VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (95)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

KLEIN SLAAPDIERENBOEK

In vergelijking met veel kinderboekillustraties die m.i. voor het jonge kind niet mooi genoeg zijn, is wat Loes Botman schept, dat wél.
Ik weet het, over de vorm van illustreren is veel discussie mogelijk, maar voor
mij geldt toch in hoge mate: voor het jongste kind is het beste niet goed genoeg. Immers: de zich nog sterk ontwikkelende zintuigen nemen de wereld in zich op: de wereld van kleur en vorm zoals die in de wereld verschijnen – zonder ons toedoen. Waarom dan schreeuwende kleuren en karikaturale vormen?
De kunstzinnige afbeeldingen van Loes Botman zijn een weldaad voor het jonge kinderoog, denk ik.
Er is geen tekst, dus je moet als (groot)ouder zelf vertellen. En aanwijzen. Ieder die het ervaren heeft, weet dat er bijna niets fijners bestaat dan zo samen te zijn met je (klein)kind.
Gouden ogenblikken!
En wat betekent aandacht

.

Loes Botman heeft het jonge kind nog meer prachtige boekjes geschonken:

Loes Botman

Uitgeverij Christofoor

Rond 2 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbespreking: alle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3305-3111

,

,

,

VRIJESCHOOL – 1e klas – schilderen (3-2)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 39-41

Wanneer de schrijvers verder gaan met wát je dan kan schilderen in de verschillende klassen, geven ze dat hoofdstuk de naam:

Farbklänge = letterlijk ‘kleurklank’. Eigenlijk wel een mooi woord voor wat de kleuren laten zien; vergelijkbaar met ‘klankkleur’: wat hoor je in of met de verschillende klanken bij muziek of bij spraak.
(Dit artikel en [3-3]

Austauschübungen = het ‘verwisselen’ van kleur: van de kern naar de periferie
Artikel [3-3

Farbgeschichten = kleurverhalen

Eerst wordt er aandacht besteed aan wat Rudolf Steiner in de inleidende cursus, GA 294, vertaald: Opvoedkunst, zegt in voordracht 4

Nog voordat de eigenlijke schilderles begint, moeten de kinderen in een eerste klas kennismaken met het kleurenpaar

geel en blauw

Verwezen wordt naar genoemde voordracht. En in eigen herhaald:
Een groot vel papier op het schoolbord, schilder bovenaan een gele stip. Alle kinderen doen dat nu: in rijen naast elkaar een gele stip.
Dan nog een blauwe stip naast de gele, en ongeveer de helft van de klas tekent ook blauwe stippen naast de gele bovenaan.
Na een korte pauze doop je zelf de penseel in groene verf, die in dit geval al voorgemengd is, en je schildert een groen vlak naast een van de gele vlakken op de onderste helft van het vel. Nu kunnen de kinderen die nog niet aan de beurt zijn geweest ook groene vlakken schilderen naast de overgebleven gele. Zo heb je een paar rijen geel-blauw en evenveel geel-groene vlakken.

Alles moet rustig gebeuren en een bepaalde tijd duren, zodat het echt kan bezinken bij de kinderen. Nu wordt het geheel bekeken. Kijk naar geel-blauw en geel-groen en maak de kinderen erop attent dat geelblauw er helderder en dus mooier uitziet dan geel-groen. Groen bevat zelf geel, dus ‘de klank’ is minder uitgesproken.

‘We moeten vaker op dit fenomeen terugkomen. De kinderen moeten het niet onverschillig opvatten, ze moeten het juist blijven bestuderen en van zo’n voorbeeld leren om in hun gevoel geleidelijk “mooi” van “minder mooi” te onderscheiden.’

In het boek wordt nu aanbevolen om dit in de 1e schilderles waarin alle kinderen de spullen op hun tafel hebben (zie 1-1) als eerste te doen: met geel en blauw. Er wel op wijzen dat de kleuren niet door elkaar, maar naast elkaar moeten staan. En dan gaat ieder kind z’n gang.
Zie ook 1-1 hoe met een bespreking verder te gaan.
Daarbij mag veel worden benoemd: hoe de ene kleur krachtiger is dan de andere of juist andersom: de ene teder en voorzichtig. Waar is het duidelijk gelukt, waar minder. Uiteraard iets negatiefs vermijden.

In een 2e schilderles worden dan geel en groen gebruikt als vervolg op de 1e schilderles. Groen maken de kinderen nog niet zelf: voorlopig wordt er alleen gewerkt met de primaire kleuren. 
Na de bespreking kun je nog een bespreking houden waarin geel/blauw en geel/groen met elkaar worden vergeleken.

Als ik in lezingen of cursussen aan beginnende leerkrachten of nieuwe ouders dit onderwerp belichtte, was er vaak kritiek: hiermee zou je de kinderen beïnvloeden, niet vrij laten, zelfs manipuleren. Ieder moet toch zelf weten wat ie mooi of minder mooi vindt?
Dat we als volwassenen aan kinderen heel veel voorschrijven waarom dit wel en dat niet, is in zekere zin ook een vorm van niet vrij laten. Zeker, waarschuwen voor een gloeiende kookplaat is anders dan ‘blauw en geel is mooier’.
Hier gaat het toch niet in de eerste plaats om dogmatisch iets ‘voorschrijven’, maar om een gevoel op te roepen voor nuance, voor het karakteristieke van een kleur. Het uitgesprokene en het afgezwakte karakter.

Toen ik in de 3e klas een schilderoefening deed waarbij ik teruggreep op deze 1e klaservaring, was de opdracht om ‘Er zij licht’ naar de duistere aarde te brengen.
Het licht werd vertegenwoordigd door heldere geel; de duistere aarde door het pruisisch blauw. Toen die twee elkaar ontmoetten, ontstond er groen.
Toen riep een meisje ineens: ‘Nu weet ik waarom de natuur groen is’.
Die vrijheid die we menen te (moeten) hebben, heeft toch zijn beperking: de kleuren willen ook wat. Zich uitdrukken. En daarbij past van ons uit ook een zekere terughouding. 
Ja, we willen de kinderen ook iets laten ervaren van kleur, dat niet alles ‘een pot nat is’.

In de loop van het eerste schooljaar zijn er verschillende mogelijkheden om hier in aangepaste vorm op terug te komen. In de lente kan de kleur helder worden geschilderd, in de herfst krachtig, zodat de oefening varieert met de seizoenen.

Schilder nu een tijdje met de zogenaamde primaire kleuren geel, rood en blauw. Het is handig om naast geel ook karmijnrood en ultramarijnblauw te gebruiken. Je geeft ze geen thema, maar laat het ontwerpen over aan de kinderen. Juist in dit vroege stadium moeten ze op een vrije manier wennen aan de kleuren. De ervaring leert dat bij zo’n experiment allerlei figuratieve elementen, gele, rode en blauwe cirkels, kleinere en grotere kleurvlekken, vaak rasters en dergelijke ontstaan. Eén of twee kinderen schilderen ook maar één kleur of een tweetint. Zo’n tweekleurigheid kan bijvoorbeeld goed worden gebruikt in de nabespreking. Je kunt wijzen op de relatie tussen de kleuren onderling en misschien de volgende oefening hieraan koppelen voor alle leerlingen. Als er een van de afbeeldingen is met geel in het midden omringd door rood en blauw, kun je deze drieklank in de volgende les laten schilderen.

Omdat het niet om iets figuratiefs gaat, is het handig de kinderen te stimuleren grotere, gesloten vlakken te laten maken.

Zelf schilderde ik in de 1e klas vrij lang met de primaire kleuren en besteedde nog geen aandacht aan wat er aan mengkleuren ontstond. Eigenlijk begon ik dat veel bewuster te oefenen in klas 2.

In het boek gebeurt dit al na enkele weken: het pruisisch blauw wordt uitgedeeld en aansluitend bij de eerste oefeningen. Schilder dan a.h.w. de kleuren naar elkaar toe en laat ze elkaar ‘ontmoeten’.

Welk groen er ontstaat, hangt af van of het geel in het blauw wordt geschilderd of het blauw in het geel. Ultramarijn en karmijnrood kunnen op dezelfde manier worden gebruikt om violet te maken. De derde mengkleur, oranje, wordt gemaakt van karmijnrood en geel; het oranje van vermiljoen en geel is vuriger, maar dit wordt een beetje uitgesteld omdat vermiljoen iets te fel is.

Het is mogelijk met aquarelverf, m.n. op het vochtige papier, tot de mooiste nuanceringen te komen, naast de zuiver gehouden primaire kleuren. 
Juist om de bovengenoemde kritiek beter te begrijpen, heb ik de kinderen ook vrij gelaten – zonder opdracht – om alle kleuren te gebruiken, ook de mengkleuren die dan kunnen ontstaan.
En dan zie je dat dit ‘vrije’ in veel gevallen leidt tot enkel bruintinten.
De kinderen vinden dat – terecht – teleurstellend: ‘Waar zijn de mooie! kleuren nou gebleven?’
De beperking tot een paar kleuren, een gerichte opdracht geeft voor de kinderen een tevredener gevoel voor het resultaat dan wat de critici ‘onvrijheid’ noemen, zelfs dus manipulatie of indoctrinatie.

Als de kinderen de kleuren zelf op het papier gaan mengen, gebeurt dat meestal met de grootste aandacht. Het is telkens weer een soort wonder.
Dat hadden ze al wel gezien bij het schoonspoelen van de penseel in de waterpot, maar nu doen ze het zelf!

Daarbij is het belangrijk dat ze leren vóór ze bv. van blauw naar geel gaan, eerst grondig het blauw van de penseel weg te wassen. Zo niet, dan kleurt de verf in het gele potje binnen de kortste keren al groen en is het voor geel onbruikbaar geworden. (Je kan het nog in een aparte pot bewaren voor ‘later’, maar in wezen is het verspilling).
Het is een techniek die ook geoefend moet worden. 

Meer sprekende voorbeelden op deze site, ook allerlei aanwijzingen voor in de les.
.
Instructiefilmpje

Wordt vervolgd met ‘schilderen op gekleurd papier‘ 

.

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3304-3110

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden (GA 54)

.
Zie de inleiding bij GA 34 en  GA 57

In de aanwijzing die Rudolf Steiner geeft voor de vertelstof in de verschillende klassen, is wél sprake van ‘sprookjes’; van de fabel, maar niet van de legenden’; en voor de 4e klas is de aanwijzing ‘scènes uit de oude geschiedenis’.
Er wordt dus niet over mythologie gesproken. Dat geldt ook voor klas 5 en 6.
GA 295/19
Praktijk van het lesgeven/20

Als Caroline von Heydebrand in 1925 het dan geldende leerplan op schrift stelt, wordt er voor de 4e klas gesproken over: ‘Vertel- en leesstof voor deze klas vormen o.a. de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.’

Het lijkt er dus op dat deze Germaanse mythologie voor klas 4, de Griekse voor klas 5 en de Romeinse voor klas 6, ‘ineens’ in het leerplan staan.
Ik heb niet kunnen achterhalen waarom.

De leerkrachten ‘van het eerste uur’ waren allen bekend met antroposofie.
Het kan zijn dat sommige Steiners mededelingen over mythen en over de bewustzijnsontwikkeling van het kind gecombineerd hebben: op zeker ogenblik in zijn ontwikkeling moet het kind een stadium van bewustzijn doormaken dat ‘de mensheid’ ooit al doormaakte.
(Dit laatste wordt vaak m.i. foutief gebruikt als ‘het kind herhaalt de fasen van de mensheid’. Er wordt niet zomaar ‘iets herhaald’, er wordt iets op een bepaalde manier ‘doorgemaakt’: ontwikkeling van het bewustzijn.
(Zie artikelen daarover bij ‘Leerplan‘.

Hoe het ook zij: in de vrijescholen worden mythen verteld en Steiner heeft over die mythen en het ‘mythologisch bewustzijn’ vele mededelingen gedaan.

GA 54

Die Welträtsel und die Anthroposophie

De wereldraadsels en de antroposofie

Voordracht 15, Berlijn 8 maart 1906

Germanische und indische Geheimlehre

Het verborgen weten bij de Germanen en Indiërs

Steiner noemt in deze voordracht een boek van een goede vriend van hem (Ludwig Laistner) over ‘sagen’ en deze komt tot de conclusie dat ze uit een ‘droombewustzijn’ zijn ontstaan. Steiner onderschrijft dit.

Blz. 371

Er mußte daher darauf hindeuten, wie wichtige Bestandteile unserer Sagendichtung aus wirklichen Traumerlebnissen hervorgegangen sind.
Nun sind aber Traumerlebnisse nur Rudimente von einem andern Bewußtseinszustand. Diesen andern Bewußtseinszustand kann derjenige erreichen, der eine gewisse innere Entwicklung durchmacht. Derjenige, welcher diese Vorträge besucht hat, weiß, daß, wenn er gewisse Übungen durchmacht, geistig sich schult, er dann die sonst chaotische, ungeordnete Traumwelt verwandeln kann in eine ganz regelmäßige Welt, die ihm dann nicht bloß Teile der gewöhnlichen Wirklichkeit als Reminiszenzen zeigt, sondern ihn auch einführt in die höhere geistige Welt, die er dann herübernehmen kann in die Wirklichkeit. Das ist der höhere Bewußtseinszustand, das ist das astrale oder imaginative Bewußtsein. Es beginnt damit, daß das Traumerlebnis regelmäßig wird und daß der Mensch sich eines Tages darüber klar wird, daß er eine neue seelische Wirklichkeit erlebt. Dann kann er sich zu einer noch höheren, einer geistigen Wirklichkeit erheben. Daß der Mensch voraneilt

Daarom moest hij aangeven hoe belangrijke elementen van onze sagen voortkwamen uit echte droomervaringen.
Maar droomervaringen zijn slechts rudimenten van een andere staat van bewustzijn. Deze andere staat van bewustzijn kan bereikt worden door degenen die een bepaalde innerlijke ontwikkeling ondergaan. Degene die deze voordrachten heeft bijgewoond, weet dat als hij bepaalde oefeningen doorloopt, zichzelf spiritueel schoolt, hij dan de anders chaotische, ongeordende droomwereld kan transformeren in een heel geordende wereld, die hem dan niet alleen delen van de gewone werkelijkheid als reminiscenties laat zien, maar hem ook binnen leidt in de hogere spirituele wereld, die hij dan kan meenemen in de werkelijkheid. Dit is de hogere staat van bewustzijn, het astrale of imaginatieve bewustzijn. Het begint wanneer de droomervaring regelmatig wordt en de persoon zich op een dag realiseert dat hij een nieuwe spirituele realiteit ervaart. Dan kan hij nog verder komen, tot een nog hogere, een geestelijke wijsheid. Dat de mens nu al eerder

Blz. 372

seinen Mitmenschen, heute schon erreichen kann, was allen in der Zukunft beschieden sein wird, daß er hineinsehen kann in die geistig-seelische Welt, das war in gewisser Weise schon vorhanden in den vergangenen Zeiten. Denn des Menschen Entwicklung besteht darin, daß er von Bewußtseinsstufe zu Bewußtseinsstufe sich entwickelt. Dieses Bewußtsein, das der Mensch jetzt hat, wo er mit äußeren Sinnen wahrnimmt und mit dem Verstande die Sinneseindrücke bearbeitet, dieses Bewußtsein ist erst entstanden aus einem Bewußtsein, das nicht gleich, aber ähnlich war dem Traumbewußtsein. Nur war dieses Bewußtsein, welches ich in «Lucifer-Gnosis» genannt habe das traumartige BiIderbewußtsein, etwas dunkler. Der Mensch nahm aber nicht unmittelbare Abdrücke, sondern Sinnbilder wahr, und auch das, was im Leben vorging, drückte sich für den Menschen in Bildern aus.

kan bereiken wat in de toekomst voor iedereen is weggelegd, dat hij in de spirituele wereld kan waarnemen, was op een bepaalde manier al aanwezig in vroegere tijden.
Want de ontwikkeling van de mens bestaat erin dat hij zich ontwikkelt van het ene bewustzijnsniveau naar het andere.
Het bewustzijn dat de mens nu heeft, waarbij hij waarneemt met de uiterlijke zintuigen en de zintuiglijke indrukken verwerkt met het intellect, dit bewustzijn is alleen ontstaan uit een bewustzijn dat niet hetzelfde was, maar vergelijkbaar met droombewustzijn. Alleen was dit bewustzijn, [ ]  het droomachtige beeldbewustzijn, minder helder. De mens nam echter geen directe indrukken waar, maar beelden, en wat zich in het leven afspeelde werd voor de mens ook in beelden uitgedrukt.

Der Mensch hat dieses Bewußtsein verloren und dagegen das klare Tagesbewußtsein erkauft. Damals hatte er nicht das heutige klare Bewußtsein. Er konnte nicht mit den Sinnen wahrnehmen, auch nicht das Tageslicht schauen. Er hat dieses Bewußtsein in Finsternis hinuntersinken sehen müssen, um das heutige Bewußtsein des hellen Tages zu erreichen. In der Zukunft wird er ein Bewußtsein erreichen, wo er beides haben wird, das Bilderbewußtsein, das ihn in die seelische Welt hineinführt, und das helle, klare Tagesbewußtsein daneben. Das ist der Inhalt aller Geheimlehren, der allen Kulturen zugrunde liegt.
So vermag der Mensch hineinzublicken in eine Zeit, in der er sich sagen kann, damals habe ich die Weit um mich gesehen als eine Welt des Seelischen. Sie bewirkte in mir ein bildhaftes Bewußtsein. Das war innerlich hell und klar. Keine äußere Sonne schien dem äußeren Auge, aber ein inneres Licht beleuchtete das Seelische ringsherum, und dieses innere Licht ist hinuntergestiegen in die Finsternis, und

De mens verloor dit bewustzijn en daar kreeg hij het heldere dagbewustzijn voor in de plaats. Toen had hij niet dat heldere dagbewustzijn. Hij kon niet waarnemen met zijn zintuigen, noch kon hij het licht van de dag zien.* Hij moest dit bewustzijn in duisternis zien verzinken om het huidige bewustzijn van de heldere dag te bereiken.**
In de toekomst zal hij een bewustzijn bereiken waar hij beide zal hebben, het bewustzijn van beelden dat hem naar de spirituele wereld leidt, en het heldere, dagbewustzijn ernaast.
Dit is de inhoud van alle geheime leringen, die ten grondslag ligt aan alle culturen.
Zo is de mens in staat om naar een tijd te kijken waarin hij tegen zichzelf kan zeggen: In die tijd zag ik de wereld om me heen als een wereld van de ziel. Het bracht een beeldend bewustzijn in mij teweeg. Het was innerlijk helder en duidelijk. Geen uiterlijke zon scheen op het uiterlijke oog, maar een innerlijk licht verlichtte de geestelijke wereld om mij heen, en dit innerlijke licht daalde neer in de duisternis, en

*Steiner doelt hier waarchijnlijk op Atlantis – in de Germaanse mythologie ‘Neveloord, Niflheim.
**En hier op de Dag Ragnarok.

Blz. 373

das äußere Licht, das der Mensch mit den äußeren Sinnen wahrnimmt, ist aufgestiegen. Wie von allen Dingen Reste, Rudimente zurückbleiben, so sind bei denjenigen Bevölkerungsschichten, die mehr zurückgeblieben sind, die nicht so sehr ihren Verstand geschärft haben, nicht so sehr das zurückgedrängt haben, was ihnen das Bilderbewußtsein geantwortet hat, die weniger kombinierend, weniger verständig sind, noch jetzt Reste jenes uralten Bewußtseins vorhanden. So ist ihr Traumbewußisein viel heller. Da erleben sie nicht nur chaotische Träume, sondern sie erleben auch höhere Wahrheiten, über die sie sich vielleicht nicht richtig Rechenschaft geben können. Sie erleben genauso wie der Hellseher, und sie erleben, wenn das innere Bewußtsein erwacht ist, eine ganz andere seelische Welt. Sie lernen dort Wesenheiten kennen, die es hier nicht gibt und die eine gewisse Beziehung haben zu des Menschen innerer Natur. Dem gewöhnlichen Volk ist es mehr oder weniger klar, und es erlebt nur das Bild der Mittagsfrau. Andere dagegen haben ein ausgebildeteres Bilderbewußtsein

het uiterlijke licht dat de mens met zijn uiterlijke zintuigen waarneemt, is toegenomen.
Zoals er van alle dingen resten, rudimenten overblijven, zo zijn er onder die delen van de bevolking die meer achter zijn gebleven, die hun intellect niet zozeer hebben aangescherpt, die niet zozeer hebben teruggedrongen wat het beeldbewustzijn hen heeft geantwoord, die minder combinerend denken, minder begrijpend, resten van dat oude bewustzijn nog steeds aanwezig.
Hun droombewustzijn is dus veel helderder. Ze ervaren niet alleen chaotische dromen, maar ze ervaren ook hogere waarheden die ze misschien niet goed kunnen verklaren. Ze ervaren op dezelfde manier als de helderziende, en wanneer het innerlijke bewustzijn ontwaakt is, ervaren ze een heel andere spirituele wereld. Daar leren ze wezens kennen die hier niet bestaan en die een bepaalde relatie hebben met de innerlijke aard van de mens. Voor de gewone mensen is het min of meer duidelijk en zij ervaren alleen het beeld [ ] Anderen hebben echter een meer ontwikkeld beeldbewustzijn.

Sie erleben noch mehr. Auf diese Weise haben sich selbst in primitiven Sagen von heute Reste eines uralten astralischen Bewußtseins erhalten. Wir blicken zurück auf eine menschliche Vergangenheit, insbesondere hier in Mitteleuropa und in Westeuropa, auf eine Vergangenheit, in der, je weiter wir zurückgehen, immer mehr vorhanden ist von jenem Bewußtsein, das ersetzt worden ist durch das gegenwärtige helle Tagesbewußtsein. Alles was dem Volk als Erinnerung geblieben ist von größerer oder geringerer Deutlichkeit, ist das Hineinschwinden des astralen Bewußtseins in eine dunkle Vergangenheit, in eine dunkle Finsternis. Ich sage natürlich nicht: die Gedanken des Volkes, aber ich sage: etwas, was im Volke lebt und was ich nur in Gedanken fassen will. – Das ist das, was der Mensch im Volke sich sagt, ohne sich klar darüber zu

Ze ervaren zelfs nog meer. Op deze manier zijn overblijfselen van een oud astraal bewustzijn bewaard gebleven, zelfs in de primitieve legenden van vandaag. We kijken terug op een menselijk verleden, vooral hier in Centraal-Europa en in West-Europa, een verleden waarin, hoe verder we teruggaan, steeds meer van dat bewustzijn aanwezig is, dat vervangen is door het huidige heldere dagbewustzijn. Het enige wat de mensen is bijgebleven als een herinnering van meer of mindere helderheid is het verdwijnen van het astrale bewustzijn in een duister verleden, in een vage duisternis.
Ik zeg natuurlijk niet: de gedachten van de mensen, maar ik zeg: iets dat in de mensen leeft en dat ik alleen in gedachten wil samenvatten. – Dat is wat de mensen tegen zichzelf zeggen zonder het te beseffen:

Blz. 374

werden: Heute muß man das Bewußtsein herausrücken aus der Tagesanschauung; ich muß schlafen, dann gewinne ich wiederum ein bißchen Einlaß in diejenige Welt, die meine Vorfahren erlebt haben, in eine Welt, die für die Menschen untergegangen ist. Ich erlebe sie nicht als eine deutliche Vorstellung, sondern als eine dunkel zusammengefügte Erinnerung. – So etwas lebt im Volke, und daher weiß das Volk auch, daß die astralen Erlebnisse reicher und immer reicher waren, je weiter man in die Vergangenheit zurückgeht. Und was da das Volk erlebt hat, wovon es heute nur noch spärliche Reste hat wie das Fragen bei der Mittagsfrau, was ist das? Das ist die Erinnerung an Wesenheiten, welche die astrale Welt bewohnen, das ist die Erinnerung an die alten Götter. Da sind die alten Göttervorstellungen hervorgeholt. Nun erinnern Sie sich, daß ich als besonders bemerkenswert hervorgehoben habe, daß man das Vaterunser in umgekehrter Folge beten soll. Diejenigen, welche mich häufiger hier gehört haben, werden wissen, daß man im Astralen alles umgekehrt lesen muß. Die Zahl 341 muß man in der Welt des Bilderbewußtseins 143 lesen, also umgekehrt.

Nu moeten we ons bewustzijn losmaken van wat we overdag waarnemen; ik moet slapen, dan zal ik weer een beetje toegang krijgen tot de wereld die mijn voorouders hebben ervaren, tot een wereld die voor de mensheid is vergaan. Ik ervaar het niet als een helder idee, maar als een duistere herinnering. – Zoiets leeft in de mensen en daarom weten de mensen ook dat de astrale ervaringen rijker en steeds rijker waren naarmate men verder terugging in het verleden. En wat de mensen daar hebben ervaren, waarvan ze vandaag slechts schaarse overblijfselen hebben, [ ] dat is de herinnering aan wezens die de astrale wereld bewonen, dat is de herinnering aan de oude goden. Daar worden de oude ideeën van de goden naar voren gebracht. [ ]

Uit andere voordrachten blijkt dat deze astrale wereld niet alleen ‘bevolkt’ is met ‘hogere’ wezens, maar ook met ‘lagere’. En wanneer je die gaat waarnemen als je een ander bewustzijn ontwikkelt, kan het zijn dat deze vanuit je gewaarwordingsziel – dus alles wat met drift, begeerte, hartstocht enz. samenhangt – je als beelden van dieren verschijnen.
In deze voordracht zegt hij nog:

Diejenigen, welche mich häufiger hier gehört haben, werden wissen, daß man im Astralen alles umgekehrt lesen muß. Die Zahl 341 muß man in der Welt des Bilderbewußtseins 143 lesen, also umgekehrt. So ist es auch mit unseren Leidenschaften. Leidenschaften, die von uns ausgehen, erscheinen, wenn uns die Astralwelt eröffnet wird, als Wesenheiten, die auf uns zueilen. Das ist sehr schmerzlich für diejenigen, welche nicht vorher vorbereitet worden sind. Alles, was von uns ausströmt, strömt scheinbar auf uns zu. Sie sehen daher Tiere und alle möglichen Wesenheiten auf sich zustürzen. Bei pathologischen Zuständen, zum Beispiel bei Wahnsinn, werden Sie gewahr, daß da plötzlich Wesenheiten auftreten in Gestalt von Tieren. Das sind Wesenheiten, die in dem Menschen leben, die von ihm ausströmen und wie gespiegelt in der Form der Tiere erscheinen. Was in der sinnlichen Welt sich von rückwärts nach vorn bewegt, das bewegt sich in der Astralwelt umgekehrt. [ ] Sie können sehen, wie die Sage das festhält.

Degenen die mij hier vaker gehoord hebben, weten dat je in het astrale alles andersom moet lezen. Het getal 341 moet als 143 gelezen worden in de wereld van het beeldbewustzijn, dus andersom. Het is hetzelfde met onze passies. Passies die van ons uitgaan verschijnen, wanneer de astrale wereld voor ons geopend wordt, als entiteiten die op ons af stormen. Dit is erg pijnlijk voor degenen die niet van tevoren zijn voorbereid. Alles wat van ons uitgaat lijkt naar ons toe te stromen. Ze zien daarom dieren en allerlei entiteiten op hen afkomen. In pathologische toestanden, bijvoorbeeld waanzin, zul je beseffen dat entiteiten plotseling verschijnen in de vorm van dieren. Dit zijn entiteiten die in de mens leven, die van hem uitgaan en verschijnen als gespiegeld in de vorm van dieren. Wat in de zintuiglijke wereld van achterwaarts naar voorwaarts beweegt, beweegt in de astrale wereld in de tegenovergestelde richting.
[ ] U kan zien hoe dat in de sage bewaard gebleven is.
GA 54/371-374
Niet vertaald

Voordracht 17, Berlijn, 22 maart 1906 

Siegfried und die Götterdämmerung

Siegfried  en de godenschemering

Blz. 415

Er zijn vele pogingen gedaan om de mythen e.d. te duiden, maar velen zijn blijven steken.

Das rührt davon her, daß es in unserer Zeit des materialistischen Denkens eigentlich schon etwas recht Großes ist, in dem Mythos sinnbildliche Hindeutungen auf große innere menschliche Wahrheiten anzuerkennen.

Dit komt voort uit het feit dat het in onze tijd van materialistisch denken eigenlijk iets heel bijzonders is om in mythen symbolische verwijzingen naar grote innerlijke menselijke waarheden aan te nemen.
GA 54/415
Niet vertaald  

Voordracht 28, Berlijn 29 maart 1906

Blz. 449

                                            Parzival und Lohengrin

Es ist vor allen Dingen dem Theosophen klar, daß wir in den Sagen nichts anderes zu sehen haben als Bilder und Ausdrücke für große Wahrheiten. Den alten Völkern wurden dadurch gegeben die Bilder der Entwickelung des äußeren Lebens und der Seele. An der Lohengrin-Sage wird etwas klargemacht, damit der Mensch wüßte, was mit ihm geschieht, wenn er an gewissen Stufen angelangt ist. Den Völkern wird die Wahrheit in der Weise verkündigt, daß sie es fassen können. Stämme und Völker gab es und gibt es, die nur in Sagenform die großen Wahrheiten fassen können. Heute reden wir nicht mehr in bildlichen Formen. Die Geisteswissenschaft enthält dieselben Wahrheiten, die in grandiosen Sagen vor das alte Volk hingebracht worden sind und die Wagner zu erneuern sucht. Die Geisteswissenschaft redet in einer andern Weise, aber was sie als Geist einströmen lassen will in die Welt, ist dasselbe.

Het is bovenal duidelijk voor de theosoof dat we in de sagen, legenden niets anders kunnen zien dan beelden en uitdrukkingen voor grote waarheden. De oude volkeren kregen zo beelden van de ontwikkeling van het uiterlijke leven en de ziel. [ ] De waarheid wordt aan de volkeren verkondigd op zo’n manier dat ze het kunnen begrijpen. Er waren en er zijn stammen en volkeren die de grote waarheden alleen in de vorm van sagen kunnen bevatten. Tegenwoordig spreken we niet meer in beeldende vorm. De geesteswetenschap bevat dezelfde waarheden die in grootse sagen aan het oude volk werden gebracht [ ]. De geesteswetenschap spreekt op een andere manier, maar wat zij als geest in de wereld wil doen uitgaan is hetzelfde.
GA 54/449
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over mythen en sagenalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden.

.

3303-3109

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 294

.

GA 294

Erziehungskunst
Methodisch-Didaktisches

Opvoedkunst

Voordracht 3, Stuttgart 23 augustus 1919

Blz. 40/41    vert. blz. 50

Es wäre zum Beispiel unter allen Umständen sehr gut, wenn man möglichst früh in bezug auf das Plastisch-Bildnerische damit beginnen würde, das Kind in der Farbenwelt leben zu lassen, wenn man sich als Lehrer durchdringen würde mit dem, was Goethe in dem didaktischen Teil seiner Farbenlehre gibt. Worauf beruht dieser didaktische Teil der Goetheschen Farbenlehre? Er beruht darauf, daß Goethe immer jede einzelne Farbe mit einer Empfindungsnuance durchdringt.
So betont er das Herausfordernde des Roten; er betont nicht nur das, was das Auge sieht, sondern was die Seele an dem Roten empfindet.
Ebenso betont er das Stille, in sich Versunkene, das die Seele beim Blauen empfindet. Man kann, ohne daß man die Naivität durchbricht, das Kind so in die Farbenwelt hineinführen, daß lebendig die Empfindungsnuancen der Farbenwelt hervorgehen. Wenn dann dabei vielleicht zunächst recht starke Beschmutzungen eintreten, so wird es eine gute Maßnahme in der Erziehung sein, das Kind so weit zu bringen, daß es sich nicht mehr zu sehr beschmutzt.

Het zou bijvoorbeeld te allen tijde heel goed zijn als we op plastisch-beeldend gebied zo vroeg mogelijk beginnen het kind in de wereld van de kleuren te laten leven, en als we ons als leraar het didactische deel van de kleurenleer van Goethe eigen maken.*

*het didactische deel van de kleurenleer van Goethe eigen maken: Johann
Wolfgang von Goethe (1749-1832), Duits dichter, dramaturg en natuuronderzoeker. Goethe bedreef zeer uitvoerige studies naar het ontstaan
en de werking van kleuren en publiceerde daarover. De kern van zijn onderzoek legde hij neer in Zur Farbenlehre, Didaktischer Teil (1810); van dit werk verscheen een Nederlandse vertaling met commentaren van Rudolf
Steiner: Kleurenleer, Zeist 2000.
Ook Steiner zelf heeft zich, deels in het voetspoor van Goethe, intensief
met het verschijnsel kleur beziggehouden, zie m.n. Het wezen van de kleuren.
.

Waarop berust dit didactische deel van de kleurenleer van Goethe? Goethe verbindt iedere kleur met een bepaalde gevoelsnuance. Hij wijst op het uitdagende van rood.
Hij wijst niet alleen op wat het oog ziet, maar ook op wat de ziel bij rood ervaart. Zo wijst hij op het stille, het in zichzelf gekeerde, dat de ziel ervaart bij blauw. Zonder de onbevangenheid geweld aan te doen, kunnen we het kind zo binnenleiden in de wereld van de kleur dat het de gevoelsnuances van de kleurenwereld levendig kan ervaren. Misschien wordt daar in het begin flink bij geknoeid, maar het zal een goede opvoedingsmaatregel zijn om kinderen te leren zichzelf niet te veel te besmeuren.

Man fange möglichst früh damit an, das Kind mit Farben zusammenzubringen, wobei es gut wäre, auf der farbigen Fläche andere Farben aufzutragen, als auf der bloß weißen Fläche, und man versuche, solche Empfindungen im Kinde hervorzurufen, wie sie erst aus einer geisteswissenschaftlichen Auffassung der Farbenwelt entstehen können. Wenn man so arbeitet, wie ich mit einigen Freunden an der kleinen Kuppel des Dornacher Baues gearbeitet habe, dann bekommt man ein lebendiges Verhältnis zur Farbe. Man entdeckt dann, wenn man zum Beispiel Blau aufträgt, daß es in der blauen Farbe selbst liegt, damit
alles zu charakterisieren, was Innerlichkeit ist. Also sagen wir, bei einem aus seiner Innerlichkeit sich bewegenden Engel wird man von selbst den Drang haben, ihn blau zu halten, weil die Nuancierung des Blauen, das Helldunkel des Blauen, in der Seele die Empfindung der Bewegung hervorruft, die aus dem Seelenhaften kommt. Die gelb-rötliche Farbe ruft in der Seele die Empfindung des Scheinens, des nach außen sich Offenbarenden hervor. Wenn also etwas aggressiv wirkt, wenn etwas mahnend vor uns auftritt, wenn der Engel uns etwas sagen will, wenn er aus seinem Hintergrunde zu uns sprechen will, dann
drücken wir das durch die gelb-rötlichen Nuancen aus. In elementarer Weise kann man durchaus Kinder auf dieses Lebendig-Innerliche der Farben hinweisen.

We beginnen er zo vroeg mogelijk mee het kind met kleuren te laten kennismaken – waarbij het goed is om op een gekleurd vlak andere kleuren aan te brengen dan op een wit vlak – en we proberen indrukken in het kind op te roepen zoals ze pas uit een geesteswetenschappelijke opvatting van de kleurenwereld kunnen ontstaan. Als je zo werkt als ik met enkele vrienden heb gedaan bij de kleine koepel van ons gebouw in Dornach,* dan krijg je een levende verbinding met de kleuren. Je ontdekt dan, wanneer je bijvoorbeeld blauw gebruikt, dat je daarmee alles karakteriseert wat met het innerlijk te maken heeft. Dat ligt in de kleur blauw zelf besloten. Je zult bijvoorbeeld bij een engel die zich vanuit zijn innerlijk beweegt vanzelf de drang voelen hem alleen in blauw uit te voeren, omdat de nuances in het blauw, het licht-donker in het blauw, in de ziel de gewaarwording oproepen van een beweging vanuit de zielenwereld. Een geel-roodachtige kleur roept in de ziel het gevoel op van schijnen, van iets wat zich naar buiten toe manifesteert. Wanneer iets dus agressief optreedt, wanneer iets ons maant, wanneer die engel ons iets wil zeggen, wanneer hij vanuit zijn achtergrond tot ons wil spreken, dan drukken we dat uit in geel-roodachtige nuances.
Op een elementaire manier kunnen we kinderen zonder meer wijzen op dit levende karakter van kleuren.

*Als je zo werkt … kleine koepel van ons gebouw in Dornach: Het gebouw in
Dornach (bij Bazel) was het zgn. ‘eerste Goetheanum’, dat in de oudejaarsnacht van 1922-1923 volledig afbrandde. Het door Steiner ontworpen houten gebouw bestond in essentie uit twee cilindervormige ruimten van verschillende grootte, die elkaar ten dele doordrongen. In de grootste ruimte bevond zich de zaal met bijna 1000 zitplaatsen, in de
kleinste het toneel. Beide ruimten werden afgedekt door koepels die elkaar eveneens doordrongen en die aan de binnenzijde van schilderingen werden voorzien. De beschildering van de kleine koepel werd voor een groot deel door Steiner zelf uitgevoerd. Over zijn opvatting van de schilderkunst zie Het wezen van de kleuren.
.

Blz. 41  vert. 51

Dann muß man sich selber sehr stark damit durchdringen, daß das bloße Zeichnen schon etwas Unwahres hat. Das Wahrste ist das Empfinden aus der Farbe heraus, etwas unwahrer ist schon das Empfinden aus dem Helldunkel heraus, und das Unwahrste ist das Zeichnen. Das Zeichnen nähert sich als solches schon durchaus jenem abstrakten Element, das als Ersterbendes in der Natur vorhanden ist. Zeichnen sollten wir eigentlich nur so, daß wir uns dabei bewußt werden: wir zeichnen im wesentlichen das Tote. Mit Farben malen sollten wir so, daß wir uns dabei bewußt sind: wir rufen aus dem Toten das Lebendige hervor. –
Was ist denn schließlich die Horizontlinie? Wenn wir einfach einen Bleistift nehmen und die Horizontlinie hinzeichnen, so ist das ein Abstraktes, ein Ertötendes, Unwahres gegenüber der Natur, die immer zwei Strömungen hat: das Tote und das Lebendige. Wir schälen die eine Strömung heraus und behaupten, das sei Natur. 

