Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 14 juni 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

De inrichting van het godsdienstonderwijs op antroposofische basis; over de zondagshandeling; wie mogen er bij zijn. [1]
Gedrag van de kinderen, ontstaan door roddels vanuit het ouderlijk huis. <2>
Het gedrag van kinderen in een groep; houding naar leerkracht. <3>
Spreken in koor; wat is het gevaar voor het individuele leren. <4>
Verhouding aantal jongens en meisjes in een klas; het imponderabele. <5>
Temperamenten; stem; de cholericus en het ritme; temperamenten en zintuigen. <6>
Euritmie; begeleiding bij tooneuritmie; verschil jongere oudere bij euritmie doen. <7>
Gymnastiek, een kind wil niet meedoen <8>
Kinderen die lui zijn en niet graag helpen; hun werk niet afmaken <9>
Boekbinden op school; hoe te regelen, wat belangrijk; aansluitend handenarbeid, jongens en meisjes niet apart. <10>
De kleuterklas: geen leerdoelen, geen leren, maar spelen, vertellen, euritmie, aan de manier van spelen is iets af te lezen voor later. <11>
Getuigschriften: wat schrijf je aan de ouders; ondertekenen door de ouders? tussenrapport; geperforeerd boekje; kind karakteriseren. <12>
Zittenblijven of hulpklas (de school worstelt nog hoe daarmee om te gaan) Steiner gaat over op hoe kinderen die iets niet kunnen geholpen kunnen worden. <13>
Lichaamsgeografie, oefeningen met voeten/tenen. <14>
Linkshandigheid: materialistische en spirituele kinderen; tweehandigheid; verstandsactiviteit t.o. tekenen. <15>
Sprookjes en bloed.<16>
Stotteren, nerveus: oefeningen met K en P. <17>
Kind met criminele aanleg <18>
Jaarafsluiting <19>
Moet er een film worden gemaakt over de vrijeschool en/of de driegeleding. <20>
Fotograferen van schilderingen en glansvenster in het Goetheanum. <21>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

 

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 136

Vergadering van zaterdag 14 juni 1920, 15-17.30 en 21.30-0.45 uur

X. berichtet über den freien Religionsunterricht auf der untersten und der
zweiten Stufe. Verse aus den Mysteriendramen und aus dem „Cherubinischen
Wandersmann” sind besprochen worden.

X doet verslag over het vrije religieuze onderwijs op de laagste en de
tweede fase. Verzen uit de mysteriedrama’s en uit de ‘Cherubinischer Wandersmann” zijn besproken.

Dr. Steiner: Es kommt darauf an, daß man nicht die Empfindungsreife der Kinder außer acht läßt. Können Sie ein konkretes Beispiel sagen?

Het is belangrijk dat je het gevoelsniveau van de kinderen niet negeert. Kunt u een specifiek voorbeeld geven?

X.: Auf der Oberstufe habe ich sprechen lassen: „Laß mich ruhend in dir wirken … “

X.: In de bovenbouw heb ik laten spreken: “„Laß mich ruhend in dir
wirken … “

Dr. Steiner: Haben Sie gefunden, daß die Kinder etwas daraus machen können?

 Vond u dat de kinderen er iets uit haalden? Ja, dan kan u het blijven proberen.

X.: Man könnte die Kurse vielleicht gliedern.

X.: We zouden de groepen nog kunnen herindelen.

Dr. Steiner: Ja, das ist gewiß so. Ich meine, wenn die untere Stufe geteilt wird in zwei und die obere Stufe beibehalten wird, dann geht es in drei Gruppen.

Ja, dat is zeker het geval. Ik bedoel, als de lagere groep in tweeën gedeeld wordt en de hogere groep blijft, dan gaat het in drie groepen.

Also 1.—3., 4.-6. , 7.-9. Klassen.

Dus 1e-3e, 4e-6e. , 7e-9e klassen.

X. berichtet über den Vorbereitungsunterricht zur Jugendfeier, für den er drei Stunden verwendete.

X. doet verslag van de voorbereidende lessen voor de jeugdviering, waarvoor hij drie uur nodig had.

Dr. Steiner: Ist das nicht eine Überlastung der Schüler? Wie viele sind da?

Is dat niet te veel voor de leerlingen? Hoeveel zijn er?

X.: Sechsundzwanzig.

X. Zesentwintig.

Dr. Steiner: Man wird schwer darüber etwas sagen können, bis man einen richtigen Erfolg hat. Es ist durchaus gut, das einmal zu versuchen. Sollte es nicht gelingen, so wollen wir sehen, wie es anders zu machen ist.

Het is moeilijk er iets over te zeggen, tot er een goed resultaat is. Het is zeker goed om het een keer te proberen. Als het niet werkt, kijken we hoe het anders kan.

X. berichtet über den Unterricht in sozialer Erkenntnis; zwei Wochenstunden mit der 6. bis 8. Klasse und einigen von der 5. Klasse.

X. doet verslag over lessen in sociale kennis; twee uur per week met de 6e tot en met de 8e-klassers en enkele van de 5e-klassers.

Dr. Steiner: Es ist natürlich eine Schwierigkeit, das elfte bis fünfzehnte Jahr, aber das ist ein Unterricht abseits vom übrigen.

Natuurlijk is het lastig, het elfde tot het vijftiende jaar, maar dat is een les los van de rest.

X.: Wir besichtigen auch Fabriken.

X.: We bezoeken ook fabrieken.

Dr. Steiner: Wenn man es richtig lebendig, lebensvoll macht, an alle

Als je het vooral heel levendig en vol leven maakt en

Blz. 137

lei Lebensfragen gerade in diesem Alter anknüpft, dann wird es gehen. Ich würde versuchen, zu sehen, ob die Kinder nicht zuviel haben, und dann versuchen, möglichst ans konkrete Leben anzuknüpfen.
Ich glaube, daß die Zeit der Kinder zu stark beansprucht ist. Natürlich kommt in einer Ecke die Überlastung heraus. Es wäre gut, nicht acht Stunden zu haben an einem Tage.
Ich kann nicht einsehen, warum man drei Stunden braucht, um die Jugendfeier vorzubereiten. Warum sollte nicht eine Stunde genügen? Es kommt gerade bei einer solchen Sache nicht auf die Menge an, sondern auf den ganzen Zeitraum, in dem das Ganze gehalten ist.
Es wäre vielleicht besser, wenn man diese Dinge, die ganz entschieden eingeschränkt werden können, wenn man die einschränken würde. Man könnte das tun, daß man für diejenigen, die vor der Jugendfeier stehen, ausfallen läßt den Religionsunterricht und ihn verbindet mit der Vorbereitung für die Jugendfeier.

aansluit bij allerlei levensvragen van deze leeftijd, zal het wel lukken. Ik zou proberen in te zien of de kinderen niet te veel hebben en dan proberen zoveel mogelijk aan te sluiten bij het echte leven.
Ik denk dat er te veel beslag wordt gelegd op de tijd van de kinderen. Natuurlijk komt de overbelasting ergens naar buiten. Het zou goed zijn om geen acht uur op één dag te hebben.
Ik begrijp niet waarom er drie uur nodig is om de jeugdhandeling voor te bereiden. Waarom zou een uur niet genoeg zijn? Bij zoiets komt het niet op het vele aan, maar op de hele periode waarin die wordt gehouden.
Het zou misschien beter zijn als u deze zaken, die zeer beslist beperkt kunnen worden, ook beperkt. Dat zou u kunnen doen voor degenen die aan de
jeugdhandeling gaan deelnemen: het godsdienstonderwijs weglaten en ze  bij de voorbereiding van de jeugdhandeling betrekken.

<1>Er wordt een vraag gesteld over de toegang tot de zondagshandeling.

Dr. Steiner: Es ist tatsächlich eine Schwierigkeit. Das war nicht gedacht, daß jemand anderer kommen sollte als die Eltern. Natürlich, wenn man einmal anfängt, dann ist es schwer, eine Grenze zu ziehen. Wie soll man das machen? Was war der Grund, daß man Nichteltern zugelassen hat? Es liegt kein Grund vor, wenn man den K. hereinläßt, warum man andere Mitglieder zurückweist. Wo fängt das an, wo hört das auf? Die Tanten kommen ja überhaupt. Es sind schon andere Störungen vorgekommen durch Fremde im Gange des
Schulwesens. Ich war am meisten betroffen, als sich die Leute, die die Schule nichts angeht, in die Disziplin hineinmischten. — Ich habe nichts dagegen, wenn die Zulassung zur Handlung streng auf die Eltern beschränkt wird. Geschwister und Tanten auch nicht. Dazu haben wir diese Feier nicht eingerichtet. Es hat keine Grenze. Nur die Eltern oder die, die anerkannt werden können durch die Lehrerschaft als moralische Vormünder.

Het is echt wel een probleem. De gedachte was niet dat er iemand anders dan de ouders zou komen. Als je eenmaal begint, is het natuurlijk moeilijk om een grens te trekken. Hoe moet je dat doen? Wat was de reden om niet-ouders toe te laten? Er is geen reden voor en als je K. toelaat, waarom dan andere leden afwijzen. Waar begint het, waar houdt het op? De tantes komen toch. Er hebben zich in de loop van het schoolwezen al andere verstoringen voorgedaan door vreemden.
Ik was het meest perplex toen mensen die niets met de school hebben te maken, zich met de orde gingen bemoeien. Ik heb er niets op tegen wanneer de toelating bij de handeling streng tot de ouders wordt beperkt. Broers, zussen en tantes ook niet. Daarvoor hebben we de handeling niet ontworpen. Er is (nu) geen grens. Alleen de ouders of degenen die door het onderwijzend personeel als staand voor het morele kunnen worden erkend.

X. fragt noch einmal wegen der Sonntagshandlung betreffend ein altes Mitglied.

X. vraagt ​​nogmaals naar de zondagshandeling betreffende een oud lid.
[is dat een oud-collega of een lid van de antroposofische vereniging?]

Dr. Steiner: Die wird gern wegbleiben; ihr braucht man das nur in entsprechender Weise klarzumachen. Das ist die Schwierigkeit: in dem Augenblick, wo wir jemanden hineingelassen haben, der kein Kind hat, ist die Grenze schwer zu ziehen. In der Anthroposophischen Gesellschaft, da ist die Stätte, wo Ausnahmen sein müssen.
Oder man läßt es so, wie es ist.

Die zal wel makkelijk wegblijven; je moet het haar gewoon adequaat duidelijk maken. Het probleem is: op het moment dat we iemand binnenlieten die geen kind had, is het moeilijk een grens te trekken. De Antroposofische Vereniging is de plaats waar er uitzonderingen moeten zijn.
Of je laat het zoals het is.

Blz. 138

X.: Das hat sich eben als unzuträglich ausgestaltet.

X.: Dat bleek dus niet zo goed uit te pakken.

Dr. Steiner: Diese Ausnahmen sind vielleicht für ein- bis zweimal durchzuführen, aber sie wachsen.

Deze uitzonderingen kunnen misschien een of twee keer gemaakt worden, maar dan neemt het aantal toe.
.
X.: Eine reine Schulangelegenheit soll es ja nicht sein; es ist ja losgelöst von der Schule.

X.: Het is niet de bedoeling dat het puur een schoolaangelegenheid is; het staat los van de school.

Dr. Steiner: Die Sonntagshandlung ist etwas im Rahmen der Schule Liegendes. Eine Einzelheit innerhalb der Schule, geradeso als wenn wir sagen würden, wir richten meinetwegen einen Unterricht für ein bestimmtes kunstgewerbliches Fach ein. Das wäre auch eine Spezialsache, die im Rahmen der Schule darin sein könnte, die nicht eine allgemeine Schulangelegenheit ist. Wir können es nur so halten, sonst kommen eben diese Dinge. Ich wurde gefragt in den letzten Tagen, wie man das machen kann, daß in H. eine solche Sonntagsfeier für die anthroposophische Jugend eingerichtet wird. Also das ist in der gegenwärtigen Zeit, wo die Angriffe aus allen Ecken herauspfeifen, so unsinnig wie möglich gehandelt. Das sind ja Angriffsmomente, wenn sich Herr L. hinstellt und für die anthroposophischen Kinder eine Kultushandlung vollzieht. Er hat sich schon die Erlaubnis geholt, um es sich anschauen zu können. Das würde ich ganz entschieden verleugnen als etwas, womit ich etwas zu tun haben sollte, was außerhalb des Rahmens der Schule als eine Sonntagsfeier eingerichtet würde. Es hat nur einen Sinn dadurch, daß in unserer Schule eine Anzahl Kinder einen Religionsunterricht auf anthroposophischer Grundlage hat, und für diese Kinder ist diese Sonntagsfeier. So daß niemals zugelassen werden könnte — es könnten andere Kinder zugelassen werden —, es kann aber niemals jemand zugelassen werden, der nicht in der Schule ist.

De zondagshandeling is iets binnen het kader van de school. Een eigenheid binnen de school, net alsof we bijvoorbeeld zouden zeggen dat we lessen organiseren voor een bepaald kunstzinnig-ambachtelijk vak. Dat zou ook een gespecialiseerde aangelegenheid zijn die binnen het kader van de school zou kunnen vallen, wat geen algemene schoolaangelegenheid is.
Dat kunnen we alleen maar zo houden, anders zullen deze dingen gebeuren.
Er is mij de afgelopen dagen gevraagd, hoe het mogelijk zou kunnen zijn om zo’n zondagsviering te organiseren in H. voor de antroposofische jeugd. Dus dat is in de huidige tijd, waarin de aanvallen uit alle hoeken komen, zo onzinnig mogelijk. Wanneer de heer L. zich opwerpt en voor de antroposofische kinderen de cultushandeling voltrekt, is dat een punt om ons aan te vallen. Hij heeft al toestemming gekregen om te mogen komen kijken. Ik zou absoluut afwijzen dat ik iets te maken zou moeten hebben met iets wat buiten het kader van de school als zondagshandeling opgezet moet worden.
Het heeft alleen maar zin omdat in onze school een aantal kinderen godsdienstonderwijs krijgen op antroposofische grondslag en deze voor deze kinderen is de zondagshandeling. Dus er kan nooit iemand toegelaten worden – andere kinderen zouden toegelaten kunnen worden – maar er kan nooit iemand toegelaten worden die niet op school zit.

X.: Dann muß es dabei bleiben.

X.: Dan moet het zo blijven.

Dr. Steiner: Man kann es so lassen, wie es ist; dann sind Ausnahmen da, aber es ist im Grunde genommen nicht einzusehen, wie man jemand anderes abweisen soll, wenn man Frau G. sagt, sie darf kommen. Dann müßte auch Herr Leinhas abgewiesen werden, er ist aber im Waldorfschulverein. Das würde ja eventuell eine Art von Rechtstitel sein. Alles das, was zur Schule gehört.

Je kunt het laten zoals het is; dan zijn er uitzonderingen, maar het is in principe onmogelijk om te zien hoe je iemand anders zou afwijzen als je tegen mevrouw G. zegt dat ze mag komen. Dan zou meneer Leinhas ook geweigerd moeten worden, maar hij zit in de vrijeschoolvereniging. Dat zou mogelijk een soort rechtsgeldigheid hebben. Alles wat bij de school hoort.

X.: Können die Frauen der Lehrer zur Schule gerechnet werden?

X.: Kunnen de vrouwen van de leraren tot de school gerekend worden?

Dr. Steiner: Die können natürlich nicht zugelassen werden. Wenn sie keine Kinder haben, so haben sie auch keinen Rechtstitel.

Natuurlijk kunnen ze niet toegelaten worden. Als ze geen kinderen hebben, is er geen rechtsgeldigheid. <1>

Blz. 139

X. berichtet über den Anstandsunterricht. Ich habe da versucht, den Kindern eine Diätetik der Seele beizubringen.
Es war alles mögliche Geschwätz durch Schüler in die Schule hineingetragen worden.

<2> X. doet verslag van de lessen in goed gedrag. Ik heb geprobeerd de kinderen
een voedingsleer voor de ziel te geven.
Door de leerlingen zijn er op school veel roddels gekomen.

Dr. Steiner: Es ist nicht zu umgehen, daß die Anthroposophenkinder zu Hause etwas aufschnappen. Das ist ungefährlich, wenn die Eltern selbst vernünftig sind. Selbst wenn es tief hineingeht, so ist durch die gesunde Gesinnung der Eltern schon ein Mittel gegen das Überschnappen der Kinder da. Solche Dinge, die wir oft genötigt waren zu bekämpfen, wie die, welche Sie angeführt haben von O. R., die rühren auch davon her, daß die Eltern unsinniges Zeug reden.
Sie werden bemerkt haben, daß der Unterricht seine Früchte trägt.
Ich würde nur bemerken, daß namentlich in kritischen Fällen man sehr guten Erfolg mit Erzählungen hat, die einen ganz bestimmten Gang nehmen. Wenn man sicher konstatiert hat, daß ein Kind eine Unart hat, denkt man eine Erzählung aus, in der sich diese Unart durch das, was geschieht, schicksalsmäßig ad absurdum fuhrt. Sogar bei ganz kleinen Kindern ist es schon gelungen, Genäschigkeit und solche Sachen einfach dadurch, daß die Mutter solche Erzählungen gebildet hat, sich selbst ad absurdum führen zu lassen. Etwas Ausgedachtes — nach dem Muster des Hundes, der mit dem Fleisch im Maul über die Brücke geht — das ist etwas, was stark wirkt auf das Kind, das so etwas verübt hat, und anhaltend wirkt, namentlich wenn man im konkreten Falle ein bißchen Zeit verfließen läßt zwischen dem Begehen der Handlung und dem Heranbringen der Erzählung. In der Regel erreicht man mehr, wenn das Kind geschlafen hat, und man am nächsten Tage frühestens darauf zurückkommt, und dann verhandelt. Das Beschäftigen unmittelbar nach dem Ertappen, das ist das Schlechteste. Das ist etwas, was sehr theosophisch ist, aber was einfach wahr ist.
Dann wäre es sehr gut, wenn durchgeführt werden könnte, daß auch die einzelnen Kinder als solche, sei es gruppenweise oder ganz individuell, gewissermaßen ein Gegenstand der Sorge des ganzen Kollegiums werden könnten, daß man sich über sie ausspricht. Das scheint mir etwas, was ganz wünschenswert wäre. Das erfordert nur, daß man der Sache etwas Interesse zuwendet.
Ich fragte heute morgen um den P. I., er ist mir entschwunden. Also nicht wahr, da hat mir der Vater gewisse Klagen vorgebracht. Nun wäre es gut, wenn man das, was bei dem Jungen ist, vergleichen könnte mit dem, was der Vater klagt. Denn der Vater scheint in diesem Falle ein ziemlich unnützer Kläger zu sein, schultheißenhaft 

Het is onvermijdelijk dat de antroposofische kinderen thuis iets oppikken. Dat is niet gevaarlijk als de ouders zelf verstandig zijn. Zelfs als het diep tot hen doordringt, is de gezonde houding van de ouders al een middel tegen het opgefokt zijn van de kinderen. Zulke dingen, waar we vaak tegen moesten strijden, zoals die u noemde over O. R., komen ook door de ouders die onzin uitkramen.
U zult gemerkt hebben dat de lessen hun vruchten afwerpen.
Ik zou alleen willen opmerken dat, vooral in bedenkelijke gevallen, je heel veel succes hebt met verhalen die heel specifiek verlopen. Wanneer je zeker weet dat een kind een slechte gewoonte heeft, bedenk je een verhaal waarin deze slechte gewoonte door wat er gebeurt heel absurd wordt. Zelfs bij heel kleine kinderen is het al mogelijk om zulke dingen, bv. snoepzucht e.d., simpelweg omdat de moeder verhalen heeft bedacht, absurd te laten worden. Iets denkbeeldigs – in de trant van de hond die de brug oversteekt met het vlees in zijn bek – is iets dat een sterk effect heeft op het kind dat zoiets doet, en dat werkt door, vooral als je wat tijd laat verstrijken tussen het voorval en het vertellen van het verhaal. In de regel bereik je meer als het kind heeft geslapen en je er op zijn vroegst de volgende dag op terugkomt en het dan vertelt. Direct erop ingaan als je het kind betrapt, is het slechtst. Dat is wel iets heel theosofisch, maar wel gewoon waar.
Dan zou het heel goed zijn als ingevoerd zou kunnen worden dat ook de individuele kinderen als zodanig, in groepen of individueel, een onderwerp van zorg kunnen worden voor het hele college, zodat ze besproken kunnen worden. Dat lijkt mij heel wenselijk. Het vereist alleen dat je er enigszins in geïnteresseerd bent.
Ik heb vanmorgen naar P.I.  gevraagd, maar hij was verdwenen. U weet, zijn vader is met bepaalde klachten bij me gekomenen; het zou goed zijn als u vergelijkt wat er met de jongen aan de hand is, met waar de vader over klaagt. Want de vader lijkt een nogal onnodige klager in deze zaak te zijn, zich een beetje

Blz. 140

Ja, ich werde mit dem Jungen reden. Mir scheint, daß der Vater ein unnützer Kläger ist, der allerlei Dinge, Kleinigkeiten, die der Junge ausfrißt, phantastisch ausgestaltet, so daß der Junge die Sachen macht, die der Vater suggeriert. Das weiß er sicher nicht, was er will.
Das bildet in jeder Schule ein Hauptkapitel, weil das so schwer zu regeln und zu beherrschen ist. Gerade über solche Dinge müßte vollständige Klarheit herrschen in dem größten Teil der Lehrerschaft, über die einzelnen Schüler.
Gewisse Dinge sind interessant, wenn man die Statistik etwas gründlich betrachtet. Ich habe alle Klassen gesehen. Mir tritt das stark hervor, daß nur wenige ganz unbegabt sind, genialisch auch nicht, aber viele mittlere, nicht schlecht veranlagte. Ein Beweis dafür ist das, daß die Fortschritte gut sind. Ich will immer unterscheiden zwischen Fortschritten als solchen, und dem Inhalt des Fortschritts. Es kann ja sein, daß man manches nicht so vorwärts gebracht hat; das Tempo ist ein gutes.
In der 4. sind eigentlich im Grunde genommen nur die zwei wenig begabt, dann drei so halb, die nicht zurechtkommen, während die anderen nach ihrem Schreiben wünschenswert begabte Kinder sind.
Es mag sein, daß viele Lausbuben sind, aber zum Beispiel diejenigen, die als Lausbuben bezeichnet worden sind, sind so, daß sie begabte Lausbuben sind; das ist etwas, was den Nagel auf den Kopf trifft.

als een burgemeester te gedragen.
Ja, ik zal met de jongen praten. Het lijkt mij dat de vader een waardeloze klager is die fantaseert over allerlei dingen, kleine dingen, die de jongen uitvreet, zodat de jongen de dingen doet die de vader suggereert. Hij weet zeker niet wat hij wil.
Dit vormt een belangrijk hoofdstuk in elke school omdat het zo moeilijk te reguleren en te controleren is. Juist over zulke dingen moet er volledige duidelijkheid zijn bij de meerderheid van de leraren, over de individuele leerlingen. <2>
<3>Bepaalde dingen zijn interessant als je de statistieken nader bekijkt. Ik heb alle klassen gezien. Het is mij duidelijk dat slechts enkelen heel onbegaafd zijn, ook niet die niet briljant zijn, maar velen zijn gemiddeld, niet slecht begaafd. Een bewijs hiervan is dat de vooruitgang goed is. Ik wil altijd onderscheid maken tussen vooruitgang als zodanig en de inhoud van vooruitgang. Het kan zijn dat sommige dingen niet zo goed vooruit zijn gegaan; het tempo is goed.
In de 4e klas zijn eigenlijk alleen die twee niet zo begaafd, dan zijn er drie halfbegaafd, die het niet aankunnen, terwijl de anderen naar wat ze schrijven, begaafde kinderen zijn zoals je zou wensen.
Het kan zijn dat velen deugnieten zijn, maar degenen die bijvoorbeeld als deugnieten zijn bestempeld, zijn begaafde deugnieten; dat is iets wat de spijker op de kop slaat.

