Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/16)

.

Onbekend

.

De vogelmelk
.

Nadat de Ster van Bethlehem de Wijzen uit het Oosten de weg naar het kind Jezus had gewezen, spatte zij in duizen­den stukjes uiteen. Elk zo’n stukje werd een helder wit bloempje dat de hele nacht na Christus’ geboorte schitterend bloeide.
Sindsdien draagt de Vogelmelk ieder jaar een overvloedige hoeveelheid witte kelkjes, en eigenlijk is deze plant dus de ware Ster van Bethlehem.

De bloem lijkt op een ster

Bron

.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

2406-2256

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/15)

.

Er zijn verschillende verhalen in omloop die de titel ‘De kerstroos’ dragen.
Op deze blog: het onderstaande verhaal; en het (ingekorte verhaal van Selma Lagerlöff (14-2) Er is ook een Zwitsers sprookje over een roos die in de winter bloeide

.

Bron onbekend
.

de kerstroos
.

“Die bloem van wond’ren luister
waarvan Jesaja sprak,
Bloeid’ op, toen door het duister
het licht der wereld brak’,

luidt een oud kerstlied. Die bloem is de kerstroos, aan de grond ontsproten door de vurige wens van het dochtertje van een der herders, de kleine Jezus een geschenk te geven.
Het kleine meisje was echter zo arm dat ze niets bezat om weg te geven. Ze probeerde een bloempje te vinden op de velden van Efrata, maar vergeefs, elk sprietje groen was bedekt door een dik pak sneeuw.
Een engel die medelijden had met het kind, daalde uit de hemel en beroerde met zijn vleugels de sneeuw. Overal sprongen toen de kerstrozen uit de aarde, waarvan het meisje een grote bos plukte en naar de kleine Jezus bracht.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit
.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

.

386-364

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/6)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE ZOETE PAP

.

Pap, brij, was toch wel een van de eerste gekookte voedingsmiddelen van de mens en wat absoluut bij dit voedsel hoorde was natuurlijk de pappot, de brijpot.
In oude (scheppings)verhalen is soms sprake van een ‘hemelse brijpot’ (zon en maan), want die be -vat-te de macrokosmische krachten. Zon en maan als een pot waaruit aan de aardse mens kosmisch voedsel geschonken wordt. Dit voedsel kan je ‘vat-ten en be-vat-ten’, het Duitse ‘fassen’ en ‘er-fassen’, beetpakken en begrijpen. Beetpakken, aangrijpen wijst dan meer op het fysieke, stoffelijke; vatten, bevatten, begrijpen op de geestelijke tegenhanger: iets met je verstand ‘grijpen’ = be-grijpen. Vooral de zon – het zonlicht – hoort bij de wakkere mens; de maan werkt door in de levensritmen van groei en voortplanting. 
De vroegere mens, met andere bewustzijnskwaliteiten, beleefde deze krachten meer met een helderziend voelen en waarnemen, daarmee naar geest en ziel zich voedend.

In de loop van de tijd veranderde dit bewustzijn en zon en maan werden ‘gewone’ hemellichamen, uiterlijk bezien stoffelijke voorwerpen. Het gevoel van ‘een kosmisch vat met kracht’ ging verloren. 
De ziel ontving het niet meer en werd ‘arm’. 
Toch blijft de mens een microkosmos in de macrokosmos, in zijn kleine wereld vind je een weerspiegeling van de grote. 
De grote brijketel is er nog, maar de mens moet die zelf weer leren vinden om er geestelijk voedsel uit te halen.

Het sprookje vertelt het zo:

Er was eens een arm, vroom meisje dat met haar moeder alleen woonde en zij hadden niets meer te eten. Toen liep het kind het bos in en daar kwam zij een oude vrouw tegen die haar verdriet al kende en haar een potje gaf waartegen zij moest zeggen: ‘Potje kook’, en dan kookte het lekkere zoete gierstepap, en als zij zei: ‘Potje, stop’, dan hield het weer op met koken. Het meisje bracht de pot naar haar moeder toe en nu leden ze geen armoe en geen honger meer, maar aten zoete pap zo vaak zij maar wilden.

In de ziel – de ‘huishouding’ heerst armoede. Het oude, het overgeleverde en behoudzuchtige (de moeder) heeft honger en ook het kind – het jonge, het vooruitstrevende (de dochter) lijdt. Maar zij gaat op zoek, op pad. Ze is vroom en goed en dit zou haar kunnen helpen. Als je op pad gaat, kan het goede in je ziel voor een keerpunt zorgen. 

Nu komt zij in het bos. Het bos of het woud is in het sprookje vaak het beeld voor de vele groeikrachten in de natuur, voor het vegetatieve leven; vol levenskracht die ook woekeren kan. Het bos zorgt diwijls voor ‘verrassingen’. Dit sprookje wijst daarop. Iets wat al lang vergeten was, waar nog wel een sluimerend gevoel voor bestond, wordt nu opnieuw tot leven gewekt: de oude vrouw helpt het meisje door haar op de magische kracht van het woord te wijzen, op de wil die in het woord leeft: dat zal het voedsel zijn dat nodig is. Het kind krijgt weer een pot, Duits een ‘Ge-fass’! en daaruit zal weer kosmisch voedsel stromen. Naar believen kan ze er gebruik van maken.

Op een keer was het meisje uitgegaan; toen sprak de moeder: ‘Potje kook’, en meteen kookt het en zij eet ervan tot zij genoeg heeft. Daarna wil zij dat het potje weer ophoudt met koken, maar zij weet het woord niet. En dus kookt het verder en de pap loopt al over de rand en kookt maar door, de keuken en het hele huis vol, en dan het tweede huis en daarna de straat op als wilde de pap de hele wereld verzadigen en er heerst de grootste nood en geen mens weet raad. Eindelijk, als er nog maar één huis over is, komt het kind thuis en zegt alleen maar: ‘Potje stop’, en daar stopt het en houdt op met koken; en wie weer naar de stad toe wilde moest zich door de pap heen eten.

Het sprookje laat nu zien dat het zielenleven van het jonge meisje dat ‘op weg is gegaan’ en ‘in het bos is geweest’ een ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar dat de moeder in haar ontwikkeling is blijven stilstaan. Die kan wel iets in beweging brengen, maar ze heeft het overzicht niet en kan het niet beheersen; de mateloosheid zegeviert.

Dit sprookje wordt, volgens Lenz, bijna altijd verkeerd verteld, namelijk zo dat het kind de brijpot aan de kook gebracht zou hebben en dan de juiste woorden zou zijn vergeten. Maar het omgekeerde is het geval.

Het is een klein sprookje, het ziet er op het eerste gezicht bijna nietszeggend uit. Maar het is wel een loflied op het kind in de mens. Kunnen wij iets tegen onze kinderen zeggen dat troostrijker is? Kunnen wij meer zekerheid geven dat er altijd voedsel voor de ziel is als deze het zuivere van het kind heeft en ‘vroom’ is, dan door dit eenvoudige beeld? 

Natuurlijk moet je de beeldtaal van het sprookje nooit aan het kind uitleggen: de beelden moeten tegen het kind hun eigen taal spreken. Als het kind die eenvoudigweg in zijn ziel opneemt, zullen ze net zo voedend werken als de zoete pap in dit sprookje.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2405-2255

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/5)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

HANS EN GRIETJE

Aan de rand van een groot bos woonde een arme houthakker met zijn vrouw en zijn twee kinderen; het jongetje heette Hans en het meisje Grietje. Er was maar weinig te eten en toen alles erg duur werd in het land kon de houthakker zelfs niet meer voor het dagelijks brood zorgen. Toen hij nu ’s avonds in bed daarover lag te tobben en zich van de ene zij op de andere wierp zuchtte hij en sprak tot zijn vrouw: ‘Wat moet er van ons worden? Hoe kunnen wij onze arme kinderen te eten geven nu wij zelf niets meer hebben?’ – ‘Weet je wat, man,’ antwoordde de vrouw, ‘wij zullen morgen in alle vroegte de kinderen naar het bos brengen, daar waar de bomen het dichtst op elkaar staan, daar maken wij een vuur voor hen en geven ze allebei nog een stukje brood en dan gaan wij aan ons werk en laten hen alleen achter. Zij vinden de weg naar huis nooit terug en wij zijn hen kwijt.’ -‘Nee, vrouw,’ zei de man, ‘dat doe ik niet; hoe zou ik het over mijn hart kunnen verkrijgen mijn kinderen in het bos alleen achter te laten; het zou niet lang duren of de wilde dieren zouden hen verscheuren.’ – ‘O, jij dwaas,’ zei zij, ‘dan moeten wij alle vier van honger omkomen; dan kun je nu alvast de planken voor de doodkisten gaan schaven,’ en zij liet hem niet met rust totdat hij toegaf. ‘Maar de arme kinderen gaan mij toch aan het hart,’ zei de man.

Wijsheid is volgens Lenz altijd levend en neemt toe, groeit zoals een boom naar de hemel. Of zoalsa Goethe zegt: ‘Dood, beste vriend is alle theorie, groen des levens gulden boom’ (Faust 1)

Als de mens een abstracte denker is geworden, verdort deze boom. Hij blijft hangen in doodse theorieën; hij geeft geen ruimte om al waarnemend nieuwe ervaringen op te doen en deze te veranderen, te laten rijpen tot inzicht dat hij uit het leven haalt. Hij hakt deze boom om, ziet het leven niet meer in zij totaliteit, alleen de details die hij analyseert en indeelt. Hij heeft exacte gedachten, maar droog, dor. 
Het Duits heeft ‘begrippen kloven’; ‘versplinteren’ en je kan je op de ‘houtweg’ (auf der Holzweg’= met een voorstelling of mening vastlopen) bevinden.

In dit sprookje verschijnt de houthakker en deze heeft te maken met zo’n ‘verhoutingsproces’. Het beeld van de houthakker komt ook in positieve zin voor, want houthakken is nuttig en nodig.
In dit sprookje is de houthakker het drama van de mens die de arme houthakker, zoals beschreven, is.

Ook zijn vrouw – het beeld van de ziel – verlaat hem: zij kan hem geen warmte meer schenken, zijn ziel niet meer rijker maken: ook zij vervalt tot het harde, materialistische denken. Voor de jonge, nog zo samenhorende – zusje en broertje – gevoels- en wilskrachten, wordt ze een ‘stief’moeder. Het kan niet anders dan dat deze gevoel- en wilskrachten daaronder lijden. Ze staan echter nog ver van het ‘verhoute’ zielenleven af; het zijn geen abstracte krachten, maar levende, wezenlijke krachten in de mens. Aan de ene kant de erfelijkheidskrachten die naar het verleden wijzen en aan de andere kant de krachten die op de toekomst zijn gericht. De mens staat altijd tussen gisteren en morgen. 

De houthakker lijdt honger en daarom zijn kinderen ook: er is geen brood meer. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, heet het in het Onze Vader: een wezenlijk bestanddeel van ons mens-zijn. Ook Christus gebruikt het brood als beeld: ‘Ik ben het brood des levens’. ‘Stenen voor brood’ duidt erop dat ‘brood’ de betekenis heeft van ‘gezond geestelijk voedsel’. 
.
De twee kinderen hadden van honger ook niet kunnen inslapen en hadden gehoord wat hun stiefmoeder tegen hun vader had gezegd. Grietje weende bittere tranen en sprak tot Hans: ‘Nu is het met ons gedaan.’ – ‘Stil maar, Grietje,’ sprak Hans, ‘treur maar niet, ik vind voor ons beiden wel uitkomst.’ En toen de ouders waren ingeslapen stond hij op, trok zijn jasje aan, deed de achterdeur open en sloop naar buiten. De maan scheen helder en de witte kiezelstenen die voor het huis lagen glansden als zilveren kwartjes. Hans bukte zich en stopte er zoveel in de zak van zijn jasje als er maar in gingen. Daarop ging hij weer terug en sprak tot Grietje: ‘Wees maar gerust, lief zusje, en ga rustig slapen, God zal ons niet verlaten,’ en hij ging weer in zijn bed liggen.
Toen de dag aanbrak kwam de vrouw nog voor zonsopgang de kinderen wekken: ‘Opstaan, luilakken, wij gaan naar het bos om hout te halen.’ Daarop gaf ze ieder een stukje brood en sprak: ‘Daar hebben jullie wat voor het middaguur maar eet het niet van tevoren op, want verder krijgen jullie niets.’ Grietje stopte het brood onder haar schort omdat Hans de stenen in zijn zak had. Daarop begaven zij zich gezamenlijk op weg naar het bos. Toen zij een tijdje gelopen hadden, stond Hans stil en keek om naar het huis, en dat deed hij keer op keer. De vader sprak: ‘Hans, waar kijkje toch naar en waarom blijf je achter? Let op en vergeet niet je benen te gebruiken.’ – ‘Ach, vader,’ zei Hans, ‘ik kijk naar mijn witte katje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen.’ De vrouw sprak: ‘Zot, dat is je katje niet, het is de morgenzon die op de schoorsteen schijnt.’ Hans had echter niet naar het katje gekeken maar telkens een van de witte kiezelstenen uit zijn zak op de weg gegooid.
Toen zij midden in het bos waren gekomen sprak de vader: ‘Nu hout sprokkelen, kinderen, ik ga een vuur maken zodat jullie het niet koud hebben.’ Hans en Grietje droegen een berg sprokkelhout aan. Het werd aangestoken en toen de vlammen goed hoog brandden zei de vrouw: ‘Gaan jullie nu bij het vuur liggen, kinderen, en rust wat uit, wij gaan het bos in om hout te hakken. Als wij klaar zijn komen we terug om jullie te halen.’
Hans en Grietje zaten bij het vuur en toen het middaguur aanbrak aten zij ieder hun stukje brood. En omdat zij de slagen van de bijl hoorden geloofden zij dat hun vader in de buurt was. Het was evenwel niet de bijl maar een tak die hij aan een dorre boom had gebonden en de wind sloeg hem heen en weer. En toen zij zo een hele tijd gezeten hadden, gingen hun ogen dicht van vermoeidheid en zij vielen in slaap. Toen zij eindelijk ontwaakten was het al pikdonker. Grietje begon te huilen en sprak: ‘Hoe komen we nu uit het bos?’ Hans troostte haar echter: ‘Wacht nog maar even totdat de maan is opgekomen, dan vinden wij de weg wel.’ En toen de volle maan was opgegaan, nam Hans zijn zusje bij de hand en volgde de kiezelstenen die glansden als pas geslagen kwartjes en hun de weg wezen. Zij liepen de hele nacht door en kwamen bij het ochtendkrieken weer bij het huis van hun vader. Zij klopten aan de deur en toen de vrouw opendeed en zag dat het Hans en Grietje waren sprak zij: ‘Jullie stoute kinderen, om zo lang in het bos te blijven slapen, wij dachten dat jullie nooit meer terug zouden komen.’ De vader echter was blij want het was hem aan het hart gegaan dat hij hen zo alleen had achtergelaten.

Niet lang daarna heerste er alom weer nood en de kinderen hoorden hoe de moeder ’s nachts in bed tot hun vader sprak: ‘Alles is weer op, wij hebben nog een half brood en daarna is het uit. De kinderen moeten weg, wij zullen hen dieper het bos inbrengen zodat zij de weg eruit niet meer kunnen vinden; er blijft ons geen andere uitweg over.’ Het viel de man zwaar en hij dacht: Het zou beter zijn je laatste hap met je kinderen te delen. Maar de vrouw luisterde niet naar hem, wat hij ook zei, schold hem uit en maakte hem verwijten. Wie A zegt moet ook B zeggen en aangezien hij de eerste keer had toegegeven, moest hij dat de tweede maal ook doen.
De kinderen hadden echter nog wakker gelegen en het gesprek gehoord. Toen de ouders sliepen stond Hans weer op en wilde naar buiten om kiezelstenen te verzamelen net als de vorige keer, maar de vrouw had de deur op slot gedaan en Hans kon er niet uit. Maar hij troostte zijn zusje en sprak: ‘Huil maar niet, Grietje, ga rustig slapen, de goede God zal ons wel bijstaan.’
’s Morgens vroeg kwam de vrouw de kinderen uit bed halen. Zij kregen ieder hun stukje brood dat echter nog kleiner was dan de vorige keer. Op weg naar het bos verkruimelde Hans het in zijn zak en stond dikwijls stil om een stukje op de grond te gooien. ‘Hans, waarom sta je steeds stil, waarom kijk je telkens om?’ zei de vader, ‘loop toch door.’ – ‘Ik kijk naar mijn duifje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen,’ antwoordde Hans. ‘Zot,’ zei de vrouw, ‘dat is je duifje niet, het is de morgenzon die daarboven op de schoorsteen schijnt.’ Hans wierp echter allengs alle kruimels brood op de weg.
De vrouw bracht de kinderen nog dieper het bos in, waar zij van hun leven nog niet geweest waren. Toen werd er weer een groot vuur gemaakt en de moeder zei: ‘Blijf daar maar zitten, kinderen, en als jullie moe bent, kunnen jullie wat slapen; wij gaan het bos in om hout te hakken en als wij vanavond klaar zijn komen wij jullie weer halen.’

Toen het midden op de dag was deelde Grietje haar brood met Hans die zijn stuk op de weg gestrooid had. Daarop vielen zij in slaap en de avond verstreek maar niemand kwam de arme kinderen halen. Zij ontwaakten pas toen het donker was en Hans troostte zijn zusje en zei: ‘Wacht maar, Grietje, tot de maan opgaat, dan zien wij de broodkruimels die ik heb gestrooid en die wijzen ons de weg naar huis.’
Toen de maan opkwam begaven zij zich op weg maar zij vonden geen kruimeltje meer want de duizenden vogels die in bos en veld rondvliegen hadden ze weggepikt. Hans zei tegen Grietje: ‘Wij zullen de weg wel vinden,’ maar zij vonden hem niet. Zij liepen de hele nacht en nog een dag van ’s morgens tot ’s avonds maar zij kwamen het bos niet uit en zij hadden zo’n honger want zij hadden niets dan de paar bessen die er groeiden. En omdat zij zo moe waren dat zij geen voet meer voor de andere konden zetten gingen zij onder een boom liggen en vielen in slaap.
Nu was het reeds de derde morgen sinds zij het huis van hun vader hadden verlaten. Zij gingen weer op weg maar zij raakten steeds dieper het bos in en als er niet spoedig hulp kwam zouden zij omkomen. Toen het middag was zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. En toen het klaar was met zingen sloeg het zijn vleugels uit en vloog voor hen uit en zij gingen het achterna tot zij bij een huisje kwamen waar het op het dak ging zitten en toen zij vlakbij kwamen zagen zij dat het huisje van brood gemaakt was en met koek bedekt; maar de vensters waren van witte suiker.