 

Verder moeten we heel goed tot ons laten doordringen dat in het pure tekenen al een element van onwaarheid schuilt. Het meest waar is het ervaren vanuit de kleur, minder waar is al het ervaren vanuit het licht-donker en het minst waar is het tekenen.
Het tekenen komt als zodanig al dicht bij de abstracte tendens die als sterfproces in de natuur aanwezig is. Wij zouden eigenlijk alleen zo moeten tekenen, dat we ons daarbij bewust worden dat we in feite het dode tekenen. We zouden met kleuren zo moeten schilderen dat we ons daarbij bewust zijn dat we uit het dode het levende tevoorschijn roepen. Wat is bijvoorbeeld de horizon eigenlijk?
Als we gewoon een potlood pakken en de lijn van de horizon tekenen, dan is dat abstract, dood, onwaar vergeleken bij de natuur, die altijd twee stromingen heeft: het dode en het levende. We lichten er de ene stroming uit en beweren dat dat de natuur is.

(In het boek staat de tekening in zwart-wit, de kleur is van mij)

Wenn ich aber sage, ich sehe ein Grünes, und ich sehe ein Blaues, die sich voneinander scheiden, dann wächst die Horizontlinie aus dem Aneinandergrenzen der Farben heraus, dann sage ich eine Wahrheit, So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe heraus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von solchen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelenwesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt.
Daran krankt ja unsere Kultur, daß wir kein richtiges Verhältnis zur
Außenwelt haben. Man braucht dabei durchaus nicht, ich möchte sagen, unterrichtend selbst wiederum einseitig zu werden. 

Maar wanneer ik zeg: ik zie groen en blauw die zich van elkaar scheiden, dan
ontstaat de horizon vanzelf uit het aan elkaar grenzen van beide kleuren. Dan spreek ik een waarheid uit. Zo zult u gaandeweg ontdekken dat de vorm van de natuur werkelijk ontstaat uit de kleur en dat tekenen daarom iets abstraherends is.
Voor zulke dingen zou u al bij het opgroeiende kind een goede voorstelling, een gevoel moeten aankweken, omdat dit zijn hele zielenwezen tot leven wekt en in een echte relatie tot de buitenwereld brengt.
De ziekte van onze cultuur is immers dat we geen werkelijke relatie tot de buitenwereld hebben.
GA 294/41-42
Vertaald/50-51

In 1e klas schilderen (1-1) vind je veel over praktische zaken.

Voordracht 4, Stuttgart 25 augustus 1919

Blz. 57  vert. 66

Dann brauchen Sie durchaus nicht davor zurückzuscheuen, ziemlich früh – es ist gerade besonders gut, so etwas sehr früh mit den Kindern zu machen – einen Farbenkasten aufzustellen, ein Wasserglas daneben,
Sie nehmen einen Pinsel zur Hand, tauchen ihn ins Wasserglas, nehmen von der Farbe etwas ab und, nachdem Sie vorher eine weiße Fläche auf der Tafel mit Reißnägeln angemacht haben, tragen Sie eine kleine gelbe Fläche darauf auf. Nachdem Sie diese kleine gelbe Fläche gemacht haben, lassen Sie wieder jedes Kind eine solche gelbe Fläche machen.
Es muß jedes Kind einen gewissen Abstand von der andern gelben Fläche lassen, so daß Sie also dann so und so viele gelbe Flächen haben.
Darauf tauchen Sie selbst den Pinsel in die blaue Farbe ein und machen neben die kleine Fläche, die Sie gelb angestrichen haben, unmittelbar daneben Blaues. Jetzt lassen Sie auch die Kinder in derselben Weise Blaues machen. Nachdem etwa die Hälfte der Kinder das gemacht hat,  

Vervolgens hoeft u er beslist niet voor terug te schrikken om tamelijk vroeg – het is juist heel goed om zoiets al heel vroeg met de kinderen te doen – potjes verf neer te zetten, een glas water ernaast, en een penseel te pakken. U doopt het penseel in het water, neemt wat verf en brengt – nadat u van tevoren al een wit vel papier op het bord hebt vastgemaakt – een klein geel vlak aan op het papier. Nadat u dit kleine gele vlak gemaakt hebt, laat u weer ieder kind zo’n geel vlak maken. Ieder kind moet wat ruimte openlaten tussen de andere gele vlakken, zodat u tenslotte een bepaald aantal gele vlakken hebt.
Dan doopt u zelf het penseel in blauw en maakt u naast het kleine gele vlak dat u zelf gemaakt hebt, direct ernaast, een blauw vlak.
Nu laat u de kinderen ook een blauw vlak maken. Nadat ongeveer de helft van de kinderen dat gedaan heeft,

Blz. 58 vert. 66

sagen Sie: Jetzt wollen wir etwas anderes machen; jetzt will ich den Pinsel ins Grüne tauchen und zu den andern Flächen eine grüne dazu machen. – Von den andern Kindern lasse ich nun – indem ich auf irgendeine Weise vermeide, daß die Kinder dabei gleich eifersüchtig aufeinander werden – in derselben Weise grün machen. Das wird eine gewisse Zeit in Anspruch nehmen; die Kinder werden es gut verdauen, wie es überhaupt darauf ankommt, ganz langsam, nur in ganz wenigem mit dem Unterricht fortzugehen. – Nun sollten Sie schon sagen: Jetzt will ich euch etwas mitteilen, was ihr noch nicht ganz gut verstehen könnt, was ihr aber einmal gut verstehen werdet: was wir da oben gemacht haben, daß wir blau neben gelb gesetzt haben, das ist schöner, als was wir da unten gemacht haben, wo wir grün neben gelb gesetzt haben; blau neben gelb ist schöner als grün neben gelb! –
Das wird sehr tief in der Seele des Kindes haften. Darauf wird es erstens öfter zurückzuführen sein in der Wiederholung, es wird aber auch selber daran nagen; es wird es nicht ganz gleichgültig aufnehmen, sondern es wird an einfachen, primitiven Beispielen sehr gut verstehen lernen, nach und nach, im Gefühl abzuheben ein Schönes von einem weniger Schönen.

zegt u: ‘Nu gaan we iets anders doen. Nu doop ik het penseel in groen en maak ik naast de andere vlakken een groen vlak.’ De rest van de kinderen laat ik nu op dezelfde manier groene vlakken maken – waarbij ik moet zien te vermijden dat de kinderen meteen jaloers op elkaar worden. Dat zal wel enige tijd in beslag nemen.
De kinderen zullen het goed verteren. Het komt er steeds op aan heel langzaam, met heel weinig, de lessen uit te breiden. En dan moet u zeggen: ‘Nu zal ik jullie iets vertellen wat jullie nog niet zo goed kunnen begrijpen, maar wat jullie later heel goed zullen begrijpen. Wat wij daar hebben gedaan, bovenaan, waar het blauw naast het geel staat, dat is mooier dan wat we daaronder gedaan hebben.
Blauw naast geel is mooier dan groen naast geel.’ Dat zal een diepe, blijvende indruk maken op de ziel van het kind. Ten eerste is het goed als u hier vaker op terugkomt, maar het kind zal er ook zelf op kauwen. Het zal zoiets niet onverschillig opnemen, maar het zal aan de hand van eenvoudige, elementaire voorbeelden op den duur heel goed met zijn gevoel leren onderscheiden tussen iets wat mooi is en iets wat minder mooi is.
GA 294/57-58
Vertaald/66

Voordracht 13, Stuttgart 4 september 1919

Blz. 177    vert. 178

Diese Dinge, das malende Zeichnen, das zeichnende Malen, das
Sich-Hineinfinden in das Musikalische, das wird uns besonders für das
1. Schuljahr ein wunderbares Element der Willensbildung abgeben
können, jener Willensbildung, die der heutigen Schule fast ganz fernliegt.

Deze dingen, het schilderend tekenen, het tekenend schilderen, het vertrouwd raken met het muzikale element, dat zal met name in de eerste klas een prachtige basis leggen voor de wilsontwikkeling, die wilsontwikkeling, die de scholen van tegenwoordig bijna niet meer kennen.
GA 294/177
Vertaald/178

 

In ‘1e klas schilderen (1-2) meer over ‘geel en blauw’.

.
Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Schilderen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3302-3108

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.
Pieter HA Witvliet, bewerking van een hoofdstuk uit*

.

Spelen waarin geboorte een rol speelt
.

In haar boek  * ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen’ onthult Mellie Uyldert allerlei achtergronden van kringspelletjes die in een nog niet zo ver verleden vrijwel dagelijks door kinderen werden gespeeld. En ook in deze tijd komen ze nog voor.

Hoe komt Uyldert aan die achtergronden.
Hoe komt Rudolf Steiner aan zijn achtergronden van het ‘verborgene’. Daar geeft hij zelf antwoord op: door de speciale scholingswegen die tot een hoger bewustzijn leiden.

Uyldert en Steiner hebben het bv. over sprookjes en hun beelden, maar ook over mythologische beelden.
Zo noemt Steiner de drie Nornen, de schikgodinnen in de Germaanse mythologie, o.a. in GA 92, als de dochters van Erda (moeder aarde):
De Nornen verkondigen het hogere bewustzijn van de aarde, zij vertegenwoordigen de oerkennis van de aarde over verleden, heden en toekomst. Zij ontrafelen individuele kennis; boven individuele kennis staat bewustzijn, dat begiftigd is met het karakter van eeuwigheid. GA 92/121 (niet vertaald).

Uyldert zegt dat de mens een drievoudig wezen is (geest, ziel en lichaam) en dat hij daarom zijn omgeving op drie manieren naast elkaar waarneemt.
In het oerwereldbeeld van de oude Indo-Europeaan wordt het heelal in drie rijken verdeeld en de tijd in drie tijdperken.

We hebben een rijk van het heden. Dat is het rijk waartoe wij (nu) behoren: dat van de levende mens.
Maar er is ook een verleden, wat Steiner in dit verband een voorgeboortelijk leven noemt. Uyldert noemt het eveneens het voorgeboortelijke rijk of de onderwereld waar de ongeboren zielen verblijven die daar gelouterd worden, de maanwereld, het vagevuur.
En dan is er de toekomstige wereld, een bóvenwereld, het rijk van de zielen  die volmaakt zijn en niet meer hoeven te incarneren, zij kunnen bij de goden wonen – in de hemel – in eeuwige zaligheid.

Uyldert noemt de Wereldes het wereldbeeld dat én levensbeeld én mensenbeeld is, de wereldboom, de Yggdrasil. De wortels rijken tot in de onderwereld, de stam staat in de wereld van de levenden en de kroon als hemelgewelf: de woonplaats van de goden.
Steiner zegt over de Yggdrasil bv. dit:

Zo wordt het in de Germaanse legende beschreven. Er staat: De nieuwe mens in de nieuwe wereld is als een boom, een esboom met drie wortels. De eerste wortel gaat naar Niflheim, naar het ijskoude, donkere oerland. In het centrum van Niflheim was de onuitputtelijke bron van Hwergelmir; twaalf rivieren stroomden daaruit, ze stroomden door de hele wereld. De tweede wortel ging naar de bron van de Nornen Urd, Verdhandi en Skuld; zij zaten aan de oevers en sponnen de draden van het lot. De derde wortel ging naar de bron van Mimir. Yggdrasil was de naam die gegeven werd aan de esboom waarin de krachten van de wereld zich hadden verzameld. De voorstelling van een mens op het moment dat hij zich bewust wordt van zijn Ik, wanneer het woord “ik” uit zijn binnenste klinkt. “Yggdrasil” betekent zoiets als ‘Ik-drager’. Deze boom is de “Ik-drager”. “Ygg’ is ‘ik’ en ‘drasil’ is hetzelfde stamwoord als ‘dragen’.
GA 101/26  en op 28 en 36
Niet vertaald

Die drie tijdperken: het voorgeboortelijke, het leven op aarde en het hiernamaals verbindt Uyldert aan de drie schikgodinnen. Het woord ‘schik’ hangt samen met beschikken en ‘Schicksal’, lot. Dat zouden bij de Grieken de Parcen zijn : Klotho, Lachesis en Atropos. In de Edda heten zij Oerd (Urd), Werdandi en Skoeld (Skuld). Ambet, Wilbet en Borbet zouden de later veranderde namen zijn.
Maan, Aarde en Zon zijn de bijbehorende planeten met de dagen maandag, zaterdag en zondag.

Deze vrouwelijke namen hoorden in het matriarchaat waarin de kosmische krachten als vrouwengestalten werden voorgesteld.
Wanneer het patriarchaat er is, ziet Uyldert de namen vader, zoon en heilige geest en in onze tijd van abstracties: mythos, logos en eros.

De drie schikgodinnen zijn spinsters, ze hebben de levensdraden vast: Oerd spint ze, Werdandi verstrengelt ze en Skuld knipt ze bij het sterven door.

In Prediker 12, vers 6 is sprake van ‘het zilveren koord’. Dat is volgens Uyldert de etherische verbindingsdraad die de ziel met het stoffelijk lichaam verbindt. Over die verbinding komen we bij Steiner vele opmerkingen tegen.
Oerd, de maanvrouw, is volgens Uyldert ook Vrouw Luna of Anne. Deze gestalte van de maankracht bouwt voor de uit de hemelse sferen komende mensenziel in negen maanden het stoffelijke lichaam op.
Er bestaan oude versjes waarin Anne in een blauwe mantel door het land van wind, zon en maan gaat om de ongeboren ziel door de drie aardesferen naar de aarde te brengen.
Uit de sfeer van de zon, de geest, gaat de ziel door de mentale sfeer ‘van de wind’ naar de maansfeer. De maan is de laatste fase vóór de aarde. En daarmee de aarde de eerste na de maan.
Uyldert brengt de uitdrukking ‘kom je van de maan’ – gezegd tegen iemand die nog niet veel schijnt te weten – i.v.m. dit pas geboren zijn op aarde. En ‘dat is naar de maan’ als iets zijn aardse bestaan beëindigt.

Anne met de blauwe mantel zou – wij kennen op de vrijeschool de Maria uit het Kerstspel met de blauwe mantel – de maan-vrouw zijn, maar dan verchristelijkt als Maria. Wanneer we de Madonna van Raphael zien (onbewerkt) met de menigte kindergezichtjes ‘engelenkopjes’ , die vaag om haar heen zijn, wordt gezegd dat dit de ongeboren zielen zijn die zij naar de aarde begeleidt.

Het wapperende kleed zou in dit rijmpje bedoeld worden:

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven
Anne met de lappen kwam mij tegen,
op het glazen bruggetje!

en

Anne met de lappen had een kind,
dat was geboren midden in de wind!

In het Orderbos bij Soeren zou een zuil hebben gestaan, een Irminsul, die voor Anne of Oerd was opgericht. Daarover is niet meteen iets te vinden.

Van d etherische levensband weet Uyldert te vertellen dat deze als levensdraad of bindband voorkomt in een Duits volksliedje, ook wel wiegenband genoemd:

Uf em Berge, da geht der Wind,
da wiegt die Maria ihr Kind –
sie wiegt es mit ihrer schneeweiszen Hand,
sie hat auch dazu kein Wiegenband –
schum, schei – schum, schei.

Ikke Brikke von Engel-Land,
bring mir doch e sidne Band!

In sommige streken van Midden-Europa zou het ‘bindband’ nog voor de christelijke doop door gasten bij het doopfeest in de luier van het kind zijn gestopt.
Bij de Germanen zouden de ouders het bindband in aanraking brengen met aarde en water. De vader legde het kind dan even op de aarde: het werd aanbevolen aan de aarde-moeder Irtha, later Hertha.

Ook Hertha wordt door Steiner in een bepaald verband genoemd, dat hier na te lezen is: GA 343/543  (niet vertaald).

De Edda verhaalt dat de normen de plaats waar een kind zou wonen, leven en sterven, vóór de geboorte werd afgebakend met de gouden levensdraad.
Uyldert ziet in de gouden ketenen die ingegraven waren rond grafheuvels daar de stoffelijke uitwerking van. De kracht van de zon, in het goud aanwezig, weerde onheil af.
Daarop zou ook het touw duiden dat op plechtige of feestelijke dagen om een hoeve werd gespannen.

Het kind krijgt meteen zijn aardse naam terwijl het met water en of aarde wordt gedoopt. Niet zijn hemelse, zodat Skuld, de doods-Norne, het kind niet kan terugroepen door zijn hemelse naam.
Dat zou terug te vinden zijn in het spel van Anneke-Tanneke-Toverheks: de strijd tussen Anne en  Holda (Oerd en Skuld) om de ziel. De monnik die de aardse wereld vaarwel zegt, als de kloosterdeur zich achter hem sluit, neemt zijn hemelse naam weer terug!

Uyldert die ook een boek schreef over de wijsheid van de sprookjes, brengt het bindband ook in verband met sprookjes en versjes.
Het zou de gouden kousenband zijn die Zusje in het sprookje om de hals van het hertje bindt, haar betoverde Broertje (Zie Broertje en Zusje)

Dan ziet Uyldert de zwaan bij wie een halsketting moet worden omgehangen. Dit symbool voor de ziel kan zo de menselijke gestalte weer terugkrijgen.

Dan wijst zij op het verhaal van Helias, de ridder met de zwaan, op Lohengrin.
Beatrijs, de gemalin van koning Oriant, krijgt zeven kinderen, zes zonen en een dochter, met zilveren kettinkjes om. Haar boze schoonmoeder Matabrune laat de kinderen naar ’t bos ontvoeren om hen daar te doen doden. Zij worden echter gered en worden door een kluizenaar opgevoed. (Zij ontkomen aan de dood in het materialisme.) Als hun schuilplaats later ontdekt wordt, zendt Matabrune krijgslieden, om hen alsnog te doden, maar deze nemen hen alleen de kettinkjes af, waarop zij in zwanen veranderen. De ziel wordt dus niet, maar het lichaam wél gedood: het bindband wordt losgemaakt, het zilveren koord verbroken! – Als Matabrune verslagen is, keren de zwanen in de slotgracht terug, de kettinkjes worden hun omgehangen, en ziet: zij hernemen hun menselijke gedaante!

Ook Steiner besteedt aandacht aan ‘de zwaan’, tevens aan Lohengrin, o.a. in GA 92/196 en meer  (niet vertaald)

Zij ziet de zwaan als het beeld van de ziel op de oeleborden van oude boerderijen en op de torens der lutherse kerken,
en wijst op de verhalen van de zwanenjonkvrouwen,die in het Zwanenmeer kwamen baden, en daartoe het zwanenkleed aflegden (het zwanenwater als het vruchtwater). Nam een mens dit kleed weg, dan moesten de jonkvrouwen wel op de aarde blijven en gedroegen zich als gewone mensen en goede echtgenoten. Vonden zij echter op een dag het zwanenkleed terug in een kast, dan wiekten zij weg, voorgoed.
Het is de mens op aarde niet toegestaan, zijn zwanenkleed voortijdig uit de kast te nemen – ons huwelijk met Irtha moet ten einde toe volbracht zijn!

Dan, in weer een andere versie, draagt de witte zwaan ons terug naar Engel-land, dat al die tijd voor ons was gesloten.’

schikgodinnen

Verder wijst Uyldert ook hier op de sprookjes: van GrimmDe zes zwanen’ en van Andersen’s Eliza en de elf zwanen; hier worden de broers in zwanen veranderd, en kunnen alleen door hun zuster, op raad van een oud vrouwtje (Oerd, Anneke-Tanneke) uit de betovering worden verlost, als zij zwijgend hemden van brandnetels voor hen maakt. Die hemden zijn het lichaam, het levens-hemd dat zij weeft als Oerd’s dienares, als de m o e d e r.

De zwaan of eend als geleidevogel, als een gedaante van Oerd zelf, vinden wij weer in de eend van St. Lucia, in Lohengrin’s zwaan, die af en toe met engel wordt aangesproken, en als gedaante van alle drie de Nornen in het kinderversje van: Gontje, Bontje en Klisklasklepelklontje. Toen de mensen hun helderziendheid voor etherische gestalten verloren, kwam de witte vogel er voor in de plaats. Zo veranderde Oerd in Maria én in de ooievaar, die de kindertjes, uit het water, op aarde brengt!’

In het verhaal van De zes zwanen zit het meisje boven in een boom te spinnen (aan de levensdraden) en als de jagers des konings haar roepen om beneden te komen, werpt zij eerst haar gouden halsketting, dan haar gordel en vervolgens haar kousenband naar beneden – alle drie symbolen van het bindband!

In het sprookje van Repelsteeltje geeft het meisje de kabouter die haar een dienst bewijst, eerst haar halsketting en dan haar ring, d.i. eerst de verbinding van lichaam en ziel, en dan ook nog die van ziel en geest! Het gevolg is dan ook, dat zij haar eerstgeboren kind niet mag behouden. Want zij is haar aardse taak ontvlucht door het ontbinden van het bindband! Niet tevreden met haar bestaan als dochter van een molenaar (die het rad van het aardse leven: de horoscoop, laat draaien), wilde zij de koning (de geest) huwen, om nooit meer te hoeven spinnen . . . even lui als het meisje, dat zélf haar levensdraad brak en in de put van de onderwereld sprong om bij Vrouw Holle (Holda, Skoeld) te komen, en ook daar de rijpe appels niet van de boom wou schudden: haar karma niet aanvaarden! —

Het is interessant om de opvattingen van Uyldert te vergelijken met die van Lenz, die meer die beelden vanuit antroposofische gezichtspunten probeert de duiden. Vrouw Holle.

‘Hoevele zwanenmensen zijn er niet onder ons, bij wie het bindband niet stevig vastgebonden is aan de aardse zijde, die enkel vliegen willen in theorieën, maar niet scheppen en bouwen op aarde, met moeite en pijn!’

Zoals al opgemerkt: hoe komt Uyldert aan haar wijsheid. Ze gebruikt vele beelden om te duiden. 
Fascinerend aan de ene kant, maar raadselachtig aan de andere. Waar vinden wij nog ‘vaste voet’.

De mensen zijn, volgens haar, ‘als Tijl Uilenspiegel, dansend op het koord! Tijl was de zoon van Klaas en Anna. Klaas of Kunne Klaas rijdt door de lucht, hij heette daarvóór Wodan of Odin (Mercurius), de god van het bewustzijn, de spraak en de taal. Klaas en Tijl werden later Sinterklaas en Piet, altijd, door alle eeuwen, de Vader en de Zoon, de hemelgod en zijn afgezant op aarde. Tijl danst hoog in de lucht, wil niet incarneren – maar Anne breekt het koord, zodat Tijl in het (vrucht)water, in de sfeer der ziel, valt, waarna hij op de vaste wal (van de materie) klautert om toch op aarde te leven.’

Uyldert ziet in de fee die Doornroosje voorspelde, dat zij op haar veertiende jaar zou sterven, Holda of Skuld die de levensdraad bij de dood verbreekt die bij de geboorte door Anne of Oerd wordt vastgesnoerd. Op die dag ontmoet het meisje haar in haar torenkamertje, waar zij zit te spinnen aan de levensdraad — de prinses wil ook spinnen, maar breekt zelf de draad, en alles in het paleis van het lichaam valt in slaap.’

In de Germaanse verhalen is er sprake van een brug, de brug Bifrost. ‘De regenboogbrug die volgens Steiner op de verbinding mens-goden duidt (GA 92/121 (niet vertaald).
Voor Uyldert is die brug het bindband ‘dat aan de aardse zijde heeft losgelaten, maar aan de hemelse zijde nog vastzit, vormt de brug, waarlangs de ziel opwaarts snelt uit het lichaam. Het is de brug over de stroom der vergetelheid, de Styx, het water waar Hans en Grietje overheen werden gedragen door de geleidende eend. Het is de bifrost of Kinvadbrug, die over de afgronden der hel voert ten hemel – smal en scherp als het lemmet van een mes, dun als een haar.’

Het is de Sirath-brug der Mohammedanen, het glazen bruggetje van Anne, die het in andere richting overschrijdt, ’the Brig o’Dread, no broder than a thread’.

Wanneer Steiner over het sterven van de mens spreekt en wat daarna gebeurt, is een van aspecten dat het etherlijf na drie dagen zich heeft losgemaakt van het fysieke lichaam. De ziel moet nu eerst gelouterd worden, wat hij voor de meeste mensen als een ‘pijnlijk’ proces beschrijft. Niet voor niets geassocieerd met ‘brandend’, dus ‘hel’ en ‘vagevuur’. Om zich daarna verder te ontwikkelen.
Uyldert zegt ‘dat de afgestorvene de vierde dag na het overlijden als het bindband geheel los gemaakt is van het lichaam, een jonkvrouw ontmoet, stralend schoon óf afzichtelijk lelijk, die de gestalte is van de eigen ziel, gedurende het leven op aarde opgebouwd uit gevoelens en gedachten.

Skoeld die de zielen van de gestorvenen ontvangt, draagt de namen Holle, Holda, Hel, Berchta, Lucia of Geertruid en zij verschijnt of als een lelijke oude vrouw, of als een liefelijke engelgestalte!
Vrouw Holle zien we in het sprookje op de liefelijke hemelweide bij de gouden bron, de appelboom en de oven, waar de meisjes komen via de donkere put van de dood, waarin het meisje de spoel van haar levensdraad vallen liet. . .

Dat laat zich vergelijken met de drie Nornen die aan de voet van de Yggdrasil wonen, als vrouwen bij een put.

Sterven, of zoals ook wel gezegd wordt ‘door de poort van de dood gaan’, de (doods)rivier oversteken, de Styx, betekent vanuit de antroposofie gezien, dat je geestelijk verandert, een soort metamorfose van je bewustzijn – het vorige vergeet je, de herinnering aan het aardse verlies je. Daar word je omgeven door de geestelijke wereld en de geestelijke wezens.
Zou er een samenhang bestaan met wat Uyldert zegt over ‘de ontmoeting aan de overzijde met de jonkvrouw van de ziel?

Zij ziet in dit oude reidansje een naspel van dit drama:

Ik liep laatst op een bruggetje
en ik werd zo nat –
en ik had nog wat vergeten
maar ik wist niet wat!
Schone jonkvrouw, dans met mij!
Laat ons samen vrolijk zijn!
Laat ons samen dansen in de groene wei!

Er is meer geschreven over de Nornen en ook daar komen de namen Ambet, Wilbet en Borbet voor.

Uyldert besluit: ‘Ze staan als ’de drie heilige jonkvrouwen’ in steen uitgehouwen in menig middeleeuws kerkportaal. Toen de beelden (archetypen) van die wezenlijke krachten, die ons leven beheersen, vervaagden, werden zij met de mythe en ten slotte met de historie vermengd. Skoeld werd als Borbet en Brecht, ten slotte met Bertha met de Grote Voet: de moeder van Karel de Grote, vereenzelvigd. Deze Bertha had werkelijk een grote spreidvoet, terwijl de mythische Brecht het doodsteken: de vertikaal die zich van onderen in drieën vertakt (het omgekeerde van Anne’s geboorte-teken!) bij zich heeft, dat op een ganzevoet lijkt! Maar zij leeft voort in oude gebruiken, zoals Lucia, het meisje met de kaarsenkroon op het hoofd, dat u in Scandinavië op 13 december (vroeger op oudejaarsdag) uw ontbijt van oudejaarsbrood op bed brengt, om het sterven van de jaargod te vieren.

Zij is ook Magoggeltje, het kreupele oude vrouwtje, dat met een mandje met hemelse rozen op aarde komt, om telkens één kind uit de rij mee te lokken naar de hemelse weide! Als Moeder de Gans verschijnt ze, en als Lucia met de eend.’

Gelukkig heb je al die kennis niet nodig om met kinderen de kringspelletjes te spelen, te dansen en te zingen.
Dat er zoveel achter schuil kan gaan, ‘bewijzen’ in zekere zin de vele pogingen die er worden ondernomen om ze te verklaren.

.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3301-3107

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 25 september 1919

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.

De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Boeken, lesmateriaal gratis voor de kinderen van de Waldorf-Astoriafabriek?  Of werkt dat klassenverschil in de hand? [1]
Een klassenboek met een neerslag van wat de leerkracht heeft gedaan? [2]
Een klassenboek? O.a. voor absenties? [3]
Roddelen [4]
Terug naar een lagere klas of bijles? [5]
Goed op de kinderen letten: hebben ze goede ogen bv. [6]
Zorg ervoor het contact met de kinderen niet te verliezen [7]
Schrijven van niet-Nederlandse talen [8]
Zingen als je niet muzikaal bent [9]
koorzingen [10]
vrij godsdienstig onderwijs; wie geeft; onderwerpen [11]
is ochtendspreuk ‘gebed’? [12]
ongedisciplineerde klas: humor; gebruik van je stem [13]
iets over Griekse en Romeinse geschiedenis voor de leerlingen die er later bijkwamen [14]
samen pedagogische vraagstukken bespreken [15]
over straf [16]
geologie en Akasha-kromiek; Atlantis; ijstijden [17]
wet van behoud energie [18]
over planetenbewegingen [19]
absolute beweging en relatieve; relativiteitstheorie [20]
astronomie en planten [21]
.

RUDOLF STEINER
.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart
1919 bis 1924

Erster Band
Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1
Het eerste en tweede schooljaar
.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 69

Konferenz vom Donnerstag 25. September 1919, 8.30 Uhr

Vergadering donderdag 25 september 1919, 8.30u

Dr. Steiner: Meine lieben Freunde! Heute wird es sich darum handeln, daß Sie die in den letzten zehn Tagen gesammelten Erfahrungen vorbringen und wir das Nötige besprechen.

Dr. Steiner: Mijn beste vrienden! De taak van vandaag is dat u de ervaringen die u de afgelopen tien dagen heeft opgedaan, naar voren brengt en dat wij bespreken wat nodig is.

Stockmeyer (als Verwalter der Schule) berichtet: Wir haben den Unterricht
am 16. September angefangen mit einer kurzen Ansprache an die Schüler
durch Herrn Molt.
An dem Stundenplan, wie er hier verabredet war, mußte einiges geändert werden, weil die evangelischen und katholischen Religionslehrer zu den von unsfestgesetzten Stunden nicht Zeit haben. Es mußten auch einige Klassen zusammengelegt werden.
In den Unterricht von 8 — 10 mußte eine kleine Pause von fünf Minuten eingeschoben werden.

Stockmeyer (als schoolbeheerder) bericht:
We zijn de lessen op 16 september begonnen met een korte toespraak voor de leerlingen door de heer Molt.
In het lesrooster dat we hier afgesproken hadden, moest een en ander veranderd worden omdat de protestantse en katholieke godsdienstleraren op de uren die wij hadden vastgesteld, geen tijd hebben. Ook moesten sommige klassen worden samengevoegd.
In de lessen van 8 tot 10 moest een korte pauze van vijf minuten worden ingelast.

Dr. Steiner: Das kann gemacht werden. Aber was in der Zeit geschieht, muß im freien Ermessen des Lehrers stehen.

Dat kan. Maar wat er in die tijd gebeurt, moet ter beoordeling van de leraar zijn.

X.; Beim Sprachunterricht in den oberen Klassen stellte sich heraus, daß bei
einzelnen Kindern noch gar keine Sprachkenntnisse vorhanden sind. Deswegen müssen am Anfang statt eineinhalb Stunden nun drei englische und
drei französische Stunden gegeben werden. Es mußte auch ein Anfängerkurs
eingerichtet werden und einer für Fortgeschrittenere.

Tijdens de taallessen in de hogere klassen bleek dat verschillende kinderen nog helemaal geen taalvaardigheid hebben. Daarom moeten er in het begin in plaats van anderhalf uur nu drie Engelse en drie lessen Frans worden gegeven. Er moesten lessen voor beginners komen en voor wie al verder is.

Dr. Steiner: Was unterrichten Sie in der 8. Klasse?

Wat voor lessen geeft u in de 8e klas?

X.: Zinsrechnung in repetierender Weise; ich will jetzt zu Diskont- und Wechselrechnung übergehen.

Renteberekening, steeds herhalend; ik wil nu verder gaan met disconto en wisselberekeningen.

Dr. Steiner: Die beiden Lehrer der 7. und 8. Klasse müssen sich eben
fortlaufend miteinander verständigen, daß immer, wenn ein Lehrer
oder eine Lehrerin die Klasse verläßt, ein gewisser Abschluß vorhanden ist. Wenn er dann in die Klasse zurückkommt, muß wiederholt
werden. Ist es Ihnen in den paar Tagen schon gelungen, genau zu
wissen, wieviel die Schüler schon können?

De twee leraren van klas 7 en 8 moeten voortdurend met elkaar communiceren  dat altijd wanneer een leraar of een lerares de klas verlaat, er sprake is van een zekere afsluiting. Als hij terugkomt in de klas, moet hij het herhalen.
Is het u in die paar dagen al gelukt, precies te weten hoeveel de leerlingen al kunnen?

X.; Das konnte ich ungefähr schon feststellen.

Dat kon ik min of meer wel vaststellen. 

Dr. Steiner: Bei Ihrer beschränkten Schülerzahl ist dies ja wohl
möglich gewesen, aber die anderen werden es kaum gekonnt haben.
Man kann durchaus daran festhalten, daß Sie vielleicht ungefähr im
Mittel acht Tage nehmen zum Wechseln, aber es muß dann speziell so
eingerichtet werden, daß ein Kapitel abgeschlossen ist.

Bij een beperkt aantal leerlingen is dat wel mogelijk, maar de anderen zal het nauwelijks gelukt zijn. Je kan je er zeker aan houden dat je wellicht ongeveer gemiddeld 8 dagen neemt voor het wisselen, maar dan moet het wel zo speciaal geregeld worden, dat er een hoofdstuk afgesloten is. 

X.: In der 7. Klasse können sie wenig Geschichte.

In de 7e klas weten ze weinig van geschiedenis.

Blz. 70

Dr. Steiner: Sie werden wahrscheinlich in so etwas wie in der Geschichte in jeder Klasse von vorne anfangen müssen, denn eine ordentliche Geschichte wird keiner kennen. Die Kinder werden sich vielleicht das Landläufige angeeignet haben, aber eine ordentliche Geschichte, wie wir sie hier angedeutet haben, werden Sie bei niemand finden. Sie werden sie in jeder Klasse von vorne anfangen müssen.

Je zult waarschijnlijk in elke les bij zoiets als geschiedenis vanaf het begin moeten beginnen, want goede geschiedenis zal niemand kennen. De kinderen zullen misschien iets hebben geleerd van wat gebruikelijk is, maar een goede geschiedenis zoals wij hier hebben aangegeven, zal je bij niemand vinden. Daarmee zal je in iedere klas opnieuw moeten beginnen.

X.: Viele Eltern konnten sich nicht entscheiden, ob sie den freien Religionsunterricht oder ob sie evangelischen oder katholischen für ihre Kinder wählen wollten. Sie haben in den Fragebogen geschrieben „beides”. Sie möchten
wegen der Familie nicht auf die Konfirmation verzichten.

X.: Veel ouders konden niet beslissen of ze het vrije godsdienstonderwijs* wilden, of protestantse of katholieke lessen voor hun kinderen. Op de vragenlijst hebben ze ‘beide’ ingevuld. Ze wilden vanwege de familie de bevestiging niet weglaten.

Dr. Steiner: Da dürfen wir nicht nachgeben; entweder-oder. Wir werden über die Frage später noch extra sprechen.

We moeten niet toegeven; óf… óf. We zullen later meer over deze vraag praten.

X.: Es ergab sich eine wirtschaftliche Frage: Sollen die Schüler, die Schulgeld
zahlen, ihre Bücher selbst kaufen? Für die Kinder aus der Waldorf-AstoriaFabrik haben wir ja Lehrmittelfreiheit, und da könnten dann Kinder nebeneinander sitzen, der eine hat ein Buch, das er wieder abgeben muß, der andere kann es behalten. Das ist etwas, was die Klassengegensätze betont.

[1] X.: Er rees een economische vraag: moeten de leerlingen die schoolgeld betalen** hun boeken zelf kopen? Voor de kinderen uit de Waldorf-Astoria*** fabriek hebben we vrij lesmateriaal^ en nu zouden er kinderen naast elkaar kunnen zitten, waarbij de een een boek heeft dat hij terug moet geven en de ander het mag houden. Dit is iets dat de klassenverschillen benadrukt.

Dr. Steiner: In dieser Form kann es nicht gemacht werden, daß die
Kinder die Bücher kaufen und behalten. Es kann nur so gemacht
werden, daß man für die Eltern, die das Schulgeld bezahlen, dies
Schulgeld um die Lehrmittelpreise erhöht; es im übrigen aber so hält,
wie mit den anderen Kindern. Also die Bücher müssen zurückgegeben werden wie bei den anderen.

In deze vorm dat de kinderen de boeken kopen en dan houden, kan dat niet. Het kan alleen zo dat we voor de ouders die schoolgeld betalen, dit verhogen met de prijs van de leermiddelen; maar verder blijft het net als bij de andere kinderen. De boeken moeten dus net als bij de anderen teruggegeven worden.

X.: Soll das auch auf Hefte und solche Dinge ausgedehnt werden? Hier in
Stuttgart ist das Usus geworden. Und wie soll es mit Atlanten und Zirkeln
gehalten werden?

X.: Moet dit ook worden uitgebreid naar schriften en dergelijke? Hier in
Stuttgart is dat de norm geworden. En hoe zit het met atlassen en passers?