Das hängt mit einer anderen Erscheinung zusammen. Das wirkt, wenn so sich im allgemeinen die Moral hebt, werden die Dinge sich ausgleichen. Es ist ein Charakteristikum der Waldorfschüler, daß sie furchtbar eifersüchtig sind auf ihre Lehrer, daß sie nur an den eigenen Lehrern ein gutes Haar lassen, daß gerade die das Richtige machen. Das ist ein tatsächlicher Fall. Nun, nicht wahr, das hat seine guten Seiten und auch seine Schattenseiten. Die Hauptsache dabei ist, daß man nicht allzuviel daraufgibt. Man soll sich nicht geschmeichelt fühlen, wenn das zurückstrahlt. Es macht sich auch im Gehaben des Unterrichtes klar. Herr A. ist schon kein Mensch mehr, sie betrachten Sie fast als einen Heiligen.
Warum sollen die Kinder nicht lachen? Sie sind mehr im Rahmen der Schule. Wer viel kennt, der weiß, daß die bedeutendsten Menschen Lausbuben waren. Wenn man es im Zusammenhang des Lebens nimmt, hat es einen anderen Aspekt.
Wenn sie ein bißchen weniger schreien könnten, das wäre gut. Die 4. Klasse schreit fürchterlich. Das sind Dinge, die ja auch nicht furchtbar tragisch zu nehmen sind. Wenn man dann eine solche

Dit is gerelateerd aan een ander fenomeen. Dit heeft een effect, als het moreel in het algemeen stijgt, zullen dingen tegen elkaar wegvallen.
Het is een kenmerk van vrijeschoolleerlingen dat ze vreselijk jaloers zijn op hun leraren, dat alleen hun eigen leraar het goed doet Dat is een feit. Nou, niet waar, dat heeft een goede kant, maar ook een schaduwzijde. Het belangrijkste is om er niet te veel waarde aan te hechten. Je moet je niet gevleid voelen als het op je afstraalt. Het wordt ook duidelijk hoe je in de les bent. Meneer A. is geen mens meer, ze beschouwen u bijna als een heilige.
Waarom zouden de kinderen niet lachen? Ze zijn meer binnen de school. Iedereen die veel weet, weet dat de belangrijkste mensen deugnieten waren. Als je het in de context van het leven plaatst, heeft het een ander aspect.
Als ze wat minder zouden schreeuwen, zou dat goed zijn.
De 4e klas schreeuwt vreselijk. Dit zijn dingen die ook niet vreselijk tragisch zijn. Als je dan zo’n

Blz. 141

Eigenschaft, die hervorragend ist, den Kindern abgewöhnt hat, bedeutet es moralisch sehr viel; wenn man es dahin bringt, daß die 4. Klasse nicht so schreit, oder wenn man dem B. Ch. abgewöhnt, daß er den Tornister vor sich hinauswirft. Ganz abgesehen davon, ob man das mehr oder weniger artig oder unartig ansieht, wenn man eine solche hervorragende Eigenschaft abgewöhnt hat, das bedeutet für die moralische Haltung außerordentlich viel, wenn sich manche Buben in der 4. Klasse das furchtbare Schreien abgewöhnen würden.
Im allgemeinen möchte ich sagen, es wird doch eine Frage einer allgemeinen didaktischen Ökonomie sein, wie weit das Chorsprechen gehen soll. Würde man es zuwenig ausbilden, dann leidet die soziale Gesinnung; die bildet sich aus durch das Chorsprechen.
Wenn man es zuviel macht, dann leidet die Auffassungskraft, weil es eine starke suggestive Kraft hat. Die Kinder können Dinge, für die sie sonst keinen Tau haben, wenn sie in der Masse mitsprechen.
Geradeso wie eine Volksmenge auf der Straße mittut. Je jünger sie sind, desto mehr kann das täuschen. Es ist schon gut, daß man sie ganz durcheinander auffordert, dasselbe noch einmal zumachen im einzelnen, so daß jeder aufzupassen hat, wenn der andere seinen Satz bildet. 

eigenschap die opvalt, de kinderen hebt afgeleerd, betekent dat moreel gezien heel veel; als je de 4e klas niet zo laat schreeuwen, of als je B. Ch, afleert dat hij zijn rugzak voor zich uit gooit. Los van de vraag of het als meer of minder goed of stout wordt beschouwd, wanneer je zo’n opmerkelijke eigenschap afleert, als sommige jongens in de 4e klas zouden afkomen van de vreselijke gewoonte om te schreeuwen, betekent dat buitengewoon veel voor het morele gedrag. <3>
<4>In het algemeen zou ik willen zeggen dat het toch een kwestie van algemene didactische economie is, hoe ver we met het koorspreken moeten gaan. Als het te weinig geoefend wordt, dan lijdt de sociale geest daaronder; die wordt gevormd door het spreken in koor.
Als het te veel wordt gedaan, dan lijdt het begripsvermogen eronder, omdat het een sterke suggestieve kracht heeft. Kinderen kunnen dingen wat ze anders niet kunnen, als ze meedoen met de groep.
Net zoals een menigte op straat. Hoe jonger ze zijn, des te bedrieglijker dit kan zijn. Het is goed om hen te vragen hetzelfde individueel nog eens te doen, zodat ieder moet opletten wanneer de ander zijn zin vormt.

Wenn Sie eine Erzählung sagen, so behandelt man Sätze, man läßt den einen fortsetzen. Solche Sachen haben eine gewisse Bedeutung, daß ich sagte: „Derjenige, der in der mittleren Bankreihe an der linken Ecke sitzt, der soll fortfahren!” Solche Sachen haben eine gewisse Bedeutung, daß ich sagte: „Derjenige, der in der mittleren Bankreihe an der linken Ecke sitzt, der soll fortfahren!” „Der einzige, der in der Ecke sitzt, soll fortfahren!” Solche Dinge sollte man machen, wo sie aufpassen müssen, wo man die Kinder dazu bringt, immer mitzutun. Das zu viele Chorsprechen würde die Lässigkeit fördern. In der Musik bestätigt sich das in bezug auf das Brüllen.
Bei der 4. Klasse möchte ich Sie aufmerksam machen auf die Imponderabilien. Ich rede ganz real, die Imponderabilien, die bestehen in gewissen Spannungszuständen der ganzen Klasse. Da ist einfach zum Beispiel das Zahlenverhältnis der Mädchen zu den Knaben. Ich meine nicht, daß man es als solches einrichten müßte. Man muß das Leben nehmen, wie es ist, aber man muß versuchen, auf solche Dinge doch zu achten. Wenn ich nicht irre, ist in der 4. Klasse die größte Bubenzahl im Verhältnis zu den Mädchen. Nun tritt es mir zutage, daß eine gewisse Physiognomie der Klasse ganz wesentlich davon abhängt, wie das Verhältnis der Buben zu den Mädchen ist. Bei Fräulein Lang ist das Verhältnis anders. Auf solche Dinge muß die Aufmerksamkeit gerichtet werden. Bei Fräulein Lang sind wesentlich weniger Buben als Mädchen. Heute waren es ganz sicher mehr als zweimal so viel Buben, heute waren 25 Buben und 11 Mädchen da.

Als je een verhaal vertelt, behandel je zinnen zo, dat je de ander verder laat gaan. Zulke dingen hebben een bepaalde betekenis, toen ik zei: “Degene die in de middelste rij in de linkerhoek zit, moet doorgaan.’ “De enige die in de hoek zit moet doorgaan!” Je moet dit soort dingen doen waarbij ze moeten opletten, waarbij je de kinderen zover krijgt dat ze altijd meedoen. Te veel koorgespreken zou laksheid in de hand werken. Bij muziek wordt dit bevestigd met betrekking tot schreeuwen. <4>
<5>Wat klas 4 betreft wil ik de aandacht vestigen op het imponderabele. Ik spreek in heel reële termen, in bepaalde spanningstoestanden in de hele klas bestaan er onweegbare dingen. Er is gewoon, bijvoorbeeld de verhouding van het aantal meisjes/jongens. Ik bedoel niet dat je het zo moet inrichten. Je moet het leven nemen zoals het is, maar je moet proberen toch op zulke dingen te letten.
Als ik me niet vergis, heeft de 4e klas het grootste aantal jongens ten opzichte van de meisjes. Nu lijkt het mij dat een bepaalde fysionomie van de klas heel wezenlijk afhankelijk is van de verhouding jongens/meisjes. Bij juffrouw Lang is de verhouding anders. De aandacht moet op zulke dingen worden gericht. Er zijn veel minder jongens dan meisjes bij juffrouw Lang. Vandaag waren er zeker meer dan twee keer zoveel jongens, vandaag waren er 25 jongens en 11 meisjes.

Blz. 142

Das stimmt, was ich sage, von der 4. Klasse. In der 6. Klasse sind 12 Buben und 19 Mädchen. Nicht wahr, das ist etwas, worauf man sehr wohl die Aufmerksamkeit richten muß. Interessant war das in der 5. Klasse, wo es gleich ist, wo heute 25 : 25 waren. (Zu Frl. Dr. von Heydebrand:) Es war außerdem die beste Gelegenheit, weil Sie heute einen interessanten Lehrstoff in die Schule gebracht haben. Das ist die richtige Art, so bringt man Anthroposophie hinein. Diese Sachen sind solche, auf die man die Aufmerksamkeit wenden muß.

Wat ik over de 4e klas zeg, klopt. In de 6e klas zijn er 12 jongens en 19 meisjes. Dat is, niet waar, iets waar je erg op moet letten. Interessant was het in de 5e klas, daar is het gelijk, nu zijn er 25:25. (Aan mevrouw Dr. von Heydebrand:) Het was ook de beste gelegenheid omdat u vandaag interessant lesmateriaal mee naar school bracht. Dat is de juiste manier, zo breng je antroposofie mee. [Hier zou je kunnen denken dat er – door het woordje ‘hinein’ antroposofie de school wordt binnengebracht. Daar was Steiner nu juist zo op tegen. Jammer dat we niet te weten komen, wat von Heydebrand hier meebracht.] Dit zijn dingen we aandacht aan moeten besteden. <5>

X.; Ich glaube, bei den Kindern eine Verwandtschaft zu bemerken zwischen Tiefstimme und phlegmatischem Temperament, Mittelstimme und sanguinischem, Oberstimme und cholerischem. Ist das richtig?

<6> X; Ik denk dat ik een relatie merk tussen een lage stem en een flegmatisch temperament, middenstem een sanguinisch, hoge stem een cholerisch temperament. Klopt dat?


Dr.Steiner: Die beiden anderen stimmen vollständig; das mit der oberen Stimme ist recht merkwürdig. Im ganzen ist es so, daß die unteren Stimmen bei den Phlegmatikern, die mittleren bei den Melancholikern und Sanguinikern sind. Die Sanguiniker sind bei der höchsten Stimme. Das Cholerische verteilt sich über alle drei. Es muß noch irgendein besonderer Grund vorliegen. Würden Sie meinen, daß Tenöre besonders Choleriker sind? Auf der Bühne schon. Das Cholerische verteilt sich überall.

Die andere twee kloppen helemaal; dat met de bovenstem is nogal vreemd. Over het geheel genomen is het zo dat de lagere stemmen bij de flegmatici, de middenstemmen bij de melancholici en sanguinische mensen horen. De sanguinische mensen zitten bij de hoogste stem. De cholerische kant is bij alle drie aanwezig. Er moet nog iets speciaals aan ten grondslag liggen. Zou je  denken dat tenoren bijzonder cholerisch zijn? Op het podium, ja. Het cholerische is overal verdeeld.

X.: Wie kommt es, daß man über das Temperament eines Kindes so verschiedener Meinung sein kann?

X: Hoe kan het dat mensen zulke verschillende meningen kunnen hebben over het temperament van een kind?

Dr. Steiner: Diese Frage wird man nicht mathematisch lösen können. Davon ist keine Rede. Das ist bei der Beurteilung von gewissen Grenzfällen möglich, daß der eine diese, der andere jene Ansicht hat.
Sie brauchen auch nicht mathematisch gelöst zu werden. Da wird es so liegen, daß derjenige, der das Kind sieht, der es so oder so auffaßt, selbst von sich aus die Absicht hat, es so zu behandeln. Schließlich ist die Behandlungsweise etwas, was vom Wechselverhältnis herrührt.
Denken Sie ja nicht, daß man darüber diskutieren soll.

Deze vraag kan niet wiskundig worden opgelost. Dat is geen sprake van. Bij grensgevallen kan het voorkomen dat de ene persoon deze mening heeft en de ander een andere mening.
Ze hoeven ook niet wiskundig opgelost te worden. Het zal zo zijn dat de persoon die het kind ziet, die het op de een of andere manier waarneemt, van zich uit een bedoeling heeft om het zo te behandelen. Eigenlijk is de behandelmethode iets dat voortkomt uit de wederzijdse relatie.
Denkt u niet dat dit iets is waar we over moeten spreken?

Eine weitere Anfrage wegen der Temperamente.

Nog een vraag over temperamenten.

Dr. Steiner: Das cholerische Temperament ist gleich verdrossen und entrüstet sich über alles, was eben seiner Aktivität in die Quere kommt. Wenn es in einem rhythmischen Erleben drinnen ist, ist es entrüstet und ärgerlich, aber auch sonst, wenn es ein anderes Erlebnis ist und es wird gestört, so ist es entrüstet. Das ist, nicht wahr, weil der Rhythmus eben innig verbunden ist mit der ganzen menschlichen Wesenheit. Das ist schon der Fall, daß der Rhythmus mehr als alles andere verbunden ist mit der menschlichen Wesenheit, und daß bei dem Choleriker eine starke Rhythmik zugrunde liegt, die gewöhn-

Het cholerische temperament is onmiddellijk somber en verontwaardigd over alles wat zijn activiteit in de weg staat van. Als het het ritmische ervaart en het wordt daarin verstoord, is het verontwaardigd en boos, maar ook als het om een andere ervaring gaat, is het verontwaardigd. Het is toch zo, dat het ritme nauw verbonden is met de hele mens. Het geval is dat het ritme meer dan al het andere, verbonden is met het menselijk wezen en aan het cholerische ligt een sterke ritmiek ten grondslag waar

Blz. 143

lich an sich etwas defekt ist. Napoleon wird man als Choleriker ansehen können. Bei ihm lag es so, daß sein innerer Rhythmus in sich gedrungen war. Bei Napoleon liegt das vor, daß er von einer Seite her veranlagt war, größer zu wachsen, als er gewachsen ist. Er ist zusammengeschoppt geblieben. Sein Ätherleib war größer als sein physischer Leib. Dadurch wurden seine Organe zusammengeschoppt, alles Rhythmische wurde in sich zusammengeschobener und störte sich fortwährend. Weil ein solches cholerisches Temperament auf dem fortwährenden Verkürzen des Rhythmus beruht, so lebt es in sich darinnen.

gewoonlijk iets mis mee is. Napoleon kan worden beschouwd als een cholerisch persoon. Bij hem zat het zo dat zijn innerlijke ritmisch systeem ineen gedrukt was. Napoleon had enerzijds de aanleg groter te worden dan hij in werkelijkheid is geworden. Hij bleef gedrongen. Zijn etherlijf was groter dan zijn fysieke lichaam. Het gevolg was dat zijn organen over elkaar heen werden gedrukt, dat alles wat ritmisch was, naar elkaar toe werd geschoven en voortdurend werd verstoord. Omdat zo’n cholerisch temperament gebaseerd is op het voortdurend verkorten van het ritme, leeft het daarin.

X.: Kann man davon sprechen, daß in einem solchen Temperament einer von den Sinnen vorherrscht?

X: Kan je zeggen dat bij zo’n temperament één van de zintuigen overheerst ?

Dr. Steiner: Sie werden wahrscheinlich bei einem Choleriker in der Regel finden einen abnorm ausgebildeten Gleichgewichtssinn (Waage) und ihn äußerlich nachweisen können in den Kanälen im Ohr bei der Autopsie. Das Erleben des Rhythmus, Gleichgewichtssinn und Bewegungssinn, Wechselwirkung zwischen beiden, rhythmisches Erleben. Mit dem Gleichgewichtssinn und Bewegungssinn wäre bei einem Sanguiniker (Jungfrau) der Bewegungssinn in der Art vorherrschend. So wie beim Melancholiker (Löwe) der Lebenssinn vorherrscht, beim Phlegmatiker (Krebs) der Tastsinn, physiologisch, weil die Tastkörper in kleinen Fettpolstern eingebettet sind. Das ist physiologisch nachweisbar. Es ist nicht so, als ob die Tastkörperchen den Reiz vermittelten. Dasjenige, was geschieht, ist eine Reflexwirkung, wie wenn man Gummibälle eindrückt und sie wieder zurückgehen. Die Wärzchen sind dazu da, um es dem Ich zu vermitteln, um den Reiz im Ätherleib
auf das Ich zu übertragen. Das ist bei jedem der Sinne der Fall.

Je zal waarschijnlijk in het geval van een cholerisch persoon in de regel vinden, dat er sprake is van een abnormaal ontwikkeld evenwichtsgevoel (weegschaal) en dat extern kunnen aanwijzen in de kanalen in het oor bij autopsie. De ervaring van ritme, evenwichtsgevoel en bewegingsgevoel, de interactie tussen beide, ritmische ervaring. Bij de evenwichtszin en bewegingszin zou dan het gevoel voor beweging bij een sanguinicus (Maagd) overheersend zijn. Net als bij de melancholicus (Leeuw) bij wie de levenszin overheerst, bij de flegmaticus (Kreeft) de tastzin, fysiologisch, omdat de tastlichamen in kleine vetkussentjes zijn ingebed. Dit is fysiologisch verifieerbaar.
Het is niet zo dat de tastlichaampjes de prikkel overbrengen. Wat er gebeurt is een reflexeffect, zoals wanneer je rubberen ballen indrukt en de deuk er weer uitgaat. De wratten zijn er om het over te brengen aan het Ik, om de prikkel in het etherlijf over te brengen naar het Ik. Dit geldt voor elk zintuig.<6>
[Wat nog meer bedoeld zou kunnen zijn met Warze (wrat) weet ik niet]

Es wird berichtet über den Eurythmieunterricht.

<7> Er wordt iets gezegd over de euritmieles

Dr. Steiner: Nun, mit der Eurythmie ist es so, daß die Begeisterung etwas theoretisch wird. Das Eurythmeum steht immer vor Augen.
Aber wir haben immer zu wenig Räume. Wenn wir mehr Toneurythmie machen, dann wäre es erwünscht, jemanden zu haben, der etwas Klavier spielt. So etwas kann sich als eine Notwendigkeit ergeben.
Wir haben jetzt verhältnismäßig wenig Toneurythmie gemacht. In Dornach hat Fräulein X. eine Kindergruppe für Toneurythmie eingerichtet und außerordentlich gute Erfolge erzielt. Etwas kann
bemerkt werden, daß mit Ausnahme der ganz begabten älteren Leute die Kinder leichter Eurythmie lernen und namentlich leichter

Nou, bij euritmie is het zo dat het enthousiasme iets theoretisch wordt. Het Eurythmeum is altijd in zicht. Maar we hebben altijd te weinig ruimte. Als we meer tooneuritmie doen, dan zou het wenselijk zijn om iemand te hebben die piano speelt. Zoiets kan zich voordoen als iets noodzakelijks.
Tot nu toe hebben we relatief weinig tooneuritmie gedaan. In Dornach richtte mejuffrouw X. een kindergroep voor tooneuritmie op en behaalde bijzonder goede resultaten. Opgemerkt kan worden dat, met uitzondering van de zeer begaafde ouderen, de kinderen makkelijker euritmie leren en zich juist makkelijker

Blz. 144

sich zur Grazie ausbilden, so daß tatsächlich die Eurythmie im Unterricht sich als fruchtbar erweist. Während es bei Großen wirklich schwer geht, weil sie sich nicht daran gewöhnen wollen, richtig aufzuspringen, lernen es die Kinder ganz graziös. Die Kinder, die da auftreten, denen gegenüber würde es niemand einfallen, daß er das Spreizen der Beine häßlich findet. Es ist ganz und gar nicht häßlich, aber ich bin überzeugt, daß es auch den Leuten gar nicht auffallen würde.

ontwikkelen tot gratie, zodat euritmie in feite in het onderwijs vruchtbaar blijkt te zijn. Hoewel het voor volwassenen erg moeilijk is omdat ze er niet aan willen wennen,  goed op te springen, leren de kinderen heel sierlijk te springen. Bij de kinderen die dat doen, zou niemand denken dat ze het spreiden van de benen vervelend vinden. Dat is het helemaal niet, maar ik ben ervan overtuigd dat de mensen het niet eens zouden opmerken. <7>

X. berichtet über das Turnen. Einige drücken sich auch.

<8> X. doet verslag van gymnastiek. Sommigen ontwijken het ook.

Dr. Steiner: Nun müßte man konstatieren, ob die Betreffenden sich drücken vom Turnen, oder ob sie sich wegschleichen, um Allotria zu treiben.

Dr. Steiner: Nu zou je moeten vaststellen of de betrokkenen bij de gymnastiek wegblijven, of dat ze wegsluipen om wat kattenkwaad uit te halen.

X.: Der M. T. ist in der Eurythmie geschickt, draußen ungeschickt.

X.: M. T. is goed in euritmie, maar daarbuiten onhandig.

Dr. Steiner: Gerade bei ihm könnte ich mir denken, daß er sich drückt, um etwas anderes zu handhaben.

Vooral bij hem kan ik me voorstellen dat hij zich drukt om iets anders te gaan doen.

X.: Er ist faul.

X: Hij is lui.

Dr. Steiner: Wenn er solchen Schabernack aufführt, da ist er doch sehr fleißig. Er ist ein sehr artiger Knabe.

Als hij zulke grappen uithaalt, is hij toch heel ijverig. Hij is een heel brave jongen.<8>

X.: . . .

Dr. Steiner (über den O. N.): Ich finde das eine gute Eigenschaft, daß er die Schrift nachmacht. Es ist eine Erfahrung, daß bei der Ehe der Mann die Schrift bekommt wie die Frau oder umgekehrt.

(over O. N.): Ik denk dat dat een goede kwaliteit is, dat hij de Schrift navolgt. Het is een ervaring dat bij het huwelijk de man de Schrift ontvangt op dezelfde manier als de vrouw en andersom.
[Uit de context is niet op te maken wat hier met s(S)chrift bedoeld wordt de Bijbel?]

Es wird berichtet über Gartenarbeit und Handwerk. Über Schwierigkeiten mit einzelnen Kindern; sie sind unsozial und träge und mögen einander nicht helfen.

<9> Er wordt verslag gedaan over tuinieren en handenarbeid. Over moeilijkheden met individuele kinderen; ze zijn antisociaal en lui en helpen elkaar niet graag.

Dr. Steiner: Sind es viele? Nicht wahr, etwas anderes kann man kaum machen, als diejenigen, die so sind, zusammenspannen, daß man ihnen ein bestimmtes Gebiet anweist, daß man sie veranlaßt, sich zu schämen, wenn sie nichts fertig kriegen. Etwas, wo die Fertigstellung sichtbar wird, wo sie sich schämen, wenn nur ein Viertel gemacht ist. Nicht das Moment des Ehrgeizes! Was ich sagte, rechnet nicht mit dem Ehrgeiz, sondern mit dem Schämen. Dann könnte man noch eine Kommission ernennen, die im Beisein der Kinder das anschaut und das Mißfallen ausdrückt. Ich glaube doch, wenn Frau Molt ernannt wird, die Sache anzuschauen, und Herr Hahn, dann wird sich auch M. T. entschließen zu arbeiten, um nicht das Mißfallen zu erregen. Ein Ausweg wäre, daß man diese Kinder zusam-

Zijn er veel? Je kan toch niet veel anders doen dan degenen die zo zijn, die zo samenspannen, iets specifieks toewijst, dat je ze redenen geeft om zich te schamen als ze niets voor elkaar krijgen. Iets waar de voltooiing zichtbaar wordt, waar ze zich schamen als er maar een kwart is gemaakt. Niet het moment van ambitie! Wat ik zei gaat niet over ambitie, maar over schaamte. Dan zou je nog een [er staat commissie, ik denk aan een groepje] kunnen benoemen die in het bijzijn van de kinderen ernaar kijkt en hun ongenoegen erover uitspreekt. Ik geloof dat als  mevrouw Molt wordt aangesteld om de zaak te onderzoeken, en de heer Hahn, M. T.  er ook wel voor zal kiezen om te werken, om geen ongenoegen op te wekken. Een oplossing zou zijn om deze kinderen bij elkaar te brengen

Blz. 145

menspannt und beim Unterricht in seine Nähe nimmt. Aber das ist schwer durchführbar. Sie müssen dazu getrieben werden, sich zu schämen, wenn sie es nicht fertig kriegen. Ehrgeiz würde ich nicht aufstacheln, aber das Schamgefühl.

en dicht bij hen tijdens de lessen in de buurt te blijven. Maar dat is moeilijk uitvoerbaar. Ze moeten ertoe gebracht worden zich te schamen als ze het niet afmaken. Niet de ambitie zou ik oproepen, maar het gevoel van schaamte. <9>

X. fragt, ob nicht eine Buchbinderei eingerichtet werden könnte?

<10> X. vraagt ​​of er een boekbindwerkplaats zou kunnen worden ingericht?