In de sprookjes zijn ‘drie dagen’ een belangrijke ontwikkelingstijd. Hans en Grietje zijn drie dagen onderweg en weten eigenlijk ‘heg noch steg’. De verwarring is groot. 
Je kan in de het sprookje ook een vorm van een ‘mystieke weg gaan’ zien. Na drie dagen moet er een weten zijn ontstaan, er moet een besluit genomen worden. Er staat: (op die derde dag:) zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. 
Lenz wijst erop dat het vogeltje ’s middags verschijnt. En van de middag zegt zij dat wanneer de zon op z’n hoogst staat, de mens niet meer zo wakker is als bij het opstaan in de frisse morgen. 
In vroegere tijden vermeed de landbouwbevolking het om ’s middags op de akker te zijn. In oude sagen is nog sprake van een ‘middagvrouw’ (Mittagsfrau) met een sikkel – om het bewustzijn te splijten; of het ondervragen door sfinxachtige monsters. 
Pas ervoor op dat je ’s middags geen verdragen sluit, want ‘dat is het uur van Lucifer’.
Het luiden van de klok om 12u ’s middags moet de mens eraan herinneren wakker te blijven, het luiden met de ‘verleidende geesten verdrijven’.
Als het vogeltje ’s ochtends was verschenen, zou het een beeld zijn geweest voor een verhelderde inspiratie, maar ’s middags wordt zijn stem een verlokking die tot dwaling leidt. Het vliegt voor de kinderen uit en brengt ze bij het huisje van de heks. Dat is ook een ‘brood’huis, maar van heksenbrood.

‘Daar zullen wij maar eens aan beginnen,’ sprak Hans, ‘en genieten van een gezegende maaltijd. Ik ga een stuk van het dak eten, Grietje, jij kunt van het raam eten, dat smaakt zoet.’ Hans reikte omhoog en brak een stukje van het dak af om te proeven hoe dat smaakte en Grietje ging voor de ruiten staan en knabbelde eraan. Toen riep een zachte stem vanuit de kamer:

‘Knabbel, knabbel, knuisje,
Wie knabbelt aan mijn huisje?’

De kinderen antwoordden:

‘De wind, de wind,
dat hemelse kind.’

en aten verder zonder zich van de wijs te laten brengen. Hans die zich het dak goed liet smaken, brak er een flink stuk vanaf en Grietje drukte een ronde ruit in zijn geheel in en ging zitten om er zich te goed aan te doen. Daar ging opeens de deur open en een stokoude vrouw kwam leunend op een stok naar buiten schuifelen. Hans en Grietje schrokken zo geweldig dat zij, wat zij in hun handen hadden, lieten vallen. De oude vrouw echter schudde met haar hoofd en sprak: ‘Wel, lieve kinderen, wie heeft jullie hierheen gebracht? Kom maar binnen en blijf bij mij, er zal jullie geen kwaad geschieden.’ Zij nam hen beiden bij de hand en leidde hen haar huisje binnen. Toen werd er heerlijk eten opgediend, melk en pannenkoeken met suiker, appels en noten. Hierna werden er twee mooie bedjes met schone lakens opgemaakt en Hans en Grietje gingen er in liggen en dachten dat zij in de hemel waren.

Een Duitse oorsprong van het woord ‘heks’ gaat terug op ‘hagazussa’. ‘Hag’ is in het Duits een soort bosgebied, struikgewas e.d. Van Dale geeft voor het woord de betekenis ‘heks’. We moeten denken aan een wijze vrouw, een zieneres, een profetes, zoals die nog voorkomt in bijv. de Edda of bij de Grieken als ‘orakel’. Een helderziende hoedster van een stam. 
Maar dit schouwende vermogen ging langzamerhand verloren; het ‘zuivere’ verdween en iets demonisch kwam ervoor in de plaats. Magie werd zwarte magie en valse invloeden deden zich gelden op het oerweten. De hagazussa veranderde in haar tegendeel van weleer. Nu is ze het beeld van een verleidingsmacht die de mens een pseudoweten aanbiedt van atavistische oorsprong en daarmee raakt hij verstrikt in waan en oppervlakkigheid. 
Lenz ziet bij het occulte een vorm van wetmatigheid: wat in een bepaalde tijd voor een bepaalde ontwikkeling van geest en ziel juist is, ‘aan de tijd’, kan later volledig omkeren. Methoden die eeuwen juist waren, kunnen voor de moderne mens niet goed meer zijn. 
Het sprookje wil ons daarvoor waarschuwen. De heks is oeroud, heeft rode ogen en kan niet ver zien, ze neemt de zintuiglijk waarneembare wereld niet echt waar. Ze heeft zoals de dieren een bijzondere gevoeligheid; ze voelt de dingen aan, maar doordringt ze niet met heldere gedachten, met de geest. Ze lokt de kinderen naar zich toe: de onschuldige jonge krachten in de mens trekken haar aan en ze biedt die een verlokkende betovering aan: ‘ze dachten dat ze in de hemel waren.

De oude vrouw had alleen maar gedaan alsof zij zo vriendelijk was; zij was echter een boze heks die op kinderen loerde en zij had het broodhuisje alleen gebouwd om ze te lokken. Als zij er een in haar macht kreeg maakte zij het dood, kookte het en at het op en dat was voor haar een feestdag.
Heksen hebben rode ogen en kunnen niet ver zien, maar zij hebben een fijne neus net als de dieren en zij merken het als er mensen aankomen. Toen Hans en Grietje in haar buurt kwamen, lachte zij boosaardig en sprak honend: ‘Die heb ik, die zullen mij niet meer ontsnappen.’

’s Morgens vroeg, nog eer de kinderen wakker waren, stond zij al op en toen zij hen beiden zo lief zag slapen met hun dikke rode wangen mompelde zij voor zich uit: ‘Dat zal een lekker hapje worden.’ Toen pakte zij Hans met haar dorre handen beet en bracht hem naar een klein hokje en sloot hem op achter de tralies; hij kon schreeuwen zo hard hij wilde het hielp hem niets. Daarop ging zij naar Grietje, schudde haar wakker en riep: ‘Sta op, luilak, haal water en kook iets lekkers voor je broer die buiten in het hok zit om dik te worden. Als hij vetgemest is, eet ik hem op.’ Grietje begon bitter te schreien maar het was allemaal tevergeefs, zij moest doen wat de boze heks wilde.

Nu werd voor de arme Hans het beste eten gekookt maar Grietje kreeg niets anders dan kreefteschalen. Elke morgen sloop de oude vrouw naar het hok en riep: ‘Hans, steek je vinger naar buiten, zodat ik kan voelen of je al vet bent.’ Maar Hans stak een botje naar buiten en de oude vrouw die slechte ogen had zag het niet goed en zij dacht dat het Hans’ vinger was en zij verbaasde zich dat hij maar helemaal niet vet wilde worden. Toen er vier weken waren verstreken en Hans maar steeds mager bleef verloor zij haar geduld en zij wilde niet langer wachten. ‘Hé, Grietje,’ riep zij het meisje toe, ‘ga vlug water halen: Hans mag vet of mager zijn, morgen slacht ik hem en dan kook ik hem.’ Ach, wat jammerde het arme zusje toen zij water moest aandragen en hoe stroomden de tranen over haar wangen. ‘Lieve God, help ons toch,’ riep zij uit, ‘hadden de wilde dieren in het bos ons maar opgegeten, dan waren wij tenminste samen gestorven.’ – ‘Schei uit met dat geblèr,’ zei de oude vrouw, ‘dat helpt je toch niets.’

Hans, de jonge wil, wordt opgesloten, van zijn vrijheid beroofd. Grietje, het zuivere gevoel van het kind, kan niet meer haar eigen impulsen volgen: ze moet het kwade dienen.
Koken en braden e.d. hebben met het vuur te maken. Wanneer je in de taal naar uitdrukkingen met vuur zoekt, kom je erachter waarom het gaat. Waar het gaat om iets met enthousiasme in de wereld te zetten, moet je ‘in vuur en vlam’ staan voor het idee; je moet er warm voor lopen, in jezelf een vuur, vlam ontsteken, enz. Het vurig enthousiasme en de edele gloed van de liefde duiden daarop. 

Geestdrift heeft als tegenhanger de lichamelijke drift, de gloeiende begeerte; de brandende hartstocht. Wat aan de kant van de geest ‘laaiend’ wordt, wordt hier tot een duivelse illusie daarvan en brandt je op.
Het oude, boosaardig geworden atavisme wil de jeugdkrachten van het kind – de toekomst – verslinden, verteren. 

’s Morgens vroeg moest Grietje opstaan om de ketel met water op te hangen en het vuur aan te maken. ‘Eerst gaan wij bakken,’ zei de oude vrouw, ‘ik heb de oven al vóórver-warmd en het deeg gekneed.’ Zij duwde het arme Grietje naar buiten naar de oven waar de vlammen al uitsloegen. ‘Kruip erin,’ zei de heks, ‘en kijk of het al warm genoeg is om het brood erin te schuiven.’ En als Grietje er dan in was wilde zij de oven dichtdoen zodat Grietje daarin zou braden en dan zou zij haar ook opeten. Maar Grietje merkte wat zij van plan was en sprak: ‘Ik weet niet hoe ik dat moet doen, hoe kom ik erin?’ – ‘Domme gans,’ zei de oude vrouw, ‘de opening is groot genoeg, zie je wel, zelfs ik kan erin.’ Zij krabbelde er heen en stak haar hoofd in de oven. Toen gaf Grietje haar een duw zodat zij er een eind in Schoof, sloot de ijzeren deur en schoof de grendel ervoor. Oei, wat begon zij daar te jammeren, het was gewoon griezelig; maar Grietje liep weg en de goddeloze heks moest ellendig verbranden.

Hans, de jongen, zijn mannelijke wil is volkomen passief gemaakt. Maar Grietje, het meisje, de vrouwelijke ziel schuift het boze terug in zijn eigen element: het vuur van de illusie, begeerte en hartstocht; het vuur wordt een louterend vuur. Het boze richt zichzelf ten gronde wanneer de moed van het hart en de dapperheid zich ertegen keren. De wil wordt erdoor bevrijd.

Grietje echter liep regelrecht naar Hans, maakte zijn hokje open en riep: ‘Hans, wij zijn verlost, de oude heks is dood.’ Toen sprong Hans naar buiten als een vogel uit een kooi waarvan de deur wordt opengezet. Wat waren zij blij, zij vielen elkaar om de hals, sprongen in het rond en kusten elkaar. En omdat zij nu niet meer bang hoefden te zijn gingen zij het huis van de heks binnen en daar stonden in alle hoeken kasten vol parels en edelstenen. ‘Dat is nog beter dan kiezelstenen,’ zei Hans en hij stopte zijn zakken vol, en Grietje zei: ‘Ik zal ook iets mee naar huis nemen,’ en zij vulde haar schortje.

Negatieve ervaringen, het overwinnen van het kwaad kan tot positieve inzichten leiden die de mens rijker maken en Hans en Grietje vinden in het huisje van de heks grote schatten. 
De parel wijst ons op de zee, op het water; de edelsteen op de aarde. Ze blijven niet ‘opgepot’, maar worden voor de fysieke wereld en de levenskrachten bevrijd. Zo is ook de heks dus weer een deel van ‘die kracht die steeds het kwade wil en steeds het goede schept’. (Goethe, Faust 1)

‘Maar laten wij nu gaan,’ zei Hans, ‘om weg te komen uit het heksenbos.’ Toen zij echter een paar uur gelopen hadden kwamen zij aan een groot water. ‘Wij kunnen er niet over,’ zei Hans, ‘ik zie geen vlonder en geen brug.’ -‘Hier vaart ook geen bootje,’ antwoordde Grietje, ‘maar daar zwemt een witte eend; als ik het die vraag dan helpt hij ons wel naar de overkant.’ Toen riep zij:

‘Eendje, eendje,
Hier staan Hans en Grietje,
Er is geen vlonder en geen brug,
Neem ons op je witte rug.’

Het eendje zwom naar hen toe en Hans ging op zijn rug zitten en hij vroeg zijn zusje naast hem te komen zitten. ‘Nee,’ antwoordde Grietje, ‘dat is te zwaar voor het eendje, ‘het moet ons na elkaar overzetten.’ Dat deed het goede diertje en toen zij goed en wel aan de overkant waren en een poosje hadden gelopen kwam het bos hun steeds bekender voor en tenslotte zagen zij in de verte het huis van hun vader.

Na het bos komen de kinderen nu voor een groot water. In het dichte woud is er geen uitzicht, de blik over het water is ruim. Er is weer ruimte, ook in de ziel, nu de spanning, de angst verdwenen zijn. Het is een witte eend die t.o.v de zwarte heks te vertrouwen is. Grietje voelt zich als prille ziel verwant met dit wezen dat weliswaar op het land een onbeholpen indruk maakt, maar op het water in zijn element is. Er is geen kans meer dat de kinderen nu wegzinken of ten onder gaan.
De witte eend komt in de symboliek van het Oosten meer voor dan in het Westen. De zonnewagen van Apollo wordt door drie eenden getrokken; op Indische tempels zit ze naast de zwaan; in het Russische sprookje Elena. de wonderschone, vraagt ze aan de held als gave een witte eend. Hier ervaar je dat ze staat voor de zekerheid van de ziel op de ‘beweeglijkheid van de gevoelswateren’.

Er zijn wel uitgaven van sprookjes waarin dit beeld van het water en het eendje is weggelaten, maar het hoort wel bij de afronding van het verhaal.

Toen begonnen zij te hollen, stormden de kamer binnen en vielen hun vader om de hals. De man had geen gelukkig ogenblik meer gekend sinds hij zijn kinderen in het bos had achtergelaten; de vrouw echter was gestorven.
Grietje schudde haar schortje uit zodat de parels en edelstenen door de kamer rolden en Hans gooide er de ene handvol na de andere bij. Daarmee was er aan alle zorgen een eind gekomen en zij leefden te samen in grote vreugde. – Mijn sprookje is uit, daar loopt een muis, wie hem vangt, mag er een grote, grote bontmuts van maken.

Het kan niet uitblijven: de ziel van de vader moet veranderd zijn om de kinderen weer ‘van harte’ te kunnen omhelzen. We lezen dan ook dat de verhardende invloed op zijn ziel – de stiefmoeder – is gestorven, Het moge ook duidelijk zijn dat deze ontwikkeling van de ziel voor ieder rijkdom oplevert. het oude Ik hoeft geen houthakker meer te zijn; vanaf nu kan de fris-willende en opnieuw bezielde mens de groeiende boom van de gouden wijsheid verder leren kennen. 

15-grimm-hans-en-grietje-2

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2399-2249

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/4)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

DE WOLF EN DE ZEVEN GEITJES

Er was eens een oude geit die zeven jonge geitjes had en zij had ze lief zoals een moeder haar kinderen liefheeft. Op een dag wilde zij het bos ingaan om voedsel te halen: zij riep ze alle zeven bij elkaar en zei: ‘Lieve kinderen, ik ga naar het bos, wees op je hoede voor de wolf; als hij binnen komt, dan eet hij jullie allen met huid en haar op. De booswicht vermomt zich vaak, maar aan zijn rauwe stem en zijn zwarte poten kunnen jullie hem meteen herkennen.’ De geitjes zeiden: ‘Lieve moeder, wij zullen goed oppassen, u kunt rustig weggaan.’ Toen mekkerde de oude geit en ging met een gerust hart op pad.

De dieren in de fabels vertonen meestal eigenschappen die we bij de mens ook maar al te goed kennen. In de menskunde van Steiner worden ze toegedicht aan het instinct- drift-begeerteleven, [vanaf 4-1-3] waarmee de dieren al bijna volledig zijn beschreven. We kunnen de dieren zeker ook wel ‘bezield’ noemen, maar we kunnen hun ziel alleen volgen tot in het lichamelijke, niet tot het geestelijke: ze hebben bijv. geen idealen en kunst!

Dit sprookje is een van de eerste waarmee het kleinere kind kan horen over deze driftmatige natuur. 

Niet alleen in de sprookjes van Grimm komt de wolf voor, zoals bijv. ook in Roodkapje, maar o.a. in de Germaanse mythologie in de gedaante van de Fenriswolf. Daar is hij vooral de ‘leugen’wolf. 
Waar je hem aantreft in de beelden, hoort hij vooral bij de donkere machten. Een roofdier met blikkerende tanden, dat leeft van levend vlees dat hij met sluwheid probeert te verschalken. Hij bedreigt in de beelden het leven, ook het innerlijke, van de mens die hij bedreigt en ombrengt.

In een andere bewustzijnsfase doorleefden de mensen deze beelden als waarheid; ze wisten ook van een bestaan van een goddelijke wereld die ze helderziend konden waarnemen. Maar met de verandering van dit bewustzijn dat nu eenmaal plaats moest maken voor een veel intellectualistischer beleven, ging dit gevoel van ingebed zijn in een hogere wereld verloren. De wereld opgeslokt door de (Fenris)wolf. Over bleef de verwarring, de onwaarheid, de leugen, de materiële wereld als enige werkelijkheid waarin geld en macht drijfveren van handelen worden, uitmondend in egoïsme en zelfzucht.

