Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Welke ring moet je doorknippen zodanig dat ze dan allemaal los zijn:
In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Ziehet artikeldaarover en in voordracht 4. Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil. De‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.
Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod. Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven indit artikel.
Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.
Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor delevensgeest.
Dann kann das Ich stärker und stärker werden, und es wandelt dann auch den Äther- oder Lebensleib um. Dasjenige, was das Ich umgewandelt hat am Äther- oder Lebensleib, das bezeichnen wir als Lebensgeist.
Dan [wanneer het Ik aan het astraallijf heeft gewerkt] kan het Ik steeds sterker worden en dan wordt ook het ether- of levenslijf veranderd. Wat het Ik daaraan veranderd noemen we levensgeest. GA 58/55
Niet vertaald
Blz. 225
Wie der Mensch heute lebt, hat er einen Teil seines astralischen Leibes umgewandelt in Manas. Weiter wird es dem Menschen in der Zukunft möglich sein,seinen Ätherleib umzugestalten; und den so umgestalteten Teil des Ätherleibes nennt man den «Lebensgeist», oder die «Buddhi» mit einem Ausdruck der orientalischen Philosophie.
Zoals de mens tegenwoordig is, heeft hij een deel van zijn astrale lichaam omgewerkt tot manas. Verder zal de mens in de toekomst in staat zijn zijn etherlichaam om te werken. En dat omgewerkte deel van het etherlichaam wordt ‘levensgeest’ genoemd of ‘boeddhi’, met een uitdrukking uit de oosterse filosofie. GA 58/225 Vertaald/125
Wenn das Ich in einer anderen, intensiveren Weise nicht nur in den astralischen Leib, sondern auch in den Ätherleib hineinarbeitet, nennen wir den vom Ich aus umgearbeiteten Teil des Ätherleibes den Lebensgeist oder mit einem Ausdruck der orientalischen Philosophie die Buddhi.
Wanneer het Ik op een andere, intensievere manier niet alleen aan het astraallijf werkt, maar ook aan het etherlijf, noemen we dat door het Ik omgewerkte deel van het etherlijf de levensgeest of met een term uit de oosterse filosofie boeddhi. GA 59/15
Niet vertaald
In de tijd dat het coronavirus actief was, schreef John Hogervorst het volgende:
.
John Hogervorst, Nieuwabrief Driegonaal, mei 2020
.
Dubbel werkend vaccin tegen een economisch virus .
Al lang staat de economie bloot aan een virus dat zich in de 20e eeuw over de hele wereld heeft verspreid. Resistentie tegen het virus is nog niet voldoende ontwikkeld zodat er nog dagelijks nieuwe slachtoffers vallen. De kwalijke verschijnselen die het virus met zich meebrengt zijn van ongekende proportie en bedreigen mens en aarde. Het virus nestelt zich in de ene na de andere onderneming. In de volksmond staat het bekend onder de naam ‘egoïsme’, anderen noemen het ‘winstmaximalisatie’. In ondernemingen dringt het met groot gemak binnen: het vindt zijn toegang via de eigendomsconstructie. Is de rechtsvorm van de onderneming zodanig dat deze privé-eigendom is, dan staan de deuren wagenwijd open voor het virus. Eenmaal binnen, dringt het virus door in alle hoeken en gaten van de onderneming; het wil elk aspect van de bedrijfsvoering naar zijn hand zetten. Leveranciers en medewerkers ontvangen zo min mogelijk. Schadelijke effecten van de bedrijfsvoering – op de gezondheid van mensen of op het milieu – zijn toegestaan, zolang wetten en regels, en de controle daarop, dat niet onverstandig doen zijn. Aan de klant wordt geleverd tegen de hoogst mogelijke prijs. Dat ondernemingen privé-eigendom zijn, stelt eigenaren (investeerders, aandeelhouders) in de gelegenheid hun rendementseisen alsmaar op te schroeven. Ondernemingen richten zich daarom op korte termijn doelen en maximalisering van de winst. Een reeks problemen, die ons allemaal bekend zijn, hangt hier direct mee samen: – werknemers die tegen een hongerloon werken en in mensonwaardige omstandigheden leven; – steeds grotere verschillen in de verdeling van welvaart, wereldwijd – aantasting van de aarde; – verstoring van regionale economieën door eenzijdige landbouwproductie ten behoeve van de westerse consument; ontvolking van het platteland; – verspilling van grondstoffen en het opraken van hulpbronnen; – toepassing van nieuwe technologie zonder dat mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid (van mens en aarde) voldoende onderzocht is; – het onderwerpen en naar zijn hand zetten van onderwijs, cultuur en wetenschap; – het binnendringen van ‘vrijemarktprincipes’ in de zorg; – grenzeloze manipulatie van de consument en het binnendringen in diens privésfeer. En deze opsomming kan nog aangevuld worden… Het is niet de bedoeling dat het bovenstaande moralistisch wordt opgevat. Het lijkt mij een beschrijving van de werkelijkheid. Bovendien zijn wij zelf deel van het probleem, bijvoorbeeld via spaargeld, pensioenvoorziening of levensverzekering, want ook ‘eigenaar’. Samen houden wij het virus in stand. Kan dat niet anders? – Een aantal ondernemingen in Nederland heeft hun rechtsvorm zó gekozen dat zij, verenigd in Stichting Sleipnir, werken op basis van een gebruiksrecht in plaats van een eigendomsrecht. De onderliggende gedachte is eenvoudig: ondernemingen zijn geen privé-eigendom maar zijn steeds, tijdelijk, in het beheer van degene(n) die daartoe capabel zijn: de ondernemer(s). Het werken op basis van het gebruiksrecht zorgt ervoor dat een onderneming niet meer kan worden ingezet ten behoeve van eigenbelang. Ondernemingen kunnen niet meer verhandeld kunnen worden. Zij blijven voortbestaan zolang zij in een behoefte (van klanten) voorzien en worden tijdens hun levenscyclus eventueel door elkaar opvolgende ondernemers geleid. Die ondernemers kunnen zich volledig richten op het zo goed mogelijk vervullen van de wensen van de klant en worden niet (meer) op- en aangejaagd door rendementseisen die eigenaren dwingend inbrengen. Daarmee verdienen de ondernemer en zijn medewerkers hun brood. Daarbij zullen zij ontdekken, als zij het al niet wisten, dat het voor het floreren van een onderneming op de lange termijn vanzelfsprekend is om duurzame relaties op te bouwen, met leveranciers, medewerkers en klanten. In veel familiebedrijven, die van generatie op generatie overgaan, is dit besef springlevend. Die duurzame relaties ontstaan op basis van het besef van wederzijdse afhankelijkheid. Mogelijk is het nog nodig dit besef van afhankelijkheid, en de daarop te grondvesten duurzame relatie, uit te breiden met het inzicht dat wij ook ten opzichte van de aarde, en alles dat de aarde ons biedt, in wederzijdse afhankelijkheid verkeren. Nu de overheid/belastingbetaler op het punt staat miljarden in de economie te pompen om de gevolgen van de coronacrisis af te dempen, doet zich een unieke gelegenheid voor. Want waarom zouden wij van al die miljarden, laten we zeggen, niet één miljard in een potje (een fonds) stoppen, bestemd voor ondernemers die een onderneming willen starten (of een bestaande onderneming willen omvormen) in een vorm zonder eigendomsrecht maar op basis van gebruiksrecht? Aan het fonds worden twee voorwaarden meegegeven: elke besteding van middelen uit het fonds gebeurt in volledige openheid, en middelen worden alleen besteed aan ondernemingen waarvan gewaarborgd is dat zij niet in privébezit kunnen komen. Met een miljard en deze twee voorwaarden op pad gestuurd, zullen kring van ervaren ondernemers de weg wel vinden om dit fonds praktisch in te richten. Vast en zeker zijn er honderden, zo niet duizenden jonge ondernemende mensen die de geboden kans graag aanpakken. Deze besteding van belastinggeld is verre te verkiezen boven het in stand houden van werkgelegenheid van mensen voor wie geen werk (meer) is (voor hen moet ‘andere werkgelegenheid geschapen’ worden – door nieuwe ondernemers bijvoorbeeld!); en verre te verkiezen boven het ondersteunen van bedrijven die in de afgelopen jaren (en langer) miljoenen of meer naar hun aandeelhouders gedragen hebben, en nu vooraan in de rij staan om hun handje op te houden voor staatssteun zonder iets aan hun (eigendoms)structuur te doen. Met dat ene miljard wordt niet één, maar worden twee crises bestreden.
John Hogervorst (Dit is een bewerkte versie van een fragment uit: Gedachten, kansen & perspectieven in tijden van corona, ISBN 9789492326461, verkrijgbaar in de boekhandel of via onze webwinkel)
Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.
Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.
De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool. Dat heeft hij vele kerenbenadrukt!
Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.
Nu wordt ook ‘de handeling’ genoemd.
Voordracht 16 gaat diep in op wat ‘religieuze gevoelens’ zijn en hoe belangrijk die zijn voor het opgroeiende kind. M.n. dankbaarheid en liefde.
.
Also eine Weltanschauungsschule wollten wir ganz gewiß nicht schaffen, wie man leicht denken könnte, wenn man äußerlich hört: da haben die Anthroposophen eine Schule begründet; sondern es handelt sich darum, Anthroposophie in die pädagogische Praxis hineinzutragen. Daher war es mir auch verhältnismäßig gleichgültig, den Gipfelpunkt des Weltanschauungslebens, die religiöse Weltanschauung, einfach den entsprechenden Vertretern der traditionellen Religionsbekenntnisse zu überlassen. Und so wurde denn der katholische Religionsunterricht ruhig dem katholischen Pfarrer, der evangelische dem evangelischen Pfarrer zur Verfügung gestellt. Wir hatten keine Angst, daß nicht dasjenige, was sie verderben, wieder gutgemacht werden kann durch ein anderes. Aber es stellte sich dabei die Sache so heraus, daß, als unser Freund Emil Molt die Waldorfschule in Stuttgart begründete, zunächst das Hauptkontingent der Kinder die Proletarierkinder seiner Fabrik waren.
We wilden zeer zeker geen school op basis van een wereldbeschouwing oprichten. Dat zou men gemakkelijk kunnen denken als men hoort zeggen: de antroposofen hebben een school opgericht. — Nee, het gaat erom antroposofie pedagogisch in praktijk te brengen.
Daarom was het mij ook betrekkelijk om het even om het toppunt van het wereldbeschouwingsleven, de religieuze wereldbeschouwing gewoon aan de overeenkomstige vertegenwoordigers van de traditionele geloofsbekentenissen over te laten. En zo konden we dan het katholieke godsdienstonderwijs rustig aan de katholieke priester, het protestantse aan de protestantse dominee overlaten. We waren bang dat we niet dat wat zij aan uiterlijke invloeden fout zouden kunnen doen, niet weer zouden kunnen goedmaken. Maar de zaak verliep zo dat toen onze vriend Emil Molt de vrijeschool, de ‘Waldorfschule’ in Stuttgart oprichtte, het grootste deel van de kinderen uit de arbeidersgezinnen van zijn fabriek kwam.
Es waren zum großen Teil Dissidentenkinder, Kinder die, wenn sie in eine andere Schule gegangen wären, eben an gar keinem Religionsunterricht teilgenommen hätten, die religionslos aufgewachsen wären. Für die stellte sich sowohl bei den Kindern selbst in der Art, wie das eben bei Kindern in Erscheinung treten kann, wie bei den Eltern der Kinder das Bedürfnis ein, nun doch so etwas zu haben, und da mußten wir doch unseren freien Religionsunterricht für die Kinder einrichten. Er wird dann, geradeso wie der evangelische Unterricht vom evangelischen Pfarrer, der katholische Unterricht von einem katholischen Priester erteilt wird, von unseren Lehrern erteilt, die sich dann auch als gegenüber dem übrigen Lehrplan zugelassene Religionslehrer betrachten. So wird dann anthroposophischer Religionsunterricht erteilt. Und wir haben es dazu gebracht, daß dieser freie, anthroposophische Religionsunterricht, heute schon für viele andere Kinder auch, aber gerade sehr Vielversprechendes für Proletarierkinder bedeutet. Da tritt nun eine besondere Schwierigkeit auf; denn wir haben eine
Dat waren voor het grootste deel ‘dissidente’ kinderen, kinderen die als zij naar een andere school waren gegaan, helemaal niet aan het godsdienstonderwijs hadden deelgenomen. Ze zouden zonder religie zijn opgegroeid. Zowel bij de kinderen zelf, op de wijze zoals dat bij kinderen kan gebeuren, als bij hun ouders ontstond de behoefte nu toch ook iets dergelijks te hebben. Toen moesten wij aan de kinderen vrij godsdienstonderwijs gaan geven. Die lessen worden dan, net als de evangelische lessen door een evangelische dominee, de katholieke lessen door een katholieke priester gegeven worden, door onze leraren gegeven, die zichzelf dan ook beschouwen als volgens het leerplan toegelaten godsdienstleraren. Zo wordt dan antroposofisch godsdienstonderwijs gegeven. En nu is het dan zover dat dit vrije, antroposofische godsdienstonderwijs tegenwoordig ook al voor vele andere kinderen, maar vooral voor arbeiderskinderen, heel veel betekent. Nu doet zich een bijzondere moeilijkheid voor, want de
Blz. 147 vertaald/160
Anthroposophie für Erwachsene, und der Lehrer hat heute, wenn er seinen anthroposophischen Religionsunterricht erteilt, nun damit zu ringen, für dasjenige, was er da mit den Kindern durchzunehmen hat, Inhalte zu schaffen. Es ist dasjenige, was anthroposophische Weltanschauung ist, erst in die Form zu gießen, in der es an das Kind herangebracht werden kann. Und an dieser Bearbeitung, nun einer modernen, dem Menschengeiste entsprechenden Weltanschauung für das Kind, arbeiten wir vielfach. Da ist es in der Tat notwendig, tief einzugehen, wie weit zum Beispiel Symbole, die man gebrauchen muß, auf das Kind wirken, und wie da Imponderabilien in Betracht kommen.
antroposofie is voor volwassenen bedoeld, en voor de leraar is het nu, wanneer hij zijn antroposofische godsdienstonderwijs geeft, een hele worsteling om inhouden te creëren voor wat hij met de kinderen wil behandelen. De antroposofische wereldbeschouwing moet eerst in een vorm gegoten worden die aan het kind kan worden aangeboden. En aan een dergelijke bewerking van een moderne, bij de menselijke geest passende wereldbeschouwing voor het kind werken wij veelvuldig. Daarbij is het inderdaad nodig diep in te gaan op hoe sterk bijvoorbeeld symbolen die je moet gebruiken, op het kind inwerken en hoe daar imponderabilia bij in aanmerking komen. GA 303/146-147 Vertaald/259-160
Blz. 154 vertaald/168
Ich habe gesagt, wie wir selber genötigt waren, auch eine Art anthroposophischen Religionsunterrichtes für die Kinder zu geben. Aber sehr bald stellte sich gerade zu diesem anthroposophischen Religionsunterricht hinzu ein anderes Bedürfnis ein, und wir mußten dazu übergehen, eine Sonntagshandlung einzuführen, die etwas Kultartiges hat und an der die Kinder mit einer großen religiösen Inbrunst teilnehmen. Das Kultmäßige, das im Bilde an den Menschen herantritt, ist ja wirklich etwas, was von der Seite der Anschauung her in das Gemüt, in die religiöse Empfindung sich hineinzieht. Und so übt diese kleine Kultushandlung, die an jedem Sonntagvormittag mit den Kindern vorgenommen wird, auch einen außerordentlich vertiefenden Einfluß auf das Kindergemüt aus.
Ik heb verteld hoe wij zelf genoodzaakt waren ook een soort antroposofische godsdienstles voor de kinderen te geven. Maar al spoedig ontstond naast dit antroposofische godsdienstonderwijs een andere behoefte. We moesten ertoe overgaan een zondagshandeling in te voeren, die iets van een cultus heeft en waaraan de kinderen met grote religieuze innigheid deelnemen. Het cultusachtige, dat in beelden tot de mensen komt, is echt iets wat via het waarnemen in het gemoed, in het religieuze gevoel naar binnen trekt. En zo oefent deze kleine cultische handeling, die we iedere zondagochtend met de kinderen houden, ook een buitengewoon verdiepende invloed uit op het gemoed van het kind. GA 303/154 Vertaald/168
Voordracht 16, Dornach 7 januari 1922
Die ethische und religiöse Erziehung im besonderen
Blz. 294 vertaald/328
Man fühlt sich gedrängt, wenn es heute auch nur aphoristisch geschehen kann, von der ethischen, von der moralisch-religiösen Erziehungskunst zu reden, man fühlt sich ja gerade dann auf der einen Seite gedrängt, an das Allgemein-Menschliche, das als solches Allgemein-Menschliches über die ganze Erde hin ausgebreitet ist und den Unterschied von Völkern und Rassen nicht kennt, an dieses Allgemein-Menschliche zu appellieren. Man weiß aber auch auf der anderen Seite, daß es schier unmöglich ist, gerade auf diesen Gebieten, die so sehr mit dem Inneren des Menschen zu tun haben, heute schon von einem allgemein menschlichen Gesichtspunkte aus so zu sprechen, daß man von den Angehörigen aller Nationen restlos verstanden werden könnte. Denn man braucht sich es nur an einem Beispiel einmal zu veranschaulichen
Je voelt dringend de behoefte, ook al kun je dat nu slechts kernachtig doen, over de ethische, over de moreel-religieuze opvoedkunst te spreken. Enerzijds voel je je juist dan gedrongen te appelleren aan het algemeen menselijke, het algemeen menselijke dat als zodanig over de hele aarde is verspreid en het onderscheid tussen volkeren en rassen niet kent. Anderzijds weet je echter ook dat het welhaast onmogelijk is juist op deze gebieden, die zo sterk met het innerlijk van de mens te maken hebben, tegenwoordig al vanuit een algemeen menselijk gezichtspunt zo te spreken dat je door de inwoners van alle naties volkomen begrepen kunt worden. Want je hoeft maar door een voorbeeld aan te tonen hoe
Blz. 295
wie differenziert die Menschen über die Erde hin in bezug auf ihre moralischen Empfindungen und in bezug auf ihre religiösen Lebensauffassungen sind, und man wird schon sehen, wie beengt man sich fühlt, wenn man an irgendeinem Punkte der Erde über das ethisch-religiöse Gebiet sprechen will, weil einfach gerade dieses mit dem Innersten des Menschen so eng zusammenhängende Gebiet nur richtig verstanden werden kann, wenn es aus Volkstum und aus Religionsbekenntnis heraus verstanden wird.
In bezug auf alles, was ich bisher schon vorgebracht habe, konnte
ich etwas viel mehr Allgemein-Menschliches sagen, als ich Ihnen heute
werde sagen können. Anthroposophische Weltanschauung ist einmal
dazu da, um die verschiedensten Brücken zu schlagen über dasjenige
hin, was die Menschen in Nationen, in Rassen und so weiter trennt.
Sie fühlt sich ihrer tiefsten Anlage nach gedrungen, durchaus international zu sprechen. Und sie fühlt es daher auch ganz besonders, wie schwierig es ist, über die intimsten Gebiete des menschlichen Lebens gerade im Sinne der heutigen Zivilisation der Erde – und das ist ja nun schließlich die Wirklichkeit, mit der wir es in der Gegenwart zu tun haben -, gerade im Sinne der heutigen Zivilisation über die Erde hin zu sprechen. Daher werde ich Sie bitten müssen, dasjenige, was ich heute vorbringe, durchaus von dem eben angedeuteten Gesichtspunkte aus zu fassen. Denn, wie gesagt, man braucht sich nur an einem Beispiel klarzumachen, wie differenziert die Menschen in bezug auf das
Charakterisierte sind.
verschillend de mensen over heel de aarde met betrekking tot hun religieuze levensopvattingen zijn. En je ziet al hoe beperkt je je voelt als je waar dan ook op een of ander punt op aarde over het ethisch-religieuze gebied wilt spreken, omdat juist dit met het meest innerlijke van de mens gewoonweg zo nauw samenhangende gebied alleen goed begrepen kan worden als het vanuit de volksaard en de religieuze opvatting begrepen wordt. Met betrekking tot alles wat ik tot nu toe al ter sprake heb gebracht, kan ik iets veel meer algemeen-menselijks vertellen dan ik u vandaag zal kunnen zeggen. De antroposofische wereldbeschouwing is er nu eenmaal om de meest uiteenlopende bruggen te slaan tussen alles wat de mensen in naties, in rassen enzovoort scheidt. Zij voelt zich in haar diepste aanleg gedrongen absoluut internationaal te spreken. En ze voelt dan ook heel sterk hoe moeilijk het is om te spreken over de intiemste gebieden van het menselijk leven juist in de zin van de huidige beschaving van de aarde — en dat is toch uiteindelijk de werkelijkheid waarmee we tegenwoordig te maken hebben -, juist in de zin van de huidige beschaving overal op aarde. Vandaar dat ik u zal moeten verzoeken dat wat ik vandaag ter sprake breng, beslist vanuit het zojuist aangegeven gezichtspunt op te vatten. Want, zoals gezegd, je hoeft maar aan de hand van een voorbeeld duidelijk te maken hoe verschillend de mensen zijn met betrekking tot wat hier genoemd wordt. GA 303/294-295 Vertaald/328
Blz. 297 vertaald 331
Und man muß, wenn man für die Menschheit auf der Erde überhaupt Verständnis gewinnen will in bezug auf ihre ethisch-religiösen Ziele, sich auf der einen Seite die Vorurteilslosigkeit aneignen, nicht irgendein Ideal an sich für wertvoller zu halten als das andere, sondern ein jedes nur verstehen zu wollen. Man muß auf der anderen Seite aber auch versuchen, ein jedes zu verstehen.
Aber gerade das will anthroposophische Weltanschauung, daß die Menschen die Möglichkeit gewinnen, sich über die Erde hin zu verständigen. Sie will daher eine, zwar nicht im physischen Sinne gemeinte, aber doch eine Sprache sprechen, welche auch gegenüber der heutigen, unmittelbar gegenwärtigen Zivilisation überall verstanden werden kann. Das wird heute natürlich nur in eingeschränktem Maße der Fall sein können. Aber gerade dann, wenn wir dieses eingeschränkte Maß beobachten wollen, werden wir zu dem hingeführt werden können, was uns dann die Sache von einem etwas weiteren Gesichtspunkte empfinden läßt.
En je moet, als je voor de mensheid op de aarde überhaupt begrip wilt krijgen met betrekking tot hun ethisch-religieuze doelstellingen, je enerzijds de onbevangenheid eigen maken om niet het ene ideaal op zich als waardevoller te beschouwen dan het andere, maar beide te willen begrijpen. Je moet anderzijds ook proberen beide idealen te begrijpen. Maar dit is precies wat de antroposofische wereldbeschouwing wil, dat de mensen de mogelijkheid ontwikkelen elkaar overal op aarde te verstaan. Ze wil daarom een, weliswaar niet in de fysieke betekenis bedoelde, maar toch een taal spreken die ook tegenover de huidige, direct aanwezige beschaving overal verstaan kan worden. Dat zal tegenwoordig natuurlijk slechts in beperkte mate het geval kunnen zijn. Maar juist als wij deze beperkte mate willen beschouwen, kunnen we daar heen geleid worden, wat ons dan de zaak vanuit een wijder perspectief laat ervaren. Want zodra je eenmaal wat hier gezegd is helder inziet, wordt het je direct duidelijk hoe weinig wij eigenlijk op ethisch-religieuze manier kunnen bereiken als wij bepaalde religieuze inhouden of zelfs al ethische inhouden aan de kinderen leren. We zouden de kinderen dan hoogstens tot christenen of tot joden, tot katholieken of tot protestanten kunnen opvoeden, in de zin zoals wij dat zelf zijn. Maar uit iedere opvoedkunst moet buitengesloten worden dat we ernaar streven de mensen zo op te voeden dat zij zoals wijzelf worden. GA 303/297 Vertaald/331
Blz. 299 vertaald 334
An das Inhaltliche von Weltauffassungen, Religionsbekenntnissen, ethischen Impulsen, werden wir uns also, wenn wir ein ethisch-religiöses Leben wirklich heranerziehen wollen, nicht halten können. Wir werden vielmehr das Innere des Menschen so ergreifen müssen, daß er sich in der Weise, wie es ihm nach seiner Lebenssituation, man möchte sagen, vom Schicksal aufgegeben ist, in einer freien Weise in dasjenige hineinfindet, was er auf diesem Gebiete mit seinen Mitmenschen Gemeinsames haben muß, damit er mit ihnen sozial zusammenwirken kann. Also werden wir, wenn wir eine ethisch-religiöse Erziehung geben wollen, zunächst nicht an die Erkenntnis appellieren müssen; denn die
Aan het inhoudelijke van wereldbeschouwingen, geloofsbelijdenissen, ethische impulsen zullen we ons dus, als we de kinderen werkelijk een ethisch-religieus leven door opvoeding willen bijbrengen, niet kunnen houden. Veeleer zullen we het innerlijk van de mens zo moeten aangrijpen dat hij op de manier zoals die hem al naargelang zijn levenssituatie, laat ik zeggen, door het noodlot gegeven is, op een vrije manier vertrouwd raakt met wat hij op dit gebied met zijn medemensen gemeenschappelijk moet hebben om met hen sociaal te kunnen samenwerken. Dus zullen we, als we een ethisch-religieuze opvoeding willen verzorgen, in eerste instantie niet aan de kennis moeten appelleren. Want kennis
Blz. 300 vertaald 334-335
Erkenntnis ist ja gerade dasjenige, was uns zwar die Inhalte abgibt, was uns aber keine Möglichkeit gibt, uns in ein intim Seelisches hineinzuleben. Dennoch aber, indem wir die Erkenntnis, indem wir das Denken von den drei Seelenkräften Denken, Fühlen und Wollen in der Schule werden pflegen müssen, werden wir auch dem Denken gegenüber uns klar sein müssen, daß dieses Denken wird einmünden müssen in ein religiöses, in ein ethisch-sittliches Ziel. Dasjenige, an das wir uns werden halten müssen bei der sittlichen, bei der moralisch-religiösen Erziehung, das wird das menschliche Fühlen sein. Auch das Wollen kann es nicht unmittelbar sein; denn in bezug auf sein Wollen wird der Mensch in die Sozietät hineingestellt, und dasjenige, was er im Wollen vollbringen muß, wird vielfach durch diese Sozietät und ihre Forderungen bestimmt. Weder an das Denken, das die eindeutige Richtung geben will, noch an das Wollen, welches seine Impulse aus der Sozietät aufnehmen muß, können wir uns wenden, wohl aber besonders an das Fühlen, das in einer gewissen Beziehung jeder Mensch für sich hat.
is nou juist dat wat ons weliswaar van inhoud voorziet, maar wat ons geen mogelijkheid biedt ons op een intiem psychisch element in te leven. Maar toch, doordat we de kennis, doordat we het denken van de drie zielenkrachten denken, voelen en willen in de school zullen moeten verzorgen, zal het voor ons ook wat betreft het denken helder moeten zijn dat dit denken zal moeten uitmonden in een religieus, in en ethisch-moreel doel. Waar we ons aan zullen moeten houden bij de morele, bij de moreel-religieuze opvoeding, dat zal het menselijk voelen zijn. Ook het willen kan het niet rechtstreeks zijn; want met betrekking tot zijn willen wordt de mens in de maatschappij gezet, en dat wat hij in het willen tot stand moet brengen, wordt veelal door deze maatschappij en haar eisen bepaald.
Noch tot het denken, dat de eenduidige richting wil aangeven, noch tot het willen, dat zijn impulsen uit de maatschappij moet oppakken, kunnen we ons wenden; wel echter tot het voelen, dat ieder mens in zekere zin voor zichzelf heeft.
Und wenn wir an das im Unterricht und in der Erziehung appellieren, dann werden wir diejenigen Kräfte in der Menschenseele treffen, die moralisch und religiös zu fassen sind. Aber wir müssen doch den Unterricht über Denken, Fühlen und Wollen ausdehnen. Wir müssen gleichmäßig alle Seelenkräfte ausbilden. Wir können selbstverständlich nicht das Denken nur so ausbilden, daß es eine Sache für sich ist, und auch das Wollen können wir nicht so ausbilden, daß es eine Sache für sich ist, sondern wir werden das Gefühlsleben in das Denken und in das Wollen gerade zum Ziele der Erziehung und des Unterrichts hineintragen müssen. Und da kann uns in bezug auf das Denken nur eine auf anthroposophische Grundlage gestellte Welt- und Menschenerkenntnis entgegenkommen; denn diese, auf solche Grundlage gestellte Welt- und Menschenerkenntnis, darf durchaus auf einer physischen Grundlage aufbauen. Sie darf in unbefangener Weise Physik, Chemie und so weiter pflegen, ohne daß der Mensch diese Dinge so pflegt, daß er von ihnen nicht aufsteigen könnte, indem er sich in den Gedankeninhalt vertieft, der ihm von der Welt gegeben wird, zu einer geistigen, zu einer übersinnlichen
En als we daaraan in onderwijs en opvoeding appelleren, dan zullen we die krachten in de ziel van de mens oproepen die moreel en religieus te vatten zijn. Maar we moeten het onderwijs toch uitbreiden over denken, voelen en willen. We moeten gelijkmatig alle zielenkrachten ontwikkelen. Vanzelfsprekend kunnen we niet het denken slechts zo ontwikkelen dat het op zichzelf staat, en ook het willen kunnen we niet zo ontwikkelen dat het op zichzelf staat; nee, we zullen het gevoelsleven in het denken en in het willen moeten brengen, juist als doel van onze opvoeding en ons onderwijs. En daarbij kan ons wat betreft het denken alleen een op antroposofische grondslag geplaatst inzicht in mens en wereld tegemoetkomen. Want deze op zo’n basis geplaatst inzicht in mens en wereld mag beslist op een fysieke basis zijn gebaseerd. Ze mag op onbevangen wijze natuurkunde, scheikunde enzovoort beoefenen zonder dat de mens deze dingen zo beoefent dat hij daarvan, doordat hij zich verdiept in de gedachte-inhoud die hem door de wereld gegeven wordt, niet zou kunnen opstijgen naar een geestelijke, naar een bovenzinnelijke
Blz. 301 vertaald 335-336
Welt. Und indem er von der Erkenntnis aus zu der geistig-übersinnlichen Welt kommt, wird eben nicht bloß sein Denken in Anspruch genommen, sondern auch sein Gefühl; denn in demselben Momente, wo wir die Erkenntnis in dieser Art bis zum Übersinnlichen weit genug treiben, beginnen wir ein moralisches Verhältnis zu den Weltengründen, zu den übersinnlichen Wesenheiten zu bekommen. Und dieses Gefühl, das ist das erste Element unter den drei Seelenelementen, an das wir für die moralisch-religiöse Erziehung appellieren müssen. Es ist dieses Gefühl das Gefühl der Dankbarkeit. Dieses Gefühl der Dankbarkeit, das in einer gewissen Beziehung in unserem heutigen Erziehungswesen eine ziemlich unbewußte Rolle spielt, ist dasjenige, was wir ganz systematisch in allen seinen Formen vom Beginne der Schulerziehung heranentwickeln müssen in den einzelnen Stücken des konkreten Lebens, wo wir versuchen sollen, schon in dem Kinde allem gegenüber, das ihm gegeben wird, das Dankbarkeitsgefühl zu entwickeln.
wereld. En doordat hij vanuit het inzicht tot de geestelijk-bovenzinnelijke wereld komt, wordt niet alleen op zijn denken een beroep gedaan, maar ook op zijn gevoel. Want op hetzelfde moment waarop we het inzicht op deze wijze ver genoeg voeren tot in het bovenzinnelijke, beginnen we een morele verhouding te krijgen tot de wereldgronden, tot de bovenzinnelijke wezens. En dit gevoel is het eerste element onder de drie zielselementen waaraan we voor de moreel-religieuze opvoeding moeten appelleren. Dit gevoel is het gevoel van dankbaarheid. Dit gevoel van dankbaarheid, dat in zeker opzicht in onze huidige opvoeding een tamelijk onbewuste rol speelt, is dat wat we heel systematisch in al zijn vormen vanaf het begin van de schoolopvoeding moeten aanleren in de verschillende delen van het concrete leven, waar we moeten proberen al in het kind het dankbaarheidsgevoel te ontwikkelen jegens alles wat hem gegeven wordt.
Und wenn dieses Dankbarkeitsgefühl in der richtigen Weise entwickelt wird, dann steht es so da im Seelenleben, daß es bis in die höchsten Gebiete der Weltgesetzmäßigkeit’ die wir durch die Erkenntnis gewinnen, hinaufgehen kann. Dann fühlt der Mensch die Natur um sich herum, lernt deren Gesetze kennen, sieht sich dann als Mensch in diese Natur hineingestellt, lernt wissen, daß dasjenige, was er mit seinen Sinnen von dieser Natur erkennen lernt, ihn niemals zum Menschen machen würde, sondern er lernt eine solche Menschenwissenschaft erkennen, die ihn auf dasjenige hinweist, was über die Natur hinausgeht und doch durch Erkenntnis sich erreichen läßt. Er fühlt als Mensch in sich nicht nur eine alles überschreitende, universelle Gesetzmäßigkeit der Welt, er fühlt ein Wesenhaftes der Welt im Geiste, und seine Erkenntnis beginnt da von selbst in das Dankbarkeitsgefühl überzugehen gegenüber denjenigen Wesen, die ihn in die Welt hereingestellt haben, gegenüber den übersinnlichen Wesen; zu dem Dank gegenüber dem göttlichen Wesen erweitert sich die Erkenntnis. Und keine Erkenntnis ist dem jungen Menschen richtig beigebracht, die nicht zuletzt in Dankbarkeitsgefühle gegenüber der übersinnlichen Welt ausquillt.
En als dit dankbaarheidsgevoel op de juiste manier wordt ontwikkeld, dan is het zo in het zielenleven aanwezig dat het tot in de hoogste gebieden van de wereldwetmatigheid, die we door kennis verkrijgen, kan opgaan. Dan voelt de mens de natuur om zich heen, leert de wetten ervan kennen, ziet zich dan als mens in de natuur geplaatst, leert weten dat wat hij met zijn zintuigen over deze natuur leert kennen hem nooit tot mens zal maken. Maar hij leert een menswetenschap kennen die hem erop wijst wat boven de natuur uitgaat en toch door inzicht te bereiken is. Hij voelt als mens in zich niet alleen een alles overschrijdende, universele wetmatigheid van de wereld, hij voelt iets wezenlijks van de wereld in de geest, en zijn inzicht begint daar vanzelf over te gaan in het dankbaarheidsgevoel jegens de wezens die hem in de wereld hebben gezet, jegens de bovenzinnelijke wezens. Het inzicht breidt zich uit tot de dank jegens de goddelijke wezens. En geen enkele kennis wordt de jonge mensen goed bijgebracht die niet uiteindelijk in dankbaarheidsgevoelens jegens de bovenzinnelijke wereld uitstroomt.
Blz. 302 vertaald 336-337
Das erste also, was uns innerhalb der drei Elemente des menschlichen Seelenlebens in das ethisch-religiöse Gebiet hinleitet, das wir heranerziehen müssen, ist das Dankbarkeitsgefühl; das schließt auch sonst im Leben schon die Erkenntnis ein; denn wir müssen eine erkenntnismäßige Anschauung von dem haben, wofür wir dankbar sein sollen. In Dankesgefühlen umschlingt das Gefühlsleben schon im äußerlich praktischen Leben das Erkenntnisleben. Und so appellieren wir nicht an irgendwelches Übermitteln eines traditionellen Religionsbekenntnisses – das überlassen wir eben dem besonderen Religionsunterricht, der dann aber auch in der richtigen Weise sich in das Leben hineinstellen kann, wenn ihm in dieser Weise vorgearbeitet wird -, wir appellieren zunächst mit Bezug auf das Denken an das Dankbarkeitsgefühl. Und wenn wir dann an das eigentliche Gefühlsleben herantreten, dann entdecken wir im Gefühlsleben erst in der rechten Weise dasjenige, was nun das menschliche Innenleben aus sich selbst herausführt, das menschliche Innenleben in die äußere Welt hineinführt. Im Dankbarkeitsgefühl stehen wir den anderen Wesen gegenüber. Wenn wir aber mit unserem eigenen Leben uns in das andere Wesen so hineinfinden, daß wir es in einem gewissen Sinne miterleben, dann entwickelt sich für das Gefühlsleben dasjenige, was wir die Liebe nennen in Wirklichkeit.
Dus het eerste wat ons binnen de drie elementen van het menselijke zieleleven het ethisch-religieuze gebied binnenvoert, wat we door opvoeding moeten bij brengen, is het dankbaarheidsgevoel. Dat sluit dat inzicht ook in de andere facetten van het leven in. Want we moeten een op inzicht gebaseerde opvatting hebben van dat waarvoor we dankbaar moeten zijn. In dankgevoelens omhelst het gevoelsleven in het uiterlijke praktische leven al het kennisleven, het inzicht. En zo appelleren we niet aan het overbrengen van een traditionele religieuze belijdenis — dat laten we gewoon aan het speciale religieuze onderwijs over, dat zich echter ook op de juiste manier in het leven kan plaatsen wanneer op deze manier het voorwerk ervoor wordt gedaan —; we appelleren in eerste instantie met betrekking tot het denken aan het gevoel van dankbaarheid. En als we dan het eigenlijke gevoelsleven betreden, dan ontdekken we in het gevoelsleven pas op de juiste wijze wat nu het menselijk innerlijk leven uit zichzelf wegvoert, het menselijk innerlijk leven in de uiterlijke wereld binnenvoert. In het dankbaarheidsgevoel staan we tegenover de andere wezens. Maar als we met ons eigen leven zo met het andere wezen vertrouwd raken dat we het in zekere zin meebeleven, dan ontwikkelt zich voor het gevoelsleven datgene wat we liefde in de ware zin van het woord noemen.
Die Liebe ist das zweite Element, das gepflegt sein will im
Hinblicke auf das moralisch-religiöse Leben. Die Liebe, die wir in der
Schule pflegen können, praktisch dadurch, daß wir alles tun, damit die
einzelnen Schulkinder untereinander sich lieben; die Liebe, der wir
eine feste Grundlage geben, wenn wir dasjenige, was aus dem Nachahmungsprinzip zum Autoritätsprinzip geworden ist zwischen dem
neunten und zehnten Lebensjahre, so übergehen lassen können durch
unser ganzes Gebaren in der Schule, daß die Autoritätsempfindung sich
ganz allmählich in die Liebe-Empfindung, in die wahre Liebe-Empfindung, die mit Hochachtung verknüpft ist, gegenüber dem Lehrer und
Erzieher verwandeln.
Dann begründen wir ein Zweifaches für das Leben. Wir begründen
dasjenige, was in einem uralten Wahrspruch enthalten ist: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst.» Da wir aber zu gleicher Zeit die Dank-
De liefde is het tweede element dat verzorgd wil worden met het oog op het moreel-religieuze leven. De liefde die we op school kunnen verzorgen, praktisch kunnen verzorgen door alles te doen om ervoor te zorgen dat de schoolkinderen elkaar liefhebben; die liefde die we een vaste basis geven als we datgene wat uit het nabootsingsprincipe tot autoriteitsprincipe geworden is, tussen het negende en tiende jaar zo kunnen laten overgaan door onze hele manier van doen op school, dat we het autoriteitsgevoel heel geleidelijk omvormen tot het liefdegevoel, tot het ware liefdegevoel, dat met eerbied verbonden is, jegens de leraar en de opvoeder.
Dan leggen we voor het leven de basis voor twee dingen. We leggen de basis voor wat in een oeroude kernspreuk is overgeleverd: ‘Heb je naasten lief als jezelf. Maar omdat we gelijktijdig de dankbaarheid ontwikkelen en deze dankbaarheid
Blz. 303 vertaald blz. 337
barkeit entwickeln, und diese Dankbarkeit uns hinüberweist zur Erkenntnis der Welt, so fügt sich zu diesem: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst» hinzu das: «Liebe das göttliche Wesen über alles.» Solche Wahrsprüche sind heute natürlich jedem geläufig, denn sie klingen aus uralten Jahrhunderten zu uns herüber; aber darauf kommt es nicht an, daß wir sie in theoretischem Denken wiederholen, sondern daß wir aus unserer unmittelbaren Gegenwart heraus – und in jedem Zeitalter wird ja das Leben der Menschheit ein neues – die Mittel finden, sie wiederum praktisch in das Leben hineinzustellen. Das heutige Leben betont immer: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst und Gott über alles.» Man kann nicht viel davon sehen! – Gerade das Schulleben wird dazu beitragen müssen, daß diese Dinge nicht bloß besprochen werden, daß sie wiederum belebt werden.
ons doorverwijst naar het inzicht in de wereld, dan voegt zich bij dit ‘Heb je naasten lief als jezelf het ‘Heb het goddelijk wezen lief boven alles’.
Dergelijke kernspreuken zijn tegenwoordig natuurlijk voor iedereen heel bekend, want ze klinken ons uit oude tijden tegemoet. Het gaat er echter niet om dat we ze in een theoretisch denken herhalen, maar dat we vanuit onze directe aanwezigheid – en in ieder tijdperk wordt het leven van de mensheid nieuw – de middelen vinden hen weer praktisch in het leven te plaatsen. Het leven van tegenwoordig benadrukt steeds: ‘Heb je naasten lief als jezelf en God boven alles”. Daar is nu niet veel van te zien! Juist het schoolleven zal er een bijdrage aan moeten leveren dat deze dingen niet alleen besproken worden, maar dat ze weer tot leven gewekt worden. GA 303/299 Vertaald/337
Fragenbeantwortung
Beantwoorden van vragen
Dornacht, 1 januari 1922
Het gaat om ‘slecht gedrag van de leerlingen’. Steiner gaat dan in op ‘de schuld geven’, een vorm van ‘zonde’. ‘Zonde’ is ook iets wat een onderwerp in het godsdienstonderwijs zou kunnen zijn. Daarover zegt Steiner:
Blz. 318 vertaald/353
( ) dieses Beibringen eines solchen Verständnisses für die Sünde würde etwas in die Seele des Kindes gießen, was das ganze Leben hindurch bliebe als eine gewisse Unsicherheit im Leben. Ich möchte sagen, wenn ich mich psychoanalytisch ausdrücken will, eine verborgene Seelenprovinz würde man schaffen, die im wirklichen Leben dann eine Art Vakuum schaffen würde, eine Art Seelenprovinz, die gewissermaßen immer eine Leere in sich hat und eine Schwäche bedeutete gegenüber einem mehr tatkräftigen Zugreifen im Leben.