Ob es sich mit der Schule vereinigen läßt? Buchbinderei wäre etwas, was in den Fortbildungsschulplan hineinfallen könnte. Probeweise könnte es im Einbinden der Bücher bestehen. Ist jemand unter Ihnen, der einen solchen Fortbildungsschulkurs übernehmen könnte? Einer oder zwei, denn die Buchbinderei ist etwas, was wirklich kunstgewerblich ausgebildet werden kann. Wir haben keinen rechten Übergang von den alten schönen Bänden, die nach und nach weggefallen sind, zu den ganz philiströsen Bänden. Und das, was nun neuerdings versucht wird, das sind zumeist kunstgewerbliche Koketterien. Da irgend etwas Kunstgewerbliches zu leisten, das ist immerhin reizvoll. Was wird heute gemacht an Büchern, die keine Bücher sind! Man müßte wieder die Bücher als Bücher machen. Das würde eben in den Rahmen der Fortbildungsschule, des Kunstgewerblichen hineinfallen. An sich ist es eine einfache Arbeit, aber gerade in dieser Beziehung wird man ja etwas machen. Das Technische muß man natürlich gut können. Da würde es etwas zu verbessern geben. Ich meine, wenn es bis zur Goldpressung geht, da gibt es manches zu verbessern. Was gelernt werden muß, das ist verhältnismäßig einfach. Das ist Übung.

Is het te combineren met school? Boekbinden zou iets kunnen zijn dat in het leerplan voor de vervolgopleiding zou kunnen worden opgenomen.
Op proefbasis kan het bestaan ​​uit het inbinden van de boeken. Is er iemand onder u die zo’n vervolgcursus op zich zou kunnen nemen? Een of twee, want boekbinden is iets wat je echt kunt aanleren als een kunst- en ambachtelijke activiteit. Wij hebben geen echte overgang van de oude prachtige banden die geleidelijk zijn verdwenen, naar de meest filisterachtige banden. En wat nu de laatste tijd wordt geprobeerd is vooral een vorm van koketterie in de stijl van kunstnijverheid. Het is zeker aantrekkelijk om daar iets artistieks te doen. Wat wordt er tegenwoordig aan boeken gemaakt die geen boeken zijn? Men zou weer boeken als boeken moeten maken. Dat zou binnen het kader van de voortgezette opleidingsschool, van de kunstnijverheid vallen. Op zich is het een eenvoudig werk, maar vooral in dit opzicht wordt er dan iets gedaan. Natuurlijk moet je het technische goed beheersen. Daar zou nog wel iets te verbeteren zijn. Ik bedoel, als het tot aan gouddruk gaat, valt er nog veel te verbeteren. Wat er geleerd moet worden, is relatief eenvoudig. Dit is oefenen.

X.: Ich weiß nicht, ob ich es noch übernehmen kann.

X: Ik weet niet of ik het nog aankan.

Dr. Steiner: Es ist eine Frage, die im Zusammenhang mit dem Fortbildungsschulwesen behandelt werden müßte.

Het is een vraag die samenhangend met de voortgezette opleiding behandeld moet worden.

X.: Soll ich deshalb einige Stunden abgeben in meiner Klasse?

X: Moet ik dan een aantal lessen uit mijn klas opgeven?

Dr. Steiner: Dann kommen wir ins Fachlehrersystem hinein. Das muß umgangen werden, solange wir nur irgend können, wenn irgendein Mann da ist, und wenn es richtig angefaßt wird, daß es geht.

Dan komen we in het systeem van gespecialiseerde leraren. Dat moet zo lang mogelijk vermeden worden; als er maar iemand is en als het op de juiste manier wordt aangepakt, zodat het gaat.

X.; Zwei Stunden in der Woche sind im Handarbeiten zu wenig. Könnten die
Stunden nicht vermehrt werden?

X; Voor handenarbeid zijn twee uur per week niet genoeg. Zouden er niet meer uren bij kunnen?

Dr. Steiner: Ich habe gesehen beim Handarbeitsunterricht, daß viel Geschicklichkeit da ist. Sobald der Waldorfschulverein viele Millionen bringt, können wir viele Zimmer haben und viele Lehrer anstellen. Ja, aber mehr Zeit können wir kaum dazu verwenden. Das

Ik zag in de werklessen dat er veel vaardigheid aanwezig is. Zodra de Waldorf Schoolvereniging vele miljoenen binnenhaalt, kunnen we over veel lokalen beschikken en veel leerkrachten in dienst nemen. Maar we kunnen er moeilijk meer tijd aan besteden. Het

Blz. 146

andere muß erreicht werden durch Teilung der Klassen. Es ist wohl genügend, zwei Stunden in der Woche. Wir müssen die Klasse teilen, und das ist dann bloß eine Stunde.

andere moet worden bereikt door de klassen te splitsen. Twee uur in de week is wel genoeg. We moeten de klas splitsen en dat is dan slechts een uur.

X.; Soll man Mädchen und Knaben getrennt nehmen?

X; Moeten meisjes en jongens apart genomen worden?

Dr. Steiner: Das würde ich nicht tun, lieber nicht mit dem Auseinanderschälen anfangen. Aber Sie lassen doch die Knaben auch andere Handarbeit verrichten als Stricken? Das gilt auch für die Mädchen. Ja, aber trotzdem würde ich es nicht tun; Knaben und Mädchen trennen, das sollten wir nicht anfangen. Da muß man aus einem anderen Prinzip abhelfen.

Dat zou ik niet doen, ik ga ze liever niet uit elkaar halen. Maar u laat de jongens toch ook andere dingen doen dan breien? Dit geldt ook voor de meisjes. Ja, maar toch zou ik jongens en meisjes niet gaan scheiden, daar moeten we niet aan beginnen. Het moet door iets anders worden verholpen.<10>

X.: Soll die Vorklasse den Charakter eines Kindergartens haben?

<11> X: Moet de voorbereidende klas het karakter van een kleuterklas hebben?

Dr. Steiner: Dort sind die Kinder, die noch nicht die Schule begonnen haben. Wir können nicht irgendwelche Lernfächer bringen. Man soll sie so beschäftigen, daß sie spielen; nicht wahr, gewisse Spiele müssen da sein. Man kann auch etwas in der Form, in der es nicht zum Lernen gehört, erzählen. Aber auch da nicht die Schulanforderungen stellen, nicht darauf sehen, daß unbedingt alles nacherzählt werden muß. Ein eigentliches Lehrziel scheint mir gar nicht nötig zu sein, sondern man versucht herauszukriegen, womit man die Kinder am besten beschäftigen kann. Man braucht kein Lehrziel. Es wird sich darum handeln, daß man Spiele treibt, etwas erzählt, kleine Rätsel löst.

Er zijn daar kinderen die nog niet naar school gaan. We kunnen niet zomaar elk vak onderwijzen. Man moet ze laten spelen; er moeten bepaalde spelmogelijkheden zijn. Je kunt ook iets in een vorm vertellen waarin het niet gaat om te leren. Maar stel ook daar geen schooleisen aan, het hoeft beslist niet zo dat alles naverteld moet worden. Een concrete leerdoelstelling lijkt mij helemaal niet nodig, maar probeer uit te vinden wat je de kinderen het beste kan laten doen. Je hebt geen leerdoel nodig. Het gaat erom dat je speelt, iets vertelt, kleine raadsels [probleempjes, vraagstukjes? ] oplost.

Auch das würde ich nicht pedantisch begrenzen. Ich würde sie behalten, solange die Eltern sie abgenommen haben wollen. Ja, wenn wir könnten, könnten wir sie auch den ganzen Tag haben. Wenn es geht, warum nicht? Eurythmie können Sie auch versuchen, sie dürfen nur nicht verdorben werden. Sie dürfen auch durch sonst nichts verdorben werden. Ich sagte ja, dabei handelt es sich im wesentlichen darum, daß man die Kinder bemuttert, nicht Fröbelei treibt. Sie wollen ganz gewiß nichts schulmäßig Bestimmtes tun, da kann man das mit ihnen tun, was sie wollen.
Dies ist die Konfiguration beim Spielen: Ein Kind, das gewisse Formen des Spielens zeigt, zeigt dieselbe Form dann in der Art und Weise, wie sich der Mensch ins Leben findet. Ein Kind, das langsam spielt, wird in den Zwanzigerjahren langsam sein und langsam denken in all dem, was im Leben zusammengefaßt wird als Lebenserfahrung. Ein Kind, das oberflächlich ist im Spielen, wird auch später oberflächlich werden. Ein Kind, das sagt, ich will mein Spielzeug zer-

Ik zou dat ook niet belerend beperken. Ik zou ze houden zolang de ouders dat willen. Ja, als we konden, zouden we ze de hele dag kunnen houden. Als dat zou kunnen, waarom niet? Je kan ook euritmie proberen, ze moeten alleen
niet verwend worden. Ze mogen ook door niets anders verwend [verpest?] worden. Ik zei het al, het gaat er in wezen om dat de kinderen bemoederd moeten worden, geen gefröbel. Ze willen zeker niets schoolachtigs doen, dus je kunt met ze doen wat zij willen.
Dit is de configuratie van spel: Een kind dat bepaalde vormen van spel laat zien, laat vervolgens dezelfde vorm zien in de manier waarop de persoon zijn weg in het leven vindt. Een kind dat langzaam speelt, zal traag zijn in de twintiger jaren en traag denken in alles wat samengevat wordt in het leven als levenservaring.
Een kind dat oppervlakkig speelt, zal later ook oppervlakkig worden. Een kind dat zegt: Ik wil mijn speelgoed kapotmaken,

Blz. 147

schmeißen, weil ich sehen will, wie es innen ausschaut, das wird ein Philosoph werden. Das ist die Art des Denkens in der Beherrschung des Lebens.
Ja, gewiß, man kann im Spiel sehr vieles tun. Man kann ein Kind, das Neigung hat zum langsamen Spielen, veranlassen, schneller zu spielen. Man gibt ihm eben solche Spiele, wo einige Schnelligkeit notwendig ist.

omdat ik wil zien hoe het er van binnen uitziet, die zal filosoof worden. Dat is de manier van denken bij het beheersen van het leven.
Ja, natuurlijk kun je veel doen met spel. Je kan een kind dat de neiging heeft om traag te zijn bij ’t spelen, sneller laten spelen. Je geeft hem spelletjes waarbij enige snelheid nodig is. 

Es wird nach Chorsprechen gefragt.

Er wordt gevraagd naar spreken in koor.

Dr. Steiner: Man kann es schon machen. — Märchen können auch erzählt werden. Es gibt sehr viele Märchen, die man den Sechsjährigen nicht vorsetzen kann. Damit meine ich nicht das, was der Verein für Ethische Kultur ausmerzt, sondern weil es kompliziert ist. Die Kleinen würde ich noch nicht nacherzählen lassen. Wenn sie aber selbst etwas erzählen wollen, dann anhören. Das ist etwas, was man abwarten muß.

Dat kan. – Sprookjes kunnen ook verteld worden. Er zijn veel sprookjes die je niet aan zesjarigen kan vertellen. Ik heb het niet over wat de Vereniging voor Ethische Cultuur wil uitroeien, maar omdat het ingewikkeld is. De kleintjes nog niet laten navertellen. Maar als ze zelf iets willen vertellen, luister er dan naar. Dat is iets wat je moet afwachten. <11>

Es wird nach den Zeugnissen gefragt.

<12> Er wordt naar de getuigschriften gevraagd.

Dr. Steiner: Wir sprachen schon einmal darüber. Man müßte schon einzelnes hervorzuheben versuchen, aber nicht in pedantischer Weise. Man müßte versuchen, vielleicht doch am Anfang nur die Personalien zu haben, und dann für jedes Kind zu individualisieren. Daß man zum Beispiel schreibt: ,,E. liest gut, erzählt anregend”, und so, daß man sich selbst den Text bildet. Einen Satz, der frei gegeben ist und in dem man das unterstreicht, was sonst als einzelne Fächer gegeben ist. Vielleicht ist es notwendig, alle Fächer anzuführen, vielleicht nicht. Ich würde das Zeugnis so drucken, daß es nur einen Kopf hat: ,,Freie Waldorfschule, Jahreszeugnis des Schülers . . .” und in der Mitte Platz, daß man schreiben kann. Jeder wird nach seinem Genius den Schüler charakterisieren. Wenn mehr Lehrer in Betracht kommen, muß jeder einschreiben. Aber es wäre wünschenswert, daß sich die einzelnen Aussagen nicht allzu stark widersprechen; wenn der eine sagt: ,,Er liest ausgezeichnet”, der andere auch etwas sagt, was dem entspricht. Nicht wahr, es fängt einer an, den Schüler zu charakterisieren, derjenige, der sein Klassenlehrer ist. Die anderen schließen sich an. Es kann nicht gut der Klassenlehrer schreiben: ,,Es ist ein ausgezeichneter Junge”, und dann schreibt jemand anderes: „Das ist ein kleines Scheusal.” Das muß man schon verschmelzen.

We hebben het hier al eerder over gehad. Je zou individuele punten moeten benadrukken, maar niet op een belerende manier. Misschien moeten we proberen te beginnen met alleen wat we kunnen weten over de persoon en dat dan individualiseren voor elk kind. Bijvoorbeeld door te schrijven: “E. leest goed, vertelt animerend”, zodat je zelf de tekst vormt. Een zin die vrij wordt geformuleerd en waarin je duidelijk aangeeft wat zoal aan vakken wordt gegeven.
Misschien is het nodig om alle vakken op te sommen, misschien ook niet. Ik zou het getuigschrift zo drukken dat het slechts één kop heeft: “Vrijeschool, getuigschrift van de leerling . . .” en in het midden ruimte om te schrijven.
Iedereen moet de leerling karakteriseren naar zijn bijzondere aard. Als meer leraren in aanmerking komen, moet iedereen schrijven. Maar het
zou wenselijk zijn dat de individuele uitspraken elkaar niet te sterk tegenspreken; als de een zegt “Hij leest uitstekend”, de ander ook iets dat daarmee in overeenstemming. Iemand begint met de leerling te karakteriseren, zijn klassenleraar. De anderen sluiten aan. Het kan niet zo zijn dat de klassenleraar schrijft: “Hij is een uitstekende jongen”, en dan iemand anders: “Hij is een ondeugd”. Je moet wel samengaan.

Es wird gefragt nach dem Zeugnis der Religionslehrer der Konfessionen.

Er wordt gevraagd naar het getuigschrift van de godsdienstleraren van de verschillende godsdiensten.

Blz. 148

Dr. Steiner: Der muß auch seinen Senf dazu schreiben, der Religionslehrer, das muß schon auch ebenso sein. Hier werden sich die Herren disziplinieren müssen. Sie müssen sich darauf einlassen, sonst können sie nichts schreiben.

Hij moet ook zijn steentje bijdragen, de godsdienstleraar, dat moet ook. Hier zullen de heren zichzelf wat discipline op moeten leggen. Ze moeten zich er wel op instellen, anders kunnen ze niets schrijven.

X.: Ist eine Kontrolle nötig, daß die Zeugnisse vorgezeigt werden?

X.: Is het nodig om te controleren of ze de getuigschriften laten zien?

Dr. Steiner: Ich würde einfach die Einführung machen, daß die Eltern, welche wünschen, daß ihre Kinder wieder aufgenommen werden sollen, ihren Namen unter das Zeugnis des vorigen Jahres setzen mögen. Wenn sie nicht mehr kommen, brauchen wir darüber keine Vorschrift zu machen. Wenn sie wiederkommen wollen, sollen die Eltern den Namen daruntersetzen.
Es ist ja gegangen ohne Zwischenzeugnis. Ist das verlangt worden von den Eltern, ein Zwischenzeugnis?
Ja, das Kind meldet sich und bringt das Zeugnis, bekommt es am Ende des Jahres wieder, wenn es schon ein Heft ist. Gewiß kann es ein Heft sein, perforiert. Nehmen Sie an, ein Kind ist anfangs schlecht, man muß ihm Tadel hineinschreiben, und es wird dann später besser, dann hat es vielleicht ein Interesse daran, die vorhergehenden Zeugnisse wegzunehmen: also perforiert.

Ik zou gewoon de regel willen invoeren dat ouders die willen dat hun kinderen opnieuw worden toegelaten, hun naam onder het getuigschrift van het vorige jaar moeten zetten. Als ze niet terugkomen, hoeven we daar geen regel voor te maken. Als ze terug willen komen, moeten de ouders hun naam eronder zetten. Het is zonder tussentijdsrapport gegaan. Hebben de ouders om een tussenrapport gevraagd?
Dan moet het kind zich melden en het getuigschrift brengen;  het krijgt het terug aan het einde van het jaar, als het al een schrift is. Het kan zeker een geperforeerd boekje zijn. Stel dat een kind slecht is aan het begin, dan moet je er berispingen in schrijven, en dan wordt het later beter, dan kan het er belang bij hebben om de vorige rapportering eruit te halen: met andere woorden, geperforeerd.

Da kann man ja etwas, was nicht ganz lobend ist, schreiben. Sie können nicht diesen beiden Kindern das Zeugnis ausstellen, daß sie ausgezeichnet schreiben, aber man kann es schon so fassen, indem man, ohne zu zensieren, charakterisiert, wie weit das Kind im Schreiben ist. Bei dieser kleinen M , da würde ich schreiben: „Hat es noch nicht weiter gebracht, als zum mühsamen Nachschreiben einfacher Worte, wobei das Kind sehr häufig unnötige Striche an die Buchstaben anfügt.” Die Kinder charakterisieren!

Je kan iets schrijven dat niet helemaal complimenteus is. Je kan deze twee kinderen geen getuigschrift geven met daarin dat ze uitstekend schrijven, maar je kan wel beschrijven, zonder de prestatie te beoordelen, hoe ver het kind is gekomen met schrijven. Voor deze kleine M zou ik schrijven: “Is niet verder gekomen dan het moeizaam naschrijven van simpele woorden, waarbij hij vaak onnodige streepjes aan de letters toevoegt.” Karakteriseer de kinderen!

Auf eine weitere Frage:

Op een andere vraag:

Dr. Steiner: Dann ist eben das Kind sitzengeblieben. Ich würde nur unterscheiden solche, die mitkommen, und solche, bei denen man bestimmt: wenn das Kind wiederkommt, kommt es in die Hilfsklasse. Dieses Sitzenbleibenlassen, das würde ich gar nicht einführen wollen. Es handelt sich bei beiden um Kinder, die bald nach Weihnachten gekommen sind. Nicht wahr, jetzt, nachdem wir die Hilfsklasse eingeführt haben, jetzt haben wir die Möglichkeit, Kinder, die ganz und gar nicht versprechen, mit dem Lehrziel zurechtzukommen, in die Hilfsklasse zu geben, zum Beispiel Schwachsinnige. Für die anderen ist es nicht gut, dieses Sitzenbleiben einzuführen. Das hätte gemacht werden müssen, als das Kind eintrat. Es wäre doch

<13> Dan is het kind gewoon blijven zitten. Ik zou alleen onderscheid maken tussen degenen die het volhouden en degenen voor wie is besloten dat het kind, als het terugkomt, in de speciale klas wordt geplaatst. Ik zou deze praktijk van een jaar blijven zitten helemaal niet willen invoeren. Beide kinderen zijn kort na Kerstmis gekomen. Nu we de speciale klas hebben ingevoerd, hebben we de mogelijkheid om kinderen die absoluut geen belofte tonen om de leerdoelen te halen, bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapte kinderen, in de speciale klas te plaatsen. Voor de anderen is het niet goed om deze praktijk van een jaar te blijven zitten in te voeren. Dat had al moeten gebeuren toen het kind op school kwam. Het zou

Blz. 149

schön, wenn wir das Prinzip des Sitzenbleibens nicht kultivieren würden. Ich sehe nicht ein, nach welchem Gesichtspunkt es geschehen soll. In Ihrer Klasse sind Kandidaten des Sitzenbleibens außer diesen zweien, die in die Hilfsklasse kommen können, höchstens drei, und die müßte man im Grunde genommen mitschleppen können, indem man sie nicht mordsmäßig lobt, auch nicht tadelt, aber sagt, es ist das Lehrziel nicht gänzlich erreicht. Wir wären verpflichtet gewesen, das Kind in die richtige Klasse zu versetzen bei der Aufnahme. Jetzt ist es nicht schlau, wenn wir das Kind sitzen lassen.
Es wäre wichtig, sich über die H. auszusprechen, wie man das später behandeln will. Man müßte sie in die 3. Klasse stecken; wenn es so ausgesprochen ist, dann müßte sie in die Klasse kommen, in die sie kommen kann. Aber im ganzen sollten wir nicht Kinder das ganze Jahr behalten, namentlich solche, die aus fremden Schulen kommen, und dann sitzenbleiben lassen. Nun sind sie aber schon darinnen. Es sind ja nicht so ausgesprochen schlechte Kinder da, die muß man in diesen einzelnen Fällen mitnehmen und später niemals wieder ein Kind hineinnehmen in eine Klasse, die zu hoch ist.

toch mooi zijn als we het principe van het blijven zitten niet zouden cultiveren. Ik zie niet in waarom dat zou moeten. In uw klas zitten, afgezien van deze twee die in de bijlesklas geplaatst kunnen worden, maximaal drie kandidaten voor het blijven zitten, en je zou ze in principe mee moeten kunnen nemen door ze niet overdreven te prijzen of te berispen, maar door te zeggen dat het leerdoel niet volledig is bereikt. We zouden verplicht zijn geweest om het kind bij toelating in de juiste klas te plaatsen. Het is niet verstandig om het kind nu in de steek te laten.
Het zou belangrijk zijn om te bespreken hoe we later met H. willen omgaan. Ze zou in klas 3 geplaatst moeten worden; als dat zo besloten wordt, dan zou ze in de klas moeten worden geplaatst waar ze in kan. Maar over het algemeen zouden we kinderen niet het hele jaar moeten houden, vooral niet degenen die van andere scholen komen, en ze dan een klas laten overdoen. Maar nu zitten ze al in die klas. Het zijn geen bijzonder slechte leerlingen; we moeten ze in deze individuele gevallen meenemen en nooit meer een kind in een te hoge klas plaatsen.

X.: In welche Klasse soll man Kinder von anderen Schulen einreihen? Soll man sich an das Lebensalter halten oder ausgleichen?

X. In welke klas moeten kinderen van andere scholen worden geplaatst? Moeten we onze beslissingen baseren op leeftijd of de tegenstellingen wegwerken?

Dr. Steiner: Nicht wahr, in der Zukunft, wenn wir die Kinder vom sechsten Jahr bekommen und alle Klassen durch haben, dann kann ja das nicht vorkommen. Die müssen wir versuchen, in die Klasse zu setzen, für die sie taugen, sowohl dem Lebensalter nach, als nach dem, was sie können.

In de toekomst, wanneer we de kinderen vanaf 6 jaar krijgen en alle klassen hebben, kan dat niet meer. We moeten proberen ze in de klas te plaatsen waar ze geschikt voor zijn, zowel qua leeftijd als qua vaardigheden.

Es wird gefragt, ob ein Kind in die Hilfsklasse abgegeben werden sollte.

De vraag is of een kind in een speciale klas moet worden geplaatst.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß es möglich ist. Gerade in der 1. Klasse sollten Sie nicht zu weit gehen im Absondern zur Hilfsklasse. Ich habe es ja gesehen, das ist richtig, aber auf der anderen Seite ist ja noch nicht so furchtbar viel verloren, wenn ein Kind in der 1. Klasse noch schlecht schreibt..Nicht wahr, alle Kinder dieser Art werden, wenn man es durchführen könnte, natürlich unendlich viel gewinnen, wenn man solche Übungen mit ihnen macht, wie ich sie dazumal inauguriert habe.
Wenn man sie so etwas machen läßt (Dr. Steiner zeigt eine Übung): Reich die rechte Hand über den Kopf und ergreife dein linkes Ohr. —
Oder wenn man solche Sachen zeichnen läßt, eine Spirale, die nach innen verläuft, eine Spirale, die rechts verläuft, und eine Spirale, die links verläuft, so gewinnen sie sehr viel. Solche Übungen, durch die sich die Kinder ins Denken hineinstellen müssen.