Dr. Steiner: Es würde natürlich das beste sein bezüglich der Hefte
und Ähnlichem, wenn für jede Klasse ein Vorrat angeschafft würde,
und die Kinder gezwungen wären, wenn sie ein Heft ausgeschrieben
haben, zum Lehrer zu kommen, um ein neues zu bekommen, damit
Rechnung getragen werden könnte dem Umstand, daß das eine Kind
mehr Hefte braucht als das andere. Es müßte also ein Vorrat von
Heften vorhanden sein, und die Hefte nach Bedarf von dem Lehrer
den Kindern gegeben werden.
Für Zirkel und dergleichen, da reißen natürlich auch Unsitten ein,
wenn man es bloß in den Willen der Kinder stellt, was sie sich kaufen
oder nicht kaufen sollen. Diejenigen, die mehr Geld haben, die kaufen dann bessere Sachen. Das ist auch eine Kalamität. Es wäre schon
vielleicht nicht schlecht, wenn man es auch da so machen würde, daß

Natuurlijk zou het het beste zijn als het om schriften gaat en dergelijke, als er voor elke klas een voorraad zou worden aangeschaft en de kinderen dan verplicht zijn, als ze een schrift hebben volgeschreven, naar de leraar te gaan om een ​​nieuwe te halen, dus dat er rekening kan worden gehouden met het feit dat het ene kind meer schriften  nodig heeft dan het andere. Er zou dus voorraad moeten zijn en dat de schriften als ze nodig zijn door de leraar aan de kinderen gegeven worden.
Voor passers en dergelijke zijn er natuurlijk slechte gewoonten ontstaan, als je het maar aan de wil van de kinderen overlaat wat ze kopen of niet moeten kopen. Wie meer geld heeft, koopt betere dingen. Ook dit is een ramp. Het zou fijn zijn als je het ook zo zou doen

Voetnoot:
*zie inleiding 35-39
**zie inleiding 21,22
***zie inleiding 19-25
^zie inleiding 21
.

Blz. 71

das ganze Handwerkzeug der Schule gehört, und die Kinder es nur
zum Benützen bekommen.
Für den Atlas würde ich etwas anderes vorschlagen: Daß eine Art
Fonds gestiftet würde für solche Dinge, und daß die Atlanten, die
während des Jahres gebraucht werden, ebenso behandelt werden wie
die anderen Lehrmittel. Dagegen sollte beim Abgang von der Schule
jedes Kind einen Atlas bekommen. Das wäre außerdem eine sehr
schöne Sache, wenn die Kinder beim Abgang das eine oder andere
bekommen würden. Vielleicht könnte man diese Dinge sogar als
Prämie für Fleiß geben: ein größeres, schöneres Buch dem, der mehr
geleistet hat; ein kleineres dem, der weniger geleistet hat; und dem,
der faul war, vielleicht nur eine Landkarte. Das ist etwas, was man
tun könnte; es darf nur nicht zu weit führen.

dat al het handgereedschap van school is en dat de kinderen het alleen gebruiken.
Voor de atlas zou ik iets anders willen voorstellen: dat voor zulke dingen een fonds wordt gesticht en dat het met de atlassen die gedurende het jaar gebruikt worden net zo gaat als met de overige lesmaterialen. Anderzijds krijgt ieder kind aan het begin van de school een atlas. Het zou bovendien heel mooi zijn als de kinderen als ze weggaan*, het een of ander zouden krijgen. Misschien kunnen we dit soort dingen zelfs als een vorm van beloning voor hard werken geven: een groter, mooier boek voor wie meer heeft gedaan; een kleinere voor degene die minder gepresteerd heeft; en voor wie lui was, misschien gewoon een kaartje van een land. Dit is iets wat je zou kunnen doen; het moet gewoon niet te ver gaan.

X.: Wie sollen wir es handhaben mit den Büchern für den konfessionellen
Religionsunterricht? Bisher gab es da auch Lehrmittelfreiheit. Nach der
neuen Verfassung wird es voraussichtlich nicht mehr so sein. Es war bei uns
gemeint worden, daß die Kinder diese Bücher selbst anschaffen sollten, und
daß auch der Unterricht des Pfarrers besonders bezahlt werden müßte.

X.: Hoe moeten we het doen met de boeken voor het confessionele godsdienstonderwijs? Tot nu toe was er ook vrijheid in lesmateriaal. Met de nieuwe grondwet**zal dit waarschijnlijk niet langer het geval zijn. Het was de bedoeling dat de kinderen deze boeken zelf zouden kopen, en dat het onderwijs van de priester ook apart betaald zou moeten worden.

Dr. Steiner: Ich habe nichts dagegen, daß es so gemacht wird. Ich
würde nur meinen, daß wir zunächst für dieses Jahr, damit alles ohne
Reibung abläuft, uns erkundigen sollten, wie es andere Schulen
machen. In der Zukunft werden wir schon zu einem eigenen Modus
kommen, aber in diesem Jahr sollten wir es so machen wie die anderen Schulen. Wir müssen uns nach den öffentlichen Schulen richten.
Wenn diese noch nicht verlangen, daß die Religionsbücher bezahlt
werden und der Unterricht bezahlt wird, dann müssen wir auch warten, bis die es verlangen. Das würde uns schon viel helfen, wenn wir
sagen würden, wir machen es genauso wie die anderen öffentlichen
Schulen.

Ik heb er niets op tegen dat het op die manier gebeurt. 
Ik denk gewoon dat we in eerste instantie dit jaar zonder dat het ergens gaat wringen, eens zouden moeten navragen hoe andere scholen dat doen.
In de toekomst zullen we wel onze eigen manier vinden, maar dit jaar moeten we het net als de andere scholen doen. We moeten naar de openbare scholen kijken.
Als zij nog niet eisen dat de boeken voor het godsdienstonderwijs betaald worden en de lessen worden betaald, dan moeten we wachten tot zij dat gaan vragen. Het zou ons enorm helpen als we zouden zeggen dat we het net als de andere scholen doen.

X.: Sollen wir uns da nach den höheren Schulen richten?

X.: Moeten we de hogere scholen volgen?

Dr. Steiner: Nein, die Volksschule kommt für uns in Betracht.

Nee, we moeten naar de basisschool kijken.
X.: Es ist darin noch nichts festgelegt.

X.: Daar is nog niets vastgelegd.

Dr. Steiner: Ja, ich würde es machen nach dem Usus der Volksschule. Denn die sozialistische Regierung wird zunächst nichts tun, sondern alles beim alten lassen. Sie wird Gesetze machen, aber alles beim alten lassen.

Ja, ik zou het doen volgens de praktijk van de basisschool. Want de socialistische regering zal aanvankelijk niets doen, maar alles bij het oude zal laten. Die zal wetten maken, maar alles bij het oude laten.

X.: Es scheint sich zu empfehlen, eine Art Klassenbuch zu führen. Natürlich
nicht so, wie es sonst üblich ist, sondern für Eintragungen in ganz freier Weise, so daß jeder Lehrer sich über die Arbeit der anderen Lehrer ein wenig orientieren kann.

[2] X.: Het lijkt raadzaam om een ​​soort klassenregister bij te houden. Natuurlijk
niet op de gebruikelijke manier, maar voor bijdragen op een heel vrije manier, zodat elke leraar iets over het werk van de andere leerkrachten kan zien.

Voetnoot:
*het voorstel is niet ten uitvoer gekomen
**zie inleiding 28,29
.

Blz. 72

Dr. Steiner: Ja, schreibt man etwas Ordentliches hinein, so braucht
man Zeit. Das ist dann die Zeit, die zu den Allotria der Kinder führt.
In der Zeit, in der man als Lehrer mit den Kindern zusammen ist,
sollte man nie irgend etwas anderes machen. Ich meine also, man ist
nicht im Klassenzimmer darinnen, wenn man eine Tätigkeit ausübt,
die sich nicht auf die Kinder bezieht. Wenn man das Zimmer betritt,
ist man mit den Kindern, bis man weggeht, und man sollte ihnen
nicht einen Augenblick Veranlassung geben, etwa durch Eintragung
ins Klassenbuch oder dergleichen, untereinander zu schwätzen und
abgezogen zu werden.
Viel besser ist es, diese Fragen unter sich zu erledigen. Wir setzen ja
voraus, daß die Klassenlehrer keine Händel kriegen, sich sehr lieb
haben und sich mündlich besprechen. Wer mit einer Klasse zu tun
hat, bespricht sich mit den anderen, die auch damit zu tun haben.
Und was sich die einzelnen aufschreiben wollen, das machen sie
außerhalb des Unterrichts. Nichts, gar nichts machen in den Unterrichtsstunden, was vom unmittelbaren Verkehr mit den Kindern
abzieht.

Ja, als je er iets zinnigs in wil schrijven, heb je tijd nodig. Dit is dan de tijd die bij de kinderen tot allerlei lollige afleiding leidt.
Gedurende de tijd dat je als leerkracht bij de kinderen bent, moet je nooit iets anders doen. Dus ik bedoel, dat je niet in de klas bent als je een activiteit doet, die niet op de kinderen betrekking heeft. Wanneer je de klas binnenkomt, ben je op de kinderen betrokken tot je weggaat en je moet ze geen ogenblik een aanleiding geven, bijvoorbeeld door iets in een klassenboek te schrijven* of iets dergelijks, om met elkaar te gaan kletsen en afgeleid te worden.
Het is veel beter om deze vragen onderling af te handelen. Wij gaan ervan uit dat de leraren geen ruzie met elkaar hebben, elkaar erg graag mogen en het mondeling bespreken. We een klas heeft, bespreekt het met de anderen die ook die klas hebben.
En wie wat wil opschrijven, moet dat zeker doen, buiten de lessen. Niets, maar dan ook niets moet je in de klas doen, wat je afhoudt van het directe contact met de kinderen.

X.: Vielleicht kann man das in der Pause machen?

X.: Misschien kun je dat tijdens de pauze doen?

Dr. Steiner: Wozu ist es denn nötig, immer einzutragen? Erstens
muß es eingetragen werden, zweitens muß es der andere lesen. Das ist
ein Zeitaufwand, der verlorengeht für den Verkehr mit den Schülern.

Waarom is het nodig om steeds maar wat bij te dragen? In de eerste plaats moet het gedaan worden, ten tweede moet de andere persoon het lezen. Dat is
tijd die verloren gaat voor het contact met de kinderen.

X.: Soll man auch nicht eintragen, wenn Schüler fehlen?

[3] X.: Moet je ook niet opschrijven als kinderen er niet zijn?

Dr. Steiner: Das ist ja eigentlich auch etwas, was man nicht braucht.

Dat is eigenlijk ook iets wat niet nodig is.

Omdat de leerplichtwet voorschrijft dat de kinderen op school horen te zijn, moet de school weten welke kinderen er niet zijn en waarom. Dat moet dus worden gemeld, met de reden.
Op zeker ogenblik hebben wij op een school waar veel kinderen uit de omgeving op zaten, ingesteld om bij niet gemelde afwezigheid de ouders zelf te bellen over het afwezige kind. Als dit wel van huis is vertrokken, maar niet aangekomen, moeten ouders dit meteen weten. 
Ook is het goed dat de leerkracht een absentie aantekent. Zo weet je welk kind welke stof heeft gemist. 
Als bijkomstigheid merk ik nog op dat ik wanneer een kind langer afwezig was, andere kinderen het periodeschrift van dat kind liet bijhouden, zodat er niet een te grote inhaalslag gemaakt moest worden bij terugkeer. 

X.: Nur wenn ein Kind länger fehlt, müßte man sich erkundigen, was los ist.

X.: Alleen als een kind er langere tijd niet is, moet je uitzoeken wat er aan de hand is.

Dr. Steiner: Das kann bei einer nicht allzu großen Klasse auch
mündlich abgemacht werden im Verkehr mit den Schülern. Man kann
ja fragen, wer fehlt, und es sich dann eintragen ins eigene Notizbüchlein. Das ist etwas, was man tun kann. Es wird ja sonst in den Schulen
in die Zeugnisse eingetragen, wieviel ein Kind gefehlt hat, aber wir
brauchen dafür kein Klassenbuch.

Dat kan bij een niet zo grote klas ook mondeling worden afgehandeld in het contact met de kinderen. Je kan vragen wie er niet is en dat opschrijven in je eigen notitieboekje. Dit is iets wat je kan doen. Anderzijds wordt het op scholen in het rapport geschreven hoeveel een kind absent was, maar wij hebben daar geen klassenboek voor nodig.

X.: Es war notwendig, den Schülern das Klettern auf den Kastanienbäumen
zu verbieten. Wir wollen aber möglichst wenig Verbote geben.

X.: Het was noodzakelijk de kinderen te verbieden in de kastanjebomen te klimmen. Maar we willen zo min mogelijk verbieden.

Dr. Steiner: Es ist sehr notwendig, daß wir uns darüber klar sind, daß
wir in die Schule herein nicht lauter Engel bekommen. Das darf uns
in keinem Falle hindern, unseren Ideen und unseren Idealen nachzugehen. Diese Dinge dürfen uns nicht dazu führen, auch nur zu

Het is zeer noodzakelijk dat we het duidelijk voor ons is, dat we niet alleen
engeltjes op school krijgen. Dat mag ons er op geen enkele manier van weerhouden naar onze ideeën en idealen te werken. Deze dingen mogen ons er niet toe brengen dit zelfs maar te

Voetnoot:
*absenties in een klassenboek schrijven werd later noodzakelijk gevonden om aan te kunnen tonen of een leerling op een bepaalde dag aanwezig was.
.

Blz. 73

denken: wir können nicht erreichen, was wir uns vorgenommen
haben. Wir müssen immer klar vor uns haben auf der einen Seite, daß
wir das, was in den Intentionen liegt, die wir im Kursus durchgeführt
haben und auch sonst, verfolgen. Wieviel wir davon nicht erreichen,
ist eine andere Frage; die müssen wir für sich behandeln und von Zeit
zu Zeit genau besprechen. Heute ist noch zu kurze Zeit vergangen.
Sie werden nur sagen können, wie stark die Rangenhaftigkeit zum
Ausbruch gekommen ist.
Aber eines möchte ich Sie doch bitten, daß Sie es recht berücksichtigen. Das wäre das, daß wir als Lehrerschaft selbst — was die anderen machen durch die Kinder, das ist eine Sache für sich —, daß wir als Lehrerschaft versuchen, möglichst nicht unsere Schulangelegenheiten in die Öffentlichkeit hinauszutragen. Ich bin jetzt erst seit Stunden wieder da, aber ich habe schon so viel Geschwätz gehört, wer eine Ohrfeige gekriegt hat und so weiter; es geht schon ins Grenzenlose, dieses Geschwätz durch die Leute hindurch, daß es mir
schrecklich war. Nicht wahr, wir brauchen uns nicht zu kümmern, wenn es durch alle möglichen unrichtigen Fugen herauskommt. Da sind wir harthäutig dagegen; aber tragen wir nur ja nicht selber dazu bei. Schweigen wir über alles das, was wir handhaben in der Schule.
Halten wir uns an eine Art Schulgeheimnis. Reden wir nicht zu den
Außenstehenden, außer zu den Eltern, die mit Fragen zu uns kommen, und da wiederum immer nur über die eigenen Kinder, daß nicht zu Geschwätzen Veranlassung gegeben wird. Es gibt Leute, die reden aus Sensationslust und mit Wollust über solche Dinge. Das ist Gift für
unsere ganze Unternehmung, wenn sie in dieser Weise in Klatsch übergeht. Das ist ja leider besonders in Stuttgart, daß viel in anthroposophischen Kreisen geklatscht wird. Das ist auch, was uns viel schadet, dieser Klatsch, der mir in widerwärtiger Weise schon entgegengetreten ist, und der von uns Lehrern nicht in irgendeiner Weise
unterstützt werden darf.

denken dat we  niet kunnen bereiken wat we ons hebben voorgenomen. Enerzijds moeten we altijd duidelijk hebben wat de intenties zijn die we in de cursus* hebben uitgevoerd en dus nastreven. Hoeveel daarvan we niet bereiken, is een andere vraag; die moeten we op zich aan de orde stellen en van tijd tot tijd uitvoerig bespreken. Er is nu nog te weinig tijd verstreken.
Je kan alleen maar zeggen hoe sterk de baldadigheid zich is gaan uiten.

[4] Maar er is één ding dat ik u zou willen vragen om rekening mee te houden. Dat is dat wij als leraren zelf – wat de anderen via de kinderen doen, is een zaak op zich – dat wij als onderwijzend personeel zoveel mogelijk proberen onze schoolzaken niet naar buiten brengen.
Ik ben nog maar een paar uur hier of ik heb al zoveel gepraat gehoord, wie een draai om z’n oren heeft gekregen, en zo; het wordt oeverloos, dit geklets onder de mensen vind ik vreselijk. We hoeven ons geen zorgen te maken, niet waar,
wanneer het via allerlei verkeerde lekken naar buiten komt. Daar zijn we tegen gepantserd; maar wij doen er niet aan mee. Laten we zwijgen over alles wat we op school doen.
Laten we een soort schoolgeheim bewaren. Laten we niet praten met buitenstaanders, behalve met de ouders die met vragen bij ons komen, en dan alleen maar over hun eigen kinderen, dat er geen aanleiding wordt gegeven tot roddels. Er zijn mensen die praten uit sensatiezucht en met een verlangen naar zulke dingen. Het is vergif voor onze hele onderneming als ze op deze manier tot roddel wordt. Helaas wordt er vooral in Stuttgart veel geroddeld in antroposofische kringen. Dat doet ons ook veel afbreuk; dit soort roddels ben ik al op een walgelijke manier tegengekomen, ze zijn schadelijk en door ons leraren hoeven die op geen enkele manier onderbouwd te worden.

X.: In einzelnen Fällen wird es vielleicht nötig sein, unbegabte Kinder in niederere Klassen zurückzuversetzen. Oder soll man empfehlen, diesen Kindern
Nachhilfestunden geben zu lassen?

[5] X.: In individuele gevallen kan het nodig zijn om zwakke leerlingen terug te zetten naar lagere klassen. Of moet je deze kinderen bijles geven?

Dr. Steiner: Das Zurückversetzen ist natürlich bei niedrigeren Klassen schwieriger; bei höheren wird es sich leichter machen lassen. In
den ersten zwei Klassen sollte man möglichst nicht zurückversetzen.

Terugplaatsen is natuurlijk moeilijker in de lagere klassen; bij hogere zal het gemakkelijker gaan. Als het enigszins mogelijk is moet je in de eerste twee klassen niet terugzetten.

Es werden einzelne Fälle besprochen.

Er worden individuele gevallen worden besproken.

Dr. Steiner: Nachhilfestunden sind technisch nie zu empfehlen. Nur
in den Fällen, wo die Eltern selbst an uns herankommen, wenn sie

Bijles geven is technisch gezien nooit aan te bevelen. Alleen
in gevallen waarin de ouders ons zelf benaderen wanneer zij

Voetnoot:
*de voordrachten in augustus/september 1919
.

Blz. 74

von schlechten Erfolgen hören, kann man ihnen zu Nachhilfestunden raten. Wir selber als Lehrer werden nicht Nachhilfestunden
geben. Das tun wir nicht. Da würde es dann noch besser sein, ein
Kind herunterzuschieben in eine andere Klasse.

over slechte resultaten horen, zou je ze de bijles kunnen aanraden. Wijzelf als leraren geven geen bijles. Dat doen wij niet. Dan zou het nog beter zijn
het kind in de lagere klas te plaatsen.

X. spricht über zwei Kinder in der 4. Klasse, die beschränkt sind.

X. vertelt over twee kinderen in de 4e klas met beperkte vermogens.

Dr. Steiner: Diese Kinder müssen ganz nach vorn in die Nähe des
Lehrers gesetzt werden, unbeschadet des Temperaments, damit sie
jeden Augenblick im Auge behalten werden.
Rabiate Kinder kann man dadurch bei der Stange halten, daß man sie
an die Ecken setzt oder ganz vorne oder ganz hinten hin, damit sie
weniger Nachbarn haben, keine Vorder- und Hintermänner.

Deze kinderen moeten helemaal naar vooraan, vlakbij de
leerkracht, ongeacht hun temperament, zodat ze ieder ogenblijk gezien worden.
Drukke kinderen kun je in het gareel houden door ze op de hoeken te laten zitten
of helemaal vooraan of helemaal achteraan zodat ze
minder buren hebben en geen klasgenoten voor en achter hen.

X.: Manchmal sehen Kinder nicht richtig. Ich kenne Kinder, die nur deshalb
zurückblieben, weil die weitsichtig waren, und man das nicht beachtete.

[6] X.: Soms zien kinderen niet goed. Ik ken kinderen die alleen maar achter raakten, omdat ze verziend waren en daar werd geen rekening mee gehouden.

Dr. Steiner: Das muß der aufmerksame Lehrer auch sehen, wo bei den Kindern Organfehler vorliegen wie Kurzsichtigkeit oder Schwerhörigkeit. Es ist schwierig, auf alles hin ärztliche Untersuchungen anzustellen. Nur wenn der Lehrer es angibt, sollte eine solche stattfinden.
Durch die schulärztlichen Untersuchungen, wie sie an den Schulen üblich sind, kommen wir zu stark in das Sachverständigensystem hinein. Wir wollen jetzt lieber von einem Schularzt absehen, da ja Herr Dr. Noll nicht hier sein wird; das würde etwas anderes sein.
Jeder fremde Arzt würde uns Schwierigkeiten bereiten. Der Arzt sollte selbstverständlich der Berater der Lehrer sein, und der Lehrer sich vertrauensvoll an ihn wenden können, wenn er etwas bei seinen
Kindern bemerkt.
Bei beschränkten Kindern ist es ja oftmals so, daß plötzlich etwas bei
ihnen aufspringt; sie bessern sich oft ganz plötzlich. Ich werde morgen der Schule einen Besuch machen und werde mir dann die einzelnen Kinder, besonders die beschränkten, daraufhin ansehen.

De oplettende leraar moet ook zien of de kinderen orgaanafwijkingen hebben zoals bijziendheid of doofheid.
Het is moeilijk om voor alles een medisch onderzoek te laten doen. Dit kan alleen als de leerkracht dit aangeeft.

Door de medische onderzoeken op school*, zoals die op scholen vaak voorkomen, raken we te veel betrokken bij het expertisesysteem.
We willen nu liever geen schoolarts hebben, want ja dr. Noll** is er nu niet; dan zou het anders zijn.
Elke van buiten komende arts zou ons voor problemen stellen. De dokter moet natuurlijk de adviseur van de leraar zijn en deze moet in het volste vertrouwen bij hem terecht kunnen als hij iets bij de kinderen opmerkt.
Bij beperkte kinderen komt het vaak voor dat er ineens iets in hen gebeurt; vaak vrij plotseling gaat het beter. Ik zal morgen de school bezoeken en dan naar de individuele kinderen kijken, vooral de beperkte kinderen.

X.: Meine 5. Klasse ist sehr groß und sehr verschiedenartig. Es ist sehr schwer, sie miteinander zu unterrichten und besonders, sie ruhig zu halten.

X.: Mijn 5e klas is heel groot en heel divers. Het is heel moeilijk om ze
met elkaar iets te leren en vooral rustig te houden.

Dr. Steiner: Bei dieser Stärke einer Klasse muß man nach und nach
immer mehr versuchen, die Klasse als Chor zu behandeln, und
nicht einzelne unbeschäftigt zu lassen. Also mehr die ganze Klasse
zusammen behandeln. Deshalb haben wir ja die lange Geschichte
mit den Temperamenten gemacht.
Das Begabtsein oder Unbegabtsein beruht ja manchmal auf einem

Bij zo’n soort klas moet je geleidelijk aan steeds meer proberen de klas als een koor te behandelen en er niet een paar niet aan te spreken. Dus meer de hele klas
samen behandelen. Daarom hebben we zo lang stilgestaan bij de temperamenten.***
Begaafd zijn of niet, hangt soms af van

Voetnoot:
*zie inleiding blz. 30
**Dr. Noll, 1872-1930, leerling van Steiner, arts in Kassel, was aanwezig bij de pedagogische cursus en de eerste tijd ook op de school.
***zie GA 295 voordrachten 1 – 5. Vertaald.
.

Blz. 75

rein psychischen Unterschied. Die Kinder bringen oft nur nicht heraus, was sie in sich haben, und es wäre sehr ungerecht, die Kinder, die in dem richtigen Alter sind für diese Klasse (zehn- bis elfjährig), nicht mitkommen zu lassen. Es wird ja immer darunter welche geben, die in dem einen oder anderen Fache schwach sind. Es sind das oft Fehler, die dann auf einmal aufhören. Solche Fehler schleppen sich fort durch das kindliche Alter bis zu einem gewissen Schuljahr, und dann, wenn das Pünktlein aufspringt, werfen die Kinder plötzlich die Fehler ab. Daher soll man die Kinder nicht zurücklassen. Gerade diese Schwierigkeit mit den Begabten und Unbegabten, die müssen wir überwinden. Wenn wir allerdings die Überzeugung haben, daß sie das Lehrziel der letzten Klasse nicht erreicht haben, dann müssen wir sie natürlich zurückschieben. Aber, das bitte ich Sie wohl zu unterscheiden, wir werden sie dann nicht als Unbegabte behandeln. Wenn Sie also solche haben, die das Lehrziel der letzten Klasse wirklich nicht erreicht haben, dann schieben Sie sie herunter. Sie müssen dies aber sehr bald tun.
Man sieht an einem Fach aber nie genau, ob das Lehrziel erreicht ist
oder nicht; man darf da nie nach einzelnen Fächern gehen. Das Heruntersetzen müßte aber noch im ersten Vierteljahr erfolgen. Die Lehrer müssen die früheren Zeugnisse ihrer Schüler natürlich bekommen. Aber ich bitte, immer durchaus streng zu beachten, daß wir nicht, um einen Schüler rascher beurteilen zu können, nun zum üblichen Stundenplansystem übergehen dürfen. Immer erst ein Kapitel fertig machen, auch wenn es dann etwas länger dauert, bis die
Beurteilung möglich ist. Beim Zurückversetzen werden die einzelnen Fälle genau geprüft werden müssen; man kann da nichts generaliter durchführen. Man darf da nichts leichtherzig tun, sondern nur nach strenger Prüfung, und
was man wirklich verantworten kann.
Zu der Frage der Zurückversetzung solcher Kinder, bei denen das Lehrziel der vorigen Schule nicht erreicht ist, wäre noch zu sagen, daß man selbstverständlich mit den Eltern sprechen muß. Die Eltern müssen einverstanden sein. Man darf natürlich den Eltern nicht sagen, daß ihre Kinder blöde sind, sondern man muß ihnen beweisen können, daß sie in der früheren Schule das Lehrziel der letzten Klasse nicht erreicht haben, trotz des Zeugnisses. Das muß beweisbar sein. Es muß aber ein Defekt der früheren Schule sein, nicht ein Defekt der Kinder, um die es sich handelt. 

een puur psychisch verschil. De kinderen laten vaak gewoon niet zien wat ze in zich hebben en het zou heel fout zijn om de kinderen die de juiste leeftijd hebben voor deze klas (tien- tot elfjarigen) niet mee te laten gaan. Er zullen er altijd zijn die zwak zijn in het ene of het andere vak. Vaak zijn er fouten die dan ineens ophouden. Dergelijke fouten gaan in de kindertijd maar door, tot in een bepaald schooljaar en dan, als het dekseltje van het doosje wipt, gooien de kinderen plotseling de fouten van zich af. Daarom mag men de kinderen niet laten zitten. Precies deze moeilijkheid met begaafde en zwakke kinderen moeten we overwinnen.
Als we er echter van overtuigd zijn dat ze het leerdoel van de laatste klas nog niet hebben bereikt, dan moeten we hen natuurlijk wel terugplaatsen. Maar ik zou u willen vragen onderscheid te maken, dan gaan we hen niet als zwakkeren behandelen. Dus als je er bij hebt die echt niet voldoen aan het leerdoel van de laatste klas, dan zetten we hen terug. Maar dat moet je dan heel spoedig doen.
Bij een vak kun je nooit precies zien of het leerdoel is bereikt of niet; je kunt nooit de aparte vakken nemen. Het terugzetten zou echter in het eerste kwartaal van het jaar moeten plaatsvinden. De leraren moeten natuurlijk de vroegere rapporten van hun leerlingen ter hand gesteld worden Maar ik vraag om altijd strikte aandacht te besteden aan het feit dat we nu niet om een ​​leerling sneller te kunnen beoordelen, overgaan op het gebruikelijke durenleerplan. Sluit altijd eerst een hoofdstuk af, ook als het iets langer duurt, tot beoordeling mogelijk is.
Bij het terugplaatsen zullen de individuele gevallen zorgvuldig moeten worden onderzocht; je kan niet iets in het algemeen doen. Je mag niets lichtvaardig doen, maar alleen na gedegen onderzoek en waar jij werkelijk verantwoordelijk voor kan zijn.
Over de kwestie van het terugzetten van zulke kinderen die het leerdoel van de vorige school niet hebben behaald, moet ook nog worden gezegd dat je natuurlijk met de ouders moet praten. De ouders moeten akkoord gaan. Natuurlijk kun je  niet aan de ouders vertellen dat hun kinderen dom zijn, maar je moet kunnen bewijzen dat ze op de vorige school het leerdoel van het laatste leerjaar niet hebben gehaald, ongeacht de rapporten. Dit moet aantoonbaar zijn. Maar het moet een tekort van de vorige school zijn, geen tekort van de kinderen in kwestie.

Blz. 76

X.: Kann man auch hinaufschieben in eine höhere Klasse? Ich habe in der
7. Klasse zwei Kinder, die, wie mir scheint, gut in die 8. Klasse übergehen
könnten.

X.: Kun je doorstromen naar een hogere klas? Ik heb twee kinderen in de 7e die volgens mij goed naar de 8e kunnen.

Dr. Steiner: Ich würde das am Zeugnis prüfen. Wenn Sie es aber
verantworten können, kann es sehr gut gemacht werden. Gegen das
Hinaufschieben in eine andere Klasse habe ich nichts. Das kann sogar
auf die andere Klasse wirken, in die die Kinder hineinkommen.

Ik zou dat op het rapport controleren. Als u er echter voor verantwoordelijk kan zijn, kan dat heel goed worden gedaan. Ik heb niets tegen doorstromen naar een andere klas. Dat kan zelfs invloed hebben op de andere klas waarin de kinderen komen.

X.: Es wäre doch wohl in der 7. Klasse nicht so erwünscht. Jetzt werden wir
sie noch zwei Jahre zur Erziehung haben. Wenn wir sie heraufsetzen, haben
wir sie nur noch ein Jahr.

X.: In klas 7 is het waarschijnlijk niet zo wenselijk. Nu hebben we hen nog twee jaar voor de opvoeding. Als we ze door laten stromen, hebben we hen nog maar één jaar.

Dr. Steiner: Deswegen, weil wir die Kinder hinaufschieben, könnten wir sie doch auch noch zwei Jahre haben. Wir entlassen sie nicht, sondern behalten sie auch das nächste Jahr nochmals in der 8. Klasse. Wenn sie das Alter in der 7. Klasse schon erreicht haben, nimmt man sie uns ja doch fort. Bei uns wird der Unterricht nicht so pedantisch sein, so daß er doch jedes Jahr eine große Verschiedenheit aufweist, namentlich in der Behandlung. Und das nächste Jahr, da werden wir doch schon viel „erleuchteter” sein als dieses Jahr, so daß es ganz gut zu machen ist, daß wir Kinder, die wir jetzt in der letzten Klasse haben, auch das nächste Jahr noch in der letzten Klasse haben.
Es ist doch schon so: Dieses erste Jahr wird so ein Probejahr sein, namentlich für die Lehrerschaft. Das liegt mir sehr auf der Seele. Auf die Lehrerschaft kommt alles an! Von Ihnen, liebe Freunde, wird es abhängen, ob die Ideale verwirklicht werden können. Es kommt wirklich darauf an, daß wir selber am meisten lernen.

Omdat we de kinderen door kunnen laten stromen, zouden we ze ook wel twee jaar kunnen houden. Ze hoeven niet weg, ze kunnen toch ook het komend jaar nog in de 8e blijven. Als ze de leeftijd van de 7e klas al hebben bereikt, halen ze ze toch bij ons weg. Bij ons is het onderwijs niet zo schoolmeesterachtig, zodat er elk jaar toch een grote variatie is, vooral in hoe we het doen. En het jaar daarop
zullen we veel meer ‘verlicht’ zijn dan dit jaar, zodat het heel goed te doen is, dat wij kinderen die wij nu in de laatste klas hebben, volgend jaar dan ook in de laatste klas hebben.
Het is toch zo: dit eerste jaar is een soort van proefjaar, vooral voor het onderwijzend personeel. Dit is heel belangrijk voor mij. Op de leerkrachten komt alles aan!
Voor de docenten is alles belangrijk! Van u, beste vrienden, zal het afhangen of de idealen verwezenlijkt kunnen worden. Het komt er werkelijk op aan, dat wij het meeste leren.

X.: Ich habe in der 6. Klasse ein Kind, das wirklich sehr minderbegabt ist. Es
stört aber den Unterricht nicht, es hat sich sogar eigentlich für die anderen
vorteilhaft erwiesen, daß es da ist. Ich möchte versuchen, es zu behalten.

X.: Ik heb een kind in groep 6 dat echt heel onbegaafd is. Het verstoort de les echter niet; het is eigenlijk voor de anderen gunstig gebleken dat het er is. Ik wil proberen het te houden.

Dr. Steiner: Wenn das Kind die anderen nicht stört und wenn Sie
glauben, doch noch etwas mit ihm erreichen zu können, dann würde
ich meinen, daß Sie es in der Klasse behalten müssen. Es ist immer ein
Ereignis, wenn wir jetzt umschieben. Lieber behalten! Gewisse Unterschiede können wir sogar benützen; wir haben ja darüber eingehend gesprochen.

Als het kind de anderen niet stoort en als u gelooft dat er nog iets met hem te bereiken valt, denk ik dat u het in de klas moet houden. Het is altijd een gebeurtenis als we nu veranderen. Liever zo laten! We kunnen zelfs bepaalde verschillen gebruiken; we hebben er uitgebreid over gesproken.

X.: Ich habe in der 8. Klasse einen Knaben, der melancholisch ist und zurückgeblieben. Den möchte ich in die 7. zurückschieben.

X.: Ik heb een jongen in de 8e klas die melancholisch is en achter. Ik wil die graag terugzetten naar de 7e.

Dr. Steiner: Das müßte aber so gemacht werden, daß Sie das Kind
dahin bringen, daß es sein eigener Wille ist, zurückversetzt zu wer-

Maar het zou wel zo moeten gebeuren dat je het kind zover krijgt, dat het zijn eigen wil is om teruggeplaatst te worden.

Blz. 77

den. Sie müßten so mit ihm sprechen, daß Sie zuletzt seinen Willen
dahin dirigieren, daß das Kind selber darum bittet. Nur nicht barsch
zurückversetzen.

U zou zo met hem moeten praten dat je uiteindelijk zijn wil naar het punt leidt,
dat het kind er zelf om vraagt. Niet zomaar zonder meer terugzetten.

X.: In der 7. Klasse sind die Unterschiede sehr groß.

X.: In de 7e klas zijn de verschillen heel groot.

Dr. Steiner: Wenn Sie in der 7. und 8. Klasse nur fertigkriegen, daß
die Kinder das Autoritätsgefühl nicht verlieren! Das ist das allernotwendigste. Das erreicht man aber am besten dadurch, daß man auf
die Art, wie die Kinder sind, in höchst vorsichtiger Weise eingeht und
sich doch wiederum gar nichts vergibt. Also nicht bei den Kindern
wie ein Pedant erscheinen, nicht wie einer, der Lieblingsmeinungen
hat. Man muß den Kindern scheinbar nachgeben, in Wirklichkeit
aber gar nichts nachgeben. Gerade in dem 7. und 8. Schuljahr
kommt es sehr, sehr auf die Art der Behandlung an. Da darf man sich
in keiner Minute etwas vergeben, so daß die Kinder nicht hinausgehen und über den Lehrer spotten. Die Kinder müssen immer ehrgeizig darauf sehen — wenn ich den Ausdruck brauchen darf, er betrifft nicht einen üblen Ehrgeiz —, daß sie ihren Lehrer verteidigen und glücklich sind, daß sie diesen Lehrer haben. Das kann man doch bei den stärksten Rangen entwickeln. Man kann nach und nach das entwickeln, daß die Kinder den Drang haben, ihren Lehrer zu verteidigen, weil das ihr Lehrer ist.

[7] Als het u maar lukt dat in klas 7 en 8 de kinderen hun gevoel voor autoriteit niet verliezen! Dit is het meest noodzakelijke. Maar de beste manier om dit te bereiken is door de manier waarop u, hoogst behoedzaam, ingaat op de kinderen zoals ze zijn, zonder op uw beurt iets door de vingers te zien. Dus niet als een pedant bij de kinderen verschijnen, niet als iemand met stokpaardjes. Je moet wel meegaan met de kinderen, maar schijnbaar, want je geeft niets toe. Vooral in klas 7 en 8 hangt het echt af van hoe je het doet. Je moet geen enkel moment iets door de vingers zien, zodat de kinderen niet weggaan en met de leraar de spot drijven. De kinderen moeten altijd gedreven zijn – als ik de uitdrukking mag gebruiken, het gaat niet om een ​​kwade gedrevenheid– dat zij hun leraar verdedigen en blij zijn dat ze deze leraar hebben. Je kan dat ontwikkelen bij de grootste belhamels. Je kunt beetje bij beetje ontwikkelen dat de kinderen de drang hebben om hun leraar te verdedigen, omdat dat hun leraar is.

X.: Ist es richtig, daß man im Sprachunterricht, selbst in der Klasse, wo die
Kinder schon schreiben können, doch noch davon Abstand nimmt, das
Schriftbild einzuführen, so daß die Kinder sich zunächst nur an das Aussprechen gewöhnen?

[8] X.: Is het goed dat je in de taallessen, zelfs in de klas waar de kinderen al kunnen schrijven, nog een beetje wacht om het schriftbeeld te introduceren, zodat de kinderen in eerste instantie aan de uitspraak wennen.

Dr. Steiner: Ja, möglichst spät übergehen zum Schreiben in den
fremden Sprachen, das ist sehr wichtig.

Ja, begin zo laat mogelijk met schrijven in de vreemde talen, dat is heel belangrijk.

X.: Die Kinder werden ja eben erst eingeführt, und die Sprechübungen ermüden zunächst sehr. Kann man da den Unterricht beleben durch Erzählungen in der Muttersprache?

X.: De kinderen zijn net op school en de spreekoefeningen zijn in eerste instantie erg vermoeiend. Kun je de les verlevendigen met verhalen in de moedertaal?