De geit wordt gezien als het symbool voor nieuwsgierigheid. Kleine geitjes zijn nog nieuwsgieriger en lijken daarmee op kinderen die ook een sterke drang hebben hun wereld te onderzoeken. Zou het toeval zijn dat ‘kid’ zowel kind als geitje betekent? Het Duits heeft voor nieuwsgierige kinderen: ‘neugierige Ziegen’ (Ziege = geit)

Het duurde niet lang of er klopte iemand aan de voordeur die riep: ‘Doe open, lieve kinderen, ik ben het, moeder, ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht.’ Maar de geitjes hoorden aan de rauwe stem dat het de wolf was. ‘Wij doen niet open,’ riepen zij, ‘jij bent onze moeder niet, die heeft een zachte liefelijke stem, maar jouw stem is rauw; jij bent de wolf!’ Daarop ging de wolf naar een marskramer en kocht een groot stuk krijt; dat at hij op en daardoor werd zijn stem zacht. Toen kwam hij terug, klopte aan de voordeur en riep: ‘Doe open, lieve kinderen, ik ben het, moeder, ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht.’ Maar de wolf had zijn zwarte poot op de vensterbank gelegd; dat zagen de kinderen en zij riepen: ‘Wij doen niet open, onze moeder heeft geen zwarte poot zoals jij; jij bent de wolf.’ Toen liep de wolf naar een bakker en zei: ‘Ik heb mijn poot gestoten, smeer er eens wat deeg op.’ En toen de bakker zijn poot met deeg had bestreken liep hij naar de molenaar en zei: ‘Strooi wat wit meel op mijn poot.’ De molenaar dacht: De wolf wil iemand bedriegen, en hij weigerde, maar de wolf zei: ‘Als je het niet doet, dan verslind ik je.’ Daarop werd de molenaar bang en maakte de poot wit. Ja, zo zijn de mensen.

Friedel Lenz heeft in haar achtergrondstudie van de antroposofie de zevenvoudige driftnatuur leren kennen met de daarbij behorende zeven organen: de hersenen, de longen, nieren, hart, gal, lever en milt, waar ons gevoelsleven op stoelt, die ze terugziet als de zeven geitjes. 
Als alles harmonisch in je functioneer, voel je je goed, gezond; zo gauw er iets mis is, merk je dat en vaak heeft dat snel een gevolg voor je gevoel(sbelevingen). De Bijbelse uitdrukking ‘het hart en de nieren proeven’, slaat niet zozeer op een orgaanonderzoek, dan wel op hoe het gevoelsleven is dat bij deze organen hoort. Een gevoel kan koud, intellectualistisch zijn, maar ook met hartenwarmte gevuld. De talen bevatten vele uitdrukkingen met de organen i.v.m. een gevoel. ‘Hij heeft iets op z’n lever’, ‘z’n gal loopt over’. 

Nu stapte de booswicht voor de derde maal op de voordeur af, klopte aan en zei: ‘Doe open, kinders, jullie lief moedertje is thuis gekomen en heeft voor jullie allemaal iets meegebracht uit het bos.’ De geitjes riepen: ‘Laat ons eerst je poot zien zodat wij zeker weten dat jij ons lief moedertje bent.’ Daarop legde hij zijn poot op de vensterbank en toen zij zagen dat die wit was, geloofden zij dat alles wat hij zei waar was en deden de deur open. Maar wie kwam daar binnen: de wolf! Zij schrokken en wilden zich verstoppen. Het ene geitje sprong onder de tafel, het tweede in het bed, het derde in de kachel, het vierde de keuken in, het vijfde in de kast, het zesde onder de waskom en het zevende in de kast van de hangklok. Maar de wolf vond ze allemaal en slokte zonder complimenten het ene na het andere door zijn keelgat. Alleen het jongste, dat in de kast van de klok zat, dat vond hij niet. Toen de wolf zijn honger had gestild, maakte hij dat hij weg kwam, ging buiten in de groene wei onder een boom liggen en viel in slaap. Niet lang daarna kwam de oude geit weer terug uit het bos. Ach, wat zij daar te zien kreeg! De voordeur stond wagenwijd open; tafel, stoelen en banken waren omvergegooid, de waskom lag in scherven, dekens en kussens waren uit het bed gerukt. Zij zocht haar kinderen maar zij waren nergens te vinden. Zij riep ze bij hun naam, het ene na het andere, maar niemand antwoordde. Eindelijk, toen zij aan het jongste toe was, riep een zacht stemmetje: ‘Lieve moeder, ik zit in de kast van de klok.’ Zij haalde hem eruit en hij vertelde haar dat de wolf was gekomen en de anderen allemaal had opgegeten. Je kunt je wel voorstellen hoe zij om haar arme kinderen heeft gehuild.

Maar als ‘voor het gevoel’ alles klopt, doen ze de deur open en de onschuldige, reine gevoelens worden een prooi voor de leugengeest. Onschuld, vertrouwen is door het materialisme opgeslokt, in de buik van de wolf, afgesnoerd van het leven dat ze leven. De leugen regeert! De macht van de verleider is groter dan de oude, instinctieve omhulling (van de moedergeit). 
Nu is er nog één geitje over: dat zit in de klok. Daar waar het ritmisch tikt, in het hart’ is nog iets over van het onschuldig reine. Ook wanneer de mens in de meest leugenachtige omstandigheden verkeert, weet hij in zijn hart wat waar en goed is.

Eindelijk liep zij in haar verdriet naar buiten en het jongste geitje liep met haar mee. Toen zij op de weide kwam lag de wolf daar onder een boom en snurkte dat de takken ervan trilden. Zij bekeek hem van alle kanten en zag dat er in zijn opgezette buik iets bewoog en spartelde. O mijn God, dacht zij, zouden mijn arme kinderen, die hij als avondeten heeft opgeslokt, nog in leven zijn? Het geitje moest naar huis lopen en schaar, naald en draad halen. Toen knipte zij het ondier zijn pens open en nauwelijks had zij een knip gedaan, of een geitje stak zijn kop al naar buiten en toen zij verder knipte sprongen zij alle zes na elkaar eruit en zij waren allen nog in leven en hadden zelfs geen schram opgelopen, want het monster had ze in zijn gulzigheid héél naar binnen geslikt. Dat was me een vreugde! Zij omhelsden hun lieve moeder en sprongen als een kleermaker die bruiloft viert. Maar de oude geit zei: ‘Nu moeten jullie veldkeien gaan zoeken en daarmee stoppen wij dan de buik van het goddeloze dier vol, terwijl het nog ligt te slapen.’ Daarop sleepten de zeven geitjes in allerijl keien aan en stopten ze in de buik van de wolf, zoveel zij er maar in konden krijgen. Toen naaide de oude hem zo vlug weer dicht dat hij er niets van merkte en niet eens bewoog.
Toen de wolf eindelijk uitgeslapen was, kwam hij overeind en omdat de stenen in zijn maag hem een geweldige dorst bezorgden, wilde hij naar een bron om te drinken. Maar toen hij zich in beweging zette en daarbij van de ene kant naar de andere liep te slingeren, stootten de keien in zijn buik rammelend tegen elkaar. Toen riep hij uit:

‘Wat hotst en klotst Daar in mijn buik?

Ik dacht dat het zes geitjes waren,

Maar dit zijn keien, hele zware!’

En toen hij bij de bron kwam en zich over het water boog en wilde drinken, trokken de zware keien hem erin en hij moest jammerlijk verdrinken. Toen de zeven geitjes dat zagen, kwamen zij aanhollen en riepen luidkeels: ‘De wolf is dood, de wolf is dood!’, en maakten van vreugde met hun moeder een rondedans om de bron.

De zes andere geitjes leven nu in een duistere wereld, maar het jongste – het ‘hartengeitje’ heeft de mogelijkheid ze te helpen bevrijden en licht te brengen: hij komt met de instrumenten waarmee ze verlost kunnen worden. 
Nu vullen ze zijn buik met stenen. Een steen is wel het duidelijkste beeld voor de grote verharding, voor de materie, het materialisme. In plaats dat de geitjes nu in een donkere wereld moeten leven die van het licht is afgesnoerd en tot de dood moet leiden, wordt de wolf met stenen (i.p.v. ‘brood’) gevuld. Hij ‘versteent’. 
Het water- de bron van het leven – wordt door de wolf nog wel gezocht, maar hij is te ver in het materialisme verzonken geraakt: hij vindt de dood.

Dit sprookje, zegt Lens, is een sprookje van het lot. Het is wellicht het eerste dat we aan de kinderen vertellen.
Het verlies van de paradijselijke onschuld, de geborgenheid en het in aanraking komen met het kwaad wordt in dit sprookje weerspiegeld.

Kinderen voelen onbewust dit verval en de verlossing. 

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2392-2242

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (2-4/25)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van sprookje.
De beeldentaal.
Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boekDie Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

DE STERRENDAALDERS
.

Er was eens een klein meisje. Haar vader en moeder waren gestorven en zij was zo arm dat zij geen kamertje meer had om in te wonen en geen bedje meer om in te slapen en tenslotte helemaal niets meer, behalve de kleren aan haar lijf en een stukje brood in haar hand dat iemand met een medelijdend hart haar had gegeven. Maar zij was vroom en goed en omdat zij zo alleen op de wereld was trok zij – vertrouwend op de goede God – het veld in. Daar ontmoette zij een arme man die zei: ‘Ach, geef mij iets te eten, ik heb zo’n honger.’ Zij gaf hem het hele stukje brood en zei: ‘Moge God het zegenen,’ en ging verder. Toen kwam er een kind dat liep te jammeren en zei: ‘Ik heb het zo koud op mijn hoofd, geef mij iets waarmee ik het kan bedekken.’ Toen zette zij haar mutsje af en gaf dit aan het kind. En toen zij nog een tijdje gelopen had, kwam er weer een kind, en dit kind had geen borstrokje aan en had het koud. Toen gaf zij het kind het hare; en nog een eind verder vroeg er een om een rokje en dat gaf zij toen ook weg. Eindelijk kwam ze in een bos, het was al donker. Toen kwam er nog een en die vroeg om een hemdje en het vrome meisje dacht: De nacht is donker, niemand die je ziet, je kunt je hemd best weggeven, en zij trok het uit en gaf dat ook nog weg. En terwijl zij daar zo stond en helemaal niets meer had, vielen opeens de sterren uit de hemel en dat waren louter klinkende zilveren daalders en hoewel zij juist haar hemdje had weggegeven had zij nu een nieuw aan en dat was van het allerfijnste linnen. Daarin vergaarde zij de daalders en was voor haar hele verdere leven rijk.
.

In dit sprookjes is het meisje een weeskind: vader en moeder zijn gestorven.
De menselijke ziel lijkt op een weeskind als de moederlijke zielenkracht en de vaderlijke geestkracht waaruit de ziel stamt, niet meer achter haar staan, gestorven zijn; het rijke erfdeel dat de mens werd meegegeven is opgebruikt en nu is het gevoel gekomen van geen thuis meer te hebben.
Nu moet de ziel het zelf doen en in de wereld waarin ze moet leven, staat ze hulpeloos en onervaren alleen. Nu moet ze op eigen kracht een thuis vinden, een levensdoel en innerlijke rijkdom.

Dat het kind zo alleen is, wordt nog eens benadrukt door het feit dat ze niets anders heeft dan de kleren die ze draagt en een stukje brood in haar hand. Van thuis uit heeft ze geen voedsel voor de ziel meer meegekregen, ze heeft het zelf niet verworven, maar gekregen van iemand die medelijden met haar voelde. 
Hier zie je al iets van het motief van het sprookje: uit medelijden worden zij die gebrek leiden, gevoed. Onzelfzuchtigheid is het leidende motief.

Als je helemaal niets meer hebt, geen thuis meer, niets meer waar je op terug kan vallen, en je hebt alleen de kleren aan je lijf nog, dan worden die heel belangrijk. Ze bieden bescherming, omhullen je; je zelfgevoel is ervan afhankelijk. 
Ook de ziel heeft een omhulling: de aura. Ieder mens heeft zijn aura. Die kun je niet afleggen of weggeven. Maar wat je denkt, voelt en doet in de wereld, kleurt je aura. Het kan om zegen voor je omgeving gaan, om ingetogenheid en goedheid, het hart kan bewogen zijn door medelijden en liefde.

Dat ‘geven’ een belangrijk motief in dit sprookje is, blijkt uit het feit dat er wel vier keer iets wezenlijks door het meisje wordt geschonken. 
Eerst geeft ze haar brood weg, dat ze zelf ook heeft gekregen. Ze houdt niets voor zichzelf. Het lijkt erop dat ze afstand doet van het laatste dat haar aan de fysieke wereld bindt.
Nu heeft ze alleen haar kleren nog: een muts, een borstrok en een rok die resp. hoofd, romp en ledematen bedekken. En een hemdje!

In een sprookje is de muts, de kap of de hoed vaak een beeld dat te maken heeft met de menselijke voorstellings-, en denkkrachten. In de Duitse uitdrukking ‘ich nehme es auf meine Kappe’ gaat het om de verantwoordelijkheid die je op je neemt. Het gaat om wat jij vindt, om je persoonlijke gedachten. De kap a.h.w. als een afsluiting naar een niet-persoonlijke, hogere wereld, niet die van het hersendenken, maar van het kosmische denken. 
Interessant is eens na te gaan wanneer we ‘de hoed, muts of wat we op het hoofd dragen’, afzetten, afnemen.
De moderne mens heeft deze kap op: in deze tijd van Ik-ontwikkeling zijn velen afgezonderd van een wereld die meer is dan een wereldbeeld dat aan het individuele gedachteleven is gebonden. Op dit ogenblik is het het enige wat het meisje in het sprookje op dit gebied heeft, maar ze doet er afstand van om een ander te helpen.

Wat het gevoelsleven betreft is het bijna net zo. Het gevoelsleven van de moderne mens is persoonlijk en individueel geworden. Voor veel mensen klopt het hart voor: ‘ik vind…of ik vind niet…’ Sympathie en antipathie wisselen elkaar af: we hebben overduidelijk te maken met de middenmens. Op dit ogenblik is het het enige wat het meisje in het sprookje op dit gebied heeft, maar ze doet er afstand van om een ander te helpen: ze geeft haar borstrokje weg.

Het rokje omhult de ledematen. Hier zetelt de wil. We weten in feite niets van de wil. die onttrekt zich aan onze waarneming. We weten dat we iets willen en we gaan eropaf, maar wat er in ons lichaam gebeurt, weten we niet. Onze wil staat in dienst van onszelf; we volgen in zekere zin egoïstisch wat ons drijft. Op dit ogenblik is het het enige wat het meisje in het sprookje op dit gebied heeft, maar ze doet er afstand van om een ander te helpen: ze geeft haar rokje weg.

En dan komt er nóg een kind om hulp vragen. Het meisje heeft nu alleen nog maar een hemdje. In de sprookjes komt het hemdje vaak voor. 
In het hoofd worden de gedachten gevormd – de mens spint daar zijn gedachtedraden – die leven en weven in het onderbewuste verder en vormen een geestelijk omhulsel: dat is het beeld van het hemdje. Dit hemdje geeft het meisje uit medelijden weg. 
Ze geeft alles weg, tot in de levenskrachten toe. 
Maar de plaats van wat ze weggegeven heeft, blijft niet leeg. Er is ruimte gekomen voor iets anders. Je zou kunnen zeggen dat haar denken, voelen en willen een verandering heeft ondergaan. In Steiners mensbeeld kan het Ik voor zo’n verandering zorgen. Haar denken, haar gedachtedraden zijn nu van een ander niveau: het beeld daarvoor is het zuivere linnen: de hoogte vervolmaking van het denken.

Door niet meer gericht te zijn op de aardse wereld, komt ze weer in verbinding met de kosmos; het goud van de wijsheid valt haar ten deel. Van onzelfzuchtigheid, medelijden en liefde word je niet armer, maar die vullen je met morele rijkdom.

Dit sprookje kan uit de kringen van de mystici stammen. Wellicht van Meister Eckehart of Johannes Tauler in de 13e, 14e eeuw. Zij leerden bijv.: ‘Mens, verander; hoe meer je je opoffert, des te rijker word je. ‘

1e klas sprookjes sterrendaalders

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes   Sterrendaalders (153)

.

2384-2235

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (2-4/2)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van de sprookjes.
De beeldentaal.
Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boekDie Bildsprache der Märchen‘.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJE

SNEEUWWITJE

Grimm nr. 53

Het was hartje winter; de sneeuwvlokken dwarrelden als veertjes uit de hemel naar beneden en een koningin zat te naaien bij een venster dat door zwart ebbenhout omlijst was. En toen zij zo zat te naaien en opkeek naar de sneeuw, prikte zij zich met de naald in haar vinger en er vielen drie druppels bloed in de sneeuw. En omdat het rood zo mooi kleurde in de witte sneeuw, dacht zij bij zichzelf: Had ik maar een kindje zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als het hout van het raamkozijn. Spoedig daarop kreeg zij een dochtertje, dat zo wit was als sneeuw, zo rood als bloed en haar haren waren zo zwart als ebbenhout en daarom werd zij Sneeuwwitje genoemd. En toen het kind geboren was, stierf de koningin.

Het sprookje van Sneeuwwitte begint op de plaats waar het sprookje van Doornroosje ophoudt als deze zich prikt.
Opnieuw verlangt de mensenziel (de koningin) ernaar dat er een verandering van het bewustzijn plaatsvindt. Het kindje dat ze graag wil, moet deze keer een kind zijn ‘zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, zo zwart als ebbenhout’. Dit motief duikt op de drie belangrijke plaatsen in het sprookje op.
Waar zit het in de mens als het beeld gegeven wordt: ‘zo wit als sneeuw’.?
Sneeuw dat sterretjes en kristallen vormt, valt uit de hemel naar beneden. Het beeld wijst op het ‘kristalheldere’ denken. En wordt er met ‘zo rood als bloed’ niet gewezen op de omgeving van het hart? Een derde gebied in de mens waarmee deze zich a.h.w. wegcijfert in overgave en offerkracht, in onzelfzuchtige arbeid op aarde, dat vorm moet krijgen zoals het sterke houten kozijn van het raam is; dat moet sterk zijn. De haren van het kindje zijn zwart als ebbenhout. Bij zwartharig moeten we denken aan het feit dat zwartharige mensen meer ijzer in hun bloed hebben, zodat we hier de ‘ijzeren’ wil als het derde element hebben.