Ik denk niet dat het mogelijk is. Vooral in klas 1 moet je niet te ver gaan met het scheiden van kinderen in een speciale klas. Ik heb het gezien, en het is goed, maar aan de andere kant is er nog niet zoveel verloren als een kind in klas 1 nog steeds slecht schrijft. Is het niet zo dat alle kinderen van dit type, als het zou kunnen natuurlijk, oneindig veel zouden winnen als je oefeningen met ze doet zoals ik die destijds heb geïntroduceerd? <13>
<14> Als je ze zoiets laat doen (Dr. Steiner demonstreert een oefening): Strek je rechterhand boven je hoofd en pak je linkeroor vast. –
Of als je ze dingen laat tekenen zoals deze: een spiraal die naar binnen loopt, een spiraal die naar rechts loopt en een spiraal die naar links loopt, dan leren ze er enorm veel van. Van die oefeningen, waarbij de kinderen moeten nadenken.

Blz. 150

Dann das Schreiben: es sind einige, die sehr schlecht schreiben, und es gibt eine ganze Menge, die erstklassig sind. Die Kinder werden nicht viel davon haben, wenn Sie sie anhalten, daß sie durch die Verbesserung der Schrift besser schreiben lernen. Finger geschickt machen! Dann lernen sie besser schreiben.
Ich glaube nicht, daß Sie es zuwege bringen, eine schlechte Schrift durch die Bemühungen nach dem besseren Schreiben besser zu machen. Sie müssen Bemühungen machen, daß die Kinder geschickter werden im Zeichnen von Formen. Wenn sie Klavier spielen würden, würden sie besser schreiben lernen. Es ist durchaus ein richtiges Apercu, daß dieses eigentliche schlechte Schreiben auftritt erst in der Zeit, wo die Spielsachen der Kinder so außerordentlich materialistisch geworden sind. Es ist geradezu empörend, daß ein großer Teil der Spielsachen in Baukästen besteht. Der dürfte überhaupt kein Spielzeug sein, weil er atomistisch ist. Wenn das Kind eine einfache Schmiede hat, so muß das darauf ausgehen, daß das Kind sie handhaben muß. Ich möchte für ein Kind ein Spielzeug haben, das sich bewegt. Das steht in der „Erziehung des Kindes”. Die Spielzeuge heute sind furchtbar schlecht, und daher lernen die Kinder nicht mehr Fingergeschicklichkeit und können schlecht schreiben.

Dan nog het schrijven: er zijn er een paar die heel slecht schrijven, en er zijn er een heleboel die het uitstekend doen. Kinderen hebben er weinig baat bij als je ze aanmoedigt om beter te leren schrijven door hun handschrift te verbeteren. Maak hun vingers behendig! Dan leren ze beter schrijven. Ik geloof niet dat je een slecht handschrift kunt verbeteren door ernaar te streven beter te schrijven. Je moet ernaar streven om kinderen bekwamer te maken in het tekenen van vormen. Als ze piano zouden spelen, zouden ze beter leren schrijven. Het is een waar inzicht dat dit daadwerkelijke slechte schrijven alleen voorkomt in een tijdperk waarin kinderspeelgoed zo buitengewoon materialistisch is geworden. Het is ronduit om uit je vel te springen dat een groot deel van het speelgoed uit blokkendozen bestaat. Dit zou helemaal geen speelgoed moeten zijn, omdat het atomistisch is. Als een kind een simpele smidse heeft, moet dat zijn omdat het kind ermee moet omgaan. Ik zou willen dat een kind een stuk speelgoed heeft dat beweegt. Dit staat in “De opvoeding van het kind”. Het speelgoed van tegenwoordig is ronduit slecht, waardoor kinderen vaardige vingers meer krijgen en dan schrijven ze slecht.

Es würde ja genügen, wenn man solche Kinder — man kann es in der Schule nicht machen —, die schlecht mit der Hand schreiben, anhalten würde, ganz einfache Formen mit den Füßen zu machen. Das wirkt auf die Hand zurück. Mit den Füßen kleine Kreise zeichnen. Halbkreise, Dreiecke. Daß sie zwischen eine Zehe und die nächste einen Bleistift kriegen und Kreise machen müssen. Man kann es nicht leicht machen. Das ist sehr interessant. Es eignet sich schwierig an, aber es ist sehr interessant zu machen. Im Sande draußen würde ich es als ganz gut betrachten, mit den Zehen mit einem Stock Figuren in den Sand hinein machen zu lassen, das wirkt auf die Hand ungeheuer stark zurück. Oder ein Kind etwas aufheben lassen mit dem Fuße; ein Taschentuch mit dem Fuß aufheben statt mit der Hand, das wirkt sehr stark. Ich will nicht sagen, daß sie essen müssen mit den Füßen.
Aber, nicht wahr, man darf es nicht systematisch machen. Man muß versuchen, nicht direkt auf die Schriftverbesserung zu sehen, sondern sie geschickt zu machen im Zeichnen von Kunstformen. Symmetrie herauskriegen in einer komplizierten Form. (Zu Herrn Baumann:) Taktschlagen, das ist eine gute Sache für die Ausbildung der Verstandesformen und logischen Formen.

Het zou voldoende zijn als je kinderen die slecht met de hand schrijven zou aanmoedigen om heel simpele vormen met hun voeten te maken – je kan dat op school niet doen. [het is niet duidelijk waarom niet – het levert geen enkel probleem opDat heeft een werkend effect op de hand. Kleine cirkels tekenen met de voeten. Halve cirkels, driehoeken. Een potlood tussen de ene en de andere teen zetten en dan cirkels moeten tekenen. Dat is niet makkelijk te doen. Het is heel interessant. Het is moeilijk om te leren, maar het is heel interessant om te doen. Buiten in het zand zou ik het heel goed vinden om ze met hun tenen en een stokje vormen in het zand te laten maken; dat heeft een enorm sterk effect op de hand. Of een kind iets met zijn voet laten oppakken; een zakdoek met zijn voet in plaats van met zijn hand oppakken; dat heeft een heel sterk effect. Ik wil niet zeggen dat ze met hun voeten moeten eten.
Maar weet je, je kunt het niet systematisch doen. Je moet
proberen je niet direct te richten op het verbeteren van het handschrift, maar eerder op het ontwikkelen van vaardigheid in het tekenen van artistieke vormen. Symmetrie bepalen in een complexe vorm. (Tegen meneer Baumann:) Maat slaan is goed voor de ontwikkeling van het verstand en de logica. <14>

X. fragt wegen linkshändigen Schreibens.

<15> X vraagt ​​naar linkshandig schrijven.

Blz. 151

Dr. Steiner: Ja, im ganzen wird man finden, daß diejenigen Kinder, die spirituelle Anlagen haben, unbehindert schreiben können, wie sie wollen, links und rechts. Aber Kinder, die materialistisch sind, die werden vom Schreiben mit beiden Händen idiotisch. Einen gewissen Grund hat es schon, daß die Rechtshändigkeit auftritt. Es ist so, daß Kinder in diesem materialistischen Zeitalter durch die Linkshändigkeit idiotisch werden, wenn beide Hände abwechselnd gebraucht werden. Das ist unter Umständen eine nicht unbedenkliche Sache bei all den Dingen, die Verstand in sich haben; beim Zeichnen gar nicht. Zeichnen kann man sie ganz gut lassen mit beiden Händen.

Ja, over het algemeen zul je zien dat kinderen die spirituele gaven hebben, vrij kunnen schrijven, zoals ze willen, links of rechts. Maar materialistische kinderen raken van slag door met beide handen te schrijven. Er is een bepaalde reden waarom rechtshandigheid voorkomt. Het is waar dat kinderen in deze materialistische tijd van slag raken door linkshandigheid wanneer beide handen afwisselend worden gebruikt. Dit is onder bepaalde omstandigheden niet zonder problemen, bij alle dingen die met de rede te maken hebben; helemaal niet bij tekenen. Je kunt ze prima met beide handen laten tekenen. <15>

Es wird gefragt, ob man auch Märchen erzählen kann, in denen blutige Dinge
vorkommen.

<16> De vraag is of je ook sprookjes kunt vertellen waarin bloedige dingen voorkomen.

Dr. Steiner: Wenn das Märchen so wäre, daß die Absicht vorliegt, daß das Blut als Blut wirkt, dann wäre es unkünstlerisch. Bei Märchen kann nur entscheiden, daß es ein geschmackvolles Märchen ist. Da kann es nicht schaden, wenn auch Blut darin ist. Ich habe einer Mutter gesagt, wenn man es absolut vermeiden will, den Kindern von Blut zu reden im Märchen, so verzärtelt man sie so, daß sie später bei einem Blutstropfen in Ohnmacht fallen. Das ist eine Schädlichkeit fürs Leben. Man soll die Kinder nicht untüchtig machen fürs Leben dadurch, daß man einen solchen Grundsatz aufstellt.

Als het sprookje zo zou zijn dat het de bedoeling was dat het bloed als bloed zou verschijnen, dan zou het onartistiek zijn. Bij sprookjes kan alleen de vraag doorslaggevend zijn of het een smaakvol sprookje is. Het kan geen kwaad als er bloed in zit. Ik zei ooit tegen een moeder: als je absoluut wil vermijden in het sprookje bloed te noemen, verwen je de kinderen zo erg dat ze later flauwvallen bij het zien van zelfs maar een druppel bloed. Dat is schadelijk voor het leven. Je moet kinderen niet ongeschikt maken voor het leven door zo’n principe te hanteren. <16>

Es wird gefragt wegen der L. G. in der 3. Klasse, die nervös ist und stottert.

De vraag gaat over L.G. in groep 3, die nerveus is en stottert.

Dr. Steiner: Abhelfen würde es nur, wenn Sie versuchen würden, Übungen zu machen, ich weiß nicht, ob unter unseren Übungssätzen solche sind, mit K und P; die müßte man sie machen und dabei gehen
lassen, und dann könnte sie auch diese Sätze sprechen. Wenn sie in der Eurythmie auch K und P machen würde, wäre es auch gut. Aber solche Dinge sind nicht seriös zu nehmen, gewöhnlich verlieren sie
sich später.

<17> Het zou alleen helpen als u oefeningen zou proberen te doen – ik weet niet of er bij onze oefeningszinnen ook iets is voor K en P; u zou haar die moeten laten doen en daarbij laten lopen dan kan ze die zinnen ook spreken. Als ze ook K en P in de euritmie zou willen, zou dat ook goed zijn. Maar zulke dingen worden niet serieus genomen en verdwijnen ze gewoonlijk later weer. 

Wegen der Schülerin E. M. in der 5. Klasse, die stottert.

Wat betreft leerlinge E.M. in klas 5, die stottert.

Dr. Steiner: Ja, haben Sie sie mir damals vorgeführt? Die müßte ich doch sehen. Man muß doch wissen, woran es liegt, ob es ein organischer Fehler ist oder seelisch. Es kann beides sein. Wenn es ein seelischer Fehler ist, kann man bestimmt formulierte Sätze machen, wodurch sie sich trainieren müßte. Wenn es ein organischer Fehler ist, dann müßte man etwas anderes machen. Die müßte ich morgen anschauen.

Ja, u heeft haar mij toen aangewezen?? Ik moet haar toch zien. We moeten weten wat de oorzaak is, of het nu een organische afwijking is of een psychische. Het kan allebei. Als het een psychische afwijking is, kan je zeker geformuleerde zinnen maken, die ze moet oefenen. Als het een organische fout is,
dan zou er iets anders moeten gebeuren. Daar moet ik morgen naar kijken. <17>

Eine Frage wegen A. W. in der 5. Klasse. Er schreibt Titel zu seinem Namen und
unterstreicht das ich.

<18> Een vraag over A.W. in klas 5. Hij schrijft titels naast zijn naam en onderstreept ‘Ik’.

Blz. 152

Dr. Steiner: Das ist ein Verbrechertypus, der kann ein Schriftfälscher werden. Ausgesprochene Anlage zum Verbrechertypus. Er kann viel besser schreiben. Ein ausgesprochener Verbrechertypus. Bei ihm
müßte man eine Art seelischen Korrektionsunterricht einrichten.
Den müßte man zwingen, drei solche — (?) — hintereinander stramm zu machen. Ich will ihn morgen anschauen. Der Vater ist infantil.

Dat is het type crimineel, hij zou een vervalser kunnen worden. Een duidelijke aanleg om crimineel te zijn. Hij kan veel beter schrijven. Een specifiek type crimineel. Hij zou een soort psychologische correctieles moeten krijgen. Hij zou gedwongen moeten worden om er drie achter elkaar te doen –(?) – Ik wil hem morgen zien. De vader is een infantiel. <18>

Es wird gefragt nach einer Schlußfeier.

<19> Er wordt naar een slotceremonie gevraagd.

Dr. Steiner: Ich würde die Jahresschlußfeier so gestalten, wenn ich eventuell da wäre, daß ich reden würde, daß dann Herr Molt redet, daß die Lehrer reden, daß das ganze eine Symphonie gibt von dem, was man den Schülern gerne sagen würde. Nicht Schülerproduktionen machen, das kann in der letzten Monatsfeier gemacht werden.
Da würde man eine Wegleitung haben, die rückblickt auf das Schuljahr und vorblickt auf die Ferien, die Hoffnung erweckt und vorblickt auf das nächste Schuljahr und so weiter. Das meine ich.

Ik zou de eindejaarsceremonie zo organiseren, dat als ik erbij was, ik zou spreken, dat daarna meneer Molt zou spreken, dat de leraren zouden spreken, zodat het geheel een symfonie zou zijn van wat we tegen de leerlingen graag zouden willen zeggen. De leerlingen hoeven niets te laten zien, dat kan tijdens het laatste maandfeest.
Een terugblik op de gang door het schooljaar en een vooruitblik naar de vakantie, die hoop geeft en vooruitkijkt naar het volgende schooljaar, enzovoort. Dat bedoel ik. <19>

Eine Dame hatte die Absicht, einen Film über die Waldorfschule und über die
Dreigliederung herzustellen.

<20> Een dame zou een film willen maken over de vrijeschool en de driegeleding.

Dr. Steiner: Ich habe keine rechte Vorstellung von dem, was gemacht werden soll in dieser Richtung. Wenn jemand zum Beispiel das Haus verfilmen will, das kann nichts schaden; das ist nichts Schlimmes. Wenn sie durch einen internationalen Film auch beiträgt zum Bekanntwerden der Waldorfschule, so hat man in der Zeit des öffentlichen Auftretens nichts dagegen, da sind wir ja nicht verantwortlich. Wir sind verantwortlich, daß die Waldorfschule ordentlich ist. Wir sind nicht verantwortlich für das, was sie photographiert, geradesowenig als wie Sie verantwortlich sind, wenn Sie auf der Straße gehen und jemand nimmt Sie auf. Wir können ruhig sagen, wir werden tun, was wir können. Wir können nichts tun. Schließlich, wenn man Eurythmiestunden photographieren kann, ich habe sogar photographieren lassen in Dornach, um es zu reproduzieren; ich habe einzelne Momente gewählt, es ist nicht gelungen. Das ist eine technische Frage. Ich glaube nicht, daß viel herauskommt. Sie will die Dreigliederung im Film bringen — ich dachte mir, warum sollte nicht auch eine gute Sache gegenüber den schlechten Sachen verfilmt werden. Darauf haben wir keinen Einfluß, wenn sie ein Stück erfindet, wo zwei Leute sprechen über die Waldorfschule. In die Klassen braucht man sie ja nicht hineinzulassen. Sie kann nicht mehr beanspruchen, als, wenn einmal eine öffentliche Kinder Eurythmievor-

Ik heb eigenlijk geen duidelijk idee wat er in die richting gedaan zou moeten worden. Als iemand bijvoorbeeld het gebouw wil filmen, kan dat geen kwaad. Als het ook bijdraagt aan de publiciteit van de vrijeschool door middel van een internationale film, dan is daar niets mis mee in de tijd van het publieke optreden, daar zijn wij niet verantwoordelijk voor. Wij zijn er wel verantwoordelijk voor dat de vrijeschool goed is. Wij zijn niet verantwoordelijk voor wat ze fotografeert, net zo min als u verantwoordelijk bent als u over straat loopt en iemand een foto van u maakt. We kunnen rustig zeggen dat we doen wat we kunnen. We kunnen niets doen. Tot slot, als je euritmielessen kan fotograferen – ik heb zelfs in Dornach laten fotograferen om ze te reproduceren – toen heb ik een paar losse momenten gekozen, maar het werkte niet. Dat is een technische kwestie. Ik denk niet dat er veel van terechtkomt. Ze wil de driegeleding in een film presenteren – ik dacht: waarom zou iets goeds niet tegenover het slechte gefilmd kunnen worden? We hebben er geen invloed op als ze een stuk produceert waarin twee mensen over de vrijeschool praten. In de klassen hoef je haar niet toe te laten. Ze kan niet meer claimen dan wanneer ze een keer een openbare euritmievoorstelling voor kinderen

Blz. 153

Stellung ist, dann kann sie es photographieren lassen. Da sie für Eurythmie Reklame macht, so ist das ihr Beitrag zu den Arbeiten, die die Mitglieder machen. Es ist ziemlich sinnlos, wenn sie die Klassen verfilmen will; sie kann jede beliebige Schule verfilmen, es wird nicht besonders anders ausschauen. Sie könnte zum Beispiel das furchtbare Geschrei in der 4. Klasse grammophonisch aufnehmen, das erscheint dann auf der Orgel.
Ich habe kein Recht, wenn irgendwo etwas getan werden kann zum Bekanntwerden der Dreigliederung und der Schule, von vorneherein aus irgendeiner falschen Bescheidenheit dieses zu unterbinden. Es wäre schön, wenn man alles, was geschmacklos ist, unterbinden könnte. Aus einer falschen Vornehmheit heraus würde ich mir nicht getrauen, einen Weg zu verhindern. Wir haben alles Interesse daran, die Schule so vollkommen als möglich zu machen, aber wenn sie jemand verfilmt, haben wir kein Interesse daran, so etwas zu inkriminieren. — Ich kann sagen, wenn sie sich hingestellt hätte und den Vortrag verfilmt hätte, was könnte ich dagegen machen?

fotografeert. Omdat ze euritmie promoot, is dat haar bijdrage aan het werk van de leden. Het heeft nauwelijks zin als ze de lessen wil filmen; ze kan elke school filmen die ze wil; het zal er niet veel anders uitzien. Ze zou bijvoorbeeld het vreselijke geschreeuw in klas 4 op een grammofoon kunnen opnemen, en dat wordt dan aan de grote klok gehangen.
Ik heb geen recht, als er ergens iets gedaan kan worden om de driegeleding en de school bekend te maken, om het van meet af aan te voorkomen uit valse bescheidenheid. Het zou mooi zijn als alles wat van slechte smaak getuigt, voorkomen kon worden. Uit een vals gevoel van nobelheid zou ik het niet aandurven om het te voorkomen. We hebben er alle belang bij om de school zo perfect mogelijk te maken, maar als iemand het filmt, hebben we er geen belang bij om te beschuldigen. — Ik kan zeggen: als ze was opgestaan ​​en de voordracht had gefilmd, wat had ik er dan aan kunnen doen? <20>

Eine Frage wegen der Reisen nach Dornach zum Ersten anthroposophischen Hochschulkurs am Goetheanum (26. September bis 16. Oktober).

Een vraag over de reizen naar Dornach voor de eerste antroposofische hogeschoolcursus in het Goetheanum (26 september tot 16 oktober).

Dr. Steiner: Sehen Sie, die Dinge sind nicht so leicht. Wir wollen doch im Herbst diesen Kurs machen, wo die Verschiedenen vortragen sollen. Es sind auch Stein und Stockmeyer eingeladen. Da wäre es natürlich wünschenswert, wenn viele hinkommen könnten. Nun ist ja das Unterkommen in Dornach ebenso schwer als in Stuttgart. Man wird nicht leicht eingeladen. Die Valutageschichte. Nun ist es möglich, daß wir, wenn die Währungsfrage gelöst werden kann, immerhin eine Anzahl von Leuten unterbringen können. Das strebe ich an, daß jeder, der von der Entente kommt, zwei andere mit zu unterhalten hat, die aus den Mittelländern kommen. Aber nun, es wird nicht familiär (?) zu sein brauchen. Man könnte es so machen, wie man es beim Ärztekurs gemacht hat, das läßt sich schon machen. Aber man darf nicht vergessen, reiche Leute haben wir auch nicht in Dornach und in Basel.

Ziet u, het is niet zo makkelijk. We willen deze cursus in het najaar houden, waar de verschillende mensen lezingen zouden moeten geven. Stein en Stockmeyer zijn ook uitgenodigd. Het zou natuurlijk wenselijk zijn als er veel mensen zouden komen. Nu is het vinden van accommodatie in Dornach net zo moeilijk als in Stuttgart.
Het is niet makkelijk om uitgenodigd te worden. De valutakwestie. Nu, het is mogelijk dat we, als de valutakwestie kan worden opgelost, in ieder geval een aantal mensen kunnen huisvesten. Mijn doel is dat iedereen die uit de Entente-landen komt, twee anderen heeft om te onderhouden, die uit de Midden-Europese landen komen. Maar goed, het hoeft geen familie?regeling te zijn. We zouden het kunnen doen zoals we met de artsencursus hebben gedaan; dat is zeker haalbaar. Maar we mogen niet vergeten dat er in Dornach en Bazel ook geen rijke mensen zijn.

X.: Es gibt auch Paßschwierigkeiten.

X: Er zijn ook paspoortproblemen.

Dr. Steiner: Im allgemeinen, wenn die Leute zu ihrer Erholung nach der Schweiz kommen wollen, dann geht es. Sie müssen nur nicht zu einem anderen Zweck nach der Schweiz gehen wollen; man muß nicht in die Schweiz gehen wollen, um etwas dort zu verdienen. Wie wir behandelt werden, das ist ganz horribel. Sie geben jetzt Aufent-

Over het algemeen geldt: als mensen naar Zwitserland willen komen voor ontspanning, dan is dat mogelijk. Ze moeten alleen niet voor andere doeleinden naar Zwitserland willen; je moet niet naar Zwitserland willen gaan om daar iets te verdienen. De manier waarop we behandeld worden is ronduit afschuwelijk. Ze geven nu verblijfsvergunningen af,

Blz. 154

haltsbewilligungen, daß man Steuersätze bezahlt. Unter dem geben sie es nicht. Wir kriegen es jetzt schon schlimm. Das sind die schweren Sorgen, die man hat mit dem Dornacher Bau. Wenn nicht eine andere Stimmung eintritt durch den Bau, wird es so, daß er gar nicht von Auswärtigen besucht werden kann.

waarvoor je belasting betaalt. Daaronder geven ze die niet. We komen nu al in de problemen. Dit zijn de ernstige zorgen die we hebben over het Dornachgebouw. ​​Als er door de bouw geen andere sfeer wordt opgeroepen, wordt het voor buitenstaanders helemaal onmogelijk om het te bezoeken.

Über das Reproduzieren der Malereien in der Kuppel des Goetheanums.

<21>Over de reproductie van de schilderijen in de koepel van het Goetheanum.

Dr. Steiner: Was da in der Kuppel aus den Farben heraus gemalt ist, das muß aus den Farben heraus gemalt verstanden werden. Versucht man, das durch Photographie zu reproduzieren, so könnte höchstens etwas dabei herauskommen, wenn man es ebenso groß macht, als es da auf der Kuppel ist. Es handelt sich nicht darum, irgend etwas bloß zu reproduzieren. Je weniger entsprechend die Bilder sind denen von der Kuppel, desto besser ist es. Das Schwarz-Weiß weist dann nur daraufhin; das schreit nach der Farbe. Dieses unkünstlerische Reproduzieren, da würde ich mich nie damit einverstanden erklären. Das ist alles Surrogat. Ich möchte keine Farbenphotographie aus der Kuppelmalerei haben. Die Reproduktion soll nicht für sich etwas sein. Ich möchte dies so haben, daß dasjenige, worauf es nicht ankommt, gegeben wird.