Dr. Steiner: Das ist sehr gut. Aber wenn Sie etwas aus der Muttersprache nehmen, müssen Sie doch möglichst sehen, es irgendwie mit
der fremden Sprache zu verbinden, die fremde Sprache hineinzukriegen. Stoff schaffen können Sie dadurch, daß Sie so etwas im Unterricht machen. Das ist das Richtige. Dann auch kleine Gedichte, Lieder der fremden Sprache, kleine Geschichten.
Bei dem Sprachkurs müssen wir selbstverständlich weniger auf Klassen sehen, sondern die Kinder zusammennehmen nach ihrem Können.

Dat is heel goed. Maar als je iets uit de moedertaal neemt, moet je op de een of andere manier zien een verbinding te maken met de vreemde taal, om de vreemde taal erbij te krijgen. Zo kun je lesmateriaal maken door zoiets in de klas te doen. Dit is het juiste. Dan ook kleine gedichtjes, liedjes in een vreemde taal, kleine verhaaltjes.
Als het om taal gaat, moeten we uiteraard minder naar de klassen kijken en in plaats daarvan de kinderen samen nemen op basis van hun kunnen.

Blz. 78

X.: Ich finde eineinhalb Stunden Musik und eineinhalb Stunden Eurythmie in
der Woche zu wenig.

X.: Ik vind anderhalf uur muziek en anderhalf uur euritmie
per week te weinig.

Dr. Steiner: Da es sich um eine Frage der Verteilung in die Unterrichtsräume handelt, kann erst später das Nötige geschehen.

Omdat het een kwestie is van verdeling over de klaslokalen, kan het noodzakelijke pas later worden gedaan.

X.: Bei meinen Kindern in der 6. Klasse ist ein großes Bedürfnis, mehr zu singen. Ich kann aber nicht mit ihnen singen, weil ich unmusikalisch bin. Könnte man musikalische Kinder herausnehmen, um ein Liedchen zu singen?

[9] X.: Mijn kinderen in klas 6 hebben een grote behoefte om meer te zingen. Maar ik kan niet met ze zingen omdat ik onmuzikaal ben. Zou je muzikale kinderen apart kunnen nemen om een ​​liedje te zingen?

Dr. Steiner: Das ist dasjenige, was man tun sollte. Das richtet sich ja
vielleicht in der einfachsten Weise ein, indem den Kindern einfach so
etwas mit auf den Weg gegeben würde, was Sie frei behandeln können. Dazu brauchen Sie nicht sehr musikalisch zu sein, um die Kinder singen zu lassen. Die Kinder lernen die Lieder im Gesangsunterricht und üben sie, indem sie sie am Anfang oder am Ende der Stunde singen.

Dat zou je kunnen doen. Als je de kinderen simpelweg iets meegeeft waar U vrij mee om kan gaan, kan dat eenvoudig geregeld worden. Je hoeft niet heel muzikaal te zijn om de kinderen te laten zingen. De kinderen leren de liedjes tijdens de zangles en oefenen deze door ze aan het begin of aan het einde van de les te zingen.

X.; Ich lasse die Kinder Lieder singen, sie sind aber recht schwerfällig. Die
musikalisch Veranlagten möchte ich zusammennehmen zu einer besonderen
Chorstunde, wo schwerere Sachen gesungen werden.

X; Ik laat de kinderen liedjes zingen, maar het gaat echt langzaam. 
Ik wil graag degenen die muzikaal aangelegd zijn samenbrengen voor een apart kooruur, waarbij moeilijkere dingen gezongen worden.

Dr. Steiner: Das würde der ganzen Konstitution nicht widersprechen, wenn nach und nach aus den vier oberen Klassen (5.-8.) und aus den vier unteren Klassen (1.—4.) Chöre zusammengestellt würden, vielleicht für Sonntagschöre. Durch so etwas schmiedet man die Kinder mehr zusammen als durch etwas anderes. Aber ja keinen falschen Ehrgeiz begründen; den schließen wir aus aus der Unterrichtsmethode. Der Ehrgeiz darf sich nur auf die Sache beziehen, nicht auf die Persönlichkeit. Die vier oberen Klassen zusammen und die vier unteren Klassen zusammen wäre deshalb gut, weil die Stimmen etwas anders sind. Sonst ist die Sache ja nicht an Klassen gebunden. Im Unterweisen muß man sie als eine Klasse behandeln; da müssen wir auch für die Musik streng einhalten, was wir für die Lebensepochen festgestellt haben. Die Epoche um das neunte Jahr und die Epoche um das zwölfte Jahr müssen wir streng beachten nach der inneren Struktur. Aber für die Chöre, mit denen man eventuell Sonntagsveranstaltungen machen kann, können wir die vier jüngeren und die vier älteren Klassen extra zusammenstellen.

[10] Het zou niet tegen de hele opzet zijn als langzamerhand uit de vier hogere klassen (5e-8e) en uit de vier lagere klassen (1e t/m 4e) koren worden samengesteld, eventueel voor op de zondagen. Daar zoiets smeed je tussen de kinderen een hechtere band dan door iets anders. Maar geen eerzucht kweken; die laten we buiten de onderwijsmethode. Die mag er alleen alleen zijn voor de zaak, niet op de persoon gericht. De vier hogere klassen samen en de vier lagere klassen samen zouden goed zijn omdat de stemmen net iets anders zijn. Verder is dit niet gebonden aan klassen. Bij het lesgeven moeten ze als een klas worden behandeld; daar moeten we ook op muziekgebied ons strikt houden aan wat we voor de leeftijdsfasen vastgesteld hebben. De tijd rond het negende en het twaalfde jaar moeten we strikt onze aandacht geven aan wat daar innerlijk gebeurt. Maar voor de koren waarmee je eventueel zondagsopvoeringen kunt geven, kunnen we de vier jongere en de vier oudere klassen extra bij elkaar zetten.

X.: Es hat sich herausgestellt, daß wir in der Eurythmie sehr langsam vorwärtskommen.

X.: Het blijkt dat we in de euritmie heel langzaam verder komen.

Dr. Steiner: Zunächst im Anfang nehmen Sie doch alles sehr stark im
Zusammenhang mit der Musik. Die allerersten Anfangsübungen ganz
aus dem Musikalischen heraus entwickeln, das würde besonders

Allereerst neem je in het begin alles heel sterk in verbinding met de muziek. Het allereerste begin volledig ontwikkelen vanuit het muzikale aspect, dat zou met bijzondere

Blz. 79

gepflegt werden müssen. Ohne das andere zu vernachlässigen, besonders in den späteren Jahrgängen.

Jetzt wäre noch über den freien Religionsunterricht zu sprechen. Da
muß man den Kindern sagen: Wer freien Religionsunterricht haben
will, muß ihn als solchen wählen, und es müßte dann einfach dieser
freie Religionsunterricht als dritter sein neben den beiden anderen.
Ein unklares Miteinandervermischen darf absolut nicht sein. Dagegen können Sie ruhig diejenigen, die freien Religionsunterricht haben sollen, so nehmen, daß Sie sie klassenweise zusammenstellen.
Sagen wir, die unteren vier Klassen und die oberen vier Klassen
zusammen. Es kann ihn irgend jemand von uns geben. Wie viele sind
denn da, die sich auf freien Unterricht einlassen?

aandacht gedaan moeten worden. Zonder het andere te verwaarlozen, vooral in de latere jaren.
[11] Nu moeten we het nog hebben over het vrije religieuze onderwijs. Daar
moet je de kinderen vertellen: wie het vrije godsdienstonderwijs wil volgen, moet daarvoor kiezen en dit vrije religieuze onderwijs staat dan als het derde naast de beide andere. Er mag absoluut geen sprake zijn van onduidelijke vermenging met elkaar. Aan de andere kant kun je rustig degenen die vrij religieus onderwijs moeten hebben, als klas bij elkaar nemen.
Laten we zeggen de onderste vier klassen en de bovenste vier klassen samen. Iemand van ons zou het kunnen geven. Hoeveel zijn het er die eraan mee willen doen?

X.: Es sind bis jetzt sechzig; dabei sechsundfünfzig Anthroposophenkinder.
Die Zahlen werden sich noch ändern, weil manche beides haben wollten.

X.: Tot nu toe zijn het er zestig; waaronder zesenvijftig antroposofische kinderen.
De cijfers zullen veranderen omdat sommige mensen beide wilden hebben.

Dr. Steiner: Vermischen tun wir also nicht. Agitieren für diesen
Unterricht tun wir auch nicht. Wir kommen nur den Wünschen entgegen. Wir raten mehr, den konfessionellen Unterricht zu nehmen.
Die Kinder, die gar keinen Religionsunterricht nehmen sollen, die
läßt man, aber immerhin könnte man doch nachforschen nach den
Gründen, warum sie keinen haben sollen. Das müßte in jedem einzelnen Falle festgestellt werden. Es lassen sich dann doch vielleicht die einen oder anderen dazu veranlassen, sich zum konfessionellen Unterricht zurückzuwenden oder zu dem anthroposophischen Unterricht zu kommen. Irgend etwas muß man da schon tun. Daß man die Kinder einfach aufwachsen läßt ohne Religionsunterricht, das wollen wir nicht einführen.

Maar we gaan ze niet vermengen. We gaan er ook geen ophef over maken.
Wij geven ook geen lessen. Wij houden alleen rekening met de wensen. Wij raden meer aan de confessionele lessen te volgen.
De kinderen die helemaal geen godsdienstonderwijs gaan volgen, laten we, maar je zou toch kunnen onderzoeken wat de redenen zijn waarom ze er niet naar toe zouden gaan. Dit zou van geval tot geval moeten worden vastgesteld. Misschien dat dan de een of ander toch aanleiding vindt weer naar het confessionele godsdienstonderwijs terug te gaan of naar het antroposofische te komen. Je moet op dat gebied wel wat doen. Dat de kinderen gewoon kunnen opgroeien zonder godsdienstonderwijs, willen wij niet introduceren.

X.: Soll der freie Religionsunterricht vom Klassenlehrer gegeben werden?

X.: Moet het vrije godsdienstonderwijs worden gegeven door de klassenleraar?

Dr. Steiner: Es kann jemand von uns sein, der es übernimmt. Es muß nicht der betreffende Klassenlehrer sein. Es ist nicht wünschenswert, daß jemand genommen wird, der unbekannt an uns herankommt. Wir sollten schon innerhalb des Kreises unserer Lehrer bleiben. Bei sechzig Kindern würden wir ungefähr dreißig zu dreißig zusammennehmen; vielleicht die vier oberen und die vier unteren Klassen zusammen. Ich werde Ihnen dafür noch einen Lehrplan geben. Diesen Unterricht müssen wir sehr sorgfältig machen.
Bei der ersten Abteilung muß alles, was sich auf Reinkarnation und
Karma bezieht, wegbleiben. Die müssen erst in der zweiten Gruppe
besprochen werden. Aber da müssen sie auftreten. Vom zehnten Jahr ab müssen die Dinge durchgenommen werden. Gerade bei die-

Het zou een van ons kunnen zijn die het op zich neemt. Het moet niet de klassenleraar in kwestie zijn. Het is niet wenselijk dat er iemand wordt gekozen die voor ons onbekend is. We moeten binnen de kring van onze leraren blijven.
Als er zestig kinderen zouden zijn, zouden er twee groepen van dertig kunnen zijn; misschien de vier hogere klassen en de vier lagere klassen
samen. Ik geef u hiervoor nog een leerplan. We moeten deze lessen heel zorgvuldig geven. In de jongste groep moet alles wat te maken heeft met reïncarnatie en karma achterwege blijven, die moeten pas besproken worden in de tweede groep. Maar daar moeten ze ter sprake komen. Vanaf het tiende jaar moeten deze dingen behandeld worden. Juist bij deze

Blz. 80

sem Unterricht ist es außerordentlich notwendig, daß man von Anfang an auf die Selbsttätigkeit der Schüler sein Augenmerk richtet. Nicht theoretisch soll von Reinkarnation und Karma gesprochen werden, aber praktisch.
Eine Art Rückschau auf allerlei Zustände, die da waren vor der Geburt, haben die Kinder noch, wenn sie dem siebenten Jahre nahekommen. Sie erzählen manchmal die kuriosesten Dinge, die bildhafte Dinge sind, von diesen früheren Zuständen; zum Beispiel das ist nicht vereinzelt, sondern typisch, daß die Kinder kommen und sagen: Ich bin in diese Welt gekommen, das war durch einen Trichter, das hat sich immer weitergezogen. — Sie beschreiben, wie sie in die Welt gekommen sind. Diese Dinge läßt man beschreiben, läßt sie
mitarbeiten und pflegt das, so daß es heraufgeholt wird ins Bewußtsein. Das ist sehr gut, nur ist zu vermeiden, daß den Kindern etwas eingeredet wird. Man müßte dasjenige herauskriegen, was sie selber sagen. Das sollte man tun. Das gehört zum Lehrplan.
Dieser Unterricht könnte belebt werden im Sinne des gestrigen öffentlichen Vortrages. Das könnte das Schönste sein, was man macht, ohne daß man zur Weltanschauungsschule wird, wenn man reine Menschenerkenntnis zugrunde legte, und jede Minute die Pädagogik neu belebte. In dieser Richtung ist auch mein Aufsatz gehalten, der in der nächsten Waldorfzeitung steht. Er handelt über „Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule”. Das, was ich da angedeutet habe, das ist im wesentlichen eine Art Zusammenfassung für das Publikum alles dessen, was wir im Kursus haben. Das bitte ich als Ideal zu betrachten, was dort stehen wird in dem Waldorfblatt.
Es genügt für jede Abteilung eineinhalb Stunden Religionsunterricht die Woche; zweimal dreiviertel Stunden. Es wäre besonders schön, wenn er sonntags sein könnte, aber das würde sich wohl schlecht machen lassen. Man könnte die Kinder auch an die „Wochensprüche” gewöhnen bei diesem Unterricht.

lessen is het uiterst noodzakelijk om vanaf het begin de aandacht te richten op de zelfwerkzaamheid van de kinderen. Over reïncarnatie en karma mag niet theoretisch worden gesproken, maar praktisch.
Kinderen hebben als ze hun zevende jaar naderen nog steeds een soort terugblik op allerlei dingen die er vóór de geboorte waren. Soms vertellen ze de meest merkwaardige dingen, die beeldend zijn, over deze vroegere toestanden; het is bv. niet apart, maar typisch voor kinderen die dan zeggen: ik ben in deze wereld gekomen door een trechter, dat ging maar door. – Ze beschrijven hoe ze ter wereld zijn gekomen. Deze dingen moet je laten beschrijven, daar laat je ze aan meewerken met zorg zodat het in het bewustzijn komt. Dat is heel goed, maar het is belangrijk om te voorkomen dat je op de kinderen inpraat. Je zou eruit moeten krijgen wat ze zelf zeggen. Dat moet je doen. Dat hoort bij het leerplan. Zo’n les zou verlevendigd kunnen worden in de geest van de openbare voordracht van gisteren*. Dit is misschien wel het mooiste wat je kunt doen, zonder dat je een wereldbeschouwelijke school wordt, dat je pure menskunde als grondslag hebt en iedere minuut de pedagogie levend maakt. 
 Mijn essay, dat in de volgende Waldorfkrant zal verschijnen, is ook in deze geest. In deze richting gaat ook mijn  artikel dat in het volgende Waldorfblad staat. Het gaat over ‘de pedagogische basis van de waldorfschool’.** Wat ik daar aangeef, is in wezen een soort samenvatting voor de mensen van alles wat we in de cursus hebben gedaan. Neem wat er in het Waldorfblad staat alstublieft als een ideaal. 
Voor elke groep is anderhalf uur godsdienstonderwijs per week voldoende; tweemaal drie kwartier. Het zou bijzonder mooi zijn als het op zondag zou kunnen, maar dat zal waarschijnlijk moeilijk te organiseren zijn. U kunt de kinderen in deze les ook laten wennen aan de ‘weekspreuken’.

X.: Sind die nicht zu schwer?

X.: Zijn die niet te moeilijk?

Dr. Steiner: Es darf niemals für uns etwas geben, was zu schwer ist
für die Kinder. Es handelt sich da nicht um das Aufnehmen des
Gedankens, sondern wie die Gedanken aufeinander folgen und so
weiter. Ich möchte wissen, was für die Kinder schwerer sein könnte
als das Vaterunser. Das bildet man sich nur ein, daß das leichter ist als
die Wochensprüche im „Seelenkalender”. Und das „Credo”! Daß die
Leute sich gegen das „Credo” auflehnen, rührt nur davon her, daß es
kein Mensch versteht, sonst würden sich die Menschen nicht aufleh-

Bij ons mag er nooit iets zijn wat te moeilijk is voor de kinderen. 
Het gaat niet om het opnemen van de gedachte, maar hoe de gedachten elkaar opvolgen enzovoort. Ik zou wel willen weten wat er moeilijker kan zijn voor de kinderen dan het Onze Vader. Het is maar een gedachte dat dat gemakkelijker is dan de weekspreuken** in de “Zielenkalender”. En de “Geloofsbelijdenis”! Dat de
mensen zich tegen het Credo verzetten, komt alleen maar dat geen mens het begrijpt, anders kwamen de mensen niet in verzet.

Voetnoot:
*Voordracht 24 sept. 1919, op deze blog vertaald.
**zie inleiding 21; ook GA 298, gedeeltelijk op deze blog vertaald.
***In GA 40, vertaald
.

Blz. 81

nen. Das enthält nur dasjenige, was im Grunde selbstverständlich ist, aber die Menschen kommen bis zum siebenundzwanzigsten Jahr nicht so weit, daß sie es verstehen können, und nachher lernen sie nichts mehr vom Leben. Die Verhandlungen über das „Credo” sind kindisch. Es steht nichts darinnen, was man von sich aus entscheiden kann. — Die Wochensprüche kann man auch mit den Kindern vor der Stunde sprechen.

Dit bevat alleen wat in wezen vanzelfsprekend is, maar de mensen komen tot het zevenentwintigste jaar niet tot het punt waarop ze het kunnen begrijpen, en daarna leren ze niets meer van het leven. Wat er over het Credo* gezegd wordt, is kinderlijk. Er staat niets in waarover je van uit jezelf kan besluiten.
Je kan de weekspreuken ook met de kinderen aan het begin van de les zeggen.

X.: Würde es nicht gut sein, die Kinder eine Art Morgengebet sprechen zu
lassen?

X.: Zou het niet goed zijn als de kinderen een soort ochtendgebed zouden zeggen?

Dr. Steiner: Das ist etwas, was gemacht werden könnte. Ich hatte auch schon die Aufmerksamkeit daraufgewendet. Ich werde Ihnen morgen noch etwas darüber sagen; auch wegen eines Gebetes werden wir noch sprechen. Da würde ich nur Sie um eines bitten. Sehen Sie, bei diesen Dingen kommt es wahrhaftig auf Äußerlichkeiten an. Nennen Sie den Spruch niemals „Gebet”, sondern „Eröffnungsspruch der Schule”. Vermeiden Sie es, daß man aus Lehrermund den Ausdruck „Gebet” hört. Dann haben Sie das Vorurteil, daß es eine anthroposophische Sache sei, schon für ein gut Stück überwunden.
Das meiste, was bei uns gesündigt wird, wird durch Worte gesündigt.
Die Leute gewöhnen sich nicht ab, Worte zu gebrauchen, die uns schädlich sind. Was glauben Sie, was ich hier ausgestanden habe, daß ich den Leuten abgewöhnt habe, zu den „Kernpunkten der sozialen Frage” Broschüre zu sagen. Es ist doch ein Buch, es schaut nur aus wie eine Broschüre. Es ist ein Buch! Das kriegt man nicht fertig, daß alle Leute sagen „das Buch”; sie sagen „die Broschüre”. Es hat eine gewisse Bedeutung. Das Wort ist nicht unnötig. Das sind Dinge, um die es sich wirklich handelt. Anthroposophen sind aber diejenigen Menschen, die sich am wenigsten in etwas fügen. Denen gegenüber
kann man gar nichts durchbringen. Die anderen Menschen sind so
autoritätsgläubig. Und damit hat das zu tun, was ich gesagt habe: Die
Anthroposophen sind störrig, und es kann gar nichts bei ihnen durchgesetzt werden; auch nichts, was berechtigt ist!

[12] Dat is iets dat gedaan zou kunnen worden. Ik had er al aandacht aan besteed. Ik zal er morgen nog iets over zeggen. Ik zou u slechts één ding willen vragen. 
Als het om deze dingen gaat, doet het uiterlijke er echt toe. Noem de spreuk nooit “gebed”, maar “openingsspreuk van de school”. Vermijd dat men uit de mond van de leerkracht de uitdrukking ‘gebed’ hoort. Dan heb je het vooroordeel dat het een antroposofische aangelegenheid is, al grotendeels overwonnen.
De meeste van onze zonden vinden plaats door middel van woorden.
Mensen leren niet af woorden te gebruiken die voor ons nadelig zijn. Wat denkt u dat ik hier heb doorstaan? Ik heb mensen uit de gewoonte gehaald om ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ ** een brochure te noemen. Het is een boek, het ziet er alleen maar uit als een brochure. Het is een boek! Je krijgt het niet voor elkaar dat alle mensen ‘boek’ zeggen; ze zeggen ‘brochure. Het heeft een
bepaalde betekenis. Het woord is niet overbodig. Dit zijn de dingen waar het werkelijk om gaat. Antroposofen zijn mensen die zich het minst in iets willen schikken. Met hen kun je niets gedaan krijgen. Andere mensen zijn zo
autoriteitsgevoelig. En wat ik zei heeft daarmee te maken: De antroposofen zijn koppig en met hen kan je niets voor elkaar krijgen; ook niets dat gerechtvaardigd is!

X.: Meine 5. Klasse brüllt und tobt, besonders in den Sprachstunden. Die
französischen Sätze empfindet sie als Witze.

[13] X.: Mijn 5e klas schreeuwt en brult, vooral tijdens de taallessen. De
Franse zinnen ervaren ze als als grappen.

Dr. Steiner: Das Richtige wäre, auf den Witz einzugehen und aus
dem Witz heraus zu lernen. Auf Witz sollte man immer eingehen, und
zwar mit Humor. Aber die Kinder müßten gehorchen. Sie müßten
auf Befehl wieder schweigen. Sie müßten sie mit der Gebärde ruhig
kriegen.
Von Anfang bis Ende der Stunde muß man suchen, den Kontakt zu

Het juiste om te doen zou zijn om op de grap in te gaan en vanuit de grap te leren.
Op grappen moet je altijd ingaan en wel met humor. Maar de kinderen zouden wel moeten luisteren. Ze zouden op uw gebod weer stil moeten zijn. U zou ze weer rustig moeten krijgen met een gebaar.
Vanaf het begin tot het einde van de les moet je het contact zien

Voetnoot:
*misschien gaat het over opvattingen van vroegere kerkconcilies
**GA 23, vertaald
.

Blz. 82

behalten. Wenn es auch ermüdet, es muß unter allen Umständen das
Band zwischen Lehrer und Schüler bestehen bleiben. Durch äußere
Disziplin ist in solchen Fällen nichts zu regeln, sondern dadurch, daß
man zunächst eingeht auf die Sache und dann aus der Sache heraus
wirkt.
Die größte Schwierigkeit ist wohl, daß Sie das feine Stimmchen
haben. Sie müssen Ihr Stimmchen ein bißchen schulen. Sie müssen
,,unten*’ reden lernen, nicht piepsen beim Schreien. Es wäre schade,
wenn Sie nicht Ihre Stimme behandelten, so daß etwas Baß hineinkäme. Also Tiefe muß hineinkommen.

te bewaren. Ook al is het vermoeiend, onder elke omstandigheid moet de band tussen leerkracht en leerling blijven bestaan. Door discipline van buiten is in zulke gevallen niets te regelen, maar alleen door dat je allereerst op de zaak ingaat en van vanuit de zaak handelt.
De grootste moeilijkheid is dat u zo’n tere stem heeft. U zou uw stem een beetje moeten scholen. U moet ‘laag’ leren spreken, niet knijpen bij sterke stemverheffing. Het zou jammer zijn als u niet uw stem zou behandelen zodat er een beetje bas in komt. Er moet dus diepte in komen.

X.: Wer soll den lateinischen Unterricht geben?

X.: Wie moet de lessen Latijn geven?

Dr. Steiner: Das ist eine Frage des Lehrerkollegiums. Vorläufig
würde ich die Frage so regeln, daß Herr Pastor Geyer und Dr. Stein
den Lateinunterricht erteilen. Es ist zuviel für einen.

Dat is een vraag voor het college. Voorlopig zou ik de vraag zo willen oplossen dat de heer Pastor Geyer en Dr. Stein Latijnse lessen geven. Het is te veel voor één persoon.

X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

X.: Waar moet je beginnen met het geschiedenis?

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwickelung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schuljahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn.
Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

In bijna iedere klas zal je met geschiedenis weer bij het begin moeten beginnen. Beperk gewoon de lessen naar behoefte. Als je bijvoorbeeld gedwongen wordt in klas 8 vanaf het begin te beginnen, neem dan gewoon een beetje, maar
probeer dan toch een overzicht te geven van de gehele ontwikkeling van de mensheid, alleen korter. Je zou dus in klas 8 de hele wereldgeschiedenis in onze opvatting moeten doorlopen.
Dit geldt ook voor de natuurkunde. Bij biologie is het heel makkelijk om wat de kinderen geleerd hebben, te laten gebruiken en te verlevendigen. Het zullen alleen de vakken zijn waarbij dit tekort optreedt, vakken waarvan we zeggen dat ze na het twaalfde jaar moeten beginnen, wanneer de oordeelskracht ontstaat. Je zult een aantal dingen kunnen gebruiken in beschrijvende vorm 
wat de kinderen hebben geleerd, zij het op een ingewikkelde manier
.
X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kulturgeschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen; die Perserkriege zum Beispiel.

[14] X.: In de Griekse geschiedenis kun je je waarschijnlijk meer concentreren op de culturele geschiedenis en de legenden en de politieke zaken achterwege laten; de Perzische oorlogen bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß
man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die
Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegenwart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

De Perzische oorlogen kunnen op zo’n manier worden behandeld dat je ze cultuurhistorisch brengt. In oudere tijden kan je de oorlogen nog vanuit een cultuurhistorisch perspectief behandelen; tot in onze huidige tijd zijn ze steeds onverdragelijker geworden. Je kunt de Perzische oorlogen zien als een symptoom van de cultuurgeschiedkundige aard.

Blz.83

X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X.: Binnenlandse politiek is minder belangrijk, toch?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.

 Jawel, maar hoe het geld er kwam, bijvoorbeeld.

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X.: De grondwetten kunnen waarschijnlijk kort worden behandeld?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Ja, maar de geest van de Lycurgische grondwet moet je zo beschrijven, dat bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta duidelijk wordt.

X.: Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehrbüchern.

X.: Het constitutionele systeem van de Romeinen wordt in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte auswendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große Anzahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist.
In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daß jeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

In de leerboeken is het uitgebreid en vaak heel verkeerd behandeld. De Romein kende geen grondwet, maar hij kende niet alleen de Twaalf Tafelwetten uit zijn hoofd, maar ook een groot aantal juridische boeken. Je krijgt het verkeerde idee
over Rome als je met de kinderen niet doorneemt dat de Romein een man van het recht was en dat men het kende.
Het wordt op een saaie manier gepresenteerd in de leerboeken, maar voor Rome moet je al wel de voorstelling wekken dat iedere Romein voor het recht ging en op z’n duimpje de wetten kende. De Twaalf Tafelwetten werden daar zo aangeleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging.

X..- Wir wollen jede Woche eine Zusammenkunft machen zur Besprechung
pädagogischer Fragen, so daß das, was der Einzelne sich erarbeitet, den anderen zugute kommt.

[15] X..- We willen elke week bij elkaar komen om pedagogische vragenstukken te bespreken, zodat wat de een ontwikkelt aan de anderen ten goede komt.

Dr. Steiner: Das kann sehr gut geschehen. Das ist etwas, was mit
Freude zu begrüßen wäre. Recht republikanisch müßte es gehalten
werden.

Dat kan heel goed gebeuren. Dat is iets wat met vreugde kan worden begroet. Het zou zuiver republikeins gehouden moeten worden.

X.: Wie weit geht man mit der Bestrafung der Kinder?

[16] X.: Hoe ver ga je met het straffen van kinderen?

Dr. Steiner: Das ist natürlich ganz individuell. Am besten wäre es ja, wenn man so wenig wie möglich zu bestrafen brauchte. Man kann es vermeiden, Strafen herbeizuführen. Aber unter Umständen kann es auch einmal notwendig sein, daß man sogar ein bißchen prügelt.
Aber man soll doch das Ideal befolgen, es zu vermeiden. Eigentlich sollte man die Ansicht haben, daß man die Dinge selber als Lehrer herbeiführt, daß weniger die Zöglinge sie herbeiführen als der Lehrer.
Trotzdem gebe ich Ihnen zu, daß Rangen da sind, aber die Rangenhaftigkeit wird durch Strafe nicht besser. Das kann nur dadurch besser werden, daß man allmählich einen anderen Ton in die Klasse hineinkriegt. Dann werden die Rangen nach und nach auch wirklich

Dat is natuurlijk heel individueel. Het zou het beste zijn, wanneer je zo min mogelijk zou straffen. Straf is te vermijden. Maar onder bepaalde omstandigheden kan het soms wel eens nodig zijn dat je zelfs lichamelijk straft.
Maar je moet toch het ideaal nastreven om het te vermijden. Eigenlijk zou je van mening moeten zijn dat je als leraar zelf dingen kunt leren, dat het minder van de leerlingen komt dan van de leerkracht.
Niettemin geef ik toe dat er belhamels bestaan, maar hun streken worden door straf niet minder. Dat kan alleen verbeteren door een andere toon in de klas te krijgen. Dan worden de belhamels ook beetje bij beetje 

Blz. 84

verwandelt, wenn der Ton in der Klasse ein guter wird. Jedenfalls versuchen Sie, in der Bestrafung nicht zu weit zu gehen.

verandert, wanneer de toon in de klas goed wordt. Hoe dan ook
probeer niet te ver te gaan in de straf.

X.: Um dem Mangel an Lehrmitteln abzuhelfen, könnte man vielleicht eine
Organisation ins Leben rufen und die Anthroposophen bitten, uns zur Verfügung zu stellen, was sie selbst an Lehrmitteln haben. Wir sollten auch alles bekommen, was an anthroposophischen Facharbeiten schon da ist.

X.: Om het gebrek aan lesmateriaal te verhelpen zou er misschien een organisatie in het leven kunnen worden geroepen en de antroposofen gevraagd om ons het lesmateriaal dat zij zelf hebben ter beschikking te stellen. Wij moeten ook alles krijgen wat vakspecialistisch antroposofisch al beschikbaar is.

Dr. Steiner: Es ist projektiert gewesen, nach dieser Richtung hin dadurch etwas zu tun, daß man die Lehrer, die in der Gesellschaft sind, einmal als solche organisiert. Es besteht also der Plan, alles, was anthroposophisch vorliegt, in irgendeiner Weise fruchtbar zu machen für den öffentlichen Unterricht oder für den Unterricht überhaupt. Vielleicht könnte man anknüpfen an diese bestehende Organisation der Lehrerschaft in der Anthroposophischen Gesellschaft.

Het was in deze richting al gepland dat de leraren die bij de Antroposofische Vereniging zijn als zodanig zich organiseren. Dus er is het plan, alles wat er
antroposofisch is, op de een of andere manier vruchtbaar te maken voor het openbare onderwijs of voor het onderwijs in het algemeen. Wellicht zouden we ons kunnen aansluiten bij deze bestaande lerarenorganisatie binnen de Antroposofische Vereniging.*

X.: Wir brauchen auch Lebenskunde über die verschiedenen Wirtschaftsgebiete. Da dachte ich, daß in der Waldorfschule der Grund gelegt werden könnte für eine künftige Wirtschaftswissenschaft.

X.: We hebben ook levensvaardigheden* nodig wat betreft de verschillende economische gebieden. Toen dacht ik dat de basis voor een toekomstige economische wetenschap gelegd zou worden in de waldorfschool.

Dr. Steiner: Da muß man dann feststellen, wer für die einzelnen Punkte Gewährsmenschen sind. Das sind Leute, die Sinn haben, so etwas zu machen, die aber richtig praktische Fachmänner sind. Also es müßten sich nicht Leute finden, wie sie heute als Referenten angegeben werden, sondern richtig praktische Leute, die aber Sinn für unsere Sache haben. Solche Menschen müßten sich finden. Die müßten die einzelnen Zweige der Lebenskunde zusammenstellen.
Ich glaube, wenn man es nur richtig machen würde, könnte nach dieser Richtung viel geleistet werden. Aber Sie haben als Lehrer im ersten Jahr viel zu tun, und können sich nicht zersplittern. Das müßten Sie schon durch andere besorgen lassen. Es müßte eine solche Organisation ernsthaft gemacht werden. Es darf keine Art von Fatzkerei und von Vereinsmeierei hineinkommen, sondern es muß in großem Umfang sachlich gemacht werden. Da müßte man Menschen aufrufen, die im praktischen Leben darinnenstehen.

Je moet dan vaststellen wie de aangewezen persoon is voor de verschillende punten. Dit zijn mensen die zo verstandig zijn om zoiets te kunnen doen, die dus goede praktijkdeskundigen zijn. Dus er hoeven geen mensen gevonden te worden als spreker, maar echt mensen uit de praktijk met verstand van zaken die onze dingen begrijpen. Zulke mensen zouden elkaar moeten vinden. Die zouden de afzonderlijke takken van de levensvaardigheden moeten samenstellen.
Ik denk dat als je het gewoon goed doet, zou er wel veel in deze richting gedaan kunnen  worden. Maar als leraar heb je in het eerste jaar veel te doen en je kan je niet opdelen. Je zou het door iemand anders moeten laten doen. Een dergelijke organisatie zou serieus moeten worden aangepakt. Er mag geen sprake zijn van een soort arrogantie en overschatting, maar het moet wel op grote schaal zakelijk gedaan worden. Je zou een beroep moeten doen op mensen die in het praktische leven staan.

X.: Herr van Leer hat schon geschrieben, daß er bereit wäre, das Nötige zu
tun.

X.: De heer van Leer*** heeft al geschreven dat hij bereid is het nodige te doen.

Dr. Steiner: Ja, der könnte schon helfen nach dieser Richtung. Es könnte da einmal eine Art Plan ausgearbeitet werden, wie das im wesentlichen zu machen wäre. Solche Herren wie Herr van Leer und Herr Molt und auch andere, die im praktischen Wirtschaftsleben drinstehen, die wissen, wie sie sich auf solche Fragen zu konzentrieren haben, wenn sie so etwas ausarbeiten. Da würde vielleicht die

Ja, dat zou in die richting kunnen helpen. Er zou een soort plan uitgewerkt kunnen worden hoe dat in wezen gedaan zou kunnen worden. Heren als de heer van Leer en de heer Molt en ook anderen die in het praktische zakenleven werken, die weten hoe zij zich op dergelijke vragen moeten concentreren, wanneer ze zoiets uitwerken.
Misschien dat de

Voetnoot:
*dit lossere verband heeft niet lang bestaan.
**Duits heeft ‘Lebenskunde’. Steiner gebruikte het pedagogisch later als woord, maar met een andere inhoud dan hier bedoeld.
***Heer van Leer: Emanuel Josef van Leer, gest. 1934, grossier, president van het bestuur van Weleda in Arlesheim.
.

Blz. 85

Lehrerschaft weniger leisten; das wird am besten geleistet werden, wenn man sich direkt an die Fachleute wendet. Das läßt sich vielleicht in Zusammenhang bringen mit den Kulturratsbestrebungen.
Ja, das müßte alles noch besprochen werden.

leraren daar minder voor elkaar krijgen; dat kan het beste gebeuren, als u rechtstreeks contact opneemt met de vakmensen. Dit kan wellicht gekoppeld worden aan de inspanningen van de Cultuurraad*.
Ja, dat moet allemaal nog besproken worden.

X.: Wie kann man für den geologischen Unterricht einen Zusammenhang herstellen zwischen der Geologie und der Akasha-Chronik?

[17] X.: Hoe kun je voor geologielessen een verband leggen tussen geologie en de Akasha-kroniek?

Dr. Steiner: Da wäre es natürlich gut, wenn Sie es so machen würden, daß Sie den Kindern zunächst die Schichtenbildung zum Bewußtsein bringen, daß Sie ihnen einen Begriff beibringen, wie die Alpen entstanden sind. Und daß Sie dann den ganzen von den Alpen ausgehenden Komplex behandeln: Pyrenäen, Alpen, Karpaten, Altai und so weiter, was ja die eine Welle ist; daß Sie diese ganze Welle den Kindern klarmachen. Und dann die andere Welle, die von Nordamerika über Südamerika geht. Da kriegt man also heraus diese eine Welle bis zum Altai, bis zu den asiatischen Bergen, die geht von Westen nach
Osten. Und dann haben wir im Westen Amerikas oben die nordamerikanischen und unten die südamerikanischen Gebirge. Das ist die andere Welle, von Nord nach Süd. Die steht auf der ersten senkrecht darauf.

Natuurlijk zou het goed  zijn om de kinderen eerst bewust te maken van de vorming van de aardlagen, dat je ze een idee geeft van hoe de Alpen zijn ontstaan. En dat je dan het hele complex behandelt, uitgaand van  de Alpen: Pyreneeën, Alpen, Karpaten, Altajgebergte enzovoort, wat de ene golfbeweging is; dat je deze hele golfbeweging aan de kinderen duidelijk maakt. En dan die andere golfbeweging, die van Noord-Amerika naar Zuid-Amerika loopt. Dus je hebt dan die ene golfbeweging tot aan het Altajgebergte, tot de bergen in Azië, die loopt van west naar oost. En dan hebben we in het westen van Amerika bovenaan de Noord-Amerikaanse en beneden de Zuid-Amerikaanse gebergten. Dat is de andere golfbeweging van noord naar zuid. Die staat haaks op de andere.