Een jaar later nam de koning een andere gemalin. Het was een mooie vrouw, maar zij was trots en verwaand en kon het niet verdragen dat zij door iemand in schoonheid overtroffen zou worden. Zij had een wonderbaarlijke spiegel; als zij daarvoor ging staan en zich erin bekeek, sprak zij:

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

dan antwoordde de spiegel:

‘O koningin, gij zijt de schoonste in het land.’

Dan was zij tevreden, want zij wist dat de spiegel de waarheid sprak.

Sneeuwwitje echter groeide op en werd steeds mooier en toen zij zeven jaar oud was, was zij zo mooi als een heldere dag en mooier dan de koningin zelve. Toen deze op een keer haar spiegel vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

antwoordde deze:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar Sneeuwwitje is duizendmaal schoner dan gij.’

Toen schrok de koningin en werd groen en geel van afgunst. Vanaf dat ogenblik haatte zij het meisje zo, dat haar hart zich in haar lijf omdraaide als zij Sneeuwwitje zag. En de afgunst en hoogmoed woekerden als onkruid in haar hart, waardoor zij geen dag en geen nacht meer rust had. Toen riep zij een jager bij zich en sprak: ‘Breng het kind naar het bos, ik wil het niet meer onder mijn ogen hebben. Je moet het doden en als bewijs de longen en de lever voor mij meebrengen.’ De jager gehoorzaamde en bracht Sneeuwwitje naar buiten en toen hij zijn jachtmes getrokken had en het onschuldige hart van Sneeuwwitje wilde doorsteken, begon zij te schreien en sprak: ‘Ach, beste jager, laat mij toch leven, ik zal het wilde woud inlopen en nooit meer thuis komen.’ En omdat zij zo mooi was, had de jager medelijden en sprak: ‘Loop dan maar vlug weg, arm kind.’ – De wilde dieren zullen je wel gauw verslonden hebben, dacht hij en toch was het een pak van zijn hart dat hij haar niet hoefde te doden. En toen er juist op dat ogenblik een jong wild zwijn langs hem heensprong, stak hij het neer, haalde de longen en de lever eruit en bracht deze als bewijs voor de koningin mee. De kok moest ze met zout koken en de boosaardige vrouw at ze op en dacht dat zij de longen en de lever van Sneeuwwitje gegeten had.

De 13e fee in het sprookje van Doornroosje was dan wel de boze fee, maar zíj bracht de mensenziel verder. Iets dergelijks gebeurt met de boze stiefmoeder die Sneeuwwitje uit het koninkrijk waar de geest thuis is, verdrijft naar het leven op aarde, in het eigen lijf (het dwergenhuis).
Ieder mens weet van zijn eigen boze kant die egoïstisch en jaloers kan zijn.
De stiefmoeder kent de grote spiegel, het wereldoog, dat alles waarneemt. Het weerspiegelt alles voor ons en spreekt er de waarheid over. ‘Iemand een spiegel voorhouden’,  luidt het gezegde. Natuurlijk kun je ook aan ‘zelfbespiegeling’ doen. Vóór de geboorte, na de dood en iedere nacht staat de mens voor zo’n spiegel.
In het sprookje van Sneeuwwitje gaat het steeds om de schoonheid: ‘Wie is de schoonste in het hele land?’ Deze vraag wordt zeven keer herhaald. Wanneer de dwergen Sneeuwwitje slapend in bed aantreffen, roepen ze: O, mijn God, wat is dat een mooi kind!’

Sneeuwwitje is zeven jaar. In deze zeven jaar wordt het geërfde lichaam  door de levenskrachten veranderd in het eigen lichaam. (Na dit proces komen de vormkrachten vrij en kunnen voor het schoolse leren worden gebruikt – zie op deze blog ‘Rudolf Steiner over ontwikkelingsfase 7 – 14 jaar)
Een dergelijke ontwikkeling heeft zich ook voorgedaan in de geschiedenis van de mensheid, zij het in andere tijdsverhoudingen. De vrij gekomen vormkrachten – nog puur en onschuldig – zijn ‘het schoonste in heel het land’. De mens heeft deze groei- en vormkrachten gemeen met het plantenrijk. Daar komt de onbewuste schoonheid het mooist te voorschijn. Het sprookje van Sneeuwwitje schetst hoe deze kracht door het lot van de aarde op een drievoudige manier ‘vergiftigd’ wordt. 
Wie kinderen in hun ontwikkeling begeleidt van hun zevende tot hun veertiende jaar, kan zonder omwegen zien hoe na elkaar het voelen egoïstischer wordt, het denken rationeler. het willen doffer wordt door de aardse drijfveren – zoals bij de ontwikkeling van de mens op aarde.

Doornroosje, Sneeuwwitje en Roodkapje vormen als fundamentele sprookjes een trilogie die alle drie over het lot, het incarneren van het mensenwezen vanuit een geestelijke wereld in het aardse bestaan, berichten.
Doornroosje blijft binnen de werking van de spintol, in het torenkamertje van het slot; Sneeuwwitje woont op aarde in een huis, maar ‘zusterlijk’ verbonden met de wezens van de innerlijke ruimte van de natuur, hier dwergen genoemd. Pas Roodkapje komt vanuit het schemerdonker van het bos naar de lichte weide in het zonlicht van het waakbewustzijn en leeft, door de ‘wolf’ verleid, helemaal in de wereld van de kleurige zintuigindrukken. Bij het sprookje van Sneeuwwitje – de middelste van de drie – gaat het om de omgeving die tussen ‘zo wit als sneeuw’ en ‘zo zwart als ebbenhout’ ligt. 
Het lot van de mensenziel was de weg te gaan van het schouwende bewustzijn van de wereldmachten die twaalfvoudig in de dierenriem verblijven, langs de weg van de zeven planeten tot aan Roodkapje dat sterk op de aarde gericht leeft. 
Alle drie de sprookjes verhalen over het duisterder worden van de kennis, ons sprookje zou anders geen ‘Sneeuwwitje’ heten.
De slaap in het torenkamertje, de glazen kist op de berg, de donkere buik van de wolf laten ons in beelden zien dat deze weg een voortgaande verduistering inhoudt.

Nu was het arme kind moederziel alleen in het grote bos. En zij werd zo bang dat ze naar alle blaadjes van de bomen keek en zich geen raad wist. Toen begon ze te hollen en rende over scherpe stenen en door de doornen en de wilde dieren sprongen langs haar heen, maar deden haar geen kwaad.

Het is moeilijk het aardse lichaam, het dwergenhuis, te vinden en ernaar binnen te gaan. Scherpe stenen en doornen doen de pijn vermoeden. De mensenziel is bang en in ieder kind leeft nog deze angst. Het bos, het rijk van de groeiende levenskracht, is op deze leeftijd nog onschuldig. Daar wonen wel de wilde dieren, maar die doen het zevenjarige kind niets.

Zij holde zolang haar voeten haar maar konden dragen en toen de avond al begon te vallen, zag zij een klein huisje en ging naar binnen om uit te rusten. In het huisje was alles klein, maar zo sierlijk en proper, dat het niet is na te vertellen! Er stond een tafeltje, gedekt met een wit tafellaken en zeven kleine bordjes; bij ieder bordje een lepeltje en verder zeven mesjes en vorkjes en zeven bekertjes. Tegen de muur stonden naast elkaar zeven bedjes met sneeuwwitte lakentjes. Omdat Sneeuwwitje zo’n honger en zo’n dorst had, at zij van ieder bordje een beetje groente en een stukje brood en dronk uit ieder bekertje een druppel wijn, want zij wilde niet van één alles wegnemen. En daarna ging zij, omdat zij zo moe was, in een bedje liggen, maar geen enkel bedje paste, het ene was te lang, het andere te kort, totdat eindelijk het zevende net goed was en daarin bleef zij liggen, zei haar avondgebedje en sliep in.

Toen het helemaal donker was geworden, kwamen de bewoners van het huisje; dat waren de zeven dwergen, die in de bergen hakten en groeven om erts te vinden. Zij staken hun zeven lichtjes aan en toen het nu licht werd in het huisje, zagen zij dat er iemand binnen was geweest, want alles stond niet meer zo netjes op zijn plaats als toen zij van huis waren gegaan. De eerste sprak: ‘Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten?’ De tweede: ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ De derde: ‘Wie heeft er een stukje van mijn broodje genomen?’ De vierde: ‘Wie heeft er van mijn groente gegeten?’ De vijfde: ‘Wie heeft er met mijn vorkje geprikt?’ De zesde: ‘Wie heeft er met mijn mesje gesneden?’ De zevende: ‘Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?’ Toen keek de eerste om zich heen en zag dat er een kuiltje in zijn bed was en sprak: ‘Wie is er in mijn bedje gekropen?’ De anderen kwamen aanlopen en riepen: ‘In mijn bedje heeft ook iemand gelegen.’ Maar toen de zevende in zijn bedje keek, zag hij daar het slapende Sneeuwwitje liggen. Nu riep hij de anderen, die aan kwamen hollen en een kreet van verbazing slaakten. Zij haalden hun zeven lichtjes en lieten die op Sneeuwwitje schijnen. ‘O, mijn God! O, mijn God!’ riepen zij, ‘wat is dat een mooi kind!’ en zij waren zo verheugd, dat zij haar niet wakker maakten, maar haar in het bedje lieten doorslapen. De zevende dwerg echter sliep bij zijn makkers, bij ieder van hen één uur en toen was de nacht om.

Bij Doornroosje ging het om twaalf feeën en twaalf borden. Sneeuwwitje is het sprookje van het getal zeven. (Bij Roodkapje echter, het aardekind, is er geen getal meer).
Het zijn niet alleen zeven dwergen, maar ook zeven voorwerpen, messen, lepels, enz. – en tel maar na – zeven vragen die de dwergen stellen als ze thuiskomen, zeven opdrachten die ze dan aan Sneeuwwitje voor het huishouden geven en zeven keer wordt de vraag gesteld naar de mooiste. Twaalf is het getal van de ruimte (denk aan de dierenriem); zeven echter is het getal van de tijd.
Er wordt meegedeeld en het loont de moeite daarover na te denken, dat de dwergen ’s nachts thuis zijn, maar overdag in de bergen werken. ’s Nachts is de ziel van de mens juist ‘buiten zijn huisje’ (in de slaap is de ziel buiten het lichaam), overdag ermee verbonden. Bij de dwergen is dat andersom. Dat zijn geen mensen. Eén ding is zeker: in het vervolg van het sprookje komt naar voren dat de dwergen leven van wat Sneeuwwitje als voedsel voor hen maakt. Daarmee wordt op vele verborgen dingen gewezen tussen wat zichtbaar en onzichtbaar in het mensenlichaam werkt. De elementairwezens leven van wat de mens overdag in zijn ‘huisje’ doet. 

Sneeuwwitje past in het zevende bedje. Wat is dat voor bijzonder bed? 
Het zevende geitje, het jongste, glipt in de klok die zo regelmatig tikt als een mensenhart klopt. Wie over het zevende bedje wil nadenken, vindt misschien een antwoord in de richting van wat de zevende dwerg vraagt: ‘Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?’

Rudolf Steiner beschrijft hoe de elementairwezens in staat zijn de mens waar te nemen aan zijn individuele fysionomie en gebaren. Hij schetst dat fysionomie en gebaren van de mens naar het meer innerlijke van de natuur overgaan en in het bijzonder door gnomen en undinen worden waargenomen. Omdat het kind met zijn aanvankelijk nog geërfde lichaam tot aan het zevende jaar nog geen individuele gebaren en fysionomie heeft, kunnen de dwergen dat ook niet waarnemen. Dan echter verschijnt het kind wel in een bepaalde volmaakte vorm: ‘O, wat is dat een mooi kind’, roepen ze. Het mensenkind is voor hen een raadsel en ze zijn de mens die hun over de kleine kinderen vertellen kan, zo dankbaar. Op hun beurt vertellen ze sprookjes als tegengeschenk.

In het huis van de dwergen is ‘alles klein, maar zo sierlijk en proper, dat het niet is na te vertellen!’ Zo werd er over het aardse lichaam van de mens gesproken, omdat nog gevoeld werd dat het een kleine afspiegeling is van de grote hemelwereld.

Sneeuwwitje is zeven jaar als ze in het dwergenhuis komt. Ook hier is de vergelijking interessant: Doornroosje heeft zich op haar vijftiende aan de spoel geprikt, Roodkapje is simpelweg een klein, zoet ‘wichtje’.  

Toen de morgen aanbrak, werd Sneeuwwitje wakker en zij schrok toen zij de zeven dwergen zag. Maar zij waren vriendelijk en vroegen: ‘Hoe heet je?’ – ‘Ik heet Sneeuwwitje,’ antwoordde zij. ‘Hoe ben je in ons huis gekomen?’ vroegen de dwergen verder. Toen vertelde zij hun dat haar stiefmoeder haar had willen laten doden, maar de jager had haar leven gespaard en toen had zij de hele dag gelopen totdat zij eindelijk hun huisje had gevonden. De dwergen zeiden: ‘Als je ons huishouden wilt doen, koken, bedden opmaken, wassen, naaien en breien en als je alles netjes en schoon wilt houden, dan kan je bij ons blijven en zal het je aan niets ontbreken.’ – ‘Ja,’ zei Sneeuwwitje, ‘van ganser harte,’ en zij bleef bij hen.

Het had natuurlijk ook een ander antwoord kunnen zijn, maar het luidde: ‘van ganser harte’.

Zij hield voor hen hun huisje in orde: ’s morgens trokken zij de bergen in en zochten naar erts en goud, ’s avonds keerden zij terug en dan moest hun eten klaar staan. Overdag was het meisje alleen en daarom waarschuwden de goede dwergjes haar en spraken: ‘Pas op voor je stiefmoeder, die zal spoedig weten dat je hier bent; laat vooral niemand binnen.’

De koningin echter dacht niet anders dan dat zij weer de eerste en allermooiste was, omdat zij geloofde dat zij de longen en lever van Sneeuwwitje had gegeten. Zij ging voor haar spiegel staan en sprak:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

Toen antwoordde de spiegel:

‘O, koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar Sneeuwwitje over de bergen,
bij de zeven dwergen,
is duizendmaal schoner dan gij.’

Toen schrok zij, want zij wist dat de spiegel nooit onwaarheid sprak, en zij begreep dat de jager haar bedrogen had en dat Sneeuwwitje nog in leven was. En toen peinsde en peinsde zij opnieuw hoe zij haar zou doden, want zolang zij niet de schoonste van het hele land was, liet haar afgunst haar niet met rust. En toen zij eindelijk iets bedacht had, verfde zij haar gezicht, kleedde zich als een oude koopvrouw en was onherkenbaar. In deze gedaante trok zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: ‘Mooie waar te koop! mooie waar te koop!’ Sneeuwwitje keek uit het raam en riep: ‘Dag beste vrouw, wat hebt u te koop?’ -‘Goede waar, mooie waar,’ antwoordde zij, ‘rijgkoorden in alle kleuren’ en zij haalde er eentje te voorschijn, dat van bonte zijde gedraaid was. Deze eerlijke vrouw kan ik wel binnen laten, dacht Sneeuwwitje, schoof de grendel van de deur en kocht het mooie koord. ‘Maar kind,’ zei de oude vrouw, ‘wat zie je eruit! kom, ik zal je eens behoorlijk dichtrijgen.’ Sneeuwwitje vermoedde geen kwaad, ging voor haar staan en liet haar keurslijfje met het nieuwe koord dichtrijgen. Maar de oude vrouw reeg snel en trok toen zo stevig aan, dat Sneeuwwitje geen adem meer kon krijgen en als dood neerviel. ‘Nu ben jij de mooiste geweest,’ sprak de oude en liep snel naar buiten.

Niet lang daarna, tegen het vallen van de avond, kwamen de zeven dwergen thuis, maar wat schrokken zij, toen zij hun lieve Sneeuwwitje op de grond zagen liggen; zij bewoog zich niet, net alsof zij dood was. Zij tilden haar op en omdat zij zagen dat zij te strak geregen was, sneden zij het koord door en daar begon Sneeuwwitje zachtjes te ademen en zij kwam geleidelijk weer tot leven. Toen de dwergen hoorden wat er gebeurd was, spraken zij: ‘Die oude koopvrouw was niemand anders dan de goddeloze koningin: pas goed op en laat geen mens binnen, als wij niet bij je zijn.’

Door zeven hoge bergen gescheiden, in verschillende werelden, leven Sneeuwwitje en de stiefmoeder. Deze verkleedt zich en de mensenziel herkent haar niet, ‘omdat ze ‘onherkenbaar is’.
De dertiende fee in Doornroosje, later de oude spinster in het torenkamertje, wachtte tot de mensenziel naar de hoge toren kwam en zich daar aan de spintol prikte, waardoor een deel van haar krachten in slaap verzonk. 
In de geschiedenis van de mensheid duurde het duizenden jaren, tot het lichaam zo ver tot verharding was gekomen, dat de mensenziel die zich daarvoor nog veel sterker in de kosmos kon beleven, ‘naar het ‘torenkamertje klom’ en daarin opgesloten kon worden. En dan begint m.n. bij deze laatste fase waarbij de mensenziel in het lichaam binnentrok, het inslapen voor het weten van het grootse van het koninklijke thuis. In het sprookje van Sneeuwwitje moeten de machten die willen tegenwerken al naar sterkere middelen grijpen.
Nu gaat de boze stiefmoeder, als een koopvrouw verkleed, over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Drie keer verkleedt de koningin zich, eerst als koopvrouw, dan als ‘een andere oude vrouw’ en ten slotte als boerin. De koopvrouw laat aan Sneeuwwitje de schone schijn, het bontgekleurde, rijgsnoer zien dat glanst als zijde. Muziek en kleur, vooral eigenlijk het mooie waarvan dit sprookje steeds uitgaat, worden weliswaar door oog en oor, maar vooral door het fijnste golven van de ademhaling opgenomen. Daar leeft ook de illusie, het in de war zijn, de verleiding waaraan de mens zo makkelijk ten prooi valt. Door te ademen is de mens met de hele wereld verbonden. De eerste boze daad van de koningin moest het afsnoeren van de mensenziel zijn, het afzonderen van het gevoel van de ruime wereld, verengend tot een eigen-zijn. Juist in het sprookje van Sneeuwwitje dat bijzonder leeft in de sfeer van ‘zo rood als bloed’, kan het niet anders dan dat de boze stiefmoeder haar daden begint in dit midden. Ze beneemt het kind de adem. 