Maar juist dit we willen dit nu echt zonder religieus vooroordeel bezien —, juist dit aanleren van een dergelijk begrip van zonde zou iets in de ziel van het kind gieten wat het hele leven lang als een bepaalde onzekerheid aanwezig zou blijven. Ik zou willen zeggen, als ik mij psychoanalytisch wil uitdrukken, je zou een verborgen zielsgebied creëren dat in het werkelijke leven dan een soort vacuüm zou scheppen, een soort zielsgebied dat in zekere zin altijd leegte in zich zou hebben en een zwakte zou betekenen in plaats van een meer daadkrachtige aanpak van het leven. GA 303/318 Vertaald/353
Oud-vrijekleuterleidster Dieuwke Hessels over allerlei aspecten van Moeder Aarde. Omdat er verschillende raakvlakken bestaan met bv. de vertelstof op de vrijeschool – o.a. sprookjes en de Germaanse mythologie – en omdat ook “Maria-Lichtmis’ ter sprake komt – een feest dat vaak in de kleuterklassen wordt gevierd, kan het tot een bepaalde verdieping leiden. .
Dieuwke Hessels .
Inleiding op:
Moeder Aarde door de eeuwen heen
Vrouw Holle en Maria-Lichtmis waren de aanleiding om eens uit te pluizen hoeveel “moeders aarde” er zijn, zijn geweest, vanwaar komen deze godinnen en gaat Moeder Aarde door culturen, landsgrenzen heen, zijn er heden ten dage nog rituelen om Moeder Aarde te vieren?
Hoe is de eerdere aardeontwikkeling gegaan, volgens bronnen nog van Atlantis?
Een leuke onderneming is het geworden; een bloemlezing aan artikelen en afbeeldingen van Moeder Aarde. Om te lezen en niet te vergeten hoe belangrijk zij is….
In Nederland leven miljoenen mensen van allerlei culturen, dicht op elkaar. Elkaar weten te vinden door alle geloven en standpunten heen en trouw te blijven aan ieders eigen cultuur en ook om begrip te hebben voor elkaar, is een mooie opgave. Denk aan jaarfeesten: hoe en welke, waar vind je gelijke stemming, kunnen we tot elkaar komen. Een aantal feesten vindt haar oorsprong in voorchristelijke tijden, toen mensen meer één waren met de natuur, met Moeder Aarde.
Ik neem jullie mee aan de hand van onderstaande artikelen:
Een enkele opmerking in blauw is van mij, phaw
Van jaarfeesten op vrijescholen, <1> Een site over ‘Kleur op school’, <2> en dan: De geschiedenis van Internationale Moeder Aarde Dag <3> Het verzorgen en zorgen om Moeder Aarde, <4> Naar de aardeontwikkeling tot nu toe, <5> Naar de Moeders Aarde bij de natuurvolkeren, <6> Het jaarwiel bij Wicca, <7> Verering van Moeder Aarde in vroegere tijden bij de Indianen, <8> Uit Asgard en Midgard, <9> Hindoeisme en Maori, <10> Godinnenplaatjes, <11> Een schildering, <12> Een lied, <13> Een artikel over de koppeling Moeder Aarde en Maria Lichtmis, <14> en als laatste een artikel: Wat Moeder Aarde ons en onze kinderen kan leren. <15>
Kortom: Godinnen Moeders Aarde om te ontdekken en te koesteren en om trots op te zijn: Moeder Aarde was, is én blijft ontzettend belangrijk: waar zouden we zijn zonder haar…
Jaarfeesten: <1> Op de vrijescholen wordt gedurende een schooljaar stilgestaan bij de verschillende jaarfeesten, vaak van christelijke oorsprong, die er zijn, Wellicht vraagt de tijd om een andere aanpak van jaarfeestvieringen aangezien de schoolpopulatie veranderd is, pluriformer, en vraagt om een hernieuwde kijk op deze jaarfeesten. Daarover schreef Eveline Clignett op haar “Waldorfmama” pagina, een artikel met onder andere het volgende:‘Sinds ik mij door mijn blogs, de online Jaarfeestencursus en de lessen die ik geef op de Academie voor Ouders in Zutphen steeds meer verdiep in de jaarfeesten en mij daarnaast steeds meer bezig houd met modern, open minder, goed en inclusief waldorfonderwijs, groeit in mij de wens om met een vernieuwende blik naar de feesten te kijken.
What’s in a name? We vieren op Nederlandse waldorfscholen graag Pinksteren, Kerstmis, Sint-Jan en Sint-Maarten. Allemaal feesten met een christelijke naam. Dat is soms best verwarrend, want zo lijkt Waldorf een christelijke grondslag te hebben door de gevierde feesten. En eigenlijk klopt dat niet (niet helemaal tenminste).
Veel vrijeschoolse jaarfeesttradities vinden hun oorsprong in natuurreligieuze vieringen, verbonden aan de in- en uitademingsfase van het jaarritme. Het doel van de jaarfeesten op een Waldorfschool is, als ik Steiner goed begrijp, niet verbonden aan de christelijke feesten, maar vooral met dat ademhalingsritme en de cyclus van de aldoor zich afwisselende seizoenen. Er is een verschil tussen hoe je de jaarfeesten persoonlijk en op school viert. Op school wordt er vaak voor een beeld gekozen en daaromheen is een mooie dag met verhalen, liederen, een inhoudelijke boodschap, natuurverbondenheid en plezier. Voor de opvoeder ga je op een veel dieper niveau met de jaarfeesten aan de slag. De jaarfeesten bieden dan de mogelijkheid voor persoonlijke ontwikkeling. Voor die persoonlijke verbinding kan je natuurlijk gaan voor een esoterische/Christelijke inslag (waar een mooi boekje over bestaat van voordrachten van Steiner), maar dat hoeft niet. Is het de door de katholieke kerk bedachte naam die invulling geeft aan een feest? Of gaat het juist om de inhoudt, om de bewuste blik naar je persoonlijke ontwikkeling en de ontwikkeling van de mensheid?
Realiteit De realiteit is dat in het oorspronkelijke pedagogische concept van de Waldorfschule helemaal niet zoveel te vinden is over dat belang van de jaarfeesten. Maar als je op dit moment naar een vrijeschool gaat, zijn die feesten een groot onderdeel van het onderwijsconcept. De kinderen genieten van de feesten, ouders bakken zich een slag in de rondte en de telefoons staan in de aanslag om de sprong over het vuur vast te leggen. Maar het is niet alleen maar fijn. Er worden misschien wel te veel ‘beelden’ tegelijkertijd gevierd, er komen steeds meer feesten bij die gevierd moeten worden om inclusief te zijn, mensen hebben moeite met de kerkelijke stempels en overal hoor je stemmen opgaan dat het enorm veel werk is om die feesten te organiseren en de feesten ook nog eens oppervlakkiger worden. Op zoek naar nieuwe wegen voor een inclusievere vrijeschool en omringt door een enorme rijkdom van jaarfeesten die overal op de wereld gevierd worden, kan ik mij voorstellen dat we een sprong in het diepe mogen wagen. Een sprong naar een nieuw jaarfeestenritme met diepgang, rijkdom en kwaliteit i.p.v. kwantiteit.
Een idee? Wat als we nou de essentie van alle verschillende jaarfeesten samenbrengen en krachtige nieuwe namen vinden voor inclusieve feesten, zouden we daarmee de ramen van de waldorfbubbel open zetten en vernieuwend in de maatschappij van nu staan? Natuurlijk hoef je daarbij niet alles los te laten wat je lief is en kunnen er regionale verschillen zijn. Wie viert met mij begin februari Winterlicht of begin mei de Lentedans? Wie onderzoekt met mij op welke manier we de verwachting tot midwinter kunnen vieren; de Yalda-nacht, de geboorte van Christus en de nieuwe zon? We kunnen samen op zoek gaan naar nieuwe namen. Ik heb een voorstel voor 8 feesten, geïnspireerd op de heidense jaarcyclus.
1 februari – Winterlicht 21 Maart – Lentefeest 1 mei – Mei/lentedans 21 juni – Midzomer 1 augustus – Zomeroogst 21 September – Herfstfeest 1 november – Herfstduister 21 december – Midwinter
Even als voorbeeld: In de natuur is de kalender niet zo streng. Net als nu, zoeken we op scholen naar een geschikte dag rondom deze data. En terwijl we samen het lentefeest vieren met eieren en ontkiemende zaadjes, kan elke traditie worden aangevuld met Paas-, Holi-, Pesach-, Ostara- of Nowroez-elementen. Ja nog steeds is bijvoorbeeld het opstandingsmotief belangrijk. Die achtergrondbeleving geven we mee aan de kinderen, niet doordat we de naam Pasen gebruiken, maar door hoe we inhoud geven aan het feest. Iedereen is welkom licht te brengen in het Herfstduister. Het uithollen van een knol of het maken van lantarentjes past daar uitstekend bij. Elementen van de heilige legende van Sint-Maarten mogen daar niet ontbreken, maar ook elementen van Diwali en Samhain mogen gevierd, net als de lichtjes voor de gestorvenen van Allerzielen en zélfs van Halloween. Natuurlijk zijn er ook speciale dagen die gevierd mogen worden, dagen die niet per se natuurverbonden zijn maar cultuurgebonden. We kunnen samen Koningsdag vieren, Sinterklaas of Keti Koti. Maar 8 keer per jaar vieren we groot feest op school. Grote feesten waar iedereen zich mee verbonden mag voelen.’
Kleur op school
<2>Hieronder een stukje van “Kleur op school”, zij geven de uitdaging om tot wederzijds begrip te komen [en te blijven], een kans door hun hierbij benoemde aanpak in lesmateriaal en tijdschrift. Van: kleuropschool.nl Moeder Aarde wordt door de mensheid al eeuwen gezien als het vrouwelijke deel van de schepping. Ze heeft vele namen. Zo wordt ze ook Moeder Natuur genoemd. Bij de Inuit is de moedergodin: A’akuluujiusi, de oermoeder die dieren kon maken uit haar eigen kleren.
Bij de Grieken was Gaia de Oermoeder en Godin van de natuur. In dit thema gaan we kijken naar hoe wij mensen omgaan met Moeder Aarde. In levensbeschouwelijke zin kijken we naar verleden, heden en toekomst van de aarde, en de betekenis van Moeder Aarde voor de mensheid. Milieu, natuur, klimaatverandering, duurzaamheid, omgaan met de schepping zijn onderwerpen die in deze Kleur op school aan bod komen.
Kleur op School: betekenis geven aan de wereld om je heen.
<3> Wat vind je mooi? Wat is waardevol voor jou? Wat is belangrijk? Wat betekent vriendschap voor jou? En pesten? Waar hoop je op? Waar verlang je naar? Hoe zie je de toekomst? Levensvragen die iedereen persoonlijk kan beantwoorden. Tijdens acht basisschooljaren ontwikkelen kinderen voor een belangrijk deel hun persoonlijkheid, hun identiteit. Kinderen geven voortdurend betekenis of ‘zin’ aan alles wat ze meemaken. Zo ontwikkelen kinderen een levensbeschouwing in wisselwerking met anderen en de wereld om hen heen. De vraag die we kinderen stellen komt altijd terug bij: Wat betekent iets voor jou? Levensbeschouwelijke ontwikkeling heeft dus vooral te maken met betekenisgeving. Kleur op school laat kinderen op open wijze samen betekenissen ontdekken en praten over hoe zij in het leven staan. In een rijke leeromgeving met aandacht voor filosoferen, burgerschap, omgaan met elkaar en de wereld om je heen. Een prettige manier om de levensbeschouwelijke ontwikkeling van kinderen in het basisonderwijs te stimuleren.
<4> De geschiedenis van Internationale Moeder Aarde Dag Wanneer wordt Internationale Moeder Aarde Dag gevierd?
Op 22 april wordt Internationale Moeder Aarde Dag gevierd. Dit betekent de geboorte en verjaardag van een moderne milieubeweging die in 1970 begon. Op 22 april, 51 jaar geleden, gingen mensen in de Verenigde Staten de straat op om te demonstreren en het bewustzijn te vergroten over de verslechtering van het milieu en de negatieve impact die de 150 jaar industrialisatie had op moeder aarde. Deze specifieke gebeurtenis bracht 20 miljoen mensen van verschillende sociale en politieke categorieën samen en het was die keer dat democraten en republikeinen, rijk en arm, studenten, arbeiders en milieugroeperingen zich realiseerden dat ze verenigd zijn wanneer het welzijn van de planeet in gevaar wordt gebracht. De gemeenschappelijke waarden waren een oorlogshandeling tegen het uitsterven van wilde dieren, olielozingen, energiecentrales en vervuilende fabrieken, giftige stortplaatsen, verlies van wildernis, enz. Denis Hayes van Harvard had de rol van nationaal coördinator en werd benoemd door senator Nelson. Hij en zijn staf van 85 personen promootten de evenementen in het hele land voorafgaand aan de geselecteerde datum. In hetzelfde jaar en een paar maanden later leidde de eerste Internationale Moeder Aarde Dag tot de oprichting van EPA (Environmental Protection Agency) in de Verenigde Staten en maakte een passage voor Clean Air, Clean Water, and Endangered Species Acts. Het duurde 20 jaar voordat de milieuleiders over de hele wereld Denis Hayes benaderden en samen een nieuwe grote campagne organiseerden. Deze keer ging Moederdag wereldwijd en mobiliseerde 200 miljoen mensen de straat op in precies 141 landen, wat de weg vrijmaakte voor de VN-aardetop in Rio de Janeiro (Brazilië) in 1992. Het evenement stimuleerde recyclingbewegingen en -inspanningen wereldwijd nog meer. In 1995 ontving senator Nelson de Presidential Medal of Freedom in 1995 voor de rol van de oprichter van Earth Day.
Focussen op de opwarming van de aarde als een serieus probleem met betrekking tot mensen, dieren en het algemene milieu organiseerde Hayes in 2000 samen met 5.000 milieuactivisten een andere, nog grotere campagne die honderden miljoenen mensen in 184 landen bereikte. Dit is de eerste keer dat internet werd gebruikt als een media-instrument voor promotie. Aan het begin van het millennium werd een luide en duidelijke boodschap naar de wereldleiders gestuurd dat snelle acties nodig zijn om de opwarming van de aarde en het gebruik van schone energie aan te pakken. Dag van de Aarde in 2010 ondervonden moeilijkheden als gevolg van sterk gefinancierde olielobbyisten, een ongeïnteresseerd publiek en ontkenners van klimaatverandering. Toch slaagde het erin om te zegevieren als een relevante en krachtige stem voor Moeder Aarde. Rond deze tijd werd ‘A Billion Acts of Green’ gestart als een milieudienstproject dat uitgroeide tot ‘The Canopy Project’ met partners in 192 landen in de wereld. De Algemene Vergadering van de VN heeft 22 april in 2009 door middel van een A/RES/63/278-resolutie uitgeroepen tot Internationale Dag van Moeder Aarde. Het belangrijkste doel is het bereiken van een blijvend evenwicht tussen sociale, economische en ecologische behoeften, voor huidige en toekomstige generaties.
Vandaag Internationale Moeder Aarde Dag is een wereldwijd evenement waarbij meer dan 1 miljard mensen uit 192 landen in de wereld een actieve rol spelen in het milieu. Vorig jaar was het 50 jaar geleden dat deze wereldwijde viering van Moeder Aarde plaatsvond. 22 april is een dag van burgerparticipatie en politieke actie. Het ging vooral om het planten van bomen, het opruimen van steden en wegen, het ontmoeten van officiële regeringsvertegenwoordigers, het organiseren van protesten en het ondertekenen van petities. Aan de andere kant hebben officiële instellingen, overheden en bedrijven duurzaamheidsmaatregelen aangekondigd en toezeggingen gedaan voor een groenere toekomst. Wereldgeloofsleiders gebruiken Internationale Moeder Aarde Dag om krachtige boodschappen te sturen dat we de biodiversiteit die we hebben gekregen, moeten beschermen. Earth Day Network hebben aangekondigd dat ze voor het Earth Day-evenement in 2023 de nadruk zullen leggen op: Investeer in onze planeet. Een enorme uitdaging – maar ook een die enorme kansen biedt op dit 53-jarig jubileumevenement. Dit evenement is bedoeld om ons te informeren over hoe we onze kostbare hulpbronnen kunnen herstellen. Er zijn zes voorgestelde activiteiten waaraan u kunt deelnemen ter ere van dit evenement. Je kunt zelfs meedoen aan de internationale moeder-aarde-dagvieringen online.
Hoe kun je Internationale Moeder Aarde Dag vieren?
Hier zijn een paar suggesties over hoe je Internationale Moeder Aarde Dag kunt vieren en de planeet waarop je leeft kunt eren. Natuurlijk mogen deze activiteiten niet eindigen met deze specifieke feestdag en mogen en moeten ze deel uitmaken van je dagelijkse routine.
• Vergeet uw auto voor een dag! Fiets, loop of carpool tijdens het woon-werkverkeer. • Plant een boom, of plant er tien. Niets draagt meer bij aan schone lucht dan planten. • Schakel elk mogelijk factureringssysteem over op e-bills. • Werk de gloeilampen thuis bij met milieuvriendelijke lampen die energie en geld besparen. • Word lid van een lokale milieugroep en doe mee met de activiteiten die ze doen. • Denk eens na over recyclen! U kunt contact opnemen met het dichtstbijzijnde afvalverwerkingsbedrijf en vragen of zij u een prullenbak kunnen leveren om glas, papier en plastic te scheiden. • Begin met afwassen met een vaatwasser en voer deze pas uit als het apparaat vol is. • Kies wat oude kleren die je niet meer nodig hebt en doneer ze aan degenen die het nodig hebben. Dit geldt ook voor alle huishoudelijke artikelen die nog goed werken en die u niet meer gebruikt. • Koop een compostbak waar je de organische bijproducten in doet en gebruik ze later als natuurlijke meststof.
Aardegeschiedenis:
<5> Een blik op de aardeontwikkeling : planeet, bewoning, grootte, kwetsbaarheid. Van: het grotere plaatje.nl
De Geschiedenis van de Aarde
Ons universum is bijna 50 biljoen jaar oud en ontstond uit een idee van de Schepper. De Aarde is ruim 600 miljard jaar oud. Het grootste deel daarvan bestond uit een gasfase, die tot zo’n 70 miljard jaar geleden duurde. Toen kreeg de planeet langzaam haar vaste vorm. Door onszelf wordt onze planeet “Aarde” genoemd, maar in het universum staat zij beter bekend als “Terra” of “Gaia”. Lang geleden werd meestal de naam “Shan” gebruikt. De eerste buitenaardse bezoekers landden meer dan een miljard jaar geleden al op onze planeet, dat was een groep reptielachtigen. Sindsdien is het een komen en gaan. De huidige wereldbeschaving is de derde die ooit bestond. De eerste heette Hyperborea, of Hybornea. Daarover is niet veel meer bekend, maar als we de channeler en contactee Sheldan Nidle mogen geloven (1), ging het hier om een samenleving van intelligente groepen reptielachtigen, dinosaurusachtigen en walvisachtigen. Die laatsten zagen er toen overigens nog heel anders uit dan nu, want ze leefden op het land en “waren volledig met een vacht bedekt, hadden lange snuiten en oren en waren ongeveer 1,50 tot 1,65 meter lang”. Deze drie groepen leefden miljoenen jaren vreedzaam met elkaar samen (2), totdat dit werd verstoord door kwaadaardige bezoekers uit het sterrenbeeld Orion. Het eindigde acht miljoen jaar geleden in een kernoorlog.
Over de tweede beschaving, die bestond uit Atlantis en Lemurië (of Mu), is heel wat meer bekend. Er zijn tal van boeken over geschreven en heel wat mensen weten zich nog dingen over deze periode te herinneren uit een vorig leven. Dit waren technologisch en spiritueel hoogontwikkelde beschavingen, hoger dan wij nu zijn. Lemurië werd gesticht door buitenaardse mensen op een groep grote eilanden in de Grote Oceaan. Atlantis, dat in de Atlantische Oceaan lag, kwam daar later uit voort. Beide beschavingen stonden in contact met buitenaardse naties en leefden honderdduizenden jaren vreedzaam naast elkaar.
Grove schets van de ligging van Atlantis en Mu (Lemurië) Aan het eind van de laatste 26.000-jarige cyclus kwamen Atlantis en Lemurië met elkaar in conflict en werd Lemurië vernietigd door Atlantis. Atlantis zelf ging aan het eind van de laatste 11.500-jarige cyclus ten onder doordat ze te onvoorzichtig werden met technologische experimenten zoals het creëren van lasers. In een periode van ongekende natuurrampen, een scheurende aardkorst en een kanteling van de aardas, werd dit wereldrijk verzwolgen door de zee. Vele Lemuriërs en Atlantianen vluchtten in deze roerige periodes ondergronds en hun nazaten leven daar nu nog steeds. Dit kunstwerk maakte ooit deel uit van de oude Maya-stad Tikal, in Guatemala. Het beeldt waarschijnlijk de ondergang van Atlantis uit. Omdat dit niet in het heersende plaatje paste, nam een Duitse archeoloog het mee naar Duitsland, waar het “toevallig” vernietigd werd in de Tweede Wereldoorlog.
[Over Lemurië en Atlantis heeft Steiner de nodige mededelingen gedaan. Die wijken wel af van bovenstaande tekst]
De groeiende Aarde De Aarde is net als de meeste andere planeten en manen, hol van binnen. De aardkorst is zo’n 1000 km dik, en de zwaartekracht zit in die korst. Er zijn enkele gangen die leiden van de buitenkant naar de binnenkant. Ook zit er op beide polen een groot gat in de korst. De korst is een gatenkaas. Op de meeste plekken zit magma, maar niet overal. Er zijn grotten en spleten van honderden kilometers lang. Aan de binnenkant van de aardbol en in zo’n 120 ondergrondse steden woont een beschaving die veel hoger ontwikkeld is dan wij, Agartha genaamd. De stukken zonder magma worden gebruikt voor verbindingen tussen de satellietsteden en het ‘binnenland’. De meeste steden hebben compleet op zichzelf werkende ecosystemen. Toen de Aarde net haar vaste vorm aangenomen had, was zij veel kleiner dan nu. Onder invloed van de centrifugerende kracht – onze evenaar draait immers met bijna 1700 km/u rond – is de planeet door de jaren heen sterk gegroeid in omvang. Ze groeit nu nog steeds enkele centimeters per jaar. 200 miljoen jaar geleden had zij nog pas een kwart van haar huidige omtrek, waardoor de zwaartekracht ook minder groot was. Hierdoor konden de dinosaurussen zich ontwikkelen tot enorme gevaartes van soms wel 80 ton zwaar. Met de huidige zwaartekracht zouden die onherroepelijk te kampen krijgen met fysieke ongemakken, zoals botbreuken, hartfalen e.d. Destijds zaten alle continenten nog aan elkaar en bedekten ze de hele Aarde. Grote delen van de Aarde waar nu land is, waren toen bedekt door een ondiepe zee. Dit is er de reden van dat er op de vreemdste plekken, zoals in de binnenlanden van Amerika, fossielen van zeedieren gevonden zijn. Doordat de Aarde groeide, scheurden de continenten uit elkaar en kwamen er grote delen droog te staan. De scheiding van de continenten kwam dus niet door mysterieuze krachten die de tektonische platen zomaar door elkaar husselden, zoals aanhangers van het “Pangea”-model beweren. Die wetenschappers breken zich nu nog steeds het hoofd over de vraag hoe het kan dat de oceaanbodem op sommige plekken slechts enkele tientallen miljoenen jaren oud is, terwijl de platen van het vaste land miljarden jaren oud zijn. De verklaring hiervoor is, dat de groei van de Aarde plaatsvindt langs de breuklijnen op de oceaanbodem, die grofweg verticaal over de aardbol lopen.
IJstijden Een andere misvatting die nog steeds leeft onder de huidige wetenschap, is het bestaan van ijstijden. Dit zouden periodes van duizenden jaren geweest zijn waarin de Aarde afkoelde, en de verklaring die er meestal voor gegeven wordt is dat “de baan van de Aarde tijdelijk verder van de zon af ging”. Maar hiermee toont men aan dat men niet alleen de werking van zwaartekracht niet begrijpt (de straling van de zon heeft zowel een aantrekkende als een afstotende werking en houdt de Aarde dus keurig op haar plek) – ook hebben ze hier zelf nog nooit bewijs voor gevonden. Dat er in het verleden hevige temperatuursschommelingen geweest zijn, staat buiten kijf. Maar afgezien van grote natuurrampen zoals vulkaanuitbarstingen en meteorietinslagen waardoor het zonlicht tijdelijk weggehouden werd van de Aarde en haar dus deden afkoelen, is er nog nooit een tijd geweest waarin de temperatuur op heel de Aarde afkoelde. Als het ergens kouder was dan nu, was er altijd wel een andere plek waar het juist warmer was dan nu.
Niburu De verklaring hiervoor ligt in kantelingen van de aardas, die poolverschuivingen veroorzaken. Hoewel de aardas voor ons redelijk stabiel lijkt (afgezien van de precessie, oftewel het ‘waggelen’ van de aardas) heeft hij in het verleden vaak anders gestaan. De reden hiervoor was meestal het langskomen van de planeet Niburu, ook wel Nibiru of “Planeet X” genoemd. Deze planeet, die bewoond wordt door Anunnaki, de half menselijk/half reptielachtige buitenaardsen die zoveel invloed gehad hebben gehad op de geschiedenis van de mensheid, heeft een baan van ruim 3.600 jaar. Deze baan leidt niet alleen om onze zon, maar ook om de bruine dwerg die samen met onze zon een binair systeem vormt (3). De zwaartekracht van deze bruine dwerg is trouwens ook verantwoordelijk voor de vreemde baan van de buitenste planeten in ons zonnestelsel. Niburu heeft een erg dichte atmosfeer en produceert zelf ook warmte, waardoor er leven op mogelijk blijft zelfs ver bij een zon vandaan. Als Niburu weer eens langskomt bij onze zon, heeft dit zo’n verstorende werking op het elektromagnetische veld van andere planeten, dat hun as vaak van positie verandert (4). Dit gebeurt echter niet iedere keer, het ligt er maar net aan welke positie rond onze zon de planeten op dat moment innemen. Maar wie naar de stand van de assen van alle planeten kijkt, ziet dat dat een door elkaar gehusseld potje lijkt waarin geen enkele logica te ontdekken valt. Zo staat de as van Mercurius vrijwel rechtop, terwijl die van Uranus bijna platligt.
Niburu moet in de loop van de geschiedenis al talloze malen in onze luchten te zien geweest zijn. Soms klein, maar soms ook heel groot, afhankelijk van de positie van de Aarde rond de zon op dat moment. In het laatste geval moet de naar verluidt grote, rode, mistige planeet met zijn vele manen een afschrikwekkende verschijning geweest zijn, die volken over de hele wereld verbijsterd omhoog heeft doen staren.
De laatste kanteling De laatste keer dat onze aardas een grote verandering onderging, werd echter niet veroorzaakt door de komst van Niburu, maar door de fatale natuurkundige experimenten van de heersers van Atlantis. De rampspoed die dit met zich meebracht, deed de toenmalige Noordpool verschuiven van Noord-Scandinavië naar Oost-Siberië. Hierdoor kwam Europa, dat tot dan toe een bar klimaat gekend had en grotendeels onder het ijs lag, plotseling in een gematigd klimaat te liggen. Het ijs smolt. De snelheid waarmee deze kanteling van de aardas zich voltrok, kwam als een totale verrassing voor het leven in Noord-Azië en Noord-Amerika. In een mum van tijd dook de temperatuur daar tientallen graden omlaag, waardoor sommige mammoeten staande bevroren. Nu nog steeds is daar een ‘zone des doods’ te vinden, waarin duizenden mammoeten, wolharige neushoorns en andere dieren bevroren liggen in het ijs. Onderzoekers vonden in hun magen nog onverteerde gewassen, maar ze kunnen niet verklaren waarom dit planten zijn die normaal gesproken alleen in een gematigd klimaat voorkomen. In het ijs van Noord-Azië en Noord-Amerika bevinden zich nog altijd duizenden ingevroren mammoeten die plotseling stierven, vaak met hele kuddes tegelijk, terwijl ze nog rechtop stonden.
Overstromingen De waterverplaatsing die gepaard gaat met een kanteling van de aardas, geeft nieuwe betekenis aan het woord ‘tsunami’. Hele oceanen worden van hun plek getild en over het nabijgelegen land uitgestort. Dit verklaart waarom over heel Amerika resten van zeeleven te vinden zijn, zoals schelpen en walvisbotten, soms op honderden meters hoogte. De ijsmassa van de oude Zuidpool werd opgetild en gedeeltelijk op het Antarctische continent gekwakt. Dat lag eerst ter hoogte van Australië nu, en was dus veel warmer. Hierdoor werd de beschaving die daar bestond, in één klap weggevaagd. Op oude kaarten, zoals de Piri Reis-kaart (5), staat de kustlijn van Antarctica nog aangegeven zoals die was voordat hij onder het ijs verdween. Deze gebeurtenis verklaart ook de discrepantie tussen de oudheid van het ijs aan de verschillende kanten van de Zuidpool. Onderzoek heeft aangetoond dat het ijs aan de oostkant van Antarctica miljoenen jaren oud is, terwijl het aan de westkant, inclusief het Antarctisch Schiereiland, slechts zo’n 11.500 jaar oud is. Dat komt dus doordat deze westkant pas ging bevriezen nadat hij door de kanteling van de Aarde in de ijskoude zone terechtgekomen was. Voor de waterstand van zeeën en oceanen wereldwijd had dit grote gevolgen, want nu de Zuidpool grotendeels op land lag, werd er veel minder zeewater bevroren. Veel van het ijs van de oude pool begon te smelten. Dit deed het water wereldwijd stijgen, waardoor veel volken die langs de kust leefden, gedwongen werden om huis en haard te verlaten en een nieuw heenkomen te zoeken. Nu nog steeds liggen er wereldwijd, van India tot Egypte (6), meters onder de kustlijn nog restanten van wat ooit bloeiende beschavingen waren (7). Ook de Noordzee, die tot dan toe grotendeels droog geweest was, liep vol. Na deze grote kanteling van de aardas zo’n 11.500 jaar geleden zijn er nog enkele kleine kantelingen geweest door toedoen van Niburu, maar nooit meer zo heftig als toen. De Noordpool kwam uiteindelijk meer in zee te liggen dan tijdens de laatste “ijstijd”, en bevroor dus meer water dan toen. Maar omdat het op de Zuidpool gemiddeld tientallen graden kouder is dan op de Noordpool, wogen deze wederzijdse veranderingen in ijsmassa’s niet tegen elkaar op. Het bleef wereldwijd hoog tij. Onder het ijs van Antarctica zijn nog steeds de restanten van een oude beschaving te vinden.
De maan Onze maan is kunstmatig en hol, en heeft een metalen constructie aan de binnenkant. Er staan ruïnes (8) en piramides op, en er zijn veel ondergrondse bases. Deze liggen voornamelijk aan de achterkant van de maan. Lang geleden had de Aarde twee natuurlijke manen. Eentje werd er vernietigd bij de aanval van Atlantis op Lemurië. De andere werd door buitenaardsen vervangen door onze huidige maan, die eerst in een ander zonnestelsel hing. Als aardigheidje werd de maan, die 400 keer kleiner is dan de zon, op een afstand van de Aarde geplaatst die 400 keer kleiner is dan die van de zon. Hierdoor lijken beide hemellichamen voor ons even groot, en kunnen we af en toe genieten van zoiets moois als een zonsverduistering met een corona. De bewering dat de maan rond de Aarde en de Aarde rond de zon draait, klopt niet helemaal, want de zon hangt niet stil. Hij vliegt met grote snelheid door de ruimte, en wij vliegen met hem mee. De planeten en manen bewegen zich dus in een cilindervormige beweging door de ruimte. De maan is een kleurrijke wereld (9) en heeft een lichte dampkring. Er is water, ijs en er groeien grassen en andere kleine gewassen, zoals een soort aardappels. Bij foto’s van de maan die de NASA vrijgeeft, wordt steevast alles wat op kleur of leven duidt, weggewerkt. Zo blijft het publiek geloven dat het een stoffige, dode wereld is.
Ook de maanlanding door de Amerikanen in 1969 was omgeven door desinformatie. Hoewel de landing wel degelijk plaatsvond, kwamen de meeste beelden uit een studio in Hollywood, in opdracht van president Nixon. Op de echte maanlanding waren namelijk zoveel UFO’s te zien die een kijkje kwamen nemen, dat de beelden onmogelijk aan het publiek voorgeschoteld konden worden. Dit tot frustratie van de astronauten, die bij thuiskomst een zwijgplicht opgelegd kregen en daarna zoveel mogelijk uit de publiciteit weggehouden werden. In 1994 zei Neil Armstrong tijdens een zeldzaam publiek optreden tegen een nieuwe generatie astronauten: “Er zijn geweldige ideeën nog niet ontdekt. Er zijn doorbraken beschikbaar voor degenen die de lagen die de waarheid beschermen, kunnen verwijderen.” (10)
Gods Etalage Onze Aarde is een van de mooiste planeten die er bestaan. In het universum wordt ze soms ook wel “Gods Etalage” genoemd. De variatie aan landschappen en levensvormen die wij hier hebben, is ongekend in het universum. Er zijn genoeg planeten die bergen, oceanen, woestijnen of jungles hebben, maar niet zo veel die dat allemáál hebben. Daarom is onze planeet van oudsher in veel galactische oorlogen betrokken geweest, en werd ze gezien als een trofee. Die openlijke strijd, met ruimteschepen van het licht en het duister die elkaar hoog in onze luchten achterna zaten alsof het een scène uit “Star Wars” betrof, is alweer lang geleden. Er heerst nu een galactische vrede, hoewel die nooit officieel ondertekend is. Beide kampen waren gewoon moe van de miljoenen jaren durende oorlogen, die talloze levens kostten en die nooit een duidelijke winnaar opleverden.
De huidige bevolking De huidige aardse beschaving is een uniek geval in het universum, omdat onze planeet in de cyclus van de Vissen was voorbestemd om een planeet te zijn waar zielen het fenomeen ‘dualiteit’ konden ervaren (goed en slecht in één maatschappij). Dat is bevorderlijk voor de spirituele groei van een ziel. Om een maximaal gevoel van afscheiding van elkaar en de rest van het universum te creëren, werd de Aarde onder quarantaine geplaatst. Dit hield in dat leden van de Galactische Federatie geen contact met ons mochten opnemen, en ons alleen van een afstandje monitorden. Omdat negatieve buitenaardse rassen zich vaak niet aan Universele Wetten houden, bezochten zij de Aarde wel, met alle gevolgen van dien. Maar dit paste goed in het scenario voor dualiteit, dus werd dit oogluikend toegestaan door de Galactische Federatie. Alleen als ze de balans van het leven op Aarde teveel in gevaar dreigden te brengen, bijvoorbeeld als ze plannen hadden om de mensheid grotendeels uit te roeien door virussen of nucleaire oorlogen, werd er ingegrepen. Ook als hun menselijke pionnen ruimtereizen buiten ons zonnestelsel wilden maken, werd dit niet toegestaan. De bevolking die zich onder zulke geïsoleerde omstandigheden ontwikkelde, wordt met een mengeling van verwondering en onbegrip bekeken door beschavingen die ons volgen. Aan de ene kant blijken we liefdevol te zijn en kunnen we prachtige dingen creëren, zoals kunstenaars en ambachtslui van allerlei pluimage laten zien. Aan de andere kant zijn we soms ook buitengewoon wreed en achteloos, zelfs tegen onze eigen soort en de planeet die ons thuis is. Wij zijn de enige beschaving waar zoiets als geld bestaat en zoveel macht gekregen heeft, waar de wetenschap God en buitenaards leven niet serieus neemt, en waar vrije energie nog steeds niet is doorgedrongen tot de burgermaatschappij. Dat laatste is overigens niet onze schuld, want vele uitvinders die revolutionaire ideeën wilden introduceren ten bate van de mensheid, werden de mond gesnoerd door de illuminati. Zoals Nikola Tesla aan het begin van de vorige eeuw, die verschillende perfect werkende nulpuntenergie-apparaten ontwikkelde, maar gestopt werd.
De Aarde kwam bekend te staan als “gevangenisplaneet” waar zielen vanuit het hele universum naartoe kwamen om negatief karma op te lossen (of niet, want het lukt niet altijd). Totdat ook deze cyclus weer voorbij zal zijn, en dat is nu bijna zover. Net zoals veel fauna is ook veel flora op onze planeet het gevolg van buitenaards bezoek uit een ver verleden. O.a. zonnebloemen, cannabis en maïs zouden hier nooit gegroeid hebben als ze niet lang geleden mee waren komen vliegen op een ruimteschip.
De levende Aarde Waar de meeste mensen geen enkel besef van hebben, vooral in het Westen niet, is dat de Aarde zelf ook een levend wezen is. Een hoog ontwikkeld en liefdevol wezen, dat precies weet wat er op, in en rond haar gebeurt. Volgens Matthew Ward, de spirit van een overleden jongen die vanuit de hemel met zijn moeder hier communiceert, is de ziel van Gaia altijd in de vijfde dimensie gebleven (11). Maar de negativiteit op Aarde leidde ertoe dat haar lichaam in deze cyclus diep in de derde dimensie terecht kwam. Ook daaraan komt binnenkort een einde, want met de Ascensie zullen ook lichaam en ziel van Moeder Aarde weer met elkaar herenigd worden.
(1) Jullie buitenaardse oorsprong (Boek: Jullie Eerste Contact). (2) Menselijke geschiedenis meer dan een miljard jaren oud. (3) December 21, 2012: Romance and Reality. (4) The Poleshift. (5) Piri Reis Map explained by Graham Hancock. (6) Lost Egyptian city revealed. (7) Graham Hancock’s ~ Underworld ~ Flooded Kingdoms Of The Ice Age. (8) U.F.O DISCLOSURE PROJECT -FULL VERSION (fragment op 57:45] (9) Moon Rising part 1. (10) Neil Armstrong, RCH – Truth protective layers. (11) Matthew Ward — November 6, 2010 (punt 26)
De auteur van dit artikel noemt hier mijn naam omdat ik op deze blog aandacht heb besteed aan de opvatting dat ‘kinderen in hun ontwikkeling de cultuurfasen van de mensheid herhalen’. Dat is op zich te algemeen gesteld: het gaat om de ontwikkeling van het bewustzijn. Die van de mens (het kind) vertoont een zekere overeenkomst met hoe die bij de mensheid zich voltrokken heeft.
De grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner, laat de aardeontwikkeling terugkomen in het leerplan van Waldorfscholen en dan met name Lemurië, Atlantis. Pieter HA Witvliet [leraar] vertelt hierover op de site Vrijeschoolpedagogiek: In wezen gaat het om 3 elementen: Atlantis, zoals Steiner daarover spreekt; De volgorde van de cultuurperioden zoals die meestal op de vrijeschool aan de orde komt en Steiners gezichtspunten over deze cultuurperioden. Van Steiner vind je in de pedagogische voordrachten géén aanwijzingen voor genoemde 3 elementen.’ Wel noemt hij dit: ‘Het gaat in deze voordracht om zaken die direct kunnen worden verwerkelijkt. Maar we willen bij deze overpeinzing steeds de hele mensheidsontwikkeling voor ogen houden, zodat we ook de individuele ontwikkeling van de jonge mens begrijpen en ze kunnen leiden. (…) Eerst op een bepaald punt treedt de mens een nieuw leven in. Voor hij aan dit punt komt, is zijn leven een herhaling van vroegere levenstijdperken. Ook de kiem maakt een herhaling van alle stadia van de ontwikkeling vanaf de oertijd door. Zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere mensheidstijdperken. (…) In de Lemurische tijd daalde de mens voor het eerst in het fysieke lichaam af en wordt dat heden bij de fysieke geboorte herhaald. Toen daalde de mens in het lichaam af en ontwikkelde zich op ziels- en geestesgebied altijd hoger. De Lemurische en Atlantische periode herhaalt de mens tot zijn zevende jaar. Van de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid wordt de ontwikkelingsperiode herhaald waarin de grote geestelijke mensheidsleiders optraden. De laatsten daarvan waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Mozes, Zarathustra, enzovoort. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer op de mensheid in. In de heldensagen wordt ons dat bewaarheid. Iedere geest van de oude cultuurperioden moet daarom in deze jaren het schoolonderricht ten grondslag liggen.’
Moeder Aarde en de inheemse volkeren
Posted on 10 oktober 2016 by Lauri Fransen <6> Het zijn altijd de inheemse volkeren van deze planeet geweest, die ons voorleefden hoe er met de heiligheid van de aarde moet worden omgegaan. Wij, blanke westerlingen, hebben daar slecht of helemaal niet naar geluisterd. Integendeel, overal op de aarde hebben wij de inheemse volkeren onderdrukt, uitgemoord en hun culturen proberen te vernietigen. We hebben hen hun land ontnomen, hun kinderen afgepakt en hun welvaart vernietigd. We hebben hen hun spiritualiteit afgepakt en hen ons geloof opgedrongen. Diegenen die zich niet wilden assimileren, hebben we in reservaten geplaatst alsof het zeldzame diersoorten zijn. Tijdens de apartheid zijn in Zuid-Afrika zijn de oorspronkelijke bewoners naar zogenaamde ‘thuislanden’ gestuurd, wég uit het zicht van de blanke bevolking. Dat alles en nog meer heeft de westerse ‘beschaving’ gedaan, zodat de grote ondernemers en de hun dienstwillige overheden de aarde konden beroven, openrijten, haar grondstoffen verwijderen, haar bossen kappen, haar dieren doden en de natuur vernietigen op alle mogelijke manieren. Alles uit winstbejag.
