhoog, voor een ogenblik afgeleid.
Een zachte kreet van de oude man aan zijn zijde.

“De Lorelei!” fluistert hij angstig, “zie haar, de tovenaarster!”

Ronald antwoordt niet. Hij zag haar al. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde ogen keek hij omhoog. Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.

Aan de rand van de afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en laat, niettegenstaande de duisternis en de verre afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijk verlangen straalt uit twee vochtige, grote ogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betoverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in de stille zomernacht.

Dan zwijgt zij.

In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe verschiet. Dan kijkt ze naar de stroom onder haar en een schitterend ogenpaar rust lang in de starre blik van de jongeling. Haar ogen lijken op een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.

Een lichte rilling gaat door het lichaam van de jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel bedwelmd leest hij daarop het tedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met de grootse hemel samen, zijn oog ziet slechts haar aan de rotswand; slechts de blankheid van haar borsten, de saffieren van haar schitterende ogen. Te langzaam kruipt de bark door de vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem te horen, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.

Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in de stroom.-De oever wenkt.

“Lore!”

Een dodelijke gil weerklinkt en overstemt de kreet van de liefde. Klagend weerkaatst de echo het geluid door de rotsen.

De golven zuchtten en likten liefkozend het ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een kruis. Op dit ogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, deze keer treurig en als een zucht wegstervend, het spookachtig gezang van de Lorelei.

III

De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valse tovenaarster dood of levend bij hem te brengen. Op de namiddag van de volgenden dag zeilde een goed bemande boot de Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber kijkt het oog van de stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van de breedgeschouderde man te lezen. Hij had toestemming gevraagd de duivelse verleidster van de top van de rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte–want haar toverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd.

IV

De eerste schaduwen van de schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een van de aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte.

Een licht gouden wolk omhulde de top van de berg. De mannen dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan de rand van de rots verscheen. Dromerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelsnoer van haar borst en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.

“Wat zoeken de zwakke zonen van de aarde op deze hoogte?”
Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.

“Jij, tovenaarster!” schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottende lach voegde hij erbij: “Jou! Om je op de bodem van deze rivier te zien neerstorten.”

Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.

“O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!” riep de jonkvrouw uit. Ver over de afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in de stroom. Dan klinkt zegevierend van haar lippend het gezang:

“Vader, gezwind, gezwind!
Stuur de witte paarden aan uw kind!
Zij wil rijden op golven en wind!”

Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte de oever. En twee golven met schuimende koppen, lijkend op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemloze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.

V.

Dodelijk verschrikt keerden de dienaren van de paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.

Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan de oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van talloze mensen.

Vanaf die dag zag men de Lorelei nooit weer. Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nerdaalt, en zijn stille gezellin, de bleke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over de groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stille warmen= zomernacht.

Zij verdween, de Lorelei, maar haar betovering bleef.

Meer

Er zijn heel wat illustraties, maar vele voldoen niet aan de beschrijving in deze sage, o.a. wat de haarkleur e.d. betreft.

Rudolf Steiner noemt de Lorelei in GA 57, voordracht 17 blz. 415
Niet vertaald

.

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas

.

3415-3213

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

Toen ik als kind naar de kleuterschool ging – die heette kort daarvoor nog ‘bewaarschool’ – deed de juffrouw met ons af en toe een kringspel. Ook op de basisschool in de 1e klas – die heette toen nog ‘lagere school’ en ‘groepen’ waren ‘klassen’ – gebeurde dat ook nog wel als het (hard) regende en we niet naar buiten konden in de pauze. Dan deden juffen en meesters ze wel met ons in  de hal.
Zo herinner ik me nog ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmenbesteedt Mellie Uyldert er ook aandacht aan en ze rangschikt het spel onder ‘Spelen van de dood en de andere wereld’.

Bij haar heet het:

KROENE KRANEN, WITTE ZWANEN

.
Twee kinderen staan tegenover elkaar en vormen met hun omhoog gehouden armen, elkaars handen vasthoudend, een poortje. De kinderen lopen achter elkaar en gaan een voor een door het poortje. Ze maken een cirkel en als het laatste kind erdoor is, is het eerste er weer aangekomen en gaat er opnieuw door.

Tijdens het lopen zingen ze het lied:

Kroene kranen, witte zwanen,
wie gaat er mee naar engel-land varen?
Engel-land is gesloten,
de sleutel is gebroken,
en is er dan geen smid in ’t land,
die de sleutel maken kan?
Laat doren, laat doren,
van achteren en van vo—ren!

Muziek

Ik dacht – al wist ik toen nog niets van aardrijkskunde – dat het om Engeland ging, daar had ik weleens over gehoord.
Als je meer informatie zoekt over het liedje, zie je meestal ‘Engeland’, maar er is ook een artikel met achtergronden waar engelland staat.
En wij zongen over een ‘timmerman’. 

Als de laatste kinderen door het poortje moeten, is het liedje ongeveer bij vo—-ren en dan moeten ze zich haasten, want de poort kan ineens de armen laten zakken en een kind vangen. Dan vraagt de poort aan het kind fluisterend om te kiezen tussen een appel of een peer o.i.d. van goud of zilver. Het ene poortkind is ‘is’ goud, het andere zilver. Valt de keus op zilver, dan sluit het gevangen kind daarachter aan.
Dan gaat het spel verder tot alle kinderen of achter goud of achter zilver staan.
Dan wordt er een streep tussen de rijen getrokken. De voorste kinderen ( de poort) houden elkaars handen nu stevig beet, de anderen kinderen pakken elkaar om het middel en nu volgt een trekstrijd wie al eerste iemand over de streep trekt.
Die rij is winnaar en heeft de anderen) verlost.