 

Von dieser Schichtung und Gliederung gehen wir aus, und da reihen wir dann die Vegetation und die Fauna an. Dann versuchen wir einfach die Westküste von Europa und die Ostküste von Amerika, die Fauna und Flora und die Schichtung zu studieren. Dann gehen wir dazu über, den Begriff davon hervorzurufen, wie der Osten von Amerika und der Westen von Europa zusammenhängen, und daß das Becken des Atlantischen Ozeans und die Westküste von Europa einfach Senkungsland ist. Von diesen Begriffen aus versuchen wir dann auf naturgemäße Weise klarzumachen, daß sich das im Rhythmus auf und ab bewegt. Von dem Begriff des Rhythmus gehen wir aus.
Wir zeigen, daß die britischen Inseln viermal auf- und abgestiegen

We vertrekken vanuit deze gelaagdheid en structuur en daar laten we de vegetatie en fauna op aansluiten.. Dan proberen wij op een eenvoudige manier naar de westkust van Europa en naar de oostkust van Amerika, de dieren en planten en de gelaagdheid te kijken. Dan gaan we verder met het wekken van een begrip van hoe Oost-Amerika en West-Europa met elkaar samenhangen en dat
het bekken van de Atlantische Oceaan en de westkust van Europa eenvoudigweg verzakkingsgebieden zijn. Vervolgens proberen we vanuit deze begrippen op een vanzelfsprekende manier duidelijk te maken dat dit ritmisch op en neer beweegt. We gaan van het ritme uit.
We laten zien dat de Britse eilanden vier keer stegen en daalden.

Voetnoot:
*zie inleiding blz. 17
.

Blz. 86

sind. Da kommen wir zurück zu dem Begriff der alten Atlantis, auf geologischem Wege.
Dann können wir übergehen, indem wir versuchen, in den Kindern die Vorstellung hervorzurufen, wie es anders war, als das eine da unten war, und das andere da oben. Wir gehen davon aus, daß die britischen Inseln viermal auf- und abgestiegen sind. Das ist einfach geologisch festzustellen an den Schichten. Wir versuchen also, diese Dinge in Zusammenhang zu stellen, aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen. Auch im geschichtlichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen. Nur werden Sie dann die gewöhnliche Geologie desavouieren müssen. Denn die atlantische Katastrophe muß ja im 7. bis 8. Jahrtausend angesetzt werden.
Die Eiszeit, das ist die atlantische Katastrophe. Die ältere, mittlere und neuere Eiszeit, das ist nichts anderes als das, was vorgeht in Europa, während die Atlantis untersinkt. Das ist gleichzeitig, also im 7., 8. Jahrtausend.

Dit brengt ons terug naar het concept van het oude Atlantis, op een geologische manier.
Dan kunnen we verder gaan door te proberen bij de kinderen op te roepen
hoe anders het was toen het ene daar beneden was en het andere daarboven.
We gaan ervan uit dat de Britse eilanden vier keer zijn gestegen en gedaald. Dit is gemakkelijk vast te stellen aan de aardlagen. Dus we proberen deze dingen
in hun context te plaatsen, maar we moeten er niet voor terugschrikken om met de kinderen over het Atlantische land te praten. We mogen dit niet overslaan. We kunnen dit ook in de historische context plaatsen. Maar dan moet je de gewone geologie verwerpen. Want de Atlantische catastrofe moet geplaatst worden in het 7e tot 8e millennium.
De ijstijd, dat is de Atlantische catastrofe. De oudere, middelste en meer recente ijstijden, dat is niets anders dan wat er gebeurt in Europa terwijl Atlantis aan het zinken is. Dit gebeurde tegelijkertijd, in het 7e, 8e millennium.

De leerkracht vraagt naar ‘een verband met de Akasha-Kroniek‘. [niet vertaald] Dat is dus een vraag naar antroposofische inhoud. Deze vergadering vindt plaats in 1919. Vóór die tijd had Steiner al vaak gezegd dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn, dus geen antroposofie. Daarover zegt hij nu niets. Hij blijft ook meer bij het vak geologie. Wat de leerplanaanwijzingen betreft: daar vind je niets over ‘Atlantis’, sterker: in geen enkele pedagogische voordracht komt het voor als lesstof.
Toch zijn er – ook recent nog – leerkrachten die in de 5e klas – in deze vergadering gaat het strikt genomen over de 8e – bij geschiedenis over Atlantis vertellen zoals Steiner dat deed.
Sommige vrijeschoolcritici gebruiken deze passage om m.i. belachelijke conclusies te trekken.
Op deze blog vind je daar mijn commentaar op.
In 1915 verscheen een boek van Alfred Wegener over ‘platentektoniek’ het drijven en bewegen van de continenten. Ik weet niet of Steiner het werk kende – hij spreekt hier ook over ‘dalen en stijgen’ van de Britse eilanden. Ik weet niet of dit fenomeen in wetenschappelijke publicaties ook zo wordt genoemd, wél is duidelijk dat de waterhoogte van de Noordzee verschillende keren aanzienlijk hoger en lager is geweest.

X.: In Pierers Konversationslexikon fand ich Artikel über Geologisches. Wir
möchten gerne wissen, welche Artikel wirklich von Ihnen sind.

X.: Ik vond artikelen over geologie in Pierer’s Konversationslexikon*. Wij
zouden graag willen weten welke artikelen echt van u zijn.

Dr.Steiner: Diese Artikel sind von mir geschrieben, aber die Redaktion bei dem Zustandekommen des Lexikons war so, daß da zwei Redakteure waren. Es kann unter Umständen etwas hineingepatzt sein; ich kann nicht für die Einzelheiten garantieren. Der Artikel Basalt, Alluvium, Geologische Formationen, Eiszeit, das ist alles von mir. Der Artikel über Darwinismus ist nicht von mir. Der Artikel über Alchimie auch nicht. Nur streng die geologischen und mineralogischen, bis zu einem gewissen Buchstaben. G ist noch von mir; H nicht mehr, weil ich keine Zeit hatte.

Deze artikelen zijn door mij geschreven, maar toen de encyclopedie werd samengesteld waren er twee redacteuren. Het is mogelijk dat er kleine foutjes ingeslopen zijn; ik kan de details niet garanderen. Het artikel basalt, alluvium, geologische formaties, ijstijd, dat is allemaal van mij.
Het artikel over Darwinisme is niet van mij. Het artikel over alchemie ook niet. Alleen strikt de geologische en mineralogische, tot een bepaalde letter. G is nog van mij; H niet meer, omdat ik geen tijd had.

X.: Der Anschluß ist sehr schwer zu finden hinter der Eiszeit. Wie ist da das,
was die Wissenschaft sagt, in Parallele zu bringen mit dem, was die Geisteswissenschaft vertritt?

[X.: De aansluiting na de ijstijd is moeilijk te vinden. 
Hoe kan wat de wetenschap zegt, in overeenstemming worden gebracht met wat de geesteswetenschap vertegenwoordigt?

Voetnoot:
*In Dr. Rudolf Steiner – Veröffentlichungen aus dem literarischen Frühwerk, Band IV / Heft 19: Naturwissenschaft und Seele.
.

Blz. 87

[zie hieronder de voetnoot van de uitgever]

Dr. Steiner: *Da finden Sie aber in den Zyklen Anhaltspunkte. Sie haben in der Quartärzeit die erste und zweite Säugetierfauna, und Sie brauchen bloß das zu ergänzen, was über den Menschen gilt. Sie können das schon parallelisieren. Die Quartärzeit können Sie gut mit der Atlantis parallelisieren, und die Tertiärzeit können Sie parallelisieren im wesentlichen, nicht pedantisch, mit dem, was ich schildere als die lemurische Zeit. Da würde also die Tertiärzeit hineinkommen.
Da haben Sie die älteren Amphibien und Reptilien, Da ist auch der Mensch noch in der äußeren Gestalt nur quallig da in der Substanz; er ist nur amphibienhaft gestaltet.

*Je vindt wel aanwijzingen in de cycli. [bepaalde voordrachten werden aanvankelijk ‘cyclus zoveel of zoveel’ genoemd.]
Je hebt de eerste en tweede zoogdierfauna in het Quartair en je hoeft alleen toe te voegen wat voor de mens geldt. Je kan dit al parallelliseren. Je kunt het Quartair gemakkelijk parallel laten lopen met Atlantis en het Tertiair in wezen, niet pedant, parallel laten lopen met wat ik beschrijf als de Lemurische periode. De Tertiaire periode zou er dus bij komen.
Daar heb je de oudere amfibieën en reptielen. De mens bevindt zich dan nog in een uiterlijk kwallenstadium, slechts amfibie-achtig in vorm.

X.: Da ist aber doch noch Feueratmung!

X.: Maar er is daar toch een vuuradem!

Dr. Steiner: Aber diese Biester, die atmen ja auch Feuer, der Archäopteryx zum Beispiel.

Maar deze dieren ademen ook vuur, de archaeopteryx bijvoorbeeld.

X.; Also die Tiere, deren Knochen man heute im Museum sieht, die atmeten
noch Feuer?

X.: Dus de dieren waarvan je de botten nu in het museum kunt zien, ademden nog vuur?

Dr. Steiner: *Ja, alle die zu den Sauriern gehören, die gehören in das Ende der Tertiärzeit. Die im Jura gefundenen, das sind schon die Nachkommen. Ich meine die Saurier, die im Anfang der Tertiärzeit da waren. Die Juraformation erstreckt sich weiter fort. Es schiebt sich da alles ineinander. Nichts ist pedantisch zu behandeln. Vor dem Tertiären liegt das Sekundärzeitalter; da gehört der Jura hinein. Da gehört der Archäopteryx hinein. Aber das würde bei uns schon die zweite Periode werden. Man muß nicht pedantisch das eine dem
anderen zuordnen.

*Ja, al die dieren die bij de dinosauriërs horen, die horen bij het einde van het Tertiair. Degenen die gevonden zijn in het Jura zijn al de afstammelingen. Ik bedoel de dinosauriërs die er aan het begin van het Tertiair waren.
De Juraformatie gaat verder. Alles grijpt in elkaar. Je kan niets schoolmeesterachtig behandelen. Vóór het Tertiair ligt het Secundaire Tijdperk; het Jura hoort daar thuis. Daar hoort de archaeopteryx thuis. Maar dat zou bij ons al de tweede periode zijn. Je hoeft niet op een pedante manier het ene aan het andere koppelen.

Anmerkung der Herausgeber:

In den beiden mit * bezeichneten Absätzen liegen offensichtlich Stenogrammfehler vor. Der Text ist in sich widerspruchsvoll; er stimmt auch weder mit den erwähnten Artikeln und der Tabelle im
Piererschen Lexikon überein, noch mit Dr. Steiners Ausführungen in der Konferenz am folgenden Tage (26. September). Der Fehler scheint sich dadurch
zu erklären, daß Dr. Steiner beim Sprechen auf die Tabelle hinwies, die der
Stenograph nicht vor sich hatte. — Die Herausgeber schlagen folgende Textänderung vor, in der die geänderten Worte kursiv sind.
„Da finden Sie aber in den Zyklen Anhaltspunkte. Sie haben in der Tertiärzeit die erste und zweite Säugetierfauna, und Sie brauchen bloß das zu ergänzen, was über den Menschen gilt. Sie können das schon parallelisieren. Die
Tertiärzeit können Sie gut mit der Atlantis parallelisieren, und die Sekundärzeit können Sie parallelisieren im wesentlichen, nicht pedantisch, mit dem,
was ich schildere als lemurische Zeit. Da würde also die Sekundärzeit hineinkommen. … “
„Ja, alle, die zu den Sauriern gehören, die gehören in das Ende der Sekundärzeit. Die im Jura gefundenen, das sind schon die Nachkommen. Ich meine die

Noot van de redactie: Er staan duidelijk steno-fouten in de twee paragrafen met een *. De tekst is op zichzelf tegenstrijdig; hij komt ook niet overeen met de genoemde artikelen en de tabel in het Pierer’s Lexicon, noch met de opmerkingen van Dr. Steiner op de conferentie de volgende dag (26 september). De fout lijkt te worden verklaard door het feit dat Dr. Steiner naar de tabel verwees terwijl hij sprak, die de stenograaf niet voor zich had. –
De redactie stelt voor de tekst als volgt te wijzigen, waarbij de gewijzigde woorden cursief zijn gedrukt.
“Maar je vindt aanwijzingen in de cycli. Je hebt de eerste en tweede zoogdierfauna in het Tertiair en je hoeft alleen nog maar toe te voegen wat van toepassing is op de mens. Je kunt dit al parallelliseren.
Je kunt het Tertiair parallel trekken met Atlantis, en je kunt het Secundair in wezen, niet pedant, parallel trekken met wat ik beschrijf als de Lemurische  periode. Dus de secundaire periode zou erin komen. … ”
“Ja, al diegene die behoren tot de dinosauriërs behoren tot het einde van de Secundaire Periode. Degene die gevonden zijn in het Jura zijn al de afstammelingen. Ik bedoel de

Blz. 88

Saurier, die im Anfang der Sekundärzeit da waren. . . . Vor dem Tertiären liegt das Sekundärzeitalter; da gehört der Jura hinein. Da gehört der Archäopteryx hinein. … “

Dinosaurussen die er waren aan het begin van de Secundaire Periode. . . . Vóór het Tertiair ligt het Secundaire Tijdperk; daar hoort het Jura bij. Dit is waar de archaeopteryx thuishoort. … ”

X.: Wie ordnet sich ein, was wir über das Erdinnere gelernt haben? Darüber
findet man fast nichts in der äußeren Wissenschaft.

X.: Hoe voeg je in we wat we geleerd hebben over het inwendige van de aarde? Hier vind je bijna niets over in de externe wetenschap.

Dr. Steiner: Das, worüber die äußere geologische Wissenschaft überhaupt handelt, bezieht sich ja nur auf die allerobersten Schichten.
Diese Schichten, die bis zum Mittelpunkt der Erde gehen, die haben
ja mit der Geologie nichts zu tun.

Waar de externe geologische wetenschap zich überhaupt mee bezighoudt, heeft alleen betrekking op de allerhoogste lagen.
Deze lagen die naar het centrum van de aarde gaan, hebben niets met geologie te maken.

X.: Kann man diese Schichten den Kindern beibringen? Man muß doch die
oben aufliegenden Schichten erwähnen.

X.: Kunnen deze lagen aan kinderen worden geleerd? Je moet toch de
de bovenste lagen noemen.

Dr. Steiner: Ja, möglichst die Schichten angeben. Man kann es nach einer Schichtenkarte machen, aber niemals ohne daß die Kinder etwas wissen von den Gesteinsarten. Die Kinder müssen die Anschauung bekommen, was das für Steine sind. Bei der Erklärung fängt man an von oben herunter, weil man da leichter vermitteln kann, was da durchbricht.

Dr. Steiner: Ja, als het kan de lagen aangeven. Je kunt het doen aan de hand van
een aardlagenkaart, maar nooit zonder dat de kinderen iets weten over de soorten gesteente. De kinderen moeten zich kunnen voorstellen wat deze gesteenten zijn. Als je het uitlegt, begin je van boven naar beneden, omdat het makkelijker is om uit te leggen wat er doorbreekt.

X.: Der Satz von der Erhaltung der Energie in der Wärmelehre bereitet auch
Schwierigkeiten.

[18] X.: De wet van behoud van energie in de thermodynamica levert ook moeilijkheden op.

Dr. Steiner: Warum gibt es da Schwierigkeiten? Das Bestreben müßte sein, diese Dinge allmählich hinüberzuführen zu dem, was Goethe das Urphänomen nennt, also nur Phänomene zu behandeln.
Der Satz von der Erhaltung der Energie dürfte nicht behandelt werden wie bisher. Er ist ein Postulat, kein Satz. Und zweitens ist hier etwas ganz anderes: Das Spektrum kann man behandeln, das ist das Phänomen; aber der Satz von der Erhaltung der Energie wird als philosophischer Satz behandelt. Als etwas anderes ist das mechanische Wärmeäquivalent zu behandeln. Das ist das Phänomen. Warum nun nicht streng innerhalb der Phänomenologie stehenbleiben? Man arbeitet heute solche Gesetze heraus, die eigentlich Phänomene sind.
Da ist es ein Unfug, daß man das ,,Gesetz” nennt, wie zum Beispiel das Fallgesetz. Das sind Phänomene, das sind keine Gesetze. Und man wird finden, daß man die ganze Physik von sogenannten Gesetzen freihalten kann, sie in Phänomene verwandeln und in sekundäre und Urphänomene gruppieren kann. Wenn man in der Fall-Lehre anfängt die sogenannten Gesetze der Atwoodschen Fallmaschine zu beschreiben, so sind das Phänomene und keine Gesetze.

Waarom zijn er moeilijkheden? Het streven moet zijn om deze dingen geleidelijk over te brengen naar wat Goethe het oerfenomeen noemt, d.w.z. alleen fenomenen te behandelen.
De wet van het behoud van energie moet niet behandeld worden zoals tot nu toe. Het is een postulaat, geen wet. En ten tweede iets heel anders: het spectrum kan behandeld worden, dat is het fenomeen; maar de stelling van behoud van energie wordt behandeld als een filosofische stelling. Het mechanische equivalent van warmte. Dat is het fenomeen. Waarom nu niet strikt binnen de fenomenologie blijven? Tegenwoordig werken we wetten uit die eigenlijk verschijnselen zijn.
Het is onzin om ze “wetten” te noemen, zoals de wet van de zwaartekracht.
Dit zijn fenomenen, geen wetten. En men zal ontdekken dat men de hele fysica vrij kan houden van zogenaamde wetten, ze kan omvormen tot fenomenen en ze kan groeperen in secundaire en primaire fenomenen. Als men begint in de leer van de gevallen de zogenaamde wetten van Atwood’s valmachine te beschrijven, dan zijn dit zijn fenomenen en geen wetten.

X.: Da müßte man wohl so vorgehen, daß man nicht das Fallgesetz zugrunde
legt, zum Beispiel die Konstanz der Beschleunigung, und daraus das Fallgesetz
entwickelt, sondern daß man es als Tatsache behandelt.

X.: Men zou waarschijnlijk op zo’n manier te werk moeten gaan dat men niet de wet van het vallen neemt bijvoorbeeld de constantheid van versnelling, en dan de wet van het vallen ontwikkelen, maar het als een feit te behandelen.

Blz. 89

Dr. Steiner: Zeichnen Sie es doch einfach auf, wenn Sie keine Fallmaschine haben. In der ersten Sekunde fällt es so, in der zweiten so, in der dritten so. Da kriegen Sie einfach die Zahlenreihen, und aus denen machen Sie das, was man das Gesetz nennt, was aber nur ein Phänomen ist.

Teken het gewoon als je geen valmachine hebt. In de eerste seconde valt hij zo, in de tweede zo, zo in de derde. Je krijgt gewoon de reeks getallen, en daaruit daaruit maak je wat men de wet noemt, maar wat slechts een fenomeen is.

X.; Über die Schwerkraft sollte man also gar nicht reden?

X.; Dus we moeten helemaal niet over zwaartekracht praten?

Dr. Steiner: Das würde ja wunderbar sein, wenn Sie es dahin brächten, sich ganz abzugewöhnen, von der Schwerkraft zu reden. Man kann es dahin bringen, wenn man nur Phänomene vorbringt. Das wäre das schönste, denn die Schwerkraft ist ja nur eine Phrase.

Het zou prachtig zijn als je helemaal niet meer over zwaartekracht zou praten. Je kan zo ver komen als je alleen over verschijnselen praat. Dat zou het beste zijn, want zwaartekracht is maar een uitdrukking.

X : Gilt das auch von der elektrischen Kraft?

X : Geldt dat ook voor de elektrische kracht?

Dr. Steiner: Heute können Sie ja über Elektrizität ganz reden, ohne
von Kräften zu reden. Sie können streng in Phänomenen drinnen
stehenbleiben. Bis zur Ionen- und Elektronentheorie können Sie herunterkommen, ohne von etwas anderem als von Phänomenen zu
reden. Das würde pädagogisch ungeheuer wichtig sein, das zu
machen.

Tegenwoordig kun je het over elektriciteit hebben zonder het over krachten te hebben. Je kan strikt binnen de fenomenen blijven. Je kan tot de theorie van ionen en elektronen komen zonder het over iets anders dan fenomenen te hebben. Pedagogisch gezien zou het enorm belangrijk zijn om dat te doen.

X : Es ist sehr schwer, ohne Kräfte auszukommen, wenn man das Maßsystem
behandelt, das C-G-S-System, das man in den oberen Klassen haben muß.

X : Het is heel moeilijk om het zonder krachten te doen als je te maken hebt met het meetsysteem, het C-G-S systeem* dat je in de bovenbouw moet hebben.

Dr. Steiner: Was haben denn die Kräfte damit zu tun? Wenn Sie Rechnungen haben, wo Sie eines mit dem anderen vertauschen können, können Sie es ja haben.

Wat hebben de krachten ermee te maken? Als je berekeningen hebt waarbij je het ene met het andere kan verwisselen dan kun je het gebruiken.

X : Dann würde man vielleicht für das Wort Kraft etwas anderes setzen
müssen.

X : Dan zou je misschien iets anders voor het woord kracht moeten zetten.

Dr. Steiner: Sobald der Zögling sich klar ist darüber, daß Kraft nichts
weiter ist als das Produkt von Masse und Beschleunigung, sobald er
keinen metaphysischen Begriff damit verbindet, sie also immer
phänomenologisch behandelt, kann man ja von Kraft reden.

Zodra de leerling beseft dat kracht niets meer is dan het product van massa en versnelling, zodra hij er geen metafysisch concept aan koppelt, d.w.z. altijd fenomenologisch behandelt, kan men van kracht spreken.

X : Könnten wir etwas Näheres hören über Planetenbewegung? Es ist vieles
angedeutet worden, aber man hat noch keine klare Vorstellung über die wahre
Bewegung der Planeten und der Sonne.

[19] X : Kunnen we iets meer horen over planetaire beweging?** Er is veel aangeduid,
maar we hebben nog steeds geen duidelijk idee van de werkelijke beweging van de planeten en de zon.

Dr. Steiner: Das ist eigentlich so in Wirklichkeit:
(Dr. Steiner demonstriert an der Zeichnung.) Jetzt muß man einfach sich vorstellen, das schraubt sich fort. Das andere ist scheinbare Bewegung. Die Schraubenlinie setzt sich im Weltenraum fort. Also nicht, daß sich die Planeten um die Sonne bewegen, sondern diese

Dat is in werkelijkheid zo:
(Dr. Steiner geeft het aan op de tekening.) Nu moet je je gewoon voorstellen dat het wegspiraalt. Het andere is schijnbare beweging. De spiraalvormige lijn zet zich voort in het universum. Dus niet dat de planeten rond de zon bewegen, maar dat deze

Voetnoot:
*C-G-S-systeem: centimeter-gram-seconde meetsysteem.
Zie GA 295, 14e vdr.   Vertaald

blz. 90

 

drei: Merkur, Venus, Erde, ziehen der Sonne nach, und diese drei: Mars, Jupiter, Saturn, gehen voraus. Dadurch wird hervorgerufen, wenn also die Erde da steht, das hier ist die Sonne, da zieht die Erde nach. Da sieht man so hin auf die Sonne von hier aus, und das bewirkt, daß es ausschaut, als wenn die Erde herumgehe, während sie nur nachzieht. Die Erde zieht der Sonne nach. Die Steigung ist gleich dem, was man den Deklinationswinkel nennt; wenn Sie den Winkel, den Sie herausbekommen, wenn Sie den Ekliptikwinkel nehmen,
den sie einschließt mit dem Äquator, dann kriegen Sie das heraus.
Also nicht eine Spirale, sondern eine Schraubenlinie. Es ist nicht eben, sondern räumlich.

drie: Mercurius, Venus, Aarde, de zon volgen, en deze drie: Mars, Jupiter, Saturnus, gaan voor. Daardoor wordt veroorzaakt, dus als de aarde daar staat, dit is de zon, dat de aarde volgt. Dus je kijkt naar de zon vanaf hier, en het effect is dat het lijkt alsof de aarde rond gaat, terwijl die gewoon volgt. De aarde volgt de zon. De hoogtetoename is gelijk aan wat de declinatiehoek wordt genoemd; als je de hoek wilt weten die je krijgt als je de eclipticahoek neemt, die hij insluit met de evenaar, dan is dat wat je krijgt.
Het is dus geen spiraal, het is een helix. Het is niet plat, maar ruimtelijk.

X.: Wie steht jetzt die Erdachse in dieser Bewegung?

X.: Wat is de positie van de aardas in deze beweging?

Dr. Steiner: Wenn die Erde hier sein würde, würde die Erdachse eine
Tangente sein. Der Winkel ist 231/2 Grad. Der Winkel, der mit der

Als de Aarde hier zou zijn, zou de aardas een raaklijn zijn. De hoek is 23½ graden. De hoek die door de

Blz. 91

Schraube eingeschlossen wird, ist derselbe, den Sie herauskriegen, wenn Sie den Nordpol nehmen, und da diese Lemniskate machen als Bahn eines der Sterne in der Nähe des Nordpols. Das müßte ich konstatieren. Da bekommt man eine scheinbare Lemniskate heraus, wenn man diese Linie verlängert. Sie ist nicht vorhanden, weil der Nordpol fix bleibt, der Himmelsnordpol.

schroef ingesloten wordt, is dezelfde die je krijgt als je de noordpool neemt en  daar deze lemniscaten maken als de baan van een van de sterren in de buurt van de noordpool. Dat zou ik moeten constateren. Je krijgt een schijnbare lemniscaat, als je deze lijn doortrekt. Die bestaat niet omdat de noordpool vast blijft staan, de noordelijke hemelpool.

X.: 1413 passierte doch eine besondere Konstellation?

X.: In 1413 was er toch een bijzondere constellatie?

Dr. Steiner: Ich habe heute daraufhingedeutet. Es ist das so, daß Sie nehmen können etwa 7000 Jahre vor 1413. Da bekommen Sie heraus ein Zusammenfallen der Erdachse, also den kleinsten Winkel.
Dann wird er größer, und dann jetzt wiederum kleiner zunächst; dadurch entsteht die Lemniskate. Also zeitweilig ist der Erdwinkel null. Also dann war die atlantische Katastrophe. Da waren nicht diese Jahreszeitenunterschiede. Da war immer Tagundnachtgleiche.

Daar heb ik vandaag op gewezen*. Je kan ongeveer 7000 jaar voor 1413 nemen en dan krijg je een samenvallen van de aardas, dat wil zeggen de kleinste hoek.
Dan wordt hij groter, en dan weer kleiner in het begin; hierdoor ontstaat de lemniscaat. De hoek van de aarde is dus tijdelijk nul. Dus toen was er de Atlantische catastrofe. Er waren geen seizoensverschillen. Dag en nacht duurden steeds even lang.

X,: Wie kommt es, daß der Himmelspol, der nichts anderes ist als der Punkt,
auf den sich die Erdachse hinrichtet, gleich bleiben soll? Er ändert sich doch
im Laufe der Jahre.

X: Hoe kan het dat de hemelpool, die niets anders is dan het punt
waarop de aardas is georiënteerd, hetzelfde blijft? Die verandert
toch door de jaren heen.

Dr. Steiner: Das ist eben dadurch bewirkt, daß die Erdachse einen Kegel beschreibt, einen Doppelkegel. Dadurch wird fortwährend seine Bewegung ausgeglichen durch die Bewegung der Erdachse. Wenn Sie die Erdachse immerfort parallel zu sich hätten, dann würde der Himmelspol eine Lemniskate beschreiben, aber er bleibt, wo er ist. Das geschieht dadurch, daß durch die Bewegung der Erdachse im Doppelkegel aufgehoben wird diese Bewegung, die dadurch herauskommt, daß der Himmelspol eine Lemniskate beschreiben würde; die wird dadurch aufgehoben.

Dat komt omdat de aardas een kegel beschrijft, een dubbele kegel. Dit betekent dat zijn beweging voortdurend in evenwicht wordt gehouden door de beweging van de aardas. Als u de aardas altijd evenwijdig aan uzelf zou hebben, dan zou de hemelpool een lemniscaat beschrijven, maar hij blijft waar hij is. Dit gebeurt omdat door de beweging van de aardas in de dubbele kegel deze beweging teniet wordt gedaan die het gevolg is van het feit dat de hemelpool een lemniscaat zou beschrijven; dat wordt daardoor opgeheven.

X.: Ich hatte mich eingestellt auf eine Bewegung der Erdachse, die Sie beschrieben haben. Ich sagte mir, es muß sich am Himmel scheinbar der Punkt, der am Himmel fix bleibt, im Laufe der Jahrhunderte ändern. Das würde sein,
glaubte ich, im Sinne der Lemniskate, also nicht etwa ein Kreis am Himmel
im platonischen Jahr.

X.: Ik had me voorbereid op de beweging van de aardas die u beschreef. Ik zei tegen mezelf dat het punt dat vast blijft staan aan de hemel schijnbaar door de eeuwen heen moet veranderen. Dat zou het geval zijn, dacht ik, in de zin van de lemniscaat, dus niet een cirkel aan de hemel in het Platonische jaar.

Dr. Steiner: Das wird dadurch aufgehoben, daß diese Linie, die Achse der Schraube, nicht eine wirkliche Gerade ist, sondern eine Kurve. Das ist nur annähernd eine Gerade. In Wirklichkeit wird hier auch ein Kreis beschrieben. Man hat es zu tun mit einer Schraube, die eigentlich zu ihrem Gewinde einen Kreis hat.

Dat wordt tenietgedaan door het feit dat deze lijn, de as van de schroef, geen echte rechte lijn is, maar een kromme. Het is slechts bij benadering een rechte lijn. In werkelijkheid wordt hier ook een cirkel beschreven. We hebben te maken met een schroef die eigenlijk een cirkel op zijn schroefdraad heeft.

X.: Wie ist es möglich, das in Zusammenhang zu bringen mit dem Galileischen
Relativitätsprinzip? Mit der Tatsache, daß wir keine absolute Raumbewegung
feststellen können?

Hoe is het mogelijk dat in samenhang te brengen met het relativiteitsprincipe van Galileo? Met het feit dat we geen absolute ruimtelijke beweging kunnen vaststellen?

Voetnoot:
*Misschien bezocht Steiner ’s morgens een klas. Geen verdere notities.
.

Blz. 92

Dr. Steiner: Was heißt das?

Wat betekent dat?

X..’ Daß wir nicht von der absoluten Bewegung im Raum sprechen können.
Wir können nicht sagen: dieser Körper steht im Raum still, sondern er bewegt
sich. Es ist nur relativ. Wir können nur wissen, daß ein Körper sich zum anderen hinbewegt.

[20] X..’ Dat we niet kunnen spreken van absolute beweging in de ruimte.
We kunnen niet zeggen: dit lichaam staat stil in de ruimte, maar het beweegt.
Het is alleen relatief. We kunnen alleen weten dat het ene lichaam naar het andere toe beweegt.

Dr. Steiner: Dies gilt eigentlich nur, solange man die Untersuchung nicht ausdehnt auf das Innere des betreffenden Körpers. Also, nicht wahr, wenn Sie zwei Menschen haben, die zueinander relativ in Bewegung sind, so können Sie, solange Sie rein mathematisch räumlich untersuchen und den Untersuchungspunkt außerhalb der betreffenden Menschen nehmen — es kann Ihnen gleichgültig sein, was absolut vorgeht —, Sie werden nur die Relativität der Bewegung bekommen.
Aber dem Menschen ist es nicht gleichgültig. Zwei Meter zu laufen, ist ein anderes, als drei Meter zu laufen. Das Prinzip gilt also nur für den Beobachter, der außerhalb steht. In dem Augenblick, wo er drinnensteht, wie wir es tun als Erdenmenschen — sobald die Untersuchung beginnt, die innere Veränderung einzubeziehen, dann hört die Sache auf. In dem Augenblick, wo wir Untersuchungen so machen, daß wir absolute Veränderungen feststellen in den aufeinanderfolgenden Erdenepochen, hört die Sache auf.
Deshalb betone ich so scharf, daß der Mensch heute ganz anders ist als in der Griechenzeit. Da kann man nicht vom Relativitätsprinzip sprechen. Bei dem Eisenbahnzug auch nicht; beim Schnellzug werden die Wagen mehr abgenützt als beim Bummelzug. Wenn man beim inneren Zustand ankommt, hört das Relativitätsprinzip auf. Das Relativitätsprinzip Einsteins ist aus unrealem Denken entsprungen. Er fragte, was geschieht, wenn einer anfängt fortzufliegen mit der Lichtgeschwindigkeit und wieder zurückkommt; dann geschieht das und das. Nun möchte ich fragen, was mit einer Uhr überhaupt geschehen würde, wenn sie mit Lichtgeschwindigkeit fortflöge. Das ist doch unreal gedacht. Das ist aus dem Zusammenhang. Es sind bloß die Raumverhältnisse gedacht. Das ist seit Galilei möglich geworden. Galilei selber hat die Sache noch nicht so verzerrt, aber heute ist schon durch diese Überspannung der Relativitätstheorie möglich geworden, daß man solche Sachen vorbringt.

Dit is eigenlijk alleen waar zolang je het onderzoek niet uitbreidt naar het inwendige van het lichaam in kwestie. Dus, als je twee mensen hebt die ten opzichte van elkaar in beweging zijn, kun je, zolang je puur wiskundig ruimtelijk onderzoekt en het punt van onderzoek buiten de mensen in kwestie neemt,  onverschillig zijn voor wat absoluut is, je krijgt alleen de relativiteit van de beweging.
Maar voor de mensen is het niet om het even. Twee meter lopen is anders dan drie meter lopen. Dus het principe geldt alleen voor de waarnemer die erbuiten staat. Zodra het hem aangaat, zoals wij als aardbewoners – zodra het onderzoek de innerlijke verandering begint te omvatten, dan houdt de zaak op. Op het moment dat we zodanig onderzoek doen dat we absolute veranderingen in de opeenvolgende aardse tijdperken vaststellen, dan houdt de zaak op.
Daarom benadruk ik zo sterk dat de mens vandaag heel anders is dan in de Griekse tijd. We kunnen niet spreken van het relativiteitsprincipe.
Ook niet bij de trein; de wagons van een sneltrein zijn meer versleten dan die van een boemeltrein. Wanneer je bij de innerlijke toestand komt, is het relativiteitsprincipe niet meer van toepassing. Einsteins relativiteitsprincipe kwam voort uit onrealistisch denken. Hij vroeg zich af wat er gebeurt als iemand wegvliegt met de lichtsnelheid en weer terugkomt; dan gebeurt er dit en dat. Nu zou ik willen vragen wat er met een horloge zou gebeuren als dat met de lichtsnelheid weg zou vliegen. Dat is onrealistisch denken. Dat is uit zijn verband gerukt. Het gaat om slechts de ruimtelijke relaties. Dit is al mogelijk sinds Galileo. Galileo zelf vervormde de zaak nog niet op deze manier, maar vandaag de dag is het wel mogelijk geworden door deze overdrijving van de relativiteitstheorie zulke dingen naar voren te brengen.

X.: Es ist eine Merkwürdigkeit beim Licht, daß man bei der Lichtgeschwindigkeit nicht feststellen kann, in welcher Bewegungsbeziehung man sich zur Lichtquelle befindet.

X.: Het is een vreemde zaak met het licht dat je aan de snelheid van het licht niet kunt zien wat de relatie van beweging is met de bron van het licht.

Dr. Steiner: Lorentzscher Versuch. Lesen Sie die Sache durch — sie
ist interessant, aber theoretisch behandelt, was Lorentz daraus
schließt. Es ist nicht nötig, daß Sie es annehmen, daß da bloß Rela-

Het experiment van Lorentz*. Lees het door – het is interessant, maar theoretisch behandeld, wat Lorentz eruit concludeert. Je hoeft niet aan te nemen dat er alleen maar

Voetnoot:
*het stenogram moet wellicht zo luiden….’interessant, maar theoretisch behandeld. Het is niet nodig dat u aanneemt wat Lorenz eraan vastknoopt, dat er….
.

Blz. 93

tivitätsunterschiede sind. Da kommt man aus mit der absoluten Mechanik. Sie haben wahrscheinlich nicht alle diese Zwangsvorstellungen berücksichtigt. Es ist kein Unterschied als ein solcher, der hervortreten würde, wenn Sie eine Röhre nehmen würden (Zeichnung) und Sie würden also hier in dieser Röhre eine sehr feine Wandung haben, eine elastische Wandung. Und Sie würden oben und unten eine Flüssigkeit haben und dazwischen auch. Da würden sich zwischen diesen zwei Flüssigkeiten dieselben Verhältnisse ergeben, wie sie sich bei Lorentz für das Licht ergeben. Da muß man mit der Zwangsinterpretation auftreten, wenn man diese Dinge so nehmen will.
Sie kennen ja wohl das Prachtstück: Sie bewegen sich in einem Eisenbahnzug zunächst mit der Geschwindigkeit eines Eisenbahnzugesund lassen eine Kanone losschießen, so hören Sie sie einmal in Freiburg, zweimal in Karlsruhe, dreimal in Frankfurt. Wenn Sie sich schneller bewegen, als die Schallbewegung ist, so hören Sie zuerst die drei Schüsse in Frankfurt, nachher erst die zwei Schüsse in Karlsruhe und nachher einen Schuß in Freiburg. Solche Sachen kann man ausspekulieren, aber sie haben keine Realität, weil Sie sich eben nicht schneller bewegen können als die Schallgeschwindigkeit.

relativiteitsverschillen zijn. Je kunt volstaan met absolute mechanica. U hebt waarschijnlijk geen rekening gehouden met al deze dwangvoorstellingen. Er is geen ander verschil dan het verschil dat zou ontstaan als je een buis zou nemen (tekening) [niet afgebeeld] en je zou een hele fijne wand in deze buis hebben, een elastische wand. En je zou een vloeistof hebben aan de boven- en onderkant en daartussen. Dit zou resulteren in dezelfde omstandigheden tussen deze twee vloeistoffen als bij Lorentz de resultaten voor licht. Je moet de geforceerde interpretatie gebruiken als je deze dingen op die manier wilt bekijken.
Je kent dit prachtige voorbeeld* vast wel: eerst beweeg je je in een spoortrein met de snelheid van die trein en je laat een kanon afgaan, dan hoor je het één keer in Freiburg, twee keer in Karlsruhe, drie keer in Frankfurt. Als je sneller beweegt
sneller dan de geluidsbeweging, dan hoor je eerst de drie schoten in Frankfurt, gevolgd door de twee schoten in Karlsruhe en dan één schot in Freiburg. Je kunt over zulke dingen speculeren, maar ze hebben geen realiteit omdat je niet sneller dan de geluidssnelheid kunt bewegen.