Zo is het eeuwenlang gegaan met alle inheemse volkeren, die door de patriarchale, kapitalistische machthebbers zijn gekoloniseerd. Laten we wel wezen: wij Nederlanders deden dat ook met de ‘inboorlingen’ in Indonesië, Papoea-Nieuw Guinea en Suriname. Wij Nederlanders waren in de 16e en 17e eeuw de meeste beruchte en wrede slavenhandelaren ter wereld. Nog een voorbeeld: door de blanke kolonisten zijn in Noord-Amerika alleen al 100 miljoen mensen van de oorspronkelijke bewoners vermoord. Deze maken nu slechts 1 % uit van de totale bevolking van de Verenigde Staten. En juist in de V.S. hebben de oude volkeren, die er het eerst waren – The First Nations – er nu genoeg van. Er is een andere tijd aangebroken. De tijd van ‘genoeg is genoeg’. Genoeg beloften zijn er door de blanke regering gebroken. Genoeg ellende en narigheid heeft men doorstaan. Genoeg vernietiging van de aarde heeft plaatsgevonden. Het is nu de tijd waarin de nazaten van de Eerste Naties zich herinneren wat respect betekent: respect voor de aarde, respect voor de grond, die in hun visie niemands eigendom is, respect voor de dieren en respect voor de mensen die de aarde bewonen. Zij noemen zichzelf ‘beschermers’, ‘hoeders’ van de aarde. Nu zijn zij uiteindelijk opgestaan om actie te ondernemen. En daar wou ik het hier over hebben. Dertien jaar geleden, ergens in het jaar 2003, ontving ik van Spirit een wonderlijk visioen. De aanleiding ben ik vergeten, maar het visioen zelf niet. Het was en is zo krachtig, dat ik het me na al die jaren nog tot in detail kan herinneren. Dit is het visioen:
Vanuit een vogelvluchtperspectief zie ik Noord-Amerika liggen, als een levende landkaart. Het hele continent is vervuild; de bodem is bedekt met een dikke laag zwarte olie. Er is geen leven meer, geen planten, geen dieren kunnen hier leven. Ook de hemel is zwart; het is donkere nacht. Dan zie ik in het noorden, vanuit Alaska en Canada, mensen aankomen. Ze lopen in een lange lijn, over de hele breedte van het continent, ongeveer waar nu de grens is tussen Canada en de V.S. Het zijn de oorspronkelijke bewoners, de inheemse volkeren van Amerika. Ze lopen daar met hun banieren en heilige voorwerpen opgeheven, in hun mooiste rituele kleding, mannen, vrouwen en kinderen, hele stammen. Ze dragen hun trommels en ze zingen. Een heldere doordringende zang, die diep in mij doordringt. Ze lopen in de cadans van het ritme. En achter hen, waar zij hun voetstappen hebben gezet, begint het gras weer te groeien, de bomen spruiten op, de zon schijnt stralend en het land is een schone en pure wildernis, zoals het ooit was. Dan zie ik vanuit het zuiden, waar het donker en zwart is, ook mensen lopen. Het zijn blanke mensen, van wie de regeringen en de industrieën de aarde hebben bevuild. Waar ze vandaan komen weet ik niet, maar ze zijn wanhopig. Het zijn goedwillende mensen en ze willen de aarde redden, maar ze weten niet hoe. Ook zij lopen in een lange lijn over de hele breedte van het land. Noordwaarts. Tussen die beide groepen in zie ik een strook wit licht, een soort demarcatielijn. Eerst is die strook heel breed, maar naarmate ze elkaar dichter naderen, wordt die strook smaller. Nu zie ik dat de blanke mensen hun armen uitstrekken over de strook heen, naar de inheemse volkeren. “Help ons!”, zeggen zij daarmee. Ze vragen de inheemse volken de leiding te nemen bij het redden van de aarde. Want zij die er het eerst waren, weten nog hoe dat moet. Jarenlang heb ik over dit visioen gezwegen, niet wetende wat ik ermee moest doen. Tot in december 2014. Ik zag een filmpje op Facebook over een demonstratie in New York, waar een heleboel mensen van de inheemse volkeren in meeliepen. Het was de Peoples Climate Mars van 21 september 2014 Wat ik daar zag raakte mij tot in mijn botten. Dáár zag ik wat ik in mijn visioen gezien had: mensen van de inheemse naties, gekleed in hun rituele kleding, met hun banieren en heilige voorwerpen opgeheven en ze zingen! En het lied dat ze zingen is hetzelfde als wat de mensen zongen in mijn visioen! Ik zag daar mijn visioen zich afspelen in real time! Het was niet alleen superontroerend en prachtig, maar het was ook nog eens iets wat ik in een andere vorm eerder had gezien. Dat visioen was blijkbaar een voorspelling! Opvallend is ook dat tijdens deze demonstratie duidelijk verband wordt gelegd tussen de mishandeling van Moeder Aarde en de onderdrukking van vrouwen. Iemand zegt: ”Violence against Earth means violence against women” en “Exploit the land goes with exploiting women”. De bijgevoegde tekst luidde: From the Amazon tot the Arctic, Indigenous Peoples are defending our climate and teaching allies how extractive industries are directly connected to sovereignty, colonization and violence against women.” Ik heb er in 2014 ook een stukje over geschreven op mijn blog en ik dacht bij mezelf: ‘Ik ben benieuwd óf en hoe dit verder gaat’. Nu zijn we in 2016, twee jaar later. Een paar weken geleden kom ik ‘toevallig’ een video tegen die mij diep raakt. De locatie is Noord-Dakota, een staat pal ten zuiden van de grens met Canada. Het speelt zich af bij de Standing Rock Reservation, het ‘thuisland’ van de Sioux-volkeren (Nakota, Lakota en Dakota). Duizenden leden van de First Nations zijn daar bij elkaar gekomen in een groot kampement aan de oever van de Mississippi rivier. Zij zijn daar om de aanleg van een oliepijplijn tegen te houden, de Dakota Access Pipeline, kortweg DAPL, die door vier Amerikaanse staten moet gaan lopen en die 570.000 vaten olie per dag moet vervoeren. Een deel van de pijplijn is gepland door heilig land dat rechtmatig aan de Sioux toebehoort en dwars door plekken waar de voorouders begraven liggen. De pijplijn zal de rivier de Mississippi meerdere malen kruisen. Als er lekkage optreedt, zal niet alleen het water van de bewoners van het Reservaat ondrinkbaar worden, maar zal ook de watervoorziening van 18 miljoen andere mensen in gevaar komen, die stroomafwaarts langs de rivier leven. Het gevaar van lekkage is zeker niet denkbeeldig: sinds januari 2015 zijn er al 54 pijplijn-ongelukken gebeurd in de V.S., waarbij enorme milieuschade is veroorzaakt!
Wat mij zo raakt is dat er onder de oorspronkelijke Amerikanen zo’n grote eenheid is ontstaan. Stammen die vroeger elkaars vijanden waren, staan nu zij aan zij in deze actie. Elke dag arriveren meer stammen op het Sacred Stone Camp: de Crow, de Comanche, de Gros Ventre, de Hopi, de Alaska Naties, zelfs Azteken uit Zuid-Amerika en Sami uit Noord-Europa presenteren zich op het terrein. Er is steun uit de hele wereld, van andere,inheemse volken: de Palestijnen, de Maori, de Maya’s en noem maar op. Volgens sommigen zijn er nu meer dan,100 stammen bij elkaar in het Kamp. Deze actievoerder noemen zich geen ‘protesters’, maar ‘protectors’, beschermers. Meerdere malen weten ze de werkers aan de pijplijn te belemmeren in het uitvoeren van hun taak, zonder wapens, maar alleen door op die plekken te bidden, te zingen en te drummen. Ze worden aangevallen door honden die bijten, door veiligheidsmensen die pepperspray gebruiken en door staatstroepen die hen met geladen geweren arresteren. Maar ze wijken niet. Er is intussen een rechtszaak door hen aangespannen. Een voorlopig halt is toegeroepen aan de constructiewerkzaamheden, tot er nader onderzoek is verricht, hoewel de oliecompagnie op andere plaatsen dit gebod overtreedt en rustig doorgaat met het werk. Elke keer als ik een video zie of een website lees over dit gebeuren, begin ik spontaan te huilen. De tranen lopen vanzelf over m’n wangen; ik kan het niet tegenhouden. Steeds als ik eraan denk, gebeurt dat opnieuw. Als ik ’s avonds in bed lig om te gaan slapen, huil ik m’n ogen uit. Als ik erover praat, kan ik dat niet met droge ogen doen. Dat gaat zo drie dagen door. Het huilen is niet te stoppen. Onderwijl vraag ik me af: wat is hier aan de hand? Wat betekent dat huilen? Ja het is prachtig en ontroerend om te zien, die eenheid onder de mensen. Mooi ook dat er zich blanken bij hen aansluiten en hoe ze daar leven in dat kamp, volgens hun oude waarden van zorg voor elkaar. En dan hun leus: “Water is Life!” Zo wáár! Maar waarom houdt me dit zo bezig? Dan valt het muntje: natuurlijk, dit is een andere versie van mijn visioen! Wéér zie ik het zich afspelen in de fysieke werkelijkheid: die enorme eenheid onder de inheemse volkeren, hun vastberadenheid om Moeder Aarde te redden, hun levenswijsheid en hun liefde voor het land. En nu begrijp ik ook wat de olie ermee te maken heeft, die zo’n grote rol speelt in het visioen: als dit niet gestopt wordt, komt het hele land zwaar onder de olievervuiling te zitten. Dan breekt de donkere nacht aan. Maar ik zit met een vraag. Waarom heb uitgerekend ik dit visioen gekregen? Ik heb geen contacten met indianen; ik woon ook niet in Amerika. En: wat moet ik er mee doen? Het is mij bekend dat de inheemse traditie voorschrijft dat je iets moet doet met een visioen dat je door Spirit is geschonken. Ik stem mij af op mijn innerlijke leiding. Nu krijg ik te horen: “Jij hebt op zielsniveau een diepe verbinding met de oorspronkelijke mensen, de inheemse culturen. Je hebt dit visioen gekregen en je weet wat je ermee moet doen. Zoals met alle heilige visioenen is het niet voor jou alleen. Het is bedoeld om de wereld in te gaan”. Daarom heb ik nu besloten naar buiten te brengen wat ik heb mogen ontvangen. In mijn ogen is dit visioen vooral bestemd voor de blanke mensen. Want het laatste deel ervan is nog niet vervuld. Dat deel waar goedwillende blanken de handen uitstrekken naar de inheemse volkeren en hen om hulp vragen. Dat is heel belangrijk. Weliswaar nemen er wel blanke supporters deel aan de Standing Rock acties, maar het is een kleine groep. Wij, in de westerse wereld, ook in Europa, ook in Nederland, zouden ervan doordrongen moeten raken dat de inheemse culturen van over de hele wereld beter weten dan wijzelf hoe we Moeder Aarde weer schoon kunnen maken. We zouden deze volkeren moeten gaan eren om de wijsheid die zij in huis hebben. Maar het gaat om meer: het is niet langer voldoende om vanuit een soort ‘spirituele hype’ bewondering te hebben voor deze mensen en hun levenswijze. Het is tijd voor ons om te luisteren, om bescheiden te zijn en om hulp te vragen. Alleen zo kunnen wij beginnen om ons collectieve westerse karma op te lossen, dat wij hebben naar hen en naar de Aardemoeder. Maar wat kunnen wij dan NU doen en van deze afstand? Daarop geeft Little Grandmother, Kiesha Crowther een antwoord. Zij vertelt dat de ‘Elders’ gevraagd hebben wereldwijd te bidden voor Moeder Aarde en voor het water, om de heilige plekken te eren en ceremonies te doen: “Velen hebben gevraagd wat te doen als er geen heilige plek dichtbij is. Het antwoord is simpel: maak er één. Ongeacht waar je woont, wie je bent, ongeacht je leeftijd en achtergrond, jij en ieder van ons hebben toegang tot Moeder Aarde. Als je geen heilige plek kunt vinden, maak er één. Vind simpelweg een plek buiten. Maak een plek waar je kunt bidden, waar je zegeningen, eer en dankbaarheid kunt geven aan je Moeder. Bid ervoor dat haar wateren weer gezond mogen zijn, haar schepselen beschermd en voor de mensheid om in liefde te leven.”
<7> Wicca Wikepedia
Het jaarwiel oftewel verbinding met moeder aarde
Een belangrijk onderdeel van wicca vormen de jaarfeesten, ook wel sabbats genoemd. Deze acht feestdagen vormen samen het Wiel van het Jaar, het levensverhaal van de God en de Godin. Behalve dat de sabbats het leven van de Goden en zo de weg van geboorte-dood-wedergeboorte uitbeelden, was elke datum vroeger ook van belang in de natuur. Zo is Imbolc van oorsprong een ploegfeest, waarbij het land voor het eerst omgeploegd werd na de winter. Lammas was een oogstfeest, wanneer het graan werd binnengehaald. Nu de meeste mensen steeds verder af komen te staan van het plattelandsleven en het ritme van de oogst verandert door bijvoorbeeld het gebruik van kassen, worden de symbolische betekenissen van de feesten steeds belangrijker.
1. Om de kalender te beginnen, is het het gemakkelijkst om bij Yule (spreek uit als Joel) te starten. Yule is ook bekend als de winterzonnewende of Midwinter, de kortste dag van het jaar. Omstreeks 22 december vieren de wicca’s het lengen van de dagen. 2. De tweede sabbat is Imbolc (spreek uit als Immolk) op 2 februari, ook wel Candlemass genoemd. Dit is het ploegfeest, wanneer het land en dus Moeder Aarde voorbereid gaat worden om het zaad te ontvangen. 3. Op Ostara, Vernal of lente-equinox, omstreeks 21 maart, viert men het begin van de lente. Het zaad, de God, groeit op onder bescherming van zijn moeder, naarmate hij opgroeit keert de zon terug op de aarde en lengen de dagen. 4. Op 1 mei komt Beltane/Beltain (spreek uit Bjeltənə), ook bekend als Mei- of Walpurgisnacht. Dit is een van de bekendste heksenfeesten, die ook regelmatig genoemd wordt in de tijd van de inquisitie. Het is het feest van de liefde. De Zonnegod of vegetatiegod is een volgroeide man geworden, en deze nacht legt hij zich neder naast de Godin en bezwangert zijn koningin. 5. Litha, de zomerzonnewende of Midzomer, viert omstreeks 21 juni de hoogste stand van de zon. De kracht van de Zonnegod is op zijn piek. Hier wordt ook het bestaan van polariteit duidelijk gemaakt, als de Eikkoning, de opbouwende, het moet afleggen tegen de Hulstkoning, de afbrekende. 6. De volgende sabbat volgt op 2 augustus en wordt Lammas of Lughnasadh (spreek uit als Loenasah) genoemd. Dit is in eerste instantie een graanfeest, het moment waarop het graan van de velden wordt gehaald. De kracht van de god is overgegaan in het graan. 7. 23 september is het tijd voor Mabon, de herfstequinox, het begin van de herfst. Nu is de oogst van de wijn. Ook wordt gezegd dat de god nu aan het eind van zijn krachten is, en sterft. Hij heeft zich gegeven zodat wij de vruchten kunnen plukken. 8. De laatste sabbat is ook een van de bekendste. Halloween of Samhain (spreek uit als Sauwen) is het heksennieuwjaar en een van de belangrijkste feesten, in oudere teksten ook bekend als het feest van de doden en de geesten. De geest van de God heeft de oversteek gemaakt naar de Onderwereld of Zomerland, en wacht op de juiste tijd om opnieuw te incarneren. Dit zal tijdens het Yulefeest zijn, wanneer de Eikkoning het overneemt van de Hulstkoning (zomer van winter). Vaak zetten Wicca’s eten op een schotel buiten voor de doden.
Magie is een belangrijk onderdeel van wicca. Het is vaak de magie die de mensen naar wicca nieuwsgierig maakt, het idee dat ze op de een of andere bovennatuurlijke manier iets aan hun eigen lot kunnen veranderen. Magie wordt op vele manieren beoefend in de wicca. Aan de ene kant worden er tijdens de jaarfeesten en op diverse andere dagen (maanfeesten, trouwdagen etc.) complete rituelen opgevoerd; aan de andere kant steken wicca’s soms simpelweg een kaars aan om extra energie in een bepaalde richting te sturen. Er wordt met name veel gebruikgemaakt van technieken zoals visualisatie en meditatie, of er wordt geprobeerd om in een trance te komen door bijvoorbeeld teksten op te dreunen (chanten) of te drummen. Er wordt ook wel korenmagie gebruikt, en er worden kruiden gebruikt bij magie. Elk kruid heeft zijn eigen magie en kracht. Als iemand magie uitoefent moet er opgelet worden welk soort magie er wordt gebruikt om er dan de juiste kruiden bij te gebruiken. Zo zal de kracht van de magie versterkt worden. Zo is het ook met wierook. Er zijn verschillende geuren met elk zijn magie en kracht. Hetzelfde geldt voor kristallen, gesteenten of edelstenen. Wicca’s maken vaak gebruik van andere occulte/esoterische kunsten, zoals divinatie (bijvoorbeeld tarot, pendelen, wichelroedelopen) of kruiden. Deze dingen hebben echter niet direct iets met wicca te maken. Wel vindt een groot deel van de wicca’s dat een goede wicca zichzelf moet trainen in ‘kunsten’ (= dat wat je kunt), waaronder tarot of kruidengeneeskunde. Veel wicca’s kunnen een of meerdere gebieden of ‘kunsten’ tot hun specialiteiten rekenen. Wicca wordt veelal beschouwd als niet alleen een religie, maar ook een kunde. In het kader van deze kunde is vele jaren training nodig, waarin onder andere kennis van en vaardigheid met andere ‘kunsten’ wordt opgedaan.
Viering van Beltane in Avebury, 2005
Rituelen worden in wicca vooral opgevoerd tijdens de jaarfeesten. Zij kennen een gedeeltelijk vaste opzet, waarbinnen vaak een eigen invulling wordt gebracht. Een ritueel begint vaak met het trekken van de Magische cirkel. Met behulp van de Cirkel wordt een tempel opgebouwd, waarbinnen de wicca’s zich beschermd voelen voor negatieve krachten van buitenaf en hun ritueel kunnen uitvoeren. De Cirkel wordt ook gezien als een plek waarin de opgewekte krachten zich kunnen bundelen en versterken, omdat zij in de ruimte gevangen blijven tot zij gericht worden vrijgelaten. Binnen de Cirkel vindt het ritueel plaats. Na afloop van het ritueel wordt de Cirkel (en dus de tempel) weer geopend en afgebroken. Een tweede onderdeel van een ritueel is de “cake-en-wijn”-ceremonie. Hierbij worden door de heksen in de coven voedsel en drank gedeeld. Dit onderdeel van het ritueel is om je weer te gronden, weer met beide benen op de aarde te staan. Wicca is een inwijdingsreligie, omdat de Wicca een mysteriereligie is. Dat betekent dat er na een periode van opleiding (traditioneel een jaar en een dag) een inwijding volgt, tot de leerling een volleerd wicca is (ook Eerste Graad genoemd). Vanuit de gardneriaanse traditie kennen we drie inwijdingen/graden. Sommige covens – meestal alexandrijnse covens – hebben daar een vierde aan toegevoegd: de neofietengraad. Wanneer een geïnteresseerde begint aan de opleiding, is hij eerst een zogenoemde trainee (binnen de greencraft heet dit een roedi). Gedurende een bepaalde opleidingsperiode leert de trainee/roedi de basisbeginselen van wicca, waarna een inwijding tot neofiet zou kunnen volgen. Bij deze inwijding neemt hij zijn magische naam aan, een geheime naam. Het aannemen van een nieuwe naam symboliseert de overgang naar een nieuwe levensperiode. Daarom nemen veel wicca’s na de volgende inwijdingen ook nieuwe magische namen aan. Na de eerste inwijding is de kandidaat een ingewijde leerling of neofiet. Hierna kan (vaak na een jaar en een dag) een tweede inwijding volgen. Dan is de leerling een priesteres of priester, of eerstegraadswicca. Hierna kunnen nog twee graden volgen: een tweedegraadswicca wordt geacht in staat te zijn een coven te leiden of op te richten, meestal onder supervisie of begeleiding van zijn Hogepriesteres en Hogepriester. Een derdegraadspriesteres of -priester is in staat om geheel zelfstandig een eigen coven op te richten en als Hogepriesteres als covenleider en leider van rituelen op te treden met naast haar een Hogepriester. Binnen een coven, of bij inwijding door een individuele HP/HPS, worden bepaalde voorwaarden en eisen aan de acoliet of neofiet gesteld. Zo kan binnen de gardneriaanse traditie een ‘knaap’ of maagd geen priester(es) worden (bij de Dianics is dit niet het geval). De acoliet of neofiet wordt verder geacht enkele dingen – tijdelijk of definitief – op te geven, soms een bepaalde pijngrens te kunnen verdragen en verder leggen zij specifieke ‘proeven van kunde’ (vaak zelfgekozen) af. Aan de leiding van een traditionele coven staat de Hogepriesteres, een vrouwelijke ingewijde. Zij wordt soms bijgestaan door de Hogepriester, een mannelijke ingewijde. Samen leiden zij de rituelen, waarbij de vrouw de Godin vertegenwoordigt en de man de God. Beiden zijn verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de coven en moeten er dus voor zorgen dat alle covenleden (traditioneel een aantal van dertien man, gemengd man en vrouw) de juiste opleiding krijgen. In het algemeen geldt dat de Hogepriesteres het vetorecht heeft. Met het in de openbaarheid treden van de individueel werkende wicca raken covenwerk en inwijdingen op de achtergrond. De zogenaamde zelfinwijding wordt populairder. Hierbij schrijft de wicca zelf een ritueel voor zijn inwijding, die hij ondergaat als hij zelf het gevoel heeft hier klaar voor te zijn. Zelfinwijding wordt vaak met veel scepsis bekeken, zowel vanuit de traditionele covenwicca als vanuit individueel werkende heksen. Covenheksen, vooral van gardneriaanse en alexandrijnse strekking, zijn vaak van mening dat een inwijding alleen door een hogepriester(es) mag worden gegeven. Wicca kent geen duivel of satan. Toch verwarren sommigen ten onrechte wicca met satanisme. Dit heeft te maken met het symbool dat vaak gedragen wordt, namelijk een pentagram. Bij Wicca wordt deze met 1 punt naar boven gedragen, maar in het satanisme wordt deze gedragen met 1 punt naar beneden. In de Wicca staat het omgekeerde pentagram symbool voor de Tweede Graad. Hierdoor stellen de 2 punten naar boven de hoorn van de Bok voor. Dit is voornamelijk te wijten aan het feit dat de god uit deze godsdienst vanwege zijn gehoornde uiterlijk wordt gelijkgesteld met de duivel, waarschijnlijk omdat in het boek Openbaring 13 vers 11 in de Bijbel het tweede beest wordt beschreven met twee lamshoornen. Maar wicca is niet hetzelfde als het satanisme, ook al denken veel mensen van wel. Dit verschijnsel komt voort uit de pogingen van de katholieke kerk iedereen tot het christendom te bekeren door alles dat met een andere religie had te maken met de duivel in verband te brengen. Enkele voorbeelden hiervan: De drietand van Neptunus/Poseidon, de puntmutsen van de oude wijze vrouwen, de bokkenpoten en hoorns van Pan enz.
New age en Wicca Dat Wicca een loot zou zijn aan de New age-stam wordt door de meeste wicca’s ontkend, evenals door historici als Ronald Hutton, die opmerkte dat Wicca niet alleen ouder is dan New age, maar ook aanzienlijk verschilt in filosofie.[6] Fluffy bunny, of Fluffbunny, is een negatieve term die gebruikt wordt in wicca (en in het neopaganisme in het algemeen) om te verwijzen naar aanhangers van de religie die gezien worden als oppervlakkig of meeloperig. Over het algemeen hebben ze een afkeer van de duistere elementen en benadrukken ze goedheid, licht en elementen die overgenomen zijn van de New age beweging, of volgen het als een rage.
Keltische moedergodinnen: Dana[ Danu] links en rechts Brigid [Bride]
<8> De Indianen leefden samen met de planten en dieren en namen nooit meer van Moederaarde af dan noodzakelijk was. Indianen en Sjamanen hebben steeds de speciale band gevoeld met de Natuur. We zijn allen verbonden (Mitakuye Oyasin) is een integraal deel van hun Geloof. Als al onze relaties geëerd worden als Heilig en als we Respect hebben voor elk deel van de Schepping, is het Paradijs nabij. Ze geloven ook dat Dieren en Stenen (de Grootvaders) sterke Helende krachten bezitten, zowel praktisch als Spiritueel. Dit resulteerde in Totems en Medicijnen, de welke dagelijks gebruikt worden om de levenskwaliteit te verhogen. Indianen geloven in de ‘Grote Geest’. Ze geloofden ook dat de geesten van overleden familieleden overal in de natuur te vinden waren. Daarom aanbeden ze de zon, de maan en de aarde. Hun ceremonies bestonden uit veel muziek en dans. Ze toonden er hun vreugde mee, maar ze dansten ook voor de jacht, om de goden te bedanken. Ze geloofden dat hun leven geregeld werd door de Goden, die hen alles gaven, van gewassen tot een goede gezondheid tot regen. Kracht of totemdieren worden in de antropologie gezien als mythologische voorouder uit een ver verleden. Hun goden waren in de natuur te vinden. Indianen krijgen bij hun initiatie een totemdier toegewezen waar zij kracht uit kunnen putten en waaraan zij zich kunnen spiegelen. Het krachtdier begeleidt hen bij hun droomreizen en op hun spirituele weg. Een aantal voorbeelden van krachtdieren:
• Het Totem dier Buffalo-Bizon staat voor het bewandelen van het Heilige Pad en het eren van alle verwanten. In tijden van vertroebeling kan men hulp vragen aan dit Krachtdier. De Buffalo helpt een diepe verbinding te maken met Moeder Aarde. Het kan helpen op de weg naar een sterke en onafhankelijke Geest. De Bizon staat voor het volgen van de simpelste weg naar overvloed, ons geboorterecht. De Bizon vertelt dat doelen beter kunnen bereikt worden met de hulp en Harmonie van de Grote Geest (Wakan Tanka). • Het Totem dier Adelaar is voor de Indianen van de Noordwest kust van Noord- Amerika het symbool van eer, moed, vrede en vriendschap en mysterische krachten . Daarom wordt de dons van de Adelaar tijdens welkomstdansen en andere ceremoniën voor de gasten uitgestrooid. Adelaarsveren worden in rituelen in en op maskers en hoofdtooien gebruikt. De adelaar kon spiraalsgewijs net zo hoog opstijgen tot hij in een gat in de hemel verdween en het huis van de zon bereikte. De Adelaar werd een symbool van groter overzicht en een meeromvattende waarneming. • Het Totemdier Paard staat symbool voor de magische kracht van sjamanen. Het staat voor aardse en buitenaardse kracht, reizen, stabiliteit, zachtmoedigheid en vrijheid. Het paard is door de eeuwen heen geprezen om zijn hulp in de evolutie van de mens. Het paard draagt zijn berijder, maar deze laatste draagt de verantwoordelijkheid voor alles rondom. Het Medicijn Wiel is Heilig voor de Indianen en Sjamanen. Volgens hun overtuiging heeft de Grote Geest alles in de Natuur in een cirkel gemaakt. Het Medicijn Wiel staat ook voor de 4 winden en de 4 kleuren van mensen die reizen over onze planeet. Het is het symbool van de totaliteit van het bestaan. Het Wiel is een plek gecreëerd om het contact en de gebeden te versterken. Het verenigt de energie van Zon-Maan-Universum-Moeder Aarde Grootvaders, Grootmoeders en de Schepper in de oneindige cirkel van leven. Het Medicijn Wiel symboliseert eveneens het individueel Pad dat ieder dient af te leggen naar het ultieme geluk in Universele Liefde.
Viering van Mayahuel De ceremonie van Mayahuel, ook wel la Virgen de los Remedios genoemd, is gewijd aan genezing. Omdat het vaak is gewijd aan traditionele medicinale planten, tonen altaren ter ere van Mayahuel vaak maguey- en agaveplanten. De ceremonie ter ere van Mayahuel is ook een gelegenheid om het hart, de geest, de geest en de ziel te genezen. Als onderdeel van de vier richtingen vertegenwoordigt het het Westen, de richting van de energie van vrouwen. Als gevolg hiervan is Mayahuel een gelukkige viering van zusterschap. Mayahuel eert het werk dat vrouwen hebben gedaan om onze gemeenschappen te genezen. Het eert het leiderschap, de leringen en de genezingstradities die vrouwen aan onze kinderen hebben doorgegeven. Als een viering van genezing eert Mayahuel ook de curanderas / curanderos [ geneeswijzes] en bewaart ze voor ons en de tradities en leringen worden doorgeven die ons fysiek en spiritueel genezen.
Pachamama (van het quechua pacha: aarde en mama: moeder, dus letterlijk vertaald “Moeder Aarde”) is de belangrijkste godheid voor de inheemse bevolking van de centrale Andes van Zuid-Amerika. Pachamama in de kosmologie van Juan de Santa Cruz Pachacuti Yamqui Salcamayhua (1613), achter een afbeelding in de zonnetempel Qurikancha in Cusco. Pachamama wordt omschreven als “ze is de Aarde in een diepe zin, bovennatuurlijk; ze is dat van hieronder, maar niet de grond of de geologische aarde, evenmin de christelijke hemel, ze is de kosmografische hemel. Pachamama is alles, ze verklaart alles. Pachamama is geen eigenlijke scheppende, wel een beschermende godheid; ze beschermt de mens, ze maakt het leven mogelijk en begunstigt de vruchtbaarheid. In ruil voor deze hulp en bescherming is de priester van de Puna Meridional verplicht een deel van wat hij ontvangt aan Pachamama te offeren [1]
Geschiedenis van haar verering: De Quechua- en de Tiwanaku-cultuur van de Andesregio brachten offers om haar te eren, ze offerden camelidae.[ kameelachtigen] Onder meer gaven ze cocabladeren, zeeschelpen en boven alles de foetus van lama’s, volgens hun geloof om de grondte bevruchten. Met de komst van de Spanjaarden en de vervolging van het – plaatselijk variërende – geloof werd Pachamama dikwijls aanbeden als was ze de maagd Maria.
18e-eeuwse afbeelding van de Maagd Maria, met enige kenmerken van Pachamama[2]
Kleireliëf uit ca 460 v.C. Gaia geeft Erichthonios aan Pallas Athena.
Nakomelingen Volgens de Griekse sagen en mythen bracht Eros Gaia ertoe zich te verbinden met het water en de lucht, en zo bracht zij de zee (Pontos) en de hemel (Ouranos) voort. Ook kwamen de Titanen, de drie eenogige Cyclopen en de drie honderdarmige reuzen uit oermoeder Aarde voort. Deze laatsten heetten Briareos, Gyes en Kottos en hadden elk ook vijftig hoofden. Zij werden ook de Hekatoncheiren genoemd. De Titanen en de Cyclopen zijn verwekt door Ouranos.
Moedergodin Godin die de natuur, moederschap, vruchtbaarheid, en de schepping vertegenwoordigt. Een moedergodin of Almoeder is een vrouwelijke god en moederlijk symbool van schepping, creativiteit, geboorte, vruchtbaarheid, seksuele vereniging, verzorging en de levenscyclus.
Zittende vrouw van Er bestaat een verschil tussen de academische en de populaire opvatting over het begrip. De populaire opvatting wordt vooral gedragen door de godinnenbeweging en luidt dat primitieve samenlevingen eerst matriarchaal geweest zijn waarbij een soevereine, verzorgende, moederlijke aardegodin aanbeden werd. Zij bouwden daarbij voort op de negentiende-eeuwse ideeën van een unilineaire evolutie van Johann Jakob Bachofen. Zowel bij Bachofen als bij modernere theorieën is eerder sprake van een projectie van de huidige ideeën op oude mythes, dan dat er geprobeerd wordt de mentalité van die tijd te begrijpen.[1][2] Veelal gaat dit gepaard met een verlangen naar een verloren beschaving uit vervlogen tijden die rechtvaardig, vredevol en wijs zou zijn geweest.[3] Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijke beschaving heeft bestaan.[4] Lange tijd werd door feministische auteurs uitgedragen dat deze vredige, matriarchale agrarische samenlevingen werden uitgeroeid of onderworpen door nomadische, patriarchale krijgerstammen. Een belangrijke bijdrage hier was die van archeologe Marija Gimbutas. Haar werk op dit vlak wordt tegenwoordig echter grotendeels afgewezen.[5] Ook bij feministische archeologen is deze visie tegenwoordig zeer omstreden.[6][7] Sinds de jaren 1960 werd vooral in de populaire literatuur een link gelegd tussen de vermeende verering van de moedergodin en de sociale positie die vrouwen in prehistorische samenlevingen zouden hebben ingenomen. Daarmee kreeg de discussie een politiek karakter. Vanuit de huidige door mannen gedomineerde maatschappij zou volgens de godinnenbeweging moeten worden teruggekeerd naar het egalitaire matriarchaat van vroeger tijden. Dat deze maatschappijvorm zou hebben bestaan, zou worden ondersteund door de vele Venusbeeldjes die terug zijn gevonden. In academische kringen wordt dit prehistorische matriarchaat onwaarschijnlijk geacht. Allereerst betekent het aanbidden van een moedergodin niet noodzakelijk dat vrouwen de dienst uitmaakten.[8] Daarnaast kunnen de venusbeeldjes ook gewone vrouwen voorstellen of gewone godinnen en is het onduidelijk of er werkelijk ooit sprake is geweest van een moedergodin.[9][10][11] Dit alles heeft zijn effect op archeologen die zich richten op mythologie en religie die niet geassocieerd willen worden met Gimbutas en de godinnenbeweging.[12] Coatlicue was in de Azteekse mythologie de godin van de aarde, de godin van het vuur en de vruchtbaarheid en moeder van de zuidelijke sterren. Coatlicue in het Nationaal Antropologiemuseum, Mexico-Stad. Omdat ze op mysterieuze wijze zwanger werd door een bal kolibrieveren wilde niemand haar geloven.
Haar zoons (inclusief Coyolxauhqui) vermoordden haar, wantzwanger worden van kolibrie-veren was een groot misdrijf. Net op tijd wist Huitzilopochtli uit haar baarmoeder te komen, die de andere zoons (goden van maan en sterren) doodde. Later werden hiervoor andere goden aangesteld. Coatlicue werd hierdoor boosaardiger en kreeg een rok van slangen.
Gaia (Oudgrieks: Γαῖα, Γαῖη of Γῆ) of Gaea (gelatiniseerd) is een figuur uit de Griekse mythologie. Zij is de oermoeder, de Aarde, die ontstond uit de Chaos aan het begin van de dingen. De Chaos bevatte alle basisbestanddelen, de vier elementen aarde, water, lucht en vuur. Daaruit ontstond onder andere Gaia: Moedergodin van de natuur en de aarde.
Uiterlijke kenmerken Gaia, de godin van de natuur en de aarde, werd afgebeeld als een mollige vrouw, vaak oprijzend uit de grond, altijd eraan verbonden. De Aarde zelf werd in de Griekse mythologie gezien als een platte schijf (platte Aarde), omringd door de rivier Okeanos (de oceaan), de hemelkoepel van Ouranos ondersteunend.
.
Asgard: De schepping volgens de Vikingen
<9> Noormannen. De Vikingsaga (793-1241) – John Haywood Auteur: John Haywood 18 november 2022 Boekfragmenten/Noordse mythologie/Religieuze geschiedenis/Vikingen
Huginn en Muninn zittende op de schouders van Odin. De illustratie komt uit een 18e-eeuws IJslands manuscript.
Bij Omniboek verschijnt mei 2017 het boek ‘Noormannen: de Vikingsaga 793-1241.‘ Hierin beschrijft John Haywood de rijke cultuur van de Vikingen in de volle breedte. Haywood volgt de weg van de Vikingen vanaf hun Noorse godenwereld in de achtste eeuw tot hun plek in het christelijke Europa in de dertiende eeuw. Op Historiek een fragment uit de inleiding over hoe de Vikingen aankeken tegen het ontstaan van de aarde en hun ‘doel’ op aarde.
Asgard. Het wereldbeeld van de Vikingen Vee sterft, bloedverwanten sterven, uiteindelijk zul jij ook sterven, Maar glorie sterft nooit voor de man die het behaalt.
De dwaas denkt dat hij eeuwig zal leven, Als hij wegblijft bij het gevecht; Maar de oude dag garandeert hem geen wapenstilstand, Zelfs als de speren dat wel doen. Hávamál Odin hangt in de boom om zichzelf te offeren, zoals beschreven in Hávamál.
Voor de meeste Scandinaviërs betekende het leven in het Vikingtijdperk hard werken op het land, een voortdurende onzekerheid, en een vroege dood rond hun dertigste of veertigste levensjaar. Voor hen die ervoor kozen om Viking te worden in de letterlijke zin van het woord, piraat of plunderaar, of die op reis gingen om handel te drijven of te koloniseren, kon het leven zelfs nog korter duren. Allemaal liepen ze het serieuze risico op zee te verdrinken wanneer hun fragiele schepen vergingen in een storm of aan splinters sloegen tegen een rotsachtige kust. Handelaren liepen altijd het risico aangevallen te worden door piraten. En tegenover elke Vikingkrijger die naar huis terugkeerde met een zak zilver of voor zichzelf een boerderij in de wacht had gesleept op nieuw veroverd gebied, moet er minstens één andere hebben gestaan die aan mootjes werd gehakt op een slagveld of stierf aan een ziekte in een onhygiënisch winterkamp. Vikingen waren duidelijk bereid enorme risico’s te nemen teneinde land, rijkdom en roem te vergaren. Deze moedige en ondernemende maatschappij werd ondersteund door een wereldbeeld dat actief het mijden van risico’s ontmoedigde. De wereld waarin de heidense Scandinaviërs leefden, bestond niet om een of ander doel te vervullen, en als het waar was dat de goden de mens hadden geschapen, dan was dat uitsluitend voor henzelf, zodat er iemand was die aan hen geofferd kon worden. Wilde een mensenleven enige betekenis hebben in deze wereld, dan moest men daar zelf voor zorgen, door iets te bereiken waarvoor men herinnerd zou worden.
De schepping van de wereld
Yggdrasil
Volgens de Scandinaviërs werd het middelpunt van het universum gevormd door een enorme, altijdgroene es die Yggdrasil heette. Zijn takken overdekten de hemel en verbonden de gescheiden werelden van de goden, ijsreuzen, vuurreuzen, elfen, dwergen, mensen en de onderwereld. Er is geen mythe die vertelt over de oorsprong van Yggdrasil of zijn uiteindelijke lot. Zijn bestaan werd als vanzelfsprekend aangenomen en misschien dacht men dat hij eeuwigdurend was.
Desondanks komt Yggdrasil helemaal niet voor in de Scandinavische scheppingsmythe, waarin de kosmos geboren wordt uit de interactie van wederzijds vijandige krachten. In het begin van de tijd waren er maar twee werelden: het vurige Muspelheim in het zuiden en het ijzige Niflheim in het noorden. Tussen de twee werelden bevond zich de gapende leegte van Ginnungagap. Waar de hitte van Muspelheim het ijs van Niflheim ontmoette, begon het ijs te smelten en te druipen. De hitte versnelde het leven in de druppels en die namen de vorm aan van een reus, die de naam Ymir kreeg. Terwijl Ymir sliep, vormden zich uit het zweet onder zijn linker oksel een reus en een reuzin, en een van zijn benen werd de vader van een zoon op zijn andere been. Op deze manier werd Ymir de voorvader van een ras van ijsreuzen. Terwijl het ijs bleef smelten, kwam er een koe tevoorschijn. Deze koe heette Auðumla. Auðumla voedde zich door te likken aan het zoute ijs. De vier rivieren van melk die uit haar spenen vloeiden, voedden Ymir. Door het likken van Auðumla kwam nog een reus tevoorschijn, die Búri heette. Búri was groot, sterk en knap. Hij werd de vader van een zoon die Borr heette. Er wordt geen moeder genoemd, maar zij was vermoedelijk een ijsreuzin, aangezien zij destijds de enige andere aanwezige wezens waren, afgezien van Auðumla. Borr nam Bestla, de dochter van de ijsreus Bölthorn, als zijn vrouw en samen kregen ze drie zonen: Odin, Vili en Vé, de eerste van de goden. Odin en zijn broers vermoordden Ymir en gebruikten zijn dode lichaam om het land te maken, en zijn bloed om de oceaan te maken. Toen namen de goden Ymirs schedel en plaatsten deze boven de aarde om de lucht te maken. De goden vingen wat van de vonken en gesmolten sintels die van Muspelheim af waaiden en plaatsten deze in de lucht om de hemel en de aarde mee te verlichten. Toen zetten de goden de donkere reuzin Nótt (‘nacht’) en haar heldere en knappe zoon Dagr (‘dag’) in de lucht om elkaar elke vierentwintig uur rond de wereld te volgen. De goden namen de beeldschone broer en zus, Máni (‘maan’) en Sól (‘zon’) en plaatsten hen ook in de lucht. Aan de hand van hun bewegingen konden de dagen, maanden en jaren worden geteld.
De goden schiepen de wereld als een grote cirkel. Het deel langs de randen gaven de goden aan de reuzen als thuis. Dit was Jotunheim, waar de reuzen op wraak zonnen voor de dood van Ymir.
In het midden, omringd door de oceaan, gebruikten de goden Ymirs wenkbrauwen om een fort te bouwen tegen de vijandige reuzen. Dit noemden zij Midgard, of ‘Midden-Aarde’. Ten slotte namen de goden Ymirs hersenen en gooiden ze in de lucht om de wolken te maken. Hiermee voltooiden de goden hun recycling van Ymir.
Odin, Vili en Vé liepen langs de nieuw gevormde zeekust en vonden twee boomstammen. Hieruit schiepen de goden de eerste twee mensen.
De man noemden ze Ask (‘es’) en de vrouw Embla (‘iep’), en van hen stamde het menselijk ras af. De goden gaven Ask en Embla Midgard om te wonen.
Nadat ze mensen hadden geschapen, schiepen de goden hun eigen domein Asgard, een hemelse stad hoog boven Midgard. Ze bouwden de vurige regenboogbrug Bifröst om de twee domeinen te verbinden, zodat ze hiertussen heen en weer konden gaan.
De mythen geven geen aanwijzing hoeveel tijd er volgens de Vikingen zou zijn verstreken tussen deze gebeurtenissen en hun eigen tijd.
Zoals de meeste volken voor de tijd van het schrift, hadden de Vikingen geen officiële tijdsbepaling. Alle gebeurtenissen die plaatsgevonden hadden voor mensenheugenis, bestonden waarschijnlijk op een manier vergelijkbaar met de
Droomtijd van de Aboriginals.
Yggdrasil Asgard, thuis van de goden
Binnen de muren van Asgard zijn tientallen schitterende zalen en tempels waar de goden feestvieren en beraadslagen. Vanaf de troon in zijn met een zilveren dak bedekte zaal Valaskjálf overziet Odin de hele schepping, en stuurt hij zijn raven Huginn en Muninn elke dag eropuit om nieuws te vergaren over de wereld. Zoals elke Vikingleider heeft Odin zijn eigen gevolg van lijfwachten, einherjar, die exclusief worden gekozen uit de gelederen van de dapperste krijgers die gesneuveld zijn in de strijd. De einherjar vertoeven in Walhalla (‘zaal voor de gevallenen’), een enorme zaal met 540 deuren die elk zo breed zijn dat achthonderd krijgers er zij aan zij doorheen kunnen marcheren. Walhalla glanst van het goud, heeft speren als dakspanten en een dak gemaakt van schilden en
maliënkolders. Elke ochtend marcheren de einherjar Walhalla uit om de dag door te brengen met vechten.
Noormannen.