Wat in de koepel vanuit de kleuren geschilderd is, moet begrepen worden als geschilderd vanuit de kleuren. Als je het via fotografie probeert te reproduceren, kan er hoogstens wat uitkomen als je het zo groot maakt als het op de koepel staat. Het gaat er niet om iets simpelweg te reproduceren. Hoe minder de afbeeldingen overeenkomen met die van de koepel, hoe beter het is. Het zwart-wit verwijst er alleen maar naar; het schreeuwt om kleur. Ik zou nooit instemmen met deze onartistieke reproductie. Dit is allemaal een surrogaat. Ik wil geen kleurenfoto van de koepelschildering. De reproductie mag geen op zichzelf staand iets zijn. Ik wil dat het zo gepresenteerd wordt dat ook datgene getoond wordt wat niet belangrijk is.

Es ist geradeso mit den Glasfenstern. Wenn Sie versuchen würden, durch Reproduktion etwas zu erreichen, würde ich mich dagegen auflehnen. Diese Dinge muß man nicht versuchen, möglichst treu wiederzugeben. Es ist doch auch nicht wünschenswert, daß man ein musikalisches Stück durch irgendeine täuschend nachahmende phonographische Platte wiedergibt. Ich will, ich möchte das nicht.
Einen modernen technischen Menschen möchte ich nicht haben. So wie diese Bilder in der Reproduktion erscheinen, so geben sie nie das wieder; es ist nur das Novellistische daran, gerade das, worauf es nicht ankommt. Man hat das Gefühl, da muß diese oder jene Farbe sein. Mir kommt das gerade so vor — Sie finden das in dem Büchelchen „Die Erziehung des Kindes” —, man soll nicht dem Kinde schön gemachte Puppen geben, sondern solche aus einem Taschentuch.

Het is precies hetzelfde met de glasramen. Als je zou proberen door reproductie iets te bereiken, zou ik daartegen in opstand komen. Je zou niet moeten proberen deze dingen zo getrouw mogelijk te reproduceren. Het is ook onwenselijk om een ​​muziekstuk te reproduceren via een bedrieglijk imiterende fonografische plaat. Dat wil ik niet, daar houd ik niet van. Ik zou geen modern, technologisch mens willen. Zoals deze beelden er in reproductie uitzien, weerspiegelen ze dat nooit; het is alleen de romantisering ervan, juist datgene wat niet belangrijk is. Je hebt het gevoel dat deze of gene kleur er moet zijn. Het lijkt me precies hetzelfde – je kunt het vinden in het boekje “De opvoeding van het kind” – dat je kinderen geen prachtig gemaakte poppen moet geven, maar poppen van een zakdoek.<21>
GA 300A/136-154

.  

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3454-3251

.

.

.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

De 5e-, 6e-klasser moet dat wel kunnen: goed lezen en iedere letter goed bekijken en logisch erin plaatsen. 

Analyseren en synthetiseren:

Weet je de betekenis van alle woorden? 
Zoek het op in het woordenboek.
Kan je met die woorden nu een zin maken?

Oplossing:

.

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

 

8-11

VRIJESCHOOL – Taalraadsel

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

De 5e-, 6e-klasser moet dat wel kunnen: goed lezen en iedere letter goed bekijken en logisch erin plaatsen. 

Analyseren en synthetiseren:

Weet je de betekenis van alle woorden? 
Zoek het op in het woordenboek.
Kan je met die woorden nu een zin maken?

 

Oplossing:

.

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.8-10

VRIJESCHOOL – Is het alles goud wat er blinkt….? (3-2)

.

.
Pinterest ter inspiratie???
.

Toen ik op deze blog ooit illustraties had gezet, zag ik die een poos later terug bij Pinterest.
Ik zal er wel toestemming voor hebben gegeven, of niet, feit is: ze stonden er en ze staan er nog: je kan ze niet verwijderen.

Er bleek toen al veel ‘vrijeschoolmateriaal’ op te staan.
Dat is er dus ook wetend of onwetend op terechtgekomen.

Dat leidde ertoe dat ik voor bepaalde onderwerpen – het handwerken bijv. – op zoek ging naar voorbeelden.

Ik kan me zo voorstellen dat je als beginnend leerkracht ook zoekt naar wat je gebruiken kan.
Degene van wie het materiaal is, zou er dus alleen maar dat op moeten zetten wat nabootsingswaardig is.
Of een bepaalde toelichting waarom het er in die vorm staat.
Maar die ontbreekt vaak en niet altijd kom je op de plaats waar het werk aanvankelijk eerst stond.

Degene van wie er voorbeelden op Pinterest verschijnen, zou zich m.i. bewust moeten zijn van deze voorbeeldfunctie.

WASBLOKJES ZIJN NIET OM LIJNEN MEE TE TEKENEN, MAAR VLAKKEN!

Zie het boek van Paul van Meurs

[1] Is het alles goud wat er blinkt?  Over getuigschriften

[2] Is het alles goud wat er blinkt? Over bordtekeningen

[31] Is het alles goud wat er blinkt? Over het tekenen van vlechtvormen

Wordt (hopelijk niet) vervolgd.

.

3436-3234

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – Sint Joris (1-2)

.

sint-joris in de schilderkunst

.

In de westerse kunst wordt Sint-Joris altijd afgebeeld als drakendoder.
De oosterse kerkelijke kunst kent hem ook zonder de draak, zittend of staand, maar in beide gevallen jeugdig en gekleed als een krijger.
Een bijzonder mooi voorbeeld hiervan is een icoon in het Iconenmuseum in Recklinghausen in Westfalen.

Icoon uit Novgorod. De heilige Georg, 16e eeuw. Iconenmuseum Recklinghausen.
.

Het komt uit de 16e eeuw en vertoont alle kenmerken van de Moskouse School, die omstreeks 1300 ontstond en in de 14e en 15e eeuw dominant werd in de Russische iconenschilderkunst. De iconen van deze school kenmerken zich door een bijzonder hoffelijke elegantie, tot stand gebracht met tere handen en nobele ovale gezichten, door een meer zwevende dan staande houding en door gedempte, ingetogen, warme kleuren. Dit alles is ook terug te vinden op de eerder genoemde Sint-Joris-icoon uit Recklinghausen. De heilige staat rechtop voor een gouden achtergrond die vanaf de knieën olijfgroen kleurt. Over een groene toga die tot aan de knieën reikt, draagt ​​hij een gouden, honingraatvormig pantser met een groen borstpantser en een brede buikbescherming. Een rode jas, geknoopt op de rechterschouder, hangt naar achteren tot aan de laarzen, die met linten zijn vastgezet. De linkerhand rust op het zwaard, terwijl de rechterhand een lans vasthoudt.

Icoon uit Novgord. De heilige Georg en de draak. 14e eeuw
.

Een andere, vroegere icoon toont Georg al als drakendoder. Het is eveneens van Russische oorsprong en dateert uit de 14e eeuw.
In dit geval hebben we te maken met een werk uit de school van Novgorod, die zich rond het midden van de 11e eeuw ontwikkelde en in een latere fase, tot 1570, opmerkelijke iconen voortbracht. Hun eerste bloei vond waarschijnlijk plaats tussen 1050 en 1300. Na de val van Constantinopel weerspiegelen hun werken opnieuw het Byzantijnse erfgoed en een overgang van tekenen naar schilderen. Er zijn slechts enkele werkelijk markante iconen uit deze school bewaard gebleven. Bij al deze schilderijen besteedt de kunstenaar echter altijd bijzondere aandacht aan het gezicht, een strikt ovaal gezicht met een doorgaans laag voorhoofd en een kleine kin. In het werk uit de latere periode vallen vooral de scherpe tekeningen en de sterke schaduwen onder de ogen, wenkbrauwen, nek en voorhoofd op. Bovendien wordt er vaak de voorkeur gegeven aan zuivere en onvermengde kleuren, waarbij de schilder vaak gebruik maakt van middelen met sterke contrasten. Gezien de bijzondere functie van de lijn ontstaat de indruk dat deze in wezen alleen dient om ‘de tastbaarheid van de lichamen te vergroten’. Dit is ook duidelijk te zien op het icoon van Sint-Joris in Novgorod. In de eerste plaats vinden we een afwijking van de legende wat het monster betreft, een vreemd wezen gemaakt van een slang en een gevleugelde draak, in die zin dat het geen zeemonster is, maar een grotdier dat zich boven de open grot bevindt – niet geheel zonder humor – en zijn slangenlichaam om een ​​torenhoge boom slingert. George, gekleed in het rood en te paard, steekt zijn speer door de schedel van de slangendraak, waardoor er bloed uit spuit. Niettemin – en dat is wat deze icoon, net als alle iconen van Sint-Joris in de Oosterse Kerk, theologisch zo interessant maakt – mist deze Sint-Joris de acrobatiek die wel te vinden is in westerse afbeeldingen van Sint-Joris, met name in de gebeeldhouwde versies. Wat de heilige hier tot stand brengt, is niet zijn eigen menselijke prestatie, maar veeleer een prestatie van goddelijke genade. Daarom kon de speer zo flinterdun zijn, daarom legt Joris zijn rechterhand zo stil en zonder stevige grip op de speer en daarom is in de rechterbovenhoek van de afbeelding vooral Christus afgebeeld, van wie alle kracht om het kwaad te overwinnen – hier gesymboliseerd door de draak – uitgaat.

Deze theologische aspecten, die passend zijn voor een echte cultusafbeelding, zijn in een andere afbeelding van George veel minder duidelijk aanwezig. Deze keer betreft het een mozaïek uit de 14e eeuw, dat zich in het Louvre in Parijs bevindt.

Mozaïek Sint-Joris, 14e eeuw. Louvre, Parijs
.

Het paard is zeer realistisch afgebeeld; het steigert, waarschijnlijk als reactie op het sissen en spugen van een langbenige draak met grote vleugels die lijken op die van een vleermuis. George zelf grijpt de speer vast en steekt deze met opperste concentratie in de kaken van het zich vreemd gedragende monster.

Zowel het feit van een echte strijd als de werking van goddelijke kracht is duidelijk zichtbaar op een afbeelding van Sint-Joris in het Staatsmuseum in Hannover.

Meester van het Blotevoetenaltaar (werkzaam in het eerste derde deel van de 15e eeuw. De heilige Georg van het zgn. blotevoetenaltaar. Landesmuseum Hannover.
.

Het wordt toegeschreven aan de Meester van het Blotevoetenaltaar, een schilder die het voorbeeld van Meester Bertram volgde en ook beïnvloed werd door Konrad von Soest. Hij woonde en werkte in het zuiden van Nedersaksen, met name in Göttingen. De “draak” wordt hier afgebeeld terwijl hij snuift van woede, een walgelijke naakte viervoeter met een gekrulde staart, die onmiskenbaar de duivel voorstelt, die herkenbaar is aan zijn oren en vooral aan zijn hoorns. George, de ruiter, stormt in woeste galop voorwaarts, zoals ruiters elkaar tijdens middeleeuwse toernooien te lijf gaan. Met één steek doorboort hij de gehoornde neus en de nek van de draak, waaruit bloed over zijn walgelijke bruine lichaam vloeit. George zelf draagt ​​hier ridderkleding. Hij draagt ​​een pantser, een helm en vecht met zijn vizier omhoog. De kunstenaar benadrukt het element van strijd nog meer door de wijde, vloeiende mouwen van de prachtige riddermantel. Toch ligt de nadruk niet alleen op de strijdlustige ridder George. Vanuit de rechterbovenhoek van de schildering, vanuit een dichtbewolkte lucht, schiet een engel met grote vleugels letterlijk naar beneden, waarbij hij krachtig zijn arm leent voor Georges werk. Het is vreemd hoe in de West-Noordse kunst een theologisch idee dat zo vanzelfsprekend is in de oosterse kerk, op een unieke en nieuwe manier opgepakt wordt en voortleeft. Ook de licht versierde gouden achtergrond doet denken aan het christelijke Oosten. Overigens speelt het tafereel zich af in een landschap vol bloemen, met links en rechts rotspartijen, waardoor het Sint-Jorisgevecht zich afspeelt als in een krans, wat het geheel op een bijzondere manier accentueert. Geheel nieuw op dit schilderij van de Meester van het Blotevoetenaltaar is echter de verschijning van de in de legende genoemde koningsdochter, die hier herkenbaar is aan de kroon. Zij zou door het lot worden geofferd aan het monster, een godheid die begerig was naar mensen. George bevrijdde haar uit haar nood. Prachtig gekleed, als ridder Joris, knielt ze op de rots links van de toeschouwer en kijkt vol belangstelling toe hoe de draak wordt gedood. Ze houdt haar handen voor haar borst in gebed – of zelfs in een licht applaus 

Ook de dochter van de koning is een geïnteresseerde toeschouwer van Georges gevecht op een schilderij in de Pinacoteca in Bologna. Het is een werk van Vitale da Bologna, die rond 1290-1369 leefde.

Vitale de Bologna (ca. 1290-1369. Joris en de draak. Pinacoteca Bologna
.

De strijd hier is van een moeilijk te overtreffen hevigheid. In een volkomen desolaat landschap, rood alsof het met bloed bevlekt is, rolt een draak met puntige vleugels rond. Zijn grote kop, met zijn puntige neus en wijd open mond om giftige tanden en een rode tong te onthullen, strekt zich naar achteren uit in de richting van de lans die Joris moedig en krachtig toestoot. Het witte paard, hier eveneens op een zeer realistische manier afgebeeld, verplettert het monster met zijn voorhoeven, maar draait zijn kop weg van de sissende bek van de draak en ook naar achteren met een bijna hoorbaar gehinnik. Georg zelf, gekleed in het rood over zijn ridderharnas, bereikt zijn doel niet zo gemakkelijk als weleer. De felheid van zijn gevecht blijkt uit de manier waarop hij zich met zijn bovenlichaam over de nek van het paard op de draak werpt, maar vooral uit de manier waarop hij de kalme houding van een ruiter op een oorlogsros heeft verlaten en nu letterlijk knielt in het zadel en op de rug van het steigerende paard. Zulke beelden komen geheel voort uit de geest van westerse vroomheid.

Ook Rafaëls beroemde afbeelding van Sint-Joris in het Louvre in Parijs hoort hier thuis. De meester, geboren op 6 april 1483 in Urbino in Noord-Italië en overleden in Rome in 1520 op 37-jarige leeftijd, was een leerling van Perugino.

Raffael (Raffaello Santi), 14982-1520. De heilige Joris en de draak. Louvre Parijs
.

Hij schilderde zijn zwaar maar elegant geharnaste George op een bijzonder jeugdige manier en plaatste de scène in een prachtig, geurig Italiaans landschap met een duidelijk zicht op de verte. Maar ook hier wordt gesproken over een bijzonder heftige strijd. Ook hier steigert een krachtig wit paard en rent weg, bedreigd door een ramp. Ondertussen staat Ridder Georg op het punt om het monster een zware slag toe te brengen op zijn schedel. Er is groot gevaar; omdat de draak gewond is, en de stomp van een drievoudig gebroken lansschacht zit vast in zijn nek, die kronkelt van de pijn. Met zijn giftige bek wijd open en zijn scherpe, opgeheven klauwen kwam hij gevaarlijk dicht bij het paard en de ruiter. De kunstenaar drukt ook de verschrikking van een moment van de grootste dreiging uit in de manier waarop hij de prinses behandelt die bevrijd moet worden. Zij, die in de legende Margaretha wordt genoemd, kijkt niet langer rustig naar het gevecht, zoals op het schilderij van Vitale da Bologna, maar is rechts op de achtergrond afgebeeld als iemand die in paniek wegrent.

Van de latere schilders die het thema >Joris en de draak< uitwerkten, wist vrijwel niemand de dynamiek van Rafaëls voorstellingen zo sterk te bereiken als Eugéne Delacroix. Deze grote Franse schilder werd geboren op 16 april 1798 in Charenton-Saint-Maurice, vlak bij Parijs, en stierf op 13 augustus 1863 in Parijs. Als leerling van Guérin en onder de indruk van Géricault, zag hij Peter Paul Rubens als zijn grote voorbeeld. Door een nieuwe kracht van vorm en kleur overwon hij het classicisme in de schilderkunst en wijdde hij zich aan een romantiek van de hoogste orde, waarvan hij in Frankrijk in die tijd als de belangrijkste vertegenwoordiger moet worden beschouwd. Bovendien wordt hij ongetwijfeld beschouwd als de vroegste vertegenwoordiger van de stroming die in de tweede helft van de 19e eeuw in de architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst ontstond als de zogenaamde De neobarok domineerde de Europese kunst. Ongetwijfeld is ook zijn afbeelding van Sint-Joris, die zich nu in de Moussalli-collectie in Parijs bevindt, geheel in de geest van de barok geschilderd.

Eugène Delacroix (1798-1863) De heilige Joris en de draak. Collectie Mousalli, Parijs.
.

Net als Rafaël legde Delacroix ook een tweede fase van de veldslag vast in zijn schilderij. In de eerste fase vocht Georg met een lans. Deze is nu gebroken – eveneens zoals bij Rafaël – en zit als een stomp vast in het lichaam van het op zijn rug liggende drakenmonster, dat kwijlend en met uitgestoken rode tong zijn smalle kop op zijn langgerekte nek opheft naar de gepantserde ridder Joris. Deze man staat in opperste concentratie en heeft zijn rechterhand opgeheven om met een bijl te slaan. Hier lijkt het erop dat de kunstenaar, meer nog dan in andere schilderijen van Sint-Joris, een bijzondere symbolische betekenis hecht aan de kleuren van de lucht, het landschap en de aarde. Het algemene karakter wordt bepaald door groenachtige en rode, vurige tinten. Hoewel er in de afbeelding van Sint-Joris door de Fransman Delacroix sprake is van een beperking tot de essentie, wat ten koste gaat van details die anders wel zouden zijn opgenomen, waaronder een verwijzing naar de dochter van de koning die vrijgelaten moet worden, komt dit, zoals we al zagen, juist steeds voor in laatmiddeleeuwse afbeeldingen van Sint-Joris.

Paolo Uccello verwijst naar een specifiek deel van de legende, waarin hij de dochter van de koning heel dicht bij de draak brengt en haar de draak laat vastbinden als een hond. Het schilderij bevindt zich nu in de National Galery in Londen. Paolo Uccello werd rond 1397 in Florence geboren en stierf daar in 1475. Zijn bijzondere verdienste op het gebied van de schilderkunst van de vroege Italiaanse Renaissance ligt waarschijnlijk in het oppakken en consequent verder ontwikkelen van de toen pas ontwikkelde perspectieftheorie, waardoor hij het vegetatieve leven in zijn landschappen soms met een bijna botanische precisie afbeeldde.

Paolo Uccello (eigenlijk Paolo di Dono, ca. 1397-1475. Strijd met de draak van de heilige Joris. Ca. 1435. National Gallery, Londen
.

Wat de legende van Sint-Joris betreft, lezen we in de verslagen van Jacobus de Voragine dat de naderende heilige ridder tegen de bedreigde maagd zei: “Neem je gordel en gooi hem om de nek van de worm en wees nergens bang voor.” Dat deed ze, en de draak volgde haar als een tamme hond. Dit is precies wat Uccello in zijn beeld vastlegde; want de dochter van de koning, die hier een gigantische draak met machtige klauwen aan haar riem houdt, staat er majestueus en zonder enige angst, terwijl Georg naar voren snelt en zijn lans in de kop van het monster stoot, wiens bloed de aarde rood kleurt. De kracht van de stoot en de dappere aanval worden niet alleen extra benadrukt door de houding van het paard, maar ook door de donkere wolken die zich achter Georg verzamelen en eromheen cirkelen. Het contrast tussen de krijger en de serene maagd benadrukt op wonderbaarlijke wijze de angst voor het dreigende kwaad en de zekerheid die het bezit van het geloof biedt.

De Meester van Bedford, die tussen 1424 en 1435 miniaturen schilderde voor het beroemde Breviarium van Bedford, verwerkt in zijn verhaal over Sint-Joris ook het verhaal dat in de legende over de dochter van de koning wordt verteld en die de draak de stad in leidde. Dit breviarium bevindt zich in de Nationale Bibliotheek in Parijs. Wie die ‘Meester van Bedford’ was, is tot op de dag van vandaag onbekend. De naam verwijst naar John of Lancaster, hertog van Bedford en regent van de Engelse koning in Frankrijk na het Verdrag van Troyes. De mysterieuze ‘Meester van Bedford’ schilderde het ‘Breviarium’ voor hem en zijn vrouw. Jean Porcher schrijft over hem: »Als schilder en colorist gebruikt hij de pen nooit om contouren en modellering te benadrukken. Hij gebruikt vage tinten waardoor alles in een harmonieuze en delicate sfeer lijkt te komen. Deze indruk wordt nog versterkt door de ronding van de gezichten en de zachtheid van de kleding; ‘Uitdrukking en houding interesseren hem echter niet.’

Meester van Bedford. Geschiedenis van de heilige Joris. Uit het brevier van de hertog van Bedford, ca. 1424-1435. Nationale bibliotheek Parijs
.

Zijn ‘Geschiedenis van Sint-Joris’ bevestigt Porchers observatie. Maar er is nog iets anders opvallends: hij maakt een zeer realistisch concept van het landschap, waarin hij vervolgens zoveel mogelijk mensen of groepen mensen samenstelt. Hij weet echter heel goed het onderscheid te maken tussen het essentiële en het onessentiële. En in elk detail onthult hij de legende, niet alleen in het meer, maar ook in de stad, die — volgens het verslag in de Legenda Aurea — nadrukkelijk Silena wordt genoemd. Hij beeldt Sint-Joris driemaal af op zijn miniatuur. Ook de koningsdochter komt drie keer voor. In het midden van de afbeelding, bij de stadspoort, ontmoet hij de dochter van de koning, die wordt weggestuurd om geofferd te worden. Bovenaan de afbeelding vecht Georg tegen het monster, terwijl de dochter van de koning met gevouwen handen terzijde knielt. Onderaan de afbeelding is de ridder afgestegen en steekt hij zijn lans met volle kracht in de nek van de vuurspuwende draak, waardoor het bloed eruit spuit als een rode ster. De koningsdochter leidt de draak aan een rood touw naar de stad, die hier meer op een gotisch kasteel lijkt, terwijl de mensen eromheen in paniek wegrennen. De liefde van de meester voor verhalen vertellen is onmiskenbaar. Ook de mooie en zachte sfeer mag niet over het hoofd worden gezien. Deze sfeer wordt voornamelijk gecreëerd door het edele kleurenschema, waarin rood, blauw en wit als rustgevende blikvangers fungeren en de algehele groene en bruine toon krachtig versterken.

Nauwelijks minder dynamisch is het gevecht van Sint-Joris op een schilderij van Lucas Cranach de Oudere. dat zich nu in de Kunsthalle in Hamburg bevindt. Cranach werd in 1472 in Kronach in Opper-Franken geboren en stierf op 16 oktober 1553 in Weimar. In 1505 werd hij door Frederik de Wijze, een vriend van Maarten Luther, naar het hof van het keurvorstendom Saksen in Wittenberg geroepen. Door Cranach werd Wittenberg, waar Luther les gaf, een centrum van Saksische schilderkunst, die ook na Cranachs dood van belang bleef. Hij stelde zijn kunst niet alleen in dienst van het hof, maar ook van de Reformatie. In zijn werken zijn nog duidelijk de kenmerken van de zogenaamde Donaustijl te herkennen, vooral in de beginperiode van zijn werk, d.w.z. hij hield ervan om landschappen te creëren met een grote spanning tussen een sterke, soms zelfs dramatische expressiviteit en tegelijkertijd een lyrische, idyllische schoonheid. Cranach heeft het thema van >Joris en het gevecht met de draak< meerdere malen uitgebeeld, onder andere in een houtsnede, waarbij hij zijn houtsneden op Dürer baseerde. Interessant is ook dat Cranach graag heiligen uit zijn eigen tijd haalde. Dat betekent niet dat hij ze alleen maar kleedde in de modedrachten van zijn tijd, maar ook dat hij ze representatief maakte voor een intellectueel debat over de problemen van zijn tijd. Het is een tijd van religieuze spanningen, waarin het contrast tussen goed en kwaad niet langer uitsluitend door geleerden werd bestudeerd. Dit kan ook te maken hebben met het feit dat de krijger Georg een favoriet onderwerp werd voor de kunstenaar.

Lucas Cranach de oudere (1472-1553) Joris en de draak. Kunsthal Hamburg
.