X.: Wie könnte man das Astronomische herausarbeiten durch die Spiralbewegung der Pflanzen? Ist eine solche Vorrichtung möglich, daß man das herausbeweisen kann aus der Pflanze?

[21] X.: Hoe zou je het astronomische kunnen uitwerken door de spiraalbeweging van de planten? Is er een toestel mogelijk dat je dit kan bewijzen aan de hand van de plant?

Dr. Steiner: Was brauchen Sie eine Vorrichtung? Die Pflanzen sind doch selbst diese Vorrichtung. Sie haben nur nötig, das Pistill, den Stempel, der Mondenbewegung zuzuordnen, und die Narbe der Sonnenbewegung. In dem Augenblick, wo Sie zuordnen das Pistill der Mondenbewegung und die Narbe der Sonnenbewegung, kriegen Sie das übrige heraus. Dann haben Sie in der Spiralbewegung der Pflanze nachgeahmt das relative Verhältnis zwischen dem, was Sonnenbewegung ist, und dem, was Mondenbewegung ist. Dann können Sie weitergehen. Das ist kompliziert. Sie müssen es konstruieren. Zunächst bewegt sich scheinbar das Pistill nicht. Es bewegt sich innerhalb, in der Spirale. Das müssen Sie umkehren; das ist relativ. Der Stempel gehört in die Stengellinie, die Narbe in die Spiralbewegung.
Ich glaube aber — man kann das schwer weiter andeuten —, das können Sie in der Schule nicht brauchen. Das ist eine Sache der weiteren Erkenntnisentwickelung.

Waar heb je een apparaat voor nodig? De planten zijn zelf dit apparaat. U hebt alleen maar nodig de stamper te nemen bij de beweging van de maan, en de stempel bij de beweging van de zon. Op het moment dat je de stamper toewijst aan de maanbeweging en de stempel aan de beweging van de  zon, krijg je de rest eruit. Dan heb je in de spiraalbeweging van de plant nagebootst de relatieve relatie tussen wat zonnebeweging en wat maanbeweging is. Dan kun je verder gaan. Dat is ingewikkeld. Je moet het construeren. In eerste instantie lijkt de stamper niet te bewegen. Hij beweegt naar binnen, in de spiraal. Je moet dit omkeren; het is relatief. De stamper staat in de lijn van de steel, de stempel in de spiraalbeweging.
Maar ik denk – het is moeilijk om dit verder aan te geven  – dat je dat niet op school kunt gebruiken. Dat is een zaak voor de verdere ontwikkeling van kennis.

X.: Gibt es keine Möglichkeit, diese Spiralbewegung der Sonne und der Erde
aus astronomisch bekannten Tatsachen herzuleiten?

X.: Is er geen mogelijkheid om deze spiraalbeweging van de zon en de aarde te verklaren uit astronomisch bekende feiten?

Dr. Steiner: Warum nicht? Genau wie Sie die Kopernikanische

Waarom niet? Net zoals je de Copernicaanse

Voetnoot:
*voorbeeld van de relativiteitstheorie.

Blz. 94

Lehre heute lehren. Das ganze beruht auf dem Witz, der gemacht wird, daß von den drei Kopernikanischen Gesetzen bloß die beiden ersten gelehrt werden; das dritte wird weggelassen. Fügen Sie das dritte hinzu, dann kommen Sie zu dieser Sache, daß Sie eine einfache Spirale um die Sonne bekommen. Kopernikus hat sie gemacht. Sie brauchen bloß sein drittes Gesetz zu nehmen. Sie brauchen bloß das Buch ,,De revolutionibus corporum coelestium” wirklich zu nehmen, und brauchen drei Gesetze statt der zwei zu nehmen. Man hat nur die zwei genommen, das stimmt aber nicht mit den Bewegungen, die man sieht. Da fügt man die sogenannten Besselschen Korrekturgleichungen ein. Man sieht die Sterne nicht, wie sie von Kopernikus angegeben werden. Da muß man das Fernrohr drehen; da dreht man nach Besselschen Gleichungen. Sie brauchen das nur auszuschalten, dann kriegen Sie das Richtige heraus.
Das dürfen Sie aber heute nicht machen, sonst werden Sie ganz vertrackt genannt. Es ist aber kinderleicht, es zu lernen, und das, was heute gelehrt wird, als Humbug zu erklären. Man braucht bloß die Besselschen Taggleichungen herauszuwerfen und das dritte Kopernikanische Gesetz zu berücksichtigen.

theorie vandaag aanleren. De hele zaak is gebaseerd op de gekheid die wordt gehanteerd dat van de drie Copernicaanse wetten alleen de eerste twee worden onderwezen; de derde wordt weggelaten. Voeg je de derde toe, dan kom je tot het feit dat je een eenvoudige spiraal krijgt rond de zon. Copernicus maakte het. Je
hoeft alleen zijn derde wet te nemen. Alles wat je nodig hebt is het boek “De revolutionibus corporum coelestium” en neem drie wetten in plaats van twee. Men heeft alleen die twee genomen, maar dat komt niet overeen met de bewegingen die je ziet. Hier komen de zogenaamde Bessel-correctievergelijkingen om de hoek kijken. Je ziet de sterren niet zoals ze door Copernicus zijn aangegeven. Je moet de telescoop draaien; men draait volgens de vergelijkingen van Bessel. Je hoeft dat alleen maar te negeren, en je krijgt het juiste resultaat.
Maar dat mag je vandaag niet doen, anders word je heel lastig genoemd. Maar het is kinderspel om het te leren, en wat vandaag wordt onderwezen humbug te noemen. Het enige wat je hoeft te doen is Bessels dagvergelijkingen opzij leggen en de derde Copernicaanse wet* serieus nemen.

X.: Könnte man das nicht veröffentlichen?

X.: Kan dat niet gepubliceerd worden?

Dr. Steiner: Johannes Schlaf hat damit angefangen, indem er die Punkte am Jupiter konstatiert hat, die stimmen nicht im Verlauf mit dem Kopernikanischen System. Die Leute sind über ihn hergefallen und sagten: Das ist ein verrückter Kerl.
Gegen die brutale Gewalt ist eben nichts zu machen. Realisieren Sie die Bestrebungen des Kulturrates, daß es Luft gibt. Die Sachen sind schlimmer als man denkt. Wenn ein Professor in Tübingen aus dem Warencharakter einen „wahren Charakter” machen kann! Das Publikum will sich nicht dazu entschließen, anzuerkennen, daß unser ganzes Schulsystem korrupt ist. Das ist etwas, was zunächst einmal gang und gäbe werden muß, daß unsere Universitäten weg müssen, daß die höheren Schulen weg müssen. Die müssen ersetzt werden durch etwas ganz anderes. Das ist die eigentliche Grundlage.
Es ist ganz unmöglich, mit den Kerlen etwas zu machen. Ich sprach in der Volkshochschule in Dresden. Ich sprach dann auch in der Schopenhauer-Gesellschaft in Dresden. Da haben nachher die Professoren richtiges Blech geredet. Nicht einen Gedanken konnten sie festhalten. Einer stand auf und sagte, er müsse die Unterschiede angeben, die zwischen der Schopenhauerschen Philosophie und der Anthroposophie bestehen. Ich sagte, ich fände das unnötig. Anthro-

Johannes Schlaf is hiermee begonnen toen hij op Jupiter punten constateerde die niet overeenkomen met het Copernicaanse systeem. Mensen zijn over hem gevallen en ze zeiden: Die is een gek.
Tegen bruut geweld kun je niets doen. Kijk eens naar de inspanningen van de Culturele Raad, dat lucht op. Het is erger dan je denkt. Een professor in Tübingen kan zomaar het karakter van een handelsartikel veranderen in een “echt karakter”! [Warencharakter = 1 woord en wahren Charakter: 2 woordenHet publiek wil niet inzien dat ons hele schoolsysteem corrupt is. Dat onze universiteiten weg moeten, dat de middelbare scholen weg moeten is iets dat nu normaal moet worden. Die moeten vervangen worden door iets totaal anders. Dat is de echte basis.
Het is vrij onmogelijk om iets met deze mannen voor elkaar te krijgen.
Ik sprak in de volkshogeschool in Dresden. Daarna sprak ik ook bij het
Schopenhauer Genootschap in Dresden.*** Na afloop praatten de professoren echte onzin. Ze konden geen enkele gedachte vasthouden. Een van hen stond op en zei dat hij moest wijzen op de verschillen tussen Schopenhauers filosofie en de antroposofie. Ik zei dat ik dat niet nodig vond. Antro-

Voetnoot:
*Nicolaus Copernicus (1473-1543). De derde wet wordt ongeveer zo geformuleerd: de aardas beschrijft in de loop van 26000 jaar een kegelmantel met de richting naar de eclipticapool als as…
De revolutionibus corporum coelestium libri IV, 1543.
En ‘De hypothesibus motuum coelestium a se constitutis Commentariolus’.
**Johannes Schlaf, 1862-1941: naturalistische, later impressionistische dichter en schrijver, probeerde het wereldbeeld van Copernicus te weerleggen, bv. in ‘De Aarde – niet de Zon’, 1920
***Op 20 sept. 1919 over ‘De filosofische rechtvaardiging van de antroposofie’, weinig aantekeningen, niet gedrukt.
.

Blz. 95

posophie verhalte sich zur Philosophie wie die Krone zur Wurzel eines Baumes. Daß zwischen der Wurzel und der Krone ein Unterschied besteht, ist selbstverständlich. Da kann sich einer hinstellen und sagen: Er ist genötigt, den Unterschied zwischen Wurzel und Krone festzustellen, und ich habe doch nichts anderes behauptet.
Die Kerle können keinen geraden Gedanken fassen. Die heutige Universitätsphilosophie ist geradezu Unsinn. Es ist ja in vielem, was sie bringt, ein richtiger Kern, aber mit so viel Humbug verknüpft, daß doch Unsinn herauskommt. Die ,,Wertlehre” von Rickert kennen Sie doch? Das bißchen, was darinnen steckt als guter Kern in der Universitätsphilosophie, Sie finden es angeführt in meinen „Rätseln der Philosophie”.
Mit dem „wahren Charakter”, das kommt mir gerade so vor, wie etwas anderes: Ich habe Leute in der Gesellschaft gefunden, die wußten nicht, was Gewerkschaften sind. Ich habe es oftmals betont: diese Dinge kommen vor. Wenn man im Kulturrat sachgemäß wirken würde, würde man die Vernunft anstelle dieser schrecklichen Betriebe setzen, dann würde alles besser werden. Dann könnten Sie auch vernünftige Astronomie lehren. Sie können aber der brutalen Macht gegenüber nicht aufkommen. Im Kulturrat könnte das geschehen, was von Anfang an geschehen sollte: Daß er sein Programm wirklich aufnehme und dahin arbeite, das ganze Schulwesen in die Hand zu nehmen. Die Waldorfschule ist eingerichtet als Musterbeispiel. Sie kann aber auch nichts machen der brutalen Gewalt gegenüber. Der Kulturrat hätte die Aufgabe, das ganze Unterrichtswesen umzugestalten. Wenn wir zehn Millionen hätten, könnten wir die Waldorfschule ausbauen. Das sind ja nur „kleine Hindernisse”, dieses Fehlen von zehn Millionen.
Mir liegt ungeheuer auf der Seele, daß Sie sich nicht abschrecken lassen durch etwas, was Ihnen von außen entgegentritt als Ungezogenheit der Kinder und dergleichen. Sie dürfen nicht die Vorstellung haben, daß Sie Engel in die Schule kriegen. Auch kann Ihnen viel mißlingen dadurch, daß Sie das Schulmaterial nicht so haben, wie es sein muß. Trotzdem wollen wir aber streng an dem festhalten, was wir uns vorgesetzt haben und wollen uns durch nichts abhalten lassen, so gut es geht, es zu erreichen.
Das ist also sehr wichtig, daß Sie praktisch auseinanderhalten das, was möglich ist nach den äußeren Bedingungen, die vorhanden sind, und das, was die Stoßkraft geben soll. Wir dürfen nichts anderes glauben, als daß unsere Ideale verwirklicht werden können. Sie können es auch, es zeigt sich nur nicht gleich.

posofie verhoudt zich tot de filosofie zoals de kroon van een boom tot de wortel. Het is vanzelfsprekend dat er een verschil is tussen de wortel en de kroon. Iemand kan opstaan en zeggen: Het is verplicht om het verschil tussen de wortel en de kroon vast te stellen, en ik heb niets anders gezegd.
Deze mensen kunnen niet helder denken. De universitaire filosofie van vandaag is regelrechte onzin. Er is een ware kern in veel van wat het brengt, maar gecombineerd met zoveel humbug is het resultaat toch onzin.
U kent Rickerts “theorie van waarden”, nietwaar? Het kleine beetje dat het bevat als een goede kern in de universitaire filosofie, vindt u aangehaald in mijn “Rätsel der Philosophie”. [GA 18, niet vertaald] Dat van het “ware karakter”, zie ik net zo als wat anders: ik heb mensen in de/het [het Duits heeft hier ‘Gesellschaft’, dat kan op het Schopenhauer Gesellschaft slaan, maar ook op  de Antroposofische Vereniging, gezien die niet wisten wat vakbonden zijn. Ik heb het vaak benadrukt: deze dingen gebeuren. Als de Culturele Raad goed zou werken, als je de rede in de plaats zou stellen van deze vreselijke organisaties, dan zou alles beter zijn. Dan zou U ook zinnige astronomie kunnen aanleren. Maar je kunt niet op tegen de brute macht. Wat vanaf het begin zou moeten gebeuren, zou kunnen gebeuren in de Culturele Raad: Dat het echt met zijn programma begint en eraan werkt om het hele schoolsysteem in eigen handen te nemen. De vrijeschool is opgezet als een model. Maar het kan niets doen aan het brute geweld. De Culturele Raad zou de taak moeten hebben om het hele onderwijssysteem te reorganiseren.
Als we tien miljoen hadden, konden we de vrijeschool uitbreiden. Dit zijn slechts “kleine obstakels”, dit gebrek aan tien miljoen.
Ik vind het heel belangrijk dat u zich niet laat afschrikken door wat u van buitenaf ziet als ondeugendheid van de kinderen en dergelijke. Je moet niet het idee hebben dat je engelen op school krijgt. Er kan ook veel misgaan omdat U het schoolmateriaal niet hebt zoals het zou moeten zijn. Toch willen we ons strikt houden aan wat we onszelf hebben opgelegd en willen ons door niets laten tegenhouden om dat zo goed mogelijk te bereiken.
Het is daarom heel belangrijk dat je praktisch onderscheid maakt tussen
wat mogelijk is volgens de externe omstandigheden die er zijn, en datgene wat de impuls moet geven. We moeten niets anders geloven dan dat onze idealen verwezenlijkt kunnen worden. Dat kan ook, het is alleen niet meteen zichtbaar.
GA 300A/69-95 

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3300-3106

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen – gedachtezin

.

Van Steiners opvattingen over 12 zintuigen blijken de 4 zgn. ‘geestelijke zintuigen’ het moeilijkst te doorgronden.
Met name de ‘gedachtezin’ en de ‘woordzin’.

Maar soms brengen uitkomsten van onderzoek bepaalde gezichtspunten die behulpzaam kunnen zijn bij het begrijpen van deze zintuigen.

In Goetheanum 15 augustus 2024 besteedt Patrick Pfaehler aandacht aan zo’n onderzoek:

.

verwijzingen naar de gedachtezin
.

Onderzoek toont aan dat de hersenen van de spreker en luisteraar aan elkaar gekoppeld zijn. Bewijs van de gedachtezin?

.
Rudolf Steiner beschrijft de gedachtezin als het zintuig om de gedachten van andere mensen waar te nemen. Dit zintuig wordt met name gecultiveerd wanneer je bijvoorbeeld de inhoud van de toespraak van een ander reproduceert voordat je je eigen mening geeft.

Het overheersende model voor communicatie is gebaseerd op het principe van het coderen en decoderen van gedachten met behulp van taal. Stel je het proces als volgt voor: Persoon A heeft een gedachte. Hij codeert die in taal. Hij spreekt. De spraak bereikt het oor van luisteraar B. De luisteraar neemt het geluid waar, decodeert de spraak en herkent uiteindelijk de gedachte van A.
Zoals twee holbewoners in hun grot die communiceren met rooksignalen. Ze nemen elkaar helemaal niet, alleen hun gecodeerde boodschappen.

Is dit echt hoe communicatie werkt? De hersenscan zou dus een tijdsvertraging voor B moeten laten zien, omdat het een moment duurt van A’s denkproces naar B’s gedachtewaarneming.
Precies dit experiment werd in 2010 uitgevoerd voor een onderzoek aan Princeton University. Persoon A werd in een MRI-scanner geplaatst met de opdracht om een verhaal te vertellen. Dit werd opgenomen en de hersenactiviteit gemeten. Op deze manier werden fotografische beelden van de hersenactiviteit verkregen voor elke fractie van een seconde van het verhaal. Nu ging persoon B in de MRI-scanner en het verhaal werd aan hem afgespeeld terwijl zijn hersenactiviteit werd opgenomen. Nu was het mogelijk om te analyseren of de twee hersenen dezelfde patronen vertoonden met een tijdsvertraging. Het resultaat was verbluffend! Voor een groot deel waren de processen absoluut gesynchroniseerd, d.w.z. zonder de minste tijdsvertraging. Soms liep de spreker voor en soms zelfs de luisteraar.

GEKOPPELDE HERSENEN

Het is duidelijk dat communicatie heel anders werkt dan eerder werd gedacht. De auteurs van het onderzoek noemen dit proces neuronale koppeling. Vanuit mijn standpunt is deze term echter al een interpretatie. In het geval van twee synchroonzwemmers spreken we niet van koppeling maar alleen van synchronie. Tijdens een lezing luisteren we naar een spreker. We horen deze spreken met onze oren, maar we gaan al snel mee in de gedachten van de spreker. We gaan helemaal op en zitten tegelijkertijd in dezelfde gedachte. Soms voorzien we wat er gaat gebeuren, maar soms worden we verrast door een plotselinge zinswending of gedachtesprong. Deze eenvoudige observatie wordt nu volledig bevestigd door het onderzoek. We zijn niet de eenzame holbewoners, maar als luisteraars zijn we mentaal één met de ander. Naar mijn mening geeft dit onderzoek een duidelijke indicatie van het bestaan van de gedachtezin en biedt het een compleet nieuwe benadering om communicatie te begrijpen.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen – alle artikelen

.

(1-1) Schilderen
Henk van Oort over: de verschillende kunsten en hun verschillen; nat-in-nat-schilderen; het afwezig blijven van scherpe belijning, geeft het levende meer kans.   

(1-2) Hoe kinderen met waterverf schilderen
Brunhild Müller
over: hoe schildert een kleuter (voorbeelden); wat kleuren bij jongere kinderen oproepen; met waterverf schilderen met de oudere kinderen; wat waterverf voor deze leeftijd voor heeft op andere verven.

(2) Kunstzinnig werken, schilderen en tekenen 
Pieter HA Witvliet over: een aantal verwijzingen naar boeken over schilderen en tekenen, n.a.v. wat er op Pinterest verscheen aan inhoud van het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’

(3) Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’,

(3-1) Schilderen in de 1e klas
Pieter HA Witvliet over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, blz. 36 en 37 met eigen woorden weergegeven met een eigen reeks aan gezichtspunten en praktische aanwijzingen voor de schilderles(sen), vele door ervaring verkregen. Aanwijzingen die ook voor klas 2 en 3 (nog) belangrijk zijn.

(3-2) Schilderen in de 1e klas 
Zie (3-1) Aanwijzingen voor ‘kleurtonen’; oefeningen waarbij de kleuren elkaar afwisselen; Aanwijzingen die ook voor klas 2 en 3 (nog) belangrijk zijn.

(3-3) Schilderen in de 1e klas
Zie (3-1) Schilderen op gekleurd papier; oefeningen waarbij de kleuren elkaar afwisselen; Aanwijzingen die ook voor klas 2 en 3 (nog) belangrijk zijn.

(3-4) Schilderen in de 1e en 2e en 3e klas
Zie (3-1) Kleurverhalen: n.a.v. een klein verhaal wordt dit verbeeld met de bijpassende kleuren; 

(3-5) Schilderen n.a.v. de vertelstof

(3-6)
(3-7)

(3-8) Schilderen in klas 4
Pieter HA Witvliet over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over het schilderen van dieren.

(3-9) Schilderen in klas 5
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over het schilderen van planten.

(3-10) Schilderen in klas 6 – 8
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over de techniek van het sluieren; papier, de laagjes; materialen; thema’s; voorbeelden.

(3-11) Schilderen in klas 6 – 8
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over schilderen en tekenen van landkaarten; waar moet je op letten; kleurkeuze; technieken; voorbeelden.

(3-12) Schilderen in klas 6 – 8
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over schilderen van natuurstemmingen; techniek; onderwerpen (zonsondergang, regenboog); 6e klas mineralogie; voorbeelden.

.

Vormtekenen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3298-3104

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Schilderen – 1e klas (3-1)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

.
N.a.v. blz. 36  38

Als kinderen in een 1e klas voor het eerst schilderen, kun je bij het waarnemen daarvan veel verschillende indrukken opdoen.
In het boek wordt geschreven over een kleine, enigszins gedrongen jongen, die al zijn aandacht erop richt om zijn rood zo sterk mogelijk te krijgen dat hij naast het blauw heeft geschilderd. Hij doet dat heel voorzichtig en legt telkens zijn penseel neer en wrijft dan a.h.w. het rood naast het blauw.

[Wanneer je je huis opknapt en de deuren schildert, spreekt je ook van schilderen, met een kwast. Hier zul je het woord ‘penseel’ niet gebruiken.
Wél het woord ‘verven’, dat dan weer minder past bij het schilderen als schoolvak.]

En dan is er een donkerharig meisje dat met haar penseel snel hier wat gele, daar wat roodachtige en daar weer wat blauwe kleuren neerzet. De gele maakt ze groter. Ze lijkt het heel blijmoedig te doen en ze straalt als ze op het blad wijst: ‘Een bloemenweide!’

Als volwassene kan je de ervaring opdoen dat wanneer je schildert, je de omgeving intenser gaat waarnemen, b.v. de kleuren in de lucht of de rijkdom aan groentinten bij bomen en struiken.
Hoe zou dat bij een kind zijn?
We mogen ervan uitgaan dat kinderen in staat zijn zeer intensief waar te nemen – zie b.v. de artikelen over nabootsen.
Het moet haast wel zo zijn dat we door kleur aan te bieden – al in de kleuterklas – het kind deze kleur sterk in zich opneemt. Die kleur ziet het ook in de wereld om zich heen. En de kleur beleeft het natuurlijk niet alleen bij het schilderen en tekenen, maar ook aan de voorwerpen waarmee het speelt.

In het boek wordt het voorbeeld gegeven van een moeder die met haar meisjes langs een tuin loopt. De kleinste, een jaar of zes, stopt en kijkt aandachtig naar de rode tulpen in een bloembed. Dan kijkt ze verbaasd naar haar rode rok en vraagt: ‘Wat zijn dat?’ De moeder, inmiddels verder gelopen, roept: ‘Tulpen’. Het kind kijkt afwisselend naar haar rok en naar de bloemen, dan loopt het verder en herhaalt: ‘Tulpen’.

De eenvoudige kleuroefeningen in de eerste drie jaar zijn zeker ook oefeningen voor de zintuigen: o.a. gezichtszin er wordt iets natuurlijks aan het oog aangeboden; het bewegen van het penseel over het papier is verbonden met de tastzin, maar ook met de bewegingszin en kan zelfs met de evenwichtszin verbonden worden als er een ‘in evenwicht-zijnde’, een ‘harmonische’ schildering tot stand komt. 
Het kind is bezig met kleur en dat is – uitgaand van Goethe – ook met kwaliteiten die in het gevoel mee-beleefbaar zijn, er is dus meer dan alleen de stoffelijke verf: er is ook een spirituele dimensie.

Dan volgen er aanwijzingen over hoe je je les zou kunnen geven.

Vanuit het oogpunt van ‘ritme’ – het zich herhalend vertonen – is het goed het hele jaar door wekelijks op een vaste dag te schilderen. En ‘alles wat ritmisch is, vormt de wil’. [1]
[Mij werd destijds niet zo in detail meegedeeld hoe je het best te werk kan gaan en ik moest door – letterlijk – schade: gevallen en gebroken waterpotten, leren dat een bepaalde volgorde belangrijk is. Ook voor de kinderen: gewoontevorming (sterkt het etherlijf).
Ik geef hier een aantal persoonlijke gezichtspunten weer, wat niet wil zeggen dat het allemaal per se zo moet.
In het boek wordt in het hoofdonderwijs geschilderd. Dat kan in een lagere klas natuurlijk, in een hogere zal je die tijd voor de periode kunnen gaan missen.
Als je opmerkingen van Steiner erbij neemt over wanneer welk vak, pleiten deze wat de schilderles als kunstzinnig vak betreft, voor na het hoofdonderwijs, zelfs voor in de middag.
Dat kan dan heel goed na de ‘grote pauze’. In die pauze kan de ‘klassendienst’ al het nodige voorbereiden, zodat dit niet van de lestijd afgaat.
In het allereerste begin zal je zelf veel moeten (voor)doen, maar daarna kunnen de kinderen al veel zelf (en willen dit vaak ook graag).
De waterpotten kunnen alvast worden gevuld – neergezet op een veilige plaats (achter in de klas?), maar nog niet op de tafels/banken van de kinderen die nog moeten binnenkomen.
De schilderplanken en de sponsjes en penselen kunnen worden uitgedeeld. Maar nog geen waterpotten en de verf(potjes). Penselen van 2, 2½ cm zijn aanvankelijk prima.
Nu moeten de kinderen natuurlijk bij ieder binnenkomen zich rustig gedragen, maar het zijn kinderen en dat gebeurt niet altijd. En als er dan toch iets te wild gebeurt, verschuift de al klaar liggende schilderplank en neem meestal wel wat meer mee dat op de tafel ligt, in dit geval dus water en verf. Dus dat werd later uitgedeeld.
De schildertechniek van de eerste jaren is ‘nat-in-nat’, wat betekent dat het papier min of meer door en door vochtig moet zijn. Dat kan door de vellen in een grote bak met water te dompelen (een voor een!) en even te laten liggen.
Als je ze eruit haalt, druipt het en als je niet wacht, ontstaan er overal druppelsporen. Als daar doorheen gelopen wordt met vuile zolen, ziet je klas er niet uit en de schoonmaakploeg zal niet blij zijn.
Dan kan je de kinderen een voor een met de plank naar je toe laten komen, vel erop en weer zitten. Maar dat geeft veel geloop en onrust, stoten, enz.
In het boek zijn de vellen nat gemaakt in de gootsteenbak en komen de kinderen per rij daarheen gelopen
Je kan alle vellen tegelijk pakken, uit laten druipen en met de stapel ergens naar een plank lopen, en vandaar uitdelen, eventueel vanaf meerdere plaatsen.
Maar ook dat is nog niet zo eenvoudig dan dat de kinderen vóór het schilderen de plank gaan nat maken. Ook vanaf de 1e les! 
Sponsje nat in de waterfles – die moet daarvoor niet te klein zijn – hier en daar boven de plank uitknijpen, nog eens, water verdelen en dan kan je bij wie het in orde is het vel zelf op de plank leggen, het kind kan dan meteen verder. Dus: weer spons in de waterpot, uitknijpen boven vel, water verdelen, de tijd geven om in te trekken, nog eens water erop en eventueel nog eens. Vel omkeren, proces herhalen. Dan vanuit het midden naar alle kanten voorzichtig droger wrijven, net zo lang tot het papier mooi vochtig is en er geen waterfilm meer op ligt, dat het niet te veel meer glimt.
Er mogen natuurlijk geen vouwen in zitten. Hierbij moeten de kinderen leren niet te stevig over het papier te gaan, zodat het niet gaat korrelen. ‘Er is wel water, maar we willen geen visjes’. Ook het water dat op de plank, om de randen van het papier ligt, moet weg.
Als dan alles klaar is en je gecontroleerd hebt of het overal in orde is, kan er geschilderd worden. Dan pas gaan de deksels van die potjes die we nodig hebben.
Maar wat gaan we schilderen. Als je dan nog een uitleg van de opdracht moet geven, zitten de kinderen er helemaal klaar voor, maar moeten weer wachten! (terwijl het papier weer gaat opdrogen). 
Dus: mijn ervaring is: vertel de opdracht, geef aanwijzingen, ook ‘technische’ van te voren. Of doe dingen voor, zoals hoe de penseelstreek gaat: o.a. niet tegen de haren in. Het boek doet de suggestie om de kinderen een droge penseel over de eigen hand te laten gaan. 
Andere technische aanwijzingen kunnen zijn: hoe maak je mooi egale kleurvlakken; hoe je met het penseel een teveel aan verf weer kan opnemen; wat is te droog en hoe los je dat op en omgekeerd; hoe neem je kleur op het penseel; het afstrijken langs de rand van het potje e.d. meer.
De verf uit een potje met een dekseltje moet eerst worden omgeroerd, vooral over de bodem. Dat is ook een techniek.
Maak van te voren zelf altijd een voorraad van de verf die je gaat gebruiken en bewaar die in iets wat je goed kan afsluiten. Tijdens de les kan het gebeuren dat je bij een kind iets bij moet gieten, dan is een trechtertje handig.

En als alle voorbereidingen zijn gedaan: meteen beginnen.

Op vele afbeeldingen van een schilderles op bv. Pinterest, zie je de kinderen zitten.
Ik leerde op cursussen in Stuttgart: de kinderen staan en mijn ervaring is dat dit voor ‘het overzicht’, voor even afstand nemen, ook voor de armbewegingen te verkiezen is.

Ook bij het opruimen is het verstandig een vast patroon aan te leggen.
Als een kind echt klaar is: eerst de deksels op de potjes, de waterpot leeg- en omspoelen (niet meer dan 3 tegelijk bij de kraan), schone! pot op z’n plaats, verfblok op z’n plaats, behalve natuurlijk als de buurman die het ook gebruikt, nog bezig is. Penseel schoonspoelen en voorzichtig de haren drogen. (doekjes!)
Dan pas schilderplank in de schilderkast. Horizontaal houden en voorzichtig lopen, dat je een ander niet stoot. 
Als het papier tijdens het opdrogen in de kast (sterk) gaat golven (zodat je het zou willen strijken) is de kwaliteit niet zo goed.
Dan zou je het papier op 4 hoeken met geschikt plakband strak moeten vastplakken vóór je het nat maakt. Dat is een hele organisatie, maar komt het resultaat dan wel ten goede.

In GA 300C dringt Steiner erop aan om het papier vast te plakken.

.
Navraag leerde dat het vastplakken nauwelijks wordt gedaan.
Iemand merkt op:
Als Kunstzinnig Therapeut Beeldend leg ik het ‘Zweeds therapeutenpapier’ bij het nat-in-nat schilderen zónder het vast te plakken op de schilderplank. Ik maak het papier aan beide zijden nat met een (natuur)spons en ik maak het daarna waar nodig weer iets droger met een stukje van een laken erop, vooral wanneer de cliënt iets te veel water heeft gebruikt. Bij het neerleggen zorg ik dat het papier goed plat ligt, zonder luchtbellen eronder. Vastplakken van het schilderpapier doe ik alleen bij sluieren, maar dat is een hele andere techniek, waarbij je een nat papier echt opspant, maar daarna juist schildert op het opgedroogde papier. De nat-in-nat schildering bobbelt soms inderdaad een beetje na het opdrogen, maar dat vind ik geen probleem. Ik zorg wel altijd dat het langzaam aan de lucht droogt en niet in de volle zon of boven een verwarming.

Vaak komt het voor dat de kinderen wel vinden dat ze klaar zijn. Dat is soms ook zo, maar dikwijls zal er wel iets zijn ter verbetering. Dus ga je, na de melding ‘ik ben klaar’ naar het kind toe en dan kan je per kind aanwijzingen geven zodat ieder op zijn beurt verder komt. Het klassikale wordt daar individueel!

De kinderen die echt klaar zijn, kunnen nu als laatste de verf die op de plank is gekomen, rondom de schildering weghalen.
Dat hoort – niet zoals dit:

m.i. ook bij het esthetische, bij eerbied, bij aandacht, bij verzorging.

En als ze dan alles hebben opgeborgen, gaan ze een stil werkje doen: anderen zijn immers nog bezig en mogen niet worden afgeleid. 

In het boek wordt de suggestie gedaan dat wanneer er ’s morgens (in het hoofdonderwijs) is geschilderd, de schilderingen ’s middags te bespreken. 
Dat is in zekere zin wel snel, vaak is het papier toch nog niet droog en het kan scheuren als je het van de plank haalt. Dat mag niet!
Dat zou je dan de andere dag moeten doen. Wat weer niet kan als je vrijdag schildert.

Ik vond het op zeker ogenblik zinvol om vóór de nieuwe schilderles, de resultaten van de vorige dan pas te bespreken: wat was de opdracht en waar is dat gelukt, vind je. Bij zo’n vraag moeten de kinderen naar alle schilderingen kunnen kijken, dus moeten die overzichtelijk zichtbaar zijn. Dat kan door ze op te hangen. Of, wat ik ook vaak deed, er een stuk of 6 naast elkaar (met tussenruimte) tegen het bord, in de krijtbak, te zetten.
Wat vinden de kinderen ‘gelukt’ en waarom. Het is goed dat ze dit leren verwoorden en dat ze de verbeterpunten zien. 
Van de gelukte schilderingen kunnen ze leren, maar ook van de minder gelukte (hoe dat te bepalen is niet zo makkelijk) en ook kan je technische onvolmaaktheden laten zien. Dat alles kan weer een impuls bij de nieuwe opdracht zijn.
In vele klassen hangen de schilderingen dan nog een poosje aan de muur. Ook dat kan willekeurig of anders gerangschikt. 
Laat ze zeker niet te lang hangen.
En: HOE hang je ze op: 

Slordig:

Veel verzorgder:

Geen openingen: onoverzichtelijker:

Kleine tussenruimte: meer overzicht:

.

Ik bewaarde alle schilderingen van het hele jaar in een map per kind om van tijd tot tijd eens te kijken hoe het met de ontwikkeling staat, wat ook weer in het getuigschrift moet komen.
Dan moet er uiteraard een naam en een datum op de schildering komen. Die moet je er in ieder geval op zetten vóór het papier nat wordt, als het nat is gaat het scheuren als je erop schrijft. Achteraf erop zetten kan ook, maar dat vraagt extra organisatie en dat is meestal lastiger.  

Hoe je het ook organiseert, het mag niet wanordelijk verlopen, geen chaos. Goede gewoontevorming, vaste patronen, het liefst vanaf de allereerste les in de 1e klas. Of als nieuwe leerkracht in een hogere.
Schilderen is vooral ook eerbied. 

Voetnoten boek:

Als ondergrond voor het papier gebruiken we hardvezelplaten van 6 mm dik, ca. 36 x 52 cm. Het is raadzaam om ze te beschermen met een laag matte grijze vernis of een dunne laag olie.

Het volgende papier wordt aanbevolen: 1. houtvrij, vrij dik tekenpapier, 2. goedkoop aquarelpapier, 3. absorberend papier. Het is belangrijk om papier en kleuren op elkaar af te stemmen. Als je tekenpapier gebruikt, moet het ook worden opgespannen voor nat-in-nat-schilderen, omdat het sterke vouwen vormt. Bij absorberend papier hoef je het niet op te spannen. Aquarelpapier wordt dubbel geleverd, maar je kunt het van tevoren op maat laten snijden.

Porseleinen of glazen zalfpotjes, verkrijgbaar bij de groothandel, kunnen worden gebruikt als schilderkommen. Plastic potjes zijn niet erg stabiel en kantelen gemakkelijk.
De eveneens bij Mercurius afgebeelde open schaaltjes hebben als nadeel dat er meestal te veel verf in wordt geschonken, dat later dan weer in een voorraadpot terug moet, waarbij altijd (dure) verf verloren gaat. Bij een potje met een deksel heb je dat niet.

Ik vond dit heel fijn materiaal. (Niet vergeten de blokken schoon te houden en vooral de potjes: de rand onder het deksel!)
Als je de penselen staande bewaart, blijft er altijd water in de ijzeren hulsjes achter, die gaan t.z.t. roesten. Dus: heel goed laten drogen (zon, verwarming, dan staan of liggen, of ondersteboven ophangen.

Kleine kunststof sponsjes worden gebruikt voor het bevochtigen en afvegen van het papier, natuurlijke sponsjes zijn nog beter maar duurder. 

Het papier wordt op de planken bevestigd met plakstrips van stevig papier, vooral wanneer je ‘sluiert’. [ik gebruikte de op school aanwezige banderolle-plakstrip.] Voor nat-in-nat-schilderen is bevochtigen voldoende voor sommige papiersoorten. De 6 basiskleuren van de firma Stockmar in Kaltenkirchen worden in Nederland geleverd door de firma Mercurius.