Uyldert: Het staat vrijwel vast, dat de keuze tussen een gouden en zilveren voorwerp oorspronkelijk de betekenis had van een keuze tussen zon en maan, tussen dag en nacht, tussen het licht en de duisternis en uiteindelijk tussen engelen en duivels.

De kinderen die samen de poort vormden, houden nu nog hun handen laag. 

Wij speelden het zo, dat wie gewonnen had, mochten een voor een op die armen liggen en worden heen en weer gewiegd. De klas zingt: ‘De engelen moeten zweven’. Daarna komen de verliezers tussen de laag gehouden armen en worden heen en weer geschud. De kinderen zingen: ‘De duivels worden geslagen’. Daarbij kregen ze van de poortkinderen wel wat duwen. 
De engelen vormen dan nog een dubbele rij waar de duivels doorheen lopen.

Uyldert weet dat hier en daar het spel eindigde met 2 rondedansen.

Verklaring

Uyldert ziet in de kinderspel een spel van
dood, hemel en hel.
Vroeger of later moet iedereen door de poort van de dood. De keus appel/peer, goud, zilver, die de doodsengelen hem stellen, heeft hij
eigenlijk al door zijn leven op aarde bepaald: zijn houding en daden worden gewogen en beslissen voor hem tot hemel of hel.

Nu is het dus nog mogelijk dat de engelen in staat zijn de zielen uit de hel te redden. En als de andere partij wint?  Zijn de hemelbewoners dan wellicht schijnvromen gebleken die achteraf beschouwd toch de hel verdienen?

Uyldert ziet dit als een christelijke verklaring, maar zij denkt dat het spel veel ouder is. 

Wie zijn de ‘koene kranen’, (verbasterd: groene). Het gaat om kraanvogels, die regelmatig op hun trek het oostelijk deel van ons land aandoen, evenals de wilde witte zwanen!

In verhalen oud oudere tijden komen we vogels regelmatig tegen; kennelijk spraken zij de ziel van de mens aan. Opvallend is hun begeleiden van de mensenziel van de ene sfeer of toestand naar een volgende. Dat is de diepere achtergrond van de ooievaar als ‘geboortevogel’. Het witte vogeltje en de eend in het sprookje van Hans en Grietje die daarmee én bij de heks komen,  (stiefmoeder aarde) en weer thuis, in het vaderhuis. De zwaan zien we bij Lohengrin die hem bij zijn aardse opdracht brengt en later leidt ze hem weer verder; de hamsa in de indische mythe en de eend die Goudkindje met één kousje aan (dus als hemel-kind) naar de aardse weide brengt. Vogelgestalten, die, toen de blik der mensen voor etherische gestalten verduisterde naarmate het verstandelijk en abstract denken toenam, de plaats innamen van de eens aanschouwde engelgestalten en van de beelden der drie nornen, die de drie verblijven der mensen beheersten.
De geleidevogels, als koene of witte zwanen vormen de poort, zoals bv. Anne en Holda. Door die poort gaan we allemaal, net als de meisjes in het sprookje van Vrouw Holle. Bij Vrouw Holle dienen ze hun louteringstijd uit – maar hoe! 

Op de een daalde een goudregen neer: zij kwam in haar nieuwe aardeleven begaafd met veel verworvenheden, de ander moest onder een pekregen doorgaan en ’het zwart ging er nóóit meer af!’ – haar zonden belastten haar in haar nieuwe leven met vele zichzelf berokkende gebreken! De poort kan dus zowel gezien worden als de poort des doods als de poort naar een nieuwe incarnatie op aarde.

Bij Uyldert kan de poort ook uit twee Nornen bestaan.

Bij Steiner komen we veelvuldig tegen dat de mens van nu – in het bewustzijnszielentijdperk – niet meer vanzelfsprekend het vermogen heeft om bovenzintuiglijk te kunnen waarnemen:  het kunnen schouwen in een geestelijke wereld.
Is dat het heimwee naar ‘engelen-land’?  Naar de fase, waarin men de engelen nog zien kon, naar het geluk van de kleuterjaren, en naar het voorgeboortelijk paradijs! Het engelen-land is gesloten en de sleutel is gebroken. De smid, die de sleutel maken kan, is degene, die het heimwee kan oproepen, dat slaapt onder het rationalisme (dat dit spel eens verklaarde als een aardigheid naar aanleiding van Napoleons Continentaal Stelsel, waardoor Engeland werd afgesloten van de handel met het vasteland!)

Wie de wilde zwanen over de eenzame heide ziet vliegen, bedenke dat het land der engelen niet ver achter die horizon ligt en niet in een versluierd verleden – maar achter de horizon van ons afgesloten bewustzijn! Wie het beperkende rationalisme verlaten wil, wordt door een zwaan afgehaald en over de stroom der vergetelheid heen gevoerd naar het rijk dat de ziel zichzelf had verboden: het onbewuste land, dat door beelden bewoond wordt en niet door begrippen! Het verlangen zelf is de zwaan, die het engelen-land voor ons ontsluit met de sleutel der stilte. Daar zien wij, dat de engelen nooit weg geweest zijn, en nog altijd met de kinderen spelen in ’t zand.

In Engel-land, daar stuift het zand,
daar luiden de klokjes van boem!

.
Op Wikipedia

Bij Bert van Zandwijk

Spel: alle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3414-3212

.

.

.

.