In de avond worden de gesneuvelden op miraculeuze wijze geheeld en keren ze allen terug naar Walhalla om daar de hele nacht te genieten van varkensvlees en mede. De einherjar worden bediend door de Walkuren (‘zij die de gevallenen uitkiezen’), beeldschone bovennatuurlijke vrouwen die een harnas dragen en
gewapend zijn met een schild en een speer. Op Odins bevel rijden de Walkuren snel door de lucht en dalen neer op slagvelden om te beslissen wie de winnaars zijn, de krijgers te kiezen die zullen sneuvelen en de dappersten van hen mee te voeren naar Walhalla. Daar worden ze verwelkomd met bekers mede en een
rumoerig gebonk op tafels door de einherjar. Vikingkrijgers wisten dat ze de gastvrijheid van hun heer moesten verdienen op het slagveld. De einherjar verdienden Odins gastvrijheid door voor hem te strijden in Ragnarok. Dit is een groot gevecht waarvan Odin weet dat het voorbestemd is om plaats te vinden aan het einde der tijden.
Hierin zullen de goden en hun onverzoenlijke vijanden, de reuzen, elkaar uitroeien met vuur en overstromingen en het hele universum vernietigen, waarna een nieuwe scheppingscyclus begint.
~ John Haywood
De drie belangrijkste goden van het Hindoeisme
Hindoeïsme
<10> Het is een van de oudste religies ter wereld, beoefend door meer dan 1.100 miljoen mensen op het Aziatische continent en andere delen van de wereld. In India, Pakistan, Nepal, Bangladesh en Maleisië zijn er velen die de voorschriften volgen en de drie belangrijkste goden van het hindoeïsme aanbidden. In tegenstelling tot andere religies worden deze goden in het dagelijks leven aanbeden. Ze worden meer dan abstracte en verre wezens gezien als figuren die deel uitmaken van de dagelijkse realiteit. Er zijn tal van stromingen en scholen binnen het hindoeïsme. Binnen het bonte hindoeïstische pantheon vallen niet alle goden in dezelfde categorie. Er zijn niet minder dan dertig miljoen goden, maar ze zijn niet allemaal even belangrijk en vereerd. Dit zijn de drie belangrijkste goden van het hindoeïsme: Brahma, Vishnu en Shiva. Ze vormen de Trimurti (‘De drie vormen’ in het Sanskriet) en vertegenwoordigen respectievelijk de cycli van schepping, behoud en vernietiging van het universum. Brahma, de eerste van de drie Hindoe drie-eenheid, is de schepper van het heelal. Hij wordt afgebeeld met vier hoofden die naar de vier windrichtingen kijken. Meestal rijdt hij op een zwaan of zit op een heilige lotusbloem. Zijn vrouw Saraswati is de godin van de kunst en het onderwijs. Brahma heeft vier handen, waarvan hij er altijd één zegenend opheft.
Vishnu Vishnu is de beschermer van het heelal. Hij wordt meestal afgebeeld op een adelaar of slapend op een reuzenslang. Zijn vrouw is Laksmi, de godin van schoonheid en rijkdom. Vishnu de instandhouder in het Hindoeïsme
Shiva Shiva is de vernietiger van het kwaad in het heelal. Hij heeft een drietand als symbool van de vernietiging. Op zijn voorhoofd draagt hij het derde oog van de kennis. Shiva rijdt op een grote stier, Nandi geheten. De vrouw van Shiva is de godin Parvati. En rechterhand van Shiva.
Maori’s
De Maori’s zijn de inheemse bewoners van Aotearoa, zoals zij Nieuw-Zeeland noemen. Momenteel noemt 14% van de Nieuw-Zeelandse bevolking zich Maori. Hun bijzondere cultuur heeft een sterke stempel gedrukt op de huidige Nieuw-Zeelandse cultuur. Je ziet en hoort veel Maori-elementen terug in onder andere zang, dans, taal en plaatsnamen.
Pa en marae
Ongeveer duizend jaar geleden kwamen zij aan na een lange reis van de Haiwaiki-eilanden in de Grote Oceaan. Door de eeuwen heen leefden vele Maori-stammen in pa’s (versterkte dorpen) waar zij zichzelf voorzagen van eten en drinken. In deze gemeenschappen genoten de stamleiders en priesters het meeste gezag. De stam werd vernoemd naar de voorvader van de stam, bijvoorbeeld Ngapuhi, dat afstammelingen van Puhi betekent. Deze stam is tegenwoordig de grootste stam in Nieuw-Zeeland met meer dan 100.000 leden. In het midden van alle pa’s stond een ‘marae’: een gemeenschapshuis met een grote open plaats. Maori’s geloven dat hierin hun voorouders verder leven en is de plek waar alle stamleden samenkomen en ceremonies houden. Wanneer er behoefte aan meer voedsel en land was, werden er andere stammen aangevallen. Dit ging er vaak heftig aan toe. Er werden wapens van steen, hout en been gebruikt en de verslagen vijand werd als slaaf ingelijfd en soms zelfs opgegeten. Toen aan het einde van de 18e eeuw Nieuw-Zeeland werd gekoloniseerd, veranderde er veel voor de Maori’s. Er werden grote stukken land afgepakt en hun cultuur werd ondergewaardeerd. Ook poogden zendelingen Maori’s te bekeren tot het Christendom.
Religie De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de traditionele Maori-cultuur gekomen. Deze opleving van deze cultuur wordt ook wel Maoritanga genoemd. De Maori-cultuur is rijk en gevarieerd. Hierin speelt voorouderverering een belangrijke rol evenals het geloof in goden. Deze goden vertegenwoordigen de hemel, zee, bergen en oorlog. Andere belangrijke zaken zijn het geloof in de levenskracht (mairu), de geest (wairua) en de spirituele kracht (mana). Mythes spelen een belangrijke rol in de traditionele Maori-religie. Het ontstaan van de aarde zien ze zo: in het begin was er niets en dit niets noemen ze Te Kore. Na negen periodes van Te Kore kwam Te Ata, de zonsopgang. Uit de schoot van de duisternis ontstond Ranginui, de hemelvader, en Papatuamaku, Moeder Aarde.
Zij werden verenigd en kregen veel kinderen. Deze kinderen richtten
de wereld verder in.
Het ontstaan van Nieuw-Zeeland is ook een belangrijke legende binnen
de Maori-cultuur. Lang na de creatie van de wereld ging halfgod Maui
uit Hawaiki op zee vissen. Samen met andere bewoners van Hawaiki
voer hij in een kano een heel eind weg van zijn geboorte-eiland. Na een
tijdje varen pakte Maui zijn magische vishaak, bevestigde deze aan een
stuk touw en wierp deze in de oceaan. Hij ving een immense vis die hij versloeg met jade. De vis veranderde toen in het Noordereiland, dat door de Maori’s Te Ika a Maui wordt genoemd, oftewel ‘De vis van Maui’. Het Zuidereiland symboliseert de kano van Maui: Te Waka o Maui. Stewart Island vormde het anker van deze kano: Te Punga a Maui.
Vele jaren later, tussen 850 – 950, vertrok zeevaarder Kupe van Hawaiki
richting Nieuw-Zeeland. Toen hij het land zag hing er laaghangende
bewolking overheen. Hij noemde het nieuwe land ‘Aotearoa’, dat ‘het land van de lange witte wolk’ betekent.
Maoritanga
Vroeger was er binnen de Maori-stammen een duidelijke scheiding in klassen, maar tegenwoordig zijn Maori’s meer geïntegreerd in de Nieuw-Zeelandse samenleving en is er meer gelijkheid. Hoewel de traditionele Maoricultuur in Nieuw-Zeeland lange tijd nauwelijks werd erkend, is er nu sprake van een inhaalrace, de Maoritanga.
Veel Maori’s laten de cultuurspecifieke kenmerken, zoals gigantische tatoeages, met trots zien. Ook is er veel aandacht voor de oude mythes en legendes.
Door de eeuwen heen werden deze oraal doorgegeven omdat de Maori-cultuur geen schrift kende. Verhalen en tradities werden levend gehouden door middel van zang, dans, muziek en houtsnijwerken. Nu kennen Maori’s wel het schrift en worden de verhalen opgeschreven in verhalen en gedichten.
Vandaag de dag is het ‘Maori zijn’ een individuele keuze geworden. Mensen zijn niet meer genetisch Maori maar verklaren zichzelf Maori. Dit komt onder andere doordat de ‘volbloed Maori’ bijna niet meer bestaat door de inmenging van andere culturen. Of iemand Maori is hangt af waar die persoon zich het meest mee verbonden voelt. Net als in veel andere multiculturele landen identificeren veel Nieuw-Zeelanders zich met meer etnische groepen. Vanwege de grotere aandacht voor de Maori-cultuur, zijn er veel Maori-verenigingen opgericht, zoals
sportclubs en theatergroepen. Hierdoor ontstaat er een groeiend gemeenschapsgevoel en zeggen veel Maori’s hun ‘nqakau Maori’ weer te voelen, hun Maori-hart in hun voorouders, cultuur en land.
<11>
Asintmah, Athabaskan aarde en natuurgodin, en de eerste vrouw die op aarde rondliep
Kishar, Akkadische godin die de aarde
vertegenwoordigt
Ninhursag, Sumerische moedergodin geassocieerd met de aarde en vruchtbaarheid
Cybele,
Frygische godin van de
vruchtbare aarde en wilde
dieren
Yer Tanrı, is de godin van de aarde in de Turkse mythologie. Ook wel bekend als Yer Ana.
Gaia, de godin van de aarde en haar personificatie. Ze is ook de oorspronkelijke moedergodin.
Terra , oergodin die de aarde personifieert.
Grieks-Romeins is oergodin Tellus, net als Terra, personificatie van de aarde
Papatuanuku, de aardmoeder Maori
Egyptische moedergodin Isis
de godin Amaunet
<12>
<13>
Moeder Aarde en Maria Lichtmis Door Martine op Antroposofie en het kind.
<14> Eind januari, in de diepe, stille winteraarde, gebeurt iets heel bijzonders… De allerkleinste zaden ontkiemen en vinden hun weg naar de zon, tegen de zwaartekracht in. De aarde opent zich, is vruchtbaar. Midden in de winter. De sneeuwklokjes bloeien al! Na de stille, donkere (en dit jaar ook nog) sombere dagen van december en januari, verlangen we naar zon en licht. Maar de weg ernaartoe voelt zwaar, alsof we zelf ook tegen de stroom in moeten gaan. Ons hart maakt werkelijk een sprongetje als de zon schijnt, naar buiten! Het sterkt ons dat de dagen ook al merkbaar lengen. Wat er met de natuur gebeurt, wordt ook innerlijk zichtbaar. De verwachting van de lente is voelbaar. We ontwaken langzaam. We stellen ons vruchtbaar open voor bewustwording en nieuw inzicht. Misschien is er zelfs al inspiratie en ontluikend enthousiasme! Maria Lichtmis op 2 februari, is in de kerk de herdenking van het zuiveringsoffer dat Maria veertig dagen na de geboorte van Christus moest brengen. Daarmee is deze dag verbonden met Kerstmis, de geboorte van Jezus. Op Maria Lichtmis worden kaarsen gezegend en een processie met brandende kaarsen gehouden, voor aanvang van de mis. De katholieke en protestante kerk benadrukken dat het geen Mariafeest is, maar dat het op deze dag over Christus zelf gaat. Het is de opdracht/presentatie van de Heer in de tempel. Ik wil hierbij graag opmerken dat de vrouw in de christelijke traditie, een ondergeschikte rol heeft. Van oorsprong is 2 februari een Keltisch feest met lente en vruchtbaarheid als centrale thema’s. Het nieuwe natuurjaar, de uitademing van de aarde begint weer. Hier start de groene vreugde van de aarde, elk jaar opnieuw! In sprookjes wordt Moeder Aarde, de aardekracht en vruchtbaarheid, verbeeld door Vrouw Holle*. Zij is de verbinding tussen aarde en hemel. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren en natuurwezens. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, bloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt de nog ongeboren zielen en begeleidt de overledenen vlak na de dood. Maria, de moeder van Jezus, is bij de christenen deze plaats gaan innemen. Maar de link met onze aarde heeft Maria niet. Je zou kunnen zeggen dat hierdoor de verbinding met Moeder Aarde uit onze westerse cultuur is verdwenen omdat deze nu eenmaal getekend is door de christelijke traditie. Het behoeft geen betoog dat we de verbinding met de aarde kwijt zijn geraakt. We leven in een tijd waarbij we steeds verder van de natuur afstaan. We doen de aarde veel geweld aan. Dat heeft enorme gevolgen. Het klimaat verandert veel sneller dan we voor mogelijk hielden, de aarde raakt uitgeput, de noodklok wordt geluid. Hier wordt op allerlei manieren aandacht voor gevraagd, vooral in negatieve zin. En we weten best dat er iets moet veranderen, maar echt verantwoordelijk voelen we ons niet. Laten we het eens op een andere manier proberen. Voor werkelijke verandering is een diep besef nodig. Laten we dat wakker schudden door erop te vertrouwen dat het nog ergens rondwaart in ons celgeheugen! Door ons in deze tijd van het jaar te verbinden met de ontluikende natuur, her-inneren we ons de grootsheid, de immense waarde van Moeder Aarde. Moeder Aarde, Moeder Energie, Moeder Maria. Ze hebben overeenkomstige eigenschappen. Reinigend, licht, zuiver, vruchtbaar, scheppend. Bewustwording door het leven te vieren is een relatief onbekende, maar ik nodig je er graag toe uit! Laten we het laatste feest van de Kersttijd, Maria Lichtmis, verbinden met het eerste feest van Moeder Aarde. Betekenisvol vieren**, vreugdevol en dankbaar. Daarmee brengen we hoe dan ook licht de wereld in, aansluitend op de gedachte van Maria Lichtmis! We kunnen er warmte en troost aan ontlenen en het bovenal samen delen!
Artikel uit het tijdschrift Happinezz <15> Moeder Aarde wordt door de oude volken van de Andes Pachamama genoemd. Ze zien haar als de moeder aller moeders, en vinden het belangrijk om haar te bedanken voor de overvloed die ze ons schenkt. Hoe kunnen we onze kinderen dat respect meegeven? Zes waardevolle lessen van Pachamama. 1. Lummelen hoort erbij Pachamama is een moeder, een vrouw. Door je met haar te verbinden, versterk je je vrouwelijke energie. Waar mannelijke energie gaat over actie, gaat vrouwelijke energie over ontvankelijkheid en rust. Meer zijn dan doen. Luisteren naar de wijsheid van je lichaam, naar je intuïtie. Krachten die lange tijd onderdrukt zijn geweest. Hoog tijd voor een comeback, en dan in een mooie balans met gezonde mannelijke energie. Want het een kan niet zonder het ander. Ook (en misschien juist wel) voor kinderen is deze balans belangrijk. Ruimte om een beetje te lummelen. Vervelen is goed – juist dan komen na een poosje de creatieve ideeën. Niet van buitenaf opgelegd, maar helemaal vanuit jezelf. Uitrusten en opladen kan bij uitstek in de natuur. Bijvoorbeeld door op blote voeten over het gras te slenteren. Of liggend op je rug te voelen: hoe gaat het eigenlijk met mij? Hoe voelt mijn lichaam? Welke plek vraagt om aandacht? Daar kun je dan in gedachten wat warmte of energie naartoe sturen. Of het gewoon even laten zijn. 2. Vind je natuurlijke ritme Je verbinden met de natuur doe je door haar letterlijk op te zoeken: de zon, de regen, de wind voelen, de aarde onder je voeten. Hoe meer je buiten bent, hoe meer je het ritme van donker en licht en van de seizoenen ervaart. Net als de natuur hebben wij ook onze eigen ritmen. Op het ene moment voel je je energieker dan op het andere; dat persoonlijke ritme is voor iedereen anders. Je kunt van nature een vroege vogel of juist een nachtdiertje zijn. Hoe meer rekening je houdt met jouw voorkeuren, hoe lekkerder je in je vel zit. De combinatie met werk, school en verschillende ritmen binnen een gezin kan een uitdaging zijn. Dat vraagt om creativiteit. Misschien is de een beter in ontbijt maken, en heeft de ander meer puf om avondeten te koken. Slaapt de een beter iets langer uit, dan allemaal strak in hetzelfde regime moeten opstaan. De kunst is om samen de lekkerst lopende flow te vinden. 3. Vier de verschillen Pachamama’s rijkdom is de rijkdom van veelsoortigheid. De ware aard van Moeder Aarde is veelkleurig, uitbundig, veelsoortig, overvloedig. Bekijk maar eens een klein stukje grond in een zomers park, hoe het dan wemelt van leven: gras, madeliefjes, krioelende beestjes; alles leeft en werkt samen. De balans wordt verstoord als op één ding wordt gefocust, één stof, zonder rekening te houden met de omgeving en de natuurlijke variatie. Dan treedt uiteindelijk verarming op – Moeder Aarde doet niet aan monocultuur. Verschillende soorten planten, bomen, insecten, bacteriën, schimmels, zoogdieren, water, wind, zon, noem maar op: samen vormen ze een ecosysteem. Onderling wisselen ze uit, ze reageren constant op elkaar, altijd om een gezonde balans te vinden. In de film ‘The biggest little farm’, over een stel dat met vallen en opstaan een dor stuk grond weet om te vormen tot een groen paradijs, wordt dat mooi weergegeven. Alle dieren in het ecosysteem hebben hun eigen rol. Ook die coyote die je kippen opvreet, blijkt uiteindelijk zijn functie te hebben. Zo is het ook met ons mensen. Als we maar één standpunt of maar één soort persoon goedkeuren, en alles wat daarvan afwijkt afwijzen, dan groeien we uiteindelijk niet. We ontwikkelen ons door uit te wisselen, naar elkaar te luisteren en samen te werken, ook als dat soms conflicten oplevert. Groei – als in: bewustzijnsontwikkeling – is onvermijdelijk. Het is onze natuur. 4. Wat heb je écht nodig? Wie de natuur volgt, weet dat ze in steeds terugkerende cycli werkt: ontstaan, groei en bloei, afsterven, rust, en dan ontstaat weer iets nieuws. In onze maatschappij is één deel ervan, het groeien, uit proportie geraakt. Reclames maken ons wijs dat we meer, meer, meer nodig hebben. Pachamama is erbij gebaat als we voelen wanneer het genoeg is. Als we weten wanneer we genoeg spullen, voedsel en informatie hebben. En als we voelen dat we genoeg zijn. Een gezond gevoel van eigenwaarde is ook goed voor de aarde. Dan ben je minder geneigd om onzekerheid op te vullen met spullen kopen of andere vormen van consumptie. ‘Genoeg’ betekent voor iedereen iets anders. Het kan goed zijn om je spullen eens onder de loep te nemen. Gebruik je daadwerkelijk alles wat je hebt, of heb je eigenlijk te veel? Zo kun je met kinderen naar hun speelgoed kijken. Spelen ze nog met dat autootje of die puzzel, of zou een ander kind er blijer mee zijn? Misschien kun je ruilen of (uit)lenen. Er is genoeg. 5. Help jezelf helen Moeder Aarde is heilig voor de Inca’s. En wij zijn allemaal een stukje van Pachamama, dus wij zijn ook heilig. Heilig betekent ‘heel’. We zijn in wezen heel – alleen voelen we dat niet altijd zo. “Zorg dat je heelt van binnen,” zegt Claasje Kos, oprichter van spiritueel centrum Pacha Mama in het Friese Lekkum. In dit centrum draagt ze onder andere het gedachtegoed van het Inca-sjamanisme uit, via workshops en opleidingen wil ze mensen weer bewust maken van het heilige van het leven. Claasje: “Ga aan de slag met blokkades en angsten die je in jezelf tegenkomt. In ons leven lopen we allemaal trauma’s op. Al is het maar van je fiets vallen als kind, of ruzie met je schoonmoeder. Bij trauma heeft ook je energetische lichaam heling nodig. Anders leef je vanuit overlevingsmechanismen. En als jij voelt dat je heel bent, kun je ook naar buiten toe helen. Dan kun je de zachtheid, de liefde, het geduld, het respect naar buiten verspreiden. Je gaat gezond met je lijf om en bent ook daarin een voorbeeld.” Daarvoor hebben we rust nodig. De hartslag van Pachamama gaat langzaam en wij leven vaak snel. Wil je ‘heilzamer’ leven, ga dan langzamer. Neem de tijd voor reflectie, om je leven en je keuzes te overdenken. Neem tijd om te voelen wat er gebeurt. Valt een kind van de fiets, poets die ervaring dan niet zo snel mogelijk weg. Besteed er even oprechte aandacht aan: wat gebeurde er, hoe voelt je lichaam, wat heb je nodig? 6. Luister naar je hart “Je pad ontvouwt zich vanzelf als je van binnen heelt,” zegt Claasje. “Dan voel je wat je wilt doen in de wereld.” In wezen is‘jezelf zijn’ genoeg. Daarom is het goed om ook te luisteren naar je eigen natuur. Dat te doen waar jij helemaal vanuit jezelf passie en enthousiasme voor voelt, wat je natuurlijk af gaat. Weet je dat even niet meer, neem dan de tijd om naar je hart te luisteren. Dat kun je letterlijk doen door je rechterhand op je hart te leggen en je ademhaling bewust langzamer te maken. Word je bewust van alles waar je dankbaar voor bent, waar je een warme herinnering aan hebt. Waar word je blij van? Wat heb je vanuit jezelf in overvloed te delen, te geven? Als je happy en in balans bent, heb je ook iets terug te geven. Dat geldt ook voor kinderen. Net als ieder dier en elke plant zijn wij mensen allemaal deel van het grotere ecosysteem. Elk deeltje heeft een eigen rol en functie in het geheel. Je hoeft niet alles te kunnen of te weten. Een mol hoeft niet te kunnen klimmen, een zonnebloem hoeft alleen maar zonnebloem te zijn. Natuurlijk is het goed om nieuwe dingen te leren, ook dingen die je misschien niet zo liggen, maar je talenten zijn er al. Die hoeven alleen maar de ruimte te krijgen. Als dat gebeurt, kunnen we allemaal bijdragen aan de gezondheid van de wereld.
Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Waar moet je in dit getal 9 8 7 6 5 4 3 2 1 één plusteken en drie mintekens zetten om 333 als uitkomst te krijgen?
Oplossing:
Met een beetje proberen ‘ergens’ de tekens te zetten, kom je erachter dat het om de getallen 987 en 654 en 321 moet gaan. Dan zie je al snel dat je de eerste twee moet aftrekken: uitkomst: 333. Dat moet ook de uitkomst zijn, maar 321 moet er nog in verwerkt worden. We hebben nog 2 mintekens en één plusteken. 1 erbij kan niet. 2 erbij kan ook niet, dus 3 erbij = 336; 2 eraf, 1 eraf = 333
Bij mijn artikelen zoek ik weleens illustraties. Die kom je te kust en te keur tegen op Pinterest.
De bezitter van deze illustraties heeft ze wetend of onwetend in de openbaarheid gebracht. Daar worden ze gezien als ‘des vrijeschools’.
Maar zijn ze dat ook.
Voor sommige meen ik van niet.
Wat ik bedenkelijk vind is, dat ze ook als inspiratie kunnen dienen voor iemand die nog niet zo thuis is in het vrijeschoolonderwijs. Die ze in de praktijk kopieert en dus het niveau van hoe iets zijn kan/moet, naar beneden haalt. Zonder dat te beseffen en met de beste bedoelingen.
Van tijd tot tijd stel ik een aantal van die illustraties ter discussie.
[1] Overgetuigschriften Het handschrift van de leerkracht; of met de pc; gekopieerde spreuken; tekst voor de ouders.
[2] Over bordtekeningen Welke achtergrond; hoe betrek je die erbij; de functie van zwart; bij plantkunde de realiteit van de elementen.
[3-1] Over vormtekenen, vlechtvormen
Een filmpje met instructie hoe een vlechtvorm te maken. Helaas wordt er voorbijgegaan aan essentiële gezichtspunten m.b.t. ‘vormen maken’.
[3-2] Over het gebruik van wasblokjes Wasblokjes zijn er om kleurvlakken te maken, niet om lijnen te tekenen.
Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.
In deze vergadering gaat het voornamelijk over hoe om te gaan met een collega die niet voldoet. Tijdens de discussie hierover komen nog andere vragen op: wie worden er eigenlijk toegelaten tot de vergadering.
Deze vergadering is een soort vervolg op die van een dag eerder, 30 juli 1920, over de ‘Wereldschoolvereniging. Die is er niet gekomen. Volledigheidshalve heb ik het toch vertaald.
RUDOLF STEINER
Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart1919 bis 1924
Erster BandDas erste und zweite Schuljahr
Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart
Band 1Het eerste en tweede schooljaar
Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
Dr. Steiner: Was ist vorzubringen? Wer wünscht das Wort?
Wat moet er aan de orde komen? Wie wil het woord?
X.: Ich wollte die Verteilung des Sprachunterrichts vorbringen.
X.: Ik wilde het hebben over de verdeling van het taalonderwijs.
[Uit de context blijkt het om niet-Duitse talen te gaan]
Dr. Steiner: Es würde sich im wesentlichen darum handeln, daß der Sprachunterricht mit den Klassen weiterläuft, daß die bisherigen Lehrer auch in den folgenden Klassen den Sprachunterricht haben. Nur würde etwas neu hinzukommen durch die 1. Klasse. Wie viele Klassenlehrer haben den Sprachunterricht in ihrer Klasse selbst gegeben? Fräulein Lang und Frau Koegel beide Sprachen; Geyer, Fräulein Dr. v. Heydebrand, Fräulein v. Mirbach und Kolisko eine Sprache. Im nächsten Jahre wird Fräulein Uhland in ihrer 1. Klasse beide Sprachen übernehmen, vielleicht auch Killian in der seinigen. Im Lateinischen übernimmt Dr. Schubert die Anfänger in der 4., Geyer die 5. und 6. Klasse. Es wird sich erst zeigen, wie viele Lateiner sich melden. Die Begeisterung ist nicht groß. Im freien Religionsunterricht würde Hahn die 1.—3. Klasse als eine Gruppe zusammennehmen, und ebenso als eine Gruppe die 7. bis 9. Klasse. Dann brauchen wir für die 4., 5., 6. jemanden. Was tut man da?
Dat zou in principe betekenen dat het taalonderwijs doorgaat met de bestaande klassen, en dat de huidige leerkrachten ook in de volgende klassen taalonderwijs geven. Door de 1e klas komt er iets nieuws bij. Hoeveel leerkrachten hebben in hun eigen klas taalonderwijs gegeven? Juffrouw Lang en mevrouw Koegel gaven beide talen; Geyer, juffrouw Dr. von Heydebrand, juffrouw von Mirbach en Kolisko gaven één taal. Volgend jaar neemt juffrouw Uhland beide talen over in haar klas 1, en misschien doet Killian hetzelfde in de zijne. In Latijn neemt Dr. Schubert de beginners in klas 4 over, Geyer de klassen 5 en 6. Het valt nog te bezien hoeveel leerlingen zich voor Latijn zullen inschrijven. Het enthousiasme is niet groot. In de keuzevakken godsdienst zou Hahn lesgeven aan de eerste tot en met de derde klas. We zouden de klas samen als groep kunnen volgen, en ook de zevende tot en met de negende klas als groep. En dan hebben we nog iemand nodig voor de vierde, vijfde en zesde klas. Wat doen we daar?
Ja, wie wäre es, wenn wir Herrn Uehli dazu einladen würden? Es wäre eine Lösung. Nicht wahr, er hat nicht viel Zeit, aber zwei Stunden in der Woche, das würde vielleicht gehen. Ich würde also Herrn Uehli in Aussicht nehmen für die Gruppe der 4.-6 . Klasse. Wenn sonst nichts zu besprechen wäre, würde ich etwas vorbringen, was von einigen gewünscht wurde, die Frage des Weltschulvereins.
Ja, wat dacht u ervan om meneer Uehli uit te nodigen? Dat zou een oplossing zijn. Hij heeft niet veel tijd, maar twee uur per week zou misschien wel lukken. Dus ik zou meneer Uehli willen voorstellen voor de groep van klas 4 t/m 6. Als er verder niets te bespreken valt, zou ik iets aankaarten wat sommigen hebben gevraagd: de kwestie van de Wereldschoolvereniging.
X.: Wir meinten, man sollte unmittelbar herantreten an die Gründung des Weltschulvereins, der Geld sammeln soll, sei es für Schulen, sei es für das Goetheanum. Der Waldorfschulverein sollte dann Mitglied des Weltschulvereins werden.
X: Wij denken direct te beginnen met het oprichten van de Wereldschoolvereniging, die geld moet inzamelen, hetzij voor scholen, hetzij voor het Goetheanum. De Waldorf schoolvereniging zou dan lid moeten worden van de Wereldschoolvereniging.
Dr. Steiner: Wie stellen Sie sich das vor, daß diese Gelder zentralisiert und von einer Stelle verwaltet würden? Wir können doch nicht das, was gestern abend nach dem Vortrag gefordert wurde, zentralisieren. Das wird für die Waldorfschule gesammelt. Es sollte das, was für die Waldorfschule gesammelt wird, nicht in den Hintergrund treten. Sollen wir eine Versammlung einberufen und sagen, außer dem, was wir gestern gemacht haben, machen wir auch das dazu? Es wird ausgiebig über den Verlauf des gestrigen Abends gesprochen.
Hoe ziet u het voor zich dat deze fondsen gecentraliseerd en beheerd worden door één instantie? We kunnen niet centraliseren wat gisteravond na de lezing werd geëist. Dat geld wordt ingezameld voor de Waldorfschool. Wat er voor de Waldorfschool wordt ingezameld, mag niet ondersneeuwen. Moeten we een vergadering beleggen en zeggen: laten we naast wat we gisteren hebben gedaan, ook dit doen? Er wordt uitgebreid gediscussieerd over de gebeurtenissen van gisteravond.
Blz. 202
X.: Was gestern getan wurde, bezieht sich auf die Sammlung für die Waldorfschule speziell. Und was von Seiten eines Weltschulvereins getan werden könnte, bezieht sich darauf, Geld zu bekommen für alle Unternehmungen, so daß eine Konkurrenz zwischen diesen verschiedenen Sammlungen, die von verschiedenen Stellen unternommen werden, nicht mehr vorhanden wäre.
X.: Wat er gisteren is gebeurd, heeft specifiek betrekking op de inzamelingsactie voor de Waldorfschool. Een Wereldschoolvereniging zou fondsen kunnen werven voor alle initiatieven, zodat er geen concurrentie meer bestaat tussen de verschillende inzamelingsacties van de diverse organisaties.
Dr. Steiner: In einem gewissen Sinn ist sie vorhanden. Wir können warten, bis diese Sache, die gestern ventiliert worden ist, verwirklicht ist, dann können wir daran denken, einen Weltschulverein zu gründen. Wenn also klar vorliegt, was für den Waldorfschulverein herauskommt, dann erst würde man mit der Gründung des Weltschulvereins an die Menschen herantreten. Fortwährend probieren können wir nicht. Denn durch das, was gestern geschah, ist der Plan des Weltschulvereins durchkreuzt worden. Ich sage gar nicht, daß das schade ist. Aber man kann nicht zwei solche Dinge nebeneinander machen.
In zekere zin bestaat die concurrentie nog wel. We kunnen wachten tot de kwestie die gisteren is besproken, is opgelost. Dan kunnen we de oprichting van een Wereldschoolvereniging overwegen. Pas als duidelijk is wat de uitkomst is voor de Waldorfschoolvereniging, kunnen we mensen benaderen over de oprichting van de Wereldschoolvereniging. We kunnen niet blijven proberen. Want wat er gisteren is gebeurd, heeft het plan voor de Wereldschoolvereniging gedwarsboomd. Ik zeg niet dat dat jammer is. Maar je kunt niet twee van zulke dingen tegelijk doen.
X.: Könnte der Weltschulverein nicht von Dornach aus gegründet werden?
X.: Zou de Wereldschoolvereniging niet vanuit Dornach opgericht kunnen worden?
Dr. Steiner: Das brauchen wir hier nicht zu beschließen. Das würde dem nicht hinderlich sein, daß hier für die Waldorfschule gesammelt wird. Dann würde es unsere Aufgabe sein, uns dahinterzustellen, wenn es von Dornach ausgeht.
Dat hoeven we hier niet te beslissen. Dat zou de inzamelingsactie voor de Waldorfschool niet in de weg staan. Dan is het onze taak om het te ondersteunen als het uit Dornach afkomstig is.
X.: Der Eurythmeumsplan dürfte nicht zurückgestellt werden; der darf nicht erledigt sein.
X.: Het plan voor een euritmeum mag niet worden uitgesteld; het mag niet als “afgerond” worden beschouwd.
Dr. Steiner: Der ist wohl erledigt durch die ganze Stimmung, die geschaffen ist. Schließlich war schon das furchtbar lächerlich, daß ich mich dagegen wehren mußte und die Sache in einer durchaus nicht genügenden Weise korrigieren mußte. Aber nun, so etwas ist geschehen. Man muß nur jetzt die Konsequenzen ziehen! Dummheiten, die man macht, sind dazu da, daß man sie verbessert: Eine große Sache darf dadurch nicht leiden. Das einzelne erscheint dadurch als der Ausdruck einer Korporation.
Dat is het waarschijnlijk wel, gezien de hele sfeer die is ontstaan. Het was immers vreselijk belachelijk dat ik me ertegen moest verdedigen en de zaak op een volstrekt ontoereikende manier moest rechtzetten. Maar nu is er zoiets gebeurd. We moeten nu de consequenties onder ogen zien! Fouten zijn er om gecorrigeerd te worden: een grootse zaak mag er niet onder lijden. Het individuele incident lijkt een uiting van een bedrijfsstructuur.
X.: Herr Doktor, Sie hatten doch die Aufgabe gestellt, über den Namen der Schule nachzudenken. Da mußte man doch annehmen, daß die Angelegenheit des Weltschulvereins unsere Sache sein sollte.
X.: Dokter, u gaf ons de opdracht om na te denken over de naam van de school. Men mocht er toch van uitgaan dat de Wereldschoolvereniging tot onze verantwoordelijkheid behoorde?
Dr. Steiner: Ich habe gesagt, der Name müßte das staatslose enthalten. — Nicht wahr, ich habe dazumal gemeint, daß die Schwierigkeiten, die darin bestehen, daß Leute von auswärts ihre Schulen da oder dort haben wollen, wenn sie nicht nach Stuttgart herkommen können, daß diese Schwierigkeiten umgangen werden könnten, wenn man in großem Stile einen Weltschulverein begründen wollte,
Ik zei dat de naam het woord “staatloos” moest bevatten. — Klopt dat? Ik dacht destijds dat de problemen die ontstaan doordat mensen van elders hun scholen hier of daar willen vestigen, als ze niet naar Stuttgart kunnen komen, omzeild konden worden als men een wereldwijde schoolvereniging op grote schaal zou willen oprichten,
Blz. 203
der die Aufgabe hätte, solche Schulen überall zu gründen. Da sagte ich, daß man damit anfängt, die Waldorfschule auch in bezug auf die Mittel, die sie braucht, zu unterstützen. Es war das aber nicht so gemeint, daß wir uns damit beschäftigen wollten. Es würde aktuell geworden sein, wenn man die Sache so wollte. Das ist durchaus der Fall. Real können wir es jetzt nur aufschieben, bis der gestern gemachte Appell seine Wirkung getan hat. Wir können jetzt nicht von hier aus uns hinstellen und sagen: Nun ja, wir haben gesagt, daß 256 000 Mark für die Waldorfschule gesammelt werden. Heute stehen wir wieder da, nur geben wir dem Kinde einen anderen Namen. Jetzt sammeln wir für den Weltschulverein.
die de opdracht zou krijgen om overal zulke scholen op te richten. Toen zei ik dat we moesten beginnen met het ondersteunen van de Waldorfschool, ook wat betreft de benodigde middelen. Maar dat was niet bedoeld alsof wij ons daarmee moeten bezighouden. Het zou aan de orde zijn geweest als we het op die manier hadden willen aanpakken. Dat is zeker het zo. Realistisch gezien kunnen we het nu alleen maar uitstellen totdat de oproep van gisteren effect heeft gehad. We kunnen hier niet zomaar staan en zeggen: We hadden gezegd dat er 256.000 mark zou worden ingezameld voor de Waldorfschool. Vandaag zijn we terug bij af, alleen geven we het een andere naam. Nu zamelen we geld in voor de Wereldschoolvereniging.
X.: So war es nicht gemeint. Von mir aus war es so gemeint, daß wir uns hinter diese Absicht stellen wollen, daß ein solcher Weltschulverein zustande kommen sollte.
X.: Dat bedoelde ik niet. Vanuit mijn perspectief bedoelde ik dat we dit initiatief willen steunen, dat zo’n Wereldschoolvereniging tot stand komt.
Dr. Steiner: Was hat das für eine reale Bedeutung? Wenn Sie gestern in Ihrer Rede zu dem, wie die Schule sich bewährt hat, und daß wir gewillt sind, nun jetzt wieder eine Sammlung einzurichten, hinzugesagt hätten, daß wir den Weltschulverein gründen wollen, dann wäre er jetzt auf der Tagesordnung. Wir können hier nicht den Weltschulverein gründen. Es ist nicht meine Meinung gewesen, daß hier das Kollegium den Weltschulverein begründet. Es kommt keinen Schritt weiter, wenn wir es noch so stramm beschließen.
Wat is de werkelijke betekenis daarvan? Als u gisteren in uw toespraak over hoe de school zich heeft bewezen en dat we nu bereid zijn een nieuwe fondsenwervingscampagne op te zetten, had vermeld dat we van plan zijn de Wereldschoolvereniging op te richten, dan zou dat nu op de agenda staan. We kunnen deze hier niet oprichten. Het was niet mijn bedoeling dat lerarencollege hier de Wereldschoolvereniging zou oprichten. Dat schiet niets op, hoe vastberaden we het ook proberen.
X.: Ich hatte es so verstanden, daß wir Herrn Doktor bitten wollten, uns einige weitere Winke zu geben.
X.: Ik begreep dat we de doktor om wat meer advies wilden vragen.
Dr. Steiner: Es scheint manches verfrüht. Es scheint wohl verfrüht, irgend etwas über die Arbeit eines solchen Vereins zu sagen. Er ist jetzt nicht aktuell. Nicht wahr, er wäre das Instrument gewesen, wenn wir uns wirklich ganz stramm auf den Standpunkt gestellt hätten: Wir führen die Schule nicht weiter, wenn wir nicht der Welt begreiflich machen können, daß sie Opfer bringen muß für die Sache. So war zunächst die Erklärung, die wir abgeben wollten. Das Bild hat sich verschoben, vor allen Dingen dadurch, daß die lächerlich kleine Summe dessen, was wir brauchen, herausgekommen ist. Sie ist eine Illusion, weil das zweieinhalbfach überschritten wird. Aber nun, nicht wahr, diese Summe wird sicher aufgebracht, das steht fest. Dann ist der nächste Zweck erreicht.
Dat lijkt in sommige opzichten voorbarig. Het lijkt zeker voorbarig om iets te zeggen over het werk van zo’n vereniging. Dat is nu niet relevant. Het zou het instrument zijn geweest, nietwaar, als we echt een vastberaden standpunt hadden ingenomen: We zetten de school niet voort tenzij we de wereld ervan kunnen overtuigen dat er offers gebracht moeten worden voor de zaak. Dat was aanvankelijk de uitleg die we wilden geven. Het beeld is veranderd, vooral omdat het belachelijk kleine bedrag dat we nodig hebben, naar voren is gekomen. Het is een illusie, want het zal met een factor van tweeënhalf worden overschreden. Maar dit bedrag zeker zal worden opgehaald, dat is zeker. Dan zal het volgende doel bereikt zijn.
X.: Ob man Zeitungsberichte in norwegischen und holländischen Zeitungen bringen solle. Ob das etwas helfen würde?
X.: Moeten we artikelen publiceren in Noorse en Nederlandse kranten? Zou dat helpen?
Dr. Steiner: Wenn es jemand tut, gewiß. Alle diese Dinge sind gut,
Als iemand het doet, zeker. Al die dingen zijn goed,
Blz. 204
wenn sie getan werden, sehr gut sogar. Das braucht man nicht zu beschließen, das kann jemand tun. Ja, dann hätten wir unsere Fragen jetzt wohl erledigt, wenn nicht etwas aus dem Kollegium herauskommt. Es tut mir sehr leid, daß allerlei zum Vorschein gekommen ist, was vielleicht nicht gerade harmonisch untereinander war. Ich habe nur sagen wollen, daß es mir leid tut, daß es nicht besser geschlossen hat. Jetzt werden wir nicht mehr zusammenkommen. Ich möchte allen eine recht gute Zeit und eine auch für das nächste Jahr fruchtbare Zeit wünschen. Für manche wird es eine harte Arbeitszeit, wenn irgendwie das in Betracht kommt, was wir besprochen haben. Es ist nicht die Möglichkeit, daß ich jetzt eine längere Rede halte. Wir wollen frisch und kräftig das nächste Mal die Schule beginnen.
als ze gedaan worden, prima zelfs. Dat hoeft niet besloten te worden; iemand kan het doen. Ja, dan zijn onze vragen nu beantwoord, tenzij er iets van het college naar voren komt. Het spijt me zeer dat er verschillende zaken aan het licht zijn gekomen die misschien niet helemaal harmonieus tussen ons waren. Ik wilde alleen maar zeggen dat het me spijt dat het niet beter is afgelopen. We zullen elkaar nu niet meer zien. Ik wens iedereen een fijne tijd en een vruchtbaar jaar toe. Voor sommigen zal het een zware periode worden als iets van wat we besproken hebben werkelijkheid wordt. Ik kan nu geen lange toespraak houden. We willen het volgende schooljaar fris en vol energie beginnen.
Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.
Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.
De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool. Dat heeft hijvele kerenbenadrukt!
Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap
11e voordracht, Bazel 6 mei 1920
Das rhythmische Element in der Erziehung
Het ritmische element in de opvoeding
Blz. 181
Nun werden Sie ja, indem Sie nun hinblicken auf das, was so an das Kind herangetragen werden soll, natürlich die Empfindung haben: wie gliedert sich in all das das religiöse Element hinein? Gerade indem man die Geschichte, indem man die Geographie herankommen sieht, indem man das Physikalische, das Mineralogische also herankommen sieht – das alles soll ja an das Kind gegen das 12. Jahr herankommen -, entsteht die Frage, wie das religiöse Element sich hineingliedert, das aufnehmen soll plastisch ein Bild der Welt überhaupt, und das Empfinden geben soll zu einem Übersinnlichen. Sehen Sie, in dieser Beziehung ist man heute in einer recht schwierigen Lage. Und da darf ich ja aufmerksam darauf machen, daß wir in der Waldorfschule rein durch die äußeren Verhältnisse gezwungen, gerade auf diesem Gebiete durchaus nicht bloß pädagogisch-didaktischen Gesichtspunkten folgen konnten. Wir können heute noch nicht dasjenige, was Geisteswissenschaft geben kann für Pädagogik und Didaktik, anders verwenden im Unterrichten denn in seiner Konsequenz für die Unterrichtskunst. Das ist nämlich das Wesentliche der Geisteswissenschaft, daß sie zu gleicher Zeit künstlerische Impulse enthält, daß sie so in den Menschen übergeht, daß er etwas kann durch sie, nicht bloß etwas weiß, daß er geschickter – wenn ich mich im Extrem ausdrücken darf -, besser das Leben angreifen kann, daher im eminenten Sinne auch besser die pädagogische Kunst handhaben kann. Das ist das Eigentümliche der Geisteswissenschaft. Heute muß man noch absehen davon, etwas mehr von der Geisteswissenschaft in die pädagogische Kunst hineinzutragen als dieses Können. Wir haben in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule
Nu zal u wel, als u zo naar de dingen kijkt die het kind worden aangeboden, natuurlijk het gevoel hebben: hoe vindt het religieuze daar een plaats in? Met name als geschiedenis en aardrijkskunde in beeld komen, als je de natuurkunde, de mineralogie ziet – dat krijgt het kind allemaal tegen het 12e jaar – ontstaat de vraag, hoe het religieuze daarin een plaats vindt, dat scheppend een beeld van de wereld moet bevatten en het gevoel moet geven van wat niet van deze aarde is. Ziet u, wat dit betreft bevindt men zich in een echt lastig parket. Vandaar dat ik u attent wil maken op het feit dat wij door de uiterlijke omstandigheden gedwongen, juist op dit gebied beslist niet alleen maar pedagogisch-didactische gezichtspunten kunnen volgen. Wij kunnen wat nu de geesteswetenschap kan geven voor pedagogiek en didactiek nog niet anders gebruiken dan wat het als consequentie voor de onderwijskunst heeft. Dat is namelijk het wezenlijke van de geesteswetenschap dat ze ook kunstzinnige elementen bevat, dat zij zo door de mens opgenomen kan worden dat hij door haar iets kan, niet alleen maar iets weet, dat hij meer in staat wordt gesteld – als ik mij extreem mag uitdrukken – het leven beter aan te kunnen en daardoor ook op een bijzondere manier de pedagogische kunst kan uitoefenen. Dat is het karakteristieke van geesteswetenschap. Vandaag moet je nog afzien van wat geesteswetenschap nog meer aan de pedagogische kunst zou kunnen geven dan dit vermogen. Het was niet de bedoeling met de vrijeschool een wereldbeschouwelijke school op te richten,
Blz. 182
gründen können, sondern von vornherein wurde zur Bedingung gemacht von mir selber, daß evangelische Religion die evangelischen Religionslehrer unterrichten. Sie wird ausgesondert; wir kümmern uns nicht darum. Da geht der evangelische Religionslehrer hin, unterrichtet in der evangelischen Religion, da unterrichtet in der katholischen Religion der katholische Pfarrer oder wer dazu designiert wird, der Rabbiner die Juden und so weiter. Also es handelt sich für uns zunächst darum, daß uns die Öffentlichkeit heute nicht mehr gestattet, als Geisteswissenschaft in die pädagogische Kunst hineinzutragen. Die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule. Es hat sich allerdings das Merkwürdige ergeben, daß aus dem allgemeinen Leben heraus heute eine Anzahl von Leuten sagte: Wir schicken aber unsere Kinder, weil wir eigentlich konfessionslos sind, weder zum evangelischen Religionslehrer noch zum katholischen, noch zum jüdischen. Wenn ihr uns nicht einen solchen Lehrer gebt, der aus heute ganz allgemein menschlichen Untergründen heraus auch Religion lehrt, dann schicken wir unsere Kinder in keine Religionsstunde.
maar vanaf het begin heb ik zelf de voorwaarde gesteld dat het godsdienstonderwijs door godsdienstleraren van de kerk gegeven zou worden. Dat staat los van ons; daar bemoeien we ons niet mee. De evangelische dominee komt, geeft les in evangelische godsdienst; de katholieke pastoor geeft katholiek godsdienstonderwijs of wie ervoor wordt aangewezen, de rabbijn voor de Joden enz. Voor ons gaat het er in de allereerste plaats om dat de overheid niet toestaat dat we meer geesteswetenschap in de pedagogische kunst verwerken. De vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school. Nu heeft zich het merkwaardige voorgedaan dat uit het openbare leven nu een aantal mensen zegt: maar wij sturen onze kinderen, omdat wij eigenlijk geen godsdienst aanhangen, noch naar het evangelische, noch naar het katholieke godsdienstonderwijs, ook niet naar het Joodse. Wanneer jullie ons niet een dergelijke leraar geven die uit hedendaagse geheel algemene menselijke achtergronden godsdienst geeft, dan sturen we onze kinderen naar geen enkele godsdienstles.
Und so waren wir genötigt, ganz in freier Weise denjenigen, die gewissermaßen anthroposophischen Religionsunterricht haben wollten, den wir niemand aufdrängten, denn die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule, diesen anthroposophischen Religionsunterricht auch zu geben. Er wird gegeben, aber nicht weil wir für Anthroposophie als Weltanschauung agitieren. Es ist etwas ganz anderes, für Anthroposophie als Weltanschauung zu agitieren oder dasjenige, was anthroposophische Geisteswissenschaft geben kann, für die pädagogische Kunst fruchtbar zu machen. Wir agitieren nicht für dasjenige, was der Inhalt ist, wir agitieren für das Können, wenn wir das agitieren nennen wollen. Aber es hat sich ja mancherlei dabei gezeigt. So zum Beispiel, daß ziemlich scharen-weise die Kinder den anderen Religionslehrern davongelaufen sind und zu dem unsrigen gekommen sind. Wir konnten nichts dafür. Es war mir höchst unangenehm so, nicht wahr, vom Standpunkte des guten Verhältnisses zur Außenwelt sogar höchst fatal; aber es ist eben so. Und auf der anderen Seite, nicht wahr, sagt man von jener Seite aus: Na, die anderen Religionsunterrichte werden doch einmal aufhören! Es ist gar nicht unsere Ansicht, denn die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein.
En dus waren wij genoodzaakt op een geheel vrije manier voor degenen die in zekere zin antroposofisch godsdienstonderwijs wilden hebben, die wij geen mens opdrongen, want de vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school, dit antroposofisch godsdienstonderwijs ook te geven. Het wordt gegeven, maar niet omdat wij reclame maken voor antroposofie als wereldbeschouwing. Het is heel iets anders reclame te maken voor antroposofie als wereldbeschouwing of voor wat antroposofische geesteswetenschap geven kan, dan deze vruchtbaar te maken voor de pedagogische kunst. We maken geen reclame voor de inhoud, we maken reclame voor wat er kan, als je dat reclame maken wil noemen. Daarbij kwam veel naar voren. Bijvoorbeeld dat nogal wat groepjes kinderen weggegaan zijn bij de andere godsdienstleraren en naar ons zijn gekomen. Daar konden wij niets aan doen. Ik vond het hoogst onaangenaam, niet waar, vanuit het standpunt van een goede verstandhouding zelfs hoogst fataal; maar het is nu eenmaal zo. En aan de andere kant, niet waar, zegt men van die kant: Nou ja, dat andere godsdienstonderwijs zal wel ophouden, want de vrijeschool wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. GA 301/181-182
Op deze blog vertaald/181-182
Bewerkt ten behoeve van het hoofd- of godsdienstonderwijs in de zesde klas van de vrijeschool (Nederland) of steinerschool (België)
Ik stierf als een steen en als plant ontsproot ik. Ik stierf als plant en keerde weer als dier. Ik stierf als dier en werd een mensen-ik. Wees niet bevreesd, de dood heeft mij niet tekort gedaan.
Als mens tilde hij mij van de aarde Opdat ik engelvleugels dragen mocht. Ook als engel ben ik niet onsterfelijk Want eeuwig is slechts het aangezicht van God.
Mijn vleugelslag verheft mij boven engelsferen, Tot onmeetbaar hoge hoogten. Dan roept het niets mij, want in mij klinkt als harpmuziek De roep om wederkeer tot Hem.
Mathnawi, boek III, vers XVII Vrij vertaald naar Jalaleddin Rumi: Ich bin Wind und du bist Feuer, in de vertaling van Annemarie Schimmel, uitgeverij Hugendubel, 2003
Lieve kinderen, ik ga jullie het verhaal van Mohammed ibn [1] Abd Allah ibn Abd al-Moettalib, profeet van de islam, vertellen.
Toen Abd Allah, de laatste zoon van Abd al-Moettalib, de puberteit had bereikt, besloot zijn vader hem met Amina, dochter van Wahhaab ibn Abd Manaaf, te laten trouwen. Zij gingen beiden naar Wahhaab om hem om de hand van zijn dochter te vragen. Onderweg kwamen zij een vrouw van de Banoe Asad tegen, die, toen zij zijn gezicht zag, bleef staan en tegen hem zei: “Waar ga je heen, Abd Allah?” Hij wees op zijn vader die voor hem liep en zei: “Ik ga met mijn vader mee.” Zij zei: “Ik zou je evenveel kamelen geven als er voor je werden geofferd om je te redden [2] wanneer je mij nu onmiddellijk neemt.” Hij zei: “Ik begeleid mijn vader, ik moet met hem mee.”
Zij kwamen bij Wahhaab, aan wie Ab al-Moettalib om de hand van zijn dochter Amina vroeg voor zijn zoon Abd Allah. Wahhaab stemde toe en Abd Allah ging bij Amina binnen en hij bekende haar nog dezelfde nacht. Zij werd zwanger van Mohammed. Toen hij de volgende ochtend onderweg was naar huis, kwam Abd Allah de vrouw van de Banoe Asad opnieuw tegen, die zich de vorige dag aan hem had aangeboden. Deze keer deed ze niets en keerde hem de rug toe. Hij zei tegen haar: “Waarom bied je me vandaag niet aan wat je me gisteravond hebt aangeboden?” Zij antwoordde hem: “Het licht dat jij gisteren uitstraalde is verdwenen. Vandaag verlang ik niet meer naar jou.”
Iets later vertrok Aballah naar het land van Sjaam [3] om daar handel te drijven. Op de terugreis ging hij langs bij zijn ooms van moederskant, de Banoe an-Nadjjaar in Jathrib [4]. Hij werd ziek en stierf voordat zijn vrouw was bevallen. Aan het kind dat geboren moest worden, liet hij niet veel na. Amina liet Abd al-Moettalib, de grootvader van de pasgeborene, weten: “Er is een jongen geboren, kom hem zien.” Abd al-Moettalib ging naar haar toe, nam zijn kleinzoon en droeg hem in zijn armen naar de Ka’aba. [5] Hij dankte God dat Hij hem dit geschenk had gegeven en bad Hem zijn kleinzoon welstand en welvaart te geven. Toen bracht hij het kind naar zijn moeder en ging, zoals de gewoonte was, op zoek naar een voedster. Hij offerde een bok en noemde de pasgeborene
1 Ibn = zoon van
2 Abd al-Moettalib had ooit beloofd de jonge Abd Allah te offeren, maar in plaats daarvan liet een waarzegger hem veertig kamelen offeren
3 Syrië
4 De stad werd later Medina genoemd
5 Het centrale heiligdom in Mekka
Mohammed [6]. De mensen verbaasden zich hierover: “Waarom heb je hem niet de naam van je voorouders gegeven?” Abd al-Moettalib antwoordde: “Ik wil hem zowel door God in de hemel als door de mensen op aarde geprezen zien.” […]
Tegelijk met ander vrouwen van haar stam had Haliema haar stamgebied verlaten om in Mekka zuigelingen te zoeken en te zogen [.7] Het was een onvruchtbaar jaar geweest en ze hadden niets meer. Haliema zat op een zieltogende ezelin, ze werd begeleid door haar man en droeg haar pasgeboren zoon. Zij sleepten een kameel achter zich aan die geen druppel melk meer gaf. Het kind dat niet door zijn moeders borst werd gevoed, kwijnde weg en krijste zo dat het zijn ouders uit de slaap hield. Zij hoopten dat hun redding uit Mekka zou komen.
Toen de groep daar aankwam, werd Mohammed ibn Abd Allah aan de vrouwen getoond. Maar toen ze hoorden dat hij een wees was, weigerde de een na de ander hem te nemen. Zij wilden geen wezen, want ze dachten dat alleen vaders hen gul zouden belonen. Alle vrouwen vonden pasgeborenen om te voeden, behalve Haliema. Toen de groep zich gereedmaakte voor het vertrek zei zij tegen haar man: “Bij God, ik wil niet naar huis zonder een zuigeling mee te nemen. Dan zou ik de enige zonder mijn vriendinnen zijn. Nee, dan neem ik nog liever deze wees!” Haar man zei tegen haar: “Ja, doe dat maar. Misschien wil God dat dit kind ons geluk brengt.” Haliema ging naar Amina bint [8] Wahhaab en kwam met de kleine Mohammed bij haar vandaan. Terug bij haar man ging zij zitten, nam het kind op schoot en gaf het de borst. En haar borst bleek over te vloeien van melk en Mohammed dronk tot hij verzadigd was. Daarop haastte zij zich om haar eigen zoon, die Mohammeds zoogbroeder was geworden, de borst te geven. En haar zoon dronk tot hij genoeg had. Daarna gingen de twee zuigelingen vredig slapen. De man van Haliema ging naar hun kameelmerrie en zag dat haar uiers barstensvol melk waren. Hij begon haar direct te melken en dronk met zijn vrouw tot ze genoeg hadden. Het was lang geleden dat zij zo verzadigd waren geweest. De volgende dag zei hij tegen Haliema: “Bij God, Haliema, je hebt een gezegend wezen genomen. Zie alle weldaden die wij gekend hebben sinds hij bij ons is!” “Bij God, ik hoop het!” Met Mohammed ibn Abd Allah in haar armen besteeg ze haar ezelin. Het dier vertrok zo vlug dat het alle dieren van haar gezellinnen voorbijliep. Toen zij haar hadden ingehaald, zeiden ze tegen haar: “Dit is toch niet dezelfde ezelin als waarmee je naar Mekka bent gekomen?” “Bij God, het is wel dezelfde.”
6 Mohammed: de geprezene, de prijzenswaardige
7 Het was de gewoonde dat zuigelingen uit Mekka de eerste twee jaren aan bedoeïenenvrouwen werden meegegeven, omdat men het stadsklimaat ongezond vond.
8 Bint(i) = dochter van
“Bij God, daar steekt een mysterie achter.” Haliema en haar man gingen naar huis en zagen dat hun grond, die eerder de onvruchtbaarste van het land was geweest, hen voortaan in staat stelde hun dieren te voeden. Zij hadden genoeg melk voor zichzelf en Haliema kon zowel Mohammed voeden als haar eigen zoon. Sindsdien plachten de mensen tegen hun herders te zeggen: “Gaan jullie je schapen maar weiden waar Haliema de hare weidt.” Haliema en haar man hielden niet op God te prijzen en Hem te danken voor de weldaden die Hij hun bewees.
Twee jaren gingen voorbij, waarna Mohammed werd gespeend. Volgens het gebruik moest hij nu aan zijn moeder worden teruggegeven. Haliema en haar man brachten hem terug naar Mekka, maar drongen er bij Amina bint Wahhaab op aan hem nog een tijdje te mogen houden. Haliema zei tegen haar: “Waarom laat je hem niet bij mij tot hij sterker wordt? Ik ben bang dat de lucht van Mekka hem geen goed zal doen.” [9]
Niet lang daarna speelde Mohammed met zijn vriendjes in een ravijn. Plotseling stonden er drie mannen in witte kleding naast hem. Een van hem pakte hem beet, spleet zijn borst open en haalde zijn hart eruit. Uit het hart haalde hij iets zwarts. Toen waste hij het met sneeuw. Daarna plaatste hij het hart weer in Mohammeds borst. Zijn vriendjes waren intussen in paniek naar Haliema gerend. Haliema kwam aangesneld en trof Mohammed bewusteloos aan. Toen ze hem omhelsde, kwam hij bij. Behalve dat hij bleek zag, was er niets aan hem te zien. De drie mannen waren door God gezonden engelen.
Haliema vertrouwde het niet meer en bracht Mohammed terug naar zijn moeder. Die nam hem mee naar haar ouders in Jathrib, waar zij stierf.
Ontmoeting met een kluizenaar
Nu had de kleine Mohammed ook geen moeder meer en werd hij opgevoed door zijn grootvader Abd al-Moettalib. Die woonde in Mekka dicht bij de Ka’ba, waar hij vaak te vinden was op een mat met zijn kleinzoon naast zich. Toen Mohammed acht jaar oud was, stierf ook zijn grootvader en werd hij in huis genomen door zijn oom Aboe Talib. Aboe Talib was arm en had niet altijd genoeg eten om zijn eigen kinderen en Mohammed te voeden. Toen Mohammed twaalf jaar oud was, vergezelde hij zijn oom op een handelsreis naar Boesra in het zuiden van Syrië. Vlak bij die stad woonde een kluizenaar, Bahiera. Veel handelskaravanen kampeerden voor zijn deur, maar Bahiera keurde hen nooit een blik waardig. Maar toen de karavaan met Mohammed langs kwam, nodigde hij hen uit voor een maaltijd. Iedereen moest komen, zei hij.
9 Hussein pp.177-180
Aboe Talib liet Mohammed achter om op de kamelen te letten, maar de kluizenaar hield aan dat echt iedereen moest komen, ook de jongen die de kamelen hoedde. Tijdens de maaltijd observeerde Bahiera de jongen en hij vroeg Aboe Talib over hem te vertellen. Na de maaltijd nam Bahiera Mohammed apart en vroeg hem wat hij zoal droomde en hoe hij zich voelde. Toen bekeek hij zijn rug en herkende tussen zijn schouders het zegel van de profeten. Hij drukte Aboe Talib op het hart goed voor de jongen te zorgen en op zijn hoede te zijn voor mensen die Mohammed kwaad wilden doen.
Huwelijk
Toen Mohammed was opgegroeid, stelde Aboe Talib hem voor in dienst te treden van Chadiedja bint Choewailid, een rijke koopmansvrouw die gescheiden was van haar man en jonge mannen in dienst nam om haar karavanen te begeleiden. Dat deed Mohammed en Chadiedja zond hem met een karavaan naar Syrië. Ze stuurde een jongen met hem mee. Toen ze terugkwamen, vroeg ze de jongen hoe Mohammed had gehandeld. Hij was vol lof en vertelde Chadiedja hoe eerlijk hij de mensen bejegende en hoe zorgvuldig hij overeenkomsten sloot en hoeveel voordeel hij wist te behalen.
Na enige tijd stuurde Chadiedja een vrouw naar Mohammed toe die hem vroeg: “Wat weerhoudt je ervan te trouwen?” Mohammed antwoordde: “Ik heb niet wat er nodig is om te trouwen.” “Als ik je dat zou bezorgen en je tegelijk schoonheid, rijkdom en deugdzaamheid zou aanbieden, wat zou je dan zeggen?” “Om wie gaat het?” “Om Chadiedja bint Choewailid.” “Maar hoe zou ik dat durven?” “Laat dat maar aan mij over.” [10]
Chadiedja droeg de vrouw op Mohammed uit te nodigen en die kwam met zijn oom Aboe Talib om haar hand te vragen. Chadiedja had ook haar oom Amr ibn Asad uitgenodigd. Ter ere van de gasten had Chadiedja een schaap laten slachten en ze lieten zich het maal goed smaken. Toen ze voldaan waren, deed Aboe Talib het aanzoek en Amr ibn Asad stemde ermee in. Mohammed was toen vijfentwintig jaar oud en Chadiedja veertig. Zij hielden erg veel van elkaar en Mohammed had later veel steun aan haar. Ze kregen vier dochters en een zoon, die in de wieg stierf.
10 Hussein p.219
De eerste openbaring
Mohammed was een devoot man. Regelmatig trok hij zich terug om te mediteren, vaak in een grot op de berg Hira een half uur lopen buiten Mekka. Toen Mohammed veertig jaar oud was, trok hij zich in de maand ramadan weer terug in die grot. In de nacht werd hij gewekt door de engel Djibriel, die hem opdroeg iets voor te dragen. “Reciteer,” sprak de engel, maar Mohammed zei dat hij dat niet kon. Hij wist niet wat hij moest zeggen. De engel herhaalde de opdracht en drukte Mohammed stevig tegen zich aan, zodat Mohammed bijna geen lucht meer kreeg. Maar Mohammed herhaalde dat hij niet wist wat hij moest zeggen. Nog eens gebood de engel hem te lezen en hij drukte Mohammed opnieuw tegen zich aan. Toen sprak de engel:
Reciteer: In de naam van je Heer die schiep. Die de mens schiep uit klei. Reciteer: want edelmoedig is jouw Heer, Die leerde met het Woord, Die de mensen leerde wat zij niet wisten.
Mohammed was zo bang dat hij door een demon bezeten was, dat hij zich van het leven wilde beroven. Hij rende de grot uit, maar zag daar aan de hemel de gestalte van de engel, die de hele horizon vulde. De engel sprak: “O Mohammed, jij bent de gezant van God en ik ben Djibriel.” Mohammed keek naar links en naar rechts, maar ook daar zag hij de gestalte van Djibriel. Mohammed rende in paniek naar huis en riep: “Wikkel mij in een deken. Ik ben bezeten!” Chadiedja wikkelde hem in een deken – Mohammad zweette hevig en klappertandde van de koorts – en zei tegen hem: “Ik geloof niet dat je bezeten bent.”
Chadiedja ging naar haar neef Waraka ibn Naufal die christen was en vertelde wat Mohammed was overkomen. Deze vertelde haar over Djibriel en geloofde dat wat Mohammed was overkomen waar was.
De boodschapper van God kreeg een tijdlang geen openbaring meer. Toen zij zijn verdriet zag, zei Chadiedja tegen hem: “Het lijkt alsof jouw God je in de steek heeft gelaten.” Zijn verdriet was zo groot dat hij verschillende keren op het punt stond om van een rots af te springen. Maar elke keer als hij op de top was aangekomen, verscheen Djibriel om hem te zeggen: “O Mohammed, je bent echt de gezant van God.” Na enige tijd openbaarde Djibriel:
Bij de glorie van de dag. En bij de nacht als het donker is. Je Heer heeft je niet verlaten, noch is Hij ontevreden over jou. Voorwaar, het komende uur [11] zal beter zijn voor u dan het vorige. En voorwaar, je Heer zal je geven, en je zult tevreden zijn. Vond Hij je niet als wees en beschermde Hij je? En vond Hij je niet zoekende en leidde Hij je? En vond Hij je niet in armoede en verrijkte Hij je? (Koran 93:2-9)
Er gingen enkele jaren voorbij waarin Mohammed meer openbaringen ontving die hij op de markt en bij de ka’aba verkondigde. Hij kreeg steeds meer volgelingen die hun afgoden afzworen en in de Ene God gingen geloven en een beter en eerlijker leven probeerden te leiden. Dat was tegen het zere been van de rijken en machtigen, die zich bedreigd voelden, omdat ze rijk waren geworden door list en bedrog en de armen en zieken aan hun lot overlieten. Toen Mohammed weigerde te stoppen met prediken, boden ze hem het koningschap aan, als hij zijn mond maar hield. Dat weigerde Mohammed natuurlijk. Zolang Mohammeds oom Abu Talib, die de leider van de stam Hasyim was, Mohammed beschermde, durfden de anderen Mohammed niets aan te doen, maar toen die overleed, beraamden ze plannen om van hem af te komen. Eerst boycotten ze de stam Hasyim in de hoop dat die Mohammed aan hen zou uitleveren of zou verbannen. Maar dat gebeurde niet. Hoewel niet alle leden van zijn stam Mohammed volgden, beschermden ze hem toch zoals je een stamgenoot hoorde te beschermen. Na enige tijd overleed ook Mohammeds geliefde vrouw Chadiedja. Mohammed zonk de moed in de schoenen, maar hield toch vol, gesteund door zijn trouwe volgelingen, zijn vriend Abu Bakr en zijn neef Ali, die vanaf het eerste uur in zijn boodschap geloofden.
De nachtelijke reis
Dit is het verhaal van de wonderbaarlijke reis die de Profeet Mohammed (mogen vrede en Gods zegeningen met hem zijn) met de engel Djibriel naar Jeruzalem en door de zeven hemelen naar God maakte. Oemm Hani, de dochter van Aboe Talib, vertelt.
De Boodschapper van God was in mijn huis gaan slapen. Toen hij opstond, vertelde hij dat hij die nacht naar Jeruzalem was gereisd. Toen hij naar buiten wilde gaan, trok ik aan zijn kleren om hem tegen te houden, zodat zijn blote buik zichtbaar werd. Ik zei tegen hem: “O Boodschapper van God,
11 Het komende uur: het hiernamaals
vertel het aan niemand. De mensen zullen je voor leugenaar uitmaken en je kwaad doen.” De Boodschapper van God zei: “Bij God, ik zal het vertellen.”
Toen het nieuws zich onder de moslims verspreidde, raakten er een paar zo in de war dat zij hun geloof afzworen. Zij gingen naar Aboe Bakr, Mohammeds beste vriend en trouwste volgeling, en zeiden tegen hem: Weet jij wat je vriend vertelt? Hij beweert dat hij vannacht in Jeruzalem gebeden heeft. Aboe Bakr zei: “Jullie liegen.” Zij zeiden: “Vraag het hem dan zelf.” Aboe Bakr zei: “Nou, als hij het zegt, dan is het zeker waar.”
Aboe Bakr ging naar de Boodschapper van God en vroeg hem: “Heb jij aan deze mensen gezegd dat je vannacht in Jeruzalem was?” “Ja.” “Beschrijf het, aangezien ik de stad ken.” De Boodschapper van God beschreef hoe de stad er uitzag en Aboe Bakr zei dat het klopte. Daarna zei hij: “Ik getuig dat jij de Boodschapper van God bent.” “En jij, Aboe Bakr, bent degene die de waarheid verkondigt.”
De Boodschapper van God vertelde toen: “Ik werd gewekt door Djibriel, die mij naar een wit, slank rijdier bracht dat op een ezel en een muildier leek en dat stevig op zijn hoeven stond. Hij noemde het al-Boeraak. Ik besteeg het dier en reed weg, samen met Djibriel, die na enige tijd tegen mij zei: ‘Stijg af en bid.’ Ik gehoorzaamde. Toen ik klaar was zei hij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? In Tieba [12], de plaats van de ballingschap.’
Verderop zei hij weer: ‘Stijg af en bid.’ Ik verrichtte mijn gebed en hij zei tegen mij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? Op de berg Sinaï, waar de Almachtige Mozes, vrede zei met hem, de Tien Geboden gaf.’
Toen we nog verder waren gekomen, herhaalde Djibriel: ‘Stijg af en bid.’ Toen ik klaar was, zei hij weer tegen mij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? In Bethlehem, waar Jezus, vrede zij met hem, is geboren.’
Ten slotte bereikten we Jeruzalem. Ik bond al-Boeraak vast aan de ring die de profeten daarvoor altijd gebruikten en ging de moskee binnen. Ik verrichtte een gebed en ging naar buiten. Djibriel kwam met twee kruiken naar mij toe, de ene gevuld met wijn en de andere met melk. Ik nam de kruik die met melk was gevuld en Djibriel zei: ‘Je hebt de goede keuze gemaakt, de keuze van een mens die weet wat goed is.’
Toen bracht Djibriel de profeten bijeen en liet mij voorgaan in het gebed. Daarna verhief hij zich met mij tot in de eerste hemel. Daar aangekomen, verzocht Djibriel om binnengelaten te worden. Een stem vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Djibriel.’
12 Medina
‘Wie is er bij je?’ ‘Mohammed.’ ‘Heeft hij zijn opdracht al gekregen?’ ‘Hij heeft zijn opdracht al gekregen.’ Toen werd ons open gedaan en ik stond voor Adam, die mij welkom heette en mij het beste wenste.
Daarna verhief Djibriel zich met mij tot in de tweede hemel, waar hij weer verzocht om binnengelaten te worden.
Een stem vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Djibriel.’ ‘Wie is er bij je?’ ‘Mohammed.’ ‘Heeft hij zijn opdracht al gekregen?’ ‘Hij heeft zijn opdracht al gekregen.’ Er werd ons opengedaan en ik stond voor Isa (Jezus), zoon van Meryem (Maria), en Yahya (Johannes), zoon van Zakaria. Zij heetten mij welkom en wensten mij het beste.
Zo ontmoetten we Yoesoef (Jozef), Idries, Haroen en Moesa (Mozes). Ten slotte kwamen we bij de zevende hemel, waar Ibrahiem (Abraham) op ons wachtte. Hij leunde tegen het Veelbezochte Huis, waar elke dag zeventigduizend engelen komen om er nooit meer terug te komen.
Toen verhief Djibriel zich met mij boven de zeven hemelen. Wij bereikten de Sidrat al Moentaha, de boom van de uiterste grens. Ik werd door een nevelsluier omhuld en ik wierp mij ter aarde. Ik hoorde toen: ‘Op de dag dat Ik de hemelen en de aarde heb geschapen, heb Ik bepaald dat jij en je volk vijftig gebeden per dag moeten doen. Die hebben jij en je volk vanaf vandaag te volbrengen.’
Daarna kwam ik terug bij Ibrahiem, die geen vragen stelde. Maar toen ik terugkwam bij Moesa, vroeg hij mij: ‘Hoeveel gebeden heeft de Heer jou en je volk opgedragen?’ Ik antwoordde: ‘Vijftig.’ Moesa zei tegen mij: ‘Dat is veel teveel voor jullie. Ik ken de mensen beter dan jij. Ik heb met de kinderen van Israël heel wat te stellen gehad. Ga terug naar de Heer en vraag Hem het aantal te verminderen.’
Ik ging terug naar de Heer, die er tien van maakte. Maar Moesa zei dat ik het nog eens moest proberen en ik bereikte dat het er vijf werden. Toch zei Moesa: ‘Ga nog een keer terug naar de Heer en vraag hem het aantal nog meer te verminderen. Hij heeft de kinderen van Israël twee gebeden opgedragen en die doen ze niet eens.’ Maar ik weigerde omdat ik me zou schamen om nog verder aan te dringen.”
De mensen die naar de Boodschapper van God geluisterd hadden, zeiden: “Geef ons bewijzen, Mohammed. Wij hebben nooit zoiets wonderlijks gehoord.”
De Boodschapper van God zei: “Toen ik naar het land van Sjaam (Syrië) ging, vloog ik boven de kudde van Ibn Foelaan. Een van de kamelen schrok van mijn rijdier en ging er vandoor. Vanuit de lucht riep ik naar de mensen waar ze hun kameel terug konden vinden. En aan de voet van de berg Sahfaan heb ik slapende mensen gezien, naast wie een kruik vol water stond met een deksel erop. Daar heb ik uit gedronken. Deze mensen dalen op dit ogenblik van al-Baidaa’ af naar de pas van atTan’iem met een grijze kameel die voorop loopt en die twee zakken draagt. De ene is zwart en de andere veelkleurig.”
De mensen gingen naar de pas van at-Tan’iem. Zij zagen de zwarte kameel met de twee zakken. Daarna ondervroegen ze de mensen, die vertelden dat zij hun waterkruik hadden gevuld voordat ze waren gaan slapen, maar dat hij leeg was toen ze wakker werden, hoewel het deksel er nog steeds op lag. Ten slotte ondervroegen ze de mensen van Ibn Foelaan die net in Mekka aankwamen, en zij bevestigden de woorden van de Boodschapper van God: Bij God, hij zegt de waarheid. Nadat een van onze kamelen schrok en wegliep, hebben we een stem gehoord die ons naar hem toe leidde en het ons mogelijk maakte hem weer te vinden.
Geprezen zij Hij die Zijn dienaar bij nacht een reis liet maken van de heilige moskee naar de verste moskee, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben om hem iets van Onze tekenen te tonen. Hij is de horende, de ziende. (Koran 17:1)
Het vertrek naar Jathrib
Op een nacht had Mohammed een droom waarin hij zichzelf naar een land zag vertrekken waar rijkelijk water vloeide en volop palmen en fruitbomen groeiden. Hij vertelde zijn droom aan zijn metgezellen en die verheugden zich erover, want zij zagen daarin een gunstig voorteken van een aanstaande verlossing, die een eind zou maken aan het lijden dat ze in Mekka te verduren hadden.
Kort daarna ontving hij een delegatie uit Jathrib, een oase die ongeveer een week reizen per kameel ten noorden van Mekka ligt. Jahtrib was een vruchtbare oase, beroemd om zijn dadelpalmen en groentetuinen en werd bewoond door verschillende Arabische en Joodse families. De Arabische families hadden vaak onenigheid en dan traden de Joodse families als scheidsrechter op. Maar nu kwamen ze er niet meer uit en zochten ze een onafhankelijke scheidsrechter. Ze hadden gehoord dat Mohammed eerlijk en wijs was, dus vroegen ze hem om zijn oordeel. Ook nodigden ze hem uit om met zijn volgelingen bij hen te komen wonen, want ze hadden gehoord in welke moeilijke omstandigheden ze in Mekka leefden.
Mohammed zond een zijn volgelingen naar Jathrib, maar bleef zelf in Mekka, omdat hij op een openbaring van God wilde wachten.
Op een middag werd Mohammed door de engel Djibriel gewaarschuwd: “Slaap vannacht niet op het bed waarop je gewoonlijk slaapt.” Mohammed ging meteen naar zijn trouwe vriend Abu Bakr en vertelde hem: “God heeft mij toegestaan Mekka te verlaten.” Abu Bakr vroeg: “Zullen wij samen vertrekken?” Mohammed antwoordde: “Ja, wij zullen samen vertrekken.”
Wat was er aan de hand? De vertegenwoordigers van de verschillende families van Mekka waren bij elkaar gekomen en hadden besloten Mohammed uit de weg te ruimen. Om later ruzie te vermijden, zou iedere familie een jongeman sturen, die Mohammed tegelijkertijd met een scherp zwaard moesten doorsteken. Niemand zou dan weten wie de dodelijke slag had toegebracht.
Abu Bakr en Mohammed maakten alles gereed voor hun vertrek. Mohammed vroeg zijn neef Ali om die nacht in zijn bed te slapen en zijn geliefde groene mantel aan te trekken, zodat hij op Mohammed leek. Als hij naar buiten kwam, zouden de mannen hem herkennen en hem niets doen. Ondertussen verzamelden de jongemannen zich voor de deur van Mohammeds huis. Toen die naar buiten kwam, nam hij een handvol zand en wierp dat in hun gezicht, waardoor ze verblind werden en niet merkten dat Mohammed vertrok. Toen ze weer konden zien, zagen ze iemand op het bed van Mohammed liggen en dachten ze natuurlijk dat het Mohammed was. Ze drongen het huis binnen, maar keken beteuterd op hun neus toen ze ontdekten dat het Ali was.
Intussen waren Mohammed en Abu Bakr op twee vlugge kameelmerries vertrokken. Zij verschuilden zich drie dagen lang in een grot buiten Mekka, waar een herdersjongen hen voedsel bracht. Mohammeds vijanden stuurden mensen uit om hem op te sporen, maar de een na de ander kwam onverrichter zake terug. Twee mannen ontdekten de grot waarin de twee verscholen zaten, maar omdat er een spinnenweb voor de ingang was geweven, dachten ze dat Mohammed daar niet kon zijn en ze gingen weg. Opgelucht haalden de twee adem en snel vertrokken ze in de richting van Jathrib, waar ze door hun vrienden en een groot aantal van de inwoners van Jathrib die inmiddels tot de islam waren bekeerd, met grote vreugde werden onthaald.
Iedere dag stonden enkele kinderen op de uitkijk om te zien of Mohammed al kwam. Toen ze hem zagen aankomen, riepen ze de bewoners uit hun huizen en iedereen verzamelde zich langs de kant van de weg. Toen Mohammed naderde, zongen ze dit lied:
Tala’al-Badru ‘alayna, min thaniyyatil-Wada’. Wajab al-shukru ‘alayna, ma da’a lillahi da’. Ma da’a lillahi da’. Ayyuh al-mab’uthu fina, ji’ta bi-l-amri-l-muta’. Ji’ta sharraft al-Madinah, marhaban ya khayra da’! Marhaban ya khayra da’!
De volle maan is opgekomen uit de vallei van Wada’. Wij tonen onze dankbaarheid over de boodschap van Allah. O jij die te midden van ons opgroeide, je hebt je opdracht vervuld.
Je bent gekomen om deze stad te eren. Welkom, wees welkom in ons midden![13] Iedere familie wilde Mohammed in huis nemen, maar om jaloezie te vermijden liet Mohammed het oordeel liever aan God over. Hij liet de teugels van zijn kameel los en op de plek waar de kameel knielde, liet hij een huis bouwen. Op die plaats verrees wat later een moskee, die nu de moskee van de Profeet wordt genoemd.
Links: Reconstructietekening van de eerste moskee. Links zie je de kamers van Mohammed en zijn vrouwen. Een dak van palmbladeren bood schaduw om onder te bidden. De moskee werd gebruikt voor alle belangrijke religieuze en politieke bijeenkomsten. Ook bood hij onderdak aan armen en reizigers. Rechts: Een foto van de moskee zoals die er nu uitziet. Onder de groene koepel liggen Mohammed en zijn trouwste metgezellen begraven.
Het verdrag van Medina
Om orde op zaken te stellen en een einde te maken aan de onderlinge strijd van de verschillende bevolkingsgroepen van Jathrib, dat later Medinat-un-Nabi (de stad van de profeet) genoemd werd, of kortweg Medina, stelde Mohammed een overeenkomst op waaraan alle groepen zich moesten houden. Het begon zo:
“In naam van God, de schepper, de barmhartige. Dit is een document van de profeet Mohammed aangaande de betrekkingen tussen de gelovigen van Qoeraish en Jathrib en degenen die hen volgen, zich bij hen hebben aangesloten en zich tezamen met hen inspannen. Zij zijn één gemeenschap, met uitsluiting van andere mensen.”
Er werd in bepaald dat zij elkaar zouden steunen en beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Buit verkregen in de strijd werd door Mohammed eerlijk verdeeld. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen moslims, joden en ongelovigen. Zij mochten elkaar niet doden. Deden zij dat toch, dan mocht iemand van de ander familie gedood worden, tenzij de familie van het slachtoffer akkoord ging met bloedgeld. Meningsverschillen moesten aan de profeet worden voorgelegd, die een bemiddelaar aanstelde of zelf een oordeel uitsprak.
Strijd om Mekka
Mohammeds vijanden in Mekka waren bang dat de moslims in Medina terug zouden komen om Mekka te heroveren. Het was immers Mohammeds bedoeling om het veelgodendom te vernietigen en de Ka’aba, het heiligdom dat het centrum van Mekka vormt, van afgodsbeelden te zuiveren. En mdaarin vergisten ze zich niet! Daarom vormden ze een leger dat de moslims in Medina moest verslaan. Er werden verscheidene veldslagen geleverd, waarbij de moslims soms door engelen geholpen werden. Er werden vele verliezen geleden, maar uiteindelijk werd een wapenstilstand gesloten. Na afloop van die wapenstilstand trokken de moslims Mekka binnen en gaven de inwoners zich over. Wie moslim wilde worden, deed dat en wie geen moslim wilde worden, kon zijn oude geloof binnenshuis blijven volhouden, zolang hij anderen daar maar niet mee lastig viel. De Ka’aba werd gezuiverd en geen ongelovige mag daar tot aan de dag van vandaag bij in de buurt komen.
De preek van de afscheidsbedevaart
Tien jaar na zijn vertrek naar Medina ging de profeet Mohammed op bedevaart naar Mekka. De handelingen die de Profeet toen uitvoerde, vormen nu nog steeds de vaste rituelen van de bedevaart. Bovendien hield de Profeet op de negende dag van de maand dzoel-hiddja in de vallei van de berg Arafah een toespraak.
O mensen! Luister aandachtig naar mij, want ik weet niet of ik na dit jaar hier weer onder jullie zal zijn. Luister daarom nauwkeurig naar wat ik zeg en geef deze woorden door aan degenen die vandaag niet aanwezig konden zijn.
Jullie bloed en jullie bezittingen zijn net zo heilig en onschendbaar als de heiligheid van deze dag, deze maand en deze stad. Kijk, alles wat tot de dagen van onwetendheid behoorde, wordt onder mijn voeten volledig afgeschaft! Afgeschaft is ook de bloedwraak uit de dagen van onwetendheid. Onze eerste eis van bloedwraak die ik heb afgeschaft, is die van de zoon van Rabiah ibn al-Harith, die gevoed werd door de stam van Sa’d en gedood door Hoedhail.
En de woekerrente is afgeschaft, en de eerste woekerrente die ik afschaf is die van ‘Abbas ibn ‘Abd-al-Moettalib.
Jullie kapitaal is aan jullie om te houden. Doe er geen onrecht mee en jullie zal geen onrecht gedaan worden. Geef de goederen die aan jullie zijn toevertrouwd altijd weer terug aan hun rechtmatige eigenaren. Niets van de ene moslim is toegestaan aan een andere moslim, tenzij het vrijwillig gegeven is. Doe elkaar daarom geen onrecht aan.
Vrees Allah wat betreft vrouwen! Jullie hebben hen tot echtgenotes genomen onder het vertrouwen van Allah en gemeenschap met hen is jullie toegestaan door de woorden van Allah. Jullie hebben recht op hen, en jullie hebben er recht op dat zij iemand die jullie niet mogen, niet toestaan op jullie bed te zitten. Doen zij dat toch, dan mogen jullie hen tuchtigen, maar niet hard.
Hebt het goede met hen voor, want zij zijn gevangenen bij u die niets van zichzelf bezitten. U hebt hen ontvangen van God, als een toevertrouwd goed. Mannen, het is waar dat jullie bepaalde rechten hebben over jullie vrouwen, maar zij hebben ook rechten over jullie! Bedenk dat jullie hen als jullie echtgenotes hebben genomen, alleen onder het vertrouwen van Allah en met Zijn toestemming.
Als zij zich houden aan hun plicht jegens jullie, dan hebben zij het recht om te worden gevoed en gekleed met vriendelijkheid. Behandel jullie vrouwen goed en wees lief voor hen, want zij zijn jullie partners en toevertrouwde helpers.
De hele mensheid stamt af van Adam en Eva. Dus is een Arabier niet beter dan een niet-Arabier en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier. Evenmin is een blanke beter dan een zwarte, en een zwarte is niet beter dan een blanke. Alleen wat betreft vroomheid en het doen van goede daden kan de ene moslim zich onderscheiden van de andere! Leer dat elke moslim een broeder is van alle andere moslims en dat de moslims samen een broederschap vormen.
Doe niemand pijn, opdat niemand jullie pijn zal doen.
Aanbid Allah, verricht de dagelijkse vijf gebeden, vast tijdens de maand ramadan en betaal uit je bezittingen de zakaat. Verricht de bedevaart als jullie daartoe in staat zijn.
De ongelovigen geven zich over aan het vervalsen van de kalender opdat zij datgene wat Allah heeft verboden, geoorloofd kunnen maken, en te verbieden wat Allah heeft toegestaan. Allah heeft de maanden vastgesteld op twaalf; vier daarvan zijn heilig.