Om de ware verschrikkingen van het kwaad te laten zien, geeft Cranach de draak niet alleen een enorm formaat, maar schildert hij ook een schedel en een menselijk skelet bij de hebzuchtige kaken en scherpe klauwen. Daarmee wilde hij ongetwijfeld een niet te missen teken geven van het erbarmelijke lot van de maagd die geofferd moet worden. Zij wordt op de afbeelding twee keer getoond: rechts van de toeschouwer biddend met een lam aan haar voeten, en links van de toeschouwer wordt zij te paard vergezeld door Joris, die de draak aan haar riem de stad binnenleidt. Hierbij wordt het legendarische verhaal van het ‘tamme hondje’ op een heerlijke humoristische manier gepresenteerd. Het schaap wordt genoemd in de >Legenda Aurea< van Jacobus de Voragine. Toen het aantal schapen steeds kleiner werd en er nooit genoeg konden zijn, werd er afgesproken dat men elke dag een man en een schaap aan de draak zou offeren. Daarom wierpen ze loten om te bepalen welke man of vrouw aan de draak zou worden gegeven; en niemand wilde eraan ontsnappen. Toen bijna alle zonen en dochters van de stad waren geofferd, gebeurde het dat het lot viel op de enige dochter van de koning, die aan de draak moest worden gegeven. De kunstenaar probeert de gruwel van het legendarische verhaal recht te doen door de hevigheid van de strijd. Hij geeft zijn landschap en de lucht een bijzonder melancholische sfeer. Hij accentueert de figuur van de overwinnaar Georg op een bijzondere manier door een woest oprijzende rots achter hem te plaatsen, die als een krachtig accent op de gebeurtenis van de strijd fungeert.

Hoe ver verwijderd van een dergelijk Cranachiaans drama is de afbeelding van de Sint-Jorisstrijd op een Russisch icoon uit de 16e eeuw in het iconenmuseum in Reddinghausen. Om ze correct te kunnen classificeren, moet men in gedachten houden dat er bij iconen – waar het de voorstelling van de heilige betreft – geen sprake is van de ontwikkeling van sterke individuen. In alle iconen uit het christelijke Oosten hebben de gezichten van de heiligen iets typisch. Paarden, maar ook landschappen en architectuur, behoren tot een bepaald, gedefinieerd type. Omdat de icoon het heilige in zijn objectiviteit onder alle omstandigheden moest tonen, moest het aardse en vergankelijke op de tweede plaats komen. Er was geen ruimte voor een sterke dynamiek. De iconische figuren zijn altijd beelden van plechtige rust. Ze zijn er nog steeds, zelfs daar waar thematisch een dynamiek voor de hand zou liggen, zoals in het gevecht tussen Sint-Joris en de draak.

Icoon uit Novgorod ‘Het drakenwonder’16e eeuw. Iconenmuseum Recklinghausen
.

Het icoon van Recklinghausen heeft één voordeel ten opzichte van veel andere afbeeldingen van Sint-Joris: het beeldt de in de legende beschreven gebeurtenissen met een zeker plezier en detail af. Er is bijvoorbeeld in de >Legenda Aurea< sprake van een draak die zich een weg baant uit een meer bij de stad Silena in Libië. Op de icoon wordt het meer duidelijk benadrukt en niet slechts aangeduid zoals op de afbeelding van Paolo Uccello. De draak kronkelt er letterlijk uit. Dan wordt er gesproken over een stad waar de dochter van de koning, verkleed als prinses, de gewonde draak naartoe zou leiden. Op het icoon staat de gekroonde prinses, volgens de legende voordat ze geofferd werd door haar vader gekleed in koninklijke gewaden, in een plechtige houding voor de stadspoort; boven haar, leunend over de stadsmuur, is de koning te zien met zijn gevolg. Ondanks het rijke verhaal blijft de strijd met de draak het hoofdonderwerp van het icoon. Niets wordt afgedaan aan de rust van het geheel, een rust die bepaald wordt door het feit dat de strijd hier – zoals reeds opgemerkt in verband met een eerdere icoon – niet bedoeld is als een menselijke prestatie, maar als een prestatie van goddelijke genade.

Overigens is Sint-Joris in de westerse kunst niet altijd als vechter afgebeeld. Bijna even vaak wordt hij na de slag afgebeeld als de overwinnaar. Dan gaat de verslagen en gedode draak gewoonlijk aan zijn voeten liggen. Albrecht Dürer heeft ons hiervan een bijzonder karakteristiek voorbeeld nagelaten. Deze grote schilder en graficus werd geboren in Neurenberg op 21 mei 1471 en stierf daar op 6 april 1528. Hij werkte aanvankelijk in de werkplaats van zijn vader, die goudsmid was, en werd later leerling van Michael Wolgemut. Het leven van Dürer valt samen met de overgang van de late gotiek naar de renaissance. Waarschijnlijk heeft hij zich aanvankelijk zeer bewust met de Italiaanse Renaissance beziggehouden, wat echter niet wil zeggen dat hij zijn grote en heldere artistieke vorm alleen in Italië heeft gevonden. Er kan hier nauwelijks sprake zijn van meer dan inspiratie, zelfs niet bij de meest Italiaanse van zijn figuren, de vier apostelen in de Alte Pinakothek in München. Ondanks hun grote, rustige vormen roepen ze toch de spirituele inhoud op die tot uitdrukking komt in de werken van Veit Stoß en andere beeldhouwers uit de laatgotische periode. Het valt niet te ontkennen dat Dürer zich tot aan zijn dood verbonden voelde met een hoge mate van spanning en een sterke menselijkheid in al zijn picturale figuren. Dat blijkt ook uit de afbeelding van Georg op de linkervleugel van het Baumgartner-altaar, die zich eveneens in de Alte Pinakothek in München bevindt.

Albrecht Dürer (1471-1528) De heilige Joris. Ale Pinakothek München
.

De gepantserde held staat daar, te midden van de euforie van de overwinnaar, maar wederom in een nonchalance die nauwelijks iets van het vorige gevecht onthult. Met zijn rechtervoet stapt hij op de geringde staart van de draak. Met zijn linkerhand grijpt hij de gewonde, dunne nek van het monster en trekt deze omhoog, zodat de kop van de walgelijke duivel naar voren blijft hangen en de toeschouwer met glazige, dode ogen aanstaart. Het beeld straalt een grote ernst uit, niet in de laatste plaats door de vreemde rode kleur van de riddermantel op de donkerbruine achtergrond, maar vooral door het strenge, opvallende gezicht met de scherpe neus, de stevige, licht naar beneden gerichte mondhoeken en de wijd opengesperde ogen die dromerig in de verte staren. Dit gezicht, niet geheel zonder sporen van vermoeidheid, lijkt nu enigszins de nonchalance van het staan ​​te verhullen, maar verkondigt toch dat er een inspanning is geleverd. Prachtig als we kijken naar het geheel, is de meester erin geslaagd het kenmerk van de overwinning uit te drukken in de manier waarop hij de figuur van Joris uit de weerzinwekkende knoop van de gedode draak laat opduiken en laat opstaan. De witte vlag met het rode kruis, symbool van de Ridders van Sint-Joris, dat aan de uiteinden is opgerold als de staart van een draak, vormt een kader en geeft de overwinnaar een uniek en onderscheidend accent.

Een ander beeld van Sint-Joris als overwinnaar heeft niet dezelfde kracht. Het werd gemaakt door Hans Holbein de Jongere, die rond 1497 in Augsburg werd geboren en in 1543 in Londen overleed. Op aanbeveling van de beroemde humanist Erasmus van Rotterdam kwam hij in 1526 naar Londen, waar hij goede vrienden werd met Lord Chancellor Thomas More, wiens familieleden hij tekende en schilderde. In 1536 werd hij hofschilder van koning Hendrik VIII van Engeland. Ongetwijfeld bereikte Holbein de grote en heldere vormen van de Renaissance gemakkelijker in zijn schilderkunst dan bijvoorbeeld Dürer, en toch verloochende hij daarbij zijn eigen essentie niet. Toch krijg je bij zijn schilderijen met religieuze thema’s soms de indruk dat ze zonder veel innerlijke betrokkenheid van de kunstenaar zijn ontstaan. Ook zijn ze niet vrij van poses en innemende gebaren, iets wat bij zijn vele portretten minder het geval is. Deze verwijzing is belangrijk omdat het ook de manier waarop hij Georg verbeeldt, beter doet begrijpen.

Hans Holbein de jongere (1497-1543) De heilige Joris. Kunsthal Karlsruhe

Het enige wat in dit schilderij krachtig is, is de op de grond liggende, doorboorde draak. In dit geval is alleen de kop met de open keel, waarin scherpe tanden en een rode tong uitsteken, nog iets van het voorheen dreigende aspect te zien. De figuur van Joris, gekleed als een Romeinse officier, in contrapposto, zoals geliefd in het oude Griekenland en nieuw leven ingeblazen in de Renaissance, lijkt daarentegen zacht en machteloos. Zelfs het rechterbeen heeft niet genoeg kracht om weerstand te bieden aan de staart van het monster. Ook de rechterarm, rustend op de heup, met de hand bijna zelfvoldaan naar binnen gebogen, lijkt geposeerd. Het past perfect bij het mooie ronde hoofd met het wollige krullende haar en het zachte gezicht, dat niet strakker wordt door de omlijsting van een zorgvuldig verzorgde baard. En de grote vlag, ditmaal rood, met een wit kruis, is in dit geval niet meer dan een prachtige achtergrond voor een prachtig gezicht, waarvan de geveinsde meditatie je het niet eens laat geloven. Na 1500 zijn er tal van dergelijke afbeeldingen te vinden. In principe willen ze het heilige of de heilige dwingen tot een bepaald schoonheidsideaal, wat ze vervolgens vaak ten koste van de spirituele inhoud bereiken.

Als de kunstenaar niet langer afhankelijk is van de Italiaanse Renaissance en zich meer verbonden voelt met de Noordse Renaissance, krijgt het beeld van de heilige ook weer serieuze trekken. Dat is duidelijk te zien op het schilderij van Sint-Joris van de Meester van Meßkirch, dat zich nu in de Staatsgalerie Stuttgart bevindt; Er is vrijwel niets over deze schilder bekend. Lange tijd werd hij verward met Schäufelin, totdat Koetschau hem als zelfstandig kunstenaar ontdekte aan de hand van een schilderij van de Drie Koningen, gemaakt rond 1540, in de stadskerk van Meßkirch. Of zijn werkelijke naam Jörg Ziegler was, zoals beweerd wordt, is nog niet overtuigend bewezen. In zijn heldere vormentaal doet het enigszins denken aan Hans Baldung-Grien. Qua kleur geeft hij de voorkeur aan opvallende helderheid en rustige uniformiteit. Zijn religieuze schilderijen stralen een rustige warmte uit, maar zelfs zijn heiligenfiguren zijn niet geheel vrij van poses en wekken soms de indruk niet geheel ongevoelig te zijn voor applaus.

Meester van Meßkirch (werkzaam tussen 1535-1542) De heilige Joris, Staatsgalerij Stuttgart
.

De Georg van de Meester van Meßkirch is iemand van adellijke afkomst, iemand uit de adelstand. Het metaal van zijn pantser glanst en het rode fluweel is afgewerkt met goud. Verder draagt ​​hij aan een brede ketting het gouden kruis van de Ridders van Sint-Joris, waarop aan de voorzijde de Onbevlekte Ontvangenis in blauw emaille is afgebeeld en aan de achterzijde Sint-Joris zelf in rood emaille. De afstotelijkheid van de draak die aan zijn voeten ligt, wordt merkbaar vergroot door de diepe snee in zijn nek en nog meer door de manier waarop hij op zijn rug ligt. Zo presenteert zich een walgelijke naaktheid, de afstotelijke naaktheid van een draak. Georg zet niet zoals op de andere afbeeldingen, zijn voet op het karkas, maar staat vrij en rechtop, met zijn linkerhand het gouden gevest van zijn zwaard vasthoudend en met zijn rechterhand het verzamelde witte doek van zijn overwinningsbanier. Zijn gezicht, scherp van profiel, met een licht uitstekende kin en een puntige snor, verraadt de onkreukbaarheid van een man die evenzeer gewend is aan vechten als aan winnen.

Er zijn maar weinig kunstenaars die andere gebeurtenissen uit het leven van de heilige hebben uitgebeeld, afgezien van het drakengevecht en de overwinning van Sint-Joris. Waar het gebeurde, moesten ze enkel afgaan op verslagen in legenda. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een schilderij van Vittore Carpaccio in S. Giorgio degli Schiavoni — Sint-Joris der Slovenen in Venetië, waarop verschillende scènes uit het leven van Sint-Joris zijn afgebeeld, waaronder de doop van het koningspaar, de ouders van de Maagd die aan de draak is geofferd. Carpaccio werd rond 1455 in Venetië geboren en stierf daar vóór 1526. Hij schilderde tussen 1502 en 1507 de Sint-Joriscyclus voor S. Giorgio degli Schiavoni. Hij studeerde onder andere in de school van Lazzaro Bastiani en Gentile Bellini. Deze twee kunstenaars waren voor hem een ​​voorbeeld met zijn beschrijvende figuurtekeningen en zijn uitgebreide vertelstijl. Altijd voel je de liefde en toewijding waarmee Carpaccio zich wendde tot legendarische en sprookjesachtige werken.

Vittorio Carpaccio (ca. 1455 tot  voor 1526) Heilige Joris doopt koning Aja en zijn gevolg
.

Hij legt ook zijn Georg vast, deze favoriet van de 15e eeuw, zeer romantisch en toont de scènes uit zijn leven in een prachtige harmonie van landschap en architectuur. Ongetwijfeld vond hij het onderwerp voor zijn >Doop van het Koninklijk Paar van Silena< in de regio Libië in de Legenda Aurea. Daar lezen we: »St. George wenkte de mensen en riep: Wees niet bang; Want God heeft mij naar jullie toe gestuurd om jullie van deze draak te verlossen. Geloof daarom in Christus en laat jullie allen dopen, en Ik zal deze draak doden. Toen werd de koning gedoopt, en al het volk met hem, en Sint-Joris trok zijn zwaard en doodde de draak. Wat bij Carpaccio nu van de dopende Joris is geworden, doet niet meer denken aan de dappere strijder. Er staat een figuur, lichtvoetig en vroom gestemd, wiens zachte gezicht doet denken aan Giorgiones afbeeldingen, net zoals de harmonieuze perspectieven op de trap voor het paleis, waarin kleur en ruimte wonderbaarlijk op elkaar zijn afgestemd, duidelijk de schilderkunst van deze mysterieuze, grote kunstenaar oproepen. Dromerig lyrisch als Giorgiones figuren, is in de afbeelding van de >Doop< niet alleen Joris, die nog steeds zijn stalen ridderharnas toont onder een elegant gegooide rode mantel, maar ook het knielende koningspaar, omringd en verzorgd door een rijk hof, die vroom hun handen vouwen en zich overgeven aan de stille doopceremonie, waarin muziek van links komt, ongetwijfeld vrome, cultische muziek, te oordelen naar de gezichten van de paukenspeler 

Hoe Ridder Joris aan zijn einde kwam, is in geen enkel historisch document vastgelegd. De Legenda Aurea van Jacobus de Voragine, die vaak wordt geraadpleegd, doet hier wel uitgebreid verslag van. De auteur laat Georg tijdens de christenvervolging onder keizer Diocletianus zijn ridderpantser afleggen en laat hem optreden als een moedige prediker van Christus. Naar verluidt viel hij in de handen van rechter Dacian, die hem op alle mogelijke manieren liet martelen, waarna Joris werd onthoofd. Er wordt echter niet expliciet melding gemaakt van een geseling, hoewel dit waarschijnlijk wel het geval was in het geval van Alexandria, de vrouw van de koning. Zij had zich tot het christendom bekeerd en werd aan haar haar opgehangen en gegeseld tot de dood erop volgde. We lezen over Georg dat hij op de pijnbank werd gelegd en dat zijn lichaam met spijkers deel voor deel uiteen werd gereten. Bernardo Martorell, die kort na 1453 stierf, heeft er in een vrije interpretatie een geseling van Sint-Joris van gemaakt.

Bernado Martorell (tot kort na 1453) Martelaarschap van de heilige Joris. Louvre Parijs
.

Zijn schilderij is bijzonder mooi vanwege de helderheid van de kleuren. Ook hier is de scène van de geseling een groot schouwspel geworden, maar dan wel een schouwspel voor een sensatiebelust publiek. Talloze mensen staan ​​in de menigte hoofd aan hoofd. Links op het schilderij staart een woud van lansen ons aan. De dragers ervan hebben de grimmige gezichten van door de strijd geharde huurlingen. Rechts staat de koning, prachtig gekleed in oosterse stijl, omringd door zijn lakeien en verklikkers. Op de voorgrond, in een open ruimte, knielt Sint-Joris naakt, schaars gekleed rond de heupen, zijn handen vastgebonden aan een paal. De slagen van de flagellanten regenen neer op zijn naakte lichaam. Het zijn echt krachtige slagen, zoals duidelijk te zien is aan de gespannen houding en de grimmige gezichten van de aanvallers. Als een draaiend wiel cirkelen hun bewegingen rond de heilige. Hij knielt op zijn beurt sereen neer en heft zijn hoofd op, biddend, vervuld van de realiteit van het geloof, een monument voor zijn eigen woorden tegenover de woedende Daciër: “Mijn naam is Georgius en ik kom uit Cappadocië, van adellijke afkomst. Ik heb Palestina veroverd met de hulp van Christus. Maar ik heb alles opgegeven om God beter te kunnen dienen in de hemel.”

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3432-3230

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (1)

.
Over enkele dagen zal er bij vele gelegenheden worden stilgestaan bij de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.

Er zal worden nagegaan wat zijn invloed was, is of nog zou kunnen zijn.

Er zal ook wel klinken dat veel is ‘achterhaald’, immers 100 jaar….

Hier wat pedagogisch-didactische uitspraken van Steiner die m.i. ook de komende 100 jaar niet aan zeggingskracht zullen inboeten:

1
Slechts door een duidelijk besef van de uitwerking, die elke opvoedingsmaatregel op het kind heeft, kan de opvoeder steeds de juiste tact vinden om in ieder afzonderlijk geval de juiste maatregelen te treffen.

3
Maar we moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen.

5
U zult geen goede opvoeder en pedagoog worden wanneer u alleen kijkt naar wat u doet en niet naar wat u bent.

10
In de opvoeding en het onderwijs van de toekomst moeten we in het bijzonder aan de vorming van wil en gemoed grote waarde hechten.

11
Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.

12
Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

13
Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar.

15
Het beeld zal ons aan begrippen helpen.

16
Pas het inzicht dat men ook in de wakkere mens te maken heeft met verschillende bewustzijnstoestanden – met waken, dromen en slapen – brengt ons tot werkelijk inzicht in onze taken ten opzichte van de opgroeiende mens.

19
De pedagoog moet ook de tijd begrijpen waar hij in staat, omdat hij de kinderen moet begrijpen die hem toevertrouwd worden.

21
Wanneer je een goed ontwikkeld 
inzicht hebt in het wezen van de wordende mens, gedragen door je wil en je gevoel, zal je een goede leraar en opvoeder worden.

22
Het vele definiëren is de dood van het levend onderwijs.

23
Het is van het grootste belang dat men voortdurend voor ogen heeft niets in de wordende mens te doden, maar hem zo op te voeden en les te geven dat hij levend blijft, dat hij niet uitdroogt en verstart.

26
Het is noodzakelijk dat vooral leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen.
(  ) Dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.

27
(  ) Men moet in de wordende mens de samenwerking van lichaam, ziel en geest kunnen waarnemen.

28
In de methodiek zal het onze taak zijn dat we altijd aan de gehele mens appelleren.

29
Het hele onderwijs moet afgeleid zijn uit het kunstzinnige. Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.

30
We moeten teruggaan naar de principes in de natuur van de mens wanneer we in deze tijd in juiste zin les willen geven.

31
Onderwijs is altijd iets sociaals.

32

De wordende, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels in het leven. Wie dit praktisch oplost, toont een echte opvoeder te zijn, als de echte oplosser van het raadsel bij de ontwikkeling van de mens.

33
Het kind moet niet van oor tot oor, maar van ziel tot ziel begrijpen.

38
Als opvoeder hebben we de taak om voortdurend het dode nieuw leven in te blazen om datgene in de mens wat zich in een sterfproces bevindt, te bewaren voor het volledig afsterven, ja, in zekere zin te bevruchten met het scheppende element dat we uit de wil kunnen ontwikkelen.

40
Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt

53
( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.

101
We moeten echt zo lesgeven dat ons onderwijs levend is, dat wil zeggen: we moeten er niet alleen voor zorgen dat de kinderen bepaalde voorstellingen, gevoelens en vaardigheden krijgen, maar ook dat ze iets levends meenemen in dit leven, al naar gelang hun aanleg en hoe die aanleg ontwikkeld is.

168
Wat heeft het voor zin om iedere keer weer te zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen stof moeten bijbrengen die het kind moet weten, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?

179
( )  de vrijeschoolpedagogie wil de leerkracht leren lezen, echter niet in een boek, niet in een pedagogisch systeem, maar in de mens.

180
De vrijeschoolleerkracht 
moet leren lezen in het meest wonderbaarlijke document van de wereld, in de mens.

190
Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar, wanneer hij hetgeen hij vorm moet geven, moet organiseren, net zo begrijpt als de schilder die slechts schilderen kan, wanneer hij de natuur, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan, wanneer hij de aard van het materiaal kent enz. Wat voor de andere kunsten geldt die met zichtbaar materiaal werken, zou dat niet gelden voor die kunst die met het meest edele materiaal werkt dat de mens maar in handen kan krijgen, met het wezen mens zelf, zijn wording en zijn ontwikkeling?

193
Zo kun je met een echte menskunde aan de ontwikkeling van de mens aflezen wat je van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar met het kind opvoedend en onderwijzend te doen hebt. Het leerplan moet een kopie zijn van wat je kan lezen in de ontwikkeling van de mens.

195
Voor opvoeding en onderwijs, wil het floreren, is het noodzakelijk dat je als opvoeder en leerkracht zo goed leert waarnemen dat je de gevoelsuitingen, de wordende gestalte van het kinderlijk organisme door de uiterlijke schijn heen begrijpt.

200
Voor de praktijk heb je in het geven van onderwijs, in het opvoedend bezig zijn, innerlijk vuur, innerlijk enthousiasme nodig; je hebt impulsen nodig die niet vanuit het verstand volgens regels van de opvoeder en onderwijsgevende op het kind overgaan, maar die op een intieme manier van de opvoeder of leerkracht op het kind werken.

205
We hebben een pedagogiek nodig die op menskunde, op het kennen van het kind, berust. 

211
Op het innerlijk van het kind werken, daarom gaat het.

214
We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.

217
( ) waar is het boek waarin de pedagoog kan lezen wat pedagogie is? Dat zijn de kinderen zelf! Je moet uit geen enkel ander boek pedagogie leren dan uit het boek dat opengeslagen voor je ligt. Dat zijn de kinderen zelf. Daarom heb je een zeer grote interesse nodig voor ieder kind apart.

219
Voor iemand die niet alleen met zijn nuchtere, droge verstand naar de wereld kijkt, maar in staat is deze invoelend te kennen, is het opgroeiende kind een wonderbaarlijk raadsel; hoe dit iedere dag, iedere week, iedere maand en ieder jaar zijn innerlijk steeds meer in de buitenwereld tot uitdrukking brengt.

221
We kijken niet meer naar de (volledige) mens, maar naar wat de mens moet worden bijgebracht, wat hij moet weten en in zich moet hebben. ( ) Wij moeten weer oog krijgen voor de héle mens.

226
Want wat is eerlijk gezegd eigenlijk het mooiste in de wereld? Dat is toch de mens in wording!

228
De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.

231
Het zal er steeds op aankomen dat wij voor iedere leeftijd dat vinden wat door de ontwikkeling van de mens voor deze leeftijd zelf gevraagd wordt. En daarvoor hebben we nodig dat we de mens echt goed kunnen observeren, en een echte menskunde.

232
Het gaat erom dat je aan de natuur van het kind afleest wat je met hem moet doen. 

233
Je moet er altijd op bedacht zijn overal het levende, niet het dode aan het kind te brengen.

235
( ) Houd er daadwerkelijk rekening mee houdt, dat er in onderwijs en in de opvoeding niets komt wat niet op de een of andere manier bij het leven aansluit.

236
De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven en een goede opvoeder moet in de praktische vorming van de wordende mens degene zijn die het raadsel oplost.