Nu kunnen de dwergen nog helpen, want de stiefmoeder heeft meer een deel van de mensenziel aangevallen.

De boze vrouw echter ging, toen zij thuis gekomen was, voor de spiegel staan en vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

Toen antwoordde die net als altijd:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar Sneeuwwitje over de bergen,
bij de zeven dwergen, is nog duizendmaal schoner dan gij.’

Toen zij dat hoorde schrok zij zó, dat al het bloed naar haar hart stroomde, want zij begreep wel dat Sneeuwwitje weer tot leven gekomen was. ‘Maar nu,’ sprak zij, ‘zal ik iets verzinnen watje zeker in het verderf zal storten’ en zij maakte met heksenkunsten, die zij kende, een vergiftigde kam. Daarna verkleedde zij zich en nam de gedaante aan van een andere oude vrouw. Zo trok zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: ‘Goede waar te koop! goede /waar te koop!’ Sneeuwwitje keek naar buiten en sprak: ‘Loop maar door, ik mag niemand binnen laten’ – ‘Maar je mag toch wel kijken.’, zei de oude vrouw, haalde de vergiftigde kam te voorschijn en hield hem omhoog. Het kind vond deze toen zo mooi, dat zij zich liet verleiden en de deur open deed. Toen zij het eens waren over de koop, zei de oude vrouw: ‘Nu zal ik je eens behoorlijk kammen.!’ Het arme Sneeuwwitje dacht aan geen kwaad en liet de vrouw haar gang gaan, maar nauwelijks had zij de kam in haar haren gestoken of het gif begon te werken en het meisje viel bewusteloos neer. ‘Jij toonbeeld van schoonheid,’ sprak de boosaardige vrouw, ‘nu is het met je gedaan,’ en zij ging weg. Gelukkig echter werd het spoedig avond en kwamen de zeven dwergjes thuis. Toen zij Sneeuwwitje op de grond zagen liggen, verdachten zij onmiddellijk de stiefmoeder hiervan, begonnen te zoeken en vonden de vergiftigde kam. Nauwelijks hadden ze deze eruit getrokken of Sneeuwwitje kwam weer bij bewustzijn en vertelde wat er gebeurd was. Toen waarschuwden zij haar nog eens om op haar hoede te zijn en voor niemand de deur te openen. 

De giftige kam doet denken aan de spintol, zoals die van Doornroosje. Wie met de giftige kam gekamd is, kan niet meer het denken hebben dat ‘zo wit is als sneeuw’ en is niet meer in staat de onzichtbare natuurwezens waar te nemen. Bij de zeven antwoorden van de spiegel zitten er twee die wonderlijk zijn: ‘Koningin, gij zijt de schoonste hier.’ Hoe kan het, zou je kunnen vragen, dat een tegenmacht door de spiegel van de waarheid de schoonste van het land genoemd wordt, terwijl dat in waarheid toch de mensenziel Sneeuwwitje is. Klinkt hier niet doorheen dat de mensenziel op haar onvermijdelijke afdalende en voortgaande weg, op weg is naar de vrijheid en zelfstandigheid? Weliswaar staat er steeds: Gij zijt de schoonste hier ‘, namelijk in het zintuiglijke leven, terwijl Sneeuwwitje in een ander rijk schoon is. In het sprookje van Doornroosje werd verteld dat de boze macht met de stralend mooie, verleidelijke Lucifer te maken heeft. En alleen op deze twee plaatsen, vóór de mensenziel de weg van het levenslot begint en nadat de hele afdaling voltooid is, zegt de spiegel tot haar: ‘Koningin, gij zijt de schoonste hier.’
Maar ook na de vergiftiging door de giftige kam kunnen de dwergen nog een keer helpen. De vraag van de koningin aan de spiegel wordt na deze gebeurtenis met de kam voor de derde keer herhaald. 

De koningin ging thuis voor de spiegel staan en sprak:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

Toen antwoordde deze net als voorheen:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij, maar Sneeuwwitje over de bergen, bij de zeven dwergen, is nog duizendmaal schoner dan gij.’

Toen zij de spiegel dit hoorde zeggen, trilde en beefde zij van woede. ‘Sneeuwwitje moet sterven,’ riep zij uit, ‘al kost het mij mijn eigen leven.’ Daarop trok zij zich terug in een heel verborgen, eenzaam kamertje, waar niemand ooit kwam en maakte daar een zwaar vergiftigde appel. Van buiten zag hij er mooi uit, wit met rode wangen, zodat ieder die hem zag er trek in kreeg; maar wie er één stukje van at moest sterven. Toen de appel klaar was, verfde zij haar gezicht en verkleedde zich als een boerenvrouw! en zo trok zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Zij klopte aan en Sneeuwwitje stak haar hoofd uit het raam en sprak: ‘Ik mag geen mens binnenlaten, de zeven dwergen hebben het mij verboden.’ – ‘Mij best,’ antwoordde de boerin, ‘mijn appels raak ik toch wel kwijt; Hier, eentje zal ik je schenken.’ – ‘Nee,’ sprak Sneeuwwitje, ‘ik mag niets aannemen.’ – ‘Ben je bang voor vergif?’ vroeg de oude vrouw, ‘kijk, ik snijd de appel in twee helften, het rode wangetje eet jij en ik zal het witte eten.’ Maar de appel was zo kunstig gemaakt, dat alleen de rode wang vergiftigd was. Sneeuwwitje kreeg erge trek in die mooie appel en toen zij zag dat de boerin ervan at, kon zij de verleiding niet langer weerstaan, stak haar hand naar buiten en nam de vergiftigde helft aan. Maar nauwelijks had zij er een stukje van in haar mond, of zij viel dood ter aarde. De koningin bekeek haar met huiveringwekkende blikken, begon luid te lachen en sprak: ‘Wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als ebbenhout! Ditmaal kunnen de dwergen je niet meer tot leven wekken.’ En toen zij thuis aan de spiegel vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

antwoordde deze eindelijk:

‘O koningin, gij zijt de schoonste in het hele land.’

Nu had haar jaloerse hart rust, voor zover een jaloers hart rust kan hebben.

Op deze plaats klinken voor de tweede keer, nu uit de mond van de stiefmoeder, de woorden over het oerbeeld van het mensenwezen: ‘Zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, zo zwart als ebbenhout.’
Het sprookje verhaalt van drie grote afsnoeringen van het mensenwezen van het kosmische bewustzijn, tot het geheel aards is en daarmee dood voor alle wezens van geestelijke aard en dat laat de weg zien die de mensheid door duizenden jaren gegaan is en die in het individuele leven van de mens nu plaatsvindt in de tijd tussen het zevende jaar van Sneeuwwitje tot aan de vijftiende verjaardag van Doornroosje. Het wereldomvattende voelen, heeft de mens vroegtijdig verloren; later werden ook de denk- en hoofdkrachten ‘vergiftigd’. En is het niet zo alsof het eten van de giftige appel tegenwoordig, nu de helft van het voedsel met gif zit, helemaal in vervulling laat gaan  wat het profetische beeld van dit sprookje aangeeft? In de voedingsmiddelen zijn krachten werkzaam die de mensenziel van de eigen zielenkracht vervreemdt, die zo zouden kunnen doorwerken dat het menszijn  voor altijd van het geestelijke thuisland vervreemdt. Er vindt nog een intensivering plaats: bij Doornroosje wordt over ‘inslapen’ gesproken, bij Sneeuwwitje over ‘vergiftigen’, over ‘verslinden’ door de wolf in het sprookje van Roodkapje.
De ‘sprookjesdichter’ heeft geen beeld zomaar gekozen. En hier bij de vergiftiging door het gif van de vrucht kan alleen maar de appel die gebeurtenis voorstellen. Het is een sappige vrucht. Bijna alle planten naast de roosachtigen waartoe de appel behoort, hebben droge vruchten waarbij het vruchtbeginsel door licht en warmte groter wordt, rijp en tegelijkertijd droger. Bij de planten met sappige vruchten gebeurt iets wonderbaarlijks, unieks. Het vruchtbeginsel, door licht en warmte ontstaan, zakt in de bloembodem in de stengel, d.w.z. in de sfeer waar van onder naar boven in de plant water en wat de aarde biedt werkzaam zijn. (Dit wordt in de plantkunde het ‘onderstandig’ vruchtbeginsel genoemd en de vrucht een schijnvrucht.) 
De appel heeft als representant van de sappige vruchten, naast een aandeel in licht en warmte dat alle vruchten hebben, ook een aards aandeel. 
Aangezien het bij de verleiding in het Paradijs om een weg gaat naar het aardse, kon als beeld alleen deze vrucht genomen worden. 
Wie een appel beetpakt, voelt dat hij iets hemels en iets aards tegelijk in zijn hand heeft.
Deze samenhang werd in oudere tijden, toen die voor de meeste mensen nog nauwelijks bewust was, altijd gevoeld.
Nu kunnen de dwergen niet meer helpen. Want aan Sneeuwwitje is niets meer heel gebleven van wat zich drievoudig openbaarde: zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, zo zwart als ebbenhout.’

Toen de dwergjes ’s avonds thuis kwamen, vonden zij Sneeuwwitje op de grond liggen en er kwam geen adem meer uit haar mond, en zij was dood. Zij tilden haar op, zochten of zij iets vergiftigs konden vinden, maakten haar keurslijfje los, kamden haar haren, wasten haar met water en wijn, maar het hielp allemaal niets, het lieve kind was dood en bleef dood. Zij legden haar op een baar en gingen er alle zeven omheen zitten en
beweenden haar en zij weenden drie dagen lang. Toen wilden zij haar begraven, maar zij zag er nog zo fris uit als een levend wezen en zij had nog haar mooie rode wangen. Zij spraken: ‘Zo kunnen we haar niet in de zwarte aarde neerlaten,’ en zij lieten een doorzichtige doodkist van glas maken, zodat men haar van alle kanten kon zien, legden haar daarin en schreven met gouden letters haar naam erop en dat zij een koningsdochter was. Toen zetten zij de kist buiten op de berg en steeds bleef er een van hen de wacht bij houden. En ook de dieren kwamen en beweenden Sneeuwwitje, eerst een uil, daarna een raaf en als laatste een duifje.
Nu lag Sneeuwwitje een lange, lange tijd in de kist en verging niet, maar zag eruit alsof zij sliep, want zij was nog zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en haar haren waren zo zwart als ebbenhout.

Voor de derde keer wordt dit nu in het sprookje gezegd.

Dit beeld: Sneeuwwitje in de glazen kist op de berg is het meest schokkende van dit sprookje. Is het niet het juiste beeld van hoe het er nu voor de mensenziel uitziet: Voor de elementairwezens is die dood. Zij kunnen de mensenziel echter wél waarnemen en bewenen het verlies, drie dagen lang. Ze schrijven met gouden letters op de doodskist de wijsheid die de mensen zijn vergeten, dat Sneeuwwitje een koningsdochter is.
De mensenziel blijft echter in leven, want die lag lang in de kist, maar verging niet. Voor de onzichtbare wezens is ze dood. 
Van glas, kwarts, zoals de doodskist worden de instrumenten gebouwd de brillen en microscopen en verrekijkers waarmee de mens steeds dieper van buitenaf door zijn zintuigen in de aardewereld wil doordringen -terwijl hij toch feitelijk slapend in deze doodskist ligt. En de dwergen zijn steeds bij de mensenziel, bewaken de berg en wachten. De hele natuur, hier als uil, raaf en duifje voorgesteld – de zuchtende schepping van Paulus (Rom.8:22) – wacht bij de kist en wacht op het ontwaken van de mensenziel.

Alle sprookjes blikken én terug én verkondigen de toekomst. Zo zijn ze in staat de mens moed in te spreken voor de weg die hij moet gaan. Want op het punt waarop alles ten einde schijn te zijn, komt de redder van de mensenziel die zichzelf alleen niet zou kunnen redden, het dichtst nabij. 
‘Toen de tijd vervuld was’ staat in de bijbel – de tijd is iets heel wezenlijks, die kan ook door de mens niet veranderd worden – verscheen de grote helper van de mensenziel waarmee de oorspronkelijke koninklijke mensenziel was verbonden, in de stroom van het tijdsgebeuren. Zo staat er in Doornroosje: ‘De honderd jaren waren net voorbij.’ Pas dan kan de koningszoon komen.

Toen geschiedde het eens dat er een koningszoon in het bos terecht kwam en bij het dwergenhuis kwam om daar te overnachten. Hij zag op de berg de kist staan, waarin het schone Sneeuwwitje lag en las wat er met gouden letters op geschreven stond. Toen sprak hij tot de dwergen: ‘Sta die kist aan mij af, ik zal ervoor geven wat ge wilt hebben.’ Maar de dwergen antwoordden: ‘Wij geven hem niet voor al het goud van de wereld.’ Toen sprak hij: ‘Schenk hem mij dan, want ik kan niet leven zonder Sneeuwwitje te zien, ik zal haar eren en hoogachten als mijn liefste bezit.’ Toen hij dit zei, kregen de goede dwergjes medelijden met hem en gaven hem de kist. De koningszoon liet deze nu door zijn dienaren op hun schouders wegdragen.

Toen de honderd jaar voorbij was, veranderden de doornen in rozen. Met de kracht van de liefde, de kus, word Doornroosje gewekt. Sneeuwwitje echter wordt door de dienaren van de koning nog dood in haar kist weggedragen van de berg van het heldere denkbewustzijn. En wat is haar hulp?

En toen gebeurde het dat zij struikelden en door de schok schoot het vergiftigde stuk appel dat Sneeuwwitje afgebeten had, uit haar keel. En niet lang daarna opende zij haar ogen, lichtte het deksel van de kist omhoog, en richtte zich op en was weer levend. ‘O God, waar ben ik?’ riep zij uit. De koningszoon zei vol vreugde: ‘Je bent bij mij,’ en hij vertelde wat er was gebeurd en hij sprak: ‘Ik heb je boven alles ter wereld lief, kom met mij mee naar het slot van mijn vader, jij moet mijn gemalin worden.’ Toen kreeg Sneeuwwitje hem lief en ging met hem mee en hun bruiloft werd met grote pracht en praal voorbereid.

De koningszoon komt naar het huisje van de dwergen ‘om er te overnachten’. In de nacht komt de koningszoon pas dichter bij de mensenziel. In de sfeer van het sprookje ‘Sneeuwwitje’ dat ‘zo rood is als bloed’, gaat het alleen om het schenken. Aan deze koningszoon kunnen de dwergen de geliefde doodskist met hun Sneeuwwitje daarin die ze zolang behoed hebben, alleen schenken. 
In ieder sprookje wordt met steeds nieuwe beelden geschetst dat de mensenziel en de mensengeest elkaar zoeken en benaderen. Met de koningszoon is tegelijkertijd de leidsman van alle mensengeesten bedoeld en hij zegt tot de ziel: ‘Ik heb je boven alles ter wereld lief, kom met mij mee naar het slot van mijn vader’.
De dienaren ‘struikelen’. Wat betekent dat? Sneeuwwitje moet in de kist ‘iets schokkends’ doormaken en de schok door het lot en de dienaren van de koning alleen, hebben de kracht de mensenziel die in de doodskist van het verstand ligt, nu te wekken. En nu moet Sneeuwwitje het hare doen. Het stuk appel dat alle wilskrachten verlamde, is weg. Sneeuwwitje moet ‘de ogen openen’, ‘het deksel van de kist omhoog lichten’ en ‘zich oprichten’. Pas als de mensenziel deze daden volbracht heeft, kan de bruiloft gevierd worden.
Hier ontbreekt misschien, zoals dat wel vaker in de sprookjes van Grimm is, een nuance. Het was in zekere zin de laatste kans waarbij de brokstukken van deze waarheidsbeelden zoals die nog in een paar mensen levend in de vorm van sprookjes voortleefden, verzameld en opgeschreven werden, die tot dan toe alleen mondeling doorverteld waren. Daar kan wat aan ontbreken. Zouden de dwergen die de kist en Sneeuwwitje die ze zolang behoedden nu op de berg alleen achterblijven of onderaan de berg, ver van Sneeuwwitje? Nee, de dwergen kunnen meegaan naar de bruiloft van de mensenziel met de koningszoon. Ze gaan mee naar het rijk. Wanneer de mensenziel ‘wakker geworden is’, kunnen de elementairwezens weer deel uit maken van het geestelijke leven van de mensenziel. – Bij roodkapje komt geen koningszoon, maar daar moet de jager komen die zich door ‘trefzekerheid’ en kracht onderscheidt. Hij pakt hier moedig de schaar, een beeld voor de scherp geworden oordeelskracht van een nieuw denken, om Roodkapje uit de duisternis te bevrijden. Roodkapje is helemaal ondergegaan in de zintuiglijke wereld, en verlaat de weg en geeft door haar gedrag de wolf de mogelijkheid die oude, helderziende krachten, grootmoeder, te overmeesteren, als ook Roodkapje zelf.
Door het vergelijken van drie sprookjes zoals dat hier op een paar plaatsen is gedaan, kan pas duidelijk worden wat er in het sprookje op zich, gebeurt. 
Wat je zo uit de beelden kan opmaken, komt overeen met een aanwijzing van Rudolf Steiner dat in Doornroosje, Sneeuwwitje en Roodkapje, sprookjes die je, zoals hij aanraadt, bij elkaar moet houden, over de ontwikkelingen van de ‘gewaarwordingsziel’, de ‘verstands-gemoedsziel’ en de ‘bewustzijnsziel’ in beeld gesproken wordt. Vandaar de drie verschillende beelden, de drie beelden die zich toespitsen. In Doornroosje worden de oude koning en het hele slot ook verlost, in Sneeuwwitje de elementairwezens, in Roodkapje wordt er voor het eerst op gewezen dat de schouwende mensenziel op een hoger niveau weer kan ontstaan. 