Weet dat jullie je Heer zullen ontmoeten en dat Hij jullie zeker zal afrekenen op jullie daden. Bedenk dat jullie op een dag voor Allah zullen verschijnen en jullie daden moeten verantwoorden. Pas dus op! Raak niet van het rechte pad af nadat ik weg ben.
Geen enkele profeet of boodschapper zal meer na mij komen en geen enkel nieuw geloof zal meer worden geboren. Wees daarom verstandig, o mensen, en probeer mijn woorden aan jullie te begrijpen. Ik laat twee dingen voor jullie achter: de Koran en mijn voorbeeld. Als je deze volgt, zul je nooit op het verkeerde pad terechtkomen.
Tot slot reciteerde de Profeet een openbaring van Allah, die hij net had ontvangen:
Heden heb Ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de islam (overgave) als godsdienst voor jullie goedgevonden. (Koran 5:3)
Degenen die naar mij luisteren, moeten mijn woorden doorgeven aan anderen, en diegenen weer aan anderen. En mogen de laatsten mijn woorden beter begrijpen dan diegenen die direct naar mij luisteren. O Allah, wees mijn getuige, dat ik Uw boodschap heb meegedeeld aan Uw mensen!
Ik heb het Boek van Allah voor jullie achtergelaten en als jullie daaraan vasthouden, zullen jullie nooit dwalen. En als jullie op de Opstandingsdag over mij ondervraagd worden, wat zullen jullie dan zeggen?
Zijn toehoorders zeiden: “Wij zullen getuigen dat u de boodschap hebt overgedragen en ons wijze raad hebt gegeven.” De Profeet hief toen zijn wijsvinger op, wees naar de mensen en zei drie keer: “O Allah, wees mijn getuige!”
in de Koran terugkomt), dus ook met klei kunnen worden vertaald. Qalam wordt meestal met ‘pen’ of ‘schrijfriet’ vertaald. Dr. Ibrahim Abouleish (oprichter van het Sekem-initiatief in Egypte) vertaalt het met ‘logos’, wat hier logischer lijkt. Soera al-lchlaas geeft heel krachtig de kernboodschap van de Koran weer: God is één, dat wil zeggen dat er slechts één god is – er zijn er niet meerdere – maar ook dat alles één is, dus met elkaar verbonden, van elkaar afhankelijk, holistisch. “Zijn troon strekt zich uit over de hemelen en de aarde” en “Wij zijn hem (de mens) nader dan zijn halsslagader” leert de Koran elders. God is alomvattend, maar dat wil ook zeggen dat alles goddelijk is, heilig. Dit leert ons eerbied voor de schepping, want God openbaart zich in ieder wezen, hoe nietig ook, en zelfs in de dode natuur. God kan dan ook gekend worden door de schepping te kennen. God is tijdloos, zonder begin en einde, zonder ouders en zonder nakomelingen. Moslims aanbidden alleen God, maar hebben eerbied voor de overige geestelijke wezens (malaikat – engelen, en natuurwezens – djinn).
Een hoofdstuk dat heel duidelijk naar het leven na de dood verwijst is soera al-lntifaar. Aan het einde der tijden, als het universum vergaat, staan de mensen voor het jongste gericht en wordt geopenbaard wat het leven voor betekenis heeft gehad. Dan worden de graven geopend, komen de doden tot leven en worden de mensen beoordeeld op hun goede en slechte daden, met als consequentie een eeuwig leven in de hel (het vuur) of in het paradijs (de tuin). (Dit hoeft niet per se definitief te worden opgevat. Er zijn passages die erop wijzen dat een gestorvene direct na zijn dood wordt ‘beoordeeld’ en in een nieuw leven terugkeert. Wat de mens volgens de beschrijvingen in de Koran in het graf beleeft, lijkt sterk op wat Rudolf Steiner over het Kamaloka meedeelt. De Koran laat het bestaan van reïncarnatie en karma open.) Het is dus zaak je op het leven na de dood voor te bereiden door het doen van goede werken en gebed, zonder echter het aardse leven te verzaken. “Bereid je voor op het hiernamaals alsof je morgen zult sterven, maar werk in het hiernumaals alsof je het eeuwige leven hebt.”
Soera al-‘Asrgeeft kernachtig weer wie als moslims (gelovigen) te beschouwen zijn: zij die vertrouwen hebben, het juiste doen, geloven in de waarheid en niet opgeven. Het begrip moslim (degene die zich – uit vrije wil – aan het Hogere onderwerpt) zou je best ruimer mogen nemen dan alleen degenen die de geïnstitutionaliseerde godsdienst Islam volgen. ‘Asr is letterlijk de tijd van het namiddaggebed, maar wordt hier meestal vertaald met de stroom van de tijd, de tijd die voorbij gaat. Wa al ‘asr betekent: Bij de tijd! (een bezwering: bij de tijd, ik zweer dat…). Deze soera herinnert aan een andere passage, waarin God de bergen (het mineraalrijk) en de bomen (het plantenrijk) het beheer over Zijn schepping aanbiedt. Maar zij weigeren, omdat zij beseffen dat ze in deze enorme verantwoordelijkheid tekort zullen schieten. De mens echter, overmoedig, neemt het aanbod aan. Maar ook de meeste mensen schieten hierin (nog) tekort. Er zijn slechts enkele ingewijden en spirituele leiders die de verantwoordelijkheid werkelijk kunnen dragen.
De islam kent drie stadia van spirituele ontwikkeling: moslim, mo’min en mohsin, vergelijkbaar met de antroposofische begrippen gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel. Moslim is degene die zich trouw aan de voorschriften houdt en verder geen vragen stelt. Mo’min is degene die deze tracht te doorgronden en van binnenuit tot het volgen van het juiste komt (je zou dat een leerling-stadium kunnen noemen). Mohsin is een ingewijde die de geheimen van het leven kent.
Een traditioneel Egyptisch lied om samen te zingen:
Bronnen: Mahmoud Hussein: Al Síra – de verhalen over Mohammed in Mekka, uitgeverij Bulaaq, 2008 Pé Mullenders: De preek van de afscheidsbedevaart van de profeet Mohammed “O Allah, wees mijn getuige!”, in: Al Nisa, Islamitisch maandblad voor vrouwen, december 2006 Het lied hierboven: Sekem, Egypte Mondelinge en schriftelijke bronnen waarvan ik mij de titel niet meer kan herinneren.
De afbeelding bovenaan en hieronder is calligrafie in Kufisch schrift. Er staat: Bismillahirrahamaanirrahiem (In naam van God, de Schepper, de Genadevolle)
Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.
In deze vergadering gaat het voornamelijk over hoe om te gaan met een collega die niet voldoet. Tijdens de discussie hierover komen nog andere vragen op: wie worden er eigenlijk toegelaten tot de vergadering.
Over ontslag van een leerkracht <1> <1a> Wie komt er bij de lerarenvergadering <2> <2a> Moet je als leerkracht antroposoof zijn <3> In de handwerkles: vingerhoed <4>
RUDOLF STEINER
Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart1919 bis 1924
Erster BandDas erste und zweite Schuljahr
Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart
Band 1Het eerste en tweede schooljaar
Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
X.: Die Anstellung neuer Lehrer müßte besprochen werden.
<1> X.: Het aannemen van nieuwe docenten moet besproken worden.
Dr. Steiner: Es handelt sich also um die Personalfrage. Es handelt sich darum, daß unser bisheriger Lehrer für den Handfertigkeitsunterricht nicht das leisten konnte, was man von ihm erwarten muß, und daß deshalb an einen Ersatz gedacht werden muß. Es ist vielleicht nicht notwendig, über die Einzelheiten zu sprechen. Ich weiß nicht, inwiefern es bekannt ist. Es handelt sich darum, daß er einerseits nicht fertig wurde mit den großen Klassen, daß er gesagt hat, daß die Kinder der oberen Klassen nicht zur Arbeit kämen. Das zeigt sich auch dadurch, daß die Kinder der oberen Klassen nicht fertig geworden sind. Es ist ihm schwer geworden, sich in ein Gebiet, das er zu betätigen hat, hineinzufinden. Es zeigte sich mir, daß er nicht die genügende praktische Begabung hat, daß die Arbeiten, die er machen läßt, nicht gut sein können, weil er selbst nicht den Blick dafür hat, was exakt ist. Manche dieser Arbeiten blieben Spielereien und wurden nicht zu dem, was sie sein sollten. Die Kinder haben kein exaktes Arbeiten bei ihm gelernt. Im Gartenbauunterricht, da blieb die Arbeit darin stecken, daß jedes Kind ein kleines Gärtchen bekam, wo die Kinder
Het is een personeelskwestie. Het probleem is dat onze vorige docent voor handvaardigheid niet aan de verwachtingen voldeed en daarom moet er een vervanger gezocht worden. Het is misschien niet nodig om in detail te treden. Ik weet niet in hoeverre die details bekend zijn. Het probleem is dat hij enerzijds de grote klassen niet aankon en dat hij zei dat de kinderen in de hogere klassen niets deden. Dit blijkt ook uit het feit dat de kinderen in de hogere klassen hun werk niet afmaakten. Hij had moeite om de stof die hij moest behandelen goed onder de knie te krijgen. Het werd me duidelijk dat hij onvoldoende praktische vaardigheden had en dat het werk dat hij opgaf niet goed kon zijn, omdat hij zelf geen oog had voor precisie. Sommige van deze opdrachten waren niet serieus en werden niet wat ze hadden moeten zijn. De kinderen leerden van hem geen precisiewerk. Tijdens de tuinlessen liep het werk vast doordat elk kind een kleine tuin kreeg waar de kinderen
Blz. 194
wild das draufsetzten, wozu sie Lust hatten, das mehr ein Kindergärtchen als ein Schulgarten geworden war. Was aber das Schwerwiegendste ist, das ist, daß er kein Herz für die Dinge aufgebracht hat, die ihm oblagen; daß sein Interesse darin liegt, sich mit gutem Studium zu beschäftigen, daß aber darüber das, was eigentlich zu tun gewesen wäre — eine Durcharbeitung seines Gartenunterrichts zu pflegen —, eben nicht geschah. So daß für mein Urteil schließlich nichts übrig bleibt, als sich nach einer besseren Kraft umzusehen. Ich glaube, daß eine wirklich künstlerische Durchdringung des Handfertigkeitsunterrichts von seiner Seite nicht möglich sein wird. So wie sich die Dinge entwickelt haben, ist es unmöglich, daß wir ihn im Kollegium weiter haben. Er ist kein Mann, der sich hineinfindet in den Geist der Schule.
lukraak plantten wat ze maar wilden, en het was meer een kleutertuin geworden dan een schooltuin. Maar het grootste probleem is dat hij geen enkele betrokkenheid toonde bij de taken die hem werden toevertrouwd; dat zijn interesse lag in grondige studies, maar dat wat had moeten gebeuren – een grondige ontwikkeling van zijn tuinbouwonderwijs – gewoonweg niet gebeurde. Dus, naar mijn mening, rest ons niets anders dan op zoek te gaan naar een betere leraar. Ik geloof dat een echt artistieke benadering van het aanleren van praktische vaardigheden niet mogelijk zal zijn vanuit zijn perspectief. Zoals de zaken zich hebben ontwikkeld, is het voor ons onmogelijk om hem in dienst te houden. Hij is niet iemand die de geest van de school kan aanvoelen.
X.: Es ist natürlich wichtig, weil wir ihn hergebracht haben, daß wir ihn auch so unterbringen, daß er nicht zu einem Feind wird, wenn wir ihn absetzen.
X.: Het is natuurlijk belangrijk, nu we hem hebben aangenomen, dat we ook een manier vinden om hem tegemoet te komen, zodat hij geen tegenstander wordt wanneer we hem ontslaan.
Molt: Ich werde das meine Sorge sein lassen, zu sehen, wie wir ihn unterbringen.
Molt: Ik zal op me nemen om te kijken hoe we hem tegemoet kunnen komen.
X..Ich wollte nur bemerken, daß ich die Sache nicht ganz verstehe. Y. hat sich große Mühe gegeben, sich in den Geist der Sache hineinzufinden. Er hat meine Kinder gut beurteilt. Im Gartenbau ging es gut mit meiner Klasse. Ins Künstlerische wird er sich hineinfinden.
X.: Ik wilde alleen even aangeven dat ik de zaak niet helemaal begrijp. Y. heeft veel moeite gedaan om de kern van de situatie te begrijpen. Hij heeft mijn kinderen goed ingeschat. Hij deed het goed bij tuinbouw in mijn klas. Hij vindt vast wel zijn weg in de kunstwereld.
Dr. Steiner: Das wird schwer gehen. Das Künstlerische bezog sich auf den Handfertigkeitsunterricht. Da ist es so, daß er kaum sich wird hineinfinden können.
Dat wordt lastig. Het artistieke aspect waar het over gaat, is de instructie in handvaardigheid. Hij zal er nauwelijks in slagen om zich daarin te verdiepen.
X.: Er hat den besten Willen. Er wird es sehr schwer empfinden. Er will in den Ferien Schreinerei noch besser lernen, auch Schuhmacherei.
X.: Hij heeft de beste bedoelingen. Hij zal het erg moeilijk vinden. Hij wil tijdens de vakantie zijn timmermansvaardigheden verbeteren, en ook zijn schoenmakersvaardigheden.
Frau Dr. Steiner: Ich glaube zu bemerken, daß Y. etwas Zutrauliches hat.
Vrouw van Dr. Steiner: Ik denk dat ik merk dat Y. een zekere mate van vertrouwen geniet.
Dr. Steiner: Das ist zweifellos, daß er sich gern mit den Kindern beschäftigt, daß er ernsthaft hinein will. Es fehlt an verschiedenen Stellen. In dem Moment, wo ich mehr das eine oder das andere hervortreten sah, immer mußte ich zu dem Entschluß kommen, daß es nicht möglich ist, ihm diese Sache zu überlassen.
Het klopt ongetwijfeld, dat hij graag bij de kinderen is, dat hij het serieus neemt. Hij schiet op verschillende gebieden tekort. Zodra ik merkte dat een van die gebieden sterker naar voren kwam, moest ik altijd concluderen dat het niet mogelijk was om dit aan hem over te laten.
X.: Ist ein Grund da, ihn als Mensch auszuschließen, oder könnte man ihn anderswo, etwa in der Bibliothek, beschäftigen?
X.: Is er een reden om hem als persoon uit te sluiten, of zou hij ergens anders aan de slag kunnen, bijvoorbeeld in de bibliotheek?
Dr. Steiner: Nicht wahr, es ist schwierig, das klipp und klar auf eine Formel zu bringen. Ich glaube, daß es ihm schwer wird, sich in den ganzen Geist der Schule hineinzufinden, weil er dazu noch nicht den Geist in sich hat.
Het is moeilijk om dat klip en klaar samen te vatten. Ik denk dat hij het moeilijk zal vinden om de hele geest van de school te omarmen, omdat hij die geest nog niet in zich heeft.
Blz. 195
Nun, nicht wahr, es ist ja so, einer der darin ist, der kann mitgezogen werden. Aber glauben Sie denn, daß es auf die Dauer möglich ist, ihn für den ganzen Handfertigkeitsunterricht zu haben? Für den ganzen Handfertigkeitsunterricht ihn zu haben, würde nicht möglich sein. Es würde möglich sein für die vier unteren Klassen, wenn wir einen Lehrer für die höheren Klassen hätten. Ob er geistige Kapazität dazu hat, in den höheren Klassen Handfertigkeit zu geben, das bezweifle ich. Ich habe angesehen, wie gearbeitet wird. Das ist ganz schön für die kleinen Kinder, wenn sie sich überhaupt anstrengen. Aber später, wo ein gewisser kunstgewerblicher Geist hinein muß, ist es eine Frage, ob er den Geist bekommen kann. Es macht große Schwierigkeiten, und es muß viel umgedacht werden, wenn er bleiben sollte. Ich habe den Eindruck bekommen, daß dies die allgemeine Meinung des Kollegiums ist. Der Mann hat dichterischen Ehrgeiz, aber er bildet sich sehr viel ein. Er hat einen Fond von gutem Willen. Mir tut er leid, weil ich glaube, daß sich in ihm ein starkes Ressentiment entwickeln wird. Schwierigkeiten macht es immer, wenn so jemand, der eine gewisse persönliche Note in den Dingen hat, in so etwas wie die Schule hineingestellt ist.
Het klopt inderdaad dat iemand die er al bij betrokken is, mee kan gaan. Maar denk je echt dat het op de lange termijn mogelijk is om hem voor al het handvaardigheidsonderwijs te gebruiken? Dat zal niet mogelijk zijn. Het zou wel mogelijk zijn voor de vier lagere klassen als we een docent voor de hogere klassen hadden. Of hij de intellectuele capaciteit heeft om handvaardigheid in de hogere klassen te onderwijzen, betwijfel ik. Ik heb gezien hoe het werkt. Het is best leuk voor de kleintjes, als ze tenminste een beetje hun best doen. Maar later, wanneer een bepaalde artistieke geest moet worden bijgebracht, is het de vraag of hij die geest kan verwerven. Dat levert grote problemen op en er moet flink over nagedacht worden als hij zou moeten blijven. Ik heb de indruk dat dit de algemene mening van de leerkrachten is. De man heeft poëtische ambities, maar hij is erg verwaand. Hij heeft goede bedoelingen. Ik heb medelijden met hem, want ik denk dat er een sterke wrok in hem zal ontstaan. Het is altijd lastig wanneer iemand met zo’n persoonlijke touch in dingen terechtkomt in een omgeving zoals een school.
Er hat in all den Dingen eine persönliche Note. Er ist wenig auf das Sachliche eingestellt. Er möchte ein Mensch sein, der es dazu gebracht hat, Waldorflehrer zu sein. Er möchte Dichter sein. Er möchte, daß die Kinder zu ihm Zutrauen haben. Die besonderen Eigenschaften, die er hat, all das fordert das Mitleid heraus. Es müßte gesorgt werden, daß ihm ein Ersatz geschaffen wird. Aber schwierig wird es immer sein mit ihm. Denn er wird gewisse Dinge aus dem Geist der Waldorfschule heraus gar nicht verstehen, besonders auch im Handfertigkeitsunterricht selbst. Es ist furchtbar schwer, auf diesem Gebiet, wo Sachlichkeit notwendig ist, das Mitleid spielen zu lassen. Es führt leicht auf Abwege. Ist denn eine Möglichkeit vorhanden, daß man die Sache so löst, daß man ihn in den vier unteren Klassen hat? Das wäre wünschenswert. Wir kommen dadurch auf ein mächtiges Budget. Die Schule wird größer.
Hij geeft overal een persoonlijke draai aan. Hij is niet erg gefocust op het doel. Hij wil iemand zijn die het tot Waldorfleraar heeft geschopt. Hij wil dichter worden. Hij wil dat de kinderen hem vertrouwen. Zijn bijzondere kwaliteiten wekken medelijden op. Er moet voor gezorgd worden dat er een vervanger voor hem gevonden wordt. Maar dat zal altijd lastig blijven met hem. Omdat hij bepaalde aspecten van de geest van de Waldorfschool simpelweg niet zal begrijpen, vooral niet in de lessen over praktische vaardigheden. Het is ontzettend moeilijk om medelijden toe te laten in dit gebied, waar objectiviteit noodzakelijk is. Het leidt ons gemakkelijk op een dwaalspoor. Is er een manier om de situatie op te lossen zodat hij in de vier lagere klassen kan werken? Dat zou wenselijk zijn. We komen dan wel op een aanzienlijk budget. De school zou groter worden.
Molt: Mir scheint, nur um eine Sinekure zu schaffen, dafür ist kein Geld da, wo wir neulich gesehen haben, daß wir mit jedem Pfennig rechnen müssen. Das wird nötig sein, daß man im Zusammenhang der Firma etwas unternimmt, daß ihm nicht geschadet wird und nicht wehgetan wird.
Molt: Het lijkt me dat er geen geld is om zomaar een sinecure te creëren, vooral omdat we onlangs hebben gezien dat we op elke cent moeten letten. Er zal binnen het bedrijf iets moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat hij geen schade ondervindt.
Dr. Steiner: Untergebracht muß er werden. Man muß sehen, wie man ihn unterbringt. Ein sehr schwieriger Fall. Sachlich ist dies zu sagen, daß er der Aufgabe nicht gewachsen war.
Er moet rekening met hem worden gehouden. We moeten kijken hoe we hem tegemoet kunnen komen. Een zeer lastig geval. Objectief gezien was hij niet geschikt voor de taak.
Blz. 196
Er hat nicht den künstlerischen Geist. Ich glaube nicht, daß er sich in den hineinfinden würde. Wie gesagt, es würde das gar nicht schaden, wenn er die unteren Klassen haben würde, ein anderer die oberen Klassen. Oftmals wird dadurch am meisten erreicht. Die Kinder werden einfach arbeiten. Nachher, wenn sie sich mittätig erweisen müssen, ist es um so besser. Sachlich ist nichts einzuwenden für die untersten Stufen, aber für die oberen Stufen reicht er nicht mehr aus.
Hij heeft geen artistiek talent. Ik denk niet dat hij dat zou kunnen ontwikkelen. Zoals ik al zei, zou het geen kwaad kunnen als hij de lagere klassen lesgeeft en iemand anders de hogere klassen. Vaak is dat de meest effectieve manier om dingen voor elkaar te krijgen. De kinderen zullen gewoon aan de slag gaan. Daarna, wanneer ze actief moeten deelnemen, is dat alleen maar beter. Er is niets mis met hem voor de lagere klassen, maar hij is niet meer geschikt voor de hogere klassen.
X.: Ist es beabsichtigt, alles in einer Hand zu lassen ?
X: Is het de bedoeling dat alles onder één controle blijft?
Dr. Steiner: Das sind budgetäre Fragen. Beim Handfertigkeitsunterricht ist es so, daß man sich nach der Decke streckt. An sich wäre wünschenswert, daß der Handfertigkeitsunterricht recht stark ausgebaut wird. Wenn wir einen Handfertigkeitslehrer haben, würden wir auskommen, wenn wir von der 6. Klasse an den Unterricht geben lassen. Etwas anderes kommt dadurch herein, daß wir Gartenbauunterricht geben. Das erfordert auch eine sachverständige Kraft. Ich würde am liebsten sehen, wenn wir zwei hätten, daß der eine das eine Jahr den Handfertigkeitsunterricht gibt, der andere den Gartenbauunterricht gibt.
Dat zijn budgettaire kwesties. Met handvaardigheidsonderwijs werken we binnen onze middelen. Idealiter zou het handvaardigheidsonderwijs aanzienlijk uitgebreid moeten worden. Als we één docent handvaardigheid hadden, zouden we het kunnen redden als iemand anders het vanaf de zesde klas zou geven. Een andere factor is dat we ook tuinbouwonderwijs aanbieden. Daar is ook een gekwalificeerde docent voor nodig. Ik zou het liefst zien dat, als we er twee hadden, de ene het ene jaar handvaardigheid geeft en de andere tuinbouw.
Es kommen die Dinge in Betracht, daß wir für die Schule gewisse Schwierigkeiten haben, wenn wir ihn behalten. Ich habe den Eindruck gehabt, daß es die Meinung des ganzen Kollegiums sei; ich habe anfangs gemeint, es sei eine beschlossene Tatsache. Aber jetzt, wo ich sehe, daß es nicht so ist, ist es gut, daß wir uns unterhalten haben und daß wir erfahren haben, daß es nicht so ist.
Er komen dingen aan het licht waaruit blijkt dat de school bepaalde problemen zal ondervinden als we hem aanhouden. Ik had de indruk dat dit de mening van het hele personeel was; aanvankelijk dacht ik dat het al besloten was. Maar nu ik zie dat dit niet zo is, is het goed dat we erover hebben gepraat en dat we hebben vernomen dat het niet het geval is.
X.: Ist es nicht möglich, das früher zu bemerken, daß ein Mensch nicht taugt für diese Arbeit?
X: Is het niet mogelijk om eerder te zien dat iemand niet geschikt is voor deze functie?
Dr. Steiner: Ich habe es schon lange bemerkt. Ich habe es schon Weihnachten und im Februar gesagt. Ja, nicht wahr, ich bin ja nicht gern darauf eingegangen, weil es mir eine schreckliche Sache war, was leider oft vorgekommen ist, daß Leute ausgeschlossen worden sind. So ging ich darauf nicht gerne ein. Es sind manche Momente dazugekommen in den letzten Tagen, die die Sache plausibler erscheinen lassen. Ja, dann wird nichts übrigbleiben, als daß wir eine andere Lösung suchen. Dann müssen wir eine andere Lösung suchen.
Ik heb het al lang geleden opgemerkt. Ik heb het al met Kerstmis en in februari gezegd. Ja, het klopt, ik wilde het niet aankaarten omdat het voor mij vreselijk was, en helaas gebeurde dat vaak, dat mensen werden buitengesloten. Dus ik wilde er niet op ingaan. De afgelopen dagen zijn er dingen naar voren gekomen die de zaak aannemelijker maken. Ja, dan rest ons niets anders dan een andere oplossing te zoeken. Dan moeten we een andere oplossing vinden.
X.: Jedenfalls muß eine erste Kraft für den Handfertigkeitsunterricht herkommen. Es läßt sich so machen, daß man ihn einer ersten Kraft als zweite Hilfe gibt. Herr X. wollte sich damals um die Handfertigkeit annehmen.
X.: In elk geval is een eerste kracht nodig voor handvaardigheidsonderwijs. Het kan zo geregeld worden dat we hem een eerste kracht als tweede assistent geven. Meneer X. wilde destijds graag zelf de handvaardigheidslessen verzorgen.
Blz. 197
Dr. Steiner: Ich habe gesagt, daß es am besten ist, wenn jemand, der im Lehrerkollegium ist, selbst Schuhe machen lernt. Es war nicht meine Meinung, daß wir einen Handwerker anstellen. Es muß der Handfertigkeitsunterricht aus dem Lehrerkollegium hervorgehen. Y. war plötzlich da. Erwähnt worden ist er mir nur ganz flüchtig. Es war ja nicht der Gesichtspunkt, ihn ganz zum Handfertigkeitslehrer zu nehmen.
Ik zei dat het het beste is als iemand van het docententeam zelf leert schoenen te maken. Het was niet mijn idee om een ambachtsman aan te nemen. De praktische vaardigheden moeten vanuit het docententeam zelf worden aangeleerd. Y. was er ineens. Hij werd slechts heel kort genoemd. Het was niet de bedoeling om hem de enige docent praktische vaardigheden te maken.
X.: Ins Lehrerkollegium ist er hereingewachsen, ohne daß es bestimmt war, daß er hereinkommt.
X.: Hij is in het docententeam bij gaan horen zonder dat het de bedoeling was dat hij erbij zou komen.
Dr. Steiner: Jetzt sind wir in einer gewissen Weise dadurch gefangen. Solche Dinge sollte man nicht so nehmen. Neulich, wir haben auch davon gesprochen, war ich sehr überrascht, als jemand, der überhaupt noch nicht in Betracht kommt für das Lehrerkollegium, bei der Sitzung dabei war. Wer noch nicht im Kollegium tätig ist, kann doch nicht bei der Sitzung dabei sein.
Nu zitten we hier een beetje mee in de knel. Je moet zulke dingen niet zo lichtzinnig opvatten.<1> 2<2> Onlangs bespraken we dit onderwerp nog, en ik was erg verbaasd dat iemand die niet eens in aanmerking komt voor het docententeam, aanwezig was bij de vergadering. Iemand die nog niet actief is in het team, kan onmogelijk bij de vergadering aanwezig zijn. <2>
X.; Ich glaube, daß man ihn ruhig als zweite Kraft nehmen könnte.
<1a> X.: Ik denk dat hij prima als tweede man ingezet zou kunnen worden.
Dr. Steiner: Es wird für eine Kraft zuviel werden, die Gartenarbeit und der Schuhmacherkurs. Dann muß es vom Budgetgesichtspunkt möglich sein, ihn zu besolden.
Het zal te veel zijn voor één persoon om de tuincursus en de schoenmakerscursus te geven. Vanuit budgettair oogpunt moet het dan mogelijk zijn om hem een salaris te betalen.
Molt: Da möchte ich sagen, daß sich das Budget den großen Gesichtspunkten unterordnet.
Molt: Ik wil graag benadrukken dat het budget ondergeschikt is aan het grotere geheel.
Dr. Steiner: Es hat sich bis jetzt kein Schaden gezeigt, wenn er darin war; es kann der Schaden sich erst zeigen, wenn er draußen ist. Er ist zum Lehrer sozusagen geworden auf eine Weise, wie mir das mehrfach in Stuttgart entgegengetreten ist. Wenn man fragt, wie sind sie hineingekommen, so ist es so, die Leute haben sich hineingeschoben. Sie treten plötzlich auf. Ich kann nicht dahinterkommen, wie sie stufenweise aufgerückt sind. Nun, nicht wahr, das geht doch nicht auf die Dauer. Nicht wahr, Herr X., Sie müssen denken, daß man auf die Dinge baut. Es hat sich darum gehandelt, daß abgesprochen war, daß Sie der geistige Umfasser des Handfertigkeitsunterrichts sind. Ich bin gefragt worden von Herrn Molt, ob der Y. in Betracht kommen wird als Handlanger von Ihnen. Aber davon war ich betroffen, daß er hier im Lehrerkollegium gesessen ist. Als Lehrer der Waldorfschule war er nicht in Aussicht genommen. Das bestätigt sich ganz gut, denn er ist Arbeiter der Waldorf-Astoria und ist abkommandiert hierher. So ist gar nicht die geringste Berechtigung gewesen, ihn hier ins Lehrerkollegium hineinzusetzen.
Tot nu toe is er geen kwaad geschied zolang hij erbij betrokken was; de schade zal pas aan het licht komen als hij weg is. Hij is als het ware leraar geworden op een manier die ik in Stuttgart al vaker ben tegengekomen. Als je vraagt hoe ze daar terecht zijn gekomen, is het antwoord dat mensen zich erin hebben gedrongen. Ze duiken plotseling op. Ik kan me niet voorstellen hoe ze zich geleidelijk omhoog hebben gewerkt. Nou ja, dat kan toch niet eeuwig doorgaan?Nietwaar, meneer X.? U moet toch denken dat je voortbouwt op bestaande structuren? Er was afgesproken dat u de spirituele leider zou zijn van het handvaardigheidsonderwijs. Meneer Molt vroeg me of Y. als uw assistent in aanmerking zou komen. Maar ik was verbaasd dat hij hier tussen de docenten zat. Hij was niet in aanmerking gekomen voor de functie van docent aan de Waldorfschool. Dat is volkomen duidelijk, aangezien hij in dienst is van de Waldorf-Astoria en hierheen is gedetacheerd. Er was dus absoluut geen rechtvaardiging om hem in het docententeam op te nemen.
Blz. 198
X.: Ich glaube, daß wir zu einer intimen Arbeit nicht kommen können, wenn jemand unter uns ist, der nicht hineingehört.
X.: Ik geloof dat we niet in vertrouwen kunnen werken als iemand onder ons is die er niet thuishoort.
Dr. Steiner: Wenn er schon einmal da ist, würde das nicht in Betracht kommen, wenn er in dem Fache tüchtig wäre, wenn sich nicht andere Schwierigkeiten hinzugesellten, daß Y. nicht mehr im Kollegium sein kann.
Aangezien hij er al is, zou dat geen probleem zijn als hij competent was in het vakgebied, als er geen andere moeilijkheden waren ontstaan die Y. ervan weerhouden deel uit te maken van de lerarenvergadering.
X.: Es war ein Fehler, ihn hereinzunehmen.
X.: Het was een vergissing om hem aan te nemen.
X.: Diejenigen, die den Fehler begangen haben, das sind wir.
X.: Wij zijn degenen die de fout hebben gemaakt.
Dr. Steiner: Tragen wird ihn die Waldorfschule. Geradeso wie in der Anthroposophischen Gesellschaft Fehler gemacht worden sind, und trotzdem immer dieselben Fehler gemacht worden sind, mußte immer ich darunter leiden. Unter jedem Herausgeschmissenen mußte ich leiden! Hier wird die Waldorfschule darunter leiden, das ist selbstverständlich. Ich halte es für besser, sie leidet von außen als von innen.
De Waldorfschool zal de dupe worden. Net zoals er fouten zijn gemaakt in de Antroposofische Vereniging, en ondanks dat er altijd dezelfde fouten worden gemaakt, heb ik er altijd onder geleden. Ik heb geleden voor iedereen die is weggestuurd! Hier zal de Waldorfschool lijden, dat spreekt voor zich. Ik denk dat het beter is dat ze van buitenaf lijdt dan van binnenuit.
Nach weiteren Erörterungen:
Na nog wat opmerkingen:
Dr. Steiner: Nun, nicht wahr, da müssen wir halt versuchen, ihn zu behalten, wenn es nicht anders geht.
Wel dan, nu zullen we hem gewoon moeten proberen te houden als er geen andere mogelijkheid is.
Nach einer weiteren Besprechung am andern Tag, von der keine Notizen vorliegen, wurde Y. mitgeteilt, daß er nicht mehr an der Waldorfschule mitarbeiten könne.
Na een volgende vergadering de volgende dag, waarvan geen notulen bestaan, werd Y. meegedeeld dat hij niet langer op de Waldorfschool kan werken. <1a>
Dr. Steiner: Es ist gar nicht von vornherein ausgemacht gewesen, daß jeder Fachlehrer im Lehrerkollegium sitzen soll. Es sollte da sein ein engeres Kollegium, in dem die Klassenlehrer sind mit den älteren Fachlehrern, und daneben das erweiterte Kollegium.
<2a> Het was van meet af aan nooit de bedoeling dat elke vakdocent deel zou uitmaken van de vergadering. Er zou een kernvergadering zijn, bestaande uit de klassenleraren en de meer ervaren vakdocenten, en daarnaast de uitgebreide vergadering.
X.; Mir scheint der Gesichtspunkt der zu sein, daß niemand im Kollegium sein sollte, der nicht von Herrn Doktor berufen ist. Daß nicht jedes Hiersein in irgendeiner Position einfach das selbstverständliche Beisitzen beim Kollegium zu bedeuten hat.
X.: Het lijkt me dat het erom gaat dat niemand deel zou moeten uitmaken van de vergadering die niet door Dr. Steiner is aangesteld. Dat het feit dat je hier in welke functie dan ook bent, automatisch betekent dat je lid bent van de vergadering.
X.: Wer soll denn beim Kollegium sitzen?
X.: Wie zou er dan wel deel moeten uitmaken van de vergadering?
Dr. Steiner: Ja, im Kollegium sollten nur die sitzen, die leitende Lehrer sind, die ausübenden, nicht die beurlaubten. Im Kollegium müßten im Grunde genommen diejenigen sein, die ursprünglich zur Schule gehört haben, und die, die später gekommen sind, bei denen man es bedauern kann, daß sie den Kursus vom vorigen Jahr nicht gehört haben. Wer als wirklicher Lehrer hereinkommt, darüber ist
Dr. Steiner: Wel, alleen de docenten die leidinggeven, de actieve docenten, niet degenen die van plichten vrijgesteld zijn, zouden deel moeten uitmaken van de vergadering. De vergadering zou idealiter zowel docenten moeten omvatten die oorspronkelijk aan de school verbonden waren, als degenen die later zijn gekomen en van wie we het jammer vinden dat ze de cursus van vorig jaar niet hebben gevolgd. Er is wel altijd gesproken over wie er als echte leraar bij komt.
Blz. 199
immer verhandelt worden. Erstens müßte man ausübend sein, wenn man hier sitzt, zweitens müßte man wirklicher Lehrer sein.
Ten eerste moet je actief betrokken zijn als je hier zit; ten tweede moet je een echte leraar zijn.
Frau Molt: Dann gehöre ich auch nicht dazu.
Mevrouw Molt: Dan hoor ik er ook niet bij.
Dr. Steiner: Sie sind Schulmutter. Das war von Anfang an in Aussicht genommen gewesen. Frau Doktor sitzt hier als Leiterin der eurythmischen Abteilung, Herr Molt als Protektor der Schule. Das war von Anfang an in Aussicht genommen, da ist kein Zweifel. Wenn es besprochen ist, da ist nichts zu sagen; auch als Baravalle einmal darin war. Er hatte die Vertretung, er war ausübend, das ist besprochen worden. Da wußte man auch, daß er in ein Verhältnis zur Schule kommt, weil er einmal eine erste Kraft sein wird. Jetzt fragt sich nur, wer als Lehrer noch in Betracht kommt.
U bent schoolmoeder. Dat was vanaf het begin al de bedoeling. Mevrouw Steiner zit hier als hoofd van de afdeling euritmie, meneer Molt als beschermheer van de school. Dat was vanaf het begin al de bedoeling, daar bestaat geen twijfel over. Als het besproken is, valt er niets meer over te zeggen; zelfs niet toen Baravalle er een keer was. Hij viel in, hij was actief betrokken, dat is besproken. Het was toen ook al bekend dat hij een band met de school zou hebben, omdat hij ooit een leidende figuur zou worden. De enige vraag is nu wie er nog meer in aanmerking komt als leraar. <2a>
X.: Müßte der neue Lehrer Anthroposoph sein, oder kann es ein Außenstehender sein?
<3> X: Moet de nieuwe leraar een antroposoof zijn, of kan het iemand van buiten de school zijn?
Dr. Steiner: Da bin ich nicht darauf versessen. Das ist schon durchgesprochen. Für den Handfertigkeitsunterricht würde ich vorschlagen, daß mit Wolffhügel verhandelt wird, um zu sehen, ob er will. Ich glaube tatsächlich, daß der Wolffhügel sich eignen könnte. Das wäre glänzend. Er ist Maler und arbeitet in einer Möbelschreinerei. Das wäre ausgezeichnet.
Dr. Steiner: Daar ben ik niet zo op gebrand. Dat is al besproken. Voor de cursus handvaardigheid stel ik voor om met Wolffhügel in gesprek te gaan om te kijken of hij interesse heeft. Ik denk namelijk dat Wolffhügel geschikt zou kunnen zijn. Dat zou fantastisch zijn. Hij is schilder en werkt in een meubelwerkplaats. Dat zou perfect zijn. <3>
Jetzt muß man nur wissen, wer von den neu zu Berufenden in die Konferenz kommt. Wolffhügel käme selbstverständlich für die Konferenz in Betracht. Im Handarbeitsunterricht war ich nur wenig darinnen, aber das eine Mal mußte ich mir sagen, warum hat das Kind keinen Fingerhut? Ich habe immer gesagt, wir müssen die Kinder daran gewöhnen, mit Fingerhut zu nähen. Es kann das Kind nicht ohne Fingerhut nähen, das geht nicht an. Man kann nicht vorher wissen, daß ein Lehrer die Kinder nicht ruhig halten kann. Im allgemeinen, glaube ich, kann man es schon wissen, aber man kann Überraschungen erleben. Man kann es nicht von vornherein sehen. Dann würden wir für die ersten Klassen zwei Lehrer brauchen. Da würde ich für die Klasse 1 b vorschlagen Fräulein Maria Uhland und für die Klasse a den Killian. Ich würde meinen, daß man beide provisorisch anstellt, auf Widerruf, und sie noch nicht ins Kollegium aufnimmt.
Nu moeten we alleen nog weten welke van de nieuw aangestelde leerkrachten bij de vergadering zullen komen. Wolffhügel komt daar natuurlijk voor in aanmerking. <4> Ik was maar zelden in de handwerkles, maar die ene keer moest ik me afvragen: waarom heeft dat kind geen vingerhoed? Ik heb altijd gezegd dat we de kinderen moeten laten wennen aan naaien met een vingerhoed. Een kind kan niet naaien zonder vingerhoed, dat is onacceptabel. <4> Je kunt van tevoren niet weten of een leerkracht de kinderen stil kan houden. Over het algemeen denk ik dat je het wel kunt weten, maar je kunt nog steeds voor verrassingen komen te staan. Je kunt het niet voorspellen. Dan hebben we twee leerkrachten nodig voor de eerste klas. Ik zou juffrouw Maria Uhland voor klas 1b en Killian voor klas a voorstellen. Ik denk dat ze allebei voorlopig, op tijdelijke basis, aangenomen moeten worden en nog niet officieel tot de vergadering moeten toetreden.
Blz. 200
Dann hat die 2. Klasse Fräulein v. Mirbach die 3. Klasse Pastor Geyer die 4. Klasse Fräulein Lang die 5. Klasse Frau Koegel. Dr. Schubert hat die Schwachen, die Hilfsklasse, die 6. Klasse Fräulein Dr. v. Heydebrand. Dann brauchen wir noch jemanden. Da wäre Baravalle eine ausgezeichnete Kraft für die zweite 6. Klasse. Ich würde doch meinen, daß wir den Baravalle nehmen. Er kann den Doktor auch hier machen. Die gesamte 7. Klasse übernimmt Dr. Kolisko.
Dann würde ich meinen, daß wir es mit der 8. und 9. Klasse machen wie bisher mit der 7. und 8. Wie haben Sie das gemacht?
Dan heeft juffrouw von Mirbach de 2e klas, pastor Geyer de 3e klas, juffrouw Lang de 4e klas, mevrouw Koegel de 5e klas.
Dr. Schubert heeft de leerlingen met leerachterstand, de klas voor leerlingen met speciale behoeften, juffrouw dr. von Heydebrand de 6e klas.
Dan hebben we nog iemand nodig. Baravalle zou een uitstekende leraar zijn voor de tweede 6e klas. Ik denk dat we Baravalle moeten aannemen. Hij kan hier ook zijn doctoraat behalen.
Dr. Kolisko neemt de hele 7e klas over.
Dan denk ik dat we het met de 8e en 9e klas op dezelfde manier moeten doen als met de 7e en 8e. Hoe deed u dat?
X.: Wir haben wochenweise gewechselt. Wir haben den Eindruck, wenn wir zum Ursprünglichen zurückgekehrt sind, wenn wir tageweise gewechselt haben, daß wir dann die Klasse nicht gut kennengelernt haben.
X: We rouleerden wekelijks. We hebben de indruk dat we, toen we teruggingen naar het oorspronkelijke systeem, waarbij we dagelijks rouleerden, de klas niet goed leerden kennen.
Dr. Steiner: Der Gesichtspunkt ist, daß es besser ist, acht Tage lang vorzutragen. Besser wochenweise als tageweise.
Het uitgangspunt is dat het beter is om acht dagen lang les te geven. Weken zijn beter dan dagen.
X,: Warum wir zwei unsere Klasse nicht so gekannt haben, darüber bin ich mir nicht ganz im klaren. Die Tatsache ist die, daß ich die Kinder am wenigsten von allen Kollegen kennengelernt habe. Könnte Herr Doktor etwas sagen, was daran schuld ist?
X: Waarom wij tweeën onze klas niet zo goed kenden, weet ik niet helemaal zeker. Feit is dat ik de kinderen het minst goed heb leren kennen van al mijn collega’s. Zou de doctor kunnen zeggen wat daar de reden voor zou kunnen zijn?