Zie ook: ‘Schilderen op school

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Vormtekenen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3297-3104

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (5)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, b.v. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

Blz. 31

Schulbewegung

Von der Waldorfschule in Stuttgart ist die anthroposophische Schulbewegung ausgegangen. Rudolf Steiner betonte die große Verantwortung, die ihrer Lehrerschaft damit zufiel. „Die ganze zivilisierte Welt schaut auf die Waldorfschule” (2/75, 77).
Rudolf Steiner baute diese Bewegung auf durch die große Zahl von Vorträgen und Kursen, die er über Pädagogik abhielt. Zuerst waren es die Vorträge während der Dreigliederungsbewegung, in denen er, zum Beispiel für den Verein junger Lehrer und Lehrerinnen in Stuttgart am 19. Juni 1919, die entstehende Schule und ihre Pädagogik hinstellte als ein praktisches Beispiel für eine „freie” Schule, eine

De antroposofische schoolbeweging begon op de vrijeschool in Stuttgart. Rudolf Steiner benadrukte de grote verantwoordelijkheid die op de docenten rustte. “De hele wereld kijkt naar de vrijeschool” (2/75, 77).
Rudolf Steiner bouwde deze beweging op door het grote aantal lezingen en cursussen die hij gaf over opvoeding. Aanvankelijk waren het de lezingen tijdens de driegeledingsbeweging, waarin hij bijvoorbeeld voor de vereniging van jonge leraren in Stuttgart op 19 juni 1919, de nieuwe school en haar pedagogie presenteerde als een praktisch voorbeeld van een “vrije” school, een school die

Blz. 32

Institution des vom Staate, soweit als damals möglich, losgelösten
Geisteslebens (Liste Nr. 84).
Dann folgte im August/September 1919 der große dreigeteilte Kurs, in dem er die künftigen Lehrer der Waldorfschule für ihre Aufgabe vorbereitete (Liste Nrn. 4—6). Dieser Kurs wurde in jedem folgenden Jahre fortgeführt durch eine kürzere oder längere Reihe von Vorträgen für die Waldorflehrer (Liste Nrn. 13, 17, 21, 28). Noch weitere Vorträge waren schon in Aussicht genommen, konnten aber nicht mehr ausgeführt werden (Einleitung S. 59).
Zu Ostern 1923 trat die Schule zum ersten Male vor die Öffentlichkeit mit der Stuttgarter „Künstlerisch-pädagogischen Tagung”, auf der Rudolf Steiner drei Vorträge und drei Ansprachen hielt (Liste Nr. 25). Im folgenden Jahr, Ostern 1924, wurde die „Erziehungstagung” veranstaltet, die fünf Vorträge Rudolf Steiners in sich schloß (Liste Nr. 29).
Zu diesen Kursen kamen die vielen Vorträge und Ansprachen Rudolf Steiners hinzu, die er sonst noch im Rahmen der Waldorfschule hielt: für die Eltern (1/110, 2/269), bei den Mitgliederversammlungen des Waldorfschulvereins (2/81), und ganz besonders die herrlichen Ansprachen an Kinder, Lehrer und Eltern bei den Monatsfeiern (1/112) und bei den Feiern zu Schuljahrsbeginn und Schuljahrsende (1/152, 157, 2/17, 36). Alle diese Vorträge und Ansprachen sind enthalten in „Rudolf Steiner in der Waldorfschule. Ansprachen . . .”, Stuttgart 1958 (Liste Nr. 8).

als een deel van het geestesleven dat losstaat van de staat, voor zover mogelijk op dat moment. GA 330/ 331, met in 330 de 11e vdr. ‘De opdracht van de scholen en de sociale driegeleding’  (niet vertaald)
In augustus/september 1919 volgde de grote driedelige cursus, waarin hij de toekomstige leraren van de vrijeschool voorbereidde op hun taak  (GA 293, 294, 295). [nadere gegevens over deze voordrachten en de hierna genoemde] Deze cursus werd in elk volgend jaar voortgezet met een kortere of langere reeks voordrachten voor de vrijeschoolleraren ( GA 302, GA 302A). Er werden nog meer voordrachten gepland, maar die  konden niet meer gerealiseerd worden. (Inleiding p. 59).
Met Pasen 1923 trad de school voor het eerst in de openbaarheid met de ‘kunstzinnig-pedagogische conferentie’ in Stuttgart, waar Rudolf Steiner drie voordrachten gaf en drie toespraken hield. (GA 304A)
Het jaar daarop, met Pasen 1924, werd de ‘Opvoedingsconferentie’ georganiseerd, met vijf voordrachten van Rudolf Steiner (GA 308).

Bij deze cursussen kwamen de vele andere voordrachten en toespraken die hij in het kader van de vrijeschool hield: voor de ouders (1/110, 2/269), op de algemene vergaderingen van de vrijeschoolvereniging (2/81) en vooral de prachtige toespraken tot kinderen, leraren en ouders bij de maandelijkse vieringen (1/112) en bij de vieringen aan het begin en einde van het schooljaar (1/152, 157, 2/17, 36). Al deze voordrachten en toespraken zijn opgenomen in GA 298

Rudolf Steiners Bemühen, die Waldorfschule und ihre Pädagogik
bekanntzumachen, wurde gestützt durch eine wachsende Zahl von Vorträgen, die von den Lehrern gehalten wurden. In den Konferenzen sind sie kaum erwähnt.
Als eine Art Antwort kamen an die Schule vielfache Wünsche, sie
besuchen und an ihrem Unterricht hospitieren zu dürfen (1/165). So wird die Anwesenheit von englischen Lehrern erwähnt (2/191, 207—211). Damit die Schule nicht mit Hospitationen überlaufen werde, wurde festgesetzt, daß nie mehr als drei Besucher gleichzeitig in einer Klasse zuhören dürften (3/191).
Auch als die eigentliche Dreigliederungszeit vorüber war, hat Rudolf Steiner in allen Vorträgen, in denen es durch innere Verbindung mit dem Thema gegeben war, auf die Freiheit des Geisteslebens hingewiesen. Dabei versäumte er wohl nie, in kürzeren oder längeren Ausführungen auch von dem praktischen Beispiel, von der Stuttgarter Schule zu sprechen.
Aber die Zuhörer wollten mehr darüber wissen und baten ihn um

Rudolf Steiners inspanningen om de vrijeschool en haar pedagogie bekend te maken, werden ondersteund door een groeiend aantal voordrachten van de leraren. In de vergaderingen worden deze nauwelijks genoemd.
Als een soort antwoord kreeg de school veel verzoeken om die te kunnen bezoeken en lessen te zien.  (1/165). Zo wordt er gesproken over de aanwezigheid van docenten Engels. (2/191, 207-211). Om te voorkomen dat de school overspoeld zou worden met stagiaires, was bepaald dat er nooit meer dan drie bezoekers tegelijkertijd in één klas mochten meeluisteren (3/191).
Ook toen de eigenlijke driegeledingsbeweging voorbij was, benadrukte Rudolf
Steiner als het harmonisch bij het thema paste, de vrijheid van het geestesleven
Daarbij liet hij nooit na om in kortere of langere opmerkingen over het praktische voorbeeld van de school in Stuttgart te spreken.
Maar de toehoorders wilden er meer over weten en vroegen hem naar

Blz. 32

ganze Kurse über Waldorf-Pädagogik. Rudolf Steiner hielt den ersten Kurs schon 1920 vor den Basler Lehrern (Liste Nr. 12). Dem folgten außer in Dornach (Nrn. 19, 26) noch Kurse in Oxford, Ilkley, Bern, Arnheim, Torquay (Liste Nrn. 22, 27, 30, 32, 33).
Alle diese Vorträge wurden weniger aus dem Interesse für freies Kulturleben aufgenommen, sondern in erster Linie von Lehrern und Eltern, also in Gedanken an konkrete Kindergruppen. Deshalb war der Erfolg zunächst die Gründung neuer Waldorfschulen, nicht nur in Deutschland (Hamburg, Köln, Essen), sondern auch in England und Holland (Liste Nrn. 147,148,149).
Viele Pläne kamen damals über gute Absichten und Vorbesprechungen nicht hinaus, so die von Paris (1/166), Berlin (1/178), Norwegen (2/100), Nürnberg (3/191). Auch die Basler Hoffnungen blieben noch in Vorverhandlungen stecken. Anfänge zu einer Schule in Dornach wurden gleich anfangs durch Einspruch der Behörde im Keime erstickt (2/50), weil die Schulgesetze des Kantons Solothurn keine privaten Volksschulen zuließen. Man mußte sich 1921 begnügen mit einer Fortbildungsschule für die nicht mehr Schulpflichtigen, mit der späteren ,,Friedwart-SchuIe” (3/44,143).

hele cursussen over vrijeschoolonderwijs. Rudolf Steiner gaf de eerste
cursus voor de leraren in Bazel al in 1920 (GA 301). Daarna volgden
Dornach (GA 303, GA 306) en cursussen in Oxford, Ilkley, Bern,
Arnhem, Torquay (GA 305, GA 307, GA 309, GA 310, GA 311).
Al deze voordrachten werden niet zozeer gevolgd uit interesse in het vrije
culturele leven, maar vooral door leraren en ouders, d.w.z. met specifieke groepen kinderen in gedachten. Daarom was het eerste resultaat  de oprichting van nieuwe vrijescholen, niet alleen in Duitsland (Hamburg, Keulen, Essen), maar ook in Engeland en Nederland:

The King’s Langley Priory School. De directeur, Miss Margaret Cross, voerde
begin 1923 daar de vrijeschoolpedagogie in. (De school werd 2019 gesloten)
De Vrije School in Den Haag. Geopend 1923. In 1924 waren er ca. 100 leerlingen.
The New School London. Geopend 1925. Later: Michael Hall in Forest Row.

Veel plannen kwamen in die tijd niet verder dan goede bedoelingen en voorbesprekingen, zoals die in Parijs (1/166), Berlijn (1/178), Noorwegen
(2/100), Neurenberg (3/191). De hoop van Bazel bleef ook nog steeds steken in voorbereidende onderhandelingen. Het begin van een school in Dornach werd in de kiem gesmoord door bezwaren van de autoriteiten (2/50) omdat de schoolwetten van het kanton Solothurn geen particuliere basisscholen toestond. In 1921 moest men genoegen nemen met een school voor voortgezet onderwijs voor degenen die niet langer leerplichtig waren, de latere “Friedwart School” (3/44,143).

Aber alle diese Schulgründungen, so erfreulich sie waren, entsprachen doch ganz und gar nicht dem, was Rudolf Steiner in der Dreigliederungszeit erhofft hatte. Es wurden keineswegs in kürzester Zeit „viele” solcher Schulen eingerichtet. Die Waldorfschule blieb „Modell” (1/289) mit nur sehr wenigen Nachfolgeschulen. Dennoch waren es die wenigen Waldorf- und Rudolf Steiner-Schulen außerhalb Deutschlands, die, zum Teil erst nach Rudolf Steiners Tode gegründet, die Waldorf-Pädagogik in der Praxis am Leben erhielten, als in den dreißiger Jahren die deutschen Schulen verboten wurden.
Auch heute (1975) ist Rudolf Steiners Ziel nicht erreicht, obwohl die Zahl der Schulen bis auf 105 hinaufging. In Deutschland sind es 46, im übrigen Europa 36 und in den außereuropäischen Erdteilen 23 Schulen.

Maar al deze schoolstichtingen, hoe verheugend ze ook waren, kwamen helemaal niet overeen met wat Rudolf Steiner had gehoopt in de tijd van de driegeleding In geen geval waren er “veel” van zulke scholen die in zeer korte tijd werden opgericht. De waldorfschool bleef “model” (1/289) met maar zeer weinig navolgende scholen. Toch waren het de weinige vrijescholen en Rudolf Steinerscholen buiten Duitsland, waarvan sommige pas na de dood van Rudolf Steiner werden opgericht die het vrijeschoolonderwijs in de praktijk levend hielden, toen de Duitse scholen in de jaren 1930 werden verboden.
Tot op de dag van vandaag (1975) is het doel van Rudolf Steiner niet bereikt, hoewel het aantal scholen is gestegen tot 105. In Duitsland zijn het er
46, in de rest van Europa 36 en in de niet-Europese continenten
23 scholen.
(In aug. 2024 waren er over de hele wereld 1283 scholen en 1900 kleuterklassen)
.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3296-3103

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Is het alles goud wat er blinkt……..? (2)

.

Pieter HA Witvliet

.
Pinterest ter inspiratie???
.

Toen ik op deze blog ooit illustraties had gezet, zag ik die een poos later terug bij Pinterest.
Ik zal er wel toestemming voor hebben gegeven, of niet, feit is: ze stonden er en ze staan er nog: je kan ze niet verwijderen.

Er bleek toen al veel ‘vrijeschoolmateriaal’ op te staan.
Dat is er dus ook wetend of onwetend op terechtgekomen.

Dat leidde ertoe dat ik voor bepaalde onderwerpen – het handwerken bijv. – op zoek ging naar voorbeelden.

Ik kan me zo voorstellen dat je als beginnend leerkracht ook zoekt naar wat je gebruiken kan.
Degene van wie het materiaal is, zou er dus alleen maar dat op moeten zetten wat nabootsingswaardig is.
Of een bepaalde toelichting waarom het er in die vorm staat.
Maar die ontbreekt vaak en niet altijd kom je op de plaats waar het werk aanvankelijk eerst stond.

Degene van wie er voorbeelden op Pinterest verschijnen, zou zich m.i. bewust moeten zijn van deze voorbeeldfunctie.

(Bord)tekeningen

“Van huis uit’ ben ik niet zo kunstzinnig.
De aanleg die er misschien wel (een beetje) was, werd op mijn basisschool – toen nog ‘lagere school’ genoemd – zeker niet gestimuleerd, eerder gefrustreerd. Mijn leerkrachten wisten en/of konden ook niet beter.

Toen ik op de vrijeschool kwam te werken, móest ik me wel inzetten om mijn geringe talenten te verbeteren.
Ik oefende en oefende.
(Ik mag nu wel bekennen dat mijn vrouw – veel kunstzinniger dan ik – me van tijd tot tijd aan een mooie bordtekening hielp).

En ik volgde cursussen. M.n. op de waldorfschool in Stuttgart waar ieder jaar de zgn. ‘Herbsttagung’ werd gehouden.
Vooral aan het schilderen werkte ik. En zo kreeg ik meerdere jaren les van Frau Berthold en Frau Jünemann*. Naast het schilderen op zich, kwamen er ook allerlei pedagogische aspecten aan de beurt, zoals bv. ‘als gewoonte staan de kinderen als ze schilderen’.

Zo leerde ik overtuigend – laat ik een concreet voorbeeld noemen – dat het schilderen van een plant niet begint met de plant, maar met de omgeving.
Als je Steiner leest over plantkunde is dat ook niet zo verwonderlijk.
De realiteit is dat eerst de elementen werkzaam zijn, dan wel worden: in het voorjaar de warmte, maar uiteraard ook de aanwezigheid van water, lucht en licht.
Als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de plant zich laten zien.

En wat voor het schilderen geldt, geldt ook voor het tekenen en voor de bordtekening.
M.a.w.: in de tekening kan in principe als achtergrond geen zwart – het bord – aanwezig zijn.
Ik zeg: in principe, want het hoeft niet een rigide dogma te zijn: wellicht is het een keer wél zinvol.
Maar vanuit een kunstzinnig standpunt kan het niet.

In een vorig artikel besteedde ik aandacht aan ‘bordtekeningen’.

Vele vrijeschoolleerkrachten over de hele wereld maken ze en omringen de kinderen daarmee met prachtige illustraties die te maken hebben met wat in de klas op dat ogenblik wordt behandeld, of om een jaarfeest te illustreren.

OpVRIJESCHOOL in beeldvind je er talloze.

Omdat ik het dus zelf niet makkelijk vond, bewonder ik des te meer wat collega’s over de hele wereld voor elkaar krijgen.
Het is dus geen negatieve kritiek wat ik hieronder opmerk, maar veeleer een stimulans, een uitdaging het nóg mooier te krijgen – in die gevallen waar dat kan én m.i. nodig is.

Dit m.i. is eigenlijk o.a. dat wat ik leerde van Jünemann die haar ervaringen bundelde in Tafelzeichnen‘.

Het gaat om het totaalbeeld, wat zoiets wil zeggen als: gebruik het hele bord, of anders gezegd: laat op het bordgedeelte waarop je tekent, geen ‘gewoon bord’ bestaan, geen onbewerkte zwarte of groene achtergrond.

Nu terug naar Pinterest.

Daar staan voorbeelden van hoe het moet/zou kunnen, maar – en daar verbaas ik me over – ook voorbeelden van hoe het niet moet.

De vraag is natuurlijk: weet degene van wie die verkeerde voorbeelden zijn dan niet, wat ik leerde bij kunstzinnige en ervaren vrijeschoolleerkrachten.

Is er ‘ergens’ – in de opleiding – een niet-weten ingeslopen dat nu mede norm dreigt te worden?
Nog afgezien wie daar dan verantwoordelijk voor is.
Of is het toch gewoon de enthousiaste leerkracht die ‘iets’ doet waarvan deze vindt dat het wel ‘voor het publiek kan zijn?’

En dan is dát ineens voorbeeld voor de nog beginnende, onervaren leerkracht.

Een goud dat niet blinkt…….

Deze tekening bv. is heel leuk en vrolijk. Jammer is dus het vele zwart – niet omdat het zwart is – maar omdat het niet meedoet met de tekening: er is geen achtergrond: het is geen geheel. Hier had de achtergrond nog bv. een blauwe lucht kunnen hebben en in de verte, tussen lucht en voorgrond, nog wat vage groene struiken, met bloesem, o.i.d.

x

Het zwart buiten de tekening is vanzelfsprekend: het gaat om de ovaal. Maar het zwart daarbinnen, zou ik allerlei tinten aardebruin hebben gegeven. Dit zwart loopt onnatuurlijk door naar de rest van het bord.

x

Dat geldt in zekere zin ook voor deze.

x

Een prachtige paardenbloem, maar jammer genoeg geen ‘achtergrond’, geen omhulling, bv. van de ‘elementen’. Hier ontbreken dus de elementen, en daarmee de realiteit.
Echter, om heel scherp alle delen van de plant te laten zien, is het contrast – door het zwart! – zeer duidelijk. Maar dan moet het om de wortel ook zwart blijven.

x

Hier doet de omgeving mee waardoor de tekening een compositie wordt.

x

De realiteit van de elementen zou je voor het kunstzinnige aspect zo kunnen aangeven. Bij de paardenbloem die al vroeg in het jaar bloeit, kun je je nog afvragen of licht en warmte al zó intensief zijn als hier wordt weergegeven.

x

 Kunstzinnig gezien zou hier rond bloem en zaad wel meer warmte op z’n plaats zijn:

x

Hier is alles in beeld gebracht.

x

Ook al komt deze dan van de Waldorfideenpool, het is door het zwart van het bord maar een ‘halve waarheid‘.

x

En als je er namen bij wilt zetten, kan er toch een achtergrond zijn.

(Jammer bij deze is dan weer dat het handschrift zo verschillend is (blokletter en lopend; en dat er niet echt korstmoswier staat – eerder uier en dat tussen zee en eik een verbindingsstreepje hoort. Wellicht zijn de namen door leerlingen geschreven?).

x

Hier hebben we een mooi handschrift en om de verschillende planten bevinden zich kleuren, helaas niet de warmte bij het paardenbloemzaad.

x

Wanneer een beginnende leerkracht voorbeelden ziet uit andere landen – de internationale vrijeschoolbeweging – zou dat een extra ‘bewijs’ kunnen zijn van ‘zo doen zij dat dus’.
Maar dat is niet het geval.

x

Het weglaten van de elementen wanneer de ontwikkeling van een plant wordt geschetst, is het weglaten van een van de essenties van het plantkundeonderwijs op de vrijeschoolRudolf Steiner over plantkunde. m.n. GA 295 (vertaald)

(Een lopend handschrift vind ik mooier om te zien)

x

Of het nu om bomen gaat:

of om paddenstoelen.

x

Het zwart is hier op een subtiele manier in de tekening betrokken. Het blauw is een mooie ‘afbakening’ van de rest van het bord.

Zwart is zeker geen taboe, het geldt ook voor het groene bord.
Het zwart is hier op een subtiele manier in de tekening betrokken. Het blauw is een mooie ‘afbakening’ van de rest van het bord.

x

bordtekekning 10

Trek vooral niet de conclusie dat het zwart of groen van het bord ‘niet mag’. In deze tekening is het zwart m.i. heel functioneel.

x

En ook bij ‘techniek’ moet het:

x

Wanneer je het zelf zo kunstzinnig mogelijk probeert, mag je het ook van je leerlingen vragen als ze in hun periodeschrift werken:

Zo zou ik nog een tijd door kunnen gaan, want er staan op Pinterest vele voorbeelden die de naam ‘vrijeschoolwerk’ mogen dragen, maar ook vele niet en dat vind ik geen positieve ontwikkeling.

.

Bordtekeningen[1]

Plantenillustraties die als voorbeeld voor een bordtekening kunnen dienen.

mineralenMichaëlKerstmisDriekoningen

Paul van Meurs ‘bordtekenen
Jünemann: Tafelzeichnen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

3295-3102

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden (GA 57)

.

Zie de inleiding bij dit onderwerp.
Ik eindigde daar met:

En dat is, volgens Steiner, de inhoud van sprookjes, mythen en sagen: beelden die staan voor ‘grote waarheden’ die op een abstract niveau in ‘die tijd toen’ niet waren mee te delen.

Als kind woonde ik in een dorp, vlakbij de kerk waaromheen een gracht lag. Omdat ik daar iedere morgen langs moest, waarschuwde mijn moeder me om niet te dicht bij de rand te komen. Ik kon nog niet zwemmen en er stond genoeg water in om erin te kunnen verdrinken.
‘Als je erin valt, val je naar de diepte en het is zo diep dat je altijd blijft vallen.’
Ik geloofde mijn moeder onvoorwaardelijk en het feit dat je altijd bleef vallen, boezemde mij voldoende angst in dat ik wel uitkeek dat ik niet in die gracht terechtkwam.
Ik werd wat ouder en toen ik op een dag eens goed in het water keek, kon ik de bodem zien. Plotseling wist ik; ‘Altijd blijven vallen, dat kan helemaal niet!’

Ik hoefde voor dit inzicht niets te doen, het was er op een bepaald ogenblik. Ik was ouder geworden en veranderd, niet alleen fysiek, maar ook in mijn belevingen en in het begrijpen.

Door zo’n voorval kan ik makkelijk meevoelen met de idee van Rudolf Steiner dat ‘de ontwikkeling van de mens, een ontwikkeling van zijn bewustzijn is.’
En dat geldt voor ieder mens individueel, maar ook voor de individuen die in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats een soortgelijke ontwikkeling a.h.w. als groep doormaken. Groep in de zin van ‘stam’ of ‘ras’ of ‘volk’.

En ook in deze tijd speelt zo’n ontwikkeling zich af. 
Met grote onderlinge verschillen, er bestaat in de wereld wat dat betreft geen ‘gelijktijdigheid’.

Als we de idee van Steiner vasthouden dat geschiedenis een verslag is van de bewustzijnsverandering van mens en mensheid, kunnen we daarmee meer begrip krijgen voor het sprookje, de sage, de mythe, legende en het geloof.

GA 57 

Wo und wie findet man den Geist?

Waar en hoe vind je de geest?

Voordracht 5, Berlijn 14 november 1908

Bibel und Weisheit II

Bijbel en wijsheid ll

Blz. 126

Blicken wir ein wenig zurück in der Entwicklung des menschlichen Bewußtseins. Das Wort Entwicklung braucht man heute sehr häufig, aber so durchgreifend, so intensiv wie die Geisteswissenschaft Ernst macht mit dem Worte Entwicklung, so ist es bei keiner anderen Wissenschaft der Fall. Dieses menschliche Bewußtsein, wie es heute ist, hat sich aus anderen Bewußtseinsformen entwickelt. Wenn wir weit, weit zurückgehen in der Herkunft des Menschen, nicht im Sinne materialistischer Wissenschaft, sondern so, wie ich es vorgestern entwickelt habe, dann finden wir, daß das Menschen-Bewußtsein immer mehr als ein anderes erscheint, je weiter wir zurückgehen. Dieses Bewußtsein, welches die verschiedenen Verstandesbegriffe, die äußeren Sinneswahrnehmungen in
der bekannten Art verknüpft, das ist erst entstanden, wenn auch in urferner Vergangenheit, aber es ist erst entstanden. Wir können in jener Zeit einen Zustand des Bewußtseins finden, der ganz anders war als heute, weil besonders das Gedächtnis ganz anders war. Das, was der Mensch heute als Gedächtnis hat, ist nur ein herunterge­kommener Rest einer alten Seelenkraft, die in ganz anderer Weise vorhanden war. In alten Zeiten, als der Mensch noch nicht die kombinierende Kraft seines heutigen Verstandes hatte, als er noch nicht imstande war, zu rechnen und zu zählen im heutigen Sinne, als er noch nicht seine Verstandeslogik ausgebildet hatte, da hatte er dafür eine andere Kraft der Seele: er hatte ein universelles Gedächtnis aus­gebildet. Dieses mußte abnehmen, mußte zurücktreten, damit auf seine Kosten unser heutiger Verstand zu seiner Entwicklung kommen konnte. So ist überhaupt der Gang der Entwicklung, daß eine Kraft in den Hintergrund tritt, damit die andere auftauchen kann. Das Gedächtnis ist eine abnehmende Kraft, der Verstand und die Vernunft sind zunehmende Seelenkräfte.

Laten we eens terugkijken naar de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. Het woord ontwikkeling wordt tegenwoordig heel vaak gebruikt, maar geen enkele andere wetenschap is zo serieus en zo intensief als de geesteswetenschap het woord ontwikkeling serieus neemt. Dit menselijke bewustzijn zoals het nu is, heeft zich ontwikkeld uit andere vormen van bewustzijn. Als we ver, heel ver teruggaan naar de oorsprong van de mens, niet in de zin van de materialistische wetenschap, ( ) dan ontdekken we dat het menselijk bewustzijn zich steeds anders voordoet naarmate we verder teruggaan.
Ons bewustzijn, dat de verschillende intellectuele begrippen, de uiterlijke zintuiglijke waarnemingen op de bekende manier met elkaar verbindt, is ontstaan, ook al is dit in een ver verleden, het is ontstaan.
In die tijd vinden we een staat van bewustzijn die heel anders was dan vandaag, omdat vooral het geheugen heel anders was. Wat de mens vandaag als geheugen heeft, is slechts een verkommerd overblijfsel van een oude zielskracht die op een heel andere manier aanwezig was. In de oudheid, toen de mens nog niet het combinerend vermogen had van zijn huidige intellect, toen hij nog niet kon rekenen en tellen in de moderne zin van het woord, toen hij zijn intellectuele logica nog niet had ontwikkeld, had hij in plaats daarvan een andere kracht van de ziel: hij had een universeel geheugen ontwikkeld. Dit moest afnemen, moest plaats maken, zodat ons hedendaagse intellect ten koste van dit geheugen tot ontwikkeling kon komen.
Dat is het verloop van ontwikkeling in het algemeen, dat het ene vermogen naar de achtergrond verdwijnt zodat het andere naar voren kan komen. Geheugen is een afnemend vermogen, begrip en rede zijn toenemende vermogens van de ziel.
GA 57/126-127
Niet vertaald 

Van dit ‘algemene’ gaat Steiner dan in de 17e voordracht over naar iets wat hij met name noemt:

Voordracht 17, Berlijn 1 mei 1909

Alteuropäisches Hellsehen

Oud-Europese helderziendheid

Blz. 411

Wenn wir zurückblicken, namentlich in der Entwicklung der europäischen Völker, so finden wir überall mehr oder weniger das alte Bilderbewußtsein, das die Welt anschaut, wie sie innerlich ist, wie sie ihrer geistig-seelischen Wesenheit nach ist. Aber das Ich-Bewußtsein ist noch ganz unentwickelt. Und was ist denn geblieben von dem, was die Alten gesehen und erzählt haben, die noch nicht das vollständige Ich-Bewußtsein hatten? Wir können sehen, daß ein Übergang vorhanden war vom alten Bilderbewußtsein zum Gegenstandsbewußtsein. Oh, es ist ein gutes, schönes Erbstück davon vorhanden: das sind die Mythen und Sagen, der gesamte Inhalt der Mythologien. Was die Mythologien enthalten, das wird heute vielfach als Volksdichtung hingestellt. Da werden Wolken als Schafherden angesehen, oder Blitz und Donner in irgendeiner Weise umgedeutet. Es gibt vielleicht keine willkürlichere «Dichtung», als diese Ausdeutung der alten Mythen und Sagen. Alles dasjenige, was heute geblieben ist in Mythen und Sagen, entstammt altem Hellsehen. Das, was erlebt wurde im Unterbewußtsein, das ist erzählt worden, und diese Erzählungen sind die Sagen und Mythen und auch die Märchen. Alle Sagen und Mythen sind erlebt, nicht erdichtet, aber auch nicht im heutigen Gegenstandsbewußtsein erlebt, sondern im alten dämmerhaften Bewußtsein. Und wir können gleichsam tief hineinschauen in das Wirken dieses dämmerhaften Bewußtseins, wenn wir uns an etwas Großes in den religiösen Schriften erinnern.

Als we terugkijken, vooral in de ontwikkeling van de Europese volkeren, vinden we overal min of meer het oude beeldbewustzijn, dat naar de wereld kijkt zoals die innerlijk is, zoals die is volgens zijn spirituele-zielessentie.
Maar het Ik-bewustzijn is nog behoorlijk onontwikkeld. En wat is er overgebleven van wat de ouden zagen en vertelden, die nog niet het volledige ik-bewustzijn hadden? We kunnen zien dat er een overgang was van het oude beeldbewustzijn naar het objectbewustzijn.
Wel, er is een goede, mooie erfenis hiervan: dit zijn de mythen en legenden, de hele inhoud van de mythologieën. Wat de mythologieën bevatten wordt vandaag vaak voorgesteld als volkspoëzie. Wolken worden gezien als kuddes schapen, of donder en bliksem worden op de een of andere manier geherinterpreteerd. Er bestaat misschien geen willekeuriger “poëzie” dan deze interpretatie van de oude mythen en legenden.

Alles wat vandaag de dag overblijft in mythen en legenden komt voort uit oude helderziendheid. Dat wat in het onderbewuste werd ervaren is verteld, en deze verhalen zijn de legenden en mythen en ook de sprookjes. Alle legenden en mythen zijn ervaren, niet verzonnen, maar ook niet ervaren in het objectbewustzijn van vandaag, maar in het oude schemerbewustzijn. En we kunnen als het ware diep in de werking van dit schemerbewustzijn kijken als we naar iets groots opkijken in de religieuze geschriften.
GA 57/411-412
Niet vertaald

Blz. 414

(  ) des alten hellseherischen Bewußtseins, des Bilderbewußtseins, das Mythen und Sagen schafft.

( ) van het oude helderziende bewustzijn, het beeldbewustzijn, dat mythen en sagen creëert.

GA 57/414
Niet vertaald

Blz. 417/418

Wir haben an einzelnen Beispielen gesehen, wie sich in der wunderbaren Sagenwelt nichts anderes ausdrückt als der Gegenstand der Entwicklung des Bewußtseins. Von dem alten Bilderbewußtsein eroberte sich die Menschheit ihr gegenwärtiges helles Tagesbewußtsein, das dem Menschen das Selbstbewußtsein gebracht hat. Und während er früher nicht in sich hineinschauen konnte, nicht ein Selbst dort fand, so fand er, wenn er hinausschaute, überall geistige Wesen, in der Quelle, in der Luft, im Baum — alles war von geistigen Wesen belebt. Wenn er mit seinem dämmerhaften Bewußtsein hinausblickte und sah die Luft, so wußte er, daß sie die Verkörperung desjenigen Gottes war, der sein Inneres gestaltete. Drang die Luft in ihn ein, so wußte er: das bewegt mein Ich. — Brauste der Wind, der sonst von ihm eingeatmet wurde, draußen in kalten, stürmischen Winternächten über die Erde, dann wußte er, daß in dem Sturmesbrausen Wotan einherfährt. So könnten wir alle Mythen und Sagen durchgehen. Wir würden wohl Umgestaltungen durch Dichtungen finden, aber alle führen zurück auf altes hellseherisches Bewußtsein.

We hebben aan de hand van individuele voorbeelden gezien [deze voorbeelden heb ik hier niet weergegeven] hoe de wondere wereld van de legenden niets anders uitdrukt dan het object van de ontwikkeling van het bewustzijn. Vanuit het oude beeldbewustzijn veroverde de mens zijn huidige heldere dagbewustzijn, dat de mens zelfbewustzijn heeft gebracht. En terwijl hij voorheen niet in zichzelf kon kijken, daar geen zelf kon vinden, vond hij toen hij naar buiten keek overal spirituele wezens, in de waterbron, in de lucht, in de boom – alles werd bezield door spirituele wezens. Wanneer hij met zijn schemerig bewustzijn naar buiten keek en de lucht zag, wist hij dat het de belichaming was van de God die zijn innerlijk vorm gaf. Als de lucht tot hem doordrong, wist hij: dit beweegt mijn Ik. – Als de wind, die hij gewoonlijk inademde, op koude, stormachtige winternachten buiten over de aarde bulderde, wist hij dat Wotan in het stormachtige gebrul meereisde. 
We zouden alle mythen en legenden op deze manier kunnen doorlopen. We zouden waarschijnlijk transformaties vinden door poëzie, maar ze leiden allemaal terug naar het oude helderziende bewustzijn.
GA 57/417-418 
Niet vertaald

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

                  Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten

                             De Europose mysteriën en hun ingewijden
Blz. 422

Im letzten Vortrag konnte darauf hingewiesen werden, daß in den alten Zeiten der europäischen Entwicklung bei den verschiedenen Völkern eine Art alten, ursprünglichen Hellsehens vorhanden war, und daß sich das gegenwärtige Bewußtsein erst aus diesem früheren Bewußtseinszustände, aus einem alten, hellseherischen Vermögen heraus entwickelt hat. Es ist darauf hingewiesen worden, wie das, was der alte Hellseher in gewissen Verhältnissen seines Lebens hat wahrnehmen können, einen Niederschlag gefunden hat in den Sagen und Mythen, die von Alpwesen, Elfenwesen, von Zwerg- und Lurenwesen handeln. Diese Sagen und Mythen sind höchst mannigfaltiger Art, und wenn wir Umschau halten könnten nur über das, was an solchen aus alten, hellseherischen Beobachtungen stammenden Mythen und Sagen in Europa sich erhalten hat, so würden zwar gewisse Ähnlichkeiten, gewisse Gleichheiten in allen diesen Überlieferungen vorhanden sein, aber doch auch wieder große Verschiedenheiten, weil das hellseherische Vermögen der einzelnen Menschen sehr verschieden war. Eine viel größere Obereinstimmung ist schon vorhanden in den großen Mythengebilden, in den großen Gebilden der Götter- und Heldensagen. Auch diese Götter- und Heldensagen führen zurück auf hellseherische Fähigkeiten, nur in anderer Art. Nicht auf die Erlebnisse führen sie zurück, die dem Menschen werden konnten durch natürliche hellseherische Begabung, sondern die großen einheitlichen Sagengebilde, die wir als Mythologie zusammenfassen, führen zurück auf jene Erlebnisse, welche die Eingeweihten in den Mysterien gehabt haben.

In de vorige voordracht [zie hierbovenwerd erop gewezen dat in de oude tijden van de Europese ontwikkeling een soort oude, oorspronkelijke helderziendheid aanwezig was onder de verschillende volkeren, en dat het huidige bewustzijn zich alleen heeft ontwikkeld uit deze vroegere staat van bewustzijn, uit een oud, helderziend vermogen. Er is op gewezen hoe, wat de oude helderziende in bepaalde omstandigheden van zijn leven kon waarnemen, tot uitdrukking is gekomen in de legenden en mythen over alfenwezens, elfenwezens, dwergwezens en ‘lore’wezens. [verlokkende wezens, zoals de Lorelei. Op blz. 414 gaat Steiner er nader op in]
Deze legenden en mythen zijn heel divers, en als we alleen al zouden kijken naar welke mythen en legenden die voortkomen uit oude helderziende waarnemingen in Europa bewaard zijn gebleven, dan zouden er bepaalde overeenkomsten zijn, bepaalde gelijkenissen in al deze tradities, maar er zouden ook grote verschillen zijn, omdat de helderziende vermogens van individuele mensen heel verschillend waren. Er is een veel grotere overlap in de grote mythen, in de grote mythen van de legenden van goden en helden. Deze legenden van goden en helden leiden ook terug naar helderziende vermogens, alleen op een andere manier. Ze leiden niet terug naar de ervaringen die de mens zou kunnen krijgen door natuurlijke helderziendheid, maar de grote samenhangende sagencomplexen die we samenvatten als mythologie, leiden terug naar de ervaringen die de ingewijden hadden in de mysteriën.
GA 57/422-423
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over mythen en sagenalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3294-3101

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie – uit de lessen in de middenklassen

.
Het Duitse blad voor de vrijeschoolbeweging heetErziehungskunst‘, Opvoedkunst – zoals voor de Nederlandstalige vrijeschoolbeweging: ‘Vrije Opvoedkunst’.
Vóór het Duitse blad ‘Erziehungskunst’ heette, had het als naam: ‘Zur Pädagogik Rudolf Steiners’, ‘Over de pedagogie van Rudolf Steiner’.
De 1e jaargang daarvan stamt uit 1927.
Een aantal leerkrachten die er vanaf het begin bij waren, schreven regelmatig artikelen over hun werk.
Vaak is daar een groot enthousiasme in te bespeuren. En hun pogingen de aanwijzingen van Steiner gestalte te geven in de concrete onderwijspraktijk.

De vele gezichtspunten van Steiner hebben na 100 jaar vrijwel niets aan zeggingskracht verloren en het hoeft daarom niet vreemd te klinken dat ook de bijna 100-jarige artikelen ook nu nog bruikbaar zijn. Soms is er wel enige met die tijd van toen, maar het gaat vaak meer om aspecten die langdurig blijvend zijn.
En dus ook bruikbaar in de vrijeschool nu.

.

Edith Röhrle, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 2e jrg. nr 3  sept, 1928

.
euritmie in de middenklassen
.

Rudolf Steiner heeft ons met de euritmie een nieuwe kunst geschonken, die op buitengewoon vruchtbare wijze kan integreren in het geheel van onze nieuwe pedagogie.

Zoals Goethe in zijn nieuwe kleurenleer wijst op een nieuw kleurbegrip en de afzonderlijke kleuren een gevoelsnuance geeft waarvan hij zegt dat het rood een uitdagend, agressief karakter heeft of het blauw waaraan de ziel beleeft hoe dat verdiept en innerlijk wordt, zo moet ook de taal door euritmie opnieuw beleefd worden.