238
Het moet om de m e n s gaan, aan hem moet de opvoeder al zijn zorg geven; hem gaat het om de wordende mens.

247
Pedagoog zijn betekent: dat grootse raadsel oplossen dat het kind ons opgeeft, dat geleidelijk naar buiten toe vertoont wat als aanleg ontstaan is tussen de dood en een nieuwe geboorte.

269
De leraar moet iemand zijn met initiatieven; die nooit en te nimmer laks wordt bij wat hij op school doet, bij zijn houding naar de kinderen toe.

270
De leraar moet een mens zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.

271
De leraar moet een mens zijn die innerlijk nooit een compromis sluit met onwaarheid.

272
Een leraar mag geen droogpruim worden en geen zuurpruim. Een levendige, frisse stemming! Geen droogpruim en geen zuurpruim te worden – daar moet een leraar naar streven!

277
Je zou je tegenover de kinderen nooit moeten ergeren, geen wrok moeten koesteren.

283
Ook bij het kind dat nog in ontwikkeling is, willen wij er vandaag de dag geen kennis instampen, maar wij proberen zijn vermogens te ontwikkelen, zodat het niet meer nodig is dat het gedwongen wordt iets te begrijpen, maar dat het iets begrijpen wil.

287
Voor de vrijeschoolpedagoog is iedere leerling een raadsel; iets wat in iedere individuele leerling tot uiting komt en wat op een levendige manier elke dag, elk uur opgelost moet worden.

289
Je kan door ‘gepreek’* niet opvoeden, maar alleen door het voorbeeld te geven, tot in wat je denkt toe.

290
Het gaat er bij ons om hoe je het kind iets aanleert, niet om wat je het kind aanleert.

291
De puur intellectualistische vorming zal nooit en te nimmer de mens iets geven voor het latere leven.

300
Bij onderwijs en opvoeding is het echt belangrijk dat je daadwerkelijk let op de drie gebieden van de drieledige mens en dat je die tot z’n recht laat komen, maar ook in een zinvolle wisselwerking.

301
Hoe minder je het intellect dresseert, hoe meer je je toelegt om met de hele mens zo om te gaan dat vanuit de bewegingen van de ledematen, uit de handigheid, het intellect ontstaat – des te beter is het.

303
De opvoedingsvraag kan alleen in samenhang met een grondige kennis van het wezen van de mens  behandeld worden.

304
Uit de kennis van de ontwikkeling van een kind ontstaan doelgericht het leerplan en de leermethode.

306
Het inzicht in wat in de verschillende levensperiodes nodig is, vormt de grondslag voor een zinvol leerplan. 

307
De mooiste pedagogische methode heeft geen waarde wanneer je niet weet wat een kind is. ( )

309
Alle opvoeden en leren vóór de tandenwisseling moet geënt zijn op het principe van de nabootsing.

321
Opvoeden betekent: datgene ontwikkelen dat als het individuele in de mens rust. Die hogere ziel die in ieder mens rust te wekken, is het eerste opvoedingsprincipe.

323
Om in de mens het gevoelsleven te kunnen ontwikkelen, moet de opvoedkunst voor ieder individu anders zijn.

331
De grootste leraar voor de vrijeschool is het kind zelf.

337
Opvoeden is in werkelijkheid ook een behoeden voor ontsporen.

347
In de opvoeding moeten we de mens als geheel weten aan te pakken. En de mens als geheel bestaat uit lichaam, ziel en geest.

348
Wij moeten het wezen van het kind voor ieder afzonderlijk jaar, ja, zelfs voor iedere afzonderlijke week in onze eigen ziel tot leven laten komen. Daar moet de spirituele grondslag liggen voor de pedagogie.

349
Sociale moraal is een plant die haar wortels heeft in de klas, waar de kinderen tussen het zevende en veertiende jaar les krijgen.

350
Het onderwijs moet een voorbereiding zijn op het leven.

352
De vrijeschool is erop gericht dat mensenkinderen lichamelijk sterke en gezonde mensen worden, die vrij zijn in hun ziel en helder van geest.

353
Alles wat op een bepaalde leeftijd langzamer wordt geleerd, dat wordt een degelijker en gezonder deel van het levende organisme dan iets wat erin is gestampt.

354
Het principe van de vrijeschool is niet dat een school wordt opgezet met een bepaalde wereldbeschouwing, maar met een bepaalde onderwijsmethodiek. Wat wij willen bereiken met onze methode, die op de menskunde is gebaseerd, is dat kinderen opgroeien tot mensen die fysiek gezond en krachtig zijn, met een vrije ziel en een heldere geest.

355
De leraar moet in staat zijn het kind op een kunstzinnige manier, als kunstenaar te beleven. Alles van het kind moet voor hem innerlijk bewegen.

356
Wij hebben een menskunde nodig die ons bloed voor de ziel geeft; die ons niet alleen maar slim en verstandig en knap kan maken, maar die ons ook enthousiast kan maken, innerlijk beweeglijk kan maken, die liefde kan doen ontbranden. Want wat aan pedagogie uit echte menskunde in je opkomt, moet liefdevol gedragen worden.

357
Pedagogie en didactiek kunnen niet uit uiterlijk technische regels bestaan, maar moeten uit werkelijke menskunde ontstaan die dan overgaat in een zich thuis voelen op de wereld; dat je als leraar en opvoeder dit kind vertrouwd maakt met het zich thuis voelen in de wereld.

359
Echte pedagogie is menskunde. Die is al pedagogie en wordt didactiek als die vol leven in de praktijk wordt gebracht in het onderwijs en de opvoeding; dat wordt zelfs een pedagogisch-didactische levensovertuiging en daar komt het op aan. 

360
Een op menskundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uitgaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.

365
Religieuze dankbaarheid ten opzichte van de wereld, die zich in het kind openbaart, samen met het bewustzijn dat het kind een goddelijk raadsel vormt, dat men met behulp van zijn opvoedkunst moet oplossen. Een met liefde beoefende opvoedingsmethode, waardoor het kind zich instinctief aan onszelf opvoedt, zodat men de vrijheid van het kind niet in gevaar brengt, en waar men ook rekening mee moet houden, wanneer zij het onbewuste element van de organische groeikracht vormt.

De cijfers verwijzen naarRudolf Steiner wegwijzersdaar vind je de bron van de opmerkingen.

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3421-3219

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

Toen ik als kind naar de kleuterschool ging – die heette kort daarvoor nog ‘bewaarschool’ – deed de juffrouw met ons af en toe een kringspel. Ook op de basisschool in de 1e klas – die heette toen nog ‘lagere school’ en ‘groepen’ waren ‘klassen’ – gebeurde dat ook nog wel als het (hard) regende en we niet naar buiten konden in de pauze. Dan deden juffen en meesters ze wel met ons in  de hal.
Zo herinner ik me nog ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmenbesteedt Mellie Uyldert er ook aandacht aan en ze rangschikt het spel onder ‘Spelen van de dood en de andere wereld’.

Bij haar heet het:

KROENE KRANEN, WITTE ZWANEN

.
Twee kinderen staan tegenover elkaar en vormen met hun omhoog gehouden armen, elkaars handen vasthoudend, een poortje. De kinderen lopen achter elkaar en gaan een voor een door het poortje. Ze maken een cirkel en als het laatste kind erdoor is, is het eerste er weer aangekomen en gaat er opnieuw door.

Tijdens het lopen zingen ze het lied:

Kroene kranen, witte zwanen,
wie gaat er mee naar engel-land varen?
Engel-land is gesloten,
de sleutel is gebroken,
en is er dan geen smid in ’t land,
die de sleutel maken kan?
Laat doren, laat doren,
van achteren en van vo—ren!

Muziek

Ik dacht – al wist ik toen nog niets van aardrijkskunde – dat het om Engeland ging, daar had ik weleens over gehoord.
Als je meer informatie zoekt over het liedje, zie je meestal ‘Engeland’, maar er is ook een artikel met achtergronden waar engelland staat.
En wij zongen over een ‘timmerman’. 

Als de laatste kinderen door het poortje moeten, is het liedje ongeveer bij vo—-ren en dan moeten ze zich haasten, want de poort kan ineens de armen laten zakken en een kind vangen. Dan vraagt de poort aan het kind fluisterend om te kiezen tussen een appel of een peer o.i.d. van goud of zilver. Het ene poortkind is ‘is’ goud, het andere zilver. Valt de keus op zilver, dan sluit het gevangen kind daarachter aan.
Dan gaat het spel verder tot alle kinderen of achter goud of achter zilver staan.
Dan wordt er een streep tussen de rijen getrokken. De voorste kinderen ( de poort) houden elkaars handen nu stevig beet, de anderen kinderen pakken elkaar om het middel en nu volgt een trekstrijd wie al eerste iemand over de streep trekt.
Die rij is winnaar en heeft de anderen) verlost.

Uyldert: Het staat vrijwel vast, dat de keuze tussen een gouden en zilveren voorwerp oorspronkelijk de betekenis had van een keuze tussen zon en maan, tussen dag en nacht, tussen het licht en de duisternis en uiteindelijk tussen engelen en duivels.

De kinderen die samen de poort vormden, houden nu nog hun handen laag. 

Wij speelden het zo, dat wie gewonnen had, mochten een voor een op die armen liggen en worden heen en weer gewiegd. De klas zingt: ‘De engelen moeten zweven’. Daarna komen de verliezers tussen de laag gehouden armen en worden heen en weer geschud. De kinderen zingen: ‘De duivels worden geslagen’. Daarbij kregen ze van de poortkinderen wel wat duwen. 
De engelen vormen dan nog een dubbele rij waar de duivels doorheen lopen.

Uyldert weet dat hier en daar het spel eindigde met 2 rondedansen.

Verklaring

Uyldert ziet in de kinderspel een spel van
dood, hemel en hel.
Vroeger of later moet iedereen door de poort van de dood. De keus appel/peer, goud, zilver, die de doodsengelen hem stellen, heeft hij
eigenlijk al door zijn leven op aarde bepaald: zijn houding en daden worden gewogen en beslissen voor hem tot hemel of hel.

Nu is het dus nog mogelijk dat de engelen in staat zijn de zielen uit de hel te redden. En als de andere partij wint?  Zijn de hemelbewoners dan wellicht schijnvromen gebleken die achteraf beschouwd toch de hel verdienen?

Uyldert ziet dit als een christelijke verklaring, maar zij denkt dat het spel veel ouder is. 

Wie zijn de ‘koene kranen’, (verbasterd: groene). Het gaat om kraanvogels, die regelmatig op hun trek het oostelijk deel van ons land aandoen, evenals de wilde witte zwanen!

In verhalen oud oudere tijden komen we vogels regelmatig tegen; kennelijk spraken zij de ziel van de mens aan. Opvallend is hun begeleiden van de mensenziel van de ene sfeer of toestand naar een volgende. Dat is de diepere achtergrond van de ooievaar als ‘geboortevogel’. Het witte vogeltje en de eend in het sprookje van Hans en Grietje die daarmee én bij de heks komen,  (stiefmoeder aarde) en weer thuis, in het vaderhuis. De zwaan zien we bij Lohengrin die hem bij zijn aardse opdracht brengt en later leidt ze hem weer verder; de hamsa in de indische mythe en de eend die Goudkindje met één kousje aan (dus als hemel-kind) naar de aardse weide brengt. Vogelgestalten, die, toen de blik der mensen voor etherische gestalten verduisterde naarmate het verstandelijk en abstract denken toenam, de plaats innamen van de eens aanschouwde engelgestalten en van de beelden der drie nornen, die de drie verblijven der mensen beheersten.
De geleidevogels, als koene of witte zwanen vormen de poort, zoals bv. Anne en Holda. Door die poort gaan we allemaal, net als de meisjes in het sprookje van Vrouw Holle. Bij Vrouw Holle dienen ze hun louteringstijd uit – maar hoe! 

Op de een daalde een goudregen neer: zij kwam in haar nieuwe aardeleven begaafd met veel verworvenheden, de ander moest onder een pekregen doorgaan en ’het zwart ging er nóóit meer af!’ – haar zonden belastten haar in haar nieuwe leven met vele zichzelf berokkende gebreken! De poort kan dus zowel gezien worden als de poort des doods als de poort naar een nieuwe incarnatie op aarde.

Bij Uyldert kan de poort ook uit twee Nornen bestaan.

Bij Steiner komen we veelvuldig tegen dat de mens van nu – in het bewustzijnszielentijdperk – niet meer vanzelfsprekend het vermogen heeft om bovenzintuiglijk te kunnen waarnemen:  het kunnen schouwen in een geestelijke wereld.
Is dat het heimwee naar ‘engelen-land’?  Naar de fase, waarin men de engelen nog zien kon, naar het geluk van de kleuterjaren, en naar het voorgeboortelijk paradijs! Het engelen-land is gesloten en de sleutel is gebroken. De smid, die de sleutel maken kan, is degene, die het heimwee kan oproepen, dat slaapt onder het rationalisme (dat dit spel eens verklaarde als een aardigheid naar aanleiding van Napoleons Continentaal Stelsel, waardoor Engeland werd afgesloten van de handel met het vasteland!)

Wie de wilde zwanen over de eenzame heide ziet vliegen, bedenke dat het land der engelen niet ver achter die horizon ligt en niet in een versluierd verleden – maar achter de horizon van ons afgesloten bewustzijn! Wie het beperkende rationalisme verlaten wil, wordt door een zwaan afgehaald en over de stroom der vergetelheid heen gevoerd naar het rijk dat de ziel zichzelf had verboden: het onbewuste land, dat door beelden bewoond wordt en niet door begrippen! Het verlangen zelf is de zwaan, die het engelen-land voor ons ontsluit met de sleutel der stilte. Daar zien wij, dat de engelen nooit weg geweest zijn, en nog altijd met de kinderen spelen in ’t zand.

In Engel-land, daar stuift het zand,
daar luiden de klokjes van boem!

.
Op Wikipedia

Bij Bert van Zandwijk

Spel: alle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3414-3212

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Meetkunde – klas 6 en 7

.

Als we eens iets uit een meetkundeperiode op bv. een Facebookpagina of op Pinterest zien, zijn het meestal de prachtig(st)e tekeningen.

Voor de buitenstaander lijkt het er dan op, dat meetkunde slechts het tekenen van bijzondere figuren is.

Wie bv. op deze blog de opbouw van een meetkundeperiode in klas 6 volgt, ziet echter dat het om heel andere dingen gaat dan deze prachtige tekeningen.

Het gaat echt om meetkunde, bv. de hoeken, de figuren als driehoek, vierkant enz. De graden, allerlei eigenschappen, symbolen.
Wanneer je die beheerst, kan je bv. in een cirkel een 8-hoek maken en ja, ten slotte kun je de ontstane vormen kleuren – als een kunstzinnige afronding.

Je moet echter ook met de meetkunde kunnen berekenen.

In onderstaande opgaven gaat het om gradenberekening van hoeken.

Belangrijk is een bepaalde systematiek, bv.

Gegeven: Δ ABC
AB = AD
∠C =30°
∠B =105°
Gevraagd: hoe groot is ∠A1

Antwoord:

Kan gegeven worden als de leerlingen hebben geleerd dat de 3∠ van een Δ samen 180º zijn; dat de basishoeken van een gelijkbenige Δ gelijk zijn.
En dat de basis niet altijd de horizontale lijn is.
Ook het schrijven met de symbolen hoort erbij.

Te bewijzen:
De grootte van ∠A1

Bewijs:
Δ ABD is gelijkbenig. De tophoek is 105°; voor de andere 2 blijven 75° over:
∠A2 = ∠D2 = 75° : 2 = 37,5°
∠C = 30°  ∠B = 105°, samen 135° ; over voor ∠A1/2   45°, waarvan ∠A2  37,5°
→ ∠A1 = 7,5°

Wanneer de leerlingen de nevenhoekeigenschap kennen: de 2 nevenhoeken zijn samen 180°, dan is ∠D1  142,5°, samen met ∠B = 30° = 172,5°; voor ∠A1 blijft 7,5°over.

0-0-0

Gegeven: Δ ABC
AC = AB
∠B = 155º

Te bewijzen:
Hoe groot is ∠A1

Bewijs:
∠B1 = 180º – 155º = 25º
Δ ABC = gelijkbenig  ∠B1 = ∠C = 25º

∠A2 = 180º – (25º + 25º) = 130º
∠A1 = 180º – 130º = 50º

0-0-0

Gegeven:
Δ ABC
∠B1 = 115º
∠C1 = 60º

Bewijs:
De grootte van alle andere ∠∠

Bewijs:
∠B2 = 180º – 115º = 65º  (nevenhoeken samen 180º)
∠C2 = 60º  (overstaande ∠∠  gelijk)
∠A1 = 180 º- (65º + 60º) = 55º
∠A2 = 125º (nevenhoek)
∠C3 = 120º (nevenhoek)
∠C4 = 120º(overstaande ∠) (tevens nevenhoek)

0-0-0

Gegeven
lijnstuk a // lijnstuk b
∠A = 130º

Te bewijzen:
Grootte ∠B1

Bewijs:
Verleng b tot c
Er ontstaat een  Δ ABC


waarvan ∠A2 = 50º (nevenhoek)
∠C= 90º
∠B1 = 180º – (90º + 50º) = 40º

0-0-0

Gegeven
(O.A.) Δ AE2C , Δ BCF2

Te bewijzen:

Hoe groot is ∠ D2

Bewijs:

In Δ BFC =∠  F2 70º   (180 – 40 – 70)
∠ F1 is dan 110º  (180 – 70)
∠ D3 is dan 40º  (180 -110-30 = 40)
∠ D2 is dan 140º (180 – 40)

Je zou deze opgave kunnen uitbreiden met:

Bereken alle hoeken.
Wat weet je van Δ BD4E1
Gelijkbenig: ∠ D4 = 40º

Gegeven:

Lijnstuk a // b
∠ A1 = 70º
AC = BC

Te bewijzen:
Grootte van ∠ C2

Bewijs:
∠ A1 = 110º  (nevenh.)
∠ B1 dus ook
∠ B2 = 70º
Δ ABC = gelijkbenig
∠ A4 =∠ B2 (gelijke basishoeken)

∠ C4 = 40º  180º-(70º+70º)

∠ C4= ∠ C2 (overst. h)

∠ C2 = 40º

MET CIRKELS

Als je de oppervlakte hebt behandeld van bv. de rechthoek, het vierkant en de driehoek, en de stelling van Pythagoras, zijn daarmee ook opdrachten uit te voeren.
Steiner noemde verschillende keren ‘de abstractie van een rekensom’ als vaak een opgave ‘die buiten het leven staat’ – zijn verschillende keren gebruikte som om de gemiddelde leeftijd uit te rekenen van grootvader, vader en kleinzoon. Die leeftijd bestaat simpelweg niet.

Ook bij wiskunde sommen zou het mooi zijn als je opgaven kan geven die ‘in het leven’ voor kunnen komen.
Zo bv.:

Je hebt een vierkante plaat hout nodig van 75 x 75cm. In de schuur staat nog een ronde plaat hout met een diameter van 100 cm. Kan die vierkante plaat daaruit.

Je maakt een tekening:

BC = 100 cm
De straal (r) is 50cm.
Richt in A de loodlijn op. DE.
Verbind BDCE = vierkant.
DC = hypotenusa van DAC
Met Pythagoras de som van de kwadraten van DA en AC.
Die zijn 50: 2500 + 2500 = 5000.
Je moet 75 x 75 hebben, dat is 5625.
Te weinig: de plaat van 75 x 75 kan er niet uit.

(Eigenlijk hoef je deze tekening niet zo volledig te maken. Het zien van ADC is al genoeg. En als je gaat inzien dat je zo’n vraagstuk ook meteen rekenkundig kan oplossen, heb je geen tekening nodig: Het kwadraat van 75 is kleiner dan 2x het kwadraat van 50).

wordt voortgezet

.
Meetkunde klas 6: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas: alle beelden

.

3406-3204

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 302)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 302

Voordracht 2, Stuttgart 13 juni 1921

Blz. 36      vert. 35

Es ist wichtig, daß wir deshalb alle unsere temperamentvolle Grundlage zusammennehmen, um mit einem starken persönlichen Anteil den Kindern Geschichte beizubringen. Zur Objektivität hat das Kind noch Zeit genug im späteren Leben, die entwickelt sich schon im späteren Leben. Aber diese Objektivität schon in der Zeit anwenden, wo wir dem Kinde von Brutus und Cäsar zu sprechen haben, da objektiv sein wollen und nicht den Gegensatz, den Unterschied zwischen Brutus und Cäsar gefühlsmäßig gegenständlich machen, das ist ein schlechter Geschichtsunterricht. Man muß durchaus drinnenstehen, man muß nicht wild werden und toben, aber man muß einen leisen Anklang von Sympathie und Antipathie gegenüber dem Brutus und Cäsar offen darlegen, indem man die Sache darstellt. Und das Kind muß angeregt werden mitzufühlen, was man ihm selber vorführt. Man muß mit wirklicher Empfindung vor allen Dingen die Geschichte, Geographie, Geologie und so weiter vortragen. Das letztere ist insbesonders interessant, wenn man Geologie vorträgt und tiefstes Mitgefühl für das unter der Erde befindliche Gestein hat.