Dr. Steiner: Das wird nicht besser, bis Sie ganz genau das Rationelle in bezug auf die Behandlung und den Gang des Lehrstoffes haben. Sie haben sich erdrückt gefühlt. Sie sind überhaupt wenig mit den Schülern in Kontakt gekommen. Sie haben zuviel vorgetragen
Dat zal niet verbeteren totdat u een volledig rationeel begrip hebt van de behandeling en de voortgang van het leerplan. U voelde zich overweldigd. U had heel weinig contact met de leerlingen. U gaf te veel les.
. M.n. in 1e en 2e klassen van vrijescholen wordt de kinderen het blokschrift aangeleerd. Vanaf klas 3 leren de kinderen (meestal) aan elkaar schrijven. Niet alle leerkrachten van de klassen 1 en 2 gebruiken de blokletter als schrijfletter, maar streven ernaar door bv. het vormtekenen eerder en uitsluitend verbonden schrift aan te leren. Er is veel voor te zeggenin geen enkele klas het blokschrift als manier van schrijven aan te leren. Ook Steiner had zozijn bezwarentegen dit type letter als schrijfletter.
Maar ook buiten de vrijescholen zijn er verschillen in gebruikte methodes.
Nu is het altijd goed om verschillende standpunten te kennen. In onderstaand artikel komen er een paar aan bod.
.
Rob Voorwinden in Aob 02-11-2013
.
DE OPMARS VAN DE BLOKLETTER
Blokletters zijn makkelijker
Henk Schweitzer houdt een pleidooi voor het blokschrift. Hij is (oud-)leraar speciaal onderwijs, (oud-)handschriftdocent aan de pabo, motorisch remedial teacher, directeur van een basisschool en auteur van ‘Schrijven leer je zo’.
“Als kind had ik heel veel problemen met het schrijven van verbonden schrift. En toen ik zelf eenmaal in het onderwijs zat, zag ik dat dit voor meer leerlingen gold. Er zijn echt kinderen die motorisch vastlopen op verbonden schrift. Bijvoorbeeld op allerlei lastige verbindingen tussen letters: van de ‘b’ naar de ‘e’ bijvoorbeeld, of van de ‘e’ naar de r: daar ga je van een trekkende beweging naar een duwende beweging. En ja, dan breken de potloodpuntjes. Toen ik voor de klas stond in het toenmalige lom-onderwijs, ontwikkelde ik een aantal vinger-, hand- en armoefeningen om kinderen motorisch vaardiger te maken. Dat bleek een heel positief effect te hebben op de schrijfprestaties. Als je kinderen motorisch handiger maakt – of minder onhandig – verbetert ook hun handschrift. Dat ik destijds een koppeling legde tussen motoriek en handschrift was ongehoord. Het kwam me op harde kritiek te staan van wat ik maar even de ‘schoonschrijfgroep’ noem. Dat iemand uit het speciaal onderwijs zich bemoeide met schrijfonderwijs. Dat kon toch echt niet. Terwijl ik zag dat het werkte. Inmiddels is in het onderwijs ook wel geaccepteerd dat bewegingsoefeningen een positief effect op het handschrift hebben.
In de jaren daarna heb ik mijn lesmethode voor blokletters, Schrijven leer je zo, steeds verder uitgebreid. Een van mijn bezwaren tegen verbonden schrift is dat het allerlei tierelantijnen bevat die niet nodig zijn voor een efficiënt handschrift, je moet het verbonden schrift in een hellingshoek schrijven, en de ‘t’ moet bijvoorbeeld een fractie kleiner zijn dan de ‘h’. Waarom? Omdat het mooi is, volgens de schoonschrijfgroep. Nou kan ik zelf best van een mooi handschrift genieten, maar het aanleren ervan kost een heleboel tijd en moeite. Is het dat waard? Ik denk het niet. Want blokletters leer je veel makkelijker dan verbonden letters, en ze leveren een leesbaar handschrift op waar je de rest van je leven mee vooruit kunt. Nou ja, vooral in het voortgezet onderwijs, want daarna gaat de schriftelijke communicatie bijna geheel per toetsenbord. Verder lezen de kinderen, ook in het basisonderwijs, voornamelijk drukletters: in de methodes, de werkboekjes en de leesboeken. En verbonden schrift wijkt sterk van die drukletters af. Dat is verwarrend. De gedrukte ‘r’ heeft bijvoorbeeld een streepje naar rechts, terwijl bij de verbonden geschreven ‘r’ dat streepje naar links staat. En vergelijk de ‘t’ eens als drukletter en verbonden letter: om in de drukletter de verbonden letter te herkennen, heb je echt de toverdoos van Hans Kazan nodig. Bij blokletters lijken de letters die je schrijft tenminste op de letters die je overal leest.
Het grappige is natuurlijk dat leerlingen op dit moment ook al blokschrift leren, in de hogere klassen. Want blokschrift heb je later toch nodig, bijvoorbeeld omdat je officiële formulieren altijd in blokletters moet invullen. En in groep 7 of 8 zijn de leerlingen dan helemaal vrij om hun eigen handschrift te gebruiken, waarbij leerlingen dan soms gewoon op blokletters overschakelen. Waarom heb je dan al die moeite gedaan om ze eerst verbonden schrift aan te leren? Het antwoord op die laatste vraag is doorgaans: Om de fijne motoriek van de leerlingen te ontwikkelen. Maar in de eerste plaats heb je voor blokschrift toch ook fijne motoriek nodig. En in de tweede plaats draait die redenering de zaak om. Want het uiteindelijke doel van het leren schrijven is om een vlot en leesbaar handschrift te ontwikkelen, en niet om de fijne motoriek te trainen. Als je dat wilt, zijn er voldoende andere manieren.
Tegenstanders zeggen ook dat het schrijven van blokletters ten koste gaat van de schrijfsnelheid. Dat is niet waar. Leerlingen die los leren schrijven, gaan na een tijdje zelf ook verbindingen maken. Bijvoorbeeld tussen twee e’s die direct naast elkaar staan. En daarmee neemt ook de snelheid toe. Het snelste handschrift is een combinatie van los en vast, met een maximale bandbreedte van vier letters.
Een van de belangrijkste voordelen van blokschrift is dat het aanleren veel minder tijd kost dan verbonden schrift. Het kan in de helft van het aantal uren. In de praktijk blijkt dat basisscholen dan heel veel tijd overhouden die ze aan andere nuttige zaken kunnen besteden. En dan is de keuze voor blokschrift snel gemaakt. Natuurlijk zijn er veel tegenstanders van blokletters. Want je haalt een heel vak weg, en mensen krijgen het idee dat ze het de afgelopen tientallen jaren verkeerd hebben gedaan. Maar daar gaat het niet om. Het gaat er om dat de tijden veranderen, en dat er soms nieuwe inzichten ontstaan. Toch is de kritiek vaak snoeihard. Zo zeggen tegenstanders dat blokletters moeilijker te schrijven zijn dan verbonden letters. Maar dan vraag ik me af hoe het in godsnaam mogelijk is dat alle scholen voor speciaal onderwijs inmiddels zijn overgestapt op blokletters. Maar goed, je ziet ook dat de felste kritiek afkomstig is van mensen die niet zelf voor de klas staan. Ik zeg: Kom eens achter je bureau vandaan en ga eens in de praktijk kijken. Want daar bewijzen blokletters zich.”
Amerika: voortaan alleen blokletters
De discussie over blokletters versus verbonden letters speelt op veel plaatsen in de wereld. In Amerika lijken blokletters gewonnen te hebben.
Op Amerikaanse scholen leren kinderen -traditioneel – eerst schrijven met blokletters. Pas in de hogere groepen (als de leerlingen zo’n acht jaar oud zijn) staat het verbonden schrift op het lesrooster. Tenminste, tot voor kort. Want in de common core state standards – zeg maar de Amerikaanse kerndoelen -heeft het verbonden schrift nauwelijks meer een plek, zegt handschriftexpert Steve Graham, hoogleraar aan Arizona State University. “Veel scholen laten het verbonden schrift vallen uit hun curriculum. Want ze moeten ook aan andere onderwerpen aandacht gaan besteden, zoals typen. En de kinderen kunnen immers al met blokletters schrijven.” Ook in Amerika stuit de opmars van blokletters op tegenstand. De kritiek varieert van serieus tot vergezocht. Met als voorbeeld van dat laatste, de stelling dat kinderen straks de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring niet meer kunnen lezen, omdat die in verbonden schrift is opgesteld. Hoogleraar Graham heeft zelf niet zo’n voorkeur voor één van beide soorten schrift. “Blokletters zijn beter leesbaar, met verbonden schrift schrijf je wat sneller. En het Amerikaanse verbonden schrift is redelijk eenvoudig, dus je leert beide soorten letters snel aan.”
Maar Graham vindt het wel logisch dat scholen in elk geval geen twee soorten schrift meer aanbieden: één soort is voldoende. “Er moeten nog genoeg andere belangrijke zaken worden behandeld.”
Blokletters doen afbreuk aan het handschrift
Volgens Ben Hamerling zien blokletters er eenvoudiger uit dan ze zijn. Hij is de drijvende kracht achter de Stichting Schriftontwikkeling, (zojuist gepensioneerd) schrijfdocent aan de pabo Marnix Academie in Utrecht, en auteur van de schrijfmethode ‘Schrift’. “Ook ik signaleer dat blokletters in opkomst zijn in het basisonderwijs. Helaas, want blokletters zien er eenvoudiger uit dan ze zijn. In de eerste plaats zijn blokletters niet ontworpen om te schrijven: het zijn imitatiedrukletters. Daardoor is het niet duidelijk waar je de letter moet beginnen. Kinderen beginnen in de praktijk de letter ‘e’ dan bijvoorbeeld rechts onderaan, en draaien vandaar uit terug naar boven. Dat is een heel lastige manier van schrijven. Bij verbonden schrift heb je dat probleem niet: een nieuwe letter begint automatisch waar de vorige letter ophoudt.
Verder kan je bij drukletters de letters ‘b’ en de ‘d’ makkelijk spiegelen, wat lastig is voor bijvoorbeeld dyslectische kinderen. En drukletters kunnen als pepernoten over het papier worden gestrooid, terwijl verbonden schrift altijd een woordverband geeft: de verschillende woorden zijn duidelijk te onderscheiden. Bij het schrijven van verbonden letters koppel je bovendien de beweging van je hand aan de inhoud van het woord. Daardoor sla je dat woord beter op in je hersenen. Embodied cognition noemen we dat.
De opmars van blokletters komt ook doordat het slecht gesteld is met het schrijfonderwijs aan Nederlandse basisscholen. Leerlingen mogen vanaf groep 7 bijvoorbeeld vaak een ‘persoonlijk handschrift’ ontwikkelen. (Ik vraag als grapje wel eens of die leerlingen dan ook hun ‘persoonlijke spelling’ mogen ontwikkelen). En dat persoonlijke handschrift wordt bij meiden dan vaak de ‘meidenpoot’: letters als liggende eieren, zonder letterspaties. De jongens ontwikkelen, met een voorgewende onverschilligheid, een soort mengschrift van verbonden schrift en blokletters. Dat leidt vaak tot volkomen onleesbare handschriften. Ook op de pabo’s is het slecht gesteld met het handschriftonderwijs. Er worden soms tekendocenten aangesteld als handschriftdocent, of docenten bewegingsonderwijs. Want schrijven is toch een soort combinatie van tekenen en bewegen, wordt er dan geredeneerd. Maar om goed schrijfonderwijs te geven, heb je echt gespecialiseerde kennis en vaardigheden nodig. Wat dat laatste betreft, alle blokschriftmethodes van dit moment zijn door amateurs geschreven, en niet door mensen met een gecertificeerde handschriftopleiding. Uitgeverijen werken daaraan mee. Want alser geld te verdienen valt, is het niet belangrijk dat dit afbreuk doet aan het handschrift. Terwijl het schrift toch de basis is van onze cultuur: alle kennis wordt door het schrift overgeleverd.”
Blokletters zorgen voor succeservaringen
Bij de start van basisschool Kornak in Uitgeest, nu negen jaar geleden, is besloten om de leerlingen alleen nog maar blokletters aan te leren. “We zagen dat de grove motoriek van veel kinderen tegenwoordig wat minder goed ontwikkeld is”, zegt leerkracht Wijmke Frens. “Onder andere doordat kinderen meer televisie kijken dan vroeger, meer achter de computer zitten en minder buitenspelen’. En als die grove motoriek al hapert, levert de fijne motoriek van het schrijven nog meer problemen op. “Dan kun je beter met blokletters gaan schrijven, want dat is makkelijker dan verbonden schrift.”
Verder ontwikkelen leerlingen in groep 7 en 8 doorgaans hun eigen handschrift. Frens: “En dan gaan ze vaak ook met blokletters schrijven. Maar doordat ze die blokletters niet altijd goed aangeleerd hebben, gebruiken ze verbonden schrift en blokschrift door elkaar. En wordt het onleesbaar. Dan is het wel zo makkelijk om kinderen maar meteen – en goed – het blokschrift aan te leren.” Een groot voordeel van blokletters, vindt Frens, is dat deze dezelfde vorm hebben als de drukletters die de leerlingen in de leesboekjes en de werkbladen zien. “Je schrijft wat je ziet. En dat is ook heel belangrijk voor bijvoorbeeld dyslectische leerlingen.” De kinderen vinden schrijven met blokletters erg leuk, zegt Frens. “Verbonden schrift is, zeker bij bepaalde letters, heel lastig. Blokschrift is makkelijker, en levert zo snel succeservaringen op. Ik zie op andere scholen vaak dat leerlingen schrijven niet leuk vinden. Dat is hier wel anders.”
Aanleren verbonden schrift kost heel veel tijd
Op basisschool de Windwijzer in Den Helder leren de kinderen vanaf dit schooljaar alleen nog maar blokletters. “We hebben lang over deze stap gediscussieerd”, zegt Mieke van der Werf, leerkracht van groep 4. Een paar jaar lang, zelfs: “Het onderwerp kwam steeds weer terug in vergaderingen.” Uiteindelijk heeft een werkgroep zich over de kwestie gebogen, waarbij de stem van de middenbouw de doorslag gaf. “We lopen ertegenaan dat het aanleren van verbonden schrift heel veel tijd kost. Terwijl het in de praktijk niet echt meer nodig is om verbonden te kunnen schrijven. Iedereen gebruikt later immers een tablet of computer.”
De ouders zijn niet betrokken in de discussie. “Dan had het nog veel langer geduurd om tot een beslissing te komen”, zegt Van der Werf. “Want er waren binnen het team al zoveel verschillende meningen.” Uiteindelijk is het besluit goedgekeurd door de MR, en daarna meegedeeld op een informatieavond. “De ouders waren er toen positief over.”
De overstap van het aanleren van verbonden schrift naar het aanleren van blokletters was voor Van der Werf niet moeilijk. “Ik ben veel bezig met dyslectische kinderen, die – met toestemming van de ouders en van de directie – ook al met blokletters mochten schrijven. De afgelopen vijf jaar had ik altijd wel een of twee blokletter-leerlingen in mijn klas.” En het aanleren van blokletters is vrij simpel, vindt Van der Werf. “Er zijn drie grondvormen: een lange stok, zoals bij de letters ‘b’ en ‘k’, een korte stok, zoals bij de ‘i’ en de ‘r”, en een ronde grondvorm zoals de ‘a’ en de ‘g’.” Dat pakken kinderen snel op. “Hun handschrift wordt netter. En ze zijn er trots op dat ze nu al snel mooi kunnen schrijven.”
Uit een vrijeschoolklas
Afbeeldingen van Pinterest, waar je veel meer 1e en 2e klas blokschrift vindt, dan schuinschrift.
Al weer enige tijd geleden [29-11-2014] stond in het dagblad Trouw dit artikel:
.
‘Schrijfles is goed voor kinderbrein’
Deskundige erkent belang van typeles op school, maar schrijfbeweging blijft nuttig .
‘Schrijven is een volledig nutteloze vaardigheid’, luidt een van de Finse internetreacties op het bericht dat schrijflessen in Finland worden afgeschaft. De Finse Onderwijsraad besloot om vanaf schooljaar 2016-2017 typ- in plaats van schrijflessen op basisscholen te geven.
Nu ook tablets en apps hun entree maken op basisscholen, was het wachten op de volgende stap in de digitalisering van het onderwijs. Finland, volgens meerdere ranglijsten het beste onderwijsland ter wereld, stopt als eerste in Europa met het geven van schrijflessen. Volgens Minna Harmanen van de Finse Onderwijsraad valt de beslissing makkelijk te rechtvaardigen.
“Typen is vandaag simpelweg relevanter dan schrijven”, zegt ze tegen een Finse krant. Leraren reageren overwegend positief op het nieuws, zolang leerlingen maar het verschil tussen hoofd- en kleine letters kunnen aangeven.
In Nederland is een ‘leesbaar handschrift’ voor scholen de enige richtlijn voor leraren. Hoe scholen die invullen, mogen ze volgens het ministerie van onderwijs zelf bepalen. Zolang leerlingen maar een pen kunnen hanteren en leesbaar kunnen schrijven.
Leerkrachten in het basisonderwijs letten al langer minder streng op het handschrift van leerlingen. Vroeger waren vulpennen en sierschrift de norm, tegenwoordig zijn balpennen en blokletters ook goed. De noodzaak om te schrijven, en vooral om mooi te schrijven, neemt immers af. Kattenbelletjes en boodschappenlijstjes gaan via WhatsApp, steeds meer mensen gebruiken een digitale agenda en zelfs kerstkaarten kunnen digitaal geschreven en verstuurd worden.
Is er afgezien van sentimentele argumenten – de romantiek van een handgeschreven briefje wint het volgens sommigen nog steeds [van een getypte, nog iets anders dat pleit voor het handschrift?]
“Natuurlijk wel”, vindt schrijfdeskundige Aartje Schoemaker van het Platform Handschriftontwikkeling. “Een schrijfbeweging vergt optimale coördinatie tussen de linker- en de rechterhersenhelft. Wij erkennen het belang van typen, maar de hersenontwikkeling van kinderen is meer gebaat bij schrijflessen.” Met de bewering van de Finse Vereniging voor Leraren dat hersenontwikkeling ook gestimuleerd wordt door extra teken- of handvaardigheidlessen is ze het niet geheel eens. “Die vergelijking gaat niet op, de hersenen reageren niet op dezelfde manier bij tekenen.”
Het is volgens Schoemaker moeilijk voor leraren om kinderen te motiveren voor methodisch schrijven. “Dat is saai en lastig, en als het niet lukt zullen kinderen om er van af te zijn snel zeggen: ‘Ik doe het wel op de computer’.” Het platform maakt daarom schrijflessen gericht op coördinatie met het accent op de schrijfbeweging in plaats van op de vorm van de letters.
Schoemaker: “Leerlingen moeten bijvoorbeeld woorden inpassen in een raamwerk, of hun handen op een bepaalde manier bewegen op muziek.” Volgens de schrijfdeskundige stimuleren dergelijke oefeningen, waarin kinderen als het ware in de lucht schrijven zonder letters, het brein op een soortgelijke manier als sierschrift.
Hier herkennen we heel duidelijk wat wij in de lagere klassen doen met vormtekenen als voorbereiding op het schrijven.
Schrijven en lezen: alle artikelenzie bv. [9-1] en [9-2] [9-3]
In deze rubriek verschenen artikelen over warmte. Ook over kou en m.n. verkoudheid bij kinderen en wat je zou kunnen doen.
Onderstaand artikel belicht ‘verkouden’ in algemenere zin.
Weledaberichten nr 95, auteur onbekend, dec. 1972
.
HOE VOORKOMEN WE VERKOUDHEID?
Onder het begrip verkoudheidziekten verstaan we over ’t algemeen de catarre-achtige ontstekingen van de bovenste luchtwegen van de mens. We zouden — als een grove onderscheiding daartussen — kunnen spreken over neusverkoudheid, keelontsteking van de luchtpijp enz. Er kunnen daarbij allerlei complicaties optreden, zoals oorontsteking, ontsteking van de amandelen, bronchitis enz., maar we willen hier niet nader op deze complicaties ingaan.
Iedereen weet, hoe een verkoudheid ontstaat. De laatste fase in het proces van het ontstaan is de sterke afkoeling. We hebben hierbij tot op zekere hoogte te maken met een verzwakt warmte-organisme. Andere factoren die de dispositie vormen zijn bv. een vanuit de constitutie optredend gebrek aan weerstand en kracht van de slijmvliezen van de bovenste luchtwegen en vochtig koud weer, vooral in de winter. Het „aansteken” is in dit verband een vraag van secundaire betekenis. De virussen vermeerderen zich pas, wanneer de bodem voor hen bereid is.
Hoe is mogelijk, zal men zich afvragen, dat koude ziekte tot stand kan brengen? Het is zo, dat het menselijke warmte-organisme op een korte afkoeling reageert met een relatief snelle verwarming van de afgekoelde plaatsen.
Wanneer het organisme nu geen gelegenheid heeft tot zo’n reactie, bv. wanneer men — door het dragen van ondoelmatige kleding langer aan de koude is blootgesteld, dan blijft een positieve warmte-ontwikkeling achterwege en is een langduriger afkoeling het gevolg. Het totale organisme tracht nu, gedurende ongeveer drie dagen, door een stijging van de warmte de afkoeling van de betreffende gebieden weer te overwinnen. En daarmee is het uitgangspunt geschapen voor ontstekingen eventueel voor koorts.
Wat kunnen we doen om ons tegen deze ver-koudheidziekten te beschermen? Het beste middel daarvoor bestaat in de verzorging en versterking van ons warmte-organisme. We kunnen dit op den duur alleen, wanneer wij het dagelijks voorzichtig stimuleren, d.w.z. oefenen. Dat kan gebeuren door korte afwas-singen met koel (niet te koud) water, waaraan men wat „Weleda” Rosmarijn Bad” toevoegt. Daardoor wordt de daaropvolgende doorstraling van de warmteversterkt. Bovendien zou degene die ten gevolge van te geringe lichamelijke beweging te weinig eigen warmte produceert, zich door voldoende warme kleding moeten beschermen tegen een overmatig afgeven van warmte. Dit spreekt wel van zelf, maar we willen er voortdurend weer op wijzen, omdat vele mensen het „meedoen aan de mode” belangrijker vinden dan hun gezondheid. Andere menen zich op die manier te kunnen ,,harden”. Wol, in zijn verschillende kwaliteiten, biedt ons gedurende het koude jaargetijde de beste beschutting.
Wanneer iemand zich al in een toestand van chronische afkoeling bevindt, dan zou hij door de juiste maatregelen de lichaamswarmte zo moeten activeren, dat ze weer alle organen doordringt. Maatregelen daarvoor zijn warme baden, twee- of driemaal per week, onder toevoeging van rozemarijn (bv. in de vorm van een eetlepel „Weleda” Rosmarijn Bad). Ze verwarmen niet alleen de temperatuur van het water, maar activeren door de etherische rozemarijnolie het hele warmte-organisme. Naar zo’n warm bad is het — om de warmte in het lichaam te houden — nodig om met een heel korte afwassing (douchen van armen en benen) met koud water te eindigen. Na een stevig wrijven is aan te raden, de huid met een doorwarmende olie, bv. Weleda massage-olie met arnica, dun in te wrijven, om haar door de in deze olie aanwezige zuivere, plantenolie een verwarmende laag te verschaffen en om haar door de erin aanwezige etherische rozemarijnolie te stimuleren tot een verdere warmtevorming. Mensen die last hebben van gebrek aan warmte, zouden niet mogen vergeten door dagelijkse voldoende lichamelijke beweging de eigen warmte te stimuleren. Bovendien zou men de huisarts moeten vragen of niet een diepere oorzaak, bv. bloedarmoede, oorzaak zou kunnen zijn van het voortdurend last hebben van koude. Om koude ledematen weer warm te krijgen is ook het dagelijkse droog borstelen, eveneens met aansluitend inwrijven met massageolie zeer aan te bevelen.
Een warmte-organisme dat met dergelijke maatregelen versterkt is geworden, zal door zijn snel en intensieve reactievermogen minder aanleiding geven tot verkoudheidziekten.
(Dat ik hier reclame maak voor Weleda is niet omdat ik door het bedrijf gesponsord word, maar alleen omdat ik in mijn leven veel baat heb gehad bij de genoemde middelen. Bovendien is het al zo’n 100 jaar een van de meest milieuvriendelijke bedrijven!)
Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.
In deze vergadering gaat het nauwelijks over pedagogie of didactiek, maar over de financiële situatie van de school toen. Hoe komt het geld ter beschikking. Er is voortdurend sprake van het oprichten van een ‘wereldschoolvereniging’. Dat is niet gelukt. Toch komen er ook een aantal dingen ter sprake die ook vandaag voor vrijescholen een rol spelen. Die heb ik hier aangegeven:
Over de naamgeving van een school. En waarom het ‘vrije’ school heet. <1> en <4> Soms kom je uitspraken van vrijeschoolmensen tegen – hier en hier van twee schoolleiders die het ‘vrije’ verklaren als ‘een opvoeden tot vrije mensen’. Dat dit óók een doel van de vrijeschool is, is duidelijk op te maken uit de woorden van Steiner in GA 305/74, vertaald blz. 80, maar het ‘vrije’ in vrijeschool heeft uitsluitend betrekking op ‘vrij van staatsinmenging’.
Over het betalen van schoolgeld. <2> en <3> Hier is het opmerkelijk dat Steiner geen ‘kapitalistenschool’ wil, maar een waar in principe de rijkere ouders betalen voor de kinderen uit armere gezinnen. Geen kind mag worden afgewezen in relatie tot het schoolgeld.
Staatsexamens in de school betekent geen vrijeschool meer zijn. <5> Kleur van de schoolbankjes <6>
Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart1919 bis 1924
Erster BandDas erste und zweite Schuljahr
Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart
Band 1Het eerste en tweede schooljaar
Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
Vergadering van donderdag 29 juli 1920, 10.30 – 13.30u
Dr. Steiner: Zunächst möchte ich bitten, ob jemand, nachdem eineschöne Zeit zum Überlegen war, sich zum Wort meldet.
Allereerst wil ik vragen of er iemand het woord wil voeren, nu we hier goed over hebben nagedacht.
X. möchte gern etwas über die wirtschaftliche Grundlage der Schule wissen.
X. wil graag iets weten over de financiële situatie van de school.
Dr. Steiner: Darf ich Herrn Molt bitten, über die Frage zu sprechen,da er Bescheid weiß. Molt berichtet über die finanzielle Lage der Schule.
Mag ik meneer Molt vragen hierover te spreken, aangezien hij er verstand van heeft?
Molt geeft een overzicht van de financiële situatie van de school.
X. fragt, ob man sich nicht bei dem öffentlichen Vortrag heute Abend an dieHörer wenden könnte. Es wird ein Aufruf verlesen, den Dr. v. Heydebrand zusammen mit Dr. Hahnverfaßt hat.
X. vraagt of het mogelijk is het publiek toe te spreken tijdens de openbare lezing van vanavond. Een oproep wordt voorgelezen, die Dr. von Heydebrand samen met Dr. Hahn heeft opgesteld.
Dr. Steiner: Dieser Aufruf ist ausgezeichnet und wird sicher nichtohne Wirkung sein. Meiner Auffassung nach kann es aber nur danngeschehen, wenn gleichzeitig damit verbunden wird, daß man sagt: Wir können nur weiterarbeiten, wenn von seiten der Allgemeinheitdie nötigen Mittel der Sache zufließen.
Deze oproep is uitstekend en zal zeker effect sorteren. Naar mijn mening kan hij echter alleen effectief zijn als hij vergezeld gaat van de verklaring: We kunnen ons werk alleen voortzetten als de benodigde middelen door de mensen beschikbaar worden gesteld.
X.: Ich wollte nur warten mit der Rückgängigmachung der Neuanmeldungen.
Ik wilde even wachten voordat ik de nieuwe aan meldingen terugdraai.
Dr. Steiner: Warum sollen wir nicht schon jetzt den Leuten sagen können, daß wir, wenn wir nicht die Mittel bekommen, die neuangemeldeten Kinder abweisen müssen? Gerade damit unsere Agitation wirksam werde! Wir müssen die Kinder abweisen, weil wir keine neuen Lehrer anstellen können. Das scheint mir notwendig zu sein, um die Agitation wirksam zu machen. Nicht wahr, diese Agitation hat ihre Schwierigkeiten. Erst meint die Öffentlichkeit, die Schule sei eine Waldorf-Astoria-Schule, es wird von vielen Seiten die Schule eine Waldorf-Astoria-Schule genannt. Man hat die Meinung, daß die Schule finanziell gespeist wird von der Waldorf-Astoria- Zigarettenfabrik, und man ist überrascht, daß dies nicht der Fall ist. Nun, das ist das eine. Man muß auf irgendeine Weise gegen dieses Überraschtsein der Öffentlichkeit eben einen Weg einschlagen. Man muß es deutlich sagen, daß die Mittel der Öffentlichkeit notwendig sind, das ist das eine. Zweitens ist es schwierig, von auswärts Geld zu bekommen für den Waldorfschulverein, der für Stuttgart gegründet wird. Da ist es nicht so, wie bei den anderen in Stuttgart zentralisierten Einrichtungen. Selbstverständlich kann der Kommende Tag und die Dreigliederung
Waarom zouden we de mensen nu niet kunnen vertellen dat we, als we de financiering niet rondkrijgen, de nieuw ingeschreven kinderen moeten weigeren? Juist zodat onze campagne effectief is! We moeten de kinderen weigeren omdat we geen nieuwe leerkrachten kunnen aannemen. Dat lijkt me noodzakelijk voor het succes van de campagne. Krijgt deze campagne niet de nodige problemen? Ten eerste denkt het publiek dat de school een Waldorf-Astoriaschool is; veel mensen noemen het een Waldorf-Astoriaschool. Er bestaat de opvatting dat de school financieel wordt gesteund door de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek, en mensen zijn verbaasd dat dit niet het geval is. Nou, dat is één ding. We moeten een manier vinden om deze verbazing bij het publiek weg te nemen. We moeten duidelijk stellen dat publieke financiering noodzakelijk is; dat is één ding. Het publiek denkt dat de school een Waldorf-Astoriaschool is; veel mensen noemen het een Waldorf-Astoria school. Ten tweede is het moeilijk om externe financiering te verkrijgen voor de Waldorfscholenvereniging die in Stuttgart wordt opgericht. Dat is niet zoals bij de andere instellingen die in Stuttgart gecentraliseerd zijn. Natuurlijk, ‘der kommende Tag’ en de Driegeleding
Blz. 183
das ist für die Welt. Um für die Waldorfschule Geld zu geben, da müßten die Leute die Kinder herschicken können. Die Leute fragen: Warum ist das vorhandene Geld nicht in Stuttgart und Umgebung aufgebracht worden, woher doch die meisten Kinder stammen? Man kann verlangen, daß die Leute, die die Kinder von auswärts bringen, soviel zahlen, um die Kinder hier zu haben. Da kann man hohes Schulgeld verlangen. Wenn die Leute von auswärts Geld geben sollen, wenn ein Schulverein für das Prinzip der Waldorfschule wirken soll, dann muß es klar sein, daß wir hier in Stuttgart anfangen, daß wir selbst etwas tun, um die Waldorfschule in die ganze Welt zu tragen. — Natürlich fragt jeder: Warum verschafft ihr euch nicht aus Stuttgart und Umgebung Mittel? — Das sind Schwierigkeiten, denen wir dadurch begegnen, daß wir sagen, wir sind eben nicht in der Lage, die Schule über das jetzige Maß hinaus zu gestalten. Wir müßten die Kinder abweisen, wenn wir nicht Mittel bekommen. Ich glaube also nicht, daß man in dieser Richtung optimistisch sein darf. Die zwei Gründe spielen wesentlich mit.
zijn voor de hele wereld. Om geld te kunnen geven aan de Waldorfschool, zouden mensen hun kinderen hierheen moeten kunnen sturen. Mensen vragen zich af: waarom is het beschikbare geld niet in Stuttgart en de omliggende regio ingezameld, waar de meeste kinderen vandaan komen? Je kunt eisen dat de mensen die hun kinderen van elders halen, genoeg betalen om hun kinderen hier te laten leren. Je kunt hoge schoolgelden vragen. Als mensen van elders geld moeten geven, als een schoolvereniging zich moet inzetten voor het principe van de Waldorfschool, dan moet het duidelijk zijn dat we hier in Stuttgart beginnen, dat we zelf iets doen om de Waldorfschool wereldwijd te verspreiden. — Natuurlijk vraagt iedereen zich af: waarom halen jullie geen geld op in Stuttgart en de omliggende regio? — Dit zijn problemen die we aanpakken door te zeggen dat we de school simpelweg niet verder kunnen uitbreiden dan de huidige omvang. We zouden kinderen moeten weigeren als we geen geld krijgen. Dus ik denk niet dat je in dit opzicht optimistisch kunt zijn. De twee redenen spelen een belangrijke rol.
X..’ Kann denn die Umwandlung des Waldorfschulvereins in einen solchenWeltschulverein durchgeführt werden, wenn man sich einig darüber würde?
Zou de transformatie van de Waldorf School Vereniging in een dergelijke Wereld Schoolvereniging kunnen worden uitgevoerd als er overeenstemming bereikt zou kunnen worden?
Dr. Steiner: Nicht wahr, den Waldorfschulverein haben wir als einen lokalen Verein gegründet, auch ein wenig unter dem Gesichtspunkt, daß es den Herren Aktionären von der Waldorf-Astoria imponiert, daß sie geldgeberischer werden. So habe ich mir vorgestellt, der Weltschulverein müßte extra dazu gegründet werden.
Dr. Steiner: We hebben niet waar, de Waldorf School Vereniging als een lokale vereniging opgericht, deels om de aandeelhouders van Waldorf-Astoria te overtuigen meer financieel betrokken te raken. Ik dacht daarom dat de Wereld School Vereniging apart opgericht zou moeten worden.
X.: Herr Doktor, Sie sagten, daß der Weltschulverein wirksam in Angriffgenommen werden kann, wenn man vorgestoßen hat.
X.: U zei dat de Wereld School Vereniging effectief van start kon gaan zodra er een basis was gelegd.
Dr. Steiner: Es würde sich darum handeln, dies auszuarbeiten, um den Boden zu schaffen, aus dem das erwachsen kann. Daß wir mit Klarheit hinweisen auf die Schwierigkeiten, die bestehen, um die Stimmung für den Weltschulverein gebrauchen zu können.
Het gaat erom die basis verder te ontwikkelen om een fundament te leggen van waaruit de vereniging kan groeien. Dat we de bestaande moeilijkheden duidelijk moeten benoemen om steun te verwerven voor de Wereld School Vereniging.
X. fragt, ob man nicht bei den Schweizer Mitgliedern Propaganda machen kann?
X. Vraagt of het mogelijk is om het bekender te maken onder de Zwitserse leden?
Dr. Steiner: Die Schweizer Mitglieder werden so sehr auf die Valutaangezapft, daß da wohl kaum etwas zu machen ist. Ich habe letzthingerade in einem Prospekt, der hinausgeschickt worden ist, herausstreichen müssen die Worte in dem einen Satz, der daraufhingewiesen hat, daß die Angehörigen der Mittelländer wegen der Valuta nichts leisten können. Dieses zu starke Pochen auf die außerordentlich stark in Anspruch genommenen Schweizer, die ohnedies nicht gern die Taschen aufmachen — furchtbar ungern. Da müssen wir
De Zwitserse leden zitten zo zwaar met buitenlandse valuta dat er waarschijnlijk weinig aan te doen is. Ik heb onlangs in een folder die werd verstuurd, met name de zin moeten onderstrepen waarin stond dat de mensen uit de Centraal-Europese landen vanwege hun valuta niets konden bijdragen. Deze buitensporige nadruk op de Zwitsers, die al onder immense druk staan en sowieso al niet graag geld uitgeven – extreem weinig. We moeten
Blz. 184
einen Weltschulverein gründen, der im Programm nicht die Unterstützung der Stuttgarter Waldorfschule hat, sondern die Gründung von Schulen nach diesen Prinzipien. Der muß es verantworten, daß er zunächst die Waldorfschule unterstützt.
Het doel is een Wereldschoolvereniging op te richten waarvan het programma niet de ondersteuning van de Waldorfschool in Stuttgart omvat, maar juist de oprichting van scholen gebaseerd op deze principes. De vereniging moet verantwoording afleggen voor de initiële ondersteuning van de Waldorfschool.
Frau Dr. Steiner: Ich glaube, es wäre besser, daß der Goetheanumbau fertigwürde, sonst kommt das Frühere durch das Spätere in Leid. Für die Schulekönnen die Angehörigen der Mittelländer noch vieles tun. Die Schweden, Norweger sind empfänglich, Geld zu geben. Wenn aber eine große Anzapfung der Ausländer für die Schule vor sich geht, dann wird der Bau nie zu Ende geführt.
Mevrouw Steiner: Ik denk dat het beter zou zijn als de renovatie van het Goetheanum voltooid wordt; anders zal die eronder lijden. Mensen uit Centraal-Europese landen kunnen nog veel voor de school betekenen. De Zweden en Noren staan open voor donaties. Maar als er op grote schaal geld van buitenlanders voor de school wordt aangewend, zal de bouw nooit voltooid worden.
Dr. Steiner: Nicht wahr, es würde sich, wenn wir den Weltschulverein gründen, darum handeln, daß der vor allen Dingen das haben müßte, daß er über seine Gelder frei verfügen kann, daß auch die Freie Hochschule in Dornach aus diesen Geldern gespeist werden könnte. Es war unsere Idee, eine Art Zentralisation des gesamten Finanzwesens zu machen. Wir strebten an eine zentrale Finanzierung, so daß all das Geld, das für unsere anthroposophische Sache gegeben wird, in eine einzige Zentralkasse zusammenfließt. Das ist dasjenige, was wir angestrebt haben in den Tagen, wo wir darangegangen sind, den „Kommenden Tag” und das ,,Futurum” zu begründen. Da kam in die Quere, daß die Waldorf-Astoria nicht mehr weiter (helfen) konnte.
Dr. Steiner: Is het niet zo dat als we de Wereldschoolvereniging zouden oprichten, het primaire doel zou zijn dat deze vrije toegang tot haar fondsen heeft, zodat de Vrije Hogeschool in Dornach ook uit deze fondsen gefinancierd zou kunnen worden? Het was ons idee om een soort centralisatie van het hele financiële systeem te creëren. We streefden naar gecentraliseerde financiering, zodat al het geld dat voor onze antroposofische zaak wordt gegeven, in één centrale kas terecht zou komen. Dat was ons doel in de tijd dat we begonnen met de ontwikkeling van “der kommende Tag” en “Futurum”. Maar toen bleek dat Waldorf-Astoria niet langer kon helpen.
Dann mußte der Waldorfschulverein gegründet werden. Ebensogut mußte man in Dornach eine Anzahl von Dingen gründen. Das ist nur formell. In dem Augenblick läuft der Verein Goetheanismus in das Ganze ein, wenn es notwendig ist. Die Dinge, die wir führen, die müssen so gegründet sein, daß es zuletzt in eine Zentralverwaltung einläuft. Das war auch die Absicht, als wir den Kommenden Tag begründeten. Der Kommende Tag hat nicht die Möglichkeit, Jahresbeiträge entgegenzunehmen. Insofern würde ja eine Organisation wie der Weltschulverein auch keine Dezentralisation darstellen. Es handelt sich nicht darum, daß der Kommende Tag die Zentralverwaltung hat. Der Kommende Tag ist das Institut, das sich daran beteiligt. Das was wir als Zentralverwaltung denken, wäre umfassender. Ich sagte nicht, man solle den Kommenden Tag als Zentralverwaltung betrachten. Wir hatten in Aussicht genommen, daß alles das, was wir bekommen, in eine einheitliche Zentralkasse zusammenfließt, und da nach Gebrauch ausgegeben wird. Wenn wir den Weltschulverein gründen, dann würde dieser Weltschulverein seinerseits selbst seine Gelder verwalten lassen können. Aber er würde so gegründet sein müssen, daß er einlaufen kann in dieses Zentralinstitut, wie der Verein Goetheanismus in Dornach, der jederzeit einlaufen kann in dem
Vervolgens moest de Waldorf School Vereniging worden opgericht. Evenzo moesten er een aantal zaken in Dornach worden geregeld. Dat is slechts een formaliteit. Op dat moment zal de Goetheanum Vereniging, indien nodig, in het geheel opgaan. De zaken die we beheren, moeten zo worden gestructureerd dat ze uiteindelijk onder een centrale administratie vallen. Dat was ook de bedoeling toen we ‘der kommende Tag’ oprichtten. Deze kan geen jaarlijkse lidmaatschapskosten innen. In dat opzicht zou een organisatie als de Wereld School Vereniging ook geen decentralisatie vertegenwoordigen. Het gaat er niet om dat de kommende Tag de centrale administratie heeft. De kommende Tag is het instituut dat eraan deelneemt. Wat wij voor ogen hebben als een centrale administratie zou omvattender zijn. Ik heb niet gezegd dat de kommende Tag als een centrale administratie moet worden beschouwd. We hadden voor ogen dat alles wat we ontvangen in één centrale kas zou terechtkomen en daar naar behoefte zou worden verdeeld. Als we de Wereld School Vereniging zouden oprichten, dan zou deze op haar beurt haar eigen fondsen kunnen beheren. Maar het zou op zo’n manier opgericht moeten worden dat het in dit centrale instituut zou kunnen opgaan, net als de Goetheanum Vereniging in Dornach, die er op elk moment in kan opgaan.
Blz. 185
Augenblick, wo wir die Persönlichkeit haben. Da müssen rein sachliche Prinzipien walten. Ebenso kann der Weltschulverein gegründet werden, indes muß einer seiner Paragraphen der sein, daß er seine Gelder ebensogut in eine Volksschule wie in die Kasse der Freien Hochschule einfließen lassen kann.
Op het moment dat we de persoonlijkheid hebben. Zuiver objectieve principes moeten de boventoon voeren. Evenzo kan de Wereldschoolvereniging worden opgericht, maar een van de statuten moet bepalen dat zij haar middelen gelijkelijk kan toewijzen aan een basisschool en aan de kas van de Vrije Hogeschool.
Frau Dr. Steiner: Sonst wäre es geschehen ums Goetheanum.
Anders zou het Goetheanum verloren zijn gegaan.
X.: Ich finde, wie die Dinge liegen, den Namen Waldorfschulverein nicht mehrrichtig. Man könnte es für die unteren acht Klassen gelten lassen. Für das darüber sollte man einen „Verein zur Gründung von Rudolf Steiner-Schulen”haben.
X.: Zoals de zaken er nu voor staan, vind ik de naam Waldorf Schoolvereniging niet langer passend. Die zou gebruikt kunnen worden voor de onderbouw van de basisschool. Voor de bovenbouw zou er een “Vereniging voor de Oprichting van Rudolf Steiner Scholen” moeten zijn.