Voor het feest werd echter ook de goddeloze stiefmoeder van Sneeuwwitje uitgenodigd. Toen zij mooie kleren had aangetrokken, ging zij voor de spiegel staan en sprak:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

De spiegel antwoordde:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar de jonge koningin is duizendmaal schoner dan gij.’

De spiegel weet van het voortgaan in de bewustzijnsgeschiedenis en van de schoonheid van de jonge nieuwe koningin, de gemetamorfoseerde mensenziel.

Toen stiet de boze vrouw een verwensing uit en zij werd zó bang, zó vreselijk bang, dat zij zich geen raad wist. Zij wilde eerst helemaal niet op de bruiloft komen, maar het liet haar niet met rust, zij moest erheen om de jonge koningin te zien. En toen zij binnentrad, herkende zij Sneeuwwitje en van angst en schrik stond zij als aan de grond genageld en kon zich niet verroeren. Maar er waren reeds ijzeren pantoffels op het kolenvuur gezet en die werden met tangen binnengedragen en voor haar neergezet. Toen moest zij in de rood-gloeiende schoenen stappen en net zolang dansen tot zij dood ter aarde viel.

Ieder sprookje is een deel van het drama van alle menselijke zielenkrachten, In de mens leeft ook de boze koningin met ijdelheid en jaloezie en leugen. Deze zielenkrachten echter moeten worden overwonnen zijn, wanneer de intensivering van de ontwikkeling en de bruiloft van de gelouterde ziel met de koningszoon plaats zal hebben. De ‘brandende eerzucht’, de ‘gloeiende haat’ moeten door de ziel zelf worden vernietigd in het vuur van de loutering.
Wanneer een volwassene de sprookjes aan het kind zo vertelt dat hij de beeldentaal kent, zullen dit soort beelden in het kind geen angst oproepen, maar – het kan het dan wel honderd keer meebeleven – eerder de diepe bevrediging dat het goede overwint en dat het boze aan banden wordt gelegd. 
Aan de jeugd kunnen we zeggen, wanneer we ons in deze beelden hebben verdiept: we leven midden in de belangrijkste verandering in de wereldgeschiedenis. Namelijk op het punt, waarop beeldend gesproken, Doornroosje wordt gewekt, Sneeuwwitje het deksel van de kist oplicht en de jager de buik van de wolf opensnijdt. De neergang is vanzelf gegaan. Voor de terugweg echter moet iedere mensenziel zelf iets doen. De sprookjes spreken van heel nieuwe toekomstwegen.
Het bijzondere van het sprookje van Sneeuwwitje is de zekerheid dat de elementairwezens die duizenden jaren begeleidend en wachtend de mensen hebben gediend, weer aan het geestelijk leven van de mens kunnen deelnemen.

.

Sprookjes: alle artikelen
                                               Van Friedel Lenz: bij 1-3/3;  1-5; 1-6;  3-o e.v.

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sprookjes

.

2374-2225

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/12)

 
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over mensen gaat, is het niet makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. Onze voorstellingen zijn meestal danig gekleurd door wat wij zelf ooit over hen vernamen en de symboliek die hier gebruikt wordt, is vooral ontleend aan het antroposofisch mensbeeld.

De mens als symbool

De mens als geest-zielenwezen doet zich voor als het dubbele wezen van het mannelijk-vrouwelijke: mannelijk de geest, op het denken gericht, onderzoekend en kennend op de wereld gericht; vrouwelijk de ziel, vol toewijding en innigheid, sterk in het voelen en meer in het innerlijk actief levend.
Knaap, jongeling, man en grijsaard zijn ontwikkelingsfasen van de geest.
Meisje, jonge vrouw, vrouw en oude vrouw zijn ontwikkelingsfasen van de ziel.

Geest, ziel en lichaam zijn een eenheid. Het doel van veel sprookjes is, deze eenheid om te werken naar bewuste persoonlijkheid waarbij zowel het geestelijk-mannelijke als ook het zielsmatig vrouwelijke tot op het hoogste niveau worden ontwikkeld.
Wordt  het Ik – de zoon – een onzelfzuchtig, liefhebbend, bezield Ik, dan wordt het geestelijk-denkend mannelijke tot het eeuwig-mannelijke. Wordt de ziel – de dochter – een onzelfzuchtige, liefhebbende, doorgeestelijkte ziel, dan wordt het zielsmatig-vrouwelijke tot eeuwig-vrouwelijke.

Bruiloft

Het één worden van geest en ziel komt in het beeld van de bruiloft naar voren. Wanneer de Ik-wording in de hoogste zin is bereikt, wordt deze voorgesteld als de koninklijke bruiloft (ook in het evangelie). We herkennen in onze sprookjes, in de taal van de middeleeuwen de mystieke en chymische bruiloft. 
Als het sprookje loutering en verandering van de ziel schetst door naar de bruidegom-geest te verwijzen (naar de zoon) herkennen we de beelden van de mystieke bruiloft. Laat het sprookje beelden van een scholing zien, die niet allen de ziel verandert, maar ook het lichaam tot in de aanleg, dan duiden die beelden op een chymische bruiloft. 

Dochter

Staat voor een fase van de ziel.

Het beeld van de persoonlijke, met ik-verwante ziel die vrij wordt. Als het sprookje over de ‘enige’ dochter spreekt, wordt de individuele ziel zelf bedoeld.
Naast het beeld van de drie zonen die het geestelijke proces van individu-wording schetst, staat het beeld van de drie dochters, de drie zusters. Het is de tegenhanger van het bovengenoemde proces van individu worden, maar nu voor de ziel; de ziel die tot Ik-kwaliteit in denken, voelen en willen komt.

Grijsaard

Een ontwikkelingsfase van de geest

Jongeling

De jongeling is de volwassen wordende mens in zijn ontwikkeling een persoonlijkheid te worden

Jonge vrouw, jonkvrouw

Het beeld voor de ziel die geestelijk rijper wordt.

Knaap

Staat voor de nog jonge, naïeve mens, ook voor de wordende wil.

Man

Staat voor de rijpe persoonlijkheid.

Meisje

Het kleine meisje staat voor de nog jonge, naïeve ziel, ook voor het nog kinderlijke gevoel.

Moeder

Staat voor een fase van de ziel.

De moeder is het zinnebeeld voor de ziel, die de mens als oeraanleg is gegeven. Ook deze was vroeger sterk afhankelijk van de bloedsbanden en het stamverband, was veel meer nog groepsziel dan individuele ziel.

Oude man

Heeft een bijzonder rijk intuïtief weten.

Oude vrouw = oude man

Stiefmoeder

De stiefmoeder, letterlijk de ‘stijve’ moeder staat voor het verhardende, materialistische en egoïstische van de ziel. Soms doet ze zich voor in de gedaante van een heks: onder invloed van demonische toverkunst wordt ze een verleidster die de mens betovert met atavistische pseudowijsheid.

Vader

Staat voor de oude, uit oertijden stammende mens, het Zelf. Voor zich de vrije persoonlijkheid vormde, leefde dit Zelf nog in de bloedsbanden, de stam. Daarom wordt de vader in veel sprookjes verlaten.

Vader

Staat voor een fase van de geest.

Voorvader = oude man

Voormoeder = oude man

Vrouw

De wetende, ervaren ziel.

Zoon 

Staat voor een fase van de geest.

Betekent ook de vrije persoonlijkheid, die weggroeit van het Zelf van de stam: het Ik. De zoon moet de wereld in – hij moet de wereld leren zien – hij moet opgaven uitvoeren en proeven doorstaan, ervaringen opdoen, het rijk van de ziel vinden, met de jonge-(jonk)vrouw trouwen. Modern gesproken: het Ik moet een hoger Ik worden en een sterkere ziel.
Vaak is in de sprookjes sprake van drie zonen, drie broers. Het tot ontwikkeling komen van de vrije persoonlijkheid nam in de mensheid een bepaalde tijd in beslag, zoals die ook in de mens een langere tijd nodig heeft. Allereerst begon het individueel worden in het gevoelsleven. De gewaarwordende, voelende mens is de eerste zoon en broer – het Ik in het voelen. Dan wordt het denken gevormd. De verstandig-denkende mens is de tweede zoon en broer – het Ik in het denken. De willende mens is de derde en jongste zoon en broer – het Ik in de wil.
Bij ieder mens spelen deze drie basiskrachten door elkaar heen, ze werken samen, soms tegen elkaar in, tot de jongste, de willende geest, de leiding neemt.

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2360-2213

..

.

 

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/11)

.

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over elementairwezens gaat, is het niet makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. Onze voorstellingen zijn meestal danig gekleurd door wat wij zelf ooit over hen vernamen.
Maar misschien gaan ze vanuit dit bezig-zijn hun eigen taal spreken; brengen ze je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een reus betekent dit, een dwerg betekent dat.

ELEMENTAIRWEZENS IN MENSELIJKE GESTALTE

Dwerg

In de op een mens lijkende gedaante komen in de sprookjesbeelden de dwergen voor. Zij zijn de imaginaties van dat elementaire geestelijke deel dat als aarde-verstand, als intelligentie van het aardse werkzaam is. Hun grote verstand vindt uitdrukking in hun grote hoofd, hun leeftijd in baard en gezicht.
Hun muts die ze meestal dragen wil zeggen dat zij zich naar boven afsluiten en dat dit verstand naar onder, op het aardse gericht blijft. Als elementairwezens houden ze zich op in het gesteente en in de metalen van de aarde, maar ook in het wortelstelsel van de plant die met de aarde in de stofwisseling verbonden is. Omdat de mens met zijn lichaam deel heeft aan de aardenatuur, komen de dwergen ook met de mens in aanraking.

Elf

De elfen zijn imaginaties van de in de plantenwereld werkende elementaire krachten.

Fee

De feeën daarentegen duiden meer op het luchtelement, zijn beelden van kosmische krachten.

Nix

Watergeest, waternimf zie: undine.

Reus

Reuzen zijn het beeld voor ongeremde, onbeheerste natuurkracht, die zich machtig, maar zinloos uiten. Daarom worden ze als groot en dom afgeschilderd. De ongetemde krachten van de lichaamsnatuur van de mens kunnen als reuzen ervaren worden. De ‘wilde man’ was honderden jaren het symbool van deze kant van de mens.

Undine (vrouwelijke watergeest)

Innerlijke, waar-droomachtige ervaring van de waterwereld, elementair wezen van het water.

Waterman/vrouw

Zie undine

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2358-2211

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/10)

 
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over vogels gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een adelaar betekent dit, een zwaan betekent dat.

VOGELS

Luchtvogels

Hun element is het rijk van de lucht.  Grieks voor lucht is ‘pneuma’ en dat betekent ook ‘geest’. Deze dubbele betekenis van het woord verwijst naar het beeld: zoals de vogel naar de lucht opstijgt, zo stijgt de gedachte op naar het rijk van de geest. We spreken over een ‘geestelijk hoge vlucht’, van een ‘hoge’ gedachtegang’.
In het Duits kan je zeggen voor iemand met te hoogdravende gedachten: ‘Jemand hat ein Vogel’ – iemand heeft een vogel’. Nederlands wellicht: ‘heeft het hoog in zijn bol’. Of ‘ziet ze vliegen’.

Adelaar

Een beeld van een zeer hoge geestelijke vlucht. Wordt graag genomen als hoofdmotief in een wapen (vgl. de Horus-valk boven het hoofd van de farao; de veren hoofdtooi bij de Indianen.

Duif

Voor de ornithologen is ze een soort samenraapsel van de hele vogelwereld; ze verenigt in zich de hoender- of loopvogels, de vliegvogels en door haar buitengewone mogelijkheid van stemvariatie, de zangvogel. In haar verenkleed zijn symbolische getalsverhoudingen verwerkt: 10 slagpennen, 10 armpennen, 12 staartpennen. Hun buitengewone hoge vlucht, de pracht van de dalende vleugels – let eens op de vormen van een vlucht duiven – maken de duif tot het symbool van iets hoog geestelijks dat naar ons toekomt.

Ekster zie kraai

Haan

Beeld voor ons lagere Ik.

Havik

Deze is beeld voor de ‘aanstormende’ gedachten, i.t.t. de meer opstijgende gedachten in het beeld van adelaar en valk.

Kraai

De kraai duidt op heimelijke, achterbakse gedachten, op het armer worden van de geest. Ook de ekster geldt in een bepaalde samenhang als een slecht beeld, vooral in  Russische sprookjes. Maar de ekster wordt met het oog op de zwart-witte kleur, beeld voor de verbinding van twee werelden, de bovenzintuiglijk witte en de zintuiglijk donkere. De ekster verschijnt als een belangrijke ‘zielen’vogel.
Wolfram von Eschenbach plaats hem aan het begin van zijn Parzival.

Leeuwerik

Zoals deze vogel opstijgt en onvermoeibaar zijn gezang laat horen, staat hij in het sprookje voor de omhoog strevende innerlijkheid en vroomheid. Het oude Duitse woord ‘Löweneckerchen’, in het Nederlands ‘leuwer’ wijst erop dat de moed van het hart – leeuw – en omhoogstrevende vroomheid één moeten zijn.

Nachtegaal

Gedurende de nacht, de tijd van de dromen, zingt ze haar gevoelvolle mooie lied. Dit beeld duidt op onbewust dromend beleven, dat wonderlijk kan zijn, maar bij een omfloerste waarneming ook gevaarlijk.

Pauw

Met zijn vele ‘ogen’ op zijn uitgespreide veren is de pauw het symbool van het hoger waarnemen, de imaginatie. (Vgl. de pauw op oude mozaïeken, ook de betekenis ‘pauwentroon’. Dat de pauw ook ijdelheid betekent, is een bedachte allegorie.

Raaf

Ernstig en waardig schrijdt de glanzend-zwarte vogel voorbij en ziet eruit als een bezonnen geleerde. 
Hugin en Munin – verstand  en geheugen – heetten de raven bij Odin, zij waren zijn boodschappers: beeld van instinctief geestelijke krachten die de volksgeest met het volk verbonden. Met het toenemend zelfstandiger worden van het volk, de scheiding van de goddelijke wereld, moest Odin vrezen dat de raven niet meer naar hem terug zouden keren, omdat de verhouding tussen de zichtbare wereld en de geestwereld verduisterd werd. Deze verduistering kan ook plaats vinden in het innerlijk van de mens; de raaf werd tot symbool van een wijsheid die verduisterd werd. 

Valk zie adelaar

Watervogels

Watervogels zijn in staat om te zwemmen, te duiken, te grondelen of zich in de lucht te verheffen, waarbij ze dikwijls grote afstanden afleggen. Duidt het luchtelement enerzijds op iets geestelijks, het water is het beeld voor de veranderende, op en neer golvende, onbestendige wereld van de ziel. 

Eend

Op het water zijn haar bewegingen harmonieus, maar op het land maakt ze een onbeholpen indruk. Zo werd ze tot symbool voor het vermogen zich in de veranderlijke wereld van de gevoelens met zekerheid en harmonieus te bewegen, dus de zielenwereld te beheersen. Nu nog vaak een symbool in het Oosten en het Verre Oosten.

Gans

Ganzen zijn niet zo gemakkelijk te hoeden, zij lopen voortdurend in alle richtingen. 
Ook onze zintuigen zijn moeilijk te ‘hoeden’. Onberekenbaar op de buitenwereld gericht, is het nodig ze vanuit het innerlijk ‘bij elkaar te houden’. Een leidend motief van ridders en troubadours luidt: ‘Hoed je zintuigen’; het Duitse sprookje zegt: ‘Hoed je ganzen’.

Zwaan 

Een instinctieve, reine, zeer verborgen kracht die zich vooral in de ziel beweegt, maar ook in staat is tot een hoge vlucht, dus in staat zich te verheffen tot het geestelijke.
Beeldende taal: Duits ‘Es schwant mir’ – ik heb een voorgevoel.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelenwaaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2357-2210

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14/2)

.

Elisabeth von Thüringen

Koning Adreas en zijn gemalin Gertud van Hongarije moesten lang wachten tot er bij hen een dochtertje werd geboren.
Zij gaven haar de naam Elisabeth.

Zij was zo’n allerliefst blij meisje, dat haar ouders vaak dachten dat er een engeltje aan hun voeten zat te spelen en te praten.
Het liefst was ze in de slotkapel en ze verbaasde zich over de gekleurde ramen. Op een keer klom ze de kansel op, zong en juichte, zodat de geschrokken kinderjuffrouw het meisje naar buiten droeg. Maar vaak ging ze stilletjes alleen de kerk binnen. Dan pakte ze het gebedenboek van de priester. Ze hield het vaak ondersteboven vast, omdat ze nog niet kon lezen, maar ze bad en zong eruit, zoals de priester deed, alleen veel helderder en harder. De houten en stenen beelden van de ernstige apostelen zouden zeker een glimlach om de mond hebben gekregen als dat zou hebben gekund.

In deze tijd leefde een landgraaf die Hermann van Thüringen heette. Zijn zoon Lodewijk was een paar jaar ouder dan de kleine Elisabeth. De landgraaf dacht bij zichzelf: ‘De dochter van de machtige koning van Hongarije zou de juiste bruid zijn voor mijn zoon Lodewijk. Om er zeker van te zijn dat zij zijn bruid en latere vrouw wordt, zouden beide kinderen zich nu maar alvast moeten verloven.’