Daarom is het belangrijk dat we al het temperament dat we bezitten, verzamelen om de kinderen geschiedenisonderwijs te geven met een sterke persoonlijke betrokkenheid onzerzijds. Voor objectiviteit hebben de kinderen nog tijd genoeg in hun latere leven; die wordt in het latere leven heus wel ontwikkeld. Maar een dergelijke objectiviteit al aanleggen op het moment waarop we de kinderen over Brutus en Caesar vertellen, dan objectief willen zijn en niet de tegenstelling, het verschil tussen Brutus en Caesar voel­baar en tastbaar maken, dat is slecht geschiedenisonderwijs. Je moet er helemaal in staan; niet wild gaan doen en tekeer gaan, maar tijdens het vertellen van het verhaal een lichte sympathie en antipa­thie laten doorklinken ten aanzien van Brutus en Caesar. En de kinderen moeten gestimuleerd worden mee te voelen met wat we voor ze neer zetten. Echt met gevoel voor de dingen moet je vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, geologie enzovoort, behandelen. Dat laatste is vooral interessant: als je geologie geeft en daarbij het diepste medegevoel hebt voor het gesteente onder het aardopper­vlak.
GA 302/36
Vertaald/35

Voordracht 3, Stuttgart 14 juni 1921

Blz. 48   vert. 48

Nehmen wir an, ich erteile Geschichtsunterricht. Wenn ich Geschichtsunterricht erteile, werde ich genötigt sein, ja nicht äußerlich dem Kinde die Tatsachen vorzuführen; das fällt alles gewissermaßen weg. Ich muß es künstlich so einrichten, daß die Anpassung wiederum nunmehr an die Lebensvorgänge geschieht. Das kann ich in der folgenden Weise erreichen: Ich erzähle zunächst heute den Kindern die bloßen Tatsachen, die Tatsachen, die sich äußerlich im Raum und in der Zeit abspielen. Das packt wiederum den ganzen Menschen, wie das Experiment den ganzen Menschen packt, weil der Mensch genötigt ist, räumlich vorzustellen. Man soll darauf sehen, daß er räumlich vorstellt, daß er gewissermaßen so etwas, was ich ihm erzähle, kontinuierlich im Geiste sieht; auch zeitlich soll er vorstellen. Wenn ich dies gemacht habe, dann versuche ich, daran zu knüpfen ein wenig etwas über die Personen, die vorgekommen sind, oder auch über die Ereignisse, die vorgekommen sind, aber nicht indem ich tatsächlich erzähle, sondern anfange zu charakterisieren; also indem ich die Aufmerksamkeit auf dasjenige hinlenke, was ich zuerst hingestellt habe, aber jetzt etwas charakterisiere. Nachdem ich diese zwei Etappen gemacht habe, habe ich zuerst den ganzen Menschen angestrengt, und indem ich charakterisiert habe, habe ich gerade den rhythmischen Menschen angestrengt. Jetzt entlasse ich das Kind. Morgen empfange ich es. Da bringt es mir wieder die geistigen Photographien des am vorigen Tage Mitgemachten im Kopfe. Ich komme ihm entgegen, wenn ich

Laten we aannemen dat ik geschiedenis geef. Dan zal ik genood­zaakt zijn de kinderen niet zomaar uiterlijk de feiten te vertellen; dat verdwijnt in zekere zin allemaal. Ik moet er kunstmatig zó’n vorm aan geven dat het weer bij de levensprocessen aansluit. Dat kan ik op de volgende manier bereiken: om te beginnen vertel ik de kinderen vandaag de pure feiten, de feiten zoals die zich uiterlijk in ruimte en tijd afspelen. Dat behelst weer de totale mens, net als het experiment de totale mens inneemt, omdat de mens genoodzaakt is zich ruimtelijke voorstellingen te maken. Je moet ervoor zorgen dat de kinderen zich ruimtelijke voorstellingen maken, dat ze als het ware wat ik ze vertel continu in de geest voor zich zien; ook in de tijd moeten ze zich de dingen voorstellen. Als ik dat gedaan heb, probeer ik aansluitend daaraan iets te vertellen over de personen die opgetreden zijn, of ook wel over de gebeurtenissen die plaats­gevonden hebben, echter niet zó dat ik de feiten vertel, maar dat ik begin ze te karakteriseren. Dus ik richt de aandacht op dat wat ik eerst voor ze neer heb gezet, maar nu karakteriseer ik enigszins. Na deze tweede etappe heb ik eerst de totale mens aangesproken en doordat ik gekarakteriseerd heb, heb ik de ritmische mens ingespannen. Nu laat ik de kinderen gaan; morgen krijg ik ze weer. Dan brengen ze in hun hoofd weer de geestelijke foto’s mee van wat ze de vorige dag hebben meegemaakt. Nu kom ik hen tegemoet als ik

Blz. 49  vert. 48

so anknüpfe, daß ich jetzt mehr Betrachtungen darüber anstelle, zum Beispiel darüber, ob Mithradates oder Alkibiades ein anständiger Mensch war oder nicht, also mehr Betrachtliches. Ich muß dabei an dem einen Tag das mehr objektive Charakterisierende, am anderen Tag das Urteilende, Betrachtende darstellen, dann wirke ich dahin, daß sich die drei Glieder des dreigliedrigen Menschen tatsächlich in der richtigen Weise ineinander einfügen.

daar zó bij aansluit dat ik beschouwingen houdt bijvoorbeeld over de vraag of Mithradates, of Alkibiades een fatsoenlijk mens was of niet; dus meer beschouwend van aard. De ene dag moet ik dus meer objectief-karakteriserend vertellen, de volgende dag oorde­lend-beschouwend. Dan werk ik er naar toe dat de drie leden van de drieledige mens zich werkelijk goed in elkaar voegen.
GA 302/48
Vertaald/48

Blz. 52/53    vert. 52

Eine ganz andere Wirkung → Geographie hat der Geschichtsunterricht, der auf das Zeitliche geht und den wir nur richtig betreiben, wenn wir das Zeitliche ordentlich berücksichtigen. Wenn wir eigentlich nur Bilder im Geschichtsunterricht geben, so berücksichtigen wir das Zeitliche zu wenig. Sehen Sie, wenn ich einem Kinde über Karl den Großen erzähle, so wie wenn das sein Oheim wäre, der jetzt noch lebt, so führe ich eigentlich das Kind irre. Ich muß stets, wenn ich über Karl den Großen erzähle, den zeitlichen Abstand gegenwärtig machen, ich muß das so machen, daß ich sage: Stelle dir vor, du bist jetzt ein kleiner Junge, du ergreifst die Hand deines Vaters. – Da kann er sich etwas vorstellen darunter. Jetzt mache ich ihm klar, wieviel älter der Vater ist – und nun: der Vater ergreift die Hand seines Vaters, der wieder die Hand seines Großvaters und so weiter. So habe ich ihn um 60 Jahre hinaufgeleitet. Vom Großvater geht man weiter; und jetzt sage ich ihm: Stelle dir 30 hintereinander vor. – Ich habe ihm eine Reihe vorgestellt und klargemacht: Der 30. kann Karl der Große sein. – Dadurch bekommt er ein zeitliches Distanzgefühl. Nicht isoliert die Dinge hinstellen, sondern dieses Distanzgefühl erfassen, das ist wichtig, wenn richtiger Geschichtsunterricht erteilt werden soll.

Een totaal andere werking [ → aardrijkskunde] heeft het geschiedenisonderwijs, dat zich bezighoudt met de verschijnselen in de tijd en dat we pas goed geven als we de tijd goed in aanmerking nemen. Als we in het geschiedenisonderwijs alleen maar beelden geven, dan nemen we het tijdsaspect te weinig in aanmerking. Kijk, als ik een kind over Karel de Grote vertel alsof die zijn oom was die nu nog leeft, dan misleid ik het in feite. Als ik het kind over Karel de Grote vertel moet ik hem steeds de tijdsafstand bewust maken. Ik moet dat zo doen dat ik zeg: stel je voor dat je nu een kleine jongen bent en je pakt de hand van je vader vast. – Daarbij kan hij zich iets voorstellen. Nu maak ik hem duidelijk hoeveel ouder zijn vader is – en nu pakt de vader de hand van zijn vader vast, die weer de hand van zijn vader, enzovoort. Zo heb ik hem al zestig jaar in de tijd teruggevoerd. Van grootvader ga ik verder en zeg: stel je dat 30 keer achter elkaar voor. – Ik heb hem een reeks voor ogen gesteld en laten zien: de 30e daarvan kan Karel de Grote zijn. – Daardoor krijgt hij een afstandsgevoel in de tijd. De dingen niet geïsoleerd beschrijven, maar dat gevoel voor afstand te pakken krijgen, dat is van belang als we goed geschiedenisonderwijs willen geven.

Es ist durchaus notwendig, daß man auf charakteristische Unterschiede hinweist, wenn man verschiedene Zeitepochen behandelt, damit die Kinder eine Vorstellung bekommen, wie sich die Zeitabschnitte voneinander unterscheiden. Es handelt sich darum, daß das Geschichtliche vorzugsweise in der Zeitvorstellung, in der Zeitanschauung lebt. Das aber wirkt stark auf das Innerliche im Menschen, regt die Innerlichkeit des Menschen an. Und wenn wir den Geschichtsunterricht so treiben, daß er nicht die richtige Stellung einnimmt, sondern daß er das Innerliche auch noch in einer zu stark interessierten Weise ergreift, indem man gerade die landeskundliche Geschichte immer wiederum und wiederum tradiert und die fernerliegenden Ereignisse weniger betrachtet, also wenn man dem Geschichtsunterricht eine falsche Stellung gibt, wenn man zu sehr auf gewisse Dinge, falschen Patriotismus und dergleichen den Geschichtsunterricht einrichtet – ich glaube, die Beispiele werden Ihnen nicht allzuferne liegen -, dann wirkt man insbesondere auf das Eigensinnigwerden des Inneren, auf das Launischwerden des Inneren. Das ist eine Nebenwirkung. Und vor allen Dingen macht man dadurch die Menschen abgeneigt, den Welterscheinungen gegenüber objektiv zu sein. Und das ist ja das große Übel in

Het is absoluut nodig dat je op karakteristieke verschillen wijst als je de diverse tijdsperioden behandelt; zo kunnen de kinderen er een voorstelling van krijgen hoe die perioden van elkaar verschillen. Het gaat erom dat het geschiedkundige zich bij voorkeur beweegt in de voorstelling van de tijd, in het waarnemen van de tijd. Dat werkt namelijk sterk op het innerlijk van de mens, het inspireert de innerlijkheid van de mens. We kunnen echter zó geschiedenis geven dat dit vak niet de juiste plaats inneemt, dat het innerlijk van de kinderen veel te veel betrokken raakt doordat je speciaal de vaderlandse geschiedenis uit en te na bespreekt en vertelt, ten koste van de verder weg liggende gebeurtenissen; als je het geschiedenisonderwijs dus een verkeerde plaats geeft, als je de nadruk legt op bepaalde dingen, misplaatste vaderlandsliefde en dergelijke – ik geloof dat u de voorbeelden niet ver hoeft te zoeken -, dan bewerk je dat ze innerlijk eigenzinnig worden, dat ze humeurig worden. Dat is een bijwerking daarvan. En vooral wek je daardoor bij mensen weerstand op om objectief tegenover de wereldverschijnselen te staan.

Blz. 54  vert.  54

unserer Zeit. Das nicht gehörige Treiben der Geographie und das Treiben eines falschen Geschichtsunterrichtes im Verlauf dieses Zeitalters hat viel von dem bewirkt, was die große Krankheit unseres Zeitalters ist. Und wahrscheinlich werden Sie selber zurückdenken können, was Ihnen in der Geschichte zugemutet worden ist, und Sie werden daraus ersehen, wie schwer es Ihnen wird, mancher Erscheinung gegenüber zurechtzukommen.

Dat is de grote kwaal van onze tijd. Een verkeerde manier van aardrijkskunde en geschiedenis geven, die in het verloop van onze tijd zijn ontstaan, heeft veel van de zieke toestanden van dit tijdperk veroorzaakt. Waarschijnlijk zult u zich kunnen herinneren wat er van u in de geschiedenisles gevergd is, en u zult daaraan kunnen ervaren hoe moeilijk het is tot tal van verschijnselen een goede verhouding te vinden.
GA 302/54
Vertaald/48

.
Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3401-3199

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Doorverwijzing: enthousiaste leerkrachten over een prachtig onderwijsconcept

.

Vrijeschoolonderwijs op de Waldorfschool ‘Een evenredige ontwikkeling van denken, voelen en willen’

5/2/2025
.

Algemene menskundealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – boek van Paul v. Meurs

.

Het nieuwe boek van Paul van Meurs is uit!

Tekenen met Stockmarblokjes

Deel 3 uit de serie: Kleur Vorm en Lijn

Dit inspirerende werkboek laat je de veelzijdigheid ontdekken van tekenen met Stockmarblokjes. Paul deelt zijn uitgebreide kennis en visie op dit unieke materiaal.
Wat maakt dit boek zo bijzonder?
  • 18 technieken voor tekenen met Stockmarblokjes, met heldere uitleg.
  • Stapsgewijze oefeningen om direct aan de slag te gaan.
  • YouTube-video’s via QR-codes om technieken te leren.
  • Inspiratie voor tekenen vanuit kleur én zwart-wit voorbeelden om details en vormen te benadrukken.
  • Inclusief twee Stockmarblokjes om meteen te starten!
Paul: “Deze blokjes zijn veel meer dan materiaal – ze brengen ideeën tot leven en maken tekenen een plezier!”
Het boek is te bestellen bij: gestes.kunst @gmail.com
Prijs: 19,95 (exclusief verzendkosten)
Schilderen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Periodeonderwijs [3]

.

In 1960 bundelde de Zwitserse vrijeschoolleerkracht Willi Aeppli zijn ervaringen met de vrijeschoolpedagogie in het boek:

Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steinerschule*

Op deze blog staan er een paar hoofdstukken uit:  schrijven en heemkunde.

Hij schrijft [1950] ook een kort artikel over het periodeonderwijs:

Op Rudolf Steinerscholen worden de belangrijkste lessen in perioden gegeven. Gedurende langere tijd (drie tot zeven weken) wordt hetzelfde onderwerp elke ochtend van 8.00 tot 10.00 uur onderwezen. (Het eerste half uur van elke schooldag is gewijd aan spraakonderwijs en voordracht). Deze volgorde gaat terug op een suggestie van Dr. Steiner en is in de praktijk uitgeprobeerd in alle Rudolf Steinerscholen sinds hun oprichting.

Ten eerste zijn de periodelessen een weldaad voor de leerkracht. Het geeft hem de mogelijkheid om zich gedurende een aantal weken op één hoofdonderwerp te concentreren en zich grondig met de stof vertrouwd te maken. Hij kan de leerstof dan ook levendiger en vrijer dan in andere gevallen aan het kind presenteren.

Vanuit het oogpunt van het kind zijn is het periodeonderwijs bijzonder belangrijk.
Net als de leerkracht, zij het vanuit een heel ander bewustzijn, kan het zich vertrouwd maken met de wereld van een heel specifiek vakgebied zonder elke les en elke dag door een ander hoofdvak uit deze wereld gerukt te worden.
In het geval van lessen die elk uur gegeven worden, doet elke volgende les het effect van de vorige, wat kras gezegd, teniet.

Maar heeft het onderwijzen per periode aan de andere kant geen nadelig effect ? Wanneer een periode af is, duurt het vrij lang voor die opnieuw aan de beurt komt om verder te gaan waar we gebleven waren. Zijn de kinderen in deze lange tussenperiode niet op het onderwerp ingeslapen en zijn ze niet veel vergeten van wat ze eerder hadden opgenomen?
Het antwoord op deze vraag kan gebaseerd zijn op mijn ervaring, zij het een korte, dat het een grote zegen is voor het kind om iets voor langere tijd te mogen “vergeten”. Een weldaad niet alleen in uiterlijke zin bedoeld, want (en Rudolf Steiner wees ons erop dat we op deze verbanden moeten letten), dat wat in de ziels-geestelijke krachten van het kind is ontwikkeld door de lessen die tijdens een periode zijn gegeven, in het kind doorwerkt zonder menselijke tussenkomst, onbewust voor het kind zelf, en nog niet merkbaar voor de leraar. Juist omdat een bepaald vakgebied een langere periode rust krijgt, kan datgene wat in het kind gestimuleerd is door één lesperiode rijpen, getransformeerd worden. Deze stille, onopgemerkte rijping tijdens de rustperiode kan dan naar voren komen als een verdiept begrip wanneer hetzelfde onderwerp in een bepaald ritme terugkeert.
Deze rustperiodes tijdens de lessen hebben dus een soortgelijke betekenis en effect op de lessen zelf als slaap heeft op het dagbewustzijn van een persoon. Het kind is als het ware dankbaar wanneer het niet voortdurend in spanning wordt gehouden door alle onderwerpen die worden onderwezen.
Periodelessen geven ze een reden om minder gespannen te raken.

.

Willi Aeppli ‘Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steiner-Schule


Rudolf Steiner over periodeonderwijs

Periodeonderwijs [1]   [2]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3394-3192

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

De serie ‘de wereld is waar…'[Algemene menskunde [9-5was tot nog toe vooral op de 7e, 8e klas gericht.

Maar wat kun je doen in bv. klas 11 of 12.

Ik ga even terug naar de jaren 1970 toen ik in Den Haag op de vrijeschool begon.
Het was toen de gewoonte dat er in de paasvakantie met de 12e klas een studiereis naar Stuttgart werd gemaakt. Ik werd een aantal keren meegevraagd.
In een kleine week maakten de leerlingen (en ik!) kennis met antroposofische werkgebieden: we brachten een bezoek aan de Weleda- en Walafabrieken; bezochten een biologisch-dynamische boerderij; een heilpedagogisch instituut en er kwamen mensen over hun werk vertellen, waaronder, herinner ik me de artsen Walther Bühler en Leen Mees.

De achterliggende gedachte was te laten zien dat er mooi werk was te doen in het zgn. ‘alternatieve circuit’, zoals dat toen nog heette.

Door hoe de wereld nu is, komen we er steeds meer achter dat het alternatieve van toen, eigenlijk de normale norm zou moeten zijn. Dat zou op het gebied van de landbouw m.n. Nederland een totaal ander aanzien hebben gegeven: geen stikstofcrisis, niet het verdwijnen van biodiversiteit, achteruitgang van waterkwaliteit enz.

Het zal nog wel even duren – de meeste mensen volharden liever in het oude dan radicaal, nu de nood aan de mens is, anders te gaan denken – voordat de gangbare methodes als een slecht alternatief worden beschouwd.

Je hoeft nu met een 11e, 12e klas niet meer naar Duitsland. Nederland heeft prachtige voorbeelden van wat als gevolg van anders-denken is ontstaan: de landbouwschool Warmonderhof, de Weledafabriek in Zoetermeer, diverse zorgboerderijen, akkerbouwbedrijven enz.

Ik weet niet hoe de praktijk op de bovenbouwen is. Bezoeken de leerlingen deze initiatieven, horen zij over de idealen die de wereld ‘meer waar maken’.
Zijn er leraren die deze idealen in het hart dragen en ze vandaar uitstralen naar de bijna volwassen mens?
Verlaat deze de school met ook andere inzichten?….

Hoe kom je aan die idealen als je ‘via, via’ eens op de vrijeschool aan het werk bent gegaan en ook in die hogere klassen les moet geven (onder examendruk?)

In de reeks ‘De wereld is waar…’ vind je al veel waar je enthousiast over kan worden.

In dit (studie)artikel vind je voor de landbouw ideeën uitgewerkt waarvan we nu – tegen de achtergrond van de huidige crisis – kunnen zeggen dat ‘de waarheid’ wel dichterbij is gekomen. 

Ik beschik helaas over te weinig in formatie om voorbeelden te kunnen geven van hoe bovenbouwleraren, bv. zij die economie of maatschappijleer geven, hun idealen behorend bij ‘de wereld is waar..’ in de lessen en gesprekken met de leerlingen kunnen verwoorden. 

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3388-3186

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

In haar ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ besteedt Mellie Uyldert ook aandacht aan ‘dansen’.
In de inleiding tot ‘de dans’ vind je haar gezichtspunten.

Ze behandelt een aantal kringspelen, deze bv. rangschikt ze onder ‘Spelen van dood en de andere wereld’
w.o.:

HIER IS ’T GROEN

De kinderen staan in een kring. Een of twee kinderen lopen binnen in de kring zoekend langs de anderen. Daarbij maken ze de gebaren die in de tekst van het liedje voorkomen.

Bij: Draai je eens om! blijven de twee staan voor het kind waar ze juist aan toe gekomen zijn, maken een gebaar van draaien met de hand, terwijl het stilstaande kind zich omdraait, en kijken geïnteresseerd of zij het is.

Bij: Nee, nee! maken ze een afwijzend gebaar en gaan verder.
Het volgende kind dat zich omdraait, blijkt het wél te zijn, en bij de regel: En boven op de bergen’ pakken zij elkaar kruiselings bij de handen en dansen samen rechtsom, terwijl de kinderen van de kring op de maat in de handen klappen.

Variatie: de paren gaan binnen in de kring dansen en de kringkinderen huppelen achter elkaar aan met handen klappen. Bij de herhaling dansen en huppelen de kinderen naar de andere kant, dus links om.

Hier is ’t groen, daar is ’t groen, onder mijne voeten,
’k heb verloren m’n beste vriend,
’k zal hem zoeken moeten!
Zoek ik hier, zoek ik daar,
onder jullie allen
is er zeker toch wel een,
die mij zal bevallen!
Draai je ’s om, want ik ken je niet,
ben je het wel of ben je ’t niet?
Nee, nee, je bent het niet!
Keer je maar om, want ik ken je niet!
Draai je eens om, want ik ken je niet,
ben je ’t wel, of ben je ’t niet?
Ja, ja! Ik zie het goed,
dat jij met me dansen moet!

Dit 2x:

En – boven op de bergen,
simperdesim sim sim,
dansen alle dwergen,
simperdesim sim sim! 

De muziek

Dit spelletje is ook, als Twentse boerendans, bekend met een andere tekst:

Wat is ’t nat! Wat is ’t nat! onder mijne voeten,
uitverkoren, uitverkoren, waar zal ik je zoeken?
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal.
Nee, nee, je bent het niet,
draai je maar om, want ik ken je niet!
Een van deze meisjes dan,
die ik ’t eerste kiezen zal!
draai je maar om, wan ik ken je wel!
draai je om, ik ken je wel!
Hier m’n lieve vrouwtje, ik geef de hand aan jou!
Je zal me niet verlaten, en daarom kies ik jou!

De eerste tekst, waaraan wij persoonlijk de voorkeur geven, lijkt meer op de overeenkomstige Duitse. (Hier ist grün!)

Verklaring

Voor Uyldert is degene die binnen de kring loopt een levende ziel die in het dodenrijk afdaalt om er de geliefde te zoeken die door de dood verloren is gegaan. Hij gaat over het groen der graver en hij waadt – wat is ’t nat! – door de rivier der vergetelheid, of hij steekt die over, gebruik makend van de haardunne brug Bifrost – waarbij hij zelf zijn doel bijna vergeet. Maar zijn verlangen drijft hem voort.
Hier citeert ze: 

Aegidius, waar bestu bleven?
Mi langt naar di, geselle mijn!

En ze noemt Orpheus die Euridyce zoekt onder de schimmen. Is zij al een schim of is zij in Vrouw Holle’s rijk slechts verdwaald? Schimmen zijn van achteren hol, en hij laat elk meisje zich omdraaien, om te zien of zij de echte is!

Of is de geliefde enkel onder de dwergen terecht gekomen? Dan bevindt zij zich in het etherische rijk; daar wordt de mensenwereld vergeten. Is hij haar daar gaan verlossen – waarop de dwergen vrolijk in de maneschijn meedansen?

In het tweede versje danst het paar in de groene wei van Vrouw Holle. Is het de gestalte van de verloren geliefde, waar men mee danst – of is het de gedaante van de eigen ziel, die in de droomtoestand van het bewustzijn na de dood wordt ontmoet?

Zie hier

En hier voor een andere uitleg.
.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3382-3180

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Oudjaar – oliebollen

.
Martine Kamsma NRC 30-12-2023

.

oliebollen
.

De oliebol hoort in Nederland bij Oud en Nieuw zoals pepernoten bij Sinterklaas horen. Maar waarom? En is dat altijd zo geweest?

Eerst de afbakening van wat een oliebol of oliekoek nu eigenlijk is.
Karel Knip schreef in NRC al eens dat de oliekoek definitief een oliebol ging heten toen de frituurpan het eind negentiende eeuw overnam van de koekenpan. Culinair historicus Lizet Kruyff begint bij de oliekoek en spreekt van in olie of smout (reuzel of raapzaadolie) gebakken koeken, met een verspreidingsgebied van pakweg Texel tot aan de Marne in Frankrijk. Daar waar grofweg de Lage Landen ophielden, ligt ook de oliebollengrens, of smoutebol, zoals-ie in het Vlaams heet. „Dat zie je nog steeds, tot in Reims staan er oliebollenkramen op straat, daarna houdt het op”, weet Kruyff, die een huis aan de Marne heeft en daar een deel van het jaar woont.

De eerste Nederlandse benamingen voor oliekoek, komen uit de zestiende eeuw, valt op Wikipedia te lezen. De oliekoek uit de Vorstermanbijbel (1528) zou een vertaling zijn uit het Sefardisch, voor een gefrituurde krentenbol die volgens Wiki „een rituele functie” had. De Sefardische joden hadden die oliekoek met krenten tijdens de inquisitie meegenomen van het Iberisch schiereiland.

Dat betekent niet dat hier eerder geen oliekoeken werden gebakken. Waarschijnlijk waren het de Romeinen, zegt Kruyff, die een baksel meenamen naar de Lage Landen dat je als de moeder aller oliebollen kunt zien: de globi. Cato de Oude schreef in de tweede eeuw voor Christus over de deegbolletjes die als streetfood in kramen werden gefrituurd. Kruyff: „Als je in een stad als Rome woonde, kon je niet zomaar een vuurtje stoken, daarom kwamen er straatkraampjes.”
Beignets, churros, donuts en oliebollen zijn allemaal afstammelingen van die Romeinse globi.

In het Dordrechts Museum hangt een schilderij van Albert Cuyp uit 1652 van een vrouw met een aardewerken pot vol oliebollen. Dat straalt iets heel alledaags uit. In die tijd gingen er nog lekker veel specerijen in: kaneel, gember en ‘weynigh nagelen’, volgens het kookboek ‘De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster’. Maar ook dat was niks elitairs. Alle gerechten waren toen veel kruidiger.

Oliebollen waren al kermis-eten, als oud-en-nieuwsnack zijn ze een recenter fenomeen. Kruyff: „Halverwege de negentiende eeuw werd Kerstmis in Duitsland naast een kerkelijk ook een huiselijk feest. Trendsetters waren koningin Victoria en haar Duitse gemaal Albert.”
Nederlanders namen dat over, met alle zoetwaren van dien. „En zoals dat gaat, dan plak je Oud en Nieuw daaraan vast.

Als je om twaalf uur de straat op ging om nieuwjaarswensen uit te wisselen, vroeg je de buren binnen voor een oliebol.
Een ritueel om een voorspoedig nieuwjaar af te dwingen?
Zoals de Sefardische oliebol mogelijk ook een rituele functie had?

Zo ziet Kruyff het toch niet. „Als we iets niet begrijpen, noemen we het al snel een ritueel. Gezellige burgertruttigheid, daar hoort het bij. En zo’n vette hap dempt de alcohol meer dan fantastisch.”

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3370-3169

.

.

.

.