De afzonderlijke klanken moeten hun eigen essentie weer aan ons onthullen door ze zichtbaar te maken.
Maar ook de grammatica krijgt een nieuwe impuls, wanneer de kinderen leren voelen hoe een zelfstandig naamwoord in de euritmie naar zijn innerlijke essentie op een heel andere manier moet worden weergegeven, dan bijvoorbeeld  een werkwoord.

Juist op het verband tussen euritmie en grammatica wil ik nu nader ingaan, omdat men meestal verbaasde gezichten krijgt als men op dit verband wijst.

We beginnen met deze taak in de middenklassen, maar de eerste schooljaren bereiden dit werk al voor. Zelfs in de laagste klassen wordt in hoofdonderwijs veel belang gehecht aan het geven van een echt gevoel aan de kinderen voor de aard van geometrische vormen.

In de euritmielessen lopen de kinderen nu driehoeken, vierkanten, spiralen etc., maar op zo’n manier dat er een gevoel mee verbonden kan worden. Als een kind een inwikkelende spiraal loopt, dan moet het voelen dat als ik zo van buiten naar binnen ga, wil ik iets ervaren, iets te weten komen, van binnen een vraag stellen. Als ik daarentegen de spiraal zo loop dat hij uitwikkelt, dan wil ik iets overbrengen van wat ik weet, dan kan ik het antwoord geven. Zulke vormen worden vaak geoefend met bijpassende muzikale begeleiding of met een bijpassend gedicht. De in- en uitwikkelende spiraal komt bijvoorbeeld prachtig overeen met het gedicht van Dr. Steiner:

Wie laat de planten bloeien? Dat is Gods wijsheid.
Wie laat de mensen leven? Dat is Gods liefde, enz.

Bij de vraag wordt de inwikkelende spiraal gelopen,

bij het antwoord de uitwikkelende.

Het gevoel voor vormverandering wordt ook gewekt, bijvoorbeeld door de kinderen een regelmatige driehoek te laten lopen en hun aandacht te vestigen op het feit dat in deze vorm (I) de krachten, die van buiten en van binnen vormend werken, in evenwicht zijn.

Nu kan er echter een vormverandering optreden als de krachten van buitenaf overheersen. Dan krijgt de vorm een ander uiterlijk.

In de derde vorm zegevieren de innerlijke krachten over de uiterlijke krachten. Voor oudere leerlingen kan het gedicht ‘Beherzigung‘ van Goethe worden gekozen als voorbeeld van zulke vormen.

De eerste strofe toont een beklemming, zwakte tegenover externe krachten, dus wordt een vorm gekozen die overeenkomt met de tweede:

Feiger Gedanken
Bängliches Schwanken enz.

De tweede strofe drukt overwinnen uit:

Allen Gewalten
Zum Trotz sich erhalten enz.

De derde vorm is geschikt om te visualiseren hoe het innerlijke zelf zich nu vrij kan ontplooien.

Als op deze manier een levendig gevoel voor de essentie van een vorm bij de kinderen is gewekt, dan is het ook mogelijk om het grammaticale te benaderen zonder een lichte angst voor grammatica bij de leerlingen te veroorzaken, zoals we in het verleden meestal hebben ervaren.
Ze vinden het leuk om te zien hoe de meest uiteenlopende kunstenaars hebben geholpen om een zin te vormen, hoe er een geheime architect aan het werk is die iets voor ons neerzet dat op zichzelf af is, maar dat door een geheime schilder wordt verfraaid, hoe een toneelschrijver ons in spanning wil brengen enzovoort. Het is helemaal niet moeilijk voor hen om te ontdekken dat de architect het zelfstandig naamwoord plaatst en dat de schilder het versiert met het bijvoeglijk naamwoord. De innerlijke spanning en ontspanning worden veroorzaakt door de verbindingswoorden, die zo gemakkelijk over het hoofd worden gezien, die een dramatisch element in de zin brengen met hun “en”, “maar”, “toch”.
Zodra de kinderen dit verschil hebben ontdekt, is het ook vanzelfsprekend voor hen dat elk woord een andere voorstelling vereist. Een zelfstandig naamwoord moet laten zien dat het iets wil schilderen, dus we moeten de medeklinkers gebruiken om ons te helpen, want die hebben van zichzelf al een beeldend karakter. Als ik wil euritmiseren: “Het wuivende korenveld”, dan geeft de w me de mogelijkheid om het innerlijk zichtbaar te maken door middel van het bewegingsgebaar van de w.

Op deze manier is het mogelijk om te visualiseren wat de genius van de taal in woorden heeft getoverd. Een zelfstandig naamwoord wordt in de ruimte geplaatst, dus moet het een vorm krijgen die overeenkomt met zijn essentie, wat ons dan leidt naar de verschillende soorten zelfstandige naamwoorden. De boom, die fysiek zichtbaar is, moet een andere vorm krijgen dan engelen of duivels, die spirituele wezens zijn. Ik laat de kinderen nu ervaren hoe alles wat zichtbaar is geworden, zoals boom, steen, mens, een bepaalde, duidelijk gedefinieerde vorm heeft. Maar ze weten uit sprookjes hoe duivels van vorm kunnen veranderen, op de ene manier kunnen verschijnen en dan weer op een andere, dus dat moet je ook in de vorm herkennen, die moet niet zo vast liggen. Voor concrete woorden nemen we de vorm

die doet denken aan een kristallen punt, laat zien dat we iets specifieks insluiten. Spirituele essentie krijgt een ronde vorm.

Maar als we een vorm zo lopen dat we de kromming naar voren nemen, dan ontstaat in ons het gevoel dat we met onze ervaring en blik naar de verte gevoerd worden, het gaat meer over iets dat meer omvattend is.

Dit is een vorm die in aanmerking komt voor het conceptuele: “uitgestrektheid”, “afstand”, “schoonheid”.

Voor de ziel: “plezier”, “vreugde”, “pijn”, is de golvende lijn de uitdrukking die de kinderen de ups en downs van de emotionele ervaring laat zien.

Nu moeten de kinderen de vormen die zo ontstaan, combineren tot een mooie algemene vorm voor een gezegde of een versje, dat dan aan de tekst wordt toegevoegd. Elk kind doet zijn eigen poging en de beste wordt dan voor iedereen gekozen. Terwijl de meisjes meestal handiger zijn in het maken van de klanken, krijg ik van de jongens meestal de mooiste en levendigste vormen. Een spreuk van Angelus Silesius resulteerde in de volgende vorm:

De ziel is een kristal,
De godheid is haar glans,
Het lichaam waarin je woont,
Is de omhulling van beide.

Voor een langer gedicht van C.F.Meyer kreeg ik de volgende vorm van een leerling uit de 8e klas:

In de les hadden we het gedicht zo behandeld dat we met de zelfstandige naamwoorden bezig waren en alleen de basisvormen



werden genoteerd. Hiervan had een jongen toen deze tekening gemaakt, die een prachtig gevoel voor vorm laat zien. (ll)

Net als bij de zelfstandige naamwoorden worden ook de andere woordsoorten
en de vormen en bewegingen steeds rijker en gevarieerder.

Als de kinderen gedurende meerdere jaren zo vertrouwd zijn geraakt met de grammatica in de euritmie, dan is het niet langer abstract, ze leren de innerlijke kant voelen die door de taal stroomt en dat door de taal moet stromen.
dat door de taal stroomt en die ook de kinderen weer moet doordringen.
Het scheppende woord spreekt door de euritmie de mens weer aan en heeft  een revitaliserende werking op denken, voelen en willen en stimuleert het de krachten die door de taal stromen en die gedood worden door een te intellectuele
opvoeding, tot nieuwe creatieve activiteit.

.

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmiefiguren

.

3293-3100

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 14 maart 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.

De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

discipline, orde [1]
diefstal [2]
jongens en meisjes naast elkaar [3]
jaarfeest [4]
afwijkend gedrag [5]
hulpklas [6]
Heidenröslein Goethe [7]
Ich ging einmal im Walde für mich hin [7]
Lesstof bovenbouw [8]

 

RUDOLF STEINER
.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart
1919 bis 1924

Erster Band
Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1
Het eerste en tweede schooljaar

Blz. 125

Konferenz vom Samstag 14. März 1920, 18u

Vergadering van zaterdag 14 maart 1920, 18u

Es wird über die mangelnde Disziplin in der Schule geklagt.

[1] Er zijn klachten over het gebrek aan discipline op school.

Dr. Steiner: Herr Baumann soll einmal pro Woche Unterricht geben über Takt und Moral, über Lebenstakt und Lebensgewohnheiten, so daß die Kinder denken müssen: das ist eine Artigkeit, das eine Ungezogenheit. — Daß die Kinder das denken müssen, das soll eine Empfindung hervorrufen für die Autorität. Das ist nicht mit anderem Unterricht zu verbinden, sondern in den
Nachmittagsunterricht einzuordnen.

Meneer Baumann zou één keer per week les moeten geven over tact en moraal, over tact en de gewoonten in het leven, zodat de kinderen moeten denken: dit zijn goede manieren, dat is onbehoorlijk – Het feit dat de kinderen dit moeten denken, moet een gevoel van autoriteit oproepen. Dit moet niet gecombineerd worden met andere lessen, maar in de middaglessen een plaats krijgen.

Dr. Steiner: Es wirkt ungeheuer schädigend auf die ganze Disziplin, wenn man einzelne Fälle herausgreift.

Het heeft een enorm schadelijk effect op de hele discipline, wanneer individuele gevallen worden uitgekozen.

Es wird noch einmal über das Stehlen gesprochen.

[2] Er wordt weer over stelen gesproken.

In bezug auf das Stehlen ist zu sagen: Diese Fälle im einzelnen zu behandeln, sollte eigentlich gar nicht nötig werden. Aber man sollte die Dinge so hinstellen, daß die Kinder davor einen Abscheu bekommen.

Met betrekking tot stelen moet gezegd worden dat het niet echt nodig zou moeten zijn om deze gevallen in detail te behandelen. Maar je moet
de dingen zo brengen dat de kinderen ervan walgen.

X.: Soll man eine Osterfeier oder Jugendfeier für die nicht konfessionellen
Kinder einrichten? Eine Frühlingsfeier?

[3] X.: Moeten we een paas- of jeugdfeest organiseren voor niet-confessionele kinderen? Een lentefeest?

Dr. Steiner: Man kann die vier oberen Klassen vom freien Religionsunterricht zu der Feier vereinigen.

De vier hogere klassen van het vrije godsdienstonderwijs zouden voor de viering bij elkaar kunnen komen.

Anmerkung: Es handelt sich hier nicht um die heute vorhandene Jugendfeier;
die ist von Dr. Steiner erst zu Ostern 1921 eingerichtet worden.

Opmerking: Dit is niet de jeugdviering  die vandaag de dag bestaat, Dr. Steiner heeft die pas met Pasen 1921 opgezet.

Dr. Steiner: Es ist gut, die Mädchen und Buben zusammenzusetzen.

[4] Het is goed om de meisjes en jongens bij elkaar te zetten.

Es wird nach der Klasse für die pathologischen Kinder gefragt.

[5] Er is een vraag over de klas voor voor kinderen die afwijken.

Dr. Steiner: In diesen Unterricht für die psychopathischen Kinder,
den Dr. Schubert übernehmen würde, sollten etwa zehn Kinder hineinkommen.

[6] In deze klassen voor psychopathische kinderen, die Dr. Schubert op zich zou nemen, moeten zo’n tien kinderen komen.

Es werden die Kinder für diesen Unterricht ausgesucht. Von den schon mehrfach Erwähnten sind dabei die A. S. und die A. B.; die übrigen nicht.

De kinderen worden geselecteerd voor deze lessen. Van degenen die al een paar keer genoemd zijn, zijn A. S. en A. B.; de anderen niet.

Dr. Steiner: In diesem Unterricht muß man sich mit den einzelnen
beschäftigen. Nicht viel anders, aber man muß alles langsamer
machen.

In deze lessen heb je te maken met de individuele kinderen.
met het individu. Niet veel anders, maar je moet alles langzamer doen.
alles langzamer.

X.: Soll man Goethes „Heidenröslein” mit den Kindern behandeln? Es ist
doch recht erotisch.

[7] X.: Moet men Goethe’s “Heidenröslein” met de kinderen behandelen? Het is
toch wel erotisch.

Blz. 126

Dr. Steiner: Das „Heidenröslein” ist kein erotisches Gedicht, wohl aber „Ich ging im Walde so für mich hin … “

Het “Heidenröslein” is geen erotisch gedicht, maar wel
“Ik ging het bos in voor mezelf … “

X.: Was soll man in der Fortbildungsschule mit den Kindern tun?

[8] X.: Wat moet men doen met de kinderen in de school voor voortgezet onderwijs?

Dr. Steiner: Da müßte man vor allem aufs Praktische und aufs Künstlerische gehen. Denen müßten Begriffe beigebracht werden vom Leben, von der Landwirtschaft, dem Gewerbe, der Industrie, dem Handel. Geschäftsaufsätze und Buchhaltung sollten da gemacht werden, und im Künstlerischen Bildnerisches, Musikalisches und Literatur.
Das würde die Aufgabe werden von Herrn Strakosch.
Das Leben muß als eine Schule betrachtet werden. Man kann ihnen immer wieder sagen, daß sie von nun ab durch das Leben erzogen werden.
Man soll den Kindern ihr Schicksal nicht abnehmen.

Je moet je vooral richten op het praktische en het kunstinnige.
Ze moeten begrippen bijgebracht worden van het leven, van de landbouw, van bedrijven, van de industrie, handel. Zakelijke essays en boekhouding moeten daar worden gedaan en op het artistieke gebied het beeldende, muziek en literatuur.
Dat zou de taak van de heer Strakosch zijn.
Het leven moet gezien worden als een school. Je kunt ze keer op keer vertellen dat ze vanaf nu door het leven opgevoed zullen worden.
Je moet de kinderen hun lot niet ontnemen.
GA 300A/125-126

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 .

3292-3099

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (4)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, b.v. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

Blz. 26

4. Staatliche Schulbehörden

In derselben Zeit, in der die Dreigliederungsbewegung mit ihrer Forderung nach völliger Loslösung alles Schulwesens vom Staate in vollstem Gange war, im Sommer 1919, wurde als ein Beispiel einer staatsfreien Schule die Entstehung der Waldorfschule vorbereitet.
Aber die staatlichen Schulgesetze waren ja noch keineswegs außer
Kraft gesetzt, die staatlichen Schulbehörden bestanden noch, und so
mußte die Genehmigung der neuen Schule in Verhandlung mit ihnen
erreicht werden.
Der Zeitpunkt für diese Verhandlungen war so günstig wie niemals
vorher oder nachher. Der alte Obrigkeitsstaat mit seiner festgefügten
Beamtenhierarchie war durch den Umsturz vom November 1918
von Grund auf erschüttert. An die Stelle der alten, konservativ denkenden Minister, waren die durch die Revolution heraufgekommenen getreten, die für neue Ideen und Initiativen sehr viel zugänglicher waren. Der Kultusminister Heymann war Sozialdemokrat. Auf der anderen Seite war die Zeit vom November 1918 bis zum Sommer 1919 viel zu kurz, als daß schon alle Schulgesetze hätten im sozialistischen Sinne umgeformt sein können. 

4. Overheid

In de zomer van 1919, op hetzelfde moment dat de Driegeledingsbeweging in volle gang was met haar eis om het schoolsysteem volledig los te koppelen van de staat, werd als voorbeeld van een staatsvrije school de waldorfschool voorbereid.
Maar de staatsschoolwetten waren nog lang niet afgeschaft. De onderwijsoverheid bestond nog steeds, en dus moest de goedkeuring van de nieuwe school door te onderhandelen, worden verkregen.
De tijd voor deze onderhandelingen was gunstiger dan ooit daarvoor of daarna. De oude autoritaire staat met zijn stevig gevestigde hiërarchie van ambtenaren was grondig door elkaar geschud door de omwenteling van november 1918.
De oude, conservatieve ministers waren vervangen door mensen die door de revolutie waren opgeklommen en veel meer openstonden voor nieuwe ideeën en initiatieven.
De minister van Onderwijs, de heer Heymann, was een sociaaldemocraat. Aan de andere kant was de periode van november 1918 tot de zomer van 1919 veel te kort om alle schoolwetten in een socialistische geest te herschikken. 

Die neue Reichsverfassung, die auch Bestimmungen über die Schulen enthalten sollte, war noch nicht in Kraft. So galt in Württemberg noch wie bisher ein Schulgesetz vom Jahre 1836. Es war wohl 1909 in manchen Punkten
geändert worden, aber gerade die Artikel, die sich auf Privatschulen
bezogen, waren tatsächlich noch die von 1836. Und diese Artikel waren so weitmaschig wie in keinem anderen deutschen Lande.
Rudolf Steiner hat den Kultusminister niemals in Zweifel gelassen, daß er grundsätzlich keineswegs gewillt war, von seiner Forderung nach einem vom Staate losgelösten Schulwesen auch nur einen Schritt zurückzugehen. Er hat dem auch deutlich Ausdruck gegeben durch den Namen Freie Waldorfschule. Aber mit den tatsächlich bestehenden Rechtsverhältnissen war nicht anders als durch Kompromisse zurechtzukommen (1/61). Sie mußten nur als solche
unmißverständlich ausgesprochen werden. Und das geschah.
Dieser Kompromisse waren es vor allem drei:

De nieuwe  grondwet, die ook bepalingen over scholen zou bevatten, was nog niet van kracht. In Württemberg bijvoorbeeld was een schoolwet uit 1836 nog steeds van kracht. Die was wel in 1909 op een paar punten veranderd, maar juist de artikelen met betrekking tot privéscholen waren daadwerkelijk nog van 1836. En in deze wetsartikelen zaten veel meer gaten dan in enig ander Duitsland.
Rudolf Steiner liet er bij de minister van Onderwijs geen enkele twijfel over bestaan, dat hij geenszins bereid was ook maar een stap terug te doen van zijn eis voor een schoolsysteem los van de staat. Hij drukte dit ook duidelijk uit
door de naam Freie Waldorfschule. Maar door de bestaande
rechtsverhoudingen konden alleen een compromissen worden gesloten (1/61). Ze moesten alleen ondubbelzinnig als zodanig worden uitgedrukt. En dat gebeurde ook.
Er waren drie compromissen in het bijzonder:

Blz. 27

a) Im Artikel 26 jenes Gesetzes von 1836 hieß es: ,,Privatanstalten können, wenn die Benützung derselben von dem Besuche der öffentlichen Volksschule befreien soll, mit Genehmigung des Oberschulrates errichtet werden.” Eine solche, wenn auch wie üblich nur vorläufige Genehmigung wurde damals bald gegeben; die endgültige erfolgte nach einer ersten Inspektion (1/273) erst am 8. März 1920.
Aber weil durch die Genehmigung die Waldorfschule der staatlichen
Schulaufsicht unterstand, mußten an ihr auch später die üblichen Revisionen durch den Schulrat abgehalten werden.
b) Im weiteren Text jenes Gesetzesartikels heißt es: ,,. . . es dürfen dabei nur Lehrer, welche diese Behörde nach Kenntnissen und Sittlichkeit für befähigt erkennt, angestellt werden.” Es wurde von den künftigen Waldorrlehrern nicht die Ablegung einer staatlichen Lehrerprüfung verlangt, und tatsächlich besaßen von den zwölf Lehrern, die zu Beginn der ersten Konferenz vom 8. September 1919 genannt werden (1/65), nur drei bis vier ein solches Zeugnis. Diese Lehrer mußten alle einen ausführlichen Lebenslauf einreichen und sich im
Ministerium persönlich vorstellen (1/64), aber sie wurden sämtlich ohne weiteres ,,für befähigt erkannt”.

a) Artikel 26 van die wet van 1836 stelde: “Privé-instellingen kunnen worden opgericht met toestemming van de hoofdinspecteur van het onderwijs. Bij gebruikmaking ervan is men dan vrijgesteld van het bezoeken van de openbare lagere scholen.” Zo’n toestemming werd destijds al snel verleend, hoewel zoals gebruikelijk, slechts voorlopig; de definitieve goedkeuring werd pas verleend na een eerste inspectiebezoek (1/273) op 8 maart 1920.
Maar omdat de toelating betekende dat de vrijeschool onder staatstoezicht stond, moest de school zich onderwerpen aan de gebruikelijke inspecties.

b) De verdere tekst van dit wetsartikel luidt: ,,. . .
alleen leerkrachten die door dit gezag worden erkend als bekwaam op het gebied van kennis en zedelijkheid, mogen worden aangesteld.” De toekomstige
vrijeschoolleraren hoefden geen staatsexamen te doen, en in feite hadden van de twaalf leraren die aan het begin van de eerste vergadering op 8 september 1919 werden genoemd (1/65), er slechts drie tot vier het gebruikelijke diploma. Deze leraren moesten allemaal een gedetailleerd curriculum vitae inleveren en zich persoonlijk voorstellen op het ministerie  (1/64), maar ze werden allemaal zonder meer “erkend als bevoegd”.

Solche, gewiß noch nicht absolute, aber doch sehr weitgehende Freiheit der Lehrerwahl wäre damals anderswo nicht möglich gewesen. Rudolf Steiner sprach öfter von einer „Lücke im württembergischen Schulgesetz” (3/49).
Aber der Griff des Staates wurde wieder fester, und die Lücke wurde durch Verordnungen geschlossen, so daß dann, von wenigen Ausnahmen abgesehen, von allen Lehrern der Waldorfschule staatliche Prüfungszeugnisse gefordert wurden.
c) Über den Lehrplan einer privaten Volksschule enthielt das Gesetz von 1836 keine Bestimmungen. Es war aber zweifellos vorausgesetzt, daß es der auch an den öffentlichen Volksschulen gebräuchliche sein sollte.
Das kam natürlich für die Waldorfschule nicht in Frage (1/62). Der Lehrplan mußte frei sein, das heißt, nur von den inneren Bedürfnissen der heranwachsenden Kinder abgelesen. Andererseits aber meinte Rudolf Steiner, doch Rücksicht nehmen zu sollen auf Kinder, die, weil etwa die Eltern an einen anderen Ort verzogen, auf eine öffentliche Schule übergehen mußten. Er arbeitete deshalb einen Kompromißvorschlag aus, der dann von der Behörde auch angenommen wurde. Danach sollten die Schüler der Waldorfschule jeweils am Ende des 3., 6. und 8. Schuljahres das Lehrziel der öffentlichen
Schule erreicht haben. Weil alle Akten der Waldorfschule beschlag-

Een dergelijke, zeker nog geen absolute, maar zeer uitgebreide vrijheid van lerarenkeuze zou toen elders niet mogelijk zijn geweest. Rudolf Steiner sprak vaker over een “maas in de schoolwet van Württemberg” (3/49).
Maar de greep van de staat werd weer strakker en mazen werden
door verordeningen gedicht, zodat alle vrijeschoolleraren, op een paar uitzonderingen na, in het bezit moesten zijn van een staatsexamencertificaat.
Examencertificaten werden verplicht gesteld voor alle vrijeschoolleraren.

c) De wet van 1836 bevatte geen bepalingen over het leerplan van een particuliere basisschool. Men ging er echter zonder twijfel vanuit dat dit hetzelfde zou zijn als dat van de openbare basisscholen.
Voor de vrijeschool was dit natuurlijk uitgesloten (1/62). Het leerplan
moest vrij zijn, d.w.z. uitsluitend afgelezen aan de innerlijke behoeften van de opgroeiende kinderen. Anderzijds vond Rudolf Steiner dat er rekening gehouden moest worden met kinderen die bijv. naar een openbare school moesten overstappen omdat hun ouders naar een andere plaats gingen verhuizen.
Hij werkte daarom een compromisvoorstel uit, dat door de autoriteiten werd geaccepteerd. Volgens dit voorstel zouden de leerlingen van de vrijeschool
aan het einde van het 3e, 6e en 8e schooljaar het leerdoel van de openbare school hebben bereikt.
Omdat alle dossiers van de vrijeschool in beslag

Blz. 28

nahmt wurden, als sie Ostern 1938 verboten wurde, sind dort keine Kopien der damaligen Eingaben an die Schulbehörde mehr vorhanden. Von dem oben erwähnten Vorschlag aber hat sich in Rudolf Steiners Handschrift ein Entwurf erhalten, dessen Text hier folgt.
„Das Lehrercollegium der Waldorfschule möchte den Unterricht methodisch in der Art gestalten, daß ihm für die Gliederung des Lehrstoffes innerhalb der drei ersten Schuljahre völlig freie Hand bleibt; dagegen wird es bestrebt sein, mit dem Abschluß des dritten Schuljahres die Kinder einem Lehrziele zuzuführen, das ganz übereinstimmt mit demjenigen der 3. Klasse der öffentlichen Volksschule. Diese Absicht soll so durchgeführt werden, daß ein aus der dritten Klasse der Waldorfschule etwa abgehendes Kind in die vierte Klasse einer anderen Volksschule ohne Störung übertreten kann. Im vierten, fünften und sechsten Schuljahr soll wieder die Gliederung des Unterrichtes frei vorgenommen werden können. Mit dem vollendeten sechsten Schuljahre sollen die Kinder bei dem Lehrziele der sechsten Volksschulklasse und zugleich bei dem einer höheren Schule angekommen sein, das klassengemäß dem vollendeten zwölften Lebensjahre entspricht. Dasselbe soll gelten für Gliederung des Lehrstoffes und Erreichung des Lehrzieles bis zum vollendeten achten Schuljahre.

werden genomen toen deze met Pasen 1938 verboden werd, zijn er geen kopieën meer van de voorstellen die toen bij de schoolautoriteiten zijn ingediend. Er is echter een ontwerp van het bovengenoemde voorstel bewaard gebleven in het handschrift van Rudolf Steiner, waarvan de tekst hier volgt.
“Het onderwijzend personeel van de vrijeschool wil de lessen methodisch zodanig organiseren dat men met de leerstof binnen de eerste drie schooljaren volledig de vrije hand heeft; anderzijds zal zij ernaar streven met de kinderen aan het eind van het derde schooljaar een onderwijsdoel te halen  dat volledig overeenkomt met dat van de derde klas van de openbare basisscholen. Dit zal zodanig gerealiseerd worden dat een kind uit de derde klas van de vrijeschool zonder onderbreking naar de vierde klas van een andere basisschool  kan doorstromen. In het vierde, vijfde en zesde schooljaar kan de organisatie van de lessen vrij georganiseerd worden. Aan het einde van het zesde schooljaar moeten de kinderen het leerdoel van het zesde leerjaar van de basisschool hebben bereikt en tegelijkertijd bij dat van een hogere school zijn uitgekomen wat klassikaal overeenkomt met het voltooide twaalfde jaar. Hetzelfde moet gelden voor de organisatie van het leerplan en het bereiken van het onderwijsdoel aan het einde van het achtste schooljaar.

Die Kinder sollen Realschulmäßige Lehrziele vollendet erreichen und auch befähigt werden, in die dem Alter entsprechende Klasse einer anderen höheren Schule überzutreten.
Freie Hand erbittet sich das Lehrercollegium nur für die Gestaltung des Unterrichts auf jeder der drei von ihm festgelegten Stufen:
1. Schulanfang bis zum vollendeten neunten Lebensjahre;
2. von diesem bis zum vollendeten zwölften Lebensjahre;
3. von diesem bis zur Vollendung der dritten Stufe.
Am Ende dieser Stufen sollen die den öffentlichen Schulen vorgeschriebenen Lehrziele auch von der Waldorfschule erreicht werden.”
Über eine etwa zu errichtende 9. Klasse für die über Vierzehnjährigen war in dem Gesetz von 1836 keinerlei Bestimmung enthalten, weil es sich nur mit der Volksschule befaßte. Hierfür war also die Schule ganz frei (1/119, 3/117).
Ein anderer Teil des Kompromisses bezog sich nicht eigentlich auf das Verhältnis zum Staat, sondern auf den Religionsunterricht (1/63). Davon wird noch besonders gesprochen werden (Einleitung S. 37).
Die oben erwähnte günstige Lage bestand nicht lange. Schon kurz vor der Schuleröffnung (Anfang September) verschlechterte sie sich,

De kinderen moeten leerdoelen van een middelbare school in z’n  geheel bereiken en ook kunnen doorstromen naar de juiste klas op een andere middelbare school.

Het onderwijzend personeel vraagt alleen de vrije hand voor de organisatie
van het onderwijs op elk van de drie vastgestelde niveaus:

1. start op school tot de leeftijd van negen jaar;
2. vanaf deze leeftijd tot de leeftijd van twaalf jaar
3. vanaf deze leeftijd tot de voltooiing van de derde fase.

Aan het eind van deze fasen moet de vrijeschool ook de onderwijsdoelen bereiken die zijn voorgeschreven voor staatsscholen.”
In de wet van 1836 werd geen melding gemaakt van een 9e klas voor leerlingen ouder dan veertien jaar, omdat deze alleen betrekking had op de lagere scholen. De school was daar dus volledig vrij (1/119, 3/117).
Een ander deel van het compromis had eigenlijk geen betrekking op de relatie
tot de staat, maar tot het godsdienstonderwijs
(1/63). Hierop zal nader worden ingegaan (Inleiding pag. 37).
De bovengenoemde gunstige situatie duurde niet lang. Kort
voor de opening van de school (begin september) verslechterde de situatie,

Blz. 29

als am 11. August 1919 die neue Reichsverfassung, die sogenannte „Weimarer Verfassung” (1/71) in Kraft trat. Sie enthielt im Artikel 147 die Bestimmung, daß private Schulen staatlich genehmigt werden können, wenn sie in Lehrzielen, Einrichtungen und in der wissenschaftlichen Ausbildung ihrer Lehrer nicht hinter den öffentlichen Schulen zurückstehen. Weiter: „Private Volksschulen sind nur zuzulassen, wenn . . . die Unterrichtsverwaltung ein besonderes
pädagogisches Interesse anerkennt. Private Vorschulen sind aufzuheben.”
Dieser Artikel der Reichsverfassung wurde damit zwar bindendes Recht für alle Länder des Reiches, also für die bisherigen König- und Fürstentümer. Aber weil die Schulen auch weiterhin unter der Hoheit der Länder standen, zog es sich lange hin, bis der Artikel 147 sich voll auswirkte.
Nur in einem Punkte griff die Reichsregierung noch direkt ein.
Durch das Reichsgesetz vom 28. April 1920, das sogenannte „Grundschulgesetz” (2/242, 250, 3/145) wurde der Besuch der untersten drei, später vier Klassen der staatlichen Volksschule für schlechthin alle Kinder für verbindlich erklärt. Alle privaten Vorschulen sollten abgebaut werden, indem sie keine neue unterste Klasse mehr eröffnen und die Schülerzahl ihrer schon bestehenden Klassen nicht vergrößern durften.

toen op 11 augustus 1919 de nieuwe grondwet van het rijk, de zgn.
“Weimar-Grondwet” (1/71) van kracht werd. Artikel 147 bevatte de bepaling dat particuliere scholen door de staat konden worden toegestaan als ze niet onder deden voor openbare scholen wat betreft onderwijsdoelen, faciliteiten en de academische opleiding van hun leraren. Verder: “Particuliere basisscholen mogen alleen alleen worden toegestaan als . . . de onderwijsinspectie een speciaal educatief belang erkent. Particuliere kleuterscholen moeten worden gesloten.”
Dit artikel uit de rijksgrondwet werd zo bindend recht voor alle staten van het rijk, d.w.z. voor de voormalige koninkrijken en vorstendommen. Maar omdat de scholen onder de soevereiniteit van de deelstaten bleven, duurde het lang voordat artikel 147 volledig van kracht werd.
De rijksregering greep slechts op één gebied direct in.
Door middel van de Rijkswet van 28 april 1920, de zogenaamde
“Wet op de Lagere School” (2/242, 250, 3/145), werd schoolbezoek van de staatsbasisschool voor de laagste drie en later vier klassen verplicht gesteld voor alle kinderen. Alle particuliere kleuterscholen moesten worden opgeheven door niet langer een nieuwe lagere klas te openen en het aantal leerlingen in hun bestaande klassen niet te verhogen.

Das galt naturgemäß auch für Württemberg, und es wurde der Waldorfschule durch Erlaß vom 31 . Dezember 1920 von der Behörde mitgeteilt (1/255), daß laut Grundschulgesetz jetzt schrittweise die untersten Klassen geschlossen werden müßten, weil sie eine „private Vorschule” seien. Es könne nur der Waldorfschule auf Antrag genehmigt werden, daß sie für das Schuljahr 1921/22 noch eine erste Klasse eröffne, aber ihre vier Grundschulklassen — mit a- und b-Klassen waren es acht — dürften nicht mehr Kinder führen als bisher, also zusammen 240. Dieser Zustand wurde zwar verlängert, aber er bewirkte doch, daß erst in die 5. Klasse, die nicht mehr zur Grundschule zählte, neue Kinder aufgenommen werden konnten. Weil nun der Andrang dazu sehr groß war, mußte im 5., 6. und 7. Schuljahr jedesmal eine dritte 5. Klasse, eine Klasse 5c errichtet werden (3/93, 100, 145).
Erst im Jahre 1926, also schon nach dem Tode Rudolf Steiners, änderte sich das. Damals nahm der Schulrat Friedrich Hartlieb die vorgeschriebene Prüfung (s. unten) vor. Bei ihm lag hinter aller behördlichen Unbestechlichkeit und Strenge eine ganz ursprüngliche pädagogische Genialität vor. Auf Grund seiner eingehenden und sehr

Dit gold natuurlijk ook voor Württemberg en de vrijeschool werd bij decreet van 31 december 1920 (1/255) door de autoriteiten dat volgens de wet op het basisonderwijs geleidelijk de laagste klassen gesloten moesten worden omdat ze een “particuliere voorschool” waren. Alleen de vrijeschool kon op aanvraag toestemming krijgen om voor het schooljaar 1921/22 een eerste klas te openen, maar de vier basisschoolklassen – met A- en B waren het er acht –mochten echter niet meer kinderen opnemen dan voorheen, d.w.z. een totaal van 240 kinderen.
Deze situatie werd verlengd, maar het betekende toch dat nieuwe kinderen alleen konden worden toegelaten vanaf leerjaar 5, dat geen deel meer uitmaakte van de basisschool.
Omdat nu de vraag zo groot was, moest er een derde 5e klas, een klas 5c, worden toegevoegd in het 5e, 6e en 7e jaar van de school. (3/93, 100, 145).
Pas in 1926, dus na de dood van Rudolf Steiner, kwam hier verandering in.
In die tijd nam de schoolinspecteur Friedrich Hartlieb het voorgeschreven examen af (zie hieronder). Hij had, afgezien van alle officiële onkreukbaarheid en strengheid, een volstrekt originele pedagogisch genialiteit. Op basis van zijn grondige en zeer

Blz. 30

günstigen Beurteilung der Waldorfschule (abgedruckt im „Nachrichtenblatt”, 3. Jg., 1926, Nrn. 2—6) wurde vom Ministerium das „besondere pädagogische Interesse anerkannt”, und die Beschränkung wurde aufgehoben.
Aber diese „gesetzliche Limitierung” (3/145) der ersten vier Klassen und andere Wahrnehmungen bewirkten, daß Rudolf Steiner eine zunehmende Einengung der ursprünglichen Bedingungen feststellen mußte.
„Heute (im Mai 1923) könnte man auch hier nicht mehr eine Waldorfschule errichten” (3/49).
Im übrigen hatten es die Länder nicht eilig mit neuen und gründlichen eigenen Schulgesetzen. In Württemberg erschien zwar eines, das sogenannte „kleine Schulgesetz”, schon 1920, aber es enthielt nur Bestimmungen, die die Waldorfschule nicht angingen. Ein wirklich umfassendes Schulgesetz kam bis zu Rudolf Steiners Tode nicht heraus. Die Schulbehörden behalfen sich mit Erlassen und Verfügungen. –
Nachdem nun der Unterricht der Waldorfschule einmal im Gange war, beschränkte sich die Berührung mit den Behörden, innerhalb der Grenzen der oben genannten Kompromisse, hauptsächlich auf wenige Gebiete.
Regelmäßig wurden im Abstand weniger Jahre die vorgeschriebenen
Schulrats-Revisionen vorgenommen (1/273, 2/59, 65—69, 141), und ebenso regelmäßig überprüfte der Amtsarzt den allgemeinen Gesundheitszustand der Kinder (1/121, 2/20). Wegen der beiden anderen Berührungsstellen mit den Behörden sind die Ausführungen über die einzelnen Schuljahre nachzulesen; über die Fortbildungsschule Einleitung S. 46, 47; über das Abiturium Einleitung S. 56, 58.

gunstige beoordeling van de vrijeschool (afgedrukt in het “Nachrichtenblatt”, 3e jaargang, 1926, nrs. 2-6), erkende het ministerie het “speciale onderwijsbelang” en werd de beperking opgeheven.
Deze “wettelijke beperking” (3/145) van de eerste vier klassen en andere percepties zorgden ervoor dat Rudolf Steiner een toenemende versmalling van de oorspronkelijke voorwaarden moest vaststellen.
“Vandaag (mei 1923) zou het ook hier niet meer mogelijk zijn een
vrijeschool te stichten” (3/49).
Overigens maakten de deelstaten geen haast om zelf nieuwe en grondige schoolwetten aan te nemen. In Württemberg verscheen er al een in 1920, maar die bevatte alleen bepalingen die geen invloed hadden op vrijescholen. Een echt allesomvattende schoolwet kwam er niet vóór de dood van Rudolf Steiner.
De schoolautoriteiten namen genoegen met verordeningen en voorschriften. –
Toen de vrijeschool eenmaal liep, bleef het contact met de autoriteiten, binnen de grenzen van de bovengenoemde compromissen, hoofdzakelijk beperkt tot enkele gebieden.
Regelmatig, met tussenpozen van enkele jaren, werden de voorgeschreven
schoolinspecties gehouden (1/273, 2/59, 65-69, 141), en even regelmatig controleerde de ambtenaar van volksgezondheid de algemene gezondheid
van de kinderen (1/121, 2/20).
Voor de twee andere contacten met de autoriteiten verwijzen we naar de uitleg over de afzonderlijke schooljaren; over het voortzetten van de school inleiding p. 46, 47; over het examen inleiding p. 56, 58.
GA 300A/26-30  

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3291-3098

.

.

.

.