Hij stuurde dit voorstel met prachtige geschenken met vorstelijke huwelijksbemiddelaars naar koning Andreas van Hongarije. Hij kon het er mee eens zijn dat zijn dochtertje naar het prachtige slot Wartburg in het rijke land van Thüringen ging.
En zo groeiden de twee vorstenkinderen in vriendschap op, als waren ze broer en zus. Ze waren zeer op elkaar gesteld.

Toen Elisabeth zeven jaar was, stierf haar moeder. Maar vanaf dat ogenblik verscheen zij als beschermende engel vaak in haar dromen of wanneer ze in stil gebed verzonken was.

Niet lang daarna stierf ook de vader van Lodewijk, de graaf van de Wartburg. Nu stonden de kinderen alleen onder het gezag van de strenge moeder van Lodewijk, landgravin Sofie. Die zag niet graag dat Elisabeth tegen alle mensen, ja ook de meiden en knechten van het slot, aardig en vriendelijk deed.
Telkens als ze naar de kerk gingen, hing Sofie Elisabeth een gouden ketting om. Heel vaak drukte ze haar ook een gouden kroontje met edelstenen op haar hoofd. Elisabeth moest handschoenen dragen. Een bediende droeg fluwelen kussens de kerk in waarop de edelvrouwen en Elisabeth konden knielen. Maar zodra het meisje in de kerk kwam, trok ze haar handschoenen uit. Die deed ze met de ketting en de kroon in haar handtasje. Tijdens de dienst knielde ze naast het fluwelen kussen op de harde vloer. Daar ergerde de trotse vrouwe Sofie zich aan en ze verweet Elisabeth dat ze dit deed: ‘Je moet niet als een gewone meid knielen en waarom doe je die prachtige sieraden af?’
Elisabeth antwoordde: ‘Wees niet boos op mij, lieve moeder! Voor Christus zijn alle mensen gelijk.’
Toen wendde vrouwe Sofie zich tot haar zoon, de bruidegom van Elisabeth en zei: ‘Je moet haar verbieden zo alledaags te doen!’
Maar Lodewijk antwoordde: ‘Laat Elisabeth toch begaan! Ik ken geen beter hart dan dat van haar en ze is mooi en waardig zoals ze is, ook zonder goud en edelstenen.’
Toen kon moeder Sofie niets meer zeggen. Maar voor haar zoon had ze graag een andere bruid gezocht.

Op een keer roerde ze aan of Lodewijk nu echt Elisabeth als bruid wilde houden. Toen wees hij op een berg en zei: ‘Ook al was die berg van goud en men zou mij die aanbieden, dan zou ik Elisabeth daar niet voor geven.’

Bij hun bruiloft werden er drie dagen lang ridderspelen gehouden en er waren allerlei feestelijkheden. Lodewijk leidde Elisabeth naar het altaar. Vanaf die tijd woonde het jonge paar in innige liefde voor elkaar op de Wartburg. Uit liefde voor Elisabeth liet Lodewijk een rozentuin aanleggen.
Vaak reden ze samen door het land om het leven van de mensen daar te leren kennen. Waar Elisabeth nood en zorgen aantrof, bood ze hulp aan.
Ze kregen drie kinderen, een zoon en twee dochtertjes.

Op lange winteravonden spon de jonge gravin garen met de bediendes van het slot. Als er doeken van waren geweven, schonk ze die aan de arme mensen zodat die zich beter konden kleden.
Van een rondtrekkende geneesheer die een tijd aan het hof verbleef, leerde Elisabeth veel over de geneeskunst. Met de dienstmeisjes verzamelde ze geneeskrachtige kruiden, leerde wonden behandelen en koortsige ziekten verzachten. Voortaan ging ze ook met de meisjes naar de dorpen om de zieken te helpen. Geven en helpen waren haar grootste vreugde. Er ging geen dag voorbij of ze gaf voedsel aan wie honger had en ze lenigde vele noden.

Af en toe, wanneer moeder Sofie haar zoon Lodewijk zag, zeurde ze hem aan zijn hoofd: ‘Die Elisabeth verspilt je bezit! Wanneer dit zo doorgaat, kun je op zekere dag je slot verkopen!’
Maar Lodewijk liet zich niet gek maken. Hij hield Elisabeth alleen voor dat ze de ontvangers van haar gaven goed zou moeten kennen, want er zat ook bedelvolk bij dat te lui was om te werken.

Op een dak kwam Elisabeth van de berg naar beneden gelopen. In haar schort droeg ze broden mee die ze wilde uitdelen. Toen kwam haar gemaal te paard naar boven gereden. Hij vroeg: ‘Elisabeth, wat heb je daar in je schort? Zij antwoordde glimlachend: ‘Rozen voor de armen!’ en ze opende haar schort. Graaf Lodewijk knikte haar toe; want hij begreep de strekking van haar woorden.

Steeds vaker moest de landgraaf voor langere tijd op reis. Toen hij op een keer thuiskwam, liep zijn moeder Sofie hem tegemoet en klaagde: ‘Die Elisabeth heeft een vreemde kerel in haar woning genomen; van die houdt ze misschien wel meer dan van jou!’
Toen Lodewijk zijn gemalin begroette, vroeg hij haar naar de vreemdeling. Elisabeth liet hem daarop een melaatse man zien die zij op een bed had gelegd en wiens wonden al begonnen te genezen. De landgraaf sprak tot de zieke: ‘Een betere verpleging kun je niet krijgen. Wees welkom in mijn huis!’

Toen werd het land getroffen door een ernstige misoogst. De prijzen gingen omhoog en alle voedsel werd schaars. Graaf Lodewijk moest daarom een lange reis ondernemen naar ver weg gelegen streken. Daar hoopte hij graan te kunnen kopen voor zijn land.
Toen er iedere dag veel hongerlijders naar de Wartburg kwamen lopen, opende Elisabeth de voorraadkamers en opslagruimten. Dag voor dag ontvingen honderden mensen voedsel van haar. Omdat de voorraden niet groot genoeg waren, verkocht zij haar kostbare sieraden uit Hongarije en een groot aantal boerderijen met land en bijgebouwen.

Toen de landgraaf weer thuiskwam, beklaagde zijn moeder Sofie zich opnieuw over de verkwisterin die zoveel goederen verkocht had. Toen antwoordde Lodewijk: ‘Als ze maar niet de Wartburg verkoopt, zolang vind ik het goed.’

De jaren gingen voorbij. Toen besloot graaf Lodewijk met keizer Frederik ll een reis naar het heilige land te maken. Elisabeth wist van de gevaren van een kruistocht. Ze was bang voor wat er met haar en de kinderen zou gebeuren, als ze alleen achter zou blijven. Desondanks zei ze tegen Lodewijk: ‘Ga in Christus’ naam: ook ik zal mijn kruis dragen.’

Opdat het land Thüringen tijdens de afwezigheid van de graaf niet zonder heer zou achterblijven, benoemde Lodewijk zijn jongere broer Hendrik als plaatsvervanger. Hij moest zweren Elisabeth, de kinderen en het land te beschermen. Voor het afscheid schoof Lodewijk een ring met een blauwe edelsteen aan de vinger van zijn echtgenote. Toen Elisabeth haar echtgenoot in de verte zag verdwijnen, kreeg ze een voorgevoel dat zij elkaar op aarde niet meer zouden terugzien. En dat was zo.

Een paar maanden na het afscheid van Lodewijk was er een teken. Toen Elisabeth bij het slapengaan haar handen vouwde om te bidden, merkte ze tot haar schrik dat de blauwe steen uit de ring was gevallen. Hoe er ook werd gezocht, die was nergens meer te vinden.
Toen kwam de droevige boodschap dat graaf Lodewijk aan een verraderlijke ziekte was gestorven. Het bleek dat hij op dezelfde dag was overleden waarop zij de steen was verloren. Elisabeths hart was diep bedroefd en leed.

Hendrik, de jongere broer van Lodewijk, luisterde naar slechte raad. Hij geloofde, nu zijn broer dood was, dat hij zich niet meer aan zijn belofte hoefde te houden. Elisabeth werd aangeklaagd dat ze de goederen van de graaf verkwanseld had. Midden in de winter werd ze gedwongen om de Wartburg met haar kinderen te verlaten. Het werd haar verboden ook maar in de buurt te komen. Dagenlang was Elisabeth met haar kinderen op de vlucht. Een poosje mocht ze bij mensen die medelijden met haar hadden, in de schuur blijven; met de kinderen sliep ze op een bed van stro. Nu was de armoede haar zuster geworden. Nu moest ze de laatste gouden ring die ze had, verkopen. Toen trok ze bedelend met haar kinderen van deur naar deur. Uiteindelijk nam een verwant van haar, de bisschop van Bamberg de verdrevene op en gaf haar een woonplaats in slot Bodenstein.

Een jaar later kwamen de ridders van Thüringen die met Lodewijk meegetrokken waren, van de kruistocht terug. Ze vernamen in wat voor ellende Elisabeth en de kinderen terecht waren gekomen door de eedbreuk van graaf Hendrik. Ze pakten hem streng aan. Hij moest het erfdeel van Elisabeth afstaan en haar haar rechten teruggeven. Elisabeth nam het aan zodat ze weer goed zou kunnen doen. In de stad Marburg liet ze een ziekenhuis bouwen. Als moeder van de zieken diende ze hier voortaan als een eenvoudige helpster.

Elisabeth had haar vader, de koning van Hongarije, niet op de hoogte gesteld dat ze was verdreven. Maar langs omwegen had hij toch gehoord van de dood van haar gemaal Lodewijk. Hij zond nu graaf Panyas uit om over de lotgevallen van zijn dochter te vernemen. De graaf vond haar in haar ziekenhuis gekleed als een dienster, terwijl ze wol zat te spinnen. Graaf Panyas zei tegen haar: ‘Nooit is er een koningsdochter gezien die in zulke armoedige kleren wol zat te spinnen. Dat zal uw vader verdriet doen.’
Elisabeth antwoordde: ‘Ik ben een eenvoudig mensenkind en zou graag een kind van God worden.’
De graaf probeerde haar over te halen: ‘Elisabeth, kom met uw kinderen naar Hongarije terug naar het huis van uw vader. ‘Zij antwoordde: ‘Hier, waar ik God en de mensen kan dienen, is mijn vaderhuis.’

En Elisabeth bleef bij de armen en zieken in Marburg. Maar de vlam van het leven had in haar zo krachtig en snel gebrand, dat zij jong, al met vierentwintig jaar, gestorven is. Haar lichaam werd op de vierde dag na haar dood nog helemaal fris en onaangedaan in Marburg in het graf gelegd. Op die plaats bouwde men ter herinnering de Elisabeth-kerk. Vanaf die tijd maakten de mensen een pelgrimstocht naar haar graf en nog altijd klinkt haar naam door in de harten van mensen.

.

Naar het verhaal van Jakob Streit*

Elisabeth en Lodewijk in het huwelijksbed
Op de Wartburg (2020)

Elisabeth van Thüringen op deze blog

Elisabeth von Thüringenmeer

*De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstofalle artikelen

Alle biografieën

.

2347-2202

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/9)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over dieren gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een paard betekent dit, een kikker betekent dat.

9. DIEREN

Dieren zijn zinnebeelden van onze driften en instincten. Als een mens in een dier wordt veranderd, dan betekent dit een wegzinken van een typisch menselijke kracht zoals het verstand naar het dierlijke, animale niveau. 
Wanneer een dier echter mens wordt, vind het omgekeerde proces plaats: uit een zuiver instinctief, driftmatig beleven. wordt bewust het leven van ziel en geest ontwikkeld
Sprekende dieren in de sprookjes duiden erop dat ook in de driften een grote mogelijkheid tot uitdrukken gegeven is.

a] Veld- en bosdieren

Beer

Aan de ene kant zijn logge, zware lichaam, aan de andere kant een bepaalde souplesse die bij het rechtop gaan en dansen een merkwaardige gelijkenis vertoont van iets van de mens; zijn doffe slaperigheid samen met de plotselinge wakkerheid, maken hem in negatieve zin tot het beeld van de zwaarte, ook van de doffe hartstochten die ons voortdurend wegtrekken naar het aardse en ons daaraan willen binden, zodat het elan en de beweeglijkheid van de geest tekortschieten en het zich kunnen oprichten zoals dat bij het echte mens-zijn hoort, niet actief kan worden. Het diersymbool dat het vaakst voorkomt in Russische sprookjes.
In positieve zin kan echter deze zelfde kracht op aarde een uitstekende ijver worden, rechtschapenheid, trouw aan alles wat normaal, natuurlijk doen is. Geliefd dier op wapens.

Bij

Zij verandert de fijnste plantensubstanties in het zonnevoedsel van de honing. Ze leeft niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een bijenvolk. Leven en activiteit vindt plaats onder de heerschappij van de zon. Het geslachtelijke concentreert zich op de koningin. De bijen staan voor het onegoïstisch samenleven.

Egel

Hij kan zich tot een bolletje oprollen en zich weer strekken. In geestelijke betekenis is zich tot bol maken, de kosmos begrijpen, als een innerlijke eenheid begrijpen. Zich weer strekken betekent: op het volgende ogenblik weer in de normale bewustzijnstoestand verkeren. In de middeleeuwen gold hij als symbool voor de ingewijde.

Haas

Hij is een planteneter, doet geen enkel ander dier kwaad, hij is het meest vervolgde dier van allemaal. Als een haas door honden opgejaagd wordt en niet meer verder kan, trekt een andere de aandacht van de honden naar zich toe en redt de haas die achtervolgd werd. Zo werd de haas het waarachtige beeld van het instinctieve, onegoïstische Ik dat niemand kwaad doet, zelf door egoïsten achtervolgd, zich inzettend voor zijn broeder.

Hert

Het gewei is van oorsprong geen bot en geen hoorn, maar een bloedvatenstelsel. Dat hij zijn bloed boven zichzelf kan opheffen en juist boven zijn kop waarin de afbouwkrachten de overhand hebben, maakt hem tot beeld van het omhoog-strevende. In vele sagen wordt over dit als realiteit beleefde beeld gesproken. Het stichten van sommige kloosters gaat erop terug, verg. het witte of het gouden hert, het hert van Sint-Hubertus. 

Leeuw

Zijn machtig ontwikkelde kop en borst waarin alle uitdrukkingskracht geconcentreerd is, zijn dapperheid en kracht die ieder ogenblik tot een sprong kan worden, maken hem tot symbool van hartenmoed en hartenkoenheid, maar ook van doldriestheid en overmoed.

Muis

Niet voor niets noemt Goethe in zijn ‘Faust’ Mefisto de heer van ratten en muizen. Het knagen en woelen van de muis in de aarde, het spookachtige heen-en-weer roetsjen, tevoorschijn komen en verdwijnen hebben iets onheilspellends. Het maakt hem tot beeld van het eenzijdig gevangen zitten in het aardse, dikwijls verwant aan duivelse krachten. Dit gevangen gebonden-zijn aan het aardse kan echter ook als positieve eigenschap het muisje tot helper maken. 

Mier

Die leeft helemaal op de aardebodem gericht; ze bouwt haar mierenhoop op uit aarde en plantenresten, zodat ze hoofdzakelijk werkt met ‘dode’ materie. Bij de Ouden was haar ijver al spreekwoordelijk. Deze eigenschap is het ook die in de sprookjes tot symbool wordt voor de op de aarde gerichte ijver.

Panter = tijger

Ree

Met de ree verbinden wij het schuwe, het vluchtige en het ronddwalende. Zo is de ree ook in het sprookje het beeld van een doelloos, gedwongen dwalen, een zoeken zonder plan dat in overmaat de mens rusteloos en oppervlakkig maakt.

Slang

Het meest komt de slang voor als de verleidende macht, zoals in het scheppingsverhaal. Daar is ze het beeld van de begeertenatuur. In het beeld van de witte slang vertoont zich de levenskracht die onschuldig is gebleven. De slang is een dier dat het vermogen heeft, zich steeds weer in een nieuw vel te vertonen en op deze manier zich te vernieuwen. Zo wordt ze sinds de oudste tijden in de mythen en sprookjes van vrijwel alle volkeren tot beeld van zich vernieuwende krachten.

Tijger

Tijger en panter bespringen hun prooi, verscheuren die en vreten die op. In het negatieve zijn ze het beeld van een innerlijke gespletenheid, een volledig gebrek aan concentratie. In positieve zin: beeld van een zelfstandig worden door een energiek los willen komen van remmende bindingen.

Vos

De bewegelijke, listige vos representeert de sluwheid die in eerste instantie als een vanzelfsprekende drift in de mens op de achtergrond meespeelt. Als zuivere natuurdrift is deze op zijn plaats en noodzakelijk; Goethe heeft er een heel epos aan gewijd. Maar de vos moet wel getemd worden, anders gaat het bij hem alleen maar om eigen voordeel en gaat hij bij iedere gelegenheid ongeremd te werk.

Wolf

Met ongeremde begeerte en ‘duivelse’ sluwheid weet de wolf aan zijn prooi te komen. Zo wordt hij het symbool van wie het levende verslindt, de zielendood brengt; hij staat voor de macht van verdraaiing en leugen die de hogere plaats van de geest zou willen negeren en het innerlijk leven in de duisternis van het materiële sleuren. (In de mythe van de Fenriswolf)
In positieve zin: gezond materialisme als tegenwicht voor het wereldvreemd worden.

b) Huisdieren

Ezel

Het is geen rijdier, maar een lastdier, buitengewoon tweeslachtig als wezen: slim en wijs in zijn instinctieve zekerheid, maar ook onberekenbaar en koppig; geduldig bij het dragen van lasten, dwarsliggend voor de drijver. Hij is zinnebeeld van onze lichamelijke natuur die het helderziende oerweten kwijtraakte zoals de Egyptische mythe het beschrijft; daarvoor in de plaats echter verkreeg hij intellectueel verstand, met als gevolg zijn gespletenheid in wezen en willen.
In de taal beeldend: ‘Ik, ezel die ik ben’, ‘een ezel stoot zich in’t gemeen niet tweemaal aan dezelfde steen’, het ‘ezelsbruggetje’.