Dr. Steiner: Das darf auf keinen Fall sein.
Dr. Steiner: Dat mag absoluut niet het geval zijn.
X. (spricht weiter): Ich will damit kundtun, daß es sich um ganz bestimmte Schulen handelt. Den bisherigen Namen halte ich für schädlich.
X. (vervolgt): Ik wil duidelijk maken dat dit zeer specifieke scholen zijn. Ik vind de huidige naam nadelig.
Dr. Steiner: Da muß man eine viel aktuellere Flagge finden. Ein großer Teil der Gegnerschaft beruht auf der einseitigen Betonung des Namens. Sie werden sehen, daß es noch in viel ausgesprochenerem Maße herauskommt. Ich weiß zu erzählen, wie Aufsätze, die ich da und dort anonym habe erscheinen lassen, angenommen wurden, und wie die Sache sofort umgekehrt worden ist, als der Name darauf kam. Man kann eine andere Firma haben. Der Sache wird nichtgenützt durch persönliche Namengebung.
Er moet een veel modernere naam gevonden worden. Een groot deel van de tegenstand is gebaseerd op de eenzijdige nadruk op de naam. U zult zien dat die op een veel prominentere manier naar voren zal komen. Ik weet hoe essays die ik hier en daar anoniem publiceerde werden ontvangen, en hoe de situatie onmiddellijk omsloeg zodra mijn naam werd genoemd. Je kunt een ander bedrijf hebben. Persoonlijke naamsvermelding helpt de zaak niet.
Frau Dr. Steiner: Ob man nicht doch erraten könnte, welcher Name derwünschenswerte wäre?
Of je er niet achter zou kunnen komen welke naam het meest wenselijk is?
Dr. Steiner: Es wäre ganz gut, wenn diese Frage gestellt würde. Dannwürde der Betreffende damit verbunden werden. Goetheanismusschule, vielleicht Schule des Kommenden Tages. Es müßte so irgend etwas sein, was hinweist auf die Zukunft. Da müßte man scharf nachdenken, auf etwas, was daraufhinweist, daß es sich um staatslose Schulen handelt. Staatslosigkeit, die Begründung der Schule ohne den Staat, daß diese Sache sichtlich zum Ausdruck kommt. Das kommt nur durch eine neutrale Bezeichnung zum Ausdruck. Das haben wir in der Waldorfschule durch ,,frei” zum Ausdruck gebracht. Die Bezeichnung der „Freien Waldorfschule” war gut für den ersten Anfang. Und wenn es weitergegangen wäre in dieser Weise, wenn es nicht notwendig geworden wäre, den Waldorfschulverein zu gründen, so wäre gegen den Titel das allerwenigste einzuwenden. Aber nicht wahr, es ist nicht weitergegangen. Es müßte zum Ausdruck kommen dieses Prinzip des staatslosen, des aus dem freien
<1> Het zou heel goed zijn als die vraag gesteld werd. Dan zou de persoon in kwestie ermee in verband gebracht worden. Goetheanistische School, misschien School van de kommende Tag. Het zou iets moeten zijn dat naar de toekomst wijst. Je zou goed moeten nadenken over iets dat aangeeft dat dit scholen zijn, vrij van de staat. Zonder de staat, de oprichting van de school zonder de staat, dat dit duidelijk wordt uitgedrukt. Dit kan alleen worden uitgedrukt door een neutrale benaming. Wij hebben dit in de Waldorfschool uitgedrukt door middel van “vrij”. De benaming “Vrije Waldorfschool” was goed voor het begin. En als het zo was doorgegaan, als het niet nodig was geweest om de Waldorfschoolvereniging op te richten, zou er weinig bezwaar tegen de naam zijn geweest. Maar het is niet doorgegaan. Dit principe van het zonder de staat, een systeem dat voortkomt uit een vrij geestesleven, moet tot uitdrukking gebracht worden. <1>
Blz. 186
Geistesleben geschaffenen Schulwesens. Es ist die Frage, ob man danicht sehr gut den Weltschulverein gründen könnte.
De vraag is of men daar niet net zo goed een Wereldschoolvereniging zou kunnen oprichten.
X.: Dürfte man den Namen Anthroposophie nennen?
X: Mogen we de naam Antroposofie noemen?
Dr. Steiner: Wir müssen Anthroposophie weglassen.
We moeten Antroposofie weglaten.
X.: Damit das Interesse nicht erlahmt, sollte bis zu einer gewissen Größe derName Waldorfschule erhalten bleiben.
X: Om te voorkomen dat de belangstelling afneemt, moet de naam Waldorfschool tot een bepaalde omvang behouden blijven.
Dr. Steiner: Mit Ausnahme der 9. Klasse gilt ja heute schon das, daßwir auch nicht die acht Klassen auf der alten Grundlage vorwärtsbringen. Ohne Zuschüsse kriegen wir doch nicht die acht Klassen in dem Sinne weiter, wie wir es wollen. Wir müssen die neuen Kinder der acht Klassen abweisen, wenn wir nicht Zuschüsse bekommen. Daß der laufende Betrieb erhalten wird, das würde schon ins Gleichgewicht gebracht werden. Dann die Frage des Platzes. Wir können nicht die Zahl der Schüler vermehren ohne Platzvergrößerung. Es wird sich um weitere Lehreranstellung handeln. 4. Klasse 53, 2. Klasse 56 Schüler, da wird es eine Lehrerfrage
Met uitzondering van de negende klas is het al zo dat we de acht klassen niet op de oude manier kunnen voortzetten. Zonder subsidies kunnen we de acht klassen simpelweg niet op de gewenste manier blijven aanbieden. We zullen nieuwe leerlingen voor de achtste klas moeten weigeren als we geen subsidies ontvangen. Het in stand houden van de huidige gang van zaken zou dan in evenwicht zijn. Dan is er nog de kwestie van de ruimte. We kunnen het aantal leerlingen niet verhogen zonder de ruimte te vergroten. Dat betekent dat we meer leraren moeten aannemen. Vierde klas: 53 leerlingen, tweede klas: 56 leerlingen; dan wordt het een lerarenkwestie.
Ich bin der Meinung, daß ein Lehrer, wenn er den nötigen Raum hat, selbst hundert Kinder haben könnte, aber aus dem einfachen Grunde, weil wir denRaum nicht haben, einfach deshalb, weil unsere Klassenräume zu klein sind, müßten wir mehr Lehrer haben. Es betrifft die beiden Klassen; dann würde es sich um die Zerlegung der künftigen 4. und 2. Klasse handeln. Die 1. und 5. müssen wir unter allen Umständen teilen. Die Raumfrage ist aktuell geworden. Dann daß der Eurythmie- und Turnsaal absolut nichts taugt.
Ik geloof dat een leraar, als hij of zij de benodigde ruimte had, honderd kinderen zou kunnen lesgeven, maar simpelweg omdat we die ruimte niet hebben, omdat onze klaslokalen te klein zijn, hebben we meer leraren nodig. Dit heeft gevolgen voor de twee klassen; dan zou het betekenen dat we de toekomstige 4e en 2e klas moeten splitsen. We moeten absoluut de 1e en 5e klas splitsen. Het ruimteprobleem is urgent geworden. En dan is er nog het feit dat de euritmie en de gymzaal volkomen nutteloos zijn.
X.: Kulturschule. X..’ Ich hatte mir auch aufgeschrieben Freie Kulturschule.
X: Culturele School.
X: Ik heb ook Vrije Culturele School opgeschreven.
Frau Dr. Steiner: Vielleicht fällt noch jemand etwas anderes ein.
Misschien komt iemand anders met een andere oplossing.
Dr. Steiner: Es kommt nicht darauf an, einfach einen Namenwechseleinzugehen. (Es handelt sich darum,) ob die zwei Millionen Markeingehen oder nicht. Die Kalamität ist deshalb eingetreten, weil manjedes Kind aufgenommen hat. Die Waldorf-Astoria hat nichts verbrochen.
Het gaat niet alleen om het veranderen van de naam. (Het gaat erom) of die twee miljoen binnenkomt of niet. Het probleem ontstond omdat elk kind werd toegelaten. De Waldorf-Astoria heeft niets verkeerd gedaan.
X.: Es wäre wichtig zu unterscheiden zwischen Waldorfschulverein und Waldorfschule. Man könnte die Waldorfschule weiter als Waldorfschule lassen.
X: Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de Waldorf School Association en de Waldorf School. De Waldorfschool zou de naam Waldorfschool kunnen behouden.
Dr. Steiner: Der Finanzierungsverein braucht nicht mehr den Namen zu haben. Das würde der Waldorf-Astoria nicht schaden. Die Waldorfschule ist eine historische Sache, die bleiben soll. Auf der
De financierende instantie hoeft die naam niet langer te gebruiken. Dat zou Waldorf-Astoria geen kwaad doen. De Waldorfschool is een historische instelling die moet blijven bestaan.
Blz. 187
anderen Seite ist wirklich nicht zu verlangen, wenn wir an weitere Kreise Deutschlands und Österreichs gehen, daß das unter der Flagge einer Waldorfschule für Stuttgart geschehen soll. Ich meine rein aus praktischen Gründen, weil auch die Leute dafür kein Geld geben. DiePropaganda für den Verein als solchen bleibt auf Stuttgart undWürttemberg beschränkt. Dagegen scheint es mir durchaus klar zusein, daß man auf das Große geht, für das man Propaganda machenkann international.
Aan de andere kant is het echt onredelijk om te verwachten dat, wanneer we andere kringen in Duitsland en Oostenrijk benaderen, dit onder de vlag van een Waldorfschool voor Stuttgart zal gebeuren. Ik bedoel puur om praktische redenen, want mensen geven daar geen geld voor. De propaganda voor de vereniging als zodanig blijft beperkt tot Stuttgart en Württemberg. Daarentegen lijkt het mij volkomen duidelijk dat men moet streven naar iets groters, waarvoor men internationale propaganda kan voeren.
X.; Da würde man zu dem Entschluß kommen, den Verein fallen zu lassen?
X.: Zou men dan tot de conclusie moeten komen de vereniging op te geven?
Dr. Steiner: Ich bin der Überzeugung, daß die Fortführung bis zur 8. Klasse eine Gehaltsfrage ist. Ich meine, wieviel liegt in der Kasse des Schulvereins? Sonst kommen wir nie aus den unklaren Verhältnissen heraus. Klare Verhältnisse hätten wir nur, wenn der Schulverein bestehen würde und die Waldorf-Astoria ihre Stiftungsbeträge möglichst hoch geben würde. Dann würden die Gelder in der Kasse des Vereins liegen. Es handelt sich darum, daß man genau müßte sagen können, wieviel die Waldorf zuschießen kann. Entweder in dem Modus, für jedes Kind wird so und so viel zugeschossen, oder eine bestimmte Summe, mit der gerechnet wird. Jetzt haben wir da eine Unklarheit.
Ik ben ervan overtuigd dat het voortzetten van het programma tot en met de achtste klas een kwestie van financiering is. Ik bedoel, hoeveel geld zit er in de kas van de schoolvereniging? Anders komen we nooit uit deze onduidelijke situatie. We zouden pas duidelijkheid hebben als de schoolvereniging zou bestaan en de Waldorf-Astoria zoveel mogelijk van haar vermogen zou bijdragen. Dan zou het geld in de kas van de vereniging zitten. Het probleem is dat je precies moet kunnen zeggen hoeveel de Waldorfschool kan bijdragen. Ofwel in de vorm van een specifiek bedrag dat per kind wordt bijgedragen, ofwel een vast bedrag dat in de berekening wordt meegenomen. Momenteel bestaat hierover enige onduidelijkheid.
Ich habe das Gefühl, nicht wahr, daß die Schule im ganzen ihre finanzielle Grundlage aus der Kasse der Waldorf-Astoria, vor allen Dingen aber in hohem Maße durch die Privatgaben von Herrn Molt hat. Das sind zwei Dinge, die im wesentlichen zu unterscheiden sind. Ich habe das Gefühl, daß Herr Molt auch finanziell die ganze Waldorfschule als Privatmann gegründet hat. Die Waldorf-Astoria Fabrik hat schon zu dem, was Herr Molt persönlich gemacht hat, einen Zuschuß gegeben, aber — ja vielleicht ist es nicht opportun —, aber es ist doch vor allen Dingen so, daß, nicht wahr, die Privatschatulle des Herrn Molt darinnensteckt in hohem Maße.
Ik heb het gevoel, hebt u dat ook niet, dat de school als geheel haar financiële basis ontleent aan de kassen van Waldorf-Astoria, maar vooral, voor een groot deel, aan de privédonaties van meneer Molt. Dat zijn twee dingen die we van elkaar moeten scheiden. Ik heb het gevoel dat meneer Molt de hele Waldorfschool ook als privépersoon financieel heeft opgericht. De Waldorf-Astoria-fabriek heeft weliswaar bijgedragen aan wat meneer Molt persoonlijk heeft gedaan, maar – ja, misschien is het niet zo handig – maar het is bovenal zo dat het privévermogen van meneer Molt er zwaar bij betrokken is.
Molt: Es ist nicht angenehm, darüber zu reden. Die Schule, die als solche eingetragen ist, ist mein Privatbesitz. Die Baukosten wurden von mir bestritten. Die Schule zahlt keine Miete. Für die anderen Schulbaracken kommen andereBeträge in Frage.
Molt: Het is niet prettig om erover te praten. De school, die als zodanig geregistreerd staat, is mijn privébezit. Ik heb de bouwkosten betaald. De school betaalt geen huur. Voor de andere schoolgebouwen gelden andere bedragen.
Dr. Steiner: Es ist ganz gut, daß es gewußt wird. Worunter wir leiden,das ist, daß eigentlich die Waldorf-Astoria als Firma ein bißchen sehrgut weggekommen ist bei der Inszenierung der Waldorfschule vor derWelt. Ich kann es nicht recht verantworten, der Waldorf-Astoria, dienicht einmal so ehrgeizig ist, als Trägerin der Schule zu gelten, dieseSache zuzugestehen, daß sie der ganzen Schule die Ehre gibt, wäh-
Het is goed dat dit bekend is. Waar we onder lijden, is dat de Waldorf-Astoria als bedrijf er eigenlijk iets te goed vanaf is gekomen in de manier waarop de Waldorfschool aan de wereld is gepresenteerd. Ik kan het niet helemaal rechtvaardigen om de Waldorf-Astoria, dat niet eens ambitieus genoeg is om als sponsor van de school te worden beschouwd, dit voorrecht te verlenen, wat de hele school eer zou geven, terwijl
Blz. 188
rend Herr Molt als Person es doch getan hat. Man könnte höchstensdavon sprechen, daß die Waldorf Mitglied des Schulvereins war. Gewiß, wenn heute Leute von auswärts Kinder herschicken wollen, so ist es richtig, daß sie nicht nur zur vollständigen Erhaltung des Kindes, sondern auch zum Teil etwas für das, was Bänke sind, was innere Einrichtung ist, beitragen. Aber dieses, was vollständig gerechtfertigt ist, muß kompensiert werden dadurch, daß man die Sache nicht zu einer Stuttgarter Angelegenheit macht. Die Leute werden wissen, wir brauchen nicht mehr so viel zu bezahlen, wenn eseine Weltangelegenheit ist.
meneer Molt het als persoon toch heeft gedaan. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat Waldorf lid was van de schoolvereniging. Natuurlijk, als mensen van elders hun kinderen hierheen willen sturen, is het terecht dat ze niet alleen bijdragen aan het volledige onderhoud van het kind, maar ook gedeeltelijk aan de kosten van de schoolgebouwen en de inrichting. Maar dit, wat volkomen terecht is, moet worden gecompenseerd door er geen Stuttgart-kwestie van te maken. Mensen zullen begrijpen dat ze niet zoveel hoeven te betalen als het een wereldwijde aangelegenheid is.
X.: Es würde sich um ein Schulgeld handeln von 1000 Mark. Jedes Kind kommtuns jetzt auf 1000 Mark.
X.: Het zou een schoolgeld van 1000 mark zijn. Elk kind kost ons nu 1000 mark.
Dr. Steiner: Wenn wir nur herausbekommen, daß die WaldorfAstoria-Fabrik für die Kinder ihrer Betriebsangehörigen diesen Beitrag bezahlt, dann würde uns damit wenig gedient sein, weil wir nicht in der Lage wären, abgesehen von Beiträgen von außen, andere Kinder aufzunehmen. Es muß doch gerade weiterhin Grundsatz sein, Kinder aufzunehmen, die das Schulgeld nicht bezahlen können. Selbstverständlich leidet die Schule dadurch, daß sie eine Kapitalistenschule wird, abgesehen von Kindern aus der Waldorf-Astoria.
Als we weten dat de Waldorf Astoria-fabriek dit bedrag betaalt voor de kinderen van haar werknemers, schieten we daar niet veel mee op, omdat we dan geen andere kinderen meer kunnen opnemen, behalve via externe bijdragen. Het moet een fundamenteel principe blijven om kinderen aan te nemen die het schoolgeld niet kunnen betalen. Uiteraard lijdt de school eronder dat ze een school voor kapitalisten aan het geworden is, afgezien van de kinderen die afkomstig zijn van de Waldorf Astoria-fabriek.
Die Dinge können vertreten werden vor der Welt. Ich war längst dafür, daß man in der Schweiz vertreten würde, daß wenn jeder Schweizer eine einzige Mark geben würde für den Dornacher Bau, so würden wir den Bau glänzend zu Ende führen. Nicht wahr, wenn man das in möglichst starker Weise den Leuten sagen würde, dann würden sie einsehen, wie man eine Sache zu einer allgemeinen Sache macht auf die Weise, daß wir arme Kinder aufnehmen, daß aber ein Reicher das Schulgeld bezahlt. Ich wollte das vorher bloß sagen, daß das Schulgeld der fremden Kinder nicht bestimmt werden kann nachdem, was fehlt. Daher werden wir immer versuchen müssen, von derÖffentlichkeit das Geld zu bekommen. Nun ja, nicht wahr, das ist die eine Sache, die so nur geregelt werden sollte, daß für jedes arme Kindirgendein Reicher das Schulgeld bezahlt. Haben wir die Einrichtung der Patenschaften im Waldorfschulverein?
Dingen kunnen aan de wereld worden gepresenteerd. <2> Ik ben er al lange tijd voorstander van om in Zwitserland te benadrukken dat als elke Zwitserse burger één mark zou bijdragen aan het bouwproject in Dornach, we het tot een schitterend einde zouden brengen. Is het niet zo dat als dit zo duidelijk mogelijk aan de mensen wordt gecommuniceerd, ze zouden begrijpen hoe ze iets tot een gemeenschappelijk goed kunnen maken, door arme kinderen toe te laten terwijl een rijk persoon het schoolgeld betaalt? Ik wilde er alleen van tevoren op wijzen dat het schoolgeld voor kinderen uit andere landen niet kan worden bepaald door wat er ontbreekt. Daarom zullen we altijd moeten proberen het geld van het publiek te krijgen. Is dat niet juist wat we zo zouden moeten regelen dat voor elk arm kind een rijk persoon het schoolgeld betaalt? Hebben we sponsoring ingesteld binnen de Waldorf School Vereniging? <2>
X.: Ich habe gedacht, daß 1000 Mark der Beitrag sein soll für ein Mitglied, dasPate wird. Es sind noch nicht viele Paten gekommen.
X: Ik dacht dat 1000 mark de bijdrage zou moeten zijn voor een lid dat sponsor wordt. Er hebben zich nog niet veel sponsors gemeld.
X.: Es sollten Bausteine gegeben werden für die Waldorfschule.
X: Bouwstenen zouden beschikbaar moeten worden gesteld voor de Waldorfschool.
Dr. Steiner: Man kann natürlich auch das machen. Die Sammeltätig-
Dr. Steiner: Natuurlijk, dat is ook mogelijk. De verzamelactiviteit
Blz. 189
keit ist eine gute Arbeit. Natürlich, wenn wir den Leuten sagen, sie können kleine Beiträge geben, so werden sie kleine Beiträge geben. Die Mitglieder sollten sammeln gehen. Die Hauptfrage ist offenbar die Begründung des Weltschulvereins. Alles andere müßte sich an diese Hauptfrage anschließen. Aber ich habe noch immer nicht gehört, wieviel eigentlich der Waldorfschulverein in der Kasse hat. Das hätte ich gerne gewußt.
is goed werk. Natuurlijk, als we mensen vertellen dat ze kleine bijdragen kunnen geven, zullen ze ook kleine bijdragen geven. De leden zouden donaties moeten gaan inzamelen. De belangrijkste vraag is uiteraard de stichting van de Wereldschoolvereniging. Al het andere zou uit deze hoofdvraag moeten voortvloeien. Maar ik heb nog steeds niet gehoord hoeveel geld de Waldorfschoolvereniging daadwerkelijk in kas heeft. Dat zou ik graag willen weten.
X.: 60 000 bis 80 000 Mark.
X: 60.000 tot 80.000 mark.
Dr. Steiner: Das ist gewissermaßen, was in der Kasse ist.
Dat is ongeveer wat er in de kas zit.
X.: Was von der Waldorf ist, das ist ein Jahresbetrag von 170 000 Mark.
X: Wat van Waldorf komt, is een jaarlijks bedrag van 170.000 mark.
Dr. Steiner: Wird man auf solche Stiftungen in den kommenden Jahren rechnen können?
Dr. Steiner: Kunnen we de komende jaren op zulke toelagen blijven rekenen?
Molt: Wenn das Wirtschaftsleben nicht zusammenbricht. Der Beitrag wird auf200 000 hinaufgehen.
Molt: Als de economie niet instort. Dan zal de bijdrage stijgen naar 200.000.
Dr. Steiner: Und wenn er es nicht tut?
Dr. Steiner: En als dat niet gebeurt?
Molt: Dafür bin ich an der Spitze des Unternehmens, um genügenden Einflußauf die Sache zu nehmen.
Molt: Daarom sta ik aan de top van het bedrijf, om voldoende invloed te hebben op de zaak.
Dr. Steiner: Das wären die Kosten, die der Waldorf erwachsen. Wir haben so viel begüterte Eltern, die entsprechende Beiträge leisten könnten, die können nicht von der Waldorf verlangen, daß sie große Beträge gibt. Deshalb muß an diese Menschen herangetreten werden, die Interesse haben an der Schule, wenn das Interesse nicht verdunstet, sobald sie die Taschen aufmachen sollen. Dann ist es besser, die Kinder bleiben weg. Wir sind nicht da, bloß um die Kinder aufzunehmen, weil die Schule näher liegt. Das wird sich erproben in den nächsten acht Tagen. Wenn sie es nicht tun, dann werden wir die Anmeldungen rückgängig machen. Es werden sich die Geister scheiden. Wenn man sagt: Wir verstehen unter einer Einheitsschule dasjenige, daß keiner etwas bezahlt, daß alle gleich sind, gegen dies habe ich nichts. Wir brauchen es nicht zur Ehre anzurechnen, daß Ministerkinder da sind, aber daß auch künftig die Kinder der Wohlhabenden neben den Kindern der Armen sitzen. Vielleicht könnte es noch gelingen, über die Frage des Weltschulvereins zu einer gewissen Klarheit zu kommen. Bei all diesen Dingen darf nicht vergessen werden: wir haben große Schwierigkeit, unmittelbar Gelder zu bekommen für den Bau in Dornach. Wir werden geringere Schwierigkeiten haben, namentlich in Amerika, für die Begründung von Schulen. Wir haben die allergeringste Schwierigkeit,
Dat zouden de kosten zijn die Waldorf zou maken. We hebben zoveel rijke ouders die een overeenkomstige bijdrage zouden kunnen leveren; ze kunnen niet verwachten dat Waldorf grote bedragen geeft. Daarom moeten we deze mensen benaderen die geïnteresseerd zijn in de school, mits die interesse niet verdwijnt zodra ze hun portemonnee moeten trekken. Dan is het beter als de kinderen wegblijven. <3> We zijn hier niet alleen om kinderen op te nemen omdat de school dichterbij is. Dit zal de komende acht dagen blijken. Als ze niet geïnteresseerd zijn, annuleren we de inschrijvingen. De meningen zullen verdeeld zijn. Als iemand zegt: “Wij verstaan onder een brede school dat niemand iets betaalt, dat iedereen gelijk is”, dan heb ik daar geen bezwaar tegen. We hoeven het niet als een eer te beschouwen dat de kinderen van de minister hier zitten, maar het is belangrijk dat in de toekomst de kinderen van rijke ouders naast de kinderen van arme ouders zitten. <3> Misschien is er nog wel een mogelijkheid om duidelijkheid te krijgen over de kwestie van de Wereldschoolvereniging. Met dit alles in het achterhoofd mogen we niet vergeten dat we grote moeite hebben om direct financiering te verkrijgen voor de bouw in Dornach. We zullen minder problemen ondervinden, met name in Amerika, voor het oprichten van scholen. We hebben niet de minste moeite
Blz. 190
wenn man Sanatorien begründen will. Die Menschen verstehen, daß man ein Sanatorium braucht, sie verstehen weniger, daß man Schulen braucht, aber sie verstehen nicht, daß man die Grundlage von allem braucht, daß man den Dornacher Bau braucht.
met het stichten van sanatoria. Mensen begrijpen dat je een sanatorium nodig hebt, ze begrijpen minder dat je scholen nodig hebt, maar ze begrijpen niet dat je de basis van alles nodig hebt, dat je het gebouw in Dornach nodig hebt.
X.: Dann muß man das Sanatorium verbinden mit der Schule.
X: Dan het sanatorium maar met de school combineren.
Dr. Steiner: Unsere Schulen sind anders gebaut, das können wir nicht zum Ausdruck bringen. Oder wir gründen einen Weltverein der ganz jungen Invaliden. „Gesundheitsschule”, das würde mehr ziehen. Das wird aber nicht gehen. Es würde sich nur darum handeln, in der Propaganda die Dinge zu verbinden, daß man einen gemeinsamen Fonds hat, daß man auf der einen Seite Sanatorien macht und auf der anderen Seite eine Schule. Wir müssen, wenn wir Schulen begründen wollen, dem Verein das Recht geben, daß er auch das Geld für Dornach verwendet. Sonst wird der Verein ein Kontraverein für Dornach, der jedes Zuweisen aufsaugt. Wenn wir die Eurythmie umgestalten zur Heileurythmie, dann kriegen wir sehr bald ein Sanatorium. Ich werde im kleinen, bescheidenen Maßstabe den Versuch machen, um etwas zu zeigen. Ich bin gebeten worden, ob nicht etwas als Heileurythmie gemacht werden kann. Ich werde diesen Versuch machen. Sie werden sehen, da werden alle Leute kommen. Wir müssen schon die Schule als solche als staatslose Schule, die aus dem freien Geistesleben geschaffen ist, betonen.
Onze scholen zijn anders gebouwd; daar kunnen we geen vorm voor vinden. Of we stichten een wereldwijde vereniging van zeer jonge mensen met een beperking. “Gezondheidsschool”—dat zou aantrekkelijker zijn. Maar dat werkt niet. Het zou alleen een kwestie zijn van dingen aan elkaar koppelen in de propaganda, van een gemeenschappelijk fonds hebben, van enerzijds sanatoria bouwen en anderzijds een school. Als we scholen willen oprichten, moeten we de vereniging het recht geven om het geld ook voor Dornach te gebruiken. Anders wordt de vereniging een tegenorganisatie van Dornach, die elke toewijzing opslokt. Als we euritmie omvormen tot therapeutische euritmie, hebben we al snel een sanatorium. Ik zal het op kleine, bescheiden schaal proberen, om iets te tonen. Mij is gevraagd of er iets gedaan kan worden met therapeutische euritmie. Ik ga het proberen. U zult het zien, iedereen zal komen. <4> We moeten benadrukken dat de school zelf een staatloze school is, ontstaan uit een vrij geestesleven leven.
X.: Man sollte konkrete Vorschläge machen zum Weltschulverein. Man sollte,ehe man an die Öffentlichkeit tritt, abwarten, wie das wirkt, was versucht ist. Jetzt sollte man nicht den Eindruck entstehen lassen, daß man nicht weiterkann.
X.: We moeten concrete voorstellen doen voor de Wereldschoolvereniging. Voordat we naar buiten treden, moeten we afwachten hoe het initiatief wordt ontvangen. Nu moeten we niet de indruk wekken dat we niet verder kunnen.
Dr. Steiner: Wir haben so viel Anmeldungen, daß wir nur dann dieseAnmeldungen entgegennehmen können, wenn wir mehr Beiträge bekommen. Haben Sie den Eindruck, daß der Aufruf so klingt, als ob wir Gefühle des Versagens haben? Ich wollte hervorrufen, daß von der Lehrerschaft betont wird, daß etwas erreicht worden ist mit der Schule, wofür sich die Öffentlichkeit interessieren kann, um beizutragen aus einem allgemeinen Interesse heraus. Die zahlreichen Anmeldungen sind betont worden. Es schien mir wichtig, daß man mit den Zahlen aufwartet. Jetzt sind hundert da, die wir nicht aufnehmen könnten, wenn wir nicht Mittel bekommen. Ich würde vorschlagen, daß man in einem sehr guten Aufruf hinschreiben würde: Es strömen uns die Kinder zu! — Dann würde ich vorschlagen, daß es jedenfalls ein Lehrer vorbringt, weil es viel mehr Eindruck macht. Nun müssen wir den Modus finden, daß uns nicht die Menschen
We hebben zoveel aanvragen dat we die alleen kunnen accepteren als we meer bijdragen ontvangen. Krijgt u de indruk dat de oproep klinkt alsof we ons verloren voelen? Ik wilde het onderwijspersoneel aanmoedigen om te benadrukken dat er iets bereikt is met de school, iets waar het publiek in geïnteresseerd kan zijn en waaraan het uit algemene interesse kan bijdragen. Het grote aantal aanvragen is benadrukt. Het leek me belangrijk om de aantallen te presenteren. Er zijn er nu honderd die we niet zouden kunnen accepteren als we geen financiering zouden ontvangen. Ik zou willen voorstellen dat een zeer goede oproep zou moeten luiden: Kinderen stromen naar ons toe! — En ik zou willen voorstellen dat ten minste één leraar dit punt aanhaalt, omdat het een veel sterkere indruk maakt. Nu moeten we een manier vinden om ervoor te zorgen dat mensen niet tegen ons
Blz. 191
sagen: Nun ja, wenn die Kinder zuströmen, dann sollen es auch die Eltern der Kinder bezahlen. — Es ist eine prinzipielle Sache, daß wir nicht von jedem Schulkind das Schulgeld bezahlen lassen können. Deshalb sind die Schwierigkeiten, die darin beruhen, daß wir Kinderaufnehmen, die nicht Schulgeld bezahlen.
zeggen: Nou, als de kinderen massaal komen opdagen, dan moeten de ouders van de kinderen betalen. — Het is een principekwestie dat we niet elk schoolkind schoolgeld kunnen laten betalen. Daarom hebben we moeite met het toelaten van kinderen die geen schoolgeld betalen.
X. stellt den Antrag, daß Heydebrand und Hahn den Aufruf im Sinne desEntwurfs ausarbeiten, und daß es heute abend vorgebracht wird.
X. Stelt voor dat Heydebrand en Hahn de oproep opstellen conform het concept en dat het vanavond wordt gepresenteerd.
Dr. Steiner: Ich habe nichts dagegen, weil es keine Versammlung ist. Es kann gemacht werden. Mir scheint, es müßte schärfer herausgearbeitet werden, so daß etwas Bestimmtes ins Bewußtsein der Menschen fällt. Eine solche offizielle Erklärung scheint mir nicht gegen eine Privatwerbung zu wirken. Es ist vielleicht gut, in voller Öffentlichkeit aufzutreten. Es liegt der Antrag vor, daß die Sache nochmals vertagt wird, daß man mit geladenen Revolvern kommt. Ist dagegen etwas zu sagen? Wenn Sie heute noch eine Sitzung unter sich, unter irgend jemand von sich aus berufen wollen, so bitte ich das zu tun; ich kann am Nachmittag nicht.
Ik heb geen bezwaar, want het is geen openbare vergadering. Het kan. Het lijkt me alleen dat het duidelijker geformuleerd moet worden, zodat er iets concreets bij de mensen doordringt. Zo’n officiële verklaring lijkt me geen tegenwicht te bieden aan particuliere reclame. Het zou goed zijn om het in het openbaar te presenteren. Er is een motie om de zaak opnieuw uit te stellen, om met ‘geladen revolvers’ te komen. Is daar bezwaar tegen? Als u vandaag een vergadering wilt beleggen, onderling of met iemand anders, doe dat dan gerust; ik ben vanmiddag niet beschikbaar.
X. fragt nach dem Lehrplan der 9. Klasse und nach der Errichtung eines Internats. Es liegen verschiedene Vorschläge vor von Persönlichkeiten, die Kinder aufnehmen würden, um sich eine Existenz zu gründen, oder die sie nebenher aufnehmen würden. Dann die Frage der Reifeprüfung.
X. informeert naar het leerplan voor de negende klas en de oprichting van een internaat. Er zijn verschillende voorstellen ontvangen van personen die kinderen willen opnemen om zich een inkomen te verschaffen of om hen erbij te nemen. Dan is er nog de kwestie van het eindexamen.
Dr. Steiner: Was den Lehrplan der 9. Klasse betrifft, so ist das eine eminent pädagogische Frage, etwas, was ganz gewiß vorliegen wird im Beginne des nächsten Schuljahres, was verbunden sein würde mit einem Kurs von fünf bis sieben neuen Vorträgen, die aufgesetzt werden müssen. Der würde dann für das Lehrerkollegium am Anfang des Schuljahres zu halten sein. Das eigentliche, das lehrplanmäßige Einrichten der 9. Klasse, das ist etwas, was einen fünf- bis sechstägigen Kurs notwendig machen würde. Insofern würden wir die pädagogische Ordnung vertagen können bis zum Beginn des nächsten Schuljahres. — Wir müssen uns nur klar werden über die Besetzungsfragender einzelnen Klassen. Dann ist da die Frage der Reifeprüfung. Das ist eine nicht ganz leichte Sache aus dem Grunde, weil wir dadurch, daß wir auf die staatliche Anerkennung unserer Mittelschule hinarbeiten, ja eigentlich unserem Prinzip untreu werden. Wir bringen uns in Abhängigkeit vom Staate. Wir haben nicht mehr das Recht, von einer staatsfreien Schule zu reden. Wir bleiben nur treu, wenn wir die Kinder einfach darauf verweisen, daß sie sich einfach prüfen lassen müssen,
Wat betreft het leerplan voor de negende klas, dit is een cruciale pedagogische kwestie, iets dat zeker aan het begin van het volgende schooljaar aan de orde zal komen. Dit zou een cursus van vijf tot zeven nieuwe voordrachten vereisen, die vervolgens aan het begin van het schooljaar voor het docententeam zou worden gegeven. De daadwerkelijke implementatie van het leerplan voor de negende klas vereist een cursus van vijf tot zes dagen. In dit opzicht zouden we de pedagogische regelingen kunnen uitstellen tot het begin van het volgende schooljaar. We moeten alleen nog de personeelsbezetting voor de afzonderlijke klassen regelen. <5> Dan is er nog de kwestie van het eindexamen. Dit is geen eenvoudige zaak, want door te streven naar staatserkenning van onze middelbare school verraden we in feite ons eigen principe. We maken onszelf afhankelijk van de staat. We hebben niet langer het recht om te spreken van een staatsvrije school. We blijven alleen trouw aan onze principes als we de kinderen simpelweg laten weten dat ze een test moeten ondergaan,
Blz. 192
falls sie eine Staatsanstellung wollen; daß sie sich prüfen lassen müssen auf einer Staatsschule, die ihnen das Recht gibt, eine Universität zu besuchen. Sobald wir mit dem Staate zu verhandeln anfangen, begeben wir uns in seine Abhängigkeit. Er wird wahrscheinlich auch die Bedingung stellen, daß irgendein staatlich modellierter Studienrat auch bei unserer Abgangsprüfung erscheinen soll. Die dürfen wir nicht in die wirkliche substantielle Einrichtung hineinlassen. Wenn sie die Schule anschauen wollen, da mögen sie es tun, wenn sieherumlungern. Aber in wirkliche Verhandlungen können wir uns nicht einlassen. Wir werden nicht untreu, wenn sich die Kinder, die doch in Abrahams Schoß zurückkehren, staatlich prüfen lassen. Einen wirklichen Sinn hat die Begründung der 9. Klasse nur dann, wenn wir die Begründung einer vollständig freien Hochschule in Aussicht nehmen. Es hat nur einen Sinn, wenn wir eine freie Hochschule zu gleicher Zeit in Aussicht nehmen, und dann kann es uns egal sein, wie diese Reifeprüfung entschieden wird. Dann wird nur die Hochschulberechtigungsfrage in Aussicht genommen werden müssen. Das ist eine solche Frage, die wir vertagen. Bis dahin werden sich die Verhältnisse geändert haben, daß man einer solchen Hochschule dieAnerkennung versagen kann.
als ze een baan bij de overheid willen; dat ze een examen moeten afleggen op een staatsschool, wat hen recht geeft op een universitaire opleiding. Zodra we met de staat gaan onderhandelen, worden we ervan afhankelijk. Waarschijnlijk zal de staat ook bepalen dat er een door de staat opgeleide leraar aanwezig moet zijn bij onze eindexamens. We mogen ze niet toelaten in de eigenlijke, inhoudelijke instelling. Als ze de school willen bekijken, mogen ze dat doen als ze willenrondhangen. Maar we kunnen niet echt onderhandelen. We worden niet ontrouw als de kinderen, die uiteindelijk terugkeren naar Abrahams schoot, staatsexamens afleggen. <5> De invoering van de negende klas heeft alleen echt zin als we de oprichting van een volledig vrije universiteit voor ogen hebben. Het heeft alleen zin als we tegelijkertijd een vrije universiteit voor ogen hebben en dan maakt het ons niet uit hoe dit eindexamen wordt bepaald. Dan hoeven we alleen nog maar de kwestie van de toelatingseisen voor de universiteit te overwegen. Dat is een kwestie die we zullen uitstellen. Tegen die tijd zullen de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat dat men een dergelijke universiteit de erkenning kan weigeren.
Die Frage des Internats ist etwas, was wünschenswert ist. Sie hängt zusammen mit der Aufnahme von auswärtigen Schülern. Es wäre sehr schön. Alle Leute reden davon, daß sie ihre Kinder hierherschicken würden. Wir kriegen gleich die zwei (X.)-Buben aus Dornach. Uns sind sie vorläufig auf den Dächern herumgetanzt. Sie können das Tanzen fortsetzen auf der Nase der Internatsleitung. Das wird ja verlockend sein.
De vraag naar een internaat is wenselijk. Het hangt samen met de toelating van leerlingen van buiten de regio. Dat zou heel mooi zijn. Iedereen praat erover om hun kinderen hierheen te sturen. We krijgen de twee (X.) jongens uit Dornach meteen. Tot nu toe hebben ze ons flink te pakken genomen. Ze kunnen hun streken gerust voortzetten, recht voor de neus van de internaatsleiding. Dat zal verleidelijk zijn.
Es wird gefragt, in welcher Farbe die Bänke angestrichen werden sollen.
<6> De vraag rijst welke kleur de banken moeten krijgen.
Dr. Steiner: Das kann wohl gemacht werden, das Anstreichen derBänke. Ein lila Anstrich; bläulich, hell. Das kann mit gewöhnlichenFarben geschehen. Die Dornacher Farben können aus geldlichenGründen nicht realisiert werden. Ich habe eine Mappe aus Dornach mitgebracht. Es handelt sichdarum, daß in Dornach eine kleinere Anzahl von Kindern von HerrnB. in dieser Weise sehr gut vorwärts gebracht worden ist. Es sindZeichnungen, die die Kinder so gemacht haben, daß ihnen eigentliche Motive gegeben worden sind, und es kommt dabei die Individualität der einzelnen Kinder gut heraus. Wenn wir auf eine Stunde zusammenkommen, dann werde ich Ihnen diese Mappe suchen und auseinandersetzen. Es ist immerhin wichtig, wenn Sie daran denken,
Dat kan zeker, de banken schilderen. Paars, blauwachtig, licht. Dat kan met gewone verf. De kleuren van Dornach kunnen om financiële redenen niet gebruikt worden. <6> Ik heb een map uit Dornach meegenomen. Die gaat over het feit dat een klein aantal kinderen in Dornach op deze manier zeer succesvol ondersteund is door meneer B. Het zijn tekeningen die de kinderen hebben gemaakt, waarbij ze specifieke motieven kregen en de individualiteit van elk kind duidelijk naar voren komt. Als we elkaar een uur spreken, zal ik deze map voor u opzoeken en doornemen. Het is belangrijk dat u eraan denkt
Blz. 193
etwas zu veröffentlichen. Die kleine G. W. hat mir gesagt, als ich ihr erzählte: „Eure Zeichnungen werden wir in der Waldorfschule zeigen”: „Jetzt modellieren wir auch schon.” Es sind die Individualitäten der Kinder ganz famos zum Ausdruck gekommen. Ich denke nicht daran, das zu einer Norm zu machen. Ein anderer mag es anders machen, aber man kann daran viel lernen. Was B. will, ist, daß er denKindern das eine oder andere erzählt; dann läßt er sie, nachdem erihnen ganz spärliche Anleitungen gegeben hat, einfach nach ihren Ideen das, was er erzählt hat, in Formen zum Ausdruck bringen. Das haben die Kinder untereinander besprochen. Am Nachmittag fand dann eine Besprechung statt in einem erweiterten Kreise, ohne Dr. Steiner, über die Möglichkeiten, Geld zu beschaffen und über die Gründung des Weltschulvereins. Am Abend war ein öffentlicher VortragDr. Steiners: „Wer darf gegen den Untergang des Abendlandes reden? (Eine Gegenwartsrede.)”
om iets te publiceren. Toen ik tegen de kleine G.W. zei: “We laten je tekeningen zien op de Waldorfschool”, zei ze: “Nu zijn we al aan het boetseren.” De individualiteit van de kinderen kwam prachtig tot uiting. Ik wil hier geen norm van maken. Iemand anders doet het misschien anders, maar er valt veel van te leren. Wat B. wil, is dat hij de kinderen iets vertelt; vervolgens, na hen zeer summiere instructies te hebben gegeven, laat hij hen gewoon uitdrukken wat hij hen heeft verteld in vormen die aansluiten bij hun eigen ideeën. De kinderen bespraken dit onderling.
’s Middags vond er een bijeenkomst plaats in een bredere kring, zonder Dr. Steiner, over de mogelijkheden om geld in te zamelen en over de oprichting van de Wereldschoolvereniging. ’s Avonds was er een openbare lezing van Dr. Steiner: “Wie mag zich uitspreken tegen het verval van het Westen? (Een toespraak uit die tijd.)”GA 335/214. Niet vertaald.