Geit

Overal aan sabbelend, naar iedere hoek kijkend, overal aan likkend. wordt de geit tot symbool van de nieuwsgierigheid, ook het naïeve willen weten. In de mythe: Odins geit Heidrun. In het sprookje komt het erop aan van wie de geit is. 

Hond

Zijn meest opvallende eigenschap is zijn reukzin, speurzin. Zo werd hij het symbool van onze speurzin, wij zeggen: ‘een fijne neus voor iets hebben’. Het is een onbewust instinct; net zo veelzijdig als bij de talloze hondensoorten hoort. De goede hond is de innerlijke padvinder, de boze hond de snuffelaar die het gemene en lage speurt. Cynisme is in het Grieks ‘de manier waarop een hond denkt.’

Kat

Het huisdier en tegelijkertijd het kleine roofdier. ’s Avonds wordt haar instinctleven bijzonder actief; De Grieken namen dit instinct bij de mens waar op de grens van ‘deze en gene zijde’. speels en onderdanig, uit een diepe slaperigheid plotseling klaar wakker, een sprong aanzettend, Zo wordt zij het symbool voor de drang naar liefde die in onschuldige speelsheid wakker wordend, de mens plotseling in bezit kan nemen.
De Egyptische godin van de liefdesbegoocheling, Bastet, wordt voorgesteld met een kattenkop.

Koe

Bij de koe is de stofwisseling bijzonder sterk ontwikkeld; ze is een herkauwer die zeven keer verteert. Voor het innerlijk menselijke staat ze symbool voor de voedende levenskracht in het gebied van de stofwisseling. De moederlijke basis van de stierachtige wilskrachten.

Paard

Al duizenden jaren wordt het paard als rijdier gehouden. Je kan het makkelijk sturen en het heeft een grote intelligentie. Symbool van het instinctieve verstand die door de leidende mensengeest naar vele doelen wordt gebracht. Wie zijn paard temt, wordt meester van zijn gedachtekracht.
Beeldende taal: ‘zich vergalopperen’, een ‘principerijder’

Stier

Hij is de imaginatie van de in de ondermens levende krachtige wilsdriften in de stofwisseling en in het seksuele. De stierengevechten van de oudere culturen duiden op de beheersing en overwinning van deze driften.

Varken

Al in oude diersymbolieken werd de relatie genoemd tussen de aardegodin en de stoffelijke wereld. Zijn drang om de aarde om te woelen en zich in de modder  te wentelen, maakt het tot een beeld van een eenzijdig zich richten op het aardse. wordt deze drift met de speurzin, het cynisme, samen genomen, ontstaat het beeld voor de ‘Schweinehund’. Zwijn.

Zwijn = varken

c) waterdieren

Kikker

Zowel op het land als in het water is hij in zijn element. Hij reageert zeer gevoelig op het weer en de atmosfeer; hij werd graag als weersvoorspeller gezien. In zijn ontwikkeling van kieuwademhaling naar longademhaling maakt hij verschillende stadia door. Met het oog op deze verandering wordt hij tot symbool van een onbewuste metamorfose van het menselijk bewustzijn. 
Op het land en in het water leven betekent: in de wereld van de levende ziel net zo thuis zijn als in de wereld van de materiële dingen, de zintuigwereld. De kikker is het symbool voor het vermogen geestelijke inhoud waar te nemen en als geestelijke sfeer te begrijpen – dus weersvoorspeller in geestelijk opzicht te zijn. 

Pad

In onze sprookjes is ze symbool voor de seksualiteit.
De weglopende padden aan de middeleeuwse kathedralen duiden op verstoten dat reinigt.

Vis

Hij heeft geen eigen warmte en is één met de hem omringende wereld van het water. Hij heeft nog geen bloedwarmte en daardoor nog geen egoïsme; hij is het beeld van de natuur die zonder zonde is, onschuldig.
De vis staat ook als beeld voor geestelijke ervaringen, voor gedachten die niet gedacht – dus niet ‘gesponnen’- worden, maar beeldrijk ‘opduiken’ uit de diepte van de ziel.

De vogels staan in [3-3/10 ]

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2345-2200

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – alle artikelen

.

[1-1] Germaanse mythologie in de 4e klas
Gerard Reijngoud over: de dramatiek in de verhalen en de dramatiek in de ontwikkeling van de 10-jarige; deze ontwikkeling weerspiegeld in het leerplan: rekenen, taal; Thor en Utgard-Loki, verhaal in het kort; 

[1-2] De Edda als vertel- en recitatiestof
M.v.d.Made over: het ontstaan van de Edda; alliteratie; de 4e-klasser en de Edda; de Rubicon;

[1-3] Na de Edda
De verhalen uit de Nibelungen: waar te vinden.

[2-1] Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde
Pieter HA Witvliet over: deze verzen uit de Edda tot toneelstuktekst omgewerkt; tevens voorbeeld van het verbeteren van het handschrift; over ‘schoonschrift’

[3-1] Namen in de Edda verklaard
Dan Lindholm over: de achtergrond en de betekenis van de namen in de Edda

[3-2] Yggdrasil
Melly Uyldert
over: wat is de Yggdrasil;
Rudolf Steiner over: wat is de Yggdrasil; 

[4Hoe ziet je naam eruit in runentekens?
Wat zijn runtekens; hoe kun je ze met een klas maken; doorverwijsinfo
.

Roger L Green heeft de Eddaverhalen beeldend naverteld. 
Wanneer zijn boek niet meer te koop is, kun je via vspedagogie@gmail.com een digitaal exemplaar inzien.

Vrijeschool in beeld: 4e klas     (bord)tekeningen, schilderen over de Edda

2343-2198

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (3-2)

.

Zoals de sprookjesbeelden beelden zijn die ‘voor iets staan’, is dit ook het geval met de beelden in de verhalen van de Edda.

Het grote probleem is steeds: wie weet die beelden naar hun waarheid te duiden.
En zoals de sprookjes vanuit vele gezichtspunten zijn verklaard, zo bestaat er ook ‘uitleg’ over de beelden van de Edda.

Voor het vertellen van deze beelden aan de kinderen is het niet nodig ‘weet’ te hebben van deze beelden: ze hoeven, nee mogen niet, aan de kinderen worden verteld omdat het intellectuele weten het mee-beleven op deze leeftijd volkomen onmogelijk maakt. 
Maar als je als verteller meer weet, kan het bijv. je verwondering wekken, je eerbied voor een ‘brok volkswijsheid’ of een andere wijsheid die door deze beelden heenspreekt.

Rudolf Steiner heeft van de Germaanse mythologische verhalen ook de antroposofische achtergronden gegeven, m.n. in GA 121, vertaald.
.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam januari 1956
.

yggdrasil

Yggdrasil: de wereld-es, omklemt met drie wortels de onderwereld, waar bij de heilige bron de drie nornen wonen: Oerd, Werdandi en Skoeld.

Zijn stam verheft zich in der mensen wereld, de eekhoorn Ratatoskr springt er langs heen en weer.

Zijn kroon draagt het hemelgewelf: in zijn takken hangen de sterren als gouden vruchten, en van zijn bladen druppelt honingdauw.

Ook in de mens staat Yggdrasil opgericht: de levensboom en de kennisboom beide, in de tuin van het paradijs.

Zijn wortels zijn de drie onderste zenuwvlechten met hun bijbehorende endocrine klieren; bij de plexus sacralis en het heiligbeen ligt de heilige bron van het levenswater: de hormonen der geslachtsklieren. Bij de plexus prostaticus en de bijnieren ontstaat de moed en de kracht voor het aardse leven, en de milt met de plexus Solaris of zonnevlecht vormen de electrische keukenhaard waarop de materie wordt omgezet (de spijsvertering) .

Zijn stam is het ruggenmergkanaal, waardoor de levenskracht op en neer stroomt, omhoog ter sublimatie of verlossing, omlaag ter conversie of schepping. De zijtakken zijn de zenuwen die uit de ruggenstreng ontspringen.

Zijn kroon breidt Yggdrasil uit in ons hoofd, waar de sterren alle hun spiegelpunten in de hersencellen hebben, daar bloeien de gedachten en rijpen de gouden vruchten van inzicht, doorzicht en overzicht. Daar liggen de knoppen van het volmaakt bewustzijn: de slijmklier en de pijnappelklier om in de geestelijke zon te ontluiken en daar druppelt de honingdauw, het voedselder goden, het bewustzijnslicht, naar beneden.
Deze honing wordt aan de voet van de kroon, in de holte van het gaffelkruis, door de schildklier met de plexus laryngeus omgezet in het scheppende woord, als de vrucht van de kennisboom: de verklankte bewuste gedachte.

En daar bereikt zij het hart met de thymusklier, de zetel der vreugde waar zij wordt omgezet in geluk en in de liefde die uitstraalt en het heelal bijeenhoudt.

Zo groeit in ons de boom van zon en maan, van leven en denken.
En de mens die al wat in hem is ook buiten zich na wil maken, zet de groene kerstboom in zijn huis, het beeld van Yggdrasil. De lichtjes zijn de levende cellen, de blinkende ballen de krachtcentra als spiegelbeelden der sterren, de glanzende slingers de stromen van levenskracht en bewustzijnslicht.

De mercuriale eekhoorn, die springt als de flitsende zenuwprikkel, mag er ook wel in zitten en de gouden noten , beeld onzer hersenen! Het engelenhaar druipt als honingdauw van de takken. Op de top een dennenappel.
Laat ook onze eigen boom van binnen in ons lichaamshuis zulke stralende licht van levende cellen geven!
In al zijn jonkvrouwelijkheid en glorie staat daar ons eigen beeld.

RUDOLF STEINER over de Yggdrasil:

Yggdrasil nannte man die Weltesche, in der sich die Weltenkräfte zusammengezogen hatten. Ein Mensch wird abgebildet in dem Moment, wo er sich seines Ich bewußt werden soll, wo aus seinem Innern heraustönen soll das Wort «Ich». «Yggdrasil» ist soviel wie «Ich-Träger». Ich-Träger ist dieser Baum. «Ygg» ist «Ich» und «drasil» ist derselbe Wortstamm wie «tragen».

Yggdrasil noemde men de wereld-es waarin zich de wereldkrachten hadden samengetrokken. Een mens wordt afgebeeld op het ogenblik waarin hij zich bewust wordt van zijn eigen ‘Ik’. ‘Yggdrasil’ betekent zoveel als ‘Ik-drager’. Ik-drager is deze boom. ‘Ygg’ is ‘Ik’ en ‘drasil’ is van dezelfde woordstam als ‘dragen’. 
GA 101/26
Niet vertaald

Sagen und Mythen sind nichts anderes als astralische, geistige Anschauungen. Wir haben gesehen, wie wirklich der alte Germane oder der Angehörige der alten europäischen Bevölkerung die Weltenesche Yggdrasil auf dem astralen Plan gesehen hat, wie er die zwölf Strömungen vernommen hat, die als Kräfte in sein Haupt hineingingen und seine zwölf Hauptesnerven bildeten. Das alles haben wir als astralische Wirkungen kennengelernt und nicht durch irgendeine phantastische, geistreiche Spekulation.

Sagen en mythen zijn niets anders dan astraal-geestelijke waarnemingen. We hebben gezien hoe de oude Germaan of wie behoorde tot de oude Europese bevolking daadwerkelijk de wereld-es Yggdrasil als astrale voorstelling gezien heeft, hoe hij de twaalf stromen heeft waargenomen die als krachten zijn hoofd binnengingen en zijn twaalf hoofdzenuwen vormden. Dat hebben wij in zijn geheel als astrale invloeden leren kennen en niet door een of andere fantastische geestrijke speculatie.
GA 101/84
Niet vertaald

Der Mensch ist gleichsam wie ein Zusammenfluß von Kräften, die zusammenfließen in seinen Astralleib, Ätherleib und physischen Leib, und das Ich wird dargestellt als dasjenige, was an diesen drei Gliedern arbeitet. In der germanischen Mythe wird das dargestellt durch den Baum, der die Weltesche ist, das Symbolum für die dreigliedrige Menschennatur. Der Mittelpunkt für diese drei­gliedrige Menschennatur ist das Ich; indem es sich eingegliedert hat, trägt es den ganzen Baum des menschlichen Werdens und Wachsens. «Ygg» ist die alte Form des Werdens und Wachsens. Das finden Sie in den alten Sprachformen als Bezeichnung für das, was eingegliedert ist. Die Weltesche heißt «Yggdrasil». Yggdrasil heißt das «tragende Ich» und der Name des Gottes, der mit der Ich-Bildung zusammen­hängt, ist ebenfalls von daher genommen.

De mens is a.h.w. een samenstroom van krachten die samenkomen in zijn astraallijf, etherlijf en fysieke lichaam en het Ik wordt weergegeven als wat aan deze drie wezensdelen werkt. In de Germaanse mythe wordt dit voorgesteld door de boom die de wereldes is, het symbool voor de drieledige natuur van de mens. Het middelpunt van deze drieledige mensennatuur is het Ik; door daar deel van te zijn geworden, draagt dit de hele boom van de menselijke wording en ontwikkeling. ‘Ygg’ is de oude vorm van worden en groeien. Dat vind je in de oude taalvormen als betekenis voor wat geïncorporeerd is. De wereld-es heet ‘Yggdrasil’. ”Yggdrasil’ betekent het ‘dragende Ik’  en de naam van de God die met de Ik-vorming samenhangt is eveneens daaruit genomen.
GA 104A/49
Niet vertaald

Met de aanwijzingen van Steiner schreef Rudolf Meyer het boekNordische Apokalypse‘, over de Edda en Ernst Uehli ‘Nordisch-Germanische Mythologie als Mysteriengeschichte. Beide niet vertaald.

.

2342-2198

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (1-2)

.
.
M.v.d.Made, nadere gegevens onbekend

DE EDDA ALS VERTEL- EN RECITATIESTOF IN DE VIERDE KLAS

.

“Ik weet dat ik hing, aan de windrge boom.
Negen nachten lang, …”

Als uit één keel klinkt de recitatie van de 4e klas; de machtige taal van de Edda ontvouwt een panorama van indrukwekkende beelden.

We zien Odin, de Alvader, die de Taal ons schenkt.

Odin, de radende heer, die hiervoor een offer moet brengen en het oog offert. Vrijwillig.

Diepe indruk maakt ook de god Tyr, een zoon van Odin, die ook een offer brengt: om de mensen te behoeden voor het kwaad, dat de Fenriswolf brengt, moet deze gebonden worden. Deze angstwekkende wolf, die zich voedt met de leugens der mensen, laat zich echter alleen binden als een der goden zijn hand in zijn muil durft te steken.

Tyr is degene die dat durft en doet.

Er is veel sprake van moed in de verhalen uit de Edda die in de 4e klas verteld worden. Er zijn grote reuzen te bestrijden; steenreuzen en ijsreuzen. Er is de Fenriswolf, de Midgardslang die om de wereld ligt, staart in eigen bek. Maar daarboven is Asgard, waar de goden wonen, in hun heerlijke burchten. Er is veel goud en glans, er zijn groene velden en een boom met gouden (levens)vruchten.

Het is zeker geen eenvoudige verhalenstof; de gebeurtenissen zijn wonderlijk en indrukwekkend tegelijk.

Wat wordt er eigenlijk verteld?

De IJslandse bisschop Saemundar (1056-1133) liet de goden- en heldenverhalen, die oude zangers hem voorzongen, opschrijven.

Zo ontstond een boek, dat hij naar een klooster stuurde. De Saemundar-Edda werd het genoemd.

Snorri Sturluson wordt als de schrijver van de z.g. jongere Proza-Edda aangezien. Snorri leefde van 1178-1241 op IJsland.

Dit was een herhaling en aanvulling.

Naar de klank is het woord Edda verwant met het Indische “Veda” en met het Perzische “Avesta”.

Alle drie zijn het Indo-Germaanse benamingen voor het Scheppende Wereld Woord.

De schriftelijke uitwerking van de Edda valt dus in de 11e,12e eeuw. Maar haar inhoud bestrijkt een tijd, die teruggaat tot Atlantische oer-herinneringen en vooruitgrijpt op een na-atlantische menheidsontwikkeling.

De “Edda-stof” kan men alleen met een gevoel van eerbied tegemoet treden.

Hoe heilzaam werkt dan het opzeggen van die strofen in de klas, met hun wonderlijke alliteratie-rijm! Het eind van de versregel rijmt niet, maar de z.g. heffingen zitten soms middenin een regel.

Als voorbeeld een stukje uit de 5e strofe van Grimnirmâl (het lied van Grimnir, tekst uit de Saemundar Edda):

Alfheim Freyr gáfu                                          Alfheim aan Freyr
í  Árdaga                                                            eertijds als handgeld
tívar at tanufé                                                   door de goden gegeven

Het opzeggen van de verzen roept een zekere teruggehouden kracht op en een wriemelende maandag-morgen-klas is tot één geheel om te smeden door een stevige recitatie met een grote stamp op elke heffing.

Weten we nog hoe het was om 4e-klasser te zijn? Tien jaar oud, net wakker geworden aan de omgeving, kritiek krijgen en kritiek hebben op anderen en op jezelf (ik kan niet tekenen). De veilige omhulling van de lagere klassen is er niet meer, er worden plotseling andere eisen gesteld. Dr. Steiner spreekt over het oversteken van de Rubicon.

De Rubicon is een riviertje dat men passeert, terugkomend uit het noorden (Gallie), op weg naar Rome. Het was in de tijd van het Driemanschap: twee regeerders in Rome en de derde, Julius Caesar, op krijgstocht in Gallië. Een greep naar de macht deed Caesar terugkeren. Aan de oever van de Rubicon wachtte hij in de vroege ochtenduren. Oversteken en naar Rome rijden betekende zéker burgeroorlog. Niet-gaan betekende afhankelijk zijn van de zittende regering. Hij ging. ‘Alea jacta est’ – de teerling is geworpen.

Deze dramatiek speelt zich af in de psychische wereld van de vierdeklasser. Er is geen weg terug mogelijk.

Maar een flinke dosis moed zou wel fijn zijn, voor onderweg.

.

4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2341-2197

.

.

.